Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201421501-02 nr. 1308

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1308 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 december 2013

Bij de regeling van werkzaamheden van 20 november jl. heeft uw Kamer verzocht om een brief over de salarissen en pensioenen van ambtenaren die werkzaam zijn bij de Europese instellingen. In deze brief ga ik in op de tijdens het ordedebat gestelde vragen.

Salarissen

De heer Omtzigt herhaalde zijn vraag naar het aantal EU-ambtenaren dat meer verdient dan de Minister-President. Voor mijn reactie op deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van 1 februari jl. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 1477), het verslag van mijn gesprek met commissaris Šefčovič (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1256), mijn brief van 29 mei jl. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1261) en het debat dat ik hierover met uw Kamer had op 29 mei jl. Zoals ik heb toegezegd tijdens dat debat ben ik met commissaris Šefčovič in gesprek gegaan over de mogelijkheid om een juiste salarisvergelijking te maken met andere internationale organisaties. Zoals bekend is dit een gecompliceerde vergelijking waarbij de Europese Commissie de benodigde zorgvuldigheid in acht zal willen nemen. Ook onder een nieuw samengestelde Commissie zal ik hier aandacht voor blijven vragen. Het Kabinet zou tevens graag zien dat het Europees Parlement actiever wordt op dit dossier.

De heer Omtzigt vroeg tevens naar de manier waarop EU-lidstaten ervoor zullen zorgen dat de salarissen voor EU-ambtenaren op een redelijk niveau komen. In juli zijn de onderhandelingen over de herziening van de arbeidsvoorwaarden voor EU-personeel afgerond (EU-ambtenarenstatuut). Hoewel er sprake is van enige versobering van de toelagen, pensioenen (verhoging pensioenleeftijd) en salarissen (twee jaar nullijn), schiet het totaalpakket volgens het kabinet te kort. Ondanks de steeds stevige inzet van het kabinet op dit dossier, staat de hervorming van het EU-ambtenarenstatuut in schril contrast met hervormingen in lidstaten zelf.

Nederland en vier andere lidstaten hebben daarom tegen het nieuwe EU-ambtenarenstatuut gestemd en daarbij in een stemverklaring hun ongenoegen uitgesproken over het tegenvallende resultaat. Andere lidstaten vonden het compromis wel aanvaardbaar, evenals het Europees Parlement dat met een ruime meerderheid heeft ingestemd met de uitkomst van de onderhandelingen. Met uitzondering van de Hofzaken over EU-salarissen (zie toelichting hieronder) zijn er op korte termijn geen ontwikkelingen te verwachten.

Pensioenen

De heer Omtzigt vroeg hoe het met de pensioenvoorziening voor EU-ambtenaren is gesteld. De pensioenvoorziening van het EU-personeel is van oudsher gebaseerd op een statutair eindloonstelsel dat direct uit de EU-begroting betaald wordt. Er is dus geen sprake van kapitaaldekking. Sinds 2004 werkt de pensioenregeling als een denkbeeldig fonds: de pensioenpremies worden berekend alsof er wel belegd zou zijn. Hierbij wordt twee derde van het fonds toegerekend aan bijdragen van de werkgever (i.c. de EU-begroting) en een derde aan bijdragen van het personeel. Nederland heeft zich destijds verzet tegen deze theoretische benadering.

Om het evenwicht van de EU-pensioenregeling te garanderen past de Raad (gekwalificeerde meerderheid) jaarlijks het percentage voor de personeelsbijdrage aan op basis van een voorstel van de Europese Commissie en een verslag van Eurostat. De Commissie heeft voorgesteld om de pensioenpremie voor 2013 te verlagen met 0,3%-punt naar 10,3% van het basissalaris. Nederland heeft geen steun verleend aan deze premieverlaging en die van voorgaande jaren, vanwege principiële bezwaren met de berekeningswijze. Nederland dringt er steeds op aan dat een onafhankelijke actuaris de werkelijke kostenontwikkeling in beeld brengt.

Hofuitspraak salarisgeschil

De heer Van Bommel vroeg naar de achtergrond en de gevolgen van de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU in het salarisgeschil tussen de Raad en de Europese Commissie. Kern van de Hofzaak was de vraag of Raad verplicht was om het Commissievoorstel voor de salarisaanpassing in 2011 over te nemen. De Commissie had volgens de standaard berekeningsmethode (EU-ambtenarenstatuut) een stijging van 1,7% voorgesteld. Deze salarismethode weegt de veranderingen in de kosten van levensonderhoud in Brussel en de salarisontwikkeling van nationale ambtenaren in acht vaste referentielanden (waaronder Nederland). De methode leidt tot een automatische salarisaanpassing, in die zin dat de Commissie noch de Raad discretionaire ruimte heeft om de uitkomst van de berekening aan te passen.

Het EU-ambtenarenstatuut kende echter een uitzonderingsbepaling die het mogelijk maakt om af te wijken van de salarismethode in geval van een ernstige en plotselinge verslechtering van de economische omstandigheden. De Raad had er bij de Commissie op aangedrongen om vanwege de economisch crisis gebruik te maken van die uitzonderingsbepaling. De Commissie stelde echter dat de economische analyses daarvoor onvoldoende aanleiding gaven. Vanwege dit geschil heeft de Raad de salarisstijging van 1,7% niet geëffectueerd. Daarna maakten zowel de Raad als de Commissie deze kwestie aanhangig bij het Hof.

Het Hof heeft geoordeeld dat het aan de Raad is, en niet de Commissie, om te beoordelen of er sprake is van een economische crisis, en er dus van de salarismethode mag worden afgeweken. In de redenering van het Hof moet de Commissie vervolgens een nieuw en beargumenteerd voorstel doen voor de aanpassing van de salarissen. Daarbij moet zij rekening houden met die conclusie van de Raad en de uitzonderingsbepaling van het Statuut op grond waarvan de Raad kan afwijken van de salarismethode. In deze procedure zou het Europees Parlement meebeslissen. Het Hof overweegt dat de Commissie bij die voorstellen een eigen beoordelingsmarge heeft en naast de sociaal-economische situatie ook andere factoren zoals human resources management mag meewegen. Het is op dit moment niet bekend wat de Europese Commissie naar aanleiding van deze uitspraak zal doen. Nederland heeft in deze Hofzaak actief aan de zijde van de Raad geïntervenieerd. Over de salarisstijging voor 2012 hebben de Raad een Commissie een vergelijkbaar geschil. Over die kwestie moet het Hof zich nog uitspreken.

De uitspraak heeft geen betekenis voor het nieuwe Ambtenarenstatuut (vanaf 2014), omdat de uitzonderingsbepaling daarin sterk is gewijzigd. Vanaf 2014 geldt de regel dat de salarisaanpassing die uit de salarismethode volgt automatisch wordt gematigd en uitgesteld indien het EU bbp krimpt (waarbij de matiging van de salarisverhoging afhankelijk is gemaakt van de mate van economische krimp).

De Minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans