Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201119637 nr. 1415

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1415 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 april 2011

Hierbij ontvangt u mijn reactie op de aanbevelingen uit het jaarverslag over 2010 van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer (CITT)1.

De CITT is destijds ingesteld naar aanleiding van het rapport van de Commissie Feitenonderzoek uitzettingen naar de Democratische Republiek Congo (Commissie Havermans). Dit rapport zag primair op de zorgvuldigheid van het handelen van de overheid richting uit te zetten vreemdelingen, en bevatte een aantal aanbevelingen bedoeld om het terugkeerproces (verder) te verbeteren, waaronder een aanbeveling om op alle actoren in het gehele terugkeerproces inclusief de voorbereiding daarvan, onafhankelijk toezicht in te stellen. Door de Tweede Kamer is vervolgens een motie aangenomen waarin de regering werd verzocht na te gaan of dit mogelijk was, hetgeen heeft geleid tot de instelling van de CITT.

De CITT heeft in haar toelichting aan mij benadrukt te werken aan de hand van observaties en geen wetenschappelijk onderzoek te verrichten.

Algemene conclusies en aanbevelingen

Het jaarverslag start met een aantal algemene conclusies en aanbevelingen. Ik stel vast dat er in deze algemene conclusies en aanbevelingen geen aanbevelingen staan die vragen om verbeteringen op het punt van de zorgvuldigheid en de humaniteit van het handelen van de overheid jegens de vreemdeling in het kader van het terugkeerproces, hetgeen bevestigt dat het traject van verbeteringen dat is ingezet naar aanleiding van eerdergenoemd rapport van de Commissie Havermans zijn vruchten heeft afgeworpen. Wel komt uit de algemene conclusies en aanbevelingen naar voren dat de CITT nog mogelijkheden ziet om de effectiviteit van de uitvoering van het terugkeerbeleid verder te verbeteren. De effectiviteit van het terugkeerbeleid heeft mijn aandacht, en mijn concrete plannen op dit punt zal ik uiteen zetten in de terugkeerbrief die naar verwachting nog voor het zomerreces uit zal kunnen gaan.

In het navolgende zal ik ingaan op de negen algemene conclusies en aanbevelingen uit het jaarverslag van de CITT.

Aanbeveling 1

De CITT constateert dat vreemdelingrechtelijke en strafrechtelijke procedures langs elkaar heen lopen. De CITT beveelt aan om deze procedures beter op elkaar af te stemmen, hetgeen ik onderschrijf. Deze waarnemingen rechtvaardigen zorg en stevige inzet om het VRIS-protocol2 beter in de uitvoering te borgen. In het VRIS-protocol zijn de verantwoordelijkheden en taken tussen de partners uit de vreemdelingenketen en met de ketenpartners uit de strafrechtketen beschreven.

De strafrechtketen is verantwoordelijk voor vordering van de juiste sancties en voor het toezicht op de uitvoering van vonnissen. De vreemdelingenketen is verantwoordelijk voor het treffen van de juiste vreemdelingrechtelijke maatregelen verbonden aan de strafbare feiten. Op basis van het vonnis wordt nagegaan of het verblijfsrecht moet worden beëindigd en of de vreemdeling ongewenst verklaard moet worden. Daarnaast wordt tijdens de strafrechtelijke detentie gewerkt aan de daadwerkelijke uitzetting, die zo mogelijk direct aansluitend moet plaatsvinden.

In 2010 is de Task Force VRIS officieel van start gegaan onder leiding van Procureur-generaal dhr. H. Moraal. De Task Force heeft als doelstelling het realiseren van een doeltreffende, integrale aanpak van criminele vreemdelingen en criminele illegalen door een optimale verbinding tussen strafrechtsketen en vreemdelingenketen om specifieke voor vreemdelingen in de strafrechtsketen geldende maatregelen te kunnen toepassen, dan wel in voorkomende gevallen de uitzetting van vreemdelingen te waarborgen. Dit gebeurt hetzij door middel van een consequente en gegarandeerde toepassing van het VRIS-protocol door alle bij VRIS betrokken instanties, hetzij door middel van een alternatief voor of aanvullingen van het VRIS-protocol. Rode draad in de Task Force VRIS is de samenwerking tussen alle organisaties en diensten die een taak hebben in de vreemdelingen- en strafrechtsketen. Openbaar Ministerie, Immigratie- en Naturalisatie Dienst, Dienst Justitiële Inrichtingen, Dienst Terugkeer en Vertrek, Koninklijke Marechaussee en de Vreemdelingenpolitie zijn dan ook op directieniveau in de Task Force vertegenwoordigd.

Voorts wordt verwacht dat de afschaffing van de voorwaardelijke invrijheidstelling en het creëren van een mogelijkheid voor detentieonderbreking, als vaststaat dat de illegale vreemdeling Nederland kan verlaten, een positieve invloed zal hebben op het vertrek van strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen, die geen rechtmatig verblijf (meer) hebben.

Aanbeveling 2

De commissie vraagt aandacht voor het grote aantal annuleringen als gevolg van verzet door vreemdelingen, en beveelt aan de geweldsinstructie zoals die bestaat ten aanzien van geweld tegen vreemdelingen, aan te vullen met instructies hoe te handelen in geval van gewelddadig verzet door vreemdelingen.

Van primair belang is dat niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen zo spoedig mogelijk worden uitgezet. Het instellen van een strafrechtelijke vervolging kan daar onder omstandigheden strijdig mee zijn, omdat dit ertoe kan leiden dat de vreemdeling langer in Nederland moet worden gehouden. Uitgangspunt is dat de snelle uitzetting voorop dient te staan.

Voorts moet opgemerkt worden dat de cijfermatige bevindingen van de CITT enigszins genuanceerd dienen te worden. Er is namelijk ongeveer 10 keer door vreemdelingen verzet gepleegd bij begeleide uitzettingen en ongeveer 225 keer verzet gepleegd bij onbegeleide uitzettingen. In het merendeel van die gevallen ging het met name om verbaal verzet. De richtlijn is dat er aangifte wordt gedaan in die gevallen waarin een escort van de KMar gewond is geraakt als gevolg van verzet van de vreemdeling. In die gevallen waarin een vreemdeling veroordeeld wordt vanwege door hem/haar gepleegd geweld tegen ambtenaren, kan ook ongewenstverklaring aan de orde zijn.

Als de CITT met de «geweldsinstructie» de «ambtsinstructie voor politie, Koninklijke Marechaussee en andere bijzonder opsporingsambtenaren» bedoelt, moet opgemerkt worden dat deze zich niet leent voor een passage met betrekking tot geweld tégen deze ambtenaren. De ambtsinstructie ziet immers op het gedrag van de ambtenaren in functie in plaats van het gedrag van de burgers waar zij mee te maken hebben.

De «geweldsinstructie» kan ook duiden op het «protocol Agressie en Geweld». Dit protocol betreft onder andere de mogelijkheid om een burger bij geweldsgebruik aan te houden en aangifte te doen. Het protocol is niet goed toepasbaar in het terugkeerproces, omdat daarmee de uitzetting vertraagd kan worden. Om een oplossing voor dit probleem te vinden, zal overleg plaatsvinden tussen de KMar op Schiphol en de Hoofdofficier van het parket Haarlem.

Aanbeveling 3

De CITT vraagt om kwaliteitsverbeteringen op het terrein van het laissez passer-proces alsmede aanpak van landen van herkomst die weigeren mee te werken of chicaneren.

Ik streef ernaar de effectiviteit van het laissez-passer proces verder te verhogen. Enerzijds zet ik daartoe in op het identiteitsonderzoek. Anderzijds zet ik in op het verbeteren van de samenwerking met landen van herkomst op het terrein van (gedwongen) terugkeer.

De DT&V is voor het bereiken van de terugkeerdoelen afhankelijk van een groot aantal externe factoren waaronder de medewerking van een vreemdeling bij de vaststelling van de nationaliteit/identiteit en de medewerking van de landen van herkomst aan gedwongen terugkeer van onderdanen. Deze afhankelijkheden maken het laissez passer-proces tot een complex proces.

Voor het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument voert de regievoerder vertrekgesprekken met de vreemdeling. Met deze gesprekken wordt getracht de vreemdeling zelfstandig te laten terugkeren waardoor deze ook meewerkt aan het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten. De vertrekgesprekken zijn ook gericht op het onderbouwen van de identiteit en/of nationaliteit van de vreemdeling.

Identiteitsvaststelling is van cruciaal belang in het laissez-passer proces.

Veel vertegenwoordigingen van landen van herkomst geven immers pas een laissez-passer af nadat de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling zijn vastgesteld. Het identiteitsonderzoek is primair een verantwoordelijkheid van de vreemdelingenpolitie en Koninklijke Marechaussee. Kwaliteitsverbeteringen binnen het proces ter vaststelling van de identiteit en/of nationaliteit zijn dan ook vooral gericht op aandacht voor de inhoud van het overdrachtsdossier van deze ketenpartners. Informatie-uitwisseling staat hierin centraal. In 2011 worden vergaande afspraken gemaakt tussen ketenpartners gericht op de informatie-uitwisseling ten behoeve van het identiteitsonderzoek. Voorts worden bestanden van de verschillende geautomatiseerde systemen van de ketenpartners vergeleken en worden historische archieven doorlopen. Ook in Europees verband wordt samenwerking gezocht voor het uitwisselen van informatie in individuele casussen ten behoeve van het identiteitsonderzoek. Daarnaast heeft de DT&V in het kader van het project «Kennisinformatie-uitwisseling laissez passer-proces» bezoeken gebracht aan België, Denemarken, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk.

Wanneer de vreemdeling niet meewerkt aan zijn terugkeer, blijft medewerking van het (vermoedelijke) land van herkomst aan gedwongen terugkeer over. De DT&V onderhoudt in het kader van het laissez passer-proces intensieve relaties met de diplomatieke vertegenwoordigingen van herkomstlanden. De werkafspraken met de herkomstlanden met betrekking tot het proces van het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten worden door de DT&V constant gemonitord.

Daarnaast wordt kabinetsbreed geïnvesteerd in de samenwerking op het gebied van terugkeer met herkomstlanden. Meer nog dan onder voorgaande regeringen is in het regeerakkoord opgenomen dat het terugkeerbeleid en de relatie met landen van herkomst geïntensiveerd wordt. Samen met het ministerie van Buitenlandse Zaken, andere relevante departementen en in EU-verband zet ik in op een verbetering van die relaties. Deze zomer zal ik met een terugkeerbrief komen, waar de Tweede Kamer zal worden geïnformeerd over mijn voornemens en maatregelen ten aanzien van de verbetering van terugkeer, waarbij reciprociteit in relatie tot herkomstlanden van belang is. Dit laatste zal ook terugkomen in de brief die ik samen met de bewindspersonen van Buitenlandse Zaken zal schrijven over Migratie en Ontwikkeling.

Aanbeveling 4

De commissie stelt vast dat uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voor veel mensen in de uitvoering soms onverwacht het uitzetproces en de voorspelbaarheid van de uitkomsten daarvan beïnvloeden.

Deze vaststelling neem ik voor kennisgeving aan.

Aanbeveling 5

De commissie dringt aan op intensieve internationale samenwerking gericht op Frontex-vluchten.

Evenals voorgaande jaren besteedt de commissie in haar jaarverslag veel aandacht aan overheidsvluchten en dringt ook dit jaar aan op intensieve internationale samenwerking gericht op Frontex-vluchten. In reactie hierop wil ik benadrukken dat Nederland al actief participeert in Frontex en daar waar mogelijk deelneemt aan overheidsvluchten, vooral die in Frontex-verband.

Overheidsvluchten zijn efficiënt in gevallen waarin vreemdelingen niet via het normale proces kunnen worden uitgezet of indien binnen een kort tijdsbestek een aantal verwijderbare vreemdelingen (met geldige (vervangende) reisdocumenten) naar eenzelfde land uitgezet kunnen worden. Naast deze doelmatigheidsoverwegingen worden voor de afweging om een overheidsvlucht in te zetten of eraan deel te nemen, de hoge kosten voor deze vluchten in ogenschouw genomen, en de extra inspanning voor alle betrokken diensten die hiervoor geleverd moet worden. Voor Frontex-vluchten geldt namelijk dat er aanzienlijke kosten moeten worden gemaakt voor het transport naar het EU-land vanwaar de Frontex-vlucht vertrekt.

Daarnaast laat de dynamiek rondom vertrekprocessen het niet toe de afhandeling van individuele zaken te richten naar de agenda van Frontex. Dit zou anders resulteren in een onnodig lange vreemdelingenbewaring, hetgeen niet rechtmatig is en evenmin in het belang is van de vreemdeling, en onnodige kosten met zich meebrengen.

In 2010 zijn 18 overheidsvluchten georganiseerd, zeven maal in Frontex-verband, waarvan twee vluchten door Nederland waren georganiseerd. Daarnaast waren er ook vluchten waar Nederland aan zou deelnemen, maar die geen doorgang konden vinden, doordat procedures bij het Europees Hof leidden tot annuleringen van uitzettingen van vreemdelingen die hierop gepland stonden; vervolgens konden geen hernieuwde landingsrechten verkregen worden of waren er stakingen op een vliegveld.

Aanbeveling 6

De commissie spreekt de hoop uit dat de voorgenomen herstructurering van het politiebestel zal worden gebruikt als kans om te komen tot een eenduidige en centraal vormgegeven uitvoering van het vreemdelingenbeleid door de dan te vormen Nationale Politie.

De verschillende inbeddingen in de korpsen waarover in de aanbeveling wordt gesproken is, zoals terecht wordt opgemerkt, inherent aan de structuur van het huidige politiebestel. De vorming van de Nationale Politie zal naar verwachting de mogelijkheid bieden om te komen tot een eenduidige en centraal vormgegeven uitvoering van de politiële vreemdelingentaak. Hiertoe worden in het traject om te komen tot de Nationale Politie ook concrete afspraken gemaakt.

Aanbeveling 7

De commissie constateert dat er te weinig sprake is van sturing op de terugkeerketen.

De suggestie in hoofdstuk 3.3.3 van het jaarverslag dat er sinds 2003 weinig veranderd zou zijn op het gebied van ketensturing kan ik niet onderschrijven. De vreemdelingenketen werkt met een meerjarig beleidskader en een meerjarige productieprognose, waarbij ontwikkelingen in ketenverband gevolgd worden en waar nodig leiden tot nieuwe werkafspraken. Uiteraard wordt periodiek bezien hoe de ketensturing verder verbeterd kan worden. Nieuwe ontwikkelingen op het terrein van ketensturing worden beschreven in de Rapportage Vreemdelingenketen. In het kader van de begrotingsverantwoording wordt gerapporteerd over de doelmatigheid van de uitvoering van het migratiebeleid.

Aanbeveling 8

De commissie constateert dat in de dagelijkse praktijk onvoldoende wordt gewerkt volgens afgesproken protocollen, en adviseert om de informatiepositie van alle betrokken ketenpartners te verbeteren en een uniform elektronisch formulier M118 in te voeren in de keten.

Een ketenbrede werkgroep heeft zich in 2010/2011 gericht op de verbetering van de informatieoverdracht in het M118 formulier. Het gewijzigde formulier wordt dit jaar in de Vreemdelingencirculaire opgenomen. Dit jaar zal ook de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) kunnen beschikken over een actuele M118. De digitalisering van het M118-formulier vraagt om aanpassingen in de verschillende geautomatiseerde systemen van alle betrokken ketenpartners. Dergelijke aanpassingen zijn niet op korte termijn realiseerbaar en gaan gepaard met grote kosten. Ik ben voornemens om op termijn de mogelijkheden hiertoe te onderzoeken.

Ik onderschrijf de mening van de CITT dat een goede informatieoverdracht binnen de vreemdelingenketen van cruciaal belang is. Daarom vinden op dat vlak verschillende activiteiten plaats. Door de KMar is ketenbreed voorlichting gegeven over het belang van een goede informatieoverdracht in het M118 formulier. In het terugkeerproces heeft in 2010 een bestandsvergelijking plaatsgevonden door een werkgroep van de DT&V, de IND en het COA. De verbeterpunten ten aanzien van de informatie-uitwisseling die daaruit naar voren komen worden uitgevoerd door de betrokken ketenpartners, waardoor de kwaliteit van de informatie verbetert. In de samenwerking tussen de VP, de KMar en de DT&V vindt maandelijks controle en terugkoppeling van de volledigheid en tijdigheid van dossieroverdracht plaats.

Aanbeveling 9

De commissie beveelt aan dat zeker bij (complexe) uitzettingen per lijnvlucht de escortcommandant van de KMar zich uitvoerig voorbereidt en zich op de hoogte stelt c.q. op de hoogte wordt gesteld van alle bijzondere omstandigheden die zich met betrekking tot die vlucht kunnen voordoen.

De voorbereiding van (al dan niet complexe) uitzettingen heeft vanzelfsprekend de aandacht van de KMar. In het kader van een recente reorganisatie van het district KMar Schiphol wordt binnen de Brigade Vreemdelingenzaken een afdeling «procesbegeleiding» ingericht. Vanuit deze afdeling wordt toezicht op het gehele proces van uitzettingen gehouden, waaronder de monitoring van de kwaliteit van escortcommandanten. Ook wordt vanuit deze afdeling de briefing en debriefing verder geprofessionaliseerd. Verder is nieuw dat de escortcommandanten jaarlijks een verplichte bijscholing krijgen, in het verlengde van de specifieke opleiding die zij allen eerder hebben gehad. Tot slot geldt dat in de keten de uitvoeringsorganisaties van elkaar afhankelijk zijn, zo ook de KMar aan het einde van de keten. De KMar en DT&V hebben dan ook regelmatig overleg en recent zijn opnieuw strakkere afspraken gemaakt op operationeel niveau over onder meer de informatie-uitwisseling.

Terugblik op uitvoering eerdere aanbevelingen

Het jaarverslag bevat in het eerste hoofdstuk een terugblik op de uitvoering van aanbevelingen uit eerdere rapportages. Deze terugblik neem ik voor kennisgeving aan. Wel wil ik naar aanleiding van het zesde punt in dit hoofdstuk, te weten de constatering dat vooralsnog onvoldoende invulling is gegeven aan de aanbeveling dat het identiteits- en nationaliteitsonderzoek ook na de overplaatsing van een vreemdeling naar een Huis van Bewaring of na opheffing van de vreemdelingenbewaring voort dient te worden gezet door het verantwoordelijke politiekorps, nog het volgende opmerken. Binnen de huidige mogelijkheden worden nu al continu inspanningen verricht om de werkprocessen op de politiële vreemdelingentaak, zoals de in het verslag genoemde voortzetting van het identiteitsonderzoek na overplaatsing naar een huis van bewaring of na opheffing van de vreemdelingenbewaring, binnen de 25 politieregio’s te uniformeren en de kwaliteit te borgen. De verwachting is dat de vorming van de Nationale Politie de noodzakelijke voorwaarden schept om hier nadrukkelijker op te sturen.

Aanbevelingen in de tekst

Voorts staan in de rest van de tekst van het jaarverslag enkele aanbevelingen die niet terugkomen in de algemene conclusies en aanbevelingen. Hierbij ga ik op deze aanbevelingen in.

Hoofdstuk 3.4: Vreemdelingen in de Strafrechtketen

De commissie concludeert dat beter en vooral consequenter uitvoering dient te worden gegeven aan het VRIS-protocol.

De CITT constateert dat de identiteitsvaststelling en de gegevensuitwisseling van de vreemdeling in de strafrechtsketen geoptimaliseerd dient te worden. Door het toekennen van een V-nummer (uniek nummer) kan de vreemdeling in het systeem herkend worden als een persoon op wie zowel vreemdelingrechtelijke als strafrechtelijke maatregelen van toepassing zijn. De Task Force VRIS heeft onderkend dat deze registratie randvoorwaardelijk is voor de uitvoering van het VRIS-protocol. De Task Force richt zich de komende periode op de optimalisering van het VRIS-protocol en de geautomatiseerde ondersteuning en informatie- en gegevensuitwisseling tussen de zes VRIS-ketenpartners (VP, KMar, IND, DJI, DT&V en het OM).

De commissie beveelt aan prioriteit te geven aan de uitzetting van criminele en overlastgevende vreemdelingen.

In het convenant Politiële Vreemdelingentaak 2009 – 2011, afgesloten door de toenmalige ministers van Justitie en BZK met de Raad van Korpschefs i.o., wordt prioriteit gelegd bij de aanpak van criminele en overlastgevende vreemdelingen en het bestrijden van migratiecriminaliteit. Binnen dit kader is in het bijzonder aandacht voor de slachtoffers van mensenhandel en de uitvoering van het VRIS-protocol en de procedure voor ongewenstverklaringen.

De commissie beveelt aan dat DJI de populatie binnen de penitentiaire inrichtingen in samenwerking met de vreemdelingenpolitie met enige regelmaat screent op onjuist geplaatste criminele vreemdelingen.

Op dit punt zijn in de loop van 2010 verbeteringen doorgevoerd. Binnen Bureau Selectiefunctionarissen (BSF) is een coördinator aangesteld, die intensief contact onderhoudt met DT&V op casusniveau. Informatieuitwisseling ziet op twee aspecten. Ten eerste moet bij binnenkomst van een gedetineerde worden vastgesteld of betrokkene wel of niet een verblijfsrechtelijke status heeft. In samenwerking tussen BSF, DT&V en het OM wordt toegezien op het complementeren van gegevens bij plaatsing in de inrichting. Ten tweede moet rekening worden gehouden met een populatie verblijvend binnen het gevangeniswezen, van wie de verblijfsrechtelijke status als gevolg van een procedure (procedure verblijfsvergunning, procedure ongewenstverklaring, procedure asiel) wijzigt gedurende de detentieperiode. Dit tweede aspect van informatieuitwisseling vraagt nog steeds veel aandacht. Enerzijds gaat het daarbij om informatie-uitwisseling via ICT-systemen; anderzijds gaat het om kennis binnen de PI ten aanzien van het onderkennen van situaties waarin een vreemdeling – als gevolg van een (onherroepelijke) beslissing in een procedure – moet worden voorgedragen voor een VRIS-locatie. Voor de processen binnen DJI aangaande VRIS wordt in 2011 een handleiding en werkinstructie opgesteld.

Hoofdstuk 3.8: Uitzetproces

De commissie stelt vast dat de inzet van kleine Nederlandse charters voor het verwijderen van extreem lastige vreemdelingen het afgelopen jaar succesvol is gebleken en beveelt uitbreiding hiervan dan ook aan.

Nederland zet kleine vliegtuigen (overheidsvluchten) in daar waar dat geïndiceerd is. Zo worden deze kleinschalige vluchten ingezet indien sprake is van bijvoorbeeld gewelddadige vreemdelingen of herhaald geweld. Ook hier geldt dat de inzet van overheidsvluchten primair een doelmatigheidsoverweging voor Nederland is. Zo spelen de afweging dat er geen andere mogelijkheid is voor het vertrek uit Nederland, de hoge kosten van dergelijke vluchten en de toestemming van de autoriteiten van het land van bestemming een rol bij de afweging voor het inzetten van een kleinschalige overheidsvlucht. Vooraf is moeilijk vast te stellen of een kleinschalige overheidsvlucht kostenefficiënt is, gezien het feit dat er altijd een risico is voor annulering van de vlucht (bijvoorbeeld door het indienen van een asielverzoek door de vreemdeling of een door de rechtbank toegewezen voorlopige voorziening).

De commissie beveelt de KMar aan om bij ontbreken van cruciale informatie hiervan melding te maken bij de debriefing. Dat geldt ook voor de gevallen waarin de uitzetting desondanks uiteindelijk toch is gelukt. Contact dient te worden opgenomen met de ketenpartner vanwaar de ontbrekende informatie vandaag had moeten komen. Het louter kenbaar maken in een maandelijks overleg met de ketenpartners acht de commissie niet voldoende.

De KMar koppelt zo veel als mogelijk direct terug als cruciale informatie ontbrak voorafgaand aan de uitzetting. In het kader van de verbetering van de informatie in de M118 heeft de Brigade Vreemdelingenzaken van de KMar in het afgelopen jaar overigens ook een paar keer terugkoppeling gegeven over goede informatiedeling in M118 formulieren, zodat dit eventueel gebruikt kan worden als voorbeeld voor nieuwe medewerkers elders in de keten.

De commissie beveelt alle ketenpartners aan om bovenstaande werkwijze eveneens te hanteren ten opzichte van de ketenpartner die vreemdeling en bijbehorend dossier heeft aangeleverd.

Tussen de ketenpartners zijn afspraken gemaakt waar een overdrachtsdossier aan dient te voldoen. In het kader van kwaliteitsbevordering wordt daarom altijd contact gezocht met de zendende ketenpartner indien een overdrachtsdossier incompleet blijkt te zijn.

Afhankelijk van het belang van de ontbrekende informatie wordt bij vastgestelde omissies altijd direct gereageerd. In andere gevallen gebeurt dat tijdens de periodieke overleggen.

De commissie beoordeelt de intensieve samenwerking tussen de ketenpartners die betrokken zijn bij de voorbereiding van chartervluchten als constructief en waardevol en beveelt aan als regel uit te zetten vreemdelingen middels tolken en/of flyers gericht te informeren en te doen begeleiden.

Deze aanbeveling ondersteunt de bestaande praktijk. Bij binnenkomst in een uitzetcentrum wordt zo spoedig mogelijk een vertrekgesprek gehouden met de vreemdeling waarbij deze een informatieblad krijgt uitgereikt waarin relevante informatie staat vermeld over onder andere de reden van het verblijf op het uitzetcentrum, namelijk daadwerkelijke terugkeer op korte termijn, alsmede de maximale duur ervan. Op deze manier wordt de vreemdelingen en de advocaat die hen bij bewaring steeds wordt toegevoegd, duidelijk gemaakt dat na plaatsing in het uitzetcentrum, uitzetting op korte termijn zal plaatsvinden. De informatiebladen in geval van verblijf in een uitzetcentrum zijn overigens aangepast om nog explicieter te wijzen op de mogelijke rechtsmiddelen en op de mogelijkheid tot contact met de advocaat.

Tijdens hun verblijf op een uitzetcentrum worden vreemdelingen bovendien vervolgens tijdig en expliciet geïnformeerd over het precieze moment van vertrek uit Nederland. De hoofdregel voor het informeren van vreemdelingen over hun uitzetting is dat dit minimaal 24 uur voor de geplande vlucht gebeurt. De vreemdeling heeft dan nog gelegenheid tot vragen stellen. Op deze hoofdregel kunnen zowel bij groepsgewijze als individuele uitzettingen door de directeur van het uitzetcentrum waar de vreemdeling onder valt, uitzonderingen worden gemaakt om redenen van beheersbaarheid en veiligheid op het uitzetcentrum. Bij de overheidsvluchten naar Irak krijgen vreemdelingen op het moment van vertrek een extra flyer uitgereikt. Hiervoor is gekozen om de taalbarrière te beslechten en de vreemdeling juist en adequaat te informeren op hetgeen staat te gebeuren.

De commissie heeft in het verslagjaar ervaren hoezeer het investeren in de relaties met externe betrokkenen zoals luchtvaartmaatschappijen bijdraagt tot een soepeler en humaner verloop van de uitzetting in concrete situaties. Het met aandacht onderhouden van deze relaties wordt door de commissie van harte aanbevolen, ook voor wat betreft de voorbereiding van uitzettingen met commerciële vluchten.

Zoals de CITT reeds heeft geconstateerd wordt door de DT&V op verschillende fronten veel geïnvesteerd in de relatieopbouw en het relatiebeheer met de diverse partijen, waar onder luchtvaartmaatschappijen. Ik onderschrijf dan ook de mening van de CITT dat het structureel investeren in relaties leiden tot betere en consistentere resultaten. Voor de DT&V is dit dan ook staande praktijk.

De KMar investeert in de relatie met de KLM en andere (inter)nationale luchtvaartmaatschappijen door regelmatig contact te onderhouden. Het doel daarvan is een zo goed mogelijke operationele samenwerking te krijgen bij uitzettingen.

De commissie heeft geconstateerd dat het met enige regelmaat ontbreekt aan tijdige aanlevering van uit te zetten vreemdelingen bij het uitzetcentrum en beveelt aan dat KMar en DV&O hierover nadere, strakkere afspraken maken.

De KMar en DV&O hebben in de regel ieder kwartaal overleg. Daarbij worden wederzijdse verbeterpunten en maatregelen in het proces besproken. Inmiddels is het aantal verbeterpunten sterk teruggedrongen.

De minister voor Immigratie en Asiel,

G. B. M. Leers


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

X Noot
2

VRIS staat voor Vreemdelingen in de strafrechtketen.