6 Warmtewet

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Warmtewet in verband met enkele aanpassingen (32839).

De voorzitter:

Ik heet de minister welkom, evenals de aanwezigen op de publieke tribune.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Leegte (VVD):

Voorzitter. De Warmtewet is een typisch voorbeeld van wetgeving die ver achter de werkelijkheid aanholt. De oorspronkelijke aanleiding tot de Warmtewet was de veronderstelling dat de warmtebedrijven enorme winsten maken op het leveren van warmte in een monopoliepositie. De eindgebruiker moest daar, terecht, tegen beschermd worden. De bescherming van de eindgebruiker wordt met deze wet geregeld volgens het "niet meer dan anders"-principe. Het kan natuurlijk altijd beter, maar het belangrijkste is dat er straks een werkbare, niet-ingewikkelde manier voor gevonden is. De Kamer heeft zich uitgesloofd in het aantal amendementen op deze wet. Dat is een belangrijke indicator van de vele belangen die rond deze wet leven. Dat is ook logisch, want deze wet regelt het vergoedingensysteem binnen de warmtenetten. Vergoedingen gaan over geld. Dat zijn de belangen. Dat, terwijl er al jaren een praktijk van warmtenetten is. De wet breekt dus in op bestaande belangen en opent de mogelijkheid voor nieuwe belangen. De reikwijdte is de 100 kW. Dat gaat over afnemers als huishoudens, midden- en kleinbedrijf, huisartsenpraktijken. De grote bedrijven vallen daarbuiten, want zij worden geacht zelf hun afspraken te kunnen maken. Ook, of misschien juist als deze wet wordt aangenomen, zullen partijen ongelukkig zijn, maar uiteindelijk geeft deze wet duidelijkheid. Duidelijkheid is een goed vertrekpunt. Iedereen weet dan waar hij of zij aan toe is en kan verdergaan in de wetenschap van de gemaakte afspraken.

De onduidelijkheid die nu zo lang heeft gespeeld, is niet goed voor het optimale gebruik van warmte. Daarmee is Nederland onnodig energie-inefficiënt. In dit geval geldt dat er beter een beslissing wordt genomen die altijd beter zou kunnen dan dat er geen beslissing wordt genomen. Maar als ik het even iets breder trek en als ik kijk naar wat er in Nederland aan de hand is rond de energiehuishouding, valt het volgende op. De energiemix is fundamenteel gewijzigd ten opzichte van de tijd waarin aan de wet gewerkt werd, tien jaar geleden. Het leveren van warmte naast elektriciteit verhoogt het rendement van een centrale en daarmee de energie-efficiency. Warmte was een restproduct en kreeg een waardevolle toepassing. De efficiency van het Nederlandse energieverbruik ging omhoog. Warmtenetten zijn echter nooit melkkoeien geweest. Dat was ook niet de bedoeling, want ze hebben een belangrijke functie in het energierendement. De productie van elektriciteit levert zo'n 40% elektriciteit en 60% warmte op. Het gebruik van het restproduct warmte verhoogt de efficiency van de primaire energie. Dat is echte duurzaamheid.

Een verhoging van de energie-efficiency heeft een belangrijke beperking, want de warmte kan maar zo'n 30 kilometer ver getransporteerd worden, wil deze nog zinvol worden toegepast. Voorbij die 30 kilometer is het water te koud om er nog een huis mee te kunnen verwarmen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik zit helemaal op de lijn van de heer Leegte wat betreft het nut om de restwarmte ergens voor te gebruiken. De heer Leegte constateerde echter dat het in de afgelopen tien jaar de goede kant op gaat, dat er een toenemend gebruik is van de restwarmte. Ik constateer juist dat we bij de elektriciteitsproductie weer terug bij af zijn. We hebben een tijd lang een hausse aan warmtekrachtinstallaties gehad. De laatste jaren gaan er alleen nog centrales open die grootschalig zijn en die pak 'm beet 40 tot 50% warmte lozen op het oppervlaktewater. Waarom komt de regering, aangemoedigd door de VVD-fractie, op dit punt niet met concrete voorstellen om hier iets aan te doen?

De heer Leegte (VVD):

Een excuus aan mijn collega van de SP als ik onduidelijk ben geweest. Ik maak mij juist zorgen. In de afgelopen tien jaar is er, doordat er geen wet was, onzekerheid gebleven in de markt, waardoor er geen nieuwe warmteprojecten van de grond zijn gekomen. Ik maak mij zorgen over de situatie van de warmtekrachtkoppelingen. Die zorgen heb ik uitgesproken tijdens de begrotingsbehandeling van Economische Zaken, die ging over energie. Ik ben met de heer Jansen van mening dat dit belangrijk is voor de efficiency van de Nederlandse energiemix en heb daarover vragen gesteld. Ik kom daar straks ook aan toe als ik doorga met mijn betoog.

De heer Paulus Jansen (SP):

Zegt de heer Leegte dat de Warmtewet op dat punt een rol speelt of zou moeten spelen, of zegt hij dat er andere instrumenten gebruikt zouden moeten worden, zoals fiscale instrumenten of regelgeving, om de ontwikkelingen in de goede richting een zetje in de rug te geven?

De heer Leegte (VVD):

Nee, dat heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat deze wet, al is die misschien niet optimaal, in ieder geval duidelijkheid geeft. Een beslissing, al is die misschien niet optimaal, is beter dan geen beslissing. Binnen de beperking van die 100 kilowatt kunnen we verdergaan met het ontwikkelen van warmtenetten. Daarnaast hebben we nog de opgave om na te gaan hoe we omgaan met warmtecentrales in Noordoost-Groningen, bij de Eemscentrale.

Voorzitter. Het knelt als we kijken naar de grote decentrale elektriciteitscentrales bijvoorbeeld in het noorden, in het Eemsgebied. De elektriciteitsproductie daar is ver weg van de afzetmarkt van huishoudens en mkb-bedrijven om die warmte economisch te kunnen afzetten. Deze wet biedt hiervoor geen oplossing. Dat is een gemiste kans op het gebied van energie-efficiency. Hoe gaat de minister efficiënt gebruikmaken van de warmte van deze nieuwe centrales? Wat is zijn visie daarop?

Nog belangrijker in de ontwikkeling van de afgelopen tien jaar is de enorme hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit die fysiek in de Nederlandse mix komt als gevolg van met name de overschotten uit Duitsland. Ik herinner mij mijn oproep tijdens het begrotingsdebat over samenwerking in Europa om de kosten te drukken en meer energie-efficiency te krijgen. Belangrijk is dat door de ontwikkeling van windmolens uit Duitsland energiecentrales in Nederland veel minder uren draaien. Het resultaat is dat er nu al situaties zijn waarin centrales niet aanstaan om elektriciteit op te wekken of aan te bieden, maar moeten draaien om aan hun contractuele verplichting van het leveren van warmte te voldoen. De stroom die ze opwekken, moeten ze dan dumpen. Dat is een zorgelijke ontwikkeling. Terwijl warmte vroeger een restproduct was, is het contractueel verplichte leveren van warmte nu ineens de reden om een centrale aan te doen. De vraag is dan ook welk risico dit oplevert voor de gebruikers. Graag hoor ik de minister hierover.

Als mijn gedachtegang juist is, maken wij ons vandaag blij met een dode mus. Al ons harde werk aan de verschillende amendementen om de eindgebruiker beter te beschermen, is dan voor niets geweest. In de wet staat immers dat de warmteleverancier de kosten mag laten vergoeden als hij geen winst maakt. Door wie mag de warmteleverancier deze kosten laten vergoeden? Is dat de consument van het warmtenet – dan zou het "niet meer dan anders"-principe uit de wet slechts een wassen neus zijn – of moet de belastingbetaler dan bijspringen? Wat gebeurt er als de centrales liever failliet gaan dan tegen onrendabele geldkosten warmte te leveren? Mijn angst is dat de opmerking in de wet dat de warmteleverancier zijn kosten mag laten vergoeden als hij geen winst maakt, een enorme open rekening is. Dan draaien de gascentrales – daar spreken wij vooral over bij de warmteproductie – niet voor de elektriciteitsproductie, maar alleen om warmte te leveren. Die situatie zou onwenselijk zijn, want daarmee doen wij een stap terug in het betaalbaar houden van de energierekening. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister.

Hoe denkt de minister het door mij geschetste scenario te voorkomen? Wil hij bedrijven ertoe verplichten om met verlies te werken? Denkt hij aan vergoedingen uit algemene middelen, of kunnen wij misschien die vergoeding bij de Duitse overheid ophalen? Dat zou interessant zijn! De Duitse overheid is immers de grootste veroorzaker van de problemen en de verstoringen in de Nederlandse energiemarkt. Ogenschijnlijk heeft Duitsland voldoende subsidies voorhanden om de Energiewende te kunnen financieren. Laat het land dan ook maar opdraaien voor de problemen die het in de buurlanden veroorzaakt. Wat mij betreft mag de minister na een korte reactie in dit debat toezeggen dat hij voor de zomer met een studie komt over de samenhang tussen de toename van hernieuwbare elektriciteit in de mix en de financiële positie van de warmtenetten, want deze raakt aan de discussie over hernieuwbare energie, de efficiency van de windmolens en de zonnepanelen en de betaalbaarheid van de energierekening.

Ik ga nu verder inhoudelijk in op het wetsvoorstel. Ik zal het pragmatisch behandelen. De VVD heeft twee amendementen ingediend. Het amendement op stuk nr. 11 gaat over de voorhangprocedure. De VVD is van mening dat de Kamer altijd de mogelijkheid heeft tot het instellen van een voorhangprocedure en dat zij dit dus niet bij wet hoeft te regelen. Dat gaat namelijk voorbij aan het principe dat de regering regeert en het maakt de Kamerleden alleen maar lui. Voor beide Kamers van de Staten-Generaal is geen formele betrokkenheid bij deze beslissingen nodig noch gewenst. Als de Kamer dat wel zou vinden, heeft zij voldoende instrumenten om iets te doen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Als de toelichting op het amendement gevolgd zou zijn, had ik er geen moeite mee gehad. Dan was het inderdaad een formaliteit. Maar met het amendement wordt een echte, inhoudelijke voorhangprocedure voor artikel 7 lid 2 tot en met 4 geschrapt. Daarin zou de uitwerking van het "niet meer dan"-principe geregeld worden. Het lijkt mij heel nuttig als de Kamer daarbij de vinger aan de pols houdt. Ik zeg tegen de heer Leegte dat een voorhangprocedure niet gebruikt hoeft te worden; die kun je aan je voorbij laten gaan. Je hebt dan echter wel de mogelijkheid om formeel aan de bel te trekken. Waarom zouden wij die mogelijkheid niet laten bestaan?

De heer Leegte (VVD):

Daar heb ik twee redenen voor. Allereerst heb ik het idee dat wij met dit wetsvoorstel eigenlijk tien jaar te laat zijn. Ik heb namelijk het idee dat we de warmteleverancier zo duur maken door de ontwikkeling van hernieuwbare energie, dat we in een situatie terechtkomen zoals is geschetst. Belangrijker nog vind ik dat de Kamer volgens mij voldoende instrumenten heeft om op te treden als zij dit nodig acht. Ik vind dat wij zelf scherp moeten zijn: als de Kamer iets belangrijk vindt, moet zij daarvoor gebruikmaken van de middelen die zij heeft. Daarom heb ik dit amendement ingediend.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik denk dat de heer Leegte iets te optimistisch is over de mogelijkheid van de Kamer om iets te doen als er geen voorhangprocedure in het wetsvoorstel staat. Dan kan zij de minister altijd vragen om uitleg te komen geven, maar met een voorhangprocedure kan de Kamer een bepaalde AMvB of ministeriële regeling tegenhouden omdat die haar niet bevalt. Ik ga er nog even inhoudelijk op in. Het betreft artikel 7 lid 2 tot en met 4. Lid 4 luidt bijvoorbeeld als volgt: "Bij beleidsregel van de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de leden twee en drie, waarbij in ieder geval regels worden gesteld over:

  • - a. de elementen en wijze van berekenen van het rendement van een leverancier;

  • - b. de vaststelling van het redelijk rendement;

  • - c. de wijze waarop en de periode waarin verdisconteerd wordt."

Dat lijken mij heel wezenlijke onderdelen van de regeling. Ik zou dus zeggen dat de Kamer daarbij altijd de vinger aan de pols moet houden.

De heer Leegte (VVD):

Ik moet even nadenken over wat de heer Jansen zegt. Aan de ene kant volg ik met het amendement het advies van de Raad van State, een belangrijke adviseur, op. Ik ben van mening dat de Kamer voldoende gelegenheden heeft om met de minister over de rendementstoets te spreken. Daar hebben wij geen voorhangprocedure voor nodig. Ik stel echter voor dat ik er in tweede termijn op terugkom. Ik wil de heer Jansen namelijk graag aan mijn zijde houden.

Mijn tweede amendement, op stuk nr. 12, gaat over het eigendom van meters. Wat de VVD betreft moet dit beter geregeld worden en wel naar analogie van de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998, zodat binnen de energiesector eenduidig wordt omgegaan met eigendom van meters.

Naast mijn twee amendementen heb ik nog een vraag. Het wetsvoorstel kent twee maximumprijzen: een voor de warmtelevering zelf en een voor het vastrecht. In de formule voor het vastrecht is een onderscheid gemaakt tussen afleversets die eigendom zijn van de leverancier en die van de eindgebruiker. Dat is logisch, want voor de afleversets die eigendom zijn van derden hoeft de leverancier geen kosten te maken. Nu heeft de huidige wet een kleine daling van de prijs voor warmte in een warmtenet tot gevolg. Die daling heeft te maken met de berekening van het vastrecht. Kan de minister aangeven of warmteleveranciers als gevolg van de berekening van het forfaitaire bedrag verlies maken op deze post?

In mijn tweede termijn zal ik ingaan op de ingediende amendementen van mijn collega's.

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik heb nog een vraag over het amendement op stuk nr. 20. Stel dat een consument de warmtewisselaar wil vervangen, dient een leverancier volgens het amendement dan ook een vervangend toestel in de verhuur aan te bieden? De heer Leegte zegt in zijn amendement dat de "warmtewisselaar dient te worden vervangen". Hij gaat dan uit van een defecte wisselaar. Ik kan mij voorstellen dat er ook consumenten zijn die het tijd vinden om hem te vervangen en hem vrijwillig aanbieden. Valt dat dan ook onder dat amendement, zo vraag ik ter verduidelijking.

De heer Leegte (VVD):

Het korte antwoord is: nee. Met het amendement wordt de eigendomssituatie geregeld: van wie is de wisselaar? Een bewoner van een huis kan dan nog steeds zeggen dat de meter niet goed is. Dan gaat hij naar de eigenaar van de meter toe.

De heer Jan Vos (PvdA):

Bepaalt een soort "de warmtewisselaar is stuk"-instantie op welk moment dat nieuwe apparaat dat in de verhuur komt, moet worden aangeboden?

De heer Leegte (VVD):

Nee, maar dit is niet anders dan dat het nu is bij de heer Vos thuis, bij zijn elektriciteitsregeling. Als de meter het niet doet, belt hij zijn leverancier via Nuon, misschien Atoomstroom in zijn geval. Dan zorgen zij dat er een mannetje komt die het probleem oplost.

De heer Jan Vos (PvdA):

Bij een ketel kun je zeggen: ik vind het tijd om hem te vervangen door een beter functionerende. Ik kan mij voorstellen dat het bij de wisselaar ook op die manier werkt, dat je die dus preventief wilt vervangen. Ik constateer dat het niet in de bedoeling van de heer Leegte ligt om de bedrijven op dat moment een dergelijke meter te laten aanbieden.

De heer Leegte (VVD):

Dat zou ook gek zijn, want een ketel is van jezelf. Je bent daarvoor zelf verantwoordelijk. Bij de warmte gaat het erom dat het niet meer dan anders is. Onder de bescherming van consumenten – het gaat er namelijk om dat zij niet een te hoge prijs betalen – valt ook het onderhoud van al die apparatuur. Dat moet gewoon worden geregeld op een eenduidige manier, zodat het in Groningen niet anders is dan in Almere, Dordrecht of Pijnacker, waar je een groot warmtenet hebt. Hiermee wil ik regelen dat er eenduidigheid komt over het eigendom van de warmtewisselaar.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik ben toch enigszins in verwarring gebracht door de beantwoording van de heer Leegte op de vraag van de heer Vos. Ik lees in het amendement dat de leverancier, de beheerder van het warmtenet, als er iets stuk gaat, op dat moment een nieuwe meter dan wel een nieuwe warmtewisselaar ter beschikking stelt in verhuur. Met andere woorden, de situatie wordt genormaliseerd op het moment dat er een defect is. De oude gevallen laten wij dan verlopen tot een natuurlijk moment van vervanging.

De heer Leegte (VVD):

Ja, exact.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Voorzitter. Een van mijn eerste debatten in de Kamer ging over de vraag hoe het verder moest met de Warmtewet. Er lag een initiatief van de Kamer dat door het ministerie werd overgenomen en uitgewerkt. De materie is complex. Er zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. De behandeling verliep dan ook niet erg snel. Na een aantal keer uitstel spreken wij vandaag weer met een nieuwe Kamer over dit wetsvoorstel.

Voordat ik over de inhoud spreek, heb ik eerst een vraag aan de minister in het licht van dit redelijk stroperige proces. In hoeverre is de wetgeving naar het oordeel van de minister toekomstbestendig? De energiebranche uitte vorig jaar immers zorgen dat het geheel binnen korte tijd toch weer tegen het licht zou moeten worden gehouden. Als wij bekijken hoe lang wij hier al mee bezig zijn, zou ik dat willen proberen te voorkomen. Welke lessen trekt de minister of heeft hij getrokken om te voorkomen dat deze nogal omslachtige reparatie van een nieuwe wet op korte termijn opnieuw een tussenoplossing blijkt?

Tot zover het proces, nu kom ik op de inhoud. Ik zal kort stilstaan bij de uitgangspunten en dan bij wat vragen over de praktische gevolgen van de nieuwe invulling van de wet. Mijn fractie steunt het voorstel op hoofdlijnen, namelijk dat gebruikers niet meer betalen voor warmte dan voor een andere energiebron, en dat in een gereguleerde markt met maar één aanbieder geen buitensporige winsten mogen worden gemaakt. Dat lijken ons beide redelijke uitgangspunten. Maar is de nieuwe systematiek echt nodig om aan deze uitgangspunten recht te doen? De onderzoeken die de NMa heeft uitgevoerd, suggereren namelijk dat de rendementen van de leveranciers helemaal niet zo riant zijn. Is deze wet dan niet vooral een versimpeling van de rekensommen van regulering in combinatie met een aantal waarborgen om in te grijpen als het wél misgaat met de exploitatie van een warmtenet?

Ik heb de Handelingen er nog eens op nagekeken. Toen de leden Ten Hoopen en Hessels begonnen aan de behandeling van de initiatiefwet sprak de eerste over "een wildwest waar het recht van de sterkste geldt" en waar de burger te veel zou betalen. Ik zou geen stap terug in de tijd willen doen en die sterke kwalificatie overnemen, maar ik vraag de minister wel wat de huidige afnemers van warmte opschieten met deze wet.

Ik kom op de praktische uitwerking. De NMa kan gaan monitoren en indien nodig een rendementstoets inzetten om het prijskaartje van een individuele leverancier tegen het licht te houden. De theorie is mij helder: wij houden de hand aan de kraan en als het nodig is kunnen wij er gemakkelijk iets aan doen. Maar hoe vaak zal het volgens de minister echt nodig zijn om aan die knop te draaien? Komt er nu meer of minder gekissebis over de vraag of mensen te veel betalen? Hoeveel mensen gaan zich behalve de NMa ook met toezicht bezighouden?

Dan de rol van de minister. Is hij van plan om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om beleidsregels voor de NMa op te stellen voor de rendementstoets? Zo ja, bij welke ontwikkeling in de rendementen wordt zo'n toets dan ingezet? Graag duidelijkheid over de gevolgen van de wet in de praktijk.

De Raad van State heeft veel twijfels geuit over de complexiteit van de toets. Voor zover ik het kan overzien, zijn ze vooral procesmatig ondervangen door de bevoegdheid bij de NMa te leggen, maar daarbij blijft wel een deel van de inhoudelijke kritiek staan. Kan de minister toezeggen dat hij de werking van de monitoring en de rendementstoets zal evalueren?

Ik kom op de technologieneutrale noodvoorziening. In de wet is een verbetering op het punt van de noodvoorziening aangebracht. Naar aanleiding van een eerdere motie van collega Jansen zijn de eisen aan warmtemeters aangescherpt. Artikel 12d regelt dat de minister via een noodvoorziening opdracht kan geven tot een gasnet. Dat vind ik veel te specifiek op brandstof en technologie gericht. Met een amendement wil ik de minister ruimte geven om voor een alternatief te kiezen. Het zou bijvoorbeeld het beste kunnen zijn om zonneboilers in combinatie met stevige isolatie in te zetten. Het kan ook een gasnet zijn, maar laten wij dat in de huidige periode en in de context van discussies die wij hier binnenkort zullen voeren over ons gas niet meer als een automatisme beschouwen. Kan de minister zich daarin vinden of heeft hij speciale redenen om specifiek voor een gasnet te kiezen?

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik heb nog een vraag over dat amendement op stuk nr. 13. Volgens mij zoekt mevrouw Van Veldhoven een oplossing voor een hypothetische situatie. Ik probeer mij even voor te stellen welke praktische problemen zich kunnen voordoen. Dan denk ik aan te hoge kapitaallasten, te weinig afzet van warmte in het werkgebied van een leverancier, achterstallig onderhoud et cetera. Ik kan het mij niet voorstellen dat in zo'n situatie zonneboilers of restwarmte, hoe sympathiek ook, enige remedie kunnen zijn. Is dit windowdressing of ziet mevrouw Van Veldhoven serieuze toepassingen van dit amendement?

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Het is heel moeilijk om in de toekomst te kijken. Ik kan mij herinneren dat ik vanuit Nederland onderhandelde over een Brusselse richtlijn over regels voor elektronische handel. Een computer was een ding dat op je bureau stond en waar je aan werkte. Nog voordat de richtlijn in Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd, liepen wij allemaal met een zakcomputertje rond. Alle informatieverplichtingen waartoe in de richtlijn werd opgeroepen, bleken technologiespecifiek en eigenlijk achterhaald. Ik wil in deze wetgeving in ieder geval de mogelijkheid creëren om van een andere technologische toepassing gebruik te maken als dat nuttig is. Ik verplicht de minister nergens toe, maar laten wij regelgeving alsjeblieft zo technologieonafhankelijk en toekomstvast mogelijk vaststellen.

Dan de slimme meter. Ik twijfel nog een beetje over de formulering van artikel 8, waarin de afnemer een op afstand uitleesbare meter kan weigeren, waarna een niet-uitleesbare meter geplaatst moet worden. Is het niet redelijker als in zo'n geval de slimme meter wel geplaatst wordt, maar dat de uitleesfunctie is uitgeschakeld, zodat het apparaat niet kan worden uitgelezen op afstand? De volgende bewoner kan dan overschakelen op het gebruik van die meter, zonder dat er op dat moment opnieuw fysiek een ander apparaat geplaatst moet worden. Ik dacht eigenlijk dat dat met andere slimme meters ook zo geregeld was. Kan de minister dat bevestigen, en zo ja, waarom is het hier dan anders geregeld? Voorkomt een kleine aanscherping van de tekst niet dat we straks weer twee soorten meters moeten gaan plaatsen, twee soorten meters opnieuw moeten gaan vervangen en mensen op kosten jagen, waar het uitschakelen van een deel van de meter zou kunnen volstaan?

Uit gesprekken met de branche komen verhalen naar voren over problemen bij lekkages en andere technische mankementen in de warmteset, het geheel van de meter en de warmtewisselaar. Is het niet beter om die, net als bij elektriciteit en gas, standaard bij de netbeheerder onder te brengen? Dat voorkomt nare ongelukken en mogelijk efficiencyverlies in het hele net, bijvoorbeeld doordat warmte weglekt. Collega Leegte heeft hierover een amendement ingediend dat ik mee getekend heb. Kan de minister nader ingaan op de mate waarin hij deze incidenten ziet voorkomen?

Over de aansluitplicht op nieuwe warmtenetten het volgende. Gemeenten kunnen tot april bepalen dat nieuwe woningen in een gebied met een warmtenet daarop aangesloten moesten worden. Dat is komen te vervallen door het Bouwbesluit. Het is echter wel onmisbaar voor de investeringszekerheid die nodig is om warmtenetten aan te leggen. Niet voor niets zie je dat de energiebranche alle projecten sinds de wijziging van het Bouwbesluit in april onder een overgangsregeling heeft gebracht. Ik heb hierover technisch gezien al gesproken met minister Blok, maar aan deze minister wil ik vragen hoe hij de ontwikkeling van business cases voor warmtenetten beziet in het licht van deze nieuwe regelgeving, mede in relatie tot de doelstelling van 16%.

Wij delen een aantal van de zorgen die de heer Leegte op het punt van het stoken van gascentrales enkel voor warmte, heeft genoemd. Graag krijg ik daarop een reactie van de minister. Kleine nuance: het ligt niet alleen aan subsidies op windmolens, maar ook aan de lage prijs van kolen. Kan de minister dat punt meenemen in een eventuele analyse?

De heer Leegte (VVD):

Dank voor het stellen van deze vraag. Als je kolen verbrandt, krijg je stoom, dus warmte en elektriciteit. Daarom heb je warmtenetten, die goedkoop zijn, want dan zou dat veel meer gemixt zijn. Het feit dat de warmtenetten juist verlieslatend zijn, heeft ermee te maken dat je elektriciteit krijgt zonder warmte, namelijk vanuit hernieuwbare energie. Dat is de grote crux. Dat is verstoring naar Duitsland.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Niet elk warmtenet is gekoppeld aan een kolencentrale. Maar elektriciteit wordt ook op andere manieren opgewekt dan alleen via windmolens. Juist door die breedte zou elektriciteit niet renderen voor een gascentrale. Dat de elektriciteitsprijs zo laag is, komt niet alleen door de windmolens, maar bijvoorbeeld ook door de lage kolenprijs.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Voorzitter. De Tweede Kamer vergadert al bijna tien jaar over de Warmtewet. De CDA-fractie vindt het dan ook hoog tijd dat de Warmtewet haar werk gaat doen. De wet is niet perfect, zoals waarschijnlijk geen enkele wet. De Warmtewet zal dan ook nooit naar ieders tevredenheid zijn. Maar na bijna tien jaar sleutelen aan de Warmtewet mogen we de oorspronkelijke doelstelling van de Warmtewet niet uit het oog verliezen, namelijk consumentenbescherming. De CDA-fractie heeft vanuit dat oogpunt nog een paar resterende vragen.

In haar rapport over de effecten van de Warmtewet concludeert de NMa dat de kosten die in rekening mogen worden gebracht na inwerkingtreding van de Warmtewet voor drie grote warmteleveranciers, te weten Eneco, Essent en Nuon, gemiddeld 5% tot 15% hoger liggen dan wat de consumenten in werkelijkheid voor de invoering van de Warmtewet betaalden. Het staat deze warmteleveranciers vrij om minder in rekening te brengen dan de maximumtarieven uit de Warmtewet en bijbehorende AMvB. De vraag is natuurlijk of zij dat ook gaan doen. Gaan zij daadwerkelijk verhogen tot het maximumtarief? Dat laatste kan betekenen dat consumenten ook daadwerkelijk meer gaan betalen. Vindt de minister het niet tegen de oorspronkelijke doelstelling van de Warmtewet ingaan als de Warmtewet in de praktijk betekent dat de warmteleveranciers meer kosten in rekening brengen en consumenten meer moeten gaan betalen? Druist dat niet juist in tegen onze motivatie voor deze Warmtewet? Kan de minister schetsen hoe het in de praktijk werkt als je bijvoorbeeld woont in een appartement in Den Haag en het idee hebt dat je te veel hebt betaald? Waar ga je dan als consument met je klacht naartoe? Hoe is de procedure? Dan is voor iedereen helder waar hij in dat geval terecht kan.

Voor de berekening van het maximumtarief voor warmte wordt gebruikgemaakt van de rendementsmethode. Een aantal collega's is daar al op ingegaan. Het maximumtarief wordt in deze methode gebaseerd op de integrale kosten die een verbruiker zou moeten maken voor het verkrijgen van dezelfde hoeveelheid warmte bij het gebruik van gas als energiebron. In het rapport van het adviesbureau Royal Haskoning uit 2009 wordt echter terecht gewezen op het feit dat door aanscherping van de energieprestatiecoëfficiënt, de epc, andere alternatieven voor aardgas in het vizier komen. Ik noem de zonneboiler, de warmtepomp of de HRe-ketel. Op welke manier wordt daarmee in de bepaling van het maximumtarief rekening gehouden? Is het maximumtarief gebaseerd op de laatste stand van de techniek of op een representatief gemiddeld rendement in de huidige woningvoorraad? Verder horen wij ook graag van de minister hoe hij denkt over het reguleren van het aansluittarief.

Koudelevering wordt door de Warmtewet niet gereguleerd. Warmte- en koudelevering zijn echter vaak in technisch opzicht niet van elkaar te scheiden. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de combinatie van een bodemenergiesysteem en een collectieve warmtepomp. Het niet reguleren van koudetarieven kan ertoe leiden dat businesscases alsnog via de hoogte van de koudetarieven rendabel worden gemaakt. Ziet de minister problemen op dat vlak of vindt hij dat wij het zo goed voor mekaar hebben?

De reikwijdte van de Warmtewet is ingeperkt van 1.000 kW naar 100 kW. Grote stadswarmteprojecten leveren zowel aansluitingen onder als boven de 100 kW. De tarieven voor aansluitingen onder de 100 kW worden nu gereguleerd. Dit kan echter inhouden dat de tarieven voor aansluitingen boven de 100 kW sterk gaan stijgen om het tekort aan de onderkant te compenseren. Grof geformuleerd, kun je zeggen dat de consumenten worden beschermd, maar dat dit ten koste gaat van ondernemers die in hetzelfde stadswarmteproject zitten. Verwacht de minister dit effect en, zo ja, welke stappen wil hij ondernemen om dit ongewenste effect te voorkomen?

Tot slot. De CDA-fractie heeft een brief van Kences en Aedes ontvangen. Misschien heeft de minister die ook wel ontvangen. Zij maken zich grote zorgen over twee punten: de reikwijdte van de Warmtewet en de doorlevering van stadswarmte. Straks krijgen 7.000 kleinschalige woningcomplexen met blokverwarming met deze wet te maken, terwijl de Warmtewet voor deze verbruikers van warmte geen enkel voordeel biedt en slechts voor enorme administratieve rompslomp zorgt. Is de minister bereid deze reikwijdte alsnog te beperken tot de grote stadswarmteprojecten? Daarnaast is er een probleem met de doorlevering van warmte. De partij die de warmte doorlevert, zou immers onder de Warmtewet kunnen vallen, terwijl de partij van wie de warmte wordt betrokken daar niet onder kan vallen. Dat kan een groot financieel risico opleveren voor de doorleverende partij. Is de minister eventueel bereid om de wet op dit punt nog aan te passen? Graag horen wij de antwoorden hierop.

De heer Paulus Jansen (SP):

Mevrouw de voorzitter. Tien jaar geleden nam CDA-woordvoerder energie, Jan ten Hoopen, het initiatief voor de Warmtewet. Een prima zaak, waarvoor ik hem vanaf deze plek nog een keer wil bedanken. Ten Hoopen is hier tweeënhalf jaar geleden vertrokken en bestrijdt nu de overheidsbureaucratie bij Actal. Inmiddels hebben vier generaties energiewoordvoerders zich over het wetsvoorstel en het daaropvolgende reparatievoorstel gebogen. Toen Ten Hoopen zijn initiatief presenteerde, wilde hij primair iets doen aan de bescherming van de gebonden klanten, vooral de kleinverbruikers van warmtenetten. "Zij moeten niet duurder uit zijn dan andere bewoners die een moderne cv-ketel hebben." Het "niet meer dan anders"-principe stamt al uit de jaren zeventig, maar is nooit wettelijk verankerd. Bovendien vormde de liberalisering van de energiemarkt een risico voor misbruik van een monopolie. Dat realiseerden zelfs de voorstanders van die liberalisering zich. Voor alle duidelijkheid: de SP heeft sinds 1994 steeds gepleit voor versterking van de maatschappelijke controle op nutsbedrijven als alternatief voor de liberalisering.

In 2002 was het beeld dat de energiebedrijven overwinsten maakten op de energienetten. Inmiddels zijn we de nodige onderzoeken verder en weten we dat dit niet zo is. Sterker nog: ik vrees dat op dit moment het grootste risico voor de huishoudens is dat een commerciële exploitant – ongeveer twee derde van de netten is in handen van commerciële exploitanten – de stekker uit een niet-rendabel warmtebedrijf trekt, waarna een publieke netbeheerder als noodleverancier op de winkel mag passen. Dan hebben we de keus tussen het socialiseren van de verliezen of het ombouwen van hele wijken voor individuele verwarming, met een investering van zeker € 10.000 per woning. Dan gaan de woonlasten pas echt omhoog. Ik onderstreep overigens de vraag van mevrouw Van Veldhoven: welk materieel effect zal de wet direct na de invoering hebben op de tarieven?

De SP-fractie ondersteunt nog steeds het uitgangspunt van Ten Hoopen dat de rechtsbescherming van gebonden kleinverbruikers van warmte beter verzekerd moet worden. In het oorspronkelijke wetsvoorstel ging dit gepaard met iets te veel – dat is een understatement – bureaucratie. Door de wijziging is een goede balans gevonden tussen een betere bescherming en een beperking van de administratieve lasten.

Dat gezegd hebbend, ga ik vandaag toch nog enkele pogingen doen om het wetsvoorstel op onderdelen te verbeteren; ik ben daarmee zo te zien niet de enige. Allereerst ga ik in op de ontvlechting van het netwerk en de levering. Bij de Splitsingswet is voor gas- en elektriciteitsnetten het eigendom van het beheer van een netwerk afgesplitst van de geïntegreerde energiebedrijven om te voorkomen dat zij na privatisering misbruik zouden kunnen maken van dit natuurlijke monopolie. Als extra slot op de deur is vastgelegd dat de netbeheerders 100% publiek eigendom zijn. Hoewel de SP voorstander was en nog steeds is van geïntegreerde publieke energiebedrijven, hebben wij altijd onderschreven dat, als er geprivatiseerd wordt, afsplitsing van de netbeheerders een absolute voorwaarde is.

Wat voor gas en elektriciteit geregeld is, is voor warmte nagelaten. Dat is een extra risico voor de klant en compliceert het toezicht. Om die reden heb ik het amendement op stuk nr. 22 ingediend. Dat amendement regelt een onafhankelijk netbeheer voor warmtenetten. De SP-fractie heeft daarbij geluisterd naar de kritiek van de ambtsvoorganger van de minister, die stelde dat onafhankelijk netbeheer weinig bescherming toevoegt als er maar één warmteleverancier is, maar in die gevallen wel zorgt voor extra overhead. Om die reden beperkt het amendement de splitsing tot situaties waarin meerdere partijen invoeden dan wel willen invoeden op een warmtenetwerk. Die situatie zal zich in de nabije toekomst steeds vaker voordoen, omdat dit vanuit het oogpunt van bedrijfszekerheid en duurzaamheid grote voordelen heeft; zie de ontwikkelingen in de Rijnmond en in de regio Amsterdam.

Het amendement voorkomt dat een eigenaar van het warmtenetwerk misbruik maakt van zijn natuurlijke monopolie en zichzelf als warmteleverancier bevoordeelt ten opzichte van andere invoeders. In de situatie na de splitsing van netwerk en levering heeft de afnemer van warmte nog steeds uitsluitend met het warmteleveringsbedrijf te maken. De beheerder van het warmtenet factureert zijn kosten op basis van een transparant systeem aan de warmteleveringsbedrijven. Het "niet meer dan anders"-toezicht richt zich uitsluitend op de tarieven die door warmteleveringsbedrijven aan de eindgebruikers in rekening worden gebracht. Daar verandert het amendement niets aan. Tot slot creëert het amendement de rechtsbasis voor een zorgvuldige procedure voor de afsplitsing als meerdere warmteaanbieders zich melden.

Ik geef toe dat dit een complex geheel is. Ik had het zelf zeker niet rond gekregen zonder de adviezen van de juridische staf van het ministerie, waarvoor mijn hartelijke dank. Ik hoop – nee, ik reken daar eigenlijk op – dat de minister na zo'n degelijke voorbereiding het amendement met enthousiasme ondersteunt.

In 2010 is het amendement-Jansen (31374, stuk nr. 7) aangenomen. Dat amendement regelt dat aanbieders van gas en elektriciteit naast eventuele andere contractvormen altijd op basis van een modelcontract moeten leveren. Het ligt voor de hand om dezelfde lijn aan te houden voor de levering van warmte. Vandaar mijn amendement op stuk nr. 15 bij dit wetsvoorstel.

Hiermee kom ik op blokverwarming en de doorlevering van warmte als servicedienst. Er zijn in Nederland dertien grote stadsverwarmingnetten met een zelfstandige exploitatie naast ongeveer 7.000 kleinere warmtenetten die veelal gebouwgebonden zijn en meestal worden geëxploiteerd door woningcorporaties. Het gaat voor een deel om klassieke blokverwarming, soms ook om moderne concepten zoals warmtepompen. Soms kopen corporaties en verenigingen van eigenaren warmte in van een groot stadsverwarmingbedrijf en leveren die door als servicedienst.

Wat de SP betreft is het noodzakelijk dat ook de bewoners van woningen waar warmte als servicedienst wordt geleverd, worden beschermd tegen excessieve stookkosten. Ik heb al heel wat gevallen meegemaakt waarin huurders schandalig hoge kosten voor de kiezen kregen ten gevolge van een verouderde en slecht beheerde blokverwarming. In zo'n situatie zou een "niet meer dan anders"-toets mogelijk moeten zijn op de redelijkheid van de in rekening gebrachte kosten. Volgens mijn informatie kan de huurcommissie bij geschillen over verwarmingskosten ook toetsen op de redelijkheid, naast de rechtmatigheid. De vraag is of de huurcommissie dat ook moet doen. Als dit laatste het geval is, zou dit de meest laagdrempelige vorm van geschillenbeslechting voor dit soort situaties zijn.

Dan nog houd je het probleem dat bewoners van een woning boven de liberalisatiegrens en eigenaar/bewoners van een appartementencomplex geen beroep kunnen doen op de huurcommissie. Ik heb op dit punt een aantal vragen gesteld in het nader verslag. Die zijn beantwoord op pagina 14 van de nota naar aanleiding van het nader verslag. Ik maak hieruit op dat iedereen straks voor dit soort geschillen naar de Geschillencommissie Energie en Water kan stappen, maar dat woningcorporaties en vve's zijn vrijgesteld van de vergunningplicht.

De woningcorporaties stellen bij brief van 12 oktober 2012 dat de voorgestelde regeling in de Warmtewet zal leiden tot extra kosten die uiteindelijk ook de huurders meer geld zullen kosten. Wil de minister bevestigen dat verhuurders in dit soort situaties niet op onnodige kosten worden gejaagd? Wat mij betreft is het individueel meten van het waterverbruik een harde eis, maar een verdeelmeter kan acceptabel zijn als de bestaande installatie daartoe aanleiding geeft. Nu worden de kosten vaak verdeeld via verdeelmeters, omdat het aanpassen van de installatie aan doorstroommeters een kapitaal zou kosten. In flats met blokverwarming komt de warmte namelijk op meerdere punten de woning binnen via verticale leidingen bij de gevels. Je kunt dan niet op één punt het warmteverbruik meten. Ik krijg graag duidelijkheid op dit punt, want mijn fractie is van mening dat kosten en baten hier niet in balans zijn. Ik heb gezien dat de heer Vos op dit punt een amendement heeft ingediend. Dat lijkt enigszins tegemoet te komen aan onze kritiek op dit punt.

Een tweede punt van kritiek van de corporaties is het prijsrisico bij de doorlevering van ingekochte warmte van een stadswoningnet. De minister is van mening dat dit risico wel meevalt; hij wil er pas naar kijken bij de evaluatie. Bovendien stelt hij op pagina 7 van de nota naar aanleiding van het verslag: "Overigens kunnen corporaties indien zij vrezen voor problemen op dit gebied, ook zelf kiezen voor een ander model en hierover met de warmteleveranciers in onderhandeling gaan. In dit model treden zij niet op als warmteleverancier maar slechts als dienstverlener." Is zo'n opt-out een recht of een onderhandeloptie? In het laatste geval ligt het prijsrisico wel degelijk nog steeds bij de verhuurder of de vereniging van eigenaren en dat zint mij niet. Ik overweeg op dit punt alsnog met een amendement te komen als de minister onvoldoende helderheid kan verschaffen.

Daarmee kom ik op het ontbrekende thema in de Warmtewet: de bevordering van het nuttig gebruiken van restwarmte die nu wordt geloosd op onze binnenwateren en de zee en in de lucht verdwijnt. De hoeveelheid warmte van industrie- en elektriciteitscentrales die op die manier verdampt, is meer dan voldoende om alle gebouwen in Nederland te verwarmen en dan nog houd je een sloot over die je zou kunnen gebruiken als proceswarmte voor vergisting, algenproductie, glastuinbouw en dergelijke. Het is een gemiste kans dat het wetsvoorstel dit thema links laat liggen, temeer omdat ik elders in het regeringsbeleid ook geen prachtige maatregelen zie om een einde te maken aan deze verspilling.

In de nota naar aanleiding van het nader verslag schrijft de minister dat daarvoor de Stimuleringsregeling Duurzame Energie is bedoeld. Dat is een misverstand. De SDE-plus doet niets aan het terugdringen van het lozen van restwarmte. Het is zelfs mogelijk dat men met SDE-plussubsidie een geothermiebron aanboort, terwijl in de directe omgeving petajoules aan restwarmte de zee in gaan. Dat is de situatie in Haaglanden en het Westland.

Uiteraard zou het helpen als de CO2-prijs in het ETS op een wenselijk niveau van minstens € 50 per ton zou liggen; dan wordt het nuttig gebruik van restwarmte aantrekkelijker. Helaas lijkt dit nog lang te gaan duren; de CO2-prijs is in de afgelopen drie jaar juist gekelderd naar een historisch dieptepunt. Bovendien doet het ETS niets aan de warmtelozingen van de kerncentrale Borssele, die immers geen CO2-emissie kent, maar wel een hoeveelheid warmte in de Westerschelde loost waarmee heel Zeeland en West-Brabant zouden kunnen worden verwarmd. De SP-fractie is voorstander van een oplopende heffing op het lozen van warmte, waarvan de opbrengst wordt gebruikt voor het uitbreiden van de energie-investeringsaftrek of voor andere fiscale prikkels die de verduurzaming bevorderen. Ik overweeg een motie hierover.

De heer Leegte (VVD):

Voorzitter. Met de heer Jansen van de SP maak ik mij zorgen over het efficiënte gebruik van restwarmte. Maar anders dan de SP doet vermoeden, heb ik het gevoel dat we in een open markteconomie zitten. Als er geen toepassing is voor warmte, hoe kun je er dan voor zorgen dat die komt? Door een heffing verhoog je de kosten. Als er in het Eemshavengebied geen afzet is voor warmte, betekent dit dat de kosten omhooggaan, zonder dat er een warmteleverancier wordt gevonden. Hoe ziet de heer Jansen dat voor zich?

De heer Paulus Jansen (SP):

Dat betekent dat de verhouding van de concurrentiepositie zal verschuiven van grootschalige elektriciteitsproductie op de drie grote locaties Eemshaven, Maasvlakte en Borssele, ten opzichte van bijvoorbeeld de warmtekrachteenheden dicht bij de afnemers van warmte. Warmtekracht zal dus in verhouding tot die andere opties aantrekkelijker worden. Ook het gebruik van industriële restwarmte zal op die manier worden bevorderd; zo is een hele hoop warmte van Tata beschikbaar. Wij zijn nog zo vriendelijk om de opbrengsten niet in de algemene middelen te laten vloeien. Het is althans mijn voorstel om die in de vorm van een energie-investeringsaftrek terug te sluizen naar de partijen die moeten investeren, en daarmee op termijn hun afhankelijkheid van fossiele energie zouden kunnen verminderen.

De heer Leegte (VVD):

De VVD is natuurlijk wars van doelheffingen zoals u die suggereert. Ik deel uw suggestie om te sturen op CO2, en geen subsidies voor hernieuwbare energie. Dat maakt een efficiënter gebruik uiteindelijk mogelijk en neigt naar low carbon. Alleen past u dit toe op warmte. Die redenering gaat mank, omdat je op plekken zoals het Eemsgebied wel warmte hebt, maar geen buren. Dat betekent dat de kosten omhooggaan. U zegt dat men dan naar andere en duurdere vormen van warmte kan en dat die dan een concurrentievoordeel krijgen, maar daardoor gaan uiteindelijk de kosten omhoog. Uiteindelijk betaalt de consument dat en krijgt ook uw achterban een hogere rekening. Welke echte oplossing ziet u?

De heer Paulus Jansen (SP):

Zoals wel vaker in discussies met de heer Leegte denk ik dat de uitkomst van de rekensom die hij maakt – en die maak ik ook – afhankelijk is van de scope, van de periode die in beschouwing wordt genomen. De inschatting van de SP-fractie is dat het op dit moment heel verstandig is om te investeren in een geringere afhankelijkheid van fossiele energie. De inwoners en bedrijven van Nederland zullen daar straks heel veel profijt van hebben. Als wij dat niet doen, hebben wij over tien jaar een gigantisch probleem dat wij geforceerd moeten oplossen met grote investeringen in een korte tijdsperiode. Dat zal uiteindelijk de portemonnee van de Nederlandse bevolking veel zwaarder belasten dan als wij het verstandig en gefaseerd aanpakken.

Wij delen wel de zorg over het lozen van deze warmte. Ik denk dat het in gebieden als de Eemshaven, Borssele en de Maasvlakte ook mogelijk is om proceswarmte in te zetten. Een voorbeeld is de LNG-terminal op de Maasvlakte. Die maakt gebruik van de restwarmte van de kolencentrale aldaar. Als er een prijsprikkel is, in de vorm van een heffing op warmtelozing, zullen opties als algenproductie, vergisting met behulp van restwarmte en wellicht glastuinbouw veel eerder in beeld komen dan nu.

De voorzitter:

Gaat u verder, mijnheer Jansen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ja voorzitter, deze discussie zal ontgetwijfeld bij een andere gelegenheid worden voortgezet.

Een andere maatregel die het gebruik van restwarmte en duurzame zonnewarmte sterk zou kunnen bevorderen, is het voorschrijven van lagetemperatuurverwarming in gebouwen, in elk geval bij nieuwbouw en renovatie. Er is in Nederland heel veel water van 40 tot 50°C dat prima geschikt is voor verwarming. Bij een temperatuureis van 80°C of meer is echter peperdure en energetisch ongunstige bijstook met aardgas nodig en dat is doodzonde.

Voor warm tapwater eisen de voorschriften op dit moment een minimumtemperatuur van 70°C, om ieder risico op legionellabesmetting te voorkomen. De vraag is of hier het middel niet erger is dan de kwaal. Ook daar zou eens goed naar alternatieve veiligheidsmaatregelen moeten worden gekeken.

Ik stelde twee weken geleden bij de behandeling van de begroting voor Economische Zaken de regiefunctie van de minister aan de orde. Dit is een voorbeeld van een terrein waarop hij zich zeer verdienstelijk zou kunnen maken zonder dat het een cent aan rijksmiddelen kost en met een zeer positief effect op de woonlasten en het energieverbruik.

Ten slotte nog enkele opmerkingen over de benutting van restwarmte en andere reststromen op industrieterreinen. Ik denk dat daar veel potentie zit voor rendabele toepassingen. Het ontbreekt echter aan regie die vraag en aanbod bij elkaar brengt en die knelpunten inzake leveringszekerheid voor de afnemers oplost. Je ziet daarom dat alleen op industrieterreinen met een of twee dominante gebruikers, zoals Chemelot in Zuid-Limburg en Huntsman in de Rijnmond, sprake is van een gestructureerde en succesvolle aanpak. Op terreinen waar zo'n centrale partij ontbreekt, komt de samenwerking veel lastiger van de grond. De SP-fractie suggereert om enkele wettelijke bepalingen uit te werken om een juridische basis te creëren voor collectieve projecten, mits daarvoor ruim draagvlak bestaat bij een meerderheid van de gevestigde bedrijven. De meerwaarde van dergelijke bepalingen zou moeten zijn dat een klein aantal freeriders niet meer een project met grote baten voor het gehele gebied kan tegenhouden. Natuurlijk is het mogelijk om dit privaatrechtelijk te regelen, bij de uitgifte grond. Dat zal echter weinig zoden aan de dijk zetten in bestaande situaties. Is de minister bereid om te onderzoeken of er andere wegen zijn, bijvoorbeeld via meerderheidsbesluiten van een bedrijvenvereniging, om de doorzettingsmacht voor projecten met een positieve MKBA te vergroten?

Ik rond af. De Warmtewet is geen volmaakte oplossing voor alle maatschappelijke problemen rond het gebruiken van deze energiedrager, maar per saldo is hij wel een flinke stap vooruit ten opzichte van de bestaande situatie. Daarom kan het wetsvoorstel op de steun van de SP-fractie rekenen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik heb nog een vraag over het amendement van de heer Jansen over de splitsing. Betekent dit dat ook de SP geen principiële bezwaren meer heeft tegen de splitsing van energiebedrijven? In 2006 stond zij daar nog heel anders in. Is dat principiële bezwaar er nu niet meer?

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik dacht dat ik ongeveer twee minuten aan mijn inbreng had besteed om die positie nog eens goed te markeren. Ik wil dat nog wel een keer herhalen hoor. Wij waren en zijn nog steeds groot voorstander van geïntegreerde publieke energiebedrijven. Ik constateer op grond van de investeringsstrategie van Nuon en Essent sinds de verkoop, dat wij volkomen gelijk hebben gehad met onze beoordeling dat de investeringsruimte voor duurzame energie van die bedrijven catastrofaal zou verkleinen na de verkoop. Zij zijn gewoon behangen met schulden op dit moment. Dit zou mevrouw Van Veldhoven moeten aanspreken. Wij constateren echter ook dat die bedrijven verkocht zijn. Dat kun je niet zomaar terugdraaien. In een situatie waarin een productie- en leveringsbedrijf wordt verkocht, is het logisch om het netbeheer af te splitsen. Anders zou je immers een monopolie privatiseren en dat willen wij koste wat het kost voorkomen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik kan alleen maar constateren dat de heer Jansen eigenlijk voorstelt om datgene uit te breiden wat hij ook nu weer als zo afschuwelijk neerzet. Het moet worden uitgebreid naar een andere categorie. Dat blijf ik een bijzondere figuur vinden.

De heer Paulus Jansen (SP):

Volgens mij zou mevrouw Van Veldhoven iets meer aan zelfonderzoek moeten doen. D66 is uiteraard altijd de motor geweest achter de liberalisering. Mevrouw Van Veldhoven zou zich de vraag eens moeten stellen wat dit per saldo voor ons allen heeft opgeleverd. Zij de consumentenbelangen ermee gediend? Is duurzaamheid ermee gediend? Van wat ik de afgelopen vijftien jaar op dit vlak heb gezien, ben ik niet vrolijk geworden. SP'ers zijn echter realisten. Er is sprake van privatisering van ongeveer tweederde van alle Nederlandse energiebedrijven. In die situatie is het gewoon zaak om te voorkomen dat die private bedrijven zich als monopolisten bepaalde dingen gaan permitteren die wij niet willen. Eerlijk gezegd heb ik op grond van exact dezelfde overweging een amendement ingediend bij de Warmtewet. Daarbij wordt het voor warmte op dezelfde manier geregeld als bij elektriciteit en bij gas. Mevrouw Van Veldhoven oordeelt nu over de houding van de SP-fractie op dit punt, maar volgens mij moet zij concluderen dat het gewoon verstandig is om de netwerken af te splitsen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Voorzitter, mag ik hierop reageren?

De voorzitter:

U hebt al gereageerd, mevrouw Van Veldhoven.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik wil alleen maar zeggen dat ik een antwoord in de vorm van een jij-bak nooit het sterkste antwoord vind.

De voorzitter:

Waarvan akte.

Het woord is aan mevrouw Klever.

Mevrouw Klever (PVV):

Voorzitter. De intenties van dit wetsvoorstel zijn volgens de PVV-fractie goed. Wij delen het uitgangspunt om enerzijds te zorgen voor tariefbescherming en leveringszekerheid voor de consument, en anderzijds de complexiteit te verminderen en de uitvoerbaarheid te vergroten.

Dit wetsvoorstel roept wel enkele vragen op over de tariefbescherming voor de consument. Mijn fractie onderschrijft het "niet meer dan anders"-principe. Daarmee wordt voorkomen dat mensen met een aansluiting op stadsverwarming meer betalen dan mensen met een gasaansluiting. Het "niet meer dan anders"-principe moet volgens de PVV dan wel worden toegepast op de totaalprijs, inclusief het aansluittarief. Dat tarief wordt nota bene ook nog vaak dubbel betaald door de consument. Die moet dit betalen bij de aanschaf van een nieuwe woning en ook nog eens jaarlijks via de energierekening. Het jaarlijks in rekening te brengen aansluittarief voor gas is onderdeel van de bij artikel 5 genoemde integrale kosten. Het zou dus fair zijn als het aansluittarief voor warmte ook onder het NMDA-principe zou vallen. Nu wordt jaarlijks via de energierekening meer dan twee keer zo veel voor warmte dan voor gas geadviseerd. Ook het eenmalige aansluittarief, dat in de aanschafprijs van een woning wordt meegenomen, valt niet onder het NMDA-principe. Voor een woning in bijvoorbeeld Ypenburg betaalt de consument hierdoor ruim € 2.000 te veel. Ik heb een motie en een amendement klaarliggen waarmee ik ervoor wil zorgen dat het jaarlijkse en het eenmalige aansluittarief onder het NMDA-beginsel komen te vallen. Eerst wil ik echter graag van de minister horen waarom het aansluittarief buiten het maximumtarief wordt gehouden.

Mijn tweede vraag gaat over de opslag voor duurzame energie. Daarover hebben wij de afgelopen maand gesproken. Hierdoor gaan gasgebruikers geleidelijk fors meer betalen. Een nog niet nader belicht ander nadeel van deze windmolenheffing is, dat dit ook van invloed is op de tariefbescherming van deze Warmtewet. Met het NMDA-beginsel wordt namelijk de prijs voor warmte gekoppeld aan de prijs die gasgebruikers betalen. Die is dus inclusief alle belastingen. Het is dan ook in hoeverre dit wetsvoorstel de consument nog beschermt tegen te hoge tarieven voor stadsverwarming. De Woonbond had eerder al grote twijfels bij de vraag of deze koppeling genoeg tariefbescherming zou bieden. Volgens de Woonbond krijgen drie van de vier grote netten door dit wetsvoorstel de ruimte om de tarieven te laten stijgen. De opslag voor windmolens had de Woonbond in de berekening niet meegenomen, waardoor waarschijnlijk ook bij het vierde grote net de tariefbescherming voor de consument vervalt. Onderschrijft de minister deze constatering en deelt hij mijn conclusie dat tariefbescherming voor de consument op deze wijze onvoldoende is geborgd? Wordt het NMDA-principe op deze manier niet gewoon een "niet minder dan anders"-principe, met de nadruk op "minder"? Ook de toezichthouder heeft onvoldoende zicht op de werkelijke kosten van de warmteleveranciers. Is het niet aannemelijk dat warmteleveranciers zo veel mogelijk het maximumtarief zullen opzoeken? Ik hoor hierop graag een reactie van de minister.

Ik kom wat de toezichthouders betreft nog even terug op mijn allereerste debat in de Kamer. Dat ging over de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt. In de toelichting van dit wetsvoorstel wordt gewezen op de mogelijkheid die de minister heeft om beleidsregels op te stellen met betrekking tot de bevoegdheden van de NMa, in dit geval met betrekking tot de rendementsmonitor, om overwinsten tegen te gaan. Welke mogelijkheden heeft de minister straks nog, als we achteraf tot de conclusie komen dat deze beleidsregels niet adequaat worden uitgevoerd door de NMa of als blijkt dat de bevoegdheden van de NMa onvoldoende zijn om warmteleveranciers die te hoge tarieven rekenen aan te pakken? De bevoegdheden van de minister worden immers ingeperkt bij het opgaan van de NMa in de ACM.

Afsluitend: de PVV onderschrijft de doelstellingen van dit wetsvoorstel, maar heeft toch grote zorgen of daar, vooral ten aanzien van de consumentenbescherming, aan voldaan kan worden. Ik hoop dat de minister ons op dit punt gerust kan stellen, en anders kom ik er in tweede termijn nog op terug.

De heer Jan Vos (PvdA):

Voorzitter. De laatste keer dat ik de minister sprak, was afgelopen maandag, in Groningen. Om twee redenen was dat een bijzonder moment. De eerste reden was dat de aanwezige bevolking van Loppersum, 800 man, spontaan het Wilhelmus aanhief toen bekend werd dat ons land een nieuwe koning zou krijgen. Ik bedacht mij dat wij hier in Den Haag nog iets kunnen leren van die volksaard. Ik hoor de minister nu vragen waarom ik het ook niet heb gedaan. Ik heb het gisteren in de plenaire zaal wel overwogen, maar bescheiden als ik ben, heb ik mij op de achterste bankjes daarvan onthouden. Ik zal echter niet aarzelen om het de volgende keer anders aan te pakken … De tweede reden dat die avond bijzonder was, was dat minister Kamp met heel veel zorg, aandacht en kundigheid inging op de gebeurtenissen in Loppersum. Daar wil ik hem bij de aanvang van mijn bijdrage toch even mee complimenteren.

Voor ons ligt de wijziging van een wet met een lange geschiedenis, de Warmtewet, oorspronkelijk ingediend door het CDA en later met behulp van mijn fractie verder ontwikkeld. Het hoofddoel van de wet is om consumenten die te maken hebben met een warmtemonopolist te beschermen. Het achterliggende doel van mijn fractie was om, gegeven dit uitgangspunt, de wet zo vorm te geven dat er veel meer gebruik wordt gemaakt van restwarmte. Vorige week nog was ik in Zeeland waar ik een aantal tuinders bezocht die gebruikmaken van industriële restwarmte. Ik zag daar hoe prachtig dat werkt. Dat gaat overigens niet alleen om de restwarmte maar ook om de CO2. Ik ben dus heel blij dat wij deze wet vandaag kunnen behandelen.

Het schrappen van de redelijke prijs maakt de wet simpeler. Gezien het feit dat uit onderzoek van de NMa blijkt dat er nauwelijks overwinsten worden gemaakt, is dat ook goed te verdedigen. De consument wordt namelijk via de "niet meer dan anders"-prijs uitstekend beschermd en bovendien wordt achteraf gemonitord of er voor de toekomst toch niet sprake is van overwinsten. Zoals mijn collega Leegte terecht stelde, kunnen wij dat altijd op de juiste manier aan de orde stellen in de Kamer.

Ik heb een drietal amendementen ingediend en ik wil een aantal vragen en dilemma's met de minister bespreken. Allereerst kom ik te spreken over het amendement op stuk nr. 16, een klein amendement over noodvoorzieningen. Het lijkt nu soms of de minister in noodgevallen alle producenten te allen tijde kan dwingen om warmte te leveren. Dat principe staat niet ter discussie, maar de keuze voor een noodproducent staat dat wel. Dit amendement beoogt dat door de minister in dergelijke gevallen een logische en kosteffectieve keuze wordt gemaakt. Ik hoor graag hoe de minister hier tegenaan kijkt.

De heer Leegte (VVD):

Als je in een noodsituatie terugvalt in de situatie van daarvoor, zou dat best een verslechtering kunnen zijn ten opzichte van wat je zou willen hebben. Hoe gaat de heer Vos daarmee om? Is het verstandig om dit te doen?

De heer Jan Vos (PvdA):

Het verbaast mij dat u als liberaal op dit punt ingaat, mijnheer Leegte. Wij willen voorkomen dat alle producenten te allen tijde gedwongen kunnen worden om warmte te leveren. Wij willen graag van de minister weten op welke wijze hij een logische en kosteffectieve keuze kan maken. Daarmee willen we voorkomen dat producenten te veel in een keurslijf worden gedwongen terwijl dat niet nodig is.

De heer Leegte (VVD):

Ja, dat begrijp ik. Wij zijn nooit zo van de verplichtingen. Wat de heer Vos doet, is eigenlijk terugvallen op dezelfde voorwaarden als voorheen. Je hebt een situatie. Dan ontstaat er een faillissement, omdat we te veel windmolens hadden. Ik noem maar een voorbeeld dat zomaar kan gebeuren. Vervolgens moet er dus iets gebeuren. Dan zou het best kunnen zijn dat wat de heer Vos zo mooi "dezelfde voorwaarden als voorheen" noemt, slechter zijn dan de voorwaarden die in de tussentijd zijn gerealiseerd. Hoe voorkomt hij met zijn amendement dat wij in die val trappen?

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik voorzie zo snel geen situatie waarin warmteleveranciers failliet zullen gaan als gevolg van de windmolens. Kennelijk maakt de heer Leegte zich hier zorgen over. Ik denk dat het met die beoogde 6.000 megawatt nog wel mee gaat vallen, in ieder geval op land. Ik deel de zorgen van de heer Leegte dus niet.

Dan kom ik op het amendement op stuk nr. 17. In de tarieven voor de levering van warmte en gas worden ook de tarieven voor de aansluiting verwerkt. De aansluitkosten voor warmte mogen niet meer dan anders zijn, terwijl er bij warmte wel sprake is van hogere kosten. Dat leidt ertoe dat de kosten van het warmtenetwerk niet over de afschrijvingstermijn via de tarieven kunnen worden terugverdiend. Dat zou een onrendabele top zijn op de investering in een warmtenetwerk. Over die onrendabele top is afgesproken dat die in de verkoopprijs van alle woningen in het warmtegebied wordt versleuteld zodat projecten niet minder dan anders tot stand komen. Nu zijn er ook situaties waarin aan een bestaand warmtenet enkele woningen worden toegevoegd. De Warmtewet beschermt deze nieuwe aansluitingen tegen zeer hoge aansluitkosten. Hun aansluitbijdrage is daarom in het artikel gemaximeerd op niet meer dan anders. Mijn fractie is het daarmee eens. Het doel van de wet is de woningen te beschermen die niet in het warmtegebied lagen toen het warmtegebied werd aangewezen en de business case voor het totale project werd berekend. Maar zoals het nu in de wet staat, is er een mogelijkheid dat ook anderen zich onbedoeld kunnen beroepen op deze bescherming. Die situatie kan zich voordoen als een nieuw warmtenet in fases wordt aangelegd. De kosten van het warmtenet worden weliswaar berekend op de eindsituatie, maar door de omstandigheden worden mogelijk niet alle woningen en dus niet het hele warmtenet ineens aangelegd. Projectontwikkelaars of particulieren zouden zich dan met een verwijzing naar artikel 6, lid 1 onterecht kunnen beroepen op het maximeren van de aansluitbijdrage en daardoor zou na de investeringsbeslissing de business case alsnog in het gedrang kunnen komen, en/of zouden de overige woningen met nog hogere aansluitkosten geconfronteerd kunnen worden. Vandaar de wijziging in de onvoorziene aansluiting. Dit is ook in lijn met de beantwoording van de minister in paragraaf 1.3 in de nota naar aanleiding van het verslag. Het afwegen van het belang van de consument die terecht een eerlijke prijs vraagt en dat van de warmteleverancier die terecht een rendabele business case wil, is in de praktijk dus een ingewikkelde balanceeroefening.

Met dit amendement hangt nog iets anders samen inzake de aansluitplicht. We hebben begrepen dat er een compromis is bereikt met verschillende partijen in het veld over de vraag hoe hiermee om te gaan. Het compromis houdt in dat er lokaal voor gekozen kan worden om de aanleg van een collectief warmtenet te sturen op de te bereiken milieudoelen, zoals het percentage duurzame energie, vermindering van de lozing van warmte op het oppervlaktewater et cetera. Het compromis stelt dat al deze door de gemeenteraad vastgestelde doelen onderdeel zijn van de toetsing of een alternatief voldoende is voor het verkrijgen van een ontheffing. Kortom, een projectontwikkelaar kan alleen onder de aansluitplicht op het warmtenet uitkomen als hij aantoont minimaal dezelfde milieudoelen te halen. Mijn fractie vindt het compromis werkbaar. Maar klopt het dat dit een compromis is? Wat is de stand van zaken met betrekking tot het vastleggen van het compromis in de relevante wet- en regelgeving? Als de minister toezegt dat het wordt geregeld, hoeft het wat ons betreft niet meer in de Warmtewet zelf vastgelegd te worden. Het lijkt mijn fractie raadzaam dat deze manier van werken over een aantal jaren geëvalueerd wordt. Kan de minister zeggen of hij dit nuttig acht? Zo ja, welke termijn heeft hij dan in gedachten?

Tot slot kom ik op ons derde amendement. Met de Warmtewet proberen we feitelijk voor alle oude situaties en voor de hopelijk talrijke nieuwe projecten eenzelfde wettelijke mal te maken. Dat dit na tientallen jaren pionieren niet makkelijk is, blijkt uit de diverse en soms tegenstrijdige reacties en verzoeken die mijn fractie heeft ontvangen. Zo zijn er consumenten die aangeven dat zij graag willen dat hun energieleverancier de administratie van en distributie door hun gemeenschappelijke ketel weer overneemt, terwijl andere consumenten en organisaties er juist voor pleiten om de reikwijdte van de wet te verminderen. Zij willen die invloed dus liever niet. In de praktijk betekent dit dat maatwerk nodig is. De enige manier om maatwerk te bieden, is door niet alles in de wet dicht te regelen. Ziet de minister dit dilemma ook? Ziet hij mogelijkheden om consumenten te ondersteunen die graag de zaken willen overdragen aan het energiebedrijf, zodat energiebedrijven het ook gaan doen?

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik wacht eigenlijk op de behandeling van het amendement op stuk nr. 21. Komt dat nog?

De heer Jan Vos (PvdA):

Ja, ik ben zelf ook een beetje in verwarring. Ik zei weliswaar "tot slot", maar dat was niet terecht. Ik moet inderdaad nog een ander amendement bespreken. Op een specifiek punt willen wij namelijk meer bescherming voor de consument. Daarbij komt het amendement op stuk nr. 21 aan de orde. Het betreft de problematiek rond de digitale warmteverdeelmeters. In veel oudere appartementencomplexen is sprake van blokverwarming. Bij de ingang is dan een warmtemeter opgesteld bij de centrale ketel. De warmtemeter meet hoeveel warm water er binnenkomt. Individuele huishoudens hebben echter geen meter. De vraag is dan hoeveel je per huishouden verbruikt. Sommige van die appartementencomplexen hebben bijvoorbeeld verdampingsmeters of digitale warmteverdeelmeters. Vooral over de digitale warmteverdeelmeters zijn er veel klachten van consumenten. Dat is onder andere in het consumentenprogramma Kanniewaarzijn aan de orde gekomen. Van de verdampingsmeters was al bekend dat zij vrij onnauwkeurig meten.

In de nieuwe wet is er een energie-efficiencyrichtlijn. Deze schrijft voor dat in alle nieuwe gevallen een individuele warmtemeter moet worden ingebouwd waar dat kostenefficiënt mogelijk is. Met een individuele warmtemeter heb je namelijk dat probleem niet meer. Bij de bestaande gevallen – dat zijn er nogal wat – kun je echter niet overal zo'n warmtemeter inbouwen en zul je dus moeten blijven werken met digitale warmteverdeelmeters en/of verdampingsmeters. Je kunt immers niet die appartementencomplexen voor de helft slopen en overal nieuwe systemen inbouwen. Consumenten in die situatie willen wij een mogelijkheid bieden om hun gelijk te halen als zij menen dat zij onrechtvaardig worden behandeld door de leverancier van de warmte. Daarvoor hebben wij het amendement op stuk nr. 21 ingediend. Graag horen wij van de minister of hij deze problemen onderkent en wat hij van onze oplossing vindt.

De heer Paulus Jansen (SP):

Dat dit een probleem is, onderschrijf ik. Ik heb dit in mijn termijn ook genoemd. Ik heb nog wel een suggestie en een vraag over lid 6 van het amendement. Daar staat dat de helft van de kosten van het onderzoek voor rekening van de leverancier komt en de andere helft voor rekening van de klant. Bij geschillen is het gebruikelijk dat er gearbitreerd wordt op kosten van degene die ongelijk heeft. Dat lijkt mij erg voor de hand liggend. Waarom zou je de klant laten betalen als hij gelijk heeft? Daar staat tegenover dat moet worden voorkomen dat mensen gaan zeuren als zij in wezen niets te klagen hebben. Het lijkt mij redelijk om die lijn in het amendement aan te houden.

De heer Jan Vos (PvdA):

Daar is iets voor te zeggen, maar je kunt ook zeggen dat je de consument een klein beetje tegen zichzelf in bescherming moet nemen. Als je zo'n onderzoek laat doen – de kosten daarvan zijn hoog – en als het in het nadeel van de consument blijkt uit te vallen, wordt de consument met een hoge rekening geconfronteerd terwijl hij van tevoren geen enkel idee had van de hoogte van die kosten. Wij hebben een keuze gemaakt. Ik zie vooralsnog geen reden om daarvan af te wijken, temeer daar het in de meeste gevallen gaat om corporaties, die de kosten voor een dergelijk onderzoek kunnen delen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Huurders met blokverwarming hebben nu al toegang tot de huurcommissie. Daar worden veel van dit soort geschillen over de onnauwkeurigheid van de verdeelmeters behandeld. Daar betaal je de legeskosten van de huurcommissie voor; dat bedrag is veel kleiner. Er zijn natuurlijk ook andere situaties, bijvoorbeeld voor verenigingen van eigenaren en mensen met een huur boven de liberalisatiegrens. Daar is dit wel een remedie voor, maar dan nog lijkt het mij vrij onredelijk dat je, ook al krijg je gelijk, toch de helft moet betalen. Waarom past de heer Vos het amendement op dit punt niet aan aan de praktijk zoals die gegroeid is en die volgens mij prima werkt in Nederland?

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik zal uw vraag in overweging nemen. Ik kom hier in tweede termijn op terug. Dat was mijn bijdrage.

De voorzitter:

Dat had ik al geconcludeerd, gezien uw blik op mij.

De vergadering wordt van 15.30 uur tot 15.45 uur geschorst.

Voorzitter: Agema

Minister Kamp:

Mevrouw de voorzitter. Ik dank de woordvoerders voor de aandacht die zij opnieuw aan de Warmtewet hebben besteed. Zoals de woordvoerders al zeiden, is er een aantal keren intensief over dit onderwerp gesproken tijdens plenaire debatten en algemeen overleggen. Het betreft oorspronkelijk een initiatiefwetsvoorstel dat bijna tien jaar geleden, in het jaar 2003, is ingediend. Nu zijn we tien jaar verder, maar de wetswijziging is nog steeds niet voltooid. Als wij dat nu wel voor elkaar krijgen en ook de Eerste Kamer achter ons krijgen, is het misschien mogelijk dat per 1 juli het oorspronkelijke initiatiefwetsvoorstel, het wijzigingsvoorstel dat nu in behandeling is, een Algemene Maatregel van Bestuur en een ministeriële regeling in werking treden.

Oorspronkelijk werd gedacht dat met warmtevoorziening grote overwinsten werden gemaakt. Dit idee, dat bij een aantal Kamerleden bestond, werd bevestigd door een rapport van de Algemene Rekenkamer dat op een steekproefonderzoek was gebaseerd. Daaruit bleek ook dat van grote overwinsten sprake zou zijn. Later bleek echter dat het onderzoek van de Rekenkamer niet representatief was en dat het beeld heel anders is. Ik kom daar zo nog op terug.

Toch is het desbetreffende wetsvoorstel in 2009 aangenomen door de Tweede Kamer en de Eerste Kamer, maar niet door het kabinet bekrachtigd. Er ontstonden namelijk problemen toen het kabinet probeerde om de zaak uit te werken. Dat was lastig, het bleek moeilijk uitvoerbaar en nogal complex. In juli 2010 is in een algemeen overleg met de Kamer gesproken over de vraag of het anders zou moeten. Daarbij is een heel pakket van maatregelen aan de orde gekomen. Daar is min of meer overeenstemming over bereikt, waarna het kabinet de zaak opnieuw heeft bekeken. Het resultaat daarvan is de wijzigingswet die inmiddels ook alweer anderhalf jaar bij de Kamer ligt. Ik ben blij dat die wijzigingswet nu behandeld kan worden. De wijzigingswet leidt ertoe dat de zaak minder complex wordt en beter uitvoerbaar lijkt.

Mevrouw Van Veldhoven vroeg of ik denk dat het een toekomstbestendige wet is en of ik nog lessen uit de procedure wens te trekken. Het is echter niet aan mij om de Kamer een spiegel voor te houden. Als de Kamer zelf lessen uit dit proces wil trekken, dan merk ik dat vanzelf wel. Voor mij geldt dat de Kamer wel degelijk een reële problematiek bij de kop had, daar aandacht aan heeft besteed, maar min of meer door de ontwikkelingen op energiegebied is ingehaald. Er is namelijk heel veel gebeurd op energiegebied. Ik heb echter de overtuiging dat wij nu iets nuttigs kunnen doen. Het heeft natuurlijk allemaal lang, te lang, geduurd. De wijzigingswet ligt ook alweer anderhalf jaar bij de Kamer. Dat is ook erg lang. Ik denk dat wij het volgende kunnen leren: als wij iets belangrijk vinden, moeten we het ook snel doen en ervoor zorgen dat het gauw doorgevoerd wordt. Het heeft namelijk allemaal erg lang geduurd.

Consumentenbescherming blijft een belang. Als consument wil je graag op de een of andere manier beschermd worden als dat nodig is. In dit geval kon de consument niet beschermd worden door concurrentie op de markt. Er is één leverancier van warmte en daarvan ben je afhankelijk. Dat is niet altijd een drama omdat de leverancier vaak gebonden is aan of gestuurd wordt door lokale overheden, die heel goed rekening houden met de consument. Toch hebben de Kamer en de regering geoordeeld dat het bij het ontbreken van concurrentie nuttig is om een vorm van consumentenbescherming op te tuigen.

Leveringszekerheid is ook een belang dat aandacht moet krijgen. De heer Leegte zei al dat zich als gevolg van gewijzigde omstandigheden situaties kunnen voordoen waarin geen warmte meer geleverd wordt. Welke procedures volg je dan? Dat wordt met deze wijzigingswet geregeld. Ik denk dat dit nog steeds nuttig is.

Het laatste belang is duidelijkheid scheppen voor warmteleveranciers. Zij moeten namelijk investeren in dit soort projecten, om bestaande projecten aan de gang te houden of nieuwe projecten op te zetten. Als er duidelijkheid is, biedt dat een betere basis voor investeringen dan als het allemaal maar vaag blijft.

De consumentenbescherming wordt gegeven door de "niet meer dan anders"-maximumprijs, de NMDA-prijs, want de consumentenbescherming betreft natuurlijk vooral de prijs. In de praktijk betekent dit dat je, als je warmte geleverd krijgt door een warmtenet, niet meer betaalt dan iemand die thuis een cv-ketel heeft. Dat laatste is het geval voor meer dan 90% van de mensen in ons land. Laten wij ons realiseren dat de toepassing van de NMDA-prijs, de "niet meer dan anders"-maximumprijs, niet nu verzonnen is, maar dat die al bestaat sinds de jaren tachtig, misschien al iets eerder. Toen was het alleen zelfregulering. Er was een koepel. Eerst was dat VESTIN, later was het EnergieNed en nu heet het Energie-Nederland. Die stelde een NMDA-prijs vast. Die werd vervolgens toegepast door de meeste leveranciers. Zij deden dat alleen vrijwillig, maar sommigen deden het niet. Bovendien was daarop geen toezicht. Enkele leden hebben al gezegd dat de leveranciers zich netjes hebben gedragen, want op dit moment ligt de huidige prijs onder de nieuwe maximumprijs bij drie van de vier grootste leveranciers van warmte, zo zei een van de leden. Wij kunnen wat dat betreft dus vaststellen dat de leveranciers zich netjes hebben gedragen. Bovendien kunnen wij vaststellen dat de rendementen die zij behalen gering zijn. In enkele gevallen wordt er verlies geleden en in de andere gevallen zijn de rendementen laag. De rendementen zijn in alle gevallen lager dan wat de NMa heeft berekend als zijnde een redelijk rendement.

Het pakket dat uit de wijzigingswet komt die nu voorligt, is getoetst door de NMa. Er is een uitvoerings- en handhavingstoets op losgelaten. De NMa zegt dat de wet nu werkbaar en uitvoerbaar is. Dat kunnen wij nu vaststellen, maar er is een aantal reële vragen. Ik zal er nog een paar behandelen. De Kamerleden hebben reële opmerkingen en vragen over diverse punten waarover nog onzekerheden bestaan, naar voren gebracht. Die kan ik zeker niet allemaal wegpraten. Het is daarom heel nuttig om deze wet nu vast te stellen en in werking te laten treden, en de komende jaren eens te bekijken hoe het zich allemaal zet en hoe het uitpakt. Dan kunnen wij over een jaar of drie evalueren wat de knelpunten zijn en hoe wij die kunnen oplossen, zoals in de wet staat.

De heer Paulus Jansen (SP):

De minister signaleert zelf dat de rendementen op de energienetten op dit moment laag en soms zelfs negatief zijn. Ik heb in mijn termijn gezegd dat mijn inschatting is dat het grootste risico voor de consument op dit moment, is dat er een warmtenet omvalt en dat wij bij de noodprocedure uitkomen. Komt de minister nog op dat punt terug?

Minister Kamp:

Ja, ik ga nog uitgebreid op de noodprocedure in. De heer Jansen heeft een belangrijk punt aangesneden. Ik geloof ook dat de heer Jansen onder ons degene is die het langste de hele voorgeschiedenis van de Warmtewet heeft meegemaakt. Ik kijk dus sidderend uit naar zijn bijdrage aan het debat. Dat begrijpt hij.

Ik heb al gezegd dat wij het risico op overwinsten nu eigenlijk al hebben losgelaten. Enkele leden hebben gezegd dat de maximumprijs die wij opleggen hoger is dan de feitelijke prijs en dat wij hen dus niet naar de maximumprijs moeten leiden. Laten wij eerst even vaststellen dat uit de initiatiefwet van de Kamer ook een maximumprijs kwam rollen. Uit de wijzigingswet rolt nu een lagere maximumprijs dan uit de oorspronkelijke initiatiefwet. Wat dat betreft is het al een verbetering. In de tweede plaats gedragen de warmteleveranciers zich in de regel sociaal, omdat zij een corporatieachtergrond hebben of omdat er direct of indirect aansturing is vanuit lokale overheden. Ik denk dus dat men niet naar de maximumprijs toe zal gaan. Als men dat zou willen, zou men dat op dit moment kunnen doen. Men doet dat echter niet. Het wordt nu alleen mogelijk om naar een lagere maximumprijs toe te gaan. Het risico is er volgens mij al niet vanwege het gedrag van de leveranciers. Als zij het zouden willen, hebben wij die in ieder geval een stuk lager gemaakt dan tot nu toe het geval was. Over dat effect hoeven wij ons dus niet ongerust te maken.

Wij kunnen ons er wel ongerust over maken dat de rendementen zo laag zijn en dat nieuwe investeringen in de warmtenetten niet aantrekkelijk zijn. Het gebruik van restwarmte is goed. Het is goed voor het milieu en voor energiebesparing. Iedereen die positief is over warmtenetten, kan zich er eerder ongerust over maken dat de rendementen te laag zijn dan dat zij te hoog zijn. Als wij straks gaan evalueren, moeten wij dat ook bekijken. Als er in de elektriciteits- en gasmarkt lage winsten worden gemaakt en lage rendementen worden gerealiseerd, en als je de prijs uit die markt op deze gaat loslaten, wordt het voor investeerders allemaal wel erg onaantrekkelijk. Verlies je dan niet wat je eigenlijk graag wilt vasthouden? Dat effect moeten wij ook meenemen bij de komende evaluatie. Slaat het niet naar de andere kant door? Moeten wij deze ontwikkeling niet zien te voorkomen? Daarom is het heel goed dat die monitor van de NMa er is. De NMa zal goed volgen wat er met de rendementen gebeurt. Op grond van de monitor kunnen wij onze conclusies trekken. De Kamer maakt zich hier nogal druk om. Hoewel het maar om 6% van de huishoudens gaat, zijn dat er bij elkaar nog wel een half miljoen. Die huishoudens verdienen de aandacht die de Kamer er al gedurende een lange periode aan geeft.

De leveranciers zijn voor een deel vergunningplichtig en voor een deel niet-vergunningplichtig. Dat onderscheid is eigenlijk niet zo heel erg belangrijk. Het gaat eigenlijk alleen maar om de zwaardere boekhoudkundige eisen waaraan je moet voldoen als je vergunningplichtig bent. Alle andere eisen die in de wet staan, gelden voor iedereen. De bescherming bieden wij aan alle consumenten. Dat er voor sommige leveranciers minder zware boekhoudkundige eisen gelden, is voor de afnemers niet zo belangrijk.

De corporaties willen uitgezonderd worden van de Warmtewet. Wij kunnen vaststellen dat ze in de wijzigingswet zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. Wij leggen de corporaties dus in ieder geval geen te zware administratieve verplichtingen op. Maar het lijkt mij goed om alle andere bepalingen van de wet ook voor de klanten van de corporaties te laten gelden. Binnen een complex dat over een warmtenet beschikt en waarvan de mensen binnen dat complex warmte afnemen, is niet alleen sprake van socialehuurwoningen. Meestal zijn er ook vrijesectorwoningen en koopwoningen. Als je de corporaties gaat uitzonderen, vallen ook degenen met een vrijesectorwoning of een koopwoning buiten de consumentenbescherming. Mensen in een socialehuurwoning hebben de bescherming van de huurcommissie, maar mensen in vrijesectorwoningen of koopwoningen zijn ons net zo lief. De bescherming van hen zou ook onze aandacht kunnen hebben.

Wij zouden ervoor kunnen kiezen om de huurders die onder de bescherming van de huurcommissie vallen, buiten de Warmtewet te houden. Dat lijkt mij ook niet goed, want dan gaan binnen één complex verschillende prijzen gelden voor de mensen met een socialehuurwoning en de mensen met een vrijesectorwoning of een koopwoning. Dat is natuurlijk raar. Je zit in één complex, waar de ene bewoner voor hetzelfde goed meer betaalt dan de ander. De huurcommissie kijkt voor de huurders bovendien alleen naar de kostentoerekening en niet naar het NMDA-principe. Er is best een ontwikkeling voorstelbaar waarbij de kosten zodanig zijn, dat de prijs die daaruit voortvloeit hoger is dan de NMDA-prijs. Dat betekent dat mensen in socialehuurwoningen meer betalen dan mensen in koopwoningen en vrijesectorwoningen. Ook dat zou raar zijn. Dat moeten wij dus niet doen. Wij moeten de corporaties gewoon onder de Warmtewet laten vallen. Dan bieden wij iedereen de bescherming die hij nodig heeft. Je kunt dan zeggen dat huurders van socialehuurwoningen een dubbele bescherming krijgen, zowel van de huurcommissie als van de NMa via de Warmtewet. Laat dat dan zo zijn. In de praktijk maakt dat niet veel uit. Bij gas en elektriciteit is die dubbele bescherming er ook al. Als je dat bij warmte dan ook hebt, lijkt mij dat niet zo'n probleem.

In het Bouwbesluit is een verplichte aansluiting geregeld. Als er ergens een warmtenet ligt, dan moet een projectontwikkelaar daarop aansluiten, tenzij die projectontwikkelaar een betere of een gelijkwaardige energieprestatie kan waarborgen. Of dat kan, is ter beoordeling aan de gemeente. Dat noemen we het gelijkwaardigheidsbeginsel. Dat Bouwbesluit ligt er dus, maar er is wel discussie over geweest. De verfijning die naar aanleiding daarvan is gekomen, is behandeld met mijn collega voor Wonen en Rijksdienst. Dat houdt in dat de gemeenteraad een warmteplan gaat vaststellen voor een bepaald gebied, waarvoor geldt dat een alternatief voor aansluiting op het warmtenet ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en milieubescherming moet bieden. Dat is een goed uitgebalanceerd geheel, want het betekent dat de warmteleveranciers meer zekerheid krijgen. Er kan alleen worden aangesloten in die gevallen waarin ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en milieubescherming kan worden gewaarborgd. Maar de warmteleveranciers worden ook geprikkeld om zich in te spannen om op het punt van duurzaamheid te concurreren. Doen zij het op dat punt niet goed, en andere kunnen minimaal hetzelfde doen, dan verliezen ze draagvlak. Ik denk dat de oorspronkelijke wijziging van het Bouwbesluit en de latere verfijning, waaraan brede consultatie vooraf is gegaan en die nu ter advisering bij de Raad van State ligt – de voorhangprocedure bij de Kamer is al gepasseerd – een goed uitgebalanceerd geheel is, dat goed kan werken.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik veronderstel dat de minister alle zaken die te maken hebben met huurcomplexen n een keer zou behandelen. Er ligt nog een vraag over het kritiekpunt van de corporaties over het prijsrisico bij doorlevering van ingekochte warmte van een stadsverwarmingsnet. Komt die vraag nog aan bod?

Minister Kamp:

Als ik daar na mijn eerste termijn nog niet aan toe ben gekomen, wilt u er dan op terugkomen?

De heer Leegte bekeek de zaak van een afstand, zich daarbij zorgen makend over de warmteproductie. Hij zei: er gebeurt van alles op het gebied van energiecentrales. Het kan voorkomen dat een centrale niet draait, omdat er op dat moment geen vraag is, maar dat wel moet worden geproduceerd om de warmte te leveren. Als de eigenaar van een elektriciteitscentrale een verplichting naar een leverancier met een warmtenet is aangegaan, dan moet er worden geproduceerd. Op dat moment is dat een probleem voor de eigenaar van zo'n elektriciteitscentrale. We kunnen dat als feit vaststellen, zoals we ook kunnen vaststellen dat de conventionele centrales op dit moment onder druk staan. Door de economische recessie is er overcapaciteit. Verder is er een lage prijs voor elektriciteit die wordt opgewekt door wind en zon, als de wind waait en als de zon schijnt. Op zo'n moment is er vaak aanleiding om stil te gaan staan. Voor gascentrales geldt een relatief hoge gasprijs, terwijl de prijs van CO2-rechten en kolen laag is. De concurrentiepositie van gascentrales is dus niet goed. Wat kunnen we daaraan doen? Ik heb daar met de Kamer over gesproken, zowel in het debat ter voorbereiding van de Europese Raad als bij de behandeling van de begroting. We moeten er namelijk voor zorgen dat wij in Europees verband afspraken maken over het hele systeem waarmee wij proberen om duurzame energie te stimuleren, CO2-uitstoot te beperken en de energiemarkt goed te laten werken. Wij moeten subsidieconcurrentie voorkomen en ervoor zorgen dat de prijs van CO2 toeneemt. Het is bekend dat ik mij inzet voor de hogere prijs van CO2 en voor het beperken van de subsidieconcurrentie. Ik ga daar morgen voor naar Duitsland. Dat zijn allemaal punten in de analyse van de heer Leegte die ik met hem deel. Daarvoor wil ik mij dus zowel bilateraal als in Europees verband inzetten.

De heer Leegte vraagt of ik een studie wil doen naar de relatie tussen de ontwikkelingen op het gebied van hernieuwbare energie en wat er is aan warmtenetten. Ik denk dat wij dat onderzoek niet hoeven te doen, want net als ik ziet de heer Leegte ook wel dat de uitkomst daarvan duidelijk is. De conventionele centrales staan namelijk onder druk, onder andere door wat er gebeurt op het gebied van hernieuwbare energie. De warmtenetten maken inderdaad gebruik van de restwarmte van die centrales. Dat probleem wordt echter niet door de Warmtewet veroorzaakt. Laten wij ons goed realiseren dat wij hier de Warmtewet behandelen. De Warmtewet veroorzaakt dat probleem niet. Het probleem voor de elektriciteitscentrale wordt veroorzaakt door het feit dat de eigenaar indertijd een verplichting is aangegaan. Een verplichting heb je nou eenmaal; dat is ondernemersrisico. De ene keer kun je erdoor verdienen en de andere keer moet je er geld bij leggen. Het is niet anders. Ik wil wel de rendementen die warmteleveranciers maken, goed in de gaten houden. Een producent die misschien een tijd lang heeft moeten leveren terwijl dat niet goed uitkwam en daardoor verlies heeft gemaakt, dient zijn contract uit, maar als het contract voorbij is, wordt in een keer een hogere prijs gevraagd. De leverancier kan volgens het wetsvoorstel op zijn beurt aan de warmteklanten geen hogere prijs in rekening brengen dan de NMDA-prijs. Dan krijg je dus een probleem. Ik ga daarop in als ik ga bespreken wat er aan de orde kan zijn indien de noodprocedure moet worden toegepast. Als gevolg van de ontwikkeling die gaande is bij de elektriciteitscentrale kan het dus inderdaad voorkomen dat aan het eind van het contract de prijs flink omhooggaat en dat vervolgens een heel laag rendement ontstaat of zelfs verlies wordt geleden door de warmteleverancier vanwege de NMDA-maximumprijs die wij nu in dit wetsvoorstel vastleggen.

Dit zijn dingen die wij goed in de gaten moeten houden. Hoe reageren de leveranciers daarop? Het is heel goed mogelijk dat een leverancier daarop reageert door een andere warmteproducent te nemen. Het is ook mogelijk dat de leverancier niet voor een elektriciteitscentrale maar voor een afvalverbrandingsinstallatie kiest. Het kan ook zijn dat hij zelf een geothermisch project gaat opzetten, waarvoor je ook via de SDE-plus ondersteuning kunt krijgen. We moeten dus kijken of het probleem zich voordoet. Doet het zich voor, dan moeten we bekijken in welke mate dat dit het geval is en hoe daarop door de leveranciers wordt gereageerd. Daar zijn de evaluatie die over die jaar wordt gehouden en de monitoring door de NMa heel goed voor.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik ga hier toch maar even op door. De minister heeft op zichzelf gelijk. Exploitanten van het warmtenet hebben de mogelijkheid om andere leveranciers te zoeken. Ik denk inderdaad dat industriële restwarmte een optie is die op dit moment veel minder kwetsbaar is dan elektriciteitsproductie. De minister voor Wonen heeft echter een manier om alle warmtenetten 10% rendabeler te maken. Dat gebeurt namelijk als die warmtenetten overschakelen op het aansluiten van gebouwen met lagetemperatuurverwarming. Dat scheelt in de exploitatie gigantisch veel geld. Is dat geen oplossingsrichting die met het oog op het versterken van de investeringskracht en de rentabiliteit heel aantrekkelijk is?

Minister Kamp:

Ik heb niet het idee dat daarvoor zo gemakkelijk oplossingen te vinden zijn. Als dat zo was, zouden wij dat doen. We zijn er nu tien jaar mee bezig. We hebben deze initiatiefwet en deze wijzigingswet bedacht. Dit is het pakket dat hier op dit moment voorligt. Als andere dingen mogelijk zijn, zien we dat en gaan we bekijken of dat een verbetering is. Daar kunnen we dan die evaluatie voor gebruiken, maar ik zou er erg voor willen waken om iedere keer dat er weer een nieuw idee is of dat weer een nieuwe koppeling met iets wordt gelegd, de zaak weer even voor ons uit te schuiven. Dan staan we hier over vijf jaar nog over de Warmtewet te praten.

De heer Paulus Jansen (SP):

Nee, dat wil de SP-fractie niet. Wat ons betreft, krijgt deze wet groen licht, maar de warmteleveranciers roepen al jaren dat de exploitatie van warmtenetten veel gunstiger zou kunnen worden, ook voor duurzame energie, als die temperatuur omlaag zou gaan. Dat kunnen zij niet regelen; dat kan de minister of zijn collega voor Wonen regelen, want dat kan in het Bouwbesluit worden voorgeschreven. Dan worden die investeringen gedaan en kunnen de warmtenetten efficiënter werken. Is de minister bereid om in het kader van de al door mij genoemde regierol met zijn collega voor Wonen te bekijken wat een realistisch scenario in die richting is?

Minister Kamp:

De heer Jansen is iemand die regelmatig met serieuze suggesties komt die hij ook op een serieuze manier brengt. Dat is ook op dit punt het geval. Ik denk dat het heel nuttig is om dit soort dingen eens te bekijken. De heer Jansen weet uit ervaring dat als de een roept dat iets gunstig is, anderen weer roepen dat daar nadelen aan verbonden zijn. Hij vraagt nu niets anders dan om dit eens te bekijken en om te bezien of de uiteindelijke conclusie is dat wij hier iets zouden kunnen doen. Ik ben graag bereid om hem toe te zeggen dat ik daarover met mijn collega zal overleggen.

De heer Leegte (VVD):

Ik dank de minister voor de antwoorden op mijn vragen. Ik ken de minister als een optimistisch mens, maar volgens mij is hij in de voorstelling van zaken zo optimistisch dat hij zegt dat je makkelijk kunt schakelen tussen nieuwe producenten van warmte. Daar gaat natuurlijk enige tijd overheen. Bovendien zegt hij vrolijk dat er windenergie komt, dat daardoor de rendementen van conventionele centrales onder druk staan en dat dat een ondernemersrisico is. Ik vraag mij af of dat een ondernemersrisico is, want het was een politieke beslissing, die heeft ingegrepen op de marktsituatie. Met andere woorden: je had dat als ondernemer niet kunnen verwachten. Bovendien is dit eigenlijk een vorm van vals spelen, want die windmolen wordt met subsidie betaald. Daar zit geen ondernemer achter, maar de belastingbetaler. Die ondernemer zit met zijn winkeltje en moet elektriciteit en warmte leveren. Dat komt dan in de knel. Wil de minister dit expliciet meenemen in de evaluatie over drie jaar? Dat is immers misschien een betere termijn dan de eerder door mij gesuggereerde zes maanden. Ik voorzie echt dat er op dat punt een probleem gaat ontstaan, omdat er op termijn wellicht oplossingen komen maar in de tussenliggende periode heel veel knelpunten ontstaan. Het zou jammer zijn als wij daarmee huishoudens opzadelen met kosten.

Minister Kamp:

Ja, maar het is ook niet verstandig om te zeggen dat wij vals spelen ten opzichte van de producenten van elektriciteit, want er worden op dit moment voor miljarden twee grote elektriciteitscentrales neergezet in het noorden van het land. Ook in het westen van het land zijn grote centrales in aanbouw. We hebben al een overcapaciteit en die gaat nog verder omhoog. Als de heer Leegte nu zou zeggen dat het door vals spelen door het Rijk komt dat die overcapaciteit er is, dat zij niet goed kunnen draaien, te weinig kunnen verdienen en misschien verlies maken, is de volgende vraag: wat gaat u dan doen om het boetekleed aan te trekken en om die schade voor uw rekening te nemen? Heeft de heer Leegte daar dekking voor? Ik denk dat het beter is om te zeggen dat er een splitsing en een privatisering hebben plaatsgevonden. Er zijn ondernemers die daarvoor betaald hebben en die denken dat zij daar zaken mee kunnen doen. Je kunt er in bepaalde omstandigheden geld mee verdienen. In andere omstandigheden kun je er geld mee verliezen, maar ik denk niet dat wij dat risico nu ineens naar ons toe moeten trekken en ons eigen gedrag als vals spelen moeten gaan bestempelen. Bovendien zie ik niet direct het verband met wat hier aan de orde is. De Warmtewet is een initiatief van de Kamer, die graag wil dat mensen die warmte afnemen van een warmtenet, niet meer betalen dan mensen met een CV-ketel. Laten we het nou niet ingewikkelder maken dan dat; laten we dat nou eens even netjes gaan regelen en daar niet te veel bij betrekken, want dan komen we in de situatie waarin wij nu zijn gekomen, namelijk dat we hier al tien jaar over praten.

De heer Leegte (VVD):

Ik ben het met de SP eens dat wij deze wet moeten afronden; volgens mij wil iedereen dat graag. Mijn zorg zit erin dat er met de langetermijnontwikkeling van hernieuwbare energie op sommige momenten een overcapaciteit ontstaat van elektriciteit, waardoor de conventionele centrales het moeilijk hebben. Dat is een aandachtspunt. Mijn vraag aan de minister is of hij ervoor kan zorgen dat wij bij de evaluatie van de wet over drie jaar expliciet die samenhang kunnen meenemen.

Minister Kamp:

Ik vraag mij af of die samenhang zo sterk is. 6% van de mensen maakt gebruik van een warmtenet. Wij zorgen er nu voor dat zij niet meer betalen dan degenen met een cv-ketel. Ik weet wel dat er een probleem is door de overgangssituatie. Wij gaan gelukkig over naar duurzame energie, maar investeringen uit de oude periode ijlen natuurlijk voort. Het gaat er nu om dit met elkaar in harmonie te brengen. Dat proberen wij ook te bereiken door met Duitsland en andere Noordwest Europese landen samen te werken. Dat moet zeker gebeuren. Wij werken daar dan ook hard aan; dat is de heer Leegte bekend. Maar ik zie geen aanleiding om dit nu direct hieraan te koppelen. Ik wil de evaluatie toespitsen op hetgeen wij beogen met de wet, namelijk de consument beschermen, leveringszekerheid en het bieden van duidelijkheid aan leveranciers. Voor zover het vooral bij dit derde punt redelijkerwijs zou kunnen worden betrokken, ben ik bereid dat te doen, maar ik ga het niet breder maken dan nodig is.

De heer Leegte zei dat verliezen van een leverancier van warmte door de overheid worden vergoed in het kader van een noodprocedure. Dat is niet het geval. Als een warmteleverancier er slecht voor staat, geeft het wetsvoorstel de minister bevoegdheden met als doel het voortbestaan van die leverancier te borgen en een faillissement te voorkomen teneinde de consument te beschermen. Die mogelijkheid bestond tot nu toe nog niet, maar ik krijg die nu wel. Als ik zie dat het bij een warmteleverancier niet goed gaat, kan ik bevorderen dat een zogenaamde stille curator wordt aangesteld die zonder veel ophef achter de schermen bindende aanwijzingen kan geven aan de mensen binnen die organisatie om ervoor te zorgen dat daar dingen worden gedaan om te voorkomen dat het bedrijf failliet gaat.

Als de warmteleverancier toch failliet zou gaan, kan ik een noodleverancier aanwijzen. Die noodleverancier is dan gebonden aan de maximumprijs die voor afnemers geldt. Dit betekent dat de noodleverancier niet boven de NMDA-prijs mag uitgaan, net zo min als de oorspronkelijke leverancier dat mocht doen. Het risico dat de noodleverancier daaroverheen zal gaan, is echter veel lager, want de oorspronkelijke leverancier had een warmtenet waarin veel was geïnvesteerd, en kapitaallasten die afgeschreven moesten worden. Dat bepaalde zijn kosten en zijn prijs, maar de noodleverancier draagt die kapitaallasten niet. Ook degene die uiteindelijk de noodleverancier opvolgt en het warmtenet opkoopt, zal dit doen tegen een zodanige prijs dat hij wel rendabel zal kunnen functioneren. Anders zou hij niet die prijs betalen, maar een nog lagere prijs zodat hij wel rendabel kan functioneren. Ik acht het niet zo waarschijnlijk dat de overheid moet bijspringen in het geval van een noodprocedure waarbij een warmteleverancier wegvalt en zijn rol wordt overgenomen door een noodleverancier of een nieuwe leverancier.

Het kan ook voorkomen dat ik een producent moet aanwijzen, want niet alleen de warmteleverancier kan in de problemen komen, maar ook de producent. In zo'n geval kan ik een andere producent aanwijzen. Je kunt dan kijken in welke situatie het de Staat dan wel geld zal kosten. In die situatie is de leverancier failliet en is de producent gestopt of hij wil stoppen met de levering van warmte. Ik zal dan een producent verplichten om te leveren. Als de kosten van die producent hoger zijn dan de NMDA-prijs, moet de Staat het verschil bijpassen, maar dus alleen in die situatie waarin én de warmteleverancier failliet is én de producent is gestopt met leveren. Ik dwing een producent dus om te leveren, maar ik kan hem niet dwingen om dat met verlies te doen. Hij mag dan dus leveren tegen kostprijs. De klanten betalen echter nooit meer dan de NMDA-maximumprijs. Het verschil moet door de overheid worden bijgepast. Het risico van zo'n scenario is niet zo groot, omdat de warmteleveranciers vaak corporaties zijn. Het zijn vaak organisaties die worden aangestuurd door of eigendom zijn van lokale overheden. Pas als zo'n lokale overheid of corporatie in de problemen komt, komt de Staat in beeld.

De heer Paulus Jansen (SP):

De minister is vrij optimistisch en denkt dat die noodprocedure niet vaak van stal gehaald hoeft te worden. Dat hoop ik overigens met hem, want het lijkt mij heel vervelend voor de bewoners. Is gezien het risico van de lage rendementen – de minister noemt dat zelf ook – de kans niet heel groot dat met name commerciële exploitanten als Essent en Nuon de netwerken uitwonen, door gewoon niet meer te investeren en relatief weinig aan onderhoud te doen, tot het moment dat de businesscase zo slecht is geworden dat zij de stekker eruit trekken, de sterfhuisconstructie, en dat vervolgens de overheid, de publieke netbeheerder of wie dan ook, de ellende mag opknappen?

Minister Kamp:

De initiatieven zijn destijds genomen. De warmtenetten hebben nu een eigenaar. De producenten zijn contracten aangegaan. Dat is de feitelijke situatie. Als op een gegeven moment blijkt dat in het geheel van ontwikkelingen dat warmtenet en het leveren van warmte niet rendabel is en dat bedrijven dat niet meer willen doen omdat er geen mogelijkheid is om uit de kosten te komen, zal dat langzaam minder worden. Volgens mij is het ook heel goed denkbaar dat de corporaties, de energieproducenten, de lokale overheden en de warmteleveranciers met elkaar toch brood zien in warmtelevering, in het benutten van restwarmte. Er is ook zeker een scenario denkbaar dat door een stijging van de kosten van gas en elektriciteit, om welke reden dan ook, meer ruimte ontstaat voor warmtelevering. Het zou mis kunnen gaan. De overheid kan echter een dergelijke marktontwikkeling niet tegenhouden. Dat het mis gaat, is bovendien niet zeker. Ik heb al geschetst dat het mogelijk is dat er een goede toekomst is voor die warmtenetten.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik wil de minister eraan herinneren dat de bedrijven die destijds dit besluit hebben genomen, dat gedaan hebben op verzoek van de overheid. Minister Terlouw heeft destijds een grote promotiecampagne gehouden voor investeringen in stadsverwarming. De energiebedrijven waren toen nog nutsbedrijven, dus die hebben dat eigenlijk in opdracht van de overheid gedaan. Dat betekent dat deze minister, als opvolger van voormalig minister Terlouw, de morele verplichting heeft om ervoor te zorgen dat die netten levensvatbaar blijven. Denkt hij niet ook dat het verstandig is om vooral te zoeken naar een preventieve strategie waarbij de rentabiliteit en de duurzaamheid van die netwerken worden bevorderd en waarbij goede prikkels worden ingebouwd waardoor het ook voor commerciële exploitanten als Nuon en Essent rendabel is en de tarieven misschien op termijn zelfs omlaag kunnen?

Minister Kamp:

Ik vind het prachtig wat mijn verre voorganger de heer Terlouw, die ik zeer waardeer, heeft gedaan. Hij woont trouwens in zeer goede gezondheid bij mij in de buurt. Ik voel mij echter 20 of 30 jaar later niet nog moreel verplicht om allerlei dingen te doen in een markt die totaal veranderd is. De markt is geliberaliseerd en er is een splitsing geweest. Buitenlandse partijen hebben bedrijven overgenomen. Die lopen risico. Zij investeren. Het kan zijn dat zij er geld mee verdienen, veel geld mee verdienen, en het kan zijn dat zij verliezen. Dat hangt samen met een geprivatiseerde markt. Ik heb niet veel trek om de risico's van de warmtelevering en de warmtenetten naar de overheid te trekken. De overheid heeft ook niet de financiële mogelijkheden om die allemaal maar op zich te nemen. Bovendien behandelen wij hier de Warmtewet. Het gaat er uiteindelijk om dat mensen geen gas of cv-ketel meer hebben, maar afnemen van een warmtenet en dat wij ze niet meer laten betalen dan zij zouden betalen als zij wel een cv-ketel zouden hebben. Ik denk dat wij daar niet te veel andere dingen, zoals de mogelijke wens van de heer Jansen om als overheid te toekomst van de warmtenetten te garanderen, bij moeten betrekken.

Voorzitter. Gezien de manier waarop partijen in de markt functioneren, de betrokkenheid van de lokale overheden en de woningcorporaties, de manier waarop we stap voor stap vroegtijdig kunnen ingrijpen en tussentijds kunnen corrigeren en gezien de belangen van anderen om zelf corrigerend op te treden, denk ik dat deze wet al met al een heel goede invulling geeft aan de noodprocedure.

De heer Leegte heeft ook gevraagd naar wat hij de hoogte van het vastrecht noemt. Laten we bezien of we over hetzelfde spreken. We bedoelen in dit verband dat wanneer je warmte levert, er een warmtemeter en een warmtewisselaar nodig is voor degene die de warmte van je afneemt. Deze warmtemeter en warmtewisselaar zorgen ervoor dat het warme water schoon water opwarmt en dat je dat uit een kraan kunt laten komen. Het gaat om een combinatie van een warmtewisselaar en een warmtemeter. Deze combinatie noemen we een "afleverset". Deze afleverset moet idealiter in het bezit zijn van de eigenaar van het warmtenet, dus van de warmteleverancier, die de kosten ervan in rekening mag brengen. Deze kosten vallen buiten de maximumprijs waarover we zojuist spraken. Deze huurprijs van de afleverset moet redelijk zijn. De invulling van het begrip "redelijk" is dat de prijs kostendekkend mag zijn. Dat betekent dat de leveranciers er geen verlies op hoeven te maken. Ze mogen de afleverset echter ook niet zien als een melkkoe. Op deze manier hebben we het naar mijn mening goed geregeld.

Er is ook nog gesproken over het verschil tussen de meerkosten van een cv-ketel ten opzichte van een afleverset. Hoe zijn we daarmee omgegaan? Een cv-ketel is zo ongeveer een factor twee duurder dan een afleverset. Bij de vaststelling van de "niet meer dan anders"-prijs wordt daarmee rekening gehouden door het verschil tussen deze twee situaties – cv-ketel of afleverset – te betrekken bij het vaststellen van de vaste kosten die uiteindelijk meegenomen worden bij het bepalen van de maximumprijs.

De heer Leegte wijst er terecht op dat die factor enigszins is aangepast, met als gevolg een lichte daling van de maximumprijs. Wij hebben aanvankelijk gewerkt met een forfaitair bedrag voor de afleverset. De heer Leegte wees er al op dat de door hem als "belangrijk" aangeduide adviseur de Raad van State daar opmerkingen over heeft gemaakt. Ik ben het trouwens met hem eens over die belangrijkheid. Ook de NMa heeft er opmerkingen over gemaakt. Vervolgens hebben wij onderzoek gedaan naar de kosten. Op grond daarvan hebben we parameters vastgesteld. Dat hebben we vervolgens weer in een ministeriële regeling vastgelegd. Op die manier hebben we het op een keurige manier aangepakt en is dit punt daarmee ook naar behoren geregeld.

De heer Leegte wijst erop dat er grote nieuwe centrales gebouwd worden. Hij verwees naar het noorden van het land, maar hetzelfde geldt voor de wat oudere centrale in Borssele in Zeeland. Deze centrales zitten in een gebied waar je de warmte niet kwijt kunt. Een van de leden zei dat je met de centrale in Borssele heel Zeeland kunt verwarmen, maar dat kan dus niet. Het transport kan immers maar over 30 kilometer. Je kunt dus maar een stukje van Zeeland verwarmen, je kunt niet alle warmte daar kwijt. Dit geldt zeker ook voor het noorden van het land. Dit is een feit waar ik helemaal niets aan kan veranderen. Sommige leden hebben wellicht weleens gekeken bij de centrale in Groningen. Het was een spectaculaire investering; er wordt 1,5 miljard tot 2 miljard gestoken in iets wat daar voor een heel lange periode staat. Al die kosten moeten terug worden verdiend door de afnemers van elektriciteit. Dat is een gegeven. Dat je daar in de buurt die warmte niet kwijt kunt, is ook waar.

Er bestaat voor de toekomst wel een nieuwe situatie. Er is een nieuwe richtlijn, de Richtlijn energie-efficiëntie. Deze is recent vastgesteld door de Europese Commissie. Deze richtlijn bevat geen verplichting tot het benutten van restwarmte en heeft dus geen effect op de bestaande of in aanbouw zijde centrales. Lidstaten worden echter wel verplicht om met ingang van 5 juni 2014 ervoor te zorgen dat ze bij centrales die ze gaan plannen en bij ingrijpende renovaties van oude centrales rekening houden met de vraag wat er gedaan kan worden met de restwarmte. Dat moet dan in beeld worden gebracht. De mogelijkheden moeten bij de afweging worden betrokken. Wij zullen deze richtlijn ook in Nederland implementeren. Daar zijn we inmiddels mee begonnen op mijn ministerie. Ik zal de Kamer in de loop van dit voorjaar informeren over de manier waarop wij de energie-efficiencyrichtlijn van de Europese Commissie zullen implementeren in onze wetgeving. Dat heb ik al bij de begrotingsbehandeling toegezegd. Daar zal ook dit onderdeel bij betrokken worden.

Dan ga ik naar hetgeen mevrouw Van Veldhoven naar voren heeft gebracht. Zij heeft mij al horen reageren op haar punt dat er lessen getrokken zouden kunnen worden, zowel door de regering als de Tweede Kamer. Op de vraag wat de huidige afnemers van warmte opschieten met het wetsvoorstel, zijn wij ook ingegaan. Zij krijgen op een aantal punten bescherming, leveringszekerheid en duidelijkheid bij hun leveranciers. Wij moeten ons ook realiseren dat deze Warmtewet niet ingrijpt in de bestaande contracten. De bestaande contracten tussen producenten en warmteleveranciers blijven gewoon van kracht. De huidige situatie kan dus worden doorgezet. Op een gegeven moment zijn die contracten afgelopen. Dan is er weer een nieuwe situatie. Dan zou het mooi zijn als men tot een prijsstelling komt die onder de NMDA-prijs blijft, maar uiteindelijk mag die prijs niet hoger zijn dan de prijs die wij in dit wetsvoorstel vastleggen.

Mevrouw Van Veldhoven heeft voorgesteld om wel slimme meters bij iedereen te plaatsen, maar de uitleesfunctie daarvan uit te schakelen wanneer de afnemer dat wenst. Dat is zeker een denkbare constructie, alleen is dit onderwerp uit-en-ter-na besproken bij de Elektriciteitswet en Gaswet. Er is uiteindelijk voor een andere constructie gekozen. De heer Jansen heeft een motie ingediend en gezegd dat hij vindt dat de zaak analoog daaraan ook in de Warmtewet geregeld moet worden. Die motie hebben wij uitgevoerd. Ik wil die discussie niet overdoen. Ik heb precies gedaan wat de Kamer op dat moment gezegd heeft. Zoals mevrouw Van Veldhoven het zegt, had het ook gekund. Dit kan ook. Er zijn een heleboel argumenten aan de orde geweest. Die heeft de Kamer destijds met mijn voorganger gewisseld. De conclusie die wij daaruit getrokken hebben, kunnen wij nu met elkaar vasthouden, ook om een beetje consequent te blijven.

In haar amendement op stuk nr. 13 geeft mevrouw Van Veldhoven het volgende aan. Als de exploitatie van het warmtenet niet meer mogelijk is en er niet eerst alternatieven zijn onderzocht, heeft de minister niet de taak om aan de landelijke gasnetbeheerder opdracht te geven een noodvoorziening aan te leggen in de vorm van een gastransportnet. Als er dus iets helemaal misgaat, moet er toch voor gezorgd worden dat de mensen die eerst warmte afnamen, op een andere manier warmte krijgen. Ik mag in dat geval niet zeggen dat het regionale gasnetbeheerbedrijf daar dan maar gasleidingen moet aanleggen en cv-ketels moet plaatsen; er moet eerst gekeken worden of er misschien betere alternatieven zijn. Ik zou dat natuurlijk al hebben gedaan, maar wij kunnen het ook in een regel vastleggen. Het is wel weer een extra regel, maar ik heb geen groot bezwaar tegen die regel, omdat die toch de praktijk zal afdekken. Dus ik wil het oordeel over het amendement-Van Veldhoven op stuk nr. 13 graag aan de Kamer laten.

Misschien kan ik tegelijkertijd het amendement-Leegte/Van Veldhoven op stuk nr. 20 behandelen. Ik noem het amendement op stuk nr. 20, maar dat is niet amendement op stuk nr. 20. Ik heb het idee dat het amendement op stuk nr. 20 van de heer Vos is. Voorzitter, met uw goedvinden blader ik even in mijn papieren.

De voorzitter:

Ik lees hier: 20 was 19, was 14, was 12. Dat is ondertekend door de heer Leegte en mevrouw Van Veldhoven.

Minister Kamp:

Mijn medewerkers denken nu: dat die stommeling dat nu niet kan vinden!

De strekking van dit amendement van de leden Leegte en Van Veldhoven is dat er geen onduidelijkheid moet bestaan over de warmtewisselaar en de warmtemeter. Het is het meest doelmatig, zo wordt gesteld, als dit pakket als één geheel wordt gezien en beschikbaar wordt gesteld door de warmteleverancier, en in de vorm van een huurvergoeding in rekening wordt gebracht bij de afnemers. Ik ben het met die redenering eens. Ik denk dat we het zo zouden moeten doen. Ik laat dan ook graag het oordeel over het amendement aan de Kamer, waarbij ik niet ongelukkig zal zijn als de Kamer dit zo regelt.

De voorzitter:

Dat is het amendement op stuk nr. 20.

Minister Kamp:

Ja, het amendement op stuk nr. 20. Ik kom straks wel in de problemen met een ander amendement, maar dat zien we dan wel. Alles op zijn tijd.

Mevrouw Van Veldhoven heeft ook gevraagd naar het Bouwbesluit. Ik hoop dat ik haar wat dat betreft voldoende heb geantwoord.

Mevrouw Mulder vroeg zich af of de leveranciers nu naar een hogere prijs gaan in gevallen waarin zij dat kunnen. We hebben het erover gehad dat dit waarschijnlijk niet het geval zal zijn. Zij vroeg ook waar het maximumtarief op is gebaseerd. Is daar ook de laatste stand van de techniek bij betrokken? Het berekenen van het maximumtarief is natuurlijk een heel ingewikkelde zaak, daarom doen we dat per ministeriële regeling. We hebben voor de Kamer inzichtelijk gemaakt hoe we het in de ministeriële regeling hebben opgezet en wat we daarbij hebben betrokken. Als er wijzigingen moeten worden aangebracht, kunnen we dat gemakkelijk doen, omdat voor de vorm van een ministeriële regeling is gekozen. We zullen zorgen voor een redelijke prijs. Het gaat telkens om: bekijk hoe het zit met degene die een cv-ketel heeft en laat degenen die warmte afnemen niet meer betalen dan dat. Als we daar informatie en nieuwe technieken bij moeten betrekken, dan zullen we dat zeker op een verstandige wijze doen.

Mevrouw Mulder heeft ook gesproken over de koude, die we zouden moeten reguleren. Dat is een terecht punt. Er wordt warmte geleverd, maar met technieken kun je ook koude leveren. Sommige warmteleveranciers doen dat. Die markt is nog erg klein. Het leveren van koude is hier helaas geen basisbehoefte. Het is dus niet noodzakelijk om dat nu te gaan doen, maar het is wel zinnig om te bekijken hoe zich dit in de komende drie jaar ontwikkelt. Bij de evaluatie over drie jaar zullen we bezien of er aanleiding is om dit bij de regels te betrekken. Zolang dat echter niet het geval is, kunnen we daar blij mee zijn en kunnen we het laten zitten.

Is het risico niet groot dat de grote afnemers met de rekening worden geconfronteerd nu we tarieven gaan begrenzen tot een afname van 100 kilowatt per jaar, waarmee we de huishoudens en de kleine ondernemers bescherming geven? Dat vroeg mevrouw Mulder. Wij denken dat dit niet het geval is, om twee redenen. Ten eerste is dat niet de manier waarop de leveranciers met hun klanten omgaan. Ten tweede hebben we heel bewust de grotere afnemers erbuiten gehouden, omdat zij in staat zijn om voor hun eigen belangen op te komen. Wij hebben de Warmtewet voor de consumentenbescherming. Dat is de achtergrond geweest van de initiatiefnemers. Die bescherming moeten we geven. Grotere ondernemers zijn heel goed in staat om, als ze een rekening gepresenteerd krijgen, te zeggen: dit is niet interessant, we gaan het op een andere manier doen. Zij gaan onderhandelen en samenwerken, en bijvoorbeeld per branche of sector contracten afsluiten met leveranciers. We moeten hen hun werk laten doen. Laten we niet te veel naar ons toetrekken. We hoeven niet bang te zijn dat de leveranciers zich direct zo zullen gaan opstellen. En anders zijn de afnemers in staat om hun eigen rol te gaan spelen. Ik ben al ingegaan op wat mevrouw Mulder heeft gevraagd over coöperaties die we mogelijk als uitzondering zouden kunnen beschouwen.

Wat de producenten betreft hebben we het niet gereguleerd, want dat is een heel andere markt. Dat is de elektriciteit- en gasmarkt. Tot nu toe hebben we die er in het kader van de Warmtewet ook nooit bijgehaald. Het zat niet in de initiatiefwet en ook niet in het pakket dat in het algemeen overleg in juni 2010 aan de orde is geweest. Het compliceert de zaak als dat er nu weer bij betrokken wordt. Het lijkt me ook niet verstandig om dat te doen. Ik stel dat we er beter aan doen dat er nu buiten te laten.

Mevrouw Klever sprak over de mogelijkheid om het NMDA-tarief toe te passen op het aansluittarief. Ik heb daarover gesproken, net zoals ik over enkele andere punten die zij naar voren heeft gebracht, heb gesproken. Het NMDA-tarief toepassen op het aansluittarief is in dit geval niet noodzakelijk. Het gaat om heel concrete, herkenbare en vaststelbare kosten die op basis van de kostprijs, resulterend in een redelijke prijs, in rekening mogen worden gebracht. Als daar iets verkeerd gaat, kan er opgetreden worden. Ik denk dat we dat hier op een praktische manier geregeld hebben.

Door mevrouw Klever is ook gesproken over de bevoegdheden van de minister die minder zouden worden bij de overgang van de NMa naar de ACM. De overgang van de NMa naar de ACM die de Kamer nu behandeld heeft, staat in de Instellingswet. Dat is de wet waarin de NMa, de OPTA en de Consumentenautoriteit zijn samengevoegd tot de Autoriteit Consument en Markt. Wat er verder nog te verhapstukken is op het punt van bevoegdheden, zal gebeuren bij de behandeling van de Stroomlijningswet. Die wet is de ministerraad inmiddels gepasseerd en deze ligt nu bij de Raad van State. Binnenkort komt de wet in de Tweede Kamer aan de orde. Bij die gelegenheid kunnen we dit soort zaken met elkaar bespreken.

Mevrouw Klever (PVV):

Ik krijg graag nog wat verduidelijking van de minister over het aansluittarief. Het hele idee van de Warmtewet is dat mensen die warmte geleverd krijgen, niet meer betalen dan mensen die gas geleverd krijgen. Daar wordt gekeken naar de totaalprijs van gas, maar dan laten we er één onderdeeltje uit, terwijl juist dat onderdeeltje bij warmte ruim twee keer zo duur is als gas. Als je die lijn doortrekt, komt warmte hoger uit dan gas. Daarmee is dan het hele NMDA-principe niet uitgevoerd. Kan de minister dat nogmaals verduidelijken?

Minister Kamp:

Spreekt mevrouw Klever nu over de kosten van de afleverset: de combinatie van de warmtemeter en de warmtewisselaar? Of spreekt zij over de eenmalige kosten die gemaakt moeten worden als een perceel wordt aangesloten op een warmtenet?

Mevrouw Klever (PVV):

Ik heb het over de jaarlijks in rekening te brengen aansluittarieven.

Minister Kamp:

Het jaarlijkse bedrag dat in rekening wordt gebracht, is een huurbedrag dat is gebaseerd op de kosten die zijn gemaakt voor de warmtemeter en de warmtewisselaar. Die systematiek wordt vastgelegd in de ministeriële regeling. Ik denk dat we daar geen probleem mee hebben. Die twee apparaatjes heb je nodig. Je berekent zo goed mogelijk wat de kosten daarvan zijn en vervolgens laat je die doorwerken in de totaalprijs die betaald moet worden. Die totaalprijs wordt voor een heel groot deel bepaald door het NMDA-principe. Voor één onderdeel wordt die niet daardoor bepaald, maar door de werkelijk gemaakte kosten. Dan hebben we toch geen problemen?

Mevrouw Klever (PVV):

Ik heb echter nog steeds geen antwoord op mijn vraag waarom het niet onder de NDMA-prijs kan vallen, zodat je voor warmte in ieder geval niet meer betaalt dan voor gas.

Minister Kamp:

Als het gaat om een onderdeel van de infrastructuur die nodig is om warmte te kunnen leveren, is het niet logisch om dat laatste stukje van die infrastructuur erbuiten te houden. Dat is ook de redering achter het amendement van de heer Leegte en mevrouw Van Veldhoven. Als je warmte wilt leveren, moet je het bij een producent weghalen. Vanaf dat punt moet de warmte op het laatst nog op een bepaalde manier worden bewerkt. Vervolgens gaat de warmte via een warmtewisselaar en een warmtemeter en komt zij bij een afnemer terecht. De infrastructuur die ervoor zit, kun je op een bepaalde manier behandelen. Ik denk dat wij dat op deze manier consequent doen en ik geloof dat het samenspel van een groot deel van het tarief dat wordt bepaald door het NMDA-principe en een deel dat is gerelateerd aan de kosten, geen probleem is.

Mevrouw Klever heeft een amendement op stuk nr. 23 ingediend dat over dit punt gaat. Daarop heb ik nu dus gereageerd.

De voorzitter:

Mevrouw Klever, u heeft op dit onderwerp al een interruptie gepleegd. Ik kan uw interruptie niet toestaan want dan zou het een derde termijn zijn.

Mevrouw Klever (PVV):

Het amendement gaat over iets anders.

De voorzitter:

Dank u wel voor deze opmerking. Ik denk dat de minister nu of in de tweede termijn zal terugkomen op dit amendement dat over iets anders gaat.

Minister Kamp:

Mevrouw Klever stelt in dit amendement op stuk nr. 23 dat moet worden bewerkstelligd dat de aansluitbijdrage ook onder het gebruiksonafhankelijke deel van de maximumprijs valt. Zojuist heb ik de uitleg gegeven die op dit amendement betrekking heeft.

De voorzitter:

Ik heb toch echt de indruk dat de minister antwoordt op een amendement waar u zojuist een interruptiedebat over heeft gevoerd. Als dit niet het geval is, heeft u nu even gelegenheid om toe te lichten waarom dat niet het geval is.

Mevrouw Klever (PVV):

De minister vroeg mij net welke aansluitkosten ik bedoelde. Ik heb gezegd dat het over de jaarlijkse aansluitkosten gaat. Ik heb een motie klaarliggen die daarover handelt. Mijn amendement gaat over de eenmalige aansluitkosten.

Minister Kamp:

Als er een onduidelijkheid is tussen mevrouw Klever en mij, ligt dat aan mij. Ik zal proberen die onduidelijkheid in de tweede termijn weg te nemen. Mijn verontschuldiging en ik kom in mijn tweede termijn op dit amendement terug.

De heer Jansen heeft aangegeven dat hij een amendement heeft ingediend op stuk nr. 22 dat gaat over de splitsing. Het is een bijzonder interessant amendement dat wij nu zullen gaan bespreken. Het amendement regelt twee zaken: het in bepaalde gevallen splitsen en het nationaliseren van netwerken. Het maakt bovendien een apart tariefsysteem noodzakelijk voor warmtelevering en voor netwerken. Eerst ga ik in op het element van splitsen. Het amendement stelt voor dit te doen naar analogie met de netten voor het gas en de elektriciteit. Warmte is echter een heel ander product dan gas en elektriciteit en ik denk dat die vergelijking niet opgaat. Bij warmte zijn netwerk en productie in vrijwel alle gevallen een op een aan elkaar gekoppeld in een integraal lokaal systeem. Warmte kan ook niet over een lange afstand worden getransporteerd. Ook is de situatie anders voor wat betreft verschillende afnemers of verschillende leveranciers op één net. Ik denk dat om die reden ook een splitsing wordt voorgesteld, wat tot nu toe nooit naar voren is gekomen. Het zat niet in de initiatiefwet en bij het algemeen overleg is niet aan de orde geweest dat dit iets is wat wij niet zouden moeten doen. Ik vind het niet goed een deel van die warmtenetten, zoals net door de heer Jansen is toegelicht, in publiek eigendom te brengen. Wat destijds is gebeurd bij de Gaswet en de Elektriciteitswet is dat wij die netten die in publieke handen waren, daar hielden. Dat hebben wij vastgelegd. Waar het hier om gaat, is dat warmtenetten in bezit zijn van private organisaties en wij die nu naar het publieke eigendom toetrekken. Dat is onteigening en dat gaat een heleboel gedoe meebrengen. Je krijgt daar claims over. Ik denk dat die claims ook kansrijk zijn. We komen daarmee dus in juridische gevechten terecht en de winst daarvan is mij niet duidelijk. Inhoudelijk vind ik het niet nodig. We hebben het hier op een goede manier geregeld. Omdat inhoudelijke redenen bij het voorstel naar mijn overtuiging ontbreken en vanwege de juridische haken en ogen die eraan zitten, zou ik zeggen: laten we deze weg van splitsen, nationaliseren en in een aantal gevallen onteigenen echt niet opgaan. Dit is echt weer een voorbeeld van hoe we de zaak erg complex maken. We lopen hiermee het risico dat we er nu niet uitkomen.

De voorzitter:

Mijnheer Jansen, ik begrijp dat u een vraag wilt stellen naar aanleiding van de bijdrage van de minister. Ik moet echter constateren dat dit uw zesde interruptie wordt. Natuurlijk gaat het hier om een wetswijziging, dus ik wil u alle ruimte geven. Toch wil ik u ook vragen om goed af te wegen waar u wel en niet interrumpeert. Mij is namelijk opgevallen dat de minister bij de laatste twee interrupties aangaf dat uw vraag eigenlijk geen betrekking had op de reikwijdte van de wet. Ik geef u nu het woord, maar ik vraag u dus wel om het aantal interrupties te beperken.

De heer Paulus Jansen (SP):

Voorzitter, dat doe ik niet. Althans, ik ben altijd selectief in wat ik wel of niet vraag. Het is natuurlijk aan de woordvoerder om te bepalen of hij input relevant of aanpalend aan het wetsvoorstel vindt. Wat betreft de discussie over de strategische investering: de SP-fractie vindt dat die gewoon onderdeel moet zijn van de wet.

De voorzitter:

Dat snap ik, mijnheer Jansen. Ik denk echter dat ik u een redelijk voorstel doe. Ik zie ook wat blikken van herkenning bij uw collega's. Ik geef u het woord en ik doe u het simpele verzoek om rekening te houden met het aantal interrupties dat u pleegt. Natuurlijk wil ik de Kamerleden alle gelegenheid geven om de vragen te stellen die zij willen stellen. Dit neemt ook veel tijd in beslag, dus ik geef u nu het woord.

De heer Paulus Jansen (SP):

Dank u zeer, voorzitter. De minister zegt dat hij de analogie tussen gas- en elektriciteitsnetten niet ziet. De kern van de analogie is dat bij gas- en elektriciteitsnetten een privaat monopolie dreigde. Dat was de aanleiding voor de Splitsingswet. Dat private monopolie doet zich bij tweederde van de warmtenetten inmiddels voor. Essent en Nuon zijn geprivatiseerd. Eneco is nog steeds een publiek bedrijf dat ook warmtenetten exploiteert, maar de rest is gewoon geprivatiseerd. Dat is de kat op het spek binden. Ik zou van deze minister verwachten dat hij deze weeffout bij de splitsing wil repareren. De minister is immers van een partij die de Splitsingswet destijds steunde. Overigens steunden ook de PvdA en vele andere fracties die wet.

De minister zegt dat er meestal sprake is van een een-op-eenkoppeling. Ik constateer dat collega Vos in zijn amendement op stuk nr. 16 zegt dat er steeds vaker sprake is van een een-op-meerkoppeling. In mijn amendement wordt splitsing uitsluitend van toepassing als sprake is van meerdere invoeders, potentieel meerdere invoeders of aanvragen van invoeders op één netwerk. De minister is daar nog niet op ingegaan.

Minister Kamp:

Toch maakt dit de zaak complex, want de hele gedachte achter het splitsen van de netten en de levering was bij elektriciteit en gas meegenomen. Verschillende partijen konden op één netwerk aanbieden. In de praktijk gebeurde dat ook en het is steeds meer toegenomen. Je kon ook over heel lange afstanden transporteren. Het gaat er daarbij om dat je in de omgeving van een warmteproducent probeert om iets tot stand te brengen en dat je dingen aan elkaar koppelt. Dat is echt een heel andere situatie.

We gaan ervan uit dat er geen sprake is van concurrentie, maar wel van consumenten die bescherming nodig hebben. We gaan dat aanpakken met regulering. Dat doen we op basis van het NMDA-principe. Dat leggen we vast in een initiatiefwet en we gaan het vervolgens verbeteren in de vorm van een wijzigingswet.

Na tien jaar staan we eindelijk op het punt dat we dit kunnen gaan invoeren. En nu zegt de heer Jansen: ik ga ook nog eens die hele problematiek van splitsing en nationalisering in de vorm van onteigening inbrengen. Ik heb al aangegeven dat dat de zaak erg complex maakt en dat daar geen aanleiding voor is. Bovendien is er een grote kans op allerlei juridische procedures, met het risico dat de overheid grote bedragen moet gaan uitkeren. Waarom zouden we ons dit allemaal op de hals halen? Het is toch veel verstandiger om het voor deze 6% van de totale markt op een praktische manier te regelen, zonder dat we er op een laat moment nog eens allerlei complicaties bij halen? Hoewel er geen sprake is van overwinsten, hebben we al vastgesteld dat we voor die 6% toch nog wat kunnen betekenen op het gebied van consumentenbescherming.

De heer Paulus Jansen (SP):

Dat zouden we om twee redenen doen. Ten eerste vanwege de portemonnee van de consument. Als er leveranciers van het warmtenet geweerd worden door een monopolist, gaat dat ten koste van de consumententarieven. Daar is de SP tegen. Ten tweede heeft de duurzaamheid eronder te lijden. In het net dat momenteel in de Rijnmond ontwikkeld wordt, zijn tientallen leveranciers van restwarmte geïnteresseerd. Er is juist heel veel aanbod en in zo'n situatie lijkt het me heel logisch dat er niet één monopolist misbruik van kan maken. Daarop doel ik in het amendement. Het is in wezen hetzelfde als bij gas en elektriciteit.

Minister Kamp:

Er is geen enkele aanwijzing van misbruik. Ik heb al gezegd dat de rendementen allemaal lager zijn dan wat wij nu als maximum zouden willen opleggen. Misbruik is dus niet aan de orde. Het is niet zo dat er een rekening neergelegd kan worden bij consumenten. We zeggen juist met deze wet dat ze niet méér hoeven te betalen dan met een cv-ketel. De heer Jansen bedenkt een heel ingewikkelde en dure oplossing voor een probleem dat er niet is. Ik ontraad het amendement met klem.

De heer Jansen heeft ook gesproken over een modelcontract. Hij heeft het amendement op stuk nr. 15 ingediend waarin hij zegt dat hij een modelcontract in de Warmtewet wil inbrengen, analoog aan de Gaswet en Elektriciteitswet. De bepaling is destijds in de Gaswet en Elektriciteitswet opgenomen omdat afnemers in staat moeten worden gesteld om meerdere leveranciers met elkaar te vergelijken om te beoordelen of ze willen overstappen. Consumenten krijgen van verschillende kanten een aanbod van elektriciteit en willen dat goed kunnen vergelijken. Als iedereen een modelcontract gebruikt, is dat gemakkelijk. Bij het warmtenet is dit niet het geval. Daar heb je één leverancier, de eigenaar van het warmtenet, die de warmte levert. Je kunt niet overstappen en daarmee vervalt de reden voor een modelcontract. Juist omdat een afnemer niet kan overstappen, hebben wij de maximumprijs op basis van het NMDA-principe neergelegd. Als we daar bovenop nog eens een modelcontract leggen, komen er allerlei verplichtingen bij voor de leverancier. De leverancier heeft er last van en de afnemer schiet er niets mee op. Ik denk dat we dat niet moeten doen. Ik zeg nogmaals dat we het niet ingewikkelder moeten maken dan nodig is. Ik ontraad het amendement.

De heer Jansen spreekt over het voorschrijven van lagere temperatuurverwarming in gebouwen. Dat is ook weer zo'n punt dat we erbij kunnen halen. We hebben het er net in de interruptie al even over gehad. Ik denk dat de heer Jansen toen heeft laten blijken dat hij met mijn toezegging uit de voeten kan. Hij stelt ook voor om deelname aan projecten met energiebesparende effecten op bedrijventerreinen te verplichten. Ik denk dat we deze suggestie dezelfde behandeling moeten geven als de andere suggestie van de heer Jansen. In een aantal andere situaties kijken we al of een verplichting zou kunnen gelden vanwege het algemeen belang. Dat doen we bijvoorbeeld voor winkeliers die in een bepaald gebied zitten en gezamenlijke activiteiten ondernemen om het gebied te versterken om te voorkomen dat een paar "free riders" er buiten blijven. Het is niet prettig om het te verplichten. De Kamer heeft met betrekking tot de product- en bedrijfschappen juist de opdracht gegeven om dit soort zaken af te breken, maar er zijn wellicht situaties waar de Kamer misschien nog wel een verplichting zou willen. Ik ben bereid om de suggestie van de heer Jansen te bekijken en de Kamer bij gelegenheid te informeren over de wijze waarop ik daar tegenaan kijk. We kunnen er dan met elkaar over van gedachten wisselen.

Ik heb nog drie amendementen van de heer Vos. Het eerste is het amendement op stuk nr. 16. Hij stelt daarin het volgende. Als bij warmtewerken waarbij meerdere producenten warmte op het net leveren, de situatie die zojuist ook besproken werd door de heer Jansen, door een noodprocedure een andere leverancier moet worden gekozen, zou de producent de verplichting opgelegd kunnen krijgen die niet als redelijk moet worden gezien. Ze moeten voor dezelfde prijs en tegen dezelfde voorwaarden leveren als eerst. Om dat in zo'n noodsituatie te verplichten, vindt de heer Vos niet redelijk. Hij heeft een amendement opgesteld om dit naar zijn opvatting wel goed te regelen. Ik denk echter dat dit geen verbetering is. In een noodsituatie moet de minister sowieso al redelijk handelen. Hij kan producenten dus niet zomaar verplichten om meer te produceren dan eerst of om tegen dezelfde voorwaarden als eerst te produceren. Hij moet dit echter ook niet bij voorbaat uitsluiten. Het is altijd denkbaar dat er bijzondere situaties zijn waarbij het juist wel redelijk is om een producent te verplichten om meer te gaan leveren. Het kan ook zijn dat je een producent in die situatie verplicht om toch te leveren tegen dezelfde voorwaarden als eerst.

Ik noem een voorbeeld. Stel dat meerdere centrales leveren aan één warmteleverancier en dat een van die centrales afbrandt. Dan is het in het belang van de afnemers dat de andere centrale niet alleen de reguliere warmteproductie levert, maar ook de productie overneemt van de uitgevallen centrale, als de centrale uiteraard afdoende capaciteit heeft. Het is denkbaar dat wij dit vragen. Als er een noodsituatie is, zoals een brand of een andere noodsituatie, moet de minister adequaat en redelijk reageren. Als je hiervoor beperkingen formuleert in de wet, reduceer je het aantal mogelijkheden dat de minister heeft om de schade voor de uiteindelijke afnemers te beperken. Daar hebben wij niets aan. Daarom raad ik aan om dit niet te doen.

Daar komt bij dat de heer Vos stelt dat zo'n verplichting maximaal gedurende twee jaar opgelegd mag worden. Normaal gesproken is dat geen probleem, maar je weet niet hoe de situatie is. Het zou kunnen dat het nuttig is om dit langer dan twee jaar te doen. Waarom zouden wij dan in de wet vastleggen dat het maximaal twee jaar mag zijn? Bovendien stelt de heer Vos dat de voorwaarden hetzelfde moeten zijn als voorheen. Ook dat beperkt onnodig. Het kan best zijn dat een redelijke vergoeding bijvoorbeeld lager of hoger is dan onder de oude voorwaarden. Dit amendement van de heer Vos beperkt de mogelijkheden om adequaat te reageren in noodsituaties. Dat is niet in het belang van de afnemers van de warmte. Ik moet dit amendement dan ook ontraden.

De heer Vos heeft ook het amendement op stuk nr. 17 ingediend. Dit amendement betreft artikel 6 van de wet. De bedoeling is dat dit artikel slechts van toepassing is op onvoorziene, nieuwe aansluitingen op een bestaand warmtenet. Zij moeten niet meer gaan betalen dan in een situatie waarin gas zou worden geleverd en er een cv-ketel was. De heer Vos stelt dat dit de bedoeling van het artikel was, maar dat dit niet zo in het artikel staat. Met dit amendement wordt dat duidelijk gemaakt. Het is inderdaad zoals de heer Vos zegt en dit is een verduidelijking. Ik laat het oordeel over het amendement dan ook graag aan de Kamer. Ik heb er geen inhoudelijk bezwaar tegen. Het amendement op stuk nr. 21 van de heer Vos betreft de situatie dat er geen warmtemeter is. In plaats van te werken met een warmtemeter wordt er gewerkt met een warmteverdeelsysteem. Daarvoor bestaan verschillende mogelijkheden. Zoals de heer Vos zegt, kun je het doen met condensmeters. Dat kunnen digitale condensmeters zijn. Ook kunnen het ouderwetse condensmeters zijn, dingetjes die aan de radiator hangen waarmee bekeken wordt hoeveel water eruit is. Daarmee kun je het ook aflezen. Als het niet mogelijk is om met dat soort systemen te werken, kun je de warmte ook verdelen op grond van oppervlakten en misschien zelfs het aantal bewoners van kamers of wooneenheden. Dat is allemaal een ingewikkelder zaak. Daarover kunnen conflicten naar voren komen. Daarover heeft de heer Vos zich bij een aantal gelegenheden uitgelaten. Hij heeft zich daarin verdiept en hij is nu met een invulling gekomen die dat kan voorkomen en die door het stellen van regels kan bereiken dat dit op een nette manier kan verlopen, ook in het geval van onenigheden. Dat is in lijn met wat er staat te komen vanuit Europa. Dat heeft voorschriften hiervoor geformuleerd in een richtlijn. Die zouden wij toch moeten verwerken. Dit loopt daarop vooruit. Ik vind het een verbetering en verduidelijking voor de afnemers van warmte. Ik laat het oordeel over dit amendement van hem dus met een positieve ondertoon aan de Kamer over.

Ik kijk of er nog iets is blijven liggen bij de heer Vos. Ik geloof dat dit niet het geval is. Mocht dat wel zo zijn, dan hoor ik dat graag in de tweede termijn. Ik kom in tweede termijn ook nog terug op het punt dat mevrouw Klever naar voren heeft gebracht over de aansluitkosten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De heer Leegte (VVD):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoorden en voor zijn duidelijke reactie op de amendementen die zijn ingediend door mij en mijn collega's. Naar aanleiding van het interruptiedebatje met de SP schoot mij het Sloegebied in Zeeuws-Vlaanderen te binnen, waar de overheid planmatig, dus volgens ideeën die de SP voorstaat, probeert warmte beter te benutten. Op papier een prachtig plan, met allerhande ondernemers die aan elkaar gekoppeld worden, maar veel euro's en veel tijd later blijkt dat ondernemers heel goed weten op welke wijze en waar zij het beste kunnen ondernemen. Het is mislukt. Ik geloof niet zo in een dwangmatige overheid die gaat zeggen hoe het moet. Wat wel werkt, is dat politici verantwoordelijkheid geven aan de sector zelf. Dat is spannend, zeker voor hen die de misvatting hanteren dat controle door het geven van verantwoordelijkheid minder wordt. Maar niets is minder waar. De overheid moet gaan over normen en bedrijven gaan over de executie.

De heer Paulus Jansen (SP):

Het zal ongetwijfeld aan mij hebben gelegen dat ik niet duidelijk ben geweest over mijn voorstel. Het idee is dat, als er een ruim draagvlak aanwezig is van zeg 80%, met een beperkt aantal freeriders die willen profiteren van de inspanningen van de rest zonder mee te werken, er een vorm van publiekrechtelijke sturing ontstaat. Ik ben heel blij dat de minister dat wil onderzoeken. Ik snap niet waarom de VVD als bedrijvenpartij bij uitstek niet wil dat goedwillende bedrijven de kans krijgen om zo'n plan uit te voeren.

De heer Leegte (VVD):

Ik weet niet of wij een ondernemerspartij zijn. We zijn in ieder geval een partij die staat voor de betaalbaarheid van de energierekening. Wij vinden het belangrijk dat verantwoordelijkheid wordt gegeven aan de ondernemers en dat de overheid stuurt op normen. Uiteindelijk is dat de meest efffectieve manier om tot een betaalbare energietransitie te komen. Als dan ineens over heffingen wordt gesproken, zoals u in uw eerste termijn deed, dan maakt mij dat zenuwachtig. Uw tweede uitleg bij uw interruptie klinkt al veel redelijker. Ik kan me voorstellen dat de minister dat gaat onderzoeken. Maar heffingen over warmte gaan ons wat ver.

Tegen de PvdA: natuurlijk hebben wij allemaal kunnen uitrekenen dat 6.000 megawatt ongeveer is wat Nederland maximaal aan windenergie kan inpassen. Maar het probleem is juist dat wij er al heel ver boven zitten, door alle Duitse windenergie die vooral in Nederland wordt afgezet, omdat de verbindingen tussen Nederland en Duitsland beter zijn dan binnen Duitsland zelf. Dat legt juist een hypotheek op de Nederlandse situatie. Vandaar dat de VVD voorstelt om vooral samen te werken op het gebied van hernieuwbare energie. De toestroom van hernieuwbare energie slaat het verdienmodel onder warmtenetten in de weg. Dat is misschien een ongemakkelijke analyse, en ik begrijp dat de minister daarover een andere visie heeft. Ik weet ook niet zeker of je dat kunt scharen onder ondernemersrisico. Daar heb ik zo mijn twijfels over. Maar natuurlijk heeft de minister ook gelijk als hij zegt: laten we ons beperken tot de Warmtewet. Dat zal ik doen. Maar een zorg bij deze wet blijft dat de constructie, waarbij de overheid voor de kosten moet opdraaien mochten zich noodsituaties voordoen, berekenend gedrag van warmteleveranciers kan uitlokken. De heer Jansen en ik hebben daar in een interruptiedebatje kort over gesproken. Dat weten we niet, de tijd zal het leren. Dat punt komt ongetwijfeld aan bod bij de evaluatie over drie jaar.

Deze wet kent een lange geschiedenis. We hebben hier tien jaar over gesproken. Een initiatiefwet van de Kamer is overgenomen door de regering. Iedereen voelt dat het misschien niet de allerbeste wet is, maar tegelijkertijd voelt ook iedereen dat het goed is dat er duidelijkheid komt, want uiteindelijk is duidelijkheid een basis waarop we verder kunnen. Als duidelijkheid wordt gegeven, weten consumenten waaraan ze toe zijn, en hetzelfde geldt voor de warmteleveranciers. Dat is de grote winst van deze wet.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Voorzitter. De minister wil de Kamer geen spiegel voorhouden. Maar laat ik zeggen dat mijn fractie daar helemaal geen moeite mee heeft. Als een proces niet goed gaat, laten we dan vooral kijken welke lessen we daaruit kunnen trekken. Dat we tien jaar over deze wet hebben gedaan, verdient geen schoonheidsprijs. Ik proef overigens dat de minister het met mij eens is. Ik dank de minister voor de beantwoording. Ik moet zeggen dat hij er ook op dit punt blijk van geeft dat hij zich uitermate heeft verdiept in deze technische en complexe manier, die een lange geschiedenis heeft. Dank daarvoor en dank voor zijn oordeel over mijn amendementen.

Ik durf te voorspellen dat wij het laatste woord in dit huis nog niet hebben gezegd over slimme meters en slimme netten, want die zullen een belangrijke rol spelen in de toekomstige energievoorziening. Daarbij is een adequate privacybescherming natuurlijk wel van belang, maar zonder die zaken zullen we niet kunnen. Als dit geen extra kosten oplevert voor de gebruikers, waarom zouden we het dan niet doen als zij, bijvoorbeeld door die meter uit te zetten, hun privacy kunnen waarborgen? Ik heb nog even hierover gesproken met de heer Jansen. Hij heeft mij verzekerd dat dit geheel in de geest is van wat hij heeft beoogd. Laten we het daar nu echter niet over hebben, nu we het over deze wetgeving hebben. We zullen hier op een later moment vast nog over komen te spreken, maar er zijn inmiddels al veel slimme meters geplaatst. De werking daarvan zou ook geëvalueerd worden. Ik vraag de minister of hij in de opmaat naar dat debat die evaluatie zou willen doen en de Kamer daarover een brief wil sturen.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Voorzitter. Ik bedank de minister voor zijn antwoorden op onze vragen. Eigenlijk geeft hij aan dat hij verwacht dat er redelijke prijzen zullen worden gevraagd van de consument en dat het niet meer uitmaakt welke techniek je daarbij gebruikt, omdat altijd wordt gekeken naar die redelijke prijs. Ik heb in mijn eerste termijn gevraagd hoe dit in de praktijk werkt. Stel dat je inwoner bent van Den Haag, een appartement hebt en het idee hebt dat je te veel betaalt; hoe gaat dat dan in zijn werk? Ik stel me voor dat er nu ook inwoners zitten te kijken die zich afvragen hoe dit werkt. Misschien kan de minister daar iets over zeggen. Net als de minister ga ik uit van een redelijke prijs, maar hoe werkt het als daar geen sprake van is?

We hebben een toezegging gekregen over de koudelevering: de minister neemt die mee in de evaluatie over drie jaar om te bezien of dat echt een groot punt wordt en of we daar last van zouden kunnen krijgen. Het lijkt ons prima om het daarbij te laten.

De heer Paulus Jansen (SP):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording en voor zijn twee toezeggingen. Hij gaat uitzoeken of lagetemperatuurverwarming nuttig kan zijn voor verbetering van de rentabiliteit van warmtenetten en daarmee ook voor het realiseren van de doelstelling op het punt van duurzame energie. Hij gaat ook bekijken of er instrumentarium nodig is om de benutting van restwarmte op bedrijventerreinen met veel verschillende partijen eenvoudiger te maken. Dat is positief.

Ik ben door de minister overtuigd van de voordelen van de geschillencommissie voor energie en water boven de huurcommissie, omdat de geschillencommissie een generiek instrument is dat door iedereen gebruikt kan worden. Op dat punt heeft de minister dus overtuigende argumenten aangevoerd.

Ik heb een aantal vragen gesteld over de corporaties. Op die vragen is de minister nog niet ingegaan. Daarbij gaat het onder andere over de doorleversituatie, de opt-out. In die situatie koopt de corporatie warmte in van een warmtebedrijf en levert de corporatie die warmte door aan huurders. De minister stelt in de nota naar aanleiding van het verslag dat een corporatie in zo'n situatie in onderhandeling zou kunnen gaan om uit te stappen. Zou de corporatie niet het recht moeten hebben om uit te stappen? Dat lijkt mij eerlijk gezegd in lijn met het wetsvoorstel.

Mijn volgende vraag was: als corporaties of verenigingen van eigenaren onder de Warmtewet vallen, worden er dan allerlei extra eisen gesteld aan installaties? We hebben het gehad over de metingen, waarover de heer Vos een amendement heeft ingediend, maar er zijn misschien ook nog andere eisen aan de installatie die er niet waren maar er wel bij komen. Ik maak me er altijd enigszins ongerust over of dit uiteindelijk niet leidt tot meer kosten zonder dat de stookrekening lager wordt. Dat betekent alleen maar dat alles duurder wordt en dat uiteindelijk de huur voor mensen ook gaat oplopen. Die vraag zou ik graag nog beantwoord zien.

Ik vond de argumentatie van de minister ten aanzien van de ontvlechting van het netwerk niet zo sterk. Hij blijft vasthouden aan zijn stelling dat er bijna altijd sprake is van een een-op-eenverhouding tussen warmteleverantie en netwerken. Ik heb al gewezen op het amendement van de heer Vos, die, net als ik, een heel andere analyse maakt. In de grote steden, zowel in Amsterdam als in Rotterdam, is de trend overduidelijk meer invoeders. In Den Haag wordt geothermie toegepast naast klassieke warmte-krachtkoppeling. Het is duidelijk dat er steeds meer verschillende invoeders komen op het netwerk. Dat lijkt mij een reden om dit probleem, dat er in het verleden niet was, op te lossen, zodat wordt voorkomen dat er straks misbruik wordt gemaakt van een monopolie. Ik hoor graag nog een reactie op deze argumenten.

De minister zegt dat hier minder urgentie is dan bij gas en elektriciteit om met een modelcontract te werken. Ik denk dat het sowieso altijd nuttig is voor consumenten dat er een transparant contract is dat is vastgesteld in overleg met de consumentenorganisaties. Dat was het idee achter het modelcontract. Ook als er maar één leverancier is, is het voordeel hiervan dat iedereen de secundaire voorwaarden uit het contract kan vergelijken. Ik sluit niet uit dat het modelcontract nog meer voordelen gaat krijgen als er verschillende partijen warmte gaan invoeden op een netwerk. Ik denk dat er eigenlijk geen reden is om het amendement op dit punt als overbodig aan te merken.

De minister is ook niet ingegaan op mijn voorstel om een oplopende heffing in te voeren op het lozen van warmte waarvan de opbrengst wordt gebruikt voor het uitbreiden van de Energie-investeringsaftrek of andere fiscale prikkels die de verduurzaming bevorderen. Daarom dien ik een motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de restwarmte van industrie en elektriciteitscentrales die nu op water en lucht geloosd wordt toereikend is om alle Nederlandse gebouwen te verwarmen en daarnaast nog een substantiële bijdrage te leveren als proceswarmte voor vergisting, algenproductie, glastuinbouw en dergelijke;

overwegende dat het emissiehandelssysteem ETS op dit moment onvoldoende effectief is als prikkel voor het toepassen van restwarmte;

verzoekt de regering om voor het Belastingplan 2014 een voorstel uit te werken voor een heffing op grootschalige warmtelozingen, waarvan de opbrengst wordt teruggesluisd via intensivering van de Energie-investeringsaftrek of andere fiscale verduurzamingsprikkels,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Paulus Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 24 (32839).

De heer Paulus Jansen (SP):

Ten slotte merk ik op dat de SP-fractie het wetsvoorstel steunt, omdat het per saldo een goede stap vooruit is. Wij denken wel dat een aandachtspunt is dat wij niet terechtkomen in een situatie waarin wij vaak naar de noodprocedure moeten grijpen. Ik ben daar iets ongeruster over dan de minister. Ik denk dat wij dat scenario kunnen voorkomen door tijdig in te zetten op maatregelen die rentabiliteit verhogen. Ik doel zowel op de economische als op de energetische rentabiliteit, want die gaan in dit geval hand in hand. Dat lijkt mij goed voor de minister als hoeder van de energie-efficiency. Het lijkt me ook goed voor de consumenten, omdat het er uiteindelijk toe leidt dat de prijzen van stadsverwarming omlaag gaan. Dat is het sterkste argument waarom mensen er graag op aangesloten willen worden.

Mevrouw Klever (PVV):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen. Een van de belangrijkste doelstellingen van dit wetsvoorstel is de consumentenbescherming. De voornaamste klacht die ik in heel veel brieven, onder andere van de Woonbond en van de Vereniging Eigen Huis, heb gelezen, betreft het aansluittarief. Daar was wat verwarring over. Er is een eenmalig aansluittarief, dat je betaalt in de aanschafprijs van de woning. Daar ging mijn amendement over. Daarnaast bestaat het jaarlijkse aansluittarief dat in het tariefadvies voor de AMvB wordt gegeven. Daar heb ik een motie voor klaarliggen. Ik heb zojuist even overlegd met de ambtenaren van de minister. Ik denk dat het handig is als ik deze motie wel indien, zodat we nog even precies krijgen uitgelegd hoe het zit.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het tariefadvies een hogere aansluitbijdrage is opgenomen voor warmte dan voor gas;

overwegende dat het "niet meer dan anders"-principe van toepassing dient te zijn op de totale prijs;

verzoekt de regering, het NMDA-principe toe te passen op de totale prijs en dus de aansluitbijdrage hierin op te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klever. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 25 (32839).

Mevrouw Klever (PVV):

Voorzitter. Voor wat betreft mijn amendement aangaande het eenmalig aansluittarief wacht ik nog even de reactie van de minister af.

De heer Jan Vos (PvdA):

Voorzitter. Ik heb goed geluisterd naar de reactie van de minister op mijn amendement op stuk nr. 16. Op grond van de argumentatie van de minister en op grond van het feit dat deze argumentatie wordt opgenomen in de Handelingen, denk ik dat ik dit amendement niet zal indienen. Dit ter kennisgeving.

Dan kom ik op de kostenverdeling, het punt in mijn amendement op stuk nr. 21. Ik doel met name op de vraag of je de kostenverdeler van de warmteverdeelmeter in zijn geheel moet betalen als je ongelijk blijkt te hebben of dat de kosten verdeeld moeten worden tussen consumenten en producenten. Als u in artikel 8a onder lid 6 kijkt, mijnheer Jansen, kunt u zien dat wat betreft de kostenverdeelsystematiek, wij zeggen dat de helft van de kosten van het onderzoek voor rekening komt van de leverancier. Dat hebben wij zo gedaan omdat je dan eigenlijk spreekt van een soort bindendadviesprocedure. Er is immers geen absolute waarheid te vinden in die systematiek. Je moet het dus een beetje met elkaar eens worden. Als je het niet met elkaar eens kunt worden, kun je een onafhankelijk persoon aanwijzen. Die kan dan zeggen: gehoord partij A en partij B doen we het zo. Ik denk echter niet dat je daarin kunt stellen dat je per definitie gelijk of ongelijk hebt. Als u voordat u opstaat om naar de microfoon te lopen nog even meekijkt bij lid 7, mijnheer Jansen, kunt u daar lezen dat als het gaat om de warmtekostenverdelers – dus ook de digitale warmtekostenverdeelmeters waar zoveel om te doen is en de verdampingsmeters, de condensmeters – het wel degelijk usance is dat de kosten zullen neerslaan bij degene die ongelijk blijkt te hebben. Ik denk dus eigenlijk dat we het helemaal niet met elkaar oneens zijn. Ik kan mij het bijna niet anders voorstellen. Dit ter verduidelijking. Aan u nu de gelegenheid om gebruik te maken van het feit dat u bij de interruptiemicrofoon staat.

De voorzitter:

Mijnheer Jansen denkt nog even na.

Het woord is aan de heer Jansen.

De heer Paulus Jansen (SP):

De heer Vos heeft op zich een punt. Ik kan echter nog niet precies opmaken of gezien het gestelde in lid 6 het inderdaad de staande praktijk is dat er nooit sprake is van gelijk of ongelijk maar altijd van een soort grijs tussengebied, zoals de heer Vos dat beoordeelt. Ik denk dat het goed is om voor de stemming meer duidelijkheid te krijgen over dit punt. Die duidelijkheid moet ongetwijfeld van buiten komen.

De voorzitter:

Mijnheer Vos?

De heer Jan Vos (PvdA):

Ik ben aan het einde gekomen van mijn inbreng in tweede termijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee is er een einde gekomen aan de eerste termijn van de Kamer. Er zijn enkele vragen gesteld en twee moties ingediend. Ik schors de vergadering vijf minuten om de minister de gelegenheid te geven om zich op zijn antwoord voor te bereiden.

De vergadering wordt van 17.36 uur tot 17.41 uur geschorst.

De voorzitter:

Het amendement-Jan Vos (stuk nr.16) is ingetrokken.

Minister Kamp:

Mevrouw de voorzitter. Deze tweede termijn geeft mij ook de gelegenheid om nog op een paar punten in te gaan die ik in eerste termijn heb laten liggen.

Allereerst kom ik bij de heer Leegte. Ik ben blij dat hij tot de conclusie is gekomen dat dit al met al meer duidelijkheid en meer bescherming biedt voor verschillende partijen: zowel de warmteleveranciers als de uiteindelijke warmteafnemers. Om die reden kan zijn fractie het voorstel steunen. Daar ben ik blij om.

Ik ben nog een reactie verschuldigd op zijn amendement op stuk nr. 11. Op de andere amendementen van de heer Leegte, waarvan hij een heeft ingediend samen met mevrouw Van Veldhoven, ben ik ingegaan, op zijn amendement op stuk nr. 11 niet. Dat houdt in dat de voorhangbepaling voor de inwerkingtreding van de rendementstoets kan worden geschrapt. Bij de overwegingen die de heer Leegte bij zijn amendement heeft, kan ik mij veel voorstellen. Ik heb dus geen enkel bezwaar tegen dat amendement. Ik laat het oordeel daarover graag aan de Kamer.

Mevrouw Van Veldhoven zegt: je hebt dan wel een redenering voor die slimme meters, maar wat ik voorstel is heel logisch, namelijk dat je voor zowel elektriciteit, gas als warmte wel consequent met die slimme meters werkt; als sommige mensen dat uit privacyoverwegingen niet willen en je ze op een behoorlijke manier kunt afschermen zodat hun slimme meters niet op afstand leesbaar zijn, dan heb je daar toch een net, landelijk, goed toepasbaar systeem voor. Zij zei ook dat degene die het amendement heeft ingediend, de heer Jansen, zich daar iets bij kon voorstellen. Ik heb daar nog geen negatieve reactie van de heer Jansen op gehoord. Vandaar dat ik moet aannemen dat die informatie van mevrouw Van Veldhoven correct is. Dat betekent dat ik met betrekking tot de slimme meters bereid ben om te kijken hoe ik voor het geheel – gas, elektriciteit en warmte – een uniforme toepassing kan vinden waarbij recht gedaan wordt aan de privacybelangen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Ik kan een en ander bevestigen, nadat wij in die richting hebben kunnen werken, zeker als op korte termijn de evaluatie klaar is van die paar honderdduizend meters die inmiddels vrijwillig zijn uitgerold. Een aspect dat destijds nog wel een rol speelde, was de kosten van die slimme meters. Als die veel hoger zijn dan die van de andere meters, dan is het voor de consument natuurlijk een ander verhaal. Als die net zo veel gaat kosten en je hem aan of uit kunt zetten, dan denk ik dat dat voor de consument geen probleem is en wellicht voor de netbeheerders een efficiënte strategie om alvast wat tempo te maken.

Minister Kamp:

Misschien zou het ook kostenbesparingen voor de consument op kunnen leveren, omdat hij meer inzicht heeft in zijn afnamegedrag. Dat kan hij dan beïnvloeden, zodat hij minder afneemt. Dat is goed voor alles en iedereen, ook voor zijn of haar eigen rekening. Misschien kunnen wij dus iets breder naar die kosten kijken, maar dat zal ik doen bij de beoordeling die mevrouw Van Veldhoven heeft gevraagd en die ik heb toegezegd.

De voorzitter:

U hebt nog een vraag, mevrouw Van Veldhoven?

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Heel kort. Ik dank de minister hartelijk voor deze toezegging. Wanneer denkt hij met een brief hierover naar de Kamer te kunnen komen?

Minister Kamp:

Ik kan dat zo niet zeggen, maar ik heb niet de bedoeling om dat op de lange baan te schuiven. Dus ik zal zoeken naar een redelijk moment waarop ik met die beoordeling over de hele linie kan komen. Die gelegenheid zal ik meteen aangrijpen om met die informatie naar de Kamer te komen. Ik heb absoluut niet de bedoeling om dit voor mij uit te schuiven.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Prima. Ik dank de minister voor zijn toezegging en vetrouw erop dat wij dat debat goed met elkaar gaan voeren.

Minister Kamp:

Mevrouw Mulder heeft gezegd dat ik nog even aan moet geven wat je moet doen als de prijs uiteindelijk niet redelijk is. De Warmtewet biedt de consument bescherming. De consument kan natuurlijk altijd naar de leverancier gaan. Dat is vaak de corporatie. Dat is dus een leverancier bij wie je heel goed terechtkunt en die heel klantvriendelijk is, maar de NMa gaat toezicht houden. De NMa, die opgaat in de Autoriteit Consument en Markt, is bedoeld om de consument bescherming te bieden. Daar kan de consument terecht. Naar aanleiding van klachten kan de NMa een onderzoek instellen.

De heer Jansen heeft gevraagd naar de mogelijkheid voor corporaties om er eventueel uit te stappen als leverancier omdat ze in een "squeeze" terechtkomen, zoals hij dat noemt. Hij sprak ook over de extra eisen die zouden kunnen gaan gelden voor wat betreft isolatie van woningen en dergelijke. Laten we beide punten even naar voren halen. De heer Jansen gaf een beschrijving van een corporatie die dient als een soort doorleverancier van warmte. In dat geval is zo'n corporatie gewoon de warmteleverancier en gelden voor de corporatie dus de bepalingen die voor een warmteleverancier gelden. Als de corporatie in de verdrukking komt, is zij in staat om verstandig te handelen. Daar is die organisatie voor. De corporatie kan gaan onderhandelen met een producent of op zoek gaan naar een alternatief. Ook kan de corporatie proberen om in een groter verband, dus met andere corporaties, afspraken te maken met een producent. Als een corporatie dus de facto als warmteleverancier optreedt, denk ik dat zij ook in staat is om op een adequate manier voor haar belangen op te komen.

De heer Paulus Jansen (SP):

En als een corporatie daar helemaal geen behoefte aan heeft? Tot nu toe was de situatie simpel, maar die wordt nu te ingewikkeld, zo vindt die corporatie: laat het warmtebedrijf zelf maar rechtstreeks warmte gaan leveren aan de klanten in dat flatgebouw. In de nota naar aanleiding van het verslag stelt de minister dat corporaties kunnen onderhandelen met de warmteleverancier. Mijn vraag was of er in zo'n situatie een opt-out is. Kunnen de corporaties besluiten om er uit te stappen en als serviceverlener te gaan opereren in plaats van als leverancier?

Minister Kamp:

Nee. Ik wil de rollen graag duidelijk houden, anders komen we hier niet meer uit. We hebben een producent, waar warmte vandaan komt. Die producent kan een exploitant zijn van een geothermische installatie, een elektriciteitscentrale of een afvalverbrandingsoven. Dat is de producent. Daar komt warmte vrij. Vervolgens moet die warmte naar woningen gebracht worden. Er is iemand die dat doet, die zorgt dat uiteindelijk de warmte geleverd wordt aan de afnemers, en dat is de warmteleverancier. Ten slotte is er de afnemer, de consument, en dat is degene die wij bescherming willen geven. Ik denk dat we dat zuiver moeten houden: producent, warmteleverancier en consument. Als een corporatie als warmteleverancier optreedt omdat zij warmte afneemt en doorgeeft, dan is zij warmteleverancier en dan is op haar de Warmtewet van toepassing. Laten we daar niet ingewikkeld over doen. Ik kan het me niet voorstellen, maar mochten elektriciteitscentrales of een afvalverbrandingsovens graag zelf de contacten met consumenten willen onderhouden, dan treden zij op als warmteleverancier en dan zijn op hun warmteleveranciersactiviteiten de bepalingen van de Warmtewet ook van toepassing.

De heer Jansen heeft ook gesproken over extra isolatie, en wat we in samenhang daarmee zouden kunnen bespreken. Ik vind dat een interessant onderwerp. Daar hebben we de Efficiencyrichtlijn voor gekregen en daar gaan we dus een uitwerking aan geven. Ik kom daarover in het tweede kwartaal met een brief naar de Kamer. Ik heb daar bij de begrotingsbehandeling een toezegging over gedaan. Die toezegging zal ik nakomen en ik zal ook bekijken of hetgeen de heer Jansen in dit verband heeft opgemerkt, daarin behandeling behoeft. Dan zal ik die aandacht daar ook aan geven.

De heer Jansen zei nog een keer dat hij toch vindt dat de splitsing en de nationalisatie wel zouden moeten plaatsvinden. Ik blijf maar hopen dat de rest van de Kamer het niet goed vindt om op het laatste moment dit ingewikkelde geheel er ook nog bij te betrekken. Ik hoop dus dat de heer Jansen van mij wil accepteren dat ik hoop dat dit amendement van hem het niet haalt.

De heer Jansen heeft ook gesproken over een modelcontract. Als je een heel goed contract maakt, heeft dat best waarde voor een consument, ook als hij niet kan vergelijken en niet kan overstappen, zegt de heer Jansen. De overheid kan wel van alles en nog wat voorschrijven en doen in het belang van de consument. De overheid kan ook bepalen dat er een modelcontract gemaakt moet worden als iemand een brood koopt bij Albert Heijn, maar het moet wel redelijk blijven. Het gaat in dit geval om warmteleveranciers die toegespitst op hun eigen situatie, vanuit hun eigen bedrijf voor hun eigen klanten een contract maken. Laat ze dat nou doen. Een modelcontract heeft, als een afnemer moet gaan vergelijken en het ingewikkeld wordt, echt belang. De overheid zou dat ook kunnen gaan voorschrijven, maar dat is hier niet nodig. Ik denk dan ook dat we dat niet moeten doen.

Verder heeft de heer Jansen aandacht gevraagd voor zijn voorstel voor een heffing op het lozen van warmte. Als een elektriciteitsproducent elektriciteit produceert, of een afvalverbrandingsoven afval verbrandt, en ze hebben warmte als restproduct en ze zien een kans om dat te gelde te maken, dan doen ze dat heel graag. Ze bedenken van alles om dat te doen en op alle plekken in het land zijn ze daarmee bezig. Een heffing daarop leggen om ze nog wat meer te stimuleren, lijkt me geen goede zaak. Op een gegeven moment raken we verstrikt in alle heffingen in dit land: energiebelasting, SDE-plusheffing en dan ook weer deze heffing. We moeten dat niet doen. Het lijkt me goed om vast te stellen dat er vanuit de leveranciers al veel belang is om die warmte te gelde te maken als dat redelijkerwijs mogelijk is. De leveranciers zijn, gelet ook op hun commerciële achtergrond en belangen, goed in staat om die mogelijkheden zelf te inventariseren en te benutten.

Voor wat betreft mevrouw Klever ben ik nog een reactie verschuldigd op haar amendement op stuk nr. 23. Dat amendement gaat over artikel 6, lid 1 van het wetsvoorstel. Daarin staat het volgende: "Indien door een leverancier bij een verbruiker of ontwikkelaar een eenmalige aansluitbijdrage in rekening wordt gebracht voor een aansluiting op een bestaand warmtenet, bedraagt deze bijdrage maximaal hetgeen een gasverbruiker zou bijdragen in die situatie waarbij sprake is van aansluiting op een gasnet." Ergens is een wijk en in die wijk is een warmtenet en een stuk grond waarop een woning gebouwd kan worden. Iemand bouwt daar vervolgens een woning en die moet aangesloten worden op het warmtenet. Aan degene die het warmtenet exploiteert moet dan een bedrag worden betaald. Welk bedrag hij daarvoor moet betalen, staat in het wetsvoorstel. Dat is hetzelfde bedrag als het bedrag dat hij zou moeten betalen als hij zich op het gasnet zou laten aansluiten. Dat lijkt me een heel mooie, simpele regeling. Ik begrijp eigenlijk niet goed wat het probleem daarmee is. Ik denk dan ook dat we daarvoor geen amendement nodig hebben en dat we het zo kunnen laten staan.

Dan heeft mevrouw Klever gezegd dat er ook nog die andere situatie is, te weten die situatie waarbij het doorberekend wordt in de prijs. Daar heb ik net al antwoord op gegeven. Van de kosten van de afleverset worden de reële kosten die zijn gemaakt, doorberekend. In combinatie met de rest van wat in de Warmtewet is geregeld, met de NMDA als maximum, is dat een prima en overzichtelijke regeling. Het amendement van mevrouw Klever raad ik daarmee af. Dat betekent dat ik ook haar motie afraad en wel om de reden die ik net heb gegeven.

Mevrouw Klever (PVV):

Er was wat verwarring over mijn amendement. Ik heb geconcludeerd dat mijn amendement naar het verkeerde artikel verwijst. Ik zal het amendement aanpassen en naar het juiste artikel verwijzen, waarbij het dan gaat om nieuwbouwwijken met een nieuw aan te leggen warmtenet, want daar geldt het NMDA-principe niet. Ik zal dat nieuwe amendement aan de Kamer doen toekomen.

Minister Kamp:

Misschien mag ik daar alvast op reageren. Als mevrouw Klever komt met een amendement van die strekking dan hoeven we dat niet te doen, want als er een nieuwbouwwijk is en er wordt een warmtenet aangelegd, dan zijn daar allemaal partijen bij betrokken die heel goed in staat zijn om onderling te onderhandelen, zoals de gemeente, een warmteproducent, een corporatie en een projectontwikkelaar. Dan wordt er gekeken of daar, in het geheel van zo'n nieuwe wijk, met een warmtenet gewerkt gaat worden en, zo ja, onder welke voorwaarden dat gedaan wordt. Wat kost dat en op welke manier berekenen we dat door? Daar komt voor die nieuwe woning, in die nieuwe wijk, een bedrag per woning uit. Laat ze daar rustig hun gang gaan; dat is geen enkel probleem. Het zijn allemaal sterke, professionele partijen die dat samen kunnen opzetten. Vervolgens komt de kleine consument in beeld. Die wordt dan geplaatst tegenover een sterke warmteleverancier. Dan hebben wij deze wet om die consument tegen die warmteleverancier te "beschermen" en daarvoor is de wet heel zinvol. Het is absoluut geen noodzaak dat als nieuwe wijken of nieuwe complexen door professionele partijen worden gerealiseerd, wij ons daarmee met de Warmtewet gaan bemoeien. Om die reden zal ik het aan te passen amendement van mevrouw Klever toch afraden.

De heer Vos heeft gezegd dat hij zich bij het derde van zijn drie amendementen – ik heb er twee positief becommentarieerd – door mij heeft laten overtuigen. Ik ben hem erkentelijk voor het intrekken van dit amendement op stuk nr. 16. Ik hoop dat met de steun die nu uiteindelijk door de Kamer aan dit wetsvoorstel gegeven kan worden, wij naar de Eerste Kamer kunnen gaan en kunnen proberen deze langlopende zaak af te ronden zodat de nieuwe Warmtewet per 1 juli aanstaande in kan gaan. Dit belangrijke onderwerp heeft veel aandacht van de Kamer gekregen. Hoewel de omstandigheden het geheel hebben gewijzigd en de behandeling mede hierdoor lang heeft geduurd, is volgens mij het doel dat de Kamer voor ogen had overeind gebleven. De Kamer heeft tot doel dat wordt opgekomen voor de consument en dat duidelijkheid wordt geboden aan leverancier en producent. Ik ben zeer gemotiveerd dit voorstel straks in de Eerste Kamer te verdedigen en daarna voor snelle invoering te zorgen. Ik wil verder met de monitor waar de NMa voor zal zorgen gaan kijken hoe de zaak zich ontwikkelt en vervolgens met een evaluatie bij de Kamer komen. Met de evaluatie zullen wij kijken of er nog verdere mogelijkheden zijn het geheel te verbeteren. Overigens zal ik de toezeggingen die ik heb gedaan volgens de termijnen die ik heb genoemd ook tot uitvoering brengen.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Daarmee zijn wij gekomen aan het eind van de beraadslaging over de wijziging van de Warmtewet.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij stemmen dinsdag over de amendementen, het wetsvoorstel en de moties.

De vergadering wordt van 17.57 uur tot 19.00 uur geschorst.

Voorzitter: Arib

Naar boven