Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 november 2014
Op 17 juni jl. heeft uw Kamer de motie Schouw c.s. 1 aangenomen waarin wordt gevraagd om de beroepszaken inzake de regeling langdurig
verblijvende kinderen te monitoren. Daarnaast heb ik in het Algemeen Overleg van 2 juli
jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 1901) aan uw Kamer toegezegd om een overzicht te sturen van de lopende beroepszaken inzake
de regeling. Met deze brief doe ik u dat overzicht toekomen. Het gaat hierbij steeds
om de overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen (hierna: de regeling). Als
peildatum is 1 november 2014 gehanteerd.
Stand van zaken beroepszaken inzake de regeling
Tot en met 1 november jl. is er in ruim 260 beroepszaken2 uitspraak gedaan. Het gaat hier in beginsel steeds om uitspraken die zien op de hoofdpersoon
in het kader van de regeling. De uitspraak voor de bijbehorende gezinsleden is in
de regel identiek aan die van de hoofdpersoon, dus die worden niet als aparte uitspraken
opgevoerd. Het komt een enkele keer voor dat niet de hoofdpersoon, maar enkel één
of meerdere gezinsleden in beroep zijn gegaan. Bijvoorbeeld wanneer de hoofdpersoon
een vergunning heeft gekregen maar één van de gezinsleden niet. Dat is in ongeveer
10 van de zaken het geval. In deze zaken zijn de beroepen ongegrond verklaard.
In totaal zijn van de ruim 260 beroepszaken ongeveer 155 beroepen ongegrond verklaard,
circa 50 beroepen gegrond verklaard, waarvan zo’n 15 met in stand laten van de rechtsgevolgen
van het besluit3. 20 beroepen waren niet-ontvankelijk. In ongeveer 35 zaken is het beroep ingetrokken.
Het gaat hierbij nadrukkelijk om een voorlopige tussenstand, aangezien er nog veel
beroepszaken lopen.
Gegronde beroepen
De redenen van de circa 50 gegrond verklaringen zijn:
-
– De rechter vindt dat er onvoldoende is gemotiveerd waarom er geen sprake is van schending
van artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM);
-
– De rechter geeft een andere uitleg aan het toezichtcriterium;
-
– De rechter oordeelt dat het gemaakte onderscheid tussen vreemdelingen met een asielverleden
en vreemdelingen zonder een asielverleden niet gerechtvaardigd is;
-
– De rechter oordeelt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom er op grond van artikel
4:84 Awb niet is afgeweken van het beleid. Dit artikel bepaalt kort gezegd dat een
beslissing op grond van de beleidsregel moet worden genomen, behalve als bijzondere
omstandigheden aanleiding geven om van de beleidsregel af te wijken;
-
– De rechter constateert een motiveringsgebrek ten aanzien van een tegengeworpen contra-indicatie;
-
– De rechter vindt dat er ten onrechte niet aan de definitieve regeling is getoetst.
In de circa 15 gegrond verklaarde beroepen, waarbij de rechter de rechtsgevolgen van
het besluit in stand heeft gelaten, was dit vrijwel in alle gevallen omdat de IND
geen hoorzitting met de vreemdeling had gehouden in de bezwaarfase. De afwijzing blijft
echter in stand en er hoeft geen nieuw besluit te worden genomen.
Openstaande beroepen
Ik verwacht op dit moment dat er nog minstens 200 uitspraken in beroep inzake de regeling
zullen volgen, mits er geen beroepen worden ingetrokken.
Hoger beroep
Op 1 november jl. liepen er in totaal ruim 110 zaken in hoger beroep.
In ongeveer 20 van de gegronde beroepszaken heb ik hoger beroep ingesteld of zal ik
dit op korte termijn doen. De overige hoger beroepszaken zijn door de vreemdeling
ingesteld4.
Zoals eerder aangegeven gaat het om een voorlopige tussenstand. Er lopen nog zaken
in beroep en het is aannemelijk dat er in de komende periode zaken in hoger beroep
bij komen.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
F. Teeven