21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1256 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 mei 2013

Hierbij bied ik u het verslag aan van de Raad Algemene Zaken van 21 mei 2013.

De minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans

VERSLAG RAAD ALGEMENE ZAKEN 21 MEI 2013

Meerjarig Financieel Kader

De Raad Algemene Zaken (RAZ) besprak de voortgang van de onderhandelingen met het Europees Parlement (EP) over het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Centraal in de onderhandelingen staat de mate van flexibiliteit van het MFK, de mogelijkheid voor een tussentijdse herziening (midterm review), een politieke routekaart voor een eventuele toekomstige aanpassing van het Eigen Middelensysteem en een politieke uitspraak over eenheid van budget. Tijdens de RAZ kwam ook nadrukkelijk het recente akkoord over de aanvullende begroting 2013 aan de orde.

Het EP had te kennen gegeven dat het recente akkoord voor de aanvullende begroting van 7,3 miljard onvoldoende is en dat het eveneens een politiek akkoord wenst ten aanzien van de resterende 3,9 miljard die deel uitmaakten van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie. Daarnaast handhaaft het EP haar wensen ten aanzien van het MFK.

Voorafgaand aan de RAZ vond overleg plaats met enkele gelijkgezinde lidstaten (Duitsland, Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk). Deze landen, gesteund door enkele andere lidstaten, zijn van mening dat binnen het MFK slechts een beperkte mate van flexibiliteit mogelijk is. Net als verschillende andere landen legde Nederland tijdens de RAZ nadrukkelijk een verband met het akkoord van 7,3 miljard voor de aanvullende begroting 2013. Nederland sprak zijn teleurstelling uit over dit bereikte akkoord en gaf aan dat dit de ruimte voor onderhandelingen over het MFK vermindert. Nederland benadrukte dat het politieke akkoord in de Ecofin-raad over de aanvullende begroting afhankelijk is van een overeenstemming tussen Raad en EP over het MFK. Veel landen gaven aan in te kunnen stemmen met meer flexibiliteit, waarbij sommige landen wel aangaven deze begrensd te willen zien.

Ten aanzien van de overige elementen van de onderhandelingen was er meer overeenstemming. Wel twijfelden verschillende landen aan het nut om na drie jaar alweer opnieuw te onderhandelen over het MFK in een midterm review. De meeste cohesielanden gaven aan een dergelijke review wel te kunnen accepteren, mits deze geen (negatieve) gevolgen zou hebben voor de gealloceerde middelen. Ten aanzien van de routekaart voor Eigen Middelen gaven verschillende landen, waaronder Nederland, steun aan het proces, zolang niet vooruit werd gelopen op de uitkomst van de discussie.

Voorbereiding Europese Raad 22 mei a.s.

Energie

De Raad sprak ter voorbereiding van de Europese Raad over energie. De belangrijkste elementen van de discussie waren het vervolmaken van de interne energiemarkt, het verbeteren van energie-efficiëntie, het faciliteren van investeringen en diversificatie van bronnen. Het belang van deze onderwerpen werd door de ministers onderschreven, waarbij door sommige lidstaten bijzondere aandacht werd gevraagd voor meer investeringen in interconnecties tussen de veelal nationale energiemarkten. Daarnaast werd door sommige ministers ruimte gevraagd voor overheidssteun voor de ontwikkeling van CO2-vrije energie.

Ministers waren het er over eens dat betaalbare en beschikbare energie essentieel is voor de Europese economie. Tijdens de discussie in de Raad werd duidelijk dat lidstaten verschillende accenten zetten ten aanzien van toegang tot energie vanuit een sociaal perspectief en energiezekerheid. In de visie van het kabinet moet Europa een goede balans vinden tussen deze doelen. De agendering op de Europese Raad biedt een goede gelegenheid om over deze aspecten op hoofdlijnen van gedachten te wisselen. De technische aspecten komen aan de orde in de Energie- en Milieuraden. De eerstvolgende Energieraad waar in meer detail over de totstandkoming van de interne energiemarkt zal worden gesproken vindt plaats op 7 juni a.s.

Nederland benadrukte in de Raad het belang van voortgang bij de totstandkoming van de interne energiemarkt. Daarnaast heeft Nederland gepleit voor meer marktwerking bij het stimuleren van duurzame energie. Het kabinet is van mening dat fragmentatie van subsidiesystemen moet worden voorkomen en dat de markt de meest kosteneffectieve technologie moet selecteren.

Belastingen

In de Raad bestond brede steun voor de concept ER-conclusies op belastingen. Zoals verwacht ging in de discussie bijzondere aandacht uit naar automatische informatie-uitwisseling. De meeste lidstaten spraken in hun interventies steun uit voor het initiatief van vijf lidstaten (de «G5»: Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Spanje en Italië) voor een pilot om onderling automatisch gegevens uit te wisselen over relevante inkomensstromen. Een aantal lidstaten benadrukte verder het belang van aansluiting bij het werk van andere internationale organisaties op dit terrein, in het bijzonder de OESO-initiatieven. Nederland wees op het feit dat het subsidiariteitsbeginsel en de bevoegdheden van de Raad en de lidstaten op het gebied van belastingen gerespecteerd moeten blijven.

Het merendeel van de lidstaten bestempelde een akkoord op de aangescherpte spaartegoedenrichtlijn als prioriteit, om zo belastingheffing te verzekeren op inkomsten uit spaartegoeden in een andere lidstaat. Op grond van deze richtlijn informeren de meeste belastingdiensten van de EU elkaar op automatische basis over grensoverschrijdende rentebetalingen aan natuurlijke personen binnen de EU. Luxemburg en Oostenrijk vormen (wegens hun bankgeheim) uitzonderingen hierop en uitten tijdens de Raad bezwaren tegen de aanscherping.

Op het BTW anti-fraude pakket, bestaande uit het Snelle Reactiemechanisme (SRM, tijdelijk mechanisme tegen plotse massieve BTW fraude) en andere anti-fraude maatregelen, liepen de meningen van lidstaten enigszins uiteen. Hoewel het belang van dit pakket door de meeste lidstaten werd erkend, achtten sommige lidstaten meer tijd nodig voor onderhandelingen hierover.

Voor wat betreft de Gedragscodegroep inzake de belastingregeling voor ondernemingen, die volgens het kabinet goed werk verricht, heeft Nederland aangegeven dat het geen noodzaak ziet voor verdere uitbreiding van het mandaat.

Voorbereiding Europese Raad 27-28 juni a.s.

De Raad liep aan de hand van de geannoteerde agenda de onderwerpen langs voor de ER van 27-28 juni. De ER zal zich eind juni buigen over een breed scala aan onderwerpen: Het Europees Semester en de landenspecifieke aanbevelingen, de uitvoering van het Pact voor groei en banen, Smart Regulation, de Europese Monetaire Unie (coördinatie nationale hervormingen, sociale dimensie, lidstaatcontracten), de bankenunie en de aanvraag van Letland voor toetreding tot de Euro. Een uitgebreidere discussie aan de hand van de ontwerpconclusies zal plaatsvinden voorafgaand aan de ER, tijdens de RAZ van 25 juni.

De Commissie gaf aan dat zij in het kader van het Europees Semester de landenspecifieke aanbevelingen op 29 mei a.s. in concept zal uitbrengen. De ER van juni zal deze vervolgens bekrachtigen. Ten aanzien van de implementatie van het Pact voor Groei en Banen zal de ER van juni op basis van een overzicht van de Commissie spreken over de voortgang.

Follow up Europese Raden

De Raad nam nota van een rapport van het voorzitterschap over de uitvoering van conclusies van Europese Raden. Met het oog op de verantwoordelijkheid van de Raad Algemene Zaken voor de implementatie van Europese Raadsconclusies zal dit voortgangsoverzicht periodiek worden geagendeerd.

Overig

Tijdens het AO RAZ van 15 mei jl. heb ik toegezegd bij mijn Franse en Duitse collega’s te informeren naar een Duits-Frans initiatief voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid. Deze bevestigden dat er op 28 mei a.s. in Parijs een conferentie plaatsvindt over de aanpak van jeugdwerkloosheid in de zuidelijke lidstaten. Aan deze conferentie nemen diverse andere (oud)politici deel, waaronder de Duitse en Franse ministers van Werkgelegenheid en leden van het Europees Parlement. Er zou geen sprake zijn van nieuwe initiatieven bovenop de voorstellen die Nederland in EU-verband al heeft omarmd.

Bij de regeling van werkzaamheden van 16 mei jl. heeft uw Kamer vragen gesteld over de aanvullende EU-begroting voor 2013. Op de vragen die aan de orde zijn gesteld door het lid Pechtold ontving uw Kamer op 17 mei jl. een reactie (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1059). Deze brief gaat in op de twee aanvullende vragen die het lid Omtzigt stelde over mogelijke bezuinigingen in categorie 4 (extern beleid) en over de kosten van het nieuwe gebouw voor de Raad en de Europese Raad (het Europa-gebouw).

Conform mijn toezegging (AO RAZ van 15 mei jl.) informeer ik uw Kamer in deze brief tevens over het gesprek dat ik 22 mei jl. met commissaris Sefčovič had naar aanleiding van de vragen van de heer Omtzigt over de salarissen van ambtenaren bij de Europese Commissie.

Categorie 4: extern beleid

Navraag leert dat de actuele uitputting (stand 13 mei) van het budget voor 2013 (betalingen) in deze uitgavencategorie ongeveer 39% behelst. Vorig jaar omstreeks deze tijd was dat 30%. In 2012 werd uiteindelijk 99% van het budget uitgeput. Het is daarom te vroeg om te stellen dat in 2013 middelen zullen overblijven. Overigens moet vanwege het meerjarige karakter een onderscheid gemaakt worden tussen betalingen en vastleggingen. Voor een belangrijk deel betreffen de betalingen die in 2013 zijn begroot vastleggingen (verplichtingen) die de EU in eerdere jaren is aangegaan.

Het lid Omtzigt vroeg specifiek naar de steun van de Europese Unie aan Mali. Deze middelen zijn voornamelijk afkomstig uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF). Het EOF vloeit voort uit de Partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de landen in Afrika, de Cariben en de Stille Oceaan (ACS-landen). Dit fonds staat buiten de EU-begroting. De activiteiten die de EU in Mali financiert die wel lastens de EU-begroting 2013 komen, betreffen noodhulp (€ 42 miljoen), een bijdrage uit het stabiliteitsinstrument (€ 20 miljoen) en een bijdrage uit het Democratiserings- en Mensenrechteninstrument (€ 1,2 miljoen in 2013).

Kosten Europa-gebouw

In maart 2004 nam de Europese Raad het principebesluit over de (ver)bouw van de nieuwe huisvesting voor de Raad en de Europese Raad. In november 2005 stemde de Raad in met een maximumbudget van € 240 miljoen (waarde 1 januari 2004). Ook werd overeengekomen om dit bedrag jaarlijks te indexeren aan de ontwikkeling van de arbeids- en materiaalkosten. Uitgedrukt in prijzen van 2013 bedraagt het budget thans € 331 miljoen. Volgens de huidige inzichten zal het gebouw binnen het afgesproken budget gerealiseerd worden.

Arbeidsvoorwaarden EU-ambtenaren

In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Omtzigt over de arbeidsvoorwaarden van EU-ambtenaren (Aanhangsel Handelingen II 2012/13, nr. 1477) heb ik beargumenteerd waarom een vergelijking tussen het nettosalaris van de minister-president en dat van Commissie-ambtenaren zeer ingewikkeld is, en dat de fout van appels met peren vergelijken hier snel gemaakt is. Daarom heb ik toegezegd dat ik hierover met de Europese Commissie in contact zou treden.

Na eerdere kortere contacten besprak ik op 22 mei jl. uitgebreid met commissaris Sefčovič (verantwoordelijk voor de administratieve uitgaven) vanuit meerdere invalshoeken over de volle breedte van de discussie over EU-ambtenarensalarissen. Daarbij hebben wij nogmaals over de (netto)salarissen gesproken. Ik aanvaard dat een netto-netto vergelijking tussen het Nederlandse salaris en dat van een EU-ambtenaar werkzaam en woonachtig in een ander land, onderhevig aan onderscheiden belastingregimes en ongelijke sociale stelsels, zeer ingewikkeld is. Tegelijkertijd wijs ik met stelligheid af dat de salarissen van EU-ambtenaren los zouden staan van de situatie met betrekking tot de salarissen van overheidsdienaren in de lidstaten. Als deze salarissen elders in de Unie onder druk van de crisis aangepast worden, dan dient dat evenzeer te gelden voor de salarissen van EU-ambtenaren. Ik heb ook de noodzaak benadrukt om de buitenlandtoelage af te bouwen voor ambtenaren die permanent in Brussel werkzaam zijn. Ik heb er bij commissaris Sefčovič nogmaals op aangedrongen dat de herziening van het EU-ambtenarenstatuut een vergaande versobering moet opleveren, zodat de arbeidsvoorwaarden voor Europese ambtenaren in de pas gaan lopen met ontwikkelingen in de lidstaten. De salarisontwikkeling moeten zichtbaar in lijn worden gebracht met die van nationale ambtenaren. Daarnaast heb ik erop gewezen dat een vergelijking met andere internationale organisaties en instellingen moet worden gemaakt. Ik heb ook onderstreept dat deze kwesties breed in de samenleving leven en schadelijk zijn voor het draagvlak voor Europese samenwerking.

Inhoudelijk werden commissaris Sefčovič en ik het niet eens. Wij hebben echter wel een dialoog opgestart die ik wil benutten om commissaris Sefčovič te steunen in zijn onderhandelingen met het Europees Parlement en de vakbonden over de herziening van het EU-ambtenarenstatuut. Daarmee is de problematiek niet direct opgelost, maar wel bespreekbaar geworden en is er een begin van het aanpakken hiervan. Daarover was commissaris Sefčovič het met mij eens.

Naar boven