Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2013-2014
Vergaderingnummer 50
Datum vergadering 5 februari 2014
Gepubliceerd op 10 maart 2014

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken over dossier Toon alle items in vergadering



7 Gaswinning in Groningen

Aan de orde is het debat over de gaswinning in Groningen.

De voorzitter:

Ik heet de minister van Economische Zaken van harte welkom, evenals de mensen op de publieke tribune en de mensen die in Groningen via de regionale omroep dit debat volgen.

Voordat wij aan het debat beginnen, wil ik een paar dingen zeggen tegen de mensen op de publieke tribune die uit Groningen hier naartoe zijn gereisd. Ik snap dat dit voor heel veel mensen een heel emotionele gebeurtenis is en dat bij dit debat ook veel emoties naar boven kunnen komen. Het is in ons huis gebruikelijk dat het debat gevoerd wordt door de Kamerleden en dat mensen op de publieke tribune geen blijken van goedkeuring of afkeuring geven. Dus applaudisseren of boe roepen is niet wat in dit huis gebruikelijk is. Ik vraag u allen dan ook om dat niet te doen. U mag luisteren en u mag natuurlijk een mening hebben, maar tijdens het kijken op de publieke tribune mag u die niet al te luid laten merken. Als dat toch gebeurt, zal ik op enig moment genoodzaakt zijn om daar een opmerking over te maken.

Er zijn in dit debat spreektijden van zes minuten per fractie afgesproken. De leden hebben zelf ingeschreven, dus de volgorde van sprekers is bepaald door de leden zelf. Ik heb met de leden afgesproken dat zij interrupties mogen plegen. Zij mogen alle vragen stellen aan hun collega's en later ook aan de bewindspersoon die zij willen stellen. Ik heb hun wel gevraagd of zij dat willen beperken tot één vraag per keer, om het overzichtelijk te houden in het debat.

Ik denk dat we maar moeten beginnen en geef het woord als eerste aan Jan Vos van de Partij van de Arbeid.

De heer Jan Vos (PvdA):

Voorzitter. Het afgelopen jaar heb ik veel Groningers gesproken en veel verhalen zullen mij bijblijven. Een verhaal wil ik hier delen. Een moeder in Groningen doet de deur open. Achter haar spelen twee kinderen, van 1,5 jaar en 5 jaar. Ze nodigt me uit voor koffie en ze vertelt me dat ze iedere nacht wakker ligt. Ze ligt wakker, omdat ze bang is dat een kast omvalt en op haar spelende oudste kind terechtkomt. Ze is bang dat de spiegel die boven de box van de jongste hangt, in de box en op haar jongste valt. Een mens heeft niet veel nodig. Eten, drinken en een dak boven je hoofd zijn genoeg om te overleven. Een van die basisbehoeften is de bevolking van Groningen ontnomen. Groningers voelen zich niet langer veilig in hun eigen huis en dat heeft de Groningers zwaar geraakt.

Het kabinet heeft nu, na veertien onderzoeken, besloten om de gaswinning terug te schroeven. Iedereen voelde natuurlijk vorig jaar al op zijn klompen aan dat het zo niet langer kon, maar er werd heel veel geduld gevraagd van de Groningers. Er is besloten om ruimhartig, voor 1,2 miljard euro, te investeren in Groningen. Is dat genoeg? Het is een eerste stap. Een eerste stap in de goede richting. Een eerste stap in de richting van de wens die mijn partij, de Partij van de Arbeid, ook al eerder in deze Kamer uitsprak. De wens, de eis dat op weg naar het herstel van het beschadigde vertrouwen, de veiligheid van de Groningers nu echt voorop moet staan. Juist omdat die veiligheid centraal moet staan, hoort mijn fractie graag van de minister waarom de NAM in haar winningsplan het produceren en leveren van gas nog steeds vooropstelt. De Partij van de Arbeid vindt dat de veiligheid van de Groningers voorop moet staan. De Partij van de Arbeid is ronduit verbolgen over het feit dat er dit jaar 10% meer gas is gewonnen dan vorig jaar. Graag een verklaring van de minister op dit punt.

De Partij van de Arbeid wil ook dat het kabinet verdergaand onderzoek laat verrichten naar het verder terugbrengen van de gaswinning in Groningen. Zonder de leveringszekerheid in gevaar te brengen, moeten we meer kunnen doen als dat in de toekomst om veiligheidsredenen nodig blijkt. Wij zullen samen met de andere partijen een motie indienen om zeker te stellen dat al het mogelijke zal worden gedaan.

De heer Paulus Jansen (SP):

De PvdA is verbolgen dat er afgelopen jaar 10% meer gas is gewonnen, maar de PvdA heeft tegen de motie van de SP, D66, de ChristenUnie, het CDA en de Partij voor de Dieren (33529, nr. 9) gestemd, waarin het verzoek werd gedaan om de kraan een beetje dicht te draaien in plaats van verder open. Die motie had met de steun van de PvdA een meerderheid gekregen. Kan de heer Vos uitleggen waar dat voortschrijdend inzicht en die woede en bezorgdheid achteraf vandaan komen?

De heer Jan Vos (PvdA):

Vorig jaar adviseerde Staatstoezicht op de Mijnen, de inspecteur-generaal, het orgaan dat in Nederland verantwoordelijk is voor het veilig winnen van gas dat de gaswinning zo snel als realistisch mogelijk was moest worden teruggebracht. SodM adviseerde op dat moment om de gaswinning met 40% terug te brengen. Daaraan was wel het woordje "realistisch" verbonden. De minister van Economische Zaken heeft toen gezegd dat hij dat niet voor zijn rekening kon nemen omdat hij ook een verantwoordelijkheid had tegenover Nederlanders die gas moeten hebben. Ook zei hij dat hij vond dat deze zaak zorgvuldig onderzocht moest worden. Daarna zijn er veertien onderzoeken ingesteld door het kabinet. Die onderzoeken wijzen nu uit dat we de putten rondom Loppersum eigenlijk helemaal moeten dichtgooien; die worden nu voor 80% dichtgegooid om de veiligheid in het gebied te verbeteren. Het advies dat er nu ligt, is heel anders dan een jaar geleden. Het is heel verstandig dat de minister zorgvuldig heeft gekeken naar wat er gedaan moet worden. Ik ben blij met het besluit dat er nu ligt, met alle kanttekeningen. Ik moet echter wel zeggen dat ik in mijn stoutste dromen niet had kunnen bedenken dat er dit jaar 10% meer gas zou worden gewonnen dan in 2012.

De heer Paulus Jansen (SP):

De heer Vos zegt dat hij de motie van die vijf partijen over verlaging van de gaswinning te ver vond gaan. De PvdA heeft echter zelf ook geen motie ingediend om de gaswinning te bevriezen totdat de onderzoeken van de minister zouden zijn afgerond. De heer Vos huilt toch krokodillentranen als hij nu zegt dat hij er achteraf droevig over gestemd is dat het meer is geworden?

De heer Jan Vos (PvdA):

Geen van de partijen heeft op dat moment een motie ingediend om de gaswinning te bevriezen. Ik denk ook dat geen van de partijen had kunnen bedenken dat de gaswinning met 10% zou toenemen. Mevrouw Van Tongeren heeft op dit punt toen ook een motie ingediend, maar die ging over het terugbrengen van de gaswinning met 40%. Dat is iets heel anders dan de gaswinning bevriezen. Dat was op dat moment onverantwoord. We moeten nu bekijken waar wij staan. Er zijn veertien onderzoeken verricht en daaruit blijkt dat er actie moet worden ondernomen. Er wordt ook actie ondernomen. Dat vindt mijn partij een goede zaak. Dat is echter slechts een eerste stap in de richting die wij nu op moeten gaan.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

De heer Vos heeft in de media vaak gezegd dat schaliegaswinning alleen kan als het schoon en veilig gebeurt. Maakt naar het oordeel van de PvdA het besluit van dit kabinet de gaswinning veilig of zegt de heer Vos: nee, het besluit dat nu voorligt, biedt onvoldoende veiligheid voor de Groningers?

De heer Jan Vos (PvdA):

De inspecteur-generaal van Staatstoezicht op de Mijnen heeft in de Kamer op de vraag van de PvdA of er genoeg gedaan is en of er extra dingen gedaan moeten worden gezegd: wat er nu ligt, is het best mogelijke besluit voor de Groningers. Als de inspecteur-generaal dat in de Kamer verklaart, dan vind ik dat dat voldoende houvast biedt voor dit moment. Ik zeg daar wel meteen bij dat ik wil dat in de toekomst verdergaand onderzoek verricht wordt naar het verder terugbrengen van de gaswinning in Groningen. Zonder de leveringszekerheid in gevaar te brengen, moeten wij meer doen dan wij nu doen omdat mogelijk naar voren komt dat de gaswinning verder terug moet worden gedraaid. Daarop moeten wij goed voorbereid zijn. Dat kan door technische oplossingen zoals het bouwen van een stikstofstation waardoor hoogcalorisch gas kan worden versneden tot laagcalorisch gas. Het kan door heel kritisch te kijken naar de internationale exportcontracten die we hebben, het kan door op de ttf-markt anders om te gaan met het verhandelen van het gas.

Het is in elk geval duidelijk dat we er nog niet zijn. Het belangrijkste is dat een omslag gemaakt moet worden naar een duurzame energietransitie; daarover zijn mevrouw Van Tongeren en ik het altijd eens. Fossiele energie heeft niet de toekomst. In Groningen hebben zich bodemdaling, compactie en aardbevingen voorgedaan. Er vindt opwarming van de aarde plaats. Wij hebben dat te lang ontkend. Dat is wellicht ook te abstract om tijdig te doorvoelen. Het is echter te ingrijpend om te negeren. Zowel GroenLinks als de PvdA wil duurzame energie.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Een beetje zwanger gaat niet. Het is of veilig genoeg in de ogen van de PvdA-fractie, of niet. Als de heer Vos zegt dat dit besluit van het kabinet veilig genoeg is, kan hij niet erachteraan zeggen: eigenlijk willen wij nog meer onderzoek om het echt veilig te maken. Is het voorstel dat nu voorligt volgens de PvdA-fractie veilig genoeg? De heer Vos heeft meermaals in de media gezegd dat er alleen maar schaliegas zou kunnen worden gewonnen als dat op een schone en veilige manier zou kunnen gebeuren. Geldt "schoon en veilig" ook voor de Groningers, of mag de winning in Groningen ook wel een tikkeltje minder veilig omdat de winning daar veel geld oplevert?

De heer Jan Vos (PvdA):

Zoals mevrouw Van Tongeren ook in de onderzoeksrapporten heeft kunnen lezen, is dit besluit uitstekend voor de komende drie jaar. De Inspecteur-generaal der Mijnen heeft dat bevestigd aan ons allebei. Het is wel zo dat door alle partijen die de veertien onderzoeken hebben gedaan ook wordt gezegd dat we binnen een periode van drie tot vijf jaar in een andere situatie terechtkomen. Daarbij zal er sprake zijn van een hoger risico dan er nu is. Anticiperend op die situatie zeg ik: laten we nu vooral vooruitkijken en tijdig de maatregelen nemen die nodig zijn voor de veiligheid van de bevolking van Groningen.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Het betoog van de heer Vos levert heel veel vragen op. Ik zal mij echter concentreren op die ene vraag aan de heer Vos van het CDA. Die vraag stel ik in aanvulling op de vraag die door de SP-fractie is gesteld. Zou de heer Vos, met de kennis van nu, achteraf toch niet liever vóór de motie hebben gestemd waarin werd voorgesteld om het voorzorgsprincipe toe te passen? Is het bovendien misschien niet verstandig om dat principe nu weer toe te passen?

De heer Jan Vos (PvdA):

Met de kennis van nu kunnen we terugkijken. Als we dat zouden doen, was waarschijnlijk de hele Kamer voor een motie die ik dan zou kunnen indienen en waarin ik zou voorstellen om de gaswinning te bevriezen. Ik constateer echter dat niemand die motie in het verleden heeft ingediend, ook mevrouw Mulder niet.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Het hanteren van het voorzorgsprincipe zou er volgens de CDA-fractie toe moeten leiden dat de winning wat wordt teruggeschroefd. Geen verlaging met 40%, waarover de heer Vos het zojuist had met de woordvoerster van de fractie van GroenLinks, maar gewoon de winning een stukje verlagen. Daarmee zouden wij laten zien dat we het voorzorgsprincipe toepassen. Ik vraag de woordvoerder van de PvdA-fractie opnieuw of die fractie het voorzorgsprincipe nu wil gaan toepassen met het oog op de veiligheid. Of vindt die fractie het besluit van het kabinet op dit moment voldoende?

De heer Jan Vos (PvdA):

De Partij van de Arbeid heeft een jaar geleden, toen werd geconstateerd dat de gaswinning in Groningen aardbevingen opwekte, gevraagd om de veertien onderzoeken die nu zijn verricht. Een jaar geleden wist niemand dat we de putten rondom Loppersum moesten sluiten. Volgens mij is het heel goed geweest dat we zorgvuldig hebben laten onderzoeken wat er moet worden gedaan en dat dit verantwoord is gebeurd. Het feit dat we daar enige tijd voor hebben genomen, vindt niemand prettig. Dat vindt mevrouw Mulder niet prettig, dat vind ik niet prettig en bovenal vindt de bevolking van Groningen dat niet prettig. Als mevrouw Mulder mij vraagt of wij hebben gedaan wat het beste is voor de bevolking van Groningen, dan antwoord ik met ja. Dit, wat er nu is gebeurd, is wat ik wil doen voor de bevolking van Groningen en wat de Partij van de Arbeid wil doen voor de bevolking van Groningen. Dit is wat mij betreft nu wat de veiligheid van de mensen in Groningen garandeert.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik heb een korte maar volgens mij ook duidelijke vraag. De Partij van de Arbeid stelt de veiligheid voorop. Dat doet de ChristenUnie ook. Vindt de Partij van de Arbeid dat veiligheid voldoende is meegewogen in het kabinetsbesluit?

De heer Jan Vos (PvdA):

Mijn fractie zal een motie indienen waarin de regering wordt verzocht om in het winningsplan van de NAM niet alleen het winnen en leveren van gas, en de Gaswet centraal te stellen, maar om daarin bovenal de veiligheid mee te laten wegen. Dat doet mijn fractie omdat de Inspecteur-generaal der Mijnen dat heeft geadviseerd in het rapport. Het lijkt mij heel goed als we dat advies overnemen en het ook onverkort overnemen. De manier waarop dat tot nu toe is gedaan, is wat mij betreft onvoldoende. Mevrouw Dik kan dus een motie daarover van mijn fractie tegemoetzien.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

De minister zet de Onderzoeksraad Voor Veiligheid aan het werk. De raad zal onderzoeken of de veiligheid van bewoners voldoende is meegewogen in de besluitvorming. Aan het einde van dit jaar is het rapport daarover beschikbaar. Is de Partij van de Arbeid bereid om op basis van de inhoud van dat rapport zo nodig het kabinetsbesluit ter discussie te stellen? Is zij bereid om dan eventueel de gaskraan toch verder dicht te draaien?

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik heb zojuist gezegd dat het voor mijn fractie van het grootste belang is dat we nu nadenken over wat er in de toekomst moet gebeuren. We moeten dus nu zoeken naar een manier waarop we de gaswinning verder kunnen terugbrengen. We vragen om extra onderzoek. We moeten ook kijken naar technische mogelijkheden. Als er nieuwe feiten bekend worden uit de onderzoeken die worden gedaan, dan zal ik hier met mevrouw Dik als eerste bij de microfoon staan om het debat over dit onderwerp te heropenen. Wij willen beiden dat de veiligheid in Groningen in orde is.

De heer Paulus Jansen (SP):

De heer Vos zegt dat hij straks met een motie komt waarin staat dat in het winningsplan niet alleen de productie voorop moet staan, maar ook de veiligheid. Bij mijn weten is het winningsplan een wettelijk begrip. In de Mijnbouwwet staat dat in het winningsplan de veiligheid voorop moet staan. Wil de heer Vos nu een motie indienen waarin eigenlijk hetzelfde staat als wat de wet al sinds mensenheugenis voorschrijft?

De heer Jan Vos (PvdA):

Het is niet zo dat het winnen en het leveren van gas en de veiligheid samen voorop moeten staan. Alleen de veiligheid moet voorop staan. Zoals u hebt kunnen lezen in het rapport van Staatstoezicht op de Mijnen staat de veiligheid op dit moment bij de NAM niet voorop in de productiefilosofie. Wij zullen vragen om die veiligheid wel voorop te stellen. Ik hoop dat ik de heer Jansen daarbij aan mijn zijde vind en dat hij de motie steunt.

De heer Paulus Jansen (SP):

De heer Vos vindt de SP zeker aan zijn zijde als het gaat om het vooropstellen van de veiligheid. Ik dacht echter dat we conform de wet Staatstoezicht op de Mijnen hebben ingesteld, dat de waakhond is voor de veiligheid. Staatstoezicht op de Mijnen heeft een heel deugdelijk advies uitgebracht waarin het zegt dat het winningsplan op bepaalde punten niet voldoet aan de veiligheidseisen. Het adviseert de minister om het winningsplan af te keuren en om het plan op de genoemde punten aan te passen. Dat advies volgt de minister echter niet op. Is het dan geen logischer conclusie dat we de minister vragen om het winningsplan conform het advies van Staatstoezicht op de Mijnen aan te passen?

De heer Jan Vos (PvdA):

De inspecteur-generaal heeft in de Kamer heel duidelijk gezegd dat het advies wat hem betreft op materieel vlak wel gevolgd wordt. De minister staat daarbij aan zijn zijde. Ook toen ik hem vroeg of er nog zaken zijn die anders moeten, heb ik daarover niets gehoord. Ik denk dat de heer Jansen ten onrechte de suggestie wekt dat er licht zit tussen het advies en het kabinetsbesluit.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

In antwoord op een vraag van de ChristenUnie hoorden wij dat de PvdA in eerste termijn al aankondigde dat ze met een motie komt. Is er vooraf overleg geweest met de drie gedoogpartijen en is het vooraf al tot moties gekomen, of is er informatie gedeeld?

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik spreek iedere dag met alle partijen in de Kamer. Vandaag sprak ik ook nog even met GroenLinks buiten deze zaal. Er worden allerhande zaken besproken. Ik kan mevrouw Van Tongeren verzekeren dat er op dit moment geen dichtgetimmerd pakket van moties ligt. Ik vind het zelf ook nog erg spannend waar we aan het einde van het debat op uit zullen komen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

In vervolg op de vraag van mijn collega van de SP, zou ik willen weten wat het verschil is tussen de uitspraken van de PvdA-fractie en Jan de Jong van het Staatstoezicht op de Mijnen. In Het Financieele Dagblad stelde Jan de Jong volstrekt helder dat het voorstel slechts een noodmaatregel is. De heer Vos zegt echter dat het winningsplan het beste plan is voor de veiligheid van de Groningers. Wat klopt er? Is dit het beste winningsplan of is het slechts een noodmaatregel die ons een aantal jaren uitstel geeft?

De heer Jan Vos (PvdA):

De inspecteur-generaal heeft in zijn stukken gemeld dat het voorstel gezien moet worden als een noodmaatregel. Het is een soort pleister die we nu op de wond plakken. Dat laatste zijn mijn eigen woorden, dat heeft de inspecteur-generaal niet zo gezegd, maar zo zou je het kunnen zien. De komende drie tot vijf jaar is de veiligheid in orde. Daar zijn alle partijen, zoals TNO, Staatstoezicht op de Mijnen en TCCB, het over eens. Daarna zullen we nieuwe maatregelen moeten nemen. Daarom zeg ik dat het niet afdoende is. Er moet meer onderzoek komen, want de kans dat we de gaswinning in de toekomst verder moeten reduceren, is groot.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog.

De heer Jan Vos (PvdA):

Er is schade berokkend in Groningen. Er is materiële schade, maar er is ook andere, diepere schade berokkend aan het vertrouwen in het eigen huis en het eigen dorp. Er is schade berokkend aan het vertrouwen in de NAM, en aan het vertrouwen in de overheid. Je zou zelfs kunnen stellen dat er schade is berokkend aan het vertrouwen in de politiek.

De eerste stap in het terugwinnen van het vertrouwen voor ons allemaal, is het vergoeden van de schade en het bieden van een nieuw toekomstperspectief aan de Groningers. De NAM is als eerstverantwoordelijke begonnen met het herstel van de schade. Er is na een zeer lange periode van ontkenning heel veel goed te maken. De transparantie van de schadeafhandeling kan bijvoorbeeld veel beter, en de onafhankelijkheid van de NAM moet groter worden. Mijn fractie is ook van mening dat de Groninger Ombudsman, die we in de Kamer samen met de fractie van GroenLinks in het leven hebben geroepen, goed werk heeft verricht. We willen wel dat de Ombudsman meer bekendheid krijgt en beter bereikbaar wordt. Als er te veel klachten komen van Groningers zullen we opnieuw moeten kijken naar andere maatregelen om ervoor te zorgen dat ze dat krijgen waar ze recht op hebben: genoegdoening.

De veiligheid van Groningers moet vooropstaan. De Partij van de Arbeid wil dat dijken en andere waterbouwkundige werken spoedig verstevigd worden en dat er binnen vier maanden een norm komt voor aardbevingsbestendig bouwen in Groningen. We wachten al te lang op zo'n norm. Ook vinden we dat compensatie van de waardedaling voor woningen niet kan verhullen dat bewoners van Groningen vaak niet weg kunnen uit hun gebied. Voor schrijnende gevallen moet een ruimhartige oplossing gevonden worden. Graag horen wij op dit punt een reactie van de minister.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik hoor de heer Vos spreken over het verstevigen van huizen en een termijn van vier maanden. Vindt hij ook niet dat dat lang is? Is hij niet met D66 benieuwd waarom dat nu eigenlijk zo lang moet duren?

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik ben erg benieuwd waarom het zo lang duurt. Ik wacht dan ook graag de reactie van de minister af op de stelling die ik zojuist poneerde, met een verklaring waarom die norm er nog niet is. Ik denk dat wij daar in de Kamer breed overeenstemming over hebben.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Hoopt de Partij van de Arbeid met D66 dat de minister er alles aan doet om waar het sneller kan, ook te zorgen dat we die knoop sneller doorhakken? Vindt de heer Vos ook niet dat we alles op alles moeten zetten om zo snel mogelijk te starten met het echt verstevigen van de huizen waarin, zoals hij zegt, mensen elke avond hun kinderen in bed leggen?

De heer Jan Vos (PvdA):

Het verstevigen van de huizen vindt op dit moment al op grote schaal plaats. U en ik zijn er geweest en hebben dat gezien. Dat het voor velen niet snel genoeg gaat, is ook mij bekend. Aan de andere kant constateer ik ook dat uit onderzoeken heel duidelijk blijkt dat het overgrote deel — in het onderzoek wordt gesproken over 90% — van de mensen tevreden is met de wijze waarop de schadeafhandeling nu plaatsvindt. Dat is ook mijn persoonlijke ervaring als ik langs de deuren ga in Groningen. Dat was een jaar geleden heel anders, maar nu gaat het zeker de goede kant op. Dat het nog niet genoeg is, is duidelijk en dat dit een eerste stap is, is ook duidelijk, maar het lijkt erop dat we nu in de goede richting bewegen.

Mevrouw Klever (PVV):

Ik hoor de heer Vos zeggen: voor schrijnende gevallen moet een oplossing komen. Kan de heer Vos dat wat nader uitleggen? Wat verstaat hij onder "schrijnende gevallen"? Welke oplossing zou hier volgens de Partij van de Arbeid voor moeten komen?

De heer Jan Vos (PvdA):

Als je in dat gebied woont en je bent wat ouder, je woont in een groot huis, je kunt dat huis niet meer onderhouden — misschien ben je ook wel slecht ter been en kun je niet meer goed voor jezelf zorgen — je moet naar een bejaardentehuis of je wilt ergens anders, in een kleinere woning, gaan wonen, maar je zit vast, je slaapt daardoor slecht en je bent bang voor de aardbevingen, dan ben je een schrijnend geval. Mensen uit Groningen zelf kijken waar Groningers behoefte aan hebben. Dat hoeven we niet vanuit Den Haag te regelen. Recent zijn drie personen aangesteld die naar de meest urgente schrijnende gevallen kijken. Dat zijn ook Groningers die voor Groningers een oplossing zoeken. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we daarmee verder gaan.

Mevrouw Klever (PVV):

Ik wil dan graag van de heer Vos weten of hij aan een uitkoopregeling denkt. De PVV heeft daar eerder al voor gepleit. De vraag is ook of hij denkt dat de 3 miljoen per jaar die hier nu voor gereserveerd is, genoeg is.

De heer Jan Vos (PvdA):

Op dit moment kunnen mensen die gekwalificeerd worden als "schrijnend geval", weg uit hun huis. Zij worden uitgekocht. Dat is in sommige gevallen al gebeurd en dat zal in andere gevallen ook nog gebeuren. De informatie die ik heb, is dat de budgetten daarvoor toereikend zijn. Als dat in de toekomst niet zo blijkt te zijn, wil ik dat graag verder met u bespreken, maar op dit moment heb ik geen aanleiding om daarop vooruit te lopen.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog.

De heer Jan Vos (PvdA):

Voorzitter. Het begin van vertrouwen is erkenning, de brede erkenning dat het in Groningen is misgegaan, heel erg is misgegaan. Die erkenning is er nu. De eerste stappen naar verder herstel van vertrouwen worden genomen. De gaswinning wordt teruggebracht en er zal 1,2 miljard euro in Groningen worden geïnvesteerd. Dat is allemaal echter niet genoeg en voor vele Groningers niet meer dan een druppel op de gloeiende plaat. Groningen verdient meer. Mijn fractie vindt het van groot belang dat we Groningen een heldere verbintenis geven, een verbintenis voor de lange termijn. Samen met andere partijen zullen we een motie indienen die in ieder geval voor de komende tien jaar meer perspectief kan bieden, maar Groningen moet weten dat de Partij van de Arbeid er niet alleen de komende tien jaar, maar de komende decennia voor de Groningers zal zijn.

Iedereen weet dat Groningen zwaar te lijden heeft op het gebied van werkgelegenheid. Ik denk dat het goed is als we de investeringen die we nu gaan doen zo veel mogelijk doen in bedrijven en mensen uit de regio, zodat de economie daar weer een kans krijgt. Ook op dit punt overwegen wij een motie.

Ik ga afsluiten. De moeder van de kinderen van 1,5 jaar en 5 jaar wil wat iedere moeder wil: een toekomst voor haar kinderen. Aan ons allemaal de dure plicht om haar en alle andere Groningers veiligheid, vertrouwen en een toekomst terug te geven.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik heb een opmerking op het terrein van het vertrouwen. Er komt in Groningen een dialoogtafel. Zou het niet heel mooi zijn om Groningers zelf te laten kiezen wie hun dialoogtafel voorzit? De bedoeling van die dialoogtafel is immers om meer vertrouwen te krijgen. Wat vindt de PvdA-fractie daarvan?

De heer Jan Vos (PvdA):

Het rapport van de commissie-Meijer en de provincie Groningen heeft in Groningen veel teweeggebracht. Er staan heel heldere conclusies in en het heeft ook in Den Haag veel teweeggebracht. Het was een rapport voor en door Groningers. Ik denk dat het heel belangrijk is dat wij niet proberen om alles vanuit Den Haag te regelen. Het gaat er dus om dat Groningers zelf over het geld kunnen beschikken. Als ik langs de deur ga en aanbel, zijn mensen niet heel erg gediend van wat men "bestuurderspraat" noemt. Ze zeggen dan: geeft u mij maar wat korting op mijn energierekening. En: als u dat geld hiernaartoe brengt, wat zie ik er dan van? Ik denk dat dat heel terecht is.

Overigens moet ik er ook bij zeggen dat mensen in een aantal huizen waar ik ben geweest heel tevreden waren over de wijze waarop de schade aan hun huis hersteld is. Ze waren dankbaar voor het feit dat dat nu goed geregeld is.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik krijg een heleboel antwoorden, maar niet op mijn simpele en korte vraag. Moeten de Groningers zelf kiezen wie hun eigen tafel voorzit? Of moet dat vanuit Den Haag of van bovenaf besloten worden? Als de heer Vos antwoord had gegeven op deze eerste vraag, was mijn vervolgvraag geweest of de gaswinning ook aan tafel besproken kan worden. Ik heb dus twee heel simpele vragen, die kort kunnen worden beantwoord. Mogen ze zelf kiezen wie de voorzitter is, ja of nee? Mag gaswinning ook aan de dialoogtafel besproken worden, ja of nee?

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik denk dat Groningers het eerste recht hebben op een keuze, niet alleen als het gaat om waar ze aan tafel zitten, maar ook wat betreft de verdeling van al het geld dat nu in de regio geïnvesteerd wordt. Dat lijkt mij niet meer dan normaal. Ook lijkt mij dat zij vooraan moeten staan bij de wijze waarop de gaswinning besproken wordt. Ik kan het me niet anders voorstellen. Ik begrijp de vraag eigenlijk niet.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

De heer Vos zegt terecht dat Groningers de keuze moeten krijgen. Hij maakt in zijn betoog echter één opmerking die ik niet helemaal kan plaatsen, namelijk dat hij voor de Groningers al wil kiezen dat ze moeten werken met aannemers uit het gebied. Ik kan me goed voorstellen dat mensen graag willen werken met een aannemer uit het gebied, om allerlei redenen. Vindt de heer Vos niet ook dat we mensen in Groningen moeten laten kiezen voor snelheid, of voor iemand uit het gebied? Moet niet ook daarin de keuze van de mensen vooropstaan?

De heer Jan Vos (PvdA):

Op mijn reizen door dat gebied ben ik toevallig ook een keer bij een aannemer geweest. Ik zag het bord op de deur en dacht: daar ga ik even aanbellen. Het is natuurlijk interessant om te horen of zo iemand misschien toch ook nog positieve kanten ziet. Hij zei inderdaad: het is erg wat hier gebeurt en ik ben er niet blij mee, maar met mijn zaak en werkgelegenheid gaat het heel goed. In vergelijking met aannemers in andere regio's had hij veel werk.

Als mevrouw Van Veldhoven mij goed beluisterd heeft, heeft ze mij horen zeggen dat zo veel mogelijk gebruik moet worden gemaakt van mensen en bedrijven uit de regio. Ik wil niet vanuit Den Haag bepalen op welke manier dit moet gebeuren. Ik denk dat dat aan de Groningers is. Ik laat ze dat graag zelf bepalen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Dat lijkt mij een helder antwoord. Zoals ik al zei: ik kan me voorstellen dat mensen allerlei redenen hebben om graag te kiezen voor een vertrouwde aannemer uit de buurt, ook vanuit het perspectief van werkgelegenheid. Laten we niet vanuit Den Haag bepalen hoe we dat in Groningen moeten aanpakken, maar laat dat daar. Ik ben blij dat de heer Vos dat met mij eens is.

De heer Paulus Jansen (SP):

De heer Vos hamert erop dat de Groningers zelf het beste weten waarin geïnvesteerd moet worden. Nou hadden de provincie Groningen en de regio Eemsmond een heel goed plan om ALDEL te redden en de energie-intensieve industrie in de regio te stimuleren. De SP en het CDA hebben daarover een ondubbelzinnige motie ingediend. De PvdA heeft daar tegengestemd. De PvdA heeft een light-motie ingediend, die het gehaald heeft. Sinds vanmorgen weten we dat de minister het geprobeerd heeft, maar dat het niks geworden is. Kan Groningen op dit punt nog iets van de PvdA verwachten, of is het exit voor ALDEL en die andere bedrijven?

De heer Jan Vos (PvdA):

De chemische industrie in Groningen, waaronder ALDEL, maakt 25% uit van de gehele chemische industrie in Nederland. Die chemische industrie heeft het zwaar. Groningen kampt met drie grote problemen: krimp, te weinig werkgelegenheid en aardbevingen. Die drie problemen gezamenlijk zullen we moeten aanpakken om het gebied nieuw perspectief te bieden. In de brief van vanochtend staat dat we nog lang niet zijn uitgepraat over het chemische cluster. Er wordt nu een topman uit het bedrijfsleven aangesteld om de plannen en de werkgelegenheid nieuw leven in te blazen. Ik heb er veel vertrouwen in. Dat het niet makkelijk is, weten we ook. U en ik hebben beiden meerdere malen gediscussieerd over het onder de SDE-plusregeling brengen van de wkk-regeling; dat is eigenlijk het technische verhaal achter de steun aan het chemiecluster. Dat is niet eenvoudig, maar we zullen er hard voor blijven knokken om daar meer werkgelegenheid te brengen. Het pakket van vandaag, 1,2 miljard euro aan extra investeringen, is wat ons betreft een eerste stap. Dit gaat niet ver genoeg, maar het is een eerste stap.

De heer Paulus Jansen (SP):

Uit het feit dat de heer Vos geen antwoord heeft gegeven op mijn vraag over ALDEL, concludeer ik dat de Partij van de Arbeid zich erbij neerlegt dat ALDEL, dat een steen is in het dominospel in die regio, omvalt. Klopt dat?

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik kan het geen dominospel noemen als 450 werknemers hun baan verliezen. De Partij van de Arbeid heet niet voor niets Partij van de Arbeid. Wij zullen dus tot het laatste moment voor die 450 mensen blijven opkomen. Die strijd is dus ook niet gestreden totdat het faillissement definitief wordt uitgesproken en de curator klaar is met zijn plannen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

De heer Vos begon zijn bijdrage door invoelend te zijn naar de Groningers toe, door te zeggen hoe moeilijk zij het hebben. De Ombudsman heeft ongeveer 20 à 25 gezinnen in acute, schrijnende nood geïdentificeerd. Hoeveel van deze 25 gezinnen zijn inmiddels geholpen?

De heer Jan Vos (PvdA):

Twee weken geleden stonden wij hier naast elkaar en hebben wij gezamenlijk aan de minister gevraagd om actie te ondernemen. We hebben gezamenlijk aan hem gevraagd om ons een brief te sturen om dit probleem aan te pakken. Die brief is ook meteen naar de Kamer gestuurd. Binnen 24 uur werd die op mijn verzoek aan de Kamer toegezonden. U weet dus net zo goed als ik dat wij die problemen serieus nemen. De kwalificatie die u mij zojuist toevoegde, vind ik niet erg sympathiek. Ik wacht dus het antwoord van de minister af om te bekijken hoever we nu zijn.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Dan constateer ik dat het waarschijnlijk nul gezinnen zijn, want anders had de Partij van de Arbeid-fractie dat met haar goede contacten ongetwijfeld geweten. Ik zou dus samen met de PvdA willen optrekken en niet in allerlei procedureel gedoe verzeild willen raken. Ik wil er met de PvdA voor zorgen dat er begin volgende week een oplossing is voor de 20 tot 25 gezinnen die nu echt in de penarie zitten.

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik stond hier twee weken geleden met mevrouw Van Tongeren. Toen hebben we geconstateerd dat een aantal mensen met schrijnende problemen te maken heeft. We hebben het kabinet om actie gevraagd. Vandaag spreken we opnieuw met het kabinet; dat is voor de eerste keer sinds die tijd. Ik hoor graag van de minister wat er is gebeurd. Daarna kunnen we verder bekijken welke actie we zullen moeten ondernemen.

De voorzitter:

Ik dank de heer Vos voor zijn bijdrage.

Het woord is aan de heer Paulus Jansen van de SP.

De heer Paulus Jansen (SP):

Voorzitter. We hebben in Nederland heel veel mazzel gehad met de vondst van de grootste gasbel van Europa. Dat gas maakte ons rijk, maar die rijkdom heeft ook een keerzijde. Groningen beeft en zakt. Er moet wat de SP-fractie betreft ruimhartig worden gecompenseerd. We laten Groningen toch niet zakken?

De SP-fractie concludeert dat veiligheid bij dit kabinet niet op één, twee en drie staat. Het recente advies van Staatstoezicht op de Mijnen wordt immers niet onverkort gevolgd. Sterker nog: na de eerste alarmmeldingen van het staatstoezicht een jaar geleden, ontraadde de minister de motie van de SP, D66, de ChristenUnie, het CDA en de Partij voor de Dieren om de kranen dicht te draaien. Vervolgens draaide de NAM in 2013 de hoogste productie in 30 jaar. Het lijkt erop dat de NAM en de Staat der Nederlanden nog even snel de snoeppot hebben leeggegeten voordat moeder thuiskwam.

De minister nam vorig jaar tijd voor grondig onderzoek naar de omvang van de problematiek en de mogelijke oplossingsrichtingen. Waarom heeft hij na het eerste alarm van SodM in januari 2013 de kraan niet dicht maar juist verder open laten draaien? Volgens de SP kan de gaskraan wel degelijk verder dicht, tot op het niveau dat Staatstoezicht op de Mijnen verantwoord noemt.

Wij zien vier manieren om dat voor elkaar te krijgen. Ten eerste moet de energiebesparing bij woningen en andere gebouwen en in de glastuinbouw worden versneld. Het verbruik in die sectoren kan met rendabele maatregelen, dus zonder subsidie, met 35% omlaag. Het kabinet moet alleen bereid zijn om wat wetten aan te scherpen. Dit zou overigens ook veel extra werk in de bouw en dus ook extra btw-inkomsten opleveren, die goed zijn voor de schatkist. Is de minister daartoe bereid? Ten tweede moeten aflopende exportcontracten voor laagcalorisch Slochterengas niet worden verlengd. Graag krijg ik de verzekering van de minister dat dit gaat gebeuren. Ten derde moeten bestaande contracten voor L-gas door een onafhankelijk juridisch adviseur worden getoetst op mogelijkheden om de levering op grond van overmacht te beperken of deels te vervangen door de levering van hoogcalorisch gas uit andere bronnen. Ten slotte moet de conversiecapaciteit, waarmee hoogcalorisch gas in laagcalorisch gas kan worden omgezet, voor 100% worden benut.

Zuinig zijn op Gronings gas is voor de korte termijn een flink probleem, maar het heeft voor de langere termijn juist grote voordelen voor de staatsfinanciën. De prijsstijging van gas bedroeg de afgelopen 25 jaar gemiddeld twee keer de inflatie. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat die ontwikkeling niet doorgaat. De waarde van de resterende gasvoorraad wordt dus groter naarmate je het veld langzamer uitput.

Een ander voordeel van deze strategie is dat we niet over tien jaar een enorm begrotingsprobleem veroorzaken, als de winning straks pijlsnel omlaaggaat. Bij een rustiger winningstempo zal de daling van de baten voor de overheid veel geleidelijker gaan. Graag krijg ik een reactie op deze analyse en onze voorstellen.

De veiligheid is niet alleen in het geding door de aardbevingen. Bodemdaling heeft ervoor gezorgd dat veel waterkeringen in het gebied niet meer voldoen aan de veiligheidseisen van 1960. Herstel kost 100 miljoen euro en levert trouwens ook flink wat banen op. Kan de minister ons beloven dat de verbetering van de waterkeringen dit jaar start en kan hij aangeven in welk jaar alle waterkeringen in het gebied zullen voldoen aan de wettelijke eisen?

Daarmee komen we op de schade aan de woningen en gebouwen. Het uitgangspunt moet zijn dat schade snel wordt hersteld en dat waardedaling door de effecten van de gaswinning ruimhartig wordt gecompenseerd. De NAM is aansprakelijk voor alle schade, maar de schadeafwikkeling is een grote bron van frustratie voor de Groningers.

De SP-fractie stelt voor om nu een schadefonds voor aardgaswinning in te stellen dat voortaan gevoed wordt uit een klein bedrag per kubieke meter gewonnen aardgas. Dat fonds wordt onafhankelijk beheerd, en ook de taxaties worden in opdracht van deze onafhankelijke partij uitgevoerd. Bijkomend voordeel is dat ook alle middelen gespaard worden voor schade in de verre toekomst. De bedroevende gang van zaken rond de oude mijnschade in Zuidoost-Limburg illustreert hoe hard dat nodig is. Wat ons betreft hebben bewoners in heel Nederland recht op een gelijkwaardige voorziening bij schade door mijnbouwactiviteiten, inclusief ondergrondse gasopslag.

Een tweede voorstel — zo nodig dien ik daarover ook een motie in — is de instelling van een hulpteam dat de afwikkeling van schade kan overnemen van eigenaren die zelf niet in staat zijn om te controleren of taxateurs, verzekeraars en aannemers hun werk goed doen. Na de vuurwerkramp in Enschede is de omwonenden een vergelijkbaar aanbod gedaan en dat heeft veel zorgen weggenomen.

Een aantal bestaande schadegevallen is zo ernstig dat woningen of gebouwen gestut worden om instortingsgevaar te voorkomen. De SP-fractie vindt dat er een garantie afgegeven moet worden dat deze situaties binnen een half jaar zijn opgelost of de bewoners zijn uitgekocht.

Ik sluit af met een suggestie op het terrein van de werkgelegenheid. Tegenover de heer Vos heb ik het namelijk al over ALDEL gehad. Wij staan nog steeds open voor een oplossing voor dat bedrijf. Er is nog een optie die veel banen in de Eemsregio kan opleveren: een snelle start met de aanleg van een Noordzeenetwerk voor de offshore-windparken door staatsbedrijf TenneT. De plannen liggen al klaar. Het is goedkoper dan de "ieder voor zich"-aanpak en het levert een omzet van ruim 1 miljard euro op voor de regio, met uitzicht op meer. Ook op dit punt overweeg ik een motie. Samenvattend zeg ik: laat de Groningers niet zakken.

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand staat als volgende spreekster op de sprekerslijst, maar zij is nog in een algemeen overleg. Zij zal vandaag als laatste spreken. Ik geef nu het woord aan mevrouw Van Veldhoven van D66.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Voorzitter. Wat kan de Tweede Kamer doen voor Groningen? Dat is de vraag waarvoor we hier vandaag staan. Na een jaar van studie is het nu tijd voor actie. Dat was voor mij het heldere signaal uit de regio. Ik denk dat dit een terecht signaal is, een signaal dat we ons als parlement heel zwaar moeten aantrekken. Een jaar geleden diende de D66-fractie, mede namens andere fracties, een motie in om de gaswinning preventief wat terug te schroeven teneinde tijd te kopen voor het vinden van de juiste oplossingen. Dat jaar hebben we besteed aan onderzoeken. Die hebben veel inzicht gegeven, maar ook nog veel vragen opengelaten. Toch denkt D66 dat we nu op drie punten snel concrete stappen zullen moeten en kunnen zetten. Ten eerste: snel de zwakste huizen en dijken aanpakken. Ten tweede: één loket voor burgers met schade. Ten derde: meer geld en tijd voor versterking van de economie. Op al die drie punten geef ik een toelichting en stel ik wat vragen aan de minister.

Mijn eerste punt is het volgende. Uit verschillende rapporten blijkt dat we op de korte termijn maar één maatregel kunnen nemen die echt effectief op korte termijn bijdraagt aan een sterke verbetering van de veiligheid van mensen: het aanpakken van zwakke huizen en dijken voordat daar problemen ontstaan. Daarmee is nog maar weinig voortgang geboekt. Er is voortgang geboekt met het verstevigen van huizen, maar er is nog maar weinig voortgang met de preventie. Zo is er geen heldere bouwnorm. De Tcbb verklaarde vorige week dat het een kwestie is van kiezen tussen bestaande normen. Waarom duurt het zo lang? Ik roep de minister op om zo snel mogelijk een knoop door te hakken.

Ik kom op mijn tweede punt. Ik zie overigens mijn tijd niet lopen, voorzitter. Misschien kunt u me daarbij helpen. Het beoordelen van schade is complex: bodemdaling, aardbevingsschade en waterstanden. Een van de bewoners die we vorige week tijdens ons werkbezoek bezochten, zei: we worden eigenlijk van het kastje naar de muur gestuurd. En dan heb ik het nog niet eens over de tijd en energie die mensen kwijt zijn om soms letterlijk hun huis recht overeind te houden. Ik noem de tijd die ze kwijt zijn met opnemers, architecten en aannemers. Kan de minister ervoor zorgen dat we deze mensen ontzorgen, met één loket, dat vaststelt welke schade buiten de schuld van de bewoner is ontstaan en samen met de mensen bekijkt hoe het kan worden opgelost? Ik doel op, zeg maar, een soort schaderegisseur voor elke bewoner. Soms is de nood hoog en moeten mensen weg, naar een nieuw huis in de regio of naar een gebied zonder bevingen. Zeker in het kwetsbaarste gebied moeten we oog hebben voor de schrijnende gevallen. Wat D66 betreft kan zo'n schaderegisseur daarbij van dienst zijn.

De heer Jan Vos (PvdA):

Eén loket is een sympathieke gedachte. Ik vind het overigens wel van belang om vast te stellen dat heel veel mensen goed worden geholpen. 90% wordt goed geholpen en 10% niet. Voor die laatste groep moeten we dus meer doen. Ik steun die gedachte van mevrouw Van Veldhoven om te zorgen voor dat ene loket, maar past dat ook binnen de huidige plannen? Er zijn namelijk veel zaken die al lopen en daar moet de Kamer zich niet nog eens tegenaan bemoeien. Er wordt op dit moment heel veel op touw gezet. Er staan in alle rapporten die we hebben gekregen, adviezen over de manier waarop je dat het best kunt doen.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Jan Vos (PvdA):

Past de éénloketgedachte van mevrouw Van Veldhoven daarin?

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ja. Mij gaat het niet alleen om die 10% die nu slecht wordt geholpen, want ook de mensen die in principe goed worden geholpen, hebben nog met heel veel instanties te maken. In een recent debat over de zorg hebben we het gehad over een soort zorgregisseur, die mensen helpt in het vertalen van de signalen die ze van alle verschillende instanties krijgen. Soms moet het waterschap met de architect in discussie over hoe het precies moet, en dat loopt nu allemaal via de bewoner. Laten we bekijken hoe we een en ander — de bestaande ideeën zijn daarvoor een heel goed startpunt — kunnen vertalen, zodat de burger nog maar één loket nodig heeft, zodat hij maar één aanspreekpunt hoeft te hebben, dat fungeert als tussenpersoon bij alle zaken die we voor die mensen gaan doen. Ik ben overigens blij dat ik hetzelfde kan constateren als de heer Vos: ook ik heb signalen gekregen dat de schadeafhandeling in heel veel gevallen echt veel beter gaat dan in de periode ervoor.

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik wacht de reactie van de minister even af, maar ik zeg namens mijn fractie dat het een heel sympathieke gedachte is, die de Groningers verder kan helpen. We ondersteunen haar.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Samenvattend zeg ik, mede dankzij de interruptie van de heer Vos: met die eenloketaanpak kunnen we echt maatwerk leveren. Dan kan de toedeling van oorzaken en kosten door alle organisaties die daarachter zitten, onderling worden opgelost en kunnen de mensen in het gebied hun energie weer in andere zaken steken. Misschien kunnen de mensen dan zelfs letterlijk weer in zaken gaan. Want dat is niet gemakkelijk. Het vertrouwen in het gebied is helaas sterk gedaald, want wie gaat er investeren in een gebied waar mensen wegtrekken en waar schade door aardbevingen te verwachten is?

Met het herstel van de zichtbare schade, de scheur in de muur, de kapotte tegels, de verzakte fundering, zijn wij er nog niet. We moeten een stukje onzichtbare schade repareren. Schade in het vertrouwen, vertrouwen in de overheid en vertrouwen ook in de economische vitaliteit van het gebied.

Zo kom ik op mijn derde punt. Wat D66 betreft, schiet het pakket dat het kabinet op tafel heeft gelegd toch nog wat tekort, want in vijf jaar kunnen wij een goede start maken met het herstel van economisch vertrouwen, maar meer commitment is nodig. Een echt langjarig plan ligt in de rede.

D66 — ik ben blij dat ik op steun heb kunnen rekenen van een aantal andere partijen, namens welke ik straks mede een motie zal indienen — wil de Groningers weer perspectief geven, met nieuwe kansen voor hun toekomst. Daarom moeten we nu al vastleggen dat de investeringsimpuls doorloopt. Ik wil een concreet plan maken voor de eerste tien jaar. Zoals gezegd, zal ik mede namens een aantal andere partijen daarover een motie indienen.

Groningen zit namelijk vol energie. Dat hebben wij ook met elkaar kunnen constateren. Partijen zijn bereid om de koppen bij elkaar te steken en creatief te denken. IBM komt niet voor niets naar Groningen, Apple gaat niet voor niets een datacentrum in de Eemshaven bouwen. D66 hoopt dat de minister van harte meewerkt aan die bedrijvigheid en werkgelegenheid in de regio. Wat ons betreft, verdient Groningen net als bijvoorbeeld Eindhoven een ijzersterke economie van de toekomst.

Dat er het afgelopen jaar meer gas is gewonnen, lijkt mij onbegrijpelijk voor heel veel mensen in Groningen. De komende jaren moeten we onderzoeken hoe we de veiligheid van Groningen verder kunnen verbeteren, indien nodig door het verder terugschroeven van de gaswinning, zodat mensen ook in de toekomst in rust en veiligheid en met veel plezier in Groningen kunnen wonen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Goed dat mevrouw Van Veldhoven zegt dat D66 versterking van de regionale economie ook belangrijk vindt. Wij misten twee weken geleden wel de steun van D66 bij de ALDEL-motie. Ik heb een vraag over de toekomst. De SP heeft voorgesteld om nu de knoop door te hakken zodat TenneT gaat beginnen met de aanleg van het net op de Noordzee en daarvoor als uitvalsbasis de Eemshaven of Delfzijl gebruikt. Is dat een voorstel dat D66 ondersteunt?

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

D66 ondersteunt vooral perspectieven die echt gaan naar een toekomstgerichte werkgelegenheid. Natuurlijk laten wij daarbij ook ons oog vallen op alles wat te maken heeft met hernieuwbare energie. Maar ik merk dat de heer Jansen graag allerlei aspecten bij dit debat wil betrekken die naar mijn mening beter op hun plaats zijn bij een specifiek debat dat wij daarover binnenkort met elkaar gaan voeren. Ik sta zeker sympathiek tegenover het idee, maar dit is denk ik niet de plek om met elkaar daarover het finale oordeel te vellen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik stel dit aan de orde omdat een van de drie pilaren van het advies-Meijer de regionale economie is. Dit is nu een hapklaar plan dat al klaarligt, waarop nota bene in het SER-akkoord is gepreludeerd. Dus het lijkt mij dat dit nu juist een voorstel is waarmee wij morgen kunnen beginnen. Wat let D66 om daar nu voor te zijn?

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Omdat we nu niet alle hapklare brokken die in het advies van de commissie-Meijer zitten hier met elkaar moeten uitdiscussiëren als het erom gaat of wij het ene wel of het andere niet willen. Vandaag voeren wij het debat over de grote lijnen. Ik heb denk ik helder neergezet wat wij in dat opzicht willen. Ik sta sympathiek tegenover het idee, ik zeg er ook geen nee op, maar ik vind dat wij op een andere tijd en plaats de gedetailleerde discussie moeten voeren over wat wij dan precies met elkaar willen doen, toekomstgericht. Dan denk ik zeker aan hernieuwbare energie. Dat is het signaal dat ik zeker nu alvast namens D66 aan de heer Jansen kan geven.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Op 3 januari lazen we in de media dat mevrouw Van Veldhoven en ook de fractievoorzitter van D66, de heer Pechtold nog steeds uit voorzorg de gaskraan verder dicht wilden. Dus ook van D66 wil ik helder weten of die partij nu de gaskraan nog wat verder dicht wil. Of stemt D66 eigenlijk in met het voorstel van het kabinet zoals het er ligt?

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Dat is een heldere vraag. Wij hebben een jaar geleden die motie ingediend omdat we toen nog helemaal niets wisten. We wisten alleen dat SodM had gezegd dat er een relatie ligt tussen die winning en de aardbevingen en dat het het advies gaf om preventief de kraan dicht te draaien. Toen hebben wij gezegd: laten we dat doen en laten we daarmee tijd kopen voor het uitvoeren van onderzoeken. Want uiteindelijk is die gaskraan een middel. Het doel is veiligheid. Ik vind nog steeds dat we op basis van de rapporten die wij nu hebben eigenlijk niet heel erg zeker weten wat we nog meer kunnen doen voor de veiligheid, op twee punten na. Het versterken van de huizen en dijken en het voor een heel groot gedeelte dichtdraaien van de gaskraan bij Loppersum. Daarom staan wij ook vierkant achter die maatregelen. Ik vind ook dat wij moeten blijven kijken of in de drie jaar waarvoor dit plan nu geldt — ik begrijp dat er ook nog een onderzoek aankomt van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid — nieuwe inzichten naar voren komen. Dan moeten we daar zeker naar kijken en desnoods ook bekijken wat we nog verder kunnen doen voor de veiligheid.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Dat zijn toch heel andere teksten dan ik eerder van D66 heb gehoord of uit de media heb vernomen. Ik moet dus concluderen dat D66 niet alleen het advies van het staatstoezicht uit januari 2013 maar ook het recente advies volledig naast zich neerlegt. D66 kiest ervoor om alleen de gevolgen op te vangen door huizen en dijken te versterken — zaken die sowieso moeten gebeuren — maar is niet meer van mening dat de gaskraan een stukje verder dicht moet.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik kan dan alleen constateren dat mevrouw Van Tongeren óf niet luistert óf het niet wil begrijpen. Mede namens mevrouw Van Tongeren heb ik daar een jaar geleden in deze zaal voor gepleit. Ik heb dat toen onderstreept met een door mij ingediende motie. Nu ligt er een pakket waarmee een aantal van de gevraagde zaken wordt gerealiseerd. Ik zei zonet welke aanvullingen ik daarop nog graag zie van het kabinet. Ook zei ik dat ik mijn ogen niet zal dichtdoen voor informatie die nog komt. Het idee om van de gaskraan een doel op zich te maken is misschien voor mevrouw Van Tongeren heel belangrijk, maar mijn fractie gaat het om het effect op de veiligheid. Mevrouw Van Tongeren wil dat wij, gezien wat wij nu weten, aan de kraan gaan draaien en draaien, zonder te weten welk effect dat heeft. Daarmee maakt zij van de gaskraan het doel. Mijn doel is echter de veiligheid. Daarover ga ik graag nog regelmatig het debat aan.

Voorzitter. Afsluitend stel ik een aantal vragen van technische aard aan de minister. D66 wil zo veel mogelijk voorkomen dat de verplaatsing van de winning van Loppersum naar andere gebieden een waterbedeffect veroorzaakt. Gelukkig laat de TNO-studie waarvan wij de resultaten vanochtend kregen, zien dat dat slechts minimaal het geval is. Kan de minister toch bekijken of het mogelijk is dat de putten die het dichtst bij de risicocompactie van 18 centimeter liggen — het is een beetje technisch, voorzitter — het meest worden ontzien?

Het is nu niet direct mogelijk om de leveringscontracten op te zeggen, maar op welke termijn kunnen wij de leveringscontracten wel afbouwen? Wat zijn daartoe de mogelijkheden?

Ik stel ook nog een specifieke vraag: hoe staat het met het aparte protocol voor de rijksmonumenten?

Ik denk dat wij allemaal moeten constateren dat de tijd van struisvogelpolitiek nu echt voorbij is. Nederland is met een harde schok wakker geschud. Wij kunnen zo niet doorgaan. De energievoorziening moet anders, met minder overlast, minder risico's en minder afhankelijkheid van Gronings gas voor de rijksbegroting.

Wij kunnen de gevolgen van 50 jaar winning niet terugdraaien. Wel kunnen wij ons inzetten voor een veel veiligere winning in de toekomst, met veel minder overlast voor de mensen in het gebied. Daar zet D66 op in.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Voorzitter. "De eerste bevingen gingen nog wel, maar vanaf augustus 2012 had je het gevoel alsof je het dak zo op je kop kreeg." Dit zei een bewoner uit Middelstum. De minister weet inmiddels heel goed hoe boos de Groningers zijn.

De politieke vraag van dit debat is: waarom heeft deze minister de woede in Groningen zo ver laten oplopen? Is hij, terugkijkend, zelf tevreden met het proces, vanaf de melding in 2012 dat aardbevingen zwaarder zouden kunnen worden dan 2,9 op de schaal van Richter? Zou hij het weer zo doen? Waarom is deze minister niet veel eerder afgereisd naar Groningen met een pakket om de schade aan te pakken en met een economisch plan? GroenLinks heeft vanaf januari, overigens met een aantal andere partijen, steeds gevraagd of de resultaten van de onderzoeken die al klaar zijn, naar de Kamer kunnen komen en of er alvast maatregelen kunnen worden genomen.

De inhoudelijke vraag van dit debat is hoeveel veiligheid mag kosten. Hoeveel mag de veiligheid van Groningers kosten? Op het advies van het onafhankelijke Staatstoezicht op de Mijnen is een jaar gestudeerd om het vervolgens niet op te volgen, ik neem aan omdat de financiële consequenties te groot zijn. Tot mijn verdriet sluit D66 zich in dit debat aan bij degenen die het advies van het staatstoezicht niet willen opvolgen.

Wat men in Nigeria en bij de teerzanden in Alberta al wist, hebben de Groningers dit jaar op keiharde wijze geleerd. De financiële belangen bij fossiele winning zijn te groot om serieus rekening te houden met de inwoners, ook in Nederland en ook door onze nationale trots, Shell.

De heer Leegte (VVD):

Ik heb me tot nu toe wat ingehouden omdat dit wat mij betreft een technisch debat is over de veiligheid van Groningen. Nu mevrouw Van Tongeren zo uitpakt, zou ik haar toch het volgende willen vragen. Zij was aanwezig bij de hoorzitting, waar Staatstoezicht op de Mijnen heeft gezegd dat de minister materieel exact datgene doet wat het staatstoezicht adviseert. Heeft mevrouw Van Tongeren dat ook zo gehoord?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Bij die hoorzitting heb ik Staatstoezicht op de Mijnen gevraagd of het nog steeds achter het advies van 2013 staat. Ik heb daarbij de regel in het huidige advies voorgehouden, uit mijn hoofd op bladzijde 14 in het midden, waarin staat: overigens blijft Staatstoezicht op de Mijnen nog steeds van mening dat een zo snel mogelijke reductie van de gaswinning de beste veiligheid geeft. SodM is in dit geval niet gevraagd om een los advies te geven. Het moest een reactie geven op het winningsplan en het herhaalde daarop het advies uit januari 2013. Dus ja, ik was aanwezig, en ja, ik heb heel goed begrepen dat SodM bij het eerdere advies blijft.

De heer Leegte (VVD):

Misschien kan mevrouw Van Tongeren nog wat huiswerk doen voor de tweede termijn. In de schriftelijke inbreng van de hoorzitting stelt SodM namelijk dat aanvullend onderzoek is gedaan door TNO, waaruit vier werkwijzen zijn gekomen: regelprotocol, een uitgebreid netwerk GPS, preventieve maatregelen en een nieuw winningsplan na drie jaar. SodM stelt dat de minister daarmee het voorstel van SodM heeft overgenomen. SodM heeft dus schriftelijk en mondeling aangegeven dat de minister materieel precies doet wat het vraagt. Daarom stemde het in met het winningsplan.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik denk dat de heer Leegte niet goed geluisterd heeft en heeft willen horen wat hij graag wilde horen. Er zijn twee grote interviews geweest met SodM, in Het Financieele Dagblad en in de NRC, waarin deze vraag herhaaldelijk gesteld is. SodM stelt daarin dat dit een noodmaatregel is en dat het het best mogelijke is bij dit niveau van inkomsten. Het blijft echter bij zijn advies. Ik heb in de hoorzitting letterlijk gevraagd: vervalt het advies uit januari? Het antwoord daarop was: nee, wij staan nog steeds achter het advies dat het voor de veiligheid van de Groningers het allerbeste zou zijn om zo snel mogelijk de winning zo veel mogelijk terug te brengen. Ik kaats de bal dus terug. Ik wil best de linkjes doorsturen naar de heer Leegte; hij heeft misschien wat moeite met googelen. Dan kan de heer Leegte dat nog even op zijn gemak nalezen voor de tweede termijn.

Voorzitter. De minister en een reeks partijpolitieke zwaargewichten willen nu werken aan het herstel van vertrouwen; Max van der Berg, Pieter van Geel, Jacques Wallage en de oud-VVD-partijvoorzitter en VNO-NCW-bestuurder Kamminga. De Groningers is niets gevraagd in relatie tot wie zij vertrouwen en wie zij als voorzitter aan hun dialoogtafel willen hebben. Staat de minister open voor de mogelijkheid dat de Groningers zelf de voorzitter van hun tafel kiezen? Is een akkoord tussen burgemeesters, Commissaris van de Koning en Rijk eigenlijk wel rechtsgeldig? Waarom is de NAM geen partij bij dit bestuursakkoord? Als de regering serieus het vertrouwen wil herwinnen, dan moet wat betreft GroenLinks de gaskraan helemaal dicht rond Loppersum, conform het advies van SodM, en moet de winning in het hele veld verder naar beneden. Dit moet wat ons betreft minimaal bespreekbaar zijn aan de dialoogtafel. Is de minister dat met mij eens? Ik hoorde net al dat de PvdA dit steunde en dat het bespreken van het tempo van de gaswinning onderdeel moet zijn van de gesprekken aan de dialoogtafel.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Hoeveel moet de gaswinning in het hele veld naar de mening van GroenLinks naar beneden?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Mevrouw Van Veldhoven vraagt naar de bekende weg. Ik heb dat in januari 2013 al gezegd: met 40%. Ik heb dat herhaald. Ik heb daarover een motie ingediend, die helaas geen steun heeft gekregen van D66.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik vraag mij af waarom GroenLinks ervan overtuigd is dat dit "zo veel mogelijk is". Wat is daarvan de onderbouwing? "Zo veel mogelijk" is toch gewoon overal 100%? Waarom pleit GroenLinks daar dan niet voor?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Omdat ik geen expert ben op het gebied van gaswinning. Ik vertrouw op het advies van de onafhankelijke toezichthouder, Staatstoezicht op de Mijnen. De heer Vos zei het ook in zijn inbreng: SodM heeft dit in januari 2013 geadviseerd. Dat gas onder de grond blijft geld waard. Generaties na ons kunnen daar ook iets mee doen. Als wij daar in 2013 mee begonnen waren, dan was de periode met een hoog aardbevingsrisico, in de woorden van SodM, een jaar korter geweest. Met elke maand die wij wachten, duurt het langer voordat de veiligheid in Groningen terugkomt.

Ik heb eigenlijk precies dezelfde vraag aan de minister. Waarom volgt hij zijn eigen onafhankelijke toezichthouder niet? Vertrouwt hij het advies van deze toezichthouder niet? In de woorden van de Inspecteur-generaal der Mijnen is het huidige plan van de NAM gebaseerd op een onvolledige analyse en een onderschatting van het veiligheidsrisico. Hoe reageert onze minister hierop? Zou de sluiting van de vijf productiefaciliteiten rond Loppersum zoals SodM zegt, kunnen bijdragen aan het herstel van het vertrouwen? Wat denkt de minister daarvan? Waarom is de minister niet bereid over de jaren heen, misschien in een iets langzamer tempo dan GroenLinks dat graag zou willen, die winning sneller terug te brengen? Gas onder de grond houdt zijn waarde en vanuit het voorzorgprincipe zou dat logisch zijn. Hoe zwaar worden nu de aardbevingen? De aanleiding voor de onrust in Groningen was de mogelijkheid dat de aardbevingen zwaarder konden zijn dan 3,9 op de schaal van Richter. Wat is de voorspelling van de minister? Met welke cijfers werkt hij wat betreft het aardbevingsrisico?

Ik ga verder met de 20 tot 25 gezinnen met de meest schrijnende problematiek. Weet de minister of hiervan al gezinnen geholpen zijn? Op welke termijn zou dit wel kunnen? Is de minister het met mij eens dat een bedrijf dat schade veroorzaakt, wettelijk verplicht is die schade te herstellen? In dit geval gaat het om de NAM. Ik wil van de minister weten welk deel van de 1,2 miljard wettelijk verplicht is omdat het schade is. Welk deel van de 1,2 miljard betaalt het Rijk, welk deel de provincie en welk deel de NAM? Is de minister bereid het voorstel voor verplichte schadevergoeding los te koppelen van de economische problematiek? Voor GroenLinks zijn dit twee verschillende dingen, zeker nu wij vandaag hebben gehoord dat de NAM in een periode van 5 jaar 6 miljard heeft verdiend aan de aardgaswinning in Groningen en dat daar dan in totaal 1,2 miljard van terugkomt. GroenLinks vindt dat de NAM wel wat meer zou kunnen bijdragen. Is de minister dit met mij eens?

Vanaf 1993 hadden de regering en de NAM voldoende aanleiding om op basis van de kennis over modellen van aardbevingen aan het werk te gaan. Waarom heeft het van 1993 tot 2014 geduurd voordat de NAM aan de slag gaat met een fatsoenlijk meetnet? Ik begrijp dit werkelijk niet. Misschien was 1993 een beetje vroeg, maar zeker in 2006 was het wereldwijd bekend dat dit soort aardgaswinning aardbevingen tot gevolg kan hebben. Hoe kijkt de minister naar het idee minder Gronings gas te vervangen door de winning van schaliegas? Dit is in de media geopperd, maar de minister heeft het niet als zodanig gezegd. Het zou echter zeker zijn gedachte kunnen zijn, maar dan krijgt de minister naast boze Groningers boze burgers uit acht provincies over zich heen.

Dit wordt hoe dan ook de eeuw van de schone energie. Het kabinet kan de banen en de kansen zien, er vol voor gaan en zelf in actie komen of deze kabinetsploeg kan wachten tot de burgers, door de druk die bijvoorbeeld in Groningen is uitgeoefend, stap voor stap het kabinet zover krijgen dat wij in de eeuw van de schone energie terechtkomen, ook in Nederland.

De heer Leegte (VVD):

Voorzitter. Twee weken geleden waren wij met alle collega's in Groningen. Wij hebben allemaal de gevolgen van de aardbevingen gezien. Wij hebben mensen gezien die muren moesten stutten. Wij hebben mensen gesproken die bang, onzeker en boos zijn. Op het NOS Journaal heeft heel Nederland kunnen zien dat mensen stellages in hun slaapkamer bouwen om veilig te kunnen slapen. Voor de VVD gaat het debat vandaag over de veiligheid van deze mensen. De mensen die wij gesproken hebben, willen maar drie dingen. Minder en het liefst geen aardbevingen; het verstevigen van gebouwen om schade te voorkomen; een ruimhartige afwikkeling van schade, als die dan toch moet ontstaan.

Vandaag moeten wij elkaar niet de politieke maat nemen. Vandaag kunnen wij als collega's met elkaar laten zien dat wij gezamenlijk werk maken van de veiligheid en het terugwinnen van het vertrouwen in Groningen. Het Groningenveld is uniek in de wereld, zowel in grootte als in samenstelling van het gas. Inmiddels weten wij dat het inklinken van de aarde gepaard gaat met schokken die groter zijn dan eerst gedacht. Wij moeten constateren dat niemand dit heeft zien aankomen: niet de NAM, niet TNO, niet het KNMI, niet Staatstoezicht op de Mijnen. Tijdens de hoorzitting vorige week zei Staatstoezicht op de Mijnen dat men pas sinds 2012, dus na de grote aardbeving, is gaan nadenken over risico's en veiligheid. Dat is anderhalf jaar geleden. Voor de VVD is het van groot belang dat de gaswinning veilig is. Wat dat betreft, zijn het afwegingskader en de volgorde van de minister goed geweest: eerst kijken wat nodig is voor de veiligheid, dan kijken wat de technische beperkingen zijn en dan pas kijken naar de kosten. Door zowel de bron van de problemen aan te pakken met het verlagen van de aardgasproductie als de gevolgen te beperken met preventieve maatregelen, wordt de veiligheid op termijn vergroot.

De heer Paulus Jansen (SP):

Voor de heer Leegte staat veiligheid ook op één. Zo hoort het natuurlijk ook. Ik kan dat echter niet goed rijmen met het gegeven dat de VVD vorig jaar ook tegen de motie heeft gestemd van de vijf partijen, waaronder de SP, om na het alarmerende signaal van Staatstoezicht op de Mijnen het even rustig aan te doen en even pas op de plaats te maken totdat wij zekerheid hebben. Waarom zegt de heer Leegte nu dat het voorstel van de minister, inclusief een bescheiden vermindering, verstandig is? Waarom heeft hij vorig jaar niet gezegd: wij passen het voorzorgsbeginsel toe uit het oogpunt van veiligheid en draaien nu de kraan alvast een beetje dicht?

De heer Leegte (VVD):

De reden is dat wij behoefte hadden aan onderzoek om aan Groningen duidelijk te maken wat een echte oplossing was. Dat wisten wij toen niet. Het enige wat wij toen wel wisten, is dat het terugdraaien van de gaskraan toen voor dit jaar geen enkel effect zou hebben op de aardbevingen.

De heer Paulus Jansen (SP):

De SP-fractie onderschrijft dat dat effect heel beperkt is. De heer Leegte zal toch ook erkennen dat het feit dat wij nu een recordjaar achter de rug hebben, betekent dat op termijn, in de komende jaren, de problemen groter zullen worden. Dat weten wij inmiddels wel. Vindt de heer Leegte achteraf dat hij een jaar geleden het veiligheidsprincipe, dat de VVD hoog in het vaandel heeft staan, een beetje heeft verwaarloosd?

De heer Leegte (VVD):

Nee, dat vind ik niet. Ik zou de vraag ook terug kunnen stellen. Wij hebben vorig jaar gezien dat de ramingen van de aardgaswinning steeds naar boven werden bijgesteld. Waarom heeft de SP toen niet aan de bel getrokken, als zij dit zo'n serieus punt vindt?

De voorzitter:

Die vraag had u moeten stellen toen de heer Janssen hier stond.

De heer Paulus Jansen (SP):

Wij hebben een motie ingediend. Het voorstel was om de productie te temporiseren. Dat is een te ingewikkeld woord voor "verminderen".

De heer Leegte (VVD):

Wij wisten toen beiden niet wat het effect is van het terugdraaien van de gaswinning. Wij zijn niet van gratis oplossingen. Wij willen weten wat wij moeten doen. Dat is het pakket dat de minister nu aanbiedt en dat is ook goed. Ik denk dat wij daarmee recht doen aan de zorgen en bezorgdheid in Groningen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

In een van de vele bijlagen bij de onderzoeken hebben wij een verdere uitleg gekregen over de maximale beving. De heer Leegte is een ingenieur, dus hij kan dit moeiteloos begrijpen. Als ik het goed begrijp, vindt de heer Leegte een kans van 10% op een beving van 4,8 acceptabel en daarmee de veiligheid van de Groningers vooropzetten. Hij vindt een kans van 2% op een beving van 5,3 de veiligheid van de Groningers vooropzetten. Dit komt uit de onderzoeken, dit is geen GroenLinks-manifest.

De heer Leegte (VVD):

In mijn volgende zin had ik willen uitspreken dat wij allemaal weten dat de maatregelen van vandaag weinig effect zullen hebben op het aantal bevingen op de korte termijn. Dat is een vervelende boodschap, die wat de VVD betreft wel verteld moet worden. U hebt gelijk, maar wij kunnen er niets aan doen. Het heeft geen enkele zin om te suggereren dat GroenLinks een soort Haarlemmerolie heeft, een knopje om de aardbevingen uit te zetten. Dat knopje bestaat niet, dus wek niet de suggestie richting Groningen dat u een oplossing hebt voor morgen. Die is er niet. De minister zorgt ervoor dat er op termijn niet meer aardbevingen komen, maar dat het aantal afneemt. Hij zorgt ervoor dat de huizen worden versterkt, zodat mensen weer een veilige toekomst hebben in het prachtige Groningen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Wellicht is de heer Leegte toch niet helemaal toegekomen aan de bijlagen. Deze berekening betreft de periode tussen 2013 en 2023. Voor verschillende jaartallen staan er kansberekeningen in. Dat varieert van 3,9, zoals vroeger is gezegd tot 5,3. Dat is geen oplossing voor nu of voor morgen. Het is een oplossing voor de Groningers tussen 2013 en 2023. De heer Leegte zegt nu: wij kunnen er toch niets aan doen. Daarmee veroordeelt hij volgens mij de Groningers tot een risico op een aardbeving van 5,3 op de schaal van Richter. Dat is echt een heel zware aardbeving. Is dat wat de heer Leegte hier zegt?

De heer Leegte (VVD):

Nee, dat is niet wat de heer Leegte hier zegt. De suggestie dat dit soort zware aardbevingen morgen zou kunnen plaatsvinden, neem ik niet voor mijn rekening.

Om te bouwen aan vertrouwen is het van groot belang dat de schadeafwikkeling snel en zorgvuldig wordt gedaan en dat preventieve maatregelen worden genomen. Niet voor niets wordt een onafhankelijk orgaan ingesteld dat de schadeafwikkeling in de gaten houdt en is er een onafhankelijke ombudsman waar men met klachten terechtkan. Kan de minister de onafhankelijkheid van de schadeafwikkeling nog eens bevestigen en de opzet daarvan toelichten?

Over het aardbevingsbestendig bouwen vraag ik of de minister kan bevestigen dat deze richtlijnen niet later dan juni 2014 klaar zijn, zodat mensen weten waar zij aan toe zijn.

De voorzitter:

De heer Jansen heeft een vraag.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik verbaas me een beetje over de conclusie van de VVD dat de schadeafwikkeling op dit moment onafhankelijk is, althans als wij het voorstel van de minister volgen. Volgens mij is dat niet zo. De minister zegt juist dat de NAM verantwoordelijk is en dus voor de schadeafwikkeling zorgt. Er is wel een vorm van second opinion en de ombudsman houdt ook een oogje in het zeil. De SP stelt voor dat per kubieke meter een bedrag in een pot wordt gestopt en dat die pot onafhankelijk wordt beheerd. Dat is echt onafhankelijk beheer. Kan de heer Leegte uitleggen waarom hij toch kiest voor de bestaande constructie waarin de NAM verantwoordelijk is en aan de knoppen draait?

De heer Leegte (VVD):

De heer Jansen stelt een belangrijke vraag. Daarom heb ik die ook aan de minister gesteld. De minister zegt dat de NAM verantwoordelijk is. Dat klopt. De NAM boort, zorgt voor schade en moet die dus vergoeden. Tegelijkertijd hebben wij allemaal gehoord dat mensen ongelukkig zijn met de NAM en dat zij zich afvragen of het goed gebeurt. Daarom heeft de minister een apart instituut buiten de NAM neergezet, waar mensen met hun klachten terechtkunnen. Dat instituut neemt vervolgens de schade op en zorgt dat die wordt afgewikkeld. Daarmee is een knip tussen de NAM in de uitvoering gemaakt, maar de NAM is wel verantwoordelijk voor de betaling. Dat vind ik een verstandige oplossing, omdat er een laagje is ontstaan tussen de NAM en de schadeafwikkeling.

De heer Paulus Jansen (SP):

Bij kernafval hebben wij geregeld dat de producenten daarvan een bepaald bedrag in de pot stoppen, zodat COVRA er tot in lengte van jaren voor kan zorgen dat het spul veilig wordt opgeslagen. Die constructie stellen wij hier ook voor. Vindt de heer Leegte die constructie niet deugdelijk of weet hij het nog niet?

De heer Leegte (VVD):

Ik vind in dit debat de vergelijking ongelukkig. De formule die de minister heeft gekozen, is verstandig. De NAM is verantwoordelijk voor het betalen van de schade. Er is wantrouwen tegen de NAM vanwege de manier waarop die met de uitvoering daarvan omgaat. Daarom heeft de minister gezegd dat er een apart orgaan komt, waar mensen schade kunnen melden en dat die schades afwikkelt. Vervolgens betaalt de NAM. Dat lijkt mij een verstandige eerste stap bij het terugwinnen van vertrouwen.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog.

De heer Leegte (VVD):

Voorzitter. Er is afgesproken dat de NAM een klanttevredenheidsonderzoek gaat uitvoeren. Dat is goed nieuws, maar het heeft pas zin als er iets met de resultaten gaat gebeuren. Ik vraag de minister dan ook of er een koppeling is tussen de uitkomst van het klanttevredenheidsonderzoek en de beoordeling van de directie van de NAM.

De minister neemt een beslissing over de gaswinning voor de komende drie jaar. In deze periode wordt specifiek onderzoek gedaan om beter te kunnen voorspellen hoe bevingen zich voordoen. Daarna volgt er een nieuw besluit. Duidelijk is dat er veel onzekerheden zijn. Graag hoor ik van de minister hoe hij de communicatie met de inwoners van Groningen over de uitkomst van deze specifieke onderzoeken organiseert.

Veel collega's voor mij hebben gesproken over de economische structuurverbetering. Tijdens de hoorzitting in Groningen vroeg ik de commissaris van de Koning, Max van den Berg, of hij wilde bevestigen dat de afspraak is dat het programma wordt doorgezet, ook na vijf jaar. In de media lazen wij namelijk dat dit voor hem een belangrijk punt was. Gelukkig bevestigde hij dat zijn handtekening staat onder een afspraak die langer duurt dan vijf jaar. Het is belangrijk om je daarbij te realiseren dat het niet gaat om het automatisme van een vast bedrag naar de regio, maar om het automatisme van een vaste samenwerking tussen Den Haag en Groningen bij wat nodig is zolang het nodig is. Zolang Den Haag bij Nederland hoort, zullen wij zij aan zij met Groningen staan. Graag een reactie van de minister op dit langetermijnperspectief.

Een van de onderdelen is de zogeheten dialoogtafel. Op de website van deze dialoogtafel lees ik dat er jaarlijks bijna een miljoen euro wordt uitgetrokken om deze tafel draaiende te houden. Oud-politici met een mooi pensioen en meerdere bijbanen krijgen €70.000 per jaar voor hun bijdrage aan de dialoogtafel. Dit is precies waar de VVD zo bang voor was. Er ontstaat namelijk een uitstraling dat de oplossing zoals die door de commissaris van de Koning is neergelegd, niet naar de mensen zelf gaat, die het nodig hebben, maar naar de bestuurders. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. De dialoogtafel moet gaan over de behoeften en de vragen van de mensen en niet om salarissen van bestuurders. Bovendien is het wel erg mager dat er slechts twee van de veertien leden inwoners zijn. Ik hoor hier graag een reactie op.

Voorzitter, ik rond af. Het debat van vandaag gaat over verantwoorde gaswinning. Groningen verwacht dat wij vandaag geloofwaardige massieve afspraken maken, waardoor het aantal zware bevingen niet zal toenemen. Daarnaast worden er maatregelen genomen om gebouwen te versterken, zodat die eventuele bevingen veilig kunnen doorstaan. Ik realiseer mij terdege dat de houding van de mensen in Groningen is: eerst zien en dan geloven. Niet voor niets is de enige vraag die ik in de schriftelijke voorbereiding van deze ronde heb gesteld: wanneer is begonnen met het terugdraaien van de gasproductie? Het antwoord daarop was: vijf uur na de persconferentie in Loppersum. Duidelijker kan niet worden gezegd dat er alles aan wordt gedaan om met echte oplossingen te komen. Daar zal ik — net als al mijn collega's hier aanwezig, zo weet ik zeker — de uitvoering op blijven volgen.

Ik wil dat de stutten uit de huizen van Groningen kunnen. Ik wil dat Groningers weer blij kunnen zijn met de prachtige plek waar zij wonen. Daartoe zetten wij vandaag een eerste stap.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik hoor de VVD instemmen met het schade- en economisch herstelpakket voor Groningen. Vindt de VVD dat ook bijvoorbeeld in Limburg, met de mijnen, of in Drenthe, waar bij het Roswinkelveld ook flinke schade is door bodemdaling, schade- en economisch herstelpakketten moeten komen?

De heer Leegte (VVD):

Wat ik vooral wil, is dat wij vandaag Groningen adresseren. Laten wij ons beperken tot de moeilijkheden daar, zodat de mensen in Groningen snappen waarover het gaat. Mijn antwoord is dat wij daarover moeten praten, maar dat ik het nu wil hebben over de vraag over hoe wij Groningen vertrouwen kunnen geven. Laten wij niet in politieke spelletjes vervallen over wat er nog meer zou kunnen op andere plaatsen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik denk dat de mensen in Groningen niet gek zijn. Zij praten ook met mensen die elders last hebben van fossiele winningen. Ik vind het heel jammer dat de VVD hier geen antwoord wil geven op mijn vraag. Het gaat immers om een vrij principieel punt. Gaan wij overal waar industriële activiteiten op grote schaal plaatsvinden schadevergoedingen betalen of gaan wij ervoor zorgen dat er voor alle Nederlanders een goed basaal niveau van veiligheid is?

De heer Leegte (VVD):

Alle Nederlanders hebben een goed basaal niveau van veiligheid. Vandaag hebben wij het specifiek over de veiligheid van Groningen. De minister heeft een robuust pakket gemaakt, met onder andere het terugdringen van de aardgaswinning en het nemen van preventieve maatregelen voor gebouwen zodat die stevig zijn. Als er onverhoopt toch schade ontstaat, zal die ruimhartig worden afgewikkeld. Mensen zullen daarvoor worden gecompenseerd. Dat is goed en belangrijk. Laten wij er niet allemaal andere dingen bij gaan halen. Aan dat spel doe ik vandaag niet mee.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Staat bij de VVD-fractie de veiligheid voorop of kan er op basis van bijvoorbeeld leveringszekerheid toch wat van die veiligheid worden afgeknibbeld?

De heer Leegte (VVD):

Dit is het type vraag, met alle respect, waar ik ongelukkig van word. Ik heb dat al gezegd. Ik vind juist dat de het minister het goed heeft gedaan door eerst te kijken naar de veiligheid, vervolgens naar de technische mogelijkheden die er zijn en pas daarna naar de kosten. Dat is de enige juiste volgorde om dit debat integer te kunnen voeren. Iedere suggestie dat het andersom zou zijn, werp ik verre van mij. Daar doe ik ook niet aan mee.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik concludeer dat die drie punten wel altijd in onderlinge samenhang worden bekeken bij de VVD. De Onderzoeksraad Voor Veiligheid zal dit jaar onderzoeken of de veiligheidsrisico's voldoende zijn afgewogen bij het kabinetsbesluit. Als uit het onderzoeksrapport blijkt dat dit onvoldoende het geval is, is de VVD dan bereid om het kabinetsbesluit tegen het licht te houden?

De heer Leegte (VVD):

Normaal zou ik zeggen: zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. In het geval van mevrouw Dik zeg ik: wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Zo zit zij in elkaar, niet ik. Ik heb al gezegd dat het moet gaan om de veiligheid, dat wij dan moeten kijken wij hoe wij preventieve maatregelen kunnen nemen en dat wij vervolgens naar de kosten kijken. En dus niet andersom.

De heer Paulus Jansen (SP):

De heer Leegte heeft in reactie op een interruptie van mevrouw Van Tongeren gesteld dat het besluit van het kabinet materieel gelijk is aan het advies van Staatstoezicht op de Mijnen. Ik ben bij dezelfde hoorzitting geweest als de heer Leegte. Mijn ogen zijn wat minder, maar mijn oren zijn volgens mij nog prima. Ik heb de heer De Jong niet horen zeggen dat dit het geval is, dat het besluit materieel gelijk is aan het advies. Het advies is van afgelopen januari en dus uitermate recent. Ik geef twee citaten uit het advies. Ten eerste staat er dat SodM de minister van Economische Zaken adviseert om niet in te stemmen met de wijziging van het winningsplan Groningen 2013 van de NAM. Ten tweede staat in het advies dat de NAM van de 29 beschikbare productieclusters, de 5 clusters in het meest risicovolle gebied rondom Loppersum op zo kort mogelijke termijn moet sluiten. Het gaat om de clusters 't Zandt, Overschild, De Paauwen, Ten Post en Leermens, die voor een periode van ten minste drie jaar dicht moeten. De heer Leegte kan toch niet volhouden dat het kabinetsbesluit materieel gelijk is aan wat Staatstoezicht op de Mijnen adviseert?

De heer Leegte (VVD):

Dat kan de heer Leegte zeer zeker wel. TNO heeft op basis van het advies van SodM aanvullend onderzoek gedaan, en heeft daarbij geconstateerd dat er vier dingen moeten gebeuren. Er moeten een regelprotocol en een uitgebreid netwerk van GPS-meetstations komen, er moeten preventieve maatregelen genomen worden en er moet na de periode van drie jaar een nieuw winningsplan komen. Met die maatregelen kan volgens SodM een verantwoorde gaswinning gedaan worden.

Het andere punt was dat er geen besluit wordt genomen. SodM weet iets van de ondergrond, maar niets van besturen. De minister heeft juist wel een besluit genomen. Dat vind ik verstandig, omdat daarmee een titel ontstaat om met de regio in debat te gaan over het winningsbesluit. Zonder besluit had niemand inspraak kunnen krijgen op het winningsplan: de mensen die op de tribune zitten niet en ook de mensen in Groningen die televisie kijken niet. In dat geval zouden we niet vanuit de dialoog kunnen gaan bouwen aan het vertrouwen. Ik vind het verstandig dat de minister dat zo gedaan heeft. De heer De Jong van Staatstoezicht op de Mijnen heeft dan ook op de hoorzitting gezegd dat de uitkomst anders is dan SodM heeft geadviseerd, maar dat het materieel op hetzelfde neerkomt.

De heer Paulus Jansen (SP):

Het is jammer dat de Kamer te arm is om stenogrammen te laten maken van hoorzittingen. Ik parafraseer ook, maar volgens mij heeft de heer De Jong gezegd dat SodM ermee kon leven, gezien de afweging die het kabinet moet maken van alle belangen, zoals het veiligheidsbelang, het economische belang et cetera. Dat was volgens mij de boodschap van de heer De Jong. Laat de heer Leegte nog eens een poging doen om mij uit te leggen dat het volledig sluiten van vijf putten volgens hem materieel gezien gelijk is aan het verminderen van de winning uit de vijf putten met 80%.

De heer Leegte (VVD):

Gelukkig bezit ons parlement slimheid. Dat heeft niets met geld te maken, maar met mensen en inbreng. In de inbreng van SodM schrijft de heer De Jong dat de minister zijn voorstel voor de aanpak heeft overgenomen en dat SodM er scherp op zal toezien dat de NAM de afspraken nakomt. Wat ik heb gezegd, staat ook op schrift. Ik kan het zo nog even overleggen. Er staat dat Staatstoezicht op de Mijnen het eens is met de aanpak, hoewel het in eerste instantie iets anders had geadviseerd. Nadat TNO met een onderzoek kwam waarin stond dat er vier dingen moesten gebeuren, heeft de minister dat allemaal opgenomen in zijn plan. Daarmee is materieel gebeurd wat SodM wil, namelijk het creëren van veiligheid voor burgers in Groningen. Dat is ook wat wij belangrijk vinden.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik denk dat het uitermate vervelend is dat het advies van SodM door de VVD steeds anders geïnterpreteerd wordt. Ik wilde eerst niet citeren, maar ik doe het toch. Op pagina 22 van het advies staat dat SodM nog steeds van mening is dat de snelheid van de gasproductie een aanzienlijk effect heeft op het totaal aantal aardbevingen. Daar is geen woord Frans bij. Vervolgens zegt SodM dat het bij voortduring bij de NAM heeft aangedrongen op nader onderzoek, maar dat de NAM dat niet gedaan heeft. Er worden geen resultaten gepresenteerd. Dat staat in hetzelfde stuk. Wat SodM aan de NAM heeft gevraagd, heeft de NAM niet gedaan. Vervolgens heeft de NAM twee dingen over het winningsplan gezegd. Ten eerste wilde men het afkeuren en ten tweede ... Mijn collega van de SP heeft het net allemaal voorgedragen, dus ik hoef het niet weer voor te lezen. Waarom blijft de VVD volharden dat SodM volledig ingestemd zou hebben met het kabinetsbesluit?

De heer Leegte (VVD):

Omdat het advies van SodM voorafgaand aan de hoorzitting is gegeven. Daarna is er een aantal dingen gebeurd. Er is aanvullend onderzoek gedaan door TNO. Daarna heeft SodM in persoon van de heer De Jong een toelichting gegeven tijdens de hoorzitting. Wie oren heeft, heeft het kunnen horen en wie het gemist heeft, kan altijd nog terugvallen op de inbreng. Die heb ik hier en kan ik straks aan mevrouw Van Tongeren geven. SodM heeft gezegd dat de minister zijn voorstel voor de aanpak heeft overgenomen en dat SodM scherp erop zal toezien dat de NAM de afspraken naleeft. Die afspraken bestaan uit de vier aanvullende eisen die TNO heeft geformuleerd over het specifiek meten in het gebied. Dat is nodig, omdat het Groningenveld het grootste ter wereld is. We weten daar weinig van, dus is het verstandig om te doen. Daarmee heeft de heer De Jong gezegd dat de minister in materiële zin doet wat SodM geadviseerd heeft.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Zou de heer Leegte bereid zijn om, wellicht voor de Groningers en voor hun veiligheidsgevoel, samen met mij te vragen of Staatstoezicht op de Mijnen nog een keer op wil schrijven of het zijn eerdere adviezen intrekt of dat het nog steeds achter zijn uitspraak staat dat de snelheid van de gasproductie een aanzienlijk effect kan hebben op de aardbevingen?

De heer Leegte (VVD):

Het laatste wat ik wil doen, is met GroenLinks zorgen dat de onrust blijvend vergroot wordt. Wat juist goed is van vandaag en wat de winst zou moeten zijn, is dat we met zijn allen, schouder aan schouder, als collega's werken aan de veiligheid die voortkomt uit het plan van de minister.

De heer Jan Vos (PvdA):

Het is goed om te constateren dat de VVD de veiligheid belangrijk vindt en ook vooropstelt. Is de heer Leegte bereid om een eventuele motie van de zijde van de Partij van de Arbeid op dit punt, veiligheid voorop, te steunen? Die motie zou dan met name moeten gaan over de productiefilosofie van de NAM, die nu bestaat uit het produceren en het leveren van gas en het naleven van de Gaswet, en waarvan de inspecteur-generaal heeft gezegd: dat is allemaal heel erg mooi, maar eigenlijk moet de veiligheid primair staan. Zou hij een motie op dat punt willen steunen?

De heer Leegte (VVD):

Zoals u weet, is de VVD altijd zeer terughoudend met overbodige moties. Ik ben vaak bij de NAM geweest en ik ben ook vaak bij de aandeelhouders ExxonMobil en Shell geweest. Als iets bovenin de filosofie van deze bedrijven staat, is het veiligheid. Als je daar binnenkomt, wordt bijvoorbeeld al gevraagd om de leuning van de trap vast te houden. Daaruit blijkt al dat veiligheid tot in de haarvaten van die bedrijven zit. Dus als die motie aanvullend is, bekijk ik haar welwillend, maar als ze overbodig is, zijn wij niet snel geneigd om daaraan mee te doen.

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik constateer dat de inspecteur-generaal heel duidelijk heeft aangegeven dat er een omissie is in de productiefilosofie van de NAM en dat veiligheid voorop moet staan. Ik constateer dat u namens de VVD zegt dat die veiligheid van belang is. Ik denk dan toch dat die veiligheid voor de VVD van een ander belang is dan voor mijn fractie.

De heer Leegte (VVD):

Ik kan hier weinig mee. Ik ken de NAM als een bedrijf dat veiligheid hoog in het vaandel heeft. Ik ken Staatstoezicht op de Mijnen, die toeziet op de veiligheid. Ik ken de minister, die stuurt op veiligheid. Ik ken ons als Kamer die stuurt op veiligheid. Ik kan mij dan ook niet goed voorstellen wat daar nog bovenop zou moeten aan extra veiligheid. De suggestie dat er onvoldoende oog zou zijn voor de veiligheid, deel ik dus niet. Ik vind dat een slecht signaal. Ik hoop ook niet dat dat is wat de heer Vos bedoeld heeft.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Voorzitter. Toen begin vorig jaar naar aanleiding van de zware beving in Huizinge in augustus 2012, Staatstoezicht op de Mijnen met haar rapport over de samenhang tussen de sterkte van de aardbevingen en de hoogte van de gaswinning kwam, heeft de CDA-fractie onmiddellijk aangegeven de veiligheid van onze inwoners voorop te stellen. Vervolgens hebben we aangedrongen op een eerlijker verdeling van de lusten en de lasten van de aardgaswinning, een ruimhartige schadeafhandeling en een goede communicatie met de inwoners. Langs deze lijn heeft de fractie nu opnieuw naar het besluit van de regering gekeken.

De inwoners van Groningen vrezen in meer of mindere mate nog steeds voor hun veiligheid. Er zijn kinderen die niet op hun eigen kamer durven te slapen, maar bij hun ouders in de slaapkamer liggen, omdat ze bang zijn. Een vader van een zoon van 9 jaar vroeg aan mij: wat moet ik tegen mijn zoon zeggen die aan mij vraagt: papa, ze laten ons toch niet in de steek? Mensen in Groningen maken zich zorgen over hun veiligheid, hun huizen en de staat van de dijken. Ten aanzien van de dijken willen we graag een duidelijk tijdschema voor de Groningers en de inzet van de Crisis- en herstelwet. Haast is geboden. Graag een reactie van de minister op dit punt.

Met het voorliggende besluit geeft de minister aan, het vertrouwen te willen herstellen. De overheid moet zich een betrouwbare partner tonen, zowel in Groningen alsook in Limburg, waar nu nog steeds problemen zijn door de steenkoolwinning. Dit kabinet heeft zelf het vertrouwen het afgelopen jaar verkwanseld door de gaskraan ruimschoots open te zetten in plaats van uit voorzorg een stukje dicht te draaien. Vindt de minister zijn besluit van begin vorig jaar om alle onderzoeken eerst af te wachten in het kader van de veiligheid van de Groningers, nog steeds verstandig? Kan de minister ons uitleggen hoe het heeft kunnen gebeuren dat de gaswinning in 2013 een record bereikte? Wij lezen in de krant dat SodM het ministerie tijdig heeft laten weten dat dit eraan zat te komen. Wat heeft de minister met deze informatie gedaan?

De coalitiepartijen moeten na deze stunt niet gek opkijken dat het vertrouwen van de Groningers tot een dieptepunt is gedaald. Daar is dit kabinet van VVD en PvdA verantwoordelijk voor. De geloofwaardigheid van de overheid staat hier op het spel. Waar hebben de Groningers nog vertrouwen in? Het blijkt Staatstoezicht op de Mijnen te zijn. En weer wijkt het kabinet af van het advies van SodM, net als vorig jaar. Het adviseert namelijk een reductie van 100%, in plaats van 80% in de vijf clusters rondom Loppersum. Wat de effecten op de veiligheid zijn, is niet geheel duidelijk. Hierover heb ik geen rapport gezien, noch een advies van SodM. Het kabinet heeft echter al wel een besluit genomen.

De heer Jan Vos (PvdA):

Hoe lang wordt er gas gewonnen in Groningen?

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Al een hele tijd.

De heer Jan Vos (PvdA):

Al vijftig jaar. Hoe lang hebben de Groningers last van die gaswinning?

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Ze hebben al een heel aantal jaren last van de aardbevingen. De echt zware aardbevingen vonden plaats in augustus 2012. Daar begon ik mijn betoog mee. Dat was een keerpunt in hoe mensen die aardbevingen verder zijn gaan zien.

De heer Jan Vos (PvdA):

Groningers hebben al decennialang en in toenemende mate last van compactie, bodemdaling en aardbevingen. Het is nu, na een heel onrustig jaar, dat het kabinet daar voor het eerst heel serieus naar kijkt en maatregelen treft. Ik denk dat we hier allemaal verantwoordelijk zijn voor nalatigheid ten opzichte van Groningen. Dat geldt voor alle partijen die regeringsverantwoordelijkheid hebben gedragen. Daar behoort ook het CDA toe.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

De PvdA-fractie had vorig jaar gewoon het voorzorgsprincipe kunnen toepassen. Die keus heeft de PvdA niet gemaakt. Dat was haar keus. Misschien heeft de PvdA daar spijt van. Daar kan ik me iets bij voorstellen. Het was niet onze keus.

Tijdens de technische hoorzitting werd duidelijk dat onduidelijk is wat de effecten zullen zijn van een productietoename in het zuidelijke deel van het Groningenveld op de seismische activiteit in dat gebied. Toch is dat het voorstel van deze regering. In de stukken lezen wij dat de effecten na vijf jaar niet in te schatten zijn. Is de regering van mening dat met het huidige kabinetsbesluit het voorzorgsprincipe voldoende serieus genomen wordt?

Natuurlijk hebben we vanmiddag een brief gekregen. Misschien heeft de VVD een antwoord op de vraag hoe het op lange termijn allemaal zit.

De voorzitter:

De heer Leegte heeft in ieder geval een vraag.

De heer Leegte (VVD):

Nee. Mijn vraag zou inderdaad zijn of mevrouw Mulder de brief ook gelezen heeft. Daarin heeft zij kunnen zien dat er geen significante toenames van risico's zijn.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Daarom heb ik erbij gezegd dat wij nog niet gezien hebben welk rapport daaronder ligt. Het is slechts een brief. Is daar ook een advies van SodM bij verstrekt? Zoals ik net in mijn betoog aangaf, hechten de Groningers daaraan en met hen ook de CDA-fractie. Wij zouden daar graag wat meer informatie over willen zien.

De heer Leegte (VVD):

Het debat van vandaag gaat ook over het terugwinnen van het vertrouwen in Groningen. Dat kunnen wij het beste doen als wij met elkaar naar feiten kijken. Als er een brief van de minister komt waarin staat dat TNO heeft onderzocht dat de risico's niet significant toenemen, lijkt mij dat een feitelijkheid waarmee we moeten leven. Op het moment dat we dan gaan suggereren dat er iets onderligt, voeden wij de onrust. Mijn vraag is of het CDA die verantwoordelijkheid voelt en of het dit wil met dit debat. Of zegt het CDA: wij zijn gericht op echte oplossingen en gaan vandaag even geen politiek bedrijven?

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Wij zijn hier in de politiek, dus het is hier altijd politiek. Dat schakel je nooit uit. Wij hebben echter twee uur voor dit belangrijke debat een brief gekregen. Wij zouden heel erg graag willen weten hoe Staatstoezicht op de Mijnen daarnaar kijkt en wat het daarvan vindt. Het is helemaal niet zo raar dat wij vragen of SodM even meekijkt. Wij hechten aan Staatstoezicht op de Mijnen. Het zou mooi zijn als de VVD dat ook deed.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Met de CDA-fractie hebben ook wij zorgen over de veiligheid. Ik heb inmiddels het verslag van de rondetafelbespreking even opgezocht. Ik wil mevrouw Mulder een klein citaat voorhouden, om te kijken of zij het zich ook zo herinnert. In het verslag staat: "Als we al deze factoren meenemen in onze berekeningen, constateren we dat het veiligheidsrisico voor de inwoners van Groningen hoog is. Bij ongewijzigd beleid wordt het risico jaarlijks alleen maar hoger." Vervolgens staat er over verlagen: "Dit kan in ieder geval door de gasproductie te verminderen." Is het CDA het met GroenLinks eens dat de meest zekere oplossing die SodM keer op keer aandraagt een vermindering van de totale gasproductie is?

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Wij hebben inderdaad niet alleen tijdens de hoorzitting gehoord dat het risico hoog is. Dat staat ook in het advies van Staatstoezicht op de Mijnen. En inderdaad hebben we niet gehoord dat Staatstoezicht op de Mijnen heeft gezegd dat het verminderen van de gasproductie helemaal geen oplossingsrichting is. Volgens mij staat er in het advies van Staatstoezicht op de Mijnen dat je kunt kijken naar de oorzaken en naar de gevolgen. Als je meer naar de gevolgen kijkt, ga je na wat je met de huizen kunt doen, hoe je die gaat verstevigen et cetera. Wat de oorzaken betreft, zegt Staatstoezicht op de Mijnen: doe wat aan gasvermindering.

De veiligheid en het herstel van de woningen en het cultureel erfgoed moeten transparant, ruimhartig en voor de lange termijn geregeld worden voor de inwoners van Noordoost-Groningen. Er zullen preventieve maatregelen moeten worden genomen, zodat mensen weer veilig in hun huizen kunnen wonen. Tijdens de hoorzitting in Groningen werd uit de antwoorden op vragen van het CDA aan de LTO duidelijk dat er nog steeds geen normen zijn voor het versterken van gebouwen en voor nieuwbouw. Waarom is dit nog niet gebeurd? Ook andere fracties hebben daar al vragen over gesteld. Wanneer gaan wij deze normen vaststellen? Wij voegen daaraan toe: liever gisteren dan morgen.

Mijn volgende punt is de verdeling van de lusten en de lasten. De schadevergoeding wordt nu voorgesteld als een gunst. Dat vinden wij een verkeerde voorstelling van zaken, want de kosten van de schade moeten altijd worden vergoed, zo staat het in de wet. Of het nou gaat om 1 euro, 1 miljard euro of 6 miljard euro, de NAM zal die schadekosten moeten vergoeden. Vindt de minister dat ook de aandeelhouders van de NAM vanuit het oogpunt van maatschappelijk verantwoord ondernemen eventueel zelf financieel zouden moeten bijdragen aan het herstel van vertrouwen? Wij zien hierbij wel een rol weggelegd voor deze bedrijven, maar willen erg graag weten hoe de minister daarover denkt.

Het belangrijkste punt voor de CDA-fractie is de veiligheid van onze inwoners. De conclusie van het CDA is om het advies van SodM op te volgen, en niet alleen de strekking ervan, zolang er niet meer duidelijkheid over de veiligheid is. Ook roept het CDA de regering vandaag op om te erkennen dat het mede zelf het vertrouwen heeft geschaad door de productie in 2013 op te voeren; of om anders met een heel goede verklaring daarvoor te komen.

Verder hebben wij gevraagd om daadkracht bij het aanpakken van de waterkeringen door, waar mogelijk, de Crisis- en herstelwet in te zetten. Het CDA wil dat het kabinet snel naar buiten komt met de bouwrichtlijnen inzake het bouwen in aardbevingsgebied. Ook willen we dat de minister het gebied ruimer de tijd geeft om structureel te bouwen aan perspectief voor de regio. Andere fracties hebben daar ook al over gesproken. Onze eerste zorg is echter de veiligheid. We krijgen graag de antwoorden op onze vragen. Als die niet ver genoeg gaan, zullen wij daarover een motie indienen.

De voorzitter:

Ik dank mevrouw Mulder voor haar bijdrage.

Mevrouw Klever (PVV):

Voorzitter. Na het debat over de aardgaswinning in Groningen van vorig jaar zullen heel veel mensen de indruk hebben gekregen dat de minister voorlopig even niets zou doen. Dit in afwachting van onderzoeken die een zorgvuldig besluit mogelijk zouden maken. Niets is minder waar gebleken. Het debat was nog niet voorbij of de gaskraan ging vol open. Vorig jaar heeft de minister een recordhoeveelheid gas uit het Groningse veld gehaald. De staatskas is met miljarden euro's gespekt in een krampachtige poging om aan de 3%-norm van Brussel te voldoen.

Inmiddels hebben we iets meer kijk op de andere kant van de medaille. Het risico op een zware aardbeving is volgens Staatstoezicht op de Mijnen met 50% toegenomen. De verwachte maximale kracht van een beving is fors naar boven bijgesteld en de bewoners van het gebied zitten met de spreekwoordelijke gebakken peren. De minister heeft een compensatieregeling toegezegd die te weinig inhoudt. Feitelijk vergoedt de minister niet veel meer dan de schade die hij sowieso al wettelijk verplicht is om te vergoeden. De minister presenteert een pakket van 1,2 miljard euro met gratis zonnepanelen, snel internet en een dialoogtafel waar bestuurders een leuk zakcentje van €35.000 per jaar kunnen bijverdienen.

Terwijl bestuurders al voor zichzelf gezorgd hebben, ben ik zowel alleen als samen met de commissie bij verschillende mensen op bezoek geweest voor wie het nog níet geregeld is. Dat waren mensen die in een zwaar beschadigd huis midden in het aardbevingsgebied wonen, een huis dat verzakt is, kieren in de muur en kapotte badkamertegels heeft en nog veel meer ellende. Volgens ARCADIS is het een duidelijk geval van een te lage stand van het grondwater en heeft het niets met aardbevingen te maken. De bewoner wordt afgescheept met een schamele €1.600. Is dat de ruimhartige compensatie die de minister heeft toegezegd? Of is die ruimhartigheid er voor de compensatie van de bestuurders die plaatsnemen aan de dialoogtafel?

De minister heeft een regeling voor schrijnende gevallen ingesteld. Wij vinden deze regeling een goed begin maar volstrekt onvoldoende. Wij verzoeken de minister om deze regeling uit te breiden met de 300 miljoen euro die nu nog is gereserveerd voor opleukvergoedingen zoals zonnepanelen, snel internet, winkelcentra en verduurzaming. Schrijnende gevallen moeten voorrang krijgen op hobby's van bestuurders. Graag krijg ik daarop een reactie.

De compensatie voor de waardedaling van een huis wordt alleen uitgekeerd bij verkoop. Aangezien er geen woning meer wordt verkocht in het gebied, is deze compensatieregeling een wassen neus. Waarom keert de minister deze compensatie niet gewoon uit, ongeacht de vraag of een woning verkocht wordt of niet? Dit is ook gebruikelijk bij planschade. Graag krijg ik daarop een reactie.

Veilig wonen is een recht, ook als je boven een gasbel woont. Een snel, volledig en ruimhartig herstel van alle schade aan de woningen alsmede het verstevigen van de woningen heeft wat de PVV betreft de allerhoogste prioriteit. Kan de minister aangeven wanneer alle woningen voldoende veilig zijn met inachtneming van de nu bekende risico's? Wanneer denkt hij dat alle woningen in Groningen weer voldoen aan het recht op veilig wonen? Graag krijg ik daarop een reactie.

Ten slotte stel ik de vraag wie dit gaat betalen en hoe dit gebeurt. Laat ik beginnen met de opmerking dat geld nooit een overweging mag zijn als het gaat om de veiligheid van burgers die door overheidshandelen in gevaar zijn gebracht. Veiligheid gaat voor geld, zeker als je bedenkt dat de overheid ruim 250 miljard euro heeft verdiend aan de gaswinning die nu al deze problemen oplevert.

In het verkiezingsprogramma van de PVV staan wat suggesties voor bezuinigingen, zoals het stoppen met ontwikkelingshulp en andere goede ideeën. Los van deze suggesties stelt de PVV voor om een veiligheidsheffing in te voeren op Gronings gas. Omdat Nederlanders al zwaar getroffen worden door de vele lastenverzwaringen van het kabinet, stellen wij voor om Nederlanders vervolgens volledig te compenseren voor deze heffing en de heffing volledig te laten betalen door de buitenlandse afnemers van ons gas. Wij denken dat het volstrekt redelijk is om een deel van de kosten van de compensatieregeling te verhalen op de buitenlandse gebruikers van ons gas. Meer dan de helft van ons unieke Groningse laagcalorische gas gaat immers naar buitenlandse afnemers. Een veiligheidsheffing van bijvoorbeeld 1 cent per kubieke meter zou zo'n 400 miljoen euro per jaar op moeten leveren. Dit is te rechtvaardigen met het rapport van Staatstoezicht op de Mijnen in de hand en een beroep op force majeure, overmacht. De systematiek van deze heffing is te vergelijken met de Duitse plannen voor een tolheffing. Daarbij worden binnenlandse gebruikers ook volledig gecompenseerd. Zij zou dus moeten passen binnen EU-regelgeving. Graag krijg ik de welwillende reactie van de minister op dit idee.

De voorzitter:

Dank u wel voor uw bijdrage, mevrouw Klever.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter. Bij het kabinetsbesluit over de gaswinning in Groningen zijn voor de ChristenUnie twee punten van cruciaal belang. Ten eerste moet de veiligheid van de Groningers vooropstaan. Ten tweede is de termijn van vijf jaar voor het investeringspakket voor de ChristenUnie een te beperkte horizon. Het pakket moet zich richten op de langere termijn.

Ik ben meerdere malen in het gebied geweest om te spreken met bewoners en om naar de schade aan huizen en gebouwen te kijken. Veel mensen zijn hun gevoel voor veiligheid kwijt. In de afgelopen tijd heb ik in discussie over de gaswinning nog te vaak de termen "leveringszekerheid" en "langetermijncontracten" gehoord. Er is één belang dat daar nog voor moet staan, in hoofdletters: veiligheid. De ChristenUnie zet veiligheid op nummer één. Doet de minister dat ook?

Staatstoezicht op de Mijnen adviseerde de minister een jaar geleden om de gasproductie uit het Groninger veld zo snel mogelijk, zo veel mogelijk en realistisch terug te brengen. Op dat moment had de minister de rem op de gaswinning moeten zetten. Het tegenovergestelde is gebeurd: maar liefst 55 miljard kuub is het afgelopen jaar uit de grond gehaald. Waarom heeft de minister toegelaten dat meer gas werd gewonnen in plaats van minder? Het gevolg is dat het begin van herstel van vertrouwen, zoals door de commissie-Meijer ook is voorgesteld, in één klap weer tenietgedaan is. Vorig jaar was het immers overduidelijk dat er een beweging de andere kant op moest worden gemaakt.

Uit de onderzoeken van vorig jaar bleek een kans van 7% dat op korte termijn een zwaardere aardbeving optreedt. Nu, een jaar verder, is dat risico gestegen naar 11%. Dit kunnen we niet negeren. Het is goed dat het kabinet nu in beweging is gekomen. Het advies van Staatstoezicht op de Mijnen om de productie bij Loppersum stil te leggen, is voor 80% opgevolgd. Dat is substantieel, maar is het voldoende vanuit het perspectief van veiligheid? Hoever moet het totale productieniveau worden verlaagd, dus ook in het zuiden van de provincie? We hebben stapels rapporten over bevingsrisico's, maar noch uit de rapporten, noch uit de technische hoorzitting met experts van vorige week kwam een eenduidig antwoord. Tegelijkertijd kunnen we nieuwe onderzoeken, zoals de contra-expertise van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid, verwachten. Voor de ChristenUnie staat die veiligheid ook voorop. Vindt de minister ook dat de uitkomsten van deze onderzoeken onverkort moeten worden opgevolgd, ook als dat in de loop van dit jaar tot productievermindering leidt?

Ik vraag de minister ook naar de productieverhoging buiten het Loppersumcluster. De ChristenUnie vindt dat een minimale productieverhoging alleen is uit te leggen als de bodemsituatie dat toelaat. Is de minister bereid om door TNO nader onderzoek te laten doen naar de compactie in specifieke clusters in het zuidelijke deel?

Ook zoutwinning leidt tot bodemdaling. In sommige gebieden vindt zowel gaswinning als zoutwinning plaats. Hoeveel is al bekend van het effect van beide activiteiten op bodemdaling en bevingen?

De tweede belangrijke eis van de ChristenUnie is een ruime horizon voor het investeringspakket. De ChristenUnie wil verder kijken dan de vijf jaar in het akkoord. We hebben het dan over concrete bedragen na 2018. Hierover is door verschillende fracties een motie opgesteld en uiteraard heeft ook de ChristenUnie die ondertekend. Tijdens de hoorzitting in Groningen op 27 januari bleek dat herstel van schade en versteviging van gebouwen prioriteit hebben bij bewoners. Herstel van schade is wat ons betreft niet aan bedragen uit het akkoord gebonden. Alle schade moet worden hersteld. Kan de minister bevestigen dat schadeherstel niet ten koste zal gaan van andere onderdelen van het akkoord, ook niet als de schadebedragen hoger zullen uitvallen?

Bij het herstellen van schade is volgens de Technische commissie bodembeweging ook van belang welke objectieve criteria worden gehanteerd. Zo is het belangrijk om vast te stellen wat de maximale grondversnelling is waarop versterking is gebaseerd. Wanneer komt de minister met objectieve criteria voor het verstevigen van huizen en gebouwen? Een jaar geleden zouden die criteria immers al opgesteld worden.

Voor de ChristenUnie is het belangrijk dat Nederland een strategische visie heeft op onze gasvoorraden. Hoe passen deze gasvoorraden in de transitie naar duurzame energie? Vorig jaar heeft de Kamer een motie van de ChristenUnie hierover aangenomen. Waarom wil de minister deze motie niet uitvoeren?

Ik kom tot een afronding. De zorgen van de Groningers zijn ook de zorgen van de ChristenUnie. Het Groningse gas is niet vanzelfsprekend. Groningen beeft en eens is het gas op. We moeten af van onze gasverslaving. De productie moet omlaag. Bij dat alles gaat voorop: de veiligheid van de Groningers.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Als je al die onderzoeken op een rijtje zet en je kijkt naar de debatten hier tussen de verschillende collega's, dan moet je denken aan de volgende uitspraak van de wetenschapper Blaise Pascal: we zoeken de waarheid en vinden slechts onzekerheid. Als ik dat projecteer op dit debat, op dit vraagstuk, zie ik daar helaas heel veel van terug. Wij weten nu gelukkig meer dan een jaar geleden, maar ik denk dat de minister de eerste is die moet en ook zal toegeven — het is belangrijk om dat te onderstrepen — wat wij wel weten en wat wij niet weten. Als je in Groningen woont, is dat frustrerend en beangstigend. Voor mij is de kernvraag op welke wijze wij omgaan met de onzekerheid die er is.

Het kabinet blijft dichtbij de gegeven adviezen. Je kunt daar van alles van zeggen. Of het nu om 100% van het volgen van die adviezen gaat of om iets daar in de buurt, mijn conclusie is dat het kabinet dicht bij die adviezen blijft. Hoe groot is de onzekerheid nu echt, minister? In diverse rapporten staat dat het effect van een aardbeving een maximumgemiddelde van 4,1 op de schaal van Richter is, met een kans van 10% of 11% op een grotere beving. Tegelijkertijd zijn er experts die zeggen dat er in de afgelopen twintig jaar een exponentiële stijging van het aantal bevingen was, zonder een direct verband met de jaarlijkse productiesnelheid. Ik weet niet wie er precies gelijk heeft. Volgens mij is de waarheid dat er diverse mogelijkheden zijn. Ik vraag de minister op welke wijze hij met die diverse mogelijkheden is omgegaan. Wat voor impact hebben die gehad op de adviezen en op het plan dat hij hier neerlegt?

De voorgestelde reductie van de gasproductie bij Loppersum zorgt volgens de NAM voor grotere drukverschillen in het Groningse veld. De NAM krijgt de ruimte om de productie op andere locaties met 2,5 miljard kubieke meter te verhogen. Wat zijn de risico's daarvan? De drukverschillen zijn immers misschien nog wel belangrijker dan de absolute druk. Wij krijgen het signaal dat de reductie bij Loppersum zou kunnen leiden tot meer horizontale dan verticale bodemverplaatsingen, met alle mogelijke consequenties van dien. Hebben wij deze risico's echt voldoende in beeld? Zo niet, is het dan wel verstandig om de drukverschillen nog eens te vergroten door een hogere gasproductie in andere clusters toe te staan?

De heer Paulus Jansen (SP):

De heer Dijkgraaf zegt dat de minister dichtbij het advies van Staatstoezicht op de Mijnen is gebleven. Ik denk dat hij het al nauwkeuriger formuleert dan de heer Leegte. Ik neem echter aan dat hij kan bevestigen dat de minister wat betreft de veiligheid onder het niveau zit dat Staatstoezicht op de Mijnen heeft geadviseerd. Heeft de heer Dijkgraaf dat ook gezien?

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ja, maar ik heb ook de hoorzitting gevolgd. Mijn collega Bisschop was daarbij aanwezig, omdat ik andere verplichtingen had. Ik heb van hem natuurlijk rechtstreeks verslag gekregen. Ik constateer dat Staatstoezicht op de Mijnen zegt dat de minister het advies materieel volgt. Ik heb die vragen echter niet voor niets gesteld. Ik heb dit alles niet voor niets ook gerelateerd aan de risico's en de onzekerheden die er zijn. Ik denk dat dit debat bedoeld is om de minister daar scherp op te bevragen. Hoe ziet hij het? Zijn er materiële verschillen of zijn er verschillen in de maatregelen die genomen worden, die niet materieel uitwerken, maar qua keuze anders zijn?

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik denk dat de heer Dijkgraaf gelijk heeft dat het debat daarvoor bedoeld is. Hij citeert ook ingenieur Houtenbos, de man van de exponentiële curve. Ik concludeerde uit zijn bijdrage dat er eerder reden is om voorzichtiger te zijn dan SodM adviseert en dat er geen reden is om aan de andere kant te gaan zitten. Is dat niet een juiste conclusie op basis van de hoorzitting?

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik ben gewend om mijn conclusies aan het einde van het debat te trekken. De SGP gaat niet zwart-wit het debat in, maar vraagt vooral aan het kabinet hoe het zit, luistert naar de antwoorden, bevraagt en weegt die nogmaals en komt dan tot een conclusie. Ik vind het essentieel voor iedereen in ons land, maar zeker voor de Groningers die in die streek wonen, dat met alle mogelijke vormen van kennis en onzekerheid rekening wordt gehouden.

De voorzitter:

Ik wilde nogmaals het woord geven aan de heer Jansen, maar ik zag ineens een extra guitige blik op zijn gezicht. Ik vergiste mij dus. Het woord is aan mevrouw Van Tongeren.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Heb ik het goed gehoord dat de heer Dijkgraaf nog geen conclusie heeft getrokken aangaande het hier door het kabinet neergelegde voorstel?

De heer Dijkgraaf (SGP):

Dat klopt.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Dus de heer Dijkgraaf staat nog open voor het advies van Staatstoezicht op de Mijnen? Er zijn nu drie verschillende adviezen afgegeven, namelijk een van januari 2013, een over het winningsplan en de notulen van de ronde tafel. In alle drie staat dat SodM adviseert dat het zo snel en zo veel mogelijk terugbrengen van de gaswinning het beste effect heeft op het verkleinen van het aardbevingsrisico. Dat heeft de heer Dijkgraaf vast gelezen. Dus is hij het met GroenLinks eens dat de winning in elk geval wat verder zou moeten worden teruggebracht?

De heer Dijkgraaf (SGP):

Nu vraagt mevrouw Van Tongeren eerst aan mij of ik nog opensta, en dan blijkt dat zij op slot zit! Ik houd van partijen die gewoon open het debat ingaan, de feiten wegen en vragen stellen. De regering heeft hier een voorstel gedaan. Wij staan er open in. U blijkbaar niet, mevrouw Van Tongeren. U hebt uw conclusies al getrokken terwijl het debat nog gaande is. Dat mag, dat staat iedereen vrij. Wij houden daar niet van.

Het staatstoezicht is opmerkelijk kritisch over het aangepaste winningsplan. De NAM heeft de bepaling van de seismische risico's niet goed gedaan. Ook is de analyse van de invloed van de gasproductie op de seismische activiteit niet valide door selectieve model- en paremeterkeuzes.

Hoe kan het dat de NAM ondanks de betrokkenheid van allerlei experts deze steken heeft laten vallen? En wat betekent dat voor het vertrouwen richting toekomst? Hoe wordt voorkomen dat de komende tijd risico's worden weg gerekend? Dat vraag ik aan de minister.

Hoe was het mogelijk dat de NAM vorig jaar een grote hoeveelheid extra gas heeft geproduceerd? Diverse collega's hebben daar ook al een vraag over gesteld. Blijkbaar neemt de NAM, ondanks alle omstandigheden die er zijn, alle ruimte die haar wordt gegeven. Maar dat brengt mij dan wel tot de vraag wat dit betekent voor de komende maanden. Het zal nog een aantal maanden duren voor het kabinetsbesluit door de juridische procedure heen is. De NAM heeft dan haar handen vrij. Waarom neemt de minister niet nu al een besluit op grond van artikel 50 van de Mijnbouwwet? Dat kan, dat bijt volgens mij niet met de winningsplanprocedure en het geeft Groningen meer zekerheid.

De minister reserveert bij voorkeur geld voor schadeherstel. Dat is een goede stap. Tot op heden krijg ik echter de indruk dat de NAM het onderste uit de kan wil hebben en weinig toeschietelijk is. Zo moet het niet. De SGP wil een ruimhartige financiering van het schadeherstel. Gaat de minister inderdaad voor een ruimhartige in plaats van een krenterige financiering zorgen? Het is cruciaal dat er een voortvarende versterking van kwetsbare gebouwen plaatsvindt. De Technische commissie bodembeweging gaf aan dat zij bij het tijdschema van de NAM een gebrek aan urgentiegevoel proeft. Dat is natuurlijk wel zorgwekkend.

Het is daarom goed dat de minister de uitvoering wil doorschuiven naar een professionele, externe organisatie. De minister waarschuwt voor lange vergunningsprocedures bij de versterking van gebouwen. Daar zitten wij niet op te wachten. De minister oppert de mogelijkheid dat er een projectgroep van ambtenaren komt die wordt belast met de beoordeling van vergunningen. Dat juichen wij zeer toe. Gaat hij dat ook doen? Gaat hij hier echt actief werk van maken?

Veiligheid gaat volgens de SGP boven bijvoorbeeld vleermuizen. Ik doel daarbij op allerlei regelgeving die belemmerend kan zijn voor de daadwerkelijke vergunningverlening. Wil de minister werk maken van bijvoorbeeld een generieke vrijstelling? Kan er een specifieke vrijstelling zijn van onderzoeken in het kader van de Flora- en faunawet? Wil hij kijken welke wettelijke belemmeringen er zijn?

Tot slot, Groningen dringt aan op een langjarige continuering van de afspraken tussen betrokken overheden en de NAM. Die horizon is nu wel heel beperkt met vijf jaar. Om een begin te maken met het herstel van vertrouwen is commitment nodig voor een veel langere periode. Wil de minister daar werk van maken, zodat Groningen indien nodig ook over tien of twintig jaar op steun van het Rijk kan rekenen?

De heer Klein (50PLUS):

Voorzitter. Nederland wordt getroffen door aardbevingen, die schade toebrengen aan Nederlanders en aan Nederlandse bedrijven. Daarbij hebben wij het niet alleen over de materiële schade, zoals schade aan gebouwen, maar ook over immateriële schade, zoals gezondheidsklachten, en over waardeverminderingen.

In vele gebieden in de wereld, ook in Nederland, vinden aardbevingen plaats als natuurverschijnsel ten gevolge van langzame bewegingen van de aardkorst. De aardbevingen in Groningen zijn echter het gevolg van menselijk handelen door onze gaswinning. Dan heeft de veroorzaker ook de plicht om op te draaien voor de schade. Gaswinning heeft ons land heel veel gebracht. Het grootste deel van de Nederlandse huishoudens is voor verwarming en koken afhankelijk van Gronings gas. De gaswinning vormt al tientallen jaren een belangrijke bron van inkomsten voor de Nederlandse Staat. De welvaartsstaat, de verzorgingsstaat zoals wij die kennen, kon mede door de aardgasbaten zo'n hoge vlucht nemen. Wij nemen daarmee een unieke positie in de wereld in.

Maar naast de lusten hebben wij ook de lasten. 50PLUS stelt voorop: de negatieve gevolgen van de gaswinning in Groningen zijn een probleem voor Groningen maar geen probleem van Groningen. Ze zijn een probleem van heel Nederland, van alle Nederlanders die volop geprofiteerd hebben en nog zullen profiteren van de Nederlandse gaswinning in Groningen.

Is het kabinetsbesluit een flinke stap op weg naar het herstel van het vertrouwen in Groningen? Nee. 50PLUS beschouwt het voorgenomen beleid als een eerste stap, een noodverband, gebaseerd op de kennis van nu, kennis die zelfs op de korte termijn nog met de nodige onzekerheden wordt omgeven.

2013 was een recordproductiejaar voor de gaswinning in Groningen. Keer op keer zijn de ramingen naar boven bijgesteld. Maar hoe nu verder? Inmiddels zijn zo'n achttien alternatieve productiescenario's doorgerekend. Met een relatief beperkte vermindering en een gedeeltelijke verplaatsing van de gaswinning zal nu worden geprobeerd om het bevingsrisico in de komende jaren af te zwakken. Maar hoe effectief is dit? Hoe effectief is die winningsstrategie? Deze kwestie wil 50PLUS centraal stellen. Ook in de komende drie tot vijf jaar zijn het risico van bevingen en de zwaarte daarvan met veel onzekerheden omgeven. Is het inderdaad zo dat de minister, tegen het advies van Staatstoezicht op de Mijnen in, instemt met het winningsplan van de NAM?

Wij vragen de minister om concreet in te gaan op de volgende vragen. Hoe denkt hij het vertrouwen in Groningen terug te winnen door toch door te gaan met de omvangrijke gaswinning? Waarom is het gekozen scenario het beste? Wat is concreet het verwachte effect van het kabinetsbesluit? Met hoeveel procent nemen de aardbevingskans en de zwaarte van de aardbevingen naar verwachting af door de voorgestelde productievermindering in Loppersum en de gedeeltelijke verschuiving van de winning naar het zuiden die zal plaatsvinden? Is dat laatste niet in feite een verschuiving van het probleem?

Zoals gezegd, zijn de problemen als gevolg van de gaswinning geen Gronings probleem maar een probleem voor heel Nederland. Schade in al zijn aspecten moeten wij gezamenlijk dragen en zo spoedig en ruimhartig mogelijk oplossen. Wij vragen de minister of hij kan toezeggen dat om te beginnen alle schrijnende gevallen binnen een halfjaar een bevredigende oplossing aangeboden krijgen. Is hij met ons van mening dat ook psychosociale schade hierbij alle aandacht verdient? Graag ontvangen wij te zijner tijd een voortgangsrapportage hierover.

Wij begrijpen dat vermogensschade van huizenbezitters die niet verhuizen, op geen enkele wijze gecompenseerd wordt. Ondertussen daalt de WOZ-taxatiewaarde van hun woning en wordt het bijvoorbeeld steeds moeilijker om een verbouwingshypotheek te krijgen. Kan de minister nog eens grondig verklaren waarom hij dat te rechtvaardigen vindt? Bevingsschade moet toch worden gecompenseerd als deze optreedt?

In het kabinetsbesluit staat ook dat een post voor schadevergoeding voor ander onroerend goed waarvoor mogelijk sprake is van een negatieve waardeontwikkeling als gevolg van aardbevingen, door de NAM individueel beoordeeld zou worden, evenals de vraag of en, zo ja, in welke mate compensatie gerechtvaardigd is. Gaat het hierbij om bedrijfsgebouwen of historische panden, niet zijnde woningen? Moet niet in alle gevallen schade worden vergoed indien deze veroorzaakt wordt door bevingen als gevolg van de aardgaswinning?

Dit geldt wat ons betreft ook voor bedrijven, in het bijzonder voor kleine, zelfstandige bedrijven, het kleinbedrijf. Een bedrijf dat minder waard wordt als gevolg van bevingen, is ook minder waard als pensioenvoorziening. Ik denk aan een winkelier die te maken krijgt met teruglopende klandizie doordat mensen uit het gebied wegtrekken of aan een ondernemer die zijn bedrijf niet kan verkopen omdat er geen kopers meer zijn die kansen zien in het gebied. Zij hebben daardoor een extra waardevermindering en lijden schade in hun hele bedrijfsvoering en daarmee ook hun pensioenvoorziening, omdat zij hun bedrijf niet kunnen verkopen. Ik overweeg om hierover een motie in te dienen. Kan de minister hierop ingaan?

In het debat over de gaswinning en het opvangen van de negatieve gevolgen ervan, mag de financiële kant niet ontbreken. Nederland is natuurlijk zwaar verslaafd geweest aan de aardgasbaten. Een van de zaken die daarbij opvallen, is dat wij eigenlijk nooit gewerkt hebben aan een goede fondsvorming. Wij hebben alleen maar gewerkt aan het opsouperen van de aardgasbaten op korte termijn. De gasrijkdom heeft ons lui gemaakt en heeft ervoor gezorgd dat wij minder efficiënt omgaan met schaarse hulpbronnen. Wij hebben echter nog een kans; beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Er zit voor nog ongeveer 150 miljard aan monetaire waarde in de Nederlandse bodem. De fractie van 50PLUS pleit ervoor om een groot deel hiervan in een vergrijzingsfonds te zetten, een aardgasfonds voor toekomstige generaties zodat de baten bijdragen aan een duurzame welvaart, ook als het gas op is en ook als wij stoppen met het winnen van het gas vanwege de veiligheidsrisico's. Dat geld kan op een gegeven moment gebruikt worden voor de opvang van de vergrijzingsproblematiek en de samenhangende financieringsproblematiek rond de AOW. Kan de minister op dat idee een eerste reactie geven?

Ik sluit af. Dit kabinet gebruikt de aardgasbaten eigenlijk alleen om het financieringstekort terug te brengen en daarmee de staatsschulden naar volgende generaties door te schuiven. Volgens 50PLUS is het maar de vraag of toekomstige generaties daar het meeste bij gebaat zijn. Is het kortetermijndenken van het kabinet niet veel te erg? Wij zeggen daarom: kijk verder dan de dagen van vandaag, kijk verder dan de vijfjarige periode in het kabinetsbesluit en zet in op een goed schadebesluit, een goed schadeherstel en een energiebeleid met minder gaswinning in de toekomst, ook in het belang van de veiligheid van Groningen.

De voorzitter:

Dank u voor uw bijdrage, mijnheer Klein. Als laatste woordvoerder in de termijn van de Kamer geef ik het woord aan mevrouw Ouwehand van de Partij voor de Dieren. Ik geef alvast aan dat wij na haar bijdrage gaan schorsen voor de dinerpauze. Die zal een uur duren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Groningen lijkt het laatste wingewest van Nederland te zijn, met Haagse bestuurders die vanuit de Randstad Groningen leegzogen en vervolgens niet thuis gaven toen er ernstige schade en onrust onder de Groningers ontstond. Terechte onrust en terechte schadeclaims, die ten onrechte onvoldoende serieus werden genomen. In 1986, 28 jaar geleden alweer, werden de eerste voorzichtige connecties tussen gaswinning en aardbevingen gelegd. Zo voorzichtig als de connecties waren, zo krachtig werden ze ontkend door overheid en de NAM. De NAM zei toen: "Wij willen geen precedent scheppen. Als miljardenbedrijf gaat het ons natuurlijk niet om het geld om geld maar om zuiverheid in de omgang met burgers." Vervolgens veranderde er niets. De boringen gingen door, de schade en de bevingen namen toe en het verband werd hardnekkig ontkend of gebadineerd. Pas heel recent hebben overheid en de NAM de ontkenningsfase verlaten, zij het ten dele. De gevolgen zijn erger dan we konden vermoeden. Deze situatie vraagt om langdurige, structurele maatregelen en bovendien om het drastisch dichtdraaien van de gaskraan; bij Loppersum helemaal dicht.

Het besluit van het kabinet om nu de gaskraan een beetje dicht te draaien, is te laat en te weinig. Andere woordvoerders hebben daaraan ook al gememoreerd. In plaats van veiligheid en voorzorgsbeginsel koos het kabinet voor de welbekende vlucht naar voren: eerst nog wat meer onderzoeken. Dat kan — onderzoek is heel vaak een goed idee — maar in de tussentijd zijn ook maatregelen te treffen. Het kabinet zou afscheid moeten nemen van de reflex om altijd maar tijd te kopen met onderzoek, want de Groningers moeten daarvoor met grote ellende betalen. Het is ook te weinig. Het voorstel lijkt te worden ingegeven door de wens om de kool en de geit te sparen. De Partij voor de Dieren vindt dat het hele advies van Staatstoezicht op de Mijnen moet worden opgevolgd.

Mijn partij vindt ook dat er snelle oplossingen moeten komen voor de schrijnende gevallen in Groningen. Daarbij gaat het niet alleen om de fysieke schade aan woningen en boerderijen. Veel mensen hebben ook psychische problemen door deze hele geschiedenis. Wat doet het kabinet voor hen? Herstel en versteviging van de huizen moet prioriteit krijgen, naast het vergoeden van waardevermindering. Bovendien is het belangrijk dat er goede richtlijnen zijn. Hoe bouw je aardbevingbestendig? Dat weten we nu niet en dat is in de huidige situatie niet verantwoord. De Partij voor de Dieren wil graag een nationaal schadefonds. Natuurlijk moet de NAM de kosten op zich nemen, maar de snelste weg is wel dat het Rijk de rekening voorschiet en die vervolgens neerlegt bij de NAM. Dan hoeven bewoners niet meer te wachten op de eindeloze procedures en, in sommige gevallen, de vertragingstactieken.

Wij willen dat de NAM erkent dat ze verantwoordelijk is voor de waardedaling van het wonen in het getroffen gebied. Veel mensen zijn echt boos, en terecht, door het feit dat de NAM de verantwoordelijkheid voor de echte schade en de waardedaling van de huizen hierdoor steeds verder van zich afschuift. Uit ingezonden brieven, zoals deze in het Nederlands Dagblad, wordt duidelijk hoe schrijnend de situatie voor Groningse burgers is en hoe ver hun vertrouwen in de overheid en in de politiek geschaad is. Een gepensioneerde man uit Loppersum schijft: De NAM en ook de overheden gebruikte de adviezen van de funderingstechneuten maar al te graag om vanaf begin jaren tachtig vele jaren glashard te ontkennen dat er scheuren in huizen waren ontstaan door gaswinning. Men moest als argeloze burger maar bewijzen dat het van de gaswinning kwam. Bewijs het maar. Zo werden wij hier jaren aan het lijntje gehouden. Het zou wel van klink van de slappe bodem komen of door achterstallig onderhoud.

De Partij voor de Dieren vindt dat je zo niet met burgers omgaat die niet om die situatie hebben gevraagd. Wij willen een omkering van de bewijslast. Ik hoor graag een reactie.

Het kabinetsvoorstel zoals het er nu ligt, is nog geen schaduw van de voorstellen van de commissie-Meijer. Sterker nog, volgens SodM is het bij lange na niet genoeg. Het adviseerde vorig jaar om niet in te stemmen met het winningsplan van de NAM, maar om de winning uit het Groningenveld met 40% te verminderen. Het tegenovergestelde gebeurde. Het lijkt erop dat de NAM alle mogelijke middelen inzet om de laatste restjes gas uit de bodem te peuteren. De NAM gebruikt veel water met veel chemicaliën om de putten te stimuleren, te inactiveren en te verbeteren. Als het gas bijna op is, bewerken ze de steenlagen net zo lang tot het gas ook uit de kleinste kiertjes en gaatjes naar boven wordt gehaald. Daarbij gaat veel verontreinigd water de grond in. Vervolgens pompen ze de helft er ook weer uit. Wij waren verbaasd dat in alle rapporten en onderzoeken nergens de ondergrondse wateropslag van de NAM in Borgsweer werd genoemd. Graag een reactie van de minister.

De Partij voor de Dieren vindt het volstrekt onvoldoende dat het kabinet de provincie Groningen voor slechts vijf jaar financieel wil versterken vanwege de aardbevingen. Er moet langer vooruit worden gekeken en aan duurzame oplossingen worden gedacht. Wij willen dat het kabinet en de NAM excuses maken voor de fouten die in het verleden, en ook nog recent, zijn gemaakt. Wij willen dat ze ervan leren en geloofwaardig maken dat er echt iets gaat veranderen. Nederland en Groningen in het bijzonder bieden zo veel mogelijkheden voor groene economische ontwikkelingen op het gebied van duurzame landbouw, energie, zorg en toerisme, weg van de verslaving aan fossiele brandstoffen. Er moet echt werk worden gemaakt van energiebesparing en er moet worden ingezet op duurzame, hernieuwbare energie. Het is tijd om te investeren in Groningen. De Partij voor de Dieren vindt dat Groningen daar nu recht op heeft.

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand, ik dank u voor uw bijdrage. Hiermee is een einde gekomen aan de eerste termijn van de zijde van de Kamer.

De vergadering wordt van 18.22 uur tot 19.25 uur geschorst.

De voorzitter:

De heer Klein van 50PLUS heeft mij gevraagd om u mee te delen dat hij vanwege een andere vergaderverplichting nu even niet aanwezig is, maar later alsnog zal aanschuiven.

De minister heeft aangegeven dat hij zijn betoog begint met een algemene inleiding en dan zal ingaan op de tien meest gestelde vragen. Daarna zal hij nog wat individuele vragen beantwoorden. Ik geef het woord aan de minister van Economische Zaken voor zijn beantwoording in eerste termijn.

Minister Kamp:

Mevrouw de voorzitter. Staatstoezicht op de Mijnen heeft ruim een jaar geleden, na de aardbeving van Huizinge in augustus 2012 en daarna in januari 2013, echt de noodklok geluid over de aardbevingsproblematiek in Groningen. Ik meen dat Staatstoezicht op de Mijnen dat zeer terecht heeft gedaan. Naar aanleiding van wat toen allemaal aan de orde kwam, heb ik besloten dat de informatie onvoldoende was om op dat moment al besluitvorming te plegen over de eventuele vermindering van de winning van aardgas in Groningen. Ik heb gezegd dat ik meer informatie nodig had, dat daarvoor een groot aantal onderzoeken moest worden verricht en dat ik inschatte dat er een jaar nodig zou zijn om die onderzoeken te verrichten.

Wij hebben gezien dat in die periode van een jaar de ongerustheid die er al was bij de inwoners van Groningen en Noordoost-Groningen in het bijzonder verder toenam. Dat is ook zeer begrijpelijk. Inmiddels is het zover dat de mensen in Groningen niet meer alleen ongerust zijn. Zij zijn boos, zij zijn verontwaardigd. Hun stelling is: heel Nederland profiteert van ons aardgas voor verwarming, om te koken en voor elektriciteit en wij zitten hier in Groningen met de brokken. Het gaat de mensen in Groningen heel eenvoudig om hun veiligheid: van zichzelf en vooral van hun gezin en hun omgeving. Zij maken zich zorgen over de kwaliteit en de waarde van hun woning, waarin zij hebben geïnvesteerd en die van belang is voor hun toekomst. Het gaat hen ook om de toekomst van hun dorp en hun regio. Zij voelen zich sterk verbonden met dat mooie deel van dit land. Als daar de problemen zijn die er nu zijn, dan maken zij zich ook daar zeer ongerust over.

Terwijl de mensen daar bezig zijn met het afhandelen van de schade die zij hebben geleden, vrezen zij alweer voor de gevolgen van de volgende schade. Het was dan ook echt hoog tijd dat het kabinet op basis van de onderzoeksresultaten die nu zijn binnengekomen tot conclusies is gekomen, maatregelen heeft genomen en afspraken heeft gemaakt. Wij doen dat voor de komende drie jaar. Ik ga er zo verder op in, maar met uw toestemming, voorzitter, wil ik eerst mijn waardering en erkentelijkheid uitspreken richting een paar groepen.

De eerste groep zijn de Groningers die mij heel indringend hebben overgebracht waarmee zij individueel te maken hebben. Ik ben door mensen meegenomen naar hun badkamer of hun slaapkamer. Zij hebben laten zien wat er in hun boerderij of in hun winkel mis was. Ik ben de kerkgebouwen binnen geweest. De mensen hebben mij heel indringend in hun privéomgeving laten zien wat de effecten voor hen waren. Ik ben de mensen zeer erkentelijk voor de manier waarop zij dat heel rustig en voor mij heel helder hebben gedaan.

Ik ben ook de leden van uw Kamer erkentelijk, want dit is de volksvertegenwoordiging. Als ik een jaar neem voor onderzoeken naar iets waarover de mensen in het gebied zich ontzettend ongerust maken, weet ik heel goed dat er in dat jaar steeds meer druk komt vanuit dat gebied, van alle kanten, op die Kamerleden. De Kamerleden hebben mij toch in staat gesteld om te doen wat ik heb gedaan in dat jaar.

Ik wil ook mijn erkentelijkheid uitspreken richting de Groningse provinciale en lokale bestuurders, die bereid zijn gebleken om een akkoord met mij te sluiten over de manier waarop wij het beste onze maatregelen daar zouden kunnen nemen en hoe wij die het beste zouden kunnen uitvoeren. Die bestuurders staan natuurlijk onder nog grotere druk van de mensen in het gebied. Als je dan je nek uitsteekt door een akkoord te sluiten, dan past daar alleen maar waardering en erkentelijkheid voor.

Ik heb al Staatstoezicht op de Mijnen genoemd. Het is van groot belang geweest dat Staatstoezicht op de Mijnen in actie kwam en zich zo duidelijk heeft uitgelaten als het heeft gedaan.

Voorts dank ik de leden van de stuurgroep, drie mensen die gedurende de periode van een jaar al die onderzoeken hebben begeleid en ervoor hebben gezorgd dat de onderzoeken uiteindelijk een zodanig beeld gaven dat het kabinet een besluit kon nemen. Het is niet bij iedereen populair om te horen, maar ik dank ook de directie en medewerkers van de NAM. Ik ben nu bijna anderhalf jaar met dit onderwerp bezig. Ik heb de NAM als een zeer betrokken, positieve kracht ervaren, die ontzettend zijn best doet om ervoor te zorgen dat er voor de reële problematiek in het gebied een oplossing wordt gevonden en daaraan op alle mogelijke manieren probeert bij te dragen. Tot slot dank ik de mensen van mijn directie Energie, die al maanden vrijwel non-stop bezig zijn om alles wat er op hen afkomt in goede banen te leiden en te zorgen dat er goede besluitvorming kan komen in het belang van de mensen in het gebied. Ik ben hun zeer erkentelijk voor de ongekende inzet die zij aan de dag hebben gelegd.

De adviezen zijn binnen en daaruit blijkt voor iedereen en zonder enige twijfel dat de gaswinning in Groningen de oorzaak is van de aardbevingen daar. Nu is ook voor de komende drie tot vijf jaar duidelijk welk risico wij daar lopen. Wij lopen een risico op een maximale aardbevingssterkte van 4,1 op de schaal van Richter, vertaald in een grondversnelling van 0,12g. Wij hebben een kans van 10% op een zwaardere beving. Wij weten dat Loppersum het meest risicovolle gebied is. Dat is het gebied waar de aardbevingen zich vooral hebben voorgedaan en waar extra aandacht naartoe moet. Wij weten dat Staatstoezicht op de Mijnen heeft gezegd dat het drastisch terugbrengen van de gasproductie rond Loppersum op korte termijn de enige reële manier is om de aardbevingsdreiging te verminderen.

Ik wil er geen misverstand over laten bestaan bij de woordvoerders die daarover begonnen dat SodM natuurlijk goed begrijpt dat het het beste zou zijn voor het aardbevingsrisico als er in het geheel geen aardgaswinning zou plaatsvinden. Als wij maar de helft zouden winnen van wat wij op dit moment winnen, is dat natuurlijk beter. Er is immers een relatie tussen het gas dat wordt gewonnen en de aardbevingsproblematiek. Gegeven de informatie die wij nu hebben, moeten wij nagaan wat wij op korte termijn kunnen doen. Voor de periode van drie tot vijf jaar, waarvan wij zoveel mogelijk weten wat de risico's zijn, kunnen wij het beste de winning in het kerngebied, waar de risico's het grootst zijn, maximaal terugbrengen. Het kabinet heeft in lijn daarmee besloten.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik ben heel blij dat de minister het advies van Staatstoezicht op de Mijnen op deze manier samenvat. Misschien is een volledige 40% niet mogelijk, maar heeft de minister overwogen om de totale winning met 5% of 10% terug te brengen?

Minister Kamp:

40% is nooit geadviseerd door SodM. SodM heeft een jaar geleden geadviseerd om de winning zo snel mogelijk en zoveel mogelijk terug te brengen. Nu adviseert men specifiek om de winning bij Loppersum als het even kan tot nul terug te brengen. Op de achtergrond speelt echter mee wat ik zojuist zei. Vorig jaar was er een productie van 54 miljard m3 aardgas. Wij leggen voor dit jaar de grens bij 42,5 miljard m3. Dat is een daling van meer dan 20%.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik vind dit antwoord jammer, na dat goede begin. Meer woordvoerders hebben gezegd dat het een ongelooflijke uitschieter naar boven was. Het normale winningsplafond is 42,5 miljard m3. Ik stel mijn vraag nogmaals. Heeft de minister overwogen om de gemiddelde winning met 5% of 10% naar beneden te brengen? SodM heeft op drie verschillende plekken — ik heb die zojuist genoemd — gezegd dat het zo ver mogelijk terugbrengen nog beter zou zijn. Heeft de minister dat overwogen?

Minister Kamp:

De jaren 2010, 2011, 2012 en 2013 is er gemiddeld 50 miljard m3 aardgas gewonnen uit het Groningenveld. In het laatste jaar, 2013, was het 54 miljard m3. Wij begrenzen het nu voor het lopende jaar op 42,5 miljard m3 en dat is een daling met meer dan 20%.

Ik heb een heleboel overwogen, maar het is heel goed om ook de feiten onder ogen te zien. Het eerste feit is — de woordvoerders hebben dat allemaal benadrukt — dat onze eerste zorg en onze verantwoordelijk moeten uitgaan naar de veiligheid van de mensen in het gebied. Het heeft echter geen enkele zin om te ontkennen dat het aardgas wordt gebruikt voor 60% van elektriciteitsproductie in Nederland, dat het gebruikt wordt door mensen om op te koken en dat 98,5% van alle huishoudens het gebruikt om te verwarmen. Het is natuurlijk ondenkbaar dat wij dat helemaal uit het oog verliezen. De schade die je aanricht als er 's winters onvoldoende gas is, waardoor de huizen niet meer verwarmd kunnen worden, er niet meer gekookt kan worden of de elektriciteit uitvalt, is natuurlijk ook groot. Wij dragen ook, de veiligheid van de mensen in Groningen vooropgesteld, verantwoordelijkheid voor alles wat er aan verplichtingen rondom die aardgaswinning heen zit. Daar moeten wij ook naar kijken en dat heb ik gedaan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Kan de minister bevestigen of erkennen, afhankelijk van hoe hij dat wil doen, dat dit eigenlijk al de langjarige afspraken waren? Mensen in Groningen denken nu natuurlijk: hoezo terugdringen, dit zou toch al zo zijn? Begrijpt de minister dat niet alleen de Groningers denken maar ook ik als Kamerlid denk: dit was het plan al, wat doet de minister dan nog extra om de gaswinning terug te draaien? Als ik de cijfers zo bekijk, denk ik dat wij eigenlijk blijven doorgaan op de oude voet. De minister zegt hooguit dat hij hoopt dat er geen uitschieters meer zullen zijn, maar dat is echt iets anders.

Minister Kamp:

Het is niet zo dat we op de oude voet door blijven gaan. Ik heb de afgelopen vier jaar vergeleken met het lopende jaar. Ik heb het vorige jaar vergeleken met het lopende jaar. Wij zitten al onder wat er in de begroting stond of in het winningsplan. De kern van het advies voor de korte termijn van Staatstoezicht op de Mijnen is het zo veel mogelijk terugdraaien, het liefst helemaal, van de winning bij Loppersum. Daar komen wij ook aan tegemoet.

Ik ga niet ontkennen dat die gaswinning door blijft gaan. Ik ga ook niet ontkennen dat er een relatie is tussen de voortgaande gaswinning en de aardbevingsproblematiek. Dat is allemaal waar. Laten wij echter ook niet ontkennen wat er wel wordt gedaan. Waar het in het verleden mogelijk was om over de laatste vier jaar op 50 miljard m3 te zitten en het laatste jaar op 54, zet ik nu een grens van 42,5. Die gaat over twee jaar naar 40 en daarna ligt het voor de hand dat die verder zal dalen. Bovendien gaan wij in kerngebied, waar de problematiek zich concentreert, de winning met 80% reduceren. Wat mevrouw Ouwehand zegt is waar en wat ik zeg is waar. Laten wij proberen om gezamenlijk een voor iedereen helder beeld te creëren. Ik kan het niet mooier voorstellen dan het is, maar wij hebben er ook niets aan om het slechter voor te stellen dan het is.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Daar heeft de minister gelijk in. In het gebied rondom Loppersum daalt de winning inderdaad met 80%. Het zal de minister echter ook niet verbazen dat wij vinden dat die daling 100% zou moeten zijn en dat de ambitie om de gaswinning echt substantieel terug te schroeven, omhoog moet. De minister zegt dat mensen er warm bij willen zitten in Nederland. Dat klopt, maar wij kunnen als overheid ook meer doen om ervoor te zorgen dat woningen, een fors aantal woningen, beter worden geïsoleerd zodat wij minder gas nodig hebben om ons warm te houden. De Partij voor de Dieren zegt hier dus tegen de minister: wij vinden het te mager, kan er nog een stapje bij. Volgens mij moet dat kunnen.

Minister Kamp:

De Partij voor de Dieren wil ook niet dat op een moment dat ergens in die hele aardgasketen in Nederland een onderdeel uitvalt, de elektriciteitscentrales stil komen te staan, de verwarming het niet meer doet en de mensen niet meer kunnen koken. Dat wil de Partij voor de Dieren ook niet. Wat de Partij voor de Dieren ook niet wil, is dat als er koude dagen zijn, een koude winter, waarop wij echt meer aardgas nodig hebben, wij dat niet kunnen leveren waardoor mensen echt letterlijk in de kou zitten. Dat wil zij ook niet. Wij hebben gekeken hoe wij de productie rond Loppersum maximaal kunnen terugdraaien zonder dat de leveringszekerheid in gevaar komt op momenten dat er ergens in de keten iets misgaat of op momenten dat het bijzonder koud is. Daarvan uitgaande, van die twee randvoorwaarden, hebben wij de winning maximaal teruggedraaid. Dat is die 80%. Mevrouw Ouwehand zegt dat je dat ook met isolatie kan oplossen. Zij weet waarschijnlijk dat wij in het energieakkoord een zeer forse taakstelling hebben opgenomen om energie te besparen en woningen te isoleren. Daar doen wij al het maximale wat redelijkerwijs mogelijk is.

Nog even voor een goed overzicht. Ik heb gezegd dat we de mensen in Nederland niet graag in de kou laten staan, maar we laten ook de mensen in Duitsland, Frankrijk en België niet in de kou staan. Dat zijn ook gewone mensen van wie we niet willen dat ze in de winter ineens zonder elektriciteit of zonder gas zitten. Ik denk dat wij het geheel van verplichtingen die wij in de loop der jaren rond de aardgaswinning zijn aangegaan, onder ogen moeten zien, evenals de afhankelijkheid van mensen die daar het gevolg van is.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

De ChristenUnie is enorm geschrokken door de productie van 55 miljard m3 in het afgelopen jaar. De minister heeft volledig gelijk als hij zegt dat het een aanzienlijke reductie is, als we teruggaan naar ruim 42 miljard. Als ik terugdenk aan de antwoorden op de vragen, constateer ik echter dat de cijfertjes allemaal wel kloppen, maar dat ik de erkenning mis dat de hoge productie een klap is in het gezicht van de Groningers. Alle rapporten geven aan dat de productie omlaag gebracht moet worden, maar afgelopen jaar is de productie met een kwart verhoogd! Ik vind dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de gevoelens die dit veroorzaakt. Wil de minister daarop reageren, want ik hoor heel veel cijfertjes, maar ik hoor zo weinig compassie met de gevoelens van de Groningers.

Minister Kamp:

Van dat laatste vraag ik me af of ik dat minder talentvol doe dan u, mevrouw Dik-Faber. Ik denk dat we allebei heel goed voelen wat er in het gebied speelt. U bent er geweest, ik ben er geweest. U bent een volksvertegenwoordigster, ik ben een volksvertegenwoordiger geweest. Wij weten allebei heel goed wat er speelt, en die compassie is de reden dat we hier bij elkaar zijn. Laten we die compassie bij elkaar niet betwijfelen. Ik betwijfel haar in ieder geval niet bij u.

Mevrouw Dik noemt steeds het cijfer van 55 miljard, maar het was 54. De productie was vorig jaar 53,8 miljard en ik heb dat afgerond tot 54. Mevrouw Dik zegt dat de productie hoger was, terwijl we eigenlijk minder wilden produceren. Ik was van plan om dit later in mijn betoog uit te leggen, maar ik zal het nu doen. Ik heb al eerder gezegd dat de productie de afgelopen vier jaar gemiddeld 50 miljard m3 per jaar is geweest. Begin december 2012 heeft de raad van commissarissen van GasTerra zijn businessplan 2013 geaccordeerd. In dat plan werd uitgegaan van 49 miljard m3 aardgaswinning. Dat is ongeveer in lijn met de jaren daarvoor. Dit besluit van GasTerra lag er dus eind 2012. Vervolgens is gebeurd wat we zojuist verwoord hebben. Op 22 januari 2013 is het advies gekomen van Staatstoezicht op de Mijnen. Toen was het jaar al begonnen, en waren er al verplichtingen aangegaan met mensen in binnen- en buitenland. Alles was al gaande en de verplichtingen moesten nagekomen worden. Ik heb op dat moment niet op basis van allerlei rapporten kunnen beslissen dat de gaswinning minder moest worden, want die rapporten waren er nog niet. Die zijn pas in de loop van het jaar 2013 opgesteld en werden mij op 1 december 2013 beschikbaar gesteld.

Het is waar dat ik met betrekking tot de winning niet heb ingegrepen in de loop van 2013. Dat de productie hoger is geworden dan 49 miljard m3 heeft twee redenen. De eerste is dat de winning van de kleine velden in dat jaar een half miljard lager was dan verwacht. De tweede reden is dat de winning 3 miljard hoger lag als gevolg van de zeer koude winter en het koude voorjaar. Dat samen heeft ongeveer geleid tot de uitkomst. Ik heb dus niet ingegrepen in 2013, maar wij grijpen wel in op het moment dat het verantwoord is op basis van de rapportages en de adviezen, en dat is nu.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Laten we concluderen dat het in ieder geval buitengewoon ongelukkig is dat de productie verhoogd werd op het moment dat er een advies lag van Staatstoezicht op de Mijnen om de productie zo snel mogelijk terug te dringen. De gegevens kwamen aan het einde van het jaar beschikbaar, kort nadat het rapport van de commissie-Meijer werd gepubliceerd, waarin wordt aangedrongen op herstel van vertrouwen. Het is dan heel lastig om die twee zaken met elkaar te matchen. Herstel van vertrouwen was nodig. Daar heeft de commissie-Meijer ook een goede voorzet voor gedaan. Direct daarna kwamen de cijfers naar buiten van die 55 miljard. Dat gaf weer een enorme deuk in het vertrouwen wat er misschien licht gloorde. Wil de minister dan in ieder geval erkennen dat het niet behulpzaam is geweest?

Minister Kamp:

54 miljard. Het advies van SodM geeft weer dat je niet zomaar snel tot een conclusie kunt komen, zeker niet in een lopend jaar en zeker niet gegeven alle verplichtingen die je bent aangegaan en alle verwachtingen die mensen en bedrijven hebben dat je die verplichtingen ook nakomt. Het accent bij het SodM-advies lag eerst op het zo snel en zo veel mogelijk terugbrengen van de winning. Nadat er een jaar intensief onderzoek is geweest, waarbij SodM betrokken was, hebben ze gezegd: wat voor de korte termijn het meeste helpt, is dat je je concentreert op Loppersum en dat je daar de productie maximaal terugbrengt. Dit geeft aan dat ik op zo'n moment, een jaar geleden, niet zomaar in een keer een besluit kon nemen om 5%, 10% of 15% minder aardgas te gaan winnen. Het is noodzakelijk om dat soort ingrijpende besluiten op feiten te baseren. Zodra ik dat kon doen, heb ik dat gedaan. Ik ben natuurlijk niet blij dat het in het jaar 2013 wat meer was in plaats van wat minder dan het jaar daarvoor. Daar ben ik niet blij mee, maar het is een feit dat er nu ligt. Wij hebben dat jaar optimaal benut door te zorgen dat we nu een verantwoord besluit kunnen nemen. Dat besluit houdt in: dit jaar 42,5 miljard in plaats van 54 miljard en dit jaar bij Loppersum de winning die daar vorig jaar plaatsvond van 17 miljard, terugbrengen tot 1 miljard. De heer Leegte zei het al: vijf uur nadat het kabinet daarover besloten had, was de gaskraan bij Loppersum al dichtgedraaid.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Een van de doelstellingen is om het vertrouwen van Groningen te herwinnen. Volgens mij lukt dat alleen maar als we uitgaan van de echte cijfers. Ik heb het rijtje van 2006 tot en met 2013 voor mij liggen. Er zijn maar twee jaren waarin de winning boven de 50 komt. Dat zijn 2010 en 2013. Dan komt het gemiddelde echt niet op 50 uit. Ik kan de cijfers voorlezen, maar ik zal de tijd daar niet voor nemen. Als het nodig is, kunnen we het laten ronddelen. Het helpt om van de reële cijfers uit te gaan. Dan nogmaals de volgende vraag. Er is in 2013 op de dagmarkt, de spotmarkt gas verkocht. Dat was dus geen gas waarmee Nederlanders hun aardappelen gaar moeten krijgen of anders in de kou slapen. Dat is gas dat op de dagmarkt door GasTerra verkocht wordt. Kan de minister met mij instemmen …

De voorzitter:

Zullen we het bij één vraag per interruptie houden? Dat is voor de toehoorders beter te volgen.

Minister Kamp:

Wat heeft het nou voor zin om te suggereren dat ik met verkeerde cijfers kom? Ik kom niet met verkeerde cijfers. Als in het jaar 2010 een productie is gerealiseerd van 51 miljard, in 2011 van 47 miljard, in 2012 van 48 miljard en 2013 van 54 miljard en als mevrouw Van Tongeren dat bij elkaar optelt en door vier deelt, dan komt ze op 50 uit.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Maar de periode waarvoor het gaswinningsplafond geldt, loopt van 2006 tot en met 2015. In 2006 was het 33,20, in 2007 28,90, in 2008 41, in 2009 47 en dan komen de hogere cijfers. Dit is de periode waarvoor een gaswinningsplafond is vastgesteld. Gezien dat plafond moest de minister dit jaar en volgend jaar wel terug. Het is dus geen teruggang van 53 naar 42. Als we dan gemiddelden noemen, moeten we over de hele winningsperiode praten. De cijfers die de minister noemt kloppen wel, maar ze geven een vertekend beeld, omdat het niet over de hele periode gaat.

Minister Kamp:

Dat is niet waar. Het plan waar u over spreekt, is een tienjarenplan voor de gaswinning in Nederland, dat zowel geldt voor de kleine velden als voor het Groningerveld. Een aantal jaren geleden is overeengekomen dat het voor Nederland het beste zou zijn om eerst de kleine velden optimaal te benutten en een kleiner deel uit het Groningerveld te halen. Op het moment dat de kleine velden uitgenut waren en weinig productie meer konden leveren, is de productie in het Groningerveld opgevoerd om ervoor te zorgen dat het gemiddelde niveau zou worden gehandhaafd. Dat feit ligt er. Het is niet anders. We kunnen dat ook niet terugdraaien. Ik heb aangegeven wat de productie over de laatste vier jaar en over het vorige jaar was. Ik zeg ook wat de productie dit jaar is. Ik wil alle andere beelden die je kunt oproepen niet ontkennen. Daar ben ik helemaal niet op uit. Het enige wat ik aan de Kamer vraag, is om het niet zwarter of negatiever voor te stellen dan nodig is. Daar schiet niemand wat mee op. De mensen in Groningen schieten daar helemaal niets mee op.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Onze vraag aan de minister is als volgt. Wat waren de acties van de minister op het moment dat SodM naar het ministerie toekwam en zei: de gaswinning komt uit boven het niveau van 2012 en we hebben een advies gegeven over 2012? Is er toen ook naar alternatieven gekeken?

Minister Kamp:

Ik heb zo niet paraat dat er een moment is geweest waarop SodM bij mij kwam en zei: dit is wat er gebeurt. Dat hoeft SodM ook niet te doen, omdat wij natuurlijk gewoon zelf volgen wat daar allemaal gaande is. Wij wisten wat in het businessplan van GasTerra het plafond voor het jaar 2013 was. Dat was 49 miljard. Dat wisten we. Daar hebben we niet in ingegrepen. Als de winter en het voorjaar koud zijn en er gewoon extra gas nodig is om de huizen in Nederland en in de buurlanden verwarmd te houden, vind ik dat dat gas geleverd moet worden. Als die kleine velden in een jaar minder opleveren dan je verwacht, vind ik ook dat dat gecompenseerd moet worden.

Er is dus begin december 2012 een plafond vastgesteld. Eind januari 2013 heb ik besloten daar niet van af te wijken, om de reden die ik net aangaf. Toen de rapporten er waren en wij onze conclusie konden trekken, hebben we de conclusie die we trokken ook onmiddellijk uitgevoerd en de winning bij Loppersum met onmiddellijke ingang met 80% teruggedraaid.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Ergens zal er toch een seintje vanuit het ministerie naar de minister zijn gegaan dat de productie boven die van 2012 uitkwam. Ook lag er dat gevoelige advies van SodM. Wat heeft de minister op dat moment gedaan? Misschien deed SodM in dit geval niets, omdat het niets hoefde te doen. Wij lezen echter in een interview in de krant dat SodM een seintje heeft gegeven. Ik neem dan aan dat dat naar het ministerie ging. Het gaat mij erom hoe de minister met zulke gevoelige informatie omgaat en hoe hij op zo'n moment handelt. Dit heeft namelijk zo veel kwaad bloed gezet bij iedereen in Groningen, en ook bij mij en bij heel veel Drenten. Iedereen is er gewoon ontzettend boos om. Ik denk dan: wat was nou het moment waarop de minister had kunnen ingrijpen? En waarom heeft hij dat wel of niet gedaan? Dat wil ik heel graag weten.

Minister Kamp:

Er is helemaal geen sprake van dat ik afhankelijk ben van een seintje dat ik van SodM krijg, of van de ambtenaren. Ik houd dat dossier gewoon voortdurend bij. Ik weet dus welke ontwikkeling er is. Ik wist dat wij begin december 2012 hadden gezegd dat we in het jaar 2013 49 miljard m3 zouden gaan winnen. Toen het advies van SodM eind januari kwam, wist ik ook dat ik daarop had kunnen reageren met een besluit. Ik heb toen besloten om dat niet te doen. Ik heb gezegd dat ik, voordat ik zo'n ingrijpend besluit over de omvang en de vorm van de gaswinning zou nemen, eerst veel meer informatie wilde. Dat heb ik tegen de Kamer en tegen iedereen gezegd. Ik ben ook naar het gebied gegaan en heb tegen de mensen in het gebied gezegd dat ik meer informatie wilde voor ik ingrijpende besluiten zou nemen. Toen ik die informatie had, heb ik mijn besluiten genomen. Er is bij mij voortdurend inzicht geweest in de ontwikkeling. Ik ben niet afhankelijk van een seintje van de een of de ander.

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik denk dat de minister goed gehoord heeft dat er bij mijn fractie waardering is voor het besluit dat nu genomen is, de manier waarop het genomen is en de zorgvuldigheid die daarbij in acht genomen is. Ik denk dat dat goed is geweest. Los van alle getalletjes die hier nu over tafel gaan, denk ik echter ook dat alle Groningers en vrijwel de gehele Kamer verbaasd waren toen zij hoorden dat de productie dit jaar naar ik meen iets meer dan 10% hoger was dan in het jaar daarvoor. Nu hoor ik dat de minister dat al die tijd wist en dat hij daar heel bewust op aangestuurd heeft. Hij zegt dat het duidelijk was, omdat de kleine velden wat tegenvielen, het een koude winter was en we verplichtingen hadden. Kan de minister dan begrijpen dat de Kamer nu zegt: in retrospectief hadden wij het liever anders gezien?

Minister Kamp:

Ik heb er niet op aangestuurd. Een en ander was al in het jaar 2012 in laatste instantie in de raad van commissarissen van GasTerra besloten. Twee maanden later kreeg ik in het lopende jaar het advies om zo snel en zo veel mogelijk te verminderen. Ik heb toen besloten om dat niet te doen en te wachten met het nemen van een besluit over het volume van winning tot het moment dat ik daarvoor over voldoende informatie beschikte. Ik heb ook aangegeven dat dat moment over een jaar zou zijn. Vervolgens heb ik dat proces laten verlopen zoals het nodig was, om het evenwicht tussen de winning, de verplichtingen en de verwachtingen te kunnen waarmaken. Op het moment dat je echt ingrijpt, moet je dat ook kunnen verantwoorden. Je moet er een titel voor hebben om in te grijpen. Daar heb je argumenten voor nodig. Je moet de overtuiging hebben dat je een verantwoord besluit neemt. Ik vond het pas verantwoord om in te grijpen in het volume van de winning op het moment dat ik de onderzoeken zou hebben. Dat was in december 2013, en dat heeft wederom geleid tot het besluit van januari 2014.

De heer Jan Vos (PvdA):

Niemand — althans wij niet — heeft de minister gevraagd om in januari vorig jaar een winningsreductiebesluit te nemen. Dat de gaswinning zou worden verhoogd, heeft mij echter met stomheid geslagen toen ik de cijfers zag. Daarover zijn wij verbolgen. Als ik het had geweten, had ik op dat moment ook gezegd dat ik het anders had gewild. Ik wil de minister in ieder geval meegeven dat wij dat graag heel anders hadden gezien en dat wij hiermee geen recht hebben gedaan aan de situatie.

Minister Kamp:

In januari of februari 2013 was er extra gas nodig, omdat het heel koud was en er een grote vraag was naar gas, niet alleen in Nederland maar vooral ook in de omliggende landen. Als wij dan besluiten om de levering van het laagcalorische gas, waar al die afnemers op zijn ingesteld en op rekenen, te gaan verminderen, dan creëer je grote problemen. Misschien wel grotere problemen dan waar de heer Vos nu op doelt. Je moet alle besluiten met betrekking tot dit soort processen verantwoord laten zijn. Het moet verantwoord zijn met betrekking tot de veiligheid, de leveringszekerheid en alles wat daaromheen hangt. Je kunt geen besluit nemen als dat niet op voldoende gronden is gebaseerd en je niet op een zorgvuldige manier alle belangen hebben afgewogen. Ik vond in januari 2013 dat ik onvoldoende basis had om zo'n besluit te nemen. Nu vind ik dat ik dat besluit wel kan nemen en daarom heb ik het onmiddellijk geëffectueerd. Daarover leg ik verantwoording af en ik kan het niet mooier maken dan het is.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

De minister zegt dat de winning in Loppersum niet verder omlaag kan dan 80% en dat we de 42 bcm nodig hebben als ondergrens voor de leveringszekerheid.

Minister Kamp:

Dat heb ik zo niet gezegd.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Oké, maar dat is wel mijn samenvatting. De minister mag daar zo meteen op reflecteren. In antwoord op de heer Vos geeft hij eigenlijk aan dat de hoge winning van 54 bcm ook te maken had met leveringszekerheid. Dat brengt mij tot de volgende vraag. Vorig jaar hebben we 54 bcm opgepompt. Het plafond dat wij met elkaar gaan instellen, als we instemmen met de minister, is 42 bcm. Dat betekent dus dat het verschil tussen die 42 bcm en 54 bcm niet vast kan liggen in langetermijncontracten. Waarom is dat dan toch opgepompt? En hoeveel van die 42 bcm zit er echt vast in langetermijncontracten? Dat geeft ons namelijk weer perspectief op wat we in Loppersum nog kunnen doen ten aanzien van die 80% naar 100%. Het was een wat ingewikkelde vraag, maar ik hoop dat hij helder is.

Minister Kamp:

Hij is mij helder. Langetermijncontracten spelen voor Nederland helemaal niet. In Nederland wordt niet geleverd op basis van langetermijncontracten. In Nederland wordt gewoon op de gasmarkt verhandeld. Er werd net ook door mevrouw Van Toorenburg naar gevraagd …

De voorzitter:

Mevrouw Van Tongeren …

Minister Kamp:

Neem mij niet kwalijk, mevrouw Van Tongeren. Ik haalde uw achternaam en die van de ook zeer gewaardeerde mevrouw van Toorenburg van het CDA door elkaar.

De langetermijncontracten gelden voor het buitenland. In Nederland wordt alles op de gasmarkt verhandeld. Daar zit de bulk van het verbruik. Het loopt hier dus helemaal buiten de contracten om. Ik heb zeker gesteld dat er op dit moment in het geheel geen langetermijncontracten meer afgesloten worden. Wij zitten in een situatie die mevrouw Van Veldhoven en ik zorgelijk vinden. Wat ik nu doe voor de korte termijn, de eerste drie jaar, is het enige wat echt effect heeft. Ik verminder de productie bij Loppersum namelijk drastisch. Ik weet echter niet wat er over drie jaar gaat gebeuren. Daar moeten wij nog een heleboel dingen voor uitzoeken. Wij moeten het risicobeleid beter ontwikkelen en consistenter maken. Vervolgens nemen wij een besluit voor de langere termijn. Vooruitlopend op dat besluit ga ik geen enkel langetermijncontract meer aan. Ik denk dat wij nu echt flexibiliteit nodig hebben om de besluiten te kunnen nemen die verantwoord zijn, gelet op alle factoren die spelen.

Volgens mevrouw Van Veldhoven heb ik gezegd dat 40 miljard de ondergrens is voor de leveringszekerheid. Dat heb ik zo niet gezegd. Laat ik zeggen hoe het wel in elkaar zit. Als je een zo vlak mogelijke maandelijkse productie wilt, omdat je denkt dat dat voor beperking van het aantal en de sterkte van de aardbevingen van belang is, is 40 miljard de ondergrens. Zou je op grond van nader onderzoek dat de komende jaren zal worden verricht en op grond van metingen in het Groningenveld, de conclusie trekken dat deze vlakke productie niet noodzakelijk is, dan is 30 miljard kubieke meter de ondergrens.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

De vraag blijft hoeveel van hetgeen wij aan het buitenland leveren in langetermijncontracten vastligt. Ik heb op basis van de verschillende rapporten en de brieven die wij van de minister hebben gekregen, een soort optelsom gemaakt. Dan kom je op een Nederlands verbruik van ongeveer 30 bcm en een buitenlands gebruik van tussen de 29 en 35 bcm. Ligt dat in zijn geheel vast in de langetermijncontracten? Hoeveel daarvan lopen er af na de periode van drie jaar? Met andere woorden, kan de minister ons wat perspectief geven ten aanzien van de vraag hoeveel lucht wij gaan krijgen uit de langetermijncontracten? Ik denk namelijk dat niemand van ons hier de lucht zoekt in de optie dat alle Nederlanders de verwarming maar een graadje lager moeten zetten. Welke lucht kunnen wij vinden in de langetermijncontracten?

Minister Kamp:

Ik voel mij niet alleen vanwege die contracten verbonden met de afnemers in het buitenland, maar ook om een andere reden. Dit zijn mensen in Duitsland, Vlaanderen en Frankrijk die hun gastoestellen, kooktoestellen en verwarmingstoestellen op laagcalorisch gas hebben afgesteld. Dat is Gronings gas. De mensen in die landen hebben dus geen eigen conversiecapaciteit. Zij kunnen dus niet van hoogcalorisch gas, laagcalorisch gas maken. Dat kunnen alleen wij hier in Nederland. Behalve die langetermijncontracten voel ik mij ook gewoon verplicht ten opzichte van die mensen. Dat zijn ook mensen. Ook met hen moeten wij op een nette manier omgaan. Ook daarnaar wil ik dus kijken. Als mevrouw Van Veldhoven wenst dat ik datgene wat wij aan het buitenland leveren, opsplits in langetermijncontracten en gas dat niet onder langetermijncontracten valt, zal ik dat doen. Zij krijgt die informatie, zo mogelijk nog deze avond.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Heel graag.

Mevrouw Klever (PVV):

Vorig jaar hebben wij ook een debat gevoerd over de aardgaswinning en de aardbevingen in Groningen. Toen heeft de minister gezegd dat hij nog even helemaal niets gaat doen. Toen lag het rapport van Staatstoezicht op de Mijnen er ook al. Daarmee heeft hij de Kamer en de mensen in Groningen op zijn minst op het verkeerde been gezet, want helemaal niets doen, betekent natuurlijk niet dat je de gaskraan nog veel verder moet opendraaien zoals nu gebeurd is. Vervolgens zei de minister dat Nederlandse en buitenlandse huishoudens ons gas nodig hebben. De export van Russisch gas naar Europa is bijvoorbeeld gedaald, terwijl de Nederlandse gasexport is gestegen. Hoe verklaart de minister dat dan? Dat is toch enigszins tegenstrijdig?

Minister Kamp:

Ik heb gesproken over de productie van ons gas in het afgelopen jaar. Wij hebben een import uit landen zoals Rusland en Noorwegen van ongeveer 20 miljard kubieke meter gas per jaar. Wij hebben een grote export die naar andere landen gaat. Wij hebben een eigen productie en een eigen verbruik. Ik heb de Kamer precies aangegeven hoe dat zit.

Mevrouw Klever, u komt nu naar voren. U zei in uw eerste termijn dat het debat in januari nog niet voorbij was of de kraan werd opengedraaid om aan de begrotingsnorm van Brussel te voldoen. Ik hoop dat u het gewoon niet begrijpt en dat u niet weet hoe het in elkaar zit. Maar als u dat toch echt denkt, dan zou dat wel heel erg triest zijn, dan hebt u wel een heel raar idee van de manier waarop de overheid functioneert. Er is natuurlijk geen sprake van dat wij na een debat gauw even een kraan openzetten om een begrotingsnorm van Brussel te halen. Zoals ik heb gezegd, had GasTerra al twee maanden eerder, begin december 2012, een businessplan vastgesteld voor het komende jaar en is vervolgens alleen maar gereageerd op wat zich in de praktijk voordeed als gevolg van de ontwikkeling bij de kleine velden en als gevolg van de koude winter. Als u het zo kwaadaardig voorstelt, dan begrijpt u het niet of stelt u de zaak bewust verkeerd voor.

Mevrouw Klever (PVV):

Het komt anders toevallig wel heel erg goed uit dat dit kabinet geld tekortkomt en dat er ineens meer gasbaten zijn. Dus het heeft er wel alle schijn van dat dit kabinet meer gas oppompt om aan die Brusselse norm te voldoen. Maar dan nog, de minister verschuilt zich achter allerlei contracten met het buitenland, terwijl het buitenland minder Russisch gas verbruikt. In hoeverre zijn we er dan aan gebonden?

Minister Kamp:

"Het heeft er alle schijn van", zegt mevrouw Klever en daarbij wekt ze weer de suggestie dat dat soort dingen gebeuren. Maar dat soort dingen gebeuren hier helemaal niet, mevrouw Klever. Als u dat niet begrijpt, dan begrijpt u niet hoe de Nederlandse overheid in elkaar zit. Er is op dit punt volledige transparantie. Wat er bij GasTerra en bij de NAM gebeurt, weet ik en wat ik weet, kan de Kamer ook weten. We kunnen dat gelijktijdig weten of we kunnen er achteraf achter komen. Maar de gedachte dat we stiekem na een debat even de kraan opendraaien om aan de Brusselse norm te voldoen, is grote flauwekul en ik hoop dat u zich dat realiseert.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Het is goed dat de minister aangeeft dat je afspraken met je buitenlandse partners gestand doet. Dat kunnen we heel goed begrijpen. We vinden ook heel belangrijk dat die buitenlandse partners worden meegenomen in de problemen die onze Groningers ondervinden, namelijk de aardbevingen door juist die aardgaswinning. Wij in Nederland zijn erover aan het nadenken of we onze huizen energiezuiniger kunnen maken en of we de vraag naar het gas kunnen verlagen. In hoeverre is de minister in gesprek met die buitenlandse partners om ook daar de vraag te doen afnemen? Anders hebben we namelijk geen enkele scenario, ook niet over drie jaar, en zijn dan de problemen nog steeds heel groot. In hoeverre is de minister daarmee bezig? Wij lezen in de stukken dat het zo ongeveer niet kan vanwege al die contracten, maar als het over drie jaar nog hetzelfde verhaal is, dan hebben we echt een heel groot probleem met elkaar.

Minister Kamp:

Ik heb al gezegd dat we geen nieuwe langetermijncontracten meer sluiten. Dat is zeer ingrijpend. Hoeveel verder dan dat kan ik gaan? Verder denkt men in Duitsland na over een vervroegd programma om alle apparatuur die daar op laagcalorisch gas werkt, om te bouwen tot apparatuur die werkt op hoogcalorisch gas. Ook wij in Nederland denken er al over hoe dat moet. Je moet namelijk kiezen. Of je gaat stikstof toevoegen aan het hoogcalorische gas dat we straks gaan importeren, zodat het qua verbranding op het niveau van laagcalorisch gas komt. Dat kost heel veel geld. Of je gaat alle bestaande apparatuur omzetten en vervangen en daarbij bepalen in welk tempo je dat doet. Al die plannen, zowel voor Nederland als voor de omliggende landen, worden gemaakt. Bij ieder contact dat ik met de buurlanden heb, breng ik ook indringend de aardbevingsproblematiek onder de aandacht. Het signaal dat we geen langetermijncontracten meer afsluiten is ook glashelder.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Dus de scenario's, de verschillende opties om de gaswinning terug te brengen, liggen over drie jaar klaar. Wat het CDA betreft zouden we het voorzorgsprincipe nu alvast toepassen. Hoe ziet de minister het? Is het nu echt veilig genoeg voor de Groningers?

Minister Kamp:

Het gaat om een advies van Staatstoezicht op de Mijnen, dat gedurende een jaar heeft geparticipeerd in de twee technische commissies die alle lopende onderzoeken hebben begeleid. Dus in alles wat er aan onderzoek is gedaan voordat de onderzoeksrapporten tot stand kwamen, heeft Staatstoezicht op de Mijnen kunnen participeren. Het heeft dat allemaal kunnen volgen. Vervolgens heeft het al die onderzoeken tot zich kunnen nemen. Toen heeft Staatstoezicht op de Mijnen zelf een beoordeling gemaakt waarin stond wat je voor de korte termijn kunt doen om echt effect te sorteren, namelijk dat je het rond Loppersum maximaal terugdraait. Dat klopt ook.

Toen TNO dat berekende, bleek namelijk dat de reductie met 80% die wij nu in Loppersum gaan doorvoeren, een vermindering van maximaal 20% voor de grondversnelling in dat gebied bij eventuele aardbevingen betekent. Dat is dus een betekenisvolle maatregel. Staatstoezicht op de Mijnen heeft gezegd dat je dat voor de korte termijn kunt doen. Dat hebben wij dus gedaan. Voor de wat langere termijn heb ik twee dingen nodig.

Het eerste wat ik nodig heb, zijn andere onderzoeken dan de onderzoeken die, hoe goed ook, toch vooral gebaseerd zijn op aannames en op ervaringen in het buitenland. Ik wil dat het onderzoek is gebaseerd op metingen in het Groningenveld. Daarom hebben wij in het Groningenveld apparatuur geplaatst die de kleinste aardbevingen en trillingen tot op 3 km diepte weergeeft. Al die meetresultaten worden verzameld en vervolgens in onderzoeken verwerkt. Op grond van die onderzoeken kun je dan een heel specifiek besluit nemen voor de Groningse situatie na drie jaar.

Het tweede wat ik nodig heb, is een afgewogen, consistent risicobeleid. Op dit moment zegt de NAM dit, Staatstoezicht op de Mijnen dat en de Tcbb zegt weer iets anders. Verder zijn er andere onderzoekers die weer net iets anders beweren. De enige risicoprofessor in Nederland, professor Helsloot, heeft hier ook een gefundeerde mening over. Er zijn heel veel verschillende opvattingen. Ik stel vast dat de meningen over de grootte van het risico in vergelijking met andere risico's en over de vraag wat je moet doen om dat risico hoeveel te beperken, verdeeld zijn. Dat is niet goed. In de komende tweeënhalf jaar ter voorbereiding van een besluit na drie jaar, ga ik ervoor zorgen dat de deskundigen het met elkaar eens worden over een consistent, verantwoord risicobeleid. Over drie jaar heb ik de bevindingen van de onderzoeken die de komende tweeënhalf jaar gedaan worden. Over drie jaar heb ik ook een consistent risicobeleid. Op grond daarvan kunnen wij dan een besluit nemen voor de periode na drie jaar. In de periode tussen nu en het moment waarop wij gaan besluiten, sluit ik geen nieuwe langetermijncontracten. Bovendien zal ik goed in de gaten houden dat wij die dingen doen, die nodig zijn om straks in vrijheid het beste besluit te nemen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

De minister zei net bij een uitleg waarom het toch 53 miljard kuub geworden was: als de kleine velden minder opleveren, dan moet dat toch gecompenseerd worden. Als het volgende winter weer extreem koud wordt, wil de minister nog steeds dat mensen in Duitsland, Frankrijk en Nederland niet in de kou zitten. Je weet echter niet wat de kleine velden gaan doen. Houdt de minister strak vast aan het nieuwe maximum van 42,5 kuub of is er dan ook een mogelijkheid dat vanwege een extreem koude winter of weinig opleverende kleine velden, er toch weer natuurlijk gecompenseerd moet worden, zoals hij net zei?

Minister Kamp:

Ik houd hier strak aan vast. Alles wat extra nodig is, zal georganiseerd moeten worden. Men moet daar voorraad voor hebben in ondergrondse opslagen. Men zal conversiecapaciteit beschikbaar moeten hebben om hoogcalorisch gas in laagcalorisch gas om te zetten. GasTerra en de NAM zullen het hele beheersysteem nu zodanig moeten inrichten dat ze echt niet meer boven 42,5 uitkomen, want dat is de bovengrens.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Heeft de minister daar ook de uitvoering van de aangenomen motie-Leegte/Vos bij betrokken? In die motie wordt de regering verzocht om niet alleen technische maatregelen te nemen, maar ook alvast alle juridische maatregelen te nemen om een eventueel reductiebesluit mogelijk te maken. Er moest dus gekeken worden naar de contracten. Bovendien moest er in het buitenland alvast gemeld worden dat de levering vanuit Nederland naar beneden gaat. Is de minister daar in het afgelopen jaar mee bezig geweest?

Minister Kamp:

Zeker, het is ons heel helder hoe het staat met de lopende langetermijncontracten. In geval van overmacht kunnen wij een beroep doen op een overmachtsclausule, maar daarmee ben je er nog niet. Je bent dan immers verplicht om de oorzaak van de overmacht zo snel mogelijk weg te nemen. Het kan ook heel goed zijn dat je daarmee toch voor anderen grote schade veroorzaakt en dat die schade op jou zal worden verhaald. Dus dat is een complex geheel. Vandaar dat ik steeds probeer heel logisch en op het goede moment mijn besluiten te nemen.

Op het moment dat ik met een probleem wordt geconfronteerd en ik nog niet goed kan inschatten hoe het allemaal precies zit, doe ik onderzoeken. Op het moment dat ik onderzoeken heb die duidelijkheid geven voor drie jaar, neem ik een besluit voor drie jaar. Op het moment dat ik zie dat er om over drie jaar een verantwoord besluit voor de toekomst te nemen nu bepaalde dingen moeten gebeuren, doe ik al die dingen die nu moeten gebeuren. Zo ben ik stap voor stap logisch bezig.

De heer Dijkgraaf (SGP):

In vervolg op deze vraag, geldt dat maximum ook al voor dit jaar en heeft de minister voldoende juridische middelen om dat maximum voor dit jaar af te dwingen?

Minister Kamp:

Het antwoord is ja.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Mijn informatie is, maar die van de minister is ongetwijfeld beter, dat het nog een paar maanden duurt voordat de minister dat kan afdwingen. Als dan in die paar maanden het productievolume al dusdanig is opgelopen dat dat tot problemen leidt, kan het toch tot een overschrijding leiden. Vandaar mijn vraag over artikel 50 van de Mijnbouwwet, want dat zou de minister wel onmiddellijk kunnen doen.

Minister Kamp:

42,5 miljard is de bovengrens. Men weet waar men aan toe is. Men kan volgens mij de zaak zodanig organiseren dat dat op een verantwoorde manier kan worden doorgevoerd. Mocht blijken dat men dingen niet doet die men wel zou kunnen doen, zal ik ingrijpen en zal ik ook artikel 50 van de Mijnbouwwet gebruiken. Maar de sfeer is niet zo dat ik dat hoef te doen.

Als ik op een logische manier, zoals ik dat doe, tot besluiten kom en tegen de NAM zeg: zo zit het en zo moeten wij het gaan doen, dan doen zij het zo. Ik kan daarover een afspraak met de NAM maken en dan komt het gewoon voor elkaar. Ik heb artikel 50 van de Mijnbouwwet niet nodig als de andere partij bereid is om te doen wat ik zeg. Dus alleen op het moment dat dat niet lukt, gebruik ik mijn bevoegdheden.

De heer Paulus Jansen (SP):

Gisteren gaf Dick Boer, de voorzitter van de raad van bestuur van Ahold, de Machiavellilezing in Nieuwspoort. Zijn stelling was dat je met een welwillende bejegening van de mensen met wie je van doen hebt het verst komt in de zakenwereld. Hij riep politici op om dat ook te doen.

Ik begin mijn vraag dan ook met een compliment aan de minister, omdat ik denk dat hij het afgelopen jaar heel druk bezig is geweest om de regio zo goed mogelijk te dienen. Ik vind ook dat hij lef heeft gehad door gewoon met open vizier zijn standpunt daar uit te leggen. Die complimenten blijven staan, ongeacht hoe het debat verder loopt.

Nu mijn vraag. Ik heb in eerste termijn eigenlijk alle fracties horen verkondigen dat zij vinden dat de veiligheid op één moet staan. Als ik de minister goed beluister, zegt hij dat wij veiligheid hoog in het vaandel hebben staan, maar dat wij toch vinden dat er een afweging moet plaatsvinden van veiligheid, leveringszekerheid, contractuele zaken et cetera.

Zegt de minister dus eigenlijk dat de stelling die de Kamer in grote meerderheid betrekt een naïeve stelling is en dat hij daar anders tegenaan kijkt? Of is het veiligheidsbegrip dat de Kamer hanteert verkeerd? Kan de minister daarop ingaan?

Minister Kamp:

Ik vind dat iedereen zeer terecht de veiligheid vooropstelt, maar laten we eerlijk zijn. Wij winnen geen gas in Groningen omdat wij graag de veiligheid van de mensen in Groningen willen dienen. Dat er gas wordt gewonnen in Groningen komt doordat daar een natuurlijke hulpbron in ons land aanwezig is en wij hebben besloten om van die natuurlijke hulpbron gebruik te maken.

Wat iedereen nu heel indringend op zijn netvlies heeft gekregen, is dat daar door het hele land en in andere landen van geprofiteerd wordt en dat de grote problemen zich concentreren bij de mensen in Groningen. Dus wij willen nu met zijn allen die problemen bij die mensen wegnemen en wij willen die veiligheid vooropstellen.

Als wij op een koude winternacht of op een gegeven moment in de herfst zien dat een deel van het hele gassysteem uitvalt en dat als gevolg daarvan niet meer verwarmd kan worden, niet meer gekookt kan worden en er geen elektriciteit geproduceerd kan worden, dan hebben w ook een veiligheidsprobleem. De heer Jansen weet dat ook heel goed. Er zijn een heleboel veiligheidsaspecten aan verbonden. Dus wat ik zeg is dat de veiligheid van de mensen in Groningen bovenaan staat, maar dat wij niet moeten ontkennen wat er allemaal omheen vastzit aan die gaswinning. Dat zullen wij ook bij de afwegingen moeten betrekken. Het zou onverantwoord zijn om dat niet te doen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik denk dat de minister daar absoluut gelijk in heeft. Dan zou ik verwacht hebben dat in het kabinetsbesluit zou zijn gesteld: wij kunnen nu terug naar 42 miljard kuub, over 2 jaar naar 40 miljard kuub, en wij zetten alles op alles om zo snel mogelijk op een veel lager niveau te komen en gebruiken daarvoor de beschikbare instrumenten. Dat zou naar mijn mening overigens financieel-economisch ook nog gunstig kunnen uitpakken. De minister heeft gesproken over het niet meer verlengen van exportcontracten. Dat is bijvoorbeeld een optie; ik heb nog een aantal andere opties genoemd. Waarom heeft het kabinet dat niet gedaan? Waarom zegt de minister vanavond niet toch: ik vind dat wij zo snel mogelijk veel verder omlaag moeten?

Minister Kamp:

Dat laatste ga ik niet zeggen. Wat ik de komende drie jaar kan doen en wat wij nu gedaan hebben, is in het kerngebied met 80% reduceren. Daarbij gaat het om 5 van de naar ik meen 32 putten. Dat zijn de vijf allergrootste putten in het gebied waar de bodemdaling het grootst is. Als daar de reductie van 80% wordt doorgevoerd, bereiken wij echt iets voor de veiligheid. Dat hebben wij dus gedaan. Op dit moment heb ik geen basis om te besluiten dat de omvang van de gaswinning in zijn totaliteit nog lager wordt dan de vermindering waartoe nu is besloten. Zoals ik zei, was het in de afgelopen vier jaar 50 miljard m3, vorig jaar 54 miljard m3 en gaan wij nu naar een grens van 42,5 miljard m3. Dat realiseren wij met name in het kerngebied. Dat vind ik een heel forse ingreep. Het kan zijn dat wij over drie jaar op grond van de onderzoeksinformatie die dan beschikbaar is en op basis van een consistent risicobeleid dat dan ontwikkeld is, nog verdergaande stappen willen zetten. Ter voorbereiding daarvan zal ik doen wat nodig is om ons in vrijheid in staat te stellen om dat eventuele besluit te nemen. Voor de korte termijn, op basis van de nu beschikbare informatie, ben ik van mening dat de winning moet zijn: 42,5 miljard m3 in 2014, 42,5 miljard m3 in 2015 en 40 miljard m3 in 2016.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Voorzitter.

De voorzitter:

Ik aarzel een beetje om u het woord te geven, mevrouw Van Veldhoven. De minister heeft nog weinig van zijn eigen betoog gehad. Volgens mij zal hij aan veel antwoorden nog toekomen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik heb maar een heel korte vraag, die echt bij dit blokje hoort.

De voorzitter:

Het is een blok, ja. Gaat u verder.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

De minister zei: wij stellen dit winningsplan voor drie jaar vast. SodM adviseerde om het voor twee jaar vast te stellen. Waarom heeft de minister gekozen voor drie jaar in plaats van twee jaar?

Minister Kamp:

Wij moeten even bekijken wat precies het verschil tussen beide is. SodM zegt dat wij het winningsplan niet moeten goedkeuren en tegen de NAM moeten zeggen dat zij met een nieuw winningsplan moet komen op 1 september 2015. Ik heb tegen de NAM gezegd dat zij met een nieuw winningsplan moet komen op 1 juli 2016. Daar zit dus tien maanden verschil tussen. Ik doe dat omdat de stuurgroep, die een jaar lang intensief alle onderzoeken heeft gevolgd, tegen mij heeft gezegd dat er drie jaar nodig is om een goed volgend winningsplan te krijgen. De Technische commissie bodembeweging (Tcbb) heeft tegen mij gezegd dat daarvoor twee tot drie jaar nodig is.

Op grond van de verschillende adviezen — SodM zegt 1 september 2015, anderen zeggen twee tot drie jaar dan wel drie jaar — heb ik het volgende gedacht. Ik geef de NAM tweeënhalf jaar de tijd, tot 1 juli 2016. Op dat moment moet het winningsplan er liggen. Daarna neem ik nog een halfjaar om met Staatstoezicht op de Mijnen en alle anderen — daar hoort de Kamer natuurlijk bij — te bekijken wat wij daarmee gaan doen. Vervolgens nemen wij aan het eind van het jaar 2016 een besluit voor een langere periode. Dat was mijn eerste overweging.

De tweede overweging was de volgende. Als ik zou doen wat het Staatstoezicht zegt, namelijk het plan afkeuren, is er geen gelegenheid voor de mensen in het gebied om met zienswijzen te komen. Na alle commotie van de afgelopen jaren vind ik het heel goed dat iedereen die zich hierbij betrokken weet en voelt, de gelegenheid krijgt om over het voorgenomen besluit van het kabinet met een opvatting, een zienswijze te komen. Dat kan ik bereiken door nu een voorlopig besluit te nemen over het winningsplan. Dan laat ik de zienswijze op me afkomen en daarna nemen wij een definitief besluit. Vervolgens kan men ook nog eens naar de Raad van State toe.

De derde reden is dat Staatstoezicht op de Mijnen van mening was dat het plan van de NAM verworpen moest worden en dat ik in plaats daarvan via de Mijnbouwwet een aantal verplichtingen zou moeten opleggen aan de NAM. Dat kan, maar dat is nog nooit gebeurd. Dat zou dus een unieke procedure zijn. Ik heb nu die verplichtingen, met name het terugdraaien van de winning bij Loppersum, in de vorm van een afspraak rondgemaakt met de NAM. Ik heb niet gezegd "je moet" maar "ik wil dat, ben je bereid". Daarop heeft de NAM ja gezegd en daarmee is het voor elkaar. Materieel doe ik dus wat Staatstoezicht op de Mijnen wenst. Ik giet het alleen in een andere vorm. Ik heb daar, denk ik, goede redenen voor.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Nog even ter precisering: zit dat halve jaar dat de minister wil nemen om vervolgens zelf een afweging te maken en met alle betrokkenen, inclusief de Kamer — we zijn natuurlijk altijd blij om erbij betrokken te worden — tot een besluit te komen al in die periode tot 1 juli 2016? Of gaat het vanaf dan lopen?

Minister Kamp:

Ja. Op 1 juli 2016 moet er een nieuw winningsplan zijn. Tot 1 juli 2016 zal ik ook aanwijzingen geven voor dat nieuwe winningsplan. Verder zal ik de resultaten van de onderzoeken die in de tussenliggende periode gedaan worden steeds transparant maken tegenover de Kamer, SodM en iedereen die daarvan kennis wil nemen. Ik zal op grond daarvan tegen de NAM zeggen: jullie zijn bezig met dat winningsplan en daarbij moeten jullie met dit en met dat rekening houden. De NAM krijgt dus aanwijzingen van mij. Op 1 juli 2016 moet het er liggen. Ik wil dan nog zes maanden nemen voor al het andere zodat er een verstandig besluit wordt genomen.

Ik ben al op heel veel punten ingegaan naar aanleiding van de vragen uit de Kamer. Ik zal toch nog even kijken welke punten ik nog verder moet uitwerken. Ik heb gesproken over het terugbrengen van de gaswinning bij Loppersum, over de 42,5 miljard en over de 54 miljard van vorig jaar. Dan kom ik nu op andere punten. Ik doe het eerst in hoofdpunten en loop daarna de vragen van de woordvoerders af.

De woordvoerders hebben gevraagd waarom het zo lang duurt voordat die bouwnorm er is. Het is misschien goed om dat nog even in een kader te plaatsen. Wij hebben nu als kabinet een besluit genomen. Dat besluit heeft twee elementen. Het ene element is het terugbrengen van de winning rond Loppersum en het leggen van een bovengrens. Het tweede element zijn inhoudelijke maatregelen daaromheen, waarvoor geld gereserveerd is en waarover bestuurlijke afspraken gemaakt zijn. Voor die afspraken moet onderscheid gemaakt worden tussen ramingen die gemaakt zijn en fondsen die ingesteld zijn. Voor een fonds is geld beschikbaar en dat kan worden uitgegeven. Als een raming overschreden wordt, dan moet er echter gewoon meer geld komen. We hebben een raming gemaakt voor het schadeherstel in de komende vijf jaar: een bedrag van 250 miljoen. Dat is heel veel geld en ik denk dat dat voldoende is voor schadeherstel. Als blijkt dat die schade 200 miljoen of 300 miljoen bedraagt, dan wordt daarvoor 200 miljoen of 300 miljoen uitgetrokken. We hebben een raming gemaakt van de kosten van preventie, voor de bouwkundige versterking van de woningen en de andere gebouwen. Dat is een zeer hoog bedrag van een half miljard euro, in een periode van vijf jaar te besteden aan het versterken van woningen en andere gebouwen. Daarmee is de veiligheid in het gebied drastisch te verbeteren. Dat is ook een raming. Minder of meer maakt niet uit; het geld dat daarvoor nodig is, wordt daarvoor uitgetrokken.

Hetzelfde geldt voor de infrastructuur. De infrastructuur in het gebied moet op orde worden gebracht. Enkele woordvoerders spraken over de dijken. Het gaat inderdaad over de dijken, maar ook over de chloorleiding, het C2000-net, de gasleiding en het hoogspanningsnet. Alles wat aan vitale infrastructuur in het gebied ligt, moet behoorlijk beveiligd worden. Wij denken dat wij daarvoor 100 miljoen euro nodig hebben. Als het meer is, dan is het meer. Het tempo waarin ik dit doe, met name toegespitst op de dijken, is als volgt. Wij gaan ervoor zorgen, volgens het advies van Deltares die dit helemaal heeft doorgeakkerd, dat zo snel mogelijk, op korte termijn, op de plekken die het meest risicovol zijn, het werk wordt gedaan.

Het is de bedoeling om het zo snel mogelijk af te ronden. Ik heb een periode van drie jaar voor ogen. In die drie jaar wil ik dat die dingen worden uitgevoerd die noodzakelijk zijn om de veiligheid in het gebied te waarborgen. Ik wil dat met de meest risicovolle plekken zo snel mogelijk wordt begonnen. De heer Dijkgraaf, de heer Leegte en anderen hebben terecht gewezen op de procedures die daarmee samenhangen. Die procedures zijn er voor de rechtszekerheid en ik vind ze belangrijk. De veiligheid van de mensen vind ik echter nog belangrijker. Dit betekent dat ik alle mogelijkheden die ik kan bedenken, zal benutten om de proceduretijd te verkorten. Als je kunt kiezen voor de ene of de andere procedure, kies ik voor de korte. Als je iets kunt doen zonder procedure, omdat je bijvoorbeeld bepaalde activiteiten als groot onderhoud kunt aanmerken, kies ik daarvoor. Als de proceduretijd wordt bepaald door de lange doorlooptijden bij gemeenten omdat ze heel veel op zich afkrijgen, gaan wij teams formeren om met externe ondersteuning de zaken bij de gemeenten en bij de provincie er zo snel mogelijk doorheen te krijgen. Dit zal wel moeten gebeuren met behoud van de noodzakelijke kwaliteit. Er mag echt geen tijd verloren gaan.

Een belangrijk onderdeel van mijn verantwoordelijkheid de komende tijd is ervoor te zorgen dat de proceduretijd voor de preventieve maatregelen zo veel mogelijk wordt teruggedrongen. Ik denk dat dit cruciaal is voor het vertrouwen van de mensen in het gebied. Als wij de komende tijd gaan vergaderen, procedures gaan voeren en naar de rechter en de Staat van State gaan, terwijl er onderwijl niets gebeurt, is dit voor de mensen onacceptabel. Wij zullen het als overheden met elkaar voor elkaar moeten krijgen dat wij snel en op een verantwoorde manier de noodzakelijke resultaten realiseren.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Het doet ons goed dit van de minister te horen. Mensen zijn echt bang dat er iets met de dijken gebeurt en dat zij vervolgens zouden kunnen verdrinken. Wij krijgen onder andere mails die hierover gaan. Hoe kunnen de inwoners goed volgen hoe het allemaal gaat en dat het inderdaad zo snel gaat als de bedoeling is? Hoe kunnen ze daarbij betrokken worden? Heeft de minister hierover nagedacht?

Minister Kamp:

Het provinciaal bestuur heeft samen met de lokale overheden gezegd dat het belangrijk is dat alle maatregelen waarvan de provincie en de gemeenten denken dat ze nodig zijn en waarvan de minister als verantwoordelijke binnen het kabinet denkt dat ze nodig zijn, besproken moeten worden. Ik denk aan maatregelen ter preventie, voor schadeherstel en voor alle dingen die ik zo meteen nog zal noemen: economisch perspectief, waardevermeerdering van woningen, kosten voor nieuwbouw, schrijnende situaties, het leefbaarheidsfonds. Van al die dingen die wij daarvoor hebben bedacht, is niet vastgelegd hoe wij die keuzen hebben gemaakt, hoe wij het willen uitvoeren en in welk tempo. Wij gaan daarmee naar de dialoogtafel. Aan deze tafel zitten mensen uit het gebied. De een heeft zitting in de LTO, een ander is actief in een actiegroep, weer een ander zit bij een waterschap of bij een gemeente. Alle mensen in het gebied die aan de dialoogtafel zitten, gaan dat hele pakket van maatregelen doornemen om te bekijken of zij het ermee eens zijn, of zij andere prioriteiten willen aangeven en of er andere dingen zijn waarover zij zich willen uitlaten. Dit hele pakket wordt besproken in het gebied, maar wel op zo'n manier dat het niet ten koste gaat van de noodzakelijke snelheid waarmee deze maatregelen moeten worden uitgevoerd.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Het is goed te horen dat hiervoor de dialoogtafel wordt ingezet. Wij weten ook dat niet iedereen aan die dialoogtafel zit. Hoe gaan wij de andere inwoners uit Groningen er ook bij betrekken? Het kan niet zo zijn dat alleen de mensen aan de dialoogtafel alle informatie krijgen en dat de rest daarvan verstoken blijft.

Minister Kamp:

Ik vind dat wij zo veel mogelijk informatie op internet moeten zetten. Een voorbeeld heb ik gegeven door nu alle onderzoeken en adviezen integraal op internet te zetten. Ik heb ook al aangegeven dat wij transparant zullen zijn over wat er de komende tijd aan extra onderzoeken zal worden uitgevoerd. Men zal dit dan kunnen volgen. Stel, je zit in Loppersum en je hebt te maken met wat wij hier allemaal bespreken. Je hebt je eigen gemeenteraad, je hebt je eigen Provinciale Staten, je hebt je eigen Tweede Kamer. Dat zijn drie parlementen die zich daar echt bij betrokken voelen en daarvoor verantwoordelijk zijn. Vervolgens wordt het ook nog een keer aan een dialoogtafel besproken. Ik denk dat wij met elkaar mogen vaststellen dat wij het op een nette manier regelen.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik kom even terug op het punt van de versnelling van de vergunningen. De minister doet een mooie toezegging. Ik had een motie voorbereid en ik houd er niet van om moties in te dienen als er al een toezegging is gedaan. Als een motie van mij het predicaat krijg "dat heb ik al toegezegd", dan schaam ik mij een beetje als Kamerlid. Het gaat om de formulering: is de regering bereid om dit te bezien en belemmeringen in de regelgeving hiervoor weg te nemen, desnoods tijdelijk? Valt dit onder datgene wat de minister net zei?

Minister Kamp:

Als de heer Dijkgraaf zo'n motie indient, zal ik die niet negatief benaderen. Wat hij zegt, is nogal wat. Hij haalt de Flora- en faunawet erbij. Hij zegt dingen die wij als wetgever hebben vastgelegd. Wij willen toch dat je op een bepaalde manier daarmee omgaat. Behalve mijn opvatting als medewetgever is ook de opvatting van de Kamer als medewetgever daarover van belang. Ik denk dat zo'n uitspraak op zichzelf relevant is.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Dan weet ik in ieder geval dat het relevant is om eventueel een motie in te dienen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik wil even terugkomen op het punt van preventieve maatregelen en schadeherstel. Heb ik goed begrepen dat de minister zegt: er zijn ramingen voor opgenomen, maar mocht het meer kosten, dan gaan wij daar ruimhartig mee om en dan is dat niet de grens die wij hanteren?

Minister Kamp:

Het woord "ruimhartig" kan ik niet goed plaatsen. Als er schade is, wil ik dat die wordt vergoed. Ik heb het niet over krenterig en ik heb het niet over ruimhartig. Die schade moet vastgesteld en vergoed worden. Als er preventieve maatregelen moeten worden genomen voor de veiligheid van de mensen, dan moeten ze worden genomen. Als daar 400 miljoen voor nodig is, dan heb ik een meevaller, want ik heb 500 miljoen geraamd. Als er 600 miljoen voor nodig is, dan wordt er 600 miljoen vrijgemaakt. Dat geld moet er komen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik ben heel blij met deze uitspraak van de minister.

Mijn tweede vraag — het scheelt wellicht een motie — is of deze bedragen die eventueel hoger uitvallen niet ten koste zullen gaan van de economische investeringen in het gebied, waarvoor ook een budget is ingeboekt.

Minister Kamp:

Daarvan kan geen sprake zijn. Ik heb aangegeven dat er een aantal ramingen zijn. Daarnaast hebben wij een aantal fondsen, die ik zo zal benoemen. Die bedragen worden sowieso aan die fondsen beschikbaar gesteld voor de komende vijf jaar. Wat er op het punt van de ramingen gebeurt, is niet van invloed op hetgeen met de fondsen gebeurt.

Mevrouw Klever (PVV):

Wij hebben gemeenteraden, wij hebben Provinciale Staten en wij hebben hier een parlement. De minister geeft het net zelf ook aan. Kan hij aangeven waarom wij daar bovenop nog een dialoogtafel nodig hebben? Is dat niet gewoon een extra bestuurslaag, zeker ook gezien het riante salaris dat de twee bestuurders, de ene van PvdA- en de andere van VVD-huize, zichzelf al hebben toebedeeld vanuit die pot met geld?

Minister Kamp:

Er zijn helemaal geen salarissen toebedeeld, laat staan dat mensen zichzelf iets hebben toebedeeld. Het is een enorme opgave om een dialoogtafel te organiseren over een complexe problematiek met een totaalbedrag van 1,2 miljard dat in een periode van vijf jaar in een toch begrensd gebied moet worden uitgegeven. Als je dat snel wilt doen en de mensen in het gebied daarbij wilt betrekken, moet je het op een goede manier organiseren. Daarbij hoort dat je zo'n dialoogtafel goed voorbereidt. Daarvoor zijn ambtenaren nodig, hardwerkende en deskundige ambtenaren die ervoor zorgen dat die zaak goed wordt voorbereid voor de mensen aan de dialoogtafel. Er zijn mensen nodig om hetgeen is besproken aan die dialoogtafel weer weg te zetten, om ervoor te zorgen dat het wordt uitgevoerd. De deelnemers aan zo'n dialoogtafel zijn heel verschillende mensen met heel verschillende achtergronden. Het zal echt geen gemakkelijke discussie worden over een moeilijke problematiek. Je hebt dan ook mensen nodig om dat in goede banen te leiden.

Wij hebben gezocht naar mensen van wie wij denken dat zij dat kunnen. De ene is een geboren Groninger, Jan Kamminga, met een zeer lange bestuurlijke ervaring van wie wij denken dat hij dat kan. De andere, Jacques Wallage, is behalve zijn andere kwaliteiten tien jaar lang burgemeester van Groningen en kent het gebied ook heel goed. Wij denken dat zij de capaciteiten hebben om die dialoogtafel in goede banen te leiden. Er wordt een beroep gedaan op hun werkkracht. De provincie Groningen — ook ik heb dat gedaan — heeft geraamd: als je ziet hoeveel dagen eraan moet worden gewerkt, wat is dan een redelijke vergoeding? Zo proberen wij de dialoogtafel op een nette manier te laten functioneren en de bevolking erbij te betrekken en de gelegenheid te bieden om via hun organisaties invloed uit te oefenen. Om nu te zeggen dat de bestuurders zich riante salarissen toe-eigenen, vind ik bespottelijk.

Mevrouw Klever (PVV):

En ik vind de dialoogtafel bespottelijk. Heel veel actiegroepen willen helemaal niet deelnemen aan die dialoogtafel omdat het veelal bestuurders zijn die daar de dienst uitmaken. Het gaat erom dat de bewoners een snel herstel van hun schade hebben en dat zij een uitkoopregeling hebben. Dan kunnen bestuurders wel met elkaar aan de dialoogtafel gaan spreken over opleukvergoedingen, maar dat is bijzaak en weggegooid geld.

En dan nog even over de salarissen. Misschien is de minister niet helemaal op de hoogte, maar voor één keer in de maand vergaderen krijgen de bestuurders ieder €35.000. Dat is een klap in het gezicht van die Groningers die al jarenlang in een verzakt huis zitten en die hun schade nog steeds niet hersteld krijgen.

Minister Kamp:

Opnieuw blijkt dat mevrouw Klever er echt geen kaas van heeft gegeten.

Mevrouw Klever (PVV):

Mevrouw Klever heeft er heel veel kaas van gegeten. Ik vind het arrogant dat de minister elke keer zegt dat mevrouw Klever het niet begrijpt. Mevrouw Klever begrijpt het heel goed.

Minister Kamp:

Mevrouw Klever moet zich eens realiseren wat zij zelf allemaal tegen mij zegt. Zij heeft zo'n grote mond. Dan kan zij verwachten dat ik wat terugzeg. Het is belachelijk om te zeggen dat degenen die de dialoogtafels in goede banen moeten leiden, daarvoor één vergadering per maand hebben. Dat is natuurlijk niet zo.

Mevrouw Klever (PVV):

Dat staat in de dialoogtafel.

De voorzitter:

Mevrouw Van Tongeren heeft een vraag.

Minister Kamp:

Er moet heel wat werk verzet worden om de discussie aan de dialoogtafel in goede banen te leiden. De dialoogtafel is een gedachte vanuit het provinciale en het lokale bestuur, een gedachte die mij heel goed lijkt. Ik heb behoefte aan klankborden in dat gebied. Wij doen het met overheden allemaal op de beste manier. Wij worden gecontroleerd door onze parlementen, maar er zijn ook mensen op andere manieren georganiseerd in een actiegroep, in een ondernemersvereniging of een agrarische vereniging. Die willen wij er ook graag bij betrekken. Dat doen wij met de dialoogtafel. Groningen heeft een groot probleem. De overheden doen hun uiterste best om dat probleem op een goede manier aan te pakken. De overheden zoeken met zo'n dialoogtafel het overleg met de mensen in het gebied. Ik begrijp niet waarom dat hier belachelijk gemaakt moet worden.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik heb ook een vraag over de dialoogtafel. De VVD en GroenLinks hebben vandaag samen met een lokale partij in Provinciale Staten een motie ingediend over de dialoogtafel. Daarin wordt gevraagd of het mogelijk is om wat meer plekken te reserveren voor gewone bewoners. Er zijn twee plekken voor bewoners en in de motie wordt gevraagd om nog twee plekken erbij. Wat is het standpunt van de minister hierover?

Minister Kamp:

Als mevrouw Van Tongeren een winkelier is in Loppersum, is zij een bewoner van Loppersum. Zij kan als winkelier echter ook lid zijn van een ondernemersvereniging. Als die ondernemersvereniging mevrouw Van Tongeren vraagt om aan de dialoogtafel te gaan zitten, zit er een bewoner aan de dialoogtafel. De agrarische organisaties vragen een agrariër uit dat gebied, een bewoner dus, om aan die tafel te gaan zitten. Een actiegroep die zich inspant om te verwoorden wat er bij de mensen leeft en om resultaten te bereiken, bestaat ook uit mensen die in het gebied wonen. Als zij via zo'n actiegroep aan die dialoogtafel komen, zijn dat ook bewoners. De mensen die aan de dialoogtafel zitten, zijn, met een enkele uitzondering, gewoon bewoners.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ongetwijfeld zijn alle mensen aan die tafel — en ik hoop ook de ambtenaren die dat ondersteunen — bewoners van Groningen. De heren Wallage en Kamminga zijn ook bewoners van Groningen. De motie van de VVD en GroenLinks doelt echter op bewoners die niet in een orgaan zitten en geen vertegenwoordiger van een vereniging zijn. Zou het niet mogelijk zijn om te kijken of er een of twee bewoners kunnen worden toegevoegd? Dit wordt belangrijk. Willen wij het vertrouwen terugkrijgen, dan is die tafel essentieel. Ik heb al gevraagd of de voorzitters gekozen kunnen worden. Normaal gesproken wordt er samen overlegd wie als voorzitter fungeert. Dit is geen ondergraving van de plannen van de minister, maar een poging om de dialoogtafel een zo goed mogelijke start te geven. Een gekozen voorzitter en iets meer bewoners: zou dat mogelijk zijn?

Minister Kamp:

De samenstelling van die dialoogtafel staat niet vast, de ondersteuning staat niet vast en de precieze vorm ervan staat niet vast. Daar leven belangrijke gedachten over bij het provinciale bestuur en bij de lokale besturen. Wij hebben daar als kabinet ook gedachten over. Wij hebben gedrieën, de lokale overheden, de provincie en het kabinet, afgesproken dat wij zo'n dialoogtafel formeren. Wij zullen overleg hebben over hoe wij dat precies doen. Daar betrekken wij ook zeker de inbreng van de Kamer bij.

Wij zullen kijken hoe wij dat op de beste manier kunnen doen. Als wij een willekeurige burger aan zo'n dialoogtafel zetten, kun je je ook afvragen waarom nu die burger wel en een ander niet. Als je het via een parlement doet, of dat nu landelijk, provinciaal of lokaal is, heb je iemand die gelegitimeerd is. Als je het via een ondernemersorganisatie of een actiegroep doet, zit er ook een bepaalde legitimatie achter. Aan het willekeurig neerzetten van iemand aan die tafel zijn ook weer bezwaren verbonden. Ik begrijp echter het punt van mevrouw Van Tongeren. Wij zullen die punten betrekken bij het overleg om de hele zaak op gang te brengen.

Wat betreft het voorzitterschap, is mijn opvatting op dit moment dat je daar echt zwaargewichten voor nodig hebt, die het gebied kennen en die in de loop der jaren bewezen hebben dat zij dit soort processen kunnen managen. Ik vind dat ik daar een opvatting over moet hebben in mijn functie. Ik vind ook dat de provinciale bestuurders daar een opvatting over moeten hebben. Wij moeten daar de verantwoordelijkheid voor durven dragen. Ik hou zeker de mogelijkheid open dat de twee personen die wij nu in beeld hebben gebracht, uiteindelijk ook de voorzitters van de dialoogtafel gaan worden. Zelf vind ik dat zeer wenselijk, gelet op hun kwaliteiten.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik kom even terug op de waterveiligheid. De minister zei dat hij snel zal beginnen met het investeren van die 100 miljoen in waterkeringen en dat het de ambitie is om over drie jaar klaar te zijn. Dat lijkt mij een heel ambitieus programma. Dat is wat mij betreft ook de lijn bij de andere punten, zoals herstel en schadepreventie. Dat zou het resultaat moeten zijn van het debat van vanavond. Ik heb een vraag over de dekking van die 100 miljoen. Kan de minister aangeven hoe dat is verdeeld? Wat financiert de NAM, in verband met de bodemdaling, en wat komt uit andere middelen, zoals het Deltafonds? Is er al overeenstemming over hoe dat gefinancierd moet worden?

Minister Kamp:

Ik heb op dit moment het Deltafonds niet in beeld voor de financiering. Wat ik in beeld heb, zijn de normale budgetten van de waterschappen. Ik ga uit van wat zij gehouden zijn om te doen en wat zij gehouden zijn om zelf te financieren. Voor alles wat sneller of extra moet, voel ik mij verantwoordelijk. Daar is die 100 miljoen mede voor bedoeld. Althans, daar is een deel van die 100 miljoen bedoeld. De heer Jansen refereerde aan het uitvoeren binnen drie jaar. Deltares heeft een plan gemaakt voor drie jaar, waar een bepaalde prioriteitsstelling in zit. Afhankelijk van de urgentie van de problemen die aangepakt worden, de capaciteit van de schappen en de capaciteit van de aannemers in het gebied die daar logischerwijs bij betrokken zouden moeten worden en afhankelijk van de discussie aan de dialoogtafel, zullen wij dat zo snel mogelijk doen. Mijn druk zal uitsluitend gericht zijn op snel, en niet op afremmen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Dat is helder. Dat is wat mij betreft ook de koers. Betekent dat dat als de dialoogtafel meewerkt en de vergunningverleners hun best doen, over drie jaar de dijken en andere waterkeringen in Groningen allemaal voldoen aan de normen van 1960 en dus gewoon op orde zijn?

Minister Kamp:

Ik kan dat niet zo keihard neerzetten. Wij moeten beginnen bij de plekken die het meest risicovol zijn. Wij hebben nu in beeld welke plekken het kwetsbaarst zijn. Wij weten dat als wij detailonderzoeken gaan verrichten, daar vaak nog weer nieuwe informatie uit naar voren komt. Afhankelijk van de informatie die daaruit komt, van wat in zijn totaliteit moet worden gedaan en van de capaciteit van de schappen en de aannemers voor de aanpak hiervan, zullen wij erin slagen om dat snel te doen. Ik heb een plan laten maken voor een periode van drie jaar en ik stuur op drie jaar. Ik kan daar echter geen harde garantie voor geven. Ik kan wel tegen de heer Jansen zeggen wat ik net zei, namelijk dat mijn druk uitsluitend is gericht op snel en niet op afremmen.

Voorzitter. Ik was bezig met de opsomming van zaken waarvoor we ramingen hebben gemaakt. We hebben in de eerste plaats fondsen gemaakt voor speciale situaties en schrijnende gevallen. We doen heel veel dingen in het gebied, zoals schadevergoeding, preventie en infrastructuur, maar er zijn altijd bijzondere situaties waarin iets extra's gedaan moet worden. Daarvoor hebben we een fonds van 15 miljoen euro gemaakt. Er wordt een aparte instantie opgezet die het geld gaat uitgeven. Om het traject heel snel op gang te brengen, hebben we al drie mensen in beeld die onmiddellijk kunnen beginnen met het besteden van het geld.

De Kamer heeft gevraagd naar de 20, 25 gezinnen die in het bijzonder in beeld zouden zijn. Voor hen zijn nog geen oplossingen gevonden, omdat we het geld nog maar net beschikbaar hebben gesteld. Ik wilde eerst de discussie van vandaag in de Kamer afwachten. De drie mensen die het geld gaan uitgeven, zijn inmiddels dus bekend. Op grond van de beschikbaarheid van het geld en op grond van het feit dat de mensen die het gaan uitvoeren zijn geselecteerd, zal ik zo snel mogelijk het proces op gang brengen. De situaties die het meest schrijnend zijn, krijgen op deze manier de aandacht die ze verdienen.

Het tweede fonds dat we hebben gemaakt, is bedoeld voor de meerkosten voor nieuwbouw. Als je ergens anders bouwt, betaal je bijvoorbeeld €100.000. Stel dat je daar gaat bouwen en je betaalt €105.000, dan moet je in die €5.000 tegemoetgekomen worden. Om deze meerkosten voor nieuwbouw te kunnen betalen, hebben we een fonds van 10 miljoen euro opgericht.

Het is misschien goed om meteen even over de bouwnorm te spreken. De bouwnorm bevat de eisen waaraan men moet voldoen als men wil bouwen of verbouwen. Een nieuwe bouwnorm opstellen, kost drie jaar. Ik kan geen drie jaar wachten. Ik kan wel iets tijdelijks maken, waarbij ik vooruitloop op de nieuwe bouwnorm. Dat is een tijdelijke regeling, die knap ingewikkeld is omdat er veel van afhangt en die helemaal nieuw gemaakt moet worden. We hebben in Europa alleen kennis over natuurlijke aardbevingen en hoe je daarmee moet omgaan bij het bouwen. Hier is echter sprake van een ander soort aardbevingen met een andere achtergrond, verschijningvorm en diepte. Hoe je dat precies moet vertalen in een goede tijdelijke bouwnorm, is niet bekend. Het is heel erg moeilijk.

Daarom heb ik een drietrapsraket voorgesteld. Voor alles wat er nu wordt gebouwd en verbouwd, pas ik voorlopig de Europese norm toe die er is voor aardbevingsgebieden, de zogenaamde Eurocode 8. De Eurocode 8 is een te strenge norm, maar we passen hem voorlopig toe, want ik moet gewoon door. Er moet immers werk verzet worden. Ondertussen probeer ik om zo snel mogelijk de tijdelijke norm op te stellen. Ik denk dat ik dat in de zomer voor elkaar kan krijgen. Ik probeer hem aan het begin van de zomer klaar te hebben, maar dan zit ik al op een hellend vlak. De Kamer suggereren dat het binnen twee, drie of vier maanden kan, durf ik niet aan. Ik krijg het op zijn vroegst in de zomer voor elkaar. Het is geen grote ramp, omdat ik Eurocode 8 voorlopig kan toepassen. We gaan dus Eurocode 8 verstandig toepassen, zo snel mogelijk de tijdelijke norm opstellen en ondertussen ook werken aan een definitieve norm. Op die manier probeer ik ervoor te zorgen dat we ook hier doen wat verantwoord is.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Dat is goed om te horen, want ik weet dat boeren druk bezig zijn om te kijken of ze hun stal kunnen verbouwen en of ze wel of niet kunnen investeren. Wij vinden het belangrijk dat dit soort dingen kunnen doorgaan. Nu staat het allemaal stil. De Europese norm is nu dus de norm tot en met de zomer, totdat de nieuwe tijdelijke norm klaar is. Heb ik het zo goed samengevat?

Minister Kamp:

Ja, dat klopt.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Helder.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Even ter precisering. Geldt Eurocode 8 voor zowel nieuwbouw als voor verbouwingen? De minister zei dat de norm wat strenger is dan nodig. Van welke maximale kracht van aardbevingen gaat de Europese norm uit?

Minister Kamp:

Het antwoord op de eerste vraag is ja. Het antwoord op de tweede vraag moet ik schuldig blijven. Ik probeer de vraag vanavond nog te beantwoorden.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Hartelijk dank. Het zou fijn zijn als we dat weten. Maar misschien kan de minister toch nog eens uitleggen waarom we specifiek voor Nederland zo'n nieuwe norm moeten ontwikkelen. Je zou zeggen: een aardbeving is een aardbeving, onafhankelijk van de vraag waardoor die gegenereerd wordt. Er zijn natuurlijk andere gebieden op de wereld waar mensen ook met aardbevingen te maken hebben, zoals Japan en Californië. Waarom kost het zo veel tijd? Mensen vragen zich af waarom ze daarop moeten wachten en waarom ze niet sneller van start kunnen. Ik begrijp die vragen.

Minister Kamp:

In Groningen is echt sprake van een unieke situatie. Wij zitten daar veel dichter op dan elders in de wereld waar zich enigszins vergelijkbare situaties voordoen. Er is een keer een flinke geïndiceerde aardbeving in Frankrijk geweest en een keer een in Amerika, maar dat was in heel andere gebieden dan hier. Wij zitten daar veel dichter op. We hebben ook veel meer onderzoek gedaan dan ooit gedaan is op dit punt, want bij het ontwikkelen van deze tijdelijke norm moeten we zelf het wiel uitvinden. Gelet op alle belangen die daaraan verbonden zijn en de onzekerheden die er zijn, heb je een grote verantwoordelijkheid als je dingen echt op papier gaat zetten en aan gaat geven wat moet en wat niet hoeft. Degenen die daarmee bezig zijn, zijn zich daarvan bewust. Ik kan ze niet zo hard duwen dat ze onverantwoorde dingen gaan doen. Ik kan alleen maar proberen om erachter te komen wat hen precies tegenhoudt om de volgende stap te zetten en dan te bezien wat ik kan doen om ze daarin te ondersteunen en ze die stap zo snel mogelijk te laten zetten. Ik zal daar mijn uiterste best voor doen, maar we moeten het wiel dus voor een groot deel zelf uitvinden. Tot zover de nieuwbouw en de bouwnorm.

Er is gevraagd of er een fonds komt voor waardevermeerdering van woningen. Er worden nu maatregelen genomen voor schadeherstel en voor schadepreventie. Ik kom straks nog te spreken over maatregelen voor waardedaling. Wij proberen die maatregelen aan te vullen met iets extra's voor de woningen, waardoor de woningen in plaats van minder meer waard worden. Je kunt dan aan allerlei dingen denken, zoals het extra isoleren van de woningen in het kerngebied en het op het dak aanbrengen van eigen zonnepanelen. Er zijn allerlei dingen denkbaar om op een georganiseerde manier te zorgen dat de woningen in het kerngebied meer in plaats van minder waard worden. Dat willen we gelijk op laten gaan met een fonds voor leefbaarheid, waarbij woongebieden en dorpen geherstructureerd kunnen worden door te investeren in het buitengebied ten behoeve van de bewoners daar. Mevrouw Mulder heeft vaak het belang benadrukt van een goede glasvezelaansluiting. Dat zou je misschien met zo'n fonds in zo'n gebied kunnen realiseren. Wij willen zowel in het buitengebied als in de dorpen gericht op het gebied en de dorpskernen, maar ook gericht op de huizen individueel, extra dingen doen om te zorgen dat de woningen meer waard worden.

Voor de waardevermeerdering van de woning is 125 miljoen beschikbaar en voor de leefbaarheid 60 miljoen. Provincie en gemeenten doen er 25 miljoen bij. Dat betekent dat er in totaal 210 miljoen euro is voor een periode van vijf jaar. Daar kun je belangrijke dingen mee doen. Verder gaan we in het economisch perspectief investeren. Daar ga ik zo iets over zeggen. Bovendien is er de regeling voor waardevermindering, waardoor mensen als er zich toch waardevermindering voordoet, zeker weten dat ze dat bij verkoop gecompenseerd krijgen. Dit alles zou ertoe moeten leiden dat het gebied door de mensen weer objectief als veilig wordt ervaren en dat we de problematiek waar we nu mee geconfronteerd worden en waardoor het gebied in een negatieve spiraal dreigt te komen, kunnen corrigeren. De mensen hoeven zich dan geen zorgen te maken over waardevermindering, want ze weten dan dat als ze blijven er wat voor hen wordt gedaan en dat als ze weggaan eventuele schade die ze lijden ook wordt gecompenseerd.

Hiermee kom ik op de laatste twee punten in dit verband. Het eerste betreft een fonds voor het economisch perspectief. Er is in het noorden van het land al veel geld beschikbaar voor allerlei investeringen, maar wij denken dat specifiek voor dit gebied nog een extra economische impuls gegeven moet worden. Dat denkt de provincie ook. De provincie stelt daar voor een periode van vijf jaar 32,5 miljoen voor beschikbaar en wij 65 miljoen. Samen is dat bijna 100 miljoen. Daar wordt een aparte economic board met ondernemers uit het gebied op gezet, die gaat kijken hoe het geld het beste in het belang van de mensen in het gebied kan worden aangewend.

Ten slotte is er nog de regeling voor de waardedaling. Het is niet zo dat wij tegen iedereen in het gebied die een huis heeft zeggen: de prijzen in het gebied lopen 3% achter, dus jullie krijgen allemaal 3% van de waarde uitgekeerd. Dat kan niet, omdat het goed mogelijk is dat het als gevolg van alle maatregelen die we treffen in het jaar daarop weer de andere kant op gaat. Het zou dan raar zijn om eerst geld uit te keren, waarna vervolgens blijkt dat dit onnodig was. Er is geen vaste situatie wat betreft de waarde van een huis dat niet verkocht wordt. Op het moment dat het huis verkocht wordt, kun je wel vaststellen of er sprake is van een waardedaling. Je kunt die dan ook als schade aanmerken en haar geheel vergoeden. Dat is precies wat we doen.

Trouwens, het gaat hier niet alleen om woningen. Ik kijk even wie daarnaar vroeg. Dat was de heer Klein. Hij vroeg hoe het zou gaan met ander onroerend goed dan woningen. Daar geldt hetzelfde voor. Die regeling hebben we nog niet uitgewerkt, maar die zullen we gaan uitwerken. De heer Klein vroeg ook hoe het zit met andere dingen: geen gebouwen, maar immateriëlere zaken. Daarvoor kunnen we geen regeling maken, want dat is te divers. Als er echter andere aantoonbare schade is die gerelateerd is aan de aardbevingen, niet aan gebouwen maar schade die op een andere manier kan worden gematerialiseerd, dan moet deze ook als zodanig worden vergoed.

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik heb een vraag over de compensatie die mensen krijgen als hun huis minder waard is geworden. Ik krijg een brief van iemand uit Groningen. Het is een moeder met twee kinderen, wiens man elders werk gevonden heeft. Ze willen weg uit het gebied. Zij heeft inmiddels ook elders werk gevonden. Ze hebben hun huis gekocht in 2007. Je raadt het al: het is een huis van €225.000 dat voor €40.000 onder water staat. De schadevergoeding is €6.000. Net als in de schriftelijke beantwoording kan de minister dan zeggen: tja, dat is de economie. Als je zo'n huis in 2007 koopt en een gezin wilt stichten, dan heb je natuurlijk het idee dat je daar 30 jaar gaat wonen. Je hebt dan niet het idee dat daar zulke aardbevingen zullen ontstaan dat je vervolgens niet meer weg kunt. Is het dan niet redelijk om die compensatieregeling wat ruimhartiger in te stellen dan we nu doen? Nu nemen we sec het referentiegebied zoals dat in het onderzoek is aangetoond.

Minister Kamp:

Nee, we kunnen niet in Groningen de waardedaling van misschien wel 25% gaan compenseren die zich in het hele land bij onroerend goed heeft voorgedaan. Dat kan niet. Wat we wel kunnen doen, is de waardedaling compenseren voor zover deze gerelateerd is aan het aardbevingsrisico. Dat kun je vaststellen door een vergelijking te maken met het goede referentiegebied. Dat doen we ook. Als er betere gebieden bedacht kunnen worden, sta ik daarvoor open. Ik denk dat we de goede gebieden als vergelijkingsmateriaal gekozen hebben. Omdat de schade gerelateerd is aan de aardbevingen, kunnen we die vergoeden. Die andere problematiek is echter problematiek die in het hele land bestaat, en dus ook voor de mensen in Groningen.

De heer Jan Vos (PvdA):

In de rest van Nederland zijn er geen aardbevingen. Toen die mensen daar gingen wonen, wisten ze niet dat die aardbevingen daar zouden ontstaan. Die aardbevingen zijn geïnduceerd. Ze zijn opgewekt door de NAM, door het winnen van het gas. Die mensen zitten nu vast. Ze kunnen niet weg. Als je zo'n schuld oploopt, los je hem van je leven niet meer af. Mijn vraag is nogmaals of het niet mogelijk is die mensen tegemoet te komen. Zou de minister daar in de komende periode nog eens goed naar willen kijken?

Minister Kamp:

Nee, ik wil geen verwachtingen wekken die ik niet kan waarmaken. Als mensen hun woning verkopen en zij bij de verkoop van die woning een lager bedrag krijgen dan ze zouden hebben gekregen als daar geen aardbevingen waren geweest, moet dat verschil aan hen vergoed worden. Ik ga echter niet meer vergoeden dan dat verschil. Ik moet daar heel consequent in zijn. Nu blijkt dat je schade veroorzaakt als je aardgas wint. Die schade moet vergoed worden. Dat gebeurt ook. Meer dan die schade gaan we echter niet vergoeden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik hoorde de minister uitleggen welke fondsen en regelingen er zoal zijn. Ik wil de minister twee vragen stellen over de manier waarop dat in de praktijk werkt. Mensen krijgen te maken met een aardbeving, waar ze niet om hebben gevraagd. Hun privéleven wordt daar ook ernstig door beïnvloed, even los van het feit dat het echt vervelend is dat je je niet meer veilig voelt in je eigen huis. Je moet daarmee aan de slag, je moet een taxateur inschakelen et cetera. Ons wordt terecht gevraagd om de mensen die dat overkomt te ontzorgen. Wij hebben als Kamerleden verschillende mensen gesproken, bij wie de situatie, voorzichtig gezegd, niet goed loopt. Ze hebben een compleet scheef huis en de taxateur die door de NAM is ingeschakeld, zegt: wij kunnen niet aantonen dat het door de gaswinning komt, dus u krijgt €1.600. Ik stel voor om de bewijslast om te draaien. Voelt de minister daarvoor en wat is daarvoor nodig? Is hij bereid om daarnaar te kijken? Een andere oplossing zou kunnen zijn dat het Rijk die verantwoordelijkheid overneemt en tegen een gedupeerde zegt: wij betalen de schade en verhalen die vervolgens op de NAM. De NAM is inderdaad aansprakelijk, maar het is een te zware belasting voor burgers om zelf het hele gevecht te leveren en erachter aan te moeten gaan, terwijl ze al in een rotsituatie zitten. Is de minister dat met ons eens?

Minister Kamp:

Mevrouw Van Veldhoven en anderen hebben dat punt ook indringend naar voren gebracht. Waar mevrouw Ouwehand en ik dit misschien heel gemakkelijk denken te kunnen regelen met zo'n taxateur, zijn er ook mensen die dat niet uitkomt, die daar geen ervaring mee hebben of die het niet prettig vinden om dat te doen. Wij realiseren ons heel goed dat deze mensen net zo veel recht hebben op een correcte behandeling als u en ik. Het is dus van belang dat die schadevergoeding niet alleen een formeel juiste schadevergoeding is, maar dat het proces na schadevergoeding op een verantwoorde manier verloopt.

Wat we in ieder geval gaan doen, is het volgende. We houden de NAM er weliswaar bij betrokken, want het is een grote professionele organisatie die schade heeft veroorzaakt en zich dus zeer zal moeten inspannen om de vergoeding daarvan niet alleen financieel maar ook op andere manieren in goede banen te leiden. De besluitvorming daarover willen we echter op afstand houden. Dat betekent dat er een onafhankelijke instantie moet komen die dat gaat doen. Dan weten de mensen ook dat ze niet direct contact hoeven te hebben met de veroorzaker, maar dat ze bij een andere instantie terechtkunnen. Dat gaat dus in ieder geval gebeuren. Daarnaast zetten we daar een onafhankelijke toezichthouder op die dat proces in de gaten gaat houden. Ook zullen we daar de onafhankelijke raadsman, door de heer Vos consequent als "ombudsman" aangeduid, bij betrekken. Op die manier wil ik dat voor elkaar krijgen.

Mevrouw Van Veldhoven stelde ook voor om met één loket te gaan werken en er een soort casemanager op te zetten. Ik denk dat het heel nuttig is, om eens heel goed aan de dialoogtafel uit te spreken hoe we het zo zouden kunnen organiseren dat we aansluiten bij de reële behoeftes van de mensen in het gebied en het proces van schadevergoeding optimaal vorm kunnen geven. Die gedachte van mevrouw Ouwehand, mevrouw Van Veldhoven en anderen zal ik zeker laten bespreken aan de dialoogtafel. In dat kader zal ik ook zeker een eigen inbreng hebben.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik erken dat dit stappen in de goede richting zijn. Echter, stel nou dat dit onvoldoende oplevert om de getroffen burgers te kunnen ontlasten. Bij mijn weten is het nodig om de Mijnbouwwet aan te passen als we de bewijslast op zeker moment daadwerkelijk zouden willen omkeren. Als we besluiten dat dit nodig is, lijkt het mij vervelend om nog maanden te moeten wachten op een aanpassing van de wet. Kan de minister toezeggen dat hij ook dat in elk geval serieus wil bekijken, parallel aan de stappen die hij zojuist omschreef? Als we namelijk met zijn allen vinden dat het echt nodig is om de bewijslast om te draaien, moeten we daar geen tijd mee verliezen.

Minister Kamp:

Ik geloof niet dat we met omkering van de bewijslast moeten werken. Het volgende moet gebeuren. Een goede taxateur moet bezien wat er is gebeurd en een reële inschatting maken van wat er moet worden gedaan. Als de betrokken eigenaar het daarmee niet eens is, dan zal er een contra-expertise moeten plaatsvinden. Op grond van die onafhankelijke contra-expertise moet dat worden beoordeeld. Op die manier, met die eerste taxateur en eventueel een contra-expertise, zal er een zakelijke beoordeling plaatsvinden van wat zich daar heeft voorgedaan. Dan hoef je niet zozeer te praten in de sfeer van bewijslast hier of bewijslast daar. Het gaat erom dat je ter zake kundige mensen, eventueel gecheckt door andere ter zake kundige mensen, de zaak laat beoordelen en vastleggen. Ik denk dat dit de goede werkwijze is. Omkering van de bewijslast lijkt me in dit verband geen oplossing.

De heer Klein (50PLUS):

De minister zegt terecht dat er een ruimhartige schadevergoeding zal plaatsvinden. De echt materiële schade aan een huis is duidelijk: waardevermindering bij verkoop, schade als gevolg van verzakkingen en dergelijke. De minister geeft echter ook aan dat we te maken hebben met schade die echt aanwijsbaar is gekoppeld aan de aardbevingen. In mijn ogen betekent dit dat ook andere schade die is gekoppeld aan de aardbevingen, voor vergoeding in aanmerking komt. De minister zegt dat immateriële schade daar niet onder valt. Daar kan ik me iets bij voorstellen, tot het moment waarop die schade ook materieel te vertalen is, bijvoorbeeld als iemand als gevolg van gezondheidsklachten, specifieke omstandigheden of een depressie specifieke kosten moet maken. Die kosten zouden dan ook daadwerkelijk als aan de aardbevingen gerelateerde schade aangemerkt kunnen worden. Is de minister het op dit punt met mij eens?

Minister Kamp:

Ik denk dat we een heel fijnmazig geheel aan het opzetten zijn voor dit gebied. We moeten er ook voor oppassen dat we zover in de details wegzakken dat het geheel onbeheersbaar gaat worden. Schade die veroorzaakt wordt als gevolg van de gaswinning, moet worden vergoed. Ik heb daarop geen beperkingen gelegd. Voor een aantal gevallen waarbij het goed te organiseren is, bijvoorbeeld bij woningen en straks ook bij andere gebouwen, kun je regelingen opzetten. In andere gevallen, individuele gevallen waarbij kan worden aangetoond dat de schade door de gaswinning is veroorzaakt, zal het ook vergoed moeten worden. Schrijnende gevallen kunnen zich ook voordoen. Daarvoor hebben we een apart fonds in het leven geroepen. Daarmee hebben we de zaak volgens mij zodanig fijnmazig gemaakt dat we het dekkend hebben. Ik denk dat het niet verantwoord is om daarin nog verder te gaan.

De heer Klein (50PLUS):

Dat betekent dus heel concreet, als ik het goed beluister, dat de minister ook regelingen specifiek voor bepaalde situaties zal ontwerpen, op basis waarvan ook voor de burger een stuk rechtszekerheid kan ontstaan. Dan kan hij er zeker van zijn dat als hij een schadevergoeding, in feite een subsidie, aanvraagt, hij dat traject ook daadwerkelijk kan doorlopen. Er is dan dus rechtszekerheid voor de burger en eventueel daarbij betrokken bedrijven.

Minister Kamp:

Nee, dat doe ik niet. Ik zeg dat alle door de aardgaswinning veroorzaakte schade moet worden vergoed. Dat is het eerste. Het tweede is dat ik een regeling vaststel voor de waardedaling van woningen, die wordt geëffectueerd bij verkoop. Op de vraag van de heer Klein heb ik gezegd dat ik hetzelfde zal doen voor gebouwen niet zijnde woningen. De heer Klein zei dat het in een aantal gevallen niet gaat om gebouwen maar om aantoonbare materieel te vertalen schade. Ik heb gezegd: als dat kan worden aangetoond, dan valt dat onder het eerste wat ik heb gezegd, namelijk dat door de winning veroorzaakte schade moet worden vergoed. Dit geheel van uitspraken van mij en van de regeling die ik net heb genoemd, is beschikbaar. In aanvulling daarop is er het fonds van 15 miljoen voor de schrijnendste gevallen, waarover we ook al hebben gesproken.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

De minister heeft geheel terecht gezegd dat hij een langetermijncommitment heeft naar de regio. Hoe lang is die lange termijn? Volgens mij is de wettelijke verjaringstermijn 30 jaar. In Limburg zitten ze nu dus met de vraag wat er na die 30 jaar gebeurt. Is er ook een mogelijkheid dat Shell of Exxon uit de NAM stappen? Wat doet de minister dan? Dit gaat wel over de heel lange termijn — dat besef ik — maar de minister heeft hier vast over nagedacht.

Minister Kamp:

Over Limburg wil ik het — met uw welnemen, voorzitter — even niet hebben, omdat dat iets heel anders is. Dat is een ander deel van het land. De problemen daar hebben een andere oorzaak. De situatie is heel anders. Ik wil daar graag met de Kamer over spreken, maar bij een andere gelegenheid.

Als Shell en Exxon uit de NAM stappen, stappen wij daar onmiddellijk in, want er is echt geld te verdienen in de NAM. Ik ben dus niet zo bang dat die bedrijven eruit stappen. Verder heb ik de vaste overtuiging dat de NAM, die bestaat uit Shell en ExxonMobil, een toegewijde, goedwillende, betrouwbare partner is, die zal helpen om een oplossing te vinden voor de problemen die zich op dit moment in Groningen voordoen. Ik heb daar geen twijfel over. Alle afspraken die ik met de NAM wens te maken, kan ik maken. De afspraken die ik met de NAM maak, komt men ook na.

Het is ook goed om iets te zeggen over het langjarige commitment. Wij hebben drie periodes. De eerste periode duurt drie jaar. Het kabinet heeft nu een besluit genomen betreffende het gasvolume voor de komende drie jaar. Dan volgt er een periode van vijf jaar. Wij hebben een plan gemaakt met ramingen en fondsen voor een periode van vijf jaar. Er is echter ook een langere periode te schetsen. De commissie-Meijer is bijvoorbeeld uitgegaan van een periode van twintig jaar. Volgens de commissie gaat de gaswinning nog zolang door en daarom moet je er ook voor zorgen dat dit soort problemen opgelost wordt. Ik heb daarover gesproken met de burgemeesters in dat gebied, met de commissaris van de Koning en met de verantwoordelijke gedeputeerden in dat gebied. Wij hebben gekozen voor de formulering: "Langjarige continuering van de voor de komende vijf jaar voorgenomen compensatie ligt op basis van de huidige inzichten in de rede. Dit wordt anders in het geval dat de uitkomsten van de risico-onderzoeken in een andere richting wijzen of de gaswinning niet op het voorziene niveau kan worden gehandhaafd." Hier spreekt dus een langjarig commitment uit, dat ik ook voel. Het kabinet voelt dat ook. Ik weet mij daarin ook gesteund door de Kamer. Wij kunnen praten over de wijze waarop daaraan precies vormgegeven moet worden, want de Kamer voelt ook een langjarig commitment. Als betrouwbare Rijksoverheid zullen wij dat ook waarmaken.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Dat is helder. De minister zei net in een tussenzin dat de NAM er niet uit gaat stappen, omdat ze er goed aan verdient. Is de minister bereid om opnieuw te onderhandelen met de NAM als de schade oploopt, om de NAM om een grotere bijdrage te vragen? Dat is in het verleden ook gebeurd.

Minister Kamp:

De inkomsten uit de aardgaswinning komen voor 90% voor rekening van de Staat. Voor 10% komen ze voor rekening van de NAM, dus voor de partners in de NAM. Je zou dus ook kunnen redeneren dat de vergoedingen, de kosten die nu gemaakt worden, voor 90% gedragen moeten worden door de Staat en voor 10% door de NAM. Wij hebben daar echter niet voor gekozen. Wij hebben afgesproken dat het een verhouding is van ongeveer twee derde, een derde. Dat betekent dat twee derde daarvan voor rekening van de Staat komt en een derde voor rekening van de NAM. Gegeven de winstverdeling is dit een voor de Staat gunstige regeling. Ik zou graag vasthouden aan die regeling. Ik wijs erop dat alle regelingen die wij na die 90%-regeling hebben getroffen, minder gunstig zijn voor de Staat. Ik denk dat er op dit moment geen basis is om die oude afspraken open te breken.

Mevrouw Klever (PVV):

Waarom wil de minister eigenlijk geen uitkoopregeling instellen voor de mensen die bang zijn, die 's nachts niet meer durven te slapen, en voor de mensen die een andere baan hebben en hun huis niet kwijtraken?

Minister Kamp:

Mensen die een huurwoning hebben, kunnen het gebied desgewenst verlaten. Voor mensen met een koopwoning maken wij een pakket van maatregelen. Wij denken dat het effect daarvan is dat de waardedaling zich niet voordoet. Dat is de ambitie; dat willen wij voor elkaar krijgen. Voor zover die waardedaling zich wel voordoet, wordt die vergoed.

De reden dat ik geen uitkoopregeling wil is dat ik niet de suggestie wil wekken dat dit gebied wat mij betreft kan gaan leeglopen. Dit is een van de mooie, herkenbare, karakteristieke delen van Nederland waar mensen generaties lang wonen, mensen die verbonden zijn met het gebied. Die mensen willen niet dat het gebied kapot gaat of leegloopt. Dus daar ga ik ook geen faciliteiten voor maken. Ik ga faciliteiten maken om te zorgen dat de schade zo veel mogelijk wordt voorkomen en vergoed wordt als die er is. Faciliteiten om te zorgen dat we preventieve maatregelen nemen die mogelijk zijn, dat we extra geld aan de huizen uitgeven om ze meer waard te maken in plaats van minder, dat we iets aan de leefomgeving doen, iets extra's doen en aan het economisch perspectief iets doen. Ik kies voor een positieve weg in plaats van de naar mijn mening negatieve weg van de uitkoopregeling.

Mevrouw Klever (PVV):

Ik ben het met de minister eens dat het merendeel van de Groningers in dat gebied wil blijven wonen, maar er zijn er ook een heleboel die zich niet meer veilig voelen en die weg willen, of die een andere baan hebben en daarom weg willen terwijl zij met een koophuis zitten. Dus begrijp ik het nu goed dat de minister zegt: nee, zij mogen niet weg omdat hun buren, die willen blijven, het niet zo fijn vinden als het gebied leegloopt?

Minister Kamp:

Ik moet altijd even slikken voordat ik antwoord geef op een vraag van mevrouw Klever. Ik vind, zoals ik heb gezegd, dat wij de taak hebben om te zorgen dat de mensen zich veilig weten en zich ook prettig voelen in hun eigen gebied. Daar is het hele pakket maatregelen op gericht. Wij hebben de ambitie om dat te doen. Wij hebben de afspraken gemaakt en de maatregelen genomen, we hebben het geld daarvoor beschikbaar gesteld, dus dat is ook een reële ambitie die wij hebben. Mochten mensen toch willen verhuizen, dan kan dat met een huurwoning; met een koopwoning zullen wij de eventuele waardedaling vergoeden. Ik denk dat wij daarmee en met de regeling die wij hebben voor schrijnende gevallen een goede regeling hebben getroffen, die de kwalificatie niet verdient die mevrouw Klever eraan geeft in haar samenvatting.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik had eigenlijk een andere vraag, maar ik reageer even op het punt van de schrijnende gevallen. Als daarna iemand even tussen mij door moet, laat ik dat aan u over, voorzitter.

De voorzitter:

Niemand meldt zich, dus ga uw gang.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Kan de minister nog één keer heel helder toezeggen dat in de context van die regeling voor schrijnende gevallen ook uitkoop tot de mogelijkheden kan behoren? Daarvoor kunnen verschillende redenen zijn. Wij hebben al gehoord over iemand die misschien naar een verzorgingshuis moet, maar het huis niet kwijt kan, of over een huis dat misschien niet meer de moeite waard is om helemaal aan te pakken, dat eigenlijk beter kan worden gesloopt en waarvan wordt gezegd: in dit bijzondere geval kiezen we daarvoor. Kan de minister wel zeggen dat dit in die echte schrijnende gevallen een optie is?

Minister Kamp:

Ik treed niet in de casuistiek, zoals genoemd door mevrouw Van Veldhoven, maar het is wel zo dat er verschillende maatregelen mogelijk zijn met betrekking tot schrijnende gevallen. Daar hoort ook de koop van de woning bij.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Dat was een helder antwoord op dit punt. Daarop zal ik verder niet doorgaan.

De voorzitter:

U had nog een vraag? Mijnheer Leegte, misschien kunt u uw gesprek in de wandelgangen voortzetten of luisteren naar de vraag die mevrouw Van Veldhoven wil gaan stellen?

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

De andere vraag die ik aan de minister wilde stellen, heeft te maken met datgene wat hij net citeerde uit de samenwerkingsovereenkomst aangaande het langjarige commitment. Kan hij daar iets meer over vertellen? Hoe moet ik dit zien? Immers, aan de ene kant wordt gesproken van een langjarig commitment, maar aan de andere kant is dat op basis van de huidige inzichten. Hoe moeten we dat duiden en wanneer horen we dan van de minister weer opnieuw of er in zijn visie sprake is van een continuering van datgene wat nu in het rapport is vastgelegd?

Minister Kamp:

Ik zal heel concreet aangeven waar het verschil ligt tussen aan de ene kant wat mevrouw Van Veldhoven in haar vraagstelling in de eerste termijn naar voren bracht en nu in haar interruptie naar voren brengt en aan de andere kant wat ik heb gezegd. Mevrouw Van Veldhoven wil de mogelijkheid hebben dat voor het economische perspectief in het gebied een commitment voor een langere periode dan vijf jaar wordt aangegaan. Op grond van wat ik heb gezegd, is het mogelijk om nu een commitment voor vijf jaar aan te gaan, dus nu maatregelen te nemen waarmee je voor vijf jaar dekking hebt. Je weet daarbij wel dat wij een afspraak voor een langere periode hebben gemaakt, maar in mijn formulering is die niet specifiek vertaald in een hard bedrag voor economisch perspectief voor de volgende vijf jaar.

De voorzitter:

Uw tweede vraag, mevrouw Van Veldhoven.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Op dat punt moeten wij de Kamer misschien nog om een uitspraak vragen. Vijf jaar lijkt mij een te korte termijn om het vertrouwen in de economische leefbaarheid van het gebied te herstellen. In het akkoord zit echter nog veel meer. Ook wat betreft de andere punten doet de vraag zich voor wat het langjarige commitment betekent en wanneer wij van de minister horen wat hij langjarig nog meer wil doen.

Minister Kamp:

Mij lijkt dat er twee momenten in beeld kunnen zijn voor het doen van uitspraken over de periode na vijf jaar. Als wij over drie jaar alle gegevens beschikbaar hebben en er een consistent risicobeleid is ontwikkeld op basis van specifieke metingen in het Groningenveld, gekoppeld aan onderzoek, waardoor een beter beeld ontstaat van toekomstige risico's, en als wij dan een besluit nemen, vind ik het denkbaar dat de Kamer en het kabinet dan ook een uitspraak doen voor een extra periode van vijf jaar. Het zou ook denkbaar zijn dat de Kamer dat op dat moment niet doet omdat daarvoor geen aanleiding is, maar dat over vijf jaar na nu, of misschien een halfjaar eerder, een termijn die redelijk is, een uitspraak wordt gedaan voor de periode daarna.

De heer Jan Vos (PvdA):

Het zal duidelijk zijn dat de Partij van de Arbeid zich voor de komende decennia gecommitteerd voelt om te compenseren voor wat er in de afgelopen 50 jaar verkeerd is gegaan. Laat ik het heel concreet maken voor de minister. Als wij nu zeggen dat wij in plaats van voor vijf jaar voor de komende tien jaar een concreet maatregelenpakket willen om de economische perspectieven in dat gebied te verbeteren en dat wij het "traject 4", zoals het in de stukken heet, voor tien jaar willen vastleggen en concretiseren, is de reactie van de minister dan dat hij dat wil overwegen of zeg hij: vergeet u het maar, mijnheer Vos?

Minister Kamp:

Mag ik de moties, als die er komen, beoordelen op het moment dat ze er liggen? Ik heb nu voor drie jaar beleid aangekondigd, ben voor vijf jaar verplichtingen aangegaan, waarvoor ik ook financiële dekking heb gevonden, en heb me voor een langere periode gecommitteerd namens het kabinet. Aan dat commitment moet evenwel nog een nadere invulling worden gegeven op grond van de randvoorwaarden die ik net heb genoemd. Dat is iets anders dan wat de heer Vos doet. De heer Vos haalt één onderdeel uit het hele pakket, de 65 miljoen die het Rijk nu beschikbaar stelt voor de komende vijf jaar voor een extra economische impuls, waarover ook de Economic Board in Groningen gaat, een bedrag waarop het provinciale bestuur 32,5 miljoen extra legt. Hij vraagt of dat geld voor een langere periode, voor tien jaar in plaats van voor vijf jaar, beschikbaar kan komen. Dat is niet mijn voorstel. Als hierover een motie komt, zal ik daarop reageren.

De heer Jan Vos (PvdA):

Dat is een helder antwoord. Ik denk dat duidelijk is dat de fracties van D66 en de PvdA evenals andere fracties op dit punt een motie zullen formuleren en zullen indienen.

De voorzitter:

Daarvoor hebben wij de tweede termijn. Wij zien de motie tegemoet. De minister gaat verder met zijn betoog.

Minister Kamp:

Voorzitter. Alle hoofdpunten heb ik volgens mij behandeld. Ik bekijk nu welke punten van de woordvoerders nog zijn blijven liggen.

De heer Vos heeft gezegd dat hij wenst dat de onafhankelijke raadsman beter bereikbaar wordt. De onafhankelijke raadsman heeft goed gefunctioneerd in de afgelopen periode. Hij vormde een waardevolle aanvulling. Ik denk dat hij in de komende periode nog een belangrijke rol moet vervullen. Ik denk ook dat een betere bereikbaarheid en wat daarbij hoort, belangrijk zijn. Ik wens dit dan ook de aandacht te geven die de heer Vos vraagt.

Ik meen dat ik op de overige punten van de heer Vos ben ingegaan.

De voorzitter:

Het was toch nog niet genoeg. Ga uw gang, mijnheer Vos.

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik heb, met permissie, één punt dat is blijven liggen. In de motie-Leegte/Vos van een jaar geleden werd gevraagd om voor te bereiden op een reductie van de gaswinning. De minister zegt dat hij deze motie heeft uitgevoerd en dit goed bekeken heeft. Hierover zou ik toch graag meer uitleg horen. Wat kunnen wij precies doen op het gebied van de exportcontracten? Wat kunnen wij precies doen op het gebied van de bouw van extra stikstofstations? Wat kost zo'n station, hoeveel lawaai maakt het, waarom duurt het vijf jaar om zo'n station te plaatsen? Hoe staat het met de ttf, de kortetermijnmarkt? Waarom kunnen wij daar niet meer aan doen? Wat zijn nu precies de reductiemogelijkheden? Op welke manier gaat de minister uitvoering geven aan die motie, ook in de komende periode, mede gelet op het feit dat wij om nader onderzoek hebben gevraagd om die gaswinning verder terug te schroeven als dat nodig mocht zijn, zonder de leveringszekerheid in gevaar te brengen?

Minister Kamp:

Als de Kamer mij daarvoor de ruimte biedt, dan wordt er nu een besluit genomen voor dit jaar, 2015 en 2016. Voor de periode daarna moeten wij de vrijheid hebben om het besluit te nemen waarvan wij dan denken dat het nodig is. Ter voorbereiding daarvan moet er een aantal dingen gebeuren: geen nieuwe langetermijncontracten afsluiten, zorgen dat in relatie tot alle lopende contracten de juridische zaken helemaal zijn uitgezocht, zorgen dat aan de betrokken partijen en de partijen die van het gas afhankelijk zijn tijdig voldoende zekerheid wordt geboden en dat met hen is verkend welke alternatieven zij kunnen vinden, zorgen dat de conversiecapaciteit op orde is. Ik ben bereid om alle dingen te doen die ter voorbereiding van die besluitvorming nu gedaan kunnen worden.

De heer Jansen heeft gesproken over de energiebesparing. Daarop heb ik gereageerd. Ook zijn vragen over de exportcontracten heb ik naar zijn genoegen, zo schat ik in, beantwoord. Op het punt van de overmachtsclausule hebben wij heel helder voor ogen hoe dat zit. Ik heb daar net al iets over gezegd. Ook over het voor 100% benutten van de conversiecapaciteit hebben we gesproken. Ik denk dat het een onderdeel is van de besluitvorming dat dat over drie jaar moet plaatsvinden. De capaciteit die op dit moment aanwezig is, zal niet verminderd worden. Er is zelfs al een initiatief op komst om die capaciteit nog verder te vergroten. Wat dat betreft zal er alleen maar verbetering plaatsvinden.

De heer Paulus Jansen (SP):

Zo te horen doet de minister op veel punten wat wij graag zouden zien. Op het punt van de energiebesparing is het mij nog niet helemaal duidelijk of de minister meegaat in ons voorstel om door middel van wetgeving heldere normen neer te leggen voor energiebesparing bij zowel de gebouwen als de glastuinbouw. De Algemene Rekenkamer en CE Delft hebben gezegd dat dat een van de goedkoopste manieren is om energiebesparing massaal en efficiënt door te voeren. Gaat de minister dat doen?

Minister Kamp:

Groningen is voor mij een grote zorg, maar is niet mijn enige zorg. Een andere zorg is dat wij in het energieakkoord een zeer ambitieuze doelstelling hebben voor energiebesparing. Het zal nog een hele toer zijn om die te realiseren. Dat zal ook effect hebben op de besluitvorming over drie jaar. Naarmate we daarin succesvoller zijn, zal er minder druk zitten op de gaswinning. Dat is zeker waar. Ik wil echter niet bij de heer Jansen de gedachte wekken dat ik bovenop wat ik al in het Energieakkoord aan verplichtingen ben aangegaan nog iets extra's ga doen om deze problematiek op te lossen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Volgens mij is dat helemaal niet strijdig met het energieakkoord, want juist de paragraaf gebouwde omgeving is in het energieakkoord erg vaag ingevuld. In de uitwerking ligt daarvoor heel veel ruimte. Er is inmiddels een kwartiermaker aangesteld die dat proces begeleidt. Mijn vraag is of de minister samen met zijn collega voor Wonen en Rijksdienst ervoor wil zorgen dat die paragraaf zo snel mogelijk concreet wordt ingevuld en of hij heel serieus wil kijken naar die mogelijkheid van wetgeving.

Minister Kamp:

Misschien kan ik de heer Jansen een andere toezegging doen. Dit element van energiebesparing en mogelijkheden die op diverse manieren gecreëerd kunnen worden, zullen betrokken worden — net zo goed als de voortgang die de eerstkomende jaren gemaakt zal worden — bij de besluitvorming over drie jaar. Over drie jaar kijken we dus verder hoe het zit met de conversiecapaciteit, hoe het zit met de langetermijncontracten, hoe het zit met de mogelijkheden om op een verantwoorde manier onder die langetermijncontracten uit te komen, hoe het zit met de extra mogelijkheden van energiebesparing, hoe het zit met de inpasbaarheid wat de behoefte aan laagcalorisch gas in ons eigen land betreft en hoe het zit met de ombouwcapaciteit naar hoogcalorisch gas. Al die dingen, inclusief de energiebesparing, zal ik betrekken bij die besluitvorming.

De heer Jansen heeft voorgesteld een schadefonds op te richten. Op dat punt ben ik het met hem oneens. Ik denk dat wat hij voorstelt geen verbetering is. Ik wil proberen dit duidelijk te maken. De heer Jansen en ik zijn van mening dat de aangerichte schade vergoed moet worden. De heer Jansen zegt: stop geld in een fonds en zet er vervolgens een onafhankelijke instantie op die dat geld kan uitgeven. Een fonds is een bedrag dat je hebt en als het op is, is het op. Het is beter om te werken met een raming plus de toezegging van de minister dat hij ervoor zal zorgen dat wat nodig is voor schadevergoeding, er ook komt. Of het nu 200, 250, 300 of 350 is, dat geld zal er gewoon moeten komen. Ik denk dat dit beter is dan een fonds, zeker ook omdat ik al eerder heb gezegd dat er een onafhankelijke instantie komt die ook nog een keer onafhankelijk gecontroleerd wordt met op afstand de betrokkenheid van de onafhankelijke raadsman. Ik denk dat wij zo materieel toch bereiken wat ook de heer Jansen wil bereiken.

De heer Paulus Jansen (SP):

Voor de korte termijn is het verschil dat voor de Groningers die onafhankelijkheid beter geborgd is. De grote meerderheid in de regio vraagt hier ook om. Voor de lange termijn wil ik de minister het volgende voorbeeld voorleggen. Wat je vaak ziet, is dat in een situatie waarin het rendement van de winningen terugloopt, de oorspronkelijke exploitant de concessie doorverkoopt aan een derde partij, die uiteraard alle rechten en plichten overneemt. Die partij is zwak gefinancierd en gaat failliet op het moment dat het echt spannend wordt. In die situatie is een fonds dat wordt gevuld met euro's per kubieke meter voor de mensen in Groningen, ook op lange termijn, een grotere zekerheid dan de verantwoordelijkheid en aanspraak die er dan ook nog is. Hoe kijkt de minister tegen dit voorbeeld aan?

Minister Kamp:

Ik denk dat de combinatie Shell, ExxonMobil, NAM en Nederlandse Staat betrouwbaar genoeg is om deze verplichting waar te maken. De heer Jansen vraagt toch nog eens te kijken of er in onverwachte omstandigheden iets mis kan gaan, met als gevolg dat de mensen in Groningen hun schade niet vergoed krijgen. Als die mogelijkheid zich redelijkerwijs voordoet, wat kan dan worden gedaan om dit te voorkomen? Hij vraagt mij vervolgens daar dan ook de mogelijkheid van het fonds bij te betrekken. Ik ben bereid dat te doen. Ik zie het niet als noodzakelijk, maar omdat de heer Jansen dat vraagt, ben ik bereid om dat na te gaan.

De heer Jansen heeft gezegd dat hij wenst dat snel een start wordt gemaakt met het netwerk op zee voor windenergie en dat dit vervolgens vanuit Groningen zal moeten worden opgezet. Ik wil geen toezegging doen die overeenkomt met wat de heer Jansen vraagt, omdat wij nog aan het bekijken zijn waar de windparken op zee komen en wat goedkoper is: de windparken stuk voor stuk rechtstreeks met het land te verbinden of ze met elkaar en eventueel met windparken van bijvoorbeeld Duitsland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk te verbinden. In het eerste geval zal sprake zijn van een rechtstreekse kabelverbinding. Het is voorstelbaar dat dan één kabel in Zeeland uitkomt, één in Noord-Holland en één in Groningen. In het geval er een netwerk nodig is, zal TenneT dit doen. Het is dan logisch dat wij naar Groningen gaan kijken voor de activiteiten die daar verricht kunnen worden.

Ik zeg de heer Jansen toe dat zodra er duidelijkheid is over de vraag of dat netwerk er moet komen, wij ook samen met TenneT zullen bekijken welke mogelijkheden er zijn om activiteiten in verband met dat netwerk ook in Groningen te laten plaatsvinden. Ik geef wel aan dat grootschalige bouwactiviteiten niet als vanzelfsprekend aan de Groningse werkende mensen ten goede komen. Wij hebben daar een paar heel grote energiecentrales gebouwd en als ik daar tijdens de bouw ga kijken, kom ik veel Portugezen, Polen en Turken tegen. Ik kom er weinig Nederlandse bouwvakkers tegen. Ik denk dat het een grote opgave voor ons is om dat enorme bedrag van in totaal 1,2 miljard dat wij in dit gebied willen gaan wegzetten, zo veel mogelijk ten goede te laten komen van mensen die al in Groningen werken, van mensen die zonder werk zijn, van mensen die op afstand van de arbeidsmarkt staan, maar ook van mensen die nog op school zitten. Hoe kunnen wij hen zo veel mogelijk betrekken bij de activiteiten die volgen uit deze enorme investering?

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik vind het heel belangrijk, zoals ik ook heb aangegeven in mijn inbreng, dat wij voornamelijk de bedrijven en de mensen in de regio laten profiteren. Ik ga ervan uit dat het niet naar allerlei buitenlandse aannemers gaat.

TenneT heeft aangegeven dat het om een duizendtal banen zou kunnen gaan. Dat is heel significant voor een regio waarin zoveel werkgelegenheid verloren is gegaan. Dat probleem raakt aan datgene wat wij vandaag hier bespreken. Ik vraag de minister om dat werkgelegenheidsaspect mee te nemen in zijn overwegingen. Is hij daartoe bereid?

Minister Kamp:

Ja. De vraag of er al dan niet buitenlandse bouwvakkers komen voor de werkzaamheden, moet echt aan de dialoogtafel worden besproken. De heer Vos, die de situatie in het gebied zeer goed kent, weet ook dat je straks voor de volgende vraag komt te staan. Als je heel snel preventie wilt realiseren, is de verleiding groot om mensen van buiten het gebied aan te trekken en dat werk te laten doen. Dan heb je snel veiligheid. Als je wilt dat het werk door de mensen in de regio wordt uitgevoerd, moet je jezelf misschien wat meer tijd gunnen. De vraag waar je het accent moet leggen, bij het werk in de regio of bij sneller veiligheid realiseren, is een moeilijke vraag met een moeilijk antwoord. Het is heel fijn dat wij er aan de dialoogtafel ook over kunnen spreken.

Als het elektriciteitsnetwerk op zee nodig is, ligt het wat mij betreft voor de hand dat TenneT dat gaat uitvoeren. Ik ben bereid om met TenneT te bespreken welke activiteiten dan in Groningen kunnen worden verricht.

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik dank de minister voor deze toezegging. De nadelen van fossiele energie zijn vanavond uit-en-ter-na besproken, dus het belang van wind op zee is nog eens onderstreept Mijn fractievoorzitter heeft in een interview aan de NRC gesteld dat hij bij de energietransitie, waarvan wind op zee onderdeel uitmaakt, ook een rol ziet voor EBN. Ik heb de jaarverslagen van EBN gelezen en ik heb ook de directie gesproken. Ik heb begrepen dat EBN graag een rol speelt bij de financiering en begeleiding van de projecten. Is de minister bereid nog eens te bekijken of EBN een goede rol kan spelen in de omslag naar duurzame energie?

Minister Kamp:

EBN is een 100% staatsdeelneming. EBN treedt voor sommige activiteiten binnen het gasgebouw in de plaats van de Staat. De vraag is of dat de optimale vorm is. Daarom heb ik al eerder tegen de Kamer gezegd dat ik dat bekijk. Als dat de optimale vorm is, zou die gehandhaafd kunnen worden. Als er een betere vorm denkbaar is, kunnen wij daarop overstappen. Afhankelijk van de vorm die wij kiezen, zou de Staat of EBN een rol kunnen spelen zoals de heer Vos nu schetst. Of dat EBN zal zijn dan wel of het op een andere manier gebeurt, laat ik in het midden.

De heer Paulus Jansen (SP):

De minister vergelijkt de activiteiten van TenneT met de bouw van een aantal elektriciteitscentrales in het gebied. Ik denk dat er een verschil is. Het is een typisch project met een begin en een eind. Ik zie het project van TenneT meer als de start van een offshorecentrum, waarbij het onderhoud van de bekabeling en de turbines in het gebied wordt gefaciliteerd via bijvoorbeeld de Eemshaven of Delfzijl. Ik kan mij herinneren dat de heer Leegte in het debat over ALDEL heeft gevraagd of er niet een kabelfabriek kan worden gebouwd in de Eemshaven om dat type activiteiten te faciliteren. Het lijkt de SP-fractie nu het moment om de knoop door te hakken, ook gezien het SER-energieakkoord; de klok tikt door. Wat let de minister nog om nu te zeggen: wij hebben die afweging globaal gemaakt en wij kunnen nu starten met de concrete activiteiten?

Minister Kamp:

Ik denk er hetzelfde over als de heer Jansen wat de mogelijkheden betreft die aan Groningen kunnen worden geboden. Ik denk ook dat het in lijn is met het voorstel van de heer Leegte om het in samenhang te bekijken. Ik weet echter nog niet waar de windmolenparken komen te staan. Dat kan dichter bij de kust zijn, maar het kan ook wat verderop zijn. Als ik weet waar die windmolenparken komen te staan, moet ik bekijken in welk tempo dat gebeurt. Ik moet ook bekijken welke verbindingen eventueel met andere landen kunnen worden gemaakt. Dan moet ik een raming hebben van de kosten van de directe verbindingen met het land en de kosten van een groot netwerk. Zodra ik dat in beeld heb — en ik wil dat zo gauw mogelijk in beeld hebben, maar er moet nog de nodige duidelijkheid komen — kunnen wij hierover beslissen. Ik ga niet besluiten om een netwerk aan te leggen terwijl ik niet weet of dat bedrijfseconomisch de beste oplossing is. Dan zou ik mogelijk geld over de balk gooien en daar ben ik niet voor ingehuurd.

De heer Paulus Jansen (SP):

Nee, daar houd ik ook niet van. Ik ben net bij TenneT op bezoek geweest en daar heb ik gezien hoe de meest efficiënte aanpak eruit komt te zien. TenneT verzekerde mij dat de Eemshaven in Delfzijl een prima uitvalsbasis is voor dat concept. De Noord-Duitse parken kunnen misschien in de toekomst meeliften. Het levert dus ook een spin-off op voor de Duitse markten. Is de minister bereid om na te gaan of mijn suggestie klopt en om binnen twee maanden de Kamer te informeren over wat het gaat worden?

Minister Kamp:

Het lijkt mij helemaal niet verkeerd om met een maand of twee de Kamer te informeren hoe het ervoor staat met het eventuele elektriciteitsnetwerk op zee en daarbij de suggesties te betrekken die in dit debat zijn gedaan. Ik wijs de heer Jansen er echter op dat ik mogelijk op dat moment niet de duidelijkheid kan bieden die hij wenst. Wij denken er bijvoorbeeld over om, als wind op zee moet worden gerealiseerd, de kosten te drukken door een deel van de windparken dichterbij de kust te halen. Wij onderzoeken nu waar dat voor de kust mogelijk is. Je kunt kijken van de Dollard tot aan de Westerschelde en je moet nagaan of het op de plekken waar het zou kunnen, verantwoord zou kunnen. Als wij dat hebben besloten, weten wij ook hoe de kabelverbindingen moeten liggen. Het maakt nogal wat uit of je een windpark hebt dat vrij dicht bij de kust ligt dat je met een kabel van 15 kilometer rechtstreeks kunt verbinden of een windpark verder op zee waarvoor je een kabel van 80 kilometer nodig hebt, terwijl een ander windpark op 40 kilometer afstand ligt. In dat geval kun je beter het nieuwe windpark verbinden met het windpark dat op 40 kilometer afstand ligt. Dat moet ik eerst weten. Zodra ik er duidelijkheid over heb, neem ik het besluit, maar ik neem geen besluit zonder duidelijkheid. Ik ben bereid om de Kamer over twee maanden te informeren over de stand van zaken.

Mevrouw Van Veldhoven heeft mij over één loket aangesproken en over het economisch herstel. Zij heeft ook gesproken over de putten in het zuiden. De reductie van 54 miljard m3 in 2013 naar 42,5 miljard m3 in 2014 houdt in dat, met uitzondering van het gebied rond Loppersum waar 80% reductie wordt gerealiseerd, in de rest van het gebied optimaal wordt geproduceerd. In de rest van het gebied, waar een productie was van 38 tot 40 miljard m3, komen wij ongeveer 2 tot 3 miljard m3 hoger in het lopende jaar. In 2016 kan dit wegvallen en blijven wij op hetzelfde niveau zitten. Wij achten dat op grond van de huidige gegevens een verantwoord besluit. Wij denken dat wij de reductie vooral bij Loppersum moeten concentreren. Bij Loppersum is er sprake van een risico op een grondversnelling van 0,12g, terwijl er in het zuiden een risico is van 0,06g. Uit de brief die ik vandaag aan de Kamer heb gestuurd, blijkt dat wij in beeld hebben dat de gevolgen voor de compactie zeer beperkt zijn. Om die reden is de keuze die wij nu hebben gemaakt om ons vooral te concentreren op reductie bij Loppersum, een verstandige keuze.

Ik heb over leveringscontracten met het buitenland gesproken.

De voorzitter:

Mevrouw Mulder heeft een vraag over het vorige punt.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Wij lezen 100% of 80%. In hoeverre heeft de minister andere percentages overwogen, bijvoorbeeld 10? Wij kunnen in de schriftelijke beantwoording lezen dat er uit deze clusters 1 miljard m3 is gewonnen in de eerste twee weken van dit jaar. Ik vraag mij af of dat de limiet al zou kunnen zijn.

Minister Kamp:

Nee. Vorig jaar is 17 miljard m3 gewonnen uit de Loppersumse putten.

De gemiddelde winning de afgelopen jaren was daar 15 miljard. Ik draai daar 12 miljard terug, dus 80%. De resterende 3 miljard m3 heb ik nodig om twee redenen. De ene is dat als er ergens in de keten iets uitvalt, daar onmiddellijk vervanging voor moet zijn. De ander is dat als er koude dagen zijn of koude nachten, er ook onmiddellijk extra gas nodig is. Om dat gas op die momenten onmiddellijk te kunnen leveren, moet je in de loop van het hele jaar een bepaalde minimumproductie hebben. Ik heb gekeken wat ik minimaal nodig heb en wat ik maximaal nodig heb aan gaswinning uit de Loppersumse putten om de zaak toch op een verantwoorde manier op gang te houden. Ik heb kunnen concluderen dat ik het met een productie van 3 miljard m3, in plaats de 17 miljard van vorig jaar en het gemiddelde van 15 miljard over de afgelopen jaren, verantwoord doe. Er is dan dus een reductie van 80%. Andere percentages zijn niet verantwoord, omdat ze of te weinig bijdragen aan de veiligheid in het gebied of omdat daarmee de leveringszekerheid onvoldoende kan worden gegarandeerd.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

De minister zegt dat het om de geleidelijkheid gaat, die winning van 3 miljard m3. Er is echter heel geleidelijk in twee weken tijd 1 miljard m3 uit die clusters is gehaald. Daar vind ik weinig geleidelijks aan. Hoe ziet de minister dat?

Minister Kamp:

Dat zijn de grootste putten die wij hebben. Die draaiden volop. Het besluit is genomen en daarna is de productie daar onmiddellijk teruggebracht tot het niveau dat nodig is om de hele zaak aan de gang te houden. Als je daar gas uit de bodem haalt, zitten daar ook zogenaamde natte bestanddelen in. Die natte bestanddelen moet je er op een verantwoorde manier uithalen om ervoor te zorgen dat je vervolgens het schone gas op het netwerk kunt brengen. Als er nu ergens een calamiteit is of er in een keer een heel koude nacht is waardoor je heel snel heel veel gas nodig hebt en je hebt alles stilstaan, kun je dat niet van de ene minuut op de andere op gang brengen. Dan heb je een paar dagen nodig om het proces op gang te brengen om de natte fractie uit dat gas te halen en het schone gas op het net kunnen zetten. Die paar dagen heb je op zo'n moment niet. Als er een calamiteit is, heb je onmiddellijk gas nodig. Als er een heel koude nacht is, heb je ook onmiddellijk gas nodig. Dus het is om technische redenen nodig dat wij dat minimum van 3 miljard m3 per jaar voor de Loppersumse putten aanhouden.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Het uiteindelijke risico is natuurlijk de kans dat er iets gebeurt maal het effect ervan. Ik was heel blij dat de minister nog voor dit debat de vragen van D66 en 50PLUS heeft kunnen beantwoorden over wat een lichte verhoging van de productie betekent voor het zuiden van het veld. Wij weten nog niet exact waar die productie dan verhoogd gaat worden. Een bijzonder punt van aandacht is dan natuurlijk de stad Groningen. Daar is vanwege de hogere bevolkingsdichtheid het risico, dus kans maal effect, misschien toch anders dan op delen van het platteland. Kan de minister toezeggen dat hij daar oog voor heeft? Is hij bereid om te proberen om in die zin, wanneer wij nadenken over waar de extra productie wordt gerealiseerd, het totale risicoplafond zo laag te houden?

Minister Kamp:

Net zoals geldt voor mevrouw Van Veldhoven, is de plattelander mij even lief als de bewoner van de stad. Zij zegt dat ook moet worden gekeken naar de hoeveelheid mensen die bij een bepaalde put betrokken is. Ik denk het nodig is om de put waarover wij spreken — dat is de put in het noordwesten van het gebied, richting de stad Groningen — extra aandacht te geven in het licht van de vraag van mevrouw Veldhoven, zonder dat wij het stadse gebied wensen te bevoordelen boven het plattelandsgebied.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Laat ik heel helder stellen dat ook mij iedereen even lief is. Alleen wonen op de ene plaats meer mensen dicht op elkaar, wat leidt tot een cumulatie van de risico's. Daar moeten wij ook onze ogen niet voor sluiten. Ik vind de toezegging van de minister helder. Het zou fijn zijn als de Kamer nader wordt geïnformeerd als er wel duidelijkheid is over waar die productie gaat plaatsvinden.

Minister Kamp:

De lijn is dat de productie in het hele resterende gebied buiten Loppersum verloopt zoals ik heb gezegd. Het gas zal daar dus gewonnen worden op de huidige schaal, met nog een lichte verhoging. Als er een variatie van belang wordt aangebracht in de verdeling over het gebied, zal ik de Kamer daarover informeren.

Voor rijksmonumenten geldt hetzelfde als voor alle andere gebouwen. Ze geven wel een extra gevoel, want het mooie van het gebied wordt voor een deel bepaald door de bijzonder mooie rijksmonumenten. We moeten twee dingen doen voor de rijksmonumenten. We moeten ervoor zorgen dat we de gebouwen, zowel wat betreft de kwaliteit van schadeherstel als preventie, de aandacht geven die ze verdienen. We moeten er ook voor zorgen dat we de procedures, die niet voor niets voor monumenten gelden, inhoudelijk zo veel mogelijk recht doen, zonder dat we de noodzaak om snel te kunnen optreden, tekort doen. Dat is een onderdeel van de afweging in de procedures waarover ik met de heer Dijkgraaf gesproken heb.

Mevrouw Van Tongeren heeft zich afgevraagd waarom een deel van de onderzoeken die in 2013 zijn verricht, niet eerder naar de Kamer is gegaan. Enkele onderzoeken heb ik wel degelijk eerder naar de Kamer gestuurd. Van andere onderzoeken heb ik gezegd dat ik ze voor 1 december binnen moest hebben, omdat ik ze in samenhang wilde bekijken. Dat heb ik gedaan en vervolgens heb ik alles op internet gezet. Ik denk niet dat hier een groot meningsverschil over bestaat.

Mevrouw Van Tongeren vroeg waarom de NAM geen partij is in het bestuursakkoord. Dat is omdat het een akkoord betreft tussen de provincie, gemeenten en het kabinet. De NAM heeft gezegd dat ze bereid is om uit te voeren wat van haar gevraagd wordt. Ik denk dat we het zo op de goede manier geregeld hebben.

Mevrouw Van Tongeren vroeg ook wat het aardbevingsrisico momenteel is. Dat heb ik al gezegd. Ik heb het met name vertaald in grondversnelling. Mevrouw Van Tongeren kent het belang daarvan. Een heel diepe aardbeving veroorzaakt minder grondversnelling dan een minder zware aardbeving die meer aan de oppervlakte plaatsvindt. Dat is voor de mensen in het gebied van groot belang. De maximale versnelling waarmee we de komende drie jaar rekening moeten houden is in het kerngebied 0,12 g. In het andere gebied is het maximaal 0,06 g. Voor beide geldt dat er 10% kans is op een overschrijding van het maximum. Voor het gebied in Loppersum geldt dat er een reductie is van maximaal 20% van het risico als gevolg van het besluit dat nu genomen is.

Mevrouw Van Tongeren wilde het vanavond ook nog over schaliegas hebben, maar voor die verleiding zal ik niet zwichten. Dat laat ik maar even liggen.

De voorzitter:

Mevrouw Van Tongeren laat dat niet zo gemakkelijk gebeuren, volgens mij.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Nee, ik probeer hier geen reputatie op te bouwen van gemakkelijkheid. De minister beantwoordde mijn vraag waarom de onderzoeken niet eerder naar de Kamer kwamen, maar ik had die vraag gesteld in een bepaalde context. Had de minister de woede in Groningen zo hoog moeten laten oplopen? Had er niet eerder informatie naar de Kamer kunnen komen? Hadden we niet eerder met het schadepakket naar Groningen kunnen gaan?

Minister Kamp:

Ik ben ervan overtuigd dat het heel verstandig is geweest om de onderzoeken niet eerder naar de Kamer te sturen. Dan zou je namelijk alleen onderzoeken naar de Kamer sturen met bevindingen, zonder dat je er conclusies van het kabinet aan verbindt en zonder dat je ze met andere onderzoeken in verband kunt brengen. De onderzoeken die je geïsoleerd kunt beoordelen, hebben we direct naar de Kamer gestuurd. De andere onderzoeken hebben we gezamenlijk, onder begeleiding van de stuurgroep en twee technische commissies, per 1 december 2013 tot een eindresultaat gebracht. Daar hebben we vervolgens het winningsplan op gebaseerd, waarover we advies van SodM en de Tcbb hebben gekregen. Dat is de basis geweest voor het kabinetsbesluit. Ik denk dat we het heel zorgvuldig hebben gedaan en dat we het niet beter hadden kunnen doen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

De minister vindt het dus heel zorgvuldig en had het niet beter kunnen doen. Horen de mate van woede, onrust en schrijnende gevallen bij het proces dat niet beter had gekund?

Minister Kamp:

Ik voel mij zeer aangesproken door hetgeen mevrouw Van Tongeren zegt, omdat ik weet dat daar een reëel probleem zit. Op het moment dat de mensen in het gebied al ongerust zijn en ik een jaar voor onderzoeken neem, loopt in dat jaar die ongerustheid verder op. Ik heb al gezegd dat die ongerustheid boosheid en verontwaardiging zijn geworden. Die werden steeds groter. Dat realiseer ik mij heel goed. Daar ben ik ook verantwoordelijk voor. Ik denk echter dat ik het niet beter had kunnen doen. Ik heb het echt consciëntieus overwogen en heb voor mijn gevoel een verantwoorde keuze gemaakt. Ik heb ook steeds gedeeld met het kabinet en de Kamer wat ik daar ging doen, hoelang ik daarvoor zou nemen, welke onderzoeken er werden gedaan, wanneer die beschikbaar zouden komen en wanneer ik daar mijn conclusie uit zou trekken. Het is waar dat in die periode de onrust in het gebied is opgelopen en dat dat grote nadelige gevolgen heeft voor de mensen in het gebied. Ik denk echter dat als ik vroegtijdig, zonder dat alles met elkaar in verband was gebracht en zonder dat de onderzoeken volledig waren, met deelbesluitvorming was gekomen, ik nog grotere schade had aangericht. Ik denk dan ook dat ik het niet beter had kunnen doen, zeg ik in alle bescheidenheid, dan ik het nu procedureel heb gedaan.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog.

Minister Kamp:

Voorzitter. De heer Leegte vroeg zich af of de beloning van de directeur van de NAM gekoppeld was aan de ontwikkeling van de klanttevredenheid bij de mensen in Groningen. Ik wil opmerken dat ik mij de afgelopen anderhalf jaar zeer gesteund heb gevoeld door de NAM en in het bijzonder door de directie van de NAM, in het onder ogen zien van de problemen, het zoeken naar oplossingen, het maken van afspraken en het realiseren van die afspraken. Wat mij betreft, is hij zijn salaris dus waard. Of hij ook een bonus waard is, laat ik graag aan de aandeelhouders van de NAM over. Daar ga ik geen uitspraken over doen. Ik wil echter niet van mijn kant de suggestie wekken dat er ontevredenheid is over de directie van de NAM. Die ontevredenheid is er bij mij niet. Ik ben erkentelijk voor de samenwerking die er is geweest en ik hoop die ook voort te zetten. Dat geldt ook voor de partijen die de NAM vormen, Shell en ExxonMobil. Ik heb daar frequent contact mee gehad en ik heb hun opstelling ook als steun ervaren.

De heer Leegt heeft gesproken over het organiseren van de communicatie. Dat is een zeer belangrijk onderwerp. Ik denk dat het helpt dat wij alles transparant doen, dat we alles op internet zetten, dat we de hele besluitvorming transparant laten zijn, dat we daar in de Kamer verantwoording over afleggen, dat ik nu ook duidelijk maak voor welke periode we inhoudelijke besluiten nemen, voor welke periode we verplichtingen aangaan, die vijfjaarsperiode, dat we daarna nog weer een andere periode krijgen, wanneer we daar weer over besluiten, dat we daar bepaalde dingen voor moeten doen, dat als er tussentijds resultaten komen we die ook inzichtelijk maken en dat we alles bespreken aan die dialoogtafels. Ik probeer het ook verder in de communicatie zo goed mogelijk te begeleiden, maar ik heb geen last van tevredenheid over mezelf op dat punt, want er is op het gebied van communicatie nog heel veel te doen. Ik denk dat het enige wat nog belangrijker is dan goed communiceren, goed presteren is. Daar wil ik vooral de aandacht op concentreren. We moeten zo snel mogelijk doen wat in het gebied nodig is. Dat moet dan gepaard gaan met goede communicatie.

Over de dialoogtafel heb ik al gesproken. Ik hoop dat ik ook de steun van de heer Leegte en zijn fractie kan verwerven voor die dialoogtafel. Ik denk namelijk dat die van het grootste belang is.

De voorzitter:

Mijnheer Leegte.

De heer Leegte (VVD):

Ik wacht even tot het eind van het blokje.

Minister Kamp:

Ik heb de vragen van de heer Leegte gehad.

De voorzitter:

De heer Leegte alsnog.

De heer Leegte (VVD):

De minister heeft kort gesproken over het aardbevingsbestendig bouwen. Ik had gevraagd of hij daar in juni duidelijkheid over kon geven. De reden daarvoor is dat het Alpha-college in Groningen bezig is met een leerschool aardbevingbestendig bouwen en daar werkloze bouwvakkers bij wil betrekken. Mijn vraag was of dat voor juni zou lukken. De minister heeft gezegd dat dat niet lukt. Mijn aanvullende vraag is dan of hij contact kan hebben met het Alpha-college in Groningen, zodat die leerschool betrokken wordt bij de voortgang van die richtlijn en het opleidingsprogramma, gericht op werkloze bouwvakkers in Groningen, aangehaakt blijft.

Minister Kamp:

Dat is een goed idee. Ik wil dat graag uitvoeren.

De heer Leegte (VVD):

Ik heb nog een vraag over de dialoogtafel. Ik heb grote bewondering voor de mensen die meedoen. Ik ken een aantal van hen persoonlijk. Zij zijn boven iedere twijfel verheven. Mij gaat het om het beeld dat er veel geld gestoken wordt in een dialoogtafel, terwijl het geld wat betreft de fractie van de VVD vooral moet gaan naar bewoners en gericht moet zijn op de noden van die bewoners. Mijn oproep is dus vooral aan de bestuurders zelf, om te kijken of zij eventueel zouden kunnen afzien van een deel van die vergoeding. Het is namelijk zo jammer als de discussie vertroebelt door de beloning, terwijl het instrument zo goed is en het moet gaan om de bewoners. Mijn oproep aan de bestuurders zou dus zijn om af te zien van een deel van die beloning. Laten we zorgen dat het werkt, zonder gedoe.

Minister Kamp:

Ik onderschrijf die oproep niet. Ik wil voor die dialoogtafel een zuiver beeld hebben. Als wij daar vanuit de provincie Groningen en de rijksoverheid enkele medewerkers voor beschikbaar stellen, dan kun je weliswaar net doen alsof dat geen geld kost, maar dat is dan niet reëel. Medewerkers kosten gewoon geld. Dat wordt dan in beeld gebracht. Wij vragen mensen om zich daarvoor in te zetten; mensen die op hun professionele kennis en ervaring worden aangesproken, ook als zij in het verleden politicus zijn geweest en als zij bestuurder zijn. Ik denk dan dat zij net zo goed behandeld mogen worden als alle anderen die bij het hele proces betrokken zijn. Er zijn deskundigen op allerlei manieren bij betrokken. Er zijn ook ambtenaren op allerlei manieren bij betrokken. Ik denk dat we met iedereen op een nette manier moeten omgaan, en dat er een redelijke vergoeding moet zijn voor de bewezen diensten. Ik kom niet met een oproep aan de voorzitters van de dialoogtafel om af te zien van hun beloning, want ik vind dat er geen reden is om hen anders te behandelen dan anderen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik heb nog een openstaande vraag over de dialoogtafel. Hoe kijkt de minister aan tegen het bespreken van het gaswinningstempo aan die tafel?

Minister Kamp:

Ik ga op dit moment niet zeggen dat men aan de dialoogtafel niet over bepaalde dingen mag spreken. Ik denk dat ook dit besproken kan worden binnen het geheel van onze besluitvorming, waarbij de veiligheid op de eerste plaats staat, maar waarbij ook leveringszekerheid en alles wat daarmee te maken heeft in beeld is. Er ligt echter een winningsplan. Het kabinet heeft daarover een besluit genomen. Mensen komen met hun zienswijzen, schat ik in. Daarna komt er een definitief besluit, en dat besluit ligt er dan ook. Dat geeft dan weer rechtszekerheid en heeft rechtsgevolgen. Ik denk dus dat we dat met elkaar onder ogen moeten zien. Zo is de werkelijkheid. Die moeten we dan ook helder met elkaar benoemen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Het is natuurlijk een verschil of men aan de dialoogtafel alleen mag praten over de manier waarop de gevolgen van de aardbevingsschade worden opgevangen, of ook over de oorzaak. Het probleem strekt zich uit over een periode van meer dan drie jaar. Mijn fractie zou er enorm voor zijn om de dialoogtafel de ruimte te geven om elk onderwerp dat hij wil agenderen ook te agenderen.

Minister Kamp:

De dialoogtafel kan niet in mijn verantwoordelijkheid treden. Ik ben in de positie om te bepalen of we de Mijnbouwwet toepassen. Ik ben ook in de positie om met de NAM om te gaan en met de Kamer te communiceren. Ik moet een besluit nemen over het winningsplan. Ik doe voorstellen aan het kabinet voor besluiten. Uiteindelijk worden die besluiten genomen volgens de procedures die daarvoor staan. Daar heb ik dan weer verantwoording over af te leggen.

Je kunt er dus aan een dialoogtafel over praten, maar we moeten niet de suggestie wekken dat de besluitvorming daar kan plaatsvinden. Die besluitvorming is wettelijk vastgelegd, en daarvoor ben ik politiek verantwoordelijk. Ik leg daarover aan het parlement verantwoording af. Ik denk dat we ons heel goed moeten realiseren waarvoor die dialoogtafel bedoeld is. Wij denken dat we weten wat we moeten doen gegeven de situatie in Groningen en gegeven het besluit zoals het kabinet dat recent genomen heeft. De gemeenten en de provincie weten dat ook. We hebben daar samen een bestuurlijk akkoord over opgesteld. We hebben gezegd dat we de inhoud van dat bestuurlijk akkoord en alles wat daarmee samenhangt willen bespreken aan die dialoogtafel. Ik wil echter niet de suggestie wekken dat de dialoogtafel een verantwoordelijkheid van mij kan overnemen. Zo is de situatie niet.

Ik heb al op een paar vragen van mevrouw Klever mogen reageren. Zij vroeg of we het ook nog zo zouden kunnen doen dat we de buitenlandse afnemers laten opdraaien voor de te maken kosten, net zoals de Duitsers dat doen bij hun tolheffing. Ik vind de vergelijking wel aardig die mevrouw Klever maakt met de tolheffing, maar die manier van doen bevalt mij niet zo. Als alle landen zo zouden handelen in elkaars richting, dan denk ik dat wij daar niet beter van worden. De Duitsers hebben ook nog niet besloten tot een tolheffing voor het personenverkeer. Ik begreep dat de vorige minister daar niet uit is gekomen; we zullen afwachten of de nieuwe minister daaruit komt.

Mijn lijn is het om de mensen in het Europa buiten Nederland op dezelfde manier te behandelen als de mensen in het Nederlandse deel van Europa. Ook wil ik lopende contracten nakomen en denk ik dat het in Europa geen begaanbare weg is om te zeggen dat je aan de ene kant van de grens iets anders moet betalen dan aan de andere kant van de grens. Dat vind ik geen begaanbare weg. Als dat wel een begaanbare weg zou zijn, dan zou de Europese samenwerking die in economisch opzicht en voor de welvaart zeer in ons belang is, daar niet beter van worden.

Mevrouw Klever (PVV):

De minister wil de afnemers van het Groningse gas in het buitenland niet anders behandelen dan de afnemers van het Groningse gas in het binnenland. Dat betekent dus dat beide afnemers, zowel in het buitenland als in Nederland, meebetalen aan de compensatieregeling, zodat niet alles op de Nederlandse belastingbetaler verhaald wordt, maar een deel ook op de buitenlandse afnemers van het unieke Groningse gas verhaald wordt. Dan zou er sprake zijn van gelijke behandeling.

Minister Kamp:

Ik kan natuurlijk niet gaan treden in de verantwoordelijkheid van andere overheden. Het is ook niet zo dat we de winst die Nederland de afgelopen jaren op het Groningse aardgas heeft gemaakt, en die ten goede is gekomen aan de Nederlandse bevolking, gedeeld hebben met de Duitsers of de Belgen. Dat was onze winst en die hebben we aan onze bevolking ten goede laten komen. Als er dan kosten moeten worden gemaakt om in de toekomst in een bepaalde mate van die inkomsten te kunnen blijven genieten, lijkt het me niet redelijk dat je de kosten voor een deel afschuift op degene die niet in aanmerking komt voor de winst. Dat vind ik dus ook geen argument.

Mevrouw Klever (PVV):

Het is jammer dat de minister niet meegaat met mijn suggestie. Het was namelijk een heel mooie manier geweest om de kosten van de schade die veroorzaakt wordt door de aardbevingen als gevolg van de gaswinning eerlijk te verdelen over alle afnemers. Dat is echt jammer, hier spreekt weer de "kan niet"-minister.

Minister Kamp:

Goed, dat heeft mevrouw Klever weer kunnen zeggen. Ik hoop dat ze er blij mee is.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

We hebben in eerste termijn gevraagd of de minister ook vindt dat de aandeelhouders van de NAM vanuit het oogpunt van maatschappelijk verantwoord ondernemen zelf ook financieel zouden moeten bijdragen aan het herstel van het vertrouwen. Ik heb toen aangegeven dat onze fractie daarvoor een rol ziet weggelegd. Wij waren nog benieuwd naar het antwoord van de minister.

Minister Kamp:

Ik vind ook dat de aandeelhouders van de NAM hun bijdrage moeten leveren. Dat doen ze dus ook via de NAM. De NAM is een samenwerkingsverband van Shell en ExxonMobil. Dat betekent dat de besluitvorming binnen de NAM de besluitvorming is van Shell en ExxonMobil. Die partijen zijn er dus op die manier volop bij betrokken. Dat is ook de reden dat er frequent overleg met hen plaatsvindt. Ik overleg zelf ook met de directies van de bedrijven, althans de Nederlandse directies van de bedrijven; laat ik mij niet stoerder voordoen dan ik ben. Ik denk dat hun betrokkenheid in de toekomst op peil moet blijven, omdat dit, zoals mevrouw Mulder zegt, absoluut een gedeelde verantwoordelijkheid is.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Goed, ik hoor de minister zeggen dat hij iets extra's niet noodzakelijk vindt. Ik zal dat mee terugnemen naar mijn fractie.

Minister Kamp:

Voorzitter. Ik heb geantwoord op de vraag van mevrouw Dik-Faber ten aanzien van het op één zetten van veiligheid. Zij vroeg zich ook af hoe het zit met de schadevergoeding in het geval dat de schade groter is dan nu geraamd wordt. Daar ben ik al op ingegaan.

De heer Dijkgraaf heeft zich afgevraagd hoe het zich verhoudt met de risico's in het zuiden en het gebied rond Loppersum. Ook daar ben ik op ingegaan. De heer Dijkgraaf zei dat Staatstoezicht op de Mijnen kritisch was over de NAM en vroeg zich af hoe het kan dat de NAM het zo verkeerd heeft gedaan in de ogen van SodM. Ik denk dat het verschil tussen Staatstoezicht op de Mijnen en de NAM — dat geldt ook voor het verschil tussen beide en de Tcbb, en tussen die drie en professor Helsloot — vooral zit in de wijze waarop je risico's moet inschatten, de vraag hoe je die moet vergelijken met andere risico's en welke acties er op grond van die risico's wel en niet gewenst zijn. Daarover wordt echt heel verschillend gedacht. Ik vind het van groot belang dat dit verschil afloopt. Wij moeten er echt voor zorgen dat wij een consistent risicobeleid krijgen dat breed gedragen wordt, het liefst door alle partijen die ik nu heb genoemd.

Ik zal Staatstoezicht op de Mijnen zeker bij de ontwikkeling van het risicobeleid betrekken. Het is terecht zeer intensief betrokken bij alle onderzoeken die ik heb genoemd. Zijn onafhankelijke advies dat uiteindelijk op grond van al die onderzoeken gegeven is, waardeer ik zeer. Zo waardeer ik zijn rol in brede zin ook zeer. Als het kritische opmerkingen heeft over wie dan ook, kijk ik daar goed naar. Dan bekijk ik of ik daaruit lessen kan trekken.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Het is goed dat wij dit punt even met elkaar adresseren, want ik moet zeggen dat ik best wel verbaasd was over de vernietigende kritiek in het ene rapport op het andere rapport. Mijn recente ervaringen met de NAM zijn prima, maar laten wij er met elkaar altijd voor zorgen dat wij van verschillende kanten voldoende geluiden hebben om de verschillende belangen tegen elkaar af te wegen en tot een goed oordeel te komen. Kan de minister toezeggen dat er nooit alleen zal worden vertrouwd op een advies van de NAM, maar dat er altijd ook andere partijen bij betrokken zullen worden als er dit soort besluiten moeten worden genomen? Dan kunnen wij van al die inzichten gebruikmaken en kunnen wij ze tegen elkaar afwegen.

Minister Kamp:

Ik ben het geheel eens met mevrouw Van Veldhoven. Het antwoord op haar vraag is ja.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

De minister heeft een aantal van mijn vragen beantwoord. Daarmee ben ik blij. Ook ben ik blij met de toezeggingen die hij heeft gedaan. Een belangrijke vraag is echter nog niet beantwoord. Waarom voert de minister de motie niet uit die vorig jaar door de Kamer is aangenomen en waarin wordt gevraagd om een visie op het Groningse gas in de periode van energietransitie?

Minister Kamp:

Ik denk dat het zinvol is om deze motie uit te voeren. Moties zijn vrijwel altijd zinvol. In de energietransitie die wij nu tot stand brengen, zal gas een belangrijke rol blijven vervullen. Dat geldt zowel voor het Groningenveld als voor de kleine velden op land alsook in de Noordzee. Het geldt ook voor het gas dat per pijpleiding uit Rusland en eventueel uit Noorwegen wordt aangevoerd. Het geldt ook voor het gas dat uit Qatar en andere gebieden in vloeibare vorm naar Rotterdam wordt aangevoerd. Ik denk dat de combinatie van een toenemend deel in onze energievoorziening in de vorm van schone energie, hernieuwbare energie, met de schoonste fossiele brandstof gas logisch is. Die is heel goed denkbaar. Ik ben dus zeker van plan om die combinatie in de verdere beleidsontwikkeling mee te nemen, zoals gevraagd wordt in de motie, en om de motie op die manier recht te doen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik denk dat de minister gelijk heeft als hij zegt dat gas een belangrijke en relatief schone brandstof is in de periode van energietransitie. Dat is ook de achterliggende gedachte van de motie. Wel vind ik het een beetje mager als hij zegt dat hij die gedachte meeneemt bij de verdere uitwerking. De motie had brede steun in de Kamer. Ook de Partij van de Arbeid, een van de coalitiepartners, heeft die gesteund. Zij is daarmee in mijn optiek niet voldoende uitgevoerd. In de motie wordt nadrukkelijk gevraagd om een visie. Die mis ik toch. Ik spreek heel graag af met de minister dat er bijvoorbeeld voor de zomer van dit jaar — we hebben het dan over een maand of vijf — iets ligt waardoor de Kamer handvatten heeft om de discussie hierover te voeren.

Minister Kamp:

Als mij een visie gevraagd wordt, dan geef ik een visie, en dat heb ik net gedaan. Ik denk dat gas als schoonste fossiele brandstof, gekoppeld aan een groeiend bestanddeel van hernieuwbare energie, een belangrijke mogelijkheid biedt om ervoor te zorgen dat er een zodanig evenwicht is dat leveringszekerheid optimaal is. Die visie moet ik vervolgens uitwerken in concrete vervolgstappen. Ik ga de visie die ik net heb verwoord, dus verder uitwerken en vertalen in de verschillende onderdelen, zowel in het deel over de duurzame energie en wat we op dat terrein allemaal doen, als in het deel over het gas en wat we op dat terrein allemaal doen. Zo ga ik met de motie om. Ik weet dat mevrouw Dik-Faber een praktisch mens is. Het gaat haar er niet om dat ze papier krijgt. Het gaat haar erom dat ze resultaten krijgt. Ik denk dat ik op deze manier het beste en het snelste de ook door haar gewenste resultaten kan boeken.

De heer Dijkgraaf vroeg of de schade op een ruimhartige of op een krenterige manier zal worden vergoed. Ik heb daarop al gereageerd. Ik weet dat ik dat voor de heer Dijkgraaf niet hoef te herhalen. Ik laat het daar dus bij. Ook op zijn punt van de snelle vergunning ben ik ingegaan.

Ik heb de heer Klein aangegeven op welke wijze ik het SodM-advies heb opgevolgd, op welke wijze ik dat heb uitgevoerd. Ik ben ook ingegaan op de afname van het aardbevingsrisico in Loppersum. Ook over de verschillende vormen van waardeverlies en de vergoeding daarvan heb ik met hem gesproken.

Over zijn gedachte over een vergrijzingsfonds zeg ik het volgende. Ik heb altijd waardering voor de wijze waarop de heer Klein het belangrijke onderwerp "ouderen" en "vergrijzing" met andere onderwerpen in verband weet te brengen. Ik denk dat hij dat ook wat dit betreft heeft gedaan, en ook op een te waarderen manier. Als we besluiten om bepaalde delen van onze inkomsten niet in de begroting terecht te laten komen maar die apart te zetten in een fonds, dan heeft dat natuurlijk grote budgettaire effecten. Het geld dat je aan de begroting onttrekt, moet er vervolgens op een andere manier weer ingebracht worden. Die andere manier kan zijn: hogere lasten voor het bedrijfsleven, hogere lasten voor de burgers, lagere uitkeringen, lagere toeslagen. Je hebt allerlei mogelijkheden. Ik denk dat de afweging die je dan moet maken, een afweging is die past bij een begrotingsbehandeling. De heer Klein zal dit soort voorstellen bij de behandeling van de begroting, bij de algemene financiële beschouwingen, kunnen inbrengen. Nu kan ik echter niet anders doen dan zeggen dat de huidige praktijk is dat de aardgasinkomsten in de begroting vloeien. Dat is het voor dit moment. Zoals ik heb gezegd zijn er andere momenten om andere discussies te voeren.

De heer Klein (50PLUS):

Dat is ten principale de discussie. Is het een juiste keuze geweest om die gelden direct in de begroting te laten vloeien en niet structureel te gebruiken voor een fonds, waaruit je nog geld kunt halen als de gasbel leeg is? Daarmee kun je dan daadwerkelijk investeren in de toekomst van Nederland. Terecht zegt de minister dat hij in zijn huidige positie geen zeggenschap heeft over de manier waarop ermee wordt omgegaan, maar dat betekent niet dat je niet kunt nadenken over een systematiek van een fonds voor aardgasbaten, die je structureel kunt inzetten voor Nederland. Als je het in een fonds hebt, hoef je het niet via de begroting te laten lopen en kun je het uiteindelijk veel beter inzetten. Wij hebben uiteraard, en terecht, de heel belangrijke keuze gemaakt om dan te kijken naar de vergrijzingsproblematiek in Nederland, en met name naar de financiering en de toekomst daarvan.

Minister Kamp:

Met respect voor de heer Klein: die discussie heeft geen zin als je het hebt over het verleden. Toen is namelijk bij het vaststellen van de begroting democratisch door kabinet en parlement besloten om het op de manier te doen zoals we het hebben gedaan. We kunnen dat niet meer terugdraaien. Als je het hebt over de toekomst, dan kun je die discussie voeren. Dat kan echter niet op dit moment. Je moet die discussie voeren bij de begrotingsbehandeling. Dan kan 50PLUS zeggen: luister, wij vinden dat er zoveel miljard niet in de begroting maar in een fonds moet komen en dat het gat dat daarmee in de begroting wordt geslagen, kan worden gedekt door dat en dat en dat te doen. Dan ben je echte politieke keuzes aan het maken. We zullen afwachten hoe zich dat bij de begrotingsbehandeling zal gaan afspelen.

De heer Klein (50PLUS):

Die suggestie van de minister vind ik bijzonder waardevol. Ik denk dus dat je de uitvoering daarvan moet bespreken tijdens de begrotingsbehandeling. In de aanloop daarnaartoe kunnen wij met name al bedenken hoe wij dat gaan doen. Ik zal daar graag in mijn tweede termijn op terugkomen.

Minister Kamp:

Voorzitter. Hiermee heb ik alle vragen van de heer Klein beantwoord.

Mevrouw Ouwehand zei dat de NAM de verantwoordelijkheid voor de waardedaling van zich afschuift. Dat is gelukkig absoluut niet het geval. Was dit wel het geval, dan zou ik dat absoluut niet geaccepteerd hebben.

Mevrouw Ouwehand vroeg naar de ondergrondse wateropslag van de NAM in Borgsweer. Ik heb daar zo geen reactie op. Ik ken de problematiek die zij schetst niet. Als zij mijn aandacht daarvoor vraagt, zal ik die daaraan schenken. Ik zal bekijken of daar iets is waarover ik mij met de Kamer moet verstaan.

Verder gaf mevrouw Ouwehand mij nog de mogelijkheid om excuses aan te bieden. Ik geloof dat wij daar weinig voor kopen. Ik denk dat wij allemaal, kabinet en Kamer, op ieder moment — of het nu gaat om de mate van gaswinning of wat wij daarmee doen — op gewetensvolle wijze een besluit nemen. Wij nemen besluiten naar beste kunnen in het belang van de mensen in Nederland. Als op een gegeven moment blijkt dat wij bepaalde dingen nu anders zouden inschatten dan destijds, omdat wij nu andere informatie hebben, vind ik dat geen reden om excuses aan te bieden. Daar voel ik eigenlijk niet veel voor. Bovendien koopt niemand er iets voor als ik dat doe.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat is gek. Ik ben opgevoed met de gedachte dat je best eens iets veroorzaakt kunt hebben dat je niet zo had bedoeld en dat je daarvoor dan ook sorry kunt zeggen. Ik kom hier in mijn tweede termijn nog op terug.

Ik kan mij voorstellen dat de minister niet à la minute antwoord heeft op mijn vragen over de ondergrondse opslag van vervuild water in Borgsweer. Wij zouden graag zien dat de minister kijkt naar de risico's daarvan. Als hij de Kamer op een later moment daarover schriftelijk kan informeren, zien wij dat graag.

Minister Kamp:

Dat zal ik doen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Deze vraag herinnerde mij aan een andere vraag die ik vergeten was te stellen. Daarom doe ik dat nu maar even. Wij spreken over het langetermijnperspectief. Wij hebben het ook over de mogelijkheid van de inzet van gasopslag. Die gaat mede bepalen hoever wij de gaswinning binnen de context van de leveringszekerheid op de langere termijn kunnen terugbrengen. In welke mate kunnen wij de huidige gasopslagen gebruiken voor de opslag van laagcalorisch gas dat wij bijvoorbeeld in de zomer converteren en in de winter kunnen gebruiken? Ik begreep namelijk dat er in de gasopslag Bergermeer op dit moment nog hoogcalorisch gas is. Hebben wij de potentie om dat te gebruiken? Kan de minister daar nog wat over zeggen?

Minister Kamp:

Dat gebeurt op dit moment op grote schaal. Het is wel zo dat wij, naarmate de hoeveelheid gas in Groningen afneemt, de problemen niet slechts kunnen oplossen met de capaciteit van de gaswinning die wij nu hebben. Dan moet er een afweging gemaakt worden. Vergroot je de capaciteit of vertrouw je op het feit dat er een leidingen liggen naar Noorwegen en Rusland en dat lng wordt aangevoerd via Rotterdam? Er zal dus een afweging voor dat geheel gemaakt moeten worden. Als er inderdaad een andere situatie aan het ontstaan is betreffende het belang van het Groninger veld voor de Nederlandse gasvoorziening, is het volgens mij goed om de wijze waarop wij daarvoor een alternatief ter vervanging organiseren, geheel bij de Kamer in beeld te brengen. Ik zal dat over enige tijd — denk daarbij niet aan maanden, maar aan jaren — in de Kamer bespreken. Ik vind dit een interessant punt.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Dank u wel. Dat is een heldere toezegging. Wat mij betreft moeten wij dit betrekken bij de besluitvorming over wat er na die drie jaar moet gebeuren. Als de minister dit punt tijdig voor dat besluit kan meenemen, zou dat heel mooi zijn.

Minister Kamp:

Ik vind het verstandig om dit bij de besluitvorming over drie jaar te betrekken. Dat zal ik dus doen.

Hiermee heb ik volgens mij gereageerd op hetgeen de woordvoerders in de eerste termijn naar voren hebben gebracht.

De voorzitter:

Ik help u eraan herinneren dat u tijdens het debat hebt toegezegd dat u zou proberen om nog twee dingen in de tweede termijn te beantwoorden. Het ging daarbij om de volgende vragen. Hoelang ligt het gas vast in langetermijncontracten? U zou proberen dat uit te zoeken voor de tweede termijn. Verder was er een vraag over Eurocode 8. Wanneer, bij welke kracht van de aardbeving, treedt die in werking? Ik hoop dat ik de vragen zo goed samenvat.

Minister Kamp:

Dank u wel.

De voorzitter:

Hiermee is een einde gekomen aan de eerste termijn van de zijde van de regering. Ik stel een schorsing van vijf minuutjes voor.

De vergadering wordt van 22.21 uur tot 22.26 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef in de tweede termijn van de zijde van de Kamer als eerste het woord aan de heer Jan Vos van de PvdA.

De heer Jan Vos (PvdA):

Voorzitter. Ik wil graag beginnen met dankzeggen aan de minister, want dit is een bijzonder moeilijk dossier geweest en hij heeft niet voor de kortste weg gekozen. Hij heeft wel voor de meest zorgvuldige weg gekozen en voor een verantwoordelijke weg. Daarvoor wil ik hem dankzeggen.

Met dit besluit heeft het kabinet vandaag een eerste stap, maar niet meer dan een eerste stap, gezet in het herwinnen van het vertrouwen van de Groningers. Mijn fractie heeft betoogd dat de veiligheid van de gaswinning voorop moet staan. Dat betekent dat het kabinet moet onderzoeken hoe een verdere vermindering van de gaswinning, indien nodig, tot stand kan worden gebracht.

Daarnaast willen wij met investeringen Groningen een nieuw perspectief bieden. Wij weten dat dat perspectief hard nodig is voor mensen die het op dit moment erg moeilijk hebben.

Die eerste stap van het kabinet is goed, maar wij willen een aantal zaken vastleggen in moties. Samen met onder andere de ChristenUnie zullen wij een motie indienen over verdere reductie van de gaswinning, samen met D66 zullen wij een motie indienen over het langjarige perspectief, en zelf zal ik nu enkele andere moties indienen. Overigens loopt mijn klokje niet.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de veiligheid van de Groningers bij de gaswinning voorop moet staan;

overwegende dat het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) constateert dat het veiligheidsrisico bij aardbevingen nauwelijks is meegenomen in de productiefilosofie van de NAM;

verzoekt de regering, in de beoordeling van toekomstige winningsplannen voor gas veiligheid als primair criterium te hanteren;

verzoekt de regering tevens, zorg te dragen voor het centraal stellen van de veiligheidsrisico's in de productiefilosofie van de NAM, zoals aanbevolen door SodM,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jan Vos, Van Veldhoven, Klein, Dik-Faber, Van Tongeren, Paulus Jansen, Agnes Mulder, Klever en Ouwehand.

Zij krijgt nr. 34 (33529).

Mevrouw Van Tongeren heeft nog wel een vraag over deze motie.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Wellicht ook over de inleiding. Ik wil mijn vraag ook aan het eind stellen als u dat liever hebt, voorzitter.

De voorzitter:

Dat lijkt mij een heel fijne suggestie. Gaat u verder, mijnheer Vos.

De heer Jan Vos (PvdA):

Mijn fractie heeft betoogd dat de investeringen zo veel mogelijk de Groningers ten goede moeten komen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er mede naar aanleiding van het kabinetsbeleid en de adviezen van de commissie-Meijer zeer veel investeringen zullen plaatsvinden in Groningen;

overwegende dat de werkloosheid en het aandeel van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt er relatief hoog is;

verzoekt de regering, te bevorderen dat in de regio zo veel mogelijk mensen worden opgeleid in het aardbevingsbestendig bouwen, zodat zij ook snel kunnen worden ingezet bij het verstevigen en repareren van gebouwen en huizen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jan Vos, Van Dekken, Paulus Jansen, Ouwehand, Van Tongeren, Van Veldhoven en Agnes Mulder.

Zij krijgt nr. 35 (33529).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de gasombudsman in Groningen goed werk verricht;

constaterend dat de bekendheid en de bereikbaarheid van de raadsheer met de ombudsfunctie veel beter kan;

verzoekt de regering, de functie van deze raadsheer met ombudsfunctie in de regio te versterken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jan Vos en Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 36 (33529).

De heer Jan Vos (PvdA):

Nogmaals, het is een eerste stap geweest die wij hier vandaag hebben gezet. Ik denk dat wij de komende jaren hier nog vaak zullen spreken over de gaswinning, de aardbevingen en Groningen. Ik hoop dat vandaag duidelijk is geworden dat deze Kamer, in haar geheel en gezamenlijk met het kabinet, dat vertrouwen een stukje heeft proberen terug te winnen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Voorzitter. Zoals u aan de ondersteuning van de moties gehoord hebt, begrijp ik de worsteling van de PvdA. Een aantal van de intenties van de PvdA steun ik volledig. Ik heb toch nog één vraag, en wel over de veiligheid. De PvdA zegt dat de gaswinning schoon en veilig moet. De heer Vos maakt ook een opstapje naar misschien een reductie in de toekomst, maar vindt de PvdA echt voor de komende drie jaar en gelet op het huidige risico dat daarmee de gaswinning veilig is?

De heer Jan Vos (PvdA):

TNO, de Inspecteur-generaal Staatstoezicht op de Mijnen, de Tcbb, alle onderzoeken komen toch eigenlijk tot dezelfde conclusie. Voor de komende drie tot vijf jaar is de situatie in Groningen veilig. Mocht er in de tussentijd aanleiding zijn om te veronderstellen dat toch op de een of andere manier die veiligheid in het geding komt, dan zijn wij er als Kamer — maar ik weet ook zeker dit kabinet met deze minister — er natuurlijk als eerste bij om ervoor te zorgen dat die maatregelen worden genomen die op dat moment nodig zijn.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik moet helaas constateren dat Staatstoezicht op de Mijnen een ander oordeel heeft. Die spreekt namelijk van een hoog risico, hoger dan het risico bij Pernis en minstens net zo hoog als het overstromingsrisico. Dat is het oordeel van het Staatstoezicht en de PvdA oordeelt dat het de komende drie jaar veilig is. Daartussen zit een discrepantie, en ik vind het heel jammer dat de PvdA die discrepantie laat bestaan.

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik doe altijd mijn best om samen te werken met de fractie van GroenLinks. Wij dienen samen moties in en op heel veel punten zijn wij het met elkaar eens. Ik vind het niet zo erg als wij het op een klein puntje oneens zijn. Ik denk dat het goed is om te constateren dat de inspecteur-generaal in de Kamer heeft verklaard dat hij vindt dat de Groningers op deze manier het beste af zijn. Ik denk ook dat het goed is als wij met ons allen daarachter gaan staan. Dat orgaan, Staatstoezicht op de Mijnen, is namelijk specifiek aangesteld om te beoordelen of de gaswinning veilig en maatschappelijk verantwoord kan plaatsvinden. Daarnaast wijs ik op de onderzoeken van professor Ira Helsloot, die gespecialiseerd is in de risicoleer en die in de Kamer tijdens de bijeenkomst waarbij ook mevrouw Van Tongeren aanwezig was, heeft betoogd dat het risico van de gaswinning op dit moment, nog zonder de maatregelen die reeds genomen zijn, zoals het terugbrengen van de gasproductie in Loppersum met 80%, in zijn beoordeling even groot of zelfs lager is dan het groepsrisico op Schiphol of dat van die fabriek bij Pernis waarover mevrouw Van Tongeren sprak. De heer Helsloot heeft nog andere voorbeelden gegeven. Ik denk dat duidelijk is dat de mening van mevrouw Van Tongeren in dit opzicht devieert van het gemiddelde.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik stel een vraag over de eerste motie, die ik mede heb ondertekend, de motie uitleg Mijnbouwwet, om haar maar zo aan te duiden. De essentie is dat veiligheid in de ogen van de ondertekenaars heel belangrijk is. De heer Vos heeft in zijn eerste termijn, net als ik overigens, een aantal mogelijkheden aangegeven om de gasproductie wat sneller omlaag te krijgen. Ik heb zelf vier mogelijkheden aangegeven en de heer Vos naar ik meen ook drie of vier mogelijkheden. De minister zei dat hij deze mogelijkheden allemaal wel zag zitten in de zin dat hij ze zou gaan verkennen. In 2016 hoort u weer van mij, zo zei de minister. Dat vind ik eigenlijk het meest teleurstellende deel van het kabinetsbesluit en van de verdediging van de minister. Vindt de PvdA-fractie niet ook dat er op dat punt meer tempo moet worden gemaakt en dat wij toch moeten proberen om de gasproductie sneller verder omlaag te krijgen?

De heer Jan Vos (PvdA):

Een jaar geleden is de motie-Leegte/Vos in de Kamer aangenomen, waarin het kabinet destijds al werd gevraagd om tijdig de maatregelen te nemen die nodig zouden zijn bij een eventueel reductiebesluit in de toekomst, nu dus. Als wij dat toen al aan het kabinet hebben gevraagd, vragen wij dat nu opnieuw aan het kabinet. Misschien heb ik de minister niet goed verstaan, misschien kan hij het zo meteen nog eens toelichten, maar ik ga ervan uit dat de minister alle mogelijke maatregelen neemt, inclusief de stikstofstations, de langjarige exportcontracten, de kortetermijnmarkt en nog enige andere zaken, die nodig zijn om te garanderen dat op het moment dat wij een reductiebesluit moeten nemen dat verdergaat dan het huidige, dat besluit ook daadwerkelijk genomen kan worden. Het is natuurlijk een beetje gek om gewoon maar heel hard door te rijden als je weet dat je op een gegeven moment op de rem zou moeten kunnen gaan staan.

De heer Paulus Jansen (SP):

Zeker, maar je kunt ook zeggen dat de waarden die in het kabinetsbesluit zijn vermeld, de 42 miljard kuub dit jaar en volgend jaar, en de 40 miljard kuub in 2016, de bovengrens vormen die wij op grond van de huidige kennis hanteren, maar dat wij omlaag kunnen als de vier trajecten op korte termijn iets opleveren. Kiest de Partij van de Arbeid ook voor die lijn of zegt zij: wat ons betreft zijn de 42,5 miljard en de 40 miljard gewoon hard?

De heer Jan Vos (PvdA):

Voor ons is leidend dat er nu veertien onderzoeken hebben plaatsgevonden en dat alle betrokken partijen, TU Delft, TNO en Staatstoezicht op de Mijnen, hebben geoordeeld dat het pakket dat er nu ligt, een afgewogen pakket is, het best mogelijke voor Groningen voor de komende drie tot vijf jaar. In principe, ceteris paribus, als er niets verandert, gaan wij dus gewoon deze weg aflopen en hoeven wij de gaswinning niet verder terug te brengen. Maar als er iets verandert waardoor er voor ons of voor het kabinet aanleiding is om te veronderstellen dat de gaswinning verder moet worden teruggebracht uit het oogpunt van de veiligheid voor de Groningers, wil ik dat dat besluit kan worden genomen. Daarom heb ik de mede door de heer Jansen ondertekende motie ingediend waarin wordt gesteld dat de veiligheid voorop moet staan in de winnings- en productiefilosofie van de NAM.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

De effecten na vijf jaar van alles wat wij nu doen, zijn onduidelijk, zo blijkt uit alle onderzoeken. Wij weten het nu grosso modo voor de komende drie jaar, maar wat bijvoorbeeld de langeretermijneffecten zijn van nu meer winnen in het zuidelijke deel, weten wij helemaal niet. Hoe kijkt de PvdA-fractie daartegen aan? Zou daarop misschien toch niet het voorzorgsprincipe moeten worden toegepast?

De heer Jan Vos (PvdA):

In relatie tot de gaswinning in Groningen is in het afgelopen jaar heel veel duidelijk geworden. Het meest pregnant is naar voren gekomen dat dit kabinet, voor het eerst in 50 jaar, duidelijk gemaakt heeft dat het zo niet langer kan. De gaswinning is teruggebracht, met 80% in Loppersum. Er is een cap geplaatst op de gaswinning. Er wordt 1,2 miljard geïnvesteerd in Groningen en uitgekeerd aan schadevergoedingen. Ik denk dat dit kabinet, dat er net zit, daarom te prijzen is. Vorige kabinetten hebben daar misschien iets laten liggen. Ik kijk met vertrouwen uit naar de toekomst, als we volgende stappen moeten gaan zetten.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Ik stel vast dat de PvdA-fractie niet vindt dat het voorzorgsprincipe verder moet worden toegepast. Mij valt iedere keer op in de discussie dat net wordt gedaan alsof de schadevergoeding als een soort cadeautje in het hele pakket is gebracht, terwijl het gewoon iets is waar de mensen recht op hebben. Het is geen cadeautje met een mooie strik erom, maar zo wordt dat pakket van die 1,2 miljard wel gepresenteerd. Hoe kijkt de PvdA-fractie daartegen aan?

De heer Jan Vos (PvdA):

De PvdA staat recht achter het rapport van de Commissie-Meijer. Dat rapport betreft de komende 20 jaar en behelst ruim 1 miljard euro. Het pakket dat vandaag door het kabinet is gepresenteerd, gaat over 1,2 miljard euro inclusief 750 miljoen euro aan schadevergoeding. Dat mensen daar recht op hebben, is overduidelijk. Dat het niet meer dan een eerste stapje kan zijn in het herstel van vertrouwen, lijkt mij ook heel erg duidelijk. Nogmaals, ik vind het prijzenswaardig dat dit kabinet deze draai nu maakt. Daarmee zetten we een eerste stap die eigenlijk al heel lang geleden had moeten worden gezet.

De heer Paulus Jansen (SP):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording. Ik had even de indruk dat hij gisteren met een schuin oortje geluisterd heeft naar die Machiavellilezing van Dick Boer. Ik begin met het moeilijkste punt: de verlaging van de gasproductie. Dat is voor de SP-fractie een belangrijk punt. Wij denken dat het macro-economisch helemaal niet slecht hoeft uit te pakken voor Nederland. Het gas dat blijft zitten, wordt in wezen meer waard. Ook kunnen we een veiligheidsvoordeel voor de regio combineren met een macro-economisch voordeel op langere termijn. Ik vind het jammer dat de minister wel de vier suggesties die ik heb gedaan volgt, maar drie jaar nodig zegt te hebben voor een plan om een stap verder te zetten. Om die reden hebben wij een motie die straks door mevrouw Mulder wordt ingediend, meeondertekend. De essentie daarvan is dat het advies van Staatstoezicht op de Mijnen gewoon gevolgd moet worden en dat die productie meer omlaag moet.

Ik kom te spreken over enkele andere zaken. Allereerst het schadefonds. Bij interruptie heb ik twee aanvullende argumenten gegeven voor de meerwaarde van het schadefonds ten opzichte van de bestaande situatie. Vandaar dat ik mede namens mevrouw Mulder en mevrouw Van Tongeren de volgende motie voorleg aan de Kamer.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bewonersorganisaties uit Noordoost-Groningen en de commissie-Meijer vinden dat de afwikkeling van schade aan woningen en gebouwen door bodemdaling en aardbevingen ondergebracht moet worden bij een onafhankelijke organisatie;

verzoekt de regering om binnen drie maanden een voorstel voor een schadefonds gaswinning in Groningen aan de Kamer voor te leggen, waarbij het fonds gevoed wordt via een kostendekkende premie op de gaswinning en het onafhankelijk beheer van het fonds statutair en/of wettelijk gewaarborgd is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Paulus Jansen en Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 37 (33529).

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik dacht dat de minister zei dat hij bereid zou zijn deze suggestie te verkennen en binnen twee maanden met een brief te komen over een andere optie waarin hij dit zou meenemen. Als dit zo is, houd ik de motie tot dat moment aan. De minister kan in de tweede termijn nog aangeven wat hij precies bedoelde. Het was mij niet helemaal duidelijk. Dan ga ik verder met de motie hulpteam, die ik abusievelijk eerst voorlas.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bewoners zich bij de afwikkeling van schade aan hun woning voor een oerwoud van problemen gesteld zien;

verzoekt de regering om aanvullend aan het kabinetsbesluit inzake de gaswinning Groningen een hulpteam te formeren waarbij gedupeerde eigenaar-bewoners de afwikkeling van schade aan hun eigendom kunnen onderbrengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Paulus Jansen, Agnes Mulder en Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (33529).

De heer Paulus Jansen (SP):

Ten slotte een motie over TenneT, waarvan de minister zegt dat hij de denkrichting wel ondersteunt, maar dat hij meer tijd nodig heeft. De SP-fractie meent dat de urgentie toch wat groter is, enerzijds vanwege de agenda van het SER-energieakkoord en anderzijds vanwege de wenselijkheid dat er ook snel een economische impuls komt met nieuwe activiteiten in dat gebied.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat economische activiteiten rond offshore windenergie een logische toevoeging zijn aan de economische infrastructuur van Noordoost-Nederland;

overwegende dat het SER-energieakkoord d.d. 9 september 2013 letterlijk stelt: "Er komt, daar waar dit efficiënter is dan een directe aansluiting van windparken op het landelijke hoogspanningsnet, een net op zee. TenneT krijgt de verantwoordelijkheid hiervoor. Over de vormgeving en randvoorwaarden zal op korte termijn een besluit worden genomen door het kabinet";

overwegende dat er inmiddels alweer een halfjaar verstreken is;

overwegende dat TenneT op basis van zijn Duitse praktijkervaringen overtuigend heeft aangetoond dat een collectief hoogspanningsnet op zee goedkoper en efficiënter is dan losse aansluitingen;

overwegende dat hiervoor 500 tot 1.000 banen kunnen worden gecreëerd in de regio;

verzoekt de regering om TenneT te belasten met de uitrol van een collectief hoogspanningsnet voor de Noordzee, met de regio Eemsmond als uitvalsbasis,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Paulus Jansen en Jan Vos. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 39 (33529).

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik ben hiermee aan het einde van mijn inbreng gekomen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Voorzitter. Wij kunnen het vertrouwen dat in jaren werd verloren, niet vandaag in een dag terugwinnen. Wij kunnen wel vandaag stappen zetten op weg naar het terugwinnen van dat vertrouwen. Het kabinet heeft besloten om de gaswinning in Loppersum met 80% te verminderen. De brief van TNO laat zien dat het verschil in bodemdaling en daarmee in risico tussen 100% en 80% klein is. D66 wil wel de ogen openhouden. In de komende tijd zal nog veel onderzoek worden gedaan naar de relatie tussen de gaswinning en de aardbevingen. Als hieruit naar voren komt dat de gaswinning verder moet worden teruggeschroefd om de veiligheid van de mensen in Groningen te garanderen, moeten wij daarop kunnen reageren, ook als dit betekent dat het kabinetsbesluit moet worden bijgesteld. Bovendien moeten wij ons kunnen voorbereiden op een mogelijke, toekomstige, drastische vermindering van de gaswinning, zodat wij later meteen kunnen reageren en niet tegen praktische bezwaren aanlopen. D66 steunt daarom een motie die de ChristenUnie hierover zal indienen.

Groningen moet een perspectief krijgen op duurzame economische ontwikkeling. Dit gevoel leeft breed in de Kamer. De minister heeft een pakket voor vijf jaar neergelegd. Ik leg graag, mede namens een heel aantal andere partijen, een motie neer voor een meer langdurige impuls voor die duurzame, economische werkgelegenheid, voor dat nieuwe perspectief.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er in Groningen een uitzonderlijke gestapelde problematiek ontstaat door krimp, economische malaise en het effect van het risico op aardbevingen op de vestiging van nieuwe bedrijven en werknemers;

van mening dat het keren van dit tij een lange adem vergt, en het akkoord met de regio dan ook terecht stelt dat "langjarige continuering van de voor de komende vijf jaar voorgenomen compensatie op basis van de huidige inzichten in de rede ligt";

overwegende dat spoor 4 uit dat pakket, "een duurzaam economisch perspectief", een concrete invulling verdient om bedrijven en werknemers te trekken;

verzoekt de regering, onverminderd het belang van de overige sporen, de afspraken over langjarige continuering met de regio voor spoor 4 te concretiseren, waarbij voor de eerste tien jaar een concreet plan wordt uitgewerkt (inclusief financieel kader), gericht op toekomstvaste werkgelegenheid, waarbij na vijf jaar een evaluatie plaatsvindt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Veldhoven, Jan Vos, Leegte, Dik-Faber, Dijkgraaf, Paulus Jansen, Agnes Mulder, Van Tongeren, Klein en Ouwehand.

Zij krijgt nr. 40 (33529).

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Daarmee heeft de Kamer een signaal afgegeven over de financiën die de regering volgens haar beschikbaar moet stellen. Ik hoop zeer dat de regio het commitment dat zij voor de eerste vijf jaar heeft afgegeven ook voor de verlengde periode zal afgeven.

Mensen in Groningen moeten niet van het kastje naar de muur worden gestuurd, maar één aanspreekpunt krijgen voor het afhandelen van hun schade. De minister is bereid om dat in te brengen aan de dialoogtafel. Dat vind ik toch een beetje zwak, maar ik geef hem graag de gelegenheid om daarmee te starten. Als stok achter de deur dien ik toch de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bewoners veel overlast ervaren van het aanpakken van schade- en/of preventiewerkzaamheden, mede doordat zij met veel verschillende instanties te maken hebben die soms naar elkaar verwijzen;

overwegende dat hierin verbetering kan worden gebracht en maatwerk kan worden geboden door te werken met één aanspreekpunt voor bewoners;

verzoekt de regering, in overleg met de regio te komen tot een dergelijke aanpak,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Veldhoven en Jan Vos. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 41 (33529).

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik ben blij te horen dat, als de Onderzoeksraad Voor Veiligheid het zegt, D66 wel bereid is te zeggen dat de gaskraan echt dicht moet. Ik begrijp echter niet zo goed waarom D66 daartoe niet bereid is na de adviezen van Staatstoezicht op de Mijnen. Daarin staat bijvoorbeeld dat het persoonlijk overlijdensrisico lokaal is berekend op tussen de 10.000 en de 100.000, terwijl dat normaal gesproken bij een industriële activiteit 1 op de 1000.000 moet zijn; ik lees dit maar even uitgebreider voor. SodM kwalificeert deze risico's als hoog. Wat zou er dan in het onderzoek van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid moeten staan waardoor D66 wel zegt dat die kraan nu wel een stuk dicht moet?

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Met alle respect, mevrouw Van Tongeren speelt wel een beetje een spelletje, want zij citeert alleen maar één zijde van het verhaal. Wij proberen hier met elkaar een zorgvuldige afweging te maken en de mensen in Groningen te laten zien dat wij doen wat wij redelijkerwijs voor hen kunnen doen. Mijn fractie is van mening dat dat gebeurt, maar wij moeten wel onze ogen openhouden voor nieuwe inzichten. Daarom wil ik dat expliciet vastleggen.

Mevrouw Van Tongeren noemt het punt van 1 op de 10.000 in plaats van 1 op de 1.000.000. Dat zijn risicoanalysen. Bij 1 op de 1.000.000 heb je te maken met nieuwe activiteiten. Voor andere activiteiten wordt de risicogrens van 1 op de 1.000.000 ook niet geaccepteerd. Het risico dat de mensen in Groningen lopen, is vergelijkbaar met het risico in het rivierengebied. Daar nemen wij maatregelen en daarom nemen wij hier ook maatregelen. Nergens in Nederland is het risico nul. Wij moeten niemand het idee geven dat wij dat kunnen realiseren, want dat kunnen wij niet. Wij moeten wel bekijken wat wij kunnen doen om de risico's terug te brengen tot een acceptabel niveau. Ik vind het heel goed dat er een specifiek risicokader voor aardbevingen wordt opgesteld. Laten wij nu niet met elkaar gaan zwartepieten, maar bekijken wat wij kunnen doen. Ik vind het echt jammer dat GroenLinks op dit puntje blijft hameren, alsof er daar een verschil zou zijn tussen wat GroenLinks wil en wat D66 wil. Wij willen allemaal de mensen in Groningen geruststellen en hen allemaal laten weten dat wij ons inzetten voor hun veiligheid.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik vind het bijzonder jammer dat ik hier wordt beschuldigd van het spelen van spelletjes, terwijl dit een essentieel punt is, over de veiligheid van de Groningers. De Groningers denken ook niet dat hun veiligheid een spelletje is. Ik lees voor uit het officiële advies van SodM en vraag D66 of, als zo'n tekst ook verschijnt in het advies van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid, er dan wel wordt gereageerd. Waarom dan wel en nu niet? Ik begrijp dat ik op die vraag vanavond geen antwoord krijg. Ik begrijp ook hoe de politieke verhoudingen op dit moment liggen. Ik vind het ongelooflijk jammer dat D66 op 3 januari 2014 zegt dat de kraan verder dicht moet en dat zij dat vandaag niet zegt.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

De kraan gaat verder dicht. Eerst was er een productie van 54 miljard m3 per jaar en dat gaat nu naar 42 miljard m3. Dat is nodig en daar staan wij achter. Dat het voor GroenLinks niet genoeg is, kan en mag zo zijn. Als ik zeg dat mevrouw Van Tongeren een beetje een spelletje speelt, bedoel ik dat zij één rapport voorleest, maar niet de brief die wij vanochtend van TNO kregen waaruit blijkt dat het verschil heel klein is en zelfs wegvalt in de marge van onzekerheid. Zij citeert niet de andere aanwezigen bij de hoorzitting, die andere signalen hebben afgegeven. Uit de kruising van al die signalen krijg je een beeld of dit reëel is of niet. Ik weet niet of mevrouw Van Tongeren al die signalen heeft doorgenomen, maar ik neem dat wel aan. Dan moet je tot een andere afweging komen. Dan kun je echt niet geloofwaardig met maar één signaal komen. Dat signaal moeten wij ook niet naar de mensen in Groningen geven. Wij hebben verschillende rapporten en daarin staan verschillende dingen. Ik heb de minister net nog gezegd dat wij ervoor moeten zorgen dat wij altijd verschillende invalshoeken hebben, juist omdat die allemaal van belang zijn. Kom dan niet aan met alleen één invalshoek omdat je probeert een bepaald beeld op een partij te plakken. Dat is niet reëel. Ik herken mij daar niet in.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik heb een vraag over de motie van mevrouw Van Tongeren en de heer Vos over één loket. Ziet mevrouw Van Veldhoven die motie als complementair aan mijn motie voor het hulpteam of ziet zij die als twee varianten op één thema?

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik zag de motie van de heer Jansen en ik denk dat het twee variaties op één thema zijn, maar dat wij hetzelfde willen. Wij willen graag de mensen ontzorgen en in staat stellen om niet meer al hun vrije tijd kwijt te zijn aan het soms letterlijk overeind houden van hun huis. Dat moeten wij anders organiseren. Ik denk dat één casemanager daarvoor heel prettig zou zijn. Een hulpteam is een andere constructieve suggestie. Ik neem aan dat de minister die alle twee meeneemt en dan zien wij wel waar hij mee terugkomt.

De heer Paulus Jansen (SP):

De motie die ik heb ingediend met mevrouw Mulder en mevrouw Van Tongeren beoogt om mensen te ontzorgen doordat een externe persoon de complete zaak afwikkelt in plaats van degene die normaal al die handelingen moet doen, zoals dat in Enschede ook gebeurd is. Dat beogen mevrouw Van Veldhoven en de heer Vos ook met hun motie.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Absoluut.

De heer Paulus Jansen (SP):

Misschien moeten wij proberen om de twee moties te combineren.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik ben van harte bereid om te kijken of wij dat kunnen doen. Ik denk dat wij beiden hetzelfde signaal willen geven.

Mijn afsluitende woorden zijn dat wij hierover nog regelmatig met elkaar zullen spreken. Vandaag kunnen wij alleen de eerste stap zetten, zo hebben wij met elkaar geconcludeerd. Terecht spreken wij er nog vaak over en ook dan zal D66 de veiligheid voorop zetten.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan mevrouw Van Tongeren van GroenLinks.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Voorzitter. De minister wil het vertrouwen herstellen. GroenLinks vindt dat zulks het beste kan door de oorzaak van de schade in Groningen weg te nemen, dus door de gaskraan zo snel mogelijk en zo ver mogelijk dicht te draaien. De minister wil het vertrouwen herstellen, maar heeft er geen vertrouwen in dat de Groningers zelf als voorzitter van hun dialoogtafel een zwaargewicht kiezen. De minister heeft er te weinig vertrouwen in dat de mondige burgers van Groningen zelf alleen andere mondige burgers aan die tafel zouden zetten. De minister heeft er — als ik hem goed heb begrepen — ook geen vertrouwen in dat de Groningers aan de dialoogtafel alleen zo over het gaswinningstempo zouden spreken met inachtneming van de plek waar de huidige beslissingsmacht zit. Ik hoop dat de minister daar nog een heroverweging op wil laten plaatsvinden.

Ik heb één vraag. De heer Samsom zei dat er deze week nog een banenplan zou komen voor Groningen. Tegen mijn fractievoorzitter heeft minister Kamp in het debat over ALDEL gezegd dat het er echt niet beter op wordt als de regering zich met de werkgelegenheid in Groningen bemoeit. Wij horen graag of wij deze week nog een banenplan krijgen voor Groningen of dat het beter is dat de regering zich niet bemoeit met de werkgelegenheid in Groningen.

Ik heb twee korte moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de NAM in de afgelopen acht jaar 9 miljard heeft verdiend aan gaswinning uit het Groningenveld;

overwegende dat bedrijven gehouden zijn om alle schade te vergoeden die zij zelf veroorzaken;

verzoekt de regering, de mogelijkheden te onderzoeken om de reguliere verdeling van de aardgasbaten tussen de NAM en het Rijk aan te passen zodat de NAM een groter deel van de schade betaalt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Tongeren en Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 42 (33529).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de regering te allen tijde dient uit te gaan van het voorzorgsprincipe zoals verwoord in het Verdrag van Aarhus;

verzoekt de regering, gaswinning alleen toe te staan als dit schoon en veilig kan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Tongeren en Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 43 (33529).

Ik dank u wel, mevrouw Van Tongeren. Dan is het nu de beurt aan de heer Leegte.

De heer Leegte (VVD):

Voorzitter, ik was net wat eager. Ik dank de minister voor zijn toezegging om het Alfa-collega in Groningen te betrekken bij die ontwikkeling. Het is een bijzonder initiatief dat daar wordt genomen.

De VVD heeft twee moties medeondertekend. Samen met de ChristenUnie, D66, de PvdA en de SGP zal straks een motie worden ingediend waarin wordt gevraagd te onderzoeken welke maatregelen de komende jaren kunnen worden genomen ter voorbereiding van een eventueel besluit tot verdere vermindering van de aardgaswinning. Daarnaast verzoeken wij om de mogelijkheid open te houden om met de resultaten van de contra-expertise van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid eventueel het huidige besluit bij te stellen. Ten aanzien van het laatste punt realiseer ik mij terdege dat dat onderzoek niet gaat over de ondergrond en de bodem en dat niet verwacht mag worden dat de uitkomst van dat onderzoek zal leiden tot een aanpassing van het huidige winningsplan. De VVD vindt echter ook dat als wij onderzoek doen, wij moeten kijken naar de uitkomst daarvan en dat daar iets mee moet worden gedaan. Dat geldt hier en dat geldt ook in andere debatten.

De VVD doet ook mee met de motie-Van Veldhoven c.s. op stuk nr. 40 om het spoor 4, zoals het zo mooi wordt genoemd, door te laten lopen voor een periode van tien jaar. De VVD denkt dat dit recht doet aan de investeringen die erachter komen, omdat zij hiermee een iets langere tijdshorizon hebben dan de huidige vijf jaar.

Ik besef dat je het vertrouwen van de Groningers niet wint met woorden. Het zijn uiteindelijk de daden die de woede, de teleurstelling en de bezorgdheid moeten wegnemen. Hopelijk hebben wij met dit debat een eerste stap gezet in het herwinnen van dat vertrouwen. Een ruime meerderheid van de Kamer schaart zich achter het besluit om de gaswinning terug te draaien, de schade ruimhartig vergoeden en preventieve maatregelen te nemen. Goed, er zijn partijen die vinden dat wij hier niet ver genoeg in gaan. Onze samenwerking voor Groningen houdt echter niet op met dit debat. Wij zullen de komende jaren niet alleen moeten blijven werken aan de relatie met Groningen, maar vooral aan de veiligheid en de leefbaarheid van Groningen. Niet met woorden, maar vooral met daden.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de toezegging over bouwnorm Eurocode 8. Het is belangrijk dat er weer geïnvesteerd kan worden. Ik ben ook blij dat er toezeggingen zijn van de minister over het herstel van de dijken, onder andere dat dit via de dialoogtafel zal gaan en dat er ook op de website aandacht aan zal worden besteed. Dat moet echt helder zijn voor de Groningers. Helaas wilde de minister het niet hebben over Limburg. Dat komt op een ander moment zeker terug.

Dan de termijn voor de uitvoering van de plannen. Die is vijf jaar, zo heeft de minister aangegeven. In het rapport van de commissie-Meijer staat twintig jaar. Onze voorkeur gaat uit naar die twintig jaar. Toch hebben wij de motie van D66 ondertekend over een termijn van tien jaar. Dan kunnen wij in elk geval die verruiming bereiken. Maar wat ons betreft is het niet genoeg. Ik zal nu mijn motie voorlezen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinetsbesluit afwijkt van het SodM-advies;

constaterende dat niet geheel duidelijk is wat het verschil in effect is tussen 80%- of 100%-reductie van gaswinning van de clusters rond Loppersum op de seismische activiteit in dit gebied;

constaterende dat onbekend is wat de gevolgen zijn voor de veiligheid van verhoging van de winning in andere delen van het Groningenveld op de lange termijn;

overwegende dat Groningers zich veilig moeten kunnen voelen in hun eigen huis en dat het kabinetsbesluit de zorgen over de veiligheid onvoldoende heeft weggenomen;

spreekt uit dat de veiligheid bij de gaswinning uit het Groningenveld voorop moet staan en dat niet afgeweken moet worden van het SodM-advies voordat er meer duidelijkheid is, onder andere door een advies van SodM, over de gevolgen van het kabinetsbesluit,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Agnes Mulder, Van Tongeren, Paulus Jansen en Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 44 (33529).

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Natuurlijk hoop ik dat het vertrouwen hersteld wordt in Groningen. Ik merk echter bij mezelf een zeker chagrijn over het debat van vanavond, omdat we er qua veiligheid niet meer uit hebben kunnen halen voor de Groningers.

Mevrouw Klever (PVV):

Voorzitter. Het is duidelijk dat de PVV en de minister verschillende opvattingen hebben over de wijze waarop we de mensen in Groningen het beste kunnen helpen. De veiligheid van de bewoners gaat boven alles. Naast een snelle en ruimhartige schadevergoeding wil de PVV daarom een uitkoopregeling voor mensen die gevangen zitten in hun onverkoopbare huis en weg willen. Mooie woorden zijn dan niet genoeg. Het komt aan op daden. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in Noordoost-Groningen het aantal aardbevingen en de intensiteit ervan toeneemt en hierdoor veel huizen in dit gebied onverkoopbaar zijn geworden;

overwegende dat dit voor veel onrust en angst zorgt bij de bewoners die in feite gevangen zitten in hun onverkoopbaar geworden huis;

van mening dat de Groningers een reële optie moet worden geboden om, indien gewenst, te verhuizen;

van mening dat een uitkoopregeling voorrang moet krijgen op opleukvergoedingen en hobby's van bestuurders;

verzoekt de regering om binnen het vrijgemaakte budget de circa 300 miljoen euro, die zijn bestemd voor duurzaam perspectief, waardevermeerdering en leefbaarheid, te benutten voor een uitkoopregeling,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klever. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 45 (33529).

Mevrouw Klever (PVV):

Mijn volgende motie gaat over de dialoogtafel.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de dialoogtafel een peperduur theekransje is waar nauwelijks burgers aan deelnemen, maar vooral overbetaalde bestuurders;

verzoekt de regering om de dialoogtafel af te schaffen en dit geld in te zetten voor gedupeerde bewoners in het aardbevingsgebied,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klever. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 46 (33529).

Mevrouw Klever (PVV):

Dan mijn laatste motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Noordwest-Europa afhankelijk is van ons unieke laagcalorische Groninger gas;

overwegende dat de noodzakelijke compensatieregeling voor de aardbevingen in Groningen de gaswinning beperkt en duurder maakt;

van mening dat deze rekening niet alleen door de Nederlandse belastingbetalers betaald moet worden, terwijl het grootste deel van het gas wordt geëxporteerd;

verzoekt de regering om een veiligheidsheffing op te leggen aan alle afnemers van het Groninger gas en alle binnenlandse afnemers daarvoor te compenseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klever. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 47 (33529).

Bent u daarmee gekomen aan het einde van uw inbreng?

Mevrouw Klever (PVV):

Ja.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik heb een vraag over de eerste motie van mevrouw Klever, die gaat over de uitkoopregeling. De SP-fractie steunt uitkoop in situaties waarin een huis zo slecht is dat het niet meer opgeknapt kan worden. Dat lijkt me een logische situatie om tot uitkoop over te gaan. Stel dat iemand wil verhuizen uit het gebied, zijn huis kwijt wil en het te koop aanbiedt aan de minister. Hij is dan verplicht om het op te kopen. Voorziet mevrouw Klever niet het probleem dat mensen in andere krimpgebieden die hun huis moeilijk kwijt kunnen, recht zouden hebben op een vergelijkbare regeling? Of zijn mensen in Zeeuws-Vlaanderen of Zuid-Limburg minder dan de Groningers? Zou het niet beter zijn als de mensen een vergoeding krijgen voor de waardedaling van de woning, dat ze hetzelfde worden behandeld als iedereen en zelf verantwoordelijk blijven voor de verkoop?

Mevrouw Klever (PVV):

De situatie in Groningen is naar mijn mening niet vergelijkbaar met de situatie in willekeurige krimpgebieden elders in Nederland. In Groningen hebben we namelijk last van aardbevingen en mensen zitten daar in beschadigde huizen. Juist omdat daar aardbevingen zijn, is hun huis onverkoopbaar geworden. Daarom moet er voor deze mensen een uitkoopregeling zijn, zodat ze in ieder geval weg kunnen als ze niet meer kunnen slapen van angst om de aardbevingen of als ze bijvoorbeeld elders een baan hebben gevonden. Ik haal dan even het voorbeeld van de heer Vos aan. Nu is er de situatie dat mensen niet weg kunnen en in een uitkering gevangen zitten, terwijl ze elders, als ze uitgekocht zouden worden, wel een baan zouden kunnen vinden. Daarom willen wij een uitkoopregeling voor de mensen in Groningen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Iedereen is het erover eens dat er voor de categorie noodsituaties een uitkoopregeling moet zijn. Ik wil even een rekenvoorbeeld geven. Mevrouw Klever is econoom, dus dat moet haar aanspreken. Alle woningen in Nederland zijn de afgelopen jaren gemiddeld 15% minder waard geworden. Dat is het geval in Groningen, in Limburg, in Zeeland, in de Randstad. In delen van dit gebied zijn de woningen nog minder waard geworden doordat er aardgaswinning plaats heeft gevonden, wat weer bodemdaling en aardbevingen tot gevolg had. Het is dan redelijk dat die mensen die extra schade vergoed krijgen. Dat is de verantwoordelijkheid van deze minister en daar moet de Kamer hem zo nodig ook toe aansporen. Maar voor het overige moeten ze hetzelfde behandeld worden als iedere Nederlander. Dat is toch een logische oplossing?

Mevrouw Klever (PVV):

Dat de mensen een vergoeding moeten krijgen voor de waardevermindering daar ben ik het helemaal mee eens. Dat hebt u mij in mijn eerste termijn ook horen zeggen. Dat betreft dan de mensen die blijven. Maar er zijn ook mensen die weg willen. Natuurlijk, hun huizen zijn gedaald in prijs, maar alles wat ze meer gedaald zijn in prijs dan gemiddeld in Nederland, is te wijten aan de aardbevingen. Daar is zeker een goede rekensom op los te laten, zodat die mensen toch een reëel bedrag krijgen voor hun huis.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Dik-Faber, met de inmiddels door verschillende mensen al aangekondigde moties.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb drie moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er ondanks alle onderzoeken terecht onzekerheid leeft onder de Groningse bevolking;

overwegende:

  • -dat de Nederlandse samenleving afhankelijk is van het aardgas uit het Groningenveld;

  • -dat de gaswinning slechts voor 80% kan worden beperkt, omdat anders de leveringszekerheid in gevaar komt;

  • -dat niet valt uit te sluiten dat de gaswinning in Groningen verder moet worden beperkt om de veiligheidsrisico's voor de inwoners van Noordoost-Groningen te verminderen;

  • -dat het dan van belang is dat dit in de praktijk ook mogelijk is;

verzoekt de regering, te onderzoeken welke maatregelen de komende jaren genomen kunnen worden ter voorbereiding op een eventueel besluit over drie jaar tot drastische vermindering van aardgaswinning, indien de veiligheidssituatie daartoe aanleiding geeft;

verzoekt de regering tevens, de mogelijkheid open te houden dat naar aanleiding van de straks te ontvangen contra-expertise van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid en de gegevens die de komende maanden en jaren uit de monitoring en nader onderzoek van het veld komen, het huidige besluit tussentijds wordt bijgesteld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dik-Faber, Van Veldhoven, Jan Vos, Leegte en Dijkgraaf.

Zij krijgt nr. 48 (33529).

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Dan mijn tweede motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de productie in het zuidelijk deel enigszins wordt opgehoogd ter compensatie van het Loppersum-cluster;

overwegende dat TNO heeft aangegeven dat als gevolg hiervan extra compactie optreedt van ongeveer 0,4 cm;

verzoekt de regering, de NAM op te dragen bij productie in het zuidelijk deel rekening te houden met de reeds opgetreden compactie en hierin te differentiëren met het oog op het zo veel mogelijk beperken van het totale risico,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dik-Faber en Van Veldhoven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 49 (33529).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat naast gaswinning ook zoutwinning leidt tot bodemdaling;

overwegende dat in sommige regio's zowel gas- als zoutwinning plaatsvindt, maar dat weinig bekend is over de effecten op bodemdaling van beide activiteiten;

verzoekt de regering, nader onderzoek te doen naar het cumulatieve effect van gaswinning en zoutwinning in hetzelfde gebied, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dik-Faber en Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 50 (33529).

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Tot slot wil ik de hoop uitspreken dat op deze dag een begin is gemaakt met het herstel van vertrouwen.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Voorzitter. Ik denk dat wij een goede behandeling hebben gehad. Volgens mij ging ze een beetje op zijn Gronings: rustig, met een enkele uitzondering. Ik maak wel eens fellere debatten mee over heikele kwesties. Nu was er slechts een enkele uitzondering. Het debat was wel gedegen en de dingen werden eerlijk benoemd.

Ik dank de minister voor de beantwoording. Ik dank hem ook voor zijn geweldige inzet in dit dossier. Ik denk dat dat wel op zijn plaats is en dat vriend en vijand moeten erkennen dat deze minister de zaken in ieder geval serieus neemt. Ik wil daar ook graag de ambtenaren bij betrekken die op de achtergrond natuurlijk ook veel werk verrichten.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, in overleg met betrokken overheden werk te maken van versnelling van de vergunningprocedures voor het aardbevingsbestendig maken van gebouwen, door te bezien waar belemmeringen in regelgeving hiervoor, desnoods tijdelijk, weggenomen zouden moeten worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dijkgraaf, Van Veldhoven, Dik-Faber, Leegte, Agnes Mulder, Klever, Klein, Ouwehand, Paulus Jansen, Jan Vos en Van Tongeren.

Zij krijgt nr. 51 (33529).

De heer Dijkgraaf (SGP):

Tot slot: de motie die ik nog het meest belangrijk vind, is de motie die uitspreekt dat er een regeling moet komen van meer dan vijf jaar. Daar heb ik in mijn eerste termijn ook voor gepleit. Ik denk dat dat een goede zaak is. Ook de motie die zojuist door mevrouw Dik-Faber is ingediend, waarin gevraagd wordt om ook te kijken naar nieuwe onderzoeken die in de tussentijd plaatsvinden, vinden wij van belang. We zullen die onderzoeken moeten blijven volgen om de veiligheid in Groningen zo veel mogelijk te garanderen.

De heer Klein (50PLUS):

Voorzitter. Ook ik dank de minister voor de beantwoording. Het kabinetsbesluit is voor 50PLUS een aanzet voor een uitgebreid vervolgtraject. Zo zien we in feite ook de beantwoording van de minister. We moeten er nu voor zorgen dat de in het verleden behaalde resultaten geen garantie zijn voor de toekomst, en dat we juist leren van deze sterke afhankelijkheid. We moeten nu dus gaan werken aan veiligheid, aan compensatie, aan een goede duurzame energievoorziening voor nu en voor volgende generaties. Het debat eindigt dus niet vanavond.

Bijzondere aandacht hebben wij gevraagd voor de psychosociale problematiek. De minister heeft in de beantwoording aangegeven dat het lastig is om die onder te brengen in een ruimhartige schadevergoeding. Toch vindt 50PLUS dat we deze zorg voor mensen in nood een plaats moeten geven. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het kabinet zich verplicht heeft, alle aantoonbare en kwantificeerbare schade ontstaan door aardbevingen als gevolg van gaswinning te vergoeden;

roept de regering op om ook aandacht te geven aan de psychosociale problematiek als gevolg van aardbevingen veroorzaakt door gaswinning, door nader te bepalen ondersteuning bij een hulpvraag,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klein. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 52 (33529).

De heer Klein (50PLUS):

Over de schade hebben wij nog de volgende motie. Daarin gaat het over de ondernemers die gedwongen worden om te stoppen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ook plaatsgebonden bedrijven van kleine en oudere ondernemers schade kunnen ondervinden als gevolg van de door aardgaswinning veroorzaakte aardbevingen;

overwegende dat bedoelde ondernemers voor hun oudedagsvoorziening grotendeels afhankelijk zijn van de waarde die hun bedrijf vertegenwoordigt naast de vastgoedwaarde en de verkoopbaarheid van hun bedrijf;

overwegende dat het niet zo mag zijn dat door bedrijfsbeëindiging als gevolg van het ontbreken van economisch perspectief, de oudedagsvoorziening van ondernemers gevaar loopt;

voorts overwegende dat het kabinet heeft aangegeven alle aantoonbare en kwantificeerbare schade ontstaan door aardbevingen als gevolg van gaswinning te vergoeden;

verzoekt de regering, bedoelde ondernemers te betrekken bij de beoordeling van schrijnende gevallen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Klein en Jan Vos. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 53 (33529).

De heer Klein (50PLUS):

Dan kom ik bij mijn laatste motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland gehouden is, voldoende te doen voor het zorgvuldig beheer, het duurzaam gebruik en de duurzame bestemming van natuurlijke hulpbronnen, waaronder aardgas, en de baten daarvan;

overwegende dat de Nederlandse Staat vanuit de aardgasbaten geen financiële reserve heeft gevormd voor volgende generaties;

voorts overwegende dat Nederland door de toenemende vergrijzing voor een grote financiële uitdaging staat;

nodigt de regering uit, de mogelijkheden en budgettaire gevolgen van vorming van een aardgasfonds voor toekomstige generaties te onderzoeken, en de Kamer hierover binnen een jaar te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klein. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 54 (33529).

Als laatste spreker in de tweede termijn van de Tweede Kamer geef ik het woord aan mevrouw Ouwehand van de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn uitvoerige beantwoording. Je kunt veel van hem zeggen, maar niet dat hij het dossier niet uitgebreid heeft bestudeerd of serieus neemt.

De Partij voor de Dieren is erg benieuwd naar de mogelijkheden die de minister verder ziet om onze behoefte aan gas — daar begint het probleem toch mee — verder in te perken. Wat ons betreft mag er nog wel een schepje bovenop de ambities in het energieakkoord ten aanzien van het isoleren van Nederlandse woningen.

Ook ben ik erg benieuwd naar de gesprekken die de minister gaat voeren met buitenlandse afnemers om te onderzoeken welke besparingen daar gerealiseerd zouden kunnen worden. De minister weet dat ik geen fan ben van smeerkaas, maar er was een smeerkaasmerk met de goede slogan "wat er niet aankomt, hoeft er ook niet af". En wat we niet opstoken hoeven we ook niet uit de grond te halen. Ik hoop dus dat we erop kunnen vertrouwen dat de minister daar ook echt werk van maakt. Dat gaan we nauwgezet volgen.

Ook het resultaat van de regelingen die de minister vanavond met ons heeft besproken, zullen wij nauwgezet volgen. Er moet voor gezorgd worden dat mensen goed gecompenseerd worden en niet in ellenlange procedures terechtkomen. De Partij voor de Dieren vindt wel dat, als dat niet goed werkt, we de mogelijkheid achter de hand moeten hebben om de bewijslast om te draaien. We kunnen de slachtoffers van de bevingen niet blijvend opzadelen met procedures waar ze zelf veel negatieve energie in moeten steken.

Vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een groot aantal mensen in Groningen moeite heeft om de gehele schade aan hun woning vergoed te krijgen omdat er wordt ontkend dat de schade veroorzaakt is door de gaswinning;

verzoekt de regering, de Mijnbouwwet aan te passen of daarvoor voorbereidingen te treffen, waardoor de bewijslast voor het aantonen van schade bij de veroorzaker komt te liggen in plaats van bij de slachtoffers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 55 (33529).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik dank de minister ook voor de toezegging om te bekijken of hij risico's ziet bij de ondergrondse opslag van vervuild water in Borgsweer. De Partij voor de Dieren denkt dat we daar goed naar moeten kijken. Verder hebben we een flink aantal moties ondersteund. Ik snap heel goed wat mevrouw Mulder van het CDA zegt: we staan hier en we hebben de veiligheid nog niet helemaal afgedicht. Het is een breed gedeeld gevoel in de Kamer dat we hier niet tevreden over zijn.

Het gaat voortdurend over het herwinnen van vertrouwen. Daar moet je niet zo veel over praten, daar moet je vooral dingen voor doen. Ik denk dat het belangrijk is dat de overheid erkent dat er dingen zijn misgegaan. Excuses maken betekent veel en kost niks, zegt de Nationale ombudsman ook. Veel mensen vinden het moeilijk. De Ombudsman heeft daarom een excuuskaart gemaakt; de minister kent hem wel. Met name de overheid vindt het moeilijk om sorry te zeggen.

Bij dezen geef ik de kaart aan de minister. Hij is heel klein en kan zo in zijn borstzakje. Als hij hem nog eens meeneemt, kan hij hem misschien aan de NAM overhandigen met de mededeling: zeg eens, er zijn dingen misgegaan en dat vinden we vervelend. Vijf stappen naar een goed excuus; ik hoop dat het kabinet ernaar kijkt.

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand, nogmaals bedankt voor uw bijdrage. Daarmee is er een einde gekomen aan de tweede termijn van de Kamer. Er zijn 22 moties ingediend. Om de minister de gelegenheid te geven daar goed op te reageren, schors ik de vergadering voor twintig minuten.

De vergadering wordt van 23.22 uur tot 23.46 uur geschorst.

Minister Kamp:

Mevrouw de Voorzitter. Mag ik, voordat ik over de moties begin, misschien nog even een paar andere punten doornemen? Mevrouw Van Tongeren zei dat zij van haar fractievoorzitter had gehoord dat ik tijdens een AO gezegd zou hebben dat ik mij niet bemoei met de werkgelegenheid in Groningen. Dat was een grapje van haar fractievoorzitter, want tijdens dat algemeen overleg heb ik juist uitgelegd dat ik veertien maanden zeer intensief bezig ben geweest met het bedrijf ALDEL, omdat ik heel graag de werkgelegenheid wilde behouden. Ik heb ook in geuren en kleuren verteld wat ik daarvoor allemaal heb gedaan. Bovendien heb ik vandaag een brief naar de Kamer gestuurd waarin staat dat ik met betrekking tot de chemiecluster in Groningen een aparte werkgroep ga oprichten die binnen een periode van een week of vijf met voorstellen moet komen om die chemiecluster te versterken. Het gaat juist om de werkgelegenheid. Ook bij andere gelegenheden heb ik aan de heren Leegte, Jansen en Vos steeds uitgelegd waarom ik de werkgelegenheid in Groningen zo belangrijk vind en wat ik daar allemaal voor wil doen. Die opmerking van mevrouw Van Tongeren kan ik dus niet plaatsen.

Ook is er gevraagd of ik nog eens wil aangeven welk deel van het gas dat naar het buitenland gaat, onder langetermijncontracten valt. Het is niet zo heel gemakkelijk om dat precies te zeggen, omdat het bij dat gas om verschillende soorten gas gaat, zo zeg ik mevrouw Van Veldhoven. Je hebt laagcalorisch gas dat wij mengen met een deel hoogcalorisch gas zonder dat het de vereiste kwalificaties van het laagcalorische gas overschrijdt. Dat is een mogelijkheid. Je hebt ook nog hoogcalorisch gas waaraan wij stikstof toevoegen. Daarvan maken wij dan kunstmatig laagcalorisch gas. Met alle nuanceringen die ik eromheen kan vertellen, gaat er sec bekeken op dit moment op jaarbasis 30 miljard kubieke meter laagcalorisch gas naar het buitenland. Dat valt in zijn geheel onder de langetermijncontracten.

Verder is er gesproken over Eurocode 8. Daarbij is aangegeven dat ik duidelijk moet maken wat Eurocode 8 nu betekent voor de kracht op de schaal van Richter van de aardbeving waarmee je rekening houdt. De Eurocode 8 geldt dus voor het gebied waar zich natuurlijke aardbevingen voordoen. Afhankelijk van de situatie in het gebied waarom het gaat, wordt er een bepaalde invulling gegeven aan Eurocode 8. Die verschilt dus tussen een gebied waarin kans is op aardbevingen van 5 op de schaal van Richter en een gebied waarin kans is op aardbevingen van 6 op de schaal van Richter. Wij zullen Eurocode 8 toepassen en daar een redelijk maximum bij kiezen. Wij zullen dit zodanig doen dat er geen twijfel over kan bestaan dat wij het onderwerp heel serieus nemen. Wij zullen dus eerder iets strenger dan iets soepeler zijn in vergelijking met de tussenoplossing die vanaf de zomer van toepassing zal zijn. Wij kiezen Eurocode 8 in de juiste vorm om alle verbouwingen en bouwwerkzaamheden zo snel mogelijk te kunnen laten doorgaan.

De voorzitter:

Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Van Veldhoven, want dit was volgens mij een reactie op een vraag die mevrouw Van Veldhoven heeft gesteld.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Voorzitter, we gaan het makkelijk maken. Ik geef graag mevrouw Mulder als eerste het woord.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Wanneer krijgen wij duidelijkheid over de norm? Ik had die eerlijk gezegd zo opgevat dat norm nummer 8 eigenlijk vanaf vandaag helder zou zijn, zodat iedereen morgen aan de slag zou kunnen. Als ik het nu hoor, ligt het allemaal toch even anders. Ik vraag mij dus af wanneer de Groningers aan de slag kunnen.

Minister Kamp:

Dit lijkt me een heel redelijke vraag van mevrouw Mulder. Ik denk ook dat ik daar uiterlijk begin volgende week duidelijkheid over moet geven. Ik zal de betrokken overheden in het gebied duidelijk maken waarmee zij in de periode tot de zomer, tot er een tussenoplossing is, rekening hebben te houden. Ik zal dit doen in overleg met hen. Wij zullen daarover met elkaar spreken. Dan zullen wij die duidelijkheid bieden.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik neem aan dat daarbij dan duidelijk wordt gespecificeerd wat het aardbevingsrisico is waarvan we dan uitgaan. Maar dat spreekt volgens mij voor zich.

Minister Kamp:

Ja.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik heb nog een vraagje over de export van het laagcalorische gas. Daarin, en niet in het hoogcalorische gas, zit namelijk het knelpunt. Op welke termijn bieden de langetermijncontracten ruimte voor vermindering van de export? Het ene langetermijncontract zal immers het andere niet zijn. Ze zijn waarschijnlijk ook niet allemaal op hetzelfde moment gesloten. Kan de minister de Kamer daarover wat meer informatie geven?

Minister Kamp:

Ja, maar niet uit mijn hoofd. Ik weet niet precies wanneer die contracten aflopen. Ik ben bereid om bij een passende gelegenheid, niet zolang na nu, de Kamer inzicht te geven in het verloop van die contracten. We weten dat op dit moment de hele export, ter waarde van 30 miljard, valt onder de langetermijncontracten. We sluiten geen nieuwe langetermijncontracten. De redelijke vraag van mevrouw Van Veldhoven is: wanneer komt er dan ruimte vrij? Ik zal daarin inzicht geven.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Hartelijk dank voor de heldere toezegging.

Minister Kamp:

Voorzitter. Mevrouw Ouwehand heeft bij herhaling gesproken over de locatie Borgsweer, waar water wordt geïnjecteerd. Als je aardgas wint, dan komt daarbij ook water mee naar boven. Dat water gaat daarna weer terug. Dat gebeurt geconcentreerd op één locatie: Borgsweer. Er worden geen rare dingen gedaan. Er wordt geen water dat niet uit de grond afkomstig is, daar ingebracht. Ook is het geen water dat met chemicaliën de grond ingaat en dan weer wordt opgepompt. Het is natuurlijk water, dat bij de winning van aardgas omhoogkomt. Dat wordt geconcentreerd bij Borgsweer weer in de grond gebracht. Er is geen enkel verband tussen deze zeer lokale waterinjectie die daar plaatsvindt en de aardbevingsproblematiek.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik zou het erg op prijs te stellen als de minister de Kamer kan laten weten — het hoeft niet nu hier — op basis van welke analyse hij tot de conclusie komt dat er geen risico's aan verbonden zijn. Ik heb begrepen dat er ook in de provincie kritische vragen over zijn gesteld. Het hoeft niet à la minute — het kan op een later moment — maar het moet wel uitsluiten dat daar risico's zijn. Ik zou dan ook graag de onderbouwing zien als de minister denkt dat het geen kwaad kan.

Minister Kamp:

Ik weet niet of dat nuttig is. Uit mezelf zeg ik dat niet toe, omdat het mijn verantwoordelijkheid is om ervoor te zorgen dat wat ik hier zeg, klopt. Als ik zeg dat er geen risico's aan zijn verbonden, dan zijn er geen risico's aan verbonden. Ik kan het dan nog wel een keer op papier zetten, maar dat heeft allemaal weinig zin. De Kamer moet ook op mijn woorden af kunnen gaan. Ik heb hier geen misverstand over laten bestaan. Ik zou het daarbij willen laten. Anders kan ik iedere keer dat ik hier wat zeg, weer de onderbouwing en de onderliggende stukken erbij geven. Dat lijkt me niet effectief in het normale verkeer met het parlement.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik ben blij dat de minister het net wat verhelderd heeft. Hij zei: ik voel wel degelijk een grote verantwoordelijkheid voor de werkgelegenheid. Ik heb het citaat nog wel even opgezocht. Daarin staat het volgende. "We hebben het regionaal economisch beleid gedecentraliseerd naar de provincies." Dan volgt een flink stuk tekst, dat ik vanwege de tijd zal overslaan. Daarna staat er: "Dat is de manier waarop de provincie het invult, en het lijkt me een heel goede manier. Ik denk dat Nederland er niet beter van wordt als het Rijk vervangende duurzame werkgelegenheid gaat organiseren." Dat was wat mijn fractievoorzitter mij vertelde. Ik ben blij dat de minister verhelderd heeft dat hij eigenlijk toch wil zeggen: het Rijk voelt een grote verantwoordelijkheid voor de werkgelegenheid in Groningen.

Minister Kamp:

Dit was twee punten geleden, maar ik wil er best nog een keer op ingaan. Dat het regionaal economisch beleid naar de provincies is gedecentraliseerd, is een feit. Bovendien doen ze dat ook heel goed. Over de uitspraak dat het Rijk geen werkgelegenheid gaat organiseren, zeg ik: nee, dat doet het Rijk ook niet. Het is aan ondernemers om werkgelegenheid te organiseren. Wat het Rijk aan werkgelegenheid heeft, staat wat betreft de politieke partijen om wat mij betreft goede redenen onder druk. Er wordt namelijk voortdurend gekort op de overheid, waardoor de overheid moet inkrimpen en de werkgelegenheid verdwijnt. De werkgelegenheid in de markt ontstaat door bedrijven. Dat wil niet zeggen dat ik niet heel erg mijn best doe om voorwaarden te scheppen om die bedrijven in staat te stellen, te blijven functioneren, naar Nederland te komen of uit te breiden als ze al in Nederland zijn gevestigd. Daar ben ik de hele dag mee bezig. Dat is mijn corebusiness.

Ik heb een aparte dienst die bedrijven aantrekt om zich in Nederland te vestigen. Ik heb ALDEL als voorbeeld gegeven. Ik ben veertien maanden lang iedere week bezig geweest om de werkgelegenheid daar zo veel mogelijk overeind te houden. Zo zijn er veel meer voorbeelden te geven. Er zijn verschillende dingen. De overheid creëert werkgelegenheid. Er is regionaal economisch beleid. Bovendien maak ik mij druk over de werkgelegenheid in een bepaalde regio. Dat zijn genuanceerde begrippen die ik allemaal genuanceerd, in overleg met de Kamer, probeer te behandelen.

Inmiddels is mij een briefje aangereikt naar aanleiding van de vraag van mevrouw Van Veldhoven. Ik zou haar informeren over het moment waarop de buitenlandse contracten aflopen. De eerste contracten lopen over acht jaar af; de laatste over veertien jaar.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

De minister hoeft dit niet uit zijn hoofd te doen. Kan hij ons bij gelegenheid iets meer laten weten over de hoeveelheid ruimte die bij de verschillende contracten vrijkomt? Dat geeft ons namelijk een beetje perspectief. Dat zou fijn zijn.

Minister Kamp:

Oké, mevrouw de voorzitter. Dan kom ik, met uw instemming, op de moties.

Ik begin met de motie van de heer Vos c.s. op stuk nr. 34. Hij geeft daarin aan dat de regering er zorg voor zou moeten dragen dat veiligheidsrisico's in de productiefilosofie van de NAM centraal worden gesteld, zoals aanbevolen door Staatstoezicht op de Mijnen. Ik heb inhoudelijk gereageerd op deze motie. Ik heb gezegd dat ik vind dat de veiligheid van het eerste belang is. Wij winnen daar echter niet gas voor de veiligheid, maar omdat daar iets mee moet gebeuren, dus omdat wij dat nodig hebben. Wat wij daar allemaal aan gekoppeld hebben wat betreft leveringszekerheid en alles wat daar weer van afhangt, is ook een factor waarmee goed rekening gehouden moet worden. Als ik de motie zo mag uitleggen dat de veiligheidsrisico's voortdurend in beeld moeten zijn, ook bij de NAM, en dat die een centrale rol spelen, zonder daarmee de andere aspecten te veronachtzamen, laat ik het oordeel over deze motie graag aan de Kamer.

De heer Vos heeft in zijn motie op stuk nr. 35 aangegeven dat de regering zou moeten bevorderen dat in de regio zo veel mogelijk mensen worden opgeleid in het aardbevingsbestendig verstevigen en repareren van gebouwen. Hij heeft zijn eigen formulering daarbij geschreven in plaats van de oorspronkelijke formulering. Ik vind dit een goede suggestie. Als wij langjarig in het gebied op verschillende manieren grote investeringen doen waar werkgelegenheid aan verbonden is, is het van groot belang dat die werkgelegenheid zo veel mogelijk door de mensen uit het gebied zelf wordt ingevuld. Deze motie kan daaraan bijdragen. Wij zullen natuurlijk ook aan de dialoogtafel bespreken op welke wijze dit het beste gedaan kan worden. Als ik de motie goed uitleg — ik denk dat ik dat doe — laat ik het oordeel erover graag aan de Kamer.

Nu kom ik op de motie-Vos/Van Tongeren op stuk nr. 36 over de "ombudsman", zoals de heer Vos die noemt. Ik pleeg hem "de onafhankelijke raadsman" te noemen. De heer Vos en mevrouw Van Tongeren zeggen dat de functie van de gasombudsman in de regio versterkt moet worden. Ik denk dat een betere bereikbaarheid en meer zichtbaarheid van de onafhankelijke raadsman goed zijn om het hele schadeproces van de NAM van enige afstand te volgen en om bij te dragen aan verdere verbetering. Wij zullen met de onafhankelijke raadsman, de heer Klaassen, praten over de wijze waarop wij dit precies kunnen doen. Gedacht wordt aan een wekelijks spreekuur en aan een eigen website. Dat soort dingen zullen wij met hem bespreken. Het oordeel over deze motie laat ik aan de Kamer.

In de motie-Jansen/Van Tongeren op stuk nr. 37 wordt voorgesteld om binnen drie maanden een voorstel voor een schadefonds voor te leggen. Ik heb daar met de heer Jansen over van gedachten gewisseld. Ik vind dat dit geen meerwaarde heeft. Om die reden ontraad ik de aanneming van deze motie.

In de motie-Jansen c.s. op stuk nr. 38 staat dat er een hulpteam moet komen voor de afhandeling van de schadegevallen. Ik denk dat de strekking van die motie wat beter in de motie op stuk nr. 41 naar voren komt. Met een hulpteam vind ik dat je te veel de verantwoordelijkheid bij mensen zelf wegneemt. Ik vind het wel van groot belang dat er één loket is en dat mensen ook op een heldere, eenduidige manier vanuit dat ene loket worden behandeld en benaderd. Omdat ik vind dat dat beter in de motie op stuk nr. 41 is verwoord, wil ik deze motie van de heer Jansen c.s. ontraden.

Ik kom bij de motie op stuk nr. 39 van de heer Jansen en de heer Vos waarin zij uitspreken dat TenneT moet worden verzocht de uitrol van een collectief hoogspanningsnet voor de Noordzee voor zijn rekening te nemen en daarvoor de regio Eemsmond als uitvalsbasis te nemen. Ik denk dat het niet goed is om dat te doen. Ik denk dat de beslissing over een netwerk op zee, hoe dat precies wordt ingevuld, aan wie dat moet worden opgedragen en op welke plek dat moet worden uitgevoerd een belangrijke beslissing is, die het verdient dat ik daar een dossier voor krijg waarin alle achtergronden staan, zodat ik daarover een verantwoord besluit kan nemen en daarover vervolgens aan de Kamer verantwoording kan afleggen. Ik vind dat het de kwaliteit van de besluitvorming niet ten goede komt als ik dat in de marge van dit overleg nu zo ga toezeggen. Maar ik ga ook niet tegenspreken dat het dit misschien kan gaan worden. Wij hebben op 24 april een algemeen overleg over wind op zee, samen met de minister van I&M. Ik zal proberen om voor die datum mijn zaken wat dit betreft op orde te hebben en de Kamer daarover te informeren. Ik verzoek de heer Jansen om bij die gelegenheid zijn oordeel te geven of dat wel of niet genoeg is en zijn motie in stemming te brengen. Dus mijn verzoek aan hem is om de motie op stuk nr. 39 aan te houden.

De heer Paulus Jansen (SP):

Daar ben ik toe bereid.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Paulus Jansen stel ik voor, zijn motie (33529, nr. 39) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Kamp:

Ik kom bij de motie op stuk nr. 40 van mevrouw Van Veldhoven c.s. die door een groot aantal woordvoerders mee is ondertekend. Daarin staat dat in verband met de langjarige continuering, met name het bedrag van 65 miljoen dat wij hebben uitgetrokken voor een periode voor economische versterking, wordt aangevuld door de provincie met 32,5 miljoen tot bijna 100 miljoen. Ik begrijp dat mevrouw Van Veldhoven c.s. van mening zijn dat wij voor dit bedrag nu al een toezegging zouden moeten doen voor in totaal 130 miljoen, waarbij zij dan hopen dat de provincie ook tot een bedrag van 65 miljoen gaat, zodat wij nu bijna 200 miljoen beschikbaar hebben om daarvoor in de sfeer van economische structuurversterking toezeggingen te doen. Dit is niet de precieze uitwerking van mijn bestuursakkoord met de bestuurders in de regio, maar het is ook niet zodanig dat ik mij daartegen wil verzetten. Ik zie ook wel de logica achter deze redenering. Vandaar dat ik het oordeel over deze motie graag aan de Kamer laat.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 41 van mevrouw Van Veldhoven en de heer Vos, waarin wordt gevraagd om één loket en om heldere regie naar de bewoners. Ik zal aan de dialoogtafel ook laten spreken over de vraag hoe wij dat precies kunnen instellen. We krijgen dan dus dat de NAM de schadeafhandeling moet blijven doen maar dat er een onafhankelijke instantie komt die daarvoor de eerste verantwoordelijkheid gaat dragen en de aansturing gaat doen, en die ook moet zorgen dat het goed wordt ingevuld. Daar komt onafhankelijk toezicht op, en ook de onafhankelijke raadsman wordt daarbij betrokken. Maar ik denk dat de basisgedachte daarvoor van één loket en een gerichte, persoonlijke benadering van de mensen die het betreft een goede basisgedachte is. Om die reden laat ik ook het oordeel over deze motie graag aan de Kamer.

Dan is er de motie op stuk nr. 42 van mevrouw Van Tongeren en mevrouw Ouwehand, die uitspreekt dat de regering de mogelijkheden moet onderzoeken om de verdeling van de aardgasbaten tussen de NAM en het Rijk aan te passen, zodat de NAM een groter deel van de schade betaalt. Ik ben daarop ingegaan en heb aangegeven dat de winstverdeling 90/10 en de kostenverdeling ongeveer twee derde/een derde is. Ik denk dat wij daarmee de zaak goed hebben geregeld. Ik zie daarin geen mogelijkheden tot verbetering. Deze motie ontraad ik dus.

In de motie-Van Tongeren/Ouwehand op stuk nr. 43 wordt het Verdrag van Aarhus opgevoerd. Dat handelt over de toegang tot milieu-informatie, inspraak in de besluitvorming, milieuaangelegenheden en toegang tot de rechter in milieu-aangelegenheden. Dat hele verdrag van Aarhus wordt in al onze wetgeving verwerkt. Wij voelen ons gebonden aan dat verdrag, met overtuiging. Het is helemaal in wetgeving verwerkt. Alle besluiten die ik neem, zijn in lijn met het Verdrag van Aarhus. De Mijnbouwwet kent een eigen beoordelingskader voor het beoordelen van aanvragen voor het winnen van gas. De Mijnbouwwet geeft aan wanneer een vergunning kan worden geweigerd. Schoon en veilig is daarbij niet een zelfstandig criterium, maar speelt wel een grote rol bij het beoordelen van vergunningen. Als nu in de motie is verwoord dat gaswinning alleen toegestaan kan worden als dat schoon en veilig gebeurt, dan gaat dat verder dan het Verdrag van Aarhus en de uitwerking daarvan. Dit heeft geen meerwaarde en daarom ontraad ik het aannemen van deze motie.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

In het Verdrag van Aarhus staan specifieke dingen over fossiele winningen, het voorzorgsprincipe bij fossiele winningen en het zorgvuldig omgaan met delfstoffen ten behoeve van de bevolking. Wat de minister zegt, klopt uiteraard, maar het gaat nog wat verder. Om die reden heb ik de connectie gemaakt. Het klopt dat Nederland een van de grote sponsoren van het Verdrag van Aarhus was. Ik vraag de minister om met deze extra uitleg anders te kijken naar deze motie.

Minister Kamp:

Ik kan moeilijk nee zeggen tegen mevrouw Van Tongeren maar in dit geval doe ik het toch. Het verdrag van Aarhus is namelijk in al onze wetgeving verwerkt. Mevrouw Van Tongeren heeft de bedoeling om nog iets extra's te doen en zegt ook, nadat zij eerst dat verdrag heeft aangehaald, dat gaswinning alleen toegestaan mag worden als dat schoon en veilig kan. Dat meerdere kan ik niet goed plaatsen. Naast het Verdrag van Aarhus hebben we daarvoor ook bepalingen in de Mijnbouwwet. Ik vind dat we dat voor elkaar hebben. Ik zie niet in welke meerwaarde deze motie heeft. Om die reden ontraad ik nogmaals het aannemen ervan.

Ik kom op motie Mulder c.s. op stuk nr. 43. Hopelijk is mevrouw Mulder inmiddels niet meer chagrijnig. In deze motie staat dat de veiligheid bij de gaswinning uit het Groningenveld voorop moet staan en dat niet afgeweken mag worden van het SodM-advies voordat er meer duidelijkheid is over onder andere een advies van SodM over de gevolgen van het kabinetsbesluit. Ik heb dat SodM-advies zo goed mogelijk nageleefd en in beleid vertaald. Ik vind het advies van SodM nuttig. Zowel wat betreft het omgaan met het tot stand laten komen van een nieuw winningsplan als het maximaal terugdringen van de productie bij Loppersum heb ik zo goed mogelijk gedaan wat SodM vroeg. Ik ben het er niet mee eens dat mij wordt gevraagd om meer te doen. Daarom ontraad ik het aannemen van de motie op stuk nr. 44.

In de motie-Klever op stuk nr. 45 staat dat 300 miljoen vrijgemaakt moet worden voor een uitkoopregeling ten koste van economische versterking, ten koste van waardevermeerdering van huizen en ten koste van leefbaarheid. Ik verschil daarover principieel van mening met haar. Ik gebruik het woord "principieel" niet vaak, maar in dit geval doe ik dat wel. Ik ben ervan overtuigd dat we ervoor moeten zorgen dat het economische perspectief van Groningen wordt versterkt, dat de waardedaling van de huizen wordt gekeerd door aan waardevermeerdering van de huizen te doen en dat er geïnvesteerd moet worden in de omgeving zodat de huizen ook weer aantrekkelijker worden. Ik wil dus dat er in Groningen weer een spiraal naar boven komt in plaats van een spiraal naar beneden. Met een uitkoopregeling en het laten vallen van alle andere dingen wordt de spiraal naar beneden ingezet. Dat wil ik absoluut niet en daarom ontraad ik het aannemen van de motie op stuk nr. 45.

In haar motie op stuk nr. 46 spreekt mevrouw Klever over een "peperduur theekransje" en "overbetaalde bestuurders". Deze motie ontraad ik alleen al vanwege deze bewoordingen.

In de motie op stuk nr. 47 zegt mevrouw Klever dat er een veiligheidsheffing moet worden opgelegd aan alle afnemers van het Groninger gas. Ik heb al aangegeven waarom ik dat niet wil. Het kan echter ook niet. Nederlands gas dat naar het buitenland gaat, is onderdeel van een grote markt waar in totaal 550 miljard m3 per jaar verhandeld wordt. Het gas wordt ook steeds doorverhandeld. Ik zou ook helemaal niet weten hoe het technisch zou moeten worden gerealiseerd om een heffing voor buitenlandse afnemers op te leggen. Om die reden ontraad ik deze motie.

Mevrouw Dik-Faber stelt in haar motie op stuk nr. 48 dat een regering moet onderzoeken welke maatregelen de komende jaren genomen kunnen worden ter voorbereiding op een eventueel besluit tot drastische vermindering van de aardgaswinning. Ik loop op dat eventueel te nemen besluit niet vooruit. Ik weet niet of dat aan de orde zal zijn, maar het kan wel aan de orde zijn. Ik vind dat ik de maatregelen moet nemen die in dat verband nodig zijn om mijzelf en de Kamer de vrijheid te bieden om daartoe eventueel te besluiten. Ik ben bereid dat te doen.

Verder zegt ze dat ik moet wachten tot er een contra-expertise is of dat ik de mogelijkheid moet openhouden dat, als er een contra-expertise is van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid, wij tussentijds het besluit dat vandaag aan de orde is nog kunnen gaan bijstellen. De Onderzoeksraad Voor Veiligheid gaat geen contra-expertise uitvoeren. Hij gaat onderzoeken in welke mate er in het verleden bij de besluitvorming over de aardgaswinning rekening is gehouden met de veiligheid. Is dit gebeurd, in welke mate is dit gebeurd en heeft de onderzoeksraad dit als voldoende beoordeeld? Dat is wat de onderzoeksraad gaat doen. Hij gaat niet het werk nog een keer opnieuw doen dat wij of SodM of de NAM of een andere onderzoeksinstelling hebben gedaan.

Dit neemt niet weg dat het niet uitgesloten is dat de onderzoeksraad met een bepaalde constatering of aanbeveling komt waardoor wij iets moeten doen wat wij op dit moment niet kunnen voorzien. Ik wil dat zeker niet uitsluiten. Tussen nu en drie jaar hebben wij het besluit dat er nu is en dat volgens mij moet worden uitgevoerd. Hierover moet vooral geen onzekerheid bestaan, want er is genoeg onzekerheid geweest het afgelopen jaar in Groningen. Ik wil duidelijkheid, maar het kan niet zo zijn dat wij in die drie jaar oogkleppen voor hebben. Als er een rapport verschijnt waar iets in staat waarvan iedereen begrijpt dat je er iets mee moet doen, moeten wij dat ook doen. Als dit de bedoeling is van mevrouw Dik-Faber, heb ik geen bezwaar tegen deze formulering en laat ik het oordeel over deze motie ook graag aan de Kamer.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

De minister wijst terecht op het rapport van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid waarvan hij zelf ook gewag maakt in zijn brief. In de motie wordt ook gesproken over monitoring in de komende jaren. In de motie zit inderdaad de kwalificatie van het rapport van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid als contra-expertise. Als dit woord in de weg zit, wil ik samen met de andere indieners kijken of dit woord kan worden aangepast. Het is wel een rapport dat verschijnt en de minister heeft heel duidelijk aangegeven dat dit rapport serieus moet worden genomen. Als er een uitkomst is die niet te negeren is, zullen wij ook stappen met elkaar zetten. Als het echt alleen het woordje "contra-expertise" is, zal ik met de andere indieners kijken of wij daaraan een andere benaming kunnen geven. Zoals de minister het heeft geschetst, is het inderdaad terecht. De onderzoeksraad zal niet alle onderzoeken opnieuw doen, maar zal wel kijken of het veiligheidsaspect goed is meegewogen en dit staat voor de ChristenUnie voorop.

Minister Kamp:

Ik stel deze tegemoetkoming van mevrouw Dik-Faber op prijs. Zij kan mijn uitleg van de motie onderschrijven. Dat betekent dat ik mijn conclusie overeind houd dat ik het oordeel aan de Kamer kan laten. Ik wil echt niet dat er weer onduidelijkheid in het gebied ontstaat. Een jaar lang onduidelijkheid daar is fnuikend geweest. Wij hebben nu een kabinetsbesluit. Als dat wordt gesteund door de meerderheid van de Kamer, kunnen wij de komende drie jaar daarmee uit de voeten. Daarna nemen wij weer een besluit voor de toekomst, wat wij heel goed zullen voorbereiden. Als er in die periode van drie jaar bijzondere dingen zijn waarvan iedereen begrijpt "daar moet je wat mee", dan begrijp ik dat ook en zullen wij dat doen. Laat met deze motie echter geen nieuwe onzekerheid ontstaan. Ik begrijp dat dit niet de bedoeling is van mevrouw Dik-Faber. Daarom laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer.

Ik kom bij de motie op stuk nr. 49 van mevrouw Dik-Faber, waarin zij mij verzoekt de NAM op te dragen bij de productie in het zuidelijk deel rekening te houden met de reeds opgetreden compactie en hierin te differentiëren. Dat wil ik niet doen. De NAM bekijkt op dit moment met SodM en anderen wat de situatie is na de besluitvorming van het kabinet. Wij moeten in Loppersum terug, er is een maximum en daar mogen wij in de loop van het jaar ook in bijzondere omstandigheden niet overheen; hoe kunnen wij dat vertalen in een verantwoord beheer van het hele gasveld? Zij moeten hun werk doen. Ik zal dat natuurlijk volgen en bekijken of dat ook naar mijn oordeel op een goede manier gebeurt. Het lijkt mij echter niet zinvol om hun aanwijzingen te geven wat zij precies moeten doen. Ik heb naar aanleiding van de opmerkingen van mevrouw Van Veldhoven al gezegd dat ik goed heb begrepen dat het nuttig is om te kijken naar de put die het dichtst bij de bebouwde kom van Groningen ligt, ook gerelateerd aan het aantal mensen dat daar woont. Ik zal bijzondere aandacht aan die winning geven, maar voor de rest zal ik het houden bij mijn algemene beoordeling van het werk dat de NAM nu moet doen. Ik heb er vertrouwen in dat de NAM dat op een goede manier zal doen. Om die reden ontraad ik de motie op stuk nr. 49.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Vorige week is tijdens de technische hoorzitting een duidelijk signaal van wetenschappers gekomen dat het zuidelijke deel van het productieveld zeer divers is wat betreft de compactie. Het westelijke deel en het oostelijke deel hebben een ander soort gesteente. De bodemkwaliteit is er anders. Dat betekent dat er op de ene plek al meer compactie is opgetreden dan op de andere plek. Als wij de productie in lichte mate verplaatsen naar het zuidelijke deel, zou het ontzettend goed zijn dat wij bekijken waar die compactie nog niet zo heel groot is en dat vooral daar wordt gekeken naar mogelijkheden voor aanvullende woning. Waar die compactie al in aanzienlijke mate is opgetreden, zou dan wat minder gaswinning moeten plaatsvinden. Ik heb die differentiatie beoogd met deze motie op basis van het advies van de wetenschappers vorige week. Ik ben een beetje verbaasd dat de minister deze motie ontraadt.

Minister Kamp:

Er zijn meer dingen die wetenschappers naar voren brengen. Er zijn ook dingen waarvan de ene wetenschapper dit zegt en de andere wetenschapper dat. De NAM weet heel goed hoe dat zit in het zuidelijke deel van het gasveld. De NAM heeft nu de verantwoordelijkheid om te verwerken dat de productie in Loppersum in één jaar tijd van 17 naar 3 miljard teruggaat, en om te verwerken dat het totaal van 54 miljard naar 42,5 miljard teruggaat. De NAM moet dat op een verstandige manier doen en ik zal dat in de gaten houden. Ik zal de verschillende inbrengen van diverse wetenschappers op diverse onderdelen daarbij betrekken. Het dient echter geen doel om nu één ding daaruit te trekken en aan de NAM op te dragen, dus daar voel ik niet voor. Ik ontraad de motie.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Bij Schiphol zijn wij bijna zo ver dat wij met elkaar een nieuw systeem vaststellen waarbij wij zo slim mogelijk gebruikmaken van de milieuruimte. Eigenlijk hebben wij het nu over hetzelfde. Ik hoor dat de minister duidelijk zegt: ik draag de NAM op om te zorgen voor verantwoord beheer. Eigenlijk zegt de NAM zelf ook al dat zij dat wil doen. Zouden wij eruit kunnen komen, als wij de motie aanpassen: verzoekt de regering, de NAM op te dragen of met de NAM af te spreken bij de productie in het zuidelijk deel te zorgen voor verantwoord beheer met het oog op het zo veel mogelijk beperken van het totale risico? We moeten hier in de Kamer niet gaan invullen wat dat is — die kritiek deel ik met de minister — maar het beperken van het totale risico, zoals wij ook bij de luchtvaart doen, is iets waar wij nog nader tot elkaar zouden kunnen komen.

Minister Kamp:

Ieder enthousiasme daarvoor ontbreekt bij mij. Het is ondenkbaar dat de NAM niet gericht zou zijn op verantwoord beheer. Het is ook ondenkbaar dat ik of SodM dat niet zouden doen als wij dat in de gaten houden. Zo'n motie heeft geen meerwaarde. In een debat als dit moeten uitspraken van de Kamer meerwaarde hebben en ik denk dat deze uitspraak geen meerwaarde heeft.

De voorzitter:

mevrouw Van Veldhoven, u bent nu aan het onderhandelen over het wijzigen van een motie waarvan u niet de eerste indiener bent. Ik neem aan dat u dit hebt afgestemd met de eerste indiener.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Dat klopt, dat hebben wij afgestemd. Het oordeel van de minister is duidelijk. Wij verschillen daarover van mening. Het lijkt ons nuttig om de NAM op te roepen om bij dat verantwoord beheer, dat natuurlijk logisch is, specifiek te kijken naar het zoveel mogelijk beperken van het totale risico. De minister heeft zijn oordeel gegeven.

De heer Paulus Jansen (SP):

Even voor mijn oordeel over de motie. Zegt de minister dat SodM er feitelijk voor zorgt dat de NAM het risico in het gebied zoveel mogelijk egaliseert?

Minister Kamp:

Ik moet kijken op welke manier Staatstoezicht op de Mijnen daar precies bij betrokken is. SodM is mijn vaste adviseur en houdt toezicht op de winning van natuurlijke hulpbronnen. Als daar een majeure verschuiving plaatsvindt en als ik die in de gaten ga houden, betrek ik SodM daar graag bij. Ik zie het probleem niet. Wij hebben nu bepaald wat er volgens ons moet gaan gebeuren: de bovengrens en de reductie bij Loppersum. Vervolgens moet dat in de techniek op een verantwoorde manier worden vertaald. De NAM wil niets anders doen dan dingen verantwoord laten zijn. Behalve dat de NAM dat zelf wil, is het ook in haar eigen financiële belang om de zaken verantwoord te doen. Ik zal dat in de gaten houden. Ik zal SodM daarbij betrekken. Wat moet ik dan nog met deze motie?

De heer Paulus Jansen (SP):

Dank u wel.

Minister Kamp:

In de motie op stuk nr. 50 van mevrouw Dik-Faber en mevrouw Van Tongeren staat dat de regering nader onderzoek moet doen naar het cumulatieve effect van gaswinning en zoutwinning. Wij hebben recent in het kader van de gewijzigde winningsplannen voor zout in Groningen in detail gekeken naar de gevolgen voor de bodemdaling, mede in samenloop met de gaswinning. SdoM heeft mij geadviseerd om in te stemmen onder een aantal voorwaarden. Op die manier pakken wij dit aan. Er is recent goed naar gekeken en ik geef mevrouw Dik-Faber en mevrouw Van Tongeren in overweging om deze motie in te trekken omdat die overbodig is. Als zij dat onverhoopt niet doen, zal ik de motie vanwege die overbodigheid ontraden.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Mijn excuus dat ik niet op de hoogte was van het onderzoek. Ik zal mij daarin verdiepen en trek de motie in.

De voorzitter:

Aangezien de motie-Dik-Faber/Van Tongeren (33529, nr. 50) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

Minister Kamp:

In de motie op stuk nr. 51 van de heer Dijkgraaf c.s., ondertekend door alle woordvoerders, staat dat bezien moet worden hoe de vergunningenprocedures kunnen worden versneld en waar belemmeringen desnoods tijdelijk kunnen worden weggenomen. Ik vind dit een uitspraak van de medewetgever die relevant is en laat het oordeel aan de Kamer.

In de motie op stuk nr. 52 van de heer Klein wordt de regering opgeroepen om ook aandacht te geven aan de psychosociale problematiek als gevolg van aardbevingen. Ik begrijp goed wat de heer Klein wil. Het gaat erom dat bij bepaalde mensen die in moeilijke omstandigheden verkeren — dat kunnen ook psychosociale problemen zijn — de problemen in verband met de aardbeving heel hard aankomen en dat daaraan bijzondere aandacht moet worden gegeven, zowel in de sfeer van de begeleiding als in de sfeer van het eventueel treffen van maatwerkmaatregelen. In de sfeer van de begeleiding kan dat bijvoorbeeld vanuit de gemeente worden gedaan of misschien vanuit de onafhankelijke instantie die betrokken gaat worden bij de schadevergoeding. Als het de bedoeling is van de heer Klein dat er op die manier vanuit de gemeente of vanuit die onafhankelijke instantie aandacht is voor dat punt, deel ik zijn opvatting. Dat beschouw ik als ondersteuning van beleid. Ik vind het inderdaad noodzakelijk dat wij ons realiseren dat heel verschillende mensen met dezelfde problematiek geconfronteerd worden. Sommigen pakken dat makkelijker op dan anderen. Sommigen zitten al in moeilijke omstandigheden. Daar moet je oog voor hebben. Zij hebben niet gevraagd om deze problemen. Wij moeten kijken waar wij hen recht kunnen doen en kunnen begeleiden. Als dat de bedoeling is, heb ik geen bezwaar en laat ik het oordeel over deze motie graag aan de Kamer.

De heer Klein (50PLUS):

Dat is de bedoeling, zeker in relatie tot het loket waar in de motie op stuk nr. 41 om wordt gevraagd.

Minister Kamp:

In zijn motie op stuk nr. 53 geeft de heer Klein aan dat er voor ondernemers die stoppen problemen kunnen zijn met de verkoopbaarheid van hun bedrijf. Hij is van mening dat deze ondernemers betrokken moeten worden bij de beoordeling van de schrijnende gevallen. Dat wil ik niet doen, omdat ik niet denk dat dit allemaal schrijnende gevallen zijn. Wat schrijnende gevallen zijn, moet worden beoordeeld door de instantie die wij daarvoor in het leven gaan roepen en in de overgangsperiode door de drie personen die daarvoor worden aangetrokken. Het is heel goed denkbaar dat een situatie zoals beschreven door de heer Klein een schrijnend geval is. Het is echter niet zo dat je die ondernemers per definitie allemaal bij de beoordeling van schrijnende gevallen moet betrekken. Om die reden ontraad ik deze motie.

De heer Klein heeft in zijn motie op stuk nr. 54 aangegeven dat er een "aardgasfonds voor toekomstige generaties" moet komen. Ik heb al gezegd dat dit niet de plek is waar een goede beslissing daarover kan worden genomen. Zodra je een fonds instelt en je geld onttrekt aan de begroting, heeft dat allerlei consequenties. Dat kan de Kamer volgens mij het beste beoordelen bij het vaststellen van de begroting. Als de Kamer dit zou willen overwegen, is de vaststelling van de begroting daar een betere gelegenheid voor dan dit debat. Daarom ontraad ik deze motie van de heer Klein.

De heer Klein (50PLUS):

Dit is het antwoord dat de minister mij ook heeft gegeven in eerste termijn. Daar heb ik goed naar geluisterd. Vandaar dat ik de motie heb veranderd. Ik heb niet gevraagd om het instellen van een dergelijk aardgasfonds. Ik vraag alleen om te kijken naar de mogelijkheden en de budgettaire gevolgen ervan, zodat je die informatie kunt betrekken bij de begrotingsbehandeling. Daarom is er een termijn van een jaar in opgenomen. Dan is er wat voorwerk verricht, zodat wij die discussie bij de begrotingsbehandeling daadwerkelijk goed kunnen voeren. Ik vraag de minister om dat goed in ogenschouw te nemen.

Minister Kamp:

Toch, met respect voor de heer Klein, blijf ik bij mijn oordeel over de motie. Het is niet mijn idee om een fonds in te stellen. Het is ook niet het beleid van het kabinet om dat te gaan doen. Vandaar dat wij niet van plan zijn om het initiatief te nemen om dat te onderzoeken. Of de Kamer dat wil doen, moet zij beoordelen bij een andere gelegenheid, denk ik. Als mij op dit moment wordt gevraagd of ik iets in deze richting wil doen, is mijn antwoord nee. Om die reden ontraad ik deze motie.

De laatste motie is een motie van de Partij voor de Dieren, van mevrouw Ouwehand, op stuk nr. 55.

De voorzitter:

Ik moet mevrouw Ouwehand even verontschuldigen. Zij moest de laatste trein halen. Zij zal later het verslag nalezen. Ze is geïnteresseerd in uw reactie op haar motie.

Minister Kamp:

Dank u wel, voorzitter. De motie van mevrouw Ouwehand betreft omkering van de bewijslast. Ik denk dat dat geen goed instrument is, en ook geen nuttig instrument. Ik heb geprobeerd om dat uit te leggen in mijn eerste termijn. Als iemand ergens denkt dat er schade is, wordt een expert gevraagd om daar een oordeel over te geven. Als de betrokken persoon het daar niet mee eens is, kan er nog een contra-expertise worden uitgevoerd door een andere expert. Ik denk dat wij op die manier heel reëel omgaan met die schademeldingen. Ik denk niet dat het mogelijk zou moeten zijn dat iedereen maar schade kan melden. Niet dat de Groningers daar op uit zijn, maar het heeft geen zin om een regeling te maken waarbij iedereen schade kan melden en dat de NAM dan maar moet bewijzen dat het niet klopt. Ik geloof dat we de zaak dan onnodig compliceren. Daarom ontraad ik de motie op stuk nr. 55.

Dit was mijn reactie op de moties.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Hiermee is een einde gekomen aan de beraadslaging. Stemming over de ingediende moties is op dinsdagmiddag. Ik sluit de vergadering en wens u een veilige thuisreis.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl