Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201121501-02 nr. 1079

21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken

Nr. 1079 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 20 juli 2011

Binnen de vaste commissie voor Europese Zaken1 bestond bij vijf fracties de behoefte de minister en de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken enkele vragen en opmerkingen voor te leggen aangaande de brief van de minister en de staatsecretaris van Buitenlandse Zaken d.d. 9 juli 2011 inzake de geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken van 18 juli 2011 (kamerstuk 21 501-02, nr. 1076).

De minister en de staatssecretaris hebben op de vragen en opmerkingen geantwoord bij brief van 15 juli 2011. De vragen en opmerkingen van de fracties en de antwoorden van de minister en de staatssecretaris zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Knops

De griffier van de commissie,

Van Keulen

Meerjarig Financieel Kader

De leden van de fractie van de PVV nemen er kennis van dat de Europese Commissie bekend heeft gemaakt dat zij de meerjarenbegroting voor de jaren 2014 tot 2020 wil opschroeven tot 1 083 miljard euro. Europa wil meer eigen Europese middelen zoals belasting op financiële transacties en een Europese BTW. Dit zijn bedroevende, en voor de PVV absoluut onbespreekbare voorstellen. Brussel moet niet kijken naar hoe ze meer geld binnenkrijgt, maar hoe zij minder geld gaat uitgeven. De Europese Commissie wil ook andere nadruk in de begroting gaan leggen. Zo wil ze minder aan landbouw geven, maar meer voor onderzoek en innovatie, infrastructuur en veiligheid reserveren. De PVV zou graag willen weten hoe deze intentie zich verhoudt tot het op de rails willen houden van geldverslindende prestigeprojecten als Galileo. Is de staatssecretaris het eens dat men zich dan daadwerkelijk zou moeten richten op innovatie en dus niet op het stoppen van kostbare subsidies in zinloze milieuprojecten en CO2-angsthazerij? Zou de EU volgens de staatssecretaris niet afkunnen met minder EU-instanties zoals bijvoorbeeld het Comité van de Regio’s, het Economisch-Sociaal Comité en het «European Centre for Disease Control», dat al jaren onder vuur van de Europese Rekenkamer ligt? Wat de Partij voor de Vrijheid betreft, toont de Commissie met haar voorstellen aan dat de Europese toegevoegde waarde slechts bestaat in nog meer geldsmijterij waarop Nederland op dit moment absoluut niet zit te wachten.

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet is het met PVV-fractie eens dat de EU-begroting zich meer op innovatie zou moeten richten. In de visie van het kabinet, zoals deze maart jl. aan uw Kamer is verstuurd (Kamerstuk 21 501), moet modernisering van de EU-begroting vorm krijgen door deze veel sterker toe te snijden op de Europa 2020-strategie voor een slimme, duurzame en inclusieve groei, waarin uitdagingen zoals economische groei, omgaan met klimaatverandering, het energievraagstuk en het versterken van onderwijs, onderzoek en innovatie, alsmede het belang van ICT hierbij, centraal staan. Dit kan door het creëren van meer synergie tussen en ruimte voor programma’s op het terrein van onderzoek, onderwijs en innovatie. Hierbij dienen grensoverschrijdende publiek-publieke en publiek-private onderzoeks- en innovatieprogramma’s en het stimuleren van wetenschappelijke excellentie te worden versterkt.

Nederland onderkent dat er een rol voor de EU is weggelegd bij het realiseren van grensoverschrijdende, transnationale en interregionale projecten die niet tot stand zouden komen wanneer nationale kosten-batenanalyses negatief uitpakken, terwijl de grensoverschrijdende kosten-batenafweging positief is. Nederland is evenwel altijd zeer kritisch geweest over de kostenoverschrijdingen van Galileo.

Met verwijzing naar de vraag over de EU-instellingen, kunnen wij u antwoorden dat het Comité van de Regio’s en het Economisch-Sociaal Comité krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie (art. 13, lid 4) in het leven zijn geroepen. Tevens melden wij u dat het kabinet zich inspant voor een nominale bevriezing van de administratieve uitgaven van de EU. Dit vereist een kritische reflectie op bijvoorbeeld de regelingen voor onkostenvergoedingen, de salarisontwikkeling voor EU-ambtenaren en de pensioenuitgaven van de EU.

De leden van de CDA-fractie nemen kennis van het feit dat de Europese Commissie een presentatie zal geven over het Meerjarig Financieel Kader en dat er geen discussie is voorzien. Zij hechten er aan dat, indien er toch enige discussie komt, de regering aangeeft dat de invoering van een financiële transactiebelasting en een nieuw direct EU-BTW-middel geen optie zal zijn.

Antwoord van het kabinet:

Mocht er tijdens de Raad een discussie plaatsvinden, dan zal het kabinet ten aanzien van de door de CDA-fractie aangesneden punten, interveniëren in lijn met het antwoord op de vragen van de D66 fractie (zie hieronder).

De leden van de SP-fractie nemen er kennis van dat niet is voorzien in een inhoudelijke discussie van het Commissievoorstel voor een Meerjarig Financieel Kader. De leden zijn zeer ontevreden over het Commissievoorstel. Zij maken bezwaar tegen de buitensporige stijging van het budget, het voorstel voor eigen EU-belastingen, het niet stoppen met het rondpompen van geld via de structuurfondsen en het nauwelijks aantasten van de landbouwbegroting. Zij zijn zeer benieuwd naar de kabinetsappreciatie. In dit stadium willen ze weten hoe de verdere behandeling in de Europese Unie zal plaatsvinden.

Antwoord van het kabinet:

Onder het huidige Poolse EU-voorzitterschap worden de Commissievoorstellen vooral analytisch en technisch benaderd. De behandeling van de Commissievoorstellen vindt op technisch niveau plaats in de hiervoor speciaal opgerichte werkgroep «Friends of the Presidency» (FoP) en op politiek niveau in de Raad Algemene Zaken (RAZ) en de Europese Raad (ER). De uitgewerkte wetgevingsvoorstellen per categorie worden in de loop van het najaar verwacht. Op basis hiervan zal in de vakraden worden ingegaan op de verschillende onderdelen. Over bedragen zal in de vakraden echter niet worden gesproken; dit zal alleen in de FoP, de RAZ en de ER gebeuren.

De leden van de fractie van D66 vinden dat de Europese Commissie lef toont met de nieuwe meerjarenbegroting door vooruit te kijken in tijden van euroscepsis. D66 is blij met de voorstellen van de Commissie om de nieuwe begroting anders te financieren. Hoe staat de minister hier tegenover? Denkt de minister dat directe financiering het systeem eerlijker en transparanter kan maken? Welke van de vijf gepresenteerde opties voor eigen middelen is volgens de minister het meest haalbaar?

Antwoord van het kabinet:

In de Budget Review van 2010 presenteerde de Commissie vijf opties voor nieuwe belastingen. Hiervan heeft de Commissie er twee gekozen; een financiële transactiebelasting en een nieuwe directe BTW belasting. Het kabinet steunt de introductie van nieuwe eigen middelen niet. Het ziet het heffen van belastingen uitsluitend als een nationale bevoegdheid. Wij willen hierbij wel aantekenen dat het kabinet niet tegen een financiële transactie belasting op zich is, maar dat invoering hiervan alleen op mondiaal niveau zin heeft en bovendien niet als financiering van de EU begroting.

De Commissie doet verder een voorstel voor een korting via de eigen middelen voor Nederland en enkele andere lidstaten. Nederland is verheugd dat de Commissie erkent dat correcties voor excessief betalende lidstaten nodig zijn. Het voorstel leidt echter nog niet tot de substantiële afdrachtenvermindering die Nederland voor ogen heeft. De voorgestelde korting is niet alleen minder dan Nederland nu ontvangt, ook wil de Commissie de vergoeding voor het innen van douaneheffing verlagen. Het voorstel is derhalve nog niet acceptabel voor Nederland.

Hervorming Hof van Justitie

Evenals de Europese Commissie is de VVD-fractie van mening dat een efficiëntere werkwijze en hiermee gepaard gaande kortere procedures van het Hof van Justitie nodig zijn. De VVD-fractie betwijfelt echter of het uitbreiden van het aantal rechters hier een positieve bijdrage aan zal leveren. In het BNC-fiche over deze kwestie laat de regering weten er in Brussel op aan te dringen meer inzicht te geven in de oorzaken van de achterstanden bij het Hof van Justitie en een nadere onderbouwing van het voorstel om het aantal rechters uit te breiden te willen. Is dit inmiddels gebeurd en, zo ja, heeft dit gevolgen gehad voor de Nederlandse positie? Zo nee, wanneer verwacht u dat deze Nederlandse verzoeken worden ingewilligd?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet heeft het Hof verzocht om meer inzicht te geven in de oorzaken van de achterstanden bij het Hof en heeft om een nadere onderbouwing gevraagd van het voorstel om het aantal rechters uit te breiden. Gewacht wordt nog op een reactie op beide verzoeken.

Wat voor een gevolgen zal toetreding van de EU tot het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens daarnaast hebben voor de werklast van het Hof van Justitie?

Antwoord van het kabinet:

De toetreding van de EU tot het EVRM heeft geen gevolgen voor de werklast van het Gerecht. De te doorlopen beroepsgang binnen de EU blijft hetzelfde. Wat betreft het Hof van Justitie zal de toetreding van de EU tot het EVRM waarschijnlijk tot gevolg hebben dat het Hof van Justitie in de gelegenheid wordt gesteld zich vooraf uit te spreken over de precieze uitleg van EU-bepalingen die verband houden met klachten ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Deze mogelijkheid zal alleen worden benut wanneer het Hof van Justitie niet eerder een interpretatie van de desbetreffende EU-bepalingen heeft gegeven. De inschatting is dat het hier om hooguit enkele gevallen per jaar zal gaan.

Voorop staat dat het Hof van Justitie een van de vele instellingen is waar de PVV-fractie graag vanaf zou willen. De EU dient zich niet bezig te houden met rechtspraak, maar zich puur te richten op economische en monetaire samenwerking. Op dit moment zijn de procedures bij het Hof traag en geldverslindend. Het Hof wil de efficiency vergroten en de duur van de procedures beperken. Met de Nederlandse regering kan de PVV zich in dit streven vinden; dit dient echter budgetneutraal plaats te vinden.

De CDA-fractie steunt de inzet van de Nederlandse regering ten aanzien van de voorgestelde hervorming van het Hof van Justitie.

De leden van de SP-fractie steunen de kabinetsinzet om het Hof budgetneutraal efficiënter te laten werken. Voor het oriënterend debat zouden zij ook willen aandringen dat ook gesproken wordt over de rol van de wetgever in dezen. Ziet het kabinet een relatie tussen de werklast van het Hof en onduidelijke wetgeving? Is er een specifieke reden aan te geven voor de stijging van de werklast?

Antwoord van het kabinet:

Ten eerste wordt verwezen naar de brief van de president Skouris van het Hof van Justitie van 7 april jl. over de voorgestelde wijzigingen van het statuut van het Hof van Justitie (http://register.consilium.europa.eu/pdf/nl/11/st08/st08787.nl11.pdf). In deze brief wordt aangegeven dat de huidige toename onder meer het gevolg is van de verdergaande Europese integratie, de toetredingen in 2004 en 2007 alsook de vermeerdering van het aantal zaken over gemeenschapsmerken (merkenrecht). Daarnaast is ook de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon debet aan de groei van het aantal zaken. Het kabinet is van mening dat onduidelijke wetgeving in ieder geval niet bijdraagt aan het verminderen van het aantal zaken. Het is dan ook voorstander van duidelijke en eenvoudige regelgeving en draagt dit ook uit richting de Commissie en in Raadsverband. Tevens kan worden vermeld dat deregulering, zoals ook in het regeerakkoord staat aangegeven, een belangrijke kabinetsdoelstelling is. Alleen regels die zinvol zijn moeten worden gehandhaafd en voor eenieder uniform gelden.

Deze leden verwijzen hierbij naar het aantal zaken over aanbesteding waar duidelijkere wetgeving naar hun mening tussenkomst van het Hof minder noodzakelijk zou maken.

De fractie van D66 acht het Hof van Justitie van groot belang als juridische ruggengraat van de Europese Unie. Onder meer met uitbreiding van de EU zien wij een groei van het aantal verzoeken en zaken bij het Hof. D66 vindt het van groot belang dat Nederland en de EU er alles aan doen om het Hof optimaal te laten functioneren. Hoe beschouwt de regering de door het Hof zelf voorgestelde hervorming?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet staat positief tegenover de wens van het Hof om te komen tot meer efficiency en kortere procedures. Het verwelkomt dan ook het initiatief om een oplossing te vinden voor de achterstanden bij het Gerecht. Een snelle afhandeling van procedures is van groot belang voor een soepele rechtsgang in de EU en dus van belang voor Nederlandse burgers en bedrijven.

Het kabinet is echter terughoudend waar het gaat om de uitbreiding van het aantal rechters. De Nederlands inzet zal gericht zijn op een budget-neutrale efficiencyvergroting van het Hof binnen de huidige samenstelling. Indien het Hof kan beargumenteren waarom dit niet mogelijk zou zijn, dan zal het kabinet enkel kunnen instemmen met het voorstel om het aantal rechters bij het Gerecht uit te breiden wanneer daaraan de voorwaarde wordt verbonden dat het Gerecht tegelijkertijd zijn eigen werkprocessen verbetert. Daarnaast dienen de financiële gevolgen te worden ingepast binnen de bestaande financiële kaders van de EU-begroting. Deze oplossing dient vanzelfsprekend consistent te zijn met de kabinetsinzet voor de EU-begroting voor 2012.

Welke mogelijkheden ziet het Kabinet voor hervorming van het Hof?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet zal zich ervoor inspannen om de productiviteit van het Gerecht binnen de bestaande samenstelling te verhogen. Het zal erop aandringen dat de werkprocessen van het Gerecht met externe assistentie worden verbeterd, zo nodig in samenwerking met een comité van oud-rechters.

In hoeverre vindt de regering het haalbaar om tot een hervorming te komen waarbij zowel de rechterlijke bezetting als het budget van het Hof in de toekomst gelijk worden gehouden?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet acht het wenselijk om tot een hervorming te komen waarbij zowel de rechterlijke bezetting als het budget van het Hof van Justitie in de toekomst gelijk worden gehouden. In de onderhandelingen moet blijken in hoeverre dit haalbaar is.

Hoe kijken de andere lidstaten aan tegen de hervormingsvoorstellen, waaronder het aantal rechters en eventuele budgetneutrale hervorming?

Antwoord van het kabinet:

De positie van de verschillende lidstaten is voor zover het kabinet bekend, nog niet uitgekristalliseerd. Tijdens de RAZ zal slechts een oriënterend debat gevoerd worden over de hervorming van het Hof. Besluitvorming is pas in een later stadium voorzien.

Presentatie Pools voorzitterschap

De fractie van de VVD juicht het toe dat door het Poolse voorzitterschap prioriteit gegeven wordt aan economische groei in Europa. Juist op het gebied van de economie heeft de EU onmiskenbare meerwaarde. Zal de regering in Brussel de Europese Commissie en het Poolse voorzitterschap nogmaals wijzen op de brief van premier Rutte en acht andere Europese regeringsleiders, onder wie de Poolse premier Tusk, d.d. 18 maart 2011, over een Europese focus op economische groei?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet deelt het belang dat het Poolse voorzitterschap hecht aan economische groei die essentieel is voor de EU om ook in de toekomst concurrerend te blijven en het welvaartsniveau voor toekomstige generaties op peil te houden. Het kabinet staat dan ook welwillend tegenover initiatieven die zich richten op het versterken van economische groei. Dit was tevens de strekking van de gezamenlijke brief waarnaar door uw Kamer wordt verwezen; het kabinet zal de strekking ervan waar relevant onder de aandacht van Europese partners (blijven) brengen.

Tegelijkertijd is de VVD-fractie waakzaam voor wat betreft de posities ten opzichte van EU-uitbreiding van het Poolse voorzitterschap. Terughoudendheid is hierbij het sleutelwoord. De komende periode moet de nadruk liggen op versterking van de economische integratie van de huidige EU. Verdere uitbreiding moet hiervoor een pas op de plaats maken. Het Poolse voorzitterschap stelt zich als doel het toetredingsverdrag met Kroatië af te ronden. De VVD-fractie is tegen het stellen van dit soort toetredingsdoelen. Een land is klaar om lidstaat te worden op basis van het voldoen aan alle voorwaarden, niet op basis van een lukraak vastgestelde datum. Deelt de regering dit standpunt?

Hoe staat de regering in dit licht tegenover het doel van het Poolse voorzitterschap om de onderhandelingen met Turkije voort te zetten? De VVD-fractie is van mening dat dat enkel het geval kan zijn wanneer aan eerder gestelde eisen en voorwaarden is voldaan. Hetzelfde geldt voor de onderhandelingen met IJsland.

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet blijft benadrukken dat het uitbreidingsbeleid moet worden gevoerd conform de aanscherpte uitbreidingsstrategie die de ER in december 2006 vaststelde. Toetreding van nieuwe lidstaten tot de EU vindt pas plaats als zij voldoen aan de strikte criteria daarvoor, met name de Kopenhagen-criteria, waaronder het absorptievermogen van de EU.

Het Poolse voorzitterschap stelt zich ten doel het Toetredingsverdrag met Kroatië te laten ondertekenen en doet dit op basis van de conclusies van de Europese Raad van 24 juni jl. waarin de Raad wordt verzocht «alle nodige besluiten te nemen om de toetredingsonderhandelingen eind juni 2011 af te sluiten, zodat het Toetredingsverdrag nog dit jaar kan worden ondertekend» (zie ook de brief aan de Tweede Kamer van 24 juni, Kamerstuk 23 987 nr 117). Daarna moet het Toetredingsverdrag door alle overeenkomst-sluitende staten worden bekrachtigd volgens hun grondwettelijke bepalingen (art. 49 EU Verdrag). Voor Nederland betekent dit dat het Toetredingsakkoord ter uitdrukkelijke goedkeuring zal worden voorgelegd aan het parlement conform de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen. Nadat alle partijen het Verdrag hebben geratificeerd, treedt het in werking en zal Kroatië toetreden tot de Europese Unie.

In het onderhandelingsraamwerk uit 2005 is vastgelegd dat toetreding tot de EU het doel is van de onderhandelingen met Turkije. Tegelijkertijd is overeengekomen dat de onderhandelingen een open-einde proces zijn, waarvan de uitkomst (en derhalve toetreding) niet op voorhand kan worden gegarandeerd. Het openen, en voorlopig sluiten, van hoofdstukken in de toetredingsonderhandelingen met Turkije gebeurt op basis van objectieve criteria. Als Turkije aan de voorwaarden voldoet, kan er voortgang worden geboekt in de onderhandelingen en kunnen hoofdstukken worden geopend. Nederland zal strikt blijven toezien op handhaving van de criteria. Het gebrek aan concrete hervormingsresultaten in Turkije heeft er – direct en indirect (door blokkades van onderhandelingshoofdstukken door de Raad en individuele lidstaten ) – toe geleid dat de dynamiek uit de toetredingsonderhandelingen met Turkije is verdwenen. De facto zijn er nu nog maar drie hoofdstukken die voor opening in aanmerking komen. Het Poolse voorzitterschap heeft aangegeven mogelijk dit jaar nog hoofdstuk 8 (mededinging) te willen openen. Het kabinet stelt vast dat opening van dit hoofdstuk ook voor het Nederlands bedrijfsleven een gunstige uitwerking zou kunnen hebben. Turkije zal onverkort aan de openingsijkpunten moeten hebben voldaan. Hetzelfde geldt voor de andere twee nog te openen hoofdstukken 5 (openbare aanbestedingen) en 19 (sociaal beleid en werkgelegenheid).

Het Poolse voorzitterschap zegt voorts de Europese aspiraties van de landen in de Westelijke Balkan te ondersteunen. Zal de regering bij het Poolse voorzitterschap informeren wat hier precies mee bedoeld wordt? Ook bij de landen in de Westelijke Balkan is terughoudendheid het sleutelwoord en moet er allereerst voldaan worden aan de strikte voorwaarden voor toetreding.

Antwoord van het kabinet:

Ook voor de landen van de westelijke Balkan gelden de strenge toetredingscriteria waar hierboven aan wordt gerefereerd. Deze landen moeten aan alle voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor een volgende stap in het toetredingstraject. Het kabinet onderstreept het belang van de in het najaar te verschijnen voortgangsrapportages en het avis voor Servië. Op basis van die rapportages zal het kabinet beoordelen in hoeverre de landen van de westelijke Balkan aan de voorwaarden voldoen. Het Poolse voorzitterschap is bekend met de Nederlandse beleidslijn ten aanzien van de landen van de westelijke Balkan.

De VVD-fractie heeft kennis genomen van het voornemen van het Poolse voorzitterschap om de samenwerking met de landen uit de buurregio’s te vergroten. De VVD is voorstander van meer economische samenwerking met deze landen. Het Europese nabuurschapsbeleid mag echter niet gezien worden als voorbode voor EU-lidmaatschap. Wat vindt de regering in dit licht van de berichten dat onder het Poolse voorzitterschap voortgang zal worden geboekt met het aangaan van Stabilisatie- en Associatieakkoorden met Moldavië en de Oekraïne?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet is met de VVD van mening dat het Nabuurschapbeleid en Uitbreidingsbeleid van de EU strikt gescheiden trajecten zijn. De intensivering en versterking van de relaties met de oostelijk buurlanden van de Unie kent zijn grenzen: het Oostelijk Partnerschap is derhalve geen voorportaal voor lidmaatschap van de EU. De Unie neemt eenvoudig weg nota van de lidmaatschap-aspiraties van een aantal partnerlanden, maar dit betekent geenszins dat het theoretische lidmaatschap-perspectief van de oostelijke buurlanden, zoals vastgelegd in artikel 49 van het EU verdrag, op enigerlei wijze kan worden geconcretiseerd. De recent door de Raad aangenomen conclusies over het Nabuurschapbeleid reflecteren dit beleid (zie verslag RBZ d.d. 20 juni jl., Kamerstuk 21 501-02 nr. 1074).

De EU onderhandelt met Oekraïne en Moldavië over Associatieakkoorden en over een diep- en veelomvattend vrijhandelsakkoord als integraal onderdeel van een dergelijk akkoord. Hierin wordt vastgelegd dat deze landen zich hooguit politiek kunnen associëren en gedeeltelijk economisch kunnen integreren met de EU. Een toetredingsperspectief is niet aan de orde. Deze akkoorden verschillen hiermee van de Stabilisatie- en Associatieakkoorden zoals afgesloten met landen van de Balkan, waarin wel een concreet en geconditioneerd lidmaatschapsperspectief is vastgelegd.

De fractie van de PVV neemt er kennis van dat ook het Pools voorzitterschap weer inzet op verdere uitbreiding van de Europese Unie. Hoe groter, hoe beter lijkt het. De Partij voor de Vrijheid kan zich hier in het geheel niet in vinden. Kroatië dient niet te worden toegelaten en de onderhandelingen met Turkije dienen per direct te worden gestaakt. De werkelijkheid is echter dat de toetredingsonderhandelingen met Kroatië op 30 juni jl. werden afgerond, waarbij ook afspraken zijn gemaakt over een monitoringsmechanisme voor de implementatie van het acquis op het terrein van justitie, vrijheid en veiligheid. De PVV roept op tot een strikt en voortvarend gebruik van het monitoringsmechanisme dat, voor het eerst, op Kroatië zal worden toegepast. Het mag niet zo zijn dat er weer een land wordt toegelaten dat niet aan de voorwaarden voldoet.

Antwoord van het kabinet:

De ER van 24 juni jl. spoorde Kroatië aan om zijn hervormingen te blijven implementeren, in het bijzonder op het vlak van de rechtelijke macht en fundamentele rechten. De ER concludeerde voorts dat er toezicht (monitoring) komt op deze hervormingen. Mede op Nederlands aandringen stelde de ER verder dat de Raad, op voorstel van de Commissie en met gekwalificeerde meerderheid, passende maatregelen kan nemen. Het kabinet zal toezien op een strikt en eerlijk gebruik van het monitoringsmechanisme (dat is beschreven in de brief van 24 juni jl. aan de Tweede Kamer, Kamerstuk 23 987 nr 117).

Naast uitbreiding van de Europese Unie richt het Poolse voorzitterschap zich op meerdere onderwerpen waar de PVV niet op zit te wachten zoals projecten op het gebied van duurzaamheid (biodiversiteit, klimaat, CO2-reductie) en voltooiing van het Europees asielstelsel in 2012.

Bij de presentatie van het Poolse voorzitterschap is de CDA-fractie benieuwd naar de activiteiten die Polen zich voorstelt te gaan ondernemen ter bevordering van het Oostelijk Partnerschap.

Antwoord van het kabinet:

Het Poolse voorzitterschap heeft een ambitieus programma ontworpen ter bevordering van het Oostelijk Partnerschap. Belangrijkste activiteit is de voorziene Top van het Oostelijk Partnerschap, eind september in Warschau. Uw Kamer zal begin september nader worden geïnformeerd over de wensen van het kabinet voor deze Top.

Verder is het voorzitterschap voornemens een groot aantal ministeriële en technische bijeenkomsten in het kader van het Oostelijk Partnerschap te organiseren, waaronder voor ministers van Economische Zaken, Transport en Buitenlandse Zaken. Ook zal het voorzitterschap een aantal seminars en workshops ter ondersteuning van het Partnerschap beleggen en is men voornemens een forum voor maatschappelijke organisaties uit zowel EU-lidstaten als de partnerlanden bijeen te brengen.

De leden van de SP-fractie hadden graag gezien dat het Pools voorzitterschap ook meer aandacht zou schenken aan de oplopende werkloosheid in de EU en hoe die aan te pakken. Is de regering het met hen eens? Daarnaast zien zij bij de prioriteit «Europa als bron van groei» onvoldoende de noodzaak doorklinken om naast de begrotingsconsolidatie ook ruimte te scheppen voor overheidsinvesteringen, met name in onderwijs en duurzaamheid. Is de regering het met hen eens dat daar meer aandacht voor moet zijn? Is de regering het met deze leden eens dat nu ook het moment is om gezamenlijke initiatieven te ontplooien op het gebied van belastingen om te zorgen dat lidstaten fatsoenlijke inkomsten kunnen generen, bijvoorbeeld door meer intensieve samenwerking om belastingontduiking en -ontwijking tegen te gaan?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet deelt de zorgen van de SP-fractie omtrent de hoge werkloosheidscijfers in diverse EU-lidstaten. Het kabinet is van mening dat het bevorderen van economische groei, met name door het doorvoeren van structurele hervormingen binnen de nationale economieën, zal leiden tot hogere werkgelegenheid. Vanuit deze invalshoek is het kabinet dan ook van mening dat er prioriteit aan het bevorderen van economische groei moet worden gehecht. Overheidsinvesteringen kunnen hieraan ondersteunend zijn. Daarvoor dient uiteraard wel de nodige budgettaire ruimte te bestaan. Deze investeringen dienen daarnaast in lijn te zijn met de Europa 2020-strategie en zich te richten op slimme, duurzame en inclusieve groei.

In Europees kader bestaat reeds een breed instrumentarium voor onder andere administratieve samenwerking tussen belastingautoriteiten, uitwisseling van informatie en assistentie bij invordering, zowel op het terrein van de indirecte als de directe belastingen. Verbetering en intensivering van deze instrumenten en de uitwerking daarvan is een continu proces, waaraan alle lidstaten deelnemen en waarin op dit moment veel nieuwe ontwikkelingen te zien zijn. Het kabinet is een groot voorstander van de initiatieven op dit terrein.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het programma van het Pools voorzitterschap. Hoe beoordeelt de regering de uitspraak van de Poolse minister van economische zaken dat als Nederland zonder overleg verder gaat met het veranderen van Europese regels dit de onderlinge verhouding kan verzuren? Denkt de minister dat de houding van Nederland ten opzichte van Polen invloed heeft op de Nederlandse onderhandelingspositie in Europa?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet is niet voornemens unilaterale maatregelen te nemen, die niet conform Europese regelgeving zijn. Nederland wil wel aandacht bij de Europese partners vragen voor knelpunten rond de arbeidsmigratie, reden waarom de het kabinet overleg voert met de Europese Commissie en andere lidstaten.

De vraag over de «Nederlandse houding ten opzichte van Polen» suggereert dat de Nederlandse beleidsvoornemens een bilateraal karakter dragen. Dat is geenszins het geval; de beoogde maatregelen om knelpunten rond de arbeidsmigratie op te lossen zijn gericht op arbeidsmigranten vanuit alle andere EU-lidstaten.

Follow-up van de Europese Raad d.d. 23–24 juni jl.

De leden van de SP-fractie vragen zich af wat nu de stand van zaken is met betrekking tot een akkoord over het «totaalpakket» om de «economic governance» van de EU te versterken.

Antwoord van het kabinet:

Tijdens de ER van 24–25 juni jl. is overeenstemming bereikt over de Raadspositie ten aanzien van het totaalpakket ter borging van de financieel-economische stabiliteit in de EU (zie tevens het ER-verslag, Kamerstuk 21 501–20 Nr. 528). Wij brengen hier in herinnering dat het totaalpakket uit de volgende maatregelen bestaat:

  • het Europees Semester

  • de wetgevingsvoorstellen inzake versterking van «economic governance» (het zogenaamde «Rehn-pakket»)

  • het EFSF en ESM, inclusief verdragswijziging

  • het Euro-plus Pact

  • de lopende programma’s ten behoeve van Ierland en Griekenland

Is een akkoord over de wetgevende voorstellen met het Europees Parlement op korte termijn voorzien?

Antwoord van het kabinet:

Het Europees Parlement kon eind juni niet instemmen met het gewijzigde voorstel van de Raad waarover de ER eerder overeenstemming bereikte. Het belangrijkste meningsverschil betreft de mate van automatisme in de besluitvorming van het Stabiliteits- en Groeipact. Het Europees Parlement heeft hierop besloten niet tot stemming over te gaan, maar de onderhandelingen in de eerste lezing met de Raad voort te zetten. Dit betekent dat de mogelijkheid bestaat dat de Raad en het Europees Parlement de onderhandelingen over de wetgevende voorstellen alsnog in september kunnen afronden.

Deze leden wijzen het totaalpakket af en zouden liever zien dat eerst de effectiviteit van de huidige maatregelen in de aanpak van de «schuldencrisis» wordt geëvalueerd voordat deze aanpak voor de toekomst wordt vastgelegd.

Kan de regering aangeven of er ook werk wordt gemaakt van het terugdringen van het aantal extraordinaire toppen?

Antwoord van het kabinet:

Het kabinet is in principe geen voorstander van een toename van het aantal Europese toppen, anders dan aangeven in de richtlijnen zoals vastgelegd in het Verdrag van Lissabon. Wanneer ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, kan het evenwel noodzakelijk zijn om een extra Europese Top te organiseren. Het kabinet verwelkomt het feit dat ER-voorzitter Van Rompuy heeft aangekondigd vooralsnog geen ER in september in te plannen.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Bommel, H. van (SP), Ondervoorzitter, Staaij, C.G. van der (SGP), Ormel, H.J. (CDA), Ferrier, K.G. (CDA), Eijsink, A.M.C. (PvdA), Dam, M.H.P. van (PvdA), Knops, R.W. (CDA), Voorzitter, Roon, R. de (PVV), Jansen, P.F.C. (SP), Broeke, J.H. ten (VVD), Ouwehand, E. (PvdD), Bontes, L. (PVV), Groot, V.A. (PvdA), Braakhuis, B.A.M. (GL), Nieuwenhuizen-Wijbenga, C. van (VVD), Schouw, A.G. (D66), El Fassed, A. (GL), Hachchi, W. (D66), Dijkhoff, K.H.D.M. (VVD), Driessen, J.H.A. (PVV), Hilkens, M. (PvdA) en Vacature, VVD.

Plv. leden: Irrgang, E. (SP), Dijkgraaf, E. (SGP), Bruins Slot, H.G.J. (CDA), Omtzigt, P.H. (CDA), Samsom, D.M. (PvdA), Timmermans, F.C.G.M. (PvdA), Haverkamp, M.C. (CDA), Elissen, A. (PVV), Raak, A.A.G.M. van (SP), Hennis-Plasschaert, J.A. (VVD), Thieme, M.L. (PvdD), Hernandez, M.M. (PVV), Dikkers, S.W. (PvdA), Peters, M. (GL), Dezentjé Hamming-Bluemink, I. (VVD), Veldhoven, S. van (D66), Tongeren, L. van (GL), Pechtold, A. (D66), Huizing, M.E. (VVD), Kortenoeven, W.R.F. (PVV), Jacobi, L. (PvdA) en Azmani, M. (VVD).