6 Recht op een eerlijk proces

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Verandering van de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een bepaling over het recht op een eerlijk proces ( 35784 ).

De voorzitter:

Aansluitend gaan we meteen verder met het volgende grondwetsvoorstel, namelijk de Verandering van de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een bepaling over het recht op een eerlijk proces, Kamerstuk nr. 35784.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Van de kant van de Kamer hebben zich negen sprekers aangemeld. De eerste daarvan is de heer Sneller van D66, die ik daartoe het woord geef.

De heer Sneller (D66):

Dank, voorzitter. Dat laatste antwoord van de minister was toch geruststellend. Dan is het maar goed dat bij de Innovatiewet Strafvordering de amendementen zijn aangenomen, want dan is die wet in overeenstemming met het nieuwe grondwetsartikel.

Voorzitter. Een eerlijk proces. Rechtszalen waren te klein om 1,5 meter afstand te kunnen houden. Publiek en pers waren niet meer welkom bij de zittingen. Maar de openbaarheid van de rechtspraak dan? Cellenblokken en beveiligde looproutes waren te smal en te krap om genoeg afstand te houden. Verdachten moesten maar gehoord worden via een videoverbinding. Maar het recht van de verdachte om aanwezig te zijn op de zitting en deel te nemen aan zijn eigen proces dan? Kunnen we via telehoren de equality of arms, oftewel het evenwicht in rechten, wel voldoende garanderen? Grote achterstanden en lange wachttijden bestonden al voor de coronapandemie, maar liepen daardoor nog verder op. Maar het recht op behandeling van je zaak binnen een redelijke termijn dan, en het daarmee samenhangende beginsel van rechtszekerheid? Wanneer worden de toevoegingen in de rechtsbijstand te laag en de griffierechten te hoog om nog te spreken van betekenisvolle toegang tot het recht?

Voorzitter. Het is een wat grimmig beeld. Ik weet dat de pandemie een unieke situatie was, maar het toont wel de actualiteit en de relevantie van het vastleggen van het recht op een eerlijk proces. Want nergens in de Grondwet staat dat procesrecht: binnen een redelijke termijn en voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Bovendien moet de rechtsgang een effective remedy hebben, oftewel een doeltreffende voorziening in rechten, een daadwerkelijk rechtsmiddel. Voor degenen die de Nederlandse taal liefhebben: het is misschien goed om je af te vragen waarom al deze dingen in het Engels zijn. Dat komt omdat we de jurisprudentie toch vaak hebben overgelaten aan internationale en Europese hoven. Wat zou het mooi zijn als we die jurisprudentie weer wat meer naar Nederland kunnen halen.

D66 heeft tijdens de eerste lezing het belang van het waarborgen van het recht op een eerlijk proces in de Grondwet beargumenteerd. De pandemie maar ook het toeslagenschandaal hebben pijnlijk duidelijk gemaakt dat dit recht in Nederland geen vanzelfsprekendheid is, laat staan een rustig bezit. Dus is het goed dat we voor het eerst sinds 1983 weer een nieuw grondrecht gaan toevoegen. Er is wel geopperd dat dat recht eigenlijk al staat in artikel 6 EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten. En ja, daar staat het ook, maar dat maakt dit voorstel nog niet overbodig, want het voorgestelde artikel 17 in de Grondwet gaat verder dan deze artikelen en zorgt voor meer rechtsbescherming voor rechtzoekenden in Nederland. Bovendien gaat er een signaal van uit naar de rechter en de wetgever om die waarborgen voor dat eerlijke proces nader in te vullen en verdergaande bescherming te ontwikkelen dan die nu al bestaat op basis van dat Europese regime en om ook de kaders van het recht op een eerlijk proces nader in te vullen. Daarover gaat ook mijn eerste vraag aan de minister. Hoe ziet zij in het licht van dit nieuwe artikel haar positieve verplichtingen? Oftewel: wat gaat zij nou extra doen? Ik weet dat zij vandaag de minister voor Rechtsbescherming heeft thuisgelaten of althans niet heeft meegenomen, maar wat kan er nou volgens haar in Nederland beter? Ik denk dan bijvoorbeeld aan de discussies die we met het kabinet gehad hebben over de benoemingsprocedures bij de Raad voor de rechtspraak. Hoe verhoudt dat zich tot het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter? Ik ben ook benieuwd hoe het zal worden meegewogen in de rechtszaak die het Republikeins Genootschap heeft aangespannen tegen de Staat en de Koning. Maar ik noem hierbij ook de openbaarheid van de rechtspraak en het publiceren van maar 10% van alle uitspraken. Hoe verhoudt dit zich tot dit nieuwe grondwetsartikel en welke voornemens heeft het kabinet om, zoals mevrouw Leijten dat net noemde, het geen dode letter te laten zijn maar het ook daadwerkelijk invulling te geven?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Van Dijk van het CDA.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Voorzitter. Met de voorgestelde bepaling wordt de garantie van individuele rechtsbescherming in de Grondwet verankerd. Deze verankering en het garanderen van het daarvan afgeleide recht op toegang tot de rechter kunnen daarnaast bijdragen aan het vertrouwen van de burgers in de rechtsstaat en meer in het bijzonder in de rechtspraak. Wanneer wij als Kamer middels aanpassingen van wetgeving daaraan kunnen bijdragen, is dat onze dure plicht.

De grondwetsbepaling over het recht op een eerlijk proces begon met een motie van CDA-senator Pia Lokin-Sassen uit 2012. De Eerste Kamer vroeg de regering met algemene stemmen om in de Grondwet een algemeen recht op een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige rechter op te nemen. Met deze grondwetsbepaling blijft het recht op een eerlijk proces niet beperkt tot burgerlijke en strafzaken of Europese-Unierecht, maar het recht op een eerlijk proces gaat gelden voor alle rechtsgebieden. En dat is nog niet het geval, hoewel het in verschillende internationale verdragen is opgenomen.

In het schriftelijk overleg over dit wetsvoorstel heeft de CDA-fractie vragen gesteld over de bevindingen van de parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag. De regering antwoordt dat de inspanningen van regering en rechtspraak tot doel hebben het recht op een eerlijk proces in de praktijk beter tot zijn recht te laten komen. De grondwettelijke verankering van het recht op een eerlijk proces kan daarbij behulpzaam zijn. Dit kan temeer het geval zijn nu de reikwijdte van de voorgestelde grondwetsbepaling zich ook uitstrekt tot het bestuursrecht en bijvoorbeeld ook fiscale procedures. De CDA-fractie is van mening dat dit niet alleen goed is maar dat dit ook hard nodig is.

Het recht op een eerlijk proces houdt onder andere in dat het voor de overheid verboden is om zich te mengen in rechterlijke procedures, anders dan als procespartij, en de overheid mag de burger niet afhouden van de rechter en ook de wetgever mag dat niet. Tegelijkertijd vraagt het recht om een spoedig en eerlijk proces van de overheid en dat ze actief zorg draagt voor de realisering van het recht op een eerlijk proces, onder meer door het in stand houden van een rechterlijke macht die goed kan functioneren, door het zorgdragen voor waarborgen van een eerlijke procedure en door het voorzien in eventueel gesubsidieerde rechtsbijstand. Het is goed te lezen dat het kabinet dit ook zo interpreteert maar meteen roept het vragen op. Want er staat ook: "Concrete wettelijke of beleidsmatige voorstellen ten aanzien van aspecten van het recht op een eerlijk proces, zoals voorstellen over de rechtsbijstand of de hoogte van griffierechten, zullen moeten voldoen aan dit grondwettelijke kader. Welke precieze gevolgen deze bepaling heeft voor die (wets)voorstellen, laat zich nog lastig voorspellen." Graag horen wij of hier inmiddels meer duidelijkheid over is. Zo niet, wanneer komt deze dan? En hoe gaan we hier als Kamer over geïnformeerd worden? Want zonder een goede invulling van deze kaders faalt ons systeem alsnog. Dat moeten we voorkomen. In het coalitieakkoord zijn de nodige afspraken gemaakt, dus de wil is er. Nu nog de daden.

De CDA-fractie is in ieder geval blij dat er voor dit jaar al geld in de begroting staat om de eerste stappen te zetten in de uitvoering van onze motie van vorig jaar, die opriep tot het gaan inrichten van fiscale rechtshulp voor burgers en bedrijven. Deze zomer komt de staatssecretaris met een eerste voorstel over hoe dit te gaan invullen. Dat zien we dan ook met veel belangstelling tegemoet.

Samengevat. Het CDA steunt het voorstel en maakt zich zorgen over de losse eindjes, zoals voorstellen over de rechtsbijstand en de hoogte van griffierechten. We zien uit naar de antwoorden hierop.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is wederom aan de heer Strolenberg van de VVD.

De heer Strolenberg (VVD):

Dank u wel. Het recht op een eerlijk proces van een onafhankelijke en onpartijdige rechter is van fundamenteel belang in een democratische rechtsstaat. Hoewel het recht op een eerlijk proces in Nederland bestaat, ook voor bestuursrechtelijke zaken, staat die niet expliciet in de Grondwet. De elementen van het recht op een eerlijk proces staan versnipperd in de Grondwet. Het is dan ook goed om het recht op een eerlijk proces voor alle rechtsgebieden expliciet in de Grondwet op te nemen. Het zal dan ook geen verrassing zijn dat wij positief tegenover deze tweede lezing staan. Wij vinden het belangrijk dat onze Nederlandse grondrechten niet afhankelijk zijn van Straatsburg of van een verdrag. Het opnemen zie ik dan ook als toevoegde waarde ten opzichte van het recht op een eerlijk proces in de internationale verdragen.

Tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Maatoug van GroenLinks.

Mevrouw Maatoug (GroenLinks):

Voorzitter. Grondwetswijziging nummer 3 in tweede lezing, maar het is nog steeds heel bijzonder.

Op dit moment kent onze Grondwet in artikel 17 wél een bepaling dat niemand tegen zijn of haar wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent, maar een bepaling over hoe zo'n proces dan zou moeten verlopen, komt nergens in de Grondwet voor. Natuurlijk zullen wij allemaal stellen dat iemand die in een democratische rechtsstaat voor de rechter verschijnt, recht heeft op een eerlijk proces. Dit staat evenwel nergens in de Grondwet gecodificeerd. Mijn fractie was in eerste lezing groot voorstander van deze grondwetswijziging. Dat zijn wij nu in tweede lezing ook. Misschien zijn we hier de afgelopen jaren juist nog wel sterker van overtuigd geraakt, mede door de verschrikkelijke situatie die we gezien hebben bij de kinderopvangtoeslag. Daar hebben ook heel veel andere collega's naar verwezen. Met het voorstel om een eerlijk proces in de Grondwet vast te leggen, onderstrepen we ondubbelzinnig dat iedereen niet alleen toegang moet hebben tot een rechter maar dat iedereen in een gerechtelijke procedure ook altijd een eerlijke beoordeling van zijn of haar situatie moet krijgen. Dit vindt GroenLinks van een zo'n groot belang dat dit wat ons betreft thuishoort in de Grondwet.

Voorzitter. In het verlengde hiervan wil ik graag nog twee zaken aanstippen die wat GroenLinks betreft in dit kader ook van belang zijn. Het eerste is de constitutionele toetsing. Andere collega's hebben het er in een interruptiedebat al over gehad. Zoals bekend is mijn partij hier al heel erg lang een warm pleitbezorger van. Helaas is het voorstel van een van mijn voorgangers om het toetsingsverbod uit artikel 120 van de Grondwet te schrappen, nooit verder gekomen dan een succesvolle behandeling in eerste lezing. Andere collega's verwezen er ook naar: inmiddels lijkt er echter meer hoop dat een brede meerderheid het belang van constitutionele toetsing ziet. De minister gaf eerder vandaag in het debat aan dat we binnenkort een uitgebreide brief van de regering ontvangen over constitutionele toetsing. Graag zou ik de minister willen vragen om in deze brief expliciet mee te nemen hoe de verschillende varianten van constitutionele toetsing zich verhouden tot het recht op een eerlijk proces. Ik kan me namelijk voorstellen dat wanneer alle rechters mogen toetsen, zoals eerder in het GroenLinksvoorstel stond, dit in de rechtspraak andere gevolgen heeft dan wanneer we een constitutioneel hof zouden oprichten. Dat is ook een van de voorstellen. Graag vernemen we hier in de brief een nadere beschouwing op. Hopelijk kan de minister dat toezeggen.

Voorzitter. Tot slot de rechtsbijstand. Een goed stelsel van rechtsbijstand is van cruciaal belang om een eerlijk proces te waarborgen. In de afgelopen jaren hebben we gezien dat het niet altijd vanzelfsprekend is dat iedereen daadwerkelijk op een goede wijze de mogelijkheid heeft gehad om zijn of haar recht te halen. Wil de minister toezeggen dat zij samen met haar collega voor Rechtsbescherming ervoor zal zorgdragen dat de rechtsbijstand in juridische zin door een advocaat en de rechtsbijstand in taalkundige zin door een tolk altijd en voor iedereen die dat nodig heeft, gewaarborgd zijn, zodat we het recht op een eerlijk proces ook echt in de praktijk kunnen brengen?

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Koekkoek van Volt.

Mevrouw Koekkoek (Volt):

Dank u wel, voorzitter. Ik kom meteen to the point: ik deel de opvatting van de staatscommissie dat het voor consistentie en zichtbaarheid van grondrechten belangrijk is dat er in onze nationale Grondwet essentiële normen staan. Volt ziet veel kansen voor een betere samenwerking in Europees verband, maar we vinden het ook de verantwoordelijkheid van de Nederlandse Staat om die Staat te normeren. Dat gezegd hebbende, staat Volt positief tegenover het toevoegen van het recht op een eerlijk proces aan de Grondwet. Artikel 6 van het EVRM biedt heel veel bescherming, maar het voorstel dat hier nu voorligt, breidt de beschermingsomvang verder uit. Dit is ook een verbetering ten opzichte van de bepalingen 47 tot en met 52 uit het EU-Handvest. Die zijn immers alleen van toepassing op geschillen waarbij EU-recht van toepassing is.

Voorzitter. Mijn fractie heeft nog wel een aantal vragen over het voorstel tot wijziging van artikel 17 van de Grondwet. De eerste vraag ziet toe op de formulering van dit artikel. Is de minister nog steeds van mening dat de formulering in het huidige voorstel de meest wenselijke formulering is? Hoewel de beknopte formulering van dit artikel past bij de toon en de stijl van onze Grondwet, is dit tegelijkertijd minder compleet dan artikel 47 van het Handvest. Het voordeel van de uitgebreidere formulering van artikel 47 is dat duidelijker is wat het recht op een eerlijk proces inhoudt. Daarin is bijvoorbeeld ook geëxpliciteerd wat rechtsbijstand is en hoe die wordt verleend aan degene die daaraan behoefte heeft. Dit staat niet met zo veel woorden in onze Grondwet.

Voorzitter. Dan mijn tweede vraag. Net als in mijn eerdere inbreng, ga ik met deze vraag vooruitkijken op de mogelijkheid tot constitutionele toetsing, in welke vorm dan ook. Ik wil graag vooruitblikken, omdat een aanpassing van de Grondwet jaren in beslag kan nemen. Wijzigingen die we nu doen, kunnen we daarom beter aan de voorkant goed regelen. Dus wederom rekening houdende met de situatie dat formele wetten aan de Grondwet getoetst zouden kunnen worden, heb ik hierover de volgende vragen. Op welke manier heeft de minister hier in het kader van deze aanpassing rekening mee gehouden? Welke impact denkt de minister dat deze wijzigingen zullen hebben op het moment dat constitutionele toetsing is toegestaan? Is het gelet op de mogelijkheid dat formele wetten in de toekomst mogelijk aan de Grondwet getoetst kunnen worden, wenselijk om deze beknopte versie in de wet op te nemen?

Voorzitter: Bergkamp

Mevrouw Koekkoek (Volt):

Nu realiseer ik me dat het moeilijk is om vooruit te blikken op een hypothetische situatie. Wellicht is het mogelijk om in de hoofdlijnenbrief, waarin de mogelijkheden tot constitutionele toetsing opgenomen worden, ook een soort impactanalyse mee te nemen. Daarin kunnen we ook vooruitkijken hoe de nieuwe aanpassing, vooral het recht op een eerlijk proces, eruit zou kunnen zien op het moment dat constitutionele toetsing mogelijk is, juist omdat we in internationale normen al veel jurisprudentie over dit grondrecht hebben.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef het woord aan de heer Van Haga van de Groep Van Haga.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):

Voorzitter. Het is van groot belang dat het recht op een eerlijk proces in de Grondwet wordt verankerd. De klassieke grondrechten zijn bedoeld om de burger te beschermen tegen de overheid, de almachtige staat. Dat is heel erg nodig als het gaat om het recht op een eerlijk proces, want we weten allemaal dat macht corrumpeert.

Voorzitter. Er is veel gebeurd sinds het nieuwe grondwettelijke recht is geïntroduceerd. Het zijn gebeurtenissen die onderstrepen in welke onmenselijke verschrikkingen je terechtkomt als de gevestigde politieke machthebber jouw recht op een eerlijk proces dwarsboomt of in het ergste geval zelfs strafrechtelijke vervolging misbruikt om je kapot te maken. Het ongekende onrecht dat ouders en kinderen is aangedaan in de toeslagenaffaire, kwam aan het licht door de vasthoudendheid van deze Kamer. Dat is niet voorkomen doordat de wet- en regelgeving zo goed in elkaar zit en het recht op een eerlijk proces is gegarandeerd. De affaire is een onverteerbare schandvlek op de Nederlandse rechtsstaat die is veroorzaakt door de overheid. Het vertrouwen in onze rechtsstaat ligt aan diggelen. Ouders zijn vermorzeld, tot wanhoop gedreven en aan de bedelstaf geraakt. Ze probeerden hun recht te krijgen bij de rechter, maar in plaats van recht kregen zij straf. Kinderen werden van hun ouders gescheiden door middel van door de overheid gelegitimeerde staatsontvoeringen. De overheid als dader; probeer daar maar eens van te winnen in een proces!

Het oplossen van de misstanden als gevolg van de toeslagenaffaire getuigt van nog meer onrecht, nog meer bureaucratie en nog meer molenstenen waartussen de slachtoffers vermalen worden. En het is nog steeds niet gestopt. Ouders en kinderen zijn nog steeds gescheiden. Elke dag is er één te veel. BVNL benadrukt dat het herstel van de geleden schade onlosmakelijk onderdeel is van het recht op een eerlijk proces en dat het recht op schadeherstel met deze grondwetswijziging ook een grondwettelijk recht wordt.

Voorzitter. Ook tijdens de coronacrisis heeft de overheid zich van haar slechtste kant laten zien als het gaat om het tolereren van een afwijkende mening. Niet-gevaccineerden werden veroordeeld als misdadigers. Ze kregen zelfs de schuld van de coronadoden onder gevaccineerden. Ze kregen met de woorden van minister De Jonge dat het een pandemie van de ongevaccineerden zou zijn, zelfs de schuld van de hele pandemie. Kinderen en jongeren werden aangewezen als schuldigen als het gaat om besmettingen en het uiteindelijk overlijden van kwetsbare ouderen. Het zijn grensoverschrijdende beschuldigingen door de overheid, in het beste geval smaad en laster en in het ergste geval zelfs dood door schuld.

Onlangs werd duidelijk hoever de overheid ging in het volgen van mensen met kritiek. Het leger werd ingezet en er werd een speciale legereenheid in het leven geroepen om mensen met een afwijkende mening op te sporen en te verklikken. Deze mensen, ook enkele Kamerleden waaronder ikzelf, werden opgejaagd en veroordeeld door een leger van twittertrollen alsof ze een misdaad begingen door hun mening op te schrijven. Ik heb zelf ervaren hoe ontwrichtend deze acties waren en hoe familiebanden, carrières en vriendenkringen hierdoor onder grote druk werden gezet. De regel dat je in Nederland onschuldig bent tot je veroordeeld bent, misschien wel de belangrijkste pijler van het recht op een eerlijk proces, geldt in de sociale media helaas niet, zo lijkt het. Deze overheid maakt er zelfs gebruik van.

Bij de eerste lezing van de grondwetswijziging in mei 2017 was mevrouw Van Engelshoven Kamerlid voor D66. Zij begon haar inbreng met een mooi citaat uit het meesterwerk Het Proces van Kafka: "Iemand moest Josef K belasterd hebben, want zonder dat hij enig kwaad gedaan had, werd hij op zekere ochtend gearresteerd." Zij benadrukte dat dit in Nederland gelukkig onmogelijk was. Ik had deze inbreng kunnen beginnen met: "Iemand moest Richard de M. belasterd hebben, want zonder dat hij enig kwaad gedaan had, werd hij op zekere ochtend van zijn bed gelicht." Het was juist de Haagse D66, waar Van Engelshoven uit komt, die zich er niets van aantrekt dat je in Nederland onschuldig bent als je niet veroordeeld bent. Bij recente verkiezingsdebatten hamerde de lokale D66-lijsttrekker erop dat De Mos absoluut niet in aanmerking kwam voor coalitiebesprekingen. Natuurlijk werd De Mos de grootste bij de verkiezingen, maar hij is politiek kapotgemaakt met onhoudbare beschuldigingen van het OM en onmenselijk lange termijnen, die niet te verklaren zijn. De zaak tegen wethouder De Mos, die op 1 oktober 2019 begon met een absurde actie van het OM, is ongeveer het tegenovergestelde van een eerlijk proces. Hij werd van zijn bed gelicht door de Rijksrecherche. Zijn huis werd overhoopgehaald. Hij moest zijn telefoon inleveren en werd op intimiderende wijze meegenomen naar het bureau, terwijl het zijn recht was om niet mee te gaan. Daarvóór was hij al één jaar afgeluisterd. Ik zie dat er een interruptie is.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Sneller, D66.

De heer Sneller (D66):

Misschien gewoon ook voor de Handelingen: wat er in de lokale politiek met de woordvoerder van de Groep Van Haga gebeurt, is volgens mij aan coalitieonderhandelingen. Daar heeft D66 duidelijk over gezegd, voor de verkiezingen, hoe zij daar in stonden. Als het gaat om het wel of niet vervolgen van de heer De Mos, maar ook de heer Guernaoui, heb ik op de radio, on the public record, gewoon gezegd dat ik het een schande vind hoe lang dat duurt en dat er duidelijkheid moet komen. Dat heeft de lijsttrekker Van Asten lokaal ook gedaan. Ik heb dat ook gezegd in individuele gesprekken met het OM. Dus dat laat ik me niet aanpraten, meneer Van Haga.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):

Ik waardeer het dat de heer Sneller dat zegt. Zeker. Als het anders is overgekomen, dan trek ik die woorden in. Het is zeker zo dat er in dit geval onvoorstelbaar lange termijnen worden gehanteerd en dat de politieke schade onvoorstelbaar groot is. Ik hoop dat we allemaal vinden dat we daar iets aan moeten doen. Ik begrijp dat u het daar ook mee eens bent. Daarom sta ik hier. Dank voor uw toevoeging.

Het OM stuurde een persbericht uit met zware beschuldigingen. Het werd een enorm mediaspektakel. Trial by media, georganiseerd door de overheid. Het NOS-Journaal meldde dezelfde avond dat het ging om een grote corruptiezaak, ongekend voor Nederlandse begrippen. De officier van justitie van het landelijk parket zei in de uitzending dat er aanwijzingen waren dat er vergunningen verkocht waren. Dat werd in het NOS-Journaal een ernstig feit genoemd, maar De Mos had als wethouder helemaal geen bevoegdheid om vergunningen af te geven; dat werd gedaan door VVD-burgemeester Pauline Krikke. Hoe kan een officier van justitie bij zo'n zware beschuldiging zo'n enorme onzorgvuldigheid begaan, met zulke vergaande consequenties? Is dit onbekwaamheid, of sluwheid? Ik weet het niet. Waarom zette VVD-burgemeester Krikke, die een paar dagen later moest opstappen vanwege ernstige fouten bij de nieuwjaarsvreugdevuren, dat niet recht in een reactie? In plaats daarvan verzocht ze de wethouders van Groep De Mos terug te treden. De grootste partij van Den Haag werd uit de coalitie gemanoeuvreerd op grond van verdachtmaking, trial by media en politiek opportunisme. Later volgden er meer beschuldigingen door het OM. De Mos zou lid zijn van een criminele organisatie. Er waren namelijk websites en promotiefilmpjes betaald door Haagse ondernemers. Iedereen in Den Haag weet dat De Mos zich inzet voor ondernemers in de stad. Geen probleem, maar niet voor een enkele die gratis zijn website maakt. De werkwijze van het OM heeft niets, maar dan ook niets, te maken met het recht op een eerlijk proces. Op 1 oktober 2019 was de inval in zijn huis, waar een compleet mediaspektakel van gemaakt werd. Daarna werd het doodstil. Pas op 7 september 2020 begonnen de verhoren.

De schade voor De Mos is onmenselijk groot. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat, naarmate de belangen groter zijn, een zaak juist sneller moet worden afgedaan. In totaal duurt het nu al drieënhalf jaar. Ook de handelingen van het OM voorafgaand aan de formele vervolging vallen onder het recht op een afhandeling binnen redelijke termijnen. Er is weer een interruptie, zie ik.

De voorzitter:

Mevrouw Leijten.

Mevrouw Leijten (SP):

Ik zou graag een punt van orde willen maken dat dit debat niet gaat over wat er is gebeurd met iemand die bij BVNL betrokken is; dat mag. Iemand voor wie ik altijd veel waardering heb gehad toen ik samen met hem in de Kamer zat. Ik denk dat niemand het prettig vindt om te zien wat er is gebeurd en vooral hoe lang het duurt. Dat vind ik een blamage, ook voor de betrouwbaarheid van dit proces. Maar ik zou de heer Van Haga toch willen vragen om terug te keren naar de behandeling van de grondwetswijziging. Ik vind dat wij het daar vandaag over moeten hebben.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):

Voorzitter. Dat waardeer ik. Ik geef een aantal voorbeelden, waaronder de toeslagenaffaire en waaronder het proces tegen De Mos. Ik zal dadelijk nog kort het proces tegen Wilders aanstippen. Dat zijn voorbeelden waaruit blijkt dat we heel erg goed moeten opletten met het hebben van een eerlijk proces en de termijnen die daarbij horen. Dat illustreert dat het vaak misgaat en daarom ben ik blij dat die grondwetswijziging er nu komt.

Mevrouw Leijten (SP):

Ik zal ook voorbeelden ter illustratie noemen, maar de heer Van Haga duikt wel heel erg in de details over wanneer iemand van zijn bed werd gelicht en noem maar op. Hij betrekt daar ook allemaal politieke partijen bij. Dat mag, daar heeft D66 het zijne al van gezegd, maar ik zou het goed vinden als we toch weer terugkeren naar de grondwetswijziging waar we het over hebben. Dat er legio voorbeelden zijn waarom dit nodig is en waarom wij er met deze grondwetswijziging op toe moeten zien dat het geen dode letter gaat worden, ben ik geheel met de heer Van Haga eens.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):

Ik ben heel blij dat mevrouw Leijten in ieder geval onderschrijft dat het een verschrikkelijke situatie is die De Mos is overkomen. Ik ben klaar met het voorbeeld De Mos, dus ik denk dat ik naar tevredenheid verder kan gaan.

Voorzitter. Ik breng ook het proces tegen Wilders in herinnering. Het OM liet zich bij de planning van de zitting leiden door het moment waarop de verkiezingen voor de Provinciale Staten gehouden werden. Het stond zwart op wit. Hoe politiek kan het OM een proces maken en is het OM daar ooit op aangesproken? Zoals Zembla het in 2019 formuleerde: "Als het Openbaar Ministerie zelf fouten maakt, kan dat grote gevolgen hebben." Kan het Openbaar Ministerie, zo vraag ik de minister, ongestraft de regels overtreden? Ingewijden maken zich grote zorgen en zien een lacune in het toezicht. Hoe ziet de minister het toezicht op het Openbaar Ministerie in het licht van een eerlijk en tijdig proces?

Voorzitter. Dan kort de arrestatie van Willem Engel. Zelfs de grootste tegenstanders van Willem Engel schamen zich voor de manier waarop hij werd aangehouden, voor de vage beschuldigingen aan zijn adres. De buitenproportionele duur van zijn voorarrest staat niet in verhouding tot wat hem ten laste wordt gelegd. Bovendien begrijpt geen mens meer waar die willekeur vandaan komt. Meneer Akwasi werd niet vervolgd terwijl iedereen het erover eens was dat hij wel opriep tot geweld; iets wat Willem Engel overigens nooit heeft gedaan. Graag een reflectie van de minister op deze willekeur.

Voorzitter. Juist mensen die zich niet conformeren aan de gevestigde politieke orde moeten maar afwachten of hun rechten worden gewaarborgd. Is Nederland een veilig land voor mensen die zich niet conformeren, voor mensen die door machthebbers gezien worden als een bedreiging van hun machtspositie? Natuurlijk krijg ik geen antwoord uit deze zaal. De coalitiepartijen zijn steunpilaren van de gevestigde politieke macht. Kan de minister aangeven wat iemand die doelbewust kapot wordt gemaakt door overheidsdiensten en Justitie aan deze grondwetswijziging heeft? BVNL stelt dat dit nieuwe grondwettelijke recht een anker moet worden voor mensen die de moed hebben om op te staan tegen de gevestigde macht. Wij zullen er als een terriër voor waken dat het geen papieren tijger wordt en dat het verder wordt verankerd in de wet- en regelgeving. Een grondwettelijk recht op een eerlijk proces heeft namelijk niet alleen betekenis als grondrecht voor de burger, maar is ook een opdracht voor de rechtsvorming door ons als wetgever. Daar hoort inderdaad bij dat redelijke termijnen bewaakt worden en dat er toezicht is op het OM, dat er regels komen voor de relatie tussen het OM en de pers, en dat er uiteraard geen sprake mag zijn van machtsmisbruik en willekeur door de overheid.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de heer Bosma, maar die zie ik niet zitten. Dan geef ik het woord aan mevrouw Leijten van de SP.

Mevrouw Leijten (SP):

Voorzitter. Dit is de tweede lezing. De eerste lezing werd afgerond met publicatie van de grondwetsherziening op 29 maart 2018 in het Staatsblad. Het recht op een eerlijk proces is in de Grondwet opgenomen en ligt nu voor in tweede lezing. Niet omdat de regering in 2010 een advies overnam van de staatscommissie, maar omdat de Eerste Kamer daarop aandrong. Ik kijk terug naar waar we staan en wat we hebben gezien bij het toeslagenschandaal, de evaluatie van de Raad van State en de zelfevaluatie van de rechters. In die zelfevaluatie zeggen ze: we hebben eigenlijk de belangen van de mensen die voor ons staan als zij in conflict zijn met de overheid lange tijd niet evenwichtig bekeken. Vrouwe Justitia had geen blinddoek om. Terugkijkend vind ik het treurig om te zien dat de regering niet bereid was om dit op te nemen in de Grondwet. Ik zou eens willen weten hoe deze minister daarop terugblikt. Of misschien kan ze dat niet, maar goed.

Hij ligt er nu. De SP was voor in de vorige lezing en is voor in deze lezing. De SP is kritisch geweest bij de vorige lezing, omdat je materieel ziet dat de uitwerking van het beleid de afgelopen jaren de rechtsbescherming van mensen niet heeft vergroot maar juist heeft verkleind. Het ging net al over de verhoging van de griffierechten en het uitkleden van de gesubsidieerde rechtsbijstand waarover de oud-staatssecretaris van Veiligheid en Justitie letterlijk zei: de bedoeling was dat mensen minder konden procederen. Minder processen voorkom je ook door als overheid minder hardvochtig te zijn, door te luisteren naar mensen en door bezwaar en beroep niet meteen af te doen en te zeggen "ga maar naar de rechter". Is dat dan nu al veranderd naar aanleiding van het toeslagenschandaal? Iemand die geen inzage krijgt of die op de zwarte lijst van de Belastingdienst staat — dit is een datalek is geweest en de Kamer heeft in meerdere moties opgeroepen om dat met die mensen te delen en ze ervan op de hoogte te brengen — wordt verwezen naar een afwijzing onder AVG artikel 41 — misschien zeg ik dat verkeerd, daar wil ik even van af zijn — en dan wordt er gezegd: ga maar naar de rechter. Ik heb daar Kamervragen over gesteld en krijg daar geen antwoorden op. Ik heb gezien dat mevrouw Van Dijk er ook Kamervragen over heeft gesteld en het gebeurt gewoon nu nog.

Vandaag lezen we in een artikel over de contraexpertise die door UWV wordt ingezet en wordt ingekocht bij partijen die niet onafhankelijk zijn en die het verhaal van het UWV zullen ondersteunen. Ja, het recht op een eerlijk proces begint ook bij een overheid en uitvoeringsinstanties die mensen zien vanuit de menselijke maat. Ik hoop dat de minister dat met mij eens is.

Tot slot de jeugdzorg. Daarover heeft de Raad voor Strafrecht en Jeugdbescherming, misschien zeg ik de titel verkeerd, in januari gezegd: als er een gezagsmaatregel in een gezin moet worden opgelegd, hoort er in het voorlooptraject en het juridisch traject voldoende tijd en ruimte te zijn voor het ouder- en kindperspectief. Laat dit even op je inwerken. Er worden dus in dit land kinderen uit huis geplaatst zonder dat er met de ouders en de kinderen wordt gesproken. Dat is nu staande praktijk. En dit is nu geadviseerd. Ik wil weten of deze regering dat meteen gaat regelen. Die regering zegt dan toch: we bezuinigen niet op jeugdzorg, maar we zorgen dat we jeugdzorg versterken. Mensen hebben recht op een eerlijk proces en hebben vooral recht op een eerlijke overheid, die niet aanstuurt op een proces waarin ze kansloos zijn.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Leijten. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn aan de kant van de Kamer. De minister heeft aangegeven ongeveer een kwartier nodig te hebben om zich voor te bereiden. Ik schors de vergadering tot 16.00 uur.

De vergadering wordt van 15.46 uur tot 16.02 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de minister.

Minister Bruins Slot:

Voorzitter, dank u wel. Hiervoor hebben de Kamerleden het al gehad over de fundamenten van de democratische rechtsstaat. Het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter is een van de fundamenten daarvan. Het heeft een schakelfunctie: zonder een eerlijk proces kunnen andere rechten niet gewaarborgd worden. Het is immers de rechter die bij uitstek kan beslissen over geschillen tussen burgers onderling of tussen burgers en de overheid. Ook in strafrechtelijke procedures, waarin een verdachte bepaalde rechten toekomt, is een eerlijk proces van groot belang.

In 2012 werd in de Eerste Kamer de motie van mevrouw Lokin-Sassen met algemene stemmen aangenomen. Deze motie riep de regering op het recht op een eerlijk proces in de Grondwet te verankeren. Met dit voorstel, dat nu in tweede lezing voorligt, wordt gevolg gegeven aan deze motie. Met de uitwerking die de motie nu krijgt, kun je zien dat het belang dat alle Kamerleden hier onderstreepten, namelijk dat het een basis is van onze rechtsstaat, een plek krijgt in de Grondwet. Mevrouw Leijten vroeg: waarom is het voorstel toentertijd niet vanuit het kabinet gekomen? Het is al vele jaren terug. Aan de andere kant kun je natuurlijk ook gewoon zeggen dat het de medewetgever is geweest die zei graag te willen zien dat hier een belangrijke invulling aan gegeven wordt. Die heeft de andere kant van de wetgever gevraagd om hier werk van te maken. In die zin heeft deze motie een goede uitvoering gekregen. Het gebeurt in artikel 17 van de Grondwet: een algemeen recht op een eerlijk proces. Dat is in aanvulling op de bestaande bepaling die stelt dat niemand kan worden afgehouden van de rechten die de wet hem toekent en dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter, binnen een redelijke termijn. Op die "redelijke termijn" zal ik straks nog terugkomen.

Zoals sommige leden aangeven, is het recht op een eerlijk proces al stevig verankerd in de Nederlandse wetgeving en rechtspraktijk. Daaraan verandert dit voorstel niets. Het is echter nog niet op constitutioneel niveau gewaarborgd. Eigenlijk is het, zoals sommige leden ook aangaven, een omissie dat het tot nu toe nog niet in de Grondwet was opgenomen. Het nieuwe grondwettelijke recht zal ook gelden voor geschillen die niet vallen onder de bescherming van een verdragsbepaling, want een deel van het recht op een eerlijk proces valt nu al onder artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Europese Handvest van de Grondrechten. De nieuwe geschillen die hieronder vallen, zijn geschillen over de toelating en uitzetting van vreemdelingen, delen van het ambtenarenrecht en de fiscale geschillen. Het grondwetsvoorstel, zoals het nu voorligt, beoogt een aanvulling te vormen op deze verdragsbepalingen en kent een ruimere reikwijdte. Ik hecht eraan te benadrukken dat op dit moment het eerlijke proces al geldt als uitgangspunt, alsook de toegang tot de rechter. Dat zeiden de leden ook. Het voorgestelde grondrecht heeft daarmee niet een symbolische waarde, maar een normatieve waarde, want de wetgever zal nieuwe of bestaande wetgeving, waarin wijzigingen worden voorgesteld, moeten toetsen aan die grondwettelijke bepaling. Verder is de bepaling, net als artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en artikel 47 van het Handvest ook geformuleerd als een subjectief recht van de burger. Dat wil zeggen dat hij het recht direct kan inroepen voor de nationale rechter in procedures, waarin het gaat om de uitwerking van het recht. Heel bewust zijn de elementen die daarin zijn opgenomen — daar was ook een vraag over — onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter en berechting binnen een redelijke termijn. Deze noties gelden voor alle typen gerechtelijke procedures en ook voor alle rechtsgebieden. De nieuwe bepaling kent geen uitputtende opsomming van alle elementen en deelelementen van een eerlijk proces, omdat dit niet past bij het sobere karakter dat onze Grondwet heeft: het is algemeen geformuleerd.

Bij de eerste lezing van dit grondwetsvoorstel gaf mijn voorganger aan dat het opnemen van het recht op een eerlijk proces in de Grondwet ook zou kunnen bijdragen aan een groter vertrouwen van de inwoners in de Grondwet en de rechtsstaat. Verschillende leden van deze Kamer hebben betoogd hoe manifest dat in de afgelopen periode is geworden, ook door de vreselijke gebeurtenissen rondom de kinderopvangtoeslagaffaire. De toeslagaffaire heeft in die zin ook wel echt laten zien dat voor vertrouwen in de rechtsstaat meer nodig is dan een papieren werkelijkheid. Het uitwerken van het recht op een eerlijk proces biedt nog niet de garantie dat het recht ook daadwerkelijk in alle gevallen gewaarborgd is. Voor dit recht geldt, net als voor de andere grondrechten, zoals mevrouw Leijten zei, dat het blijvend opletten vergt en een regelmatige reflectie op de vraag of er ook daadwerkelijk in de regelgeving en in de praktijk bescherming wordt geboden. Het is geen rustig bezit. Het is een actief bezit, waarbij je actief in de wetgeving en in de uitwerking van de wetgeving moet kijken of er daadwerkelijk invulling gegeven wordt aan het recht op een eerlijk proces. Ik zal zo nog wat nadrukkelijker ingaan op de reflectie op de toeslagenaffaire. Dat is natuurlijk een van de belangrijke elementen waarin we hebben kunnen zien dat we aan datgene wat op papier staat in de praktijk geen invulling hebben gegeven. Dat vraagt dus om een verandering van werkwijze, een verandering van houding en een verandering van de manier waarop we ons opstellen.

Voorzitter. Dat maakt al met al dat dit recht op een eerlijk proces in de Grondwet niet overbodig is. Het is nu juist van belang om dit recht op de plek te zetten waar het hoort, namelijk in de Grondwet.

Voorzitter. Dan is er een aantal keer gevraagd, onder andere door mevrouw Koekkoek en mevrouw Maatoug: wat zal er veranderen als de rechter wetten in formele zin wel aan de Grondwet en aan het recht op een eerlijk proces mag toetsen? Het voorstel gaat uit van het huidige stelsel, dus inclusief artikel 120 van de Grondwet; dat zeiden mevrouw Maatoug en mevrouw Koekkoek ook allebei. Maar de vraag die mevrouw Maatoug en mevrouw Koekkoek ook stelden, was: ja, maar als je artikel 120 gaat schrappen, kunt u dan wat meer een doorkijkje geven van wat dat dan precies betekent voor het recht op een eerlijk proces, en welke effecten dat heeft? Daar zitten twee elementen in. Het lijkt me goed om beide elementen in de hoofdlijnenbrief terug te laten komen. Het eerste element betreft de effecten van de gespreide dan wel de geconcentreerde toetsing. Dat zijn twee keuzes die je hebt binnen de constitutionele toetsing. Het tweede element betreft de vraag welke grondrechten zich wel of niet lenen voor constitutionele toetsing. Mevrouw Maatoug had het bijvoorbeeld over het grondwetsvoorstel waar mevrouw Halsema nog een van de ondertekenaars van was en voor haar nog een aantal andere leden, die ik niet direct uit mijn hoofd weet. Die had er een bepaalde keuze over gemaakt op welke grondrechten je wel of niet wil toetsen. Dat is het tweede waar we in de hoofdlijnenbrief op zullen ingaan.

Voorzitter. Er zijn ook een aantal vragen gesteld, door mevrouw Van Dijk, de heer Van Haga en ook anderen, over wat een redelijke termijn is voor een proces. Ik ben niet de minister voor Rechtsbescherming, maar als minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wil ik hier toch wel een antwoord op geven. Ik kan dat natuurlijk niet in de diepte doen waarin mijn collega, de minister voor Rechtsbescherming, dat kan, maar ik zal het wel zo goed mogelijk proberen. Kijk, berechting binnen een redelijke termijn is een essentieel onderdeel van het recht op een eerlijk proces; dat hebben de leden hier in de Kamer allemaal betoogd. Dat geldt voor alle typen rechtszaken. Het is daarom ook expliciet opgenomen in artikel 17 van de Grondwet. Ik ga nu in het Engels citeren; de heer Sneller deed dat ook. Er wordt ook weleens gezegd: "Justice delayed is justice denied." Wat een redelijke termijn is, is afhankelijk van de context van een rechtszaak. Het blijft, ook met opname van deze notie in de Grondwet, echt een hoofdzaak voor de rechter. De termijn zelf is derhalve niet grondwettelijk vastgelegd. Er is wel veel jurisprudentie over wat een redelijke termijn is. Daaruit volgt dat voor strafzaken elke aanleg maximaal twee jaar mag duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor bestuursrechtelijke zaken geldt dat zowel de bezwaar- en beroepsfase samen als die voor het hoger beroep elk maximaal twee jaar mogen duren. Voor civiele zaken geldt maatwerk voor wat een redelijke termijn is. In civiele zaken kan er bij overschrijding van de redelijke termijn een schadevergoeding worden toegekend.

Dan is het uiteindelijk dus ook aan de rechter om te toetsen of er door degene die zo'n rechtszaak voorbereidt — het Openbaar Ministerie — wel een redelijke termijn is gehanteerd. Ik heb begrepen dat de rechter bijvoorbeeld een niet-redelijke termijn van het verloop van de procedure ook kan verwerken in het oordeel dat zij later uitspreekt. Dat is de basis van het systeem. Dat draait tegelijkertijd om de vraag wat een overheid kan doen om het recht op een eerlijk proces ook te garanderen. Het kabinet heeft al een aantal belangrijke trajecten in gang gezet om het recht toegankelijker te maken en om het recht op een eerlijk proces te versterken. Ik noem bijvoorbeeld de herziening van het recht op de gesubsidieerde rechtsbijstand en het traject dat het procedeergedrag van de overheid meer mensgericht moet maken.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):

Ik begreep dat de minister klaar was met het stukje over de termijnen. Het punt dat ik in mijn betoog heb willen maken, was dat het bij politici of mensen die politiek actief zijn, vaak nog pregnanter is. Daar wil je namelijk de schijn van een soort staatsgeleid politiek proces voorkomen. Is de minister het met me eens dat we er ook specifiek voor die groep voor moeten zorgen dat het proces boven elke verdenking verheven is en dat we zo iemand zo snel mogelijk een eerlijk proces moeten geven?

Minister Bruins Slot:

Op basis van het artikel dat we hier voor hebben liggen, maar ook op basis van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het uitgangspunt dat er in Nederland een eerlijk proces moet plaatsvinden. Ik heb net aangegeven wat de uitgangspunten zijn voor een redelijke termijn van een eerlijk proces. Voor mij is het lastig om in mijn positie iets te zeggen over de lengte van de gerechtelijke procedure in individuele zaken, behalve dat het niet wenselijk is dat procedures langer duren dan nodig is. Helderheid scheppen is van groot belang om een beeld te bieden van waar men aan toe is. Om die reden is het uiteindelijk aan de rechter om in een latere fase te kijken of er wel of geen redelijke termijn gehanteerd is. Ik heb net aangegeven dat het uitgangspunt is dat daar basisprincipes voor zijn, maar ik kan als minister helaas geen individuele uitspraken over een zaak doen.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):

Dat vraag ik ook helemaal niet. Het was meer een algemene vraag: is het niet zo dat we voor mensen die politiek actief zijn, nog zorgvuldiger moeten zijn en die termijnen nog korter moeten maken, zodat die schijn van belangenverstrengeling door de overheid in ieder geval weg is?

Minister Bruins Slot:

Daarvoor is het sowieso heel belangrijk om ook te benadrukken dat het in de fase van opsporing en vervolging, dus in de voorfase van een daadwerkelijke rechtszaak, echt aan het Openbaar Ministerie is om zelfstandig beslissingen te nemen. Het gaat alleen over die opsporing en die vervolging. Ik heb dit ook even nagevraagd, want ik zit als minister van Binnenlandse Zaken natuurlijk iets minder in deze materie, maar de enige manier waarop hierop politieke invloed kan worden uitgeoefend, is via een bijzondere aanwijzing van de minister van Justitie en Veiligheid aan het Openbaar Ministerie, maar die is echt met heel veel waarborgen omkleed. Daardoor is het geldende uitgangspunt dat de minister zich ook niet mengt in individuele zaken en dat de minister deze aanwijzingsbevoegdheid in de praktijk ook gewoon niet gebruikt, want het Openbaar Ministerie heeft het opportuniteitsbeginsel: het Openbaar Ministerie bepaalt of er wel of niet opsporing en vervolging plaatsvinden. Daar hoort een minister buiten te staan, ook vanuit de scheiding der machten.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):

Dat is natuurlijk duidelijk: die aanwijzingsbevoegdheid moet bij het OM liggen. De vraag, die ik ook in mijn betoog heb gesteld, is wie het OM dan controleert. Wie zorgt ervoor dat het bij het OM niet fout gaat? Ik snap dat het helemaal onafhankelijk moet gebeuren, maar het loopt weleens uit de hand en dan moet je toch voorkomen dat de indruk wordt gewekt dat het een politiek verhaal is. Dat kan zelfstandig bij het OM liggen, maar er moet een bepaalde zuivering of een bepaalde controle kunnen plaatsvinden, zodat het niet gebeurt.

Minister Bruins Slot:

Het is uiteindelijk dus de rechter die ook de toets doet of het Openbaar Ministerie wel of niet een redelijke termijn heeft gehanteerd en die daar ook in de strafmaat rekening mee kan houden. Het is dus de rechter die daarin een nadrukkelijke rol heeft, zo heb ik begrepen.

Voorzitter. Dan een aantal andere zaken, want ik was overgestapt naar een andere vraag, namelijk wat het kabinet extra gaat doen om het recht op een eerlijk proces te garanderen. Een aantal zaken is nu in gang gezet. Er komt nu even wat herhaling, maar dan stap ik weer in waar ik zonet gebleven was. Dat betreft de herziening van de gesubsidieerde rechtsbijstand. Ik zal daar zo nog wat nadrukkelijker op ingaan. Ook is er het traject om het procedeergedrag van de overheid meer mensgericht te maken. Verder zijn er de diverse trajecten rondom termijnoverschrijding bij bezwaar en beroep. Ook worden er nu nog een aantal andere zaken, in verband met de motie-Omtzigt, onderzocht om ervoor te zorgen dat we het meer mensgericht maken.

Dan de stand van zaken wat betreft de voorstellen voor de rechtsbijstand. Om het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand toekomstbestendig te maken, is in 2018 een stelselvernieuwing ingezet. In het coalitieakkoord wordt deze stelselherziening voortgezet, zoals de leden ook aangaven. De minister voor Rechtsbescherming informeert de Tweede Kamer halfjaarlijks over de voortgang daarvan. De zevende voortgangsrapportage wordt voor het zomerreces naar de Kamer gestuurd. En op 7 april, zo heb ik begrepen, staat er een debat met hem over gesubsidieerde rechtsbijstand gepland. Daar vindt dus de opvolging plaats.

Mevrouw Van Dijk vroeg naar de aangekondigde verlaging van de griffierechten. Het kabinet ziet inderdaad de verlaging van de griffierechten als een belangrijke maatregel om de toegang tot het recht en de rechter te verbeteren. Het streven is dat de benodigde wetswijziging voor deze verlaging van de griffierechten en burgerlijke en bestuursrechtelijke zaken voor de zomer in consultatie kan gaan en nog dit jaar aan de Kamer wordt aangeboden. De inzet van de minister van Justitie en Veiligheid is om in 2024 deze wetgeving in werking te laten treden.

Voorzitter. De heer Sneller heeft een vraag gesteld over de benoeming in de Raad voor de rechtspraak. De rol van de minister voor Rechtsbescherming bij de benoeming van leden van de Raad voor de rechtspraak is al langer onderwerp van gesprek. Dat weet meneer Sneller ook. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft hierover in 2020 advies uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat de huidige procedure, waarbij de minister aan de voorkant van de procedure een rol heeft, geen rechtsstatelijke knelpunten bevat. Op dit moment voert de Raad voor de rechtspraak binnen de eigen gelederen de dialoog over de benoemingsprocedure voor de gerechtsbestuurders en de leden van de Raad. De uitkomsten daarvan worden nu eerst afgewacht. Ik heb gevraagd wanneer de Kamer daar dan meer over hoort. De minister voor Rechtsbescherming zal de Kamer dit najaar informeren of de gevoerde gesprekken aanleiding geven om zijn rol in de benoemingsprocedure voor leden van de Raad voor de rechtspraak te wijzigen. Dus in het najaar zal de minister voor Rechtsbescherming de Kamer daar verder over informeren.

Voorzitter. Mevrouw Leijten en meerdere leden vroegen naar een reflectie op bijvoorbeeld de kinderopvangtoeslagaffaire, niet alleen van het kabinet maar ook van de rechterlijke macht, omdat ook deze een belangrijk onderdeel is van het borgen van een eerlijk proces. De bestuursrechters van de rechtbanken en de Raad van State hebben gereflecteerd op hun eigen rol. Zij zien de noodzaak van een kritische houding ten opzichte van bestuursorganen en van een meer mensgerichte benadering, om de woorden van mevrouw Leijten te gebruiken. Het kabinet zet zich in om de positie van degene op wie het bestuursrecht betrekking heeft, te versterken. Daartoe wordt de Algemene wet bestuursrecht ook gewijzigd, om het meer mensgericht te maken. In de komende periode zullen de hoofdlijnen hiervan ook worden beschreven in een brief aan de Kamer, waarin we ook ingaan op de gevolgen van de uitvoering van de motie-Ploumen/Jetten, zoals ik eerder heb aangegeven. Dat doen we voor de zomer. Daarin zullen we ook ingaan op de hardheidsclausule. En we kijken ook naar onderwerpen als kwijtschelding, meer mogelijkheden voor mensen om fouten te herstellen en uitbreiding van de motiveringsplicht. Dat zijn een aantal elementen die we daar nu ook bij betrekken, zeg ik tegen mevrouw Leijten.

Voorzitter. In dat kader vroeg mevrouw Leijten ook nog naar de jeugdzorg. Het was een vrij specifieke vraag. Ik heb geprobeerd om in het kleine kwartier dat ik net had, mijn collega van VWS daarover te benaderen. Dat is me niet gelukt. Ik kan op dit moment dus geen inhoudelijk antwoord op die vraag geven.

Ik heb ook navraag gedaan naar de schriftelijke vragen waar mevrouw Leijten naar verwees. Ik heb nagevraagd welke schriftelijke vragen dat waren. Dank daarvoor. Dat zijn vragen geweest aan de staatssecretaris van Fiscale Zaken. Ik heb begrepen dat de beantwoording daarvan in ieder geval eind februari naar de Kamer is gekomen.

De voorzitter:

Mevrouw Leijten, SP.

Minister Bruins Slot:

Dat is in ieder geval wat ik weet.

Mevrouw Leijten (SP):

Dit gaat weer precies over de vraag: is het een dode letter of geven we er inhoud aan? Die vragen zijn wel beantwoord, maar er is geen antwoord gekomen op de vraag waarom mensen niet de reden te horen krijgen waarom ze geen inzage krijgen. Mensen is beloofd dat ze inzage zouden krijgen in de reden waarom ze op de zwarte lijst staan. Mensen zijn erkend gedupeerd en krijgen een afwijzingsbrief waarin geen reden opgenomen staat. Dat is volgens de AVG wettelijk wel zo bedoeld. En dan wordt er gezegd: ga maar in beroep en bezwaar. Maar waartegen? Hier gebeurt dus voor die mensen weer precies hetzelfde. Ik vind het zo ontzettend verdrietig dat het dus bij precies dezelfde mensen en precies hetzelfde ministerie op precies dezelfde manier opnieuw gebeurt, na al die woorden van sorry. Daarom gaf ik dit voorbeeld. Ik snap heus dat de minister hier nu geen oplossing voor heeft, maar ik wil wel dat zij dat weet. Terwijl zij hier een grondwetswijziging staat te verdedigen, gebeuren zaken als onrechtmatig handelen en het niet informeren van mensen, waardoor je ze dus niet het recht geeft op een eerlijk proces, gewoon binnen de eigen regering van deze minister. Dat staat nog los van het feit dat mensen die informatie gewoon moeten krijgen.

Minister Bruins Slot:

In dat kader is het ook van belang om te benadrukken, want dit heeft op een aantal onderdelen ook voor een groot deel met bestuursrecht te maken, dat we echt bezig zijn om samen met de minister voor Rechtsbescherming binnen het bestuursrecht te kijken hoe dat mensgerichter gemaakt kan worden. Daarbij gaat het niet alleen om kwijtschelding maar ook om het creëren van meer mogelijkheden voor mensen om fouten te herstellen, en de uitbreiding van de motiveringsplicht. Dan zit je dus meer aan de voorkant. We zitten nu eigenlijk voor een deel aan de achterkant, waar de ellende al veroorzaakt is. Zo willen we ook aan de voorkant meer borgen dat mensen niet in zo'n situatie terechtkomen. Eigenlijk moet je je altijd realiseren, ook bij de Grondwet, in die verticale relatie, dat de overheid zich ervan bewust moet zijn dat zij in een veel steviger positie staat dan de mens, inwoner of burger. Daar hebben we de Grondwet ook voor. Je moet in het beleid, in de uitvoering en in de wetgeving dus zorgen dat je niet over de kwetsbaarheid van mensen heen walst, maar oog hebt voor het feit dat je moet balanceren. Je moet je ervan bewust zijn dat jouw positie altijd sterker is dan die van een ander in de samenleving.

Mevrouw Leijten (SP):

De minister zegt niks waar ik het niet mee eens ben. Maar je zal hiernaar zitten kijken terwijl je zo'n afwijzingsbrief hebt liggen. De afwijzingsgronden blijken, als je ze opzoekt in de wet, te maken te hebben met misdaad, fraude en staatsgeheim; het is een hele rij. En er wordt jou niet gezegd op welke grond je verzoek is afgewezen. Voor die mensen veranderen we materieel nog steeds niks, ondanks al die mooie woorden. Het gaat er vandaag over bij de grondwetsherzieningen en het ging er vorige week natuurlijk ook over, toen de minister helaas ziek was, bij het rapport van de commissie-Bosman. Het staat er wel mooi, maar als we deze managementoplossingen implementeren en niet de mindset veranderen en daar nu al mee beginnen … We horen: we wachten af, we wachten op onderzoeken, en ja, we gaan het doen. Nee, op dit moment is het ministerie van Financiën onrechtmatige afwijzingsbrieven aan het schrijven aan mensen die slachtoffer zijn van een onrechtmatige daad van de overheid. Ik snap dat de minister daar nu niks aan kan doen, maar ik hoop wel dat ze het gehoord heeft en dat ze straks even een belletje doet: "Jongens, dit gaat niet. Ik kan op deze manier toch niet met goed fatsoen zeggen dat ik een andere kant op wil, terwijl het ministerie nog steeds in die oude groef staat?" Gooi mensen dan maar die hele bezwaarprocedure in, tot aan de rechter. Maar waar moeten ze tegen vechten? Ze kennen niet eens de grond van afwijzing.

Minister Bruins Slot:

Ik hoor de oproep van mevrouw Leijten, ook in dit specifieke geval. Tegelijkertijd ben ik me ook bewust van het feit dat ik niet zomaar in de rol van de staatssecretaris kan stappen. Los daarvan willen we nu daadwerkelijk, onder andere op basis van een motie van mevrouw Leijten, maar ook van een motie van mevrouw Ploumen en de heer Jetten, concrete stappen zetten met wetgeving. We zijn gewoon echt aan het kijken waar de hardvochtigheden zitten. Ook in andere vormen en bij de hardheidsclausule zijn we echt aan het uitwerken hoe we daar op een goede manier invulling aan kunnen geven, zodat we met wetten die op zich misschien rechtmatig zijn maar onrechtvaardig uitpakken, toch het goede kunnen doen voor mensen.

De voorzitter:

De minister vervolgt haar betoog.

Minister Bruins Slot:

Voorzitter, ik ben aan het eind van mijn beantwoording.

De voorzitter:

Dan kijk ik even of er behoefte is aan een tweede termijn. Ja, volgens mij alleen bij de heer Van Haga. Dan geef ik de heer Van Haga het woord. Gaat uw gang.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):

Voorzitter. Ik dank de minister voor haar beantwoording. Het recht op een eerlijk proces bestaat al. Het voornemen is om daar nu een grondrecht van te maken. Deze Kamer is daar voorstander van. Dat is mooi. Dat bleek uit dit debat. Dat betekent nog meer zorgvuldigheid in het civiel recht, het bestuursrecht en in het strafrecht, en bij het instellen van vervolgingen waarin de overheid een monopolie heeft. De zaken van Richard de Mos, Geert Wilders en Willem Engel laten naar mijn overtuiging zien dat termijnen zo buitensporig kunnen worden opgerekt met zo'n buitensporig grote schade tot gevolg, dat we kunnen concluderen dat hierbij wel degelijk iets enigszins te verbeteren valt. Dat is een understatement.

De bestaande regelgeving en de jurisprudentie over redelijke termijnen vormen niet vanzelfsprekend een garantie voor een eerlijk proces. Dat moet ons als Kamer grote zorgen baren, juist bij dit debat. Bij een strafrechtelijk proces tegen een politicus moet de schijn van een politiek proces met de grootst mogelijke zorg vermeden worden. Dat vraagt in het bijzonder om extra zorgvuldige hantering van de redelijke termijn. Een politicus jarenlang laten bungelen, past daar niet in. Natuurlijk begrijp ik ook dat het onafhankelijk is, maar de wetgever — dat zijn wij — kan wel degelijk regels stellen aan de werkwijze van het OM. Een grondrecht is er in de eerste plaats voor de burger, maar het is ook een opdracht aan de Staten-Generaal en het kabinet als wetgever. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het vastleggen van een grondwettelijk recht op een eerlijk proces ook een opdracht behelst aan de wetgever;

verzoekt de regering het recht op een eerlijk proces voor politieke ambtsdragers steviger te verankeren in wetgeving,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Haga.

Zij krijgt nr. 7 (35784).

De heer Van Haga (Groep Van Haga):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik kijk even naar de minister of zij in staat is om de motie — die komt zo naar haar toe — meteen te voorzien van een appreciatie, of wil zij even vijf minuten schorsen? Ik schors de vergadering voor vijf minuutjes.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de minister.

Minister Bruins Slot:

Voorzitter. Ik bedank de leden voor hun steun voor dit voorstel om het recht op een eerlijk proces in de Grondwet op te nemen. Het is een uitvloeisel van een motie van mevrouw Lokin-Sassen, en gaat nu waarschijnlijk zijn beslag krijgen in de Grondwet. Ik zeg "gaat krijgen", voorzitter, want er vindt natuurlijk ook nog een behandeling plaats in de Eerste Kamer.

Wat de motie-Van Haga op stuk nr. 7 betreft: ik ben het met de heer Van Haga eens dat een eerlijk proces voor eenieder geldt. Dat is ook de reden dat ik deze motie ga ontraden: het mag geen verschil uitmaken wie je bent. Het mag geen verschil uitmaken in deze samenleving wie je bent: iedereen heeft recht op een eerlijk proces. Dat geldt voor iedereen. Daarbij mag je geen onderscheid maken. De rechter zal, wie hij ook voor zich heeft, dat onafhankelijk, onpartijdig en eerlijk moeten doen. Daar heeft iedere inwoner van Nederland recht op. Dat is de reden dat ik deze motie ontraad, want eenieder moet daar gewoon op kunnen vertrouwen.

De heer Van Haga (Groep Van Haga):

Dat begrijp ik natuurlijk. Dat principe is ook heilig; dat vinden wij ook. Maar het is al zo dat, afhankelijk van de zwaarte van het delict, er voorrang wordt gegeven. Dat is al zo. Er zijn al uitzonderingsregels voor politici. Neem de Wwft, waarin wij als PEP's behandeld worden omdat wij een uitzonderingspositie zouden hebben. Dus gezien de impact van zo'n lange termijn op het proces en ook op de schijn die de overheid op zich laadt van een politiek proces, zou ik er toch voor willen pleiten om in ieder geval te kijken of dit mogelijk is.

Minister Bruins Slot:

Het Openbaar Ministerie is onpartijdig en onafhankelijk. Een eerlijk proces geldt echt voor eenieder. Daar mogen we geen onderscheid in maken. De Wet op het financieel toezicht is een wet op grond waarvan politieke ambtsdragers en andere personen meer inzicht moeten geven in hun financiën, maar dat heeft geen directe relatie met het krijgen van een eerlijk proces. Echt, eenieder in Nederland heeft hetzelfde recht op een eerlijk proces. Er mag geen onderscheid worden gemaakt. Vanuit dat perspectief ontraad ik deze motie.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van deze beraadslaging.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Volgende dinsdag gaan we stemmen over het wetsvoorstel en de ingediende motie.

Naar boven