38 Nadere informatie ruimtebrief

Aan de orde is het VSO over nadere informatie ruimtebrief (35000-VIII, nr. 159).

De voorzitter:

We gaan verder. Aan de orde is een VSO over nadere informatie ruimtebrief.Mevrouw Van den Hul van de PvdA, aan u het woord.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Dank, voorzitter. De sector laat van zich horen. We hebben het daar net ook al over gehad. Het water staat hun aan de lippen. Het Malieveld was niet voor niks tjokvol afgelopen vrijdag. We hebben daarover al zeer vaak van gedachten gewisseld met deze minister. Eén ding dat hij dan vaak zegt, is: het ligt op de cao-tafel. Maar die cao-tafel vecht een oneerlijk gevecht uit. Want de helft van die cao-tafel, namelijk de werkgevers, weet wel wat de onderhandelingsruimte is, en de rest van die tafel weet dat niet. Dat vinden wij niet eerlijk, en daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de arbeidsvoorwaarden in het onderwijs directe gevolgen hebben voor het groeiende lerarentekort;

constaterende dat sociale partners aan zet zijn om deze arbeidsvoorwaarden zo in te richten dat werken in het onderwijs aantrekkelijker wordt;

constaterende dat het voor vakbonden ontbrekende inzicht in de financiële ruimte die werkgevers te bieden hebben, leidt tot een ongelijke onderhandelingspositie;

verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat de hierop van toepassing zijnde ruimtebrieven voortaan inzichtelijk zijn voor alle sociale partners aan de cao-onderhandelingstafel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van den Hul, Westerveld, Van Meenen en Kwint. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 169 (35000-VIII).

Mevrouw Westerveld, GroenLinks.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Voorzitter. Meer dan tien jaar geleden werd er al een enorm lerarentekort voorspeld. Er is toen een commissie ingesteld: de commissie-Rinnooy Kan. Die zei: er is meer dan 1 miljard nodig voor het onderwijs. De toenmalige onderwijsminister kwam aan een deel van die eisen tegemoet, maar het kabinet daarna voerde een nullijn in en maakte al die inspanningen ongedaan. En wij zitten hier nu met de gevolgen daarvan. Dat willen we natuurlijk niet nog een keer. Daarom dienen wij een motie in, waarin wij de regering vragen om een afspraak die de zorg kent, ook in te voeren in het onderwijs. Dat is de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de zorg het ova-convenant kent waarin is vastgelegd dat de overheidsbijdrage voor de arbeidskostenontwikkeling is gekoppeld aan de loonontwikkeling van de markt zonder dat deze beleidsmatig naar beneden kan worden bijgesteld;

constaterende dat in het onderwijs, naast de bijstelling vanwege de loonontwikkelingen in de markt, ook een beleidsmatige bijstelling plaatsvindt;

overwegende dat deze beleidsmatige bijstelling het onderwijs jarenlang op de nullijn heeft gezet en dat heeft bijgedragen aan het lerarentekort;

verzoekt de regering, net zoals bij het ova-convenant in de zorg, afspraken te maken zodat de overheidsbijdrage minimaal de arbeidskostenontwikkeling in de markt volgt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 170 (35000-VIII).

Ik constateer dat de heer Van Meenen niet van zijn spreekrecht gebruik wil maken. Daarmee zijn we door de sprekers heen. Ik kijk naar de minister. Hij wil nog even wachten op de tweede motie, dus daar wachten we eventjes op.

Ik geef het woord aan de minister.

Minister Slob:

Dank u wel, voorzitter. Ik sta hier mede namens mijn collega van Binnenlandse Zaken, die zoals u weet verantwoordelijk is voor het versturen van de ruimtebrief. Het is goed om even te onderstrepen dat die verantwoordelijkheid niet bij OCW ligt, maar bij Binnenlandse Zaken. En ik denk dat het ook goed is om aan te geven dat de ruimtebrief, één brief, niet alleen maar is bedoeld voor onderwijs, maar ook voor defensie, voor politie, voor de rijksambtenaren en voor de rechterlijke macht, om daarmee de categorieën te noemen waar de werkgevers gebruikmaken van de informatie die in de ruimtebrief wordt doorgegeven. Het raakt dus aan verschillende sectoren. Dat is mede de reden waarom ik de motie op stuk nr. 169 ontraad, ook namens mijn collega van Binnenlandse Zaken. Je kunt niet voor één sector een uitzondering maken. Bovendien — dat is dan nog een redelijk formeel argument — raakt dit ook de onderhandelingspositie van de werkgevers. Dan zult u zeggen dat u dat juist wilt. Maar zij moeten ook ruimte hebben, omdat de bedragen die in de ruimtebrief aan hen doorgegeven worden, niet alleen gaan over de loonruimte die ontstaat. Het heeft ook te maken met pensioenen of keuzes voor andere arbeidsvoorwaarden, niet alleen met loon. Kortom, er worden verschillende afwegingen in gemaakt. Het raakt ook aan de afspraken die gemaakt zijn met de sociale partners in de decentralisatieconvenanten. Dat is het laatste argument dat ik noem. Met de partners is gewoon de afspraak gemaakt dat we het op deze manier doen. Dat laat onverlet dat de werkgevers er zelf wel voor kunnen kiezen om het te delen. Maar dat is wat anders dan dat wij hen dat van bovenaf verplichten. Om die reden ontraden we met klem deze motie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 169 wordt ontraden.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

We hebben het er inderdaad al eerder over gehad. Het gaat ons erom dat het nu een oneerlijke situatie is. In de schriftelijke beantwoording van de minister zien wij geen juridische bezwaren tegen het openbaar maken van de ruimtebrief. Dus is de minister het met ons eens dat er nu wel degelijk een ongelijke onderhandelingssituatie is? Daarbij weet de ene helft van de tafel wel waar hij aan toe is, en andere helft van de tafel niet. Kan de minister zich voorstellen dat wij vanuit dat veld, vanuit diezelfde polder, de vraag krijgen om hier wat aan te doen, om dit recht te trekken?

Minister Slob:

Deze situatie speelt al jarenlang. De vraag of we dit wel of niet moeten veranderen, is ook al eerder aan de orde geweest. Ook vorige kabinetten hebben uiteindelijk de keuze gemaakt om dit niet te doen. U zegt dat het een oneerlijk gevecht is. De onderhandelingen zijn inderdaad vaak best wel stevig, maar na onderhandelingen worden er keuzes gemaakt en worden er cao's afgesloten. Als het een oneerlijk gevecht is, is dat de vorige keer wel op een heel mooie manier afgerond. Kijk bijvoorbeeld naar het primair onderwijs. Daar zijn forse salarisverhogingen doorgevoerd. Er zijn ook afspraken gemaakt. Maar het raakt wel aan een principieel punt, de onderhandelingspositie van de werkgevers. Zij moeten wel inzage hebben in deze onderwerpen. Maar het gaat niet louter en alleen om loonruimte. Uiteindelijk moeten zij in overleg met de werknemers tot keuzes komen. Dat zijn de spelregels die we een aantal jaren geleden met elkaar hebben bepaald. Dat is zo afgesproken met de sociale partners, dus met de complete polder, om het maar even wat huiselijk te zeggen. Het kabinet ziet geen reden om dit te veranderen. Ik gaf net al aan dat er één ruimtebrief is. Die raakt ook de andere sectoren. Als we dat bij onderwijs gaan doen, zou je de hele boel op zijn kop zetten. Dat zijn we absoluut niet voornemens om te doen. Daarom ontraad ik nogmaals met klem deze motie. Dit is niet de weg die wij op willen gaan.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Ik hoor de argumenten. Ze zijn mij bekend. De minister heeft die inderdaad eerder met ons gedeeld. Ik herhaal maar dat het water nu wel aan de lippen staat en dat het wel degelijk ergens over gaat aan die tafel. Als wij de minister vragen om meer geld voor het onderwijs, zegt hij: ik ga er niet over; dat ligt op die tafel. Aan de andere kant zegt hij dat het aan de werkgevers is om die openheid te geven. Maar dat doen ze niet. Dan snap ik wel dat de werknemerskant van de polder het oneerlijk vindt. Daarom vraag ik de minister toch of hij bereid is om de werkgevers in elk geval daarop aan te spreken en om hun te vragen om dat te doen. Wellicht kan hij namelijk begrip opbrengen voor die vraag die wij krijgen uit de sector.

Minister Slob:

Ik zie in deze motie staan dat wij ervoor zorg moeten dragen dat de "hierop van toepassing zijnde ruimtebrieven voortaan inzichtelijk zijn voor alle sociale partners aan de cao-onderhandelingstafel". Ik geef aan dat het kabinet destijds heeft afgesproken, vastgelegd in een convenant, dat we dat niet doen. Het kabinet ziet geen aanleiding om daarvan af te stappen. Dat het water aan de lippen staat, dus dat er urgentie is om met elkaar tot afspraken te komen, zien wij natuurlijk ook. Daarom hoop ik altijd dat degenen die aan tafel zitten hun verantwoordelijkheid nemen en tot goede afspraken komen. Dat is in het voortgezet onderwijs op een prima manier gelukt, zelfs met een tweejarige cao. Daar hebben de werkgevers dus zelfs een zeker risico genomen, doordat ze een referentieruimte die ze voor een aanvullend kalenderjaar nog niet bekend was al mee hebben genomen in de afspraken. Want als je die afspraken maakt, kun je later niet zeggen dat de ruimtebrief toch een beetje tegenvalt en je het dus maar niet doet. Men heeft het daar gewoon gedaan. In het p.o. heeft men een heel mooie cao afgesloten, uiteraard ook vanwege het extra geld dat voor de salarissen beschikbaar kwam. Het is dus gewoon gelukt om afspraken te maken. Nu is men nog in overleg. Ook werkgevers hebben er belang bij dat men op een bepaald moment afspraken maakt met elkaar. Dit is de wijze waarop het kabinet dit doet. Ook namens de minister van Binnenlandse Zaken kan ik u dit meegeven. Wij zijn niet voornemens om daar anders mee om te gaan.

De heer Van Meenen (D66):

Ik zal niet de hele redenering van mevrouw Van den Hul herhalen, maar die deel ik wel. Ik wil even doorgaan op haar laatste punt. De minister zou er ook voor kunnen kiezen om de werkgevers indringend te vragen om dit wel te doen. Dat kan namelijk wel. Is hij bereid om dat te doen?

Minister Slob:

In de huidige situatie hebben werkgevers al de ruimte om, als ze dat willen, deze informatie te delen. Die informatie is gewoon bekend. Het is aan de werkgevers om daar keuzes in te maken. Zij luisteren ook naar dit debat en zien ook dit soort moties. Het is dus echt aan hen. Wij moeten echt op afstand blijven. U weet ook dat zelfs in wet- en regelgeving geregeld is dat de overheid afstand moet houden. Daarom hebben we het netjes geregeld met de ruimtebrief, die breed inzetbaar is. Die wordt netjes overhandigd. Dat is het moment dat de overheid een terugtrekkende beweging maakt en wacht tot het proces aan de tafels is afgerond. Iedereen weet wat daar de mogelijkheden zijn.

De heer Van Meenen (D66):

Het argument dat wij als overheid afstand moeten houden, is een gelegenheidsargument, want op het ene moment doen we het wel en op het andere moment juist weer niet. Mijn vraag is: waarom zouden we het juist op dit punt doen? Want op dit moment houdt de vraag hoeveel geld er eigenlijk is en of het op de goede plek terechtkomt, de gemoederen bezig. Dan zou je zeggen dat dit wel het moment is om de kennis daarover werkelijk te delen met alle partijen. Ik begrijp best dat er bezwaren zijn omdat deze motie dwars door afspraken uit het verleden gaat, hoewel ik daar geen problemen mee heb. Maar je zou ook kunnen zeggen: gezien de problematiek in het onderwijs is dit het moment dat ik als minister en wij als Kamer vinden dat die kennis gedeeld zou moeten worden, en dus gaan we daarover met de werkgevers in gesprek.

Minister Slob:

Het kabinet houdt vast aan de afspraken die hierover zijn gemaakt. Als men met cao-onderhandelingen bezig is, heb ik alleen altijd gezegd dat ik hoop dat men zo snel als mogelijk tot een afronding komt. Dat was zeker vorig jaar voor het p.o. heel belangrijk, omdat er heel veel geld lag te wachten en de docenten daarop zouden moeten wachten door iedere dag die het afsluiten van een cao langer zou duren. Als het om mijn portefeuille gaat, wordt nog maar in één sector onderhandeld, namelijk het p.o. Ik hoop dus dat men tot een afronding komt.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 170.

Minister Slob:

Ik neem aan dat de stemming over deze motie komende dinsdag is?

De voorzitter:

Ja, dat klopt.

Minister Slob:

Zal ik mijn collega van Binnenlandse Zaken vragen om de Kamer schriftelijk te informeren over deze motie? Want dit is echt haar verantwoordelijkheid. Daar kan ik nu niets over zeggen.

De voorzitter:

Dus die motie wordt nog van een oordeel voorzien.

Minister Slob:

Ja, die krijgt een schriftelijk oordeel van mijn collega van Binnenlandse Zaken.

De voorzitter:

Oké. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit VSO.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de twee moties zal aanstaande dinsdag worden gestemd.

Naar boven