Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201119637 nr. 1443

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1443 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 19 juli 2011

De algemene commissie voor Immigratie en Asiel1 heeft op 8 juni 2011 overleg gevoerd met minister Leers van Immigratie en Asiel over:

  • de brief van de minister van Immigratie en Asiel d.d. 18 mei 2011 met een overzicht van de activiteiten en de subsidie aan de Stichting Duurzame Terugkeer (SDT) (29 344, nr. 80);

  • de brief van de minister van Immigratie en Asiel d.d. 17 mei 2011 met cijfers over annuleringen in reactie op het jaarverslag 2010 van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer (CITT) (19 637, nr. 1420);

  • de brief van de minister van Immigratie en Asiel d.d. 18 april 2011 met een kabinetsreactie op de aanbevelingen uit het jaarverslag over 2010 van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer (CITT) (19 637, nr. 1415);

  • de brief van de minister van Immigratie en Asiel d.d. 15 april 2011 met de Rapportage Vreemdelingenketen juli–december 2010 (19 637, nr. 1413).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de algemene commissie voor Immigratie en Asiel,

Brinkman

De griffier van de algemene commissie voor Immigratie en Asiel,

Roovers

Voorzitter: Brinkman

Griffier: Roovers

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Voordewind, Spekman, Knops, Fritsma, Dibi, Van Nieuwenhuizen-Wijbenga, Gesthuizen en Brinkman,

en minister Leers van Immigratie en Asiel, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Ik heet de minister, zijn ambtenaren, de pers, de mensen op de publieke tribune en de leden van de commissie hartelijk welkom.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. De evaluatie van het Platform Duurzame Terugkeer is wat teleurstellend. Het platform geeft daarvoor een aantal redenen. Zo was de looptijd kort. In de evaluatie wordt niet voor niets opgemerkt dat het belangrijk is om de beperkte looptijd sinds de oprichting niet uit het oog te verliezen. Waarom is er niet voor gekozen om het tweede jaar van de pilot af te wachten? Was er geen perspectief? Op welke wijze wil de minister de samenwerking met de organisaties die deel uitmaken van de stichting, vormgeven om het concept van duurzame terugkeer verder vorm te geven? De minister noemt dit in de brief, maar zegt niet hoe het proces vlot getrokken kan worden. Ik herinner hem aan de motie van de heer Van Haersma Buma van het CDA, die juist voor deze gezamenlijke inspanningen en een gezamenlijke aanpak pleitte.

De Commissie Integraal Toezicht Terugkeer (CITT) besteedt in het jaarverslag aardig wat aandacht aan Irak. De Kamer heeft daar ook verschillende malen aandacht voor gehad; onlangs ging het nog over de families die met chartervluchten naar Irak gaan. De veiligheid in Irak is zeer discutabel. Ik heb het zelf een aantal keer mogen ondervinden. Sommige gebieden zijn nog steeds zeer onveilig, met name de vijf centrumprovincies. VluchtelingenWerk Nederland brengt een punt naar voren over de situatie van de kinderen die teruggaan naar Bagdad dat mij grote zorgen baart. In antwoord op de vragen naar groepsuitzettingen naar Irak, zegt dat minister dat hij geen aanleiding heeft om aan te nemen dat de kinderen in Irak in detentie terecht zijn gekomen. VluchtelingenWerk Nederland meldt echter dat een van de uitgezette kinderen wel degelijk bij aankomst in Bagdad in bewaring is gesteld. Is de minister hiermee bekend? Heeft hij afspraken gemaakt met de autoriteiten in Bagdad om te voorkomen dat de kinderen in detentie komen of gaat hij die alsnog maken? Ook is er een uitspraak van de rechtbank dat gezinnen niet in bewaring in het uitzendcentrum in Rotterdam moeten worden geplaatst. Ook dat is voorgekomen. Graag een reactie van de minister.

Een uitzending van Uitgesproken VARA ging over de familie Karim, die uitgezet is naar Kirkuk, de oliestad in het noorden. Wij hebben eerder discussies gevoerd over de psychosociale druk op meisjes. In de uitzending kunnen wij zien dat de dochters van de familie zwaar te lijden hebben onder mogelijke uithuwelijking en bloedwraak. Die combinatie is voor hen zeer ongunstig en leidt tot onnodige stress. Hoe beziet de minister met terugwerkende kracht deze zorgwekkende situatie nu wij de regeling hebben voor de Afghaanse meisjes? Overweegt hij het beleid voor Irak opnieuw tegen het licht te houden, als het gaat om meisjes en uithuwelijken? Bij de beschikking is ontkend dat er sprake zou kunnen zijn van bloedwraak en uithuwelijken. In de uitzending is te zien dat op het moment dat de journalist weggaat, een grote bomaanslag met verschillende dodelijke slachtoffers te betreuren valt. De United Nations High Commission for Refugees (UNHCR) stuurde recentelijk bericht naar de Kamer over de vijf centrumprovincies in Irak. Daar is het wel degelijk zeer gevaarlijk. Graag een reactie van de minister.

In de Rapportage Vreemdelingenketen van juli–december 2010 staan boeiende cijfers. Er staat echter ook een aantal zaken niet in, zoals cijfers over de gezinshereniging. De fractie van de ChristenUnie heeft daar verschillende vragen over gesteld. Kan de minister aangeven hoelang gezinsherenigingsprocedures van vluchtelingen duren? Is er een achterstand in het behandelen hiervan? Vaak moeten gezinsleden in gevaarlijke omstandigheden afwachten. De wachttijd moet dus zo kort mogelijk zijn. De Kamer heeft een motie aangenomen waarin wordt verzocht geen extra drempels voor gezinshereniging bij nareizende gezinsleden van asielzoekers op te werpen. De minister heeft daarover een kort briefje naar de Kamer gestuurd. Er zouden geen eisen worden gesteld aan inkomen en inburgering. Als het gaat om de reguliere eisen, weten wij dat er ook andere eisen worden gesteld, zoals een huwelijk of een geregistreerd partnerschap. Kan ik er naar aanleiding van de toen aangenomen motie van uitgaan dat voor nareizende gezinsleden van asielzoekers geen verhoogde drempel is opgeworpen?

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter. Het asielbeleid valt of staat met een succesvol uitzetbeleid. Niet iedereen die hier komt, kan hier blijven. Het uitzetten moet echter zorgvuldig gebeuren. Wij moeten meer grip krijgen op wat ervoor zorgt dat mensen daadwerkelijk terugkeren. Wat werkt en wat werkt niet? Wie heeft waar invloed op? Ik begin met de situatie van de familie Karim, waar de heer Voordewind net over sprak. Het is cruciaal dat men zorgvuldig te werk gaat en ik heb de indruk dat de IND dat over het algemeen doet. Het is moeilijk en soms hard werk; genomen besluiten komen soms hardvochtig over. Soms kan dat niet anders, maar soms worden er ook fouten gemaakt. In mijn ogen is er in deze situatie echt een fout gemaakt. Ik heb de beschikking hier voor mij en daarin spreekt de rechtbank uit dat er geen risico is op bloedwraak, althans dat het niet is aangetoond. Ik eerbiedig die uitspraak. Een rechter gaat uit van de situatie die hij voorgeschoteld krijgt en misschien kon de familie het risico niet voldoende aantonen. Ik heb de uitzending van Uitgesproken VARA bekeken en met de mensen gesproken. Ik denk dat er een fout is gemaakt in de beschikking en dat wij de dochters, en misschien ook de moeder, niet hadden moeten uitzetten. Ik vraag de minister in alle oprechtheid of hij bereid is om een individueel ambtsbericht te doen uitgaan voor de familie Karim en of deze beschikking goed was of niet. Fouten maken kan, die reken ik niemand aan, maar menselijkheid toont zich als wij erkennen dat er een fout is gemaakt. Als die is gemaakt, moeten wij die herstellen. Ik spreek niet makkelijk over deze zaak omdat ik mij ontzettend goed realiseer dat de vader een 1F-stempel heeft en dat dat waarschijnlijk terecht is. Wij hebben echter ook het 1F-beleid vastgesteld en een scheiding aangebracht tussen de gezinsleden en de vader. Een individueel ambtsbericht zou ik zeer op prijs zal stellen en zeer terecht en groots vinden. Daarin kun je een onderscheid maken tussen de verschillende gezinsleden. Zorgvuldigheid hoort voorop te staan.

In het rapport van de CITT staat op bladzijde 22 dat landen welbewust niet meewerken. De discussie hierover hebben wij ook in de vorige periode gevoerd. Wij hebben toen zelfs een keer gesproken met de ambassadeur van China. Landen werken niet mee of chicaneren de boel. Soms ligt het ook bij de asielzoeker zelf, maar op bladzijde 23 zie je in de omstandigheden terug dat in zeker 10% het mislukken van de terugkeer totaal buiten de vreemdeling ligt. Wij moeten echt actiever zijn naar die landen om ervoor te zorgen dat ze meewerken. Hoe motiveren wij mensen om terug te gaan?

Ik vond de Stichting Duurzame Terugkeer (SDT) beloftevol. Het heeft echter tot nu toe niet uitgepakt zoals het zou moeten. Dat wil niet zeggen dat wij een werkmethodiek moeten loslaten die een belofte in zich heeft. Het is succesvol dat allerlei partijen commitment hebben om mee te werken aan de terugkeer van mensen die hier niet kunnen blijven. Het is ook succesvol dat het niet alleen gaat om de termijnen, maar dat mensen zich verdiepen in wat er in het hoofd van de individuen gebeurt. Ik weet dat er binnen het ministerie eerder gesproken is over projecten als Safe Haven. Die lijken mij beloftevol. Er wordt daarbij gesproken over het eerder laten terugkeren van mensen naar het land van herkomst door zich te verdiepen in de psychosociale toestand van het individu. Hoe ziet de minister de toekomst van terugkeer? Is hij nog geïnteresseerd om methodieken in gang te houden, zoals Safe Haven van het ministerie of het project Duurzame Terugkeer? Wat gebeurt er met het geld voor het tweede jaar? Wil de minister meer verbindingen aangaan met het bedrijfsleven dat ook een rol kan spelen? Het geven van een zak met geld is niet de oplossing. Als je mensen in het land van herkomst scholing en werk kan bieden, is er een veel grotere kans. Ik heb dergelijke situaties persoonlijk meegemaakt en ik geloof er hartstochtelijk in. Er moet wel de wil zijn om naar dat soort mogelijkheden te zoeken en men moet niet iets de nek omdraaien zonder dat er iets anders voor terugkomt.

De heer Knops (CDA): Voorzitter. Terugkeer is misschien wel het meest weerbarstige onderdeel van het asiel- en vreemdelingenbeleid. Alle betrokken ketenpartners, niet in de laatste plaats de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), doen oprecht hun best om het terugkeerproces te verbeteren, maar terugkeer valt of staat primair met de bereidheid van vreemdelingen om mee te werken aan hun terugkeer. Verder speelt natuurlijk de omgeving van de vreemdeling een belangrijke rol en is ook de opstelling van landen van herkomst en hun diplomatieke vertegenwoordiging een belangrijke factor.

Over de evaluatie van de Stichting Duurzame Terugkeer hebben wij een dubbel gevoel. Hoewel er recentelijk sprake zou zijn van aanzienlijke verbeteringen, heeft de SDT als organisatie niet optimaal gefunctioneerd en zijn de feitelijke terugkeerresultaten zeer teleurstellend. Aan de ene kant zijn er plausibele factoren die hieraan aan ten grondslag liggen en is de looptijd van het project was wellicht wat kort, maar aan de andere kant wist men van meet af aan wat de voorwaarden en de doelstellingen waren. Het is begrijpelijk dat de minister de financiële stekker eruit heeft getrokken. De minister stelt wat ons betreft terecht dat het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol speelt bij het draagvlak voor terugkeer en het realiseren van zelfstandige terugkeer. Wij vragen de minister dan ook om ons te informeren over de uitkomsten van zijn overleg met de maatschappelijke organisaties die deel uitmaken van de SDT, en over de wijze waarop hij die organisaties blijft betrekken bij de vormgeving van het terugkeerbeleid. Wat vraagt hij aan de organisaties voor concrete bijdrage aan terugkeer? Ons dubbele gevoel uit zich ook in de gedachte dat de verworvenheden van de SDT behouden moeten blijven bij de verdere verbetering van het terugkeerbeleid. Te denken valt aan de potentieel sterke punten en aanbevelingen die het eindrapport op bladzijde 47 en 48 vermeldt. Die zouden, voor zover van toepassing, moeten worden geïncorporeerd in de werkwijze van de DT&V, die dé terugkeerorganisatie is. Onderschrijft de minister dit en wil de minister dit meenemen in de brieven die nog komen over terugkeer, migratie en ontwikkeling?

De minister gaat zijn concrete plannen om de effectiviteit van het terugkeerbeleid te verbeteren uiteenzetten in zijn aangekondigde terugkeerbrief. Wij zien graag dat de inhoud daarvan niet weer een obligate opsomming wordt van eerder algemeen geformuleerde plannen en voornemens, maar concrete maatregelen bevat. De CITT constateert dat het laissez-passeraanvraagproces nog steeds moeizaam verloopt omdat er landen zijn die met enige regelmaat om kennelijk andere dan inhoudelijke redenen weigeren hun onderdanen terug te nemen en omdat er landen zijn die weigeren Frontex-terugkeervluchten te accepteren. Gaat de minister nu eens concreet aangeven wat hij gaat doen met zulke landen? De minister stelt dat in de relatie met landen van herkomst reciprociteit van belang is. Wat betekent dit concreet? Betekent dit: voor wat hoort wat? Betekent het het uitoefenen van diplomatieke en economische druk en het opleggen van sancties? In het jaarverslag van 2008 constateerde de CITT dat het ministerie van Buitenlandse Zaken in de externe contacten terughoudend is met het praten over terugkeer in verband met economische belangen. De toenmalige bewindslieden van Justitie zeiden zich daar niet in te herkennen. Wanneer wordt er met betrekking tot weigerachtige landen nu eens met de vuist op tafel geslagen? Volgens mij wil de minister dat best eens doen. Wat gaat de minister samen met zijn collega's van Buitenlandse Zaken concreet doen ten aanzien van zulke landen en wat gaat hij in de richting van zijn Europese collega's ondernemen om een gezamenlijke Europese vuist te maken? Nader uitgewerkte antwoorden op deze vragen zien wij graag terug in de terugkeerbrief.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik krijg een déjà vu. Dit onderwerp komt steeds terug. Landen willen niet meewerken en de minister moet contact aangaan met die landen. Oud-minister Verdonk had daar ook veel problemen mee. Wat stelt de heer Knops concreet voor? Wij weten toch al wat de minister gaat antwoorden? Wat wil het CDA dat de minister precies gaat doen?

De heer Knops (CDA): Het is wel heel bijzonder dat ik een vraag aan de minister stel en dat de heer Dibi al weet wat de minister gaat antwoorden. Zolang vragen niet afdoende beantwoord worden, blijven wij ze stellen. Ik heb de oplossingsrichting aangegeven. Ik citeer uit het jaarverslag van de CITT, dat aangeeft dat het ministerie van Buitenlandse Zaken terughoudend is. Ik wil een actievere rol zien. Hier zit niet de minister van Buitenlandse Zaken, maar het wel een minister van dit kabinet. Ik vraag hem hierover met zijn collega van Buitenlandse Zaken in contact te treden.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik stel de vraag iets concreter. Laat ik China als voorbeeld noemen. China doet vaak heel erg moeilijk bij het meewerken aan terugkeer. Moet de minister van Economie, Landbouw en Innovatie dan geen handelsrelaties meer aangaan met China? Wat voor type sancties moet deze minister op tafel leggen in Europa? Wat moet het kabinet precies gaan doen? De heer Knops stelt een vrijblijvende vraag. Waarschijnlijk geeft de minister hem een antwoord dat wij al heel vaak van voortgaande kabinetten hebben gekregen. Dat is het déjà vu dat ik net kreeg. Kan de heer Knops iets concreter worden? Zou er bijvoorbeeld geen economische samenwerking meer moeten zijn?

De heer Knops (CDA): Wij zijn actief in een aantal landen en proberen met ontwikkelingshulp of militaire missies landen te helpen. Als zulke landen niet meewerken, heb je middelen om wat te doen. Dit geldt misschien niet voor alle landen, maar elke verbetering is een winstpunt. Ik loop niet land voor land af voor de mogelijkheden, maar ik vraag in algemene zin aan de minister of hij bereid is om dit instrumentarium, dat van land tot land verschilt, in te zetten.

Voorzitter. Het percentage annuleringen is in 2010 gestegen van 30 naar 36. Dat is geen goede ontwikkeling. Het aantal annuleringen als gevolg van verbaal en fysiek verzet en geweld door vreemdelingen is nog steeds ergerlijk hoog. Wij zitten met het dilemma dat de vreemdeling moet worden verwijderd, maar dat strafrechtelijke vervolging die verwijdering belemmert omdat de vreemdeling langer in Nederland moet worden gehouden. Zo wordt het tegenovergestelde effect bereikt. Wat zijn de mogelijkheden om vervolging en bestraffing door het land van herkomst te laten overnemen? Het is opvallend dat van geweld door een vreemdeling slechts aangifte wordt gedaan als een escort gewond is geraakt. In 2010 is slechts één keer aangifte gedaan, terwijl er meer incidenten hebben plaatsgevonden. Aan wat voor verwondingen moeten wij denken? Gaat het om een schrammetje, een blauw oog, een bloedneus, een gebroken arm, een hap uit een oor of een hersenschudding? Geen enkel geweld tegen overheidsdienaren moeten wij tolereren, ook niet van vreemdelingen. In een eerder debat is al aan de orde geweest dat hier stevig beleid op moet worden ingezet met zo vaak mogelijk het middel van ongewenstverklaring. Gaat de minister dit doen? Wij worden ook graag geïnformeerd over de uitkomsten van het overleg van de minister met de Koninklijke Marechaussee (KMar) en het Openbaar Ministerie (OM) over de geweldsinstructie. Het aantal annuleringen als gevolg van herhaalde aanvragen blijft onverminderd hoog, ondanks de pilot over herhaalde asielaanvragen. Hoe kan dat? Zulke aanvragen zouden toch heel snel worden afgedaan? Het percentage annuleringen als gevolg van administratieve fouten is ondanks een daling nog veel te hoog: 16. Wat gaat de minister doen om dit tot nul te reduceren?

Uit het voorgaande punt blijkt dat aan de ketensamenwerking, de sturing en samenwerking in het hele proces, nog steeds een en ander schort. Dat geldt ook voor vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS) en het protocol hiervoor. Vreemdelingen-, rechtelijke- en strafrechtelijke procedures sluiten niet goed op elkaar aan. Van de VRIS-criminelen verdwijnt nog steeds 30% met onbekende bestemming. Wat gaat de minister hieraan doen? Wat gaat hij in het kader van de hervorming van het politiebestel doen aan verbetering van de politiële vreemdelingentaak teneinde de grote verschillen in aandacht en aanpak tussen de korpsen op te heffen?

De heer Voordewind (ChristenUnie): De heer Knops heeft niet gesproken over Irak, maar mogelijk heeft hij de aflevering van Uitgesproken VARA gezien over de familie Karim. Wat is de reactie van de CDA-fractie op de fout die door de IND is gemaakt door de familie Karim uit te zetten terwijl er sprake is van bloedwraak en uithuwelijken? Vindt de CDA-fractie dat de fout ingezien moet worden en dat er misschien, indien de fout bevestigd wordt, een mogelijkheid is voor de twee dochters om alsnog terug te keren naar Nederland?

De heer Knops (CDA): Ik heb deze uitzending niet gezien en ga niet in op deze individuele zaak.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Dat vind ik iets te makkelijk. Wij weten dat Irak nog steeds een gevaarlijk land is en dat Nederland doorgaat met uitzettingen. Wij weten ook dat de aanslagen in Bagdad, Mosul en Kirkuk niet zijn afgenomen. Ik begrijp dat de heer Knops de uitzending niet heeft gezien. Als deze zaken bekend zijn, kan de CDA-fractie op zijn minst aan de minister vragen om deze zaak uit te zoeken om misschien een bevestiging te krijgen van de verkeerde inschatting die de IND heeft gemaakt.

De heer Knops (CDA): Dit raakt de zorgvuldigheid. Ik geef hier geen antwoord op.

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. In de Rapportage Vreemdelingenketen staan opvallende zaken. Het aantal kennismigranten is in 2010 met maar liefst 11% gestegen tot een totaal van meer dan 6 500 toegelaten kenniswerkers. De PVV-fractie maakt zich zorgen over de ontwikkeling rond deze kennismigranten. Natuurlijk begrijpen wij dat bedrijven als Shell en Philips hooggekwalificeerd personeel nodig hebben en dat in die behoefte moet worden voorzien. Dat logische principe staat ver van de huidige gang van zaken. Die is namelijk dat de volgende bedrijven in het kader van de kennismigratieregeling vreemdelingen naar Nederland kunnen halen en ook daadwerkelijk naar Nederland hebben gehaald: Agrarisch Loonbedrijf Coprak, Agrarisch Loonbedrijf Dede, Pizza- en Snackservice Amigo en Oz Yildirim, een uitzendbureautje uit de Haagse Schilderswijk. Ik kan nog een tijdje doorgaan met werkelijk kolderieke voorbeelden die te lezen zijn in de door de IND opgestelde lijst met bedrijven. Hij ligt hier voor mij en is vrij lang. Ik snap dat het luxe internationale vijfsterrenhotel Okura op die lijst staat, maar wat doet hotel Flipper erop? Dat is een tweesterrenpensionnetje dat, gelet op de gastencommentaren op internet, eerder behoefte heeft aan schoonmakers dan aan kennismigranten. Ik zou er nog om kunnen lachen, ware het niet dat werknemers van buiten Europa van dit soort bedrijfjes gewoon verblijfsvergunningen hebben gekregen. Dat terwijl het voor iedereen duidelijk is dat, plat gezegd, de kluit bedonderd wordt. Mijn conclusie is dat de huidige kennismigratieregeling misbruik en fraude in de hand werkt. Dat komt omdat er alleen een salariscriterium wordt gesteld waaraan op papier heel makkelijk aan kan worden voldaan. Zelfs analfabeten zonder enige vorm van opleiding die goed betaald krijgen, althans op papier, worden in Nederland aangemerkt als kennismigrant. Dat kan volgens de PVV nooit de bedoeling zijn. Ik vraag daarom de minister om de kennismigratieregeling anders in te vullen en een schaarstecriterium te introduceren. Op die manier filter je de nepgevallen eruit en kun je ervoor zorgen dat bedrijven die echt hooggekwalificeerd personeel nodig hebben eerst binnenlands werven. Graag een reactie op dit punt. Hoe zit het met de handhaving van de kennismigratie? Hoe vaak zijn er bij kennismigranten verblijfsvergunningen ingetrokken wegens fraude? Hoe vaak zijn bedrijven aangepakt die al wegens fraude tegen de lamp zijn gelopen?

Een ander opvallend punt uit de Rapportage Vreemdelingenketen is de stijging van het aantal aanvragen voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv). De stijging komt volgens de rapportage op het conto van gezinsleden van Somalische asielzoekers. Bij Somalische vreemdelingen waren er juist heel veel problemen. Wij zijn daar eerder door het kabinet over geïnformeerd. Het ging bijvoorbeeld om kinderen die in de praktijk nooit deel hebben uitgemaakt van het gezin of om onwaarschijnlijk hoge aantallen pleegkinderen. 60% van de volwassen Somaliërs verklaarde een of meerdere pleegkinderen te hebben. Nu uit de rapportage en de cijfers blijkt dat de instroom van Somalische gezinsmigranten erg groot is, rijst de vraag wat de stand van zaken is rond dit soort misstanden. Wat is het effect van de eerder aangekondigde maatregelen om die misstanden te lijf te gaan? Worden de ondeugdelijke aanvragen er door ambassades of de IND goed uitgevist? Hoe vertaalt zich dat in aantallen controles, afwijzingen van verblijfsaanvragen of intrekkingen van verblijfsvergunningen? Hoeveel Somalische pleegkinderen zijn toch toegelaten en hoeveel zijn er afgewezen? Dat laatste is relevant omdat wij in eerdere stukken hebben kunnen lezen dat zelfs Somaliërs die al een verblijfsvergunning voor een ander Europees land hadden nog een asielvraag in Nederland doen, vanwege de mogelijkheid pleegkinderen over te laten komen.

De CITT stelt veel problemen vast rond annuleringen van uitzettingen. Die annuleringen zijn helaas ook weer toegenomen. Het lijkt of op de annuleringen wegens geweld niet goed wordt gereageerd. De commissie was bijvoorbeeld verbaasd dat in slechts één geval aangifte is gedaan wegens geweld tegen ambtenaren in functie. Die verbazing deel ik. Kan de minister ervoor zorgen dat geweld tegen ambtenaren altijd wordt aangepakt en dat de daders, bijvoorbeeld door middel van het snelrecht, voor de rechter worden gesleept, worden gestraft en na een eventuele gevangenisstraf meteen op het vliegtuig richting land van herkomst worden gezet? Een voordeel van een veroordeling is dat je een toekomstige verblijfsaanvraag kunt weigeren.

Er zijn honderden annuleringen wegens nieuw opgestarte procedures, blijkt uit het rapport van de CITT. Dit benadrukt de noodzaak van de maatregelen om procedurestapelen tegen te gaan. Ik vraag specifiek naar de aanpak van de zogenaamde vliegtuigtrapaanvragen. Hoeveel nieuwe verblijfsaanvragen worden er gedaan op of rond het moment van uitzetting? Kan ervoor gezorgd worden dat dit naar nul gereduceerd wordt? Het is voor de PVV onverkoopbaar dat er veel belastinggeld is uitgegeven aan tickets – niet alleen voor vreemdelingen, maar ook voor meereizende medewerkers van de marechaussee – en de hele voorbereiding van de terugkeer en dat de hele operatie niet doorgaat. Soms wordt er zelfs vanuit het vliegtuig dat naar het land van herkomst vliegt een nieuwe aanvraag opgestart. Ik kijk uit naar de terugkeerbrief en ik hoop net als mijn collega's dat er voldoende aandacht is voor landen die niet meewerken en voor de afgesproken dossierkoppeling. Hopelijk wordt ook gekeken wat er in de richting van de vreemdelingen nog gedaan kan worden. Tijdens een werkbezoek aan de Dienst Terugkeer en Vertrek hebben wij duidelijk gehoord dat er heel veel problemen zijn, niet alleen rond die weigerachtige landen maar ook rond vreemdelingen die hun mond houden. Ik hoop dat in de brief oplossingen komen te staan.

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Met dank aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en VluchtelingenWerk Nederland was ik vorige week maandag in Ter Apel. Ik was erg verrast door de toewijding en de professionaliteit van bijna iedereen om te werken aan duurzame terugkeer. Vaak heb je het beeld dat men de asielzoekers er zo snel mogelijk uit probeert te knikkeren. Elke laag die daar werkte, deed echter zijn best om het verhaal goed op tafel te krijgen, te bekijken of terugkeer wel mogelijk was en om asielzoekers een zinvolle dagbesteding te geven. Ik wil langs deze weg mijn waardering uitspreken voor wat daar gebeurt. Wel zie je daar heel veel gezinnen met kinderen die hier al acht, negen, tien of elf jaar wonen en eigenlijk Nederlands zijn geworden. Zij worden mogelijk geconfronteerd met gedwongen terugkeer. Het zal altijd pijnlijk zijn, maar het heeft mij goed gedaan om te zien wat er precies gebeurt.

Dat de Stichting Duurzame Terugkeer na een jaar nog niet helemaal functioneert; so be it. Het gaat mij er niet per se om dat de vorm moet blijven voortbestaan. Het is belangrijk dat het maatschappelijk middenveld en de organisaties samenwerken met de overheid om te zorgen voor duurzame terugkeer. Ik ben benieuwd hoe de minister tegen het stopzetten van de subsidie aankijkt. Als die stopt, hoe wil hij er dan voor zorgen dat de samenwerking tussen verschillende organisaties goed vorm krijgt? Die samenwerking levert uiteindelijk veel meer resultaat op dan proberen om iemand een vliegtuig in te werken. Wat is het concrete toekomstbeeld?

Het is zeer onwenselijk als na een lange periode van onzekerheid een vlucht wordt geannuleerd en de asielzoeker nog langer in onzekerheid verkeert. Waar komt die toename precies vandaan? Ik stelde in Ter Apel vragen over agressie en dergelijke. Daar had men er helemaal geen last van. Welke concrete maatregelen gaat de minister nemen om te voorkomen dat vluchten worden geannuleerd en ervoor te zorgen dat er zorgvuldige procedures zijn?

Er wordt veel aandacht besteed aan Irak. Het meeste is al gezegd door voorgaande sprekers. Ik wil hier een dilemma benoemen. Ik zag net een tweet van mevrouw Van Nieuwenhuizen waarin zij schrijft dat wij steeds vaker over individuele gevallen praten en dat het juist de bedoeling is – daar heb ik ook het initiatief toe genomen – om daar zo terughoudend mogelijk mee om te gaan omdat je anders mogelijk willekeur krijgt. Wie in de media komt, krijgt meer aandacht. Daartegenover staat een uitzending als die van Uitgesproken VARA, waarin men een gezin met twee dochters ziet dat in Irak in de meest schandalige situatie terecht is gekomen. Moet je daar dan niets over zeggen, wegkijken en zoals de heer Knops zeggen: ik heb de uitzending niet gezien en hoop dus dat het niet bestaat? Ik leg dat dilemma ook op het bordje van de minister. Hoe wil hij hiermee omgaan? Wil hij de komende jaren elke week een debat over een nieuw individueel geval in de media of zijn er oplossingen?

De heer Knops (CDA): De heer Dibi huilt krokodillentranen. Eerder heeft hij individuele zaken opgebracht, die ik hier niet zal noemen, en daarna twittert hij dat hij dat niet had moeten doen. Ik trek een duidelijk lijn en zeg niets over individuele gevallen. Hij begint er wel weer over en zegt dat hij het eigenlijk niet wil en toch weer wel, en dat ik wegkijk. Dat is absoluut niet waar. Ik wil het zuiver houden, in tegenstelling tot de heer Dibi.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb altijd gezegd dat individuele gevallen soms een gezicht geven aan fouten in het beleid. Als er sprake is van een structureel probleem, is het gerechtvaardigd om individuele gevallen in een debat als voorbeeld te gebruiken. Mijn punt is dat je individuele gevallen nooit de inzet moet maken van de strijd tussen oppositie en coalitie en dat gebeurt wel. In de debatten over Sahar hebben we daar allemaal aan meegewerkt. Ik zoek naar een manier om dit in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen. Ik wil niet, zoals het CDA deed in antwoord op vragen van de heer Voordewind, doen alsof de kinderen die op televisie verschijnen niet bestaan. Dat is te makkelijk.

De heer Knops (CDA): Het is schandalig wat de heer Dibi doet. Ik zei dat ik de uitzending niet heb gezien en daarom niet reageer. Ik ben overigens ook van mening dat wij terughoudend moeten zijn over individuele gevallen. De heer Dibi is echter juist degene geweest die, niet één keer maar meerdere keren, individuele gevallen op tafel heeft gelegd en die blijkbaar als enige bepaalt wanneer dat wel of niet mag. Hij moet zich schamen.

De heer Dibi (GroenLinks): Als het beleid gewoon goed was en niet willekeurig, zoals bij de regeling voor de Afghaanse meisjes, zouden die gevallen niet één voor één in de media komen en waren er ook geen Kamerleden die daar iets mee doen. Ik kom u tegemoet. Als het beleid blijft zoals het nu is blijf ik met voorbeelden komen, maar ik zoek naar een manier om dat niet meer te doen. Het zou mooi zijn als het CDA daarin wil samenwerken. Overigens was mevrouw Sterk bereidwilliger dan de heer Knops. Ik raad hem aan om die uitzending terug te kijken.

Voorzitter. Ik heb drie vragen over de situatie in Irak. Vindt de minister dat gedwongen terugkeer mag plaatsvinden als er nog lopende juridische procedures zijn? De rechtbank in Den Haag oordeelde dat de bewaring van een Irakees gezin daarom opgeheven moest worden. Hoeveel van dat soort gezinnen bevinden zich nu in bewaring of zijn die allemaal vrijgesteld? Het is onacceptabel dat gezinnen met kinderen die in Bagdad aankomen, in detentie terechtkomen. Wat gaat de minister concreet doen om ervoor te zorgen dat dit niet plaatsvindt? Neemt hij contact op met zijn Irakese tegenhanger? Hoe wil hij hiermee omgaan zolang de detentie plaatsvindt? Welke consequenties trekt hij hieruit?

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD): Voorzitter. Ik kom terug op mijn eigen tweet. Ik betreur het zeer dat wij meer en meer individuele gevallen op tafel krijgen. Uit een soort frustratie heb ik dit bericht de wereld ingestuurd. Dat er een bepaalde problematiek aan de orde wordt gesteld is prima, maar dan hoeven bepaalde families of individuele gevallen niet met naam en toenaam genoemd te worden. Je kunt de problematiek heel goed schetsen zonder er rugnummers aan te verbinden.

Het is bijzonder positief dat het aantal asielaanvragen waarover beslist wordt binnen de achtdaagse procedure, een stijging oplevert van 29% naar 49%. Dat is een eerste stapje naar versnelling. Wij kunnen er ook allemaal blij mee zijn dat er minder alleenstaande minderjarige vreemdelingen in vreemdelingenbewaring terecht zijn gekomen. Er is ook een toename van de kennismigratie. Ik ondersteun het pleidooi van de heer Fritsma over de fraudeaanpak. Ik heb op de lijst ook coffeeshops en dergelijke zien staan. Ik heb overigens begrepen dat niet alle aanvragen op de lijst ook gehonoreerd zijn. Daar put ik dan maar weer de hoop uit dat de IND niet gek is en niet overal intrapt. De toename van het aantal kennismigranten laat wel zien dat de economie weer aantrekt. Dat is positief. Het is voor het langjarige belang van de bv Nederland heel relevant dat wij die kennismigranten kunnen aantrekken. Er is ook een positieve vermelding van het stijgend aantal vertrekken uit Nederland.

Wij onderschrijven dat er te weinig toegevoegde waarde bij de Stichting Duurzame Terugkeer is aangetroffen om de besteding van het gemeenschapsgeld te continueren. Niet in ieder badwater zit een kind. Ik ben wel benieuwd wat de minister gaat doen om het belangrijke maatschappelijk middenveld en de kennis die daar zit, hierbij te blijven betrekken. Ik sluit mij aan bij de vragen over de geweldsinstructie. Ik ben een halfjaar geleden in Ter Apel geweest en heb daar grote waardering gekregen voor de medewerkers. Die waardering geldt echter ook voor de medewerkers bij het detentiecentrum en de marechaussee op Schiphol. Het CITT-rapport spreekt ook waardering uit voor de manier waarop zij met vreemdelingen omgaan en het moeilijke werk van het uitzetten verrichten. Ik wil die complimenten ook graag aan hen overbrengen. Ik voeg daar de zorg aan toe over het toegenomen geweld tegen deze mensen. Via de geweldinstructie kan dit niet opgelost worden omdat die gaat over het geweld dat men zelf mag gebruiken. De minister heeft echter overleg aangekondigd met de officier van het parket van Haarlem en de marechaussee op Schiphol. Ik word hierover graag geïnformeerd en het liefst over het positieve resultaat dat de minister hiervoor een oplossing heeft gevonden.

Voorgaande sprekers hebben gesproken over de wettelijke procedures die reden zijn voor de aantallen niet gelukte uitzettingen. De aswolk boven IJsland is een reden waar de minister niets aan kan doen, maar er zijn bijna 400 gevallen van niet gelukte uitzettingen, die met de keten te maken hebben. De redenen zijn bijvoorbeeld: niet tijdig aangemeld, administratieve fouten en vreemdeling niet compleet aangeleverd. Ik raad aan om voor deze laatste categorie een andere benaming te vinden. Ik begrijp wat ermee wordt bedoeld, maar het gaat wel over mensen. Als je ze allemaal bij elkaar optelt, zijn er bijna 400 gevallen die vermijdbaar zijn. Voor dit belangrijke beleidsterrein moet er intern, bij de IND en de marechaussee, een tandje bij om dit probleem op te lossen.

In Italië worden soms militaire vluchten ingezet om mensen uit te zetten. Heeft de minister daar wel eens over gedacht? De Frontex-vluchten zijn kennelijk erg duur. De militaire vluchten zijn misschien wat makkelijker te gebruiken voor uitzetting dan commerciële vluchten. Het is heel goed dat de Taskforce VRIS er is, maar wat is precies de taakomschrijving?. Welk resultaat moet de taskforce opleveren en wanneer? Hoe informeert de minister ons daarover?

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter. Ik ben gelukkig met de helderheid en de overzichtelijkheid van de rapportages die de Kamer toegestuurd heeft gekregen. Er staat veel informatie in. Ik begreep uit een gesprek dat ik onlangs had met de adviescommissie voor vluchtelingen- en asielbeleid, dat zij vindt dat op het gebied van cijfers het nodige te verbeteren valt. Het is vaak lastig om cijfers te hanteren die echt kloppen. Ik zie de minister knikken, dus ik hoop dat hij zich daar ook zorgen over maakt en dat er werk van wordt gemaakt om dit te optimaliseren. De CITT doet een aantal aanbevelingen en de minister heeft aangegeven dat hij die aanbevelingen voor een belangrijk deel overneemt. De CITT wijst erop dat er meer werk moet worden gemaakt van de landen die niet meewerken aan terugkeer. Hierover is ons een brief beloofd die komt voor het zomerreces, maar ik wil graag weten of er al progressie wordt gemaakt met het vinden van manieren om landen die niet mee willen werken te bewegen om dat wel te doen.

Ik heb vragen aan de hand van zaak-Safi. Ik wil het niet over deze individuele zaak hebben, zeg ik tegen mevrouw Van Nieuwenhuizen, maar ik gebruik hem als voorbeeld. Wij hebben een aantal keer meegemaakt dat er beweging kwam in zaken waarover in Nederland vrij veel te doen was en waarbij de dreiging in de lucht hing dat de zaak aanhangig werd gemaakt bij het Europees Hof of bij het Hof van Justitie. De minister streek dan met de hand over het hart. In mijn ogen toont dat aan dat Nederland tegen de grenzen aanloopt van wat getolereerd wordt. Wij hanteren blijkbaar te strenge regels. Wat kan dit mogelijk betekenen voor de strengere regels ten aanzien van gezinnen en huwelijken, die nog in de pijpleiding zitten? Kan de minister daarover zijn visie geven?

De heer Fritsma maakte een punt over de arbeidsmigratie. Hij heeft gelijk. Er is een stijging van het aantal aanvragen en het aantal mensen dat is toegelaten om in Nederland te komen werken. Dat is omgekeerd aan de beweging die het kabinet leek in te gaan. Tijdens andere debatten wordt juist gezegd dat er meer kennismigranten binnengehaald moeten worden. Ik hecht eraan te zeggen dat de grote bulk aan mensen die in ons land werken niet te vinden is in de cijfers waarover wij het vandaag hebben. Er werken op dit moment zo'n 200 000 mensen uit Balkanlanden in ons land. Dat aantal is vele malen hoger dan dat van de honderden mensen en de stijging met tientallen in de cijfers van het rapport. Ik zeg dit om de discussie zuiver te houden.

Ik zat onlangs in de trein van Keulen naar Utrecht en kreeg daarbij te maken met een grenscontrole. Er kwamen mensen binnen in gewone burgerkleding die andere mensen om hun paspoort gingen vragen. Ik en de Duitser naast mij werden niet om ons paspoort gevraagd, maar de mensen met een Noord-Afrikaans uiterlijk allemaal wel. Strookt dit met de inzet van de minister? Is dit de manier waarop de minister wil dat er verscherpte controles worden uitgevoerd?

Minister Leers: Voorzitter. Eind 2009 zijn wij begonnen met het verstrekken van een subsidie aan de Stichting Duurzame Terugkeer. Het doel was om met de negen aangesloten organisaties samen te werken om de terugkeer en de duurzame herintegratie van uitgeprocedeerde asielzoekers te bevorderen. De heldere afspraak dat de evaluatie snel zou plaatsvinden is toen gemaakt, temeer omdat men een heel lange opstarttijd kende. Bovendien hebben wij afgesproken om bij de evaluatie te bekijken of er opnieuw zou worden doorgezet en gefinancierd. Die evaluatie is uitgevoerd met als uitkomst dat de samenwerking niet optimaal was, de gedachte resultaten niet gehaald zijn en er onderling heel wat zaken op de rails gezet moesten worden. Kwantitatief noch kwalitatief heeft men de doelstellingen weten te bereiken. Ik heb met de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking naar deze zaak gekeken en bekeken of wij dit anders kunnen doen. Wij hechten zeer aan de betrokkenheid van de organisaties, maar de staatssecretaris en ik willen niet op deze manier doorgaan. Ik schets straks het perspectief in relatie tot de discussie over de terugkeer en de terugkeerbrief. Wij praten met de organisaties over de vorm van de samenwerking. Aanstaande maandag vindt er ambtelijk overleg plaats tussen de betrokken organisaties en de ambtenaren van de beide ministeries.

In het jaarverslag van de CITT constateert de commissie dat het uitzetproces met de nodige zorgvuldigheid en humaniteit wordt uitgevoerd. Ik ben dankbaar voor de complimenten van mevrouw Van Nieuwenhuizen die daarbij is geweest en het heeft meegemaakt. Ik zal ze zeker overbrengen, want het is een ontzettend lastige job. Mensen zijn daar met hart en ziel bij betrokken en ik vind het echt fijn dat mevrouw Van Nieuwenhuizen complimenten geeft voor de manier waarop ze dat doen. De commissie ziet een aantal mogelijkheden om de effectiviteit van het terugkeerproces te verbeteren. Ik ga daarop in bij de beantwoording van de specifieke vragen.

Over de Rapportage Vreemdelingenketen hebben wij in het verleden gesproken. Het is een halfjaarlijkse rapportage waarin alle cijfers van het hele proces binnen de keten op een rij staan. Wij hebben te maken met drie onderdelen: de instroom, de doorstroom en de uitstroom. Bovendien wordt aangegeven wat binnen die processen die grootste groepen zijn. Ik hecht eraan te zeggen dat de Kamer de cijfers niet een-op-een mag vertalen naar de inzet van dit kabinet of naar de kwaliteit of de inzet van de instrumenten van het kabinet. Het kabinet trad aan tijdens de rapportageperiode. Het is dus ook geen beleidsverantwoording, hoewel de trends voor ons aanleiding kunnen zijn om steviger in te zetten, bij te schroeven of meer te doen. Het kabinet is gericht op de ombuiging en beheersing van immigratie met het oog op meer kwaliteit en het sterker maken van de immigratie en Nederland. De trend is dat de asielinstroom is verminderd – voor mij is dat geen doel op zich – met 7%, de bezetting van het COA daalt en dat er een afname is van het aantal aanvragen voor gezinsmigraties. Daartegenover staat een stijging van het aantal kennismigranten in Nederland met 11% en een stijging van het aantal vertrekkende vreemdelingen met 6%. Ik ga straks verder in op deze cijfers en zal ze proberen te duiden. De Kamer heeft al aangegeven dat het heel verheugend is dat de nieuwe asielprocedure die wij vanaf juni vorig jaar kennen en waarbij men na een rust- en voorbereidingstijd binnen acht dagen probeert helderheid te krijgen, tot een enorme verbetering heeft geleid. Bijna 50% van alle gevallen wordt nu afgewikkeld in die versnelde procedure. De Kamer kent de overige percentages uit de rapportage net zo goed als ik, dus die noem ik verder niet.

De Stichting Duurzame Terugkeer had een positieve bedoeling, maar de verwachtingen zijn niet uitgekomen. Er vond te weinig terugkeer plaats en er was onvoldoende samenwerking tussen de onderlinge organisaties en tussen de organisaties en de overheid. In het rapport staat dat onder de organisaties toch een bepaalde mate van wantrouwen heerst. De organisaties zijn niet gelijksoortig qua grootte en men heeft tijd nodig gehad om aan elkaar te wennen. Kennelijk is men daar niet helemaal in geslaagd. De heer Knops vroeg of de sterke punten die ontwikkeld zijn, meegenomen worden naar de toekomst. Ja, er is een grote meerwaarde te onderkennen voor de inzet van deze organisaties bij het terugkeerproces. Ik wil die gebruiken en niet loslaten. Het is ontzettend belangrijk dat wij met deze organisaties praten over een nieuwe vorm. Ik zeg het de heer Dibi na: de vorm is voor mij niet het allerbelangrijkste; de inhoud staat voorop. Die inhoud is: mensen perspectief geven in het land van herkomst in de vorm van scholing en werk en een duwtje in de rug geven. Hier kom ik uitgebreid op terug in mijn terugkeerbrief. Die terugkeerbrief zal niet de opbouw kennen van de afgelopen jaren. Ik probeer daarin een beleidsvisie neer te zetten waarin ik op dat onderdeel precies aangeef wat mijn voornemen is. Ik ben het met de Kamer eens: er is een zorgvuldige asielprocedure met een goede, nauwgezette beoordeling van het hele proces. Als wij besluiten dat mensen niet kunnen blijven, moeten wij ook een duidelijke terugkeerregeling afspreken. Daar schort het vaak aan. Wij zijn goed in het vaststellen of iemand mag blijven en goed in het procesmatig bekijken of de hele procesgang bij het COA etc. in orde is, maar nu moeten wij ervoor zorgen dat wij voor de mensen die door de zeef vallen omdat hun asielverhaal te licht is bevonden, een efficiënt en goedlopend terugkeerproces hebben. Dat is in het belang van die mensen. De Kamer zal zien dat de conditionaliteit heel belangrijk wordt en de vrijblijvendheid ervan afgaat. Wij gaan natuurlijk werken aan het lastige probleem dat wij geen toestemming krijgen voor terugsturen als mensen geen papieren hebben. De Kamer krijgt hierover een uitgebreide brief waarin veel beleidsmatige punten zitten waar de Kamer wat mee kan. Daar kunnen wij een goed debat over hebben zodat er een goed nieuw beleidskader ontstaat.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD): Neemt de minister in de beschrijving van het terugkeerbeleid ook de financiële componenten mee, zoals bedragen die meegegeven kunnen worden aan individuen en gezinnen?

Minister Leers: Die komen in het beleidskader aan de orde. Over de huidige instrumenten heeft de Kamer vragen gesteld. Terecht, want je moet er altijd omzichtig mee omgaan. Een bedrag is misschien heel erg nodig om aan mensen de onkosten van de terugkeer te vergoeden en ze ter plekke een duwtje in de rug te geven, maar het mag niet zo zijn dat dat bedrag een aanzuigende werking heeft. Dan zijn wij averechts bezig. De Kamer kent het instrument van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).

Voorzitter. De CITT heeft een paar stevige punten aangegeven. Heel wat vluchten werden geannuleerd vanwege allerlei omstandigheden zoals het op het laatste moment plaatsvinden van een aanvraag, maar ook door de weigering van de piloot om in de bestaande situatie op te stijgen. Ik geef toe dat er ook omstandigheden zijn ontstaan doordat onze organisatie de goede personen niet aanleverde of omdat de personen niet toegerust waren om de vlucht naar huis te maken. Dat laatste punt heb ik zelf in de hand en ik ben het er volstrekt mee eens dat de Kamer mij daarop aanspreekt. Wij gaan daar een stevig accent op leggen. Het gaat om een relatief kleine groep, maar dat neemt niet weg dat ik het belangrijk vind. Als wij van anderen verwachten dat ze nauwgezetheid zijn en zorgen voor kwaliteit, moet dat bij onszelf ook zo zijn. De aansporing van de Kamer neem ik zeer ter harte en ik pak haar op.

In het programma voor de stroomlijning van asielprocedures heb ik maatregelen aangekondigd die aanvragen op de vliegtuigtrap moeten zien te voorkomen. Een aanvraag waarbij geen nieuwe feiten aanwezig zijn, waar dus de nova ontbreken, moet binnen de kortste keren worden afgedaan en ertoe leiden dat deze mensen meteen uitgezet worden. Ik heb zelf een paar weken geleden een uitzetting meegemaakt en heb met eigen ogen gezien dat het werkt. Er kwam iemand die ter plekke een nieuwe aanvraag indiende. Met de hulpofficier van justitie werd een afweging gemaakt waarbij gezegd werd dat er geen nieuwe feiten waren en dat de uitzetting kon doorgaan. Dat vind ik een goede ontwikkeling, dus daar moeten wij zeker mee doorgaan.

De heer Fritsma (PVV): Het klopt dat sommige aanvragen snel worden afgedaan zodat de uitzetting niet geannuleerd hoeft te worden. Uit de cijfers van de CITT blijkt helaas ook dat uitzettingen wel geannuleerd worden in verband met nieuwe aanvragen. Mijn vraag was daarop gericht. Hoeveel vliegtuigtrapaanvragen hebben geleid tot annulering van de uitzetting en hoe kunnen wij dat aantal naar nul terugbrengen?

Minister Leers: Ik weet niet of dat naar nul terug te brengen is. Mensen moeten altijd het recht hebben om nog een verzoek in te dienen als er iets gebeurt, als hen informatie heeft bereikt via hun advocaat, in het land van herkomst of wat dan ook. Daar sta ik voor. Als de aanvraag niet gebaseerd is op nieuwe feiten, moeten wij daar korte metten mee kunnen maken. Dat ben ik helemaal met u eens. In 2010 is 4% van het totaal aantal geboekte vluchten geannuleerd vanwege asielverzoeken en reguliere aanvragen. 285 daarvan werden geannuleerd vanwege het op het laatste moment indienen van een toelatingsaanvraag. Tot nul reduceren gaat niet. Iemand kan op basis van een aantal gronden uitgezet worden en op de vliegtuigtrap een asielverzoek indienen. Dat is een omstandigheid waarmee je helaas rekening moet houden.

De heer Fritsma (PVV): Misschien is het niet helemaal tot nul terug te brengen, maar de CITT spreekt over honderden gevallen. Dat is te veel. Ik blijf dit een groot probleem vinden. Ik ken ook praktijkvoorbeelden van mensen die worden uitgezet en die vanuit het vliegtuig weer een procedure beginnen. Dan zitten er vier marechausseemedewerkers aan boord en gaat die hele operatie niet door. Ik vind dat moeilijk uit te leggen. Misschien kan de minister zeggen hoe wij deze verspilling van belastinggeld beter tegen kunnen gaan?

Minister Leers: Ik begrijp de ergernis van de heer Fritsma en ik deel die. Daarom heb ik aangekondigd dat wij een gewijzigd beleid gaan invoeren ten aanzien van voorlopige voorzieningen. Ik wil voorkomen dat dit überhaupt plaatsvindt door aan de voorkant zorgvuldig te zijn. Als pleister op de wonde voeg ik toe dat annulering niet willen zeggen dat de vreemdeling Nederland niet verlaat. Zodra de IND de aanvraag heeft afgehandeld en afgewezen, zal een nieuwe vlucht worden geboekt. Ik ben het met de heer Fritsma eens dat de lege plaatsen in het vliegtuig verspilling zijn, maar het leidt er niet toe dat het hele vliegtuig niet vertrekt. Ik ga die lege plaatsen proberen te voorkomen door ter plekke een besluit te nemen over nieuwe feiten en of die moeten betekenen dat iemand niet uitgezet kan worden. Het annuleren van de vlucht betekent niet per definitie dat de vreemdeling in Nederland kan blijven. Dan gaat hij een week later. Zo gebeurt het in de praktijk.

Voorzitter. De heer Dibi zei dat je niet moet uitzetten en een gedwongen terugkeer moet inzetten, als er nog een juridische procedure loopt. Er is bij de eerste asielaanvraag steeds de mogelijkheid om de zaak aan de rechter voor te leggen, alvorens iemand gedwongen wordt uitgezet. Als hij is afgewezen in een gewone, korte asielprocedure en de vervolgaanvragen niet berusten op nieuwe feiten, vind ik niet dat er nog allerlei lange procedures moeten zijn. Dan moeten wij dat snel kunnen afdoen. Ik wil voorkomen dat mensen maar blijven doorprocederen. Met andere woorden: ik respecteer dat je mensen niet uitzet als er een juridische procedure loopt, maar als er geen nieuwe feiten zijn ...

De heer Dibi: (GroenLinks): Daar ben ik het mee eens.

Minister Leers: Goed. Dan zijn we het op dit punt eens.

Voorzitter. De leden hebben de geweldproblematiek aangestipt en gezegd dat het niet zo zijn dat iemand die geweld tegen een ambtsdrager gebruikt daar zomaar vanaf komt. Ik deel dat voor 100%. Wij moeten dat meteen oppakken. Maar – ik zeg dit niet ter relativering maar omdat wij proportioneel moeten handelen – onder het kopje «geweld» valt vaak ook «verbaal geweld». Sterker nog, in de meeste gevallen heeft de vreemdeling in kwestie geschreeuwd of zijn woede geuit en mensen beledigd. De vraag is of ik er verstandig aan doe om dat soort geweld in een procedure te brengen die ertoe leidt dat de vreemdeling aangehouden wordt en de uitzetprocedure wordt stopgezet. Dan kies ik er liever voor om hem uit te zetten ondanks dat geweld. Ik ben het volstrekt met de Kamer eens dat wanneer er sprake is van fysiek geweld er altijd aangifte moet worden gedaan en dit via het geweldsprotocol moet worden opgepakt. Dat is overigens niet altijd zo makkelijk. Mevrouw Van Nieuwenhuizen refereerde al aan het overleg met de hoofdofficier van justitie in Haarlem. Daar loopt een zaak waarin wij aangifte willen doen tegen een vreemdeling die al uitgezet is.

De heer Fritsma (PVV): Ik begrijp dat de minister geen uitzetting wil verstoren en dat hij de uitzetting wil continueren als er sprake is van geweld. De CITT spreekt echter over de gevallen waarbij de vlucht al is geannuleerd. Het gaat om uitzettingen die al zijn mislukt en dat komt in 312 gevallen door verzet van de vreemdeling. Als de uitzetting is mislukt en de vreemdeling toch weer in Nederland moet blijven, kun je ervoor kiezen om hem voor de rechter te slepen, desnoods via snelrecht, en ervoor te zorgen dat hij gestraft wordt. Ik vind dat een belangrijk punt omdat door minister Opstelten is geregeld dat geweld tegen gezagsdragers zwaarder kan worden bestraft. Ik vind dat wij daarop in moeten zetten, in ieder geval op de gevallen waarvan de CITT aangeeft dat de uitzetting al tig keer is mislukt door geweld.

Minister Leers: Geweld moet leiden tot aangifte en geweld tegen ambtsdragers moet zwaar bestraft worden. Als je dat niet doet, heb je ook geen titel om iemand ongewenst te verklaren als hij terugkomt. Ik ben het helemaal met u eens. Dat is het punt ook niet. Het probleem is dat je te maken krijgt met een situatie waarin de gezagvoerder tot de conclusie komt dat hij die persoon niet meeneemt en niet gaat vliegen. Het gaat in veel gevallen niet om fysiek maar om mondeling geweld. In die gevallen wil ik als het kan doorgaan met uitzetten. Wij doen aangifte van fysiek geweld en ik bekijk of wij dat kunnen koppelen aan een ongewenstverklaring. Dat lijkt mij de meest effectieve, duidelijke manier om hier invulling aan te geven.

De heer Fritsma (PVV): De CITT zegt dat er slechts één keer aangifte is gedaan. Ik begrijp uit de antwoorden van de minister dat hij ook vindt dat dit te weinig is en dat dit anders moet.

Minister Leers: Jazeker. Er is een casus geweest waarbij een medewerker van de Koninklijke Marechaussee gewond is geraakt doordat de vreemdeling hem beet. Toen is aangifte gedaan. Aangezien de vreemdeling al vertrokken was, gaf het OM aan dat hij niet vervolgd kan worden. Die kwestie hebben wij nu bij het parket van Haarlem aan de orde gebracht. Dit moet leiden tot een aantekening. Als die persoon een keer terugkomt, moeten wij hem meteen in de kraag kunnen pakken.

Voorzitter. Op de vraag van de VVD-fractie over de annuleringen en de administratieve fouten heb ik antwoord gegeven. Ze zijn al met 5% gedaald, maar ik wil het voor onszelf voor 100% in orde hebben. Dan kun je ook een ander aanspreken. Mevrouw Van Nieuwenhuizen vroeg waarom er geen defensievliegtuigen ingezet worden voor gedwongen terugkeer. De voormalige staatssecretaris van Justitie heeft hier in 2009 onderzoek naar laten doen. Het gebruik van militaire vliegtuigen is mogelijk, maar er zijn allerlei beperkingen. Defensie heeft in totaal slechts vijf toestellen die geschikt en beschikbaar zijn en die kunnen in beginsel alleen in Europa worden ingezet. De kosten zijn helaas hoger dan bij het gebruik van commerciële vluchten. Dat heeft te maken met de interne afspraak dat defensie marktconform opereert. Terecht, want wij moeten op de centen letten. Defensie vliegt op dit moment alleen op Afghanistan. Een bijkomstigheid is dat als defensie een andere, belangrijkere, missie heeft, de vlucht wordt geannuleerd. Ik heb liever dat wij rechtstreeks en commercieel vliegen, vaak via Frontex. Frontex betaalt dan mee aan de vlucht.

Er zijn afspraken gemaakt tussen de ketenpartners over de aanpak van VRIS-vreemdelingen. Op 26 januari 2011 is de taskforce officieel van start gegaan. De doelstelling is het realiseren van een doeltreffende integrale aanpak van criminele vreemdelingen en illegalen. Het VRIS-protocol moet prioriteit geven aan de optimalisering van de identiteitsvaststelling en de informatie- en gegevensuitwisseling van de vreemdeling, zodat men precies weet wie men voor zich heeft. Door het toekennen en hanteren door alle organisaties van een uniek nummer, het zogenaamde V-nummer, wordt dat vergemakkelijkt. De taskforce heeft zelf verzocht om een verlenging en die heb ik toegezegd. De verlenging loopt tot december 2012 en is om de implementatie van het geautomatiseerde ondersteuningssysteem en de uitvoeringspraktijk zorgvuldig te borgen. Als de taskforce eindigt, geef ik de Kamer een overzicht van de bereikte resultaten.

Ik heb de uitzending van Uitgesproken VARA gezien en was geschokt. Wat in Irak gebeurt, wens je niemand toe. Ik wil de Kamer wel voorhouden dat wij in Nederland een zorgvuldig, humaan en goed afwegen. Dat durf ik echt te beweren. Er wordt goed bekeken of iemand terecht of onterecht asiel vraagt en na een lange afweging wordt gezegd welk geval mag blijven en welk geval niet. In het geval van de familie Karim is die afweging zorgvuldig geweest. Er zijn zelfs rechterlijke toetsen gedaan. Ik ga niet in op de individuele aspecten van deze zaak. Ik zeg toe dat ik nog eens heel zorgvuldig bekijk wat er allemaal vooraf gebeurd is en wat de huidige situatie is. Ik informeer dat Kamer daarover vertrouwelijk. Naar mijn overtuiging is de afweging op een zorgvuldige manier gebeurd. De situatie waarin de familie zich bevindt is niet prettig, maar eerlijk gezegd zijn er heel veel onprettige situaties in de wereld die geen aanleiding zijn voor iemand om weer naar Nederland te komen. Dat is het lastige. Ik wil er nu niet te lang over praten omdat het over een individuele zaak gaat.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik bedank de minister dat hij naar deze zaak gaat kijken. Het is prima als dat vertrouwelijk kan. Ik heb de zaak aangestipt omdat ik mij zorgen maak of dit een incidenteel geval is of dat dit vaker kan voorkomen. Toevallig is hier een reportagemaker bij geweest, die in één keer een schrijnende situatie bij de kop heeft gehad. De minister kan niet ieder individueel geval monitoren, maar is het niet verstandig om steekproefsgewijs te bekijken of de terugkeer naar landen waarnaar wij veel uitzetten goed verloopt en of er niet meer van dit soort situaties zijn? Zo krijgen wij een scherp beeld van het terugkeerbeleid en kunnen wij daarvan leren.

Minister Leers: Als je alle personen volgt die het in Nederland niet hebben gered en een beeldverslag maakt van de situatie waarin zij zich bevinden, moet je in bijna alle gevallen tot de conclusie komen dat hun situatie is verslechterd. Nederland is natuurlijk een land waar het veel beter is dan op vele andere plekken in de wereld. Je zou het iedereen gunnen om in die situatie te verkeren. Alleen kan dat niet. Asielbeleid is niet bedoeld om mensen ontplooiingskansen te bieden. Het is een schrijnende situatie dat er in de wereld zoveel ongelijkheid is, maar het is een gegeven. Deze familie is in beeld gekomen vanwege de VARA-uitzending. Het lijkt mij niet verstandig om aan de hand van een individueel geval te komen tot een herziening van het beleid. Over het algemeen geldt dat onze vertegenwoordiger in het land van herkomst de signalen geeft aan Nederland, dat wij onze ambtsberichten hebben en dat wij op basis hiervan ontwikkelingen volgen en monitoren of er in een land iets aan de hand is waarmee wij moeten uitkijken. Het lijkt mij niet goed dat wij ex post in alle individuele gevallen of steekproefsgewijs nagaan of het uitzettingsbeleid goed is geweest. Dat moet vooraf gebeuren op basis van een helder en goed afgewogen ambtsbericht. Over Irak komt een nieuw ambtsbericht en daar ga ik graag met de Kamer over praten. Wij moeten niet aan de hand van de individuele ervaringen van personen en hoe het met hen gaat, tot de conclusie komen dat het anders moet met hun uitzetting.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik begrijp dat heel goed. Deze situatie deed zich publiekelijk voor. In het licht van het nieuwe beleid dat de minister heeft ingezet voor de psychosociale trauma's die met name meisjes kunnen oplopen, hebben wij de motie-Sterk aangenomen. Die motie vraagt de minister om rekening te houden met soortgelijke situaties in andere landen dan Afghanistan. Toen de oppositie doorvroeg, zei mevrouw Sterk dat zij de minister op die situaties zal wijzen en daar serieus naar zal kijken. In die context roep ik de minister op te bekijken of het terugkeerbeleid en de effecten daarvan meegenomen kunnen worden bij de rapportages van de ambtsberichten.

Minister Leers: De heer Voordewind klutst een aantal zaken door elkaar. Ik wil over deze individuele zaak op een verstandige manier communiceren door de Kamer vertrouwelijke informatie te geven over de afwegingen. De Kamer mag mij aanspreken op de afweging rond de Afghaanse meisjes en de motie die is aangenomen door de Kamer. Die laatste zie ik als een ondersteuning van het beleid dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Als er landen zijn waar dezelfde psychosociale druk ontstaat voor mensen die lang in Nederland zijn gebleven, zal ik onder de gelijke omstandigheid gelijk handelen. Ik vind het geen juiste manier van opereren om dit doorelkaar te halen.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik dank de minister voor de toezegging en kijk uit naar de informatie waarmee hij komt. Ik heb een vraag over de psychosociale druk. Hier wreekt zich dat criterium. Wat is het verschil tussen de psychosociale druk op Irakese en Afghaanse meisjes? Dat is niet uit te leggen. Ziet de minister de motie van mevrouw Sterk niet als een oproep om precies hetzelfde te doen als bij de Afghaanse meisjes?

Minister Leers: Mij lijkt het niet verstandig om het debat over te doen. Ik heb invulling proberen te geven aan een klemmend probleem. Ik heb daarvoor een meerderheid in de Kamer gevonden. Ik wil het hierbij laten met de toezegging dat ik gelijke gevallen op een gelijke manier zal behandelen. Daar mag u mij aan houden. Het lijkt mij niet verstandig om een discussie te krijgen over de invulling van het begrip psychosociale druk.

De voorzitter: Hebt u een andere vraag, mijnheer Dibi?

De heer Dibi (GroenLinks): Ik probeer het anders te verwoorden. Ik ga ervan uit dat u ervoor zorgt dat de minister antwoord geeft.

De voorzitter: De minister heeft een punt als hij zegt dat we het debat niet moeten overdoen.

De heer Dibi (GroenLinks): Wij doen het debat niet over, want het gaat niet over Afghaanse meisjes maar over het criterium. Dit kabinet heeft eigenhandig een criterium in het leven geroepen voor kinderen die onder zware psychosociale druk komen te staan bij terugkeer. Dat kan je in dit geval ook zo lezen. De Kamer heeft een motie aangenomen waarin zij oproept gelijke gevallen gelijk te behandelen. Erkent de minister dat dit een geval van psychosociale druk is en dat het op eenzelfde behandeling kan rekenen als het geval van de Afghaanse meisjes?

Minister Leers: Ik respecteer en waardeer de volhardendheid van de heer Dibi. Bij heel veel mensen die terug moeten naar het land van herkomst is er sprake van psychosociale druk, zeker als zij lang in Nederland zijn geweest. Hij verleidt mij er toch toe in te gaan op de situatie in Afghanistan, maar ik zal dat in het kort doen. Er was sprake van een uitzonderlijke situatie en onevenredige psychosociale druk. Het ging om bijzonder beleid, in bijzondere omstandigheden en voor bijzondere gevallen. De heer Dibi moet niet zeggen dat het individuele geval van de familie Karim aanleiding moet zijn om een ander ...

De heer Dibi (GroenLinks): Hebt u de uitzending gezien?

Minister Leers: Dat heb ik gezegd. De uitzending heeft mij zeer veel gedaan. Ik gaf aan dat wij zorgvuldig zijn geweest en ik zal de Kamer daarover vertrouwelijk informeren.

De heer Spekman (PvdA): Ik wil wel over de individuele zaak spreken omdat asiel gaat over individuen en hun toekomst en hoop. Ik ben de minister dankbaar voor zijn antwoord. Ik ben het met hem eens dat er over het algemeen zorgvuldig gehandeld wordt. Dat staat bij mij niet ter discussie. Ik vind iets in het antwoord van de minister onduidelijk. Ik heb de beschikking gezien en gelezen. Ik denk dat het besluit terecht is genomen op basis van de beschikking en de bewijzen die er waren. In de beschikking werd aangehaald dat er een risico bestond op bloedwraak en overtreding van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dat risico vindt plaats in de praktijk. De minister is bereid nog eens te bekijken hoe alles is gegaan en ons daarover vertrouwelijk te informeren en te kijken naar «zoals de situatie nu is». Daar zit voor mij de crux. Ik wil een verduidelijking van de zinsnede «zoals de situatie nu is». In mijn ogen is er namelijk maar één oplossing: bekijken of de situatie van bloedwraak, die in de beschikking terecht is afgewezen, in de praktijk wel plaatsvindt en of dat een motivatie is om alsnog iets voor die meiden te betekenen. Niet voor die vader, want die heeft een 1F-stempel.

Minister Leers: Bij een asielaanvraag en de afweging daarover wordt altijd zorgvuldig gekeken naar de situatie en vindt er rechtelijke toetsing plaats. De rechter, zelfs de Hoge Raad, heeft hiernaar gekeken. Vervolgens is het gezin teruggestuurd. Nu is er een beeldreportage geweest over het gezin en die heeft ertoe geleid dat een aantal leden twijfelt over de situatie. Het is voor ons onmogelijk om bij de afweging rekening te houden met ontwikkelingen achteraf, nadat men is teruggegaan. Ik wil een analyse maken en informatie geven over de achtergronden van de afweging die wij hebben gemaakt. Die krijgt de Kamer vertrouwelijk, want wij moeten niet over individuele zaken praten. Ik wil laten zien dat de afweging die wij gemaakt hebben naar onze overtuiging de juiste was. De Kamer moet bekijken wat voor conclusies zij daaraan verbindt. Verder kan ik op dit moment niet gaan.

De heer Spekman (PvdA): Dat vind ik te weinig. Ik weet wat de uitkomst zal zijn: de meiden blijven in Irak. Soms zitten er in Nederland gevangenen onterecht gevangen en komt er later bewijs dat een ander de moordenaar of de verkrachter is. Menselijkheid, juist bij asiel zo cruciaal, toont zich door de grootheid om open te staan voor een fout die misschien is gemaakt. Het is geen fout van de IND, de minister, de advocaat of de meiden, maar misschien is de situatie ontstaan dat wij verblind zijn geraakt en een risico niet hebben gezien dat wel degelijk bestond. Ik vind het te prijzen als de minister niet alleen bekijkt hoe het procesmatig is gegaan, maar ook of er in de feitelijke situatie sprake is van bloedwraak. Als wij menselijk willen zijn, moeten wij openstaan voor fouten. Anders worden wij toch onmenselijk en dat zou ik betreuren.

Minister Leers: Laten wij de brief afwachten en dan met elkaar praten. Anders ontstaat er politieke handel. Dat wil ik niet. Ik wil met elkaar de feiten onder ogen zien en dan conclusies trekken.

Voorzitter. De heer Dibi vroeg hoeveel Irakese gezinnen ten onrechte in bewaring zitten. Ik heb de Kamer gisteren een brief gestuurd over deze zaak, waarin ik uiteen heb gezet dat er sprake was van een motiveringsgebrek. In de toekomst zal vollediger worden gemotiveerd, want daarom oordeelde de rechter dat een aantal mensen onterecht in bewaring was genomen. De argumenten hadden breder moeten zijn en achteraf met argumenten komen is niet voldoende. Dat wil niet zeggen dat daarmee een beleidsaanpassing aan de orde is.

Volgens VluchtelingenWerk Nederland moet Nederland voor het gezinnen met kinderen naar Bagdad uitzet, afspraken maken met Irakese autoriteiten dat er geen detentie plaatsvindt. Dat is waar. Er zijn nauwe contacten met de Irakese autoriteiten over de toegang van vreemdelingen die naar Irak worden uitgezet. Uit het ambtsbericht van oktober 2010 blijkt dat Irakezen die gedwongen terugkeren naar Irak, in principe door de Irakese autoriteiten kunnen worden vastgehouden totdat hun identiteit is vastgesteld. Dat is logisch. De autoriteiten willen zich ervan vergewissen dat de persoon die aangekomen is, daadwerkelijk de persoon is die wij zeggen dat hij is. Om te voorkomen dat kinderen worden vastgezet, bekijk ik of ik in een vroegtijdige vaststelling van de identiteit de Irakese autoriteiten kan overtuigen zodat de procedure snel kan worden afgewikkeld.

De heer Fritsma heeft een vraag gesteld over de problematiek rond de Somaliërs. Er was sprake van een hoog aantal Somalische nareizigers. Gelukkig is daar geen sprake meer van en dat heeft te maken met het terugdringen van de fraude. Het aantal asielaanvragen van Somaliërs vertoont sinds 2010 een daling en is substantieel afgenomen. Een aanzienlijk deel van de Somalische asielzoekers bestaat uit nareizigers. Ook het aantal nareisaanvragen is afgenomen. Daarbij is in absolute en relatieve zin sprake van een daling van het aantal inwilligingen van nareisaanvragen. Dat heeft ook te maken met verscherpte aandacht voor fraude en een intensievere controle op de identiteit. Die leiden vervolgens tot een daling van de instroom van het aantal Somalische asielzoekers omdat alleen gezinsleden met een ingewilligde nareisaanvraag met een mvv Nederland kunnen inreizen en vervolgens een asielaanvraag kunnen indienen.

De heer Fritsma vroeg hoelang de wachttermijn voor nareizende gezinsleden bij vluchtelingen bedraagt en wat gedaan wordt om deze periode te bekorten. De wachttermijn of rust- of voorbereidingstermijn is voor nareizende gezinsleden van vluchtelingen gelijk aan die van andere asielzoekers.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb daarnaar niet gevraagd.

Minister Leers: Dan hoef ik het antwoord ook niet te geven.

Voorzitter. De heer Fritsma vroeg wel naar de misstanden bij de Somalische nareizigers, met name bij pleegkinderen. Er was sprake van een groot aantal aanvragen voor een mvv om na te reizen. Inderdaad bleek dat in voorgaande jaren voornamelijk bij Somalische nareizigers regelmatig indicaties van fraude voorkwamen. Er is behoorlijk op ingezet om die fraude te voorkomen. Het aantal is afgenomen, net als het aantal inwilligingen. In 2010 zijn van de 10 250 aanvragen circa 2 320 ingewilligd. Het aantal is aanzienlijk naar beneden gebracht. Het aantal asielaanvragen van Somaliërs was in 2009 nog 5 890 en is inmiddels teruggelopen tot 3300. Dat is nog veel, maar het daalt behoorlijk.

De heer Voordewind vroeg of hij ervan uit kan gaan dat er geen verhoogde drempels zijn voor nareizende gezinsleden van vluchtelingen. Bij gezinsleden van nareizende vluchtelingen zijn binnen de richtlijn Gezinshereniging belangrijke afspraken gemaakt. Ik kan die Europese richtlijn niet zomaar aan de kant zetten en allerlei drempels opwerpen. In de uitwerking van deze richtlijn informeer ik de Kamer wat ik precies ga doen. In het regeerakkoord staat dat wij de nareizigers gaan onderbrengen bij de reguliere procedure. De bedoeling is niet alleen om meerdere hobbels te nemen, maar ook om minder bureaucratie te krijgen. Vanwege de gezinsherenigingsrichtlijn worden in Europa allerlei beperkingen gesteld aan het stellen van aanvullende eisen. Ik zal de Kamer daar zeker over informeren omdat dit wellicht tot de conclusie leidt dat wij het anders moeten doen.

De heer Fritsma vroeg wat ik doe aan het misbruik van de kennismigrantenregeling. Het is jammer dat hij niet bij het AO met minister Kamp was waarbij de kennismigrantenregeling op de agenda stond. Ik heb toen aangegeven dat ik zeer verheugd ben met die kennismigrantenregeling; het is een positief element. Over migratie wordt vaak negatief gesproken en ik ben blij dat wij kunnen laten zien dat het ook een positieve kant heeft. Het is van belang dat mensen die met hun specifieke kennis een grote bijdrage kunnen leveren naar Nederland kunnen komen en hier een rol kunnen spelen. Het gaat om hooggeschoolde arbeid, maar ik heb aangegeven dat wij op moeten passen voor misbruik van de regeling. De heer Fritsma noemde het voorbeeld van de kennisregelingslijst. Hij vergat nog de coffeeshop te noemen, die er ook op staat. Het is te gek voor woorden dat wij een lijst van bedrijven hebben, die zich kennelijk opwerpen als gebruikers van de kennismigrantenregeling, waarop dit soort kennismigranten helemaal niet thuishoort. Ik heb daarop ingegrepen. Uit onderzoek is gebleken dat het vermelden van de bedrijven op die lijst niet wil zeggen dat die bedrijven ook gebruikmaken van de kennisregeling. Ieder bedrijf mag zich hiervoor aanmelden en komt op die lijst te staan. Ik ga nu een lijst maken van bedrijven die ook echt gebruik maken van de regeling.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb twee lijsten van de IND-website. De ene lijst vermeldt bedrijven die al vreemdelingen hebben laten overkomen. De andere lijst betreft bedrijven die nog geen vreemdelingen hebben laten overkomen naar Nederland. De voorbeelden die ik noemde, komen van de eerstgenoemde lijst. Op die lijst staan heel vage bedrijfjes en dan zeg ik het nog vriendelijk. De IND heeft verblijfsvergunningen gegeven aan werknemers van die rare bedrijven. Zolang dat gebeurt, houd ik twijfel bij de manier waarop de kennismigratieregeling werkt en zal ik ervoor blijven pleiten dat er een schaarstecriterium wordt geïntroduceerd.

Minister Leers: Ik kan het mij niet voorstellen, maar ik neem zonder meer aan dat u hierover informatie hebt. Ik ga dat uitzoeken. Snackbar 't Snorretje moet geen gebruik kunnen maken van de kennismigrantenregeling. Bovendien is er één belangrijk criterium: het inkomensniveau van boven de € 50 000. Het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk dat Snackbar 't Snorretje een kok heeft staan die meer dan € 50 000 verdient.

De heer Fritsma (PVV): Ik wil niet vervallen in het opnoemen van belachelijke voorbeelden, maar ik wil benadrukken dat de problemen rond de kennismigratieregeling heel erg groot zijn. Dat blijkt ook uit rechterlijke uitspraken. Ter illustratie noem ik een rechterlijke uitspraak over een pannenkoekenbakker. Die pannenkoekenbakker kwam uit Albanië, wist volgens de rechter niet wat een pannenkoek was en had geen ervaring met genoemde functie. Hij zei eerst dat hij manager zou worden van het pannenkoekenrestaurant, maar later bleek dat hij als pannenkoekenbakker wilde werken. De rechter zei: al die dingen doen er niet toe, hij moet een verblijfsvergunning krijgen, want het enige dat telt is dat hij aangetoond heeft dat hij meer dan € 50 000 gaat verdienen. De IND heeft toen een verblijfsvergunning moeten geven. De kern van het verhaal is dat er alleen gekeken wordt naar het salariscriterium. Dat is niet genoeg. Het is belangrijk om naar een systematiek te gaan waarbij bijvoorbeeld sectoren worden aangegeven, zoals de ICT. Dan haal je al die vage reisbureautjes, agrarische loonbedrijven, uitzendbureautjes, coffeeshops en snackbars eruit. Zolang die op die lijst staan, is aangetoond dat de regeling tekortschiet.

Minister Leers: De kennismigrantenregeling wordt door het bedrijfsleven en de onderwijsinstellingen hogelijk gewaardeerd en geapprecieerd. Ik durf te beweren dat de regeling beter werkt dan de blue card die in Europa aan de orde is. Dat men haar hoog inschat, heeft vooral te maken met de eenvoud in de aanvraag en de lage hoeveelheid papieren rompslomp. Ik ben het volstrekt met de heer Fritsma eens dat wij keihard moeten zijn in de gevallen dat er misbruik wordt gemaakt. In het afgelopen halfjaar heeft de IND zeventien bedrijven bij de lurven gepakt en de toegang tot de kennismigrantenregeling ontzegd omdat ze fraudeerden. Ik wil voorkomen dat wij aan de hand van die zeventien voorbeelden de hele regeling afschieten of mankeren. Laten wij de eenvoud van werken, het rechtstreeks kunnen aanvragen, straks via INDiGO, en de herziening van het migratiebeleid overeind houden. Ik zou het betreuren als we er allerlei beperkingen aan ophangen, die weer leiden tot een administratieve lastendruk en die deze regeling weer zo zwaar maken dat zij ten onder gaat. Ik deel de mening dat wij de fraude stevig moeten aanpakken. Ik ga het monitoren en zal regelmatig terugkoppelen, maar laten wij voorkomen dat wij de kennismigrantenregeling om zeep helpen vanwege allerlei procedurele rompslomp.

Voorzitter. De zaak-Safi staat model voor de vraag van mevrouw Gesthuizen. Hier ging het om een zaak waarin beroep werd gedaan op nieuwe feiten en die door ons discretionair is afgewikkeld. Ik zal de Kamer hierover per brief informeren. Mevrouw Gesthuizen stelde ook de vraag over de verlening van een mvv omdat men een uitspraak van het Europees Hof wilde voorkomen. Die vraag betreft ook de zaak-Safi. Ook daarover informeer ik de Kamer schriftelijk.

De Raad van State gaf aan dat de regeling rond het Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) onvoldoende is geborgd in het vreemdelingenbesluit en dat wij dat moesten repareren. Dat deden wij op het moment dat er in Europa allerlei discussies plaatsvonden naar aanleiding van de Italiaanse problematiek rond Lampedusa. Inmiddels is de regelgeving rond het MTV gerepareerd en kunnen wij via de KMar het mobiele toezicht achter de grens met België en Duitsland weer volledig inzetten. Wat houdt dat in? Wij mogen steekproeven nemen en controles doen. Die mogen niet lijken op de oude bekende grenscontroles. De regels voor de steekproeven zijn dat in internationale treinen tot 30 minuten rijden vanaf de grens maximaal twee treinen per traject en maximaal acht treinen per dag gecontroleerd mogen worden en dat het maximaal twee coupés mogen zijn. Ik zie de heer Dibi kijken, maar dit zijn de voorschriften zoals die in de afspraken op grond van de Schengen-grenscode opgelegd zijn voor de controles van het MTV. Europa had de zorg dat wij het MTV zouden inzetten als een reguliere grenscontrole. Daarom heeft men deze behoorlijke beperkingen gesteld. Wij willen geen mensen lastig te vallen, maar criminele en illegale vreemdelingen opsporen. Grenzen zijn vaak een makkelijke schuilplaats voor criminelen.

De heer Dibi (GroenLinks): Dit komt natuurlijk gewoon door de Italiaanse actie. Laten wij niet doen alsof dit in het leven is geroepen om criminele vreemdelingen te vinden. Willen wij hier serieus geld aan uitgeven? Twee coupés, twee treinen per dag, wat is dat voor onzin? Ik stel mede namens mevrouw Gesthuizen, die de vergadering moest verlaten, de vraag of het klopt dat er specifiek wordt gecontroleerd op een Opsporing Verzocht-uiterlijk. Zijn het de Noord-Afrikaanse uiterlijkheden die leiden tot controles en wordt de rest niet gecontroleerd? Wat zijn daarvoor de criteria?

Minister Leers: De KMar oordeelt op aanwijzingen die zij de moeite waard vindt om een persoon te controleren, zoals verdacht gedrag. Dat staat in de instructies van de KMar. Ik heb de regels niet bedacht. Ik bestrijd met klem dat ik aan het controleren ben gegaan vanwege de gang van zaken in Italië. Ik heb dit aangekondigd voordat er in Italië überhaupt wat aan de orde was. Dit zijn reguliere controles. We zaten op dat moment met een lastige constructie omdat die nog gerepareerd moest worden. Dat wij overigens naar aanleiding van de situatie in Italië gecontroleerd hebben, is vanzelfsprekend. De Italianen hebben derdelanders een visum gegeven voor wie het eigenlijk niet was bedoeld en op een manier die ik niet apprecieer. Daar hadden ze overleg over moeten voeren. Dat wij controleren op het invullen en het nakomen van die visa, vind ik niet meer dan logisch. Het MTV is echter niet alleen daar op gericht.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. De minister zei dat ik alles door hussel. Ik spreek dat tegen. Wij hebben het debat over Sahar niet opnieuw gedaan. Na het debat over Sahar heeft de Kamer de motie-Sterk aangenomen, die vroeg om bij gelijke gevallen in andere landen gelijk te oordelen. Vandaar dat de ChristenUnie de zaak van de familie Karim aan de minister voorlegt. Als de minister de Kamer vertrouwelijk wil informeren en wij daarover een brief krijgen, vind ik dat prima, maar dan leg ik hem wel voor dat hij daarbij de motie van mevrouw Sterk, zijn partijgenoot, moet betrekken. Als er sprake is van psychosociale druk in Irak, moet die meegewogen worden bij de beoordeling van de uitzetting van de familie Karim.

Wij willen niet dat in Nederland kinderen in detentie worden gehouden en eigenlijk ook niet dat dit in Irak voorkomt. De minister zegt dat hij het voor een korte tijd kan tolereren omdat de identiteit moet worden vastgesteld. Ik ben daar verbaasd over. De identiteit en de gegevens daarover worden van tevoren aan Irak bekend gemaakt. Dan moet het toch niet zo zijn dat kinderen alsnog in Bagdad in detentie worden gehouden om die gegevens te achterhalen? Zeker bij kinderen moeten wij zeer terughoudend zijn. Is het de inzet van de minister dat die kinderen niet in detentie moeten worden gehouden als ze worden uitgezet en dat wij er alles aan moeten doen om die informatie van te voren toe te sturen? Ik wacht de reactie van de minister over de Europese richtlijn af. Ik hoop dat hij daarbij de aangenomen motie meeweegt die verzoekt om geen extra drempels op te werpen bij gezinshereniging.

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter. We wachten de terugkeerbrief vol verwachting af, vooral als het gaat over de samenwerking van de partijen die betrokken waren bij het oude initiatief. Ik hoop dat de minister het bedrijfsleven weet te verleiden om mee te werken aan de samenwerking. De minister is niet ingegaan op mijn vraag of hij de pilot Safe Haven daarbij wil betrekken. Ik stelde ook een vraag over de landen die nu niet meewerken. Ook in de beantwoording van het jaarverslag die vandaag is binnengekomen, is daar vanwege de betrekkingen geen antwoord op gegeven. Onder minister-president Balkenende is het initiatief genomen om in het kabinet alle landen door te nemen en te bespreken welke maatregelen er konden worden genomen. Er is dus een overzicht en ik vind het heel redelijk dat de Kamer dat overzicht krijgt.

In de beschikking over de familie Karim staat overduidelijk dat er voor wraak wordt gevreesd van de machtige Barzinji-stam. Er is reden om te zeggen dat dit niet zo lijkt te zijn, maar in de praktijk is het wel waar. Ik doe nogmaals een beroep op de minister en hoop dat hij niet blind is voor de praktijk. Als die laat zien dat mensen creperen, moeten wij die mensen proberen te helpen. In mijn ogen laat de praktijk in dit geval zien dat, hoe zorgvuldig wij ook zijn geweest, het voor die twee meiden daar onmenselijk is. Het is een moeilijk besluit, want voor de vader wordt het er niet prettiger op. Ik hoop dat de minister in de brief niet alleen kijkt naar de zorgvuldigheid van de procedure, maar ook naar de huidige situatie.

De heer Knops (CDA): Voorzitter. Ik ben blij dat de minister toezegt om de positieve elementen van de Stichting Duurzame Terugkeer mee te nemen in de nieuwe vorm. Wij zien de terugkeerbrief hierover graag tegemoet. Ten aanzien van de weigerachtige landen sluit ik mij aan bij de heer Spekman. Volgens mij heeft de minister daar geen stevig antwoord op gegeven. Is de minister bereid om met de vuist op tafel te slaan? Ik vroeg naar het overleg tussen de KMar en het OM over de geweldinstructie naar aanleiding van het geweld tegen ambtsdragers. Ik hoor graag de toezegging dat de minister dat meeneemt in zijn brief. Ten aanzien van de opmerking van de heer Fritsma over de kennismigrantenregeling, geef ik de minister mee dat het toch niet zo kan zijn dat mensen binnenkomen als kennismigrant op het gebied van coffeeshops. Dat is juist een terrein waar niemand meer verstand van heeft dan de Nederlanders zelf. Het lijkt mij buitengewoon bijzonder om daarvoor kennismigranten binnen te halen.

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. Terugkeer blijft een belangrijk thema. De terugkeerbrief over de beleidsvisie wordt belangrijk. Ik hoop dat duidelijk wordt aangegeven wat er met weigerachtige landen gebeurt. Het is goed nieuws dat de aanpak van fraude door nareizende Somalische gezinsleden werkt. Het is mooi dat kinderen die niet behoren tot gezinnen eruit worden gevist. Ik weet niet of datzelfde succes met de fraudeaanpak van kennismigranten wordt bereikt. Als rechters zeggen dat een pannenkoekenbakker een verblijfsvergunning moet worden gegeven op grond van het salaris ook al heeft hij nog nooit een pannenkoek gezien, blijft dat een probleem, hoeveel je ook aan handhaving doet. Ik ben blij dat de minister toezegt te monitoren hoe dit zich ontwikkelt. Ik wacht dat af, maar zeg erbij dat ik de optie van het schaarstecriterium openhoudt en hiervoor blijf pleiten als blijkt dat de handhaving niet alle problemen oplost.

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Ik dank de minister dat hij komt met een brief over de familie Karim. Ik sluit aan bij de vraag van de heer Voordewind over de inzet van de minister voor de kinderen die in Bagdad aankomen en in detentie terechtkomen. Wat is precies de inzet van de minister? Ik vind al die aanpassingen van het MTV bizar. Er blijft iets bijna lachwekkends over. Is het geen geldverspilling en een soort bezigheidstherapie voor onze mensen om op één dag twee treinen en twee coupés te controleren? Wordt er op uiterlijk geselecteerd? Het zal vast niet in de criteria staan, maar misschien is het wel de praktijk bij de controles. Hoe wil de minister daarmee omgaan?

Mocht er nog enige twijfel over bestaan dat deze minister een onnavolgbaar en puur willekeurig onderscheid maakt tussen meisjes, dan is dat vandaag wel heel erg duidelijk geworden. De krampachtige manier waarop een Irakees meisje in een andere situatie terechtkomt als een Afghaans meisje, is niet vol te houden en maakt van dit soort meisjes politieke handelswaar. Ik vraag de minister om nog een keer uit te leggen wat het verschil is tussen de meisjes die in Irak terecht zijn gekomen en de meisjes die in Afghanistan terecht zouden komen. Wat is er zo bijzonder aan Afghanistan dat het daar anders is als je uitgehuwelijkt wordt, als er sprake is van bloedwraak, van geweld, onderdrukking etc.? Hoe durft de minister dat verschil te rechtvaardigen?

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD): Voorzitter. Ik ben blij dat de minister de hand in eigen boezem steekt over de geannuleerde uitzettingsvluchten die verwijtbaar zijn aan de eigen organisatie. Hij zegt dat hij zelf het goede voorbeeld wil geven en alles op alles wil zetten om het aantal naar nul terug te brengen. Ik sluit mij aan bij de heer Knops en ben blij dat de minister in de brief terugkomt op de omgang met geweld tegen de medewerkers en het overleg met het parket van Haarlem. Ik ben ook blij met de toezegging dat als de Taskforce VRIS ophoudt, wij verslag krijgen over de bereikte resultaten. De minister heeft toegezegd dat wij de terugkeerbrief nog voor het zomerreces krijgen. Ik ben inmiddels van mening dat die brief van een dermate groot belang is en zo concreet moet zijn, dat die deadline niet zo belangrijk is. Wij kunnen de brief dan toch niet meer voor het reces bespreken. Ik vind het van het grootste belang dat die brief inhoudelijk en kwalitatief aan onze wensen voldoet. Als hij een of twee weken later of nog later komt, kunnen wij hem na het reces oppakken.

Minister Leers: Voorzitter. De Kamer krijgt een brief over de individuele zaak. Ik zal daar zorgvuldig mee omgaan, maar ik blijf beweren dat men niet de zaken door elkaar moet halen. In zake de Afghaanse kwestie ging het over een afweging waarbij na terugkeer mensen onder grote psychosociale situatie zouden verkeren, vanwege de bijzondere omstandigheden in Afghanistan. Als bloedwraak aan de orde zou zijn, gaat het over een individuele situatie waarbij eerder artikel 3 EVRM aan de orde is, dan een meer algemene situatie zoals die in Afghanistan. De heer Spekman weet wat ik bedoel. In Afghanistan ging het om een generieke situatie waarin meisjes, jonge vrouwen, werden gediscrimineerd en aan de onderkant van de samenleving nog slechter werden behandeld dan sommige beesten. Naar zo'n situatie kun je meisjes die lang in Nederland zijn geweest niet zomaar verplaatsen. Dat is een volstrekt andere situatie dan die van een familie waarin een individueel probleem speelt en waarin wij een afweging moeten maken. Ik wil de leden echt overtuigen om eerst naar de brief te kijken.

Hetzelfde geldt voor kinderen in detentie. Detentie is bedoeld om mensen ten behoeve van de uitzetting beschikbaar te houden. Ik ben het met de leden eens dat kinderen niet in detentie horen. Detentie moet sowieso voor mensen die uitgezet worden geen gevangenis zijn. Ze hebben niets misdaan, maar zijn daar omdat ze weg moeten. Wij gaan geen kinderen straffen omdat we ze weg willen sturen. Datzelfde geldt voor detentie in het land van herkomst. Ik wil proberen te voorkomen dat kinderen aankomen in Irak en vervolgens langdurig in detentie zitten ter vaststelling van de identiteit. Daar waar ik kan, zal ik helpen om dat te voorkomen. Ik heb natuurlijk niet in de hand hoe de gebruiken en de procedures zijn. Ik zal proberen om, ook in de gesprekken die wij over terugkeer hebben, zoveel mogelijk bij te dragen aan het voorkomen van detentie.

De Kamer krijgt in een brief over de Nederlandse detentie alle alternatieve vormen van vreemdelingenbewaring. Dat heb ik mevrouw Gesthuizen eerder toegezegd. Ook dat maakt onderdeel uit van de terugkeerbrief en de terugkeerrichtlijn. De brief is inderdaad heel belangrijk, temeer omdat daarin alle instrumenten op een rijtje worden gezet. Dat zijn instrumenten die door een deel van de Kamer niet zo leuk worden gevonden, zoals de strafbaarstelling van illegaliteit, de terugkeerverplichting en het inreisverbod. Er staan echter ook instrumenten in als financiële mogelijkheden voor mensen die teruggaan en ondersteuning om een nieuw leven op te bouwen. Dat totale palet krijgt de Kamer in een samenhangende brief. Daarin nemen wij ook mee de relatie en conditionaliteit tussen landen, de carrot and stick, om landen te overtuigen dat ze mee moeten werken aan het terugnemen van hun onderdanen.

De pilot Safe Haven is mij niet bekend, maar ik zal hem betrekken bij de verdere uitwerking van de Stichting Duurzame Terugkeer. Het lijkt mij niet verstandig om de namen van landen die niet willen meewerken hier te wisselen. Ik ben ervan overtuigd dat het niet helpt als ik in het openbaar landen aan de schandpaal nagel en zeg: dat land helpt ons niet. Ik probeer liever op andere manieren te bereiken dat ze wel meedoen. Er is geen land op de wereld dat zijn onderdanen die vrijwillig terug willen, niet terugneemt. Er zijn landen die mensen die gedwongen terugkeren niet accepteren. Ik stel ze hier niet aan de orde, maar wij proberen in het algemeen landen te prikkelen om de conditionaliteit te versterken waaronder landen mensen terugnemen. Dit vindt de Kamer allemaal in de terugkeerbrief verwoord.

De heer Spekman (PvdA): Ik ben het met de minister oneens. Als je het rapport van de CITT leest, zijn er landen die vluchtelingen weigeren, ook als ze meewerken. Heeft het rapport het dan fout? Is die hele operatie onder minister-president Balkenende om een omslag te bewerkstelligen in de landen en ze te bewegen met ontwikkelingssamenwerking, economische zaken en defensie dan niet gebeurd? Ik wil daar dan graag nog een debat over, want blijkbaar krijg ik foute informatie. Het rapport van de CITT en wat Balkenende heeft gedaan deugen dan blijkbaar niet en zijn op onzin gebaseerd. Dan ligt het zeker alleen maar aan de vluchteling en is het klaar als die meewerkt.

Minister Leers: Ik weet niet alles en ben afhankelijk van informatie die mij wordt aangereikt en die ik gaande mijn ministerschap opdiep. Voor zover mij bekend zijn er geen landen die structureel hun onderdanen die zelf willen terugkeren weigeren terug te nemen. Er zijn mij zelfs, op enkele uitzonderingen na, geen landen bekend die niet aan gedwongen terugkeer willen meewerken. Kan de heer Spekman aangeven waar dit precies staat in het rapport?

De voorzitter: Vanwege de tijd wil ik graag het woord geven aan de heer Knops.

De heer Knops (CDA): Ik ga door waar de heer Spekman eindigde. De minister moet motiveren waarom hij de namen van deze landen niet wil noemen. De Kamer neemt tal van besluiten over inzet en hulp aan andere landen. Ik wil graag weten welke landen in bepaalde gevallen of in alle gevallen onderdanen niet terugnemen. Ik vind dat een relevant feit en begrijp de vertrouwelijkheid daarvan niet. Ik kan mij voorstellen dat de minister niet alle maatregelen publiekelijk noemt, maar ik wil de toezegging dat hij zijn collega van Buitenlandse Zaken aanzet om die landen daarop aan te spreken en de Kamer daarover te informeren.

Minister Leers: Ik wil de Kamer geen informatie onthouden waarop zij in haar controlerende functie recht heeft, maar ik ben bang dat dit een averechts effect gaat hebben. Het is vaak diplomatie om landen te bewegen medewerking te verlenen aan de terugkeer. Bij sommige landen heb je meer overtuigingskracht nodig dan bij andere. Wij zijn van de landen afhankelijk voor het aantal laissez passer dat ze afgeven. Dan moet blijken dat de personen die gepresenteerd worden ook de personen zijn die zij willen terugnemen. Dat is niet makkelijk. Als ik een lijst opsom van landen die niet en wel bereidwillig zijn, is dat niet erg dienstig voor het terugkeerproces. Daarom twijfel ik daarover. In het belang van de besprekingen met de landen van herkomst denk ik dat het niet verstandig is dit openbaar te maken.

De heer Knops (CDA): Laten we het beperken tot landen waarmee wij een relatie hebben, waaraan wij hulp geven, waar wij militairen inzetten, etc. Die hebben wel wat te verliezen. In het kader van voor wat hoort wat of reciprociteit is het relevant om te weten of er landen zijn die niet volledig of helemaal niet meewerken. Dat zou politieke implicaties kunnen hebben voor ontwikkelingshulp en andere zaken. Tegen de landen kan dan gezegd worden: als u niet meewerkt, trekken wij die hulp in.

De voorzitter: Vindt de heer Spekman deze aanvulling voldoende?

De heer Spekman (PvdA): Ja. Ik denk dat wij anders maar een verzoek moeten doen op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB), zolang die nog bestaat.

Minister Leers: In de terugkeerbrief wordt over dit mechanisme geschreven. Als die komt, is het misschien een goed moment om daarover te spreken. In die brief komt namelijk ook de conditionaliteit aan de orde die wij willen invoeren, bijvoorbeeld voor de relatie tussen ontwikkelingssamenwerking en de bereidheid van terugkeer. Het lijkt mij verstandig dat je eerst over de principes spreekt en dan over de toepassing op de landen. Ik weet zeker dat er partijen zijn die het geen geweldig idee vinden om ontwikkelingssamenwerking afhankelijk te stellen van bereidheid tot medewerking. Andere partijen vinden dat wel een goed idee. Ik ben van mening dat de conditionaliteit zeer stevig moet worden aangezet en dat wij best tegen landen mogen zeggen: carrot of stick, wij hebben een belang en dat belang zal gediend moeten worden. Als we het over dat principe eens zijn, kunnen wij bekijken of we iets met de lijst van landen kunnen doen. Ik vraag me af of dit productief is, maar ik wil er met de Kamer verder over discussiëren.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD): Ik probeer de collega's een beetje te helpen. In de brief van de minister staat op pagina vier dat de DT&V in het kader van het project Kennisinformatie-uitwisseling Laissez Passer-proces bezoeken heeft gebracht aan België, Denemarken, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Hebben die bezoeken iets opgeleverd? Zo ja, voor welke landen en voor wat voor soort kennis? Ik begrijp dat het vaak gaat om vluchtelingen die zeggen terug te willen en vervolgens hun identiteit niet aangeven, zodat ze door bijvoorbeeld China geweigerd worden. Het zou aardig zijn om de hoofdlijnen van de problemen en de achtergronden in beeld te krijgen. Anders kan de Kamer niet beoordelen hoe de minister omgaat met de terugkeer en de overgaveovereenkomsten.

Minister Leers: Er is regelmatig uitwisseling tussen de collega's over de terugkeer, ook over die van afgewezen asielzoekers. Elk land worstelt met de bereidheid van andere landen, de discussie daarover en of het wel zo makkelijk is om mensen te laten teruggaan. Het is vaak het sluitstuk van de terugkeer. Het is logisch dat landen daarover informatie uitwisselen. Er zijn landen die nog oude koloniën hebben en een makkelijker ingang hebben. De uitwisseling hebben wij onlangs gehad met Denemarken, België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg. Een van de interessante punten die wij daarbij hebben opgedaan is dat sommige landen vreemdelingen presenteren op ambassades en in het land van herkomst via videoconference. Dat is een makkelijke methode die wij overnemen. Zo zijn er tal van andere aanbevelingen en ideeën waarmee wij wat kunnen doen. Die neem ik allemaal mee in de uitwerking van de terugkeerbrief. Wij zullen daarover praten met als doel het steviger neerzetten van de terugkeer en om te onderstrepen dat terugkeer belangrijk is.

Voorzitter. De heer Knops vroeg of ik de geweldinstructie van de KMar en het OM aan de Kamer wil toesturen. Dat zeg ik toe. Ik vind het jammer dat de heer Knops niet aanwezig was bij het AO over arbeidsmigratie. Daar is de kennismigrantenregeling uitgebreid aan de orde geweest. Ik blijf van mening dat wij die regeling niet zodanig moeten omgeven met allerlei procedures en formaliteiten dat zij bezwijkt. Laten we haar flexibel houden. Dat neemt niet weg dat wij de fraude oppakken. Dat zeg ik toe. Overigens is de fraude die wij hebben geconstateerd beperkt, maar iedere fraudeur is er een te veel. Ik ga dit monitoren, want het kan niet zo zijn dat deze regeling misbruikt wordt om zo binnen te komen. Ook wordt de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) aangepast en wordt er getoetst op het marktconforme loon. Als een loempiabakkerij bijvoorbeeld een bakker in dienst heeft met een inkomen van € 100 000 wordt dat niet geaccepteerd. Dat is een extra check die ik in deze regeling wil inbouwen.

De heer Dibi vroeg of er op uiterlijk wordt geselecteerd. Ik zeg met nadruk dat er níet op basis van uiterlijk wordt gecontroleerd. De verscherpte controles die door de KMar worden uitgevoerd zijn op basis van informatie ten aanzien van het doorreizen van migranten uit Noord-Afrika naar andere Schengenlanden. Ze hebben te maken met de instructie van de KMar-mensen op basis van informatie die voorhanden is over criminele antecedenten etc.

De heer Dibi (GroenLinks): Dit is iets te gemakkelijk. Bij preventief fouilleren is de instructie ook nooit dat alle Marokkaantjes gecontroleerd moeten worden. Het gebeurt dan toch vaker dan je zou willen. Wil de minister hierover in contact treden met de KMar en dit expliciet duidelijk maken? Het voorbeeld van mevrouw Gesthuizen is natuurlijk wel opvallend. In dat geval werd wel op basis van uiterlijk gecontroleerd. Het gebeurt in de praktijk wel degelijk, ook als staat het misschien niet op papier.

Minister Leers: Wat wil de heer Dibi dat ik zeg? Dat er wel op uiterlijk wordt gecontroleerd? Het gaat erom dat de opsporing effectief is. Er vindt een controle plaats op basis van indicaties. Als er veel mensen zijn met een Noord-Afrikaans uiterlijk, terwijl de situatie is dat vanuit Italië heel veel mensen met een vergunning naar Nederland zijn gestuurd, vind ik het logisch dat men controleert of de vergunning in orde is. Er wordt niet generiek op uiterlijk gecontroleerd, maar op basis van de instructie. Als voormalig burgemeester weet ik dat bij preventieve controles en fouilleren altijd wordt gezegd dat dit wordt gedaan op bijzondere kenmerken, maar dat is natuurlijk onzin. Een doodgewone Nederlander kan met wapens op zak lopen en ook gecontroleerd worden. Op basis van de indicatie en de zorgen die op dat moment bestaan, wordt de controle ingericht. Ik begrijp dat de heer Dibi zich afvraagt of dit waar is. Als er op dat moment veel Noord-Afrikanen in de trein zitten, wordt daarop meer gecontroleerd, maar men moet het van geval tot geval bekijken.

Ik vind het jammer dat er afbreuk werd gedaan aan de sfeer van het debat. Ik probeer op de terecht scherpe vragen een helder antwoord te geven. Ik begrijp ook dat het uitleggen van beleid niet altijd makkelijk is. Ik snap de wens rond de Afghaanse meisjes, maar ik laat mij niet aanleunen dat ik omwille van politieke handelswaar een keuze heb gemaakt om bepaalde groepen meisjes een vergunning te geven. Ik accepteer dat niet van de heer Dibi. Ik heb een keus gemaakt omdat meisjes die hier lang waren terug moesten naar het land van herkomst waar de situatie onacceptabel was, en je die meisjes niet kunt terugsturen. Die afweging heb ik gemaakt en dat is geen politieke handelswaar. Dat verwijt moet de heer Dibi mij niet maken; daar kan ik boos over worden. Ik ben aangetrokken om de integriteit van het asielbeleid te handhaven. Daarop mag de heer Dibi mij beoordelen, maar niet op politieke handelswaar of onderonsjes of handjeklap. Ik ben begonnen met te zeggen dat ik respect heb voor de betrokkenheid die de heer Dibi toont en voor de volhardendheid die hij heeft om door te zetten naar andere groeperingen en andere meisjes omdat er veel misstanden in de wereld zijn. Dat ik een antwoord geef en terughoudend ben, mag hem niet verleiden om mij te betichten van politieke handelswaar.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik neem geen enkel woord terug van wat ik heb gezegd. Ik ken de geschiedenis van dit debat heel goed. De minister ging in beroep en het beroep werd uitgesteld omdat de uitspraak van de rechter ertoe zou leiden dat veel meer kinderen onder de regeling zouden kunnen vallen. Toen is er een afspraak gemaakt over een Sahar-regeling die de PVV moest kunnen billijken. Tegelijkertijd riep de minister overal in de media dat het meisje eigenlijk uitgezet moest worden. Ik heb dit een lelijk politiek compromis genoemd en dat zal ik blijven doen. Elke keer als ik die willekeur proef in het beleid – want het onderscheid dat de minister maakt tussen Afghanistan en Irak begrijp ik niet als het gaat om psychosociale druk – zal de minister mij daarover horen.

De voorzitter: De heer Dibi heeft zijn punt gemaakt. De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Leers: De minister heeft ook zijn punt gemaakt. Het is jammer dat de heer Dibi dat niet oppakt.

De voorzitter: Er zijn vier toezeggingen gedaan:

In de terugkeerbrief zal de minister uitvoerig ingaan op diverse aspecten van de nieuwe beleidsvisie waarbij ook de financiële componenten en de geweldinstructie van de KMar aan bod komen. De brief komt aan het begin van het reces.

Na de beëindiging van de Taskforce VRIS zal de minister de Kamer spoedig informeren over de resultaten daarvan.

De minister zal de Kamer vertrouwelijk informeren over het individuele geval Karim.

De minister zal de Kamer per brief informeren over de zaak-Safi.

Ik dank de minister en zijn ambtenaren, de pers, de aanwezigen en de Kamerleden en sluit de vergadering.


X Noot
1

1 Samenstelling:

Leden: Van der Staaij (PvdA), Dijsselbloem (PvdA), Sterk (CDA), Van Bochove (CDA), Aptroot (VVD), Van Dam (PvdA), Knops (CDA), Brinkman (PVV). voorzitter, VoordeWind (ChristenUnie), Spekman (PvdA), Thieme (PvdD), Fritsma (PVV), Karabulut (SP), Gesthuizen (SP), Dibi (GroenLinks), Kuiken (PvdA), ondervoorzitter, Berndsen (D66), Van Nieuwenhuizen (VVD), Schouw (D66), Van der Steur (VVD), Van Klaveren (PVV) en Taverne (VVD).

Plv. leden: Dijkgraaf (SGP), Arib (PvdA), Çörüz (CDA), Omtzigt (CDA), De Liefde (VVD), Çelik (PvdA), Smilde (CDA), Elissen (PVV), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Dekken (PvdA), Ouwehand (PvdD), Bontes (PVV), De Wit (SP), Kooiman (SP), Sap (GroenLinks), Jadnanasing (PvdA), Hachchi (D66), Azmani (VVD), Pechtold (D66), Venrooy-van Ark (VVD), Kortenhoeven (PVV) en Schaart (VVD).