19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 2114 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 januari 2016

Tijdens het algemeen overleg over het vreemdelingen en asielbeleid van 30 september 2015 (Kamerstuk 19 637, nr. 2080) heb ik u toegezegd een verduidelijking te geven van het aantal Dublinprocedures in 2014 en 2015. Met deze brief doe ik mijn toezegging gestand.

Op 28 januari 2015 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie u schriftelijk geïnformeerd dat de IND in 2014, in het kader van de Dublinverordening, 3.840 verzoeken tot terug-of overname heeft gedaan en er hiervan 2.490 waren gehonoreerd.1

Tijdens het algemeen overleg van 30 september heb ik u geïnformeerd dat 950 Dublinoverdrachten in 2014 waren gerealiseerd, en in 2015 tot dan toe ruim 600.

Om deze aantallen ten opzichte van elkaar goed te kunnen plaatsen, schets ik kort de Dublinprocedure. De lidstaat waarbij een asielverzoek is ingediend en die van mening is dat een andere lidstaat, op grond van de Dublincriteria, verantwoordelijk is voor de behandeling van dit asielverzoek, kan die andere lidstaat om terug- of overname van de asielzoeker verzoeken. De aangezochte lidstaat kan met dit verzoek tot terug- of overname instemmen of afwijzen indien deze van mening is dat hij niet verantwoordelijk is. Wanneer de aangezochte lidstaat instemt met de terug- of overname van de asielzoeker, stelt de verzoekende lidstaat de betrokken asielzoeker in kennis van het besluit om hem over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat. Tegen dit besluit kan de asielzoeker beroep instellen bij de rechtbank. Als er geen beroep wordt ingediend of wanneer de rechtbank het beroep ongegrond verklaart kan de asielzoeker worden overgedragen.

Het in de schriftelijke antwoorden van 28 januari 2015 genoemde getal 3.840 betreft het aantal in 2014 door de IND gedane verzoeken tot over- of terugname van asielzoekers aan andere lidstaten. Van deze verzoeken zijn in totaal 2.490 door de aangezochte lidstaat geaccepteerd.

De in het algemeen overleg van 30 september genoemde aantallen 950 en ruim 600 zagen op het aantal asielzoekers dat feitelijk door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) is overgedragen aan de andere lidstaat.

De belangrijkste oorzaak voor het lagere aantal feitelijk door de DT&V gerealiseerde overdrachten ten opzichte van het aantal gehonoreerde verzoeken tot terug- of overname, is dat een groot aantal vreemdelingen voorafgaand aan de overdracht met onbekende bestemming vertrekt. Overdracht aan een andere lidstaat behoort in eerste instantie vrijwillig te geschieden. De vreemdeling en zijn gemachtigde worden vooraf geïnformeerd wanneer de overdracht plaatsvindt. Dit kan voor de vreemdeling reden zijn om op eigen gelegenheid te vertrekken naar de verantwoordelijke lidstaat zonder de DT&V daarvan te informeren, of op andere wijze uit beeld te verdwijnen.

Daarnaast zijn er een aantal redenen waarom in sommige gevallen een gehonoreerde claim niet leidt tot het doorzetten van de overdracht. Bijvoorbeeld wanneer er alsnog (tijdelijk) gerede twijfel ontstaat of door de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat geen situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM, zoals eerder tijdelijk met Italië naar aanleiding van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak, nr. 29217/12, en momenteel met Hongarije naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 november 2015, zaaknummers 201507248/1 en 201507322/1.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff


X Noot
1

Kamerstuk 32 317, nr. 263

Naar boven