Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 26991 nr. 597 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 26991 nr. 597 |
Vastgesteld 22 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 23 januari 2026 over o.a. voedselveiligheid (Kamerstuk 26 991, nr. 563).
De vragen en opmerkingen zijn op 13 mei 2026 aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 22 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp
Inhoudsopgave
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
|
I. |
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties |
2 |
|
D66-fractie |
2 |
|
|
VVD-fractie |
2 |
|
|
PRO-fractie |
3 |
|
|
PVV-fractie |
5 |
|
|
CDA-fractie |
6 |
|
|
BBB-fractie |
7 |
|
|
PvdD-fractie |
9 |
|
|
SP-fractie |
11 |
|
|
Groep Markuszower |
11 |
|
|
II. |
Reactie van de Minister |
13 |
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie danken de Minister voor de brief over Voedselveiligheid en problematiek rondom stikstof en PFAS. Daartoe hebben deze leden enkele vragen.
PFAS kent grote risico’s voor de volksgezondheid. Daarom achten de leden van de D66-fractie het belangrijk om het gebruik hiervan zoveel mogelijk terug te dringen en te voorkomen dat het resterende verblijf hiervan onacceptabele risico's met zich meebrengt. In het coalitieakkoord is afgesproken dat Nederland kartrekker gaat worden voor een Europees verbod op PFAS. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie wat hierin momenteel de stand van zaken is: welke acties zijn tot dusver al ondernomen en welke acties worden er de komende tijd nog verwacht?
Daarnaast achten de leden van de D66-fractie het belangrijk om PFAS-houdende producten bij consumenten terug te dringen. Daartoe vragen deze leden of de genoemde verkenning al gestart is en wanneer de resultaten verwacht worden.
De leden van de D66-fractie lezen dat het momenteel nog niet mogelijk is om hobbykippenhouders een advies te geven hoe de PFAS in hun eieren te verminderen. Consumenten kunnen hun eieren kunnen laten testen bij een laboratorium om te weten hoeveel PFAS erin zit; daartoe vragen de leden van de D66-fractie of de mogelijkheid verkend wordt om dit gratis te maken?
Daarnaast hebben de leden van de D66-fractie nog een vraag over de Nutri-Score. Zo stelt de Gezondheidsraad dat het van belang is dat de Nutri-Score beter aansluit op de huidige geldende voedingsadviezen. Kan de Minister aangeven of er acties ondernomen worden om het advies van de Gezondheidsraad over Nutri-Scores op te volgen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie zijn groot voorstander van de Nederlandse ambities op het gebied van biotechnologie. In het rapport van Peter Wennink wordt de sector nadrukkelijk benoemd als een belangrijke pijler onder het toekomstige Nederlandse verdienvermogen. Ook op het gebied van kweekvlees en precisiefermentatie hebben genoemde leden vanuit de commissie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) reeds meerdere moties ingediend. In een recent breed aangenomen motie hebben deze leden bovendien opgeroepen tot het opstellen van een innovatieagenda voor de biotechnologie. De leden van de VVD-fractie vinden het daarbij van groot belang dat de Ministeries van VWS en LVVN nauw samenwerken. Vanuit dat kader hebben zij de volgende vragen aan de Minister. Zijn de Ministers van VWS en LVVN voornemens gezamenlijk invulling te geven aan de innovatieagenda voor biotechnologie? Zo ja, op welke wijze wordt deze samenwerking vormgegeven? Kan de Minister aangeven hoe het bedrijfsleven en de kennisinstellingen bij deze agenda worden betrokken?
De leden van de VVD-fractie ontvangen vanuit de biotechsector signalen dat de huidige eisen rondom regelgeving, toezicht, handhaving en markttoelating in de praktijk innovatie kunnen vertragen. Daarbij wordt onder meer gewezen op langdurige procedures voor Europese markttoelating van Novel Foods, die in de praktijk vaak langer duren dan de beoogde termijn van één tot twee jaar. Herkent de Minister deze signalen? Welke mogelijkheden ziet de Minister, zowel nationaal als in Europees verband, om toelatingsprocedures efficiënter en voorspelbaarder te maken, zodat innovatieve producten sneller toegang krijgen tot de markt zonder afbreuk te doen aan voedselveiligheid? Kan de Minister daarbij tevens reflecteren op de gevolgen die langdurige en complexe procedures kunnen hebben voor het Europese investeringsklimaat, het aantrekken van durfkapitaal en het behoud van innovatieve biotechbedrijven binnen Nederland en Europa?
De Europese Commissie stelt, in het Omnibuspakket voedsel- en diervoederveiligheid voor, dat met name de aanwezigheid van levende cellen relevant is vanuit het oogpunt van voedselveiligheid en handhaving. In het BNC-fiche lezen de leden van de VVD-fractie echter dat Nederland eventuele DNA-residuen tot een minimum beperkt wil houden. Kan de Minister toelichten waarom Nederland op dit punt een andere benadering kiest dan de Europese Commissie en op welke inzichten deze inzet is gebaseerd?
De leden van de VVD-fractie hebben signalen ontvangen dat de Europese Commissie mede op initiatief van Nederland aanstuurt op het onderbrengen van microbiële culturen binnen de additievenregelgeving. Dit zou betekenen dat voor dergelijke toepassingen dezelfde toelatingsroute gaat gelden als voor chemische stoffen in voedingsmiddelen. Kan de Minister toelichten waarom voor deze route wordt gekozen en hoe deze keuze zich verhoudt tot het streven om innovatie binnen de biotechsector te stimuleren?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
Naar aanleiding van het thema/brief inzake Voedselveiligheid. De leden van de PRO-fractie vragen de Minister een zienswijze te delen over de Europese Omnibus Food & Feed en de mogelijke aanpassing van de regels voor toelating en (her)beoordeling van pesticiden en de werkzame stoffen daarin. Hoe kijkt de Minister vanuit haar beleidsverantwoordelijkheid voor volksgezondheid naar de mogelijke impact van deze Omnibus op de voedselveiligheid? Zal de Minister de expertise van haar departement verlenen aan haar collega van LVVN zodat gezondheid sterk wordt meegewogen in het definitieve kabinetsstandpunt over de Omnibus Food & Feed? Zal de Minister ervoor zorgen dat overwegingen aangaande volksgezondheid prioriteit krijgen boven particuliere of publieke financiële belangen? Verder vragen deze leden of de Minister al eigen analyses heeft laten maken over het Omnibusvoorstel. Zo ja, kan de Minister die met de Kamer delen? Zo nee, bent u voornemens alsnog dergelijke analyses te laten uitvoeren?
Naar aanleiding van het thema/brief inzake NVWA handhaving peutermelk vervolg 2020. De leden van de PRO-fractie lezen in de brieven van juni 2020 (Kamerstuk 31 532, nr. 250) en van maart 2022 (Kamerstuk 26 991, nr. 581) dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) destijds is verzocht om bij peutermelk niet te handhaven op aspecten die wel voldoen aan de oude regels voor producten voor bijzondere voeding (Richtlijn 2009/39/EG), maar vanaf 20 juli 2016 niet aan de Europese (en nationale) regels die gelden voor gewone levensmiddelen. Kan de Minister toelichten wat de huidige stand van dit dossier is? Zijn alle controles volledig hernomen of zijn er op heden nog aspecten die niet worden gehandhaafd? Zo nee, hadden dergelijke controles kunnen helpen om eventuele besmettingen met cereulide te kunnen voorkomen, zoals mogelijks in februari jl. gebeurde op basis van babyvoeding van Nestlé en Danone?
De leden van de PRO-fractie vragen verder wat de stand is van het onderzoek van de NVWA en de Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) naar de bron van besmetting van babyvoeding met cereulide, alsook het onderzoek naar de vraag of meldingen van bedrijven tijdig en volledig zijn gedaan. Kan de Minister hierover een update geven? Voorts is er sinds 2 februari 2026 een nieuwe Europese grenswaarde van 0,014 microgram cereulide per kilogram lichaamsgewicht geldig. In welke mate wordt hierop reeds gecontroleerd in Nederland? Welke aandeel van de in Nederland verkochte babyvoedingsproducten voldoen met zekerheid aan die nieuwe norm?
De leden van de PRO-fractie merken op dat recente incidenten rond toxische stoffen niet tot voedsel waren beperkt, maar ook op andere waren betrekking hadden, zoals asbest in speelzand en kinderspeelgoed. Welke concrete stappen zijn er sinds februari jl. al door Nederland gezet om in Europees verband de grenswaarde voor asbest in speelgoed aan te scherpen? Welke stappen zal de Minister dit jaar nog zetten in die zin? Zal de Minister op basis van de verschillende recente incidenten rond toxische stoffen in voeding en andere waren nieuw beleid voorstellen om preventie te versterken? Zo ja, welke opties onderzoekt de Minister momenteel? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van het thema/brief inzake Aanpak veiligheid voedingssupplementen. De leden van de PRO-fractie stellen vast dat in 2020 de toezichtscapaciteit voor deze omvangrijke voedingssupplementenbranche klein was, hoewel destijds bleek dat een aanzienlijk aantal bedrijven zich onvoldoende aan de wettelijke eisen voor voedselveiligheid hielden. Kan de Minister aangeven hoeveel bedrijven uit deze sector de afgelopen 3 jaar zijn geïnspecteerd? Welk percentage van het totaal aantal bedrijven uit de voedingssupplementenbranche zijn geïnspecteerd? In welke mate is sinds 2020 de toezichtscapaciteit toegenomen of juist gekrompen?
Naar aanleiding van het thema/brief inzake Ontwikkelingen voedselveiligheidsbeleid. De leden van de PRO-fractie lezen dat de VWS-middelen voor de NVWA onvoldoende meestijgen met de grote kostenstijging van de NVWA en dat mede daardoor minder toezichttaken door de NVWA kunnen worden opgenomen. Kan de Minister toelichten welke impact deze lagere toezicht heeft op het risico op voedselveiligheidsincidenten? Hoeveel bijkomende middelen zou de NVWA op jaarlijkse basis nodig hebben om alle toezichtstaken naar behoren uit te voeren, inclusief het opnieuw uitvoeren van taken waarmee de NVWA gestopt is naar aanleiding van de financiële kaders?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken over Voedselveiligheid en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
Deze leden onderschrijven dat goed toezicht, stevige handhaving en duidelijke normstelling noodzakelijk zijn waar het gaat om voedselveiligheid. De overheid heeft de taak om consumenten te beschermen tegen vervuiling en risico’s in voedsel. Tegelijkertijd mag die inzet er niet toe leiden dat de vrijheid van burgers om zelf in voedsel te voorzien steeds verder wordt teruggedrongen. Voor deze leden is dat een principieel punt. Het uitgangspunt moet zijn dat mensen in vrijheid zelf voedsel moeten kunnen produceren, houden en consumeren, en dat de overheid vervolgens de taak heeft om de leefomgeving schoon en veilig te maken.
De leden constateren dat uit de stukken een duidelijke rode draad naar voren komt. Sinds het fipronil-incident is sterk ingezet op versterking van ketenborging, private kwaliteitssystemen, vroegsignalering en beter toezicht. Dat is begrijpelijk. Maar juist de PFAS-problematiek laat zien dat de grootste bedreiging voor voedselveiligheid in toenemende mate niet alleen in de keten zelf zit, maar in een vervuilde leefomgeving, waardoor ook lokaal geproduceerd voedsel en eieren van eigen kippen besmet kunnen raken. Deze leden vragen de Minister daarom te bevestigen dat in zulke gevallen niet het zelf produceren van voedsel het eigenlijke probleem is, maar de aanwezigheid van schadelijke stoffen in bodem, water en voedselketen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat voor eieren van hobbykippen het advies luidt dat men er beter voor kan kiezen deze niet te eten, terwijl eieren uit de supermarkt, markt of speciaalzaak als veilig worden aangemerkt omdat zij onder Europese wetgeving vallen en worden gecontroleerd. Deze leden vragen of de Minister het wenselijk acht dat de feitelijke beleidsuitkomst voor burgers steeds vaker neerkomt op: koop het liever in de winkel dan het zelf te produceren.
Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat inmiddels beter bekend is waar de PFAS in hobbykipeieren vandaan komt, namelijk vooral uit regenwormen en mogelijk andere kleine bodemdieren, maar dat dit nog geen praktisch handelingsperspectief oplevert voor houders van hobbykippen. Deze leden vragen de Minister waarom de kennis over de bron wel is toegenomen, maar dit nog niet heeft geleid tot concrete handelingsopties voor burgers om hun eieren veilig te kunnen blijven consumeren. Zij vragen de Minister welke maatregelen op dit moment worden onderzocht om de vervuilingsroute via de leefomgeving daadwerkelijk terug te dringen, in plaats van zich te beperken tot een consumptieadvies. Daarbij benadrukken de leden van de PVV-fractie dat zij willen voorkomen dat de terechte aandacht voor PFAS-vervuiling wordt misbruikt om opnieuw generieke druk te zetten op woningbouw, economische ontwikkeling of de agrarische sector, terwijl de kernopgave juist moet zijn om concrete vervuilingsbronnen doelgericht aan te pakken en burgers hun vrijheid terug te geven om veilig zelf voedsel te produceren.
Deze leden vragen de Minister ook hoe zij voorkomt dat de overheid bij dit soort dossiers ongemerkt opschuift van voedselveiligheidsbeleid naar gedragssturing van burgers. De leden van de PVV-fractie vragen waar voor de Minister de grens ligt tussen waarschuwen voor een reëel risico en het feitelijk ontmoedigen van kleinschalige, particuliere voedselproductie. Ook vragen zij of de Minister bereid is als uitgangspunt te hanteren dat niet de vrijheid om zelf voedsel te produceren moet worden ingeperkt, maar dat de overheid ervoor moet zorgen dat de omgeving waarin dat gebeurt schoner en veiliger wordt gemaakt. De leden van de PVV-fractie onderstrepen dat de vervuilde leefomgeving geen nieuw excuus mag worden om Nederland verder op slot te zetten.
Tot slot vragen genoemde leden hoe deze lijn zich verhoudt tot de bredere ontwikkeling in het voedselveiligheidsbeleid. Hoe wordt door de Minister geborgd dat zelfvoorziening, kleinschaligheid en de vrijheid van burgers om zelf dierlijke producten te houden en te consumeren niet stelselmatig in de verdrukking raken, als de overheid steeds meer nadruk legt op controle, toezicht en gereguleerde ketens? De leden van de PVV-fractie vragen de Minister uiteen te zetten welke plaats zij toekent aan deze vrijheid binnen het voedselveiligheidsbeleid van de komende jaren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
Naar aanleiding van het thema/brief inzake Private borging voedselketens. De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de ontwikkelingen rondom private borging van voedselketens en zijn van mening dat de rol die private partijen nemen goed aansluit bij het benutten van de kracht van de agrarische sector. Deze leden hebben aanvullende vragen.
De leden van de CDA-fractie onderschrijven de zorgen rondom het probleem van free rider gedrag bij private certificering. Deze leden vragen de Minister om mogelijkheden uit te werken om dit free riders gedrag tegen te kunnen gaan en deze te delen met de Kamer.
De leden van de CDA-fractie hechten grote waarde aan inzet op het versterken van nationale voedselketens waar mogelijk. Deze leden hebben kennisgenomen van de constatering dat verwerkende en retailbedrijven de website ketenborging.nl weinig gebruiken om zich aan Nederlandse initiatieven te binden. Deze leden vragende Minister te inventariseren hoe dit gestimuleerd kan worden, zodat de website ketenborging.nl benut wordt.
Naar aanleiding van het thema/brief inzake Zesde voortgangsrapportage Kansrijke Start. De leden van de CDA-fractie maken graag van de gelegenheid gebruik om aanvullende en verduidelijkende vragen te stellen over de aanpak Kansrijke Start.
De leden van de CDA-fractie vinden het Actieprogramma Kansrijke Start een zeer goed initiatief en vinden het dan ook goed dat er in het coalitieakkoord is afgesproken dat er geïnvesteerd gaat worden in het Actieprogramma Kansrijke Start. Deze leden zouden graag van de Minister horen op welke wijze het kabinet het programma gaat versterken en waar het kabinet voornemens is de investeringen concreet te laten landen.
De leden van de CDA-fractie horen graag van de Minister hoe het staat met de voortgang van de opvolging van de motie ingediend door het lid Poortman c.s. over voorstellen voor uitbreiding van het programma Kansrijke Start (Kamerstuk 32 279, nr. 286).
Naar aanleiding van het thema/brief inzake Beantwoording openstaande vragen over import van rundvlees uit Brazilië met oestradiol. De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de reactie op de import van rundvlees uit Brazilië met oestradiol. Deze leden hechten belang aan een gelijk speelveld voor Europese ondernemers die vaak aan hogere eisen voldoen dan producten die geïmporteerd worden wat de Europese voedselmarkt niet ten goede komt. Deze leden vragen de Minister wat de inzet is van Nederland in Europees verband om enerzijds normen die voedselveiligheid garanderen te waarborgen en tegelijkertijd te pleiten voor een gelijk speelveld.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brieven en overige stukken over Voedselveiligheid. Deze leden willen vooropstellen dat voedselveiligheid van het hoogste belang is. Tegelijkertijd constateren zij dat Nederland in toenemende mate afhankelijk is van import van voedselproducten uit landen buiten de EU, terwijl juist herhaaldelijk blijkt dat daar significante voedselveiligheidsrisico’s en structurele tekortkomingen in toezicht en handhaving bestaan. Dat roept fundamentele vragen op.
De leden van de BBB-fractie benadrukken dat Nederland en de EU beschikken over een van de strengste voedselveiligheidsstelsels ter wereld. In meerdere brieven wordt bevestigd dat het vertrouwen in Nederlands voedsel hoog is en dat de voedselveiligheid hier structureel op orde is. Tegelijkertijd zien deze leden dat incidenten met besmet voedsel in de praktijk vaak voortkomen uit importstromen, zoals ethyleenoxide in sesamzaad uit India, Hepatitis A via blauwe bessen uit Polen, en recente meldingen rondom vleesimporten en controles in derde landen zoals China en Brazilië. Dit bevestigt in de ogen van deze leden een structureel patroon: waar we in Nederland en de EU streng reguleren, ontstaan risico’s vooral daar waar we afhankelijk zijn van import uit systemen met lagere of aantoonbaar onvoldoende borging.
De leden van de BBB-fractie vinden daarom dat het uitgangspunt scherper moet worden: wat hier niet geproduceerd mag worden, mag ook niet geïmporteerd worden. Gelijke eisen aan importproducten zijn daarbij essentieel, maar deze leden vragen of dat in de praktijk wel voldoende wordt gehandhaafd en of de huidige controlecapaciteit van NVWA en Europese systemen (zoals Rapid Alert System for Food and Feed – RASFF) wel toereikend is om risico’s vroegtijdig uit te sluiten in plaats van achteraf te moeten ingrijpen.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast specifiek naar voorbeelden van voedselveiligheidsincidenten met geïmporteerde producten in de afgelopen vijf jaar. Kan de Minister een overzicht geven van de incidenten waarbij verboden stoffen of ziekteverwekkers zijn aangetroffen in importproducten, de herkomstlanden van deze producten en de uiteindelijke volksgezondheidsimpact (aantal zieken, ziekenhuisopnames, etc.)? Deze leden wijzen in dit verband ook op recente EU-audits waaruit blijkt dat controlesystemen in derde landen, zoals China bij pluimveevlees onvoldoende garanties bieden voor naleving van EU-standaarden. Hoe beoordeelt de Minister deze bevindingen in relatie tot de huidige importafhankelijkheid van Nederland en de EU? En welke concrete consequenties worden hieraan verbonden, bijvoorbeeld in de vorm van strengere importrestricties of herziening van handelsstromen?
De leden van de BBB-fractie zijn ook geschrokken van het meest recente Efsa-rapport1 over gewasbeschermingsmiddel-residuen op voedsel, waaruit bleek dat voedsel geïmporteerd van buiten de EU drie keer zo vaak niet voldeed aan de veiligheidseisen als voedsel van binnen de EU. Genoemde leden zien hierin een enorm risico voor niet alleen de voedselveiligheid, maar ook de volksgezondheid en de veiligheid van onze gewassen en dieren, omdat bij overmatig gebruik van bepaalde middelen in het buitenland uiteraard resistente bacteriën, schimmels en andere plagen kunnen ontstaan, die bij import van goederen mee kunnen komen naar Nederland.
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie hoe de Minister de balans ziet tussen handelsbelangen en voedselveiligheid. Is de Minister bereid om het principe te onderschrijven dat producten die in de EU niet zijn toegestaan om te produceren vanwege gezondheids- of milieurisico’s, ook niet via import op de Europese markt terecht zouden moeten kunnen komen? Zo nee, waarom niet? Hoe beziet de Minister in dat licht de afspraken in het Mercosur-verdrag? Hoe groot acht zij de kans dat door meer import van buitenlands voedsel, ook (multi)resistente bacteriën, schimmels, virussen en andere ziekteverwekkers geïmporteerd worden? Kan de Minister hierin meenemen dat op geen enkele manier getest wordt voor resistentie van ziekteverwekkers die mogelijk mee geïmporteerd worden en dat uit het rapport «zoönosen in het vizier'2 expliciet gewaarschuwd is dat Nederland door de grote hoeveelheid handel en doorvoer van goederen al juist heel kwetsbaar is voor uitbraken die in het buitenland ontstaan. Deelt de Minister de mening dat duidelijk is dat productie van voldoende voedsel in Nederland een veiligere basis is dan de inzet op verlagen van de productie en daarnaast inzet op import vanuit het buitenland, omdat toezicht en handhaving op voedselveiligheid daardoor veel moeilijker wordt en we onze volksgezondheid daardoor mogelijk in gevaar brengen?
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast aandacht voor proportionaliteit in voedselveiligheidsbeleid. Deze leden constateren dat kleinschalige Nederlandse producenten, zoals boeren met een melktap, steeds verder worden belast met aanvullende eisen en controles, terwijl uit eerdere beantwoording van Kamervragen blijkt dat de noodzaak van sommige maatregelen moeilijk hard te maken is met concrete uitbraakgegevens. Kan de Minister aangeven hoeveel bewezen ziektegevallen in de afgelopen jaren daadwerkelijk direct herleidbaar waren tot rauwe melk afkomstig van Nederlandse melktappunten, specifiek voor salmonella, campylobacter en STEC? Acht de Minister het proportioneel om maandelijkse testverplichtingen op te leggen aan kleinschalige Nederlandse producenten wanneer de omvang van het aantoonbare risico beperkt lijkt, terwijl tegelijkertijd herhaaldelijk ernstige voedselveiligheidsincidenten optreden bij geïmporteerde producten uit derde landen?
Hoe voorkomt de Minister dat voedselveiligheidsbeleid doorslaat in administratieve lasten voor Nederlandse boeren en streekproducenten, terwijl consumenten tegelijkertijd via importproducten bewezen worden blootgesteld aan risico’s uit landen waar toezicht en handhaving aantoonbaar minder betrouwbaar zijn?
Daarnaast hebben deze leden zorgen over de toenemende meldings- en terugroepcultuur. In de beleidsregel rond het binnen vier uur melden van mogelijke voedselveiligheidsrisico’s zien zij een spanning ontstaan tussen snelheid en proportionaliteit. Snelheid is belangrijk, maar deze leden signaleren ook dat meldingen regelmatig leiden tot grote maatschappelijke onrust terwijl achteraf blijkt dat er geen daadwerkelijk voedselveiligheidsrisico was. Dit roept de vraag op of het systeem niet te gevoelig is ingericht, waardoor het «vals alarm»-effect optreedt. Erkent de Minister dat een te lage drempel voor melding kan leiden tot onnodige onrust bij consumenten en verminderde effectiviteit van het systeem?
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister daarom inzichtelijk te maken hoe vaak in de afgelopen vijf jaar een melding op grond van de vier-uursmeldplicht is gedaan waarbij achteraf is vastgesteld dat er geen sprake was van een reëel voedselveiligheidsrisico. Graag uitgesplitst per jaar en waar mogelijk per sector of productgroep. Hoe vaak heeft dit geleid tot terugroepacties, publieke waarschuwingen of RASFF-meldingen die achteraf gezien niet noodzakelijk bleken? Welke kosten, maatschappelijke impact en reputatieschade zijn hiermee gemoeid geweest voor bedrijven en sectoren? Acht de Minister het wenselijk om het huidige systeem van voedselveiligheidsmeldingen en snelle waarschuwingen te evalueren op proportionaliteit, zodat beter onderscheid wordt gemaakt tussen daadwerkelijke risico’s en vermoedens die achteraf ongegrond blijken? Zo nee, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek van het Voedingscentrum, waaruit blijkt dat 65% van de consumenten chemische voedselrisico's, zoals per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS), bestrijdingsmiddelen en microplastics, hoog inschat. Genoemde leden constateren tegelijkertijd dat consumenten vanwege deze zorgen door het Voedingscentrum worden geadviseerd om gevarieerd te eten om de kans te verkleinen dat mensen te veel schadelijke stoffen binnenkrijgen, terwijl deze leden ondertussen weinig bereidheid zien van het kabinet om te voorkomen dat er überhaupt schadelijke stoffen in voedsel terechtkomen. De leden van de PvdD-fractie vragen aan de Minister waarom het voorkomen van gezondheidsrisico’s hiermee vooral bij consumenten wordt gelegd, terwijl dit primair bij de producenten en bij de overheid zou moeten liggen. Welke rol ziet de Minister voor zichzelf en het kabinet in bescherming van gezondheid van burgers en welke extra stappen bent u bereid te zetten om die gezondheid te beschermen als het gaat om schadelijke stoffen in voedsel? Kan de Minister dit zo concreet mogelijk maken?
De leden van de PvdD-fractie constateren bovendien dat niet alleen de vraag beantwoord moet worden of voedsel veilig is om te consumeren, maar ook de vraag hoe de productie van voedsel via de leefomgeving de volksgezondheid schaadt, bijvoorbeeld door de grote hoeveelheden bestrijdingsmiddelen die daarbij gebruikt worden waardoor aantoonbaar PFAS in het drinkwater en in de grond terechtkomen. Via voedsel en drinkwater samen ligt de hoeveelheid PFAS die Nederlanders binnenkrijgen volgens het RIVM nu al boven de gezondheidskundige grenswaarde, wat schadelijk is voor de gezondheid. Genoemde leden hebben ook kennisgenomen van het meest recente onderzoek van het RIVM over «PFAS in lokaal voedsel», waaruit blijkt dat lokaal voedsel (kortom voedsel dat lokaal in Nederland geproduceerd wordt) meer PFAS kan bevatten dan voedsel uit de winkel en dat het eten ervan kan leiden tot een hogere inname van PFAS. Zij vragen daarom of het kabinet al kan aangeven wat ze extra gaat doen om Nederlanders beter te beschermen tegen PFAS in de herziene Wet gewasbeschermingsmiddelen die na de zomer naar de Kamer zal komen.
De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de Minister kijkt naar de uitspraken van de voorzitter van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) in de Leeuwarder Courant van december 2025, waarin hij noemt dat als het Ctgb een middel toelaat, het niet betekent dat er geen risico’s zijn. Deze leden vragen of de Minister kan toelichten of hiermee Nederlanders niet onnodig worden blootgesteld aan middelen die mogelijk schadelijke stoffen bevatten. Verder benadrukte de voorzitter van het Ctgb ook dat er een verschil zit tussen de normen waarmee men toetst of een waterlichaam aan de Kaderrichtlijn Water (KRW) voldoet en de toelatingsnormen voor bestrijdingsmiddelen, en dat het Ctgb aan het Ministerie van LVVN heeft gevraagd om ook middelen te kunnen toetsen op KRW-normen, maar daar nog niet de volledige ruimte voor heeft gekregen. Genoemde leden vragen of de Minister hier een reactie op kan geven en kan uitleggen waarom het Ctgb nog niet voldoende ruimte heeft gekregen om de toelatingsnormen voor bestrijdingsmiddelen in lijn te brengen met de KRW-normen.
De leden van de PvdD-fractie hebben ook met bezorgdheid het recente PFAS-advies van het Ctgb van 19 januari 2026 gelezen en met verbazing kennisgenomen van het feit dat het Ctgb pas uiterlijk 30 april 2028 een besluit neemt, terwijl Denemarken een direct verbod instelt. Volgens het Ctgb zijn de besluiten van Denemarken mede gebaseerd op nationale wetgeving omtrent persistentie en beschikt Nederland niet over dit nationale kader, waardoor Nederland het Europese artikel 44-proces moet doorlopen. Kan de Minister ook in Nederland voor een dergelijk nationaal kader zorgen zoals in Denemarken? Wat is in theorie, nog los van de politieke wenselijkheid, de snelste manier om zoiets in Nederland te regelen en wat is daarvoor nodig?
De leden van de PvdD-fractie constateren voorts dat het PFAS-onderzoeksprogramma, uitgevoerd door het RIVM in opdracht van de Ministeries van IenW, LVVN en VWS, afloopt in 2026. Het doel van het programma is om goed in beeld te krijgen hoe de blootstelling van de Nederlandse bevolking aan PFAS vermindert kan worden. Deze leden vragen welke signalen de Minister van het RIVM verwacht en of er al concrete acties staan gepland om opvolging te geven aan de conclusies van het onderzoeksprogramma, gezien de urgentie van het PFAS-probleem?
De leden van de PvdD-fractie hebben ook kennisgenomen van het bericht dat de Minister convenanten wil sluiten met onder andere boeren, tuinders en natuurorganisaties om het gebruik van giftige bestrijdingsmiddelen te verminderen. Deze leden vragen waarom gekozen is voor de vorm van convenanten, terwijl bekend is dat convenanten lastig controleerbaar en handhaafbaar zijn en er volgens het Kenniscentrum voor Beleid en Regelgeving het risico bestaat dat een convenant toch te vrijblijvend is. Waarom kiest de Minister in plaats van convenanten niet voor scherpere wetgeving, met daarnaast hulp aan boeren? Genoemde leden vragen ook waarom deze convenanten pas vanaf 2027 in werking treden en of dit niet eerder kan. Hoe gaat de Minister precies de afspraken in het convenant monitoren en handhaven? Wordt de monitoring onafhankelijk gedaan en zo ja, door wie? Hoe ziet de handhaving eruit en welke gevolgen zijn er als er niet aan de afspraken wordt voldaan?
Tot slot hebben de leden van de PvdD-fractie kennisgenomen van de meest recente brief (van 8 juli 2025) over de ontwikkelingen van het voedselveiligheidsbeleid. Genoemde leden constateren dat het vorige kabinet de aandachtspunten van het rapport «Verkenning van potentiële effecten klimaatverandering op voedselveiligheid in Nederland» in overweging zou nemen voor toekomstig voedselveiligheidsbeleid. Het rapport noemt een aantal voorbeelden van mogelijke effecten van klimaatverandering op de voedselveiligheid, zoals de toename van toxinen in voedsel, hogere besmettingsniveaus van pathogene micro-organismen in voedsel en verminderde houdbaarheid van voedsel. Het rapport wijst daarnaast op «de mogelijke kennisleemtes in de borging van de voedselveiligheid», zoals het voorbereid zijn op de combinatie van weersextremen als hitte, droogte en nattigheid om risico’s voor de voedselveiligheid te beperken. De leden vragen hoe het nieuwe kabinet met de conclusies uit dit rapport verder gaat en wat zij eraan gaat doen om deze effecten zo veel mogelijk te beperken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de geagendeerde stukken over Voedselveiligheid. Zij hebben nog een aantal vragen en opmerkingen hierover.
De leden van de SP-fractie constateren dat de huidige regelgeving rondom gewasbestrijdingsmiddelen nog een aantal kwetsbaarheden kent. Zo is het nog altijd mogelijk om een combinatie van verschillende pesticiden te gebruiken, waardoor de totale hoeveelheid residu een stuk hoger ligt dan het maximum van een enkel middel. Is de Minister bereid om te onderzoeken of dit moet worden aangescherpt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de beleidstukken aangaande Voedselveiligheid en hebben voor dit moment geen vragen en/of opmerkingen.
Bijlage I: brieven regering/Minister/Staatssecretaris inzake Voedselveiligheid.
1. Brief regering – Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins – 23 januari 2020 Omzetgerelateerde boete Warenwet – Kamerstuk 26 991, nr. 563.
2. Brief regering – Minister voor Medische Zorg, M.J. van Rijn – 26 juni 2020 NVWA handhaving peutermelk vervolg 2020 – Kamerstuk 31 532, nr. 250
3. Brief regering – Minister voor Medische Zorg, T. van Ark – 16 oktober 2020 Incident ethyleenoxide in sesamzaad – Kamerstuk 26 991, nr. 572
4. Brief regering – Minister voor Medische Zorg, T. van Ark – 14 december 2020 Aanpak veiligheid voedingssupplementen – Kamerstuk 31 532, nr. 258
5. Brief regering – Minister voor Medische Zorg, T. van Ark – 17 december 2020 Stand van zaken toezeggingen voedsel- en productveiligheid – Kamerstuk 26 991, nr. 575
6. Brief regering – Minister voor Medische Zorg, T. van Ark – 21 december 2020 Derde voortgangsrapportage actieplan voedselveiligheid – Kamerstuk 26 991, nr. 576
7. Brief regering – Minister voor Medische Zorg, T. van Ark – 6 april 2021 RIVM risicobeoordeling kruidenpreparaten met sint-janskruid – Kamerstuk 31 532, nr. 262
8. Brief regering – Minister voor Medische Zorg, T. van Ark – 6 april 2021 Private borging voedselketens – Kamerstuk 26 991, nr. 577
9. Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, P. Blokhuis – 11 maart 2021 Reactie op het advies van de Gezondheidsraad over de voedingsnormen voor eiwitinname – Kamerstuk 31 532, nr. 60
10. Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, P. Blokhuis – 12 november 2021 Onderzoek voedselveiligheidsincident Listeria 2019 – Kamerstuk 26 991, nr. 579
11. Brief regering – Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.J. Kuipers – 22 maart 2022 Evaluatie actieplan voedselveiligheid en actuele ontwikkelingen binnen het voedselveiligheidsbeleid – Kamerstuk 26 991, nr. 581
12. Brief regering – Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.J. Kuipers – 14 december 2022 Contaminatie in het vlees van «grote grazers» in uiterwaarden – Kamerstuk 26 991, nr. 583
13. Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M. van Ooijen – 11 april 2023 Zesde voortgangsrapportage Kansrijke Start – Kamerstuk 32 279, nr. 238
14. Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M. van Ooijen – 25 april 2023 Invoering Nutri-Score als vrijwillig voedselkeuzelogo in Nederland – Kamerstuk 32 793, nr. 691
15. Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M. van Ooijen – 17 april 2023 Rapport Marketing voor voedingsproducten, Monitor kindermarketing en de procesevaluatie centrale zorgverlener – Kamerstuk 31 532, nr. 279
16. Brief regering – Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.J. Kuipers – 5 juli 2023 Ontwikkelingen voedselveiligheidsbeleid – Kamerstuk 26 991, nr. 584
17. Brief regering – Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, C. Helder – 29 januari 2024 Reactie op Brandbrief «Neem de onafhankelijke wetenschap serieus bij het besluit over glyfosaat van Natuur en Milieu namens 159 onafhankelijke wetenschappers» – Kamerstuk 27 858, nr. 646
18. Brief regering – Minister voor Medische Zorg, P.A. Dijkstra – 13 maart 2024 Buro advies PFAS in hobbykip eieren en onderzoek naar PFAS in bepaalde vissoorten – Kamerstuk 26 991, nr. 587
19. Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, V.P.G. Karremans – 20 september 2024 PFAS-onderzoeksprogramma en enkele PFAS-actualiteiten – Kamerstuk 35 334, nr. 303
20. Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, V.P.G. Karremans – 15 januari 2025 Besmetting Hepatitis A virus na consumptie blauwe bessen – Kamerstuk 26 991, nr. 590
21. Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, V.P.G. Karremans – 3 maart 2025 Appreciatie motie Flach c.s. over de accreditatie van private laboratoria die voldoen aan de kwaliteitsstandaarden (Kamerstuk 33 835, nr. 236) – Kamerstuk 33 835, nr. 247
22. Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, V.P.G. Karremans – 15 april 2025 PFAS in particuliere kippeneieren – Kamerstuk 35 334, nr. 361
23. Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, J.Z.C.M. Tielen – 8 juli 2025 Ontwikkelingen voedselveiligheidsbeleid – Kamerstuk 26 991, nr. 591
24. Brief regering – Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, J.Z.C.M. Tielen – 11 februari 2026 Beantwoording openstaande vragen over import van rundvlees uit Brazilië met oestradiol – Kamerstuk 26 991, nr. 592
25. Brief regering – Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, S.T.M. Hermans – 16 maart 2026 Twee RIVM-producten over PFAS in lokaal voedsel – Kamerstuk 26 991, nr. 593
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie danken de Minister voor de brief over Voedselveiligheid en problematiek rondom stikstof en PFAS. Daartoe hebben deze leden enkele vragen.
PFAS kent grote risico’s voor de volksgezondheid. Daarom achten de leden van de D66-fractie het belangrijk om het gebruik hiervan zoveel mogelijk terug te dringen en te voorkomen dat het resterende verblijf hiervan onacceptabele risico's met zich meebrengt. In het coalitieakkoord is afgesproken dat Nederland kartrekker gaat worden voor een Europees verbod op PFAS. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie wat hierin momenteel de stand van zaken is: welke acties zijn tot dusver al ondernomen en welke acties worden er de komende tijd nog verwacht?
Nederland heeft samen met Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Zweden een restrictievoorstel voor PFAS ingediend bij het EU-agentschap voor chemische stoffen (ECHA). Het betreft een initiatief om de productie en het gebruik van de volledige groep van ruim 10.000 PFAS-chemicaliën in de EU drastisch aan banden te leggen.
Het ECHA heeft de wetenschappelijke beoordeling van het restrictievoorstel bijna afgerond. De opinie over de risico’s is eerder dit jaar vastgesteld. De concept-opinie over de sociaaleconomische aspecten is inmiddels afgerond en heeft daarna voorgelegen in openbare raadpleging. Deze raadpleging is inmiddels gesloten, waardoor ook deze opinie naar verwachting vóór het einde van dit jaar definitief kan worden vastgesteld. Vervolgens zal de Europese Commissie, naar verwachting medio volgend jaar, een definitief voorstel ter discussie en vaststelling aan de lidstaten voorleggen. Nederland heeft zowel het agentschap als de Commissie waar mogelijk ondersteund. Na ontvangst zal het kabinet een standpunt innemen en de Kamer hierover informeren.
Daarnaast achten de leden van de D66-fractie het belangrijk om PFAS-houdende producten bij consumenten terug te dringen. Daartoe vragen deze leden of de genoemde verkenning al gestart is en wanneer de resultaten verwacht worden.
Op dit moment wordt gewerkt aan de opdrachtverlening voor een onderzoek of en voor welke producten een PFAS-label behulpzaam kan zijn voor consumenten. De Kamer zal voor eind dit jaar worden geïnformeerd over de resultaten van dit onderzoek.
De leden van de D66-fractie lezen dat het momenteel nog niet mogelijk is om hobbykippenhouders een advies te geven hoe de PFAS in hun eieren te verminderen. Consumenten kunnen hun eieren kunnen laten testen bij een laboratorium om te weten hoeveel PFAS erin zit; daartoe vragen de leden van de D66-fractie of de mogelijkheid verkend wordt om dit gratis te maken?
Het houden van hobbykippen en de veiligheid van de eieren afkomstig van hobbykippen vallen niet onder de verantwoordelijkheid van de overheid. Dit betekent dat het laten testen van eieren van hobbykippen op PFAS ook niet onder de verantwoordelijkheid van de overheid valt. Daarom zal dit niet gesubsidieerd worden door de overheid.
Daarnaast hebben de leden van de D66-fractie nog een vraag over de Nutri-Score. Zo stelt de Gezondheidsraad dat het van belang is dat de Nutri-Score beter aansluit op de huidige geldende voedingsadviezen. Kan de Minister aangeven of er acties ondernomen worden om het advies van de Gezondheidsraad over Nutri-Scores op te volgen?
Ja. Nederland is lid van de Internationale Stuurgroep en het Internationaal Wetenschappelijk Comité (IWC) van Nutri-Score. Het IWC blijft de komende jaren wetenschappelijk onderzoeken hoe verdere verbeteringen van het Nutri-Score algoritme er uit kunnen zien en betrekt hierin de aanbevelingen uit het Gezondheidsraadsadvies3. Het IWC richt zich momenteel op het optimaliseren van het algoritme voor het groente-, fruit- en peulvruchtenaandeel, zoetstoffen in vaste voedingsmiddelen en het vetgehalte van kaas.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie zijn groot voorstander van de Nederlandse ambities op het gebied van biotechnologie. In het rapport van Peter Wennink wordt de sector nadrukkelijk benoemd als een belangrijke pijler onder het toekomstige Nederlandse verdienvermogen. Ook op het gebied van kweekvlees en precisiefermentatie hebben genoemde leden vanuit de commissie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) reeds meerdere moties ingediend. In een recent breed aangenomen motie hebben deze leden bovendien opgeroepen tot het opstellen van een innovatieagenda voor de biotechnologie. De leden van de VVD-fractie vinden het daarbij van groot belang dat de Ministeries van VWS en LVVN nauw samenwerken. Vanuit dat kader hebben zij de volgende vragen aan de Minister. Zijn de Ministers van VWS en LVVN voornemens gezamenlijk invulling te geven aan de innovatieagenda voor biotechnologie? Zo ja, op welke wijze wordt deze samenwerking vormgegeven? Kan de Minister aangeven hoe het bedrijfsleven en de kennisinstellingen bij deze agenda worden betrokken?
De interdepartementale samenwerking op het gebied van biotechnologie loopt goed. Een zestal ministeries, waaronder de Ministeries van VWS, EZK en LVVN, hebben samen de Kabinetsvisie op Biotechnologie 2025–20404 gerealiseerd en werken momenteel samen aan de uitvoeringsagenda biotechnologie.
Het Ministerie van LVVN neemt verantwoordelijkheid voor het opstellen van de innovatieagenda. Voor het zomerreces zal de Staatssecretaris van LVVN in een Kamerbrief toelichten hoe invulling zal worden gegeven aan de innovatieagenda. Waar nodig zal uiteraard de samenwerking worden opgezocht.
De leden van de VVD-fractie ontvangen vanuit de biotechsector signalen dat de huidige eisen rondom regelgeving, toezicht, handhaving en markttoelating in de praktijk innovatie kunnen vertragen. Daarbij wordt onder meer gewezen op langdurige procedures voor Europese markttoelating van Novel Foods, die in de praktijk vaak langer duren dan de beoogde termijn van één tot twee jaar. Herkent de Minister deze signalen? Welke mogelijkheden ziet de Minister, zowel nationaal als in Europees verband, om toelatingsprocedures efficiënter en voorspelbaarder te maken, zodat innovatieve producten sneller toegang krijgen tot de markt zonder afbreuk te doen aan voedselveiligheid? Kan de Minister daarbij tevens reflecteren op de gevolgen die langdurige en complexe procedures kunnen hebben voor het Europese investeringsklimaat, het aantrekken van durfkapitaal en het behoud van innovatieve biotechbedrijven binnen Nederland en Europa?
Het kabinet herkent en erkent de potentie van biotechnologie en de kansen die dit biedt voor onze economie en maatschappij. Het kabinet ondersteunt daarom vereenvoudiging, versnelling en harmonisatie van risicobeoordelingsprocedures, zolang deze niet leiden tot een verlaging van het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu en bijdragen aan innovatie, verduurzaming en een gelijk speelveld.
In de Kabinetsvisie op Biotechnologie 2025–2040 is uitgesproken dat het kabinet zich in zal zetten om onnodige regeldruk te voorkomen, doorlooptijden waar mogelijk te reduceren en kaders te scheppen die voorspelbaar, doelmatig, uitvoerbaar en handhaafbaar zijn voor zowel de regulatoire partijen als voor onderzoeks- en marktpartijen. Ook is in de Kabinetsvisie uitgesproken om te streven naar toekomstgerichte en veerkrachtige regelgeving, met mogelijkheid tot maatwerk. Het kabinet heeft hierin tevens toegezegd zich in te zetten voor het vergroten van de bewustwording van het toelatingsproces van innovatieve producten zoals precisiefermentatie of novel foods.
Sinds het verschijnen van de Kabinetsvisie op Biotechnologie in april 2025, wordt gewerkt aan de uitvoering van deze visie waarover de Tweede Kamer, zoals toegezegd, voor de zomer van 2026 nader wordt geïnformeerd. In die uitvoeringsagenda wordt concreter duidelijk welke acties zijn en worden ingezet om de doelstellingen uit de visie een stap dichterbij te brengen. De acties zien onder meer toe op verbeteringen in het regulatoir kader als ook op het stimuleren van innovaties die bijdragen aan de gestelde maatschappelijke en economische doelstellingen.
De inzet van Nederland in Europese trajecten op het gebied van biotechnologie wordt gebaseerd op de gezamenlijk uitgesproken ambities in de Kabinetsvisie: het benutten van de kansen die biotechnologie biedt, mits veilig en verantwoord toegepast, staat hierin centraal. Specifiek op het gebied van novel foods stelt de Europese Commissie in Biotech Act I voor om een aantal wijzigingen door te voeren in de Algemene Levensmiddelenverordening (Vo. (EG) nr. 178/2002) met als doel om de risicobeoordelingsprocedures te vereenvoudigen en doorlooptijden te verkorten. Het kabinet steunt deze voorstellen.
De Europese Commissie stelt, in het Omnibuspakket voedsel- en diervoederveiligheid voor, dat met name de aanwezigheid van levende cellen relevant is vanuit het oogpunt van voedselveiligheid en handhaving. In het BNC-fiche lezen de leden van de VVD-fractie echter dat Nederland eventuele DNA-residuen tot een minimum beperkt wil houden. Kan de Minister toelichten waarom Nederland op dit punt een andere benadering kiest dan de Europese Commissie en op welke inzichten deze inzet is gebaseerd?
In het BNC fiche staat: «Het kabinet is het eens met de Commissie dat eventuele DNA-residuen van genetisch gemodificeerde micro-organismen tot een minimum beperkt moeten worden, geen technologisch effect mogen hebben op het eindproduct en geen levensvatbare cellen mogen bevatten.» De Europese Commissie schrijft in het Omnibus voorstel dat residuen beperkt moeten zijn tot niet levensvatbare cellen, de aanwezigheid ervan tot een minimum moet worden beperkt door redelijke pogingen om ze te verwijderen en dat ze geen technologisch effect mogen hebben op het uiteindelijke levensmiddel of diervoeder. Beide benaderingen liggen dus met elkaar in lijn.
De leden van de VVD-fractie hebben signalen ontvangen dat de Europese Commissie mede op initiatief van Nederland aanstuurt op het onderbrengen van microbiële culturen binnen de additievenregelgeving. Dit zou betekenen dat voor dergelijke toepassingen dezelfde toelatingsroute gaat gelden als voor chemische stoffen in voedingsmiddelen. Kan de Minister toelichten waarom voor deze route wordt gekozen en hoe deze keuze zich verhoudt tot het streven om innovatie binnen de biotechsector te stimuleren?
De laatste jaren is een trend waarneembaar waarbij microculturen aan levensmiddelen worden toegevoegd die bedoeld zijn om te voorkomen dat schadelijke bacteriën kunnen uitgroeien. Deze culturen hebben daarmee als hoofdfunctie een conserverende werking en vallen daarmee onder de definitie van een levensmiddelenadditief zoals opgenomen in verordening (EG) nr. 1333/20085. De culturen zijn echter niet als additief goedgekeurd en ze staan niet als zodanig op de ingrediëntenlijst vermeld. Het kabinet en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) vinden dit een onwenselijke situatie voor producenten, overheid en consumenten. Daarom is dit onderwerp door Nederland geagendeerd in de Commissiewerkgroep Additieven in Brussel om te pleiten voor eenduidige interpretatie van de Europese regelgeving.
Voor de duidelijkheid, het gaat hierbij niet om microculturen die in een vroeg stadium van het productieproces aan een levensmiddel worden toegevoegd en die resulteren in een gefermenteerd product, zijnde een product waarvan de karakteristieke aard (de organoleptische eigenschappen) aanzienlijk is veranderd.
Voorbeelden hiervan zijn starterculturen die worden gebruikt bij de productie van kaas, yoghurt of gedroogde worst. Dit zijn levensmiddeleningrediënten en geen additieven.
Het gaat wel om microculturen die aan een levensmiddel worden toegevoegd vanwege de antimicrobiële werking ervan met als doel de verlenging van de houdbaarheid (conservering). Deze microculturen worden dan gebruikt als additief. Om deze toepassing toe te staan moet een toelatingsdossier worden ingediend als voedseladditief overeenkomstig verordening (EG) nr. 1333/2008. Het indienen van een toelatingsdossier is verantwoordelijkheid van de exploitanten van levensmiddelenbedrijven. Het gebruik van deze microculturen als voedselingrediënt is dus in strijd met de Europese additievenwetgeving. Hierover bestaat consensus tussen de Lidstaten en de Europese Commissie.
De beoordeling van een mogelijke Europese toelating voor microculturen als voedseladditief zal door de European Food Safety Authority (EFSA) worden uitgevoerd, waarbij zoals altijd rekening zal worden gehouden met de karakteristieke eigenschappen en het beoogde werking op het levensmiddel.
Het kabinet is van mening dat ook innovaties aan de regels voor veiligheid moeten voldoen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
Naar aanleiding van het thema/brief inzake Voedselveiligheid. De leden van de PRO-fractie vragen de Minister een zienswijze te delen over de Europese Omnibus Food & Feed en de mogelijke aanpassing van de regels voor toelating en (her)beoordeling van pesticiden en de werkzame stoffen daarin. Hoe kijkt de Minister vanuit haar beleidsverantwoordelijkheid voor volksgezondheid naar de mogelijke impact van deze Omnibus op de voedselveiligheid? Zal de Minister de expertise van haar departement verlenen aan haar collega van LVVN zodat gezondheid sterk wordt meegewogen in het definitieve kabinetsstandpunt over de Omnibus Food & Feed? Zal de Minister ervoor zorgen dat overwegingen aangaande volksgezondheid prioriteit krijgen boven particuliere of publieke financiële belangen? Verder vragen deze leden of de Minister al eigen analyses heeft laten maken over het Omnibusvoorstel. Zo ja, kan de Minister die met de Kamer delen? Zo nee, bent u voornemens alsnog dergelijke analyses te laten uitvoeren?
In het notaoverleg gewasbescherming op 11 juni jl. is gesproken over de inzet van het kabinet ten aanzien van het Omnibuspakket voor de veiligheid van voedsel en diervoeder in het Coreper (Comité van Permanente Vertegenwoordigers) overleg. Het Ctgb, als onafhankelijke toelatingsautoriteit voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden, is gevraagd om een appreciatie te geven op het compromisvoorstel vanuit het voorzitterschap. Het kabinet heeft besloten in te stemmen met het doorzetten van het Omnibus voorstel voor de onderhandelingen met het Europees Parlement. Zoals aangegeven in de Kamerbrief6 van 11 juni vindt het kabinet het zeer belangrijk dat het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu minimaal gehandhaafd blijft, maar is dat op basis van de compromistekst die voorlag nog onzeker. Dit komt onder meer omdat een inschatting van de impact van onder andere de verlenging van de goedkeuringstermijnen ontbreekt. Er is een afweging gemaakt tussen de positieve onderdelen van de compromistekst, de mate waarin het voorzitterschap tegemoet is gekomen aan de Nederlandse inzet en de onderdelen waar Nederland nog verbetering wil zien. Ook wil het kabinet vanuit Nederland maximaal invloed kunnen uitoefenen gedurende de triloogonderhandelingen over het voorstel en deze mogelijkheden worden beperkt wanneer Nederland niet instemt. In de brief van 16 juni7 is de Kamer geïnformeerd over de uitkomst van het Coreper overleg en het vervolg. Tijdens dat overleg heeft de Raad geen mandaat gekregen van de lidstaten om de onderhandelingen met het Europees Parlement (triloog) te starten. Er was onvoldoende steun voor het compromisvoorstel op verschillende deelonderwerpen.
Naar aanleiding van het thema/brief inzake NVWA handhaving peutermelk vervolg 2020. De leden van de PRO-fractie lezen in de brieven van juni 2020 (Kamerstuk 31 532, nr. 250) en van maart 2022 (Kamerstuk 26 991, nr. 581) dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) destijds is verzocht om bij peutermelk niet te handhaven op aspecten die wel voldoen aan de oude regels voor producten voor bijzondere voeding (Richtlijn 2009/39/EG), maar vanaf 20 juli 2016 niet aan de Europese (en nationale) regels die gelden voor gewone levensmiddelen. Kan de Minister toelichten wat de huidige stand van dit dossier is? Zijn alle controles volledig hernomen of zijn er op heden nog aspecten die niet worden gehandhaafd? Zo nee, hadden dergelijke controles kunnen helpen om eventuele besmettingen met cereulide te kunnen voorkomen, zoals mogelijks in februari jl. gebeurde op basis van babyvoeding van Nestlé en Danone?
In de brief van maart 2022 (Kamerstuk 26 991, nr. 581) wordt de Kamer geïnformeerd over de inconsistentie in de EU-regelgeving voor peuterdrank en peutermelk waarop de Europese Commissie is gewezen door onder meer Nederland. Deze inconsistentie heeft betrekking op het feit dat voor de regelgeving over nieuwe voedingsmiddelen en additieven, voeding voor specifieke groepen en over verrijking geldt dat producten met aangepaste gehaltes voor peuters zijn toegestaan. De EU-wetgeving die van toepassing is op algemene levensmiddelen biedt die ruimte echter niet.
Tot op heden heeft de Europese Commissie nog geen duiding gegeven over hoe zij deze inconsistentie gaat oplossen. Zolang er op EU-niveau nog geen overstemming is gekomen over dit dossier, handhaaft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ten aanzien van de samenstelling van peutermelk en peuterdank conform EU-richtlijn 2009/39/EG.
Het voorkomen van de aanwezigheid van cereulide had geborgd moeten worden vanuit kennis van gevaren, de kwetsbaarheden van processen en controles daarop bij de productie van één van de ingrediënten van zuigelingenvoeding (arachidonzuur). De zogenaamde Hazard Analysis and Critical Control Points (HACCP) systematiek, die dit moet borgen, vormt de basis voor de beheersing van gevaren binnen de voedselwetgeving en blijft onverminderd van toepassing op alle levensmiddelenproductie in de EU en op leveringen aan de EU. De grondoorzaak van de aanwezigheid van cereulide in arachidonzuur is nog niet bekend gemaakt, maar het is hoogstwaarschijnlijk een tekortkoming geweest in het toepassen van HACCP bij de producent van het gebruikte arachidonzuur.
De leden van de PRO-fractie vragen verder wat de stand is van het onderzoek van de NVWA en de Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) naar de bron van besmetting van babyvoeding met cereulide, alsook het onderzoek naar de vraag of meldingen van bedrijven tijdig en volledig zijn gedaan. Kan de Minister hierover een update geven? Voorts is er sinds 2 februari 2026 een nieuwe Europese grenswaarde van 0,014 microgram cereulide per kilogram lichaamsgewicht geldig. In welke mate wordt hierop reeds gecontroleerd in Nederland? Welke aandeel van de in Nederland verkochte babyvoedingsproducten voldoen met zekerheid aan die nieuwe norm?
Bij de recente cereulide verontreiniging van zuigelingenvoeding is uit onderzoek door betrokken levensmiddelenbedrijven en toezicht van bevoegde autoriteiten als Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) en de NVWA gebleken dat de grondoorzaak gelegen moet hebben bij een producent van één van de ingrediënten die gebruikt worden in sommige zuigelingenvoeding, namelijk arachidonzuur. Van alle producten waar cereulide arachidonzuur is meegekomen, blijkt de arachidonzuur afkomstig van één producent buiten de EU. Het productieproces van arachidonzuur (fermentatie) kan gevoelig zijn voor de aanwezigheid van ongewenste micro-organismen als Bacillus cereus dat het toxine cereulide kan aanmaken. Het lijkt er dan ook sterk op dat de bewuste producent daar onvoldoende rekening mee heeft gehouden.
Afnemers in de EU hebben, nadat zij ervan op de hoogte zijn dat hun producten hierdoor als onveilig moeten worden beschouwd, de verplichting dit onverwijld te melden bij de bevoegde autoriteit. Daarnaast moeten zij de betreffende producten uit de handel halen en de consument daarover informeren indien deze producten mogelijk al bij de consumenten terecht zijn gekomen. Deze stappen zijn ondernomen door de betrokken afnemers. Tijdens het onderzoek van de NVWA en het COKZ zijn verschillende producten getest op cereulide. Dit betrof zowel producten waarin arachidonzuur was verwerkt van de in beeld zijnde producent, als andere producten die in beeld kwamen vanuit meldingen van ouders die vermoedden dat hun kind ziek geworden is van zuigelingenvoeding. Het resultaat van deze testen heeft de NVWA eerder gemeld op haar website8.
Gegeven het onderzoek van de bevoegde autoriteiten naar het beeld vanuit de meldingen, uitgevoerde inspecties, de tracering van (zuigelingen)voeding en arachidonzuur, analyseresultaten van genomen monsters, en de aandacht die cereulide in arachidonzuur gekregen heeft in deze sector, hebben de bevoegde autoriteiten geen aanleiding om te vermoeden dat er op dit moment zuigelingenvoeding in Nederland in de handel is die niet voldoet aan de Europese grenswaarde van 0,014 microgram cereulide per kilogram lichaamsgewicht. Het onderzoek naar de meldplicht is nog niet geheel afgerond. De NVWA zal hierover vóór het zomerreces van de Tweede Kamer rapporteren op haar website.
De leden van de PRO-fractie merken op dat recente incidenten rond toxische stoffen niet tot voedsel waren beperkt, maar ook op andere waren betrekking hadden, zoals asbest in speelzand en kinderspeelgoed. Welke concrete stappen zijn er sinds februari jl. al door Nederland gezet om in Europees verband de grenswaarde voor asbest in speelgoed aan te scherpen? Welke stappen zal de Minister dit jaar nog zetten in die zin? Zal de Minister op basis van de verschillende recente incidenten rond toxische stoffen in voeding en andere waren nieuw beleid voorstellen om preventie te versterken? Zo ja, welke opties onderzoekt de Minister momenteel? Zo nee, waarom niet?
Sinds februari jl. zijn al een aantal belangrijke stappen gezet om de grenswaarde voor asbest in speelzand aan te scherpen. Deze stappen moeten worden gezet om later tot een goed onderbouwde norm te kunnen komen. De NVWA heeft ruim honderd monsters onderzocht, waarvan er 66 geen asbest bevatten en 34 een hoeveelheid die ver onder de huidige grenswaarde van 0,1% blijft. Daarnaast heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) aangetoond dat het gezondheidsrisico van spelen met verschillende soorten speelzand, waarin minder dan 0,1% asbest is aangetroffen, verwaarloosbaar is. Bovendien heeft de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO), in opdracht van de NVWA, advies uitgebracht over hoe asbest in speelzand het beste kan worden gemeten. Al deze rapporten en adviezen zijn nodig om wetenschappelijk onderbouwd, in samenwerking met andere Europese lidstaten, verder te kunnen werken aan een grenswaarde voor asbest in speelzand.
Vanuit het Ministerie van VWS is opdracht gegeven aan het RIVM om advies te geven over een norm voor asbest in speelzand. In dat kader neemt het RIVM deel aan de Europese werkgroep (Ad hoc subgroup Chemicals on asbestos in toy sands) dat een advies moet geven over een geschikte norm. Op 18 mei 2026 is deze Europese werkgroep bijeengekomen, om de door Nederland aangeleverde informatie te bespreken. Naar verwachting zal deze werkgroep later dit jaar een voorstel doen voor een norm voor asbest in speelzand.
Het gehele voedselveiligheidsbeleid in Nederland is vastgelegd in Europese wetgeving. Deze Europese wetgeving wordt continue gemonitord, en waar nodig en mogelijk worden grenswaarden van schadelijke stoffen in levensmiddelen omlaag gebracht. Nederland zet zich hiervoor in, onder andere via de verschillende Europese werkgroepen op het gebied van voedselveiligheid.
Naar aanleiding van het thema/brief inzake Aanpak veiligheid voedingssupplementen. De leden van de PRO-fractie stellen vast dat in 2020 de toezichtscapaciteit voor deze omvangrijke voedingssupplementenbranche klein was, hoewel destijds bleek dat een aanzienlijk aantal bedrijven zich onvoldoende aan de wettelijke eisen voor voedselveiligheid hielden. Kan de Minister aangeven hoeveel bedrijven uit deze sector de afgelopen 3 jaar zijn geïnspecteerd? Welk percentage van het totaal aantal bedrijven uit de voedingssupplementenbranche zijn geïnspecteerd? In welke mate is sinds 2020 de toezichtscapaciteit toegenomen of juist gekrompen?
De afgelopen drie jaar heeft de NVWA jaarlijks tussen de 520 en 540 bedrijven geïnspecteerd. Het aantal inspecties ligt hoger, omdat er soms meerdere inspecties bij hetzelfde bedrijf plaatsvinden. Het totaal aantal bedrijven dat voedingssupplementen verkoopt wisselt sterk en verkopers variëren van bijvoorbeeld influencers met een klein portfolio tot drogisterijen en supermarkten. Het is daarom niet mogelijk om aan te geven hoeveel bedrijven voedingssupplementen verkopen, en ook niet mogelijk om het percentage van geïnspecteerde bedrijven van het totaal aantal bedrijven uit de voedingssupplementenbranche weer te geven. De toezichtscapaciteit bij de NVWA is in 2023 en 2024 met ongeveer 27% toegenomen ten opzichte van 2022; in 2025 en 2026 ligt deze 7% lager dan in 2022. Het aantal inspectie-uren over 2020 en 2021 is niet meer beschikbaar.
Naar aanleiding van het thema/brief inzake Ontwikkelingen voedselveiligheidsbeleid. De leden van de PRO-fractie lezen dat de VWS-middelen voor de NVWA onvoldoende meestijgen met de grote kostenstijging van de NVWA en dat mede daardoor minder toezichttaken door de NVWA kunnen worden opgenomen. Kan de Minister toelichten welke impact deze lagere toezicht heeft op het risico op voedselveiligheidsincidenten? Hoeveel bijkomende middelen zou de NVWA op jaarlijkse basis nodig hebben om alle toezichtstaken naar behoren uit te voeren, inclusief het opnieuw uitvoeren van taken waarmee de NVWA gestopt is naar aanleiding van de financiële kaders?
De Algemene Levensmiddelenverordening bepaalt dat levensmiddelenbedrijven primair verantwoordelijk zijn voor het borgen van de veiligheid van hun producten. De NVWA ziet erop toe dat de bedrijven dit volgens wet- en regelgeving doen. Het toezicht is risico gestuurd, het is immers, gegeven het grote aantal spelers in de voedselketen, niet mogelijk om altijd en overal te controleren.
De NVWA heeft te maken gehad met een stijging van de kostprijs voor het uitvoeren van werkzaamheden als gevolg van de vorige CAO voor rijksambtenaren. Daarnaast was er een taakstelling opgelegd naar aanleiding van het hoofdlijnenakkoord van het vorige kabinet. Het tekort ten aanzien van de VWS-opdracht voor 2025 en verder bedroeg voor voedselveiligheid € 10 mln, overeenkomend met 12% van het totale budget voor de VWS-opdracht voor voedselveiligheid in 2025. In de brief van 7 februari 2025 is de Kamer hierover geïnformeerd9. Vervolgens heeft de NVWA een risicogerichte herprioritering aangebracht om de impact zo klein mogelijk te maken. Dit betekent dat is gekeken waar het krimpen van de voedselveiligheid taken het minste effect heeft op de bescherming van de consument tegen onveilig voedsel. Er is besloten om vanaf 2025 minder werkzaamheden uit te voeren op het terrein van regulier toezicht, systeem-inspecties, steekproefsgewijze controles, reageren op meldingen, monsternames en ad hoc werkzaamheden. Om de mogelijke risico’s van bovengenoemde herprioritering te mitigeren en met het oog op het perspectief van het verkleinen van de disbalans tussen taken en middelen op de lange termijn, investeert de NVWA sinds 2025 juist in toekomstgerichte, vernieuwende en innovatieve projecten om inzet van mensen en middelen en daarmee het toezicht effectief en efficiënt te houden. Meer inspecteurs ter plaatse zijn immers niet altijd de juiste oplossing. De NVWA investeert voor VWS dan ook onder meer in een trendmonitor voor alle online aankopen op het terrein van voedsel- en productveiligheid en in de verbetering van het meldingssysteem.
In 2026 een deel van het tekort gecompenseerd met aanvullende gelden. Door risicogericht te prioriteren, te investeren in innovatieve projecten en door de compensatie is de impact van de krimp op het risico van voedselveiligheidsincidenten beperkt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken over Voedselveiligheid en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
Deze leden onderschrijven dat goed toezicht, stevige handhaving en duidelijke normstelling noodzakelijk zijn waar het gaat om voedselveiligheid. De overheid heeft de taak om consumenten te beschermen tegen vervuiling en risico’s in voedsel. Tegelijkertijd mag die inzet er niet toe leiden dat de vrijheid van burgers om zelf in voedsel te voorzien steeds verder wordt teruggedrongen. Voor deze leden is dat een principieel punt. Het uitgangspunt moet zijn dat mensen in vrijheid zelf voedsel moeten kunnen produceren, houden en consumeren, en dat de overheid vervolgens de taak heeft om de leefomgeving schoon en veilig te maken.
De leden constateren dat uit de stukken een duidelijke rode draad naar voren komt. Sinds het fipronil-incident is sterk ingezet op versterking van ketenborging, private kwaliteitssystemen, vroegsignalering en beter toezicht. Dat is begrijpelijk. Maar juist de PFAS-problematiek laat zien dat de grootste bedreiging voor voedselveiligheid in toenemende mate niet alleen in de keten zelf zit, maar in een vervuilde leefomgeving, waardoor ook lokaal geproduceerd voedsel en eieren van eigen kippen besmet kunnen raken. Deze leden vragen de Minister daarom te bevestigen dat in zulke gevallen niet het zelf produceren van voedsel het eigenlijke probleem is, maar de aanwezigheid van schadelijke stoffen in bodem, water en voedselketen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat voor eieren van hobbykippen het advies luidt dat men er beter voor kan kiezen deze niet te eten, terwijl eieren uit de supermarkt, markt of speciaalzaak als veilig worden aangemerkt omdat zij onder Europese wetgeving vallen en worden gecontroleerd. Deze leden vragen of de Minister het wenselijk acht dat de feitelijke beleidsuitkomst voor burgers steeds vaker neerkomt op: koop het liever in de winkel dan het zelf te produceren.
Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat inmiddels beter bekend is waar de PFAS in hobbykipeieren vandaan komt, namelijk vooral uit regenwormen en mogelijk andere kleine bodemdieren, maar dat dit nog geen praktisch handelingsperspectief oplevert voor houders van hobbykippen. Deze leden vragen de Minister waarom de kennis over de bron wel is toegenomen, maar dit nog niet heeft geleid tot concrete handelingsopties voor burgers om hun eieren veilig te kunnen blijven consumeren. Zij vragen de Minister welke maatregelen op dit moment worden onderzocht om de vervuilingsroute via de leefomgeving daadwerkelijk terug te dringen, in plaats van zich te beperken tot een consumptieadvies. Daarbij benadrukken de leden van de PVV-fractie dat zij willen voorkomen dat de terechte aandacht voor PFAS-vervuiling wordt misbruikt om opnieuw generieke druk te zetten op woningbouw, economische ontwikkeling of de agrarische sector, terwijl de kernopgave juist moet zijn om concrete vervuilingsbronnen doelgericht aan te pakken en burgers hun vrijheid terug te geven om veilig zelf voedsel te produceren.
Het kabinet begrijpt de zorgen die de leden van de PVV-fractie uiten. PFAS zijn schadelijke stoffen die zich ophopen in onze leefomgeving en die we daarom zo snel mogelijk willen terugdringen. Het kabinet hanteert hiervoor een uitgebreide aanpak langs vier sporen10. Onderdeel hiervan is de aanpak van bestaande PFAS-verontreiniging in de bodem. Gemeenten, provincies, waterschappen en Rijksoverheid trekken samen op bij het in beeld brengen van PFAS-aandachtlocaties en de aanpak van PFAS-verontreiniging11. Tot en met 2030 wordt ingezet op het inventariseren van de zogenoemde aandachtlocaties: locaties met onaanvaardbare risico's voor mens, ecologie of verspreiding naar het watersysteem. Locaties met onaanvaardbare humane risico's worden nu al aangepakt.
Tegelijkertijd geldt dat PFAS wijdverspreid in onze leefomgeving voorkomen: deze stoffen komen voor in water en bodem, voedsel, drinkwater en in producten die we dagelijks gebruiken. Uit het onderzoek van het RIVM volgt dat het eten van regenwormen door kippen waarschijnlijk de belangrijkste bron is van verhoogde PFAS-concentraties in eieren van hobbykippen. Wat hierbij opvalt is dat PFAS zich sterk ophopen in de keten: de concentraties in regenwormen waren op alle onderzochte locaties hoog, ook op locaties waarbij bodems niet sterk vervuild zijn. Daarmee is een concreet handelingsperspectief voor houders van hobbykippen beperkt, en blijft het advies om – als men het risico op een te hoge inname van PFAS via voedsel zoveel mogelijk wil beperken – beter geen eieren van hobbykippen kan eten, of de eieren kan laten testen bij een laboratorium.
Deze leden vragen de Minister ook hoe zij voorkomt dat de overheid bij dit soort dossiers ongemerkt opschuift van voedselveiligheidsbeleid naar gedragssturing van burgers. De leden van de PVV-fractie vragen waar voor de Minister de grens ligt tussen waarschuwen voor een reëel risico en het feitelijk ontmoedigen van kleinschalige, particuliere voedselproductie. Ook vragen zij of de Minister bereid is als uitgangspunt te hanteren dat niet de vrijheid om zelf voedsel te produceren moet worden ingeperkt, maar dat de overheid ervoor moet zorgen dat de omgeving waarin dat gebeurt schoner en veiliger wordt gemaakt. De leden van de PVV-fractie onderstrepen dat de vervuilde leefomgeving geen nieuw excuus mag worden om Nederland verder op slot te zetten.
Het kabinet heeft geen beleidsdoel om mensen zelf voedsel te laten produceren of juist in de winkel te laten kopen. Het is een vrijwillige keuze voor mensen om hun eigen voedsel te produceren. De overheid adviseert mensen wel over de eventuele risico’s daarvan. Het kabinet werkt in dit kader aan een Europese restrictie voor PFAS om de milieuvervuiling met PFAS te verminderen.
Tot slot vragen genoemde leden hoe deze lijn zich verhoudt tot de bredere ontwikkeling in het voedselveiligheidsbeleid. Hoe wordt door de Minister geborgd dat zelfvoorziening, kleinschaligheid en de vrijheid van burgers om zelf dierlijke producten te houden en te consumeren niet stelselmatig in de verdrukking raken, als de overheid steeds meer nadruk legt op controle, toezicht en gereguleerde ketens? De leden van de PVV-fractie vragen de Minister uiteen te zetten welke plaats zij toekent aan deze vrijheid binnen het voedselveiligheidsbeleid van de komende jaren.
Het staat mensen vrij om hun eigen voedsel te produceren. De overheid is niet verantwoordelijk voor de veiligheid van zelfgeproduceerde (dierlijke) producten. Dit is aan de houders zelf. Het is wel de verantwoordelijkheid van de overheid om advies te geven over voedselveiligheid en volksgezondheid, vandaar het huidige advies.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
Naar aanleiding van het thema/brief inzake Private borging voedselketens. De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de ontwikkelingen rondom private borging van voedselketens en zijn van mening dat de rol die private partijen nemen goed aansluit bij het benutten van de kracht van de agrarische sector. Deze leden hebben aanvullende vragen.
De leden van de CDA-fractie onderschrijven de zorgen rondom het probleem van free rider gedrag bij private certificering. Deze leden vragen de Minister om mogelijkheden uit te werken om dit free riders gedrag tegen te kunnen gaan en deze te delen met de Kamer.
De leden van de CDA-fractie hechten grote waarde aan inzet op het versterken van nationale voedselketens waar mogelijk. Deze leden hebben kennisgenomen van de constatering dat verwerkende en retailbedrijven de website ketenborging.nl weinig gebruiken om zich aan Nederlandse initiatieven te binden. Deze leden vragende Minister te inventariseren hoe dit gestimuleerd kan worden, zodat de website ketenborging.nl benut wordt.
Het kabinet is er voorstander van dat het bedrijfsleven zich inzet op verdere verbetering van private kwaliteitssystemen om hun primaire verantwoordelijkheid voor voedselveiligheid verder te versterken als onderdeel van het voedselveiligheidsstelsel in Nederland. Het kabinet ondersteunt hierbij de ruimte die de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) biedt voor aangepast toezicht bij bedrijven die deelnemen aan private systemen op Ketenborging.nl, die door de NVWA zijn geaccepteerd. Echter, Stichting Ketenborging.nl is een privaat initiatief dat eigen regie en verantwoordelijkheid moet houden, onder andere bij het stimuleren van het gebruik van de aangesloten private kwaliteitssystemen of het gebruik van de website zelf. Het kabinet ziet hier geen rol voor de overheid. Wel geldt dat de reguliere overlegstructuur met het bedrijfsleven over voedselveiligheid altijd ruimte biedt om gesprekken over Ketenborging te voeren en het belang van de verbetering van deze kwaliteitssystemen te benadrukken.
Naar aanleiding van het thema/brief inzake Zesde voortgangsrapportage Kansrijke Start. De leden van de CDA-fractie maken graag van de gelegenheid gebruik om aanvullende en verduidelijkende vragen te stellen over de aanpak Kansrijke Start.
De leden van de CDA-fractie vinden het Actieprogramma Kansrijke Start een zeer goed initiatief en vinden het dan ook goed dat er in het coalitieakkoord is afgesproken dat er geïnvesteerd gaat worden in het Actieprogramma Kansrijke Start. Deze leden zouden graag van de Minister horen op welke wijze het kabinet het programma gaat versterken en waar het kabinet voornemens is de investeringen concreet te laten landen.
De leden van de CDA-fractie horen graag van de Minister hoe het staat met de voortgang van de opvolging van de motie ingediend door het lid Poortman c.s. over voorstellen voor uitbreiding van het programma Kansrijke Start.
De afgelopen jaren heeft het actieprogramma Kansrijke Start ingezet op de missie «Meer kinderen een kansrijke start». Het actieprogramma is inmiddels omgezet in structureel beleid. Op 20 november jl. heeft de Kamer de structurele aanpak Kansrijke Start en actieagenda 2026 t/m 2030 «Samen zorgen we voor de eerste 1.000 dagen» ontvangen12.
In het coalitieakkoord «Aan de slag» is opgenomen dat het kabinet structureel investeert in Kansrijke Start. Daarin maakt het kabinet aanvullend middelen vrij voor deze aanpak, bovenop de structurele middelen die al beschikbaar zijn. Het kabinet werkt momenteel uit hoe de inzet die in het coalitieakkoord op Kansrijke Start staat beschreven eruit kan komen te zien.
Naar aanleiding van het thema/brief inzake Beantwoording openstaande vragen over import van rundvlees uit Brazilië met oestradiol. De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de reactie op de import van rundvlees uit Brazilië met oestradiol. Deze leden hechten belang aan een gelijk speelveld voor Europese ondernemers die vaak aan hogere eisen voldoen dan producten die geïmporteerd worden wat de Europese voedselmarkt niet ten goede komt. Deze leden vragen de Minister wat de inzet is van Nederland in Europees verband om enerzijds normen die voedselveiligheid garanderen te waarborgen en tegelijkertijd te pleiten voor een gelijk speelveld.
De eisen om te kunnen exporteren naar de EU zijn streng. Bedrijven in derde landen moeten garanties en bewijzen aanleveren bij de Europese Commissie om aan te tonen dat zij voldoen aan EU-sanitaire en fytosanitaire standaarden om te mogen exporteren naar de EU. In het geval van dierlijke producten moeten de exporterende bedrijven ook de medische geschiedenis van vee bijhouden, en aantonen dat hun nationale veterinaire systeem op orde is. Bedrijven die niet aan alle voorwaarden voldoen kunnen niet exporteren naar de EU. Vanaf september 2026 worden bedrijven die naar Europa willen exporteren ook aanvullend gecontroleerd op het gebruik van antibiotica die door Europa strikt voorbehouden zijn voor humaan gebruik. Ditzelfde geldt voor groeibevorderende stoffen. Tot die tijd worden de producten gecontroleerd op residuen van kritische antibiotica en groeibevorderaars. In mei vond er in het Europese Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed een stemming plaats over een bijgewerkte lijst van derde landen die toegelaten zijn om voedselproducerende dieren en dierlijke producten naar de EU te exporteren. Brazilië is daarbij van de lijst verwijderd. Het gevolg van dit besluit is dat Brazilië per 1 september a.s. geen dierlijke producten meer mag exporteren naar de EU, tenzij het bewijs aanlevert dat het ten onrechte van de lijst is afgehaald.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brieven en overige stukken over Voedselveiligheid. Deze leden willen vooropstellen dat voedselveiligheid van het hoogste belang is. Tegelijkertijd constateren zij dat Nederland in toenemende mate afhankelijk is van import van voedselproducten uit landen buiten de EU, terwijl juist herhaaldelijk blijkt dat daar significante voedselveiligheidsrisico’s en structurele tekortkomingen in toezicht en handhaving bestaan. Dat roept fundamentele vragen op.
De leden van de BBB-fractie benadrukken dat Nederland en de EU beschikken over een van de strengste voedselveiligheidsstelsels ter wereld. In meerdere brieven wordt bevestigd dat het vertrouwen in Nederlands voedsel hoog is en dat de voedselveiligheid hier structureel op orde is. Tegelijkertijd zien deze leden dat incidenten met besmet voedsel in de praktijk vaak voortkomen uit importstromen, zoals ethyleenoxide in sesamzaad uit India, Hepatitis A via blauwe bessen uit Polen, en recente meldingen rondom vleesimporten en controles in derde landen zoals China en Brazilië. Dit bevestigt in de ogen van deze leden een structureel patroon: waar we in Nederland en de EU streng reguleren, ontstaan risico’s vooral daar waar we afhankelijk zijn van import uit systemen met lagere of aantoonbaar onvoldoende borging.
De leden van de BBB-fractie vinden daarom dat het uitgangspunt scherper moet worden: wat hier niet geproduceerd mag worden, mag ook niet geïmporteerd worden. Gelijke eisen aan importproducten zijn daarbij essentieel, maar deze leden vragen of dat in de praktijk wel voldoende wordt gehandhaafd en of de huidige controlecapaciteit van NVWA en Europese systemen (zoals Rapid Alert System for Food and Feed – RASFF) wel toereikend is om risico’s vroegtijdig uit te sluiten in plaats van achteraf te moeten ingrijpen.
Het Rapid Alert System for Food and Feed (RASFF) is ontworpen als een waarschuwingssysteem dat zowel achteraf ingrijpen mogelijk maakt als vroegtijdige uitsluiting van risico’s ondersteunt. Zodra er in een EU-land een product wordt gevonden dat niet voldoet aan de voedselveiligheidseisen, wordt er een melding gemaakt in het RASFF. In Nederland heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) toegang tot dit systeem en zo kunnen de betreffende producten direct van de markt gehaald worden of geblokkeerd worden aan de grens. Het RASFF heeft ook een preventieve werking: de data uit het systeem bepalen namelijk welke importproducten de maanden daarna extra streng gecontroleerd worden bij de grens. Het helpt dus om risico's in de toekomst vroegtijdig uit te sluiten. De vraag of de controlecapaciteit toereikend is, is een constant punt van aandacht en discussie. Het toezicht is risico gestuurd, het is niet mogelijk om alles te controleren. De NVWA moet continu de afweging maken waar ze wel/niet op handhaaft gelet op beschikbare capaciteit en middelen. Ook groeien de importstromen en neemt de complexiteit van de keten toe. Als er nieuwe risico's opduiken, moet er worden geprioriteerd. Een snellere Europese data-uitwisseling is een belangrijke factor om het systeem nog beter te laten functioneren.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast specifiek naar voorbeelden van voedselveiligheidsincidenten met geïmporteerde producten in de afgelopen vijf jaar. Kan de Minister een overzicht geven van de incidenten waarbij verboden stoffen of ziekteverwekkers zijn aangetroffen in importproducten, de herkomstlanden van deze producten en de uiteindelijke volksgezondheidsimpact (aantal zieken, ziekenhuisopnames, etc.)? Deze leden wijzen in dit verband ook op recente EU-audits waaruit blijkt dat controlesystemen in derde landen, zoals China bij pluimveevlees onvoldoende garanties bieden voor naleving van EU-standaarden. Hoe beoordeelt de Minister deze bevindingen in relatie tot de huidige importafhankelijkheid van Nederland en de EU? En welke concrete consequenties worden hieraan verbonden, bijvoorbeeld in de vorm van strengere importrestricties of herziening van handelsstromen?
De interactieve, doorzoekbare online database, genaamd RASFF Window, biedt het publiek toegang tot samenvattende informatie over de meest recente RASFF-meldingen en maakt het mogelijk om te zoeken naar informatie over alle meldingen uit het verleden (momenteel beperkt tot 2020 en later). Op nationaal niveau brengt het Rijkinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) jaarlijks een rapport uit over de geregistreerde voedselinfecties en brengt het de ziektelast in kaart13. Hierin wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen nationaal geproduceerd voedsel en geïmporteerde producten.
De importafhankelijkheid van pluimveevlees uit China wordt niet als zodanig herkend. De recente EU-audits onderstrepen het belang dat derde landen en exporterende bedrijven aan de Europese eisen moeten voldoen om naar de EU te mogen exporteren voldoen. Bedrijven in derde landen moeten garanties en bewijzen bij de Europese Commissie aanleveren dat zij voldoen aan EU sanitaire en fytosanitaire standaarden om te kunnen exporteren naar de EU. En in het geval van dierlijke producten moeten de exporterende bedrijven de medische geschiedenis van vee bijhouden, en aantonen dat hun nationale veterinaire systeem op orde is. Wanneer uit audits tekortkomingen naar voren komen, zoals in China is geconstateerd, worden deze door de Europese Commissie met de betrokken autoriteiten besproken en moeten corrigerende maatregelen worden genomen. Bedrijven of landen die niet aan alle voorwaarden voldoen kunnen niet exporteren naar de EU. Het kabinet acht het van belang dat geïmporteerde producten aan dezelfde hoge eisen voldoen als producten die binnen de EU worden geproduceerd. Hier wordt actief op gecontroleerd in productielanden, waar de Europese Commissie audits uitvoert op productielocaties, aan de Europese grens, en in de EU zelf, onder andere door de NVWA.
De leden van de BBB-fractie zijn ook geschrokken van het meest recente Efsa-rapport14 over gewasbeschermingsmiddel-residuen op voedsel, waaruit bleek dat voedsel geïmporteerd van buiten de EU drie keer zo vaak niet voldeed aan de veiligheidseisen als voedsel van binnen de EU. Genoemde leden zien hierin een enorm risico voor niet alleen de voedselveiligheid, maar ook de volksgezondheid en de veiligheid van onze gewassen en dieren, omdat bij overmatig gebruik van bepaalde middelen in het buitenland uiteraard resistente bacteriën, schimmels en andere plagen kunnen ontstaan, die bij import van goederen mee kunnen komen naar Nederland.
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie hoe de Minister de balans ziet tussen handelsbelangen en voedselveiligheid. Is de Minister bereid om het principe te onderschrijven dat producten die in de EU niet zijn toegestaan om te produceren vanwege gezondheids- of milieurisico’s, ook niet via import op de Europese markt terecht zouden moeten kunnen komen? Zo nee, waarom niet? Hoe beziet de Minister in dat licht de afspraken in het Mercosur-verdrag? Hoe groot acht zij de kans dat door meer import van buitenlands voedsel, ook (multi)resistente bacteriën, schimmels, virussen en andere ziekteverwekkers geïmporteerd worden? Kan de Minister hierin meenemen dat op geen enkele manier getest wordt voor resistentie van ziekteverwekkers die mogelijk mee geïmporteerd worden en dat uit het rapport «zoönosen in het vizier»15 expliciet gewaarschuwd is dat Nederland door de grote hoeveelheid handel en doorvoer van goederen al juist heel kwetsbaar is voor uitbraken die in het buitenland ontstaan. Deelt de Minister de mening dat duidelijk is dat productie van voldoende voedsel in Nederland een veiligere basis is dan de inzet op verlagen van de productie en daarnaast inzet op import vanuit het buitenland, omdat toezicht en handhaving op voedselveiligheid daardoor veel moeilijker wordt en we onze volksgezondheid daardoor mogelijk in gevaar brengen?
Het kabinet onderschrijft het belang om gezondheids- of milieurisico’s te minimaliseren. Daarom moeten alle naar de EU geëxporteerde producten voldoen aan Europese productstandaarden, zoals eisen op het gebied van voedselveiligheid, etikettering en consumentenbescherming. Dit geldt ook voor producten uit de Mercosur-landen. Hier wordt actief op gecontroleerd in productielanden, waar de Europese Commissie audits uitvoert op productielocaties, aan de Europese grens, en in de EU zelf, onder andere door de NVWA. Het EU-Mercosur akkoord verandert hier niets aan.
Het kabinet is bekend met de aanbevelingen die zijn gedaan in het rapport «Zoönosen in het vizier», voor wat betreft non-alimentaire zoönosen. In het Nationaal actieplan Versterken zoönosenbeleid16 is opvolging gegeven aan de aanbevelingen uit dit rapport en de Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de voortgang. Geïmporteerde levensmiddelen dienen te voldoen aan de EU-regelgeving voor alimentaire zoönosen. Hiervoor worden importcontroles uitgevoerd door de verschillende bevoegde autoriteiten van de Lidstaten (in Nederland de NVWA). In het geval van antimicrobiële resistentie (AMR) kan het kabinet u melden dat ingevoerd vers vlees sinds 2021 wordt gecontroleerd op de aanwezigheid van resistente bacteriën in het kader van de EU-geharmoniseerde monitoring AMR. Daarnaast voert de NVWA aanvullende monitoring op resistente bacteriën in andere import stromen zoals verse groente, verse kruiden, exotisch vlees, kweekvis en garnalen. De resultaten van de monitoring worden jaarlijks gerapporteerd in het NethMap One Health rapportage17.
Zoals hierboven is uitgelegd zorgen het EU-stelsel van voedselveiligheid (waarvan Nederland actief onderdeel is) en de importcontroles van levensmiddelen in het bijzonder ervoor dat geproduceerd en geïmporteerd voedsel voldoet aan de EU-regels voor voedselveiligheid.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast aandacht voor proportionaliteit in voedselveiligheidsbeleid. Deze leden constateren dat kleinschalige Nederlandse producenten, zoals boeren met een melktap, steeds verder worden belast met aanvullende eisen en controles, terwijl uit eerdere beantwoording van Kamervragen blijkt dat de noodzaak van sommige maatregelen moeilijk hard te maken is met concrete uitbraakgegevens. Kan de Minister aangeven hoeveel bewezen ziektegevallen in de afgelopen jaren daadwerkelijk direct herleidbaar waren tot rauwe melk afkomstig van Nederlandse melktappunten, specifiek voor salmonella, campylobacter en STEC? Acht de Minister het proportioneel om maandelijkse testverplichtingen op te leggen aan kleinschalige Nederlandse producenten wanneer de omvang van het aantoonbare risico beperkt lijkt, terwijl tegelijkertijd herhaaldelijk ernstige voedselveiligheidsincidenten optreden bij geïmporteerde producten uit derde landen?
Hoe voorkomt de Minister dat voedselveiligheidsbeleid doorslaat in administratieve lasten voor Nederlandse boeren en streekproducenten, terwijl consumenten tegelijkertijd via importproducten bewezen worden blootgesteld aan risico’s uit landen waar toezicht en handhaving aantoonbaar minder betrouwbaar zijn?
Door onderrapportage en de moeilijkheid van het traceren van de bron van infectie is het aantal bewezen voedselgerelateerde uitbraken met bacteriële oorzaak vrij beperkt. Daarbij speelt ook mee dat de wettelijke bewaartermijn van rauwe melk maximaal 72 uur na productie bedraagt, waardoor de kans op het vinden van een verdachte bron beperkt is. Een overzicht van bewezen ziektegevallen die specifiek herleidbaar zijn tot Nederlandse melktappunten voor Salmonella, Campylobacter en STEC is daarom niet beschikbaar.
Het belangrijkste doel van de hygiëne-eisen is dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat producten die zij kopen, waaronder rauwe melk, zo veilig mogelijk zijn voor directe consumptie18. Daarnaast geeft de recente aanpassing van de wetgeving de ondernemer juist meer ruimte om rauwe melk aan consumenten te verkopen (verschuiving van kookverplichting naar kookadvies, als ook de mogelijkheid tot verkoop buiten de boerderij), maar bij deze aanpassing hoort ook een ander verificatieregime om de voedselveiligheid te borgen. Indien de resultaten van het pathogenenonderzoek gedurende zes maanden achter elkaar voldoen aan de gestelde criteria, kan de frequentie van dit onderzoek worden gehalveerd. Dit betekent dat in die gevallen nog slechts zes keer per jaar getest hoeft te worden.
Het kabinet blijft daarnaast aandacht houden voor de regeldruk en administratieve lasten voor Nederlandse boeren en streekproducenten. Tegelijkertijd staat het belang van de volksgezondheid centraal. Daarom is door het vorige kabinet toegezegd dat deze maatregel na twee jaar wordt geëvalueerd, waarbij ook aandacht zal zijn voor de lasten voor (melk)veehouders in relatie tot het te beschermen volksgezondheidsbelang. Deze evaluatie is nog steeds voorzien en het eerste gesprek met sectorpartijen staat al gepland.
Daarnaast hebben deze leden zorgen over de toenemende meldings- en terugroepcultuur. In de beleidsregel rond het binnen vier uur melden van mogelijke voedselveiligheidsrisico’s zien zij een spanning ontstaan tussen snelheid en proportionaliteit. Snelheid is belangrijk, maar deze leden signaleren ook dat meldingen regelmatig leiden tot grote maatschappelijke onrust terwijl achteraf blijkt dat er geen daadwerkelijk voedselveiligheidsrisico was. Dit roept de vraag op of het systeem niet te gevoelig is ingericht, waardoor het «vals alarm»-effect optreedt. Erkent de Minister dat een te lage drempel voor melding kan leiden tot onnodige onrust bij consumenten en verminderde effectiviteit van het systeem?
De beleidsregel, welke nadere invulling geeft aan Verordening (EG) nr. 178/2002, geeft een concretisering van enkele algemeen geformuleerde termen (open normen) in de Europese voedselveiligheidsvoorschriften met betrekking tot de traceringsinformatie en de meldplicht. Deze concretisering zorgt voor duidelijkheid voor het bedrijfsleven in het naleven van deze voorschriften. Hierdoor wordt de NVWA tijdig op de hoogte gesteld van de genomen of nog te nemen corrigerende maatregelen om te voorkomen dat een onveilig levensmiddel in de handel blijft. Het snel en volledig melden en aanleveren van traceringsinformatie in de keten en bij de NVWA draagt bij aan het efficiënt beheersen van voedselveiligheidsrisico’s en daarmee aan de bescherming van de volksgezondheid. Het kabinet is van mening dat de drempel voor het melden in de Europese Algemene levensmiddelenverordening (Verordening (EG) nr.178/2002) niet te laag ligt. Het voldoen aan de voorschriften met betrekking tot de traceringsinformatie en de meldplicht, inclusief de invulling daarvan in de beleidsregel, kan juist voorkomen dat een onveilig levensmiddel de consument bereikt en daarmee maatschappelijke onrust voorkomen.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister daarom inzichtelijk te maken hoe vaak in de afgelopen vijf jaar een melding op grond van de vier-uursmeldplicht is gedaan waarbij achteraf is vastgesteld dat er geen sprake was van een reëel voedselveiligheidsrisico. Graag uitgesplitst per jaar en waar mogelijk per sector of productgroep. Hoe vaak heeft dit geleid tot terugroepacties, publieke waarschuwingen of RASFF-meldingen die achteraf gezien niet noodzakelijk bleken? Welke kosten, maatschappelijke impact en reputatieschade zijn hiermee gemoeid geweest voor bedrijven en sectoren? Acht de Minister het wenselijk om het huidige systeem van voedselveiligheidsmeldingen en snelle waarschuwingen te evalueren op proportionaliteit, zodat beter onderscheid wordt gemaakt tussen daadwerkelijke risico’s en vermoedens die achteraf ongegrond blijken? Zo nee, waarom niet?
De Beleidsregel nadere invulling Verordening (EG) nr. 178/2002 (Stcrt. 2022, 16878)19 is op 1 juli 2022 in werking getreden. De verantwoordelijkheid voor de inschatting of sprake is van een levensmiddel dat niet voldoet aan de voedselveiligheidsvoorschriften of mogelijk schadelijk is en dat op grond van de Europese Algemene levensmiddelenverordening (Verordening (EG) nr. 178/2002) aan de NVWA moet worden gemeld, ligt bij de exploitant van het levensmiddelenbedrijf. De NVWA beoordeelt vervolgens risicogericht de binnengekomen meldingen, waarbij gekeken wordt of de exploitant voldoende maatregelen neemt om de onveiligheid weg te nemen. Uiteraard worden ingezette maatregelen ingetrokken waar nodig. Dit is bijvoorbeeld aan de orde geweest bij de casus over signalen over de mogelijke aanwezigheid van cannabis in een partij snoep van Haribo. Op basis van de uitslag van het door het Nederlands Forensisch Instituut uitgevoerde onderzoek kon de publiekwaarschuwing die op 29 mei 2025 was gepubliceerd worden ingetrokken. De NVWA heeft hierover op 20 juni 2025 een bericht op haar website geplaatst20.
De evaluatie van voorschriften van Europese regelgeving met betrekking tot tracering, meldplicht en RASFF valt onder de verantwoordelijkheid van de Europese Commissie. De beleidsregel is onlangs geëvalueerd in opdracht van de Ministeries van VWS en LVVN. De Kamer is hierover op 8 juli 2025 geïnformeerd (Tweede Kamer 2024–2025, 26 991, nr. 591)21.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek van het Voedingscentrum, waaruit blijkt dat 65% van de consumenten chemische voedselrisico's, zoals per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS), bestrijdingsmiddelen en microplastics, hoog inschat. Genoemde leden constateren tegelijkertijd dat consumenten vanwege deze zorgen door het Voedingscentrum worden geadviseerd om gevarieerd te eten om de kans te verkleinen dat mensen te veel schadelijke stoffen binnenkrijgen, terwijl deze leden ondertussen weinig bereidheid zien van het kabinet om te voorkomen dat er überhaupt schadelijke stoffen in voedsel terechtkomen. De leden van de PvdD-fractie vragen aan de Minister waarom het voorkomen van gezondheidsrisico’s hiermee vooral bij consumenten wordt gelegd, terwijl dit primair bij de producenten en bij de overheid zou moeten liggen. Welke rol ziet de Minister voor zichzelf en het kabinet in bescherming van gezondheid van burgers en welke extra stappen bent u bereid te zetten om die gezondheid te beschermen als het gaat om schadelijke stoffen in voedsel? Kan de Minister dit zo concreet mogelijk maken?
Het is niet correct om te stellen dat het kabinet niet bereid zou zijn om te voorkomen dat schadelijke stoffen in voedsel terechtkomen. Het voedselveiligheidsbeleid is Europees breed georganiseerd gezien de vele levensmiddelen die geïmporteerd en geëxporteerd worden. Op Europees niveau is Nederland continu bezig, waar nodig en mogelijk, de grenswaarden van schadelijke stoffen in levensmiddelen te monitoren en omlaag te brengen. Dit gebeurt voor een groot aantal schadelijke stoffen, waaronder PFAS. Hierbij is Nederland één van de meest strikte landen als het gaat om de opvolging van deze Europese regelgeving en monitoring. Daarnaast heeft Nederland samen met Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Zweden een restrictievoorstel voor PFAS ingediend bij het EU-agentschap voor chemische stoffen (ECHA). Het betreft een initiatief om de productie en het gebruik van de volledige groep van ruim 10.000 PFAS-chemicaliën in de EU drastisch aan banden te leggen.
De leden van de PvdD-fractie constateren bovendien dat niet alleen de vraag beantwoord moet worden of voedsel veilig is om te consumeren, maar ook de vraag hoe de productie van voedsel via de leefomgeving de volksgezondheid schaadt, bijvoorbeeld door de grote hoeveelheden bestrijdingsmiddelen die daarbij gebruikt worden waardoor aantoonbaar PFAS in het drinkwater en in de grond terechtkomen. Via voedsel en drinkwater samen ligt de hoeveelheid PFAS die Nederlanders binnenkrijgen volgens het RIVM nu al boven de gezondheidskundige grenswaarde, wat schadelijk is voor de gezondheid. Genoemde leden hebben ook kennisgenomen van het meest recente onderzoek van het RIVM over «PFAS in lokaal voedsel», waaruit blijkt dat lokaal voedsel (kortom voedsel dat lokaal in Nederland geproduceerd wordt) meer PFAS kan bevatten dan voedsel uit de winkel en dat het eten ervan kan leiden tot een hogere inname van PFAS. Zij vragen daarom of het kabinet al kan aangeven wat ze extra gaat doen om Nederlanders beter te beschermen tegen PFAS in de herziene Wet gewasbeschermingsmiddelen die na de zomer naar de Kamer zal komen.
De inzet is om via bindende afspraken met partijen in een convenant op hoofdlijnen het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen in de plantaardige sector fors terug te dringen. PFAS gaat onder deze term van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen vallen. Over het convenant traject wordt u separaat geïnformeerd door de Staatssecretaris van LVVN.
De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de Minister kijkt naar de uitspraken van de voorzitter van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) in de Leeuwarder Courant van december 2025, waarin hij noemt dat als het Ctgb een middel toelaat, het niet betekent dat er geen risico’s zijn. Deze leden vragen of de Minister kan toelichten of hiermee Nederlanders niet onnodig worden blootgesteld aan middelen die mogelijk schadelijke stoffen bevatten. Verder benadrukte de voorzitter van het Ctgb ook dat er een verschil zit tussen de normen waarmee men toetst of een waterlichaam aan de Kaderrichtlijn Water (KRW) voldoet en de toelatingsnormen voor bestrijdingsmiddelen, en dat het Ctgb aan het Ministerie van LVVN heeft gevraagd om ook middelen te kunnen toetsen op KRW-normen, maar daar nog niet de volledige ruimte voor heeft gekregen. Genoemde leden vragen of de Minister hier een reactie op kan geven en kan uitleggen waarom het Ctgb nog niet voldoende ruimte heeft gekregen om de toelatingsnormen voor bestrijdingsmiddelen in lijn te brengen met de KRW-normen.
Zoals in het artikel in de Leeuwarder Courant wordt aangegeven gaat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen uit van toepassing conform de door het Ctgb vastgestelde gebruiksvoorschriften. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controleert telers en handhaaft indien nodig. Voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen volgt het Ctgb Europese beoordelingskaders. Als nieuwe wetenschappelijke inzichten daar aanleiding toe geven, worden stoffen en middelen tussentijds opnieuw beoordeeld. Zo staat bescherming van mens, dier en milieu voorop.
In een Kamerbrief is uiteengezet hoe de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in overeenstemming zal worden gebracht met de normering van de Kaderrichtlijn Water (KRW)22. Het Ctgb heeft in eerder stadium een aanpak langs meerdere opties geadviseerd, zoals de mogelijkheid van een KRW toets voorafgaand aan de toelating of bij verlenging van middelen op basis van een stof met een KRW-norm. De uiteengezette aanpak gaat uit van het gericht achteraf ingrijpen in al toegelaten middelen op basis van stoffen die de KRW-normen structureel overschrijden. Om deze aanpak in te voeren, worden stappen gezet waaronder aanpassing van regelgeving. Dit geeft het Ctgb ruimte om alle toegelaten middelen die KRW-stoffen bevatten die normoverschrijdend voorkomen in oppervlaktewater, achteraf en tegelijk te herbeoordelen. Het spreekt voor zich dat de Staatssecretaris van LVVN de effectiviteit van de aanpak met de Minister van IenW en het Ctgb voor het behalen van de doelen van de KRW bewaakt via bijvoorbeeld monitoring en deze waar nodig aanpast.
De leden van de PvdD-fractie hebben ook met bezorgdheid het recente PFAS-advies van het Ctgb van 19 januari 2026 gelezen en met verbazing kennisgenomen van het feit dat het Ctgb pas uiterlijk 30 april 2028 een besluit neemt, terwijl Denemarken een direct verbod instelt. Volgens het Ctgb zijn de besluiten van Denemarken mede gebaseerd op nationale wetgeving omtrent persistentie en beschikt Nederland niet over dit nationale kader, waardoor Nederland het Europese artikel 44-proces moet doorlopen. Kan de Minister ook in Nederland voor een dergelijk nationaal kader zorgen zoals in Denemarken? Wat is in theorie, nog los van de politieke wenselijkheid, de snelste manier om zoiets in Nederland te regelen en wat is daarvoor nodig?
Denemarken heeft inderdaad in juli 2025 aangekondigd om 23 middelen in te trekken vanwege PFAS uitspoeling naar het grondwater. Dit Deense besluit is gebaseerd op aanvullende nationale wetgeving over uitspoeling van stoffen naar het grondwater. Nederland kent deze specifieke wetgeving niet. Het Ctgb heeft op basis van de achterliggende wetenschappelijke informatie uit Denemarken besloten om, net als Zweden en Noorwegen, 46 middelen te herbeoordelen op basis van Europese regelgeving (Verordening (EG) 1107/2009, Artikel 44). Het kabinet heeft vertrouwen in deze procedure waarbij aanvragers de mogelijkheid hebben om aanvullende informatie aan te leveren en het Ctgb uiterlijk 30 april 2028 alle beoordelingen zal hebben afgerond.
Om een dergelijke wet zoals in Denemarken ook in Nederland te introduceren zou een nieuw wetstraject moeten worden gestart waarbij, bovenop Europese regelgeving, aanvullende nationale eisen worden gesteld aan de uitspoeling van stoffen naar het grondwater. Los van de (politieke) wenselijkheid van een dergelijk traject, zal de herbeoordeling van het Ctgb aanzienlijk eerder zijn afgerond.
De leden van de PvdD-fractie constateren voorts dat het PFAS-onderzoeksprogramma, uitgevoerd door het RIVM in opdracht van de Ministeries van IenW, LVVN en VWS, afloopt in 2026. Het doel van het programma is om goed in beeld te krijgen hoe de blootstelling van de Nederlandse bevolking aan PFAS vermindert kan worden. Deze leden vragen welke signalen de Minister van het RIVM verwacht en of er al concrete acties staan gepland om opvolging te geven aan de conclusies van het onderzoeksprogramma, gezien de urgentie van het PFAS-probleem?
Het kabinet loopt niet vooruit op conclusies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Er worden nog een aantal onderzoeksrapporten verwacht. Op basis van de resultaten beoordeelt het kabinet welke mogelijkheden er zijn voor beleid. Het kabinet informeert de kamer daar te zijner tijd over.
De leden van de PvdD-fractie hebben ook kennisgenomen van het bericht dat de Minister convenanten wil sluiten met onder andere boeren, tuinders en natuurorganisaties om het gebruik van giftige bestrijdingsmiddelen te verminderen. Deze leden vragen waarom gekozen is voor de vorm van convenanten, terwijl bekend is dat convenanten lastig controleerbaar en handhaafbaar zijn en er volgens het Kenniscentrum voor Beleid en Regelgeving het risico bestaat dat een convenant toch te vrijblijvend is. Waarom kiest de Minister in plaats van convenanten niet voor scherpere wetgeving, met daarnaast hulp aan boeren? Genoemde leden vragen ook waarom deze convenanten pas vanaf 2027 in werking treden en of dit niet eerder kan. Hoe gaat de Minister precies de afspraken in het convenant monitoren en handhaven? Wordt de monitoring onafhankelijk gedaan en zo ja, door wie? Hoe ziet de handhaving eruit en welke gevolgen zijn er als er niet aan de afspraken wordt voldaan?
De inzet is inderdaad om via bindende afspraken met partijen in een convenant op hoofdlijnen het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen in de plantaardige sector fors terug te dringen. Daarbij ligt de focus op schadelijke gewasbeschermingsmiddelen en vermindering van milieubelasting, gebaseerd op milieubelastingspunten. Dit is in lijn met het coalitieakkoord. Met de keuze voor vastlegging van afspraken in een convenant is niet uitgesloten dat de overheid wetgeving introduceert naast het bieden van hulp aan agrarische ondernemers. De inzet is ook het hoofdlijnen-convenant te sluiten vóór de zomer en om deze vervolgens verder uit te werken per sector in deelconvenanten, zodat het geheel in 2027 in uitvoering kan komen. Omdat het convenanttraject zojuist is gestart, kan het kabinet nu nog niet vooruitlopen op het moment van inwerkingtreding en monitoring en handhaving hiervan. De Staatssecretaris van LVVN zal de Kamer voor de zomer informeren over de uitkomst.
Tot slot hebben de leden van de PvdD-fractie kennisgenomen van de meest recente brief (van 8 juli 2025) over de ontwikkelingen van het voedselveiligheidsbeleid. Genoemde leden constateren dat het vorige kabinet de aandachtspunten van het rapport «Verkenning van potentiële effecten klimaatverandering op voedselveiligheid in Nederland» in overweging zou nemen voor toekomstig voedselveiligheidsbeleid. Het rapport noemt een aantal voorbeelden van mogelijke effecten van klimaatverandering op de voedselveiligheid, zoals de toename van toxinen in voedsel, hogere besmettingsniveaus van pathogene micro-organismen in voedsel en verminderde houdbaarheid van voedsel. Het rapport wijst daarnaast op «de mogelijke kennisleemtes in de borging van de voedselveiligheid», zoals het voorbereid zijn op de combinatie van weersextremen als hitte, droogte en nattigheid om risico’s voor de voedselveiligheid te beperken. De leden vragen hoe het nieuwe kabinet met de conclusies uit dit rapport verder gaat en wat zij eraan gaat doen om deze effecten zo veel mogelijk te beperken.
Naar aanleiding van het rapport «Verkenning van potentiële effecten klimaatverandering op voedselveiligheid in Nederland» is binnen het huidig onderzoeks- en beleidskader bekeken in hoeverre de aanbevelingen al reeds worden meegenomen in bestaande wettelijke onderzoekstaken en diverse Europese onderzoeksinitiatieven. Uit deze analyse blijkt dat de in het rapport gesignaleerde aandachtspunten reeds onderdeel zijn van lopende onderzoeksprojecten of van voorstellen binnen huidige Europese onderzoeksinitiatieven. Dit betreft onder meer onderzoek naar toxinen en mogelijke microbiologische risico’s. Indien in de toekomst alsnog onvoldoende belichte onderwerpen worden gesignaleerd, kunnen deze worden ingebracht in de jaarlijkse programmering van onderzoek en beleid.
Daarnaast wordt binnen het voedselveiligheidsbeleid aandacht besteed aan de weerbaarheid van voedselsystemen onder veranderende klimaatomstandigheden. Daarbij wordt onder meer gekeken naar strategieën die bijdragen aan een veilig voedselsysteem in situaties van watertekort, zoals hergebruik van water en het gebruik van alternatieve waterbronnen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de geagendeerde stukken over Voedselveiligheid. Zij hebben nog een aantal vragen en opmerkingen hierover.
De leden van de SP-fractie constateren dat de huidige regelgeving rondom gewasbestrijdingsmiddelen nog een aantal kwetsbaarheden kent. Zo is het nog altijd mogelijk om een combinatie van verschillende pesticiden te gebruiken, waardoor de totale hoeveelheid residu een stuk hoger ligt dan het maximum van een enkel middel. Is de Minister bereid om te onderzoeken of dit moet worden aangescherpt?
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) voert samen met European Food Safety Authority (EFSA) sinds 2018 periodiek onderzoek uit naar het zogenoemde «cumulatieve effect» van residuen van gewasbeschermingsmiddelen in voedingsmiddelen. Dit betekent dat de werking van verschillende middelen in de dagelijkse voeding die hetzelfde effect op het menselijk lichaam hebben, bij elkaar worden opgeteld. Deze berekening is mogelijk voor effecten op schildklier, zenuwstelsel en foetale ontwikkeling van het zenuwstelsel. Op basis van deze berekeningen hebben EFSA en het RIVM inmiddels verschillende resultaten gepubliceerd. Hieruit blijkt vooralsnog dat cumulatie via residuen op voedsel niet leidt tot onvoorziene gezondheidsrisico’s. EFSA en het RIVM blijven doorgaan met het periodiek uitvoeren van onderzoek. Daarnaast wordt er gewerkt aan een methode voor blootstellingsberekeningen die kan worden toegepast bij de risicobeoordeling van nieuwe stoffen en nieuwe gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen (een zgn. «prospectief scenario»). Momenteel vinden er trainingen plaats voor experts uit de verschillende lidstaten die in de toekomst met de nieuwe methodiek zullen gaan werken. Naar verwachting wordt begin volgend jaar een publieke consultatie uitgevoerd waarna discussie en vaststelling van de methode in Europa plaatsvindt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de beleidstukken aangaande Voedselveiligheid en hebben voor dit moment geen vragen en/of opmerkingen.
levensmiddelenadditief: elke stof, met of zonder voedingswaarde, die op zichzelf gewoonlijk niet als voedsel wordt geconsumeerd en gewoonlijk niet als kenmerkend voedselingrediënt wordt gebruikt, en die voor technologische doeleinden bij het vervaardigen, verwerken, bereiden, behandelen, verpakken, vervoeren of opslaan van levensmiddelen bewust aan deze levensmiddelen wordt toegevoegd, met als gevolg of redelijkerwijs te verwachten gevolg dat de stof zelf of bijproducten ervan, direct of indirect, een bestanddeel van die levensmiddelen worden (artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EG) Nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26991-597.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.