6 Lerarenregister en registervoorportaal

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met de invoering van het lerarenregister en het registervoorportaal ( 34458 ).

De voorzitter:

Aan de orde is de eerste termijn van de kant van de regering. Ik wil voorstellen dat de staatssecretaris ons meeneemt in de opbouw van zijn beantwoording, dan kunnen wij bezien wanneer wel en wanneer niet geïnterrumpeerd kan worden. Is dat mogelijk, mijnheer de staatssecretaris?

Staatssecretaris Dekker:

Ja.

De voorzitter:

Dan spreken we niet nu af hoeveel interrupties ik toesta, maar letten we op de blokjes en krijgen de leden gelegenheid tot interrumperen als een blokje afgerond is.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. Ik wil een paar algemene woorden wijden aan het lerarenregister en aan het hoe en waarom ervan. Dan zijn er drie grote thema's uit het debat naar voren gekomen. Het eerste omvat alles wat met zeggenschap te maken heeft, het van-voor-door-de-lerarenprincipe. Een tweede grote blok gaat over de techniek van het lerarenregister en omvat alle vragen die daarover zijn gesteld. Hoe zit het met herregistratie? Hoe zit het met de fasering? Wat gebeurt er als je niet langer wordt geregistreerd? Een derde grote blok gaat over het registervoorportaal, wat echt losstaat van het register, maar wel een belangrijk instrument is in deze wet. Tot slot heb ik nog een aantal vragen die ik moeilijk kon plaatsen. Die vormen dan een klein blokje helemaal aan het einde, varia.

We benadrukken allemaal en vaak dat de leraar de belangrijkste schakel is in ons onderwijs, de schakel die de kwaliteit van ons onderwijs voor onze leerlingen bepaalt. Dat staat soms haaks op het gevoel dat heel veel leraren hebben, namelijk het gevoel dat zij niet in control zijn, dat ze de autonomie die ze zo nodig hebben, missen, dat ze de ruimte missen om hun werk op hun eigen, professionele manier en naar eigen inzicht in te richten. Ons systeem voorziet momenteel niet in deze noodzakelijke ruimte en leraren nemen zelf ook onvoldoende autonomie. Dat kan ook niet individueel, net zomin als je onderwijs volledig individueel kunt geven. Het meest recente rapport van de Onderwijsraad over de professionele ruimte geeft dat ook aan. Het gaat om sterk individueel vakmanschap, altijd in grotere organisaties en in teams.

Wat we hier vandaag doen, is dan ook het bespreken en waarderen van de collectieve ruimte, de collectieve autonomie van de beroepsgroep leraren in de keten van het onderwijs. Uiteindelijk codificeren we die in de wet. Het best mogelijke onderwijs kan immers niet anders dan dat er leraren zijn die met elkaar bepalen wat de inhoud van de lesstof is en hoe de lessen het beste gegeven kunnen worden, hoe de prestaties van de leerling moeten worden beoordeeld, maar ook hoe verantwoord leraarschap er uitziet. Bij die autonomie hoort ook verantwoordelijkheid, namelijk die voor het zetten van een professionele standaard en het bijhouden van de na- en bijscholing via een register, dat het sluitstuk is, zeg ik daarbij. Met dit wetsvoorstel wordt die verantwoordelijkheid helder gelegd waar die hoort te liggen: bij de leraren. Zij geven daar in samenwerking met elkaar invulling aan. Daar komt bij dat de leraar aan het roer staat van zijn eigen professionele ontwikkeling. Dit wetsvoorstel is daarmee een eerste stap naar een collectieve vorm van autonomie, waarbij de leraar zijn professionele houding aanspreekbaar stelt voor de gehele beroepsgroep, voor zijn collega's en voor leraren, en dat via het register ook openbaar zichtbaar maakt.

Er zijn door de verschillende sprekers vandaag mooie woorden gewijd aan de Dag van de Leraar. Leraren zijn de moderne helden, zou je kunnen zeggen, en terecht. Maar hoe mooi is het dat de beroepsgroep van leraren op deze dag wordt uitgedaagd om haar verantwoordelijkheid waar te maken en de professionele ruimte te pakken die hoort bij een sterke beroepsgroep? Vandaag kunnen we daarvoor met z'n allen de handvatten aanreiken.

Dat dat niet zomaar en zonder meer een gegeven is, blijkt uit het feit dat over deze thema's al 23 jaar wordt gesproken. Het begon begin jaren negentig met de commissie-Van Es, die pleitte voor meer bekwaamheidsonderhoud. Daarna zijn er verschillende andere kabinetten mee bezig geweest. In 2007 — heel belangrijk — pleitte de commissie-Rinnooy Kan voor een verplicht lerarenregister en het organiseren van de beroepsgroep. Sindsdien is een en ander echter onvoldoende van de grond gekomen. Daarom is het zo belangrijk dat we hier vandaag bijeen zijn, op de Dag van de Leraar. Ik ben blij dat we vandaag met de bespreking met het wetsvoorstel over het beroep van leraar een flinke stap verder zetten in het streven naar een sterke beroepsgroep.

Dat leraren zo'n belangrijke rol spelen, daar moeten zij zich uiteraard in kunnen herkennen. Heel terecht dat dit punt is opgebracht. Daarom is de Onderwijscoöperatie zo nauw betrokken geweest bij dit hele traject. Alle bij die Onderwijscoöperatie aangesloten organisaties steunen dit wetsvoorstel. Laten we ook eerlijk zijn. Inmiddels hebben 60.000 leraren zich ingeschreven. Dat is bijna een kwart. De Onderwijscoöperatie en de daarbij aangesloten organisaties hebben een dekkingsgraad van ongeveer 80%. 200.000 leraren worden vertegenwoordigd door deze bonden en vakorganisaties. Het zijn niet alleen maar de bestuurders, zoals even werd gesuggereerd in het debat, die het daar bepalen en voor het zeggen hebben. Het zijn veelal democratische organen, die hun standpunten bepalen in samenspraak en met zeggenschap, soms zelfs via een lerarenparlement, over de punten die zij inbrengen.

Misschien heeft het daarom ook wel zo lang geduurd. Ik ben daar heel eerlijk over. Het staat in het regeerakkoord en meestal doe je de dingen die daarin staan in het allereerste jaar. Ik geloof echter dat het nodig is om dit samen te doen. Daarom hebben we er lang aan gewerkt. Ik wil een heel groot compliment maken aan iedereen die hierbij betrokken is geweest. De Onderwijscoöperatie en al haar achterbannen hebben stevig geknokt voor hetgeen er staat. Dit wetsvoorstel is echter pas het begin. Het gaat uiteindelijk om het resultaat in de klas. Daarom vind ik het cruciaal dat straks elke leraar zijn stem kan laten horen in de discussie over beroepskwaliteit. Dat brengt mij bij het eerste blokje, dat gaat over de zeggenschap van de leraar.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Komt de staatssecretaris nog terug op draagvlak?

Staatssecretaris Dekker:

Daar heb ik zojuist wat over gezegd, namelijk dat er ongelooflijk hard is gewerkt om draagvlak te creëren, dat ik zie dat de totale Onderwijscoöperatie en al haar achterbannen achter dit voorstel staan en dat die heel veel leerkrachten representeren. Ik denk dat het draagvlak ook iets is wat nog verder zal groeien als je leraren meer zeggenschap geeft. Het komt dus ook aan de orde in mijn volgende blok. De leraar staat straks direct aan het roer.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dit is voor mij een groot punt. Het is een onderwijsvernieuwing en na de parlementaire commissie-Dijsselbloem hebben we afgesproken dat die draagvlak moeten hebben. Nu zijn er wat onderzoeken geweest. De staatssecretaris heeft een internetconsultatie gehouden en het is werkelijk schandalig hoe de cijfers daarvan worden uitgelegd. Er wordt gesuggereerd dat de helft van de respondenten positief zou zijn, maar als je goed leest dan blijkt dat een derde te zijn. De helft is negatief en dan is nog eens 20% gemengd. Die consultatie is begin 2015 gehouden. Is het niet redelijk als we aan zo'n groot project beginnen om dat nu nog een keer netjes te onderzoeken, voordat de staatssecretaris onbezonnen aan de invoering begint?

Staatssecretaris Dekker:

Volgens mij is er echt geen onderzoek meer nodig. Er is op verschillende momenten geconsulteerd. Partijen zijn op verschillende momenten betrokken. We hebben heel nauw opgetrokken met de Onderwijscoöperatie. Zoals de Kamer weet, vertegenwoordigt die coöperatie weer heel veel beroepsverenigingen. Die zeggen allemaal volmondig: ja, wij willen hiermee door. Dat is voor mij voldoende om tot de conclusie te komen dat dat draagvlak er is.

En natuurlijk spreek ik ook met leerkrachten. Er zijn leerkrachten die zeggen: dat register is voor mij niet nodig want eigenlijk doe ik al alles wat daarin staat. Dat zijn de leerkrachten die al heel veel doen aan bij- en nascholing en die bevoegd zijn. Zij vragen: wat voegt dit voor mij persoonlijk nou toe? Er zijn ook leerkrachten die zeggen: ik doe dit allemaal wel, maar ik vind het ook belangrijk dat iedereen het doet, dus doe dat register maar wel. Er zijn ook leerkrachten die zeggen: ik zit niet te wachten op zo'n register omdat ik me dan moet gaan bij- en nascholen. Ja, dat zijn misschien de leraren bij wie een beetje dwang en drang heel erg goed op zijn plek is. En er zijn heel veel leerkrachten die zich nu nog niet hebben ingeschreven. Ook daar hebben we onderzoek naar gedaan. Zij zeggen: zo'n vrijwillig register, waar eigenlijk geen enkele consequentie aan verbonden is en die geen enkel gevolg heeft voor wat ik doe in mijn school, stelt voor mij niet zo vreselijk veel voor. Dat is de reden dat wij nu tot de conclusie komen dat we op een volgend punt zijn beland. Dat wordt ook onderstreept door de Onderwijsraad. Daar zegt men ook: als je hier nu echt de volgende stap wilt zetten, moet je gaan naar een register met consequenties en waarbij je alle leraren vraagt om zich te registreren.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vind dit echt onacceptabel. Wij spreken met elkaar af dat we vernieuwingen pas invoeren nadat het draagvlak is getoetst. Daar was een brede Kamermeerderheid voor. De staatssecretaris zegt nu doodleuk: volgens mij is nieuw onderzoek niet nodig. Ik kan maar één ding concluderen, namelijk dat de staatssecretaris bang is voor nieuw onderzoek. Hij durft het niet aan. Als hij zo overtuigd is van het succes van dit voorstel, laat hij het dan representatief laten onderzoeken. Dan kan hij pas echt met een rechte rug hier staan en zeggen: dat register wordt gedragen en dat register is een goed idee. Als de staatssecretaris dat niet doet, is hij bang. Ik kan niets anders concluderen.

Staatssecretaris Dekker:

Dat is dan de conclusie die de heer Van Dijk trekt. We hebben heel lang gewerkt, samen met heel veel vakorganisaties, heel veel vakbonden en heel veel lerarenorganisaties. Er zijn ook al allerlei onderzoeken gedaan. Ik kom op grond daarvan tot de conclusie dat wij vandaag op een punt zijn beland waarop ik met een heel goed gevoel kan zeggen: dit moeten we doen, want dit is goed voor het onderwijs en er is voor deze stap ook voldoende draagvlak.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog.

Staatssecretaris Dekker:

Het wetsvoorstel omvat verschillende elementen van de professionele keten van het beroep leraar. De omschrijving van het beroep van leraar maakt duidelijk wie de leraar is. Ook geeft deze omschrijving aan wat de professionele ruimte is voor de leraar. Deze heeft hij nodig om zijn verantwoordelijkheid voor goed onderwijs ook waar te kunnen maken. En door registratie en herregistratie in het lerarenregister maakt de leraar zichtbaar voor de samenleving dat hij bevoegd is en dat hij blijft werken aan zijn professionele ontwikkeling. Om tot een sterke beroepsgroep te komen, moeten leraren zich kunnen uitspreken over deze elementen. Als het gaat om het beroep van leraar zijn zij wat mij betreft dan ook altijd zelf aan zet. Verschillende woordvoerders hebben het gezegd: dit moet een lerarenregister zijn van, voor en door de leraar. Daar sta ik voor de volle honderd procent achter.

Om dat te organiseren, richt de Onderwijscoöperatie voor alle geregistreerde leraren de deelnemersvergadering op. Dat vraagt ook om een wijziging van de statuten van de Onderwijscoöperatie. Daarmee zet men leraren in de positie dat zíj degenen zijn die vorm en inhoud geven aan bijvoorbeeld het register en alle elementen die daarbij horen. Ik noem het valideren van het onderwijsaanbod. Ik noem de beslissingen over herregistratie. Ik noem de beslissing of je in een lerarenregister verschillende segmenten aanbrengt, bijvoorbeeld tussen de schoolsoorten of tussen verschillende vakken die kunnen worden gegeven. Dat is echt iets dat we bij hen neerleggen. Ik ben blij met die stap, die in mijn ogen onmisbaar is voor het gevoel van eigenaarschap onder leraren. Hoe de deelnemersvergadering zich zal ontwikkelen, is dus ook weer aan die deelnemersvergadering van leraren zelf. We moeten uitkijken dat we dat hier vanuit Den Haag te veel gaan voorschrijven. Ik zal die ontwikkeling van harte ondersteunen en ernaar streven dat leraren met elkaar normen stellen en elkaar daar uiteindelijk ook op zullen beoordelen. Met het verder ontwikkelen van de beroepsgroep wordt de rol van de overheid dus kleiner.

In de aanloop daar naartoe staat zorgvuldigheid van besluitvorming echter wel voorop. Het gaat om een beroepsgroep van een kwart miljoen mensen, voor wie de komst van het register wat betekent. Dat verplicht ons om de invoering verantwoord dat laten verlopen. Het oordelen over herregistratie bij zo'n grote groep moet eenduidig, transparant en zorgvuldig gebeuren. Kortom, het vraagt om een goed georganiseerde representatieve beroepsgroep om deze rol bij het register te kunnen vervullen. De deelnemersvergadering is hiervoor de eerste stap. Uiterlijk in januari 2017 zal die operationeel zijn.

Er zijn heel veel vragen gesteld over hoe die zeggenschap er nu precies uit moet zien en waarom we überhaupt zo hechten aan de term "beroepsgroep". De heer Bruins stelde daar een vraag over. Het is heel belangrijk dat we de beroepsgroep goed definiëren, zodat duidelijk is over wie we het hebben, wie de leraren zijn en welke rechten ze hebben. Die beroepsgroep omvat alle leraren. Op landelijk niveau geldt de Onderwijscoöperatie als hun vertegenwoordiger. Maar als het gaat om de directe governance van het register en alle beslissingen die erbij horen, is de deelnemersvergadering, waar leraren in zitten die gekozen worden door vakgenoten, het vertegenwoordigende en hoogste orgaan.

Het beroep van leraar krijgt met dit wetsvoorstel een duidelijke omschrijving. We zeggen in de wet dat leraren binnen de kaders van het beleid van de school verantwoordelijkheid dragen voor het onderwijsproces en dat zij daarbij de zeggenschap hebben over onder meer de lesstof en de beoordeling van leerlingen. Is dat dan nodig, zo was de vraag. Dat is toch evident, gaf de heer Van Meenen aan. Ik denk dat dat op heel veel scholen inderdaad evident is. Maar er zijn ook andere verhalen, waaruit blijkt dat leraren soms het gevoel hebben dat ze die ruimte niet hebben. De heer Beertema haalde een aantal voorbeelden daarvan aan. Ik hoor ze ook als ik praat met leerkrachten, vaak op de wat minder goede scholen. Leerkrachten worden soms door hun leidinggevende of besturen onder druk gezet om de beoordeling van studenten, van leerlingen wat aan te passen, omdat het anders zo slecht staat op het totale plaatje. Ze krijgen soms voorgeschreven hoe ze precies les moeten geven. Die leerkrachten hebben op dit moment wettelijk niets in de hand om te kunnen zeggen: maar dat is mijn bevoegdheid; de wetgever heeft bedoeld dat ik daarover ga. Dat doen we met dit wetsvoorstel. We geven een omschrijving van het beroep, met de verantwoordelijkheden die daarbij horen om te zorgen dat er binnen scholen een goede balans is tussen datgene waar de leerkracht over gaat, datgene waar de schoolleiding en het bestuur over gaan en datgene wat in teamverband moet worden gedaan.

Heel veel van die kaders zijn in dit wetsvoorstel verwerkt. Een aantal van die dingen vraagt om nieuwe en lagere wet- en regelgeving. Er komt bijvoorbeeld een AMvB over de gegevensverwerking en een over de herregistratie-eisen. Het mooie is echter dat de essentiële zaken, het beroep van de leraar, de omschrijving, de zeggenschap en de professionele standaards, klip-en-klaar in dit wetsvoorstel zijn opgenomen.

Er zijn veel vragen gesteld die raken aan zeggenschap. Er zijn bijvoorbeeld kritische noten over het scholingsaanbod. Hoe zit het nou met die feestelijke bijeenkomsten waar je kennelijk aan kunt meedoen en waar je dan punten voor krijgt? Dat zou toch niet mogen? Zit peerreview straks ook in het lerarenregister? En hoe zit het met teamactiviteiten en informeel leren? Ik heb daar alle begrip voor. Tegelijkertijd ben ik heel terughoudend om te zeggen dat we dat erin gaan stoppen of dat een bijeenkomst er niet in kan. Het is straks immers aan de leraren. Dat is de essentie van dit voorstel: het is straks aan de leraar om te beoordelen wat een kwalitatief goed aanbod is, om dat te accrediteren, om collega's daaraan te houden en om te zeggen: we verwachten dat je als leerkracht minimaal die 40 uur aan na- en bijscholing doet en die op een goede inhoudelijke manier invult. Natuurlijk zie ik al die dingen als peer reviews en informeel leren graag terug en ik wil ook dat flutcursussen geschrapt worden, maar de grote opmerking die ik daarbij maak, is dat de leraren zelf de beste controleurs daarvan zijn. Ik wil hun met dit wetsvoorstel graag die verantwoordelijkheid en dat vertrouwen geven.

De voorzitter:

Bent u klaar met dit blokje? Dat klinkt heel oneerbiedig, want dit is wel een belangrijk onderdeel.

Staatssecretaris Dekker:

Ik heb nog een paar dingen over zeggenschap.

De voorzitter:

Als u die even langsloopt, krijgen de Kamerleden de gelegenheid om vragen te stellen.

Staatssecretaris Dekker:

Zeggenschap vindt niet alleen plaats met het register en de besturing daarvan door docenten. Er is ook het een en ander opgenomen over een professioneel statuut en de professionele standaard. Mevrouw Straus vroeg hoe het professioneel statuut zich verhoudt tot het professionaliseringsplan op scholen. Het mooie van het professioneel statuut is dat het gaat over de werkafspraken op een school tussen leraren en schoolleiding in het kader van de professionele zeggenschap in en rond de klas. Het beschrijft dus in welke gremia dit wordt besproken. Er komt bijvoorbeeld een lerarenberaad op een school. Het is heel goed om daar afspraken over te maken. Het professionaliseringsplan is veel meer een inhoudelijk plan: hoe geven wij als school vorm en inhoud aan professionalisering? Een deel daarvan is de autonomie van de docent. Dat is die 40 uur, waarvan hij zelf bepaalt wat hij daarin doet. Een school kan daarbovenop en daarnaast echter natuurlijk ook andere dingen aanbieden. Dat in totaliteit valt onder dat professionaliseringsplan.

Hoe zit het met de herregistratiecriteria?

De heer Rog (CDA):

Nu gaan we wel naar een ander blokje.

De voorzitter:

Ja, volgens mij ook. Was dit de overgang naar een volgend thema? Klopt dat?

Staatssecretaris Dekker:

Nou … Ik ga niet …

De voorzitter:

Ja, we moeten er wel een beetje tempo in zetten, want zo weten we het niet. De heer Grashoff.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Daar is een heel praktische oplossing voor, namelijk dat de staatssecretaris concreet aangeeft wanneer hij aan het eind van een blokje is. Dat helpt, want anders staan we steeds in de startblokken.

Ik zou de staatssecretaris iets willen vragen over bijscholing. Natuurlijk zegt hij terecht dat als je die verantwoordelijkheid bij de onderwijscoöperatie legt, ook de verantwoordelijkheid voor het beoordelen van het scholingsaanbod daar ligt. Daar is echter nog wel meer over te zeggen. Dit kan betekenen dat er veel meer samenwerking gevonden moet worden met reguliere onderwijsinstituten, zoals de lerarenopleidingen, de pabo en misschien universiteiten. Is er dan wel scholingsaanbod? Dan komt deze staatssecretaris of zijn minister wel degelijk in beeld. Ik heb nog een vraag. In het voorbeeld van zojuist over het volgen van een "blabla-middag" is daarmee die €400 van het jaarlijkse budget op, maar als dat budget niet meer is dan die €400, kom je natuurlijk nooit aan een kwalitatief scholingsaanbod. Ik denk dus toch dat de staatssecretaris zich hier iets te makkelijk van afmaakt.

Staatssecretaris Dekker:

Ik wil straks nog meer zeggen over tijd en ruimte, want die moeten natuurlijk beschikbaar zijn voor leerkrachten om hier uiteindelijk vorm en inhoud aan te geven. In mijn ogen zijn die er ook. Het verschilt een beetje van cao tot cao, maar in de cao's is opgenomen dat leerkrachten tussen de 60 en 80 uur ruimte hebben voor professionalisering. Het lerarenregister gaat uit van 40 uur. Dat past daar in mijn ogen prima binnen. In de praktijk op scholen zie je echter dat professionalisering nu te vaak een sluitstuk is, een laatste dingetje dat je erbij doet. Wij beogen met dit wetsvoorstel na- en bijscholing veel meer in het hart te zetten van wat het betekent om leerkracht te zijn. Er ontstaat een groter belang voor schoolbesturen om ervoor te zorgen dat hun leerkrachten werkelijk tijd krijgen voor en werk maken van die na- en bijscholing. En er ontstaat een groter belang voor leerkrachten om dat te doen, want als je het niet doet, riskeer je uiteindelijk je registratie te verliezen.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Ja, maar zeg ik iets geks als ik zeg dat 40 uur bijscholing niet met €400 kan worden betaald en dat je eerder aan een bedrag in de buurt van het tienvoudige moet denken?

Staatssecretaris Dekker:

Wij hebben scholen de afgelopen tijd heel veel extra geld gegeven voor professionalisering; dat zit in de lumpsum. Sociale partners kunnen daarover afspraken maken. Zo is in de cao voor het voortgezet onderwijs een afspraak gemaakt over het trekkingsrecht; dat is dus ook specifiek gelabeld. Scholen krijgen tijd en geld om leerkrachten in staat te stellen hieraan te werken. Ik denk dat wij met dit wetsvoorstel nog een extra stap kunnen zetten om ervoor te zorgen dat dit ook echt gebeurt.

De heer Rog (CDA):

Ik wil hier nog even op doorgaan. Ik heb in mijn bijdrage gesproken over de vrijheid van inrichting van het onderwijs. De staatssecretaris zegt dat er naast die 40 uur nog meer ruimte is voor professionalisering. Is het denkbaar dat een conceptschool, een school met een onderwijskundige visie, die nascholingscursussen wil doen, straks met de gevalideerde nascholingscursussen van de minister of Onderwijscoöperatie te horen krijgt: wij vinden dat vrijeschoolonderwijs of dat jenaplanonderwijs allemaal niet zo belangrijk en wij doen dat niet; je gaat maar naar een lezing van zo'n mijnheer uit Engeland die voor heel veel geld hier een gelikt praatje komt houden? Ik zou dat een verarming vinden van de scholingsbehoefte van veel scholen en ook een aantasting van de inrichting van onderwijs. Kan de staatssecretaris daarop reflecteren?

Staatssecretaris Dekker:

Die twee dingen sluiten elkaar niet uit. Dit wetsvoorstel gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid en autonomie van leerkrachten binnen de kaders van de school. Dus als een leerkracht ervoor kiest om op een montessorischool les te gaan geven, dan kiest hij daar bewust voor en dan weet hij ook wat dat betekent voor de manier van lesgeven op die school. De woorden "voldoende zeggenschap" zijn heel bewust gekozen, want daarbinnen moet zeggenschap zijn om als leerkracht je eigen rol te kunnen spelen.

Daarnaast vind ik het heel goed dat docenten, even los van hun school, nadenken over hun eigen ontwikkeling en dat zij los van hun leidinggevende zeggen: ik wil deze cursus doen of ik wil tijd vrijmaken voor peer review en op die manier school ik mezelf bij. Als de beroepsgroep van mening is dat dat voldoet aan de eisen van goed onderwijs en van een goed na- en bijscholingsaanbod, verdient de docent daar zijn punten mee om ervoor te zorgen dat hij uiteindelijk opnieuw kan worden geregistreerd. Dat sluit niet uit dat ook de werkgever iets kan verlangen van die docent. Een werkgever kan zeggen: wij doen hier in school ook dingen als team.

Die twee kunnen in mijn ogen prima naast elkaar bestaan. Als ik kijk naar het aantal uren dat nu bijvoorbeeld in de cao's is vrijgemaakt voor na- en bijscholing, zou dat ook qua tijd en geld uitstekend passen.

De heer Rog (CDA):

Op basis waarvan is de minister straks in de positie om de nascholingsactiviteiten te valideren?

Staatssecretaris Dekker:

De vraag wie straks dat aanbod gaat valideren, is interessant. Dat zijn eerst en vooral de docenten zelf. Dat zijn de leerkrachten. Kijk hoe dat gaat in de zorg. Daar is het de beroepsgroep zelf die dat doet. In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om uiteindelijk een aantal van die dingen te laten beklinken door de minister, maar die kijkt niet naar de inhoud. De minister kijkt of dat proces zorgvuldig verlopen is. Als je bijvoorbeeld kijkt naar het bekwaamheidsvereiste blijkt dat daar een rol is voor de beroepsgroep. Dat is nu overigens niet vreselijk anders. De beroepsgroep moet dat zo goed als mogelijk doen, ook met draagvlak van bijvoorbeeld de werkgevers en sectorraden. Uiteindelijk toetst de minister of dat proces goed is verlopen. Die gaat niet nog eens inhoudelijk allerlei dingen herschrijven. Dat is het mooie van dit wetsvoorstel. Maar dat vraagt ook van ons, van u en van mij, dat wij erop vertrouwen dat die leerkrachten het aanbod kunnen valideren.

Mevrouw Ypma (PvdA):

De Onderwijsraad heeft onlangs gepleit voor een brede kijk op die ruimte, dus om niet alleen te kijken naar de individuele kennis en vaardigheden maar om ook te kijken naar het verbeteren van de condities waaronder docenten werken, dus tijd, middelen en een visie. De werkdruk voor docenten is hoog, dus ze zijn snel geneigd om zich met hun eigen lessen bezig te houden in plaats van dat ze met andere docenten kijken naar de visie van de school. Ik ben dan ook benieuwd hoe het staat met de uitvoering van de motie die ik met de heer Van Meenen heb ingediend met als doel dat er meer tijd komt voor de docenten. Kan de staatssecretaris daar iets over zeggen?

Staatssecretaris Dekker:

Dat kan ik zeker. Dat is een serieuze motie, maar het is er ook een die niet een-twee-drie is uitgevoerd. De heer Van Meenen en u hebben gevraagd om met de sectorraden om de tafel te gaan. Ik ben daar serieus mee bezig. Ik heb net aangegeven dat die 40 uren in mijn ogen passen, ook binnen de huidige bekostiging en de huidige voorgeschreven tijd in de cao's, maar ik zie natuurlijk ook dat de werkdruk hoog is en dat er in Nederland een groot aantal uren is waarin les wordt gegeven. Ik wil daar dus serieus naar kijken en kom later in het najaar met een brief uw kant op waarin staat welke scenario's denkbaar zijn. Ik zeg er wel direct bij dat al die scenario's consequenties hebben, want een en ander past niet altijd binnen de huidige wet- en regelgeving. Dan vraagt het ook iets meer, bijvoorbeeld dat je accepteert dat het aantal onderwijsuren voor leerlingen minder wordt.

De voorzitter:

Ik begrijp dat u daar in het najaar op terugkomt.

Staatssecretaris Dekker:

Ja. ik vermoed dat mevrouw …

Mevrouw Ypma (PvdA):

Goed dat de staatssecretaris daarop in het najaar terugkomt. Wij hebben het tijdens het debat ook gehad over de teamverbandcompetenties. Tellen die ook mee voor het lerarenregister? Ik zie dat dit wat het schoolleidersregister betreft goed werkt. De schoolleiders komen echt met energie uit intervisiebijeenkomsten. Gaat dat ook gelden voor het lerarenregister?

Staatssecretaris Dekker:

Ik denk van wel, want ik weet hoeveel belang leerkrachten hieraan hechten en hoeveel lol ze daaraan beleven. Ik zie dat heel veel leraren het niet vergelijken met een cursusje waar je voor betaalt maar dat ze het zien als iets — de dingen die je als leerkracht doet: noem ze allemaal maar op — wat je gewoon met collega's doet op een andere school. Maar ik kan u die garantie niet geven, omdat het de leraren zijn die dat straks gaan bepalen. Ik zou daar echter een groot voorstander van zijn.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Hartelijk dank. Mijn laatste vraag: staat er iets in de weg om dit mee te laten tellen in het huidige wetsvoorstel, of kunnen de leraren dit gewoon doen?

Staatssecretaris Dekker:

Op die vraag kan ik wel antwoord geven. Er staat niets in de weg om dit mee te nemen.

De heer Bruins (ChristenUnie):

ik heb natuurlijk niet de hele historie van dit traject meegemaakt gezien mijn anciënniteit in de Kamer. Ik sta hier dus met enige bescheidenheid. Maar als ik de stukken goed lees, zie ik dat de staatssecretaris in 2013 heeft gezegd dat, wanneer vóór 2017 meer dan de helft van de leraren zich zou hebben ingeschreven in het lerarenregister, het register per 1 januari 2017 algemeen verbindend verklaard zou worden. Hoe waardeert de staatssecretaris zijn eigen woorden uit 2013? Hoe moet ik die in het licht van dit traject zien?

Staatssecretaris Dekker:

Dat betrof afspraken die wij gemaakt hebben met de vakbonden. Heel veel leraren vragen zich af wat het voor zin heeft om zich in te schrijven in een vrijwillig register waarin zij wel netjes voor zichzelf bijhouden wat zij hebben gedaan, maar waaraan totaal geen consequenties worden verbonden. Met dezelfde vakbonden en met de Onderwijscoöperatie zijn wij tot de conclusie gekomen dat dit een van de redenen is waarom het aantal inschrijvingen in het register stokt. Als wij dit register serieus willen maken en echt willen dat leraren zeggen "daar ga ik in staan, want dat heeft wel degelijk effect", dan vraagt dat om een volgende stap, ook van ons als parlement.

De heer Bruins (ChristenUnie):

Ik begrijp de redenering. Tegelijkertijd lijkt het er toch op dat de uitspraak van destijds een soort draagvlakmeting was, ook gelet op de stukken. Ik probeer die uitspraak nu een beetje te zien in het licht van de motie die door de heer Jasper van Dijk werd aangekondigd. In welke mate is er dan draagvlak als die uitspraak geen waarheid is geworden?

Staatssecretaris Dekker:

Ik zou de vraag haast bij de heer Bruins willen terugleggen. Ik heb net iets gezegd over dat draagvlak en uitgelegd hoe hard wij daaraan hebben gewerkt. Ik heb gezegd dat wij met al die lerarenorganisaties, de vakbonden en de vakverenigingen waarvan de vakdocenten uit het vo lid zijn, tot de conclusie zijn gekomen dat wij nu een stap verder moeten zetten. Dat zijn allemaal organisaties. Natuurlijk zijn er ongebonden leraren, die nergens lid van zijn. Heel veel leraren, vier op de vijf, zijn óf lid van een vakbond óf lid van een vakorganisatie. Al die clubs zijn betrokken geweest bij dit voorstel. Zij zeggen nu stuk voor stuk: mooi wetsvoorstel; dit moeten we doen; dit maakt de beroepsgroep beter. Dat geeft mij vertrouwen, en ik hoop dat dat ook voor de heer Bruins geldt. Dit zijn belangrijke organisaties. Ik hecht veel waarde aan hun mening. Laten wij dat vertrouwen dan ook honoreren.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter, u vroeg net of ik aan het einde van mijn blokje was gekomen. Er zijn heel veel specifieke vragen gesteld, maar ik denk dat de meeste vragen op het gebied van de zeggenschap wel in de interrupties aan de orde zijn gekomen.

Ik kom nu bij het allergrootste blok; dat gaat over het register zelf. Alle bevoegde leraren komen in het lerarenregister. Als je nog niet bevoegd bent en werkt aan het behalen van je diploma, kom je in het voorportaal. Daar wil ik in het volgende blok wat meer over zeggen. Leraren maken via het register zichtbaar dat zij bevoegd zijn, een diploma hebben gehaald en hun bekwaamheid bijhouden. Het gaat hier heel nadrukkelijk om een instrument. Het lerarenregister is geen doel op zichzelf. Het is het sluitstuk van de professionele verantwoording en de professionele instelling van leerkrachten. Het is wel een belangrijk instrument, want nu ervaren leraren nog weleens dat hun bijscholing als vrijblijvend wordt gezien. Zij missen bovendien vaak het overzicht: welk aanbod is voor mijn vakgebied nu relevant, welk aanbod is nu echt van kwaliteit en wat vinden mijn collega's daar nu precies van? Dat is een van de redenen waarom het onderhouden van de bekwaamheid nu vaak achterblijft.

Door het register kunnen leraren in hun portfolio gericht gaan werken aan hun bekwaamheid. In het register komt ook het aanbod te staan dat daarvoor van waarde is, opdat leraren beter onderbouwd kunnen kiezen wat zij aan nascholing doen. Natuurlijk maakt het register duidelijk wie aan het einde van een registratieperiode, dus ook bij herregistratie, niet aan de eisen voldoet. Het gaat echter met name om de periode daarvoor. Hierover zijn verschillende vragen gesteld. Wat gebeurt er nou als iemand niet langer geregistreerd wordt en zijn registratie verliest? Wat zijn de consequenties op school? Wat zijn de consequenties voor de individuele leerkracht? Ik zal er straks iets over zeggen.

Het lerarenregister is niet in beginsel een repressief instrument. Het is een ontwikkelingsinstrument. Het is een instrument dat het voor leraren vanzelfsprekend moet maken dat ze niet alleen een diploma hebben, maar ook moeten werken aan na- en bijscholing. In al die andere sectoren, bij verpleegkundigen, accountants, architecten en noem maar op, is het vanzelfsprekend dat dit gebeurt. Er wordt zelden iemand geschrapt uit het register. Dat is niet het probleem. Het probleem in het onderwijs is dat na- en bijscholing en bevoegdheid niet vanzelfsprekend zijn. De heer Bruins zei dat het BIG-register vooral voor de verzekeraars in het leven is geroepen, maar dat is natuurlijk niet zo. Dat register is er zodat u en ik, als wij in een ziekenhuisbed liggen, weten dat de verpleegkundige die de naald van een infuus in onze arm steekt, haar diploma heeft gehaald, op de hoogte is van de nieuwste medicijnen en behandelmethoden en weet wat ze doet. Ik vind het niet meer dan logisch dat dat in het onderwijs ook zo is. Daarom is dat register zo belangrijk.

Dit doen leraren op basis van de normen van hun eigen beroepsgroep. Leraren stellen met elkaar via de deelnemersvergadering en de herregistratiecriteria het beoordelingskader van het professionaliseringsaanbod op. Dat verwacht ik voor de zomer van 2017. Mocht een leraar na vier jaar niet voldoen aan de criteria, dan wordt daarvan een aantekening in het register gemaakt. Dat kan voor het eerst in 2022; dat kan niet morgen. We hebben daarvoor echt een heel zorgvuldig en lang proces gekozen, mede naar aanleiding van de kritische reactie van de Raad van State, die schreef: kijk uit dat je dit niet te snel doet. In een eerder wetsvoorstel, dat we aan de Raad van State hadden voorgelegd, gingen we namelijk uit van een korter traject. Dat is nu opgerekt. In 2022 kan voor het eerst een aantekening worden gemaakt. Ik zeg erbij dat dit niet onmiddellijk betekent dat een leerkracht geen les meer mag geven. Zo hebben scholen de tijd om hun persoonsbeleid aan te passen en zo hebben leraren de tijd om hieraan te wennen. Als er na de tweede herregistratieperiode, eind 2026, weer een aantekening volgt, zal het echt de consequentie hebben dat een leerkracht zijn registratie verliest en niet meer zelfstandig voor de klas mag staan. Bij dit alles streven we naar een verantwoorde invoering, met de fases die beschreven zijn in de routekaart.

Een aantal Kamerleden heeft gevraagd wat er gebeurt als iemand zijn registratie verliest: leidt dat niet tot een groter lerarentekort? Ik denk het niet. In al die andere sectoren die met registers werken, wordt er zelden iemand geschrapt en als er iemand geschrapt wordt, is dat vaak terecht. Het lerarentekort wordt met dit register niet erger; ik denk juist dat de situatie beter wordt. Het register kan eraan bijdragen dat er een sterke beroepsgroep komt en dat docenten meer over hun standaarden praten: wat is kwaliteit en wat hoort bij ons vak? Dat leidt tot beroepstrots. Het imago van het leraarschap is een van de factoren die bepalen of leerlingen en studenten ervoor kiezen om leraar te worden: wil je bij die club horen? Een van de factoren die voor jonge mensen een rol spelen bij de keuze voor een vak is de vraag of zij zeggenschap hebben over hun eigen beroep. Dat regelen we met dit wetsvoorstel. Die zeggenschap vergroten we met dit wetsvoorstel. Het is natuurlijk geen panacee. Dit is niet hét middel om iets te doen tegen het lerarentekort, maar het maakt het niet erger. Het is een stap in de goede richting.

Ik was zeer getroffen door de bijdrage van de heer Grashoff. Hij sprak over het lerarentekort. Dat was ook een terecht punt in het rapport van de Raad van State, die ons hiervoor waarschuwde, want wat gebeurt er straks, als iemand die zijn registratie verliest, niet meer voor de klas mag en als er alleen nog bevoegden voor de klas mogen? Dat geldt zeker voor de vakken waarvoor we nu al tekorten hebben en misschien voor een aantal vakken waarvoor we in de toekomst tekorten voorzien. We moeten meer doen om dat lerarentekort aan te pakken. Ik ben dat helemaal met de heer Grashoff eens. Hij daagde me uit om daar dan eens een goed plan voor te maken. Ik denk dat we al een aantal dingen doen, maar er kan ook nog wel een schepje bovenop. Ik neem die uitdaging dus heel graag aan. Ik beloof dat ik met de werkgeverssectoren, de vakbonden, de Onderwijscoöperatie en ook met de lerarenopleidingen samen met de minister naar de Kamer kom met een plan over wat wij de komende jaren allemaal moeten doen om dat lerarentekort aan te pakken. Dat is ingewikkeld.

Ik geloof dat het aantrekkelijk kan zijn als we leerkrachten iets meer tijd geven en dat dit ook de keuze om leerkracht te worden, wellicht wat vergemakkelijkt. Maar op korte termijn wordt daarmee het lerarentekort vergroot. Het lost het niet op. Je ziet daar de spanning ontstaan. Dat zie je op een aantal andere vlakken ook. Ik denk bijvoorbeeld dat het verhogen van de eisen door lerarenopleidingen een heel goede stap is. Als je echt leraar wilt worden, moet het een moeilijke opleiding zijn. Daar moet je echt wat voor doen. We willen de beste studenten daarvoor hebben. De minister heeft onlangs de eisen voor de pabo opgeschroefd. Dat is op de lange termijn goed, maar dat heeft op de korte termijn een negatief effect. We moeten kijken wat we daarmee doen en hoe we dat kunnen bijsturen. Laten we dat nu allemaal op een rijtje zetten om te bekijken wat we op de lange termijn kunnen doen om ervoor te zorgen dat er straks, over 5, over 10 of over 25 jaar, gewoon voor alle vakken op scholen leerkrachten met een bevoegdheid zijn. We moeten ervoor zorgen dat we niet zonder komen te zitten.

De voorzitter:

Bent u klaar met dit onderdeel?

Staatssecretaris Dekker:

Ik was eigenlijk nog maar net begonnen.

De voorzitter:

Dan geef ik toch de heer Van Meenen de gelegenheid om te interrumperen. Anders is het een beetje eenrichtingsverkeer. Dat is ook niet de bedoeling.

De heer Van Meenen (D66):

Ik wilde heel graag interrumperen, omdat de staatssecretaris in een soort flow terechtkwam en heel enthousiast begon te praten over artsen, verpleegkundigen, architecten, notarissen, advocaten en noem maar op. Dat zijn allemaal beroepsgroepen waarbij het vanzelfsprekend is. Toen zei hij vol passie: en in onderwijs is het niet vanzelfsprekend. Bijscholing is niet vanzelfsprekend, een bevoegdheid is niet vanzelfsprekend. Dat is volgens mij precies waar het hier om gaat. Bijscholing, gebrek aan tijd, bevoegdheid, het lerarentekort, dat zijn de dingen waar meerdere sprekers en ook de Raad van State op wijzen. De Raad van State zegt: pas als dat op orde is, zoals dat bij die andere beroepsgroepen allemaal op orde was … Er liepen geen onbevoegde artsen in Nederland rond. Ik ben ze althans niet tegengekomen. Ik zal het anders zeggen: als ik naar de dokter ga, ga ik niet eerst het BIG-register raadplegen. Dan ga ik ervan uit dat er iemand zit met een diploma. Als we dit register nu invoeren, ben je er helemaal niet zeker van dat de docent die lesgeeft aan jouw kinderen, bevoegd is terwijl dat bij wijze van spreken al eeuwen in de wet staat. Daar heeft de heer Bisschop op gewezen. De cruciale vraag is: is het verantwoord om op dit moment een lerarenregister in te voeren of moeten we er eerst voor zorgen dat voldaan is aan oplossingen voor zowel de tijd en de ruimte voor bijscholing als het lerarentekort?

Staatssecretaris Dekker:

Ik vind dat we daar niet op moeten wachten. We hebben hier 23 jaar over gesproken. Er ligt een grote stapel rapporten. De Onderwijsraad zegt: het is vrijwillig geprobeerd, maar als het geen consequenties heeft, als het niets voorstelt, gaat een vrijwillig register niet vliegen; wij moeten nu deze stap zetten. Ik wil er twee dingen aan toevoegen. Het lerarenregister zal pas in 2026 definitieve consequenties hebben. Wij praten over negen jaar. Dat betekent dat er echt de tijd is om zorgvuldig een aantal stappen te zetten. Tegelijkertijd moeten we niet stilzitten. Wij moeten werken aan het wegwerken van lerarentekorten, wij moeten meer werk maken van het aanpakken van onbevoegdheden. Ik heb de Kamer daar onlangs een uitgebreide brief over gestuurd. We zijn er echter nog niet aan toegekomen om daar in deze zaal uitgebreid over te debatteren. Er liggen plannen om ervoor te zorgen dat er een betere aansluiting is tussen de lerarenopleidingen en de bevoegdheden op school. Maar een van de dingen die nu ontbreken, is een sluitende systematiek. De heer Rog had het over de karavaan van rondtrekkende leraren die zonder bevoegdheid van de ene naar de andere school hoppen. We hebben er totaal geen zicht op, maar met dit wetsvoorstel wordt het wel zichtbaar.

De heer Van Meenen (D66):

Dat is precies waar ik voor vrees. Er worden natuurlijk voor de zoveelste keer mooie woorden gesproken over de bestrijding van het lerarentekort. We worden gewaarschuwd voor het geven van extra tijd, omdat dat het lerarentekort misschien nog wel groter zou maken. Afijn, mijn grootste vrees is dat we juist de dingen die moeten gebeuren op de lange baan schuiven, omdat de verwachting is dat het lerarenregister die gaat oplossen. Die vrees wordt bij mij versterkt als ik de staatssecretaris hoor vragen wie er leraar wil worden. Ik vrees dat mensen daarop zullen antwoorden: ik, want ik wil bij die club van dat register horen! Ik mag toch hopen dat er in Nederland geen mensen rondlopen die … Ik zie dat de heer Beertema zich al aanbiedt. Zijn plek op de lijst is blijkbaar inmiddels bekend.

(Hilariteit)

De voorzitter:

Zijn er binnenkort verkiezingen, mijnheer Van Meenen?

De heer Van Meenen (D66):

Het wordt nog een hele klus voor de heer Beertema om zichzelf in te schrijven.

Ik mag toch hopen dat er geen mensen in Nederland rondlopen die leraar willen worden omdat er een lerarenregister is. Dat is mijn zorg. Die zorg wordt nu ook aangehaald door de staatssecretaris als hij zegt dat het lerarentekort wordt opgelost door de komst van dit register. Voorzitter, u begrijpt toch wel wat ik bedoel?

De voorzitter:

Ja hoor. Ik denk dat de staatssecretaris ook begrijpt wat u bedoelt.

Staatssecretaris Dekker:

De heer Van Meenen schetst nu echt een karikatuur van datgene wat ik zojuist heb gezegd. Ik heb immers heel nadrukkelijk gezegd dat het register geen doel op zichzelf is. Het is een instrument om leraren meer zeggenschap te geven, meer aan het stuur te zetten en over veel meer dingen zelf te laten beslissen binnen hun beroepsgroep en binnen hun school, bijvoorbeeld het beschrijven en wettelijk verankeren van het zeggenschap. Ik denk dat al die maatregelen ertoe zullen leiden dat er een sterkere beroepsgroep komt en daarmee ook een grotere beroepstrots. Ik denk dat jonge mensen het aantrekkelijk vinden om bij een beroepsgroep te horen die zelfbewust is en die eigenaarschap en professionele autonomie heeft.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het valt mij ook op dat de staatssecretaris bovengemiddeld gepassioneerd spreekt over deze wet. Ik dacht even dat dat komt doordat hij misschien onzeker is over de werking van deze wet. Maar misschien komt het wel gewoon doordat hij vanochtend een energiedrankje heeft gedronken; dat zou ook kunnen. Maar laat ik met hem meegaan. Laten we bekijken of deze wet zou kunnen bijdragen aan het bestrijden van onbevoegde leraren. Ik zie dat immers nog niet helemaal. De Raad van State geeft daar ook vlijmscherpe kritiek op. Een bevoegd leraar kan door het register zijn bevoegdheid verliezen, terwijl het schoolbestuur tegelijkertijd de gelegenheid houdt om onbevoegde leraren aan te stellen. Hoe gaat de staatssecretaris voorkomen dat dat schoolbestuur alsmaar onbevoegde leraren aanstelt? Moeten we dat niet een keer bestrijden?

Staatssecretaris Dekker:

Ik ben het helemaal eens met de heer Van Dijk dat we dat moeten bestrijden. Maar het gaat mis op het volgende punt. Er staan in de wet een aantal uitzonderingsbepalingen. In mijn ogen zijn dat terechte uitzonderingsbepalingen voor docenten die nog niet hun papieren hebben gehaald. Zij hebben nog geen diploma en zijn daarom nog niet bevoegd, maar zij kunnen wel alvast aan de slag. Een voorbeeld hiervan zijn docenten in opleiding. Dat is niet zo'n heel gek voorbeeld, want we kennen in de zorg ook artsen in opleiding. De enige makke is dat daaraan in het onderwijs, en ook in de wet, een termijn is gekoppeld. Je moet dat papiertje, dat diploma, binnen twee jaar halen, maar als er heel goede redenen zijn, kan dat nog een keer verlengd worden met twee jaar. Het is echter wel de bedoeling dat het binnen vier jaar gebeurt.

Maar het zicht daarop ontbreekt volledig. Dat is precies de reden waarom het registervoorportaal zo belangrijk is. In de brief van de AOb werd dat ook vlijmscherp onderstreept. Een leerkracht in opleiding kan nog niet in het register staan, want hij is nog niet bevoegd, maar in aanloop naar een vermelding in het register wordt hij ingeschreven in het registervoorportaal. Vervolgens moet hij zo snel mogelijk zijn diploma halen. Dan gaat er een tikker lopen. Op een gegeven moment bekijken we of hij zijn diploma heeft gehaald. Na twee jaar of in uitzonderingssituaties na vier jaar kan het twee kanten op: óf je hebt je diploma gehaald en dan word je registerleraar — dat zie ik het liefst — óf je hebt het niet gehaald. Dan zou je wat mij betreft ook niet langer voor de klas moeten staan. Dit is de systematiek die met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld.

Drie jaar geleden hadden wij een fantastisch debat bij de behandeling van de begroting. Toen haalde de heer Van Dijk precies dit punt aan, en dat heeft mij aan het denken gezet. Daarom ben ik het gesprek aangegaan met de vakbonden en met de Onderwijscoöperatie. Het vandaag voorliggende voorstel gaat hierover. Daarom hoop ik op enthousiasme, ook van de Socialistische Partij, om dit wetsvoorstel te steunen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dit is toch een knap retorisch antwoord. Eigenlijk kan ik nu niet meer tegen zijn.

De voorzitter:

Kijk eens aan!

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik begrijp dat die wet er dankzij mij komt. Het moet niet gekker worden.

De staatssecretaris heeft helemaal gelijk; dit probleem is groot. Ik heb er vaak over gesproken, ook met de staatssecretaris, maar het is net wat anders dan het register. De vraag is of het register en het voorportaal het probleem van de bevoegdheid zullen oplossen. Mijn indruk is dat de wet er al is. Je mag niet onbevoegd voor de klas staan en die regel moet de inspectie handhaven. Daarvoor hebben we deze wet niet nodig. Graag wil ik daar een reactie op.

Wanneer krijgen we de uitwerking met betrekking tot het mbo? Daar loopt het aantal onbevoegde leraren helemaal de spuigaten uit.

Staatssecretaris Dekker:

Er zijn een paar vragen gesteld over het mbo. Dat punt zit wat later in mijn verhaal. Ik kom daar straks uitgebreid op terug. Ik heb de Kamer met name over het voortgezet onderwijs een zeer uitgebreid plan van aanpak gestuurd. Dat gaat over de aanpak van de onbevoegdheid. Het vraagt om verschillende dingen, want er zijn verschillende oorzaken van onbevoegdheid. Net bespraken we een van de problemen. Het register an sich lost dat probleem niet op, want in het register zitten al bevoegde leraren. Het register zorgt ervoor dat die leraren ook aan hun vakbekwaamheid blijven werken. Het voorportaal is wel degelijk een middel, een instrument, om beter in beeld te krijgen wie nog onbevoegd is. Als betrokkene daar een goede reden voor heeft, bijvoorbeeld omdat hij nog in opleiding is, mag hij voor de klas staan, maar dan moet hij er wel voor zorgen dat hij binnen de tijd zijn diploma haalt. Uit het register blijkt ook voor wie dat niet geldt. Dat is een aangrijpingspunt voor de inspectie om in te grijpen. Sterker nog, je kunt tegen besturen zeggen: wij willen dat er alleen mensen voor de klas staan die in het register staan of in het voorportaal, en geen anderen.

De voorzitter:

Gaat u verder, zo vraag ik de staatssecretaris.

Staatssecretaris Dekker:

Dit appelleert ook aan de vraag van de heer Bisschop of een en ander aan de deugdelijkheidseisen voldoet. Wij hebben immers de eis van de bevoegdheid en de eis van de bekwaamheidsdossiers. Wij stellen nu eigenlijk voor om de bekwaamheidsdossiers door iets anders te vervangen. Ik vind dat ook niet ten onrechte. De bekwaamheidsdossiers worden onvoldoende gemaakt. Heel veel schoolbesturen hebben die dossiers niet of in onvoldoende mate. Het ligt in mijn ogen ook te veel bij de werkgever. Ik vind dat bekwaamheidsonderhoud ook iets is van jezelf. Dat moet je ook zelf willen. Vandaar dat wij deze beweging maken.

Tegen de heer Bisschop als initiatiefnemer van zijn eigen wetsvoorstel zeg ik dat daarin heel nadrukkelijk staat dat het inspectietoezicht, de toets op de deugdelijkheidseisen, risicogestuurd is. De inspectie komt niet dagelijks of jaarlijks langs op iedere school, terwijl het aannemen van nieuwe mensen iets is wat met grote regelmaat gebeurt. Daarom is het goed om naast het inspectietoezicht, dat risicogestuurd is, ook een grotere verantwoordelijkheid neer te leggen bij de beroepsgroep zelf.

De heer Van Meenen stelde vraag of het register niet leidt tot heel veel extra bureaucratie. Natuurlijk, een registratie is een administratieve handeling. Daar kunnen wij met zijn allen niet omheen. Ik wil u echter uitnodigen om eens een kijkje te nemen in het register. Bekijk dan eens wat het vergt om je te registreren. Je moet je één keer aanmelden. Dat doe je in twee minuten. Op dit moment moeten de diploma's nog worden geüpload, maar wat wij voorstellen, is dat dit automatisch gaat, volgens het Belastingdienstmodel, waarbij het hele verhaal al klaar staat en je alleen maar hoeft te controleren of dat goed is. Het enige wat wij vragen, is om het bij- en nascholingsaanbod bij te houden. Dat is twee minuten werk, maar de opbrengst is veel groter dan dat. Het wordt namelijk vanzelfsprekend dat iedereen aan bij- en nascholing doet. Leraren krijgen een sterkere positie in hun scholen en krijgen een sterker recht op die na- en bijscholing. Uiteindelijk leidt dat tot meer zelforganisatie en een sterkere beroepsgroep, waarbij de leerkrachten zelf bepalen wat de condities zijn die bij de beroepsgroep behoren, in termen van kwaliteitseisen, standaarden, het onderwijsaanbod en de herregistratie.

Er zijn vragen gesteld over hoe zich dit verhoudt tot de school zelf. Het betreft twee afzonderlijke verantwoordelijkheden. Met dit wetsvoorstel gaan wij voor een sterkere beroepsgroep, die zelfkritischer is en zichzelf normen oplegt. Ik denk dat het vrijwel niet gaat gebeuren, maar de ultieme consequentie kan zijn dat men zijn registratie verliest. Dit betekent niet dat er in een school niet ook gewone gesprekken zijn over het functioneren of dat er geen beleidscyclus is en noem het allemaal maar op. Die twee dingen zijn wel twee aparte verantwoordelijkheden. Daarover hebben we natuurlijk ook gesproken met de sectorraden. Een aantal leden vroeg om een reactie want waarom zijn die nou zo kritisch? Dat zit 'm precies op dit fundamentele punt. De werkgeverorganisaties zien het register als het sluitstuk van hun personeelsbeleid en daar werden we het gewoon niet over eens, want ik zie dat fundamenteel anders. Ik zie het lerarenregister als een sluitstuk van de eigen professionaliteit en de eigen verantwoordelijkheid van leerkrachten. Natuurlijk praat je daar op school over, maar dit wetsvoorstel wil echt de leerkrachten in positie brengen.

Ik ga straks in op het vraagstuk van de onbevoegden in het mbo. De heer Van Dijk stelde ook een vraag over kleine aanstellingen. Ik geloof ook dat de heer Rog dat deed toen hij sprak over bindingscontracten. Mevrouw Straus vroeg naar de 0,2-aanstelling. De 0,2-aanstelling geldt nu als een soort ondergrens voor het vrijwillige register. Dit wetsvoorstel schrapt dat en gaat ervan uit dat iedereen die voor de klas staat bevoegd of geregistreerd is of in de aanloop zit naar registratie en dus in het voorportaal staat. De uitzondering daarop zijn de gastdocenten maar dat is bij wet zeer gemaximeerd. Ik geloof dat het is vastgesteld op vier uur per week gedurende maximaal 40 weken per jaar. In het geval van kleine aanstellingen, dus ook als je twee dagen per week werkt, verwachten we dat je als leraar volledig bevoegd bent en werkt aan je registratie.

De voorzitter:

Staatssecretaris, u moet echt een beetje tempo maken met de beantwoording in de resterende blokjes.

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter, ik heb het vermoeden dat ik al een aardig eind op streek ben. Ik behandel kort een paar heel concrete vragen, want anders komen die in tweede termijn terug.

De heer Van Dijk vroeg naar de derdegraads leraren. Dit wetsvoorstel treedt niet in die bevoegdheidsvraagstukken. De regels gaan over benoembaarheid en bevoegdheid. De vragen van de heer Van Dijk gaan over benoembaarheid en bevoegdheid, maar daar gaat het wetsvoorstel niet over. Het wetsvoorstel gaat ook niet over de overgangsrechten met betrekking tot bevoegdheid. Er zijn een aantal dingen die in dat opzicht gerepareerd moeten worden. De heer Van Meenen heeft het bijvoorbeeld ook weleens gehad over de pabo'ers in het vmbo. Ik ben in het plan van aanpak uitgebreid ingegaan op onbevoegden. Ik vind dat je dat moet omzetten met een omzettingstabel of dat je er met een versneld scholingsaanbod voor moet zorgen dat die mensen alsnog hun bevoegdheid kunnen halen.

Mijnheer Rog stelde twee concrete vragen. Hoe zit het met ib'ers? Worden die uitgesloten van lesgevende taken? Het antwoord daarop is nee, maar als een ib'er leraar wil zijn, moet hij daarvoor wel bevoegd zijn en werken aan zijn bijscholing. All over the board proberen we daar eenzelfde maatstaf voor aan te leggen.

Het is aan de schoolbesturen en de leerkrachten om te bepalen of de verklaring omtrent het gedrag periodiek moet worden geactualiseerd. Ik kan mij voorstellen dat de beroepsgroep het op termijn opneemt, maar nogmaals: ook dit is iets wat aan de beroepsgroep zelf is. Dat laat natuurlijk onverlet dat wij als wetgever eisen aan het onderwijs kunnen stellen. Als dit echt een probleem is, zouden we het ook een keer als wetgever kunnen oppakken. Dat is dan wel bezijden de systematiek van het register.

Mevrouw Straus heeft gevraagd wat er gebeurt als je je herregistratie mist. Ik hoop natuurlijk dat dat niet of zo min mogelijk gebeurt. Dat heeft pas een ultieme consequentie in 2026. Het bestuur van het lerarenregister moet zelf de criteria opstellen waaraan je moet voldoen om je weer te registreren. Dan gaat het om de kolom van de beroepsgroep, de systematiek waarover deze wet gaat. Er is ook een arbeidsrechtelijke kant. Ik kan mij heel goed voorstellen dat de sociale partners aan de cao-tafel daarover afspraken maken. Er is altijd de vraag van de verwijtbaarheid. Als iemand zijn registratie niet heeft gehaald omdat hij er met de pet naar heeft gegooid, kan ik mij voorstellen dat dat een reden wordt voor ontslag. Maar als je je registratie niet hebt gehaald omdat je werkgever je daartoe niet in staat heeft gesteld, heb je een heel andere zaak. Dat zal daar nadrukkelijk op tafel komen.

Mevrouw Straus (VVD):

Ik dank de staatssecretaris voor dit antwoord. Ik had daarbij nog een vervolgvraag gesteld. Wat gebeurt er met het kwaliteitsoordeel van de school, als een of meerdere leraren de herregistratie niet halen? Verschillende collega's pleiten ervoor dat de inspectie nadrukkelijker gaat handhaven op de bevoegdheid van docenten. Dat zal in dit geheel ook een rol gaan spelen. Maar wat gebeurt er als een of meerdere leraren die herregistratie voor de bevoegdheid niet halen?

Staatssecretaris Dekker:

Het grote voordeel is dat met het register en met het voorportaal het inzicht van de inspectie veel groter wordt dan nu het geval is, waardoor zij makkelijker kan handhaven. De inspectie zal haar toezichtkaders zeker aanpassen aan deze wet. Mevrouw Straus vraagt wat je doet bij een school die bovenmatig veel leraren heeft die zich niet herregistreren. Ik ben het met haar eens dat er dan iets aan de geks aan de hand is. Op zo'n moment zal de inspectie vragen wat daar aan de hand is en of er wel sprake is van goed personeelsbeleid.

Mevrouw Straus (VVD):

Dat kan natuurlijk twee kanten op werken. Het is mogelijk dat de school de docenten niet voldoende in staat heeft gesteld om de herregistratie te halen. Dan zou de inspectie vooral de school moeten aanspreken. Andersom is het mogelijk dat de school wel de gelegenheid heeft geboden, maar dat leraren onvoldoende werk hebben gemaakt van de herregistratie. Kan het feit dat een enkele leraar die herregistratie bewust niet op orde heeft uiteindelijk het kwaliteitsoordeel van de hele school aantasten?

Staatssecretaris Dekker:

Dit is een uitwerkingsvraag, waarop ik nog geen heel definitief antwoord kan geven. Ik zal dat moeten bespreken met de inspectie. Het is fijn dat de inspectie in het vernieuwde toezicht een beetje afstapt van de vinkenlijstjes. Zo'n lijstje betekent dat als je zo veel niet-registraties en dergelijke hebt, daaraan automatisch een conclusie wordt verbonden. Ik denk dat het aanleiding moet zijn voor een gesprek. Als een school daarvoor goede redenen kan aangeven — ik heb een paar heel slechte leraren die er met de pet naar hebben gegooid en daarom de herregistratie niet hebben gehaald; daarom wil ik ze misschien wel ontslaan — dan kan ik mij voorstellen dat de inspectie zal zeggen: dat vinden we helemaal niet zo'n slecht verhaal. Maar als al die leraren zeggen dat zij totaal geen tijd krijgen, totaal overwerkt zijn en totaal geen support van hun bestuur hebben gehad, dan kan ik mij voorstellen dat de inspectie zegt: hé, hoe kan dit nou? In een moderne visie op teamwork, waarin behalve voor lesgeven ook ruimte moet zijn voor professionalisering, mag dit niet gebeuren. Dat gesprek moet op gang komen

De voorzitter:

Gaat u verder. Althans, hoever bent u?

Staatssecretaris Dekker:

Ik ben bijna aan het einde van mijn blokje.

De heer Grashoff heeft een vraag gesteld over tuchtrecht. In dit wetsvoorstel wordt dat niet uitgesloten, maar wordt het nu nog niet meegenomen. Tuchtrecht heeft zeer vergaande consequenties. We zouden daarover kunnen nadenken op het moment dat dit wetsvoorstel de effecten heeft die we beogen, namelijk een gedragen standaard en een sterke beroepsgroep die over tien jaar in staat is om dit te doen. Wat ik juist probeer, is om hier een heel zorgvuldig meerjarig traject op te nemen — we doen eerst de dingen waarvan we denken dat ze ze nu aankunnen — over die periode van negen jaar die we kiezen. Wellicht dat ergens een punt komt waarop we zeggen dat er een volgende stap gezet kan worden.

De heer Beertema stelde een vraag over schoolleiders. Die hebben een eigen registratie. Ik vind het op zich interessant om op een gegeven moment ook daar na te gaan denken over een volgende stap. Dat moet alleen wel losstaan van leraren. Het is echt een aparte beroepsgroep. Zeker in het vo is die vaak gescheiden. In het po zie je soms iets meer overlap. Het verschil is wel dat leraren een bevoegdheid hebben. Je kunt een diploma hebben waarmee je voor de klas kunt staan. Dat is voor schoolleiders natuurlijk toch anders. Bij zo'n register wordt niet zozeer de bevoegdheid meegenomen, maar meer het bekwaamheidsonderhoud.

De heer Bisschop stelde een vraag over het hoger onderwijs. Dat heeft ook te maken met een verschil in de afstand. Bij het po, vo en mbo is onze sturing iets intensiever. Dat heeft ook te maken met de leerplicht en de verantwoordelijkheid van de overheid op dat vlak. Ik zou zeggen: laten we vooral hier beginnen.

Dan ga ik naar mijn laatste blok toe, namelijk het registervoorportaal. Ik grijp nog maar even terug naar het doel waar ik in mijn inleiding al aan refereerde. Dit wetsvoorstel moet eraan bijdragen dat elke leerling het best mogelijk onderwijs krijgt. Hiervoor is het nodig dat elke leraar werk maakt van zijn beroepskwaliteit. Daarvoor zijn twee mogelijkheden. De eerste is dat je als bevoegde leraar je vak bijhoudt. Daar hebben we het net over gehad. De tweede is dat je hebt gekozen voor een baan als leraar en werkt aan het zo snel mogelijk behalen van je bevoegdheid. Laat ik helder zijn — de heer Rog vroeg daarnaar — dat het uitgangspunt voor mij is dat 100% van de leraren bevoegd is. Zo snel mogelijk, wat mij betreft in 2017. Daar helpt dit register bij, maar niet alleen dat. Dat geldt ook voor alle andere andere maatregelen in het plan van aanpak ter bestrijding van onbevoegdheid. De wet biedt echter wel ruimte om een aantal uitzonderingen te maken ten aanzien van de bevoegdheid. Dat betreft leraren in opleiding en bijvoorbeeld zijinstromers, die we natuurlijk ook vreselijk hard nodig hebben in het vmbo en het mbo.

Het registervoorportaal doet eigenlijk twee dingen. Het biedt aan de ene kant het perspectief van het toewerken naar registratie, waarbij het vanaf het begin duidelijk is dat mensen toetreden tot een beroepsgroep waarbij professionele ontwikkeling een belangrijke kwaliteitsnorm is. Aan de andere kant neemt het onduidelijkheid weg over wat de leraar nodig heeft om zijn bevoegdheid te halen en de termijn die daarbij hoort, waar nu vaak zo veel gedoe over is. Door het tijdig geven van een signaal aan de leraar en het schoolbestuur kan het halen van de bevoegdheid niet langer iets zijn wat er tussendoor glipt, zoals nu wel het geval is.

Er zijn specifieke vragen gesteld over zijinstromers, die voor het onderwijs zo belangrijk zijn. Via het register laten docenten zien dat zij bevoegd zijn en hun beroep onderhouden. Om in het register te komen, moet je dus bevoegd zijn. In het mbo is een aanzienlijke groep docenten afkomstig uit de beroepspraktijk. Dat zijn de zijinstromers. Zij zijn van groot belang voor de beroepsopleidingen, want zij nemen specifieke ervaringen en de actualiteit uit het bedrijf en de branche mee naar die opleidingen. Deze kennis en expertise uit de praktijk maken het mbo zo bijzonder. Dat is iets waar de minister ongelooflijk veel aan hecht.

Deze zijinstromers zijn benoembaar en bevoegd als docent als zij hun pedagogisch-didactische getuigschrift behalen. Als zij dat hebben behaald dan kunnen zij zich direct inschrijven in het lerarenregister, want dan zijn zij bevoegd. Zijinstromers die nog in opleiding zijn voor dat getuigschrift, komen op grond van het wetsvoorstel in het registervoorportaal. Ze zijn dus dan nog niet bevoegd en gedurende hun opleiding alleen tijdelijk benoembaar als docent. Als ze het getuigschrift hebben, kunnen ze zich alsnog registreren in het lerarenregister.

Het is wel belangrijk om even te vermelden dat de Onderwijscoöperatie en de MBO Raad in maart van dit jaar overeenstemming hebben bereikt over het verstevigen van de positie van mbo-zijinstromers in opleiding. Door nadere eisen te stellen aan de vakinhoudelijke bekwaamheid en de vakinhoudelijke inzet van de zijinstromers, welke leiden tot een invulling van het begrip "bevoegdheid" in het mbo, is een volwaardige registratie voor deze docenten realiseerbaar. De minister vindt dit een uitstekend initiatief van beide partijen, dat zij van harte ondersteunt. In haar brief van 9 mei jl. over de bevoegdheid van mbo-docenten heeft zij de Kamer hierover geïnformeerd en aangekondigd dat zij in overleg met de Onderwijscoöperatie en de MBO Raad deze afspraken nader zal uitwerken. Momenteel wordt hieraan hard gewerkt. Het is haar inzet om samen met de Onderwijscoöperatie en de MBO Raad de nadere vereisten op korte termijn inhoudelijk uitgewerkt te hebben. Het is het streven om vanaf 1 augustus 2018 deze zijinstromers als bevoegd in het lerarenregister in te laten stromen. Dat is weliswaar één jaar na inwerkingtreding van het lerarenregister, maar in de ogen van de minister is dat overkomelijk. Het lerarenregister wordt immers gefaseerd ingevoerd. Het eerste jaar is er nog geen sprake van herregistratie en zijn er nog geen consequenties verbonden aan herregistratie in het lerarenregister of in het registervoorportaal, behalve dan de zichtbaarheid ervan.

Ik kijk hierbij ook even in de richting van de heer Van Dijk. Dit is het punt rond die bevoegdheid en de aanpassing van die bevoegdheid. Volgens mij is dit een antwoord op zijn vraag op dit vlak.

Ik kom bij mijn laatste blok, namelijk het blokje varia. Dat zal niet veel tijd kosten. De heer Rog vroeg hoe het nu zit met de ICT-systemen. Het is natuurlijk belangrijk dat dit gebeurt. De heer Elias was deze ochtend onze voorzitter. De Onderwijscoöperatie en het ministerie ontwikkelen dat ICT-systeem in gezamenlijk opdrachtgeverschap en vervolgens wordt het bij de uitvoeringsorganisatie neergezet. Al die toetsen die wij doen, verlopen via die belangrijke processtappen. Onze intentie daarbij is om het zo open en transparant mogelijk te maken voor leerkrachten. Het beschikbare opleidingsaanbod moet overzichtelijk zijn. Ook willen we bij de registratie het systeem hanteren van de Belastingdienst. Dat werkt nu nog niet, zeg ik er nadrukkelijk bij. Maar het zou vanaf 1 januari wel operationeel kunnen zijn, zodat voor wie zich wil registreren, eigenlijk al heel veel ingevuld staat.

De heer Beertema stelde een vraag over de Lerarenadviesraad. Hij vroeg wat daar nou gebeurd is en hij zei dat hij er wat kritische geluiden hoorde. De Lerarenadviesraad is natuurlijk een onderdeel van de Onderwijscoöperatie. De adviesraad is weliswaar geïnformeerd over de voorbereiding van het wetsvoorstel en er heeft steeds een open debat plaatsgevonden. Maar ik vind het ook belangrijk dat de raad heel nauw betrokken is bij de nadere uitwerking en de implementatieplannen. Ik zal dat bij de Onderwijscoöperatie nog eens nadrukkelijk onder de aandacht brengen.

Hiermee ben ik gekomen bij het einde van mijn betoog. Ik heb misschien wel de belangrijkste vraag tot het allerlaatst bewaard. Die vraag is gesteld door de heer Bruins. Hij vroeg wanneer deze wet nou eigenlijk geslaagd is. Deze wet is geslaagd als we over een jaar of vijf toegewerkt hebben naar een sterkere beroepsgroep en daartoe significante stappen hebben gezet, als de beroepsgroep meer eigenaarschap heeft over de na- en bijscholing, als er meer zeggenschap en autonomie is voor leerkrachten op scholen, als er een professionele dialoog is binnen de beroepsgroep zelf over de standaarden die belangrijk zijn en over het scholingsaanbod wat daarbij hoort, en als er ook een ultieme consequentie is voor de leerkrachten die daar niet aan willen voldoen. Er moet echter ook een professionele dialoog zijn tussen een stevige, zelfkritische en zelfbewuste groep leerkrachten en schoolleiding, bestuur en teams. Uiteindelijk doe je op een school namelijk het onderwijs met zijn allen. Goed onderwijs is teamwork en daarbij spelen al die partijen, besturen, schoolleiders, maar ook leerkrachten een heel belangrijke rol.

De voorzitter:

Hiermee zijn we toegekomen aan de tweede termijn van de zijde van de Kamer. De spreektijden zijn een derde van de spreektijden in eerste termijn. Ik geef als eerste het woord aan de heer Grashoff. Hij heeft drie minuten spreektijd. Dat geldt overigens voor de meeste woordvoerders.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording. Hij heeft mij in zekere zin overtuigd op het punt van het voorportaal. Dat was voor mij een belangrijk punt. Ik zie overigens wel — dat komt wellicht in de tweede termijn van de staatssecretaris — nog een aantal amendementen voorbijkomen, waaronder ook een gewijzigd amendement van de heer Rog. Ik ben daar nog steeds zeer in geïnteresseerd. Mogelijk zou dat, als het gaat om het toedelen van verantwoordelijkheden, ook in de richting van schoolbesturen, wel eens een voordeel kunnen zijn. Dit was echter alleen een eerst blik. Ik ben heel benieuwd wat de staatssecretaris daarvan vindt.

Ik zou in elk geval wel één ding willen. De staatssecretaris heeft daar al iets over gezegd, maar ik had in eerste termijn aangekondigd dat ik op dit punt hoe dan ook een motie aan de Kamer zou voorleggen, omdat ik dit heel belangrijk vind. Die motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat sectororganisaties en onderzoeken waarschuwen voor een aankomend groot lerarentekort en dat veel scholen hier nu al hinder van ondervinden;

overwegende dat de instroom van pabo-studenten bijna is gehalveerd, waarmee het vraagstuk van het docententekort ernstig wordt verzwaard;

van mening dat het terugdringen van het lerarentekort essentieel is voor het laten slagen van het lerarenregister, dat mede het doel heeft om onbevoegdheid van leraren terug te dringen;

verzoekt de regering, met een ambitieus plan van aanpak te komen om het lerarentekort in alle onderwijssectoren op te lossen, waarbij expliciet aandacht wordt besteed aan beloning en carrièreperspectief, opleidingsstructuur, kwalitatief aanbod van bijscholing en beperking van de werkdruk van leraren;

verzoekt de regering voorts, dit plan van aanpak lerarentekort voor 1 februari 2017 naar de Kamer te zenden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grashoff en Ypma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 13 (34458).

De heer Bruins (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn enthousiaste en gedreven beantwoording van mijn vragen. Ik ondersteun de doelen van het lerarenregister, maar ik heb nog wel twijfel over de timing en de vormgeving, zeker ook in het licht van het advies van de Raad van State. Ik neem echter alles wat ik heb gehoord mee naar mijn fractie.

Ik heb twee moties. Mijn eerste motie gaat over de privacy.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de waarborgen in het wetsvoorstel om de persoonlijke levenssfeer van de leraar te beschermen nog uitgewerkt moeten worden, bijvoorbeeld op welke gronden leraren bepaalde gegevens kunnen laten afschermen;

overwegende dat het lerarenregister een openbaar, doorzoekbaar register zal zijn;

van mening dat de bescherming van persoonsgegevens van leraren goed geborgd moet zijn;

constaterende dat de Onderwijscoöperatie wordt aangemerkt als vertegenwoordiger van de beroepsgroep leraren;

verzoekt de regering, bij invoering van het verplichte lerarenregister aan de vertegenwoordiger van de beroepsgroep als kader mee te geven dat de privacy van leraren wordt gewaarborgd door de doorzoekbare gegevens te beperken tot het aggregatieniveau van scholen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bruins. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 14 (34458).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het voortgezet onderwijs het lerarentekort bij tekortvakken als scheikunde en natuurkunde de komende jaren groeit;

overwegende dat zij-instroom van mensen met praktijkervaring in het beroepenveld zeer waardevol is voor het (voorbereidend) beroepsonderwijs;

van mening dat de eis van een erkend pedagogisch didactisch getuigschrift (PDG) of de eis om binnen vier jaar de lerarenopleiding af te ronden goede waarborgen kunnen bieden om zij-instromers direct in het lerarenregister op te nemen;

constaterende dat de Onderwijscoöperatie wordt aangemerkt als vertegenwoordiger van de beroepsgroep leraren;

verzoekt de regering, de vertegenwoordiger van de beroepsgroep als kader mee te geven dat de regelgeving rondom het lerarenregister zo wordt ingericht dat geen hindernissen ontstaan voor het werven van zij-instromers, praktijk- en ervaringsdeskundigen en vakmensen, met name in het mbo,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bruins. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15 (34458).

Mevrouw Straus (VVD):

Voorzitter. Volgens mij zijn wij het over één ding eens, namelijk dat wij een sterke inhoudelijke beroepsgroep voor leraren willen. Wij zijn het er echter ook over eens dat deze nog moet groeien. Wat de VVD betreft is dit wetsvoorstel slechts een begin. Het is een raamwerk, maar de verdere invulling ervan is cruciaal. Dit debat met al onze vragen en alle antwoorden van de staatssecretaris hoort ook bij de wetsbehandeling. Dit is het kader dat ik graag aan de beroepsgroep wil meegeven voor de verdere invulling van het lerarenregister.

Nu is er toch nog een ander ding dat wij belangrijk vinden. Dit is niet alleen van, voor en door leraren, maar er moet ook een goede balans blijven bestaan tussen de leraren aan de ene en de school aan de andere kant. Daarvoor heb ik een motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Onderwijscoöperatie het vertegenwoordigend orgaan is van de lerarenberoepsgroep die het lerarenregister beheert en organiseert;

overwegende dat het lerarenregister van, voor en door de leraren is;

overwegende dat de Onderwijscoöperatie nu bestaat uit vijf lidorganisaties en individuele leraren die via de lerarenadviesraad inspraak hebben op het beleid van de Onderwijscoöperatie;

van mening dat de Onderwijscoöperatie zich in de toekomst zou moeten ontwikkelen naar een breedgedragen beroepsorganisatie van de leraren die goede contacten onderhoudt met werknemers- en werkgeversorganisaties;

verzoekt de regering, de Onderwijscoöperatie te stimuleren om de vereniging op termijn zo in te richten dat individuele leraren lid kunnen worden van de vereniging, het bestuur door hen gekozen wordt en zij zo direct inspraak krijgen op het beleid van de Onderwijscoöperatie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Straus, Van Meenen en Ypma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 16 (34458).

De heer Rog (CDA):

Voorzitter. Ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om de staatssecretaris te danken voor zijn bevlogen verdediging van het wetsvoorstel. In mijn fractie is kritisch naar dit wetsvoorstel gekeken. De kritiek richt zich ook in hoge mate op het voorportaal. Ik heb een amendement ingediend om dat voorportaal uit de wet te halen. Ik heb gehoord wat de staatssecretaris heeft gezegd over de meerwaarde die het kan hebben.

Met een gewijzigd amendement heb ik beoogd om die karavaan van onbevoegden te stoppen die van school naar school trekt. Die kan dan geen prikkel meer zijn voor scholen om mensen tijdelijk in dienst te nemen en als zij, hup, naar een volgende school gaan, weer een andere onbevoegde aan te nemen. Ik verwijs kortheidshalve naar dit amendement, omdat ik ook nog graag twee moties wil indienen.

De voorzitter:

U doelt op het amendement op stuk nr. 12?

De heer Rog (CDA):

Ja, dat is nummer 12. Ik zal nu twee moties voorlezen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het proces van herregistratie van een leraar in het lerarenregister het bijhouden van de bekwaamheid centraal staat;

overwegende dat leraren thans alleen bij de eerste benoeming bij een bevoegd gezag een actuele verklaring omtrent het gedrag (vog) hoeven te overleggen;

verzoekt de regering, bij de eisen die worden gesteld aan herregistratie op te nemen dat tevens een nieuwe verklaring omtrent het gedrag dient te worden overgelegd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Rog. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 17 (34458).

De heer Rog (CDA):

Mijn tweede motie gaat over de nascholingsactiviteiten en de conceptscholen, dus scholen die vanuit een bepaalde pedagogisch-didactische visie werken. Ik wil graag borgen dat daarover niet door de hele beroepsgroep wordt geoordeeld, maar door de betreffende beroepsgroep van die conceptscholen zoals jenaplanscholen, daltonscholen, vrijescholen, et cetera.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de verantwoordelijkheid voor een adequaat scholingsaanbod komt te liggen bij de beroepsgroep, zowel voor wat betreft de individuele scholingsdoelen als de teamscholingsdoelen, alsmede de scholingsdoelen in relatie tot het school- en onderwijsbeleid;

tevens constaterende dat het wetsvoorstel het in laatste instantie aan de minister laat om criteria en regels voor validering van het scholingsaanbod vast te stellen;

overwegende dat dit invloed kan hebben op de vrijheid van inrichting van het onderwijs;

verzoekt de regering om nascholingsactiviteiten die gericht zijn op het ontwikkelen of het onderhouden van de pedagogisch-didactische visie van (concept)scholen alleen door de betreffende lerarenteams van deze scholen in plaats van de gehele beroepsgroep te laten beoordelen en daarmee automatisch te laten valideren door de minister,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Rog, Bisschop en Bruins. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 18 (34458).

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. De verwachtingen over de werking van het lerarenregister lopen nogal uiteen. De staatssecretaris denkt bijvoorbeeld dat er in Nederland heel veel mensen zijn die denken: nu word ik leraar, want bij die club met dat register wil ik horen. Dat denk ik niet.

Het kernpunt in het debat is voor mij geweest de discrepantie tussen aan de ene kant datgene wat er moet gebeuren om het lerarentekort weg te werken en aan de andere kant ervoor zorgen dat docenten in de positie komen om werkelijk te werken aan hun na- en bijscholing, de werkdruk tegen te gaan et cetera. De vraag is of dat moet gebeuren voordat er een register kan komen, of dat er een register moet komen omdat dit kan helpen om die dingen op te lossen.

Mijn conclusie na dit debat is dat het niet zo kan zijn dat wij, zonder dat aan die voorwaarden voldaan is, met dit register beginnen. Dat houdt ook de Raad van State ons duidelijk voor. Om die reden heb ik met de heer Bisschop een motie opgesteld.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een lerarenregister tot versterking van de beroepsgroep en meer aandacht voor bijscholing kan leiden, maar dat op dit moment de randvoorwaarden als instroom, werkdruk en scholingsaanbod onvoldoende zijn en er geen zicht is op verbetering hiervan;

overwegende dat het lerarenregister op zichzelf niet zal leiden tot verbetering van instroom, werkdruk en scholingsaanbod;

verzoekt de regering, de uitwerking van het lerarenregister in te bedden in een breed verbeterprogramma, gericht op het versterken van de beroepsgroep in onder andere opleiding en examinering, het bestrijden van het lerarentekort en het tegengaan van de werkdruk van de leraar door vermindering van de lestaken en het verlagen van de klassengrootte;

verzoekt de regering tevens, het wetsvoorstel niet eerder in werking te laten treden dan nadat er in de Kamer is gesproken over het verbeterprogramma,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Meenen en Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 19 (34458).

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. De intentie van dit wetsvoorstel is goed. Geen misverstand. De discussie gaat over het middel en de timing. De Raad van State heeft forse kritiek. Die zegt: eerst beter uitwerken, dan pas invoeren.

Daarnaast is er de vraag over de onbevoegdheid. Mogelijk geeft het register meer inzicht, maar er gebeurt niets aan het aantal onbevoegden. Dat kan zelfs toenemen als bevoegde leraren uit het register worden gegooid. Daarom zegt de Raad van State dat dit onwerkbaar en onevenredig is. Forse kritiek

Dan het draagvlak. Wat hier gebeurt, vind ik echt te gek voor woorden. De staatssecretaris heeft het begin vorig jaar onderzocht. Het resultaat is dat 30% positief is, dat 20% neutraal is en dat 50% negatief is. Conclusie: er is geen draagvlak voor het register. Nou vraag ik daarnaar in het debat, en dan zegt de staatssecretaris "ik vind dat er draagvlak is". Dat antwoord is allesbehalve wetenschappelijk. Als de staatssecretaris de conclusies van de commissie-Dijsselbloem serieus neemt, wat hij zegt te doen, dan zeg ik hem: voer dan een serieus onderzoek uit. Ik dien daarom de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat voor een succesvolle invoering van het lerarenregister draagvlak onder leraren essentieel is;

overwegende dat alleen bij voldoende draagvlak daadwerkelijk kan worden gesteld dat dit register "van, voor en door" leraren is;

verzoekt de regering om op korte termijn een draagvlakmeting uit te voeren onder leraren en de uitkomsten van deze meting te betrekken bij vervolgstappen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jasper van Dijk, Van Meenen en Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 20 (34458).

De heer Jasper van Dijk (SP):

De mensen die tegen deze motie gaan stemmen, zijn niet alleen bang voor de uitkomsten van het onderzoek, maar gooien ook de conclusies van de commissie-Dijsselbloem in de prullenbak en dat is een farce.

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Wat hebben wij weer genoten van de heer Van Dijk!

Ik dank de staatssecretaris voor de adequate beantwoording en de uitgebreide uitleg. De SP benadrukt dat de inrichting van het register, van het statuut, een onderwijsvernieuwing is. Ik bestrijd dat. Dit is geen vernieuwing; dit is de formalisering van de centrale positie van de leraar. Het is een formalisering die naar onze mening twintig jaar te laat komt. Het is een versterking van de positie van de docent, die bovendien de bestuurders en de managers een stukje bescheidener zal maken, misschien zelfs meer dienend aan de kern van het onderwijs. Dat moet de heer Van Dijk toch aanspreken.

Inderdaad, de staatssecretaris heeft gelijk over het lerarentekort. Als het register iets zal doen, dan zal het het lerarentekort kleiner maken, want het beroep wordt uitdagender. Dat kan ik u verzekeren.

Het register is niet af. Ik zei het al. Dit wordt een gremium dat heel vaak bijstelling behoeft. Dat hoort ook zo.

Ik maak nog een opmerking over de twee registers, voor de schoolleiders en de adjunct-schoolleiders, die nu bij de sociale partners zijn "belegd". Ik vind het gewoon geen mooi gezicht. Er is heel lang een te groot onderscheid geweest tussen de schoolleiders en de leraren. Wij hebben nu een prachtige wet met een prachtig register. Wat mij betreft, komen zij allemaal onder één dak, ondanks dat er voor schoolleiders slechts bekwaamheidseisen zijn en dus geen bevoegdheidseisen. Er zal dus een aangepaste systematiek moeten komen, maar die centralisering is gewoon mooi. Leraren en schoolleiders delen uiteindelijk toch dezelfde onderwijsmissie. Zij zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden, en dat wil ik ook uitgedrukt zien. Zij zijn met elkaar verbonden in een omhelzing die soms liefdevol is en soms minder liefdevol, maar het is wel zo. Om dat te bewerkstelligen volgt er nog een amendement.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Voorzitter. Wat is het toch prachtig dat wij op deze dag, de Dag van de Leraar, zo'n mooie, grote stap zetten. Er is immers niks mooiers dan voor de klas staan. Ik maak bij dezen een diepe buiging voor alle mensen die dagelijks de zorg dragen voor onze kinderen en kleinkinderen en ervoor zorgen dat ieder kind maximale kansen krijgt in het onderwijs.

Het lerarenregister hoort daar echt bij. Het is iets van, voor en door de leraren. Het is er om de positie van leraren te versterken, om het aantal onbevoegden terug te dringen en om de voortdurende professionalisering te borgen, te verbreden en te verdiepen. De stap die vandaag wordt gezet, vind ik prachtig, maar niet alleen leraren staan voor de klas. Er staan ook nog een hele hoop andere mensen voor de klas, zoals de klassenassistenten, de technisch onderwijsassistenten en een aantal andere mensen. Ik dien daarom de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het lerarenregister een belangrijke stap is in de verdere positionering en professionalisering van de beroepsgroep leraren;

overwegende dat professionalisering en het onderhouden van bekwaamheid ook van belang zijn voor de andere beroepsgroepen die betrokken zijn bij het primaireonderwijsproces, zoals technisch onderwijsassistenten en instructeurs;

overwegende dat in het Nationaal Onderwijsakkoord wel is vastgelegd dat voor instructeurs en onderwijsassistenten in het mbo een kwalificatiedossier wordt opgesteld waarin pedagogisch-didactische eisen worden benoemd en zij daarmee in een aparte "kamer" in het register worden opgenomen;

constaterende dat voor instructeurs en technisch onderwijsassistenten in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs nog geen kwalificatiedossier wordt opgesteld en zij derhalve ook niet worden opgenomen in het register;

verzoekt de regering, samen met de beroepsgroep ook voor instructeurs en technisch onderwijsassistenten in het po en vo een kwalificatiedossier te ontwikkelen en te onderzoeken hoe zij, indien zij aan de kwalificatie-eisen voldoen, in een aparte kamer in het register kunnen worden opgenomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ypma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 21 (34458).

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Allereerst wil ik de staatssecretaris bedanken voor zijn gloedvolle betoog. De beantwoording was niet helemaal naar wens, maar daarvan zal hij zich bewust zijn. Ik had graag gezien dat er af en toe iets dieper op de vragen was ingegaan — dat zou verhelderend hebben kunnen werken — maar de voorzitter gaf daar niet zo veel ruimte voor, ondanks de mildheid waarmee zij de vergaderingen leidt.

Ik blijf kritisch tegenover dit voorstel staan. Ik vat mijn bezwaren even samen. Aan de zeer terechte kritiek van de Raad van State is veel te weinig gehoor gegeven; die is veel te weinig recht gedaan. Vandaar dat ik de sterke neiging heb om mijn fractie te adviseren om tegen dit voorstel te stemmen. De SGP is geen partij die oproept tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Ik zie dat collega Van Dijk overeind schiet; hij denkt dat hij een medestander heeft, want het scheelt maar één letter tussen SP en SGP. De SP roept weleens op tot burgerlijke ongehoorzaamheid, maar de SGP heeft de neiging om te waarschuwen tegen burgerlijke ongehoorzaamheid. Wij moedigen die niet aan, maar waarschuwen ertegen. Ik vrees namelijk dat die zich hier weleens voor kan gaan doen. Ik ben bang dat het draagvlak voor het lerarenregister veel te optimistisch wordt ingeschat.

Ondanks het feit dat ik een negatief stemadvies aan mijn fractie zal geven, heb ik een amendement (34458, nr. 10) ingediend. Dat klinkt een beetje raar, maar dat heeft met onze constitutionele genen te maken. Er zit namelijk een wat rare situatie in het wetsvoorstel: je kunt bevoegd zijn zonder te voldoen aan de criteria van het lerarenregister. Ik vraag de staatssecretaris om, los van het stemgedrag van de SGP-fractie, vanuit staatsrechtelijk oogpunt goed naar dat amendement te kijken. Als het wetsvoorstel en het amendement worden aangenomen, is de wet in ieder geval iets minder problematisch dan hij anders zou zijn.

Hier wil ik het bij laten. Ik heb mijn waarschuwende stem voldoende laten horen.

De vergadering wordt van 15.49 uur tot 15.55 uur geschorst.

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter! U hebt mij gemaand tot het maken van tempo. Mede daarom begin ik direct met de moties.

Ik ben in beginsel heel positief over de motie op stuk nr. 13 van de heer Grashoff en mevrouw Ypma. Ik wil dat ook gaan doen. Ik vind alleen de tijd die de heer Grashoff mij daarvoor gunt niet reëel als we hier een serieus plan voor willen maken en met al die partijen willen spreken. Misschien mag ik aan de heer Grashoff meegeven dat ik mijn uiterste best ga doen om februari te halen, maar dat ik hoop op enige coulance als dat niet gaat lukken? Het is belangrijker om er een goed plan van te maken dan om iets snel af te raffelen. Als hij daarmee akkoord gaat, kan ik een positief advies geven.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Het komt niet op twee weekjes aan, maar er is nog wel een andere belangrijke datum, en wel die van 15 maart. Dan hebben we het nergens meer over met elkaar.

Staatssecretaris Dekker:

Dat begrijp ik ook. Tegelijkertijd is er ook een reces dat al eerder ingaat dan 15 maart. Dat gaat ergens halverwege februari in. Het kijkt dus allemaal wel heel erg nauw. Daarna is het kabinet overigens niet onmiddellijk weg. Ik weet zeker dat het deze periode echt nog gaat lukken. Ik neem dat serieus en voel het ook echt als iets wat ik persoonlijk aan u verplicht ben. Of er is een procesbrief rond die tijd. Dat vind ik ook goed. Daarin kan ik laten weten wat we tot die tijd gedaan hebben.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Ik ben wat minder voor dat laatste voorstel. Ik zeg dan liever "15 februari". Dan is het voor het verkiezingsreces. De staatssecretaris begrijpt dat ik natuurlijk snap dat er deze regeerperiode niets meer met een dergelijk plan gebeurt, maar het is des te relevanter als statement voor een volgende periode.

De voorzitter:

U gaat de motie wijzigen? U verandert de datum in 15 februari?

De heer Grashoff (GroenLinks):

Ik verander de datum in de motie in 15 februari.

De voorzitter:

De motie-Grashoff/Ypma (34458, nr. 13) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat sectororganisaties en onderzoeken waarschuwen voor een aankomend grootlerarentekort en dat veel scholen hier nu al hinder van ondervinden;

overwegende dat de instroom van pabo-studenten bijna is gehalveerd, waarmee het vraagstuk van het docententekort ernstig wordt verzwaard;

van mening dat het terugdringen van het lerarentekort essentieel is voor het laten slagen van het lerarenregister, dat mede het doel heeft om onbevoegdheid van leraren terug te dringen;

verzoekt de regering, met een ambitieus plan van aanpak te komen om het lerarentekort in alle onderwijssectoren op te lossen, waarbij expliciet aandacht wordt besteed aan de beloning en carrièreperspectief, opleidingsstructuur, kwalitatief aanbod van bijscholing en beperking van de werkdruk van leraren;

verzoekt de regering voorts om dit plan van aanpak lerarentekort voor 15 februari naar de Kamer te zenden,

en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 23, was nr. 13 (34458).

Staatssecretaris Dekker:

Ook dat is nog een heel ambitieus tijdpad. Ik beloof de heer Grashoff dat ik mijn uiterste best ga doen om dat te halen.

Ik ontraad de motie op stuk nr. 14, omdat het niet alleen maar gaat over inzicht op schoolniveau. Ik vind ook dat ouders en leerlingen het recht hebben om te weten of een docent inderdaad is geregistreerd. Het is dan niet met een hele trits privégegevens daarachter, maar gewoon de naam, de school en voor welk vak de leraar is geregistreerd.

De heer Bruins (ChristenUnie):

Ik bedoel eigenlijk om het in te richten zoals ook het BIG-register is ingevoerd. Het is niet herleidbaar naar de werkplek van de persoon. Dat is mijn zorg, dat de school en de naam van leraar gecombineerd zouden worden.

Staatssecretaris Dekker:

Ik zie echt niet in waarom ouders en leerlingen niet zouden mogen weten of een docent op hun school al dan niet is geregistreerd. Bovendien is daar inmiddels ook jurisprudentie over van de Raad van State naar aanleiding van een zaak met betrekking tot het Luzac College. Ouders hebben daarnaar gevraagd en zijn in het gelijk gesteld. Ik denk dus ook dat er een juridische basis voor is.

Ik kan positiever adviseren over de motie op stuk nr. 15. Ik vind dat een goed en terecht punt van de heer Bruins. Ik laat het oordeel over de motie aan de Kamer.

Hetzelfde geldt voor de motie van mevrouw Straus, de heer Van Meenen en mevrouw Ypma op stuk nr. 16 over de slag die de Onderwijscoöperatie zou kunnen maken richting meer democratisering. Ik zeg het nu even in mijn eigen woorden. Ook over die motie kan ik het oordeel aan de Kamer laten.

Dan is er een motie van de heer Rog op stuk nr. 17. Ik ga die motie ontraden. Dat heeft met het volgende te maken. Als je kijkt naar het register, gaat het echt om bekwaamheidsonderhoud. Ik vind dat de vog voor iets anders is bedoeld. Ik vind die daar dus niet onmiddellijk in passen. Je moet ook kijken naar wat dit precies vraagt aan kosten en lasten richting individuele leerlingen en richting scholen. Tegelijkertijd deel ik wel de zorg van de heer Rog. We willen weten dat het allemaal in orde is bij mannen en vrouwen die voor de klas staan. Ik doe graag de volgende toezegging, waarna de heer Rog kan besluiten om zijn motie aan te houden of in te trekken. Ik ga graag om de tafel zitten met de sociale partners en de inspectie om te bekijken of de huidige systematiek van de verklaringen omtrent het gedrag kan worden verbeterd, ook in het licht van een aantal zaken die recentelijk hebben gespeeld.

De heer Rog (CDA):

Ik houd mijn motie aan. Ik ben blij met de toezegging van de staatssecretaris. Ik vraag hem om daaraan een termijn te koppelen, zodat de Kamer weet wanneer zij hierover zal worden geïnformeerd.

Staatssecretaris Dekker:

Ik vraag de heer Rog om mij daar een maand of drie voor te gunnen. Het is momenteel een drukke periode, omdat alle begrotingen behandeld moeten worden. Maar het komt echt aan de orde; dat moet lukken.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Rog stel ik voor, zijn motie (34458, nr. 17) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Dekker:

De motie-Rog c.s. op stuk nr. 18 is interessant. Met deze motie wordt getest of het kabinet de beroepsgroep daadwerkelijk het vertrouwen wil geven. Als dat het verzoek is, ontraad ik de motie. De indieners vragen mij namelijk om iets op te dragen aan degenen die straks het register moeten inrichten. Ik vind eigenlijk dat we dat aan de beroepsgroep zelf moeten overlaten. Ik ontraad daarom deze motie, maar ik geef daarbij wel een aantal dingen mee. Datgene waar de indieners om vragen, kan uitgevoerd worden. Er is geen enkel beletsel om dat te doen. Ik ben ook bereid om de Onderwijscoöperatie en de deelnemersvergadering te vragen om dit serieus te bekijken. We hebben het dan in ieder geval voldoende onder hun aandacht gebracht. Dat zou voldoende moeten zijn om het in ieder geval te agenderen. We laten dan echter wel de vrijheid en de autonomie intact die passen bij de nieuwe visie op de beroepsgroep.

De heer Rog (CDA):

De staatssecretaris heeft er met zijn appreciatie voor gezorgd dat ik ook deze motie aanhoud. Ik denk dat het goed is als dit onder de aandacht wordt gebracht. Ik wil bewerkstelligen dat er geen oordeel wordt geveld over de pedagogisch-didactische visie van scholen door anderen die die pedagogisch-didactische visie niet aanhangen. Dat punt heb ik met deze motie willen maken. Ik begrijp dat de staatssecretaris daarover in gesprek gaat met de Onderwijscoöperatie. Ik zou het buitengewoon op prijs stellen als de Kamer op enig moment teruggekoppeld krijgt op welke wijze er in de deelnemersvergadering tot besluitvorming wordt gekomen. Ik denk immers dat dit een cruciaal element is, ook voor de vrijheid van inrichting waarover we het reeds hebben gehad.

Staatssecretaris Dekker:

Ik heb de Kamer laten weten dat ik haar periodiek over de voortgang zal rapporteren. Het lijkt mij goed om dit onderdeel daarin mee te nemen. Ik zeg daarbij wel dat het register nooit aan mensen of leraren voorschrijft wat ze precies moeten doen. Het wordt natuurlijk een enorm keuzemenu, waarbij ook een leerkracht de vrijheid heeft om daaruit de onderdelen te kiezen die goed bij hem of haar passen.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Rog stel ik voor, zijn motie (34458, nr. 18) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Dekker:

Ik vind de motie-Van Meenen/Bisschop op stuk nr. 19 veel te ver gaan. Daarin staat eigenlijk dat het allemaal opgeschort moeten worden. Om die reden ontraad ik de motie. Alle thema's waar zowel de heer Bisschop als de heer Van Meenen op hameren, zoals werkdruk, perspectief, lestaken en lerarentekort, zijn belangrijk, maar we moeten uitkijken dat we het een niet door het ander laten ophouden. Dat is ook de conclusie van een aantal andere adviseurs dan de Raad van State.

De motie-Jasper van Dijk c.s. op stuk nr. 20 behelst eigenlijk hetzelfde en daarom ontraad ik ook die motie. Ik vind echt dat we voldoende hebben gedaan. Iedereen kan op dit moment zijn mind opmaken en aangeven of hij dit wetsvoorstel al dan niet steunt.

Ik kom op de motie-Ypma op stuk nr. 21. We hebben het over leraren gehad, maar er zijn natuurlijk meer mensen actief binnen scholen en ook die mensen zijn bijzonder waardevol. Ik denk dat de motie een goede toevoeging is en daarom laat ik het oordeel aan de Kamer.

Er zijn drie amendementen ingediend. Allereerst kom ik op het amendement-Bisschop op stuk nr. 10. Ik vind dat de heer Bisschop met de door hem voorgestelde wijziging de wetgever op de plek van de bestuurder zet. Hiermee lijkt het alsof we zeggen dat iemand die zijn registratie verliest, überhaupt niet meer werkzaam kan zijn op een school. We zeggen echter dat hij geen leraar meer mag zijn. Hij is immers geen geregistreerde leraar. Dat staat los van de arbeidsrechtelijke consequenties. De vraag of het al dan niet leidt tot ontslag, hoort thuis op de cao-tafels. De sociale partners moeten daar afspraken over maken. Daarom ontraad ik het amendement.

Hetzelfde geldt voor het amendement-Rog op stuk nr. 11. Dat gaat over het leerlingvolgsysteem. De heer Rog lijkt daar een soort uitzondering voor te maken, terwijl het juist wettelijk is bepaald. De leraren moeten dat gebruiken, maar hebben wel een keuze. Het gaat daarbij om de vraag voor welk leerlingvolgsysteem je kiest. De feitelijke beoordeling aan de hand van het leerlingvolgsysteem hoort integraal juist bij de autonomie en de taken van de leerkracht. Als het zou worden uitgezonderd, zou ik dat een afzwakking vinden van de autonomie die we met dit wetsvoorstel beogen.

Tot slot heeft de heer Rog het gewijzigde amendement op stuk nr. 12 ingediend. Volgens mij wil hij met dit amendement de vinger op de zere plek leggen. Het gaat namelijk over het voorportaal. De heer Rog heeft gelijk: als je ziet hoe we nu het voorportaal wettelijk hebben voorgesteld, moet je constateren dat er wel inzicht komt in de nog niet geregistreerde leraren maar dat we de termijn van twee jaar, eventueel verlengd met nog twee jaar, niet gezekerd hebben. Ook naar aanleiding van de discussie die we daarover hebben gevoerd, ben ik geneigd om de heer Rog gelijk te geven. Ik vind dit ook een verbetering ten opzichte van het huidige wetsvoorstel. Ik kan dus positief op het amendement reageren. Ik laat het oordeel daarover aan de Kamer.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over het wetsvoorstel, de moties en de amendementen zullen we volgende week dinsdag stemmen. Ik dank de staatssecretaris.

De vergadering wordt van 16.11 uur tot 16.18 uur geschorst.

Naar boven