8 Begroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2026

Voorzitter: Michon-Derkzen

Begroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2026

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • -het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026 (36800-XVI).

De voorzitter:

Ik heropen het debat. We bespreken vandaag met elkaar de begroting van VWS. We hebben geluisterd naar de beantwoording van de minister van VWS in haar eerste termijn. We gaan nu luisteren naar de beantwoording van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport in haar eerste termijn. Dat geeft gelijk een mooi haakje om ook hier te benadrukken: er is een WGO Jeugd geweest, er is een WGO Sport geweest en we hebben aanstaande maandag het WGO Gehandicaptenbeleid, dus die onderwerpen zijn besproken of gaan besproken worden. Wat dan nog resteert, daar is dit debat vanmiddag voor. Ik zal daar extra streng op zijn, omdat we net zoals vanochtend een uitdaging hebben als het gaat om de tijd.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Dat allemaal gezegd hebbende, geef ik heel graag het woord aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Aan u het woord.

Minister Sterk:

Dank u wel, voorzitter. Ik wil beginnen door me aan te sluiten bij de warme woorden van de minister vanmorgen in de richting van alle medewerkers in de sector zorg en welzijn. Ik wil ook de Kamerleden bedanken voor alle vragen en gedeelde ervaringen in de eerste termijn. In het bijzonder noem ik ook nog even de maidenspeeches van mevrouw Vliegenthart, mevrouw Wiersma en meneer Poortman. Ik vond het mooi om te zien dat we eigenlijk vanuit het perspectief van een professional, een verloskundige, een ervaringsdeskundige — en dan bedoel ik niet vanuit het kabinet — en een wetenschapper kunnen zien hoe zij dat meebrengen in dit debat. Ik denk dat dit soort ervaringen dit soort debatten enorm kunnen verrijken, dus dank daarvoor.

Bij een aantal onderwerpen zal ik zo meteen stilstaan. Net als mijn collega-minister van VWS zal ik dat doen in de vorm van de volgende drie blokjes. Dat zijn: zorg naar de voorkant, kwetsbare groepen en de toekomstbestendigheid van de zorg. Maar eerst het volgende.

Zo'n vijftien jaar geleden liep ik in Los Angeles. Dag na dag zaten er op een bloedhete parkeerplaats, midden in een woestijn van auto's, twee mensen op de stoeprand met om hen heen tassen en zakken. Ze leefden op straat, en dit was hun huis. De vrouw had zichtbaar een verstandelijke en lichamelijke beperking, en de man die ernaast zat hielp de vrouw met eten. Dat deed hij met zó veel tederheid en zorg. Dat raakte mij. Want hoewel ik de precieze achtergrond van deze mensen niet kende, bleek dat er voor hen nergens anders een plek was om te wonen. Dat beeld draag ik nog steeds met mij mee. Het is voor mij een voorbeeld van de kracht van liefdevolle zorg, zelfs in zulke moeilijke omstandigheden. Waar het systeem mensen in de steek laat, staan mensen op.

Jaren later, toen ik inmiddels in Amerika woonde, en actief was als vrijwilliger bij het Rode Kruis, zag ik opnieuw hoe anders het zorgsysteem daar werkte. Ik zag hoe mensen in de knel kwamen te zitten, hoe kwetsbaar het systeem maakte en hoe dit polarisatie in de hand werkte, doordat dit de kloof tussen mensen vergrootte. Maar ik zag ook een andere kant: dat mensen door vrijwilligers werden geholpen. Ze deden dat samen, ongeacht hun sociaal-economische of politieke achtergrond. Daar, en ook hier, zijn vrijwilligers van onschatbare waarde. Mijn ervaringen in de Verenigde Staten waren dan ook de reden om toch weer terug te keren in de politiek, eerst vier jaar als gedeputeerde, en nu, sinds anderhalve week, als minister voor langdurige jeugd … sorry, Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. U hoort het; ik moet er nog een beetje aan wennen. Ik vind het een bijzondere eer om vanuit deze rol te mogen werken aan liefdevolle zorg.

Die liefdevolle zorg kent voor mij vele gezichten. Denk aan de zorgmedewerkers, die hun werk iedere dag met hart en ziel doen. Denk aan menswaardige zorg voor mensen met een beperking, voor wie de term "zorg" wellicht ook wel tekortschiet, omdat het gaat om zo veel meer: om steun, om hulp, om aandacht in elk onderdeel van hun leven. Ik noem ook Luka Doppen, begeleider in de gehandicaptenzorg, en haar collega-ambassadeurs, die ik begin deze week heb genoemd. Ik denk ook aan de voormalig buschauffeur bij 's Heeren Loo, die mij vertelde dat hij elke dag fluitend naar zijn werk gaat sinds hij werkt in de gehandicaptenzorg. Denk ook aan partners die ook mantelzorger zijn voor elkaar, zoals de man die voor zijn vrouw zorgde in Los Angeles, mijn schoonvader die tot het laatst toe voor zijn dementerende vrouw zorgde, of kinderen die voor hun ouders zorgen, of voor hun broertjes of zusjes. Denk ook aan de sociaal werkers die mensen helpen hun netwerk in te zetten, zodat mensen langer thuis kunnen blijven. De buurtmedewerker die activiteiten in het dorpshuis organiseert om eenzaamheid onder ouderen tegen te gaan. En de jongerenbegeleider die helpt bij psychische klachten, zodat jongeren niet in zwaardere vormen van jeugdzorg terechtkomen. Wat ik hiermee wil zeggen, is dat liefdevolle zorg op veel plaatsen gebeurt, binnen en buiten zorginstellingen, in de buurten en bij mensen thuis, in die zorgzame gemeenschappen en buurten waar de leden al in de eerste termijn van dit debat aan refereerden.

Ik wil hier vandaag ook een ander punt benoemen. We staan voor grote uitdagingen in de zorg; daar is het net ook al uitgebreid over gegaan. Er moeten dingen anders. Als minister moet ik scherpe keuzes maken en maatregelen nemen die impact hebben op mensen. Daar loop ik niet voor weg. Weet dat dit kabinet oog heeft voor de mensen die veel zorgkosten hebben en die op meerdere manieren getroffen kunnen worden door die maatregelen. Ik ga samen met de mensen die in de zorg werken of die zorg krijgen, zorgpartners, sociale partners en natuurlijk ook de beide Kamers kijken hoe we dit zo goed mogelijk kunnen doen, hoe we de zorg het beste kunnen organiseren, niet alleen nu maar vooral ook in de toekomst. Want we hebben uiteindelijk allemaal hetzelfde doel voor ogen: die liefdevolle zorg.

Voorzitter. We hebben wat zorg betreft ook heel veel om blij mee te zijn en om trots op te zijn in Nederland. Daar moeten we ook zuinig op zijn. Want zoals ik in de Verenigde Staten zag: goede, toegankelijke en betaalbare zorg is niet vanzelfsprekend. Ik ga me er hard voor maken dat die goede zorg in Nederland blijft door samen de handen ineen te slaan om zo ook in de toekomst die liefdevolle zorg voor iedereen bereikbaar te houden.

Voorzitter. Ik ga nu over naar de blokjes.

De voorzitter:

Een interruptie van de heer Bushoff over de inleiding.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Nee, het is eigenlijk even een praktische vraag voor de administratie. Ik heb het misschien even gemist. In welk van de blokjes komt het stuk rondom fraude in de zorg, winstuitkeringen et cetera voor?

Minister Sterk:

In het derde blokje. Ik wilde eerlijk gezegd nu ook even aangeven wat er nog in die blokjes zit, dus wellicht loopt dat een beetje op uw vragen vooruit. Het eerste blokje zal gaan over de zorg aan de voorkant, inclusief onderwerpen als mantelzorg en zorg in gemeenschappen en buurten, ouderenzorg en -huisvesting en afsluitend ook … Heel kort overigens, want u zegt terecht, voorzitter, dat er aankomende maandag ook nog een WGO Gehandicaptenzorg is. Volgens mij moeten we de kostbare tijd vandaag vooral gebruiken voor de onderwerpen die daar niet besproken worden.

De voorzitter:

Ja, graag.

Minister Sterk:

Blokje twee zal gaan over kwetsbare groepen en over dat wij natuurlijk ook oog voor hen moeten houden bij de stapeling van maatregelen. Ook dat zal niet heel uitgebreid zijn, want daar is vanmorgen, heb ik gezien, al uitgebreid over gesproken wat mij betreft, maar de Kamer gaat daar natuurlijk over. Blokje drie gaat over toekomstbestendige zorg, inclusief arbeidsmarkt, zorgfraude en digitale zorg. Ik hoop dat de Kamer het mij niet kwalijk neemt. Er zijn natuurlijk al heel veel vragen schriftelijk beantwoord. U beseft dat ik hier net anderhalve week sta. Ik ga natuurlijk mijn uiterste best doen om de vragen van de Kamer allemaal zo goed mogelijk te beantwoorden, maar af en toe zal ik toch ook terugverwijzen naar de schriftelijke beantwoording en kom ik daar eventueel later nog op terug.

De voorzitter:

Dit leidt tot een vraag van de heer Van Houwelingen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

In welk blokje zal ik mijn vragen over jeugdzorg stellen? Dat is mij nog niet …

Minister Sterk:

Er is een WGO Jeugd geweest. Ik heb aangegeven dat ik het hier vooral wil hebben over de onderwerpen die nog niet op andere plaatsen besproken zijn of worden.

De voorzitter:

Ja, dan gaat meneer Van Houwelingen zeggen dat hij toch nog meer vragen heeft.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ja, ik heb dit ook al aangekondigd. Ik heb er in eerste termijn aandacht besteed. Ik was bij dat WGO Jeugdzorg. Het is in mijn ogen niet goed behandeld in de schriftelijke beantwoording, dus ik wil er graag een paar vragen over stellen als dat kan. In welk blokje kan ik ze het beste stellen?

Minister Sterk:

Uiteindelijk is het aan u, maar ik zou voorstellen in blokje drie.

De voorzitter:

De minister.

Minister Sterk:

Voorzitter. Dan begin ik met het eerste blokje. Wij kennen allemaal een voorbeeld uit onze directe omgeving, denk ik wel, van mensen die naar elkaar omzien en voor elkaar zorgen: van boodschappen doen of de tuin bijhouden voor een buurman of buurvrouw die dat zelf even niet kan tot mantelzorg die dag en nacht doorgaat voor een dementerende partner of een kind met een handicap. Een zorgzame samenleving kan niet zonder de onbetaalbare inzet van mantelzorgers en kan ook niet zonder passende ondersteuning voor deze mantelzorgers.

De afspraken over het versterken van mantelzorgondersteuning en respijtzorg, die al door het vorige kabinet zijn gemaakt in het Hooflijnenakkoord Ouderenzorg en de Mantelzorgagenda, zet ik daarom door. Daarnaast trek ik met mijn collega-bewindspersonen op in het opstellen van een kabinetsreactie op het SER-advies Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving, dat ook al door veel fracties in de eerste termijn is aangehaald, onder anderen door mevrouw Tijmstra — er staat hier "de heer Tijmstra" — de heer El Abassi en mevrouw Ten Hove. Het is belangrijk dat we kijken naar mantelzorg en naar hoe we daarmee verder willen. Dat moeten we samen doen, want het gaat om veel meer dan alleen zorg. Het gaat ook over werk, onderwijs en wonen. Enerzijds is het de normaalste zaak van de wereld, maar tegelijkertijd zijn er ook heel veel mantelzorgers waarvan ik denk: die zouden een standbeeld mogen krijgen. Alles wat in mijn invloed ligt om mantelzorgers goed te blijven ondersteunen, zal ik met beide handen aangrijpen.

Dan wil ik doorgaan naar ouderenzorg en huisvesting. In het begrotingsdebat is door meerdere fracties aandacht gevraagd voor de ouderenzorg en de huisvesting van ouderen, onder anderen door mevrouw Maeijer, de heer Van Dijk en mevrouw Keijzer. Bij de beweging naar de voorkant hoort dat ouderen de regie houden over hun eigen leven, dat ze mensen kunnen blijven ontmoeten, dat ze waardevolle activiteiten kunnen ondernemen en dat ze kunnen blijven bijdragen aan de samenleving. Ook als ze beperkingen gaan ervaren, bijvoorbeeld door dementie, moet de kwaliteit van leven centraal staan. Dat geldt ook als het thuis niet meer gaat en intensieve zorg in een instelling of andere woonvormen noodzakelijk is.

Het vorige kabinet heeft hierover afspraken gemaakt in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord. Die afspraken wil ik uitvoeren en daar wil ik op voortbouwen in deze periode. Deze akkoorden sluiten goed aan bij het coalitieakkoord en de principes van de beweging naar de voorkant en van passende zorg. Die beweging naar de voorkant krijgt vormt door het verder versterken van de sociale basis in de Wmo, door het investeren in sterke gemeenschappen, waar mevrouw Synhaeve en de heer Poortman over hebben gesproken, en door de realisatie van passende huisvesting voor ouderen, zodat ouderen niet of later naar een verpleeghuis moeten. Voor de duidelijkheid: dit is niet iets wat het kabinet nu heeft uitgevonden; dit is iets waar al jaren hard aan wordt gewerkt door heel veel betrokkenen. Ik zie mevrouw Keijzer al in mijn richting lopen.

Daarbij moet niet alleen aandacht zijn voor het fysieke aspect van woonvormen, maar ook voor het sociale aspect, zoals bij huurwoningen met zorg, die ook wel "Thuisplusflats" worden genoemd. Op dit moment loopt er een verkenning naar deze gemeenschapsvormen. Ik wil kijken of en hoe we dat financieel in de plannen kunnen aanpassen. Met reablement bevorderen we de zelfstandigheid van ouderen, waardoor ze minder afhankelijk zijn van professionele zorg, en met de sector wil ik bewezen effectieve interventies sneller tot norm maken, zodat deze bijdragen aan de kwaliteit van leven van ouderen en arbeidsbesparend zijn. Ik heb er vertrouwen in dat we door het anders vormgeven van de zorg en de ondersteuning de groeiende zorgvraag kunnen afbuigen. Dat is goed voor de ouderen, die hun zelfstandigheid behouden, dat is goed om het tekort op de arbeidsmarkt tegen te gaan en dat is ook goed om de groei van de uitgaven te remmen.

De voorzitter:

Dit is een logisch moment om op dit onderwerp een aantal vragen te stellen. De eerste vragensteller is mevrouw Coenradie. Het woord is aan u.

Mevrouw Coenradie (JA21):

In uw beantwoording lezen we over interessante maatregelen om meer uren te werken, zoals de voltijdbonus of een arbeidskorting per uur. Tegelijkertijd horen we uit het veld, bijvoorbeeld van de thuiszorg, dat de roosters vaak worden ingericht op een beperkt aantal routes per dag. Dat leidt automatisch tot relatief kleine contracten. Ziet de minister dit knelpunt ook? En ziet zij een rol voor zichzelf weggelegd om met de sector te kijken hoe we de gemiddelde werkweek van 26 uur kunnen ophogen in het kader van het personeelstekort?

Minister Sterk:

Dat ben ik helemaal met u eens. U vindt mij op dat punt aan uw zijde. Er lopen op dit moment acties om te kijken wat de mogelijkheden zijn om meer uren te gaan werken. Dat zit vooral in de relatie tussen werkgever en werknemer. Daar hebben we allerlei plannen voor. Daar is in de schriftelijke beantwoording wat uitgebreider op ingegaan. Ik deel van harte uw standpunt dat daar nog een mogelijkheid ligt om meer handen in de zorg te houden.

De voorzitter:

Graag via de voorzitter spreken, in de derde persoon. Dit is het standpunt van mevrouw Coenradie.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Dan ben ik wel even benieuwd wat de minister, in aanvulling op de beantwoording en de maatregelen die daarin staan, toch nog extra zou kunnen doen, niet alleen om werkgevers een gevoel van urgentie te geven — ik denk dat ze dat wel hebben — maar ook om daar meer handen en voeten aan te geven zodat ze hier daadwerkelijk werk van kunnen maken. Dit blijft namelijk al jarenlang een probleem. De 26-urige werkweek zou dan misschien toch opgehoogd kunnen worden.

Minister Sterk:

Volgens mij is dat een gesprek dat vooral plaats moet vinden tussen werkgever en werknemer, want het is uiteindelijk niet het ministerie dat deze mensen in dienst heeft. Er lopen op dit moment gesprekken met de sector om te kijken hoe we dat kunnen verbreden, maar er zijn natuurlijk veel meer dingen die ervoor kunnen zorgen dat mensen effectief meer tijd aan zorg kunnen besteden. Nogmaals, in de schriftelijke beantwoording ga ik daar wat uitgebreider op in. Ik zal er in mijn tweede termijn nog even specifieker op terugkomen. Overigens zat dit eigenlijk in mijn derde blokje, want dit gaat ook over de arbeidsmarkt en hoe we mensen in de zorg houden.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Coenradie.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Tot slot. Dat snap ik. Tegelijkertijd hebben we het nu over ouderenzorg, waarin dit juist een enorm knelpunt is. Ik zou van deze minister dus eigenlijk graag de toezegging willen hebben dat dit verhaal over andere routes en kleinere contracten ten aanzien van die 26-urige werkweek specifiek wordt meegenomen. Ik snap de verhouding tussen ministerie, werkgever en werknemer. Toch worden de plannen hier bedacht en uitgezet. Ik zou dus toch graag deze toezegging van de minister willen hebben.

Minister Sterk:

Ik kan mevrouw Coenradie toezeggen dat ik dit punt meeneem in mijn overleg met deze organisaties. Daarin spreken we natuurlijk ook breder over het arbeidsmarktvraagstuk. Dit is wat mij betreft een van de punten die daar moeten worden besproken.

De voorzitter:

Dat zien we dus op enig moment terugkomen in een brief rond dat thema.

Minister Sterk:

Als er een voortgangsbrief komt over dit onderwerp, zal ik hier ook aandacht aan besteden.

De voorzitter:

Perfect.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ik hoor warme woorden over liefdevolle zorg. Daar zijn we het allemaal over eens. Daar waar zorg verleend wordt, is die liefdevol. Maar de vraag is of deze minister zich realiseert waar zij ja tegen gezegd heeft. Het vorige kabinet, de vorige persoon die verantwoordelijk was voor ouderenzorg, had een flinke envelop met geld om ervoor te zorgen dat er zorgwoningen gerealiseerd konden worden, dat er ontmoetingsruimten gerealiseerd konden worden en dat er ook nog voldoende zorg verleend werd. Hoe brengt de minister de werkelijkheid van het coalitieakkoord en de beperkte financiële middelen bij dat wat zij, in ieder geval in woorden, tracht te bereiken, namelijk liefdevolle zorg?

Minister Sterk:

Ik ben het met mevrouw Keijzer eens dat als we die beweging naar de voorkant willen maken en ouderen langer thuis willen laten wonen, dat ook iets betekent voor de woonvormen die daarbij horen. Volgens mij is het niet alleen mijn opdracht, maar ook heel nadrukkelijk die van de minister van VRO om ervoor te zorgen dat er in de toekomst voldoende beschikbare woningen zijn voor deze doelgroep. Er zijn middelen voor; dat heeft u ook kunnen lezen. We hebben nog 175 miljoen beschikbaar voor de komende jaren. Bij het ministerie van VRO zijn er ook nog steeds middelen beschikbaar. Wij hebben in ieder geval het plan om minimaal 120.000 woningen te gaan bouwen die juist bedoeld zijn voor ouderenhuisvesting. Verder verkennen we op dit moment met alle partijen die daarover gaan op welke wijze we de gemeenschapsvorming kunnen stimuleren, want dat is voor een deel natuurlijk waar je met elkaar die liefdevolle zorg kunt geven.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ja, een vervolgvraag. Ik hoor "120.000 woningen", terwijl eerder een kleine 300.000 woningen noodzakelijk geacht werden. Zijn de ambities naar beneden bijgesteld? En zo ja, hoe rijmt de minister dat dan met de 1,5 à 2 miljoen 75-plussers waar wij op niet al te lange termijn naartoe bewegen in dit land?

Minister Sterk:

Zoals ik net al zei, is het met de vergrijzende bevolking heel erg belangrijk dat we ervoor gaan zorgen dat er passende woonvormen komen voor deze groep mensen. Een deel van de mensen kan ze soms natuurlijk ook gewoon zelf regelen. Wij gaan dit de komende jaren in ieder geval uitwerken samen met het ministerie van VRO, want daar ligt natuurlijk een grote opgave om meer woningen bij te bouwen. We hebben financiële middelen beschikbaar. Ik wil ook met de veldpartijen in gesprek gaan over de vraag hoe we die woningen zo snel mogelijk en op een zo goed mogelijke manier kunnen gaan bouwen.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ik krijg dus geen antwoord op mijn vraag. Hoeveel woningen zijn dat er dan, en is dat voldoende voor de hoeveelheid 75-plussers en 80-plussers waar we naartoe gaan? De minister heeft het over mensen die het zelf kunnen, maar dat is nu precies het probleem waar we voor staan. Als je oud wordt en je wat gaat mankeren, dan red je dat niet meer. Je kunt natuurlijk warme woorden spreken over "liefdevolle zorg", maar als de woningen waarin dat moet gebeuren er niet zijn en als er onvoldoende zorg is om dat voor elkaar te krijgen, dan maak ik me grote zorgen over hoe dat er straks in de praktijk uitziet, ondanks de warme woorden die de minister spreekt. Dus graag antwoord op de concrete vraag: is de ambitie gehalveerd? Wat betekent dat dan voor de steeds maar groter wordende groep 75- en 80-plussers?

Minister Sterk:

Ik moet mezelf corrigeren, geloof ik. De ambitie is om 290.000 woningen te gaan bouwen voor de ouderen samen met het ministerie van VRO. Ik weet niet of dat helemaal een-op-een loopt met de ambitie die u net noemde. Ik vermoed dat we hierover de komende tijd nog regelmatig met elkaar in gesprek zullen gaan. Dit is wat we op dit moment in de plannen hebben zitten. Nogmaals, het blijft natuurlijk ontzettend belangrijk, juist als je de beweging naar de voorkant wil maken, dat daar ook passende woonvormen bij komen.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Minister Sterk heeft getekend voor het invoeren van een eigen bijdrage in de wijkverpleging, voor het invoeren van een nieuwe tariefkorting op de ouderenzorg en voor het wegbezuinigen van de enveloppe voor de ouderenzorg. Ik hoor de minister inderdaad warme woorden spreken over "liefdevolle zorg" en "kwaliteit van leven". Ik zou heel graag van de minister willen weten hoe zij gaat zorgen voor de kwaliteit van leven van onze ouderen op het moment dat zij al deze maatregelen neemt.

Minister Sterk:

Ook al zouden we een ondefinieerbaar eind geld hebben, dan zouden we daarmee nog steeds niet per se meer mensen in de zorg kunnen krijgen. Volgens mij is de opgave waarvoor we de komende tijd staan dat we de zorg betaalbaar, toegankelijk en kwalitatief goed houden. Daar zijn net ook al heel veel woorden over gewisseld. Dat is de opgave die wij als kabinet zien. Overigens is dat ook al door eerdere kabinetten ingezet. Dat heeft gewoon consequenties voor een aantal zaken die we met elkaar moeten gaan regelen. We hebben aangegeven dat we bij de maatregelen die we hebben genomen, juist ook oog willen houden voor de kwetsbare groepen. Dat is vanmorgen ook uitgebreid aan de orde geweest. Wij denken dat daarmee de zorg toegankelijk, betaalbaar en kwalitatief goed zal zijn, niet alleen nu, maar ook voor onze kinderen later.

De voorzitter:

Mevrouw Maeijer heeft een vervolgvraag.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Dan komen we toch weer bij de discussie over kwetsbare groepen. Zijn ouderen een kwetsbare groep?

Minister Sterk:

Nee, ik denk niet dat elke oudere tot een kwetsbare groep behoort. Er zijn volgens mij ouderen die heel vitaal en heel mondig zijn en die prima in staat zijn om voor zichzelf te zorgen. Maar ook binnen de ouderengroep zijn er natuurlijk kwetsbare mensen. Waar dat nodig is, zullen we daarnaar kijken. We hebben ook aangekondigd dat het CPB gaat kijken hoe het financieel zit. Maar we hebben natuurlijk ook allerlei manieren om de maatregelen die we nemen in te vullen. Dat geldt ook voor de maatregelen rond de wijkverpleging. Bij het invullen van de maatregelen zullen we ook kijken wat de effecten ervan zijn op de doelgroepen en met name op de kwetsbare ouderen daarbinnen.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Maeijer.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Tot slot. Ik vind het een belangrijk punt. Ik kom terug bij het punt van de wijkverpleging. Daar hadden we gister een vrij uitgebreide discussie over met de partijen in de coalitie. Er worden nu alarmsignalen gegeven door de wijkverpleging over wat het kan betekenen voor de kwetsbare groep ouderen. Zij zeggen dat er niemand achter de voordeur komt en dus niemand ziet wat daar speelt. Ik begrijp de woorden over "kwaliteit van leven" en "liefdevolle zorg" gewoon oprecht niet. Hoe kan iemand de benodigde zorg geboden worden als diegene kwetsbaar is door het invoeren van de eigen bijdrage en een tariefkorting op de ouderenzorg? Ik begrijp het wegbezuinigen van de enveloppe van 600 miljoen al helemaal niet. Nogmaals, minister Sterk, hoe gaat u zich hardmaken voor onze ouderen?

Minister Sterk:

Ik maak me hard voor de ouderen die onze zorg nodig hebben. Dat doet het kabinet ook. Daarom willen we juist zorgen dat het systeem dat we nu met elkaar hebben, houdbaar is. We komen in 2035 ruim 300.000 handen tekort in de zorg. Daar hebben al deze ouderen ook last van. Om dat op te lossen, om daar in ieder geval verbetering in aan te brengen, moeten we een aantal maatregelen nemen. Dat betekent dat we toe willen naar passende zorg en zorg zo dicht mogelijk bij huis. We willen dat ouderen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen, bij hun partner, bij hun kinderen en bij hun buurvrouw, die voor hen kunnen zorgen. Voor de mensen die uiteindelijk toch door moeten naar een intensievere zorgvorm of naar een instelling, willen we ook zorgen dat de kwaliteit daar op orde blijft. Daar hebben we afspraken over gemaakt in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg en in het AZWA. Daarin hebben we allemaal maatregelen met elkaar afgesproken die eraan gaan bijdragen om dat met elkaar in de goede richting te duwen.

De voorzitter:

Een interruptie gaat in drieën. U krijgt zo een nieuwe ronde interrupties. Eerst gaan we luisteren naar de vraag van mevrouw Dobbe.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik vind dit overigens hele goede vragen van mijn collega; ik deel die vragen ook. Ik wil nog een vraag stellen over de huishoudelijke zorg, want die stelt mensen, veel ouderen, in staat om langer thuis te blijven wonen. Zonder die huishoudelijke zorg lukt dat echt niet; zo belangrijk is die huishoudelijke zorg. Huishoudelijke zorg krijg je niet zomaar. Daar moet je een indicatie voor krijgen, daar krijg je een keukentafelgesprek voor et cetera. Die zorg krijg je dus op het moment dat je die nodig hebt. Dit kabinet kiest ervoor om de huishoudelijke zorg uit de Wmo te halen, er een half miljard euro weg te trekken en die zorg de facto weg te bezuinigen. Welke gevolgen zal dat volgens deze minister hebben?

Minister Sterk:

Op dit moment kun je dat niet zo zeggen, omdat we die maatregel nog moeten uitwerken. Je kunt die natuurlijk op verschillende manieren invullen. Volgens mij gaat het niet zozeer om de financiering. We moeten vooral voorkomen dat daarmee mensen over het hoofd gezien worden. Die zorg hoorde ik volgens mij ook bij het lid Kostić. Sorry, bij het lid Dobbe. Ik moet nog een beetje wennen aan de gezichten; excuus. Daarom is de versterking van de eerste lijn ook zo belangrijk. Bij het uitwerken van de maatregel zullen we daar natuurlijk ook aandacht aan besteden.

De voorzitter:

Mevrouw Dobbe, een vervolgvraag?

Mevrouw Dobbe (SP):

Ja. Sorry, maar dit is toch gewoon een heel slecht antwoord? Ik kan er niks anders van maken. De minister zegt dat we nog helemaal niet weten of de huishoudelijke zorg verdwijnt, maar er wordt daar een half miljard weggehaald. Dit is een hele goedkope vorm van zorg die ervoor zorgt dat mensen niet uit het zicht verdwijnen, dat problemen niet groter worden en dat tijdig kan worden opgeschaald als andere zorg nodig is. De huishoudelijke zorg bespaart ontzettend veel geld, want in tegenstelling tot wat deze minister denkt, hebben niet alle ouderen kinderen die voor hen kunnen zorgen. Niet alle ouderen hebben ook kinderen in de buurt. En ook hun kinderen moeten werken, van dit kabinet nog veel méér. Wil de minister dus nog een poging wagen om aan te geven wat deze bezuiniging volgens haar gaat betekenen voor de ouderen? Want gewoon zeggen dat het wel mee zal vallen … Dat is eigenlijk wat zij zegt; zij zegt dat we het nog helemaal niet weten, maar we weten dat natuurlijk wél. Ik vind het belangrijk dat deze minister dat ook erkent.

Minister Sterk:

Ik ben net begonnen met uitleggen waarom wij deze maatregelen nemen, namelijk omdat we ook voor de toekomst een houdbaar zorgstelsel willen hebben. We zien ook dat er een groot tekort aan handen aan het bed en ook in de wijkverpleging gaat komen als we doorgaan op de huidige manier. Dat betekent dat we maatregelen moeten nemen. Een van die maatregelen is inderdaad, zoals het lid ook noemt, …

De voorzitter:

Mevrouw Dobbe.

Minister Sterk:

Mevrouw Dobbe, ja. Een van die maatregelen is de maatregel rond de wijkverpleging. Uw partij kennende denk ik dat u het ook met mij eens bent dat mensen die het gewoon zelf kunnen betalen, daar natuurlijk ook best een mogelijkheid toe moeten kunnen hebben. We weten ook dat er, ook in financiële zin, een pakket maatregelen klaarstaat om te kijken wat de effecten zijn, juist voor mensen voor wie dit inderdaad een hobbel kan zijn. Dat heeft mijn collega vanmorgen ook aangegeven: alle maatregelen die worden genomen, zowel op het terrein van de zorg als bij Sociale Zaken, zijn we in samenhang aan het bekijken. We bekijken daarbij ook specifiek wat zij betekenen voor bepaalde doelgroepen. Ook deze maatregel vindt daar een plek. Ik denk dat we het vervolgens moeten hebben over wat de consequenties daarvan zijn.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Dobbe.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ja, we kunnen het er wel over gaan hebben wat de consequenties daarvan zijn, maar dat weten we natuurlijk al. En dan is het besluit al genomen door dit kabinet; dan is de huishoudelijke zorg al op heel veel plekken verdwenen, want we weten ook dat de gemeenten onder druk staan en dat het kabinet die financiële druk bij de gemeenten niet heeft hersteld. We weten dus ook dat de gemeenten keuzes moeten maken. Het kabinet geeft ze gewoon nog een klap na. Die huishoudelijke zorg zal voor een groot deel verdwijnen voor de mensen die die zorg nu nodig hebben om langer thuis te blijven wonen. Stel nou dat de consequentie inderdaad gaat zijn dat mensen hierdoor enorm in de problemen komen en dat ze niet meer thuis kunnen blijven wonen — dat gaat natuurlijk de uitkomst zijn van de verkenning die gaat komen — wat gaat deze minister dan voor deze mensen doen?

Minister Sterk:

Ik heb niet zo veel zin om op als-danverhalen in te gaan, want dat weten we niet. Dat is iets wat we op dit moment aan het bekijken zijn. Wij denken dat het belangrijk is om een aantal maatregelen te nemen om die zorg houdbaar te maken. Dit is een van die maatregelen en we zullen ze ook in samenhang gaan bekijken.

De voorzitter:

Mevrouw Van Brenk heeft een vraag voor de minister.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik onderstreep alle problemen die de collega's naar voren brengen, want het is heel zorgelijk. Maar ik had een vraag gesteld en die is nog niet beantwoord. Daarom doe ik nu een hernieuwde poging. Ik ben heel blij dat de minister gaat kijken bij Zorgbuurthuis 't Hageltje. Fijn dat die toezegging er is. En ook fijn dat we samen ergens naartoe gaan; dat vind ik ook heel erg leuk. Ik had gevraagd naar de financiering. Ik weet: als je als gemeente eigenlijk graag zo'n zorgbuurthuis zou willen hebben, dan is het heel fijn als er een financieringsmogelijkheid is en als je weet hoe die in elkaar zit. Kan de minister daar iets over zeggen?

Minister Sterk:

Dat lijkt me bij uitstek een onderwerp van gesprek om op zo'n moment eens even met elkaar bij de kop te pakken en ook om me nog even te kunnen verdiepen in wat daar op dit moment allemaal speelt.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik wil graag nog iets meegeven aan de minister. Bij 't Hageltje hebben ze nu — kort, voor een paar jaar — een populatiebekostiging gekregen. Voor drie ton organiseren een verzorgende en een wijkverpleegkundige daar, in alle appartementen, voor vijftien mensen de zorg en de hulp die de mensen nodig hebben. Nu kan dat binnen het systeem eigenlijk niet meer verder, want dan moet dat via óf een modulair pakket thuis, óf een volledig pakket thuis. Dat is alleen maar duurder. Zeker is dat we moeten besparen in de zorg, maar dan moeten we slimmere dingen doen en dan moeten we niet zeggen "computers says no; het kan niet binnen het systeem". Ik vraag de minister dus om er moeite voor te doen ook dit soort signalen mee te nemen en misschien in gesprek te gaan met Interzorg, die bij 't Hageltje de zorg levert.

De voorzitter:

Of u samen nog van plan bent om dat te gaan doen.

Minister Sterk:

Ik vind het lastig om nu op allerlei individuele problemen in te gaan. Ik weet ook niet of dat helemaal past bij mijn rol. Maar ik wil in ieder geval de toezegging doen dat we er samen naartoe gaan. Volgens mij zijn dit ook de onderwerpen die daar op tafel zullen komen. Dan zullen we dat in ieder geval ook met elkaar bespreken. Daarmee doe ik niet de toezegging dat het allemaal geregeld kan worden. Ik heb natuurlijk ook te maken met allemaal kaders en beleid dat al in het verleden is ingezet. Maar dit lijkt me een goed onderwerp van gesprek.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Dan heb ik nog een vraag bij dit blokje. Dat is ook mijn laatste van het drietal. Hoe gaat de motie-Tielen dan wel uitgevoerd worden als het niet binnen zo'n zorgbuurthuis past? Hoe gaat die aangenomen motie over een consultatiebureau voor ouderen uitgevoerd worden?

Minister Sterk:

Ik stel voor dat ik ook daar later op terugkom, in samenhang met het punt dat u net maakte. Specifiek over hoe moties uitgevoerd zijn: zover gaat mijn kennis op dit moment nog niet.

De voorzitter:

Daar heb ik enig begrip voor. Ik hoop dat de Kamer dat ook heeft. Het zou dan wellicht — ik kijk even naar mevrouw Van Brenk — interessant zijn als u de minister vraagt om na zo'n bezoek op dit onderwerp bij de Kamer terug te komen. Dan is het geagendeerd voor een volgend debat. Ik doe maar een suggestie.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ik vroeg net naar huisvesting van ouderen. Toen begon de minister te goochelen met cijfers. Het leek opeens te gaan over 120.000 woningen. Later herstelde ze dat naar 290.000 woningen. Maar omdat de interrupties in drieën gaan, kom ik nu even terug. Hoe ziet zij dat dan voor zich? Voor die 290.00 woningen was er 470 miljoen structureel. Dat is allemaal weggehaald; dat is geschrapt. En nu heeft ze drie keer 40 miljoen. Dat is 120 miljoen. Dus hoe ga je dit dan in vredesnaam voor elkaar krijgen?

Minister Sterk:

Daarover wil ik eerst in gesprek gaan met mijn collega van VRO. Met elkaar zullen wij de Kamer daar dan over berichten als daar iets over te melden is. Maar ik ga liever niet nu hier daarover het debat aan.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Dat kan wel wezen, maar dit is vrij fundamenteel. Je bent verantwoordelijk voor ouderenzorg. Je spreekt er warme woorden over: "liefdevolle zorg". Dat doet mij goed. Maar als je dan vervolgens instemt met dit ministerschap en jezelf niet realiseert wat voor een gigantische greep er in de kas is gedaan, waarmee je feitelijk in de problemen komt om die 290.000 plekken voor ouderen, waaraan echt gillend behoefte is, te realiseren, schrik je dan eigenlijk niet en denk je dan niet bij jezelf: waar heb ik eigenlijk ja tegen gezegd?

Minister Sterk:

Deze minister beseft heel goed waar ze ja tegen heeft gezegd. Deze minister heeft de afgelopen jaren ook gezien hoe wij in Nederland langzaam vastlopen in ons zorgstelsel. Ik heb kinderen en ik hoop dat ook zij straks die zorg kunnen krijgen en misschien ook wij straks, als wij die ouderen zijn. Dat is waar ik mij sterk voor wil maken. Ik weet — daar heb ik net in mijn inleiding ook iets over gezegd — dat dat vraagt om keuzes die niet makkelijk zijn en daar sta ik ook voor. Volgens mij is het een gedeelde opdracht aan ons en aan de Kamer om te zorgen dat wij juist ook in de toekomst deze zorg kunnen bieden. Dat vraagt iets van ons allemaal. Dat vraagt iets van hoe wij gaan bouwen de komende jaren. Dat vraagt iets van hoe wij zorgen dat zorg en aandacht dicht bij mensen georganiseerd kunnen worden. Dat zijn grote vraagstukken. Deze minister is zich zeer bewust van de ingewikkeldheid van deze opgave, net zo goed als mijn collega bij VWS dat is. Wij staan daarvoor. Wij zullen daar ook mee aan de slag gaan. Daarvoor zijn al een aantal maatregelen aangegeven in het coalitieakkoord, maar ik hoop dat lid Keijzer mij ook de mogelijkheid geeft om daar de komende tijd met het veld over in gesprek te gaan, om daar uitvoering aan te gaan geven en om daar met u als Kamer ook met enige regelmaat over van gedachten te wisselen.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Dat zijn mooie woorden. Ik ken dit soort woorden, dus dat is allemaal tot je dienst. Maar ik heb liever dat de minister zegt dat ze het niet redt met dit geld en dat ze haar ambities bijstelt, dan dat ze net doet alsof het allemaal uit kan, terwijl je bij elkaar opgeteld en afgerond 500 miljoen uit de kas van de ouderenzorg trekt. Dus ik geef de minister nu even de tijd. Ik ga straks een motie indienen waarin hier het een en ander over staat en ik wil eerlijke antwoorden.

Minister Sterk:

Ik doe mijn uiterste best om eerlijke antwoorden te geven. Ik denk dat mensen mij ook zo kennen. Het eerlijke antwoord is dat we voor een enorme opgave staan en dat we daar niet voor duiken, maar dat we die aangaan. Dat ligt inderdaad ook op de vraag: hoe zorgen we er nou voor dat er geschikte woningen gaan komen voor ouderen, zodat we mensen inderdaad zo lang mogelijk thuis en met elkaar kunnen laten wonen? Dat gesprek ga ik aan met de partijen in het veld en met de minister van VRO. Dan zullen we ook gaan kijken wat dat betekent en of dat nog financiële consequenties heeft. Maar we doen dat wel in deze volgorde wat mij betreft. Dat is waar ik mij sterk voor ga maken.

De voorzitter:

Even over de orde: de begroting ligt voor. Dat is de begroting van 2026. Dat doorkruist ook in het debat de voornemens voor begrotingen van 2027 en verder. Dat is natuurlijk totaal te begrijpen. In de richting van de Kamer zeg ik: u heeft ook nog de gelegenheid om het vaker en op andere momenten over de voornemens te hebben. Mevrouw Dobbe heeft een vraag.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik heb een vraag die zeer relevant is voor de al lopende begroting van dit jaar. In mijn inbreng heb ik een pleidooi gehouden voor zorgbuurthuizen. Ik ben blij dat deze minister heeft toegezegd om daarnaartoe te gaan. De SP wil al sinds 2017 dat er meer zorgbuurthuizen komen in Nederland. We hebben daar talloze voorstellen voor gedaan, maar het komt maar niet van de grond. Dat is natuurlijk wel heel jammer. Wij hebben daarom vorig jaar een amendement, dus niet een motie, maar een amendement, ingediend om drie ton vrij te maken voor een team dat deze zorgbuurthuizen gaat aanjagen. Dat amendement is ook door deze Tweede Kamer aangenomen. We hebben meermaals gevraagd hoe het staat met de uitvoering van dat amendement, want dat amendement was voor dat jaar, dus voor 2025. Maar nu lees ik in de beantwoording van de vragen over hoe het met dat team staat en waar dat team is, dat dat op dit moment wordt onderzocht. Hoe zit dat dan? Is dat geld er dan nog? Heeft u er geld voor gereserveerd om dat te kunnen doen? Is het amendement gewoon niet uitgevoerd? Dat wil ik even heel precies weten.

Minister Sterk:

Nou overvraagt u mij echt een beetje. Ik stel voor dat ik hier in de tweede termijn even op terugkom.

Mevrouw Dobbe (SP):

Het verbaast mij dat ik de minister overvraag, want dit was een hele duidelijke vraag ook gisteren in mijn inbreng, dus dit had de minister kunnen voorbereiden. In de schriftelijke beantwoording staat: dit wordt nu onderzocht. Dus we hebben het gehad over het amendement. Ik zou deze minister dan ook willen vragen om hier later in de eerste termijn op terug te komen, want wij moeten dan ook weten of we een voorstel moeten gaan doen. Is dit amendement nou niet uitgevoerd? Een amendement is niet zo vrijblijvend als een motie.

Minister Sterk:

Zoals ik het heb begrepen, zijn we bezig met de uitvoering daarvan. U stelt mij nu een aantal vragen. Op welke punten is er misschien nog onduidelijkheid? Is de financiering er nog? Die vragen kan ik op dit moment niet beantwoorden. Ik hoop dat ik dat in de loop van de eerste termijn kan doen, maar ik kan me ook voorstellen dat ik dat in de tweede termijn doe. U krijgt in ieder geval vandaag het antwoord.

De voorzitter:

Als dat lukt aan het einde van de eerste termijn wordt dat zeer gewaardeerd, dus dat zou moeten kunnen lukken.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

We gaan maandag uitgebreid praten over de gehandicaptenzorg en het beleid daarvoor. U kunt gerust zijn: ik heb daar heel veel vragen over, net als over de bezuinigingen en de gevolgen daarvan. Maar er is één onderwerp dat niet kan wachten. Dat betreft de zorglocaties van ExpertCare. Ik heb daarover vragen gesteld in mijn eerste termijn. Ik zag ook de reactie van de minister daarop. Zij zegt eigenlijk: het is aan de zorgkantoren om daarvoor een oplossing te vinden, en als ik zie dat er geen oplossing komt, zorgen wij dat we om tafel gaan. Ik wil de minister aangeven dat er voor een aantal van deze kinderen geen oplossing komt. Dat heeft ermee te maken dat het personeel wegtrekt omdat het weet dat ze gaan sluiten. Ik weet ook dat ouders, hulpverleners en mensen die eromheen staan, soms in paniek zijn. Zij weten namelijk: dit sluit straks en er is geen plek voor mijn kind. Wanneer gaat de minister dus precies ingrijpen?

Minister Sterk:

Déze signalen zijn me niet bekend. Op dit moment staat de zorgverzekeraar aan de lat om in overleg met ExpertCare te zorgen dat deze kinderen een passende voorziening gaan krijgen. Zolang die er nog niet is, gaan deze huizen niet dicht. De NZa ziet daarop toe, en vooralsnog wil ik het daar ook even laten, eerlijk gezegd. Je kunt namelijk pas gaan opschalen in de allerlaatste fase, en die wil ik het liefst zo lang mogelijk uitstellen als het nog niet nodig is. Maar ik heb ook aangegeven dat ik ze aan tafel zal roepen als ik signalen krijg dat het echt niet lukt. Dan zal ik met hen gaan werken aan een oplossing.

De voorzitter:

Mevrouw Westerveld, een vervolgvraag.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik begrijp dit formele antwoord wel, want zo hebben we het afgesproken met elkaar. Het probleem is alleen dat als je een sluiting aankondigt, het personeel gaat zoeken naar andere plekken om aan de slag te gaan. Het personeel gaat niet afwachten tot 31 maart, totdat ze gesloten zijn, om dan pas verder te gaan solliciteren. ExpertCare heeft dit dus beloofd, maar de vraag is of ze die belofte kunnen volhouden op het moment dat er straks geen personeel meer is. Daarom denk ik dus dat de minister niet moet wachten, maar nu al moet ingrijpen. De minister moet nu al op een of andere manier partijen aan tafel zetten en garanties geven, bijvoorbeeld de garantie dat deze locaties tot eind dit jaar openblijven, zodat het personeel behouden kan worden. Anders is het namelijk te laat. Mijn vraag is of de minister dat zou willen doen op heel korte termijn.

Minister Sterk:

Ik vind de gedrevenheid van mevrouw Westerveld, ook voor deze groep, altijd heel mooi om te zien. Ik herken die ook. Het gaat natuurlijk om heel kwetsbare kinderen en ook om het hele systeem daaromheen, dat daardoor natuurlijk enorm geraakt wordt. We zijn allemaal verrast door wat daar is gebeurd. Daar vindt deze minister ook wel iets van. Vooralsnog ligt de opdracht nu bij de zorgverzekeraars om samen met ExpertCare te gaan zoeken naar oplossingen, zodat deze kinderen niet tussen wal en schip gaan vallen. Ik heb nog geen signalen ontvangen dat dat gaat gebeuren. Als ik die signalen wel krijg, zeg ik u toe dat ik ze dan zo snel mogelijk bij mij aan tafel zal halen.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb die signalen wel. De cliëntenraad heeft die ook. Zij geven aan dat er op dit moment voor maar heel weinig van deze kinderen wel een oplossing is gevonden. Aangezien 31 maart over een paar weken is, lijkt het mij heel sterk dat er ineens ergens als een verrassing een oplossing komt voor al deze kinderen. Ik kan de minister nu al aangeven dat er niet op heel korte termijn een passende oplossing is, zodat deze kinderen passende hulp krijgen. Mijn vraag aan de minister zou de volgende zijn. Stel nou dat blijkt dat wat de cliëntenraad zegt en wat wij hier zeggen, gebeurt, namelijk dat die plekken sluiten, dat er geen oplossing is en dat de ouders niet weten waar ze met de kinderen naartoe moeten, bij wie ligt dan de verantwoordelijkheid?

Minister Sterk:

Wat mij betreft komt het niet zo ver en wat mij betreft ligt de eerste verantwoordelijkheid daarvoor op dit moment bij Zilveren Kruis met ExpertCare. ExpertCare heeft zelf de garantie afgegeven dat er geen huizen gesloten worden als er nog geen oplossing voor alle kinderen is. Mevrouw Westerveld, u vindt mij aan uw zijde op het moment dat ik andere signalen krijg. Dan zal ik de eerste zijn om ervoor te zorgen dat wij op het ministerie hierover door gaan praten.

Mevrouw Maeijer (PVV):

In aansluiting hierop zeg ik: mevrouw Westerveld geeft die signalen nu aan u door. Misschien kan ze die ook nog op een andere manier bij u bezorgen. Ik zou de minister willen vragen om wat proactiever te zijn, want voordat we het weten, is het 31 maart. Ik sluit me dus aan bij de oproep van mevrouw Westerveld: wacht nou niet af! Wat let u? Waarom roept u die partijen nu niet om tafel om te kijken wat het ministerie eventueel kan doen om ervoor te zorgen dat het niet zo ver komt dat we op 31 maart het punt bereiken dat mevrouw Westerveld zojuist schetste?

Minister Sterk:

Ik wil in ieder geval toezeggen dat ik er ook nog een keer naar informeer of deze signalen ook bekend zijn bij ons, dus of wij die ook hebben gekregen. Als dat inderdaad zo is, betekent dit dat men er niet uit komt. Dan is volgens mij het moment aangebroken om als ministerie deze mensen om tafel te roepen. Die informatie heb ik op dit moment nog niet, maar ik wil in ieder geval toezeggen dat ik daar navraag naar zal doen.

De voorzitter:

Een vervolgvraag nog, mevrouw Maeijer?

Mevrouw Maeijer (PVV):

Ik had nog een vraag over een ander punt, maar ik weet niet ...

De voorzitter:

Oké, dan mevrouw Bikker op dit punt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik deel de zorg van collega's. Als het ministerie nog wacht, kijken medewerkers natuurlijk ook om zich heen, want ook voor hen gebeurt er heel veel. Nog langer wachten terwijl wij allemaal signalen krijgen van ouders die met de handen in haar zitten, zou ik heel kwetsbaar vinden, en al helemaal voor het deel waar ook nog palliatieve zorg is. Zelfs daar is de vrees dat niet eens een goede plek gevonden is, maar dat het toch dicht gaat of dat er onvoldoende zorg is. Dit is maar één interruptie, voorzitter. Ik hoop gewoon dat de minister hier snel mee aan de slag gaat.

De voorzitter:

Ja. Ja.

Minister Sterk:

Daar ben ik al mee aan de slag, maar op dit moment heb ik nog niet de signalen dat ik ze nu zelf naar het ministerie moet halen. We kijken natuurlijk goed mee. Als de signalen veranderen en als klopt wat uw Kamer stelt, dan moeten wij daar misschien op gaan acteren. Maar, nogmaals, ik ga daarnaar informeren.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik deel die zorgen ook. Ik heb ze ook gehoord. Naar aanleiding van vragen van mevrouw Westerveld heeft de minister nu toegezegd dat ze in gesprek gaat hierover. Wanneer kunnen wij de terugkoppeling daarop verwachten? Het is namelijk heel snel 31 maart. Wanneer horen we dan wat? Ik wil dit weten, zodat we niet achter de feiten aanlopen.

Minister Sterk:

Ik heb niet al toegezegd dat ik in gesprek ga. Ik heb gezegd dat ik ga informeren of wij de signalen die de Kamer blijkbaar heeft gekregen, herkennen. Als ik het signaal krijg dat dit inderdaad herkend wordt en dat er dus geen oplossing komt, terwijl die er nu wel moet komen in het gesprek tussen de zorgkantoren en ExpertCare, dan is het moment daar dat het ministerie hen aan tafel roept. Maar volgens mij zijn we daar nog niet. Ik heb ook toegezegd dat ik wil informeren naar wat wij daarover nu zelf hebben gehoord. Dat zijn volgens mij de toezeggingen die ik net heb gedaan.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dan is mijn vraag: wanneer worden wij daarover geïnformeerd? Wij volgen dit allemaal op de voet. Wij zien die ouders en hebben nu ook contact met hen. Zij weten zich helemaal geen raad, omdat ze niet weten wat ze moeten doen. Misschien moeten ze hun baan wel gaan opzeggen omdat het anders gewoon niet lukt. Wij willen hier dus ook direct over worden geïnformeerd. Het is echt zó 31 maart, dus we kunnen niet heel lang meer wachten. En wij willen als Kamer ook kunnen handelen.

Minister Sterk:

Op het moment dat er signalen zijn en ik zal gaan acteren, zal ik de Kamer daar ook over informeren.

De voorzitter:

Goed. Mevrouw Dobbe nog, tot slot.

Mevrouw Dobbe (SP):

Wanneer gaat deze minister dan informeren?

Minister Sterk:

Nou, informeren zal ik natuurlijk op zeer korte termijn gaan doen, aangezien ik hier allemaal signalen hoor die mij niet bekend zijn. Dat lijkt me dus de eerste stop.

De voorzitter:

Ja. Misschien kan dat ook gedeeld worden. Mevrouw Maeijer.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Ik had nog een andere vraag, over de zorg naar de voorkant. De minister heeft het daar een paar keer over gehad. Ze benoemde ook de mantelzorgers, de familie en de vrijwilligers. Tegelijkertijd zien we dat er enorm wordt bezuinigd. De tariefkorting en de envelop ouderenzorg worden geschrapt. Mensen moeten een eigen bijdrage gaan betalen. Maar ik zie nergens in het coalitieakkoord dat u iets extra's doet voor mantelzorgers of vrijwilligers. Hoe rijmt u dat dan met elkaar?

Minister Sterk:

Volgens mij zijn er in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg afspraken gemaakt. Wij zijn bezig om het SER-advies te bestuderen dat hierover is uitgegeven. We zullen voor de zomer met de opvolging komen. Volgens mij is dat ook het moment om te bekijken wat het kabinet daar verder mee gaat doen.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Het is natuurlijk goed dat u naar dat SER-advies gaat kijken, maar voorlopig zie ik vooral dat er bezuinigingen worden getroffen die iets extra's zullen vragen van de mantelzorgers, van de familie, van het netwerk en van de vrijwilligers, en dat daar niets extra's tegenover staat. Herkent u dat beeld?

Minister Sterk:

Nee, dat beeld herken ik niet, want er is structureel 10 miljoen aan geld voor deze respijtzorg. Dat is een van de aspecten die bij mantelzorg spelen. Er is dus wel extra geld voor in de komende jaren.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Dit is misschien een beetje flauw, want dat is het geld uit het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg. In uw coalitieakkoord treft u maatregelen die een direct effect zullen hebben op wat de minister vraagt van de mantelzorgers, van de familie, van het netwerk, van de vrijwilligers. Herkent u het beeld dat u geen extra middelen uittrekt voor wat u van hen vraagt?

Minister Sterk:

Volgens mij zijn de middelen juist bedoeld om respijtzorg te kunnen bieden. Die middelen zijn ook bedoeld voor de nieuwe vraagstukken die er mogelijk bij zullen komen. Wij zijn ook bezig om met de gemeentes te kijken. Een van de problemen bij mantelzorg zit bijvoorbeeld juist in de verschillen tussen hoe gemeentes het interpreteren. Dat zit in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg, zoals u ongetwijfeld ook bekend is. Het is een van de dingen waaraan we werken. Het derde is het SER-advies. Ik zal u voor de zomer doen toekomen wat wij daar verder mee willen gaan doen. Dan kunnen wij hier verder over spreken.

De voorzitter:

Ook richting mevrouw Maeijer wil ik zeggen dat u vragen stelt en de minister antwoordt. Hoe u dat antwoord weegt, is aan u, maar de minister gaat over haar eigen antwoorden. Mevrouw Van Brenk.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ja, nog even kort over mantelzorgers. MantelzorgNL heeft het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg niet ondertekend, omdat ze vonden dat door het ministerie te weinig ondersteund werd bij de zorgen die zij hebben over mantelzorgers. Hoe gaat deze minister in ieder geval zorgen dat MantelzorgNL echt goed meegenomen wordt in alle maatregelen die gaan komen?

Minister Sterk:

Volgens mij staat hier een minister die heel graag met alle partijen hierover in gesprek wil. Ik besef ook dat het heel erg belangrijk is dat we juist ook de kennis en expertise van deze groep daarbij betrekken. Ik wil wel eerst graag even dat advies afwachten en bekijken wat we daarmee gaan doen, maar bij de verdere uitwerking van de maatregelen wel de zorgen van deze groep betrekken.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Er is niet voor niets een club die zich Mantelzorgelijk noemt, omdat er gewoon een steeds groter beslag gelegd wordt op de 5 miljoen mantelzorgers in Nederland, die eigenlijk al ver over hun taks zitten. Ik heb in mijn bijdrage een aantal zaken genoemd die zouden kunnen helpen. Respijtzorg hebben we al, maar logeervoorzieningen in gemeenten, mantelzorgmakelaars en dergelijke zouden in ieder geval een stukje van de zorg echt verlichten. Maar daar is wel geld voor nodig, dus daarvoor kijk ik toch even naar de minister. Wat kunnen mantelzorgers nu verwachten van deze minister?

Minister Sterk:

Van deze minister kunnen mantelzorgers verwachten dat wij ervoor gaan zorgen dat … Wij weten natuurlijk dat deze positie heel erg belangrijk is, als we die beweging naar de voorkant willen maken. Er ligt een belangrijk SER-advies, waarom is gevraagd. Daar staan volgens mij een aantal goede aanbevelingen in. Ik wil dat wel graag eerst tot mij nemen. Wij zullen de Kamer daarover informeren. Ik heb daarnaast gezegd dat er middelen beschikbaar zijn, juist voor de logeervoorzieningen waar u net over sprak: de 10 miljoen. Die zullen we natuurlijk wel moeten toedelen, dus ook daar wil ik nog verder naar kijken. In het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg zijn er ook maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de verschillen tussen gemeenten ook wat meer worden geëgaliseerd, in mijn woorden. Ook dat zal, denk ik, gaan helpen om er in ieder geval voor te zorgen dat de mantelzorger niet in de kou komt te staan.

De voorzitter:

Mevrouw Van Brenk, tot slot.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ja, tot slot, voorzitter. Ik zou de minister ook willen aanbevelen om in contact met Vrijwilligerswerk Nederland eens na te denken over het thema "sociaal pensioen" dat zij graag willen uitwerken. Juist mensen die tegen hun pensioen aan zitten of daarna, zouden volgens mij een hele mooie toekomst kunnen hebben in de ondersteuning van mantelzorgers. Dat is een gratis advies van 50PLUS.

Minister Sterk:

Dank u wel. Dat neem ik mee.

De voorzitter:

Minister, zijn we bij het blokje kwetsbare groepen?

Minister Sterk:

Ja, wat mij betreft wel. Ik had nog iets aan tekst over gehandicaptenzorg, maar ik stel voor dat ik dat gewoon bewaar tot maandag. Overigens kan ik dan misschien wel iets meer zeggen over ExpertCare, bedacht ik me. Dat is nog een moment waarop we het daar misschien over kunnen hebben. Dat wil ik ook graag toezeggen.

De voorzitter:

Oké. Ik zie dat dat wel kan.

Minister Sterk:

Voorzitter. Dan gaan wij toe naar het blokje kwetsbare groepen. De hele discussie over de uitwerking van maatregelen laat ik hier even liggen, omdat we daar net al over hebben gewisseld, maar ook al vanmorgen. Ik had hier eigenlijk ook ExpertCare bij staan, maar dat hebben we net natuurlijk ook al besproken, dus dat kan ik eigenlijk ook overslaan.

Dan blader ik ineens heel snel door mijn … Het klinkt misschien een beetje raar, voorzitter, maar dat is natuurlijk het risico als je al interrupties hebt voordat je bij het blokje bent. Eigenlijk heb ik alles wat ik hierover wilde bespreken, inmiddels al gewisseld met de Kamer. Maar dat zal vast niet iedereen … Ja.

De voorzitter:

Dit heeft toch geleid tot een vraag van een aantal leden. We starten met mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik vroeg me af in welk blokje dakloze mensen zitten.

Minister Sterk:

Dat had ik geen plek gegeven in mijn inbreng, omdat in de schriftelijke vragen is aangegeven dat we daar gewoon mee doorgaan en dat we er ook middelen voor hebben. Wat mij betreft is het daarmee ook voldoende beantwoord.

De voorzitter:

Mevrouw Westerveld heeft een vraag hierover.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

"Er gewoon mee doorgaan" is dan het probleem, want een aantal jaren geleden is het Nationaal Actieplan Dakloosheid afgesproken, met als doel dat in 2030 niemand meer dak- of thuisloos is. Daar werden middelen voor gereserveerd, 65 miljoen per jaar. Vlak voor het kerstreces kwam er een brief van de ambtsvoorganger van deze minister, die gewoon aangaf: we gaan die doelen niet halen als we op deze manier doorgaan. Mijn vraag aan de minister is dus de volgende. Gaan we door op dezelfde weg en halen we de doelen niet, of halen we de doelen wel en gaat er meer gebeuren?

Minister Sterk:

Wat mij betreft staat dat plan nog steeds, inclusief de middelen. Of we de doelen wel of niet gaan halen, durf ik nu niet te zeggen. Ik wil wel toezeggen dat ik daarover in gesprek ga met de achterliggende organisaties en dat ik dat vervolgens aan de Kamer zal laten weten.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Het punt is dat eigenlijk het hele actieplan naar 2030 toe wordt gebouwd, want dan moet niemand meer dakloos zijn. Dat was toen ook — ik heb dat debat toen gedaan — het grote punt van het debat: in 2030 is niemand meer dakloos. Dat staat nog steeds op de website van het ministerie van VWS. Dat is het doel. Maar om dat doel te halen moet er meer worden gedaan dan wat er nu in het regeerakkoord en in de financiële plannen staat. Mijn vraag is dus of dat actieplan en dat doel staan, of niet.

Minister Sterk:

Bij dit soort plannen lijkt het mij heel vroeg om nu al te zeggen dat wij daar in 2030 niet gaan komen. Volgens mij staat het plan nog steeds. De middelen staan. Ik denk dat het goed is dat deze minister zich laat informeren over uw zorg, namelijk dat die doelen niet worden gehaald en wat dat eventueel betekent voor het plan. Maar ik ga hier nu niet zeggen dat deze doelen inderdaad niet gehaald worden. Dat is mij op dit moment ook helemaal niet bekend. Volgens mij hebben we nog vier jaar, dus laten we vooral heel hard aan de slag gaan.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik wil dat die doelen worden gehaald. Daarom hebben we toen dit actieplan werd afgestemd, gevraagd om met onderzoek te blijven evalueren of die doelen gehaald worden. Naar aanleiding van onze motie kwam in december de brief van de ambtsvoorganger van deze minister, die aangaf dat we die doelen weleens niet zouden kunnen halen, wat eigenlijk … Ik laat de kwalificatie maar zitten. Ik wil dat die doelen worden gehaald. Alleen, het ministerie zelf, de ambtsvoorganger van deze minister, geeft aan: op deze weg gaan we die doelen niet halen. Ik hoor de huidige minister nu zeggen dat het actieplan staat, maar dan moet er dus meer gebeuren. Dat zegt het ministerie zelf. Mijn vraag is dan: gaat er ook meer gebeuren?

Minister Sterk:

Volgens mij is het daarvoor belangrijk dat ik eerst het gesprek aanga en me laat informeren over waar dan precies het probleem zit: welke doelen worden niet gehaald, wat is de achterliggende reden daarvoor en wat kunnen we daar eventueel aan doen? Ik stel voor dat ik zodra ik dat gesprek heb gevoerd, de Kamer en in het bijzonder mevrouw Westerveld daarover informeer. Ik kan me zo voorstellen dat we daar dan nog een keer bij een commissiedebat op terugkomen.

De voorzitter:

Ja. Dit was ook uw derde interruptie bij dit blokje, mevrouw Westerveld. Sorry, ik ben daar streng in. Dat doe ik bij iedereen, dus dat moet ik bij u ook doen. Dan een interruptie van mevrouw Van Brenk, naar aanleiding van het blokje kwetsbare groepen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ja, het gaat over de uitvoering van de motie over openbare toiletten. Daar heb ik wel een reactie op gehad, maar ik zou hier graag voor de urgentie bij de minister op willen wijzen. Volgens mij heeft iedereen het voorbeeld gelezen van de mevrouw die met haar stoma in een trein zat waarin alle toiletten onbereikbaar en dicht waren, waardoor haar stomazakje was geknapt. Het vervolg daarop hebben de meeste mensen niet gehoord. Die mevrouw ging lopend naar huis omdat geen taxi haar meer wilde meenemen. Daardoor heeft ze een longontsteking gekregen. Ze is opgenomen in het ziekenhuis en moest daar een paar dagen verblijven. Eigenlijk had die ziekenhuisopname vermeden kunnen worden als er een toilet beschikbaar was geweest. Mijn vraag is dus of deze minister de urgentie van goed toegankelijke toiletten, iets wat voor een heleboel mensen heel wezenlijk en belangrijk is, mee wil nemen in haar ambtsperiode.

Minister Sterk:

Allereerst: het is natuurlijk verschrikkelijk dat dit het gevolg kan zijn. Des te meer reden om daar goed naar te kijken. Ik begrijp overigens dat u die motie heeft ingediend bij een andere begrotingsbehandeling, namelijk die van Binnenlandse Zaken. Volgens mij is daarop toegezegd dat er samen met de relevante organisaties verkend gaat worden in hoeverre de huidige initiatieven toereikend zijn en wat er eventueel aan kan worden verbeterd.

De voorzitter:

Is dat voldoende voor u, mevrouw Van Brenk?

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik ga ervan uit dat de minister mij goed gehoord heeft.

Minister Sterk:

Zeker.

De voorzitter:

Mevrouw Westerveld nog, over dit blok?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ja, ik heb een breder punt over kwetsbare groepen. In de antwoorden die we kregen op onze vragen over het coalitieakkoord, erkent het kabinet dat de plannen gevolgen kunnen hebben voor het mentaal welzijn en de wachttijden in de ggz. Ook wat betreft dakloosheid erkent het kabinet in de antwoorden op onze schriftelijke vragen dat de plannen voor sociale zekerheid, de WIA en de WW, gevolgen kunnen hebben en dat meer mensen dakloos zullen worden. Mijn vraag aan de bewindspersoon is dus de volgende. Als het kabinet erkent dat de plannen gevolgen hebben voor deze groepen, dan zou dat toch een reden moeten zijn om meer te doen om de doelstelling te halen dat er straks niemand meer dakloos is?

Minister Sterk:

Ja, met dat laatste ben ik het ook eens. Natuurlijk wil iedereen voorkomen dat er mensen op straat komen. Dat kan natuurlijk een heleboel verschillende oorzaken hebben. Dat kan komen door schuldproblematiek, verslavingsproblematiek of gebrek aan passende huisvesting. Volgens mij wil dit kabinet juist graag kijken hoe we dat beter kunnen gaan regelen. U gaf zelf aan dat de maatregelen effect zouden kunnen hebben op dakloosheid. Volgens mij hebben we ook aangegeven dat we sowieso eerst gaan kijken hoe die stapeling gaat uitwerken. Dit kabinet zet juist ook heel erg in op preventie, op het voorkomen dat we uiteindelijk hele dure zorg moeten gaan leveren aan mensen waarbij we juist aan opvang en vroegtijdige signalering willen doen om te voorkomen dat dit soort situaties ontstaan.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Alleen klopt dat niet met het antwoord dat ik kreeg over dakloze mensen. We stelden namelijk een vraag over de gevolgen voor de sociale zekerheid bij deze groep mensen. In de beantwoording, die ik natuurlijk gisteren heb gelezen, stond dat de minister van VWS, die op dit onderwerp coördinerend bewindspersoon is, hierover gaat overleggen met de collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; maar daar stond ook dat de maatregelen wel degelijk effect kunnen hebben. Ik zou dus graag aan deze minister willen vragen hoe ze dan haar rol ziet bij het terugdringen van het aantal dakloze mensen, als ze ziet dat er bij andere departementen maatregelen worden genomen die juist een averechts effect hebben op haar doel.

Minister Sterk:

Volgens mij is het beste wat we kunnen doen voorkomen dat mensen uiteindelijk dakloos worden. Ik heb net al aangegeven wat we daarvoor willen gaan doen. Daarnaast hebben wij natuurlijk — dat voelen wij allebei — juist een verantwoordelijkheid voor de zorg voor mensen, waaronder mensen die door allerlei problemen op straat komen. Wij zullen gaan kijken wat de effecten zijn. Blijkbaar verwacht Sociale Zaken van bepaalde maatregelen een bepaald effect; dat zal straks ook worden meegenomen in het onderzoek dat na deze twee begrotingen gaat plaatsvinden.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Het probleem is inderdaad dat op andere departementen maatregelen worden genomen die een averechts effect hebben. De armoede neemt toe enzovoorts; ik noemde het net al. Dan is mijn vraag of deze minister haar collega's aan het jasje gaat trekken en gaat zeggen: nou, die maatregelen op sociale zekerheid voeren we dan niet door, want die gaan lijnrecht in tegen mijn doelstellingen. Of ziet zij haar rol zo niet?

Minister Sterk:

Wij zien het, denk ik, allebei als onze rol om in ieder geval goed te kijken wat voor effecten het beleid heeft op bepaalde doelgroepen. Ik spreek nu specifiek over de doelgroep van mensen die dakloos zijn. Wij zullen dit ook gewoon in beeld gaan brengen bij het onderzoek dat we gaan doen en dat is aangekondigd; daar zullen we mee gaan starten als ook de begroting van Sociale Zaken is behandeld.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Ik had een vraag over het pgb. Ik weet niet of dat hier aan de orde kan komen of dat het later nog terugkomt?

Minister Sterk:

Ik heb verder geen blokje pgb meer, voorzitter.

De voorzitter:

Oké, laten we het hier doen.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Ik had in de eerste termijn aan de minister gevraagd of zij kan toezeggen dat er keuzevrijheid blijft voor mensen die bewust kiezen voor het pgb. Daar kwam een antwoord op, eigenlijk een letterlijke herhaling van wat er in het coalitieakkoord staat, maar dat was mijn vraag niet. Die stel ik hier dus nogmaals: kan de minister bevestigen dat er keuzevrijheid blijft voor mensen die voor een pgb willen kiezen?

Minister Sterk:

Ik ga toch verwijzen naar het antwoord dat we daarop hebben gegeven. Zorg in natura zou voor de hand liggend zijn, maar er blijft voor mensen ook nog steeds de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Ik kan eerlijk gezegd niet zo heel veel met dat antwoord. Ik had ook nog gevraagd of de minister van plan is om verder werk te maken van het vereenvoudigen van het pgb, natuurlijk met oog voor de juiste besteding van het geld. Maar je hoort nu ook vaak van budgethouders dat ze een soort onderneming aan het runnen zijn en dat kan natuurlijk ook niet de bedoeling zijn.

Minister Sterk:

Volgens mij is het heel erg belangrijk dat, als we regelingen hebben voor burgers, we die zo eenvoudig mogelijk maken. Regeldruk terugbrengen en zo zijn zaken die we als kabinet willen aanpakken. Het zijn voor ons aandachtspunten in het beleid.

De voorzitter:

Ja. We gaan naar het blokje toekomst arbeidsmarkt.

Minister Sterk:

Ja, voorzitter. Ik heb er in mijn inleiding al over gesproken dat we ervoor moeten zorgen dat we die liefdevolle zorg niet alleen nu kunnen geven, maar dat we die ook aan onze kinderen en onze kleinkinderen kunnen geven, dat ook zij die kunnen krijgen. Daar zijn een aantal zaken voor nodig. Allereerst — dat is net ook al even aan de orde gesteld — is het natuurlijk heel erg belangrijk dat werken in zorg en welzijn aantrekkelijk blijft. Ik vind daarom ook dat we soms best wel iets vaker mogen uitstralen hoe mooi het is om in die sector te werken. Als je namelijk nu luistert, lijkt het allemaal wel hel en verdoemenis. Natuurlijk wil dit kabinet niet weglopen voor het gegeven dat er zaken anders moeten en dat er hervormingen nodig zijn. Ik heb echter ook gezien in de twee korte werkbezoeken die ik nu net voor de begroting heb gehad — ik vond dat ik eerst naar het veld moest — met hoeveel plezier, drijfveren en positiviteit mensen daar dag in, dag uit aan de slag zijn om die liefdevolle zorg te geven. Ik vind dat wij er een beetje voor moeten oppassen dat er een sfeer zou ontstaan dat het allemaal verschrikkelijk is. Er gebeuren nog steeds prachtige dingen en er zijn nog steeds mensen die daar met heel veel plezier werken.

Dat is juist ook wat wij in de toekomst mogelijk willen houden. Wij zien namelijk gewoon dat dat onder druk staat, en wij willen juist voorkomen dat er straks mensen … Om een voorbeeld te noemen, het volgende. Een mevrouw vertelde me: er waren een aantal zieken bij ons op de groep, en toen stond ik er ineens voor. Ja, dat heeft niet te maken met dat er geen geld is en met meer of minder mensen, maar gewoon met dat er op zo'n moment te weinig mensen zijn die kunnen bijspringen. Die oproep zou ik in dit debat hierover ook echt wel aan ons willen doen.

Ook mevrouw Bikker en mevrouw Coenradie hebben volgens mij in het debat hier aandacht voor gevraagd en gezegd dat we het mogelijk moeten houden. We weten namelijk gewoon dat er in 2035 een potentieel arbeidsmarkttekort is van bijna 300.000 medewerkers. We hebben zorgakkoorden, en daarin hebben we afspraken gemaakt om die dreigende personeelstekorten te laten dalen. Dat doen we dus niet alleen; dat doen we juist ook samen met het zorgveld en het welzijnsveld.

We doen daar bijvoorbeeld ook het volgende aan. We gaan de administratieve last terugdringen. Ik geloof dat die nu op iets van 36% zit en we dringen die terug tot 20%. We stellen ook 185 miljoen euro beschikbaar voor het opleiden en ontwikkelen van zorg- en welzijnsprofessionals buiten het ziekenhuis. Ook zullen we vol inzetten op technologie die professionals kan ondersteunen, zoals AI en slimme medische hulpmiddelen, en komt er in 2027 en 2028 400 miljoen beschikbaar voor projecten die zorg- en welzijnsverleners kunnen ontlasten. We zorgen er ook voor dat de juiste informatie op de juiste plek is. Dat is gericht op die databeschikbaarheid, want niks is frustrerender dan dat zorgmedewerkers geen informatie met elkaar kunnen uitwisselen. De routekaart hiervoor is de Nationale visie en strategie op het gezondheidsinformatiestelsel. Zo hebben patiënten en burgers meer regie. Voor zorgverleners betekent dit minder administratie en onderzoekers krijgen daarmee toegang tot betrouwbare geanonimiseerde data die helpen om de zorg beter te maken. We werken ook aan een landelijk dekkend netwerk van bestaande infrastructuren, zodat zorgaanbieders op een veilige manier met elkaar verbonden kunnen zijn voor het uitwisselen en beschikbaar stellen van gezondheidsgegevens.

Ten slotte dan nog de fraude in de zorg, waar de Kamerleden Bushoff, Vervuurt, Van Brenk en Wendel terecht aandacht voor vroegen, want de gevolgen hiervan zijn groot. De aanpak van zorgfraude heeft dan ook echt een prioriteit. Het geld van de zorg moet ook gewoon echt voor de zorg behouden blijven. Met het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord komen middelen beschikbaar om zorgfraude te voorkomen, te stoppen en te bestraffen. Deze afspraken richten zich op hogere toetredingsdrempels voor de zorgsector, een betere screening van aanbieders, meer fysieke controles door het toezicht, en de uitbreiding van de capaciteit van toezichthouders en opsporingsinstanties. Die aanpak vraagt wel om een gezamenlijke aanpak en een gezamenlijke inzet van branche- en beroeporganisaties, gemeentes, zorginkopers, toezichthouders en opsporingsinstanties. In het samenhangende pakket aan maatregelen gericht op die passende zorg dat in het coalitieakkoord wordt voorgesteld, zit overigens ook een maatregel die het tegengaan van fraude ondersteunt. Het afschaffen van de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg geeft zorgverzekeraars ook handvatten om weg te blijven van aanbieders die nu door niet-gecontracteerd te zijn, wegkomen met fraude.

De voorzitter:

Even voor de administratie: is hiermee het derde blok van uw zijde afgerond?

Minister Sterk:

Ja.

De voorzitter:

Dan zijn we aan het einde gekomen.

Minister Sterk:

Ik heb nog één kleine uitleiding van mijn verhaal, voorzitter.

De voorzitter:

Oké, voordat we daaraan beginnen, kijk ik even naar de leden om te zien of er nog vragen zijn. Ik geef de heer Van Houwelingen het woord voor het stellen van een vraag.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ik heb betoogd dat wij heel veel zorgwekkende signalen krijgen over de jeugdzorg, van ouders die wij gesproken hebben en van kinderen die nu volwassen zijn en die ten onrechte uit huis zijn geplaatst. Een van de vragen die ik tijdens mijn betoog en tijdens het wetgevingsoverleg gesteld heb, is de volgende. Ik hoor wel heel vaak dat er perverse prikkels zijn, dat jeugdzorg verdient aan uithuisplaatsingen. Ik vraag aan de minister: zoek dat eens uit; ga misschien op zoek naar een ander stelsel waarin jeugdzorg bijvoorbeeld betaald krijgt als het kind weer wordt teruggeplaatst. Het antwoord dat ik krijg, is toch wel een brutaal antwoord, namelijk: er wordt gestuurd op terugplaatsing. Ja, ik begrijp dat dat gebeurt, maar het punt is dus dat het systeem in werkelijkheid anders lijkt te werken. Mijn vraag aan de minister is, via u, voorzitter, of de minister bereid is om dat eens een keer grondig uit te zoeken en misschien naar een ander financieringsstelsel toe te werken.

Minister Sterk:

Zoals ook in de schriftelijke antwoorden is gezegd, zien we daar nu geen reden toe. Kortheidshalve wil ik daar gewoon bij blijven. Daar kunt u het niet mee eens zijn. Ik bedoel: daar kan het lid …

De voorzitter:

De heer Van Houwelingen.

Minister Sterk:

… het niet mee eens zijn, maar zo kijken wij er wel naar.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Hoe denkt de minister nou dat zo'n antwoord overkomt op al die ouders die het vreselijke verhaal hebben meegemaakt van kinderen die onterecht uit huis zijn geplaatst? "Ik wil er niet eens naar kijken." Ik breng dit op, geef de voorbeelden en kaart dit aan, en de minister heeft zoiets van: ik heb daar geen zin in. Dat is namelijk het antwoord dat we krijgen, zonder enige onderbouwing. Schaamt de minister zich daar dan niet voor?

Minister Sterk:

Ik herken niet dat dat zonder enige onderbouwing is. Volgens mij hebben wij die onderbouwing gegeven. Volgens mij worden kinderen niet zomaar uit huis geplaatst. Alles is erop gericht om een kind ook weer zo snel mogelijk in een veilige thuissituatie terug te kunnen plaatsen. Daar zijn wij met elkaar verantwoordelijk voor. Ik herken niet dat kinderen zomaar uit huis worden gehaald of misschien zelfs zomaar worden teruggeplaatst. Dat gebeurt zorgvuldig. Daarbij staat niet alleen de veiligheid, maar ook de ontwikkeling van een kind uiteindelijk centraal.

De voorzitter:

Meneer Van Houwelingen, tot slot.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ja, tot slot. Ik zeg dus, en daar geef ik onderbouwing voor in debatten en in vragen, dat het in werkelijkheid niet zo werkt. Dan kan de minister wel zeggen dat het zo zou moeten werken, maar het probleem met heel veel punten in dit land is dat de werkelijkheid anders is dan hoe het zou moeten werken. Ik heb de minister ook gevraagd: doe eens onderzoek bij die ouders, om eens te horen hoe zij die uithuisplaatsingen hebben ervaren. Dat weigert de minister ook.

Tot slot, voorzitter. Ik heb ook gevraagd: kijk eens hoeveel kinderen er gedwongen uit huis geplaatst zijn omdat er echt sprake is van kindermishandeling. Daar kun je je toch iets bij voorstellen. Dat gebeurt niet of nauwelijks, wat ook heel zorgwekkend is. Dan krijg ik van de minister als antwoord: ik beschik niet over die gegevens. Dat is al zorgelijk, maar dan zegt ze: onderzoek hiernaar vind ik niet zinvol. Al die ouders zitten hier dus mee en komen hiermee naar ons toe. Dit is overigens helemaal geen kernpunt van onze partij; ik sta hier echt voor die ouders. "Ik vind het niet zinvol ik doe er niks aan." Dat is dus de houding van dit kabinet.

Minister Sterk:

Als meneer Van Houwelingen andere signalen heeft dan wij hebben, ontvang ik die graag en dan zal ik daar ook naar kijken.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Ik ga over drie onderwerpen in dit blokje vragen stellen. Ik doe dan alles in drie. Ik begin bij de positie van de zelfstandige behandelcentra. Mijn stelling is dat het bestaan van zelfstandige behandelcentra het bestaansrecht van regionale ziekenhuizen ondermijnt. Ik ben benieuwd of de minister dat met mij deelt. We hebben ook zelfstandige behandelcentra die echt excessief aan vercommercialisering van de zorg doen, met lokkertjes, bijeenkomsten en het zeggen van: kom naar ons, kom naar ons. Ik noem geen namen, maar ze lijken op Skidibido en Heuvelman Clinics. Dan heb ik niet de namen genoemd. Waar trekt dit kabinet de rode lijn, om het zo maar te zeggen, wat betreft het bestaansrecht van zbc's in Nederland?

Minister Sterk:

Het is misschien een beetje flauw antwoord van mij nu — excuses daarvoor — maar het zit niet in mijn portefeuille. Ik heb mij hier dus ook niet op voorbereid. Ik kan kijken of ik eventueel in de tweede termijn wellicht via de andere minister daarop een antwoord kan geven, maar ik moet helaas het antwoord schuldig blijven.

De voorzitter:

Oké. Laten we daar in de tweede termijn op terugkomen.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Ik stel die vraag aan deze minister, omdat het gaat over zorgfraude. Ik koppel het zelf niet direct aan zorgfraude, maar ik zie er wel enige relatie in. Ik was benieuwd hoe de minister dat ziet.

Minister Sterk:

Ik kom er in de tweede termijn op terug.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Mijn tweede vraag gaat over de arbeidsmarkt, ook in relatie tot die zbc's. Die onttrekken met vele makkelijkere voorwaarden, betere regelingen en beter loon personeel aan de reguliere markt. Ook daarover ben ik benieuwd wat het standpunt van de minister is.

Tot slot heb ik nog een vraag over de arbeidsmarkt. Dan kom ik straks terug voor het derde blokje. Ik zat gister bij het commissiedebat van OCW. Dat mag ik tegenwoordig ook doen. Ik vond daar bij de minister van OCW gehoor over dat er ten aanzien van zorgopleidingen wellicht samenwerking is tussen OCW en VWS, maar dat de uitvoeringsinstanties, zoals de NVAO en het CZO, toch best veel overlap hebben. Ook behoeft er wellicht wat verbetering in de innovaties van zorgopleidingen en daarmee misschien ook het kunnen versnellen binnen zorgopleidingen, waardoor je sneller mensen op de markt kan krijgen. Het antwoord van dit deel van het kabinet is dat die samenwerking prima is. Ik vraag de minister om nog eens even te bekijken of zij bij dit standpunt blijven en of zij in gesprek willen gaan met hun collega van OCW om te kijken naar de uitvoeringsinstanties die gaan over de zorgopleiding, initieel en postinitieel, en de specialistische opleidingen. Er moeten echt dingen verbeteren, willen we iets doen aan de arbeidsmarkt. Ik hoop dat de minister dat met mij eens is.

Minister Sterk:

Uw eerste punt zal ik dadelijk meenemen in de tweede termijn. Op uw laatste punt zeg ik toe om daarover in gesprek te gaan met mijn collega van OCW en om u daarover later te berichten.

Mevrouw Wendel (VVD):

Ik heb de minister in de eerste termijn vragen gesteld over de taskforce zorgfraude. Het is een stoere term, als ik het even zo mag zeggen, maar wat houdt die nou concreet in? Wat is het concrete tijdspad? Op zich kan ik mij er wel iets bij voorstellen dat de minister het nog niet tot in detail heeft uitgewerkt, aangezien zij hier pas bijna twee hele weken zit. Alleen, ik wil de minister wel vragen of zij ons iets kan vertellen over de prioriteit die het heeft. Want hoe langer het duurt, hoe langer de cliënten in de knel zitten, terwijl het geld in de zakken van criminelen verdwijnt. Is dit iets waarmee u aan het eind van uw termijn gaat starten? Of is dit iets waarvan u zegt: morgen zal ik ermee aan de slag gaan?

Minister Sterk:

Dit is bijna een retorische vraag. Ik ga er vandaag al mee aan de slag, want ik vind dit een ontzettend belangrijk onderwerp. Dat vind ik niet alleen met het oog op de opsporing, in de zin dat mensen vervolgd moeten worden, maar ook omdat er volgens mij nog heel veel te doen is. Er is veel winst te behalen aan de kant van de signalering. Soms hoor je dat zorgorganisaties ingeschreven staan op een adres waarop iemand ook een garage heeft of een groentewinkel. Dan is er echt iets aan de hand. Volgens mij hebben we daarin echt nog veel winst te behalen, ook in samenwerking met de gemeentes. Dat is ook waar dit beleid op is gericht. Ik ga er dus vandaag al mee aan de slag. Zodra er meer over te zeggen is, zal ik u daar natuurlijk over berichten.

De voorzitter:

Is dat voldoende? Ja. Dan mevrouw Maeijer. Sorry, ik bedoel: mevrouw Van Meetelen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Voorzitter, we zijn allemaal moe, dus ik begrijp het. Maar ik ben inderdaad mevrouw Van Meetelen.

De voorzitter:

Ik weet het.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ik had in mijn eerste termijn vragen gesteld over de jeugdzorg; daar is wel schriftelijk op gereageerd. Ik had het een en ander gevraagd over strakker en harder optreden en over bestuurlijke consequenties. Toen werd er verwezen naar de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg. U presenteert eigenlijk het intern toezicht en heeft het over het onderzoeken van een vergunningsplicht als strakker optreden. Dat zijn uw woorden, maar wat verandert er nou morgen voor bestuurders die er een rotzooi van maken? Welke directe consequentie kan nu volgen? Afgelopen dinsdag stond eigenlijk een vraag gepland in het mondelinge vragenuur over geconstateerd misbruik van jaren geleden in De Glind. Vandaag kwam er een bericht naar buiten dat er mensen voor de rechter staan omdat ze meisjes hebben misbruikt in de gesloten jeugdzorg. En toch zie je nooit en te nimmer dat er besturen of mensen verantwoordelijk worden gehouden. Er wordt naar elkaar gewezen, en ze gaan ernaar kijken, en ze zijn kritisch, maar iedereen kan blijven zitten. Dit kan gewoon doorgaan. Wat gaat deze minister daaraan doen?

Minister Sterk:

Ik weet niet of dat laatste klopt, maar ik denk dat we met elkaar delen dat het niet zo kan zijn dat als er iets misgaat in instellingen waar besturen voor verantwoordelijk zijn, zij daar zomaar mee kunnen wegkomen. Volgens mij moeten we er alles aan doen om, ook in gesprek met de sector zelf — die zijn in eerste instantie aan zet — dat tegen te gaan en daar maatregelen voor te treffen. De wet die u net noemde, doet daar volgens mij al iets aan. Die wet loopt vanaf begin vorig jaar, geloof ik. We moeten goed gaan kijken of die wet doet wat wij hopen dat die doet. Dit soort dingen kunnen natuurlijk niet; dat ben ik van harte met u eens.

De voorzitter:

Heeft u een vervolgvraag, mevrouw Van Meetelen?

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ja, zeker. Een vervolgvraag. Ik zeg niet dat die bestuurders het per definitie verkeerd hebben gedaan, maar het gaat mis als de verantwoording constant verlegd wordt. Dan ligt het aan die, dan aan die, dan aan die, en uiteindelijk is niemand verantwoordelijk. Dat is eigenlijk wat ik in alle afgelopen debatten steeds naar voren heb proberen te halen. We moeten echt een keer gaan kijken naar de ketenverantwoordelijkheid. Als het zó mis blijft gaan bij die stichtingen, instellingen en organisaties, dan moet daar wat aan gedaan worden. Ik vraag aan de minister: wat gaat ze er concreet aan doen om dat nou eens een keer aan te pakken? Want op deze manier blijven er dus gewoon kinderen slachtoffer worden.

Minister Sterk:

Ik heb net al aangegeven dat ik het van harte met het lid Van Meetelen eens ben dat dit soort dingen eigenlijk niet mogen gebeuren. U heeft het over de jeugd, maar we zouden hetzelfde verhaal kunnen houden over gehandicapten of ouderen, want ook daar gaan dingen mis. We vinden allemaal dat er dan opgetreden moet worden en dat dan niet de moeilijke maatregelen als een soort hete aardappel voor mensen uitgeschoven moeten worden. Ik denk dat dat ook om een gesprek vraagt met alle partijen die in die keten zitten: hoe kunnen we dat nog strakker regelen? Ik wil u toezeggen dat ik dit meeneem, om toch nog eens tegen het licht te houden of we nou het goede doen en of we er misschien nog iets in kunnen verbeteren. We hebben natuurlijk al maatregelen genomen; hoe werken die dan? Dan kunnen we het er op een later moment met elkaar over hebben.

De voorzitter:

Oké. Tot slot, mevrouw Van Meetelen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Tot slot. Ik ben blij en dankbaar voor die toezegging. Ik hoop dat we er binnenkort iets over horen.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Even over zorgfraude. Rotterdam loopt voorop als het gaat om de aanpak van zorgfraude. In 2025 zijn zij gestart, en zij hebben toen al zo'n €346.000 weten op te sporen. Maar heel veel gemeenten geven aan dat zij moeite hebben met het opsporen van zorgfraude, terwijl er heel veel relevante signalen beschikbaar zijn via een digitale infrastructuur — zo noemen we het maar even — die Suwinet heet. Ik heb begrepen dat momenteel wordt onderzocht of gebruik hiervan ook mogelijk gemaakt kan worden voor de aanpak van zorgfraude. Daar wordt het nog niet specifiek voor ingezet. Ik ben even benieuwd of de minister kan aangeven hoe dit onderzoek ervoor staat. En als hieruit blijkt dat Suwinet hiervoor inderdaad een goed middel is, is de minister dan bereid om Suwinet zo snel mogelijk inzetbaar te maken voor deze gemeenten? Dat is mijn eerste vraag.

Minister Sterk:

Hoe het op dit moment staat met onderzoek … Opnieuw, ik zit hier nog maar net. Maar wat u vervolgens voorstelt, van "als dit inderdaad een goede aanpak zou zijn …", moeten we dan inderdaad bekijken. Ik weet overigens dat de gemeente Utrecht ook bezig is met de aanpak van zorgfraude. Volgens mij is het ook vooral van belang om al die goede ideeën en initiatieven zo veel mogelijk verder te brengen, omdat we zorgfraude allemaal veel meer aan de voorkant willen gaan voorkomen.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ik zou hier toch echt wel in de tijd een heleboel dingen willen terughalen. Het kabinet zegt: we gaan hier werk van maken. We horen dat hier echt flinke miljarden uit los kunnen komen. Ik zou dus echt van deze minister willen zien dat er met heel veel spoed hier specifiek een antwoord op gegeven wordt, omdat hier volgens mij gewoon heel veel behoefte aan is.

Dan heb ik nog een tweede vraag, die hier tegelijkertijd aan is gekoppeld. Er ligt een amendement voor — als het goed is heeft de minister dat ook gezien — van de leden Synhaeve en Wendel. Het gaat over een dekking van twee ton. Ik geloof dat het in 2026 allemaal wel gedekt is. Daarna wordt er verwezen naar een dekking in verband met financiering van de opsporing van zorgfraude en de middelen die daaruit vrijkomen. Toen dacht ik: "Hè? Dan kan het eigenlijk niet anders dan dat het kabinet dat gaat ontraden, want we weten nog helemaal niet wat er precies opgehaald kan worden." Als we dat wel weten, dan zou ik dat heel graag nu willen weten. Want dan moeten we met z'n allen als de wiedeweerga nog wat moties maken, denk ik.

Minister Sterk:

Ik zit ondertussen even door mijn amendementen heen te spitten, maar ik zie 'm hier niet tussen zitten. Ik stel voor dat ik daar in tweede termijn even op terugkom. Ik vind wel … Zoals ik net al zei: geld wat in de zorg hoort moet daar ook naar terug. Daarin vinden we elkaar; dat vindt volgens mij eigenlijk de hele Kamer hier. We zullen het ook snel met elkaar eens zijn dat we moeten voorkomen dat dat in verkeerde zakken belandt en dat we het in ieder geval zo veel mogelijk aan de voorkant moeten aanpakken. Oké, ik krijg nu een briefje. Maar geld wat volgens mij … Ik ga gewoon even voorlezen wat hier staat, want wellicht dat ook bij het antwoord. Nee, dat gaat hier helemaal niet over. Nee, het is wat verwarrend, voorzitter. De dekking moet natuurlijk wel kloppen. Je kan niet gaan anticiperen op geld dat je nog niet hebt. Dus als je dat kiest als dekking voor zaken in je begroting, dan klopt dat gewoon technisch niet. Daarom moeten wij dat amendement in ieder geval op die grond ontraden, maar dat hoorde ik het lid Coenradie ook zeggen.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Dat is dan in ieder geval helder. Dat geeft nog niet de vrijbrief dat we niet zouden willen weten wat er uiteindelijk toch beschikbaar komt, want dat is mij echt een doorn in het oog. Wij hebben straks te stemmen over amendementen en over een hele begroting. Heel eerlijk gezegd, na het signaal dat ik hier van de week te horen heb gekregen over die miljarden die toch echt nog op stapel liggen, wat aan alle kanten bevestigd wordt, bekruipt mij toch het gevoel dat wij hier wel echt veel meer van moeten weten en dat wij veel meer concrete informatie moeten hebben. Anders kan ik niet garanderen dat wij deze begroting gaan steunen.

Dat even gezegd hebbende, want ik ben zo door mijn interrupties heen: mijn eerste vraag is toch nog niet beantwoord met betrekking tot Suwinet en de aanpak om zorgfraude op gemeentelijk niveau heel rap op te pakken, zoals in Rotterdam wordt gedaan. Ik wil van deze minister heel snel een terugkoppeling horen, en niet ergens in het najaar met een brief maar ergens voor de zomer, over hoe deze gemeentes dit gaan oppakken en hoe deze minister deze gemeentes hierin gaat helpen. Want hoe eerder we het geld hebben, hoe eerder we dat ook weer kunnen inzetten.

Minister Sterk:

Ik zeg u toe daar zo snel mogelijk op terug te komen en u daar meer informatie over te geven.

De voorzitter:

Zullen we dan zeggen voor de zomer?

Minister Sterk:

Ja, voor de zomer, maar ik hoop eerlijk gezegd eigenlijk al eerder.

De voorzitter:

Oké, in ieder geval voor de zomer.

Minister Sterk:

Ik zeg heel veel dingen toe en ik hoop dat mijn ambtenaren dat ook allemaal aankunnen. Maar ze knikken nog steeds vrolijk, dus ik denk dat dat gaat lukken.

De voorzitter:

Ja hoor, dat doen ze. Sorry, meneer Bushoff.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ik zou graag nog even willen doorgaan op het punt dat net gemaakt werd. Stel, er wordt voor 10 miljard euro per jaar gefraudeerd met publiek geld. Dat is iedereen een doorn in het oog. Ik denk dat mevrouw Coenradie dat net heel goed verwoordde. Dan willen we toch op zijn minst onszelf een doelstelling opleggen om te voorkomen dat een deel van dat geld wegvloeit uit de zorg? Hoe kijkt deze minister daarnaar? Wanneer is deze minister tevreden en wat gaat zij de komende tijd aanvullend doen om te zorgen dat heel veel van dat geld in ieder geval voor de zorg behouden blijft?

Minister Sterk:

Of dat bedrag van die 10 miljard klopt, is denk ik heel moeilijk te zeggen. Volgens mij heeft degene die dit bedrag heeft gecommuniceerd later moeten toegeven dat het helemaal niet zo duidelijk is. Waardoor komt dat? Dat geld gaat natuurlijk op verschillende plekken soms ook weer terug naar de zorg, en dat willen we ook graag. Ik vind het lastig om vervolgens te zeggen dat we er een soort KPI aan gaan koppelen: zoveel van dat bedrag moeten we nu gaan inzetten om eventueel andere zaken te dekken. Dat is heel ingewikkeld. Volgens mij gaat het er vooral om dat wij proberen te voorkomen dat mensen gaten vinden om te frauderen en dat als mensen frauderen, we zo snel mogelijk zorgen dat deze mensen daarvoor veroordeeld worden en dat dat geld weer teruggaat naar waar het hoort: bij de mensen die die zorg nodig hebben.

De voorzitter:

Een vervolgvraag, meneer Bushoff.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Wat ik zorgelijk vind, is … Stel dat dat bedrag van 10 miljard, dat door het OM wordt geschat, niet klopt. Laat het 5 miljard zijn. Waar hebben we het over? Over een orde van grootte tussen 5 tot 10 miljard. Dat is enorm veel geld. Dat geld vloeit nu onterecht weg uit de zorg. Daar kun je heel veel andere dingen mee doen. De beide ministers zeggen over heel veel van de bezuinigingen die nu worden voorgesteld: die willen we zelf ook niet. Die zou je dan misschien ook niet hoeven doen.

Minister Sterk:

Maar dat geld heb je pas als je die mensen op heterdaad hebt betrapt en als je dat geld hebt kunnen terugvorderen. Wij hebben het idee dat er zo veel geld rondgaat. Het OM denkt dat in ieder geval, maar daarmee hebben we het nog niet op onze rekening staan. Dat staat nog los van de vraag of je daarmee alle eventuele bezuinigingen kunt dekken. Het is belangrijk dat wij er alles aan doen om te voorkomen dat dit soort misbruik plaatsvindt. Daarin vindt u mij aan uw zijde. Dat hoor ik de Kamer ook zeggen. Als wij weten waar dat geld zit, dan moeten we zorgen dat het zo snel mogelijk teruggaat naar de zorg. Maar anticiperen op bedragen die mogelijk door fraude ... Het punt met fraude is dat je dat niet onmiddellijk in beeld hebt.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Dat klopt, maar ik vind het lastig dat het om zo veel geld gaat. Als dat inderdaad zo is, dan mag daar wel wat meer ambitie op getoond worden. Dan moeten we ervoor zorgen dat er een koppeling wordt gemaakt tussen de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders en het strafrecht, zodat het voor daders echt niet loont om te frauderen. Dan moeten we ook de winstuitkeringen in de zorg aan banden leggen, zodat de geitenpaadjes die er nu zijn en waar gebruik van wordt gemaakt inderdaad gedicht worden. Al dat soort maatregelen zie ik nu nog niet terug in het coalitieakkoord. Ik kan er nu al twee noemen. Als ik nog meer tijd krijg van de voorzitter …

De voorzitter:

Nee.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ik zie de voorzitter streng kijken. Als ik meer tijd krijg, dan zou ik er nog meer kunnen noemen. Waarom staan die niet in het coalitieakkoord? Is de minister bereid om deze alternatieven op heel korte termijn mee te nemen en aan de Kamer te sturen wat die zouden kunnen opleveren?

Minister Sterk:

Ik voel dat dit een belangrijk onderwerp is in deze Kamer. Het staat ook in het coalitieakkoord, dus ook wij voelen dit als een belangrijke opdracht. Het lijkt mij daarom goed dat wij hier binnenkort een overleg over hebben en dat ik in een brief aangeef wat we op dit moment doen en wat we eventueel nog meer zouden kunnen doen, zodat we daarover van gedachten kunnen wisselen in een gesprek met u. Alleen, de gedachte dat wij die 10 miljard kunnen inboeken voor andere zaken wil ik verre van mij werpen, want dat kan gewoon niet.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Ik denk dat een gesprek met de vaste Kamercommissie voor VWS heel erg belangrijk zou zijn, zodat we hierover goed van gedachten kunnen wisselen met elkaar. Waar ik me nog wel zorgen over maak ... Er wordt gezegd: als het OM het gaat ophalen. In eerdere debatten met de vorige ministers kreeg ik een helder beeld, namelijk dat als het OM het ophaalt, een groot deel daarvan naar Justitie en Veiligheid gaat en dus niet in de zorg terugkomt. Is de minister bereid om alles op alles te zetten zodat als we zo meteen aan nog betere fraudebestrijding gaan doen, waar ik nog op terugkom, het geld dat wordt opgehaald ook een-op-een terugkomt in de zorg? Want het is tenslotte zorggeld.

Minister Sterk:

Volgens mij is dat een onderwerp dat we dan bij de kop moeten pakken. We zullen moeten kijken hoe dat precies zit en of dat überhaupt een mogelijkheid is.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Nee, de vraag is of u zich daarvoor wilt inzetten. Wilt u, als minister van VWS samen met uw collega, ervoor zorgen dat dat geld gewoon naar VWS toe gaat? Wilt u toezeggen dat u zich daar keihard voor gaat inzetten?

Minister Sterk:

Ik zal mij er keihard voor inzetten om zorgfraude te voorkomen en om, als er geld uit de zorg is verdwenen, dat weer terug te krijgen in de zorg. Ik zeg u ook toe dat ik dit punt zal meenemen in het overleg dat we gaan hebben. U gaat mij nu verder niets meer ontlokken.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Claassen.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Tot slot. De collega voor mij benoemde al de Wibz. Die gaat hopelijk heel snel naar de Kamer komen. Ikzelf vind die wet nog niet streng genoeg, met name als het gaat over winstuitkeringen. Is de minister bereid om nog een keer goed naar die wet te kijken en om de Kamer adviezen te geven over wat wij nog meer kunnen doen om aan die wet te sleutelen, zodat we de winstuitkeringen maximaal kunnen beëindigen?

Minister Sterk:

Ik wil toezeggen dat we daar in ieder geval naar gaan kijken. We zullen kijken of er nog opties zijn om daar nog meer aan te sleutelen.

De voorzitter:

U heeft nog een schriftelijke vragenronde over de wet die naar de Kamer komt, maar dat weet u zelf natuurlijk als geen ander.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Sterker nog, ik heb een amendement klaarliggen op de Wibz, maar dat is heel erg streng. Ik regel het liever zo met elkaar dan dat er een heel, heel streng amendement gaat komen.

De voorzitter:

Dat gaan we allemaal nog zien.

Minister Sterk:

Dat klinkt heel dreigend.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik was wel blij om te horen dat er in ieder geval een betere screening komt, want het begint natuurlijk met ervoor zorgen dat al die simpele malafide zorgorganisaties niet in de zorg terechtkomen. Kan de minister daar nog iets meer over zeggen? Het was namelijk wel heel erg gemakkelijk om aan de slag te gaan in de zorg. Je had daar eigenlijk helemaal niets, maar dan ook niets, voor nodig.

Minister Sterk:

Dat is volgens mij ook de kern van de twee wetten die begin vorig jaar zijn aangenomen: zorgen voor de gegevensuitwisseling, zodat de verschillende signalen die er soms zijn bij elkaar worden gebracht. We hebben een Waarschuwingsregister zorgfraude. Dat maakt het mogelijk dat gemeentes zo nodig maatregelen treffen bij hun inkoopproces. Dat is eigenlijk wat u bedoelt: dat gemeentes er aan de voorkant echt een beeld van krijgen met wie ze zakendoen en dat dat dus niet die malafide zorgorganisaties zijn. Verder zijn gemeenten verplicht om signalen van zorgfraude te delen met het Informatie Knooppunt Zorgfraude. Dat is waar de verschillende signalen bij elkaar kunnen komen, zodat er vervolgens mee aan de slag gegaan kan worden. We willen ook iets gaan doen aan de vergunningen die worden gegeven. We willen voorkomen dat er vergunningen worden gegeven aan die malafide zorgorganisaties. Volgens mij hebben we de afgelopen tijd dus een aantal zaken in gang gezet om ervoor te zorgen dat malafide zorgorganisaties geen vergunning kunnen krijgen en geen contract kunnen afsluiten met de gemeente, waarmee ze de verkeerde dingen gaan doen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Collega Bushoff zei het al: volgens mij is een van de belangrijke dingen die meegenomen moeten worden dat er ook sancties opgelegd kunnen worden. Ik zou dat het liefst eisen. Er worden nu organisaties veroordeeld omdat zij voor vijf ton hebben gedeclareerd, terwijl ze voor twee ton geleverd hebben. Dan zegt de rechter: die drie ton hoeft u niet te betalen, maar die twee ton moet u wel betalen. En dat is het dan. Er volgt geen enkele sanctie voor dit soort misdrijven. Wat kan de minister hierin betekenen?

Minister Sterk:

Ik heb de neiging om hier te veel op in te gaan. Ik zou heel graag met u hierover doorpraten. Ik heb daar zelf ook ideeën over. Ik heb toegezegd dat wij een brief sturen. Ik zou hier heel graag een commissiedebat over voeren. Dan kunnen we hier verder op ingaan.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Van Brenk.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik stel aan de collega's voor om ons dan ook voor te bereiden met een rondetafel. Daarmee kunnen we ons in ieder geval heel goed voorbereiden op dit gesprek.

De voorzitter:

Dat kunt u via de procedurevergadering initiëren. Mevrouw Coenradie. Ik wil ook naar de tweede termijn.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ja, voorzitter, maar zo veel interrupties heb ik niet gepleegd. Die ruimte wil ik nu dus ook graag even nemen. Twee zaken. We hebben net toch een vreemd gesprek gehad over die zorgfraude. Het laat me eventjes niet los. Ik hoor net van de minister dat dit amendement met zo'n dekking inderdaad ontraden moet worden, maar ik hoor achter de schermen dat het gewoon op "oordeel Kamer" staat. Dat bevreemdt mij. Ik krijg daar echt wel een beetje de kriebels van. Wat is hier nu precies aan de hand? Dat is één.

Dan het andere: Filomena. Dat is een heel ander onderwerp. In mijn bijdrage heb ik een pleidooi gehouden voor landelijke uitrol. Ik snap dat dat allemaal niet zo makkelijk is. Daar is ook geld mee gemoeid. Het is nu eigenlijk ook decentraal georganiseerd in de Wmo. Dat wordt ook gezegd in de beantwoording. Dat vraagt dus een aanpassing. Ik snap dat je dat niet snel en ondoordacht wil doen, maar kan deze minister niet uitzoeken wat de implicaties van zo'n aanpassing zijn? Wat zijn de voor- en nadelen, financieel, juridisch, uitvoeringstechnisch et cetera? Dat zou ik graag van de minister willen horen.

Minister Sterk:

Zoals net ook al is aangegeven door het lid Coenradie, is dit vooral een zaak voor de gemeentes. Ik heb volgens mij ook aangegeven dat ik graag een keer met u wil gaan kijken bij deze organisatie. Volgens mij moeten we daar maar eens even het gesprek over voeren, want ik wil me daar graag beter over laten informeren.

Wat betreft het amendement: ik stel voor dat ik daar dadelijk even op terugkom bij de appreciatie van de amendementen.

De voorzitter:

Ja. We lopen de amendementen van deze minister zo allemaal langs.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Dan verwacht ik ook dat er wel ruimte is om daarop in te gaan als blijkt dat het nu inderdaad oordeel Kamer is, contrair aan wat de minister zojuist heeft gezegd.

De voorzitter:

Net als bij minister Hermans is daar ook bij deze minister ruimte voor.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik wil daar toch even op reageren, omdat het een amendement is van mijzelf en mevrouw Wendel waar steeds naar verwezen wordt. Ik kan me voorstellen dat er iets van verwarring ontstaat, want daarin reserveren we inderdaad twee ton voor de aanpak van diplomafraude in de jeugdzorg, omdat we weten dat er nu mensen met valse diploma's in de jeugdzorg werken en daar ook actief kinderen aan het ronselen zijn voor de criminaliteit. Als ik naar de dekking kijk, dan zie ik dat die middelen gereserveerd zijn vanuit het AZWA en dat ze specifiek bedoeld zijn voor het bestrijden van zorgfraude. Dat is dus iets anders dan dat het uit de opbrengsten van zorgfraude zou komen. Dat wil ik hier even genoemd hebben.

De voorzitter:

Minister, kunnen we de amendementen met u doorlopen?

Minister Sterk:

Ja, voorzitter. Ik zou alleen heel kort een schorsing willen. Ik heb namelijk het idee dat ik hier niet alle amendementen heb. Ik wil even zeker weten dat ik ze wél heb, anders zorgt het dadelijk alleen maar voor verwarring. Ik heb ook nog een vraag te beantwoorden van mevrouw Dobbe. Dat had ik toegezegd in de eerste termijn. Dat wou ik dus graag nog even doen.

De voorzitter:

Oké.

Minister Sterk:

De vraag van mevrouw Dobbe ging over het ondersteuningsteam voor het oprichten van zorgbuurthuizen. We hebben eerst onderzoek gedaan hoe het ondersteuningsteam eruit moet komen te zien. Dat onderzoek is nog niet helemaal definitief. Het wordt nog deze maand afgerond. We komen voor de zomer met het onderzoek en een reactie over hoe we het ondersteuningsteam gaan inrichten. De verwachting is dat we het per 1 januari 2027 kunnen realiseren. We zijn dus echt serieus aan de slag.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik begrijp dat er vanuit ons dus geen extra inspanning nodig is om hier extra geld voor te reserveren. Of is dat wel zo? Het amendement dat wij aangenomen hebben gekregen, is namelijk van vorig jaar.

Minister Sterk:

Laat ik het zo zeggen: we zijn serieus aan de slag met het amendement. We zitten nog in de uitwerking. Daar hoort u eind deze maand al iets over. We komen vervolgens voor de zomer met informatie over hoe we dat gaan inrichten. Later meer, zou ik zeggen.

De voorzitter:

Wordt vervolgd.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dan hoop ik wel dat we niet teruggekoppeld krijgen dat er onvoldoende middelen zijn om dit te doen. Dat had ik dan namelijk liever nu gehoord. Het amendement had die middelen dan gewoon geregeld. Snapt u wat ik bedoel, minister?

Minister Sterk:

Ja, ik begrijp wat u bedoelt. Het is natuurlijk altijd aan het lid Dobbe zelf om te gaan over wat ze wil bereiken in het debat. Dit is wat ik op dit moment kan toezeggen.

De voorzitter:

Mevrouw Bikker heeft nog een interruptie voor u, minister, voordat we naar de amendementen gaan.

Minister Sterk:

Nee, voorzitter, ik heb nog een klein stukje eindtekst, zoals ik had aangegeven.

De voorzitter:

O, u heeft nog eindtekst. Eerst mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Misschien zit het dan nog daarin. Ik had namelijk nog vragen gesteld over de palliatieve zorg en over de hospicezorg.

Minister Sterk:

Daar kan ik heel kort over zijn: dat wil ik u graag toezeggen. Ik denk namelijk dat het een hele mooie en belangrijke vorm van zorg is in onze samenleving. Er was overigens ook een vraag over het bestedingsplafond dat in de palliatieve zorg zou liggen. Dat wordt eigenlijk nooit gehanteerd. De palliatieve zorg is dus altijd mogelijk. Maar in antwoord op uw vraag: dat gaan we doen.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Daar ben ik heel blij mee. Als we elkaar goed begrijpen, wordt het Nationaal Programma Palliatieve Zorg doorgezet. Ook kijkt de minister naar de hospicezorg. Als daar nieuwe capaciteitsgroei nodig is — dat verwachten we eigenlijk als we naar de demografie kijken — kijkt ze hoe die ook op een goede manier vorm kan krijgen.

Minister Sterk:

Ja, dat zeg ik hierbij toe.

De voorzitter:

Oké. Dan komen we bij het uitgeleide.

Minister Sterk:

Dit zijn echt de allerlaatste woorden, voorzitter. Ik weet dat huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen voor veel Kamerleden een belangrijk thema is. Het is voor mij als minister, als vrouw en als moeder ook een belangrijk thema. Ik voel me dan ook verantwoordelijk om dit onderwerp als coördinerend bewindspersoon op de agenda te houden, samen met mijn betrokken collega's. Ik ben daarom ook heel blij met het initiatief van Kamerlid Coenradie om een chatfunctie die 24 uur per dag bereikbaar is, mogelijk te maken bij Veilig Thuis.

Voorzitter, ik ga afronden. Dat hou ik heel erg kort. We hebben dagenlang heel uitgebreid gesproken over alles wat in de zorg belangrijk is, voor nu en in de toekomst. De begroting van dit bijzondere ministerie gaat over heel veel, maar ook over het herdenken van de oorlog. Onder anderen de heer Bevers stond daar al even bij stil. Die oorlog begon meer dan 85 jaar geleden. Tegelijkertijd voelt die verschrikkelijke periode actueler dan ooit. Het is dan ook een grote eer om daar de komende jaren op allerlei manieren, samen met uw Kamer en collega's uit het kabinet, bij herdenkingen en andere activiteiten, een bijdrage aan te leveren. Opdat wij nooit vergeten.

De voorzitter:

Dank u wel. We komen bij de amendementen. Ik kan u even helpen, minister. Een hoop amendementen zijn natuurlijk al in WGO's beoordeeld. Zal ik de nummers voor u opnoemen? Helpt dat?

Minister Sterk:

Ja. Dan hoop ik dat ik ze inderdaad ook allemaal hier heb met een advies. De Kamer krijgt er natuurlijk graag een antwoord op.

De voorzitter:

Jazeker. Ze hebben namelijk allemaal in een brief een oordeel gekregen. Omwille van de orde van het debat is het belangrijk dat we het ook in het debat uitspreken. Dus tenzij u van gedachten bent veranderd, ligt het voor de hand om het oordeel uit de brief te herhalen.

Het eerste amendement is het amendement op stuk nr. 28 van het lid Bushoff over de dekking voor het stimuleren van het verenigingsleven in het aardbevingsgebied.

Minister Sterk:

Dat wil ik ontraden, maar ik ben wel bereid om met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in gesprek te gaan om te kijken hoe hij die vrijwilligers kan ondersteunen.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 32 van het lid Coenradie over middelen voor 24/7-bereikbaarheid van de chatfunctie van Veilig Thuis.

Minister Sterk:

Daar heb ik net al iets over gezegd; oordeel Kamer.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 72 van het lid Dobbe, ter vervanging van het amendement op stuk nr. 18, over extra middelen investeren in goede arbeidsvoorwaarden voor zorgverleners.

Minister Sterk:

Dat moet ik ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 74 van het lid Dobbe, ter vervanging van het amendement op stuk nr. 20, over middelen om de geplande bezuinigingen op ouderenzorg te voorkomen.

Minister Sterk:

Ook dat moet ik helaas ontraden.

De voorzitter:

Dan het amendement op stuk nr. 82 van de leden Westerveld en Beckerman over middelen om de subsidie aan de Nederlandse Straatdokters Groep te continueren.

Minister Sterk:

Dat is oordeel Kamer.

Ik heb hier ook nog het amendement op stuk nr. 75.

De voorzitter:

Ja, heel goed.

Minister Sterk:

Dat is ook een amendement van het Kamerlid Westerveld. Ook dat is oordeel Kamer.

De voorzitter:

Oordeel Kamer. Dat amendement gaat over middelen om overleg tussen de minister en belangenorganisaties voor ervaringsdeskundige jongeren in de jeugdzorg te faciliteren.

Volgens mij — ik kijk ook even naar rechts, naar mijn geweten — hebben we ze nu allemaal gehad. Mist u een appreciatie, mevrouw Coenradie?

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ja, ik mis nog een amendement. Ik heb net een paar keer een punt gemaakt van een amendement, maar nu is dat amendement opeens verdwenen.

De voorzitter:

Bedoelt u het amendement-Synhaeve/Wendel over middelen om de problemen omtrent evc-certificering op te lossen? Dat heeft een oordeel gekregen bij het WGO over het begrotingsonderdeel Jeugd.

Mevrouw Coenradie (JA21):

En dat is oordeel Kamer.

De voorzitter:

Ja, dat is oordeel Kamer.

Mevrouw Coenradie (JA21):

In dat oordeel staat dat de dekking voor 2027 kan worden gevonden in de AZWA-middelen voor het bestrijden van zorgfraude. Dat betekent dat er geld uit de bestrijding van zorgfraude wordt gehaald om dit te dekken.

Minister Sterk:

Ik denk dat de indieners zelf gaan over wat er precies bedoeld wordt met dit amendement.

De voorzitter:

Ja, misschien kunt u dat onderling …

Mevrouw Coenradie (JA21):

We hebben het hier volgens mij over de urgentie van het aanpakken van die zorgfraude en in het eerste debat dat we daarover voeren, halen we even wat geld weg van die bestrijding van de zorgfraude. Ik ben nu dus even in de war, want dit klinkt een beetje contrair aan de eigen plannen van het kabinet.

Minister Sterk:

Ik heb het amendement hier niet. Het is mij ook onduidelijk of het wel of niet is ingediend. Ik stel voor dat ik hier in de tweede termijn even op terugkom.

De voorzitter:

Ja. Mevrouw Wendel, u kunt niet via een interruptie een vraag van mevrouw Coenradie beantwoorden. U moet dus een hele slimme list verzinnen om via een vraag aan de minister helderheid te geven, maar daar hebben we ook een tweede termijn voor. Ik stel dus voor om daarmee te beginnen. Ik kijk naar de Kamer: kan dat? Meneer Bushoff heeft twee minuten nodig. Het is niet zo dat we hier niet al een tijdje met elkaar zitten, meneer Bushoff. Nou, we schorsen voor twee minuten. Daarin gaan we even de handen wassen en dan starten we de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors voor een enkel moment.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen dit debat. We spreken over de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. We starten met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. De eerste spreker in de tweede termijn is de heer Bushoff, die spreekt namens GroenLinks-PvdA.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst natuurlijk dank voor de beantwoording door beide nieuwe ministers. Natuurlijk ook dank aan de ambtenaren, die keihard hebben gewerkt, zeker bij de eerste termijn van de Kamer. Het was laat, en dan weet je altijd dat er daarna nog ambtenaren zitten die nog verder werken aan de beantwoording van al onze vragen en dat dan de ministers er nog naar moeten kijken. Dus dank voor dat vele werk.

Dan heb ik nog enkele moties, voorzitter. Ik begin met de motie over het onderwerp waarmee we net eindigden in het debat: zorgfraude.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat jaarlijks naar schatting 10 miljard euro aan kostbaar gemeenschapsgeld voor de zorg weglekt naar zorgfraude;

verzoekt de regering in de begroting voor 2027 een taakstelling op te nemen om zo veel mogelijk, maar ten minste 1%, van het totale bedrag aan zorgfraude te behouden voor de zorg, en hier halfjaarlijks over te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bushoff, Diederik van Dijk, Van Brenk, Kostić, El Abassi, Bikker, Coenradie en Wiersma.

Zij krijgt nr. 100 (36800-XVI).

Moment. Mevrouw Wendel, hebt u een vraag over deze motie? Ja. Ik geef u het woord.

Mevrouw Wendel (VVD):

Volgens mij is het helder dat wij het doel met elkaar delen, dat wij het belangrijk vinden dat zorggeld besteed wordt aan zorgbehoevenden in plaats van aan criminelen. Maar toch heb ik echt een nare bijsmaak aan deze motie. Dat is ook de reden waarom mijn naam er niet onder staat. Deze motie vormt namelijk een perverse prikkel om bijna dwangmatig geld op te gaan halen. Ik vind het belangrijk dat we ervoor zorgen dat het geld niet in de zakken van criminelen verdwijnt, maar ik vind het ook belangrijk dat we niet mensen in een positie brengen waarin ze bijna dwangmatig aan de slag gaan om geld op te halen. Ik vraag de heer Bushoff of hij dit gevoel deelt, of dat hij volhardt in zijn keuze om deze perverse prikkel te creëren.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

De vraag is me eigenlijk niet helemaal duidelijk. Als we met z'n allen constateren dat er zorgfraude plaatsvindt voor een geschat bedrag van zo'n 10 miljard euro per jaar, of laat het voor mijn part 5 miljard euro per jaar zijn, en als we met z'n allen zeggen dat we dat verschrikkelijk vinden omdat dat geld voor de zorg beschikbaar moet blijven, dan lijkt het me heel schappelijk dat je op z'n minst zegt: we willen niet dat, om schappelijk te beginnen, ten minste 1% van dat geschatte bedrag van 10 miljard, of laat het 5 miljard zijn, volgend jaar weglekt naar de zakken van zorgcriminelen, maar we willen dat dat behouden blijft voor de zorg. Ik zie eigenlijk niet in waarom we dat met z'n allen niet zouden willen. Aan het begin van mijn inbreng had ik de lat hoog gelegd voor deze ministers, dus die 1% vind ik eigenlijk wel vrij schappelijk.

De voorzitter:

Mevrouw Wendel, een vervolgvraag.

Mevrouw Wendel (VVD):

Volgens mij is het helder dat als er 10 miljard opgaat aan zorgfraude, je die volledige 10 miljard wilt terughalen. Alleen, u weet ook dat er een verschil is tussen een doelstelling en een taakstelling. Als wij hier een taakstelling neerzetten, dan betekent dat dat mensen op een ministerie echt aan de slag moeten om dat geld op te halen, koste wat het kost. De VVD heeft geen goede ervaringen met op dit soort manieren taakstellingen inboeken. Ik wil de heer Bushoff dus echt vragen of hij volhardt in zijn keuze. Of zegt hij: "Nee. We staan zij aan zij om zorgfraude aan te pakken. We proberen die volledige 10 miljard terug te halen en te besteden waarvoor dat nodig is. Maar we creëren geen perverse prikkel in het systeem."

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Er wordt door de coalitie 10 miljard euro bezuinigd op de zorg. Een taakstelling van 10 miljard euro! Als we dan met een hele grote groep uit de Kamer zeggen dat we willen dat er geld wordt opgehaald daar waar het weggehaald kan worden, namelijk bij mensen die frauderen in de zorg, dan zegt de VVD opeens: nou, liever niet. Ik vind dat totaal onbegrijpelijk. Er zit nog even tijd tussen het indienen van deze motie en de stemmingen van dinsdag. Als het de VVD menens is, dan mag ik toch hopen dat ze gewoon voor dit voorstel stemmen.

De voorzitter:

Tot slot nog, mevrouw Wendel.

Mevrouw Wendel (VVD):

Ik vind dit echt veel te makkelijk. Ik denk dat de heer Bushoff dat ook weet. Ik hoop echt dat we zij aan zij gaan staan om deze zorgfraude aan te pakken. Maar nogmaals wil ik echt benadrukken dat we die perverse prikkel niet mogen creëren.

De voorzitter:

Meneer Bushoff. U heeft nog een motie.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ja, tot slot nog heel kort hierover, hoor. Er wordt 10 miljard euro bezuinigd op allerlei posten in de zorg. Daar gaan mensen keihard door geraakt worden. Keihard worden ze daardoor geraakt! En dan zouden we mensen die misbruik maken van publiek geld niet zo hard moeten aanpakken of maar een beetje moeten laten lopen? Nee, volgens mij moeten we dat niet doen. Volgens mij moeten we echt onszelf de doelstelling opleggen om in ieder geval een deel van het geld dat uit de zorg weglekt, te behouden voor de zorg.

De voorzitter:

Ook mevrouw Coenradie heeft een interruptie voor u over dit punt.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Het verbaast mij inderdaad ook dat nu met name de VVD zo veel kritiek heeft op een motie die toch wel outputgericht is. Ik vind het heel bijzonder. Sterker nog, ik zou eigenlijk aan de indiener van deze motie willen vragen of het mogelijk is iets meer te maken van die 1%. Elk miljard dat we binnen kunnen halen, is meegenomen. En ja, dat moet gewoon met KPI's. Dat moet gewoon met afrekenbare getallen. Ik ben daar groot voorstander van.

De voorzitter:

Wat is uw vraag, mevrouw Coenradie?

Mevrouw Coenradie (JA21):

Is het mogelijk om dat getal zelfs nog iets omhoog te brengen? 1% is vrij bescheiden.

De voorzitter:

De motie is ingediend. U weet wat het proces is om een motie na indiening te wijzigen. We gaan luisteren naar de tweede motie van de heer Bushoff.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Zeker, voorzitter. U gaat over de orde. Ik ga gelijk door.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om producten waarnaar door de NVWA een lopend onderzoek wordt verricht vanwege ernstige twijfels over de veiligheid, tijdelijk verplicht uit de verkoop te halen en hier indien nodig een wettelijke basis voor te creëren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bushoff, El Abassi, Kostić, Van Brenk en Dobbe.

Zij krijgt nr. 101 (36800-XVI).

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Dan kom ik toe aan de laatste motie, voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de zorg voor grote uitdagingen staat met personeelstekorten, wachtlijsten, vergrijzing en toenemende kosten;

overwegende dat bezuinigingen inboeken zonder plan om de zorg beter te maken geen oplossing biedt voor de uitdagingen in de zorg;

overwegende dat de politiek de verantwoordelijkheid heeft de zorg beter te maken en verbeteringen ook geld kunnen opleveren;

verzoekt de regering ook alternatieve maatregelen uit te werken voor de plannen in het coalitieakkoord die de zorg wel beter maken en geld opleveren, zoals het in loondienst nemen van medisch specialisten, het aanpakken van excessieve beloningen (iedereen in de zorg onder WNT-normen), prijsdifferentiatie voor zbc's en ziekenhuizen, het stoppen met het omzeilen van het winstverbod in de ouderenzorg voor zorg met verblijf en het aanpakken van perverse financiële prikkels waarbij lichte zorg meer loont dan zware zorg,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bushoff, Bikker, El Abassi, Kostić, Van Brenk, Dobbe en Claassen.

Zij krijgt nr. 102 (36800-XVI).

Dank u wel. U had nog één seconde over.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Eén seconde over.

De voorzitter:

Wat een enorme pro bent u. We gaan luisteren naar de tweede termijn van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, ik heb twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat verpleegkundige kinderzorghuizen en verpleegkundige kinderdagverblijven onmisbaar zijn, omdat kinderen hier noodzakelijke (medische) hulp krijgen en zich kunnen ontwikkelen, en tegelijkertijd mantelzorgers worden ontzorgd;

constaterende dat zowel ouders als medewerkers eind januari werden geconfronteerd met het voornemen tot sluiting van vier locaties van ExpertCare per 31 maart;

constaterende dat er voor veel kinderen, gelet op de specialisatie van ExpertCare, geen passend alternatief is;

overwegende dat er naar schatting behoefte is aan twintig medische logeerhuizen in het hele land en met de sluiting van de zorgvilla's er nog maar drie overblijven;

verzoekt de regering om te zorgen dat alle locaties openblijven en hierover met spoed in overleg te treden met ExpertCare, hun cliëntenraad en het personeel, zodat de continuïteit niet in het gedrang komt;

verzoekt de regering tevens om met belangenorganisaties, zorgverzekeraars en de NZa een duurzaam plan te maken, met passende financiering en een wervings- en opleidingsaanbod voor personeel zodat er een landelijk dekkend aanbod van ten minste twintig voorzieningen wordt gerealiseerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld, Dobbe en Bikker.

Zij krijgt nr. 103 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het aantal dak- en thuisloze mensen alleen maar stijgt;

constaterende dat de tussentijdse evaluatie van de voortgang van het Nationaal Actieplan Dakloosheid ook concludeert dat de ambitie van nul dak- en thuisloze mensen in 2030 op deze manier en met dit tempo niet wordt gehaald en de juiste randvoorwaarden hiervoor ontbreken;

verzoekt de regering om álle aanbevelingen uit de tussentijdse evaluatie op te volgen en de Kamer vóór het commissiedebat Maatschappelijk domein te informeren over welke stappen zijn genomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Bikker.

Zij krijgt nr. 104 (36800-XVI).

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Ik wil mijn laatste halve minuut gebruiken om alle medewerkers en iedereen die ons ondersteunt, heel hartelijk te bedanken. Ik wil specifiek één persoon noemen: Yorinde. Ze zit achter in de zaal. Zij is zes jaar lang onze beleidsmedewerker geweest en heeft een hele belangrijke rol gespeeld in onze fractie en voor heel veel mensen in het land. We gaan haar óntzettend missen. Ik wens haar heel veel succes bij haar volgende uitdaging!

(Geroffel op bankjes)

De voorzitter:

Dank u wel. We gaan luisteren naar de tweede termijn van mevrouw Vliegenthart.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):

Ik begin meteen!

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de vaccinatiegraad tegen HPV onder meisjes en jongens die in 2022 zijn uitgenodigd respectievelijk 62,5% en 56,6% bedraagt;

constaterende dat dit percentage aanzienlijk lager ligt dan het door de WHO gestelde doel van 90% voor kinderen onder de 15;

constaterende dat jaarlijks circa 900 vrouwen in Nederland baarmoederhalskanker krijgen en meer dan 200 vrouwen hieraan overlijden;

constaterende dat het HPV-vaccin effectief is in het voorkomen van HPV-infecties en voorstadia van baarmoederhalskanker;

overwegende dat landen als Zweden en Australië er wel in slagen een vaccinatiegraad van meer dan 80% te bereiken;

overwegende dat eerdere HPV-inhaalcampagnes en de fijnmazige wijkgerichte vaccinatieaanpak hebben laten zien dat wijkgerichte inspanningen leiden tot een substantiële verhoging van de vaccinatiegraad;

verzoekt de regering om als doel te stellen dat in 2030 ten minste 80% van de kinderen vóór hun 15de levensjaar volledig is gevaccineerd tegen HPV, en de Kamer jaarlijks te informeren over de voortgang,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Vliegenthart, Van Brenk, Kostić en Dobbe.

Zij krijgt nr. 105 (36800-XVI).

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):

En toen was mijn tijd om, dus mijn andere motie komt op een ander moment.

De voorzitter:

Dank u wel. Lange moties vergen veel tijd, ja. Mevrouw Synhaeve, die spreekt namens D66, nodig ik uit voor haar tweede termijn. Klopt mijn klokje? Dan heeft u nog vier minuten.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik dacht dat wij er zeven zouden hebben, aangezien ik als enige het woord voer. Maar we moeten maar even kijken.

De voorzitter:

Nou, dat gaat snel.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik zal niet zeven minuten nodig hebben, voorzitter.

Dank aan de ministers voor de eerste termijn. Goed om te horen dat er echt ambitie is om te bouwen aan een gezonde samenleving en betere zorg voor de toekomst. Dat geeft vertrouwen. Nu is het tijd om aan de slag te gaan.

In de eerste termijn werd duidelijk dat we het breed in deze Kamer in ieder geval hierover eens zijn: zoals het systeem nu is ingericht, kan het niet verder. Als we niets doen, moet straks een op de vier Nederlanders in de zorg werken, zijn mensen maandelijks steeds meer kwijt aan zorgpremie en groeien de wachtlijsten, waardoor mensen die het hardst zorg nodig hebben, daar nog langer op moeten wachten. Dat moeten we voorkomen. Juist daarom is het zo belangrijk dat er nu met het coalitieakkoord een duidelijke richting ligt waarin we samen kunnen voortbouwen. We zetten volop in op gezondheid, want elke ziekte die we voorkomen, betekent minder druk op de zorg en meer ruimte voor zorgverleners om te doen waar ze het best in zijn: zorg geven aan de mensen die echt zorg nodig hebben.

Gezondheid begint namelijk niet in het ziekenhuis, maar in het dagelijks leven, in de buurt waar je woont, op school, op het werk en in de omgeving waar je opgroeit. Daarom investeren we in sport en bewegen, in gezonde voeding, in mentale gezondheid en in het allerbeste onderwijs. Daarmee bouwen we aan de gezondste generatie ooit. Maar het gaat ook over hoe we ons als samenleving organiseren. Er zijn heel veel goede voorbeelden van hoe dat kan: zorgzame buurten waar ouderen langer zelfstandig kunnen wonen met ondersteuning uit hun eigen omgeving, plekken waar mensen naar elkaar omkijken en elkaar helpen voordat professionele zorg nodig is. In de ggz zien we steeds vaker netwerkzorg, waarbij professionals samenwerken met familie, vrienden en andere mensen rondom iemand om herstel mogelijk te maken. Dat zijn precies de bewegingen die we nodig hebben en die we willen versterken.

Zorg zou immers moeten gaan over kwaliteit van leven; niet alleen behandelen wanneer mensen ziek zijn, maar juist mensen helpen om gezond te blijven, om mee te doen en om zo lang mogelijk zelfstandig te leven. Dat betekent ook dat we de professionele zorg beter kunnen inrichten op mensen met complexe en zware zorgvragen. In de jeugdzorg en in de ggz werken we daarom aan hervormingen die ervoor zorgen dat tijd, aandacht en capaciteit terechtkomen waar ze het hardst nodig zijn. Zo houden we de zorg toegankelijk en betaalbaar voor iedereen.

Voorzitter, tot slot. Om die zorg betaalbaar te houden voor iedereen is een concrete maatregel waar we veel belang aan hechten het opknippen van het eigen risico. Door per behandeling een vast bedrag te betalen voorkomen we dat mensen in één keer een hoge rekening krijgen en zorg gaan mijden. Dat betekent dat zorg voor iedereen beter betaalbaar wordt en dat we de drempel om naar de dokter te gaan, of de drempel vanwege de verwijzing die daarop volgt, uit de weg gaan. Daarom vinden we het heel belangrijk dat het kabinet hier tempo mee maakt. Daarom dienen we de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet van plan is het eigen risico op te knippen, waarbij mensen maximaal €150 per behandeling betalen in plaats van hun totale eigen risico in één keer;

overwegende dat het wenselijk zou zijn om een verhoging van het eigen risico in samenhang te bezien met de mogelijkheid tot het opknippen;

verzoekt de regering om ervoor te zorgen dat het opknippen in maximaal €150 eigen risico per behandeling gebundeld wordt met de verhoging van het eigen risico in één wetsvoorstel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Synhaeve, Vervuurt en Dassen.

Zij krijgt nr. 106 (36800-XVI).

Dat leidt tot een vraag van de heer Bushoff.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, ik ga niet het hele debat over eigen risico en noem maar op overdoen, maar ik heb een eigenlijk wat meer technische vraag — misschien moet mevrouw Synhaeve 'm ook doorgeleiden naar het kabinet — namelijk of dat überhaupt mogelijk is. Ik ben er helemaal geen voorstander van, maar is het überhaupt mogelijk om die tranchering van het eigen risico al volgend jaar te laten ingaan? Dat is namelijk wat u vraagt. Weet u of dat technisch haalbaar is?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Voor de technische beantwoording kijk ik echt naar het kabinet. Ons verzoek is om ervoor te zorgen dat het wetsvoorstel in één pakketje naar ons toe komt, zodat we het goed gezamenlijk kunnen beoordelen.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Tot slot, voorzitter. Als je het zo beredeneert, zou het ook zo kunnen zijn dat u eigenlijk zegt: stel dat het niet haalbaar is om die tranchering van het eigen risico in 2027 alvast door te voeren, dan willen we die verhoging van het eigen risico ook nog niet naar de Kamer sturen. Dat is wat u dan eigenlijk zegt.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Als we kijken … O, sorry, voorzitter.

De voorzitter:

U heeft het woord.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Als we kijken naar wat we hebben afgesproken, staat er toch echt 2027.

De voorzitter:

Mevrouw Bikker, voor een vraag op dit punt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik sta ook nog te kauwen op de vraag of dit nou uitstel van de plannen betekent. Maar de vraag die ik nu wil stellen, is wat technischer. Ik heb begrepen dat de senaat ooit de motie-Hoekstra heeft aangenomen. Toen werd gezegd: doe geen twee eigenstandige voorstellen in één wet, want je moet de hele wet verwerpen of aanvaarden. In alle rust en vriendelijkheid vraag ik dus of dit nou wel zo slim is, aangezien beide voorstellen daarmee op de tocht kunnen komen te staan.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Het antwoord op de eerste vraag is dat het sowieso geen uitstel van de plannen betekent. Wat betreft vraag twee denken wij dat het belangrijk is om het in samenhang te kunnen bezien en te kunnen wegen. Vandaar dat wij die keuze hebben gemaakt. Het is uiteindelijk natuurlijk aan u als Kamer om de keuze te maken of we dat wel of niet doen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

In alle rust wil ik zeggen dat over die tranchering wat mij betreft best te praten valt, maar over die enorme verhoging van het eigen risico niet. Ik denk dat dat voor meer partijen geldt. Het maakt het wetsvoorstel dus wat spannender, maar dat mag.

De voorzitter:

Ook mevrouw Keijzer heeft op dit punt een vraag voor mevrouw Synhaeve.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Mijn vraag is wat minder rustig en vriendelijk. Is hiervan nou de bedoeling dat je, als je straks tegen de verhoging van het eigen risico stemt, door D66 medeplichtig wordt gemaakt aan het voorkomen van het opknippen van het eigen risico bij behandelingen?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Nee, dat is niet de inzet.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Dan zou ik tegen mevrouw Synhaeve willen zeggen: dien die motie niet in. Dat is namelijk wel het nettoresultaat. Ik leen me daar in ieder geval niet voor.

De voorzitter:

De motie is ingediend. We gaan daar op een ander moment over stemmen. Meneer Vervuurt voert niet het woord in de tweede termijn, dus we gaan luisteren naar mevrouw Maeijer van de PVV.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Ik zie dat ik meer minuten heb dan ik dacht, voorzitter.

De voorzitter:

Ja, soms zit het mee.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Dat biedt hoop voor mijn collega, die ook nog gaat spreken.

Voorzitter. Dit kabinet bezuinigt keihard op de zorg: het eigen risico gaat omhoog naar €520, de eigen bijdrage in de wijkverpleging wordt ingevoerd, de tegemoetkoming voor chronisch zieken wordt afgeschaft, er komen nieuwe tariefkortingen in de ouderenzorg en in de gehandicaptenzorg, en de envelop ouderenzorg wordt wegbezuinigd. De rekening hiervoor wordt neergelegd bij patiënten, bij chronisch zieken, bij ouderen en bij gehandicapten. Daarom de volgende moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering de envelop ouderenzorg structureel te investeren in de ouderenzorg, ten behoeve van kleinschalige verzorgingshuizen en extra verpleegplekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Maeijer.

Zij krijgt nr. 107 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering het eigen risico in de zorg af te schaffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Maeijer.

Zij krijgt nr. 108 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering er hoe dan ook voor te zorgen dat het Zuyderlandziekenhuis volwaardig openblijft,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Maeijer en Wilders.

Zij krijgt nr. 109 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om meevallers in de Zorgverzekeringswet automatisch in te zetten voor lastenverlichting via een verlaging van de premies,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Maeijer.

Zij krijgt nr. 110 (36800-XVI).

Mevrouw Maeijer (PVV):

Tot slot, voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat het persoonsgebonden budget een mooi instrument is waarmee mensen regie kunnen houden over hun zorg;

overwegende dat daarbij een goede balans moet worden gevonden tussen het voorkomen van misbruik van gelden en het vereenvoudigen van de omvangrijke last van werkgeverschap van de budgethouder;

verzoekt de regering niet te tornen aan de keuzevrijheid voor het pgb,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Maeijer en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 111 (36800-XVI).

Mevrouw Maeijer (PVV):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de bijdrage van mevrouw Van Meetelen, ook namens de PVV.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Dank u, voorzitter. Geen verwarring meer over Maeijer en Van Meetelen; dat scheelt.

Ik heb twee moties naar aanleiding van mijn inbreng. Daarna stel ik nog een vraag.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat leefstijlpreventie in toenemende mate wordt ingezet om normatief gedrag af te dwingen;

overwegende dat preventie geen vrijbrief mag zijn voor overheidsbemoeienis met het privéleven van burgers;

overwegende dat de overheid een informerende rol heeft en geen opvoedende rol richting volwassen Nederlanders;

verzoekt de regering om leefstijlpreventie strikt te beperken tot voorlichting en informatievoorziening en geen beleid te ontwikkelen of uit te voeren dat leefstijlkeuzes van volwassenen stuurt via financiële prikkels, verplichtingen of sancties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.

Zij krijgt nr. 112 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de overheid zich in toenemende mate bemoeit met de leefstijlkeuzes en persoonlijke keuzes van volwassen Nederlanders;

overwegende dat volwassen burgers primair zelf verantwoordelijk zijn voor hun keuzes, zolang zij anderen niet schaden;

overwegende tevens dat kinderen die onder toezicht of verantwoordelijkheid van de overheid vallen, recht hebben op maximale veiligheid en effectieve bescherming;

verzoekt de regering te stoppen met betuttelend beleid gericht op volwassen Nederlanders en te kiezen voor informatie en keuzevrijheid in plaats van dwang;

verzoekt de regering tegelijkertijd de verantwoordelijkheid van de overheid voor de veiligheid van kinderen onder toezicht te versterken, met duidelijke verantwoordelijkheidslijnen en effectieve bescherming,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.

Zij krijgt nr. 113 (36800-XVI).

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ik had nog een vraag over de backpay. Daar hebben we het namelijk niet meer over gehad. In de schriftelijke beantwoording staat wel dat snelheid vereist is, maar er staat geen tijdlijn. Er staat "medio 2027". Het gaat echter om hoogbejaarde weduwen, dus ik zou zeggen dat er in plaats van snelheid een turbo nodig is. Ik heb dus de volgende vragen aan de minister. Welke stap in de tijdlijn is de kritieke vertrager? Welke versnelling, eventueel met een harde datum, kunt u vandaag nog toezeggen?

De voorzitter:

Dank u wel. Wilt u nog even blijven staan? Er is een vraag van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ja, een vraag ter verduidelijking. Ik begrijp namelijk niet zo goed wat er wordt bedoeld met "duidelijke toezichtslijnen".

De voorzitter:

Gaat dit over de motie of over de laatste vraag van mevrouw Van Meetelen?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Het gaat over de motie.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Er is een verschil: aan de ene kant willen we volwassenen "sturen", maar aan de andere kant zitten er een heleboel kinderen in de problemen. Ik wil de minister dus duidelijk maken: volwassenen zijn verstandig — althans, daar gaan we van uit — en kunnen zelf keuzes maken, maar voor kinderen moet je harder opkomen. Dat is eigenlijk wat ik ermee bedoel.

De voorzitter:

Oké. We gaan luisteren naar de bijdrage van de heer Bevers. Hij spreekt namens de VVD.

De heer Bevers (VVD):

Dat ga ik snel doen.

Dank, voorzitter. In de eerste termijn stelde de heer Van Houwelingen mij een vraag. Ik heb toegezegd om daar in tweede termijn op terug te komen. Hij vroeg mij: zijn de weerbaarheidsdoelen van de NAVO die we onderschrijven een verplichting of zijn die vrijblijvend? Ik kan er helder over zijn: er zijn geen NAVO-verplichtingen met betrekking tot de weerbaarheidsdoelen of, iets specifieker, met betrekking tot de pandemische paraatheid. Verder verwijs ik naar de brief van de minister van VWS van 3 juli 2025, met het antwoord op de vraag van de heer Van Houwelingen.

Voorzitter. Dank aan de bodes, beveiligers en griffiers, die, als wij vinden dat we door moeten vergaderen tot midden in de nacht, hier gewoon blijven. Dank aan de ambtelijke ondersteuning, die, als wij vergaderen tot midden in de nacht, daarna nog even doorgaan. Dank aan de twee gelukkig weer missionaire bewindslieden voor dit debat en hun inzet in de afgelopen dagen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank, meneer Bevers. Mevrouw Wendel, voor haar bijdrage in tweede termijn namens de VVD.

Mevrouw Wendel (VVD):

Dank, voorzitter. Ik sluit me uiteraard aan bij het mooie dankwoord van de heer Bevers. Ik wil hier graag nog aandacht vragen voor twee inhoudelijke punten.

Allereerst wil ik aandacht vragen voor het belang van huidkankerpreventie, waar ik in mijn eerste termijn uitgebreid over gesproken heb. Ik hoop dan ook op brede steun voor mijn amendement, zodat het Zonvenant doorgang kan vinden.

Ten tweede wil ik vanaf hier graag nog even reageren op mevrouw Coenradie, die het net had over de dekking van het amendement dat ik met mevrouw Synhaeve heb ingediend. Eigenlijk moet ik zeggen: het amendement dat mevrouw Synhaeve met mij heeft ingediend. Daar wil ik graag even op terugkomen. Volgens mij is die dekking namelijk gewoon hartstikke goed, omdat het gaat om reguliere middelen die in het AZWA zijn vrijgemaakt voor het tegengaan van zorgfraude. Een klein gedeelte daarvan willen wij gebruiken om specifiek deze evc-fraude aan te pakken. Ik hoop dan ook op de steun van mevrouw Coenradie en collega's.

Tot slot heb ik nog twee moties, die uiteraard over zorgfraude gaan. De eerste luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het OM schat dat er jaarlijks voor 10 miljard euro aan zorgfraude plaatsvindt in Nederland;

constaterende dat zorgfraudeurs vaak niet strafrechtelijk vervolgd worden;

constaterende dat de minister periodiek overleg heeft met het Openbaar Ministerie over de aanpak van zorgfraude;

overwegende dat het belangrijk is dat zorgfraudeurs vaker strafrechtelijk worden vervolgd;

verzoekt de regering in haar overleggen met het Openbaar Ministerie expliciet te spreken over de inzet van het strafrecht in de bestrijding van zorgfraude,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Wendel en Van Brenk.

Zij krijgt nr. 114 (36800-XVI).

Mevrouw Wendel (VVD):

De tweede.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Openbaar Ministerie schat dat er jaarlijks 10 miljard euro aan zorgfraude plaatsvindt in Nederland;

constaterende dat het te vaak niet mogelijk is om informatie te delen met relevante partners in de aanpak van zorgfraude;

overwegende dat goede informatiedeling van cruciaal belang is voor de aanpak van zorgfraude;

verzoekt de regering informatiedeling over zorgfraude mogelijk te maken tussen het Informatie Knooppunt Zorgfraude en relevante partners,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Wendel en Van Brenk.

Zij krijgt nr. 115 (36800-XVI).

Dit leidt nog tot een vraag van de heer Bushoff voor u.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Twee hele korte vragen. Eén: zou die koppeling met het strafrecht niet juist gemaakt moeten worden in bijvoorbeeld de Wet integere bedrijfsvoering zorgaanbieders? Daarin wordt namelijk tot dusver nog niet die koppeling gemaakt en dan kun je dus ook niet strafrechtelijk vervolgen. Dat is één. Twee: hoeveel geld denkt mevrouw Wendel op te halen met de voorstellen die zij doet of hoeveel geld dat weglekt uit de zorg denkt zij te voorkomen met deze voorstellen?

De voorzitter:

Twee vragen.

Mevrouw Wendel (VVD):

De VVD wil dat zo veel mogelijk criminelen die frauderen in de zorg strafrechtelijk vervolgd worden. De VVD zal alles steunen wat we moeten doen om dat te verbeteren. Tot slot over hoeveel geld ik denk dat wij zullen ophalen. Ik zie wat de heer Bushoff probeert met zijn motie en in het interruptiedebatje dat wij hier gisteren met zijn tweeën gevoerd hebben. Ik vind dat ook een nobel doel. De VVD vindt ook … Sterker nog, de VVD loopt voorop in het zeggen dat we zorgfraude willen aanpakken. Alleen, ik vind het gewoon echt gevaarlijk om er een concrete taakstelling aan te hangen. U vraagt: wat is het doel van mevrouw Wendel? Nou, als er 10 miljard euro opgaat aan zorgfraude, dan wil ik iedere euro, iedere cent, daarvan ophalen, dus 10 miljard. Maar om dat in te boeken als taakstelling, vind ik echt gevaarlijk. Daar wil ik echt mijn vingers niet aan branden.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ik heb daar heel grote moeite mee. Waarom? Omdat er ook mensen zijn — ik noemde het al — die jarenlang zelf in de zorg hebben gewerkt, nu door domme pech arbeidsongeschikt zijn geraakt, gepakt worden door het afbreken van hun sociale zekerheid en hoge zorgkosten zien. Ook op die mensen wordt een keiharde, kille, zou ik willen zeggen, taakstelling ingeboekt. Bij criminelen die de zorg misbruiken, zouden we dan geen geld mogen ophalen van de VVD. Dat vind ik gewoon bijna niet te begrijpen.

Mevrouw Wendel (VVD):

Ik vind dit echt te makkelijk van de heer Bushoff. Ik had hierbij weg willen blijven, maar u en ik weten beiden hoe het is afgelopen de laatste keer dat wij een taakstelling invulden voor de aanpak van fraude. U zal de VVD gewoon echt niet aan uw kant vinden als u zo'n taakstelling wil inboeken.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Toch nog even over die taakstelling. Hoe verklaart mevrouw Wendel, vraag ik via de voorzitter, dat we wel allemaal targets hebben als het gaat om het innen van boetes of het uitdraaien van bekeuringen, waar onze agenten mee worden opgescheept, maar dat we ons op dit punt echt nergens aan willen committeren? Vervolgens zeggen we wel: alles wat opgehaald wordt, eigenen we ons eigenlijk al een beetje toe, op welke manier dan ook.

Mevrouw Wendel (VVD):

"Alles wat we hier ophalen, eigenen we ons toe." Iedere euro, iedere cent, die we ophalen met de aanpak van zorgfraude, komt terug in de zorg. Dat is het allereerste wat de VVD wil. Ik hoop dat JA21 en de VVD het daar met elkaar over eens zijn.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Dat beantwoordt alleen niet mijn eerste vraag, namelijk: als we hierbij niet over targets zouden mogen praten volgens de VVD, waarom krijgen agenten dan wel targets opgelegd als het gaat om bekeuringen? Dat is toch meten met twee maten?

Mevrouw Wendel (VVD):

De manier waarop je een overtreding constateert, is bij verkeersboetes echt heel anders dan wanneer we onderzoek doen naar zorgfraude. Ik denk dat we de complexiteit hiervan echt niet moeten onderschatten.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Tot slot, voorzitter. Nee, dit is meten met twee maten.

Mevrouw Wendel (VVD):

Dit zijn woorden van het adres van mevrouw Coenradie. Volgens mij ben ik heel helder geweest. Wij willen mensen niet in een positie brengen waarin ze echt dwangmatig op zoek moeten gaan naar geld en, als ze dat geld niet vinden, steeds verder moeten zoeken op zo'n manier. Wij denken niet dat we op zo'n manier met mensen moeten omgaan. Volgens mij hoef ik niet eens moeite te doen om het frame te ontkrachten dat we bang zijn om criminelen hard aan te pakken, want het is heel helder aan welke kant de VVD staat hieromtrent.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Wendel. Mevrouw Coenradie, ik geef u het woord voor uw tweede termijn namens JA21.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de strafrechtketen ernstig vastloopt doordat ongeveer 270 tbs-gestelden in detentie wachten op behandeling, terwijl tegelijkertijd cliënten zonder strafrechtelijke titel verblijven in forensische zorginstellingen;

overwegende dat hierdoor zowel het gevangeniswezen als de tbs-capaciteit onnodig onder druk staan en de doorstroming in de gehele keten stokt;

van mening dat plaatsing in essentie moet aansluiten bij de juiste titel en dat deze mismatch zo spoedig mogelijk moet worden beëindigd;

verzoekt de regering vóór 1 januari 2027 met een concreet en uitvoerbaar afbouwplan te komen, inclusief tijdpad en capaciteitsmaatregelen binnen de ggz, om deze structurele verstopping van de keten op te lossen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Diederik van Dijk en Bikker.

Zij krijgt nr. 116 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat patiënten en apothekers bij geneesmiddelentekorten worden geconfronteerd met administratief beschikbare, maar feitelijk niet leverbare middelen, financiële sancties bij het verstrekken van alternatieven en het ontbreken van bijbetalingsmogelijkheden voor vertrouwde geneesmiddelen;

overwegende dat de feitelijke beschikbaarheid aan de apotheekbalie leidend moet zijn voor de continuïteit van zorg en dat meer flexibiliteit binnen het preferentiebeleid kan bijdragen aan leveringszekerheid;

verzoekt de regering bij monitoring en beleid uit te gaan van feitelijke leverbaarheid, sancties bij aantoonbare tekorten te voorkomen, bijbetaling van het prijsverschil voor vertrouwde geneesmiddelen mogelijk te maken en in overleg met zorgverzekeraars stappen te zetten richting een systeem van "laagste prijs plus bandbreedte",

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie en Claassen.

Zij krijgt nr. 117 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat zorgverzekeraars prijsafspraken maken met farmaceutische bedrijven, waarbij vertrouwelijkheid over kortingen en voorwaarden geldt;

overwegende dat transparantie over de doorwerking hiervan in premies en zorgkosten en een evenwichtige vertegenwoordiging van zorgprofessionals, ziekenhuizen en patiëntenorganisaties bij beleids- en stelselbesprekingen van belang zijn;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe meer transparantie kan worden geboden over deze prijsafspraken en bij beleids- en stelselbesprekingen een evenwichtige vertegenwoordiging van stakeholders naast zorgverzekeraars te bevorderen, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Diederik van Dijk en Claassen.

Zij krijgt nr. 118 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een deel van de mensen met verward of ontwrichtend gedrag niet direct zware ggz-zorg nodig heeft, maar wel tijdige ondersteuning;

overwegende dat vroegtijdige, lichtere interventies kunnen voorkomen dat problematiek escaleert en zwaardere ggz-zorg, detentie of forensische maatregelen noodzakelijk worden;

overwegende dat Rotterdam bereid is hierin een voortrekkersrol te vervullen;

verzoekt de regering om samen met de gemeente Rotterdam en betrokken zorg- en veiligheidspartners een plan van aanpak te ontwikkelen voor een pilot met "lichte" ggz-interventies, inclusief een laagdrempelige tijdelijke voorziening waar mensen met verward of ontwrichtend gedrag kunnen worden opgevangen en begeleid, met als doel escalatie te voorkomen en politie en andere hulpdiensten te ontlasten, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Diederik van Dijk en Bikker.

Zij krijgt nr. 119 (36800-XVI).

Dank u wel.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Alstublieft.

De voorzitter:

We gaan luisteren naar de bijdrage van de heer Poortman in tweede termijn. Hij spreekt namens het CDA.

De heer Poortman (CDA):

Voorzitter, dank u wel. Ik heb geen moties, maar wel een paar opmerkingen aan het eind van het debat.

Fijn dat in de afgelopen dagen een goed debat is gevoerd over de zorg. Het was een scherp debat, maar het was een debat op de inhoud, en dat is precies wat de zorg verdient. Het was ook mijn eerste debat. Ik heb dit debat met veel interesse gevolgd en de posities leren kennen. Ik zie uit naar de samenwerking met alle collega's in de komende debatten over deze onderwerpen. Het is fijn dat tijdens het debat verschillende Kamerleden concrete voorstellen hebben gedaan om een aantal goede stappen vooruit te zetten, bijvoorbeeld op het gebied van een wijkgerichte aanpak vaccinaties en suïcidepreventie.

Dank aan de beide ministers voor de snelle beantwoording van de vragen. Via hen zeg ik ook dank aan alle ambtenaren die hier buiten reguliere werktijden hard aan hebben gewerkt, zodat mijn collega's en ik die tijdig voor de tweede termijn konden ontvangen.

Dit debat en de fundamentele vragen die gesteld worden, laten wat mij betreft eens te meer het grote belang zien van de in te stellen staatscommissie. In het schriftelijk antwoord was de minister nog wat voorzichtig, maar ik zou de minister willen aanmoedigen deze staatscommissie snel in te stellen, zodat zij eventueel — ik zeg eens iets geks — voor de zomer aan de slag kan.

We zullen het kabinet de komende jaren kritisch volgen bij de uitwerking van de plannen, ook in de komende periode. Wij kijken daarnaar uit. Wij willen werken aan een sterke en zorgzame samenleving met oog voor de meest kwetsbaren en met aandacht voor al die mensen die met zo veel passie in de zorg werken.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik kijk naar mevrouw Tijmstra. Zij ziet af van haar tweede termijn.

Meneer Van Houwelingen, ik geef u het woord voor uw tweede termijn.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank u, voorzitter. Ik ging welwillend dit debat in, maar ik ben wat teleurgesteld over de schriftelijke beantwoording en over de mondelinge beantwoording van de ministers. Ik ben gewend dat iemand die een gesprek aangaat, ingaat op de argumenten van degene die iets zegt. Dan geef je geen procesantwoorden of vaste riedels. Toch is dat gebeurd. De enige van wie ik, eigenlijk tot mijn verbazing, een goed antwoord kreeg, was de heer Bevers. Dat was dan wel weer fijn. Ik heb daarom ook veel moties, voorzitter: acht moties. Tja, dat krijg je als je geen toezeggingen krijgt of antwoorden; dan krijg je wel veel moties natuurlijk.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ook voor dit kabinet preventieve zorg belangrijk is;

constaterende dat private aanbieders zonder verwijsbrief in Nederland geen totalbodyscan mogen aanbieden;

constaterende dat Nederlanders voor een dergelijke totalbodyscan daarom nu gedwongen zijn om naar het buitenland te reizen;

overwegende dat Nederlanders vanzelfsprekend vrij zouden moeten zijn om, als Nederlanders dit wensen, zonder verwijsbrief, dus op eigen kosten en eigen initiatief, te kiezen voor preventieve zorg zoals een totalbodyscan, en dat het dus onwenselijk en onbegrijpelijk is dat aanbieders in Nederland deze zorg niet kunnen aanbieden en Nederlanders hiervoor nu naar het buitenland moeten reizen, bijvoorbeeld naar Duitsland;

verzoekt de minister er zorg voor te dragen dat aanbieders ook in Nederland, net zoals in Duitsland en andere landen, zonder verwijsbrief een totalbodyscan moeten kunnen aanbieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 120 (36800-XVI).

De heer Van Houwelingen (FVD):

Mochten de ministers deze vragen willen beantwoorden of die toezegging doen, dan trek ik deze motie natuurlijk weer in.

De tweede motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat jaar in, jaar uit VWS in begrotingen aangeeft dat vanaf het huidige begrotingsjaar de apparaatskosten zullen gaan dalen;

constaterende dat dit nog nooit is gebeurd en de kosten alleen maar sterk zijn gestegen, veel sneller ook dan de totale zorgbegroting;

constaterende dat VWS er in al die jaren dus nog nooit in is geslaagd de aan de Kamer beloofde versobering van de bedrijfsvoering en reductie van de apparaatskosten te realiseren;

overwegende dat er dus werkelijk geen enkele reden is om aan te nemen dat de voorgenomen bezuiniging van 615 miljoen euro aan apparaatskosten in 2026 naar 485 miljoen in 2030 nu wel zal gaan lukken — sterker, het is extreem onwaarschijnlijk dat dat gerealiseerd zal gaan worden;

verzoekt de minister een concreet overzicht naar de Kamer te sturen met daarin in detail beschreven op welke begrotingsposten de komende jaren exact hoeveel bezuinigd zal gaan worden om de voorgenomen bezuinigingen op de apparaatskosten te realiseren en de Kamer in een brief halfjaarlijks te informeren in hoeverre deze bezuinigingen zijn gerealiseerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 121 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende de vele zorgwekkende signalen die Kamerleden ontvangen over gedwongen uithuisplaatsingen van burgers;

verzoekt de minister met spoed een onderzoek te laten uitvoeren naar de ervaringen van ouders en kinderen die te maken hebben gehad met een gedwongen uithuisplaatsing en hierover te rapporteren aan de Tweede Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 122 (36800-XVI).

De heer Van Houwelingen (FVD):

De vierde motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de minister te onderzoeken in hoeveel procent van de gevallen de vader en/of moeder bij een gedwongen uithuisplaatsing van hun kind strafrechtelijk is veroordeeld (of vervolgd wordt) voor kindermishandeling,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 123 (36800-XVI).

De heer Van Houwelingen (FVD):

U begrijpt, voorzitter, dat dat nauwelijks het geval is.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat jeugdzorginstellingen betaald krijgen voor (gedwongen) uithuisplaatsingen en gekort kunnen worden op hun budget zodra een kind weer wordt teruggeplaatst in het eigen gezin;

verzoekt de regering te onderzoeken in hoeverre deze (perverse) financiële prikkel een rol kan spelen bij (gedwongen) uithuisplaatsingen en welke beleidsmaatregelen genomen zouden kunnen worden om dit te mitigeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 124 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

spreekt uit dat dat een kind uit huis is geplaatst en gehecht kan zijn geraakt aan het pleeggezin, nooit een overweging mag zijn om het kind niet zo snel mogelijk weer terug te plaatsen in het oorspronkelijke gezin,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 125 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de minister de brief die door de heer Koornstra naar VWS is gestuurd, waarschijnlijk in 2021, over het middel lidocaïne en het antwoord van VWS op deze brief naar de Tweede Kamer te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 126 (36800-XVI).

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dit is dus een informatieverzoek. Dit valt gewoon onder artikel 68, maar we krijgen het maar niet, dus ook een motie.

En tot slot, voorzitter. Ik had 'm al aangekondigd.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de heer Ruud Koornstra op 8 december in een uitzending van De Nieuwe Wereld heeft onthuld dat hem, nadat hij met oud-premier Rutte had gesproken over een middel dat mogelijk werkzaam kan zijn tegen corona, door coronagezant Feike Sijbesma en arts Diederik Gommers verteld is dat zo'n middel niet opportuun zou zijn omdat, geparafraseerd, "alles wat hoop geeft op medicijnen nu even de kop moet worden ingedrukt, want het is belangrijker dat iedereen nu een vaccinatie krijgt; de dollartekens in de ogen van de farmacie zijn ook best groot";

overwegende dat, indien dit klopt, en dat is de vraag, dit bijzonder zorgelijk is omdat dit zou betekenen dat niet de volksgezondheid het uitgangspunt was van het vaccinatiebeleid, maar het zetten van zo veel mogelijk vaccins en de financiële belangen van de farmaceutische industrie;

overwegende dat een minister van Volksgezondheid die daadwerkelijk de volksgezondheid centraal stelt vanzelfsprekend na zo'n onthulling onmiddellijk actie onderneemt en op zijn minst de drie direct betrokkenen, namelijk de heer Koornstra, Diederik Gommers en de heer Sijbesma, hierover zou spreken en hierover aan de Kamer zou rapporteren;

constaterende dat deze minister van Volksgezondheid dit alles weigert te doen;

constaterende dat deze minister zelfs weigert, in strijd met artikel 68 van de Grondwet, om, hiernaar gevraagd, de brief die de heer Koornstra hierover aan VWS heeft gestuurd en het antwoord van VWS op deze brief naar de Tweede Kamer te sturen;

zegt het vertrouwen op in de minister van VWS,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 127 (36800-XVI).

Dank u wel. We gaan luisteren naar de bijdrage van mevrouw Wiersma namens BBB.

Mevrouw Wiersma (BBB):

Dank, voorzitter. Ik stel voorop dat BBB tegen verhoging van het eigen risico is. Wat de tranchering betreft was het voornemen van het vorige kabinet om uit te komen op €50. Het is nu al drie keer zo duur. Ik heb één motie. Daar staan geen bedragen in, want daar zijn we per definitie tegen. Mijn motie is de volgende.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in het coalitieakkoord is afgesproken dat "je nooit in één keer het hele eigen risico kwijt bent" en dat daarom wordt gekozen voor maximering per behandeling via tranchering;

overwegende dat veel zorgvragen uit meerdere opeenvolgende of gelijktijdige (deel)behandelingen bestaan die afzonderlijk worden gedeclareerd, zoals ambulancevervoer, spoedbeoordeling, diagnostiek en vervolgbehandeling;

overwegende dat in de huidige vorm meerdere declaraties binnen één medische hulpvraag kunnen leiden tot het alsnog volledig betalen van het eigen risico, wat in strijd is met de bedoeling van de tranchering;

overwegende dat een eerlijke maximering logischerwijs betrekking moet hebben op het volledige zorgtraject dat samenhangt met één acute of geplande zorgvraag;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de tranchering daadwerkelijk van toepassing wordt op het volledige zorgtraject van een individuele zorgvraag, en te borgen dat bij bijvoorbeeld ambulancevervoer naar het ziekenhuis en de daaropvolgende ziekenhuiszorg voor datzelfde traject slechts het bedrag van één tranchering in rekening wordt gebracht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Wiersma en Kostić.

Zij krijgt nr. 128 (36800-XVI).

Mevrouw Wiersma (BBB):

Deze motie dien ik mede in namens het lid Kostić. Dat is wel een heugelijk feit, want ik wil even markeren dat onze beide namen wel vaker op moties gestaan hebben, maar dat was meestal wat minder fraai voor mij persoonlijk. In mijn maidenspeech heb ik geprobeerd aan te geven dat ik de verbinding zoek. Volgens mij is dit daar een goed voorbeeld van.

De voorzitter:

Dank. Ik geef de heer El Abassi het woord voor zijn bijdrage in tweede termijn.

De heer El Abassi (DENK):

Voorzitter. Ik ga maar meteen beginnen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat werkende mantelzorgers jaarlijks duizenden euro's inkomen mislopen;

overwegende dat de combinatie van werk en mantelzorg steeds moeilijker vol te houden is;

verzoekt de regering fiscale maatregelen uit te werken ter ondersteuning van werkende mantelzorgers, waaronder het heroverwegen of afschaffen van de kostendelersnorm voor mantelzorgsituaties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden El Abassi, Kostić en Dobbe.

Zij krijgt nr. 129 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat 46% van de mantelzorgers aangeeft steeds vermoeider te raken en 10% op omvallen staat;

overwegende dat de SER adviseert om betaald mantelzorgverlof uit te breiden naar acht weken;

overwegende dat betere ondersteuning van mantelzorgers uitval op de arbeidsmarkt en zwaardere zorg voorkomt;

verzoekt de regering het SER-advies over te nemen en wettelijk te regelen dat mantelzorgers recht krijgen op acht weken betaald mantelzorgverlof,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden El Abassi, Kostić en Dobbe.

Zij krijgt nr. 130 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet voornemens is het eigen risico vanaf 2027 met €60 te verhogen en dat het CPB doorrekent dat dit bedrag kan oplopen tot boven de €500 in 2030;

overwegende dat een hoger eigen risico leidt tot zorgmijding, met name onder lage inkomens en mensen met chronische aandoeningen;

overwegende dat zorgmijding leidt tot latere en duurdere zorg, waardoor gezondheidsverschillen toenemen;

spreekt uit dat zorg toegankelijk en betaalbaar moet blijven voor iedereen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden El Abassi, Kostić en Dobbe.

Zij krijgt nr. 131 (36800-XVI).

De heer El Abassi (DENK):

Dan mijn laatste motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat meerdere Nederlandse topsporters, waaronder Ruud Gullit, Edgar Davids, Clarence Seedorf, Georginio Wijnaldum en Sifan Hassan, te maken hebben gehad met racistische uitingen;

overwegende dat racisme in de sport geen op zichzelf staande incidenten betreft, maar een terugkerend en structureel probleem vormt;

verzoekt de regering expliciet te erkennen dat racisme in de sport een structureel probleem is, en de Kamer te informeren over een integrale, structurele aanpak hiertegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden El Abassi en Kostić.

Zij krijgt nr. 132 (36800-XVI).

De heer El Abassi (DENK):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Bijna binnen de tijd. Ik wil de heer Diederik van Dijk graag het woord geven voor zijn tweede termijn. Hij spreekt namens de SGP.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat voor een groeiende groep mensen de combinatie van mantelzorg en werk leidt tot overbelasting en ziekte(verzuim);

constaterende dat respijtzorg een belangrijke bijdrage kan leveren aan het voorkomen en tegengaan van overbelasting;

constaterende dat respijtzorg volgens de SER versnipperd is georganiseerd en moet worden vereenvoudigd en meer geharmoniseerd om de toegankelijkheid voor mantelzorgers te vergroten;

constaterende dat het coalitieakkoord slechts meerjarig incidenteel in respijtzorg investeert;

verzoekt de regering om:

  • -te streven naar een gelijkwaardig, gevarieerd en dekkend aanbod van respijtzorgvoorzieningen in heel Nederland;

  • -te onderzoeken hoe respijtzorg over de zorgwetten heen kan worden georganiseerd;

  • -samen met gemeenten en verzekeraars een plan op te stellen voor substantiële en langjarige financiering van respijtzorg,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Van Brenk, Bikker en Vliegenthart.

Zij krijgt nr. 133 (36800-XVI).

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dan de tweede motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het cruciaal is dat de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust blijvend en tastbaar doorgegeven wordt aan de huidige samenleving én aan toekomstige generaties;

overwegende dat de herinneringscentra hierbij van het grootste belang zijn;

constaterende dat de regering voor 2026 en 2027 15 miljoen beschikbaar heeft gesteld voor het vernieuwingstraject van Herinneringscentrum Kamp Westerbork;

constaterende dat hiermee een begin kan worden gemaakt met het vernieuwingstraject, maar dat het voor de voortgang van het project van belang is dat er spoedig duidelijkheid komt over de bekostiging van de periode ná 2027;

verzoekt de regering bij de Voorjaarsnota 2026 een voorstel te doen voor aanvullende financiering van de vernieuwing van Herinneringscentrum Kamp Westerbork na 2027,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Coenradie, Claassen, Vliegenthart, Bikker, Dobbe, Van Meetelen en Kostić.

Zij krijgt nr. 134 (36800-XVI).

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. We gaan luisteren naar het lid Kostić voor de bijdrage in tweede termijn. Aan u het woord.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ja, voorzitter: nieuwe samenwerkingen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat experts erop wijzen dat er steeds meer infectieziektes bij komen en honderdduizenden mensen er al de gevolgen van ondervinden, terwijl ook het ministerie spreekt van "toenemende risico's op gezondheidsdreigingen en mogelijke -crises";

constaterende dat deze ontwikkeling ook zorgt voor dalende arbeidsparticipatie, hogere zorgkosten, oplopende werkgeverslasten en toenemende druk op uitkeringen;

constaterende dat de minister het belang erkent van een samenhangend pakket aan maatregelen dat ziet op goede preventie;

verzoekt de regering om zo snel mogelijk dit jaar een samenhangend plan naar de Kamer te sturen over preventie en voorlichting rond infectieziektes en postinfectieuze aandoeningen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić, Van Brenk, Bikker, Dobbe en El Abassi.

Zij krijgt nr. 135 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet zegt in te zetten op preventie en de gezondste generatie ooit, en stelt dat gezondheid begint in een gezonde leefomgeving;

overwegende dat gebrek aan groen in de omgeving en blootstelling aan schadelijke stoffen uit industrie en landbouw de gezondheid van burgers schaadt, druk legt op de zorg, en de maatschappij miljarden euro's kost;

overwegende dat effectieve preventie vraagt om een samenhangende aanpak;

verzoekt de regering om in het kader van preventiebeleid integraal aan de Kamer te rapporteren over de voortgang op het gebied van een gezonde leefomgeving,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić, Dobbe en El Abassi.

Zij krijgt nr. 136 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat trans mensen te maken hebben met jarenlange wachtlijsten voor passende zorg, wat leidt tot schade aan hun gezondheid en soms tot zelfmoord;

constaterende dat het Landelijk Platform Transgenderzorg bezig is met langetermijnoplossingen, maar dat er op kortere termijn pragmatische oplossingen zijn, zoals vergoeding van andere behandelpaden;

verzoekt de regering in gesprek te gaan met de zorgverzekeraars en patiëntenorganisaties zoals Transvisie om te verkennen welke pragmatische oplossingen mogelijk zijn om de wachtlijsten op korte termijn te verkorten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić, Vliegenthart en Dobbe.

Zij krijgt nr. 137 (36800-XVI).

Dank u wel. Het is gelukt. Mevrouw Bikker, ik nodig u uit voor uw bijdrage in tweede termijn. Mevrouw Bikker spreekt namens de ChristenUnie.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Dank ook aan de bewindspersonen voor de beantwoording en aan allen die deze mogelijk hebben gemaakt.

Voorzitter. Gedurende dit debat is me duidelijk geworden dat er twee muisjes zijn die nog een staartje gaan krijgen. Dat zijn de bezuinigingen op de gehandicaptenzorg aan de ene kant — maar daar hebben we het maandag over — en de pandemische paraatheid. Dat wordt vervolgd. Ik heb nog twee moties. De eerste gaat over de kraamzorg.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat kraamzorg essentieel is voor een sterke start;

overwegende dat kwetsbare gezinnen vaak afzien van meer dan 24 uur kraamzorg, omdat hiervoor een eigen bijdrage moet worden betaald, ook als er meer dan 24 uur zorg is geïndiceerd;

verzoekt de regering om te onderzoeken of, hoeveel en waarom kwetsbare gezinnen geen kraamzorg ontvangen, welke mogelijkheden er zijn in het wegnemen van drempels tot toegang, en de Kamer hierover te informeren in de zomer van 2026,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Diederik van Dijk, Dobbe en Claassen.

Zij krijgt nr. 138 (36800-XVI).

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

De tweede motie gaat over 113.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de opdracht in de Wet integrale suïcidepreventie is dat personen ieder moment van de dag de hulplijn moeten kunnen bereiken en dat de hoogte van het budget periodiek geënt zal moeten worden op de (ontwikkeling van de) hulpvraag;

overwegende dat de wet daarnaast opdracht geeft tot andere preventieve inzet, zoals bewustwording vergroten en trainingen, en dat het ene wettelijke doel dus niet ten koste mag gaan van het andere;

verzoekt de regering het budget van de 113-hulplijn mee te laten groeien met de vraag conform de oorspronkelijke uitleg van de wet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Wiersma, Kostić, Diederik van Dijk en Dobbe.

Zij krijgt nr. 139 (36800-XVI).

Dank u wel.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog een klein beetje tijd over. Ik had het eerder over muisjes die een staartje hebben, maar met name over de pandemische paraatheid moet me echt iets van het hart. Ik richt me dan ook maar even tot de coalitiepartijen: laat uw financieel kader niet het ijzeren harnas zijn waardoor dingen waarvan we allemaal weten dat die moeten gebeuren, niet gebeuren.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik nodig mevrouw Dobbe uit voor haar bijdrage in tweede termijn. Mevrouw Dobbe spreekt namens de SP.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank u wel, voorzitter. Een aantal moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het CPB in 2019 heeft doorgerekend dat het afschaffen van het eigen risico en het inkomensafhankelijk maken van de premie ervoor zouden zorgen dat de 80% laagste inkomens erop vooruit zouden gaan;

verzoekt de regering om het eigen risico niet te verhogen, maar af te schaffen, en de premie inkomensafhankelijk te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, El Abassi en Kostić.

Zij krijgt nr. 140 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een eigen bijdrage in de wijkverpleging het risico zou vergroten dat mensen te laat zorg vragen, waardoor zij verwaarlozen;

verzoekt de regering om geen eigen bijdrage in te voeren in de wijkverpleging,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Van Brenk, El Abassi en Kostić.

Zij krijgt nr. 141 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat huishoudelijke zorg in veel gemeenten nog plaatsvindt binnen een systeem van marktwerking;

overwegende dat dit zorgt voor inefficiëntie, arbeidsvoorwaarden onder druk zet en dat er geld weglekt naar winsten;

verzoekt de regering om niet te bezuinigen op de huishoudelijke zorg;

verzoekt de regering voorts om in de Wet maatschappelijke ondersteuning te regelen dat huishoudelijke zorg altijd zonder marktwerking dient te worden geleverd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Van Brenk, El Abassi en Kostić.

Zij krijgt nr. 142 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer vorig jaar de motie-Dijk/Dobbe (29689, nr. 1309) heeft aangenomen waarin werd gevraagd om maatregelen om de kraamzorg te behouden;

overwegende dat de minister niet gaat over de cao, maar wel de financiële mogelijkheden kan creëren voor een betere cao;

verzoekt de regering om zo snel mogelijk maatregelen te nemen om de arbeidsvoorwaarden van kraamverzorgenden te verbeteren door het uurloon en de wachttijdvergoeding te verbeteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Diederik van Dijk, El Abassi en Kostić.

Zij krijgt nr. 143 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de kraamzorg dreigt te verdwijnen als gevolg van tekortschietende tarieven, slechte arbeidsvoorwaarden en personeelstekorten;

overwegende dat de Kamer vorig jaar de motie-Dijk/Dobbe (29689, nr. 1309) heeft aangenomen waarin werd gevraagd om maatregelen om de kraamzorg te behouden;

verzoekt de regering om zo snel mogelijk maatregelen te nemen om de marktwerking in de kraamzorg terug te dringen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Van Brenk, El Abassi, Kostić en Bikker.

Zij krijgt nr. 144 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in Zoetermeer onafhankelijk onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden om de geboortezorg te behouden en naar de gevolgen van het sluiten, en dat de uitkomsten daarvan zijn gebruikt voor besluitvorming;

verzoekt de regering om een vergelijkbaar onafhankelijk onderzoek uit te laten voeren naar de gevolgen van het eventueel sluiten van de geboortezorg, de ic en de SEH in Heerlen en naar de mogelijkheden om deze te behouden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Van Brenk, El Abassi en Kostić.

Zij krijgt nr. 145 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er fors bezuinigd wordt op C-support en Q-support zonder duidelijk alternatief voor patiënten;

verzoekt de regering om de financiering voor de ondersteuning van patiënten door C-support en Q-support in ieder geval door te laten lopen tot en met 2027,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Bushoff, Van Brenk, El Abassi en Kostić.

Zij krijgt nr. 146 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering bezuinigingen niet te verwerken in zorgbudgetten, voordat de beoogde besparingen in de praktijk zijn gerealiseerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Van Brenk, El Abassi en Kostić.

Zij krijgt nr. 147 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er meerdere signalen zijn dat commerciële tandartsketens frauderen met declaraties om hun winsten te verhogen;

verzoekt de regering om met voorstellen te komen om het aandeel van commerciële ketens in de mondzorg terug te dringen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Van Brenk, El Abassi en Kostić.

Zij krijgt nr. 148 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om de denkrichtingen A en B uit het ibo-rapport Mentale gezondheid en ggz nader uit te werken en dit voor de behandeling van de VWS-begroting naar de Kamer te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, El Abassi en Kostić.

Zij krijgt nr. 149 (36800-XVI).

Mevrouw Dobbe (SP):

Dan heb ik nog tijd over ook. Dan wil ik toch nog iets zeggen. Ik wil iedereen bedanken voor het debat, maar ik wil ook iedereen waarschuwen. Het debat dat wij dezer dagen hebben gehad, laat namelijk een duidelijke waarschuwing zien van de mogelijke gevolgen van de bezuinigingen die dit kabinet gaat doorvoeren. 10 miljard euro uit de zorg trekken zal enorme gevolgen hebben voor onze ouderen, voor de ggz, voor de gehandicaptenzorg, voor de ziekenhuizen, voor chronische patiënten en voor de mensen die in de zorg werken. Die waarschuwing is hier gegeven. Ik geef het kabinet wel mee dat dat niet zonder gevolgen kan blijven, want die gevolgen zullen er zijn, en daar heeft dit kabinet dan ook verantwoordelijkheid voor te nemen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. We gaan luisteren naar de bijdrage van mevrouw Van Brenk in haar tweede termijn. Zij spreekt namens 50PLUS. Gaat uw gang.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Dank, voorzitter. Voor 50PLUS is het onacceptabel dat wij de meest kwetsbare ouderen niet beschermen tegen gordelroos. Wij zullen de begroting van Prinsjesdag gebruiken om dit hardvochtige beleid om te buigen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat gordelroos een aandoening is die veel ziektelast en menselijk leed kan veroorzaken;

overwegende het feit dat het ontwikkelde vaccin erg duur is;

overwegende dat er vanuit het AZWA slechts beperkt budget beschikbaar is gesteld voor een vaccinatiecampagne, en dat de regering ervoor heeft gekozen alleen 60-jarigen te vaccineren;

overwegende dat er meer middelen beschikbaar zouden moeten komen voor de gordelroosvaccinatie;

spreekt uit dat bij het maken van keuzes over wie er gevaccineerd zal worden, altijd de meest kwetsbaren voorrang zullen krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk.

Zij krijgt nr. 150 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er veel signalen zijn van misstanden en fraude in de mond- en tandzorg in de Wet langdurige zorg (Wlz);

overwegende dat goede mondzorg juist voor kwetsbare ouderen van groot belang is;

overwegende dat hiermee geld in de zakken van (vaak) grotere tandartsketens verdwijnt, ten koste van de zorg aan kwetsbare verpleeghuisbewoners;

verzoekt de regering de signalen van fraude in de mond- en tandzorg binnen de Wet langdurige zorg onder de aandacht te brengen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, als startpunt voor een doelgerichte aanpak hiervan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Brenk en Wendel.

Zij krijgt nr. 151 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat zorgverzekeraars om privacyredenen niet aan elkaar mogen doorgeven wanneer zij te maken hebben (gehad) met frauderende zorgorganisaties, waardoor deze via andere zorgverzekeraars weer verder kunnen frauderen;

overwegende dat dit nodeloos gemeenschapsgeld kost dat veel beter gebruikt kan worden;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe het mogelijk gemaakt kan worden dat zorgverzekeraars dit soort informatie wel aan elkaar mogen doorgeven, om verspilling van gemeenschapsgeld te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Brenk en Wendel.

Zij krijgt nr. 152 (36800-XVI).

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

En de laatste, voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de toekomst van de zorg gebaat is bij zorgzame buurten en het omkijken naar elkaar;

overwegende dat nabuurschap en omkijken naar elkaar niet vanzelf gaan;

overwegende dat welzijnswerkers een belangrijke rol kunnen spelen bij de totstandkoming van zorgzame buurten, door vrijwilligers te enthousiasmeren en activiteiten te organiseren in de ontmoetingsruimten in de buurt;

overwegende dat welzijnswerkers een cruciale rol hebben bij het opzetten en behouden van de continuïteit van voorzorgcirkels;

verzoekt het kabinet te erkennen dat het welzijnswerk van onschatbare waarde is om zorgzame buurten tot stand te brengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Brenk, Kostić, Bikker, Dobbe en Vliegenthart.

Zij krijgt nr. 153 (36800-XVI).

Dank u wel.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Voorzitter. De mensen in de zorg en de vrijwilligers in zorg en welzijn zijn goud waard. Wij bedanken iedereen die zich inzet om het leven van mensen een stukje beter te maken. Ik denk dat wij dat allemaal zo voelen. Het is een ontzettende uitdaging die deze twee ministers te wachten staat. 50PLUS ziet het als persoonlijke plicht en wij zullen er alles aan doen dat het de goede kant op gaat. Wij zullen de ministers daar vriendelijk in begeleiden. Wij wensen u in ieder geval veel sterkte en ik wil alle ambtenaren bedanken voor het beantwoorden van alle vragen, want dat was weer nachtwerk met z'n allen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank, mevrouw Van Brenk. Aardig dat u en een aantal collega's dat benoemen. De heer Claassen staat al klaar. Ik nodig hem uit voor zijn bijdrage in tweede termijn. De heer Claassen spreekt namens de Groep Markuszower.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Voorzitter, ik ga proberen om drie moties in te dienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het aantal mensen met dementie sterk zal toenemen en dat tijdige etiologische diagnostiek essentieel is voor passende zorg en toegang tot nieuwe behandelingen;

constaterende dat diagnostiek momenteel vaak afhankelijk is van invasieve liquoronderzoeken en kostbare amyloïd-PET-scans;

verzoekt de regering bij de voortgangsrapportage van de Nationale Dementiestrategie de Kamer te informeren over de stand van onderzoek en implementatie van minimaal invasieve dementiediagnostiek, daarbij internationale ervaringen te betrekken en te verkennen onder welke voorwaarden een landelijke pilot met biomarkertriage vóór PET-diagnostiek kan worden opgezet, met als doel landelijke implementatie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Claassen, Diederik van Dijk en Van Brenk.

Zij krijgt nr. 154 (36800-XVI).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de huidige procedure voor voorwaardelijke toelating (VT) voor weesgeneesmiddelen is afgebakend rond de categorieën conditionals en exceptionals;

overwegende dat evaluaties van de VT aangeven dat aanpassing van de afbakening en differentiatie naar type bewijsduur de doeltreffendheid kan vergroten en dat voor sommige (ultra)weesgeneesmiddelen een alternatieve regeling nodig kan zijn;

overwegende dat hierdoor toegang en onderzoek voor deze patiëntgroepen vertragen, terwijl het bewijs niet ontbreekt maar tijdsintensief is;

verzoekt de regering:

  • -binnen de VT een aanvullende subcategorie voor langetermijnbewijs-weesgeneesmiddelen te ontwikkelen;

  • -de standaard VT-looptijd te maximeren op circa vijf jaar en voor bovengenoemde categorie een passend alternatief VT-spoor met langere bewijsontwikkeling te verkennen;

  • -Voxzogo voor kinderen met achondroplasie als pilot in deze subcategorie te gebruiken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.

Zij krijgt nr. 155 (36800-XVI).

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Dit is de laatste motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat circa 6% tot 8% van de Nederlanders een zeldzame aandoening heeft en afhankelijk is van een klein aantal landelijk geconcentreerde expertisecentra;

overwegende dat deze hoogcomplexe laagvolumezorg kwetsbaar is voor versnipperde inkoop en generieke pakket- en budgetmaatregelen;

verzoekt de regering:

  • -te borgen dat zorgverzekeraars zorg voor zeldzame aandoeningen landelijk en meerjarig inkopen bij erkende expertisecentra, inclusief vergoeding van kennis- en coördinatiefuncties;

  • -te waarborgen dat patiënten vrije toegang houden tot deze centra, met laagdrempelige verwijzing en second opinion;

  • -bij vergoedingsbesluiten voor weesgeneesmiddelen en diagnostiek rekening te houden met kleine patiëntgroepen;

  • -jaarlijks aan de Kamer te rapporteren over wachttijden, toegang tot centra en beschikbaarheid van behandelingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.

Zij krijgt nr. 156 (36800-XVI).

Dank u wel. Ik geef het woord aan mevrouw Ten Hove voor haar tweede termijn namens de Groep Markuszower.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Dank u wel, voorzitter. Naar aanleiding van een telefoongesprek dat ik vanmorgen voerde met het Landelijk Netwerk Acute Zorg, besluit ik om mijn motie over de overbruggingsmaatregel voor het mmt op vliegveld Teuge nog niet in te dienen. Wel wil ik graag een toezegging van de minister dat de Kamer zo spoedig mogelijk nadat in september het vervolggesprek met het bevoegd gezag heeft plaatsgevonden, geïnformeerd wordt over de voortgang van het mmt op Teuge. Het is namelijk belangrijk voor het optimaliseren van de acute zorg dat de traumaheli op Teuge daadwerkelijk zo spoedig mogelijk kan gaan vliegen en dat er niet alsnog hinder is door langslepende besluitvorming wat betreft het luchtvaartbesluit en de bijbehorende natuurvergunningen.

Mij rest nog één motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een eigen bijdrage in de wijkverpleging een drempel is voor de toegang tot zorg, met kans op uitgestelde en daardoor duurdere zorg, mogelijk zelfs in de tweede of derde lijn;

overwegende dat dit leidt tot stapeling van zorgkosten;

verzoekt de regering met een plan te komen om af te zien van de eigen bijdrage in de wijkverpleging, en de Kamer hierover voor de Voorjaarsnota te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ten Hove.

Zij krijgt nr. 157 (36800-XVI).

Dank u wel. Dank aan mevrouw Ten Hove. De laatste spreker in de tweede termijn is mevrouw Keijzer. U heeft nog één minuut aan resterende spreektijd, mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Nee, voorzitter, ik heb er nog 35.

De voorzitter:

O ja?

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ja, maar ik zal die hier niet allemaal gebruiken. Maakt u zich geen zorgen.

Dank aan de beide ministers voor de beantwoording en dank aan alle ondersteuning op de achtergrond. Mevrouw Bikker sprak over twee muisjes die nog staartjes zouden krijgen, maar zij vergat daarbij de ouderenzorg te noemen. Ik maak me grote zorgen over de ouderenzorg. Met alle bezuinigingen in het coalitieakkoord, waarmee ook de verzorgingshuizen nieuwe stijl wegbezuinigd zijn, hou ik echt mijn hart vast. De vorige hervormingen in de zorg zijn in een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau bekeken. Dat was in 2018. De conclusie daarvan was dat het zorgstelsel complexer geworden is. Er zijn grotere administratieve lasten voor professionals. Doe daar dus eens wat aan voordat de minister elke keer maar weer zegt dat er te weinig handen zijn om zorg te verlenen. Er zitten heel veel handen en knappe koppen achter computers. Er is ongelijkheid tussen gemeenten, hogere belasting voor mantelzorgers en onvoldoende zorg voor kwetsbare groepen. Dan doe je er nog een schepje bovenop met alle bezuinigen die er nog achteraan komen.

Ik heb één motie, voorzitter. Daarmee wordt het probleem niet direct opgelost, maar ik denk wel dat de minister van Langdurige Zorg, als ze verdergaat, uiteindelijk tot de conclusie zal komen dat haar ambities voor ouderenzorg niet gerealiseerd kunnen worden. Dan hebben we op dat moment het goede gesprek.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat uit onderzoek blijkt dat een aanzienlijke groep ouderen behoefte heeft aan wonen in een zorgzame gemeenschap met gemeenschapsruimten en zorg en ondersteuning op afroep;

overwegende dat dergelijke woonvormen kunnen bijdragen aan beheersing van zwaardere zorgkosten door verhoging van kwaliteit van leven;

constaterende dat door de vorige regering een plan is uitgewerkt om dergelijke gemeenschappen te stichten of te ondersteunen: de verzorgingshuizen nieuwe stijl;

verzoekt het kabinet de verkenning met de sector voort te zetten en te analyseren in welke mate de doelen van 290.000 ouderenwoningen al dan niet kunnen worden gerealiseerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Keijzer, Van Brenk, Vliegenthart, Dobbe, Ten Hove, Coenradie, Diederik van Dijk, Kostić, Bikker en Wiersma.

Zij krijgt nr. 158 (36800-XVI).

Dank u wel.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Dank u wel, voorzitter. Nou, dat viel alles mee, hè? Ja, u schrok zich een hoedje.

De voorzitter:

Nee, maar u moet de resterende begrotingen dus in één minuutje minder doen.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Nou, het leven is snoeihard.

De voorzitter:

Ik denk dat u dat kan.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ik denk het ook. Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dit is daarmee het einde van de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik schors … Ik kijk even naar beide ministers. Twintig minuten? Zullen we om 17.50 uur luisteren naar de antwoorden in tweede termijn? Dan schors ik twintig minuten en komen we om 17.50 uur weer bijeen.

De vergadering wordt van 17.28 uur tot 17.51 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen dit debat. We zitten in de tweede termijn en we gaan luisteren naar de beantwoording van de zijde van het kabinet. Ik geef daarvoor graag het woord aan minister Hermans. Even aan haar de vraag: is er nog een enkele openstaande vraag of gaan we gelijk naar de moties?

Minister Hermans:

Voorzitter. Er zijn nog enkele openstaande vragen. Die zal ik kort beantwoorden en dan ga ik naar de moties op mijn terrein.

Ik begin met de vraag van de heer Claassen over de zelfstandige behandelcentra en fraude, de relatie daarmee. U had daar een vraag over gesteld. In het AZWA is de afspraak gemaakt om maatregelen te nemen om te komen tot een zo eerlijk mogelijk speelveld. Ik denk dat dat goed is. Dat is natuurlijk onze inzet, zo'n eerlijk speelveld. Wat geldt, is dat de regels in de zorg hetzelfde zijn voor alle aanbieders van medisch-specialistische zorg, waaronder ziekenhuizen en zbc's. We zijn dus bezig met maatregelen en over de stand zaken wordt de Kamer rond de zomer geïnformeerd. Het is ook in dit specifieke vraagstuk van belang dat geld voor de zorg naar zorg gaat, dus in de aanpak van zorgfraude nemen we gewoon alle spelers, als ik het even zo mag zeggen, in de zorg mee.

Dan nog een tweetal vragen van de heer Van Houwelingen. De eerste ging over het bevolkingsonderzoek en de bodyscan, waarom mensen daarvoor naar het buitenland moeten en dat niet in Nederland kan. Het volgende is het geval. Bij screening en bevolkingsonderzoeken geldt de Wet op het bevolkingsonderzoek en in die wet is bepaald dat voor bepaalde vormen van screening een vergunning op grond van die wet, de WBO, nodig is. Dit doen we om te waarborgen dat we alleen screening aanbieden als de voordelen opwegen tegen de nadelen. Voor een totalbodyscan is dat niet het geval en daarom wordt die niet aangeboden in Nederland.

De voorzitter:

Dat leidt nog tot een korte vraag.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dit is een mooi voorbeeld. Dit is dan weer een antwoord over hoe nu gaat. Dat begrijp ik. Dat heb ik ook gelezen. Ik weet hoe het gaat en daar ben ik niet blij mee, dus ik stel een vraag om de bestaande situatie te veranderen. Dat is dan de vraag. Ik probeer het hier maar op een kinderlijke manier uit te leggen. Ik weet hoe het hier werkt en de vraag is dus: waarom is dat zo geregeld? Waarom is het zo dat een Nederlander die dat zelf betaalt — ik heb het al vaak gevraagd, voorzitter …

De voorzitter:

Kan het ook anders, is uw vraag.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ja, waarom kan dat niet aangepast worden, zodat die bedrijven een vergunning kunnen krijgen om in Nederland te werken? Het zijn vaak Nederlandse bedrijven ook nog, maar ze moeten naar Duitsland. Dat is de vraag.

De voorzitter:

Ik begrijp de vraag. We kijken naar de minister.

Minister Hermans:

Wanneer we iets in een bevolkingsonderzoek brengen, betekent dat dus ook dat het onderdeel wordt van het collectieve zorgaanbod. We hebben daar eerder deze week in een tweeminutendebat nog uitgebreid met elkaar bij stilgestaan. Dat doen we dan nadat daar advies over is gegeven door de Gezondheidsraad. Vandaar mijn punt over dat de voordelen moeten opwegen tegen de nadelen. Bijvoorbeeld bij darmkanker — volgens mij verwees de heer Van Houwelingen daar ook naar in zijn bijdrage — wegen die voordelen op tegen de nadelen en heeft Bevolkingsonderzoek Nederland een vergunning gekregen om dit bevolkingsonderzoek aan te bieden aan iedereen uit de doelgroep. Zo'n soort advies of weging ligt er dus niet op die totalbodyscan. Daarom is dit het beleid.

De voorzitter:

Kort, echt heel kort.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ja, heel kort. Ik begrijp dat je zo'n weging moet maken als het gaat om publiek geld. Dat begrijp ik. Maar dit gaat om mensen die met hun eigen geld bijvoorbeeld een preventief darmonderzoek willen laten doen. Dat is natuurlijk een heel andere situatie. Die gaan dus nu naar Duitsland. Voorzitter, ik denk dat u wel begrijpt welke vraag ik wil stellen. Waarom kan dat dan niet als je het van je eigen geld wilt betalen? Waarom moet je dan naar Duitsland reizen?

Minister Hermans:

Omdat het daar wordt aangeboden. Het is je eigen keuze om dat te doen. Dat recht heb je natuurlijk en dat aanbod is er over de grens, in Duitsland. Daar kunnen mensen dus naartoe gaan.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ik wil graag dat het naar Nederland komt. Dat is de vraag. Waarom kan dat niet in Nederland? Waarom moet je daarvoor naar Duitsland?

Minister Hermans:

Omdat daar de aanbieders zitten. Die hebben de keuze gemaakt om zich daar te vestigen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Een vergunning …

De voorzitter:

Meneer Van Houwelingen, dan moet het via een motie, een uitspraak van de Kamer. Uw punt is helder.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Een laatste ordeopmerking. Wat vindt u nu zelf van deze beantwoording, voorzitter?

De voorzitter:

Nee, nee. Als ik daaraan ga beginnen, meneer Van Houwelingen, dat ik een kleine recensie ga geven op elk antwoord op een vraag, dan zitten we hier vanavond nog. Dus dat gaan we niet doen.

Minister Hermans:

Ik doe hier mijn uiterste best om vragen te beantwoorden. Als iemand, in dit geval de heer Van Houwelingen, niet het antwoord krijgt dat hij graag wil horen, is het niet per definitie zo dat ik geen antwoord geef.

Voorzitter. Er komt zo meteen een motie van wantrouwen, waar ik vanzelfsprekend geen oordeel over zal geven. Die gaat onder andere over het punt dat de heer Van Houwelingen mij, en voorgangers van mij, verwijt dat wij een brief en de reactie daarop van VWS niet naar de Kamer zouden willen sturen. De reden waarom daarover altijd is gezegd dat we dat niet doen, is vanwege de onderliggende suggestie dat er iets geheimzinnigs of raars zou zijn gebeurd. Dat is tótaal niet aan de orde. De vaccinaties waren niet de enige route waarop werd ingezet tijdens de coronacrisis. Omdat de heer Van Houwelingen zo persisteert, heb ik er in principe geen moeite mee om de brief en de reactie van VWS naar de Kamer te sturen. Dat zal ik dus doen.

Voorzitter. Dan had ik nog …

De voorzitter:

Ah, u heeft al een toezegging, meneer Van Houwelingen. Mooier dan dit wordt het niet.

De heer Van Houwelingen (FVD):

De voorzitter:

Wat u met uw eigen moties doet, is aan u. Dit is het antwoord van de minister. U gaat over welke moties u wel of niet in stemming brengt. Het woord is aan de minister.

Minister Hermans:

Voorzitter. Het lid Kostić vraagt of ik, in het kader van de discussie over geitenhouderijen, in gesprek wil gaan met gemeenten waar woningbouw in de buurt van geitenhouderijen plaatsvindt. Daar ben ik toe bereid. Er zijn op dit moment al goede en frequente overleggen tussen betrokken ministeries, provincies en gemeenten. Zij worden ook in die gesprekken betrokken bij de uitwerking van maatregelen waaraan gewerkt wordt. Ik ben natuurlijk ook in deze situatie bereid om dat gesprek samen met de staatssecretaris van LVVN te voeren.

Voorzitter. Dan stelde het lid Kostić mij nog een vraag over gordelroos en kosteneffectiviteitsrisico's. Of was het mevrouw Van Brenk? Die vraag ging over de ratio van €20.000, waar ik nog niet op had gereageerd. Ik zie mevrouw Van Brenk wat vertwijfeld kijken, maar in mijn beleving had ik deze nog open staan. Ik zal het snel en kort doen, voorzitter. De kosteneffectiviteit van de gordelroosvaccinatie staat niet ter discussie. We gaan immers ook van start met het vaccineren. Het RIVM heeft in het laatste advies de kosteneffectiviteit per leeftijdsgroep met elkaar vergeleken. Daarbij is voor iedereen dezelfde ratio gehanteerd. Ik verwijs even naar het debat. Daaruit is het besluit van het kabinet gekomen.

De voorzitter:

Herkent u de vraag, mevrouw Van Brenk?

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik snapte de €20.000 niet, maar dat is dus die qaly. Het advies van de Gezondheidsraad was €50.000 en dat van het RIVM was €20.000. De vraag was eigenlijk: welke weging is nou gemaakt en waarom is gekozen voor het een en niet voor het ander?

De voorzitter:

Ik heb wel het idee dat het hier eerder in het debat al over is gegaan.

Minister Hermans:

Ja, maar toen ben ik niet heel diep op die cijfers ingegaan. Ik moet het antwoord daarop even schuldig blijven, omdat we nu deep down in die techniek duiken. Het is toch wel belangrijk om het volgende te zeggen. Politiek gezien hebben we gewisseld wat gewisseld kan en moet worden in zo'n discussie. De kosteneffectiviteit van de vaccinatie als zodanig staat dus ook niet ter discussie. We gaan het ook doen. We gaan vaccineren. We zijn vervolgens gaan werken vanuit het feit dat er een bepaald budget beschikbaar is. De vraag was: hoe zet je dat nou zo effectief mogelijk in? Daarvoor is het RIVM die leeftijdsgroepen gaan vergelijken.

De voorzitter:

Mevrouw Van Brenk, ik wil dit punt eigenlijk afronden.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik snap het, voorzitter. Zou ik dan misschien mogen vragen of dit op schrift gezet kan worden? Ik wil die verschillen namelijk echt begrijpen. Ik wil begrijpen waarom de Gezondheidsraad het ene adviseert en het RIVM het andere. Ik denk namelijk dat we echt een verkeerde doelgroep aan het vaccineren zijn.

De voorzitter:

Is er een logisch moment om de Kamer hierover te informeren?

Minister Hermans:

Ik wil even kijken wat een logisch moment is, om het bijvoorbeeld op te nemen in een brief die er toch al aan zit te komen. Ik heb namelijk vorige week een heel aantal Kamervragen van mevrouw Van Brenk beantwoord. Ik wil ervoor zorgen dat we de tijd van ons allen goed besteden. Ik zoek dus naar een goed moment en een goede brief om daarop terug te komen.

Voorzitter. Dan ga ik naar het amendement-Claassen/Van Dijk op stuk nr. 96. Ik had beloofd dat ik daar nog even naar zou kijken. Het oordeel blijft "ontraden". Er ligt inmiddels ook een motie van de heer Claassen, waar ik zo meteen op in zal gaan. We doen op dit moment nog onderzoek naar de biomarkers. Er is gewoon nog onvoldoende bewijslast om over te gaan tot implementatie, of dat nou landelijke implementatie is of een pilot. Daarom ben ik hier terughoudend in en moet ik dit amendement nu ontraden.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Dat begrijp ik. Daarom ligt er dus nu een motie. Als die oordeel Kamer krijgt, wil ik het amendement zeker aanhouden.

De voorzitter:

Nou, dat gaan we zo horen.

Minister Hermans:

Dat gaat u bijna horen.

Mevrouw Ten Hove is even niet in de zaal, zie ik. Ik kan haar toezeggen dat als er meer informatie is, als het volgende overleg over de helikopter en de situatie in Teuge heeft plaatsgevonden, ik de Kamer zal informeren.

In de richting van de heer Poortman zeg ik dat het voorstel voor de staatscommissie snel komt en dat wij daarna mensen zullen gaan zoeken om de staatscommissie te vullen. De inzet is om dat voor de zomer voor elkaar te hebben.

De voorzitter:

Dank u wel. We gaan naar ... Nee, mevrouw Vliegenthart, u werd ook niet aangesproken. We gaan nu naar ...

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):

...

De voorzitter:

Mevrouw Vliegenthart, u had niet het woord gekregen van mij. U heeft ook geen microfoon. Nu zegt u buiten de microfoon dat u een antwoord op een gestelde vraag mist. Ik geef u daar nu de gelegenheid toe ...

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, in de eerste termijn had de minister ...

De voorzitter:

Ja, u krijgt het woord.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):

... mij toegezegd dat ze even zou uitzoeken hoe de aanbevelingen uit de onderzoeken naar asielzoekers in Kansrijke Start terecht konden komen.

Minister Hermans:

Maar niet voor tweede termijn. Dat vergt echt wel even gesprekken op het ministerie: wat loopt er allemaal, waar raakt het aan, welke verantwoordelijkheden liggen bij de minister van Asiel en Migratie? Niet voor de tweede termijn dus.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):

Mijn vraag was vooral wanneer we een terugkoppeling kunnen verwachten.

De voorzitter:

Ik zie u, u krijgt van mij het woord. U wilt die informatie. Ik vraag aan de minister wanneer die informatie naar de Kamer kan komen.

Minister Hermans:

Dat vind ik altijd zo lastig. Ik snap het ongeduld, als ik het zo mag omschrijven. Ik heb daar gewoon even tijd voor nodig. Ik heb wel meer toezeggingen gedaan. Ik ga met het lid Kostić op pad, Maak Rimpels ... Ik doe dat allemaal met heel veel plezier.

Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):

Ik heb echt geen haast. Ik wil alleen ...

De voorzitter:

Mevrouw Vliegenthart, u praat gewoon lukraak in de microfoon. Ik zet 'm dus ook gewoon uit. We gaan naar het antwoord van de minister luisteren: wanneer komt deze informatie naar de Kamer? Met dat antwoord, mevrouw Vliegenthart, moet u het gewoon doen; zo is het.

Minister Hermans:

Ik zie ook mevrouw Keijzer zwaaien, dus ik moet kennelijk ook nog met haar ergens naartoe, en met mevrouw Bikker en met de heer Van Dijk. Nou goed, het is een terechte vraag. Laat ik toezeggen dat ik probeer hier voor het meireces bij mevrouw Vliegenthart op terug te komen. Mocht dat helemaal anders worden, dan laat ik dat ook weten.

De voorzitter:

Prima. Mevrouw Vliegenthart is heel tevreden. We gaan naar de moties.

Minister Hermans:

Dan kom ik bij de moties. Ik zal heel duidelijk het nummer noemen, omdat ik ze niet allemaal doe.

Ik begin bij de motie op stuk nr. 101, die over de NVWA gaat. Deze motie moet ik ontraden. Producenten zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van producten die zij in de handel brengen. Op voorhand iets uit de markt halen, kan de economische belangen onevenredig schaden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 101: ontraden.

Minister Hermans:

Dan de motie op stuk nr. 102. Ik begrijp de motie heel goed. Die verzoekt ons om naar alternatieve maatregelen te kijken. Daar ging ook mijn interruptiedebat met de heer Bushoff over. Wat ik lastig vind aan hoe het is geformuleerd, is dit. Wij gaan natuurlijk aan de slag met de uitwerking van het coalitieakkoord. Mijn toezegging staat dat ik dat in overleg en in gesprek met de Kamer doe en dat we alternatieve suggesties en voorstellen natuurlijk erbij zullen betrekken. Dat kan in de uitwerking zijn, dat kan naast een maatregel zijn. Met deze motie wordt mij echter gevraagd om ook nog een hele lijst van alternatieve maatregelen uit te werken. Alles bij elkaar wordt dat een beetje veel. Zoals het hier is geformuleerd, moet ik de motie ontraden, maar ik wil wel heel graag gericht het gesprek aangaan met de heer Bushoff en alle ondertekenaars van deze motie over mogelijke alternatieven.

De voorzitter:

Nou, meneer Bushoff, een uitgestoken hand. Neemt u die aan?

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ik had eigenlijk de simpele suggestie om dan een aantal maatregelen uit het coalitieakkoord niet uit te werken, als het te veel is, en gewoon de maatregelen uit deze motie uit te werken.

Minister Hermans:

Deze suggestie vind ik begrijpelijk vanuit de heer Bushoff gezien, maar ik kan die helaas niet overnemen. Ik zeg echter toe dat ik op basis van gesprek ook naar alternatieve maatregelen kijk. Ons nu vragen om ook nog een hele lijst alternatieve maatregelen uit te werken, gaat echter echt te ver.

De voorzitter:

Waarmee het oordeel over de motie op stuk nr. 102 ...

Minister Hermans:

Wat in deze motie staat ontraad ik, maar die uitgestoken hand blijft en ook de toezegging die ik eerder in het debat heb gedaan staat fier overeind.

Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 105 van mevrouw Vliegenthart, mevrouw Van Brenk, het lid Kostić en mevrouw Dobbe, over het stellen van een doel voor de HPV-vaccinatiegraad. Deze motie krijgt oordeel Kamer. Ik zeg daarbij wel dat ik dit echt als een streven en niet als een resultaatverplichting zie, want het is echt een ambitieus getal. Maar ik onderschrijf het belang hiervan.

Dan de motie op stuk nr. 106 van mevrouw Synhaeve, over het eigen risico en de tranchering. Deze motie lees ik als een oproep om de voorstellen voor de regelgeving op hetzelfde moment hier in de Tweede Kamer te hebben zodat in samenhang over deze voorstellen kan worden gesproken. Het heeft natuurlijk ook samenhang. Zo staat het ook in het coalitieakkoord opgeschreven. Dat kan en wil ik dus doen. Daar hoort ook bij dat de implementatie van het een en ander, met name van die tranchering, echt om zorgvuldigheid vraagt. Wij zijn daar nu ook met zorgverzekeraars over in gesprek. Mevrouw Synhaeve benoemde het zelf ook in haar tweede termijn, maar ik hecht er ook echt aan dat de datum van de invoering rondom het eigen risico in 2027 natuurlijk blijft staan.

De voorzitter:

Meneer Claassen, ik ga geen vragen over andermans moties toestaan. Dit is het oordeel van de minister. U maakt vervolgens een afweging over het stemadvies voor uw fractie.

Minister Hermans:

Ik weet niet of ik het al zei, maar dit gezegd hebbende, kan ik de motie op stuk nr. 106 oordeel Kamer geven.

Voorzitter. De motie op stuk nr. 108 verzoekt om het eigen risico in de zorg af te schaffen. Die moet ik ontraden. Ik verwijs daarbij naar het debat.

Dan de motie op stuk nr. 109, die mij vraagt om ervoor te zorgen dat het Zuyderlandziekenhuis volwaardig openblijft. Ik moet deze motie ook ontraden, onder verwijzing naar vele eerdere debatten.

De motie op stuk nr. 110 verzoekt om meevallers in de Zorgverzekeringswet automatisch in te zetten voor lastenverlichting via een verlaging van de premies. Dit voorstel wordt ook gedaan in het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte. In het coalitieakkoord hebben we afgesproken om dat advies over te nemen. Als ik het zo mag lezen dat we de meevallers ook eerst mogen gebruiken voor tegenvallers elders in de VWS-begroting, dan kan ik deze motie oordeel Kamer geven. Dus de motie op stuk nr. 110: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 110: oordeel Kamer.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 112 gaat over het beperken van leefstijlpreventie tot voorlichting en informatievoorziening. Die ga ik ontraden. Ik heb volgens mij in het debat uitgelegd dat het preventiebeleid van dit kabinet een mix van instrumenten bevat.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 112: ontraden.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 116 van mevrouw Coenradie gaat over een concreet en uitvoerbaar afbouwplan. Daar hebben we ook het een en ander over gewisseld in het debat. Als ik dit mee mag nemen in de reactie en aanpak naar aanleiding van het ibo, dat ik ook met mevrouw Westerveld en mevrouw Dobbe besprak, dan kan ik deze motie oordeel Kamer geven. Die komt nog dit jaar, dus voor 1 januari 2027.

De voorzitter:

Ik zie mevrouw Coenradie knikken. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 116 oordeel Kamer.

Minister Hermans:

Dan de motie op stuk nr. 117 van mevrouw Coenradie. Die motie moet ik ontraden. Het preventiebeleid is in de huidige vorm bedoeld als instrument om de betaalbaarheid overeind te houden. Vorige week heeft mevrouw Coenradie schriftelijke vragen gesteld. Ik weet niet of we het er in het debat over hebben gehad, maar we zijn dit beleid nu sowieso aan het evalueren. Er is ook al een kleine aanpassing gedaan. Als mevrouw Coenradie de motie wil aanhouden tot de evaluatie is afgerond en mogelijk ook tot ik haar schriftelijke vragen heb beantwoord, kan dat natuurlijk ook. Maar anders moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 117 is ontraden.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 118 geef ik oordeel Kamer, want daar sta ik echt helemaal achter.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 118 krijgt oordeel Kamer.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 119 met het verzoek om met Rotterdam in gesprek te gaan krijgt oordeel Kamer, met dien verstande dat ik dan eerst met Rotterdam en betrokken partijen in gesprek ga over wat er nodig is. Op basis daarvan kijken we wat er nodig is of extra ontwikkeld moet worden.

De voorzitter:

Mevrouw Coenradie knikt. De motie op stuk nr. 119 krijgt oordeel Kamer.

Minister Hermans:

Dan de motie op stuk nr. 120 van de heer Van Houwelingen over de totalbodyscan. Die moet ik, onder verwijzing naar wat ik net zei, ontraden.

De motie op stuk nr. 121 van de heer Van Houwelingen moet ik ook ontraden. Er staan in de constateringen echt een aantal dingen waar ik het fundamenteel mee oneens ben. Binnenkort ontvangt de Kamer het jaarverslag. Daarin kunt u lezen wat de stand van zaken is.

De motie op stuk nr. 126 krijgt oordeel Kamer; dat heb ik net al toegezegd aan de heer Van Houwelingen.

De motie op stuk nr. 127 …

De voorzitter:

Geen oordeel.

Minister Hermans:

Geen oordeel.

Dan de motie op stuk nr. 128 van mevrouw Wiersma en het lid Kostić over de tranchering. Ik verwijs kortheidshalve naar het debat, maar die moet ik ontraden.

De motie op stuk nr. 131 is ook een spreekt-uitmotie, dus geen oordeel.

De motie op stuk nr. 135 gaat over het naar de Kamer sturen van een samenhangend plan over preventie en voorlichting rond infectieziektes en post-infectueuze aandoeningen. Er is samenhangend beleid en er is ook sprake van voorlichting. We beginnen dus niet vanaf nul. Maar ik ben natuurlijk wel bereid om de Tweede Kamer over het beleid te informeren in het najaar, dus de motie krijgt oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 136. Ik onderschrijf het belang hiervan. In het verzoek vraagt het lid Kostić mij om integraal te rapporteren. Dan kom ik ook bij alle andere beleidsterreinen terecht. Dat gaat te ver. Zonder het woordje "integraal" kan ik de motie oordeel Kamer geven, want dan kan ik me echt focussen op het VWS-preventiebeleid. Mijn verzoek aan het lid Kostić is dus wel om dat even aan te passen.

De voorzitter:

Ik kijk naar het lid Kostić. Is zij bereid dat te doen? Even voor de administratie: dan dient u een gewijzigde motie in. "Integraal" gaat uit het dictum. Met die wijziging krijgt de motie op stuk nr. 136 oordeel Kamer.

Minister Hermans:

Ja.

De motie op stuk nr. 137, over een gesprek met zorgverzekeraars en patiëntenorganisaties zoals Transvisie over de transgenderzorg: oordeel Kamer. Ik ga met het Landelijk Platform Transgenderzorg in gesprek en zal de Kamer informeren.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 137: oordeel Kamer.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 138, van mevrouw Bikker, de heer Van Dijk, mevrouw Dobbe en de heer Claassen, over een onderzoek naar kraamzorg: oordeel Kamer. Ik denk alleen wel dat de zomer van 2026 wat te vroeg is voor de terugkoppeling. Ik denk dat die in het najaar van 2026 komt, maar we zullen dat zo snel als mogelijk doen. Oordeel Kamer.

De voorzitter:

Mevrouw Bikker knikt. Met die uitleg krijgt de motie op stuk nr. 138 oordeel Kamer.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 139, van mevrouw Bikker, gaat over de 113-hulplijn. Deze motie moet ik ontraden. Er is geen budgettaire ruimte voor een structurele verhoging van het budget. Er is nu ook geen onderbouwing van wat er in de komende jaren financieel nodig zal zijn.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik wil hier toch benadrukken dat er vorig jaar met, geloof ik, unanieme steun een wet is aangenomen om ervoor te zorgen dat de Kamer niet iedere keer dat de vraag toeneemt, weer opnieuw geld beschikbaar moet stellen voor 113. Ik wil de motie best even aanhouden als er kleine dingen moeten wijzigen, maar ik wil niet dat we eigenlijk de wet aan het uithollen zijn, die juist met brede steun van de Kamer is aangenomen.

Minister Hermans:

De afspraak met de uitvoerder van de hulplijn, Stichting 113 Zelfmoordpreventie, is dat we de hulplijn binnen de huidige financiële kaders prioriteren. Wij, en ik zal me daar ook zelf tegenaan bemoeien, zijn nu in gesprek over hoe dat kan en hoe dat vorm kan krijgen. Misschien kan mevrouw Bikker de motie even aanhouden totdat dat gesprek heeft plaatsgevonden, zodat dan de weging gemaakt kan worden of de motie in deze of mogelijk in aangepaste vorm in stemming moet komen, maar dat is uiteraard aan mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik ben welwillend, maar niet als de financiële kaders betekenen dat als er meer hulpvragen zijn voor 113, de stichting voor hetzelfde geld meer beschikbaarheid moet leveren, want daar zit juist mijn zorg. Met de wet hebben we met elkaar gezegd: als de vraag toeneemt, dan staan we hier met elkaar aan de lat. Dan moet de Kamer daar niet telkens opnieuw om hoeven vragen. Daarom hebben we die wet. Als de minister zegt dat ze daar na dat gesprek op terugkomt, wil ik de motie best aanhouden, maar als ze eigenlijk al weet dat dit haar uitleg van de wet is, dan laat ik de motie in stemming brengen.

Minister Hermans:

Ik zeg dat gesprek toe. Ik ga geen gesprek voeren om maar een gesprek te voeren, maar ik zeg nu ook niet per definitie toe dat het leidt tot extra budget. Ik wil gewoon even weten hoe dit zit en wat hier precies aan de hand is. Misschien kan er ook wel wat opgelost worden met herprioritering, zoals die afspraak daarvoor staat. We zullen kijken naar wat er daarna overblijft.

De voorzitter:

De vraag aan mevrouw Bikker is dan of zij bereid is deze motie aan te houden tot nadere informatie van de minister.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dat wil ik doen, maar dan hoop ik ook dat we echt even het gesprek voeren over de interpretatie van de wet. Anders is er namelijk heel veel werk voor niks geweest en dat moeten we vooral niet hebben.

De voorzitter:

Ik zie de minister knikken.

Op verzoek van mevrouw Bikker stel ik voor haar motie (36800-XVI, nr. 139) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 140 gaat over het niet verhogen van het eigen risico. Die ontraad ik.

De motie op stuk nr. 144, over maatregelen om de marktwerking in de kraamzorg terug te dringen, ontraad ik ook.

De motie op stuk nr. 145 gaat over het uitvoeren van een onafhankelijk onderzoek naar de gevolgen van het eventueel sluiten van de geboortezorg, de ic en de SEH en naar de mogelijkheden om deze te behouden. Die moet ik ontraden. Ik ga hier namelijk niet over en er is in heel veel eerdere debatten ook al uitgebreid over gesproken.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 146. Ik zie het verzoek. Ik snap het verzoek ook. Er ontbreekt echter een dekking, dus ik moet de motie ontraden.

De motie op stuk nr. 147 verzoekt de regering bezuinigingen niet te verwerken in zorgbudgetten voordat de beoogde besparingen in de praktijk zijn gerealiseerd. Die motie moet ik ontraden.

De motie op stuk nr. 149 verzoekt om de denkrichtingen A en B uit het ibo-rapport uit te werken en voor de begrotingsbehandeling van 2027 naar de Kamer te sturen. Die motie geef ik oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 150 is een spreekt-uitmotie.

De motie op stuk nr. 152, van mevrouw Van Brenk en mevrouw Wendel, gaat over het wisselen van informatie tussen zorgverzekeraars. Die geef ik oordeel Kamer. Ik interpreteer 'm zo dat ik de Kamer informeer over de regelgeving waar het kabinet aan werkt ten aanzien van gegevensuitwisseling gedurende fraudeonderzoek. Daar betrek ik dan ook deze motie bij.

De motie op stuk nr. 154, van de heer Claassen, is de motie naar aanleiding van wat we net wisselden over het amendement. Deze motie krijgt oordeel Kamer.

In de motie op stuk nr. 155, ook van de heer Claassen, zitten eigenlijk drie verzoeken. Nummer één en twee zijn ontijdig en nummer drie moet ik ontraden. Dat maakt dus dat ik het totaal van de motie moet ontraden. Dit gaat over de motie op stuk nr. 155.

Ook de motie op stuk nr. 156 moet ik ontraden.

De voorzitter:

Ja, de moties op de stukken nrs. 155 en 156 zijn ontraden. Dat waren de moties van uw kant. Dan gaan we …

Minister Hermans:

Misschien een kort laatste woord na een hele stapel moties met nuttige oproepen aan het kabinet om mee aan het werk te gaan. Vanaf mijn plaats, vanaf deze kant, veel dank voor het debat van eergisteravond en -nacht en vandaag. Ik heb veel uitgestoken handen gezien en in woord gehoord. Ik zal van daaruit aan de slag gaan. Staat u mij toe vanaf deze plaats alle ambtenaren van het ministerie van VWS heel hartelijk te danken voor het keiharde werk dinsdagnacht, woensdagochtend heel vroeg en vandaag hier in de ambtenarenkamer en op het ministerie. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan minister Sterk, de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.

Minister Sterk:

Voorzitter. Om te beginnen wil ik me ook graag aansluiten bij de woorden van dank voor de uitgestoken handen, maar ook voor het geduld dat u met mij had, omdat het voor mij nog een beetje wennen is. Het zijn allemaal nieuwe namen en het is wennen aan de spreekvormen die we hier hebben. Ik heb veel geleerd over hoe belangrijk het is dat je de informatie die je misschien wel bij je hebt, ook op het juiste moment moet kunnen vinden om die te kunnen gebruiken. Dat betekent ook dat ik op een aantal zaken nog even terug zou komen in de tweede termijn. Dat ga ik bij dezen ook doen.

Ten eerste de vragen van Kamerlid Corrie van Brenk over de ouderenconsultatiebureaus. Die motie is uitgevoerd door middel van een verkenning. Een zorgbuurthuis is primair natuurlijk gewoon een woonvorm waarbij ook de verbinding met de buurt wordt gezocht. Hier kan natuurlijk eventueel ook advies aan ouderen worden gegeven. Alleen, de vraag is wel een beetje of zo'n ontmoetingsruimte nou echt de goede plek is om zo'n consultatiebureaufunctie te kunnen vervullen, want daar is die natuurlijk eigenlijk niet voor ingericht. Het wonen staat natuurlijk voorop.

Dat geldt ook voor het Kamerlid … Het spreekgestoelte gaat ineens naar beneden. Doe ik dat zelf?

De voorzitter:

Dat doet u niet, hoor. Geen zorgen.

Minister Sterk:

Ik heb namelijk geleerd dat ik daar knoppen voor heb.

De vraag van Kamerlid Coenradie ging over het verhogen van de gemiddelde arbeidsduur in de ouderenzorg. We hadden net ook al even een debatje over het feit dat de taak om dat gesprek te voeren natuurlijk primair bij de werkgevers en de werknemers ligt. Lang niet elke werkgever voert dat gesprek op dit moment. Ook wij vinden het belangrijk dat meer werken ook gaat lonen. Daarom gaan we bijna ongewijzigd door met de bijna gratis kinderopvang voor werkende ouders. Daar heb ik in mijn brief eerder … De vorige staatssecretaris heeft daar al eerder over gecommuniceerd. Ik ben ook heel benieuwd naar de resultaten van de pilots die op dit moment lopen bij het ministerie van OCW voor meerurenmaatwerk. Ook Sociale Zaken heeft een pilot vanuit het Groeifondsprogramma. Die lopen ook in de zorgsector. Ik wil op basis van die resultaten kijken welke concrete maatregelen er dan nog nodig zijn. We hebben het volgens mij dus in beeld. We doen daar op dit moment onderzoek naar in de vorm van pilots. Ik kom daar later nog op terug.

Verder was er een vraag over de backpayregeling: kan dit niet toch wat versneld worden? Natuurlijk doe ik alles om dat proces te versnellen. Ik snap ook dat die versnelling nodig is, want dit gaat om mensen die al aardig op leeftijd zijn. Het moet echter ook zorgvuldig gebeuren; ik vind het ook wel goed om dat aan te geven. Je wilt later immers geen problemen krijgen met de regeling die we ontwikkelen. Volgens het tijdpad dat er op dit moment is, zal de conceptregeling nog deze maand aan de Sociale Verzekeringsbank worden voorgelegd, zodat zij een uitvoeringstoets kunnen doen. Ik denk dat we in dit huis vaker hebben gemerkt dat het best belangrijk is om te kijken of het ook echt uitvoerbaar is. Die uitvoeringstoets zal naar verwachting eind mei of begin juni gereed zijn. Daarna komt er een zes weken durende internetconsultatie. De regeling zal vervolgens naar verwachting in september van dit jaar aan de ministerraad worden voorgelegd. Als de ministerraad de regeling goedkeurt, zal die in de Staatscourant worden gepubliceerd. De regeling zal naar verwachting dus medio 2027 echt in werking zijn getreden. Dat over het tijdpad.

Ik moet even terugkomen van de toezegging die ik aan mevrouw Bikker deed over de hospicezorg. Ik moet mijzelf even corrigeren. In mijn toezegging zei ik dat het Nationaal Programma Palliatieve Zorg wordt doorgezet, maar dat is niet helemaal het geval. De opbrengsten van dat programma gaan we borgen. Op dit moment voeren we binnen het ministerie gesprekken met koepelorganisaties en andere betrokken partijen om gezamenlijk te bezien hoe de regionale capaciteitstrajecten verder versterkt kunnen worden, en wel zonder onnodige administratieve lasten voor individuele hospices. Daarbij komen onder andere het opzetten van een structurele monitoring van vraag en aanbod per regio en het aanwijzen van een vaste regisseur per regio aan de orde. Die gesprekken moeten leiden tot een plan van aanpak voor een toekomstbestendige hospicezorg, dat dus in samenwerking met die betrokken partijen zal worden opgesteld.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Mijn microfoon doet het even niet. Ja! Daar zijn we. Goedemiddag, nog steeds. Nee, het is al avond! We gaan maar door hier. Dat verklaart ook dat ik nu even sta te schakelen. Ik had hierover een motie opgesteld, maar ik had een mooie toezegging gekregen en dan denk ik: dan dien ik 'm niet in. Zou de minister dit gewoon even in een brief willen gieten?

Minister Sterk:

Zeker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dan bekijk ik wel of ik daar een schriftelijk vervolg aan geef of dat het alsnog fantastisch is.

Minister Sterk:

Absoluut. Dat zal ik zeker doen. Dat zeg ik toe.

Voorzitter. Er is nog een amendement waar ik net geen reactie op kon geven, terwijl daarover wel discussie was in de Kamer. Ik heb het over het amendement op stuk nr. 34 over de evc-certificaten. Staatssecretaris Tielen heeft in het WGO Jeugd toegezegd dat de dekking daarvan in orde is en het amendement daarmee oordeel Kamer gegeven. De dekking voor 2026 is ook deugdelijk, maar we hebben wel geconstateerd dat de dekking vanaf 2027 in de toelichting van het amendement — volgens mij ging daar ook het debatje over — niet deugdelijk is. In de amendementenbrief heb ik daarom aangegeven dat ik bereid ben om opnieuw te kijken naar middelen voor de dekking van dat deel van het amendement. Daarmee krijgt het amendement nog steeds "oordeel Kamer".

Voorzitter. Ik kom bij de behandeling van de moties. Ik begin bij de motie-Bushoff c.s. op stuk nr. 100. Deze motie gaat over de taakstelling om ten minste 1% van het totale bedrag aan zorgfraude te behouden voor de zorg. Die wil ik ontraden met verwijzing naar het debat.

De motie-Westerveld c.s. op stuk nr. 103 gaat over een duurzaam plan voor een landelijk dekkend aanbod van ten minste twintig voorzieningen. Ook deze motie wil ik ontraden. Er wordt op dit moment gewerkt aan een goed plan. Het gaat natuurlijk niet zozeer om continuïteit van aanbod als wel om continuïteit van zorg. De locatie blijft open totdat er een alternatieve plek is. Ik heb toegezegd dat ik daarover in het WGO van maandag een update geef.

De motie-Westerveld/Bikker op stuk nr. 104 gaat over het Nationaal Actieplan Dakloosheid. In de tekst staat dat de regering wordt verzocht om álle aanbevelingen uit de tussentijdse evaluatie op te volgen. Álle aanbevelingen gaat mij wel een beetje ver. Als u zegt dat het kabinet heel serieus moet omgaan met die aanbevelingen, dan zou de motie oordeel Kamer kunnen krijgen. Het is dus even aan u welke lezing u wilt hebben.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Wat ik gewoon niet zo goed snap, is dat we een actieplan hebben, dat de hele Kamer destijds heeft gezegd dat het mooi was dat er eindelijk een actieplan lag en dat ze de doelstellingen steunde. Dan is volgens mij de vraag: ligt dat actieplan er nog steeds, liggen die doelstellingen er nog steeds, ja of nee? Als het antwoord ja is — dat hoor ik van het kabinet — dan wil je ook al die aanbevelingen opvolgen. Als het antwoord nee is, dan hebben we een andere discussie. Maar wat ik dus lastig vind, is dat er wordt gezegd: ja, dat actieplan staat en de doelstelling staat, maar we gaan het toch niet helemaal opvolgen, we halen die doelen misschien niet en we gaan toch niet die aanbevelingen opvolgen.

De voorzitter:

Ja, maar de vraag was ...

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat kan volgens mij dus niet.

De voorzitter:

... of u bereid bent uw motie aan te passen. Ik heb het gevoel dat het antwoord nee is.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Inderdaad: nee.

Minister Sterk:

Dan blijft het oordeel: ontraden.

De voorzitter:

Dan blijft het oordeel: ontraden. We komen bij de motie op stuk nr. 107.

Minister Sterk:

De motie op stuk nr. 107 over de envelop ouderenzorg wil ik ook ontraden, onder verwijzing naar het debat.

De motie op stuk nr. 111 over keuzevrijheid voor het pgb wil ik ontraden, maar daar zeg ik wel bij dat ik wil toezeggen dat we bij de uitwerking van de plannen heel goed gaan kijken voor welke mensen de keuzevrijheid voor het pgb echt heel belangrijk is in het organiseren van de zorg.

De motie op stuk nr. 113 wil ik ook ontraden, onder verwijzing naar de appreciatie van de motie op stuk nr. 112 van zojuist door mijn collega-minister. De overheid is op dit moment al verantwoordelijk voor de veiligheid van kinderen onder toezicht, en dat neemt het kabinet ook heel serieus. Dat gaat dan over het verzoek, maar de motie is ontraden.

De motie op stuk nr. 114 is oordeel Kamer, met een verwijzing naar het debat.

De motie op stuk nr. 115 over de informatiedeling over zorgfraude is ook oordeel Kamer. Indien ik dit mag meenemen, zeg ik daar dan even bij, in de wetsevaluatie van — en nu komt een hele ingewikkelde term — de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg, die later dit jaar start.

De voorzitter:

Ik zie dat er geknikt wordt.

Minister Sterk:

Oké. Ik zag ook niet een hele duidelijke ...

De voorzitter:

Een klein knikje van mevrouw Van Brenk.

Minister Sterk:

Een voorzichtig knikje, maar toch een knikje.

De voorzitter:

Ja, zo is het.

Minister Sterk:

De motie op stuk nr. 122 wil ik ook ontraden. Die gaat over een onderzoek naar de ervaringen van ouders bij gedwongen uithuisplaatsing. Ik heb daar volgens mij bij de vragen al wat over gezegd.

De motie op stuk nr. 123 wil ik ook ontraden.

Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 124 over de perverse financiële prikkel, want dat is ook gemeentelijk beleid. En van kortingen is geen sprake, maar wel van betaling van de bezetting. Dus als de bezetting weggaat, volgt daar automatisch uit dat er ook middelen terugvloeien.

De motie op stuk nr. 125 is een spreekt-uitmotie.

De motie op stuk nr. 129 over de fiscale maatregelen in het kader van werkende mantelzorgers wil ik ontraden, maar ik wil daarbij ook een toezegging doen. Zoals ik al eerder aangaf, is de minister van Sociale Zaken bezig met de uitwerking van dat SER-advies. Ik wil hem wel vragen om deze suggestie te betrekken bij de reactie op het SER-advies. Dit zal rond de zomer komen.

De voorzitter:

Dus de motie op stuk nr. 129 is ontraden.

Minister Sterk:

Ja. Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 130, eigenlijk met een beetje dezelfde toezegging dat ik wil vragen om ook dit te betrekken bij de reactie op het SER-advies.

De motie op stuk nr. 132 ontraad ik ook, omdat er al een structurele aanpak is tegen racisme in de vorm van Ons Voetbal Is Van Iedereen, een instelling of stichting die daarmee bezig is. Dit is ook breed uitgerold voor de sport door NOC*NSF.

De motie op stuk nr. 133 over de respijtzorg wil ik oordeel Kamer geven, mits ik ook weer, in lijn met het SER-advies, de motie zo mag lezen dat er onderzocht wordt hoe respijtzorg tussen de zorgwetten beter kan worden georganiseerd en er met gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren wordt onderzocht of en hoe langjarige financiering kan worden geregeld.

De motie op stuk nr. 134 wil ik ontraden. Die gaat over het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Volgens mij zijn er heel recent middelen vrijgemaakt. Omdat ook andere partijen daarin investeren, denk ik dat het belangrijk is om eerst maar even te kijken wat daar de resultaten van zijn, voordat we naar de volgende tranche overgaan.

De motie op stuk nr. 141 over geen eigen bijdrage in de wijkverpleging wil ik ook ontraden, met een verwijzing naar het debat.

De motie op stuk nr. 142 over de Wet maatschappelijke ondersteuning en — zeg maar — de huishoudelijke zorg geregeld te laten worden zonder marktwerking, wil ik ook ontraden. Dat zou ook ingaan tegen het coalitieakkoord.

De motie-Dobbe c.s. op stuk nr. 143 wil ik ook ontraden, met verwijzing naar het debat. Die gaat over het zo snel mogelijk regelen van de arbeidsvoorwaarden van kraamverzorgenden.

De motie-Dobbe c.s. op stuk nr. 148, over voorstellen om het aandeel van commerciële ketens in de mondzorg terug te dringen, wil ik ontraden, waarmee ik niet gezegd wil hebben dat het onderwerp niet belangrijk is. Fraude moeten we terugdringen, ongeacht of het om commerciële ketens gaat of om andere typen aanbieders. Maar commerciële ketens terugdringen is in zichzelf natuurlijk niet een oplossing voor fraude.

De motie-Van Brenk/Wendel op stuk nr. 151 gaat over het onder de aandacht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd brengen van de signalen van fraude in de mond- en tandzorg. Wat mij betreft krijgt deze motie oordeel Kamer, want ik ben wel bereid om dat onder de aandacht te brengen.

De motie-Van Brenk c.s. op stuk nr. 153, over het welzijnswerk dat van onschatbare waarde is, geef ik oordeel Kamer, met een groot uitroepteken wat mij betreft.

De motie-Ten Hove op stuk nr. 157, over een plan om af te zien van de eigen bijdrage in de wijkverpleging, wordt ook ontraden, met verwijzing naar het coalitieakkoord.

De laatste motie, de motie-Keijzer c.s. op stuk nr. 158, die het kabinet verzoekt om met de sector de verkenning voort te zetten en te analyseren in welke mate de doelen van 290.000 ouderenwoningen kunnen worden gerealiseerd, wil ik graag oordeel Kamer geven.

Dat was het, voorzitter.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van het debat over de begroting van het ministerie van VWS voor het jaar 2026.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

We stemmen aanstaande dinsdag over de moties. De stemming over de amendementen en de begroting is op een later moment in de maand maart.

Ik dank de leden hartelijk voor hun constructieve bijdragen en beide ministers voor deze vuurdoop op dit dossier. Dit belooft nog vele interessante debatten die we met elkaar in het vooruitzicht hebben. Ik wens u allen een hele fijne avond en tot een volgende keer.

Het debat is geschorst tot 19.00 uur. Om 19.00 uur gaan we door met de voortzetting van het debat over de begroting van Defensie.

De vergadering wordt van 18.34 uur tot 19.05 uur geschorst.

Naar boven