Handeling
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Vergadernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | nr. 23, item 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Vergadernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | nr. 23, item 3 |
Vragenuur
Vragen Ceder
Vragen van het lid Ceder aan de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport over het bericht "Zorgelijke verslechtering van mentale gezondheid, vooral van jongeren".
De voorzitter:
Ik nodig de heer Ceder uit voor zijn vraag aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die ik ook van harte welkom heet in ons midden. U heeft het woord, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank, voorzitter. De kerstdagen staan voor de deur. De volgende woorden van Jezus zijn niet alleen een troost voor mij, maar ook voor velen over de hele wereld deze maand: "Kom naar mij toe, allen die vermoeid en belast zijn, en ik zal u rust geven." En daarna: "U zult rust vinden voor uw ziel." Rust voor de ziel: deze behoefte is van alle tijden, ook nu, ook in Nederland. Maar de mentale gezondheid van Nederlanders holt achteruit. Dat raakt mij. Economisch en materieel is Nederland, ondanks de armoede van velen, relatief gezien een van de beste landen ter wereld om in te wonen. En toch is het aantal mensen met angst of depressieve gevoelens toegenomen. Ook het aantal mensen met een psychische aandoening neemt toe. Inmiddels blijkt dat een kwart van alle Nederlanders een psychische aandoening heeft. Er waren meer dan 100.000 wachtplekken in de ggz in 2024. Daarmee is het aantal wachtplekken in twee jaar tijd dus, ondanks alle mooie woorden in de Kamer en de inzet, met bijna 25% gestegen.
Voorzitter. Geruisloos glijden we af naar een diepzieke samenleving. De Raad voor de Volksgezondheid & Samenleving noemt het een "hypernerveuze samenleving". Dat heeft op korte maar ook op lange termijn ontwrichtende gevolgen voor het gezinsleven, de economie, onze rechtsstaat, ons zorgstelsel en onze ziel. We moeten ook naar de samenleving durven kijken. Het is bijvoorbeeld belangrijk dat we naar jongeren luisteren en niet direct in de therapiereflex schieten. Jongeren zijn mondiger geworden en kunnen beter dan vroeger praten over hun gevoelens. Is deze ontwikkeling terug te zien in de cijfers, vraag ik aan de staatssecretaris. De identiteitsvorming van jongeren gaat door de veranderde samenleving steeds meer gepaard met allerlei onzekerheden, prestatiedruk en vragen: onzekerheid over uiterlijk, studiekeuze, carrière, relaties en politieke en sociale opvattingen.
Voorzitter. Wat de ChristenUnie betreft kent de individualisering van onze samenleving een grote prijs, want de mens bloeit het beste op in gemeenschap, in verbondenheid. We moeten dan ook samen alles op alles zetten om dat voor elkaar te krijgen. Daarom een aantal vragen aan de staatssecretaris. Hoe reflecteert de staatssecretaris op deze cijfers? Is het code rood? Wanneer komt er een effectieve agenda om de ggz-wachtlijsten terug te dringen? Erkent de staatssecretaris dat economische factoren niet genoeg zijn om te concluderen of het goed gaat met Nederland? Is het kabinet bereid beleidsplannen veel meer te toetsen op het brede welzijn?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de heer Ceder voor zijn vragen en inleiding. Ik ben zelf niet meteen heel erg gelovig, maar de boodschap die meneer Ceder gaf, met de verwijzing naar Jezus, is volgens mij mooi voor de adventstijd, om het maar zo te zeggen. Een mens alleen is namelijk eigenlijk niet stevig genoeg: we hebben elkaar nodig. En de mens is een sociaal wezen en dat heeft ook zijn effect op de mentale gezondheid. Dat zeg ik zelf ook altijd: gezondheid is meer dan alleen het lichamelijke; gezondheid gaat over lichamelijke, mentale en sociale gezondheid. Die drie aspecten staan ook nog met elkaar in verband.
De reflectie. Als iemand mij vraagt om een reflectie, dan heb ik de neiging om daar heel lang op in te gaan. Maar ik denk dat daar in één zo'n mondelinge vragenuur in de week niet zo veel ruimte voor is. Ik zal dus proberen om een compact antwoord te geven op de vragen van meneer Ceder.
De cijfers over de mentale gezondheid in Nederland doen ons somber aan. Ik denk dat die ons ook alert moeten maken. Ze verrassen ons niet. De eerste Monitor mentale gezondheid, die door het RIVM en Trimbos is samengesteld, liet dergelijke cijfers zien, maar u heeft ook al eerder dit jaar van mij kunnen lezen wat er aan cijfers beschikbaar is. Onder andere daarop is bijvoorbeeld het interdepartementaal beleidsonderzoek mentale gezondheid gebaseerd. We hebben daar ook al andere nieuwsberichten over gezien. Dat betekent dat we ook al begonnen zijn met werken aan de mentale en geestelijke gezondheid van Nederland, onder andere met de afspraken die we gemaakt hebben in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, waar u begin september wat over heeft kunnen lezen. Daarin hebben we met de ggz-sector, dus ook met de zorgaanbieders in de geestelijke gezondheidszorg, afspraken gemaakt over transparantie van de wachttijden, zodat mensen ook naar kortere wachtlijsten toe bemiddeld kunnen worden. We hebben ook afspraken gemaakt over bijvoorbeeld het uitsluiten van bepaalde patiënten van bepaalde behandelingen.
Daarnaast kan ik u vast aankondigen dat u voor de kerst van mij nog een brief krijgt, in vervolg op het Actieprogramma mentale gezondheid en geestelijke gezondheidszorg, zoals dat door mijn voorganger was ingezet. Daarbij laat ik volgende week een versterkingsagenda zien, waarmee we inzetten op het vergroten van de mentale veerkracht, op wachttijdondersteuning, op waakvlamondersteuning bij geestelijke gezondheidszorg en specifiek ook op vrouwengezondheid in relatie tot geestelijke gezondheid, aangezien we ook in deze monitor weer zien dat er toch wel grote verschillen zijn tussen vrouwen en mannen. Dat was mijn antwoord op de vraag over reflectie.
Daarnaast vroeg meneer Ceder: is het niet te kil om dit in ons land alleen naar economische factoren af te meten? Dat ben ik met meneer Ceder eens. Tegelijkertijd zijn ook de minder economische cijfers, de mentalegezondheidscijfers en gelukscijfers van Nederland over het algemeen nog best wel hoog. Ook in deze monitor zie je dat het overgrote deel van de Nederlanders hun leven een hoog cijfer geeft. Nederland behoort toch echt wel tot de landen met de gelukkigste bevolking en de gelukkigste jeugd ter wereld. Gelukkig is het leven dus voor de meeste mensen in Nederland goed, ook wat betreft mentale en geestelijke gezondheid, maar, nogmaals, de cijfers zoals die in de monitor zijn gepresenteerd, vragen ook wel om een betere aanpak om te zorgen dat ook de mensen voor wie dat niet zo is, die kant op kunnen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben blij om te horen dat er nog voor de kerst een brief komt om niet alleen deze alarmerende cijfers te duiden, maar ook te kijken wat de Kamer of in ieder geval het kabinet kan doen. We zien ook dat leefstijl echt wel wat uitmaakt. Je kan daarbij denken aan onder andere problematisch socialemediagebruik. Verschillende onderzoeken wijzen inmiddels uit dat er een verband bestaat tussen mentale gezondheid en ongezond schermgebruik. Inmiddels zegt een op de drie jongeren in Nederland te maken te hebben met een socialmediaverslaving. In Australië is er al een wet doorheen om socialemediagebruik tot een minimumleeftijd te verbieden. Allemaal zien we de signalen.
Ook in de Kamer hebben we deze stappen gezet. Er is een motie voor nationale leeftijdsverificatiewetgeving aangenomen. Dat geldt ook voor de motie-Van der Werf voor ophoging van de leeftijdsgrens voor social media. Hoe staat het met de gesprekken daarover en de ontwikkeling daarvan in EU-verband? Zou de staatssecretaris daar iets over kunnen zeggen?
Staatssecretaris Tielen:
Ook hier weer complimenten aan de heer Ceder, omdat hij het onderwerp breder trekt. Het onderwerp mentale gezondheid heeft met heel veel aspecten in het leven te maken, onder andere social media. Voldoende sporten en bewegen heeft ook weer een positief effect op de mentale gezondheid. Zo kunnen we een heleboel noemen, denk ik. Ook in het artikel over deze monitor wordt een aantal dingen genoemd.
Ik wil niet heel graag afschuiven, maar mijn collega, de staatssecretaris Digitale Zaken, is de hoofdeigenaar van het dossier sociale media, om het zo maar te zeggen. Ik wil niet voor mijn beurt spreken, dus ik moet op dat punt toch nog wel wat ruggespraak houden om duidelijk te maken waar we staan. Tegelijkertijd kan ik wel dit moment even aangrijpen om te wijzen op de adviezen voor schermgebruik die we vanuit VWS aan ouders hebben meegegeven. Dat zijn adviezen over het gebruik van onder andere schermen, maar ook het gebruik van sociale media, om ouders te helpen om hun kinderen daarin op te voeden en in die zin ook om de mentale gezondheid enigszins te beschermen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik zou dan graag een brief krijgen van de staatssecretaris die hiervoor verantwoordelijk is, zodat we dat kunnen duiden.
Tot slot, voorzitter. We zien ook een rol voor opvoeders en ouders om dit veelkoppige monster aan te pakken. Veel kinderen uit gebroken gezinnen krijgen nou eenmaal te maken met jeugdzorg. Juist in gezinnen met sterke relaties komen kinderen tot bloei, maar die relaties staan onder druk. Mijn vraag is daarom of de minister bereid is om in ieder geval te overwegen om relatietherapie op te nemen in het basispakket, daar gesprekken over te voeren en het gezinsleven integraal te betrekken bij het beleid.
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk dat meneer Ceder heel terecht zegt dat klachten over mentale en sociale gezondheid een breed probleem zijn. Mensen die klachten hebben over hun mentale gezondheid hebben vaak ook te maken met sociale uitsluiting, relatieproblematiek — inderdaad — en vraagstukken als bestaanszekerheid en armoede. Om daar nu alleen de relatieproblematiek uit te lichten gaat mij iets te ver, en om dat te verbinden aan het basispakket gaat mij helemaal een beetje te ver. We hebben een hele wetenschappelijke manier om met elkaar, als kabinet en Kamer, af te spreken wat er wel en niet in het basispakket komt; dat is in de Zorgverzekeringswet geregeld. Daar kan ik sowieso dus niet zomaar een toezegging op doen, ook al zou ik dat willen. Ik vraag me ook af of dat de grootste oplossing zal zijn. Ik verwijs weer naar mijn versterkingsagenda, die de Kamer volgende week van mij ontvangt. Die gaat over alle lijnen die we uitzetten om de mentale gezondheid van Nederland te verstevigen.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een vervolgvraag van de heer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
De staatssecretaris raakte in haar beantwoording al even aan het onderscheid tussen mannen en vrouwen in dit dossier. Ik wil hierbij nog aandacht vragen voor een specifieke groep. In de cijfers valt al langer op hoe relatief slecht het eruitziet voor de groep van jonge meiden als het gaat om mentale gezondheid. Kan deze doelgroep op gerichte acties rekenen? Is de staatssecretaris bereid om daarop in te gaan in de brief die zij aan de Kamer heeft toegezegd?
Staatssecretaris Tielen:
Een van de lijnen in de versterkingsagenda is vrouwengezondheid, waarbij er inderdaad specifiek aandacht is voor jonge vrouwen. We weten nog niet precies welke elementen daarin de hoofdrol spelen. We weten wel welke elementen er allemaal mee te maken hebben. Social media hebben op meiden vaak een andere impact dan op jongens. We hebben dus wel — hoe noem je dat? — aanwijzingen, maar we weten het nog niet. Dat is dus onderdeel van de aanpak vrouwengezondheid, die ook in deze versterkingsagenda terugkomt, om dat beter zichtbaar te krijgen en te zorgen dat de gezondheidsverschillen tussen jongens en meisjes, ook wat betreft mentale gezondheid, kleiner kunnen worden.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
We hebben net een petitie aangeboden gekregen van een groep jongeren die zich heel erg zorgen maakt over met name geldzaken. We zien dat jongeren slecht rondkomen en dat ze zich zorgen maken over de toekomst, met vragen als "krijgen we een woning?" en "krijgen we ook een betaalbare woning?" De vraag is als volgt. Kan deze secreta… Kan deze minister …
De voorzitter:
Staatssecretaris.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Sorry. Kan deze staatssecretaris in ieder geval ook kijken naar de bestaanszekerheid van jongeren? Want ik denk dat dat een hele sterke combinatie is, met name voor mentale gezondheid.
Staatssecretaris Tielen:
Jazeker, jonge mensen hebben überhaupt nog heel veel vragen te beantwoorden in hun leven. Wie ben ik? Waar sta ik voor? Op wie val ik? Wat wil ik eigenlijk worden? Waar wil ik studeren? Vind ik dat leuk? Kan ik een huis kopen? Hoe ziet de toekomst eruit? Hoe vredig blijft Nederland? En inderdaad: kan ik zelf voldoende inkomen vergaren? Dat soort vragen zijn zeker op jonge leeftijd aan de orde. We zien dat dat dus ook extra druk legt op de mentale gezondheid. Dat bevestigt maar weer de breedte van het onderwerp, waarvoor ik als staatssecretaris niet als enige naar de oplossing kan zoeken. Ik moet dat breed, op alle beleidsdomeinen, en hopelijk ook samen met uw Kamer, aandacht geven. Ook daarbij geldt: we hebben geen knopje. Maar we zien wel dat dat een van de onderwerpen is waar we in samenwerking met de gemeenten mee aan de slag zijn.
In sommige gemeenten zijn er laagdrempelige steunpunten voor mentale gezondheidsvraagstukken. Dat loopt goed in sommige gemeenten. Dat doen we juist met gemeenten, omdat die ook voor bredere vraagstukken aan de lat staan, om het maar zo te zeggen. Zij kunnen veel beter hulp en ondersteuning organiseren voor een persoon of een gezin, bijvoorbeeld via wijk- of buurtteams. We verbinden dat daarbij ook aan elkaar. Als er bijvoorbeeld een vraagstuk is over schulden, armoede of überhaupt bestaanszekerheid, dan zeggen we niet direct: nou, als u zo veel zorgen heeft, dan verwijzen we u door naar de geestelijke gezondheidszorg.
Eerst wordt met die laagdrempelige punten en sociale teams aan de slag gegaan met mensen, om te kijken waar oplossingen gevonden kunnen worden, onder andere op het gebied van inkomen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Nog een vervolgvraag voor de staatssecretaris. Wij zien dat de mentale gezondheid bij mantelzorgers behoorlijk onder druk staat, omdat er steeds meer gevraagd wordt van de omgeving. We zien dat ook bij ouderen. Ouderen maken zich zorgen over de zorg, zo van: is er straks nog zorg voor mij? Nou heeft deze staatssecretaris ooit een fantastische motie ingediend over consultatiebureaus voor ouderen, of in ieder geval een bureau waar ouderen terechtkunnen. Kan zij misschien vertellen wat de stand van zaken daarvan is? En herkent zij die zorgen over de zorg bij mantelzorgers en bij ouderen?
Staatssecretaris Tielen:
Die herken ik. In de berichtgeving die we vandaag konden lezen over die monitor — die bevat overigens veel meer informatie dan we in het kleine bericht terugvinden; ik heb 'm ook nog niet helemaal gelezen, moet ik eerlijk zeggen — ging het met name over jongeren, maar ik denk dat mevrouw Van Brenk terecht ook duidt op ouderen die heel veel taken te doen hebben en daardoor onder zware druk staan en veel onzekerheden ervaren. Daar zou een vorm van een consultatiebureau een goede oplossing voor kunnen zijn. Dat hoeft niet per se een locatie te zijn. Denk ook daarbij aan een multidisciplinair team dat op een laagdrempelige manier beschikbaar is en kan meedenken. Ik ben ermee bezig om dat op een rijtje te zetten. Dat heeft met nog meer dingen te maken, zoals vitaal ouder worden en vaccinatie ten behoeve van gezondheid. Ik vermoed dus dat we daar in het vroege voorjaar wat meer over kunnen zeggen.
De heer Hamstra (CDA):
Ik hoor de staatssecretaris heel veel goede dingen zeggen in het kader van het bevorderen van de mentale weerbaarheid, ook onder jongeren. Ik hoorde u zeggen dat u daarover ook met gemeenten in gesprek bent. Verschillende gemeenten hanteren ook verschillende aanpakken. Een van de aanpakken die ik persoonlijk ken, is bijvoorbeeld OKO, Opgroeien in een Kansrijke Omgeving, naar IJslands model. Kan de staatssecretaris toezeggen dat zij in haar brief die naar de Kamer komt dit soort voorbeelden meeneemt, waar wij als Kamer misschien ook wat meer mee kunnen?
Staatssecretaris Tielen:
Toen de heer Hamstra "OKO" zei, moest ik denken aan OMO; dat ken ik weer uit een andere gemeente. We kunnen er niet alle voorbeelden in opnemen. Dat zou, denk ik, te ver voeren, ook omdat ik ze echt niet allemaal ken. We moeten elkaar helpen om zulke goeie voorbeelden uit te lichten. Er staat wel een aantal van dat soort naar mijn mening hele inspirerende voorbeelden in, om gemeentes te helpen om van elkaar te leren. We spelen daar als kabinet graag een verbindende rol in.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het is een breed probleem. Ten aanzien van preventie moet de hele samenleving aan de bak. Juist als het gaat om mensen die gespecialiseerde hulp nodig hebben, ligt er wat ons betreft ook een bredere taak bij de overheid. Een groot deel van de ggz is aan de markt overgelaten. Een paar maanden geleden kwam er een interdepartementaal beleidsonderzoek, een ibo, uit waarin de suggestie wordt gedaan om de marktwerking voor een deel uit die specialistische ggz te halen. Ik zou de staatssecretaris willen vragen wat ze met de aanbevelingen uit dat onderzoek gaat doen.
Staatssecretaris Tielen:
Naar aanleiding van het interdepartementaal beleidsonderzoek heb ik een brief geschreven. Daar zitten overigens meer dan 30 — ik weet het niet precies — verschillende aanbevelingen in. Ik vind het zelf altijd lastig … Nee, ik moet het even in stukjes verdelen. Het eerste is: ik ben natuurlijk demissionair. Dit kabinet gaat dus geen grote stelselvoorstellen doen, want dat past niet bij onze rol. Het tweede is wat ik zelf lastig vind aan het woord "marktwerking": wat van de marktwerking bedoelen we dan? Bedoelen we dat er nieuwe toetreders zijn? Gaat het over concurrentie op kwaliteit? Gaat het over concurrentie op geld enzovoort enzovoort? Ik vind dat begrip dus altijd lastig, maar ik snap wel wat mevrouw Westerveld bedoelt. Voor een deel hebben we natuurlijk in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord geprobeerd om ook echt met de ggz-aanbieders afspraken te maken over hun aanbod, en met de zorgverzekeraars afspraken te maken om af te dwingen dat in overleg met de zorgaanbieders het aanbod er ook is. Voor de hele cruciale ggz — ik moet de afkortingen eventjes goed vertalen — namelijk de intensive home treatment en de high intensive care, hebben we de Nederlandse Zorgautoriteit gevraagd om te kijken of die uit de bekostiging kan gaan, waar die nu zit, en in de budgetbekostiging gestopt kan worden. Door sommigen wordt dat geïnterpreteerd als "uit de marktwerking halen". Goed, dat laat ik voor hen. Maar we zijn in ieder geval bezig om daar een capaciteitsbeschikbaarheid van te maken. Op die manier zijn we daar dus al mee aan de gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Als de staatssecretaris een definitie zoekt van "marktwerking uit de zorg slopen", dan doen we bij dezen het aanbod om daaraan te voldoen. U zegt het maar! U vraagt; wij draaien. Wij hebben het gehad over gebrek aan bestaanszekerheid als een van de oorzaken van de verslechterde mentale gezondheid van mensen, ook van jongeren en ook van vrouwen. We kijken naar het beleid van dit kabinet en we zien dat de beloofde huurbevriezing van tafel is geveegd. We zien dat er enorme bezuinigingen zijn doorgevoerd op onderwijs.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Er is in deze Kamer een motie aangenomen om de boodschappenprijzen omlaag te brengen; die is niet uitgevoerd.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Ziet deze staatssecretaris een verband tussen het afbraakbeleid van dit kabinet en de slechtere mentale gezondheid van onze jongeren en in het algemeen van de mensen in Nederland?
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Dobbe wilde als eerste mij helpen om de marktwerking uit de zorg te slopen. Dat roept bij mij altijd direct de gedachte op: kijk even aan de overkant van de Noordzee. Daar hebben ze een volledig publiek stelsel. Kijk hoe groot de problemen daar zijn; die zijn een stuk groter dan hier. Op de tweede vraag van mevrouw Dobbe kan ik ontkennend antwoorden.
De voorzitter:
Uw tweede vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit is bijna een uitnodiging om een heel debat te voeren over de marktwerking in de zorg. Misschien dat we …
De voorzitter:
Dat gaan we niet doen!
Mevrouw Dobbe (SP):
… dat binnenkort gaan doen en dat we voor dat idee op steun van deze Kamer kunnen rekenen. Als dit kabinet de oorzaken van de mentale problemen in Nederland, dus de problemen in de bestaanszekerheid, niet erkent, dan kom je dus terecht bij de gevolgen. Dan komen mensen terecht op ellenlange wachtlijsten. Dan is er geen zorg op het moment dat ze die ggz-zorg nodig hebben. Die wachtlijsten worden kunstmatig lang gehouden door bijvoorbeeld die budgetplafonds, die nog steeds door zorgverzekeraars worden toegepast. Is deze staatssecretaris bereid om eindelijk de wens van deze Kamer uit te voeren en die budgetplafonds uit de ggz te halen?
Staatssecretaris Tielen:
Ik wil mevrouw Dobbe best complimenteren en zeggen dat de mentale gezondheid echt breder is dan alleen maar het terrein van de ggz. Mevrouw Dobbe maakt het echter heel groot. Ik ben het niet eens met de stellingnames van mevrouw Dobbe; dat zei ik al bij een vorige vraag. Vervolgens vraagt mevrouw Dobbe: is bestaanszekerheid een van de oorzaken? Ja. Dat heb ik ook in eerdere antwoorden op de vragen van meneer Ceder aangegeven. Ja, onder andere bestaanszekerheid, armoede- en schuldenproblematiek, maar ook sociale uitsluiting, relatieproblematiek, sociale media en verslavingsvraagstukken kunnen allemaal onderliggend zijn aan de mentale gezondheid. Dat betekent dat het een breed vraagstuk is, dat we ook breed moeten aanpakken. Dat doen we dus ook.
Mevrouw Wendel (VVD):
De VVD is van mening dat we aan de slag moeten om te voorkomen dat mensen afhankelijk worden van de professionele gezondheidszorg en dat we dus moeten werken aan een weerbare, veerkrachtige samenleving. Ik denk dat vroegsignalering daar heel erg belangrijk in is. Ik ben dus benieuwd wat de staatssecretaris aan die vroegsignalering doet en of dat terugkomt in het tweede deel van het actieplan dat we aan het einde van het jaar zullen ontvangen.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, zeker. Ik denk dat mevrouw Wendel er heel erg gelijk in heeft dat we ook heel veel samen kunnen oplossen als samenleving. Dat zie je ook al in mooie voorbeelden. In antwoord op de vraag van meneer Hamstra zei ik al dat in de versterkingsagenda een aantal mooie voorbeelden komen. Ik was laatst in Utrecht, waar groepen worden georganiseerd voor meiden die op een wachtlijst voor professionele ggz staan en die in de tussentijd gesprekken met elkaar hebben onder begeleiding van een jeugdteam en een jeugdwerkmedewerker. De helft van die meiden hoeft uiteindelijk niet naar de professionele zorg. Dat soort voorbeelden zijn natuurlijk heel goed. Het betekent niet dat je daarmee alles oplost, maar een heel groot vraagstuk wel. Onder andere in de versterkingsagenda die u volgende week krijgt, zult u lijnen zien die aangeven hoe we dat in de praktijk kunnen brengen.
Vroegsignalering kan nog laagdrempeliger. Dat heeft onder andere met onderwijs te maken, waar heel veel jongeren natuurlijk gewoon elke dag rondlopen. Ook digitaal speelt mee. In oktober heb ik samen met koningin Máxima In je bol gelanceerd, een digitaal platform voor jongeren tussen de 16 en 27 met mentale gezondheidsvragen. Heel veel jongeren kunnen elkaar daar vinden. Aan de ene kant kunnen ze elkaar helpen. Aan de andere kant voelen ze zich niet zo alleen. Als het toch nodig is, omdat er iets aan de hand is, dan is een signaal ook snel opgepakt en kan iemand sneller naar hulp gebracht worden. Met die verschillende elementen zijn we bezig.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de beantwoording van deze vraag. Ik dank de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor haar aanwezigheid en de beantwoording.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/h-tk-20252026-23-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.