Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-2019nr. 67, item 10

10 Toekomst van de Onderwijscoöperatie

Aan de orde is het debat over de toekomst van de Onderwijscoöperatie.

De voorzitter:

We gaan in één beweging door met het grote fundamentele debat over de toekomst van de Onderwijscoöperatie. We hebben acht deelnemers van de zijde van de Kamer die staan te trappelen van ongeduld. De eerste spreker is de heer Van Meenen van de fractie van D66.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Het is, zoals u zich zult herinneren, bijna een jaar geleden dat een ruim aangenomen motie van D66 en CDA vroeg om het bestuur van de Onderwijscoöperatie over te dragen aan leraren. Niet lang daarna implodeerde de Onderwijscoöperatie en hief het bestuur de gehele organisatie op. Ironisch genoeg heet dit debat "de toekomst van de Onderwijscoöperatie". De Onderwijscoöperatie heeft in haar bestaan keer op keer het vertrouwen van de leraar verloren. Zij was niet van, voor en door de leraren, zij was niet hun vertegenwoordiging, zij was in handen van overheid en bonden. De reactie van het bestuur van de Onderwijscoöperatie is tekenend. Het bestuur hief liever de organisatie op dan dat het het bestuur zou overdragen aan leraren. De enige manier waarop de Onderwijscoöperatie bijdroeg aan de vorming van een beroepsgroep was door de gemeenschappelijke en verbindende afkeer van die Onderwijscoöperatie.

Voorzitter. Het onderzoek laat zien dat het maar goed is dat de Onderwijscoöperatie niet langer bestaat. Het salaris van de kwartiermaker bijvoorbeeld zou aan het einde van de opdracht boven de Wet normering topinkomens uitkomen, en dat onder regie van vakbonden. Bovendien is het onderzoek van de kwartiermaker nooit openbaar geworden. Zelfs de minister beschikt daar niet over, wat eigenlijk als een schoffering gezien kan worden. Er was een totaal gebrek aan toezicht op het bestuur. Ziet de minister nog kans dat we ooit dat rapport van de kwartiermaker kunnen inzien? Gaat de minister het subsidiebeleid van OCW aanpassen naar aanleiding van het rapport van de Auditdienst Rijk? Hoe is het werkgeverschap van de Onderwijscoöperatie in de laatste maanden geweest?

Voorzitter. Eén onderdeel van de Onderwijscoöperatie slaagde wel zeer goed: het LOF, het LerarenOntwikkelFonds. D66 zou graag zien dat dit fonds behouden blijft. Dat lijkt ook zo te zijn onder het CAOP. Valt het hiermee ook nog onder OCW? Blijft het LOF en de subsidie daarvoor behouden? Is het mogelijk om die subsidie van de OC over te dragen aan het LOF? Hierover is overigens eerder een debat geweest met een aantal mensen van het CDA, dus er zijn al stappen gezet.

De voorzitter:

Een vraag van de heer Kwint.

De heer Kwint (SP):

Even een stukje terug, naar dat rapport van die dikbetaalde kwartiermaker. Meneer Van Meenen constateert dat we dat rapport vermoedelijk nooit te zien krijgen. Mijn fractie is nog niet zover. Zouden we hier vandaag met z'n allen niet moeten zeggen: jongens, wij als overheid hebben voor dit rapport betaald. Linksom of rechtsom: wij hebben recht op dat rapport, wij willen dat krijgen en wij gaan dat lezen, want wij zijn de partijen die erop worden aangekeken op het moment dat er lessen moeten worden getrokken uit een mislukking als de Onderwijscoöperatie?

De heer Van Meenen (D66):

Ja. Eigenlijk zegt de heer Kwint in andere woorden hetzelfde als ik. Het is om te beginnen onbestaanbaar dat de minister het niet heeft. Ik ben ervan overtuigd dat als de minister het zou hebben, wij het ook zouden krijgen. Gaat de minister ervoor zorgen dat hij het krijgt? Ik ben het dus eens met de heer Kwint. Zo makkelijk kan het zijn, voorzitter, frappez toujours.

Voorzitter. Met het beëindigen van de Onderwijscoöperatie is de uitvoer van het lerarenregister teruggegeven aan het ministerie. Dat gaat nog niet van een leien dakje. Leraren krijgen brieven over het vullen van een portfolio, terwijl ze daar niet op zitten te wachten. Dit is niet bepaald van, voor en door de leraren. Het vereiste dat in het regeerakkoord wordt gesteld aan verdere uitwerking van het lerarenregister, is juist dat "van, voor en door". Kan de minister toelichten waarom het noodzakelijk is om door te gaan met dit register en waarom het ministerie brieven aan docenten en besturen blijft schrijven? Wie kan mij uitleggen waarom de wet op dit moment überhaupt gehandhaafd wordt? Brengt de huidige wet de doelstelling uit het regeerakkoord, "van, voor en door", dichterbij of juist verder weg als je naar het onderzoek van de Algemene Bestuursdienst kijkt? D66 heeft altijd gezegd dat het lerarenregister het sluitstuk zou moeten zijn van gedegen beleid en een volwaardige beroepsgroep waarbij de leraar zeggenschap krijgt over de ontwikkeling van het beroep.

Voorzitter. Recentelijk is het lerarencollectief gestart, een initiatief van een aantal ons bekende leraren. Wellicht dat dit uitgroeit naar een breed gedragen vertegenwoordiging. Hoe ziet de minister in de toekomst de rol van het ministerie ten opzicht van die beroepsgroep? D66 ziet ook als mogelijkheid dat in de lumpsum middelen worden toegevoegd voor de vorming van die beroepsgroep, vergelijkbaar met de PO-Raad en de VO-raad. Hoe kijkt de minister daarnaar?

Voorzitter. D66 zit in dit kabinet voor hogere onderwijsinvesteringen, maar ook voor beter onderwijsbeleid. Daarbij moesten een paar onnodige en overbodige Haagse plannen sneuvelen, waaronder de Onderwijscoöperatie. D66 heeft er alle vertrouwen in dat we met de leraren verder kunnen bouwen aan een volwaardige beroepsgroep.

Tot zover, voorzitter. Dank voor uw mildheid.

De voorzitter:

Dank u wel. Zo ben ik ook wel weer. Dan mevrouw Van den Hul van de Partij van de Arbeid.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Voorzitter. De heer Van Meenen zei het al: dit debat heeft niet helemaal de juiste titel, want de Onderwijscoöperatie heeft geen toekomst. Het was op papier een goed idee, dat ongetwijfeld met de beste bedoelingen is bedacht, maar de conclusie luidt: leraren waren onvoldoende vertegenwoordigd, met uitzondering van het door de heer Van Meenen al genoemde LOF. Dat was niet alleen de conclusie van de leraren en van de Kamer, maar ook de conclusie van Rinnooy Kan. Hij zei: het moet van, voor en door leraren en niet van bovenaf; je moet niet praten over, maar praten met. Daar zijn wij het natuurlijk roerend mee eens.

Ook de minister legt de bal nu bij de sector. Hij sprak de wens uit dat de sector zichzelf organiseert. Dat lijkt de sector overigens vooralsnog prima te lukken, terugkijkend op het fantastische werk van PO in actie en het PO-front, dankzij wiens inspanningen er een werkdrukakkoord kwam, en terugkijkend op de indrukwekkende opkomst met meer dan 40.000 — 40.000! — mensen op 15 maart op het Malieveld. Ik kijk ook naar het onlangs gelanceerde lerarencollectief, dat inmiddels al hard op weg is naar de 10.000 aanmeldingen. Die bal, daar weet de sector dus wel raad mee.

Maar de minister gaat over het speelveld. Daar wringt nou net de schoen. Hoe autonoom kun je je als leraar organiseren en professionaliseren als het water je tot de lippen staat en als je je niet eens ziek kunt melden, omdat er geen collega is die je kan vervangen? En als je je wel zou willen bijscholen, organiseren of professionaliseren, maar daar simpelweg geen tijd voor is?

We zijn blij dat onze motie met steun van GroenLinks, SP en D66 over het openbaar maken van de loonruimte bij cao-onderhandelingen dinsdag werd aangenomen. Een eerlijk speelveld begint immers aan de cao-tafel. Maar daarmee zijn we er niet. Er is meer nodig om leraren in positie te brengen om hun professionele ontwikkeling optimaal te kunnen invullen en om het "van, voor en door" ook echt handen en voeten te geven. Ziet de minister een verband tussen de onderbesteding van de professionaliseringsbudgetten enerzijds en de hoge werkdruk en het lerarentekort anderzijds?

Over dat lerarentekort gesproken: de minister meldde deze week op zijn Facebookpagina dat er hoopvolle signalen zijn. Hij laat weten dat er in het afgelopen jaar een toename van 3.000 fte was in het po. Naar aanleiding hiervan zou ik de minister willen vragen bij hoeveel van deze 3.000 banen het om leraren gaat. En hoe dragen deze banen bij aan de structurele oplossing van het lerarentekort en aan de professionalisering waar het vanavond over gaat? Wij lezen namelijk in datzelfde onderzoek van DUO Onderwijsonderzoek & Advies — niet dat andere DUO; daar is nog weleens verwarring over — dat 59% van de ondervraagde leraren aangeeft dat dit slechts een druppel op de gloeiende plaat is, terwijl de minister juist hoopvol over dat onderzoek is. Hoe mooi al deze berichten ook lijken, er zijn nog steeds grote gaten te dichten. Die moeten wat ons betreft niet gedicht worden met het zo belangrijke werkmiddelenbudget, of met een cosmetische kasschuif. Ze vragen om een extra investering in ons onderwijs, in een betere beloning, in het overbruggen van de kloof tussen po, vso en vo, in kleinere klassen, en in meer tijd voor professionalisering. Want pas dan wordt het echt van, voor en door onze leraren. Onze kinderen zijn dat waard.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan mevrouw Westerveld van de fractie van GroenLinks.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Voorzitter. Ondanks alle goede bedoelingen heeft de Onderwijscoöperatie de verwachtingen niet kunnen waarmaken. Dat blijkt duidelijk uit de praktijk en ook uit de verschillende evaluaties. Terugkijkend denkt GroenLinks dat het een goed idee is geweest om vorig jaar de stekker eruit te trekken. Wat ons betreft praten we vooral over wat er nu gedaan moet worden. Is het bijvoorbeeld tijd voor een nieuwe start? Komt er een beroepsorganisatie die echt van, voor en door de leraren is; een organisatie die namens alle leerkrachten spreekt, maar die wel van onderop ontstaat, vanuit de leerkrachten zelf? Of is een nieuwe organisatie overbodig en is het juist verstandig om bestaande organisaties en initiatieven te versterken?

Voor GroenLinks hangt het antwoord af van de vraag hoe de minister zo'n nieuwe organisatie ziet. Daarom horen wij graag van de minister hoe hij een nieuwe organisatie ziet die van onderop komt en die van, voor en door de leraar is. Hoe ziet hij deze organisatie in het bestaande speelveld van de diversiteit aan onderwijsorganisaties? En is het dan eigenlijk een nieuwe club, of hint de minister op allemaal nieuwe organisaties die een deel van de beroepsgroep vertegenwoordigen? En gaat het ministerie deze nieuwe organisatie, die de beroepsgroep vertegenwoordigt, dan gebruiken als sparringpartner, zodat leerkrachten echt een stem krijgen in het onderwijsbeleid, of krijgt deze club dan de taak om politieke besluiten door te voeren? Want als dat laatste het geval is, dan kunnen we beter geen nieuwe initiatieven aanmoedigen.

Voorzitter. Ik zeg het wat scherp, want mijn fractie kijkt uit naar het rapport van Rinnooy Kan. Het is natuurlijk niet niks als de minister een zwaargewicht vraagt om te onderzoeken hoe het verder moet na het opheffen van de Onderwijscoöperatie. Maar we zijn wel verbaasd dat de minister dan vervolgens schrijft dat er een nieuwe beroepsgroep van onderop moet ontstaan, zonder opgelegde blauwdruk, en dat er verschillen kunnen zijn tussen sectoren, maar dat we over de manier waarop dit dan opgericht zou moeten worden geen duidelijkheid krijgen.

Voorzitter. Denkt de minister bij een nieuwe organisatie bijvoorbeeld aan het lerarencollectief dat onlangs is gelanceerd door onder andere Thijs Roovers, Jan van de Ven en René Kneyber? Zo ja, faciliteert het ministerie dan dit initiatief? Wordt dit initiatief een gesprekspartner van de minister? Hoe zou hij dat dan willen vormgeven? En hoe verhoudt dit collectief zich tot andere organisaties?

Voorzitter. Ik zeg dit niet om flauw te doen, maar we hebben enorm veel lokale en landelijke organisaties in het onderwijs. We hebben de vakbonden, de leerlingen- en studentenorganisaties, de koepels van besturen, de overige bestuursorganisaties, de schoolleiders, de actieclubs, tientallen vakinhoudelijke verenigingen, internationale organisaties en netwerken, en aan het onderwijs gelieerde organisaties. Zo kan ik nog wel even doorgaan. In een paar minuten kwamen we al tot dit lijstje. Als ik die allemaal opnoem, dan ben ik door mijn spreektijd heen. Dus dat hebben we niet gedaan, terwijl mijn punt duidelijk is. Want waar moeten we zo'n nieuwe organisatie plaatsen? In het onderwijs zijn er al heel erg veel clubs, veel clubs die ook opgericht zijn en gerund worden door leerkrachten zelf. Kortom, bij mijn fractie is nog veel onduidelijkheid over de rol van de toekomstige beroepsorganisaties en de positie die ze dan krijgen.

Voorzitter. Ik kom op een ander punt. Tussen 2011 en 2017 heeft de Onderwijscoöperatie volgens onze snelle optelsom ruim 31 miljoen euro ontvangen, en misschien nog wel meer. Dat is een hoop geld, maar het is moeilijk te duiden als we niet een breder beeld krijgen van de subsidiestromen die rondgaan in het onderwijs. Zou de minister ons schriftelijk kunnen informeren over het beleid van OCW? Ik heb me er vaak over verbaasd dat bijvoorbeeld scholieren- en studentenorganisaties het moeten doen met een paar ton per jaar, terwijl we bij andere organisaties vaak spreken over bedragen die richting de miljoenen lopen. En kunnen de middelen die voor de onderwijsorganisaties zijn bestemd ook in de toekomst worden ingezet om de vertegenwoordiging van de beroepsgroep te vergroten?

Voorzitter. Ik sluit me ook aan bij de vragen die Paul van Meenen stelde over het bedrag dat de kwartiermaker kreeg en over het rapport, en ik ben ook erg benieuwd naar de inhoud daarvan.

Voorzitter. Een belangrijk onderdeel van de nieuwe beroepsgroeporganisaties is het verder vormgeven van de eigen professionele ontwikkeling van leerkrachten. In de Staat van de Leraar geeft 93% van de leraren aan het werken aan professionalisering heel belangrijk te vinden. Wij zijn benieuwd of de minister weet in hoeverre cao-afspraken over professionalisering daadwerkelijk worden nagekomen.

Voorzitter. Mijn pleidooi is duidelijk. Ik hoor graag van de minister wat zijn ideeën zijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Beertema van de fractie van de Partij voor de Vrijheid.

De heer Beertema (PVV):

Mooi om hier te zijn, voorzitter, voor de moeder aller debatten. Wat ons betreft had dit debat niet gevoerd hoeven te worden. We hebben het vandaag over de toekomst van een organisatie die al opgeheven is. De Onderwijscoöperatie bestaat sinds 1 januari niet meer, en daar zijn we niet bepaald rouwig om. Wanneer een organisatie de facto geen bestaansrecht meer heeft, dan kan die zichzelf beter opheffen. Het is positief dat dat gebeurd is, al was er wel een motie van mijn collega's Van Meenen en Rog voor nodig, die verzochten om het bestuur over te dragen aan een interim-bestuur van leraren, die wel het vertrouwen hadden van de beroepsgroep.

Het advies van de heer Rinnooy Kan was de spreekwoordelijke nagel aan de doodskist van de Onderwijscoöperatie. Dat is allemaal niet zo verwonderlijk. De constructie was al even onhoudbaar, en men is onvoldoende in staat gebleken om de leraren op adequate wijze te vertegenwoordigen binnen het lerarenregister. Van de hele notie "van, voor en door" bleek nauwelijks sprake te zijn.

Voorzitter. Hoe nu verder? Is het nog wel verantwoord om juist nu te streven naar een lerarenregister, zeker gezien de problemen waar de beroepsgroep vandaag de dag al mee te maken heeft? Is het niet beter om deze plannen te laten rusten en pas op de plaats te maken?

Daarbij is het een beroepsgroep zonder representatieve organisatie, waarbij een natuurlijk vertrekpunt om tot een dergelijke organisatie te komen, ontbreekt. Rinnooy Kan geeft twee punten van vertrek als advies mee: een frisse start van onderop — bottom-up — en langs de lijnen van professionele ontwikkeling. Ook stelt hij, en daar kunnen we ons volledig in vinden, dat de overheid de beroepsgroepvorming niet van bovenaf moet regisseren. Iedere keer dat de overheid dit toch weer van bovenaf wenst te doen, komen dezelfde usual suspects uit de onderwijspolder weer bovendrijven. Dat zijn vooral de bonden, als een soort onkruid dat weigert te vergaan, om uiteindelijk het oorspronkelijke idee volledig te corrumperen.

Voorzitter. Ik ben altijd een groot voorstander geweest van een lerarenregister en van een onderwijscoöperatie, en vooral van die woorden "van, voor en door de leraar". Daar heb ik me altijd hard voor gemaakt. Ik vond het toen nodig en ik vind het eigenlijk nog nodig. Maar goed, choose your battles. De realiteit leert ons dat het onderwijs en de beroepsgroep nu voor veel grotere problemen staan dan de vorming van een lerarenregister. Ik pleit er dan ook voor om het voorlopig in de ijskast te zetten. Maar als er binnen de beroepsgroep zelf een breed gedragen bewustwording op gang komt om het eigenaarschap van een nog te vormen register naar zich toe te trekken, dan zal ik dat uiteraard toejuichen. Voor nu lijkt het ons verstandiger om gepaste afstand te nemen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan de heer Kwint van de SP.

De heer Kwint (SP):

Ja, dank. Vandaag hebben we het over de zoveelste mislukking van het kabinet-Rutte/Asscher op onderwijsgebied. We hadden al de rekentoets, de nullijn voor docenten, het lerarenregister en natuurlijk ook de Onderwijscoöperatie. Drie van de vier lijken te verdwijnen. Voor de vierde hebben collega Bisschop en ik een uitstekende oplossing. Ja, en als we dan niet een gigantisch lerarentekort zouden hebben, zou het net zijn alsof het vorige kabinet er nooit gezeten had. Dat was voor het onderwijs niet zo slecht geweest, want wat een bende is het geworden omdat de politiek weer eens dacht het beter te weten dan de leraar en er een clubje in het leven geroepen werd om te doen alsof politieke besluiten draagvlak hadden in het onderwijs. Dat waren besluiten als het zeer controversiële lerarenregister. Ik heb een iets andere rekensom gemaakt dan mevrouw Westerveld en ik kwam tot een kleine 40 miljoen aan belastinggeld dat ook gewoon naar de klas had kunnen gaan. Dat is verspild, want het draagvlak was er niet. Ik kan me nog een discussie herinneren die een van mijn voorgangers, Jasper van Dijk, in de Kamer voerde. Het argument van sommigen van de voorstanders van dit lerarenregister was daarin vooral dat ze op het festival van de leraar geweest waren en daar een enthousiaste docent gesproken hadden. Daarom hoefde het draagvlak voor het lerarenregister niet onderzocht te worden. Quatsch dus.

Nu we het toch over het lerarenregister hebben: waarom heeft de minister niet besloten om daar helemaal mee op te houden? Wat is de reden waarom hij het wel stillegt maar het niet intrekt? Niemand twijfelt toch aan het gebrek aan draagvlak voor dit register? En zolang deze wet niet ingetrokken wordt, staat hij de zelfstandige vorming in de weg van een groep leraren die de beroepsgroep wil vertegenwoordigen. Dat is misschien nog wel belangrijker. Want op het moment dat je je organiseert, loop je een levensgroot risico dat je als dank voor de moeite meteen de molensteen van het register erbij krijgt. De minister heeft het register zelf ook niet bedacht, en hij zal toch moeten toegeven dat het de zelforganisatie van een beroepsgroep niet per se ten goede komt. Is hij bereid om nieuwe initiatieven als het lerarencollectief, wanneer dat een succes wordt, niet meteen te belasten met die zware erfenis van het lerarenregister? Als hij daar dan gewoon de tijd voor neemt, schaffen wij het hier in de Kamer op termijn zelf wel af.

De minister zegt ook dat beroepsgroepvorming in het onderwijs zo ingewikkeld is. De SP vraagt zich dat af. Volgens ons is het vooral ingewikkeld te sturen vanuit het ministerie. En dat is uitstekend nieuws voor de toekomst van het vak en van de leraren: meer zelf doen en minder bepaald krijgen van de inhoud van je vak. Dat gebeurt nu ook, bijvoorbeeld door de vorming van die eerdergenoemde beroepsvereniging. En natuurlijk kan de overheid daarbij ondersteunen; dat doen wij ook bij ouderclubs. En laten we er niet omheen draaien: de bestuursraden die we in Nederland hebben, worden ook gewoon vanuit de lumpsum betaald. Het initiatief moet eerst vanuit de leraren zelf komen, en dan gaan wij kijken hoe wij dat kunnen ondersteunen. Het moet in die volgorde, niet andersom. Zou de minister daartoe bereid zijn?

De Onderwijscoöperatie functioneerde al langer voor geen meter, dus wat gebeurt er dan? Dan wordt er een kwartiermaker ingesteld. Dan weet je meestal dat het punt van redding al gepasseerd is. Die kwartiermakers zijn ook nooit goedkoop, en deze al helemaal niet. Deze kwartiermaker zou over de grens van de WNT heen zijn gegaan als hij het hele jaar had gewerkt! Maar hij werkte geen hele jaren. Dat zou ik ook niet doen met zo'n salaris. Dat is toch gewoon in strijd met de WNT? De Wet normering topinkomens gaat toch niet over wat je in een jaar verdient? Die gaat toch over wat je omgerekend naar een jaar zou verdienen? Die kijkt toch naar je werkzaamheden in een bepaalde periode? Hoeveel heeft deze persoon nu verdiend? Voor hoeveel uur? En is dat boven de WNT-norm of niet? Wanneer het boven de WNT-norm is, kunnen we dan een deel van dat geld terugvorderen? Want — en dat is misschien nog wel het ergste — we niet weten wat die kwartiermaker met al die uren gedaan heeft. We weten het simpelweg niet. We kunnen geen lessen trekken. We kunnen niet tot conclusies komen, want het rapport dat hij voor dat vorstelijke salaris gemaakt heeft, komt niet onze kant op. Dat is toch schoffering van zowel het ministerie als de Kamer?

De Kamer heeft het budget voor de coöperatie beschikbaar gesteld. Ik kon het niet achterhalen, maar heeft het ministerie niet ook nog extra budget beschikbaar gesteld, specifiek voor deze kwartiermaker? Volgens mij waren de subsidies die wij verleenden aan de Onderwijscoöperatie vooral voor het bureau. Ik kan me niet voorstellen dat zo'n peperdure kwartiermaker daar ook nog mee betaald kon worden. De SP wil dit rapport gewoon hebben. Aan wie heeft de minister dit gevraagd? Wat was het antwoord? Waarom krijgen we het niet? Wie heeft het rapport dat wij niet krijgen? Want wij willen het hebben en overwegen ernstig om de minister een steuntje in de rug te geven, een morele steun voor de minister als hij die kant op moet.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan de heer Bruins van de fractie van de ChristenUnie.

De heer Bruins (ChristenUnie):

Voorzitter. In 2011 is de Onderwijscoöperatie in het leven geroepen. Dat was in de tijd dat Halbe Zijlstra staatssecretaris van Onderwijs was. De aanleiding voor het institueren van de Onderwijscoöperatie was een advies uit 2007 van niemand minder dan de heer Rinnooy Kan. Waar kennen we die naam van? Toen werd al tien tot vijftien jaar gepoogd om de beroepsgroep van leraren te organiseren, maar zonder succes. En nu zou de overheid de kickstart gegeven.

De ChristenUnie was destijds al kritisch over de gekozen vorm en stelde de vraag of de leraren zich daadwerkelijk betrokken voelden bij dit hele proces. De bedoeling was dat de Onderwijscoöperatie namens alle leraren zou spreken, maar de coöperatie was eigenlijk niets anders dan een bundeling van bestaande, door de overheid gefinancierde belangenorganisaties, een soort hoofdbestuur aller besturen, waarbij bestuursleden vergaderden met andere bestuursleden. Het is logisch dat docenten daar geen voeling bij hadden. Maar het was wel handig voor de bewindspersoon om één aanspreekpunt te hebben. Maar als dat aanspreekpunt niemand vertegenwoordigt, is het nog betekenisloos. Ik was dan ook hoopvol toen ik de opkomst van PO in actie zag. Maar zodra PO in actie dreigde te institutionaliseren, verdween de enthousiaste rebellie waarmee het zo mooi begon. Zo bleef de vraag: wie vertegenwoordigt de leraar?

We zijn niet verder gekomen dan we begin deze eeuw al waren. Het is zo belangrijk om een organisatie te hebben waar de leerkracht in de klas zich door vertegenwoordigd voelt. Volgens mij wordt zo'n organisatie per definitie niet opgericht door de overheid en bij voorkeur, wat de ChristenUnie betreft, ook niet gefinancierd vanuit de overheid. Dat de Onderwijscoöperatie nu ontmanteld wordt, stoort mij dus niet. Zoals de bestuurlijke evaluatie het eufemistisch verwoordt: "Het motto van, voor en door de leraar werd in de praktijk niet breed gevoeld." Nu we dit moeten constateren, roept dat ook vragen op over het geld. Meerdere leden hebben daar al vragen over gesteld. Kan de minister reflecteren op de besteding van deze middelen en is er nog geld over dat het ministerie terug kan vorderen?

Voorzitter. PO in actie heeft als grootste wapenfeit dat het de beroepsgroep heeft geëmancipeerd. Meesters en juffen hebben hun terechte beroepstrots hervonden. Wat PO in actie heel duidelijk heeft laten zien, is dat leraren zich niet vertegenwoordigd voelen door de bestaande raden, zoals PO-Raad, VO-raad en MBO Raad. Deze raden vertegenwoordigen de schoolbestuurders. Als docenten zich niet vertegenwoordigd voelen door die raden, voelen docenten zich dus eigenlijk niet vertegenwoordigd door hun eigen leidinggevenden. Blijkbaar hebben zij het gevoel dat het belang van schoolbesturen niet parallel loopt met het belang van leraren. Ligt daar dan in feite niet het echte probleem? Iedereen wil een organisatie die namens het onderwijs spreekt, maar wie is "het onderwijs"? Spreek je via de schoolbestuurders, dan voelen de leraren zich niet vertegenwoordigd en spreek je met de leraren, dan is het de vraag welke afspraken je kunt maken en wat die afspraken precies betekenen.

Mijn advies aan de minister is om dit probleem vooral in het veld te laten liggen en niet op te lossen zoals eerdere bewindspersonen dat wél probeerden. Minister, het is niet uw probleem. Als leraren zich niet vertegenwoordigd voelen, moeten leraren ervoor zorgen dat ze wél vertegenwoordigd worden. Zo doet een professionele, volwassen beroepsgroep dat. Een Haagse blauwdruk moet daarbij absoluut voorkomen worden, zo schrijft Rinnooy Kan in zijn recente rapport. Dat lijken mij wijze woorden.

Wat de ChristenUnie betreft ligt de bal bij de Jannen en de Thijsen, de Rinda's en de Mauricen van deze wereld om dit op te lossen. En dan niet door een bestuur der besturen op te richten, maar door te werken aan verdere emancipatie en weerbaarheid van de beroepsgroep. Dat begint met een cultuurverandering in scholen, met leraren die in gesprek gaan met hun directie, met beter leiderschap, met voldoende diversiteit in schoolteams en, ja, dus ook met meer kerels voor de klas, zoals mijn initiatiefnota uit 2016 heette.

Voorzitter. In zijn advies geeft Rinnooy Kan terecht aan dat het ondersteunen en organiseren van de professionele ontwikkeling van leraren als vertrekpunt moet worden genomen bij de verdere beroepsgroepvorming. Mijn laatste vraag aan de minister is hoe hij dat ziet. Ziet de minister daar wel een rol voor zichzelf weggelegd? Hoe voorkomen we dat we langs die weg toch weer blauwdrukken gaan maken? Hoe kijkt de minister hiernaar? Kan hij gepaste afstand houden en vooral zijn hand zo lang mogelijk op de knip houden, in ieder geval zolang onduidelijk is wat het veld zelf wil?

Voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Er is nog een vraag van de heer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Ik deel geheel de opvatting van de heer Bruins dat de bal bij de leraren ligt. Het is aan hen om nu te laten zien wat die beroepsgroep kan worden. Ik denk dat er op dat punt hoopvolle initiatieven zijn. Maar de heer Bruins lijkt helemaal weg te schuiven dat er ook maar enige betrokkenheid vanuit de overheid zou kunnen zijn, terwijl die betrokkenheid er wel is, indirect, bij de Rinda's en dergelijke, die hij ook noemt. Hun organisatie wordt namelijk voor een belangrijk deel bekostigd via de lumpsum van de scholen. Sluit de heer Bruins een dergelijke betrokkenheid, dus niet inhoudelijk maar puur financieel, van de overheid bij de vorming van deze beroepsgroep op voorhand uit?

De heer Bruins (ChristenUnie):

Het interessante hier is dat je als bewindspersoon een gepaste afstand wil houden als je wilt dat dit ooit van, voor en door leraren gaat worden. Tegelijkertijd wil je het faciliteren. Ik wens de minister heel veel wijsheid bij die balans, want voordat je het weet, wordt het weer gezien als iets wat vanuit de toren van OCW wordt georganiseerd. En dat moet je voor alles voorkomen. Ik zie ook heel veel hoopvolle initiatieven. Ik zie het lerarencollectief, ik zie het LerarenOntwikkelFonds, ik zie de beweging Leve het onderwijs!. Heel mooi. Ik zie eigenlijk de nieuwe minipolder van de 21ste eeuw ontstaan. Maar dat moet eerst duidelijk uitkristalliseren. Daar moet eigenaarschap komen. Het moet duidelijk zijn dat het levensvatbaar is. En dan zou je kunnen kijken welk mandaat daarbij hoort. En als je dan ziet dat er in die minipolder voor de onderwijssector een mandaat ontstaat, zou je wellicht kunnen gaan faciliteren. Maar je moet daar niet te snel mee beginnen en het hoeft ook niet duur te zijn, wat mij betreft

De heer Van Meenen (D66):

Als dit een succes moet worden — en mag worden, dat hopen we, denk ik, met zijn allen — ben ik het weer eens met de heer Bruins dat we er inhoudelijk van weg moeten blijven, dat we geen wetten moeten maken die dat allemaal verplichten. Die lessen kunnen we allemaal leren uit de recente geschiedenis. De heer Bruins heeft het over de beginfase en zegt dat je het daar niet moet doen. Maar misschien moet het juist wel doen in de beginfase en later niet. Mag ik mijn vraag zo samenvatten, dat de heer Bruins niet uitsluit dat we toe zouden kunnen gaan naar enige, met name financiële, ondersteuning vanuit de overheid?

De heer Bruins (ChristenUnie):

Als ik het begin van de Onderwijscoöperatie zie, zie ik dat die eigenlijk ook bedoeld was als een kickstart van de overheid: we geven het even een duw, want na vijftien of twintig jaar praten lukt het de sector zelf niet om dit te starten. Die kickstart is een moloch geworden die zo'n 7,5 miljoen euro per jaar ging kosten. Dat heeft een heel andere dynamiek gekregen, en dat moet niet meer gebeuren. Ik sta positief tegenover de gedachte dat je het mogelijk maakt, dat je het niet in de weg legt. Je zou je dan ook nog kunnen afvragen of je er iets van geld aan wilt besteden. Maar ik wil echt dat we vele malen voorzichtiger zijn dan twaalf jaar geleden.

De heer Van Meenen (D66):

Dan zijn we het eens.

De voorzitter:

Heel goed. Dan gaan we luisteren naar de heer Rog van de fractie van het CDA.

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. Martin Sommer heeft het in een alleraardigst boekje, De kleine Tocqueville, over het Frankrijk van 1848, waarin Tocqueville beschrijft hoe buiten het oproer kraait en binnen de volksvertegenwoordigers al hun vernuft aanspreken om te bedenken waarover ze het nu weer eens met elkaar oneens zouden kunnen zijn. Dat was een beetje het beeld dat bij mij bovenkwam toen ik zag dat we vanavond over de Onderwijscoöperatie gingen spreken. Wat zegt ik? Over de toekomst van de Onderwijscoöperatie, die inmiddels al meer dan een jaar, of in elk geval geruime tijd, in de ijskast staat. En dat is maar goed ook. Ik heb samen met de heer Van Meenen van D66 een motie ingediend om dat bestuur nu daadwerkelijk over te dragen aan de beroepsgroep leraren. Uiteindelijk is de zaak geïmplodeerd, en dat is misschien maar goed ook.

Ik wilde mijn bijdrage eigenlijk beperken met een oproep aan de minister dat zijn voorzichtige houding in de brief gesteund wordt door het CDA: terughoudend zijn om zelf stappen te zetten en wat mij betreft geen nieuwe staatsbeweging van leraren. Let daarvoor op. En ik zou ook zeggen: wees voorzichtig om nu één nieuw initiatief met toevallig een paar leraren die op dit moment hip zijn onmiddellijk te gaan subsidiëren. We hebben ook vakverenigingen die het uitstekend doen en rond hun vak leraren vertegenwoordigen. We hebben Beter Onderwijs Nederland, dat geheel zonder subsidie een bijdrage levert en leraren weet te vertegenwoordigen. We hebben de Werk- en Steungroep Kleuteronderwijs — ik kan het niet nalaten hen weer te noemen — die de kleuterleerkrachten een daadwerkelijke stem geeft en hen rond het beroep van kleuterleerkracht vertegenwoordigt. Zo hebben we ook de BAB, de beroepsgroep van academische basisschoolleraren: nul subsidie. Allemaal nul subsidie, en wat een mooi werk leveren deze mensen! Je hebt de beroepsgroep van mbo-docenten, en zo verder, enzovoorts.

Ik vind het dus van belang dat we niet als Staat, als overheid gaan regelen wie dat straks moet gaan doen. Ik hoop dat de minister, als hij hier iets mee wil, straks op een heel goede manier en met een eerlijke verdeling van middelen al die verschillende initiatieven een kans geeft.

Ik heb één vraag en die betreft het LerarenOntwikkelFonds. We hebben daarover een motie ingediend en die is aangehouden. Er was geen geld over om extra middelen naar dat LerarenOntwikkelFonds te doen. Is dat er inmiddels wel? Of moeten we dat bij de volgende begrotingsbehandeling bij amendement regelen?

De voorzitter:

Dank u wel. Nog een korte vraag van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Een verduidelijkende vraag. We hebben het rapport van de heer Rinnooy Kan gekregen, waarin ook een aantal aanbevelingen worden gedaan. Hoe ziet de heer Rog van het CDA dat rapport?

De heer Rog (CDA):

Eh, rapport? Dat eh, die eh ... ja.

De voorzitter:

Goed antwoord!

De heer Rog (CDA):

Dat heb ik ook gelezen. Ik heb subtiel, maar volgens mij duidelijk gebracht dat ik de andere insteek, waar de minister voor kiest, zeer ondersteun. Rinnooy Kan zegt eigenlijk: we moeten dat gaan aanjagen en optuigen. Ik ben het daarmee oneens. Ik heb het alleen een beetje vriendelijk gezegd, namelijk dat ik het eens ben met de minister, maar dat betekent dat ik het oneens ben met de auteur van dat rapportje.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik heb nog een vraag hierover. Stel nou dat het Lerarencollectief boven de 10.000 steunbetuigingen komt. Vindt de heer Rog dan dat de minister eens zou kunnen kijken of dit een nieuwe beroepsgroep van, voor en door de leraar kan worden?

De heer Rog (CDA):

Daar heb ik ook wat over gezegd. Het Lerarencollectief zelf heeft de ambitie om 10.000 ondersteuningshandtekeningen te krijgen of hoe ze dat willen organiseren. Dat is hartstikke mooi; dat gun ik ze van harte. En ik zeg tegen de minister: minister, hartstikke leuk als een behoorlijk deel van de beroepsgroep zich hierdoor vertegenwoordigd voelt. Maar er zijn al jarenlang ook andere verenigingen die echt bezig zijn rond hun vak dan wel hun ideologische inslag of hun deelberoep. Ik heb ze allemaal genoemd: het vmbo, de kleuters en de academische basisschoolleerkrachten. Ik wil dan wel een gelijk speelveld. Dat is mijn oproep of waarschuwing, hoe je het wilt zeggen. Ik geef aan dat we voorzichtig moeten zijn om nu één club ineens als dé staatsclub te zien die de gesprekspartner mag zijn van deze minister.

De voorzitter:

Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Rudmer Heerema van de fractie van de VVD.

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Voorzitter. Het lerarenregister staat in de ijskast, de Onderwijscoöperatie is ontmanteld en het ministerie staat op dit moment op afstand. Ik denk dat dat heel verstandig is. Die voorzichtige houding zoals collega Rog die al noemde, waardeer ik ook.

Het werkveld is op dit moment druk op zoek naar welke vorming van een professionele beroepsgroep ze zelf kunnen ondersteunen. Ik vind het ook logisch dat een beroepsgroep die zoveel leraren omvat op enig moment probeert zich te verenigen en zich te laten vertegenwoordigen.

Het is wel belangrijk dat het van, voor en door is. Dat hebben we ook opgenomen in het regeerakkoord. Dat was de Onderwijscoöperatie niet. Laten we nou zorgen dat als er mooie initiatieven vanuit de groep zelf komen, we die een kans geven. Het Lerarencollectief zou er zeker één kunnen zijn. Als dat groot genoeg wordt, ben ik benieuwd hoe de minister daar dan mee omgaat.

Ik heb weinig zin om goede vragen die reeds gesteld zijn te herhalen. Daar ben ik nooit zo van. Ik ben benieuwd hoe de minister antwoordt op vragen die door collega's gesteld zijn.

Mijn advies voor de minister is in ieder geval: balanceer vooral tussen de afstand die het ministerie kan houden en wat zich op dit moment ontwikkelt in het veld zelf. Dan heeft het volgens mij de meeste kans van slagen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Heel goed. Daar hoeven we niet lang op te wachten, want de minister gaat meteen het woord nemen. Het woord is aan hem.

Minister Slob:

Dank u wel, voorzitter. Ik dank de Kamer voor de inbreng bij een debat waarvan de titel ook bij mij enige verwarring veroorzaakte. Dat was overigens maar heel kort, want je verbaast je in deze wereld natuurlijk helemaal nergens over. "Toekomst van de OC" was in het licht van de gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden wel een bijzondere titel, maar ik weet wanneer dit debat is aangevraagd, dus dat verklaart het. De OC is opgeheven, het bureau is leeg, taken zijn afgestoten of overgedragen, met name aan het CAOP, en de meeste medewerkers — ik kom daar straks nog even op terug — hebben elders een baan gevonden.

Toch is het wel goed om met elkaar dit debat te hebben. Er is inderdaad veel geld in gestoken in de afgelopen jaren, overigens voor een breed aantal taken, waarvan een deel heel veel waardering heeft gehad. Het is dus niet allemaal weggegooid geld geweest. Overigens was het geld waar ieder jaar verantwoording over afgelegd is, ook aan de Kamer. De Kamer heeft ook steeds weer moeten instemmen met het beschikbaar stellen van nieuwe budgetten voor nieuwe kalenderjaren. Maar het is goed om toch even terug te kijken — ik heb daar onderzoek naar laten doen — welke lessen we hieruit trekken, want hier moeten we wel iets van leren. Daarnaast zijn er weer nieuwe ontwikkelingen, onder andere de beroepsgroepvorming, die ook weer vragen oproepen. Daar zal ik op ingaan.

Ik doe dat in vier blokjes. Het eerste blokje is een korte terugblik en vragen die daarover zijn gesteld. Het tweede blokje is: welke lessen trekken we? Het derde blokje is de beroepsgroepvorming. Het laatste blokje zijn de vragen die over het lerarenregister zijn gesteld. Ik ga hier niet weer een heel debat voeren over het lerarentekort en alles daaromheen. Mevrouw Van den Hul zou dat wel heel graag willen, maar volgens mij zijn daar ook andere momenten voor. Ik concentreer me even heel sec op de OC en alles wat daarmee samenhangt.

Allereerst de terugblik. U heeft ook al schriftelijk vragen gesteld over de rapporten en de vele brieven die in de anderhalf jaar dat ik over dit onderwerp mag debatteren naar u toe zijn gestuurd. Daar zit een heel interessante tijdlijn in, waar u ook om gevraagd heeft. Je ziet inderdaad dat we de embryonale fase, om het zo maar te noemen, van de OC vinden in het actieplan LeerKracht van november 2007. De heer Bruins refereerde daaraan. We zien dat bij het slot, het einde van de OC, de uitvaart, de motie-Van Meenen/Rog een duidelijke rol heeft gespeeld. Ik geloof zelfs dat de heer Rog in een andere functie ook nog bij de embryonale fase betrokken is geweest, dus hij heeft zowel het begin als het sluitstuk in verschillende functies meegemaakt.

Laten we terugkijken naar wat er in al die jaren is gebeurd. Er zijn allerlei discussies geweest, met name over betrokkenheid en draagvlak. Die hebben geleid tot wat wijzigingen, onder andere dat het lerarenparlement, dat we eerst deelnemersvergadering noemden, er is gekomen. Dat riep ook weer allerlei vragen op, waar het ging om het draagvlak daarvoor. Ik denk dat we wel kunnen stellen dat de verwachting die er was — dat was een oprechte verwachting en ook een oprechte wens — dat er een onbetwiste beroepsorganisatie zou gaan ontstaan van leraren gewoon niet is waargemaakt, ondanks het feit dat er vanaf het begin aansluiting is gezocht is bij de vijf onderwijsbonden en de vakvereniging. Zij hebben het bestuur van de OC gevormd en zij vertegenwoordigen, als we gewoon even getalsmatig denken, via hun achterbannen meer dan de helft van de docenten. Toch is die vertegenwoordiging op die manier niet ervaren, dat het van, voor en door was.

De discussie over draagvlak is al die jaren door blijven klinken en heeft dus uiteindelijk geleid tot de motie die vorig jaar maart door de heer Van Meenen en de heer Rog is ingediend. Het was niet uw doel om de OC op te heffen, althans dat stond niet in de motie en dat heeft u ook niet op die manier verwoord, maar het bestuur van de OC heeft uiteindelijk zijn conclusies getrokken en heeft toen een deel van zijn taak teruggelegd. Ik heb toen gezegd dat het dan wat mij betreft gewoon in zijn geheel klaar was. Het is één geheel en we gaan niet een deel teruggeven. Dan is het alles en dan moeten we gaan kijken hoe we dit op een andere manier kunnen organiseren.

Ik heb net al gezegd dat het bureau leeg is. De mensen zijn allemaal overwegend aan het werk. Een aantal kon mee naar het CAOP, zeg maar van werk naar werk. Van de veertien medewerkers waren dat er zes. Vier hebben ergens anders een nieuwe baan gevonden en twee medewerkers zijn door omstandigheden, onder ander ziekte en zwangerschapsverlof, nog niet aan een andere functie of het solliciteren daarnaar toegekomen. De verwachting is — u weet hoe de arbeidsmarkt op dit moment is in de onderwijssector — dat ook zij wel weer ergens een plek zullen gaan vinden. Dat is wel heel fijn, want deze mensen verdienen natuurlijk ook gewoon dat we dit op een ordentelijke manier doen.

Ik zei dat het bureau leeg was en dat de mensen nu op andere plekken terecht zijn gekomen, maar de afwikkeling is nog niet helemaal klaar. We zijn nog in afwachting van de financiële afwikkeling. Daar horen dus ook vragen bij over hoe men in financiële zin is omgegaan met de mensen die diensten hebben verricht voor de OC. Conform de regels en termijnen die gelden voor gesubsidieerde instellingen kunnen we in mei het jaarverslag plus een bestuursverslag ontvangen. Dan kunnen we de balans definitief opmaken, inclusief de vraag of er nog geld over is na de afwikkeling van het geheel. Ik heb al aangegeven dat we als dat moment er is met elkaar zullen bepalen wat een goed doel voor dat geld zou zijn. Ik weet dat er vanuit de Kamer is aangegeven dat zij denkt aan het LOF. Dat verdient lof, want dat was een bloem in het veld van de OC. Dat hebben we nu ergens anders geplaatst. Het CAOP heeft zich er al over ontfermd. Het LOF is in elk geval een doel waar de Kamer aan denkt waar het gaat om eventuele middelen die over zijn. Dat weten we dus nog niet. Daar kom ik in de richting van de Kamer op terug op het moment dat we die duidelijkheid wel hebben. We hebben sowieso afgesproken dat we in het najaar nog verder zullen spreken over de toekomst van het LOF. Ik ken de opvattingen van de Kamer daarover, dus dat zou een mooi debat kunnen worden.

Voorzitter. Dan het rapport. Er wordt nu gedaan alsof het een schoffering zou zijn omdat deze minister dat rapport niet heeft gehad. Er zijn beelden ontstaan rond dat rapport alsof dat te maken zou hebben gehad met een evaluatie. Dat is niet waar. Er was een vacature voor een directeur ontstaan. De kwartiermaker is ook gewoon betaald uit de subsidiemiddelen die voor 2018 ter beschikking stonden. We zullen daar straks de verantwoording van krijgen. Dan kunnen we het nog wat preciezer zien. Die kwartiermaker is een rapport gaan maken rond de vraag: hoe moeten wij nou naar de toekomst verder met de OC? Toen het moment daar was dat de OC op zou houden te bestaan, had ik ook geen behoefte meer om naar dat rapport te vragen; ik zeg het in alle openheid. Dat rapport had voor mij geen enkele waarde meer, want dat ging over de toekomst: "Waar moet het met de OC heen? Hoe moeten we dat gaan doen? Moeten we de bestuursstructuren misschien iets anders gaan regelen?" Ik heb daar geen behoefte gehad.

Ik begrijp de Kamer ook, maar ik heb het niet als een schoffering gezien dat ik dat rapport niet op mijn bureau heb gekregen. Ik heb daar ook niet om gevraagd, maar ik hoor van de Kamer dat zij dat rapport heel graag wil zien. Degene die nu bezig is om de laatste afwikkeling van de OC te organiseren, heet in het jargon de "vereffenaar", wat ik trouwens wel een mooi woord vind. Ik zal de wens van de Kamer om dat rapport te zien — daar heb ik geen motie voor nodig — aan hem doorgeven. Ik geloof dat het een hem is, misschien is het een haar; dat doet er ook niet toe. Dan is het wel aan hen om te bepalen of ze dat rapport al dan niet willen geven. Dat heeft weer te maken met de rechtelijke status van zo'n organisatie. Maar ik zal die wens doorgeven en u rapporteren, hopelijk met een rapport erbij, over de uitkomst daarvan.

De heer Kwint (SP):

Dat is mooi. Dan kunnen we daar eventueel nog verder over praten, mochten we daar behoefte aan hebben. Wat ik alleen niet zo goed begrijp is het volgende. Wij hebben een hele tijdlijn gemaakt. Wij hebben een evaluatie gemaakt, een terugblik op de Onderwijscoöperatie. Er ligt een nieuw rapport over leraren. Ik snap niet zo goed waarom de minister zo snel zei: dit was zo OC-gerelateerd, daar had ik helemaal geen behoefte meer aan toen bleek dat de organisatie wordt opgeheven. Op het moment dat iets fout dreigt te gaan en iemand wordt aangesteld om daar verbeteringen in aan te brengen, dan is het toch helemaal niet zo gek om te denken dat de lessen die daaruit getrokken worden, voor ons allemaal heel nuttig kunnen zijn?

Minister Slob:

De kwartiermaker is aan het werk gezet op het moment dat men nog in de veronderstelling leefde dat men bij wijze van spreken nog jaren door zou kunnen gaan, al was er discussie over de OC, het bestuur en het draagvlak ervoor. Die mensen hebben overigens naar eer en geweten hun werk gedaan en hebben hun nek uitgestoken. Ook voor hen is het niet fijn dat het uiteindelijk zo afgelopen is, maar dat is uiteindelijk wel een gegeven geworden, ook een politiek gegeven. In dat bureau zijn plannen gemaakt voor de toekomst en de Kamer is met een interventie gekomen door middel van een motie-Van Meenen/Rog, die een ruime meerderheid heeft gekregen. Ik heb de motie ontraden, maar ik heb uiteindelijk zelf op basis van de uitkomsten daarvan gezegd: oké, maar dan gaan we het ook echt over een andere boeg gooien. Dus na alles wat er in zo'n bureau allemaal aan rapporten is gemaakt over de toekomst — natuurlijk ga ik ervan uit dat alles netjes zal worden opgeslagen in het archief, conform de termijnen die daarvoor gelden — had ik daar geen behoefte meer aan, had ik dat niet meer nodig, want wij gingen een hele andere lijn in. Vandaar dat ik het niet heb opgevraagd. Maar nogmaals, als de Kamer het wil, dan bedien ik haar. U was degene die zich daar heel erg druk om maakte en zorgen over maakte. Ik hoop dus dat ik u straks kan bedienen met een rapport. Ik zal dat verzoek in ieder geval doorgeven.

De heer Kwint (SP):

Sowieso dank daarvoor. Dat is mooi. Na het besluit van de OC om ermee op te houden, hebben wij best een intensief traject ingezet van terugblikken, evaluaties, een nieuw rapport en feitelijke vragen. Ik snap nog steeds niet zo goed waarom de minister zo'n rapport, waar ontegenzeglijk dingen in komen te staan over de manier waarop de beroepsgroep is georganiseerd — althans, daar ga ik van uit, aangezien het meest voor de hand liggende kritiekpunt vooral het draagvlak was — zo gemakkelijk terzijde schuift. Maar goed, laten we het daarover hebben op het moment dat wij, hopelijk, dat rapport alsnog krijgen.

Minister Slob:

De heer Kwint moet wel even in acht nemen dat ik iets anders heb gedaan. Ik heb niet gezegd: ik hoef helemaal niks te weten; oké, vervelend, we kijken even over de schouder en dan vol gas weer verder; vervelend dat het zo gegaan is, maar we gaan nu wat anders doen. Nee, ik heb twee dingen gedaan. Allereerst heb ik onafhankelijk een evaluatie laten doen, omdat er signalen waren dat er ook financieel iets niet in orde was. Dat heb ik open aan u gemeld. U kent mij: ik probeer u zo maximaal mogelijk informatie te verschaffen. Daar hebben we vandaag ook nog over gesproken. Ik heb de ADR toen, onafhankelijk, gevraagd om dat rapport te maken. Dat rapport heeft u gekregen, en daar kom ik straks even op terug. Daar zitten een aantal lessen in, waar we echt van kunnen leren en die wij ons ook ter harte moeten nemen, ook als het gaat om hoe we geld, publieke middelen, inzetten.

Het tweede wat ik gedaan heb is Rinnooy Kan, ook op basis van zijn eerdere expertise, te vragen ook naar de toekomst toe advies te geven. Ik heb dat rapport niet in alles opgevolgd, maar ik vind het een zeer waardevol rapport, want het heeft denk ik heel goed blootgelegd waarom het misschien ook gewoon niet goed gaat op de manier waarop we dat in de afgelopen jaren hebben gedaan. Kortom, deze twee rapporten — u kent ze — zijn voor mij de basis geweest om te kijken hoe we nu verder moeten handelen. Ik had in ieder geval geen behoefte aan een rapport dat van binnenuit komt, van een organisatie waar we al van hebben gezegd: we zijn er klaar mee, we stoppen ermee. Maar wie weet, levert het nog interessante inzichten op. Ik verwacht dat overigens niet. Maar we zullen het zien.

Voorzitter. Dat is gelijk het bruggetje naar mijn tweede onderdeel: de lessen die we moeten trekken. Allereerst in het kader van dat ADR-rapport de vraag hoe wij we met subsidies omgaan, ook als die naar privaat georganiseerde partijen gaan. Het is duidelijk geworden dat het toezicht op het financiële beheer niet zo transparant is. Dat wil niet zeggen dat daar geld over de balk is gegooid. Men heeft zich altijd moeten verantwoorden, accountants hebben ernaar gekeken, noem maar op. De scope van de opdrachtgever, die zegt wat er gedaan moet worden, is dat er meer transparantie moet zijn. Er moet een duidelijkere toezichtsvisie zijn en een duidelijker toezichtsarrangement; ook moet het financieel toezicht veel risicogerichter worden ingericht. U kunt dat allemaal terugvinden op pagina 14 van het rapport van de ADR. Dat zijn adviezen die wij nu aan het oppakken zijn. Want als er nieuwe subsidierelaties zouden gaan komen, ook bij dit soort onderwerpen, moet dat wat ons betreft echt anders.

De tweede les is dat het eigenaarschap van leraren cruciaal is. Daar is het rapport van de heer Rinnooy Kan, die ik er zeer erkentelijk voor ben dat hij dit werk heeft gedaan, heel erg belangrijk voor geweest. Op het moment dat dat eigenaarschap niet gevoeld en ervaren wordt — misschien wel in aantallen, gelet op de bonden en de achterbannen daarvan en de vakvereniging, maar als men in alles toch het gevoel heeft dat het toch weer van bovenaf komt — en men denkt: daar zit weer een overheid boven die aan het sturen is en die er een belang bij heeft en die ons misschien ... Nou, vult u maar in wat we allemaal niet gehoord hebben in de afgelopen jaren, maar dan is het eigenlijk kansloos. De docenten, de leraren, moeten zich eigenaar voelen van die beroepsgroeporganisatie. Alleen dan kan er sprake zijn van een representatieve organisatie die met recht namens de leraren in Nederland kan spreken. Daar kijken we wel naar uit. Ondanks het feit dat er heel veel groepjes zijn rond deelonderwerpen, bestaat er niet echt zo'n organisatie, die we in andere beroepsgroepen — soms ontstaan ze moeizaam — wel zien. Maar goed, dat eigenaarschap is cruciaal.

In het verlengde daarvan is een derde les te trekken. Als je graag wilt dat er dan toch zo'n beroepsgroepvorming plaatsvindt, moet de overheid ook echt afstand houden. Ik zeg het maar even wat beeldend: op het moment dat de vingerafdrukken van de overheid erop komen te zitten in de fase dat men bezig is met de vorming, ben je gewoon al klaar. Dan gaat het gewoon niet lukken. De heer Rinnooy Kan ging in de aanbevelingen van zijn belangrijke rapport toch nog net iets verder. Hij zei: zorg voor een plan van aanpak. Dat was in ieder geval iets wat we moesten doen. We moesten er eventueel ook voor zorgen dat er vanuit verschillende groepen mensen aangewezen werden die daar het voortouw in konden gaan nemen, een soort verkenners. Maar dan gaan wij ze weer aanwijzen. Op dat onderdeel heb ik dus inderdaad gezegd dat ik denk dat het beter is om dat niet te doen, ook kijkend naar de lessen die we toch moeten leren. Dat is in ieder geval een les die ik heb geleerd uit de manier waarop dat in de afgelopen jaren is gegaan. Ik heb er niet zo veel zin in om dat nu wel op die manier te gaan doen. Dan staan we over een paar jaar misschien weer een OC 2.0 ten grave te dragen of iets dergelijks. Ik denk dat we dat echt moeten willen voorkomen.

Voorzitter. Dat is mijn bruggetje naar het derde onderwerp, de beroepsgroepvorming. Hoe ziet de minister dit, vroeg mevrouw Westerveld heel erg duidelijk aan mij. Ik volg het natuurlijk met interesse, maar ik vind inderdaad dat ik nu gewoon even op afstand moet blijven en de beroepsgroep zelf even na moet laten denken en initiatieven moet laten nemen die ook echt vanuit henzelf komen. Dan ben je ook intrinsiek gemotiveerd om het te doen. De vraag is dan natuurlijk: hoe lang gaat u dan wachten? Die vraag heb ik mezelf natuurlijk ook gesteld toen ik de keuze maakte om het zo te doen. Ik dacht: ik weet het niet; misschien moet ik een jaar wachten of ... Ik dacht: we gaan het zien; laat ik mezelf daar eventjes niet te veel mee belasten, ook als het gaat om termijnen. Ik moet zeggen dat ik aangenaam verrast ben door de bewegingen die inmiddels zijn ontstaan. De BVMBO is bijvoorbeeld een beweging die er al was, maar die zich ook daadwerkelijk heeft gemeld en heeft gezegd: wij zouden wel wat willen. De leraren uit de LerarenKamer hebben ook gezegd: wij zouden wel iets willen. Dat zijn ook wel mensen met naam. Die hebben zich laten zien als leraren pur sang, met hart voor onderwijs en ook voor het vertegenwoordigen en uitdragen van hun vak.

U bent niet meer begonnen over het Lerarenparlement. Ik doe dat heel kort nog even. Ik vond het best wel heel moeilijk om daarvan te zeggen: sorry, maar als ik het van onderaf laat komen, kan ik de subsidie aan hen niet door laten gaan. Wij hebben hun dus een hele vervelende boodschap moeten overbrengen, namelijk dat de subsidie per 1 januari van dit kalenderjaar ging stoppen. We hadden nog wel een aantal lopende verplichtingen met hen. Ze hadden tot de zomer nog de taakuren — zo noem ik het maar even ouderwets — voor dit werk. Daar zijn we niet aan gekomen. Een enkeling heeft dat trouwens teruggegeven. Maar die leraren komen wel nog steeds bij elkaar. Die zijn er nog gewoon. Ook zij hebben misschien ambities; dat weet ik niet. Dat zullen we afwachten. Maar ze zijn er nog wel. Ik vind het ook wel heel gaaf om te zien dat ze elkaar nog vasthouden en met elkaar in gesprek gaan en over de toekomst nadenken, want er zaten hele begeesterde mensen tussen. We moesten ze gewoon teleurstellen. Dat kon niet anders. Maar ze gingen er wel vol voor.

Het lerarencollectief is door een aantal van u genoemd. Het gaat om ons niet onbekende namen, zeg ik er ook gelijk bij. Ik heb er veel respect voor dat ze op die manier hun nek durven uit te steken. Want ik zeg niet dat het makkelijk is om docenten achter je te krijgen om de arbeidsvoorwaarden beter te krijgen en de salarissen te verhogen, want dat is het niet, maar dit is toch nog even een ander hoofdstuk. Het is een stukje ingewikkelder om daar ook echt een brede vertegenwoordiging van te maken, maar ze zijn er wel mee bezig. Ik volg het met interesse. Via sociale media houden ze ons op de hoogte van het draagvlak en de steun die ze nu hebben, dus ik zie ook dat die aantallen aan het groeien zijn. Ze hebben voor zichzelf een soort limiet gesteld: als we op 10.000 zitten, dan is het echt serieus en dan gaan we een volgende stap zetten. Dat wacht ik gewoon eventjes af.

Laat ik er nog één noemen. De bonden zelf zeggen natuurlijk: wij vertegenwoordigen ook de leraren, en niet alleen als het om arbeidsvoorwaarden gaat; wij doen ook nog andere dingen voor ze. Dat is inderdaad waar. Zij waren verbonden aan de OC, en dat is niet gelukt, maar ze zijn natuurlijk nog steeds gewoon in volle rechte vertegenwoordigers van de leraren. Er zijn dus allerlei nieuwe bloemen die opschieten, en er zijn bloemen die soms al heel lang bloeien en nog steeds hun kleur behouden. Er is van alles gaande. Ik wacht het nu even af. Men zal zich op een bepaald moment misschien wel melden. Dan zullen we in alle wijsheid moeten kijken op welke wijze we daar mogelijkerwijs ondersteuning aan gaan geven. Ik sluit dat ook niet uit, zo zeg ik in alle openheid tegen de Kamer, maar ik zeg ook niets toe. De heer Van Meenen vroeg er heel direct naar. Uiteindelijk moeten we met elkaar het gevoel hebben dat het iets gaat worden. Ik zal de Kamer erbij betrekken als er nieuwe stappen gezet worden. We moeten met elkaar tot de conclusie komen dat dit eindelijk iets is waar we vertrouwen in hebben, waar het draagvlak en het eigenaarschap zo gevoeld worden dat we met vertrouwen kunnen zeggen dat het echt wat gaat worden.

Tegen mevrouw Westerveld zeg ik nog dat er inderdaad een veelheid aan partijen in het onderwijsveld is. Er waren er nu wel twee verdwenen, in ieder geval die gesubsidieerd werden: de OC en het Lerarenparlement dat nog wel bestaat, maar niet meer als gesubsidieerde partij. Dat gebeurt natuurlijk weleens vaker: er verdwijnt weer wat en er kan ook wel weer eens wat bijkomen.

Je zult het wel heel scherp met elkaar erover moeten hebben wat hun positie is, als het echt iets gaat worden. Maar dat ga ik ook allemaal niet van bovenaf opleggen, want dan komen die vingerafdrukken van mij er weer op te zitten en dan weet u wat er gaat gebeuren. Dat wil ik gewoon niet. Ik zou het zo fijn vinden als er echt iets heel breeds vanuit de basis tot stand gaat komen, omdat ik wel denk dat het een toegevoegde waarde kan hebben. De tijd zal het leren. Hoelang het zal duren, hebben we niet zelf in de hand. Ik heb de afgelopen paar maanden al wel een paar dingen gezien die heel mooi en verrassend zijn. Het is fijn dat dit nu al zo snel in beweging komt.

De heer Rog (CDA):

De minister wil kijken of er iets breeds komt. Ik heb zelf eventjes de schijnwerper gezet op iets wat smal is: beroepsverenigingen van kleuterleerkrachten, academische leerkrachten, mbo-leerkrachten. Die zijn er allemaal al en die zijn echt van onderop ontstaan. Die hebben helemaal geen overheid nodig gehad die heeft gezegd: ik ben benieuwd of ze zich gaan organiseren. Die hebben dat zelf gedaan omdat ze daar zelf behoefte aan hebben. Zij willen ook gesprekspartner zijn. Wil de minister rekening houden met een gelijk speelveld voor dit soort echte verenigingen die echt van onderop zijn gekomen?

Minister Slob:

Die zijn er inderdaad. Dat is een realiteit waarmee we te maken hebben. U voelt wel aan dat men bij een aantal initiatieven echt probeert om zowel po als vo in de breedte aan elkaar te verbinden. Dat is natuurlijk heel erg krachtig. In zijn rapport heeft de heer Rinnooy Kan aangegeven dat het ook via deelterreinen zou kunnen; dan groeit het misschien vanzelf tot een groter geheel. Laten we gewoon eens even afwachten wat er gebeurt en hoe deze organisaties zich manifesteren als het gaat om beroepsgroepsvorming en als ze de stem willen zijn van docenten en leerkrachten, ook richting de overheid en andere partijen waarmee over onderwijs gesproken moet worden.

De heer Rog (CDA):

Mijn punt is alleen dat de minister nu heel erg lijkt te focussen op "we moeten een gesprekspartner hebben". Ik denk dat de beroepsgroep zichzelf organiseert, van alles vindt en gesprekspartner wil zijn. Ik zou denken: laat deze verschillende verenigingen die een specifieke doelgroep hebben, gesprekspartner zijn. Als er een andere groep is en als de minister deze met steun van de Kamer zou willen subsidiëren, dan zou ik zeggen: laat er ook een gelijk speelveld zijn voor die smallere groepen die in dat zo geroemde rapport van Rinnooy Kan werden genoemd als mogelijk ook waardevol.

Minister Slob:

Ik neem op dit moment gewoon even kennis van deze opvatting. Het is inderdaad een opvatting die je ook kunt hebben over het geheel. Ik heb al aangegeven dat ik de Kamer erbij zal betrekken als er vervolgstappen gezet gaan worden. Dan kunnen we het debat misschien wat gerichter voeren, omdat er dan mogelijkerwijs ook een voorstel ligt.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik zei in mijn bijdrage hoeveel verschillende organisaties we hebben in het onderwijs. Dat vind ik heel erg mooi. Ik ben zelf in het verleden actief geweest bij zowel een grote landelijke studentenorganisatie als bij de onderwijsvakbond. Het is heel mooi dat je op verschillende plekken ziet hoe er initiatieven van onderop ontstaan, hoe mensen zich op allerlei manieren verenigen in het onderwijs, zowel inhoudelijk alsook als het gaat om de arbeidsvoorwaarden. De reden dat ik de minister vroeg naar zijn mening is dat ik er behoefte aan heb dat er wat meer duiding komt over hoe de minister zo'n nieuwe beroepsgroep ziet, waar Rinnooy Kan in zijn advies naar verwijst. Ziet de minister dat als een nieuwe sparringspartner of zegt hij: nee, ik wacht het echt allemaal even af en we zien het wel als zij zich bij mij melden?

Minister Slob:

Dat laatste. Inderdaad. Ik wacht dat nu af. Ik wacht ook af wat de opvattingen van betrokkenen zelf zijn over wat hun focus en doel zou moeten zijn en de wijze waarop ze bij dingen betrokken zouden moeten worden. Als ik dat weer van bovenaf ga bepalen, dan ben ik het bij wijze van spreken aan het kapotmaken. Dat wil ik helemaal niet, want ik vind het fantastisch dat die beweging aan de basis nu op deze manier bezig is. Uiteraard vind ik ook dat je respectvol moet kijken naar andere partijen in het veld, die soms al sinds jaar en dag — ik heb inderdaad ook nog herinneringen aan u in bepaalde functies daarbij — opkomen voor het onderwijs. Als we kijken naar de OC en het feit dat die aan de vakbonden en vakorganisaties gelieerd was, waarbij we dachten dat we daarmee de verbinding met de docenten zouden maken, moeten we wel constateren dat dit door docenten nooit op die wijze is ervaren en het uiteindelijk ook heeft geleid tot de opheffing van de OC. Dat is wel een les die we moeten trekken. We zullen ook gericht moeten kijken of het echt als iets van henzelf wordt ervaren of dat ze het toch weer als verlengstuk van andere dingen zien, want dan weet u dat we weer risico's gaan lopen voor het vervolg.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Dat antwoord snap ik. Ik zou de minister wel willen vragen om goed in gesprek te blijven met zowel de nieuwe initiatieven als de bestaande organisaties om te kijken waar precies behoefte aan is en wat we voor elkaar kunnen betekenen. Ik bedoel daar niet mee dat de minister gaat bepalen hoe het veld zich moet organiseren, maar dat de minister wel in gesprek blijft met iedereen.

Minister Slob:

Ik wil altijd in gesprek met iedereen. Ik heb wel geconstateerd dat niet altijd iedereen met mij in gesprek wil, omdat men soms eisen heeft gesteld aan het in gesprek komen die ervoor zorgen dat we opeens op een bepaald moment mensen niet meer zien. Ik denk dan: ik zou best met ze willen overleggen, want ik heb heel veel dingen die belangrijk zijn op dit moment, maar ze zijn er niet, ze komen niet. Dan staan ze meestal op een veld te demonstreren, wat ook bij hun taak hoort, dus dat doen ze dan misschien heel erg goed. Ik hoor mevrouw Westerveld zeggen dat zij daar ook bij staat. Inderdaad, u staat erbij. Ik blijf uiteraard gewoon in gesprek waar dat kan, als mensen dat ook willen. Dat laatste is weleens ingewikkeld, heb ik gemerkt, maar dat schijnt ook bij mijn werk te horen.

De heer Kwint (SP):

De verleiding is ontzettend groot om daar nu een verhandeling over te houden.

Minister Slob:

Dat was uitlokking, ik geef het toe.

De heer Kwint (SP):

Geheel tegen mijn natuur zal ik dit een beetje laten gaan. Maar voor de geschiedschrijving van de Onderwijscoöperatie zeg ik: ja, het is fout gegaan. Het is niet genoeg van, voor en door de leraren geworden. Er wordt veel verwezen — dat is deels terecht — naar de partijen die daarbij betrokken waren, maar een minstens zo grote reden, in ieder geval in onze analyse, voor het uiteindelijk niet slagen van de Onderwijscoöperatie, is dat zij de verantwoordelijkheid had voor de uitvoering van een extreem impopulaire kabinetsmaatregel van het vorige kabinet: het lerarenregister. Hoe ziet de minister die relatie?

Minister Slob:

Dat is een heel mooi bruggetje naar mijn laatste onderdeel: het lerarenregister. Dat heeft inderdaad wat gedrukt op het uitvoeren van de werkzaamheden. Ik ben aangetreden als minister in een kabinet dat daarover heel duidelijke afspraken heeft gemaakt in het regeerakkoord, het bekende "van, voor en door". Als we het toch over vingerafdrukken hebben, dan kennen we er een paar bij dat onderwerp, ook wetende hoe de discussie in een vorige kabinetsperiode daarover gelopen is. Ik heb nog enige tijd de overtuiging, en in ieder geval ook de drive, gehad om te kijken of ik op basis van wat in de afgelopen jaren daarover was opgebouwd, langzaam maar zeker die transformatie naar "van, voor en door" zou kunnen volmaken met degenen die er op dat moment ook betrokkenheid bij hadden, onder andere het inmiddels oude OC-bestuur en de organisaties die daarachter zaten. We hebben uiteindelijk moeten constateren dat de OC geen levensvatbaarheid meer had. Ik ben uiteindelijk ook tot de conclusie gekomen dat als we dat kabinetsstandpunt van "van, voor en door" zouden doorzetten op de manier waarop we dat in het afgelopen jaar hebben geprobeerd — ik heb het geprobeerd en het ging tot maart vorig jaar goed — dat niet meer gaat lukken. Sorry, ik wees een bepaalde richting uit, maar dat was puur toevallig, denk ik. Een reflex. Ik heb dat spoor uiteindelijk losgelaten. U heeft dat in mijn laatste brief daarover kunnen lezen. Er is geen verplichting meer. We zijn niet zover gegaan als de SP misschien wel graag zou willen, samen met de SGP in ieder geval, om direct ook alles uit een wet te gaan schrappen.

De SP en de SGP willen ook het professionele statuut schrappen. Ik vind dat eerlijk gezegd onbegrijpelijk. Een professioneel statuut is voor docenten juist ontzettend belangrijk, omdat het hun bestuurders dwingt om afspraken met hen te maken over zaken die voor hun vak belangrijk zijn. Dat is iets onbegrijpelijks in dat wetsvoorstel. Dat heb ik nog niet in handen gehad, maar ik weet dat dit daarin zit.

Waarom schrappen we het lerarenregister nog niet? Dat heeft de volgende reden. Er is geen verplichting. Ik zal in deze kabinetsperiode — laten we er even van uitgaan dat we er tot het eind zitten — geen enkel initiatief meer nemen met betrekking tot het lerarenregister. Er komt geen enkele verplichting van de kant van het kabinet. We laten wel de mogelijkheid open om op vrijwillige basis gebruik te maken van het lerarenregister. Dat is een keuze die uiteindelijk bij de docenten ligt. Zoals u weet, is er ook een verplichting bij de werkgever om een bekwaamheidsdossier van docenten bij te houden. Die komt uit een andere wet voort. Die verplichting ligt er.

Voorzitter. We hebben het nu als volgt bedacht. Ik vind dat eerlijk gezegd best een heel mooi en royaal gebaar naar de docenten toe. Zij mogen kiezen. Als zij ervoor kiezen om vrijwillig gebruik te maken van het portfolio van het lerarenregister, dan hebben ze dat in eigen hand en in eigen regie. Dan vervalt bij de werkgever de verplichting om het bekwaamheidsdossier bij te houden. Als men toch niet aan dat lerarenregister gelieerd wil zijn, respecteren wij die keuze, maar dan moet aan de andere kant wel door de werkgever een bekwaamheidsdossier worden bijgehouden. De docent geeft dat dan in handen van zijn bestuurder. Daar kan hij alle vertrouwen in hebben en dat mag ook. Dat is een keuze die docenten maken. Wij verplichten ze tot niets.

We hebben heel lang tegen de bestuurder gezegd dat hij verplicht is alle gegevens aan te reiken. Dat stond ook in de wet, maar die verplichting is vervallen. Hier geldt hetzelfde: als er geen gegevens zijn, wordt het voor docenten lastig om met een portfolio aan de slag te gaan. Dan vallen we terug op het bekwaamheidsdossier. Dat ligt dus in handen van de bestuurders. Als de gegevens wel zijn overgeleverd en docenten daar hun naam niet in willen hebben, kunnen ze zich laten uitschrijven. Dat is niet zo heel erg ingewikkeld. Ik zag op sociale media al linkjes rondgaan waarmee ze dat kunnen doen. Daar mogen ze gebruik van maken. Dat is aan hen en dat bepalen zij. Via lerarenportfolio.nl kunnen ze daarbij komen en kunnen ze zich uitschrijven.

De keuze tussen het zelf doen via het lerarenregister en het overlaten aan de werkgever via het bekwaamheidsdossier ligt bij docenten. Overleg met je werkgever heb je natuurlijk altijd. Dat is op dit moment de situatie, en wat mij betreft is dat voor deze hele kabinetsperiode de situatie.

De heer Van Meenen vroeg of we ze dan nog hebben lastiggevallen met allerlei brieven. Het klopt dat er begin januari een brief naar de besturen is gegaan met betrekking tot de gegevenslevering. Die brief heeft geen rekening gehouden met de wijzigingen die ik juist net daarvoor naar de Kamer had gestuurd. Heel vervelend. Ik werd daar natuurlijk ook op aangesproken: wat is dit voor brief? Ik had precies dezelfde vraag: wat is dit voor brief? Dat is een omissie geweest. Die is heel snel hersteld. Er zijn dus twee brieven naar de besturen gegaan over gegevenslevering. De eerste mocht in de versnipperaar. De andere gaf de actuele stand van zaken weer zoals ik die net heb verwoord.

De docenten die zich hebben aangemeld voor het lerarenregister hebben een soort welkomstbrief gekregen. Ik geloof niet dat u dat erg zult vinden. Zij hebben zich vrijwillig aangemeld en kregen netjes een brief. Dat zijn de brieven die gestuurd zijn. Wat mij betreft is er in de komende tijd geen enkele reden meer om over dit onderwerp brieven te gaan sturen.

Hoe gaat het dan in de toekomst? In deze kabinetsperiode doen we niets meer. Als er ooit een beroepsgroep gevormd is volgens het principe "van, voor, door", zou die zich daarover kunnen uitspreken. Die zou kunnen zeggen: als wij het in beheer hebben, kunnen we dat op een goede manier doen en willen we het graag zo houden. Het kan ook zijn dat die uiteindelijk zegt: haal het toch maar uit de wet. Wat voor smaken zijn er nog meer? Dat is allemaal toekomst. In deze kabinetsperiode zijn dit de afspraken.

Daar hoort nog één afspraak bij, zeg ik tot slot. Dat is dat we het belangrijk vinden dat bestuurders gericht met personeelsbeleid aan de slag gaan en dat ze nadrukkelijk werk maken van het creëren van ruimte voor hun docenten om hiermee bezig te zijn en hier regie over te hebben. We gaan dus via de deugdelijkheidseisen van de besturen wel vragen dat ze dat ook gewoon doen. Veel besturen zijn er ook mee bezig. Maar dat geeft de inspectie wel iets in handen om veel gerichter te kunnen optreden op het moment dat we merken dat besturen daar geen werk van maken. Ik weet dat u heel erg bent van de inzet van dat soort instrumenten op het moment dat er echt iets moet gaan gebeuren, dus daar gaan we ook mee aan het werk. Dat hoort bij het totale pakket van het lerarenregister.

De heer Kwint (SP):

Dan noem ik het belangrijkste voor ons. Stel: het lukt, en er komt bijvoorbeeld één grote vereniging van de beroepsgroep. Mag de beroepsgroep, die zichzelf gaat organiseren, op welke manier ze dat ook doen, zich er dan van verzekerd zijn dat niet vanuit OCW de vraag komt, of bijvoorbeeld de voorwaarde voor financiering op een bepaald moment: gaan jullie ook de uitvoering van het lerarenregister en de Wet beroep leraar voor jullie rekening nemen zoals de OC dat in het verleden deed?

Minister Slob:

In het regeerakkoord staat heel duidelijk dat de voorwaarde "van, voor en door" is. Dus dan zijn zij aan zet; dan kunnen zij bepalen wat ze willen. Ik ga dus ook niet voor hen spreken. Het enige wat ik kan doen, is de keuze maken die ik nu gemaakt heb om af te wijken van wat er in de vorige kabinetsperiode op dit punt aan beleid is ingezet, om niet het kind gelijk met het badwater weg te gooien. Ik vind het namelijk heel belangrijk dat docenten daar zelf ook keuzes in kunnen maken, maar dan op vrijwillige basis. En ze zijn tot niets verplicht. Ze hoeven ook helemaal niet ingeschreven te staan; ze kunnen hun naam er zo uit halen. Het is natuurlijk in één bestand van alle docenten overgedragen, wat overigens heel snel gegroeid is, ook in het mbo. Daar kreeg men toen door dat die verplichting van het bekwaamheidsdossier verviel als men zelf met het eigen portpolio aan de slag ging. Dat gaf opeens ook heel veel zuurstof om er ook wat positiever tegenaan te kijken. Maar dit zijn de wijzigingen die ik heb laten plaatsvinden. Wat er in de toekomst gaat gebeuren, zullen we zien, maar mij mag u hieraan houden, ook in de komende jaren.

Voorzitter. Dat waren de antwoorden op de vragen die gesteld zijn. Ik heb ze volgens mij allemaal successievelijk langsgelopen in de blokjes. Alleen zie ik de heer Kwint nog met zijn wenkbrauw fronsen, dus die heeft iets gemist.

De voorzitter:

Hij gaat even door met fronsen.

De heer Kwint (SP):

Dat is een van mijn specialiteiten. Het salaris van de kwartiermakers miste ik.

Minister Slob:

Daar heb ik iets over gezegd.

De heer Kwint (SP):

Dat was heel kort.

Minister Slob:

Daar heb ik over aangegeven dat het geld uitgegeven is binnen de subsidiebedragen die voor 2018 zijn verstrekt. Ik heb gezegd dat er ook een vacature was gevallen omdat er directeuren waren weggegaan. Dus in dat opzicht ga ik er dan van uit dat dat bedrag ook onder het subsidieplafond is gebleven. Maar de verantwoording daarover komt straks in mei. Dat zijn de termijnen voor gesubsidieerde instellingen. Dan weten we precies wat de stand van zaken is en daar komt een bestuursverslag bij. Dan weten we ook of er eventueel nog geld over is, enzovoort, enzovoort.

De heer Kwint (SP):

Dat deel had ik gehoord, maar ik had heel specifiek gevraagd naar de relatie met de WNT-norm voor het aantal gewerkte uren, het uitbetaalde salaris. Dat is niet voor niks. In schriftelijke vragen geeft de minister aan: de WNT-norm is niet overschreden omdat de opdracht geen jaar duurde, maar die was anders wel overschreden. Dat staat in die antwoorden.

Minister Slob:

Zeker.

De heer Kwint (SP):

Daarom wilde ik graag weten: de WNT-norm gaat toch over het aantal gewerkte uren? Die gaat toch niet over een heel jaarsalaris? Dus dan kan het antwoord toch nooit zijn: de WNT-norm zou overschreden zijn? Dan is het antwoord: de WNT-norm is wel of niet overschreden.

Minister Slob:

Voor de hele specifieke informatie over de verantwoording van de besteding van de middelen die voor 2018 naar de OC zijn gegaan, hebben we gewoon de uiteindelijke verantwoording nodig, die in mei definitief wordt opgeleverd. Dan kunnen we ook heel specifiek kijken naar wat daar heeft plaatsgevonden en waar het geld naartoe is gegaan. Er is geen extra geld door ons beschikbaar gesteld. Daar vroeg u ook nog naar. Dat is allemaal binnen het subsidiebedrag gebeurd, maar die verantwoording moet nog komen. Dan kunnen we ook specifieker gaan kijken naar het wel of niet overschrijden van de WNT. Wij kregen signalen dat men daar bovenuit zou steken. We hebben in ieder geval de melding teruggekregen dat dat niet het geval was, met de motivatie erbij waar u net aan refereerde. Maar het definitieve rapport met de definitieve verantwoording moet nog komen; dat hoop ik in mei te zien.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik stelde nog een aantal vragen over het subsidiebeleid van OCW. Ik vroeg de minister of we daar eens een overzicht van kunnen krijgen, omdat ik de indruk krijg dat een heel aantal van die bedragen historisch zo zijn gegroeid. Misschien is dat niet zo, maar ik zou graag eens wat meer duiding hebben.

Minister Slob:

Subsidies worden verstrekt, en wij maken in begrotingen duidelijk waar wij voor het jaar daarna geld naartoe willen laten gaan. Van de begrotingsbehandeling is ook het financiële aspect een onderdeel. We spreken daar soms iets minder over, omdat we het vaak heel erg over beleidsonderwerpen hebben. Daar verantwoorden we ons dus altijd voor. Ik heb aangegeven dat we op basis van het ADR-rapport wel een paar opdrachten hebben meegekregen met betrekking tot de richtlijnen eromheen, de eisen die we stellen en hoe we het toezicht inrichten. Die opdrachten zullen we ook ter harte nemen voor de toekomst. Maar een begrotingsbehandeling is ook ieder jaar weer een moment om met elkaar de vinger te leggen bij de bedragen die verstrekt worden en daar opheldering over te vragen. Dat kunt u altijd doen; u bent daar ook assertief genoeg voor. Bij de begrotingsbehandeling kunt u eventueel ook voorstellen doen aan de Kamer als het kabinet zegt bepaalde organisaties te willen subsidiëren en u wat anders wilt. Dat hoort gewoon bij een ordentelijke begrotingsbehandeling tussen Kamer en kabinet.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik heb daar toen bij de begroting ook een aantal vragen over gesteld aan uw collega-minister. Het gaat mij er vooral om dat we wat meer inzicht krijgen in de keuzes die worden gemaakt, omdat het heel moeilijk is om zo'n begroting goed te kunnen controleren, juist als het gaat om subsidies aan organisaties, als heel moeilijk te vinden is waarop die keuzes zijn gebaseerd.

Minister Slob:

We gaan natuurlijk nooit álle posten langs; in ieder geval vraagt de Kamer daar niet naar. Maar ik herinner me wel een aantal subsidiebedragen waarover we hier ook redelijk intensief gedebatteerd hebben. Denk bijvoorbeeld aan de lerarenbeurs en het overschot dat er was. Dat heeft uiteindelijk geleid tot een amendement van de Kamer dat een ruime meerderheid heeft gekregen, waardoor we daar een wat andere keuze in hebben gemaakt. Het staat u dus altijd vrij om daarover het debat aan te gaan. Misschien is dit dan alvast een voorschotje op de volgende begrotingsbehandeling, waarin dit mogelijkerwijs wat meer aandacht zou kunnen krijgen. Wij verantwoorden ons graag voor de keuzes die we dan in de begroting hebben gemaakt.

De voorzitter:

Prima. Ik kan me voorstellen dat de Kamer geen behoefte heeft aan een tweede termijn. De heer Van Meenen wel, zie ik. Het woord is aan hem.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter, dank. Het is goed dat we dit nog even goed met elkaar doorgenomen hebben. Ik kan me voorstellen dat u geen behoefte hebt aan een tweede termijn, maar ik wel; het spijt me.

Laat ik volstaan met het voorlezen van één motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het van belang is dat er een professionele en breed gedragen beroepsgroep van leraren wordt gevormd;

verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze het ministerie kan bijdragen aan de vorming van een beroepsgroep en verschillende scenario's uit te werken voor financiële ondersteuning, zoals via de lumpsum of een aparte subsidie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 362 (27923).

De heer Rudmer Heerema (VVD):

Ik heb even een vraag over het laatste stukje van het dictum, waarin gevraagd wordt om scenario's te beschrijven voor financiële ondersteuning. Ik vind dat D66 daar wel een hele grote stap vooruit neemt, want is die financiële ondersteuning wel nodig? Het is volgens mij juist goed dat de minister daar terughoudend in is op dit moment. Mijn vraag is dan ook of één van de scenario's ook kan zijn dat de minister zegt: we gaan er geen geld naartoe doen. Dat is volgens mij een heel belangrijk scenario.

De heer Van Meenen (D66):

Zeker.

De heer Bruins (ChristenUnie):

Een ezel stoot zich in het gemeen niet twee keer aan eenzelfde steen, en nou doet de heer Van Meenen het toch weer. De minister heeft in het debat zo duidelijk gewaarschuwd voor een Onderwijscoöperatie 2.0-debacle. En nog voordat er ook maar één organisatie opstaat, wil de heer Van Meenen alweer laten onderzoeken of er op het ministerie ergens een potje geld is om maar weer iets op te tuigen. Is de heer Van Meenen het met de minister eens dat dit zal mislukken zodra de overheid hier haar vingerafdrukken op zet? Laten we toch alsjeblieft even niets doen, zoals de minister heeft gezegd, en afwachten welk van deze initiatieven daadwerkelijk wat gaat worden.

De heer Van Meenen (D66):

We hebben allemaal kunnen lezen dat er heel veel redenen zijn waarom de vorming van de beroepsgroep niet gelukt is. Eén daarvan is niet dat de overheid er geld in gestopt heeft. Het gaat vooral mis als de overheid echt haar vingerafdrukken erop gaat zetten en echt ervoor gaat zorgen dat het meer van de overheid wordt dan van de leraren zelf. Dan gaat het mis. Dat gebeurt niet als je bijvoorbeeld in zo'n eerste stadium zou zeggen dat we het geld dat nu nog voor de Onderwijscoöperatie bestaat, beschikbaar gaan stellen voor zo'n start. Dat zou bijvoorbeeld een scenario kunnen zijn.

Een ander scenario is om met de VO-raad en de PO-Raad in gesprek te gaan zodat uit de lumpsum die we tot nu toe verschaffen, niet alleen de lidmaatschappen van de PO-Raad en de VO-raad betaald worden, maar dat we vanuit die lumpsum ook een bijdrage leveren aan de vorming hiervan. Het hoeft de overheid dus geen extra geld te kosten om die beroepsgroep van start te laten gaan. Volgens mij gaat het daarop niet mis lopen. Het gaat pas mis als de overheid zich er inhoudelijk mee gaat bemoeien.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Van den Hul nog? Nee? Dan is het woord aan mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Voorzitter. Het is goed om wat meer van de motivatie van de minister te horen. Dan hebben we in ieder geval meer duidelijkheid over hoe hij het ziet. De betrokkenheid van de leerkrachten moet altijd gewaarborgd worden. Zij moeten echt meepraten over het beleid. Ik had daar in mijn inleiding een aantal vragen over en ik heb daar een motie over.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat over de uitvoering van onderwijsbeleid vaak afspraken worden gemaakt in bestuurs- en sectorakkoorden;

constaterende dat deze akkoorden vaak worden gesloten met bestuurders, terwijl de uitwerking vaak direct van invloed is op het werk van leraren;

overwegende dat het voor een sterke beroepsgroep belangrijk is dat leraren ook zeggenschap hebben over het beleid;

verzoekt de regering bij akkoorden die zij sluit met het onderwijsveld, ook altijd (vertegenwoordigers van) leerkrachten te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld, Kwint en Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 363 (27923).

De heer Beertema? Nee? Dan is het woord aan de heer Kwint.

De heer Kwint (SP):

Voorzitter, dank. Het is fijn dat we mogelijk alsnog het werk van de kwartiermaker kunnen gaan inzien. Ik kan bij dezen alle betrokkenen alleen maar op het hart drukken: laat ons dat rapport ook zien! Toch snap ik nog niet helemaal dat de minister dit zelf niet gevraagd had. De opdracht was niet alleen op de toekomst gericht. Het was ook een evaluatie, een doorlichting van processen. Hoe was het tot dan toe gedaan? Wat moeten wij doen om deze belangrijke opdracht waar te maken? Dat lijkt me nuttig. Dat lijkt me ook voor ons nuttig. Ik kijk ernaar uit om lessen uit dat rapport te kunnen trekken.

Ik wens de docenten heel veel succes, op welke manier dan ook zij zich besluiten te organiseren of niet.

Dan blijft nog het punt van het salaris van de kwartiermaker over, want ik vind het antwoord curieus. De WNT zou overschreden zijn als iemand langer had gewerkt. Zo werkt die wet niet. De WNT is overschreden of niet. De definitieve cijfers volgen. Wat er wat ons betreft minimaal staat te gebeuren, staat toevallig op de achterkant van mijn termijn in de vorm van een motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de kwartiermaker van de Onderwijscoöperatie mogelijk alleen omdat zijn opdracht binnen een jaar werd afgerond, formeel onder de norm zoals omschreven in de WNT is gebleven;

constaterende dat het salaris van de kwartiermaker dan op maandbasis de ministersnorm zou hebben overschreden;

verzoekt de regering na oplevering van de definitieve cijfers te laten onderzoeken of het mogelijk te veel aan de kwartiermaker betaalde salaris bij de kwartiermaker teruggevorderd kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kwint. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 364 (27923).

Dit is het einde van de tweede termijn van de Kamer. De minister kan de moties meteen becommentariëren en antwoord geven op de laatste vraag. Het woord is aan hem.

Minister Slob:

Voorzitter. Allereerst de motie-Van Meenen, op stuk nr. 362. Die ontraad ik, omdat het niet mijn verantwoordelijkheid is, zoals ik hier al heb aangegeven, om zo naar de initiatieven te kijken. Ik heb wel aangegeven dat op het moment dat men zich bij mij meldt en ik er perspectief in zie, ik niet uitsluit dat er financiering gaat komen. Ik zal de Kamer daarbij betrekken. Dat is de afspraak die ik met u heb gemaakt. Deze motie ontraad ik, maar in de lijn van deze motie heb ik u wel aangegeven hoe ik wil omgaan met dit onderwerp.

Voorzitter. De motie van mevrouw Westerveld c.s., op stuk nr. 363, ontraad ik ook. Niet vanwege de inhoud, maar omdat er al een gelijksoortige motie is aangenomen van de heer Rog. We hebben aangegeven dat we op die wijze willen gaan werken, ook als er nieuwe akkoorden worden gesloten. Dus deze motie is overbodig. We hebben afgesproken dat als een motie echt overbodig is, ik haar ontraad. Dat doe ik dus niet vanwege de inhoud, maar omdat we er al afspraken over hebben gemaakt. De heer Rog heeft het al heel erg duidelijk in een uitspraak aan de Kamer voorgelegd. En het is in principe ook gewoon staand beleid dat we waar dat maar enigszins kan, die betrokkenheid proberen te organiseren.

Voorzitter. Dan de motie van de heer Kwint, op stuk nr. 364. Ik heb aangegeven dat als ook de financiële verantwoording er is, we preciezer kunnen kijken hoe de gelden in het jaar 2018 zijn besteed, ook met betrekking tot de kwartiermaker. De kwartiermaker was niet bezig met een evaluatie; de kwartiermaker was nieuwe plannen aan het maken, en ik heb aangegeven dat ik daar geen behoefte aan had, omdat we gingen stoppen met de OC. Maar ik zal het verzoek doorgeven. Deze motie ontraad ik. We zullen het debat verder voeren op het moment dat de financiële verantwoording er is. Ik hoop dat ik dan ook een mooi bericht heb dat als er nog geld over is, we daar op een goede wijze een bestemming voor vinden. Daar is de Kamer ook duidelijk over geweest, denk ik.

De voorzitter:

Dank u wel. Tot zover dit dramatische debat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor zijn aanwezigheid. De stemmingen vinden plaats aanstaande dinsdag.