Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 106, item 7

7 Rapport van de Taskforce TBS

Aan de orde is het debat over het rapport van de Taskforce TBS en het bericht dat "mogelijk 111 tbs'ers vrijkomen".

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van harte welkom bij dit debat, evenals de mensen op de publieke tribune, de mensen die op een andere plek dit debat volgen, bijvoorbeeld via internet, en de woordvoerders. Er is een spreektijd afgesproken van vier minuten per fractie. Ik wil in eerste instantie geen beperking van het aantal interrupties met de leden afspreken, maar ik hoop wel dat zij alleen de vragen zullen stellen die per se noodzakelijk zijn.

Het woord is aan mevrouw Helder, die dit debat heeft aangevraagd.

Mevrouw Helder (PVV):

Met die waarschuwende woorden in de oren gaan wij gelijk van start.

Voorzitter. Op 31 juli vorig jaar heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in een zaak tegen Nederland bepaald dat de tbs-maatregel niet langer dan vier jaar mag duren als de rechter niet expliciet in het vonnis heeft aangegeven dat de tbs-maatregel is opgelegd vanwege een geweldsdelict. Alleen als uit het vonnis blijkt dat sprake is van een geweldsdelict, kan de tbs volgens het Europees hof langer duren dan vier jaar. Als gevolg van die uitspraak heeft de staatssecretaris een Taskforce TBS ingesteld. De taskforce heeft onderzoek gedaan naar 2.396 dossiers van tbs'ers. Uit dit onderzoek is gebleken dat in 54 gevallen de maximale duur van de tbs nog niet is bereikt en dat in 59 gevallen de maximale duur van vier jaar wel is bereikt of overschreden. Aldus kan volgens de staatssecretaris de uitspraak van het Europees hof in 111 gevallen problemen opleveren en wel zodanig dat 111 niet-uitbehandelde tbs'ers zouden kunnen terugkomen in de samenleving.

De PVV trekt het optreden van de staatssecretaris en ook de juistheid van de cijfers in deze kwestie om een aantal redenen op zijn zachtst gezegd in twijfel. In de eerste plaats wil de PVV van de staatssecretaris weten waarom hij direct na de uitspraak van het Europees hof besloot een taskforce in te stellen, terwijl dat helemaal niet nodig was. Het Europees hof heeft namelijk helemaal niet geoordeeld dat de wetgeving niet juist was, maar dat de motivering in het vonnis mogelijk niet voldoende was. Het hof heeft ook een uitspraak gedaan in een individuele kwestie, en van een zogenoemd pilot judgment waarin Nederland op de vingers werd getikt vanwege ondeugdelijke wetgeving was ook geen sprake. Waarom heeft de staatssecretaris niet rustig de uitspraak van de Hoge Raad afgewacht in die lopende zaak, voor hij een heel taskforcecircus opzette? De staatssecretaris wist immers dat er cassatie in het belang der wet was aangetekend, dus hij wist dat er binnen afzienbare tijd een uitspraak in een vergelijkbare situatie zou komen.

Zelfs als hij die kwestie gemist zou hebben, had hij een uitspraak van het gerechtshof Arnhem kunnen gebruiken. Die uitspraak was er al voordat de taskforce zijn werk ging doen, want het is een uitspraak van 8 november vorig jaar. De uitspraak dateert dus ook van na het oordeel van het Europees hof. Die uitspraak is eenvoudig te vinden. Je moet gewoon kijken naar uitspraken van de verlengingsrechter en niet naar rechtbankvonnissen. Er is maar één verlengingsrechter, namelijk het hof in Arnhem, dus dat maakt het zoeken kinderlijk eenvoudig. Maar nee, de staatssecretaris zet een taskforcecircus op.

Daarnaast had de staatssecretaris nog twee andere mogelijkheden. Als de staatssecretaris meent dat inderdaad verkeerd gehandeld is in de zaak die voor het hof is gekomen, waarom is er dan geen poging gedaan om de zaak minnelijk te schikken? Dan had die kwestie niet zo'n maatschappelijke impact gehad als nu. Als de staatssecretaris meent dat de uitspraak van het Europees hof niet juist is, waarom heeft hij de zaak dan niet voorgelegd aan de Grand Chamber? Die oordeelt nog weleens anders dan de driekoppige kamer.

De staatssecretaris heeft door zijn handelen de Nederlandse burger de stuipen op het lijf gejaagd, want na het onderzoek door de niet-noodzakelijke taskforce, stelde hij dus, zoals ik al zei, dat er mogelijk 111 tbs'ers op vrije voeten zouden komen; dat zijn 111 personen die voor een ernstig misdrijf zijn veroordeeld. Graag krijg ik een reactie van de staatssecretaris en dan liefst de mededeling dat hij dit nooit meer zal doen. De staatssecretaris is er voor de Nederlandse burger en niet voor het Europees hof, dat zelfs niet eens om een taskforce heeft gevraagd.

De heer Van der Steur (VVD):

Ik moet eerlijk zeggen dat ik met veel respect heb geluisterd naar het verhaal van collega Helder, maar dat mij de oren werkelijk van het hoofd vallen dat mevrouw Helder op het moment dat de staatssecretaris niet zou hebben gedaan wat hij heeft gedaan, hier had gestaan met de mededeling: deze staatssecretaris heeft grote risico's genomen omdat er in theorie honderden tbs'ers zouden kunnen vrijkomen. Nu de staatssecretaris dat wel heeft gedaan en de Hoge Raad dat heeft gerepareerd — lof voor de Hoge Raad — wordt het verhaal dat de staatssecretaris dat vooral niet had hoeven doen. Ik ben erg blij dat deze staatssecretaris dit wel heeft gedaan. Ik vraag mevrouw Helder of zij niet ook kan toegeven dat de staatssecretaris in ieder geval heeft gedaan wat hij had moeten doen om de veiligheid van de Nederlandse samenleving te garanderen.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik vraag mij af of de heer Van der Steur in het reces wel heeft uitgerust, want ik heb nu net uitvoerig uiteengezet waarom ik meen dat de staatssecretaris verkeerd heeft gehandeld. Dus ik kan mijn hele pleidooi nog wel een keer herhalen; dat vind ik geen enkel probleem, maar ik denk niet dat de heer Van der Steur daarop zit te wachten.

De heer Van der Steur (VVD):

De aardigheid is dat het hele pleidooi van mevrouw Helder is gebaseerd op de gedachte dat de staatssecretaris allerlei tijdrovende maatregelen had kunnen nemen: hoger beroep instellen en wachten op een uitspraak van de Hoge Raad. Stel je voor dat die uitspraak van de Hoge Raad bevestigend was geweest, dan had de staatssecretaris niets gedaan en waren 111 tbs'ers zoals wij nu weten vrijgekomen. Dan had mevrouw Helder terecht gevraagd: is de staatssecretaris nu helemaal gek geworden? Dus als je goed naar het verhaal van mevrouw Helder luistert, klopt het niet.

Mevrouw Helder (PVV):

Laat ik er dan één punt uithalen van het gerechtshof Arnhem. De heer Van der Steur is jurist, dus hij gaat dit zeker opzoeken op de site www.rechtspraak.nl. Gerechtshof Arnhem, 8 november 2012 met LJN-nummer — De heer Van der Steur weet als specialist wat dat betekent — BY2685. Dan weet hij meteen dat mijn betoog wel klopt.

Daarnaast merkt de PVV voor de volledigheid nog op dat als je dan een taskforce instelt, je het wel goed moet doen. Waarom is alleen gekeken naar de periode tussen 26 november 2012 tot en met 5 december 2012? De uitspraak van het hof dateert namelijk van 31 juli 2012. Eigen onderzoek in registers van uitspraken op — daar komt het weer — www.rechtspraak.nl leverde mij al vier zaken op in de tussenliggende periode. Daar zat ook een zeer ernstig geval bij, dus ik vraag de staatssecretaris of hij een brief naar de Kamer kan sturen waarin alle cijfers staan over mogelijk vrijgekomen tbs'ers naar aanleiding van de uitspraak.

Ik zie dat ik moet afronden. Ik krijg graag de bevestiging dat er geen tbs'ers vrijkomen nu dat gezien de jurisprudentie ook niet meer nodig is.

De heer Van der Steur (VVD):

Voorzitter. Collega Helder heeft de aanleiding voor dit debat goed en helder geschetst. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft een uitspraak gedaan die potentieel tot gevolg had dat een groot aantal tbs'ers onbehandeld, in ieder geval niet uitbehandeld, zou kunnen vrijkomen. Dat zou een gevaar opleveren voor de samenleving.

Voor de VVD-fractie is zo'n uitspraak onaanvaardbaar, waarbij deze rechters in Europa kennelijk niet nadenken over de vraag wat de effecten op de werkvloer in de lidstaten van zo'n uitspraak kunnen zijn. Het is dan ook een voorbeeld van het feit dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heel vaak wel, maar niet altijd begrip heeft voor de effecten van de uitspraken die het doet, terwijl wij toch eigenlijk vinden dat terughoudendheid op dit soort terreinen passend is en dat je je ook als Europese rechter moet afvragen wat de effecten van je vonnissen zijn.

De aanpak van de staatssecretaris, geheel anders dan de PVV hier heeft verkondigd, is wat de VVD betreft verstandig geweest: onmiddellijk zien dat er een probleem is en kijken hoe we dat oplossen en hoe we voorkomen dat die situatie uit het spoor raakt, zoals dat zou kunnen gebeuren. Het is heel goed en lovenswaardig dat de Hoge Raad heel snel in cassatie in het belang der wet dit gat heeft gerepareerd en heeft aangegeven dat die uitspraak van het Europees Hof geen gevolgen heeft voor het Nederlands rechtsbestel. Dat is een duidelijke, maar ook een logische en ik zou zelfs willen zeggen een verstandige uitspraak.

Het is hier al vaker gezegd: de VVD-fractie ondersteunt het stelsel dat wij tbs noemen. Dat is goed voor de veiligheid van de samenleving, het verkleint de recidive en het is mooi om te zien dat nog heel recent in de krant stond dat ook België zeer jaloers is op het stelsel dat wij hebben. Ik weet zelf uit het werkbezoek dat wij in Engeland aan het gevangeniswezen hebben afgelegd, waar men dit stelsel niet kent, dat wat men daar heeft als oplossing heel anders is en veel ernstiger gevolgen heeft dan hier in Nederland. Desondanks hebben we wel een aantal vragen over de periode tussen die uitspraak en de uitspraak van de Hoge Raad. De staatssecretaris heeft daar in zijn brief al een aantal opmerkingen over gemaakt. Hoeveel tbs'ers zijn er vrijgekomen? Even voor de zekerheid: zijn er tbs'ers vrijgekomen als gevolg van deze uitspraak die in een normale situatie niet waren vrijgekomen? Ik weet dat een aantal van hen in een BOPZ-situatie terecht is gekomen. Hoeveel waren dat er precies? Hoe weten wij dat de verlenging in de BOPZ zal plaatsvinden op dezelfde gronden als in het geval van tbs?

Ik wil graag van de gelegenheid gebruikmaken om de staatssecretaris vragen te stellen over de onttrekkingen. Op basis van de brief die wij van de staatssecretaris hebben gekregen, zou je kunnen concluderen dat er in het afgelopen jaar meer onttrekkingen zijn geweest dan in de jaren daarvoor. Aan de andere kant geeft de staatssecretaris aan dat dit ook komt door een verbeterde registratie. Kan hij de zorgen van de VVD-fractie wegnemen dat het lijkt alsof er meer onttrekkingen zijn geweest? Kan hij tegelijkertijd aangeven dat alle maatregelen die genomen zijn, effectief dit probleem bestrijden?

Er is overigens nog iets interessants als het gaat om die cijfers. Er zijn 53 tbs'ers die bij elkaar 56 keer ongeoorloofd afwezig zijn geweest. Dat zou dus betekenen — zo lijkt mij — dat een aantal tbs'ers meermalen ongeoorloofd afwezig is geweest. Als dit inderdaad het geval is, dan rijst de vraag hoe dit kan. De verlofregeling brengt juist met zich mee dat dit niet meer kan. Als je ongeoorloofd afwezig ben geweest, kun je immers een jaar niet op verlof. Kan de staatssecretaris daar uitleg over geven? Dat mag overigens ook in een nadere brief, als dat nodig mocht zijn.

Hoe beoordeelt de staatssecretaris het feit dat in Veldzicht, de Rooyse Wissel en in FPC Dr. S. van Mesdag relatief veel onttrekkingen plaatsvinden in vergelijking met de andere fpc's? Zijn de maatregelen die daar expliciet genomen zijn, zoals blijkt uit de brief, naar het oordeel van de staatssecretaris ook effectief?

We moeten natuurlijk ook een vraag stellen over het incident bij Oldenkotte. Het betreft een afschuwelijk incident, waarbij een begeleider bijna het leven had gelaten. Er is onderzoek gedaan. De conclusies van dat onderzoek zijn gepresenteerd. De staatssecretaris geeft in de brief aan dat hij maandelijks op de hoogte wordt gehouden van het effect van die onderzoeken. Kan hij ons daarover informeren?

Hoe staat het met de onttrekkingen in 2013? Kan de staatssecretaris daar iets over zeggen?

Ik rond af. In de Oostvaarderskliniek wordt geëxperimenteerd met gsm-toestellen om tbs'ers tijdens verlof in de gaten te houden. De VVD vindt dit een hoogst opmerkelijk en merkwaardig voorstel. Kan de staatssecretaris de zorgen hierover van de VVD-fractie wegnemen?

Mevrouw Helder (PVV):

Ik ga even terug naar de kern van het debat. Waarom zou je als staatssecretaris een taskforce instellen naar aanleiding van een individuele uitspraak van het Europese Hof, wetende dat er een vergelijkbare zaak voor de Hoge Raad ligt waarin op afzienbare termijn een uitspraak wordt gedaan? Waarom zou je daar niet op wachten?

De heer Van der Steur (VVD):

Omdat er twee mogelijkheden zijn. De eerste mogelijkheid is dat de "afzienbare termijn" door de Hoge Raad niet wordt gehaald. Ik weet dat collega Helder net als ik advocaat is geweest. Zij heeft vast en zeker enige ervaring met de Hoge Raad. Een en ander gebeurt niet altijd even snel. De tweede mogelijkheid betreft het volgende. Het is niet uitgesloten dat de uitspraak van de Hoge Raad negatief zal uitvallen en dat de Hoge Raad niet zal repareren wat er is gebeurd. Dan moet je als staatssecretaris wel een alternatief hebben, want anders zou zowel de partij van mevrouw Helder als mijn partij zeggen: waarom heeft de staatssecretaris niet tijdig wat gedaan?

Mevrouw Helder (PVV):

Nee. De staatssecretaris had nog een ander anker waar hij voor kon liggen, want er was al een arrest van de verlengingsrechter van het hof in Arnhem van 8 november. Aan de hand daarvan had de staatssecretaris al kunnen zeggen: mede gezien die uitspraak en mede gezien het feit dat cassatie in het belang der wet is aangetekend, mag ik er redelijkerwijs van uitgaan dat de Hoge Raad die uitspraak ook zal doen. Je hoeft niet in een keer een hele taskforce op te zetten en vervolgens ook nog in de media te roepen dat er mogelijk 111 tbs'ers die veroordeeld zijn voor ernstige misdrijven op vrije voeten worden gesteld. Dat is de heer Van der Steur hopelijk toch wel met mij eens?

De heer Van der Steur (VVD):

Ik verbaas mij allereerst over het enorme vertrouwen dat mevrouw Helder nu uitspreekt in de Nederlandse rechterlijke macht. Ik heb hier in de afgelopen jaren van de zijde van de PVV-fractie heel andere oordelen gehoord over rechters, over de kwaliteit van rechters en over de wijze waarop ze benoemd zouden moeten worden. Er werd gezegd dat ze eventueel moesten worden ontslagen. Maar nu opeens mag een staatssecretaris achterover leunen en zeggen: er zijn allerlei rechtszaken gaande, ik wacht het rustig af en mochten er aan het einde van de rit 111 tbs'ers vrijkomen, dan zal de PVV-fractie vast zeggen dat ik goed mijn best heb gedaan en dat ik het verstandig heb aangepakt. Niemand die de PVV-fractie en mevrouw Helder ooit eerder heeft horen spreken in deze Kamer, kan hier ook maar een klontje suiker van maken.

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter ...

De voorzitter:

Wij doen interrupties in tweeën, dus het woord is nu eigenlijk aan de heer Segers, maar ik geef u de gelegenheid om nog een vraag te stellen. Dat is echter niet de standaard. De standaard is: één interruptie en een vervolgvraag. Daarbij bestaat altijd het risico dat de laatste spreker het laatste woord heeft. Dat gaat ook nu weer gebeuren, maar ik geef u nog een kans.

Mevrouw Helder (PVV):

Dank u wel voorzitter, voor uw begrip. Excuus voor de fout van mijn kant, ik dacht dat ik nog een kans had. Ik rond af: iedereen heeft altijd de VVD horen roepen dat de rechterlijke macht onafhankelijk is en dat wij de uitspraken altijd afwachten. Maar nu hoor ik collega Van der Steur zeggen: gelukkig heeft de Hoge Raad het gat gerepareerd.

De heer Van der Steur (VVD):

Dat is een interessant standpunt. Dat zou dan ongeveer overeenkomen met wat mevrouw Helder in veel strengere bewoordingen altijd heeft gezegd. Zij kan het dan toch niet met mij oneens zijn, zou ik zeggen. Zij verwijt het mij nu echter wel. Ik proef een beetje een gelegenheidsargument van de zijde van de PVV-fractie om een staatssecretaris, die wat mij betreft voortvarend, juist en verstandig heeft gehandeld in dit potentieel overigens zeer gevaarlijke dossier, maar iets te verwijten.

De heer Segers (ChristenUnie):

De heer Van der Steur begon zijn betoog met een kritische noot aan het adres van het Europees Hof, namelijk dat het Hof niet altijd het effect begrijpt van zijn arresten voor de lokale situatie, zoals in Nederland. De Hoge Raad zegt in zijn arrest dat deze hele ellende voorkomen had kunnen worden met een wetswijziging en wijst daarbij twee routes aan waarlangs dit had kunnen worden gerepareerd. Past in dit opzicht niet enige bescheidenheid en moeten wij niet de hand in eigen boezem steken, in plaats van alleen maar met de vinger naar het Europees Hof te wijzen? Dat is mijn eerste vraag. Hadden wij het niet zelf moeten repareren? Mijn tweede vraag is: is de VVD-fractie van mening dat het gerepareerd moet worden en dat deze maas in de wet inderdaad moet worden gedicht??

De heer Van der Steur (VVD):

Je kunt pas iets repareren als je weet dat er een probleem is. Als je thuis een lekkage hebt, is dat vaak het moment om te kijken of de leidingen wel goed zijn. Wat de heer Segers nu zegt is: we moeten eigenlijk altijd aan de leidingen morrelen en controleren of die wel goed zijn, ook al is er geen aanleiding om dat te doen. Dat is raar. Waarom zouden wij een wet wijzigen, zoals de heer Segers voorstelt, als wij helemaal niet weten dat wij een probleem hebben met die wet? Tot de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens werd bij de verlengingsrechter gewoon zonder enig probleem, ook in geval van vonnissen waarin geen indicatie was voor geweld, besloten tot verlenging van tbs. Er was geen probleem. Dan lijkt het mij toch een onzorgvuldige gedachte van de ChristenUnie dat je vervolgens tot een wetswijziging zou moeten overgaan, daar waar er geen probleem is. Op het moment dat het probleem werd gesignaleerd door het Europees Hof en er als gevolg van het Europees Hof een probleem ontstond, is een en ander gerepareerd door de Hoge Raad. Dat had ook niet kunnen gebeuren, en dan geef ik de heer Segers toe dat wij tot een wetswijziging hadden moeten overgaan. Dat hadden wij dan ook vrij snel moeten doen, maar nu was het niet nodig.

De heer Segers (ChristenUnie):

Dan fris ik graag het geheugen van de heer Van der Steur op, of ik vertel hem iets nieuws. De taskforce heeft in 2011 gezegd dat de motivering vaak achterwege blijft bij vonnissen. Het probleem is al in 2011 aangekaart. Het probleem lag al op tafel, maar er is niets mee gedaan. Wij wisten het dus wel, maar er is niets gedaan. De Hoge Raad zegt dat je voor de zekerheid, om in ieder geval de maas in de wet te dichten, de wet moet wijzigen. Is de VVD-fractie van mening dat de wet inderdaad zo moet worden gewijzigd dat wij deze ellende voortaan voorkomen?

De heer Van der Steur (VVD):

Nu wordt het ingewikkeld. In 2011 is er door de taskforce iets over gezegd. Dat is mij uiteraard bekend. Vervolgens is de verlengingspraktijk gewoon doorgegaan zoals die altijd was. Er is een probleem op tafel gelegd dat geen probleem was. Dan zeg ik niet dat wij vervolgens een wetswijziging nodig hebben. Vervolgens zegt de Hoge Raad: een wetswijziging kan de facto wel, maar is eigenlijk niet nodig, want wij hebben een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat het niet hoeft. Als wij zeker willen zijn, moeten wij tot wetswijziging overgaan. Maar ook de heer Segers weet dat de Hoge Raad uitspraak doet in hoogste instantie. De Hoge Raad heeft uitgesproken dat de interpretatie van de wet door het Europees Hof niet strookt met de realiteit. Daarmee is het probleem opgelost. Als de heer Segers aan de staatssecretaris zou willen vragen of deze het verstandig vindt om er nog een wetswijziging overheen te doen, staat hem dat vrij. Wat mij betreft hoeft het niet, maar ik ben er ook niet tegen als dit zou betekenen dat in ieder geval het beroep op deze gedachte kunnen voorkomen en wij misschien ook kunnen voorkomen dat andere tbs'ers in soortgelijke situaties zich alsnog en opnieuw tot het Europees Hof voor de Rechten van de mens wenden. Ik denk dat de heer Segers het met mij eens is dat het niet strikt noodzakelijk is.

De heer Oskam (CDA):

Voorzitter. De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van vorig jaar zomer heeft nogal wat beroering veroorzaakt, zeker toen de Nederlandse rechter een verlenging van tbs heeft afgewezen en wij in de Kamer over deze materie kwamen te praten. De veiligheid van de samenleving staat bij de omgang met tbs'ers voorop. Het gaat vaak om gevaarlijke mensen die langdurige behandeling moeten ondergaan. Als ze zomaar op straat komen te staan, hebben ze geen werk, geen huis en hun familie neemt afstand van ze. Kortom, het zijn in potentie gevaarlijke mensen.

Door de vorige sprekers is al uitgelegd hoe het in de wet geregeld is. Wie een geweldsdelict pleegt, kan vier jaar of langer tbs krijgen. Is het geen geweldsdelict, dan hout het bij die vier jaar op. Maar er is natuurlijk een heel groot grijs vlak. Als de rechter opschrijft dat het om een geweldsdelict gaat, dan kan hij de tbs verlengen. Daar kan hij als rechter mee uit de voeten. Als hij echter verzuimt om op te schrijven dat het om een geweldsdelict gaat, zitten we op een heel ander niveau. Inmiddels is er een uitspraak van het hof in Arnhem en er ligt een uitspraak van de Hoge Raad. Daarin wordt in ieder geval meegegeven dat de verlengingsrechter creatiever kan zijn en dat hij het kan oprekken. In de vorige uitspraak valt te lezen dat er sprake is van een geweldsdelict. Als iemand een moord pleegt met een hakbijl of een verkrachting, dan zal iedereen begrijpen dat het om een geweldsdelict gaat. Er is ook nog een heel groot grijs gebied, want wat doen we met brandstichters? Is het dan bepalend of iemand een auto in brand steekt of een woning, waarbij er sprake is van gevaar voor personen? Is dat dan het criterium? Wat doen we met stalkers, met afpersers die met messen dreigen, waarbij er niet wordt gestoken, maar wel met messen gezwaaid? Zo blijft er een gebied bestaan waarvan de deskundigen zeggen dat de rechter het maar zelf moet beslissen. Dan blijft echter het risico bestaan dat de verlengingsrechter zegt: ik lees hier geen geweldsdelict in, terwijl behandeling van de dader wenselijk zou zijn en een andere rechter er mogelijk wel degelijk een geweldsdelict in had gezien. Acht de staatssecretaris niet toch een wetswijziging voor nodig om duidelijk te maken welke feiten nu voor verlenging in aanmerking komen?

Gelukkig heeft de staatssecretaris ingegrepen. Hij heeft met de Raad voor de Rechtspraak gesproken en die heeft beterschap beloofd. Dat moest ook wel. De raad heeft namelijk 2.400 zaken doorgenomen en dat heeft de raad niet alleen heel veel tijd gekost, het heeft de raad ook doen schrikken, want maar liefst 111 zaken zijn eigenlijk verkeerd behandeld. Van die 111 zaken zijn 52 zaken waarvan de daders nu nog in tbs zitten. Daar hebben we nog enige speelruimte in. Over de andere 59 zaken maken wij ons echter wel zorgen. De staatssecretaris schreef een tijdje geleden dat zes personen in de BOPZ terecht waren gekomen. Ik wil graag de laatste stand van zaken weten. Ik wil weten of er ook mensen op vrije voeten zijn gekomen.

Dan kom ik op de BOPZ. De vraag is of dat een goede oplossing is of dat het een noodverband is. Het is natuurlijk altijd goed als tbs'ers die niet zijn uitbehandeld en die weten dat ze op vrije voeten komen, zelf inzien dat ze verdere begeleiding en behandeling nodig hebben. Als zij dat vrijwillig doen, is dat prima. Dat zijn echter wel de betere gevallen. In de gevallen waar de tbs'ers het niet zien, kun je een machtiging vragen op grond van de BOPZ. Daarvoor gelden echter andere criteria dan voor tbs. Er is ook een ander beveiligingsregime. Weglopen is wat makkelijker, en er zijn psychiatrische aandoeningen waarbij je je een half jaar goed kunt gedragen en als je dan op vrije voeten komt — de tbs wordt dan immers niet verlengd, omdat daar andere criteria voor gelden — kom je in een situatie terecht van geen werk, geen huis, geen begeleiding en kan het weer vreselijk misgaan. Het is dus een noodverband. Het is goed dat de staatssecretaris dat probeert, maar mijn vraag is of hij ook nog andere oplossingen heeft voor dit soort gevallen.

De reclassering heeft een begeleidende rol, maar kan die alleen maar uitvoeren op basis van een beschikking van de rechter. Wat gaan we doen met tbs'ers die te vroeg vrijkomen? Gaat de staatssecretaris nog bevorderen dat de reclassering wordt ingeschakeld, ook om te voorkomen dat mensen terugvallen in hun gedrag? Kortom, ik wil graag van de staatssecretaris weten wat zijn passende oplossing is voor de dingen die de andere woordvoerders en ik geschetst hebben. Ik wil met name weten of er mensen op vrije voeten zijn gekomen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Voorzitter. Ook de fractie van D66 schrok van het bericht dat vele terbeschikkinggestelden mogelijk voortijdig op vrije voeten zouden komen. We hebben het daarbij immers over een categorie misdadigers die met reden in een tbs-kliniek zijn opgenomen. Het gaat om plegers van zeer ernstige geweldsmisdrijven, om misdadigers tegen wie we de samenleving willen beschermen.

Wat is hier misgegaan? De wet schrijft voor dat de rechter die tbs oplegt, expliciet aangeeft of er sprake is van een geweldsdelict. Het gaat immers over een ingrijpend dwangmiddel, dus behoeft dat motivering. Maar Nederlandse rechters doen dat in de praktijk onvoldoende nauwkeurig. Laat ik hier nog eens expliciet zeggen dat je dit laatste het Europese hof niet kunt verwijten. Het Europese hof houdt Nederland juist stevig bij de les. Dat is niet onbelangrijk voor een land dat zeer hecht aan fundamentele waarden en dat ook pretendeert over de grens een voorbeeldfunctie te hebben. Bovendien is de oplossing simpel. Rechters in Nederland, zorg ervoor dat je voortaan wél nauwkeurig motiveert!

Het Gerechtshof Arnhem heeft de consequenties al wat weten te verzachten. In geval van evidente geweldsdelicten is verlening van tbs mogelijk. Daarmee blijven in ieder geval de meest ernstige zaken binnenboord. De Hoge Raad biedt hier ook uitkomst. Als een opleggingsrechter in eerste instantie niet expliciet heeft gemotiveerd, heeft de verlengingsrechter een zekere vrijheid om toch tot verlenging van tbs te besluiten. Daarmee heeft de rechtspraktijk zelf een praktische oplossing geformuleerd.

Ik vraag de staatssecretaris of hij daarnaast concrete afspraken heeft gemaakt met de Raad voor de rechtspraak over expliciete motivering, zodat we dit soort situaties in de toekomst kunnen voorkomen. Want het gevolg is ondertussen wel dat in 111 gevallen de tbs mogelijk niet kan worden verlengd. Weet de staatssecretaris ondertussen hoeveel tbs'ers te vroeg op vrije voeten zullen komen? In 59 gevallen is de grens van maximale tbs zonder velenging al bereikt. Is inmiddels bekend wat er met die 59 gevallen gaat gebeuren?

De staatssecretaris verwijst naar alternatieven om de tbs'ers vast te houden. Kan hij daarop wat uitgebreider ingaan? De Wet BOPZ wordt bijvoorbeeld genoemd, maar daarbij gaat het om een civiele maatregel. Hoe verhoudt zich dat tot de strafrechtelijke titel op grond waarvan de dwangbehandeling aan de orde was? Zo'n opneming geldt voor een halfjaar. Hoe vaak kan die maatregel worden verlengd? Welke waarborgen zijn er dat daarbij geen rechterlijke omissies plaatsvinden waardoor we in dezelfde situatie belanden?

Een civiele maatregel brengt ook kosten met zich mee. De staatssecretaris wil de eerste zes maanden betalen. Over welk bedrag hebben we het dan? Hoe ondervangt hij deze incidentele kostenpost straks op de begroting? De zorgverzekeraars zullen vervolgens de kosten voor hun rekening moeten nemen. Ik vraag de staatssecretaris of daarover al concrete afspraken zijn gemaakt.

Wat betekent dit alles voor de samenleving? Deze 111 tbs'ers hebben slachtoffers op hun geweten. Die slachtoffers en de samenleving worden straks geconfronteerd met de vrijlating van tbs'ers die veel leed hebben toegebracht. Het is goed dat de slachtoffers en de burgemeesters worden geïnformeerd, maar het blijft natuurlijk een wrange situatie. Is in een aantal gevallen extra bescherming van slachtoffers aan de orde en, zo ja, wordt daarin dan ook voorzien? Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om tbs'ers die toch op vrije voeten komen en niet via andere wegen kunnen worden opgenomen, toch in een begeleidingstraject te krijgen? Wordt bijvoorbeeld met de reclassering of de ggz gesproken over vrijwillige extramurale begeleiding?

Tot slot merk ik op dat een aantal tbs'ers een schadeclaim hebben ingediend. Wij horen dat advocaten mogelijk zullen proberen om tbs'ers uit de kliniek te krijgen. Hoeveel claims en vorderingen heeft het Openbaar Ministerie ontvangen en wat zal er met deze claims gebeuren?

De heer Marcouch (PvdA):

Voorzitter. Ook de fractie van de Partij van de Arbeid koestert het tbs-systeem. Dat is een systeem waarin criminelen die ernstige feiten plegen en die ook ziek zijn, niet alleen worden opgesloten maar ook worden behandeld. Op die manier kunnen zij geresocialiseerd terugkomen in de samenleving. De veiligheid van de samenleving wordt daarbij centraal gesteld. Ook mijn fractie schrok van het bericht dat er zo'n 111 tbs'ers voortijdig zouden worden vrijgelaten. Ik zie de staatssecretaris twijfelen over het aantal; ik hoor daarover straks graag meer. Wij hebben dit al eerder aan de orde gesteld tijdens het vragenuur. Toen was de uitspraak van de Hoge Raad nog niet aan de orde. Het was schrikken. Tbs'ers zijn immers gevaarlijke en krankzinnige criminelen die niet op straat horen te zijn als ze nog behandeld moeten worden. Als zij voortijdig vrij zouden komen, alleen vanwege een omissie, een tekortkoming in een eerdere rechterlijke uitspraak, dan zou dat kwalijk zijn. In die zin complimenteren wij de staatssecretaris met zijn actie. Ik ben het met de heer Van der Steur eens. Als er iets aan de hand is, moet je handelen en niet gaan zitten afwachten. Dat heeft de staatssecretaris wat ons betreft prima gedaan.

De taskforce heeft het probleem in kaart gebracht. De uitspraak van de Hoge Raad afgelopen februari maakte vervolgens duidelijk dat de problematiek binnen de perken blijft. Dat stelt ons enigszins gerust. Om definitief gerustgesteld te worden, heb ik nog een aantal vragen aan de staatssecretaris. Voor een deel zijn ze al gesteld door collega's, maar voor het gemak herhaal ik ze even. In hoeveel van de aanvankelijk 111 tbs-gevallen die bijzondere aandacht behoeven kan de rechter de tbs nog verlengen? Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om tbs'ers die op grond van de uitspraak van het Europees Hof vrijgelaten moeten worden, toch in de gaten te houden?

De BPOZ is net aan de orde gesteld. Welke kansen biedt deze wet, inclusief de daarbij behorende trajecten? Ik begrijp dat de reclassering een aantal ideeën heeft geopperd over interveniëren alvorens tbs'ers eventueel vrij te laten. Dat kan door psychiatrische instellingen te contacteren die met tbs'ers in contact kunnen treden om hen vervolgens te begeleiden en teruggeleiden naar de samenleving. Op die manier kan het toezicht georganiseerd worden. Wat vindt de staatssecretaris van deze voorstellen van de reclassering?

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter. De staatssecretaris heeft gelijk dat het in het geval van die 111 niet om kruimeldieven gaat. Het is een serieuze zaak. Hoeveel van de 59 tbs'ers die langer dan vier jaar zitten, hebben inmiddels een verzoek gedaan tot invrijheidstelling? Kan de staatssecretaris vertellen hoeveel tbs'ers door deze ontwikkeling daadwerkelijk te vroeg op straat zijn gekomen?

De ongewenste vervroegde invrijheidstelling brengt meerdere problemen met zich mee. Allereerst zijn er slachtoffers die het risico lopen dat ze vervroegd oog in oog staan met de dader. Hoeveel slachtoffers heeft de staatssecretaris inmiddels moeten informeren over deze ontwikkeling?

Ik sluit aan bij wat collega Oskam zei over het gebruikmaken van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. De staatssecretaris wil voorkomen dat mensen vervroegd terugkeren in de samenleving. De grondslag voor deze wet is echter anders. Brengt een beroep op deze wet geen risico's met zich mee?

Wij hebben het over 111 tbs'ers. Heeft de staatssecretaris in beeld hoeveel van hen daadwerkelijk naar buiten zijn gegaan? Is de omvang van het probleem werkelijk beperkt tot die 111? De brief verschaft hierover geen helderheid. Het lijkt mij stug dat de staatssecretaris hierover onwetend wil blijven. Een en ander is nu gebaseerd op een interpretatie van het Arnhemse hof. De staatssecretaris schrijft dat het vrijkomen van tbs'ers het gevolg is van de jurisprudentie van het Europees Hof. Nu wordt mijn fractie weleens eurosceptisch genoemd — dat verwijt krijgen wij wel eens — maar ik denk dat hier echt te snel met de vinger naar Europa wordt gewezen. Ik zei het net al in het interruptiedebatje met collega Van der Steur. De oorzaak ligt in het ontbreken van de motivatie van de rechter dat de tbs-maatregel wordt opgelegd voor een geweldsdelict. Dat vraagt onze eigen wet. Dit probleem werd in 2011 al door de Taskforce TBS genoemd: "Bij het onderzoek is de taskforce gebleken dat over het algemeen wel wordt voldaan aan de motiveringsverplichting, maar dat die bijzondere motivering soms ook achterwege blijft." Wat is er destijds met die constatering gebeurd? Zijn er maatregelen getroffen en hoe lang was dit al bekend op het ministerie? Wat maakt dat de staatssecretaris nu wel denkt dat er in alle gevallen adequaat wordt gemotiveerd?

Wie de cassatie van de Hoge Raad heeft gelezen — ik citeerde dit net al — zal hebben gezien dat de advocaat-generaal een relatief eenvoudige wetswijziging suggereert om deze problemen in het vervolg te voorkomen. Pakt de staatssecretaris deze handschoen op? Is hij bereid deze maas in de wet te dichten?

Het is zeer ernstig dat tbs'ers vrijkomen omdat de zaken niet op orde waren. Het is ernstig omdat de kans op ongelukken bij terugkeer groot is. Het is ernstig omdat tbs'ers zelf de behandeling soms niet hebben afgerond. Het is ernstig omdat slachtoffers ontijdig oog in oog kunnen komen te staan met de dader. Het is ook ernstig omdat dit soort berichten het vertrouwen in de rechtsstaat ondermijnt. Ik hoor graag van de staatssecretaris hoe lang het probleem al bekend was, wat nu de omvang is en hoe snel hij met een reactie komt op suggesties uit het veld, zoals die van de advocaat-generaal, om dit in het vervolg te voorkomen.

De heer De Wit (SP):

Voorzitter. Het gaat vandaag over de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de duur van de tbs in die gevallen dat de rechter die de tbs heeft opgelegd niet expliciet heeft overwogen dat het gaat om een geweldsdelict. Deze uitspraak, zo blijkt uit het onderzoek van de staatssecretaris, kan betrekking hebben op mogelijk 111 tbs'ers en kan ook gevolgen voor hen hebben. Een recent arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2013 maakt duidelijk dat het minder ernstig is. De verlengingsrechter krijgt meer ruimte, in het bijzonder om zelf te bepalen of sprake is geweest van een geweldsdelict. Ik heb in het kort zes vragen. Ze zijn voor een deel al aan de orde geweest, maar ik loop ze toch nog even na.

1. Hoe heeft dit zo fout kunnen gaan? Artikel 38e WvS is duidelijk. Er moet sprake zijn van een geweldsdelict om de tbs langer dan vier jaar te laten duren. Is het nu echt zo simpel dat de rechter niet in de wet heeft gekeken en hoe komt dat? Is dit slordigheid? Is dit werkdruk? Is het tijdgebrek? Hadden zij als zij de vonnissen beter gemotiveerd hadden, niet direct moeten inzien dat het niet klopte? Tijdens een mondeling vragenuur heb ik vragen gesteld over dat motiveringsgebrek. Het antwoord van de staatssecretaris was toen niet naar mijn tevredenheid en daarom kom ik er nu op terug.

2. Kan het nu nog voorkomen? Is de motivering nu wel adequaat? Hoe wordt daarop toegezien? Geeft de uitspraak van de Hoge Raad naar aanleiding van de cassatie in het belang der wet de verlengingsrechter nu wel voldoende ruimte? Is het nu zo dat de verlengingsrechter zelf aan de hand van de feiten en de omstandigheden van het delict mag bepalen of er sprake is van een geweldsdelict, ook als de opleggingsrechter daaraan geen aandacht heeft besteed?

3. Wat moet er worden gedaan met mensen van wie de tbs niet kan worden verlengd, terwijl dat wel wenselijk zou zijn vanuit behandelingsperspectief, en die toch op straat komen? Hoeveel zijn dat er nu? Zijn de belangen van de slachtoffers gewaarborgd? Worden zij tijdig geïnformeerd en zo nodig extra beschermd? Kunnen deze ex-tbs'ers worden toegeleid naar zorg? Is de aansluiting voldoende geregeld? Ik denk daarbij aan zowel de vrijwillige als de gedwongen behandeling. Hoe gaat dat nu?

4. Ik heb ook een vraag over de kosten van de rechterlijke machtiging. Normaal financieren de zorgverzekeraars deze civiele maatregelen, zoals plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Waarom heeft Justitie in dit geval besloten, de eerste zes maanden te financieren? Ik begrijp niet waarvoor dat nodig is. Graag krijg ik een nadere toelichting van de staatssecretaris.

5. Welke rol ziet de staatssecretaris voor de politie en in het bijzonder voor de reclassering als het onverhoopt niet lukt om mensen naar de juiste zorg en een beveiligde setting te leiden? Mij is namelijk gebleken dat de reclassering zelf ideeën erover heeft om mensen in de gaten te houden, te motiveren en zich te laten behandelen.

6. Als mensen onvoorbereid vrijkomen, is dat een extra risico. Als iemand plompverloren zonder begeleiding vrijkomt, is het risico op recidive groter. Precies daarom dringt mijn fractie al heel lang aan op begeleiding en geleidelijke terugkeer, ook bij een eventuele contraire beëindiging. De staatssecretaris kent dit probleem. Nu is geen sprake van een contraire beëindiging waarbij de adviseurs adviseren om de tbs niet te beëindigen, maar de rechter dat toch doet. Toch is het probleem naar mijn idee vergelijkbaar. Is er nog steeds geen wettelijke bepaling die hiervoor gebruikt zou kunnen worden? Ik denk daarbij aan artikel 509t, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, dat gaat over de voorwaardelijke beëindiging. Kan de staatssecretaris hierop ingaan en bezien of voorwaardelijke beëindiging van de tbs, waarmee reclasseringstoezicht meteen geïndiceerd wordt, mogelijk is?

De vergadering wordt van 15.32 uur tot 15.39 uur geschorst.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Ik dank de leden voor hun inbreng over dit belangrijke onderwerp. Het debat is aangevraagd door mevrouw Helder, maar het onderwerp is op de kaart gezet door de heer Oskam die er op 2 oktober 2012 aandacht voor heeft gevraagd. Hij heeft toen vragen gesteld over de consequenties van de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. De heer Oskam vroeg of er vergelijkbare gevallen waren waarin mogelijk sprake zou kunnen zijn van gemaximeerde tbs zodat de tbs-gestelde in vrijheid moest worden gesteld. Ik verwijs hiervoor naar de Handelingen van de Tweede Kamer, 2012-2013,7. Dat was het eerste moment dat hierover werd gesproken in de Kamer. Ik heb toen een inventarisatie van vergelijkbare gevallen toegezegd; daar is de taskforce uit voortgekomen. Er was een termijn voor de beantwoording van de vragen van het geachte lid Oskam. Ik heb op een gegeven moment contact met hem opgenomen om te zeggen dat wij dat niet zouden redden en dat wij meer tijd nodig hadden. De heer Oskam heeft daar toen in bewilligd. Ik zeg hem daarvoor nogmaals dank, want dit betekende dat wij op enig moment ook een compleet overzicht hadden. Dus het lid van de Kamer dat deze zaak als eerste heeft opgemerkt, was de heer Oskam, niet meer en niet minder.

Mevrouw Helder heeft over dit onderwerp vragen gesteld op 31 januari 2013. Zij is dat ongetwijfeld vergeten, maar ik wil haar daar nog eens aan herinneren. Bij de heer Van der Steur vielen de oren van het hoofd. Dat overkomt mij als staatssecretaris niet zo snel, maar ik kreeg nu het idee dat er nog wat gevonden moest worden door mevrouw Helder. Ik citeer de vragen die zij op 31 januari heeft gesteld. Vraag 1 luidt: "Deelt u de mening dat de Nederlandse burger het recht heeft om te weten hoeveel gevaarlijke nog niet uitbehandelde ter beschikkinggestelden (tbs'ers) door de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Van der Velden nu vrij rondlopen?" Dit impliceert toch een beetje dat daar staat: aan het werk staatssecretaris, niet op je lauweren blijven rusten, ook niet na de uitspraak van 8 november van het Hof in Arnhem die door mevrouw Helder wordt aangehaald.

Vraag 2 van mevrouw Helder luidt: "Bent u bereid een onderzoek in te stellen naar alle gevallen waarbij de rechter rekening heeft gehouden met de uitspraak van het EHRM in de zaak Van der Velden die niet door de taskforce zijn meegenomen, omdat ze bijvoorbeeld (exact) op 26 november 2012 of kort daarvoor zijn gewezen? Zo nee, waarom niet?" Er wordt met geen woord gezegd dat het onzin is dat er een taskforce is ingesteld.

Vraag 3 luidt: "Deelt u de mening dat ten behoeve van de veiligheid van de maatschappij en vooral ten behoeve van de slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven alle cijfers hierover boven tafel moeten komen?"

De essentie van die vragen is naar mijn mening: staatssecretaris, kom op, hupsakee aan het werk. Mevrouw Helder en ik zijn het soms niet met elkaar eens, maar ik begrijp haar altijd wel. Vandaag lijkt zij echter de plank een beetje mis te slaan. Zij heeft mij echt aan het werk willen zetten en ik kan het niet anders zien dan dat ook de PVV-fractie van mening was dat er een taskforce moest komen. Genoeg daarover, maar ik wijs erop dat niet is gezegd dat wij een heleboel onzin in het leven moesten roepen of veel onrust moesten veroorzaken. Sterker nog, het was precies zoals de heer Oskam zei in oktober 2012: wij moeten die onrust wegnemen. Dit betekent dat wij een duidelijk inzicht moeten krijgen. Vervolgens is het de vraag hoe wij dit probleem gaan oplossen. Ik wil er toch even aan refereren dat op 31 juli 2012 het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft gesteld dat in een individuele zaak van een tbs-gestelde de tbs, na een periode van vier jaar, ten onrechte was verlengd. Op grond van de Nederlandse wetgeving duurt de tbs in principe maximaal vier jaar, tenzij er sprake is van een geweldsdelict. In dat geval moet dat echter wel duidelijk blijken uit het vonnis van de rechter die de tbs heeft opgelegd. In het genoemde vonnis was dat niet het geval en toch was de tbs na een periode van vier jaar verlengd. Dit vonnis is vervolgens nader uitgelegd door het gerechtshof in Arnhem. Het gerechtshof kwam tot de conclusie dat er wel degelijk sprake kan zijn van ongemaximeerde tbs indien het gaat om een evident geweldsdelict, ook in die gevallen waarin de rechter dat in het oorspronkelijke vonnis niet met zo veel woorden had verwoord. Ik heb de Kamer gemeld dat er door de advocaat-generaal bij de Hoge Raad tegen die beslissing van het gerechtshof op enig moment cassatie in het belang der wet was ingesteld. Ik verwijs daarvoor ook naar de Handelingen.

Vervolgens heb ik de Raad voor de rechtspraak gevraagd te laten onderzoeken hoeveel zaken er in het licht van die jurisprudentie nader zullen worden bekeken. Het gaat dan om de jurisprudentie die er op dat moment was. Daarvoor is de taskforce ingesteld en die kwam tot de conclusie dat het mogelijk om 111 zaken ging. Die woorden zijn hier vandaag ook door anderen gebruikt. In die zaken was er geen sprake van een evident geweldsdelict en de rechter die de tbs had opgelegd, heeft in het vonnis ook niet gemotiveerd dat er volgens hem sprake was van een dergelijk delict. In het verleden is weleens de situatie voorgesteld dat het ging om mensen die de zwaarste categorie delicten hebben gepleegd, zoals moord, doodslag en verkrachting. Voor alle duidelijkheid, en het is wel belangrijk om dat hier vandaag te zeggen: daar ging het niet om. Het ging om mensen die waren veroordeeld voor delicten zoals bedreiging, diefstal met bedreiging, afpersing met bedreiging en in één geval zou er sprake kunnen zijn van brandstichting. De heer Oskam refereerde daar ook aan.

Ik heb het rapport van de taskforce met mijn reactie daarop op 30 januari 2013 naar de Kamer gestuurd. In de brief heb ik duidelijk gemaakt zorgvuldige maatregelen te treffen om zo goed mogelijk om te gaan met die situaties waarin, als gevolg van de uitspraak van het EHRM, de tbs niet meer kon voortduren waardoor de betrokkene eerder dan beoogd in vrijheid is gesteld. De brief van 30 januari ging vooraf aan de uitspraak die vrij snel daarna kwam, maar dat wisten we toen nog niet. Ik heb toen eveneens gezegd dat, indien uit de geneeskundige verklaring blijkt dat de betrokkene op grond van zijn stoornis gevaar kan veroorzaken, het OM een machtiging van de civiele rechter zal vragen om de betrokkene op grond van de BOPZ te laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis. Ik zal zo direct vertellen in welke zaken dat heeft gespeeld. Daarnaast worden slachtoffers en burgemeesters tijdig geïnformeerd als mensen vrijkomen. Dat is ook gebeurd. Vanzelfsprekend is dat door de rechterlijke macht al ingezet. De heer Segers refereerde daar al aan. Ook in 2011 heeft de rechterlijke macht, de Raad voor de rechtspraak, in overleg met de gerechtsbesturen maatregelen genomen die ervoor zorgen dat de vonnissen altijd goed worden gemotiveerd. Dat was de stand van zaken van eind januari 2013. Meer kon ik op dat moment niet doen, want we moesten de beslissing van de Hoge Raad afwachten. Wel was het, naar aanleiding van de gesprekken met de Kamer en de vragen die over dit onderwerp door de heer Oskam zijn gesteld, helemaal in lijn met wat ik van de zijde van de regering met de Kamer heb gedeeld.

We zijn nu zeven maanden verder en de situatie is ten opzichte van 30 januari wezenlijk veranderd. Laat ik maar meteen zeggen dat er op dit moment geen probleem meer is. Waarom niet? Op 12 februari jongstleden heeft de Hoge Raad naar aanleiding van het cassatieverzoek de beslissing van het gerechtshof Arnhem van 1 oktober 2012 vernietigd, de uitspraak van het EHRM nader uitgelegd en geoordeeld dat het gerechtshof Arnhem een te beperkte uitleg had gegeven aan de uitspraak. Anders dan het gerechtshof Arnhem, ook in latere beslissingen, overweegt de Hoge Raad dat de verlengingsrechter mede op grond van andere dan in het vonnis vermelde gegevens door interpretatie van het oordeel van de opleggingsrechter, tot het oordeel komt dat er sprake is van een geweldsmisdrijf. Die ruimte is er ook en dat is tegelijkertijd het antwoord op de vraag van de heer Segers. De Hoge Raad gaat eigenlijk wat verder dan de advocaat-generaal bij de Hoge Raad en zegt dat de verlengingsrechter zelf ook wel degelijk interpretatieruimte heeft. Als er sprake is van verlenging, kan de verlengingsrechter daarbij alle relevante omstandigheden van het geval van dat moment in aanmerking nemen. Geen rechtsregel, zo zegt de Hoge Raad, staat eraan in de weg dat de verlengingsrechter het oordeel dat er sprake was van een geweldsmisdrijf, besloten kan achten in het vonnis van de opleggingsrechter. Dat geldt ook als de opleggingsrechter niet zo heeft gemotiveerd als de wetgever dat in eerste instantie heeft bedoeld. De verlengingsrechter heeft dus wel degelijk de mogelijkheid om te repareren.

Op 28 februari jongstleden, dus twee weken na de uitspraak van de Hoge Raad, heb ik in antwoord op de schriftelijke vragen van mevrouw Helder over het onderzoeksrapport Taskforce TBS gewezen op deze uitspraak van de Hoge Raad. Verder heb ik de verwachting uitgesproken dat met het arrest van de Hoge Raad de mogelijkheden zijn toegenomen om in de zaken die volgens het onderzoek van de taskforce nadere aandacht vragen, na een periode van vier jaar toch verlenging van de tbs-maatregel te krijgen. De verwachting die ik had bij de beantwoording van de Kamervragen wordt bevestigd in de uitspraken die sindsdien zijn gedaan. Mede als gevolg van het arrest van de Hoge Raad is het aantal gevallen waarin de tbs daadwerkelijk voortijdig moest worden beëindigd, beperkt gebleven.

In mijn brief van 30 januari heb ik vermeld dat er als gevolg van de uitspraak van het EHRM op dat moment zes zaken waren waarin de tbs onherroepelijk was beëindigd. Dat waren er zes van de 111. In al die zes gevallen is aansluitende nazorg geregeld. Sinds de brief van 30 januari, maar voor 13 februari van dit jaar, het laatste moment, hebben zich nog vijf zaken voorgedaan. In totaal spreken we dus over elf zaken waarin de tbs onherroepelijk is beëindigd als gevolg van de jurisprudentielijn van het gerechtshof in Arnhem. Slecht één van de elf zaken is na het arrest van de Hoge Raad van 12 februari beëindigd, maar dat deed zich voor op 13 februari, dus één dag na de uitspraak van de Hoge Raad. In het kabinet en op de departementen is men ervan overtuigd dat het maar de vraag was of het besef dat de Hoge Raad een dag eerder de mogelijkheid van reparatie had aangegeven, in deze uitspraak voldoende was doorgevoerd. In elf zaken heeft het genoemde zich dus voorgedaan. 13 februari 2013, één dag na de uitspraak van de Hoge Raad, is het laatste moment geweest waarop geen verlenging meer heeft plaatsgevonden. In alle andere zaken na 13 februari is geen sprake meer geweest van niet-verlengen en is er ook geen probleem.

Mevrouw Van Tongeren vroeg gisteravond in het debat of we allemaal weten over welk probleem we spreken. Het standpunt van het kabinet is dat we in dezen na 13 februari 2013 geen probleem meer hebben. Dat is ook het antwoord op de vraag van de heer Segers. We zien dat de verlengingsrechter in de praktijk de uitspraak van de Hoge Raad volgt en dat er ook wordt gerepareerd.

Enkele Kamerleden hebben gevraagd wat er nu in de genoemde elf zaken aan de hand is. In twee van deze zaken is een rechterlijke machtiging aangevraagd en verkregen. In twee zaken heeft de betrokkene ervoor gekozen op vrijwillige basis ambulante begeleiding voort te zetten. In twee andere zaken waren er geen gronden voor een rechterlijke machtiging en heeft de betrokkene ondanks alle inspanningen alle vervolgzorg geweigerd. Dat heeft echter niet geleid tot een incident. In de afgelopen zes maanden — daar wil ik toch wel heel duidelijk over zijn — heeft er dus geen beëindiging meer plaatsgevonden als gevolg van de uitspraak van het Europese Hof. Sinds het arrest van de Hoge Raad zijn er dus geen gevallen meer bekend waarin de penitentiaire kamer van het hof Arnhem de verlenging van de tbs heeft afgewezen enkel vanwege een geslaagd beroep op het arrest in de zaak Van der Velden, waar de heer Oskam en de regering over hebben gesproken.

Mochten zich nu toch nog individuele zaken voordoen waarin de tbs niet kan worden verlengd terwijl het met het oog op de veiligheid in de samenleving wel nodig is de behandeling te continueren, dan zal de inzet gericht blijven op het verkrijgen van een rechterlijke machtiging ten behoeve van de opname in het psychiatrisch ziekenhuis. Dit zijn de algemene opmerkingen die ik even wilde maken. Ik kom nu op de specifieke vragen die na deze algemene opmerkingen resteren. Mevrouw Helder maakte ook een aantal opmerkingen. Laat ik namens het kabinet zeggen dat ik "taskforcecircus" echt een ongepaste uitlating vind, zeker na de goede discussie die we in oktober 2012 hebben gehad in de Kamer en na de vragen die de fractie van de PVV zelf heeft gesteld.

Verder vroeg mevrouw Helder waarom de zaak niet aan de Grote Kamer wordt voorgelegd. De regering heeft dit bezien en overwogen of het een kansrijke zaak oplevert als deze aan de Grote Kamer wordt voorgelegd. Een zaak kan daar niet zomaar aan worden voorgelegd; daartoe moet een verwijzingsverzoek worden ingediend. Het is de Kamer bekend dat dit zelden wordt ingewilligd. Maar dit is dus binnen het kabinet besproken. In dit geval werd de indiening van een verwijzingsverzoek weinig kansrijk geacht, omdat werd gesteld dat de eerste uitspraak unaniem was. Hoewel, er staat wel in mijn stukken dat deze unaniem was, maar mijzelf staat bij dat een Liechtensteins lid van de kamer en rechter van het Europees Hof op dit punt een dissenting opinion had. In ieder geval was er sprake van een grote mate van overeenstemming over de constatering van schending van verweer, met een verwijzing naar de relevante nationale wetgeving en in het bijzonder de wetsgeschiedenis. In die zin klopte het wat mevrouw Berndsen zei in haar inbreng, dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens helemaal niets kan worden verweten. Naar het oordeel van het Nederlandse kabinet is er ook geen sprake van een fout in de Nederlandse wet, maar van een fout in uitleggende zin, en wel in die zin dat er gewoon goed moet worden gemotiveerd. Dat is wat er aan de hand is. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het de bedoeling van de wetgever was dat de opleggingsrechter bepaalt of er sprake van een gemaximeerde of ongemaximeerde tbs is. Om die reden heeft het Europees Hof geconstateerd dat de uitspraak van het gerechtshof Arnhem niet conform de wettelijke procedure was. In de richting van mevrouw Helder zeg ik dat die redenering op zich voor het kabinet niet onnavolgbaar was. De kans dat een verzoek om herbeoordeling door de Grote Kamer in behandeling zou worden genomen, werd als verwaarloosbaar gezien. Achteraf is de weg via cassatie in het belang der wet ook veel vruchtbaarder gebleken dan de weg van de Grote Kamer.

De heer Van der Steur heeft een aantal vragen gesteld die onderwerpen raakten die geen basaal onderwerp vormen van het debat van vandaag. Ik wil daar kort iets over zeggen, eerst over de vergelijkingen tussen klinieken. De Kamer heeft van mij nog het rapport tegoed van het WODC, dat op dit moment bezig is met vergelijkingen tussen tbs-klinieken. Ik verwacht dat ik dit voor eind september naar de Kamer kan sturen, dus vóór het eind van deze maand. Daaruit zal duidelijk blijken hoe de vergelijking per kliniek is. Ik kan nu al zeggen dat dit jaar het aantal van ongeoorloofde afwezigheid per kliniek is vastgesteld. Daaruit is gebleken dat geen van de klinieken statistisch is oververtegenwoordigd. In de richting van de heer Van der Steur zeg ik wel dat er enkele fpc's zijn met een groter aantal verlofmachtigingen en tevens een hoger aantal van ongeoorloofde afwezigheid. Dat zijn de fpc's die de heer Van der Steur noemde: De Rooyse Wissel, Dr. S. van Mesdag en Veldzicht. Die klinieken hebben specifieke maatregelen genomen om de ongeoorloofde afwezigheid terug te brengen. Voorbeelden daarvan zijn de invoering van speciale teams voor het begeleiden van de verloven, het verminderen van de caseload en verscherping van het toezicht.

De heer Van der Steur heeft mij verder gevraagd over Oldenkotte. Er is nu maandelijks contact tussen mijn medewerker, de directeur forensische zorg, en de kliniek. Er wordt geïnvesteerd in deskundigheid op het terrein van sociale en seksuele problematiek. De forensische scherpte is naar aanleiding van het afschuwelijke gebeuren nog eens goed en nadrukkelijk onder de aandacht van de kliniek gebracht. Er is sprake van extra training. Er zijn extra stappen gezet in de beoordeling en voorbereiding van verloven in de kliniek.

Een aantal leden vroeg hoe het staat met de ongeoorloofde afwezigheid. Ter informatie over het jaar 2013 het volgende. Dit is dus de stand van zaken over de eerste zes maanden, tot 1 juli van dit jaar. In het eerste halfjaar van 2013 is een ongeoorloofde afwezigheid achttien keer voorgekomen. Die zijn allemaal beëindigd. Er zijn geen ontvluchtingen geweest. In één geval was er sprake van recidive op het gebied van ongeoorloofde afwezigheid. Dat was een ongeoorloofde afwezigheid op 4 januari van dit jaar, vrij vroeg dus, bij de Kijvelanden. Dat was die gebeurtenis daar.

De heer Van der Steur heeft gevraagd waarom tbs-gestelden een telefoon hebben. Elke patiënt die op onbegeleid verlof gaat, dient in het bezit te zijn van een mobiele telefoon om elke onvoorziene situatie terstond aan de kliniek te kunnen melden, waaronder vertragingen van het openbaar vervoer.

De heer Van der Steur vroeg of tbs-gestelden met een smartphone kunnen gaan en staan waar zij willen, zoals het Algemeen Dagblad meldde. Nee, dat is niet het geval. Aan de wijze van toekenning van een machtiging voor onbegeleid verlof verandert ook niets. Dit wordt nog steeds zorgvuldig en gefaseerd opgebouwd. Dit gebeurt aan de hand van risicotaxaties. Als de risico's te groot zijn, wordt er geen verlof toegekend. In de regel worden aan het verlof verschillende voorwaarden verbonden. De inzet van de smartphone, waar de heer Van der Steur aan refereerde, dient als extra controle, onder meer op de naleving van de voorwaarden. Door de nieuwe techniek van de smartphone is het mogelijk om meer gedetailleerde informatie te verschaffen over de actuele verblijfplaats van de tbs-gestelde en kun je de tbs-gestelde beter controleren. In die zin snijdt het mes aan twee kanten.

De heer Van der Steur (VVD):

Ik geef natuurlijk onmiddellijk toe aan de staatssecretaris dat die argumentatie sluitend is. Dat is natuurlijk waar. Dat heb ik ook zo gelezen. Het blijft echter wel een feit dat een groot aantal van de mensen in de tbs zedendelinquenten zijn. Zij zijn voor een groot deel in de tbs terechtgekomen omdat zij bijvoorbeeld kinderporno of andere vormen van plaatjes tot zich hebben genomen. In mijn oren blijft het heel raar klinken dat we dat soort groepen criminelen of delinquenten — hoe je hen maar wil noemen — vervolgens uitrusten met het instrument dat ze gebruikten om terecht te komen waar ze zitten. Dat blijft raar klinken, maar ik gun het de staatssecretaris om hiervoor met een pilot te komen. Ik voorspel de staatssecretaris echter dat het niet geheel uitgesloten is dat zich zeer onwenselijke situaties kunnen voordoen, als het gaat om een gewone smartphone zoals we die allemaal kennen. Ik vraag me af of de staatssecretaris dat voor zijn rekening wil nemen.

Staatssecretaris Teeven:

Dat is in de beoordeling meegenomen. Hierin is ook de wens van de Kamer — het was overigens ook mijn wens —meegenomen dat, als er sprake is van onttrekkingen of subsidiaire ontvluchtingen, alle middelen voor opsporing zo effectief mogelijk worden ingezet en dat mensen zo snel mogelijk terug zijn in de kliniek. Het bezit van zo'n smartphone vergroot de mogelijkheden hiervoor. We hopen wel dat die persoon die smartphone dan niet in het water gooit.

De heer Van der Steur (VVD):

Precies! Dat is juist de zorg van de VVD-fractie. Als ik zou proberen te ontvluchten, zeker in dat geval, zou ik die smartphone onmiddellijk in het water gooien, zoals de staatssecretaris suggereert. Als je echter een enkelband hebt met gps-verbinding, wordt het leven al heel wat lastiger. Ook daar kom je in theorie van af, maar dan is de waarschuwing al daar, terwijl er geen waarschuwing is als de smartphone in het water is. De voorkeur van de VVD-fractie gaat in het geval van ontvluchtingen dus uit naar een situatie dat iemand een enkelband heeft met gps-verbinding. Hierdoor weet je realtime altijd waar iemand is. Dat lijkt mij heel wat praktischer dan een smartphone waarmee je ook nog een foto's kunt maken van kinderen.

Staatssecretaris Teeven:

Het is een mooie suggestie van de heer Van der Steur. We hebben er eerder over gesproken. Mensen die nog een enkelband met gps-baken nodig hebben, zouden eigenlijk helemaal geen verlof moeten krijgen. Dat is natuurlijk het basale verhaal. Mensen moeten op enig moment onbegeleid verlof krijgen. De vraag is welke inbreuk je dan gewenst vindt. Op enig moment zal die enkelband ook eraf moeten, of we dat nu leuk vinden of niet. Op de dag dat de tbs wordt beëindigd, gaat die enkelband er sowieso af. Je kunt er verschillende keuzes in maken. Ik ben blij dat de VVD-fractie mij de pilot gunt, maar ik denk dat de VVD-fractie er ook als eerste bij zal zijn om op mijn schouder te tikken als er incidenten zijn. Die boodschap heb ik goed verstaan.

De heer Van der Steur heeft gevraagd hoe ik verklaar dat 53 tbs-gestelden in totaal 56 maal ongeoorloofd afwezig zijn geweest. In het overgrote deel van de ongeoorloofde afwezigheid gaat het om afspraken in het kader van verloftoekenning die niet of niet geheel worden nagekomen. Het gaat vaak om een tbs-gestelde die te laat terugkeert van verlof, soms ook enkele uren. Dit wordt ook meegeteld bij de ongeoorloofde afwezigheid. De tbs-gestelden hebben een verlofmachtiging die op voorgeschreven wijze is verleend. Als die ongeoorloofde afwezigheid korter is geweest dan 24 uur dan wordt dat verlof tijdelijk opgeschort totdat een FPC aan de Dienst Justitiële Inrichtingen aantoont dat een aanpassing is doorgevoerd. Af en toe komt het voor dat iemand bijvoorbeeld een enkel uur afwezig is geweest. Dan wordt beoordeeld dat je dat eigenlijk niet kunt toerekenen maar het wordt dan wel meegeteld. Dat is dus wel terug te vinden in de staten. Die persoon krijgt de volgende keer dan wel weer de mogelijkheid om met verlof te gaan. Op dat grote aantal van 70.000 verlofbewegingen heeft het in drie gevallen geleid tot deze constatering.

Ik heb op groot aantal vragen van de heer Oskam al geantwoord bij de algemene behandeling. Ik heb al gezegd dat een wetswijziging niet nodig is. Sinds 13 februari blijkt de verlengingsrechter heel goed uit de voeten te kunnen met het arrest van de Hoge Raad en de motivering die daaraan gegeven wordt op dit moment.

De heer Oskam heeft gevraagd hoeveel patiënten een rechterlijke machtiging is opgelegd. Vier patiënten is door de civiele rechter een rechterlijke machtiging opgelegd. Over drie patiënten heb ik de Kamer al geïnformeerd op 30 januari. De vierde patiënt heeft nog een rechterlijke machtiging opgelegd gekregen na de brief van 30 januari. Of een rechterlijke machtiging verlengd kan worden, laat ik uiteraard aan het oordeel van de rechter over.

Verder heeft de heer Oskam gevraagd hoeveel patiënten ingestemd hebben met vrijwillige nazorg. In vier zaken van de elf zaken hebben betrokkenen ervoor gekozen om op vrijwillige basis de ambulante begeleiding voort te zetten.

Dan het punt waaraan de heer Oskam refereerde dat ik het maximale doe om de mensen binnen te houden maar dat ik niet volledig kan uitsluiten dat er mensen vrijkomen. Dat is in de brief al aan de orde geweest. De situatie is inmiddels overigens achterhaald door de gebeurtenissen. Indien een tbs niet meer kan worden verlengd omdat er geen sprake is van een geweldsdelict en betrokken ook niet voldoet aan BOPZ-criteria is er op een gegeven moment geen grond meer om betrokkene tegen zijn wil vast te houden. De klinieken zetten dan in op vrijwillig verblijf of nazorg. Personen die in dat geval in vrijheid worden gesteld, worden dan uiteraard wel gemeld bij burgemeester en politie. Indien nodig kan ook het Veiligheidshuis in de betrokken regio een rol daarin spelen.

Mevrouw Berndsen heeft gevraagd of er concrete afspraken zijn gemaakt met de Raad voor de rechtspraak over een expliciete motivering van het vonnis. De rechterlijke macht heeft dus wel maatregelen genomen om te waarborgen dat de rechter die de tbs-maatregel oplegt in zijn vonnis voortaan gemotiveerd aangeeft of die tbs-maatregel ook wordt opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf. Ook in de richting van de heer Segers zeg ik dat die maatregelen al waren genomen voor de uitspraak van het EHRM, omdat in 2011 op enig moment is gesignaleerd dat de motiveringsvoorschriften niet altijd werden nageleefd. Dus op dat moment zijn er ook al maatregelen genomen.

Mevrouw Berndsen heeft verder gevraagd naar mijn standpunt over het toekennen van schadevergoeding aan terbeschikkinggestelden die te lang vast hebben gezeten, dit als gevolg van een uitspraak van het EHRM. Er zijn op dit moment zestien verzoeken om schadevergoeding binnengekomen die door de Raad voor de rechtspraak zullen worden behandeld. De raad heeft hiertoe de landsadvocaat ingeschakeld. Of er recht op schadevergoeding is, zal afhangen van de individuele omstandigheden van het geval. Een van de omstandigheden is bijvoorbeeld in hoeverre de tbs'er na afloop van de tbs in een BOPZ-traject terecht is gekomen. Ik denk dat ook mevrouw Berndsen begrijpt dat ik daarover geen nadere uitspraken kan doen, anders dan dat ik kan melden dat de raad, bijgestaan door de landsadvocaat, en de advocaten van tbs'ers hierover onderhandelen.

De heer Segers (ChristenUnie):

De staatssecretaris zei zo-even dat in 2011 de problemen al zijn geconstateerd en dat toen al maatregelen zijn genomen. Die zijn dan kennelijk niet afdoende geweest omdat tot en met dit jaar mensen zijn heengezonden.

Staatssecretaris Teeven:

Nee, die conclusie kun je niet trekken, want het betreft ook vonnissen die zijn opgelegd voor 2011 waarbij die zaken werden geconstateerd. Er heeft wel na 2011 een reparatieslag plaatsgevonden. Het betreft vonnissen die voor 2011 zijn opgelegd maar die wel doorwerken na 2011 en die je niet meer kunt repareren na oplegging, omdat ze op dat moment onherroepelijk zijn geworden. Dus dat is het probleem waar men mee zat.

De heer Segers (ChristenUnie):

Na 2011 zijn dus alle vonnissen gemotiveerd en is aangegeven of sprake was van een geweldsdelict? Is dat na 2011, na die constatering van de taskforce, voorgoed gerepareerd en was er inderdaad een na-ijleffect, of is er nog een aantal zaken door de mazen heen geglipt?

Staatssecretaris Teeven:

Het is precies zoals de heer Segers zegt. In 2011 is het geconstateerd. Er zijn toen bij rechters nog zaken door de mazen heen geglipt, maar na de constateringen van 2012 en na het werk van de taskforce, heeft iedereen het nu scherp op het netvlies.

Mevrouw Berndsen vroeg in hoeveel gevallen schadevergoeding is toegekend en om welke bedragen het gaat. In de desbetreffende uitspraak van het Europees hof is aan de persoon op wie de uitspraak betrekking had, een schadevergoeding toegekend. Verder is naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM aan nog geen enkele andere voormalig tbs'er een schadevergoeding toegekend. Zoals ik al zei, is de raad nog in gesprek.

Zowel de heer De Wit als mevrouw Berndsen heeft gevraagd naar de kosten van de rechterlijke machtiging. Normaal gesproken financieren de zorgverzekeraars de civiele maatregelen. Om hun de kans te geven — daar moest ik wel rekening mee houden op dat moment — om zich voor te bereiden op een extra toestroom heb ik besloten dat een eventuele eerste opname op grond van de BOPZ, dan wel de eerste zes maanden van een vrijwillige voortzetting voor rekening van het ministerie van Veiligheid en Justitie komen. Je kunt natuurlijk ook zeggen — laat ik daar gewoon eerlijk over zijn — dat er sprake was van fouten, van motiveringsgebrek, bij de rechters. Dat kon je de justitieketen, in dit geval de zittende magistratuur, ook aanrekenen. In die gevallen hadden zorgverzekeraars ten minste een halfjaar de tijd, zijnde de duur van de op de rechterlijke machtiging gebaseerde BOPZ-opname, om zich hierop voor te bereiden. Bij een eventuele verlenging van de rechterlijke machtiging gelden vervolgens — dit zeg ik tegen de leden De Wit en Berndsen — de normale wettelijke betalingsvoorzieningen. Op dat moment gaan de zorgverzekeraars weer zelf betalen.

Ik heb de vragen van de heer Segers beantwoord. De risico's heb ik aangegeven. Er is nu een adequatere positie. De heer Segers zei dat de zaken niet op orde waren, maar de zaken waren wel op orde. De wetgeving was wel op orde, zo kunnen wij achteraf vaststellen, maar de wetgeving is niet goed uitgelegd. Dat is een van de redenen waarom ik zeg dat de zaken wel op orde waren. Wetstechnisch was de zaak op orde, maar ja, de wet moet wel op de juiste wijze worden uitgelegd.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik had ook nog gevraagd hoe de civielrechtelijke titel voor de BOPZ zich verhoudt tot de strafrechtelijke titel die gebruikt werd ten behoeve van de tbs.

Staatssecretaris Teeven:

Ik wil daar niet vervelend over doen, maar ik heb de Kamer per brief al geïnformeerd over de financiële kant van de overgang. Zoals ik net heb aangehaald, heb ik in mijn brief van 30 januari uitgelegd waarom ik dat vergoed heb die eerste zes maanden.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Het gaat mij niet om de financiën, maar om de verhouding tussen die twee verschillende regimes. In feite ga je, omdat er geen tbs meer kan worden opgelegd, een civielrechtelijke maatregel opleggen via de BOPZ. Dat is op zich een wonderlijke gang van zaken.

Staatssecretaris Teeven:

De rijksoverheid, of het nu om de klinieken, het Openbaar Ministerie, of het departement gaat, was in een aantal zaken, namelijk die elf zaken, van mening dat de tbs had moeten voortduren; laat dat helder zijn. Wij wilden niet dat er gevaarlijke tbs-veroordeelden op vrije voeten zouden worden gesteld. Dat hebben wij ook met de Kamer gedeeld, zowel in de debatten van eind 2012, als in die van januari 2013. De heer Van der Steur haalde dat ook aan. Wij hebben dus geprobeerd om dat te voorkomen. De enige weg die je hebt om dat te voorkomen, is die van de rechterlijke machtiging. In een aantal gevallen is die gehanteerd en gehonoreerd. In een aantal andere gevallen is geprobeerd om die te hanteren, maar is dat niet gehonoreerd. Dat heeft vervolgens in een aantal gevallen geleid tot een vrijwillig verblijf van de justitiabele in een kliniek. In twee gevallen heeft het geleid tot het op vrije voeten komen van iemand die helemaal nergens aan wilde meewerken. Wij kregen voor deze personen geen rechterlijke machtiging. Het belang was: hoe kunnen wij dit repareren? In die zin hebben wij gekeken naar de rechterlijke machtiging.

De heer Segers (ChristenUnie):

De staatssecretaris zegt dat de zaken nu op orde zijn en dat het allemaal prima is, maar de Hoge Raad zegt in het arrest dat de problemen zouden kunnen terugkomen en dat er opnieuw discussie kan komen over het begrip "geweldsmisdrijf". Dat kan worden voorkomen en gerepareerd door een vrij eenvoudige wetswijziging. Er worden twee suggesties gedaan. Neemt de staatssecretaris die in overweging? Is dit iets wat hij serieus neemt en waarmee hij aan de slag wil gaan?

Staatssecretaris Teeven:

Nee. Wij hebben hierover in het kabinet gesproken. Er is naar mijn oordeel geen reden om over te gaan tot wetswijziging. Er is duidelijkheid over de motivering die moet plaatsvinden. Dat is ook op verschillende momenten binnen de Raad voor de rechtspraak aan de orde geweest en ook gedeeld met de gerechtsbesturen. Uit de feitelijke gang van zaken na 13 februari jl. blijkt dat rechters daar ook rekening mee houden, zowel bij de oplegging van gemaximeerde tbs als bij de verlengingsrechter. Deze gebruikt ook de ruimte die de Hoge Raad heeft geboden om oude zaken te herstellen. Voor nieuwe zaken zie ik op dit moment geen probleem. Dus ik zie geen reden, anders dan de advocaat-generaal heeft aangegeven, tot wetswijziging op dit moment.

De heer Segers (ChristenUnie):

Dan zijn wij dus voor de veiligheid van de samenleving afhankelijk van de mate van wakkerheid van rechters als zij zich voldoende motiveren, terwijl de Hoge Raad zegt: als je nu een limitatieve opsomming hebt van wat een geweldsmisdrijf is, als je dat nu vastlegt, dan ben je klaar en dan weten we zeker dat de samenleving geen extra risico loopt en dat mensen ongewenst en vroegtijdig op straat komen te staan.

Staatssecretaris Teeven:

Ja, maar dan krijgen we wel een discussie over wat een geweldsmisdrijf is. Dat zou in een aantal gevallen kunnen leiden tot de situatie dat we nu wel tbs opleggen en in de nieuwe situatie weer niet, want ik moet dat opnieuw door beide Kamers van het parlement leiden. Dus dan krijgen we een discussie over wat wel en niet een geweldsmisdrijf is. Feitelijk, in de uitvoering zoals de wettekst nu luidt, zijn er geen problemen. Het probleem bestaat niet meer. Ik zie geen aanleiding tot wetswijziging op het moment dat de opleggingsrechter zijn werk goed doet en de verlengingsrechter de ruimte neemt die de Hoge Raad biedt. Dus ik zie geen reden voor een wetswijziging. Het kabinet zal dat ook niet entameren.

Dan kom ik bij de vragen van de heer De Wit. De vraag hoe het fout heeft kunnen gaan heb ik beantwoord. Het is naar mijn oordeel niet anders dan ik eigenlijk in de gedachtewisseling die ik met de heer De Wit had heb aangegeven. Het is een motiveringsgebrek. Komt het nu nog voor? Nee, het komt niet meer voor. Zijn de verbeteringen doorgevoerd? Ja, ze zijn doorgevoerd. Over de mensen op straat heb ik gesproken, net als over de kostenrechtelijke machtiging en de beveiligde setting. Inderdaad waren er toen ideeën hoe de reclassering dat zou kunnen voorkomen. Als het gaat om artikel 509t, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, een belangrijke opmerking die de heer De Wit aan het eind van zijn inbreng maakte, moeten we vaststellen dat de voorwaardelijke beëindigingen, contraire beëindigingen bij niet-gemaximeerde tbs, niet meer mogelijk zijn. Dan moet er altijd een voorwaardelijke beëindiging zijn van een jaar. Dat is de wet die per 1 juli jl. in werking is getreden. Als er sprake is van een gemaximeerde tbs is dat natuurlijk niet van invloed als de gemaximeerde tbs een jaar bedraagt, maar het kan nog wel van invloed zijn op een gemaximeerde tbs als er sprake is van een tbs, uitgesproken voor een periode van drie jaar. Dan kun je nog wel te maken krijgen met de voorwaardelijke periode. Dus met name het laatste, de contraire beëindiging, heeft ook altijd de zorg van het kabinet en ook van uw Kamer gehad. Dat weet ik. Dat hebben wij op deze wijze ook geregeld.

De heer De Wit (SP):

Ik kom nog even terug op de motivering, want ik had gevraagd hoe het mogelijk is omdat bijvoorbeeld Buruma, toevallig vandaag al eerder aangehaald, in een artikel zegt: ik adviseer de rechter die gaat over de tbs altijd het wetboek erbij te pakken. Dat lijkt mij eigenlijk het ABC voor een rechter. Dat is hier wel aan de orde. Artikel 38e is zo duidelijk, dus waarom is dat nu niet gebeurd? Wat tegelijkertijd speelt natuurlijk de werkdruk van rechters, het tijdsgebrek dat zich als gevolg daarvan voordoet bij het voorbereiden van zaken. Heeft dat soort zaken nu een rol gespeeld waardoor die motivering eigenlijk in het water is gevallen?

Staatssecretaris Teeven:

Ik ben blij. Allereerst constateer ik dat de heer De Wit en ik het eens zijn over de duidelijkheid van de wetgeving op dit punt. Vandaar ook mijn standpunt: geen wetswijziging, die wetgeving is duidelijk. Ik geloof niet dat tijdsdruk of werkdruk daarbij een omstandigheid is. Ik kijk even in de richting van de heer Oskam die op zijn gsm kijkt. Ik denk dat het altijd belangrijk is dat rechters, ook al is er grote routine in het werk, het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering op tijd inkijken. Dat geldt ook voor officieren van justitie die met dit werk bezig zijn en voor hulpofficieren en soms ook wel voor Kamerleden en leden van het kabinet, maar het geldt vooral voor degenen die in de rechterlijke macht werkzaam zijn. Het is een goede gewoonte dat dit gebeurt. Ook al heb je heel veel routine, er kan een blinde vlek ontstaan. Het is dus altijd zinnig om wel het Wetboek van Strafvordering en in dit geval het Wetboek van Strafrecht in te kijken. Dat heb ik met de Raad voor de rechtspraak gedeeld. Ik doe dit niet zo expliciet als de heer De Wit aangeeft, maar ik heb wel expliciet gezegd: let op die motivering. Het is in 2011 gedeeld met de Raad voor de rechtspraak. Het is in 2012 en 2013 gedeeld. De gerechtsbesturen zullen dit opnemen met de rechters.

Iedereen is wel wakker geworden naar aanleiding van deze zaak. Hier kregen we de zaak op een gegeven moment door. Iedereen dacht toen: wat is hier aan de hand? Ik denk dat het niet te maken heeft met de werkdruk, maar het heeft wel weer de ogen geopend. Ook al ben je heel geroutineerd, je moet elke keer opnieuw kijken naar de kleine lettertjes. In het Wetboek van Strafrecht zijn de artikelen rondom de oplegging en de verlenging van tbs niet meer in de meest geordende manier opgenomen. Een algehele herziening van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering, waar de minister al eens eerder met de Kamer over heeft gesproken, zou op dit punt denk ik geen overbodige luxe zijn. Maar als je daarmee begint, vraagt dat een enorme inspanning van de Afdeling wetgeving. Het zou echter wel een oplossing zijn om de zaken overzichtelijk en duidelijk neer te zetten.

De heer Oskam (CDA):

Natuurlijk heeft de staatssecretaris gelijk als hij zegt dat rechters in het Wetboek moeten kijken op het moment dat zij tbs opleggen. Je moet je afvragen wat je nodig hebt om tbs te kunnen opleggen. Ik ben het ook met de staatssecretaris eens dat we, analoog aan de uitspraak van de Hoge Raad, de rechter speelruimte moeten geven, maar er blijven risico's bestaan. Er blijft een grijs gebied. In zoverre ben ik het met de heer Segers eens dat er delicten blijven bestaan die op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd. Dan is het toch een kleine moeite om een kleine aanpassing aan te brengen, zodat het voor iedereen duidelijk is? Dat we hier in de Kamer vertrouwen hebben in de rechtspraak, is een ding dat zeker is.

De staatssecretaris triggerde mij door te zeggen dat ik op mijn gsm zat te kijken. Er komt nu net een uitspraak van de rechtbank Maastricht die contrair is aan een uitspraak van een paar weken geleden. Het gaat over de coffeeshophouders. De rechtspraak is toch enigszins grillig de laatste tijd. Daarom vraag ik de staatssecretaris nogmaals of hij het verstandig vindt om die kleine aanpassing toch door te voeren.

Staatssecretaris Teeven:

Uiteraard kunnen wetswijzigingen heel zinvol zijn, maar ik deel de opvatting van de heer De Wit en van andere sprekers uit uw Kamer dat die bepaling volstrekt duidelijk is. Ik zie geen reden om hiervoor een wetswijziging door te voeren. Het gaat hierbij echt om de uitleg van een duidelijke wet door de rechter en niet om een onduidelijke wet die we duidelijker moeten maken. Daarover hebben we een verschil van mening.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

De staatssecretaris triggerde mij met zijn opmerking over het opschonen van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering. Ik heb de minister daar inderdaad naar gevraagd, maar hij is niet van plan om dat te doen. Misschien kan de staatssecretaris bevorderen dat het alsnog gebeurt.

Staatssecretaris Teeven:

Als je begint aan de herziening van wetboeken, is dat een enorme operatie. Ik kan mij herinneren dat ik erbij zat toen mevrouw Berndsen die vraag stelde aan de minister. Volgens mij heeft de minister gezegd: ik heb die wetgevingscapaciteit nu niet, want ik heb te maken met een overladen regeerakkoord, waarin ik allerlei wetgevingscapaciteit voor andere zaken moet vrijmaken, maar het is een goede suggestie. Dat staat mij nog bij. Hij zei niet dat hij het nooit zal doen. Hij zei: de Afdeling wetgeving heeft de tijd nu niet en er is geen ruimte voor op het departement, maar ik zal de suggestie van mevrouw Berndsen in overweging nemen. Mevrouw Berndsen en ik zien wel enige noodzaak om dit te doen; laten we dat in ieder geval vaststellen. De minister heeft het toen in de contacten met haar niet weggeblazen. Op het moment dat er ruimte voor is in het wetgevingsprogramma, kunnen we dit onderwerp denk ik ter hand nemen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik vind dat de staatssecretaris het wat rooskleuriger aangeeft dan ik het de minister heb horen zeggen. Laten wij elkaar hierin dan vinden en bevorderen dat het wel gebeurt, want volgens mij zou dat heel goed zijn.

Staatssecretaris Teeven:

Het is misschien een uitdaging om, als er een nieuw regeerakkoordakkoord komt, dit daarin op te nemen. Dit zijn zaken die je echt in een regeerakkoord moet regelen, wil je ervoor zorgen dat het ook echt voor elkaar komt. Als er andere prioriteiten zijn, zijn dit vaak de onderwerpen die even blijven liggen.

De voorzitter:

Daarmee is er een einde gekomen aan de eerste termijn van de zijde van de regering. Ik constateer dat er behoefte is aan een tweede termijn. Daarin bedraagt de spreektijd één minuut per fractie.

Het woord is aan mevrouw Helder van de PVV.

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Laat ik maar weer eens opheldering verschaffen. De PVV heeft niet om een taskforce gevraagd. Mijn fractie heeft schriftelijke vragen gesteld nadat de taskforce zijn werk had gedaan. Waarom? Welnu, dat was omdat ik zelf in de periode tussen de uitspraak van het Europees Hof en de start van de taskforce zaken heb gevonden die buiten het resultaat van de taskforce zijn gevallen. Daarom staat er in vraag 2 dan ook: vindt u niet dat alle cijfers naar buiten moeten komen en vindt u ook niet dat burgers er recht op hebben om te weten hoe veel tbs'ers er nu daadwerkelijk buiten lopen? Dat is natuurlijk iets totaal anders dan te vragen wie er mogelijk vrij kunnen komen, terwijl wij wachten op een arrest van de Hoge Raad in een zaak in cassatie die in het belang der wet is ingesteld. Wij hebben ook al een arrest in het Hof Arnhem, dat, zoals gezegd, de verlengingsrechter is. Daarom heb ik in de eerste termijn ook gevraagd om een brief met cijfers van alle daadwerkelijk vrijgekomen tbs'ers. Die brief heb ik nog niet gekregen, dus daarover hoor ik graag nog.

Het is niet overtuigend dat er een unaniem oordeel was in deze zaak, want in de zaak tegen Italië over de kruisbeelden in klaslokalen was dat ook het geval, maar de Grote Kamer verwierp dat vervolgens met 15 tegen 2.

De heer Van der Steur (VVD):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording van de vele vragen die ik hem heb gesteld. Hij is ook ingegaan op de vragen die niet strikt tot dit debat behoorden, maar inmiddels wel tot de actualiteit van de tbs-klinieken en het tbs-wezen behoren. Ik ben hem daarvoor zeer erkentelijk. Ik heb verder geen moties of andere zaken en ik dank u voor de gelegenheid om hier te hebben gesproken.

De heer Oskam (CDA):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Ik zie echt wel dat hij zijn best doet om dit probleem te tackelen. Het is voor een deel natuurlijk gerepareerd door de uitspraak van de Hoge Raad, maar er blijven snijvlakken, zoals door de heer Segers en mij naar voren gebracht. Het is jammer dat de staatssecretaris daarin niet verder wil gaan. Ik heb hem ook gevraagd of hij een rol ziet weggelegd voor de reclassering. Ik heb daarop geen antwoord gehad. Als er geen gronden of een vonnis zijn, is het ook lastig om de reclassering in te zetten. Deze staatssecretaris gaat over de reclassering en hij zou in het kader van de nazorg misschien iets kunnen doen. Ik dien een motie in, ook omdat wij nog 52 gevallen open hebben staan, waarvan wij ons maar moeten afvragen of de mensen die het betreft vrijwillig gaan of dat zij een rechterlijke machtiging krijgen dan wel anderszins onder controle worden gehouden.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat als gevolg van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 31 juli 2012 in 11 gevallen waarin een tbs-maatregel is opgelegd verlenging van deze maatregel na vier jaar niet zonder meer mogelijk meer is;

overwegende dat als gevolg hiervan tientallen tbs'ers vrijgelaten moeten worden en hier nog geen oplossing voor is gevonden;

van oordeel dat, aangezien het gaat om geweldsdelicten, dit noch in het belang van de betrokkenen, noch in dat van de samenleving is;

verzoekt de regering, te bewerkstelligen dat voor al deze gevallen een passende oplossing wordt gevonden en dat zulke gevallen zich in de toekomst niet meer zullen voordoen, en de Kamer over de uitkomsten hiervan te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Oskam. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 162 (29452).

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter. Wij willen allemaal dat mensen die hulp nodig hebben en een gevaar voor de samenleving vormen, binnen blijven en niet vrij op straat rondlopen. Dat delen wij. Wat overblijft, is de inschatting van het risico dat er toch weer gevallen door de mazen van de wet heen glippen. De staatssecretaris zegt dat de wet helder en klip-en-klaar is en dat er geen onduidelijkheid meer kan zijn, maar dezelfde wet had die maas. In 2011 is al geconstateerd dat het misging. Pas in 2013 is dat definitief gerepareerd met de uitspraak van de Hoge Raad. Dezelfde Hoge Raad zegt echter: als je echt zeker van je zaak wilt zijn, breng dan een kleine wijziging aan, want daarmee is het risico uitgebannen. Wat overblijft is een verschil in taxatie: wil je het risico nemen of niet? Mijn inzet zou zijn: neem dat risico niet en zorg ervoor dat mensen die binnen moeten blijven, echt binnen blijven. De staatssecretaris neemt het risico wel, en ik hoop dat dit geen onnodig risico zal blijken te zijn.

De voorzitter:

Ik geef als laatste spreker het woord aan de heer De Wit van de SP.

De heer De Wit (SP):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Voor de duidelijkheid vraag ik de staatssecretaris of ik het goed zie dat artikel 509t, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, de voorwaardelijke beëindiging van één jaar, niet mogelijk is bij een gemaximeerde tbs van vier jaar. Ik zie de staatssecretaris knikken. Dan is dat duidelijk.

Daarnaast heb ik met genoegen geconstateerd dat de staatssecretaris over de motivering en het gebrek in de motivering in ieder geval heeft gesproken met de Raad voor de rechtspraak, die vervolgens de besturen van de gerechten heeft geïnformeerd omtrent dit gebrek. Ik begrijp uit de woorden van de staatssecretaris dat dit een verstandige les is geweest en hopelijk ook voor de toekomst zo zal blijven.

De voorzitter:

Hiermee is er een einde gekomen aan de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik stel voor dat wij direct doorgaan naar de beantwoording door de staatssecretaris in tweede termijn.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Ik kan kort zijn in tweede termijn, zoals de Kamer ook kort is geweest. Een aantal van de leden heeft nog gesproken. Mevrouw Helder heeft om een brief gevraagd. Ik heb duidelijk geschetst dat er elf zaken zijn en in zijn algemeenheid aangegeven om welke zaken het ging. Mede in het kader van de privacybescherming zie ik geen aanleiding om hierover gedetailleerdere informatie te verschaffen. Dat kan ik niet. Ik heb geschetst wat er in die elf zaken is gebeurd en hoe die elf zaken zijn gerepareerd. Na 13 februari hebben zich geen problemen meer voorgedaan.

Dit is tegelijk een beetje het antwoord op de opmerkingen die de heer Oskam heeft gemaakt. Ik snap de overwegingen in de motie van de heer Oskam op stuk nr. 162 niet en ben het er ook niet mee eens. Ik denk dat er passende oplossingen zijn, en dat er geen sprake is van een maas in de wet — dit is tegelijk een antwoord op de opmerking van de heer Segers — maar van een omissie bij de uitleg van de wet. Dat zijn twee verschillende dingen, die je vooral niet met elkaar moet verwarren. Bij die uitleg heeft de Hoge Raad geholpen op 12 februari. Ik denk dan ook dat ik de motie van de heer Oskam, waarin de regering wordt verzocht om te bewerkstelligen dat voor al die gevallen een passende oplossing wordt gevonden, moet ontraden. Voor die elf zaken is een passende oplossing gevonden. In de situatie van na 13 februari 2013 is er geen probleem meer. Wij moeten het probleem dan ook niet groter maken dan het is, zo zeg ik in alle vriendelijkheid tegen de heer Oskam. Ik ben het met hem eens dat er een groot probleem was, dat hij in oktober 2012 ook aan de orde heeft gesteld. Ik ben echter van mening dat het probleem nu, anno september 2013, niet meer bestaat.

De heer Oskam (CDA):

Ik heb de staatssecretaris een groot compliment gemaakt voor het feit dat hij adequaat heeft geopereerd. Hij heeft zonet het lijstje opgenoemd. Hij komt uit op elf zaken en zegt daarvan: zoveel wel en zoveel niet. Uiteindelijk waren er twee zaken waarin er geen gronden voor de rechter waren om te verlengen en geen gronden om de mensen in de BOPZ te krijgen. Zij zijn zomaar naar huis gestuurd. Voor hen moet er nazorg komen. In die twee gevallen is het niet fout gegaan, zegt de staatssecretaris. Gelukkig is het niet fout gegaan, maar juist voor dit soort zaken wil ik de staatssecretaris met de motie, die daarom ook vrij algemeen is, toch oproepen om hiermee wat te doen. Dat is eigenlijk meer een aanmoediging.

Staatssecretaris Teeven:

De heer Oskam heeft in de toelichting op zijn motie gezegd dat ik als staatssecretaris een groot probleem heb. Bijvoorbeeld in de zaak van Sytze van der V. speelt op dit moment ook het volgende probleem. Als er geen justitiële titel is, als de reclassering geen justitiële titel heeft en iemand niet begeleid wil worden, houdt alles op. Dat is het geval in de twee zaken waar ik over sprak. Dan zie ik ook geen mogelijkheid om mensen daadwerkelijk te begeleiden. Dan kan ik, zoals in deze zaak, de burgemeester en de politie waarschuwen, of in het kader van de openbare orde iemand laten langsgaan bij een persoon die op een gegeven moment vrij is gelaten. Dat kun je allemaal doen, maar je kunt het reclasseringstoezicht niet effectueren. Die mogelijkheid is er niet.

De heer Oskam (CDA):

We komen allebei uit de praktijk. Mensen die op vrije voeten worden gesteld, zeggen altijd: ik heb wel hulp nodig; ik wil graag een uitkering en een huis om in te wonen. Daarmee kun je problemen bij dit soort mensen voorkomen. Daar is de reclassering bij uitstek geschikt voor. De reclassering werkt op vrijwillige titel — dan krijgt men niet betaald — of op titel van de rechtbank. De staatssecretaris gaat over de reclassering en zou tegen de reclassering kunnen zeggen: huppakee, als in dit soort gevallen, die 52 gevallen, geen titel is om mensen vast te houden op grond van de BOPZ of een verlenging te realiseren, help ze dan. Zorg er dan voor dat daar ook geld voor komt.

Staatssecretaris Teeven:

De heer Oskam spreekt over 52 gevallen, maar ik heb met hem geconstateerd dat er na 13 februari geen probleem meer bestaat. De heer Oskam heeft wel een punt omdat in twee gevallen mensen met een probleem naar huis zijn gegaan. Er is in die twee concrete zaken op dit moment echter geen aanleiding om nog reclasseringsactiviteiten in te zetten.

Laat ik afspreken dat ik mij op het dictum van de motie op stuk nr. 162 beraad en de Kamer voor aanstaande dinsdag 14.00 uur laat weten of ik nog mogelijkheden zie om een oplossing te bieden als het probleem in kwestie zich voordoet. Ik zal de Kamer hierover schriftelijk berichten. Dan kan de heer Oskam altijd nog beslissen dat hij zijn motie intrekt of toch in stemming brengt.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

De stemming over de ingediende motie zal komende dinsdag plaatshebben.

De vergadering wordt van 16.32 uur tot 19.00 uur geschorst.