8 Passend onderwijs

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (passend onderwijs) (33106).

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik heb begrepen dat er nog een aantal vragen rest over het algemene deel van de minister en dat de minister daarna de amendementen gaat behandelen. Voor zover ik begrepen heb, ligt er nog een vraag van de heer Dijsselbloem. Ik stel voor dat hij begint. Verder heeft de heer Van der Ham nog een vraag, net als de heer Van Dijk en mevrouw Ortega. Wij doen nog één ronde en vervolgens gaan wij naar de amendementen.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Ik heb mijn vraag al in de eerste termijn gesteld. Mijn vraag gaat over de positie van ouders die op vele punten onder druk staat. Hoe verhoudt dat zich tot de opvatting van de minister over de ouderbetrokkenheid en het belang daarvan?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Voorzitter. Ik ben wel ingegaan op de positie van ouders in het kader van de wijze waarop men nu en in de afgelopen jaren is vastgelopen in het huidige stelsel. De positie van ouders kent eigenlijk twee kanten. Allereerst is er de rol van de medezeggenschap. Op zowel schoolniveau als regionaal niveau is men betrokken door middel van het adviesrecht en het instemmingsrecht. In die zin kan men, als men een rol wil spelen, dat ook zeker doen. Dat is een goede zaak. Dan heb je gecommitteerde mensen. Verder wordt er in het wetsvoorstel zelf aandacht besteed aan de rol van ouders. De zorgplicht is een belangrijk punt. Ouders weten dat de school de taak heeft om rond te kijken, eerst op de eigen school en zo nodig verderop, in het samenwerkingsverband of, via dat samenwerkingsverband, in het speciaal onderwijs. Dat is een belangrijk punt. Er moet overlegd worden met ouders over het ontwikkelingsprofiel. Je kunt niet zonder ouders. In het referentiekader komt dit ook heel nadrukkelijk terug. Hierin wordt overigens ook gesproken over een second opinion als men er niet uitkomt, over mediation. Dit komt uit het veld zelf. Ook het veld erkent natuurlijk het belang van de rol van ouders. Inderdaad is er geen sprake meer van instemming. Straks ga ik wel in op het op overeenstemming gerichte gesprek dat er op de scholen moet zijn. De scholen moeten echt de intentie hebben om eruit te komen met ouders. Ik kan alvast verklappen dat ik dat een goede aanvulling vind; ik kan daar goed mee leven. De professionaliteit van de school en de leerkracht staat overeind wat het ontwikkelingsprofiel betreft, maar er wordt wel gestreefd naar overeenstemming. Dat is een belangrijk punt. Verder is de ouder betrokken bij de school omdat hij of zij een belangrijke rol heeft in de opvoeding van het kind. De ouder moet ook thuis een aantal zaken goed structureren en het kind helpen en ondersteunen. De rol van de ouder is in algemene zin dus heel belangrijk en ook in dit kader.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Dadelijk komen wij op een aantal punten nog wel terug naar aanleiding van concrete amendementen. Ik stel wel vast dat het wonderlijk is dat deze minister, die zo zegt te hechten aan ouderbetrokkenheid, nu geconfronteerd wordt met zo veel amendementen op haar eigen wetsvoorstel om de positie van ouders te repareren en alsnog op orde te brengen. Die vaststelling is toch bijzonder. Ik hoop dat de minister positief zal adviseren over de amendementen op dit punt.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Laat één ding helder zijn: die positie van ouders vind ik heel belangrijk, maar ik vind het ook belangrijk dat als de school de verantwoordelijkheid heeft, zij die ook kan waarmaken en dat er ook wat ruimte is voor de professionaliteit van de school. In het systeem van checks and balances is er inderdaad sprake van een wijziging ten opzichte van de huidige situatie. Ik vind dat terecht. Daar, bij de school, komt immers de verantwoordelijkheid ten volle te liggen, in samenspraak met de ouders.

De heer Van der Ham (D66):

In samenspraak met de ouders, zo zegt de minister. Straks spreken wij over de amendementen en kunnen wij uitgebreid ingaan op details en de manier waarop een aantal oppositie- en coalitiepartijen het anders zou willen inrichten. Ik ga terug naar een paar maanden geleden, toen de minister zei: wij willen ouders meer betrekken bij het onderwijs; zij moeten hun verantwoordelijkheid meer nemen. Heel veel ouders willen dat ook heel graag doen. De ouders die het doen, zien nu een wetsvoorstel waar een aantal belangrijke mogelijkheden daartoe uit is gehaald. Hoe kan de minister dat rijmen?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik ben het daar niet mee eens, want de ouder blijft betrokken. Er moet overleg plaatsvinden met de ouder, de ouder is via de medezeggenschapsraad betrokken en de ouder wordt meer in positie geplaatst, omdat hij rechten heeft. Als zijn kind ondersteuning nodig heeft, moet de school die ook daadwerkelijk gaan regelen. Ik vind dus dat er in en aantal opzichten echt een versterking van de positie van ouders plaatsvindt. En de school kan met het ontwikkelingsperspectief zijn professionaliteit op een goede manier waarmaken. Ik vind het verhaal dus in evenwicht. Op het gebied van passend onderwijs kunnen school en ouder echt niet zonder elkaar. Dat spreekt ook heel duidelijk uit het referentiekader.

De heer Van der Ham (D66):

Over dat evenwicht zijn we het oneens, anders had de minister niet zo veel amendement op haar dak gekregen. Er zijn heel veel amendementen ingediend op dat punt. Juist vanwege de discussie die de minister heeft aangezwengeld over de betrokkenheid van ouders heeft zij in de afgelopen maanden echter ook een rondgang gemaakt langs ouders. Heeft zij helemaal geen signalen gekregen in de richting die wordt geschetst in de amendementen die zo meteen worden behandeld?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik kan zelfs vertellen dat ik het de komende maanden ook nog ga doen. Natuurlijk heb ik wel signalen gekregen. Daarop heb ik ook mijn zienswijze weergegeven. Het punt hierbij is het instemmingsrecht, maar het kan niet zo zijn dat dat nu het heil der natie is. Ik denk dat er heel veel andere aspecten zijn die een goede relatie tussen school en ouder relevant maken. Ik noem de zorgplicht, de medezeggenschap en het overleg dat moet plaatsvinden en dat nog iets aangescherpt moet worden, iets waartoe een amendement is ingediend. Dat kan. Maar ik ben er ook van overtuigd dat scholen die inzet al hebben. Scholen realiseren zich dat ze het zonder ouders niet redden.

De heer Klaver (GroenLinks):

Over het handelingsplan hebben ouders op dit moment wel instemmingsrecht. Heeft de minister aanwijzingen dat dit tot grote problemen leidt bij scholen en dat daarmee de professionaliteit van de scholen wordt aangetast?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ten eerste gaan we van handelingsplan naar ontwikkelingsperspectief. In het ontwikkelingsperspectief zit de professionaliteit van de instelling en van de leerkracht in de inschatting van wat het kind aankan. Dat is eigenlijk net als het schooladvies van de basisschool. Het is echt iets wat de school vaststelt. Ouders kunnen daar natuurlijk inspraak in hebben, er kan overleg over zijn en er kan bezwaar bij aangetekend worden – dat moet netjes meegestuurd worden naar het voortgezet onderwijs – maar het is aan de school om het te doen. Dat wil ik hier netjes voortzetten.

Ten tweede was het soms ook gewoon lastig, want als je er niet uitkwam met elkaar, moest er wel gewoon met een kind verder gekomen worden. Het beste is als men gewoon goed overleg heeft en er op een goede manier uit komt. Ik zie eerlijk gezegd eerder dat heel veel scholen al veel meer doen dan nu al wettelijk moet, dan dat men minder doet. Ik hecht er echter aan dat aan het eind van de rit de school de professionaliteit kan waarmaken.

De heer Klaver (GroenLinks):

Het handelingsplan ging juist over een wat kortere termijn. Ik ben benieuwd hoeveel problemen dat opleverde, of dat gekwantificeerd is en of we kunnen zien of er echt sprake is van een probleem of dat het over incidenten gaat. Wellicht weet de minister dat de LOBO en OUDERS & COO in december en januari een onderzoek hebben gedaan onder ouders. Uit veel opmerkingen van de 471 respondenten blijkt dat scholen nu al niet altijd meewerken wat betreft de zeggenschap van ouders. Wat geeft de minister het vertrouwen dat dit nu wel zal gebeuren en scholen de ouders wel zullen betrekken? Waar kunnen ouders zich melden als dat niet gebeurt en hoe gaat de minister dan ingrijpen?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Daar kom ik zo meteen even op terug bij de bespreking van de amendementen. Ik wil er nu niet op vooruitlopen, maar ik ben ervan overtuigd dat scholen de inzet hebben om dat te doen. Zij moeten het ook doen volgens de wet. Daar kunnen ze op aangesproken worden, ook door de inspectie. Als er op dat punt veel klachten zijn over een school, zal de inspectie de school wijzen op zijn wettelijke taak in dit opzicht.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik heb nog twee vragen. De eerste gaat over het volgen van het geld dat voor deze leerlingen bestemd is. Ook mevrouw Ferrier en de heer Elias hebben daar vragen over gesteld. Wij willen niet dat het geld aan een cv-ketel wordt besteed. Het moet werkelijk naar de leerlingen gaan. Ik heb voorgesteld om dat geld apart te zetten. De minister heeft in haar schriftelijke antwoorden een andere optie aangedragen. Ik wil graag weten wanneer we een voorstel van haar hand kunnen verwachten als zij aan de gang gaat met het volgen van het geld en de koppeling daarvan aan leerlingen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Laat ik eerst een relativerende opmerking vooraf plaatsen. We zullen het nooit helemaal kunnen volgen. Uiteindelijk komt het in de school terecht. Ik kan niet van de scholen vragen tot op de cent te verantwoorden of alles bij de kinderen komt. Het komt in de portemonnee van de school en die zal er het goede mee moeten doen. De school kan een ambulante begeleider bekostigen die daar inmiddels aan het werk is gegaan als deskundige of het uitgeven aan een zorgcoördinator. Met dat geld kunnen ook de juffen en meesters een extra steuntje in de rug krijgen qua professionalisering. Dat kan allemaal. Naar aanleiding van de vragen die hier gesteld zijn, ben ik weer bezig gegaan met de vraag hoe we het geld aan de bron kunnen koppelen. Op het ministerie wordt daar al langer over nagedacht, maar we zijn daar buitengewoon terughoudend mee. Daar ga ik nu met de scholen over praten. Daarna ga ik een ordentelijke wetswijziging voorbereiden. Ik weet dat de Eerste Kamer zeer hecht aan ordentelijke wetgeving. Mevrouw Slagter van de SP-fractie bijvoorbeeld is daar heel scherp op. Gelukkig hebben we het tot op heden goed kunnen afregelen. Ik wil dit niet zomaar even tussendoor afhandelen. Ik hoop binnen een maand of twee een brief te kunnen sturen over dat overleg en over de voorbereiding van die wetswijziging.

De voorzitter:

Ik zeg het nog een keer. Het lijkt alsof we eindeloos de tijd hebben, maar de tijd vliegt. Er moeten korte vragen gesteld en korte antwoorden gegeven worden. We hebben ook nog een tweede termijn te doen en alle amendementen moeten nog worden besproken, en dat zijn er veel.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Daar zal ik rekening mee houden. Ik constateer dat de minister dus van plan is een wetswijziging te maken. Gaat het dan om een wijziging van deze wet of van een andere wet?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Het wordt een aanvulling.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Een aanvulling op deze wet? Over twee maanden?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Nee, dit kost tijd. Ik ga met het veld bespreken of het te doen is. Dat wil ik namelijk eerst weten. Vervolgens geef ik het signaal dat ik naar aanleiding van het debat over de mogelijkheden om het geld te volgen een wetswijziging voorstel. Dat betekent dat ik de ruimte ga vragen om geld aan bron te kunnen koppelen. Ik weet niet precies in welke wet dat moet gebeuren. Ik weet niet of dat in deze wet moet of elders. In ieder geval ga ik ervoor zorgen dat het aan elkaar kan, want dat kan nu niet zo makkelijk omdat we er heel scherp op zijn wat er bij de bron wel en niet kan.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik had nog een tweede vraag. De minister sluit sluiting van speciale scholen niet uit. Ik wil daarvoor graag een soort noodrem inbouwen. Ik ben bezig met een amendement daartoe. Dat zou kunnen betekenen dat ik de minister een discretionaire bevoegdheid wil geven. Zij kan dan zeggen dat het haar te ver gaat als een samenwerkingsverband te ver gaat met het sluiten van speciale scholen, of als dat de consequentie is van wat er ergens aan de hand is. De minister kan dan zeggen dat een speciale school in stand moet blijven. Deelt zij de mening dat zij die bevoegdheid moet hebben?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Als ik die mening deelde, had ik wel iets dergelijks in het wetsvoorstel verwerkt. Uiteindelijk moeten de scholen op regionaal niveau bekijken hoe zij omgaan met kinderen in het speciaal onderwijs. Ik heb aangegeven dat ik financier wat er gefinancierd moet worden. De komende twee jaar hebben de kinderen die daar zitten ook het recht om daar te blijven. Het is de komende tijd dus nog gefixeerd. Pas daarna hebben scholen de ruimte om met kinderen iets meer naar het regulier onderwijs te gaan. Ik kan nu niet zeggen dat ik daarin moet kunnen ingrijpen. Ik vind dat scholen daar zelf op een goede manier mee moeten omgaan. Mijn inschatting is dat ik die bevoegdheid nauwelijks of niet nodig zal hebben. Voorlopig zijn de plaatsen wat ze zijn. Ik financier die gewoon rustig door.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Mijn vraag houdt hier verband mee, al gaat die over sbo-scholen met een bepaalde richting. De minister heeft gezegd dat de samenwerkingsverbanden daarover gaan. Die bepalen hoeveel sbo-scholen er in een samenwerkingsverband zitten. Daarnaast zegt zij dat ouders zelf mogen weten of zij hun kind ergens aanmelden. Wel moet er dan een toelatingsverklaring zijn van het samenwerkingsverband. Mijn vraag aan de minister is of het schoolbestuur er niet zelf over gaat of een school met een bepaalde richting wel of niet recht van bestaan heeft.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Een school gaat daar zelf over, dat is een feit, maar er moeten wel voldoende leerlingen zijn en dat is ook een feit.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Dat is helder. Ik vroeg dit omdat de beantwoording van de minister deed vermoeden dat een schoolbestuur er niets over te zeggen heeft en dat het samenwerkingsverband het laatste woord heeft, maar de minister heeft mij gerustgesteld.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Voorzitter. Ik was klaar met mijn betoog, maar ik zou nog antwoord geven op vier punten. Mevrouw Ferrier heeft een vraag gesteld over de ondersteuningsplanraad. Zij vraagt mij om voor die raad een gekwalificeerde meerderheid van twee derde te regelen. De tweederdemeerderheid geldt al als voorwaarde bij de vaststelling en wijziging van het medezeggenschapsreglement; zie het tweede lid van artikel 23 van de WMS. Dat artikel is ook van toepassing op de ondersteuningsplanraad. In het reglement legt men zelf vast hoe beslissingen van de raad worden genomen en welke meerderheid nodig is. Die ruimte wil ik liever niet inperken.

Ten tweede ga ik in op de vraag van de heer Dijsselbloem. In het onderhandelaarsakkoord staat dat in het schooljaar 2015–2016 de resterende middelen voor ambulante begeleiding, 43%, besteed blijven worden aan de inzet van ambulant begeleiders. De heer Dijsselbloem heeft gevraagd of dat ook in het wetsvoorstel staat; ik twijfelde daarover. Hij wil ook weten of wij een bepaling kunnen opnemen om dit te verlengen. Dat laatste vind ik niet correct, zoals ik al heb gezegd. Ik heb hier goed overleg over gehad. Wel kan ik zeggen dat dit ook in de wet staat. Dit is inderdaad belangrijk. De verplichting voor het schooljaar 2013 staat in het oorspronkelijke wetsvoorstel en ik heb een nota van wijziging voor 2014 en 2015.

De heer Klaver wil weten wat de onderwijsbegroting bijdraagt aan het begrotingstekort. De intensiveringen op het gebied van onderwijs zijn jaarlijks gelijk aan de ombuigingen. In die zin levert de onderwijsbegroting geen bijdrage aan de bezuiniging in het coalitieakkoord. De inhoud van de intensiveringen en ombuigingen komt rechtstreeks uit het regeerakkoord, behoudens de aanpassingen die zijn gedaan toen wij het besluit tot fasering van de bezuiniging op passend onderwijs en de langstudeermaatregel namen. Door dit uitstel zijn er veranderingen aangebracht. Daarnaast bedraagt de bezuiniging op de onderwijssubsidie 140 mln. bij, maar dat is de algemene subsidiekorting die over alle departementen heen is gegaan.

De heer Klaver (GroenLinks):

Het argument van de minister was dat de financieel-economische situatie ons noopt tot bezuinigingen op onderwijs, maar dat klopt dan toch niet? Het gaat dan toch over andere politieke prioriteiten die binnen de onderwijsbegroting worden gesteld?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik moet dan toch herhalen wat ik eerder gezegd heb. De financieel-economische positie van Nederland vraagt om meerdere dingen. Ten eerste moeten wij de staatsschuld terugdringen en het begrotingstekort op orde krijgen. Ten tweede zijn er impulsen nodig om het verdienvermogen van Nederland met het oog op de toekomst te versterken en daarmee de publieke financiering op een goede manier in de benen te houden. Deels vanuit sociaaleconomische invalshoek en deels vanuit de intrinsieke waarde van onderwijs, omdat elk kind het recht heeft om zijn talent optimaal te benutten, kiezen wij voor een aantal herprioriteringen. Wij kiezen voor de investering in leraren omdat wij weten dat zij de sleutel tot succes zijn. Wij kiezen voor de investeringen in de hoogbegaafde en excellente leerlingen omdat de OESO zegt dat wij het op dat gebied fout doen, wat niet goed is voor de kenniseconomie. Wij halen dit geld inderdaad deels weg bij het passend onderwijs, maar wij gaan daar slechts terug naar het niveau uit 2005. Ook toen stonden wij al heel goed bekend met onze investeringen. Er zijn dus wel degelijk sociaaleconomische overwegingen.

De voorzitter:

Ik verzoek de minister om wat bondiger te antwoorden. Het woord is aan de heer Klaver.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik ken de modellen van het CPB waarin investeringen in docenten worden aangemerkt als zeer kansrijk. De prestatiebeloning is daar één van, maar ook de opleiding wordt meegenomen als een zeer kansrijke investering die voor de economische positie van Nederland heel goed is. Als er een roep is vanuit het onderwijsveld, waarom maakt de minister dan toch niet de keuze om de prestatiebeloning heel specifiek in te zetten voor de professionalisering van de docenten die moeten gaan werken met het passend onderwijs? Dat is goed voor de economische structuur van Nederland en het is goed voor het succes van de invoering van het passend onderwijs.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dat is heel eenvoudigweg omdat we dat al doen met 150 mln. voor professionalisering en omdat we ook LeerKracht van Nederland overeind houden, waarmee we investeren in de lerarenopleidingen.

Ik had nog een vraag van de heer Dijkgraaf: is de minister bereid te rapporteren over de uitkomsten van het overleg met de inspectie over de normen die de inspectie stelt ten aanzien van de symbiose en de maximalisatie van de 60%? Ja, ik zeg toe dat ik zal rapporteren over de uitkomst. In het Onderwijskundig besluit is nu alleen geregeld dat het om minimaal 180 minuten gaat. Er is geen maximum. De inspectie hanteert dit echter wel. Daarover ben ik in gesprek.

De laatste vraag werd gesteld door de heer Klaver. Ik kan op dit moment nog geen inzicht geven in de cijfers over 2013 en de relatie daarvan met die over 2005. Ik kan die over 2011 niet eens geven, want ze zijn nog niet definitief. De cijfers over 2012 en 2013 moeten nog komen. Ik kan daar nu dus nog niets over zeggen. In juni kan ik iets zeggen over 2011.

De heer Klaver (GroenLinks):

Dan wacht ik tot juni. Wil de minister hier dan in ieder geval de toezegging doen om de bezuiniging op passend onderwijs niet verder terug te laten gaan dan het reële niveau van 2005?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik heb niet meer geld voor het passend onderwijs dan ik heb en ik moet 300 mln. bezuinigen. Dat is het verhaal. Ik ga niet dit soort toezeggingen doen dat ik niet helemaal kan overzien.

Dan kom ik op de amendementen. Het zijn er inderdaad aardig wat. Ik zal ze, op de mij gebruikelijke wijze, heel kort en krachtig behandelen. Ik begin bij het amendement-Van Dijk/Smits op stuk nr. 12 over instemmingsrecht op het ondersteuningsprofiel. Instemmingsrecht valt onder het regionaal ondersteuningsplan. Daar wil ik het echt bij laten. Er moet flexibiliteit zijn tussen het lokale en het regionale niveau. Daarom ontraad ik het amendement.

Dan kom ik op amendement op stuk nr. 15 waarin de heer Klaver voorstelt om in het ondersteuningsplan aan te geven welke actie wordt ondernomen om te kunnen professionaliseren. Ik ben het eens met de intentie achter het amendement dat professionalisering van leraren heel belangrijk is, juist ook in het kader van passend onderwijs. Dat is ook de reden dat ik de afspraken heb gemaakt zoals ik ze heb gemaakt. Ik vind het echter uiteindelijk een verantwoordelijkheid van de besturen. Overigens, als men er met elkaar iets over af wil spreken en als een medezeggenschapsraad dat op regionaal niveau wil regelen, kan men de boel daar scherp agenderen en kan men dat doen. Ik schrijf het echter niet voor. Ik ontraad het amendement dus.

Dan kom ik op het amendement-Klaver op stuk nr. 16. Dit amendement schrapt de mogelijkheid om een leerling te schorsen. De mogelijkheid in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs om een leerling te schorsen is een instrument dat gebruikt wordt als ultieme waarschuwing. Eigenlijk versterken we met dit wetsvoorstel de positie van het kind in het primair onderwijs, want in het voortgezet onderwijs kun je niet schorsen zonder dat je een kind op een ander adres hebt afgeleverd. In het primair onderwijs kan dit na acht weken inspanningsverplichting wel. We hebben het nu gewoon aangescherpt. Ik ontraad het amendement dus. Ik vind het voordeel ervan dat als een school dit wil doen, die langs de inspectie moet. We weten dat er zo'n 1500 schorsingen per jaar plaatsvinden. Met deze regel houdt de inspectie zicht op wat er gebeurt. Ik ontraad het amendement dus.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ten aanzien van de schorsing verkeer ik in de veronderstelling dat …

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

O sorry, ik bedoelde verwijdering. Ik was in de war. Wat ik net toegaf, ging over verwijdering. Ik wil schorsing namelijk wel als een ultieme waarschuwing overeind houden, maar scholen moeten het wel – dat klopt wel – bij de inspectie melden. Zo houdt de inspectie er zicht op. Ik vind dat een school de mogelijkheid tot een weekje ontspanning moet kunnen hebben.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik kan mij dat voorstellen. Ik heb met veel docenten gesproken die zeggen: het middel van schorsing kan een heel goede oplossing zijn. Er is echter nog te weinig studie gedaan naar wat de effecten zijn op kinderen in het primair onderwijs. Dit amendement is erop gericht om heel even te wachten met de invoering. Laten we daar eens uitgebreider op terugkomen in een debat in de Kamer, zodat we daarover op een later moment een veel gefundeerdere beslissing kunnen nemen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Gelet op het feit dat er al geschorst wordt, maar we er eigenlijk te weinig zicht op hebben, vind ik dit toch een verbetering. Laten we het dan zo afspreken: ik neem dit mee in de monitor en in onze evaluaties, zodat dit punt goed in beeld komt. Ik wil er nu wel de ruimte voor bieden. Het moet echter beheerster en meer gecontroleerd gebeuren dan in het verleden.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Ik twijfel, dus wil ik het toch even heel scherp hebben. De heer Klaver schrijft in zijn amendement dat met dit wetsvoorstel de mogelijkheid om leerlingen in het basisonderwijs te schorsen, wordt geïntroduceerd. De minister zegt echter dat deze mogelijkheid al bestaat.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Nee, de heer Klaver is hier ook al op ingegaan. Dat ging over de mogelijkheid van verwijderen. Ik was even in de war. In het amendement gaat het over schorsen. Er wordt echter al geschorst.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Terwijl dat niet mogelijk is, zegt u.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Het gebeurt toch 1500 keer per jaar. Het voordeel van deze mogelijkheid is dat de inspectie nu moet worden geïnformeerd door de scholen als ze schorsen. Vervolgens kan de inspectie er ook zicht op houden. Ik vind dat een goede combinatie.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Er gebeurt dus iets in het primair onderwijs wat eigenlijk feitelijk niet is toegestaan. In plaats van de inspectie er achteraan te sturen, legaliseert de minister dit. Dan heeft de inspectie er zicht op. Ik herken die argumentatie wel. Wij gebruiken die altijd in de discussie over coffeeshops, maar dan zijn het CDA en andere partijen er altijd zeer tegen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Het verschil is dat dit ook niet mijn argumentatie is. Mijn argumentatie is dat ik begrijp dat het soms moet gebeuren. Een school doet dit echt niet zomaar. We hebben de mensen in de Arena zien staan, bevlogen en betrokken mensen. Als het gebeurt, wil ik wel dat de inspectie ervan weet en dat het geen illegale activiteit is. Dat regel ik hiermee netjes in de wet. Dan houd je er ook zicht op. Ik begrijp het ook.

Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 17 van mevrouw Ortega-Martijn, waarmee zij artikel 70 van de WEC wil aanpassen. In dit artikel wordt geregeld dat een leerling onderwijs dient te volgen bij de school waar hij of zij ingeschreven staat. De wens is dat cluster 2-leerlingen gemengd les kunnen krijgen met leerlingen van het reguliere onderwijs. Ik moet hier een goede en zorgvuldige reactie op geven. Artikel 70 van de WEC is hierin opgenomen om te voorkomen dat er situaties ontstaan die zowel vanuit financieel als vanuit inhoudelijk oogpunt onduidelijk zijn. Het regelt dat een leerling onderwijs dient te volgen bij de school waar hij of zij staat ingeschreven. De bekostiging en het toezicht zijn aan die inschrijving gekoppeld. Het artikel is de basis van de onderwijsbekostiging. Het idee bestaat dat een leerling die ingeschreven is in het reguliere onderwijs, wettelijk geen deel van het onderwijs mag volgen in het speciaal onderwijs. Voor het primair onderwijs is dit idee onjuist. Artikel 15 van de WPO regelt al dat het onderwijs voor een deel bij een andere school mag worden gevolgd. Dit telt ook mee voor het verplichte aantal uren.

Voor het voortgezet onderwijs is dit idee wel juist, maar daar ontbreekt een dergelijke bepaling zoals die is opgenomen in de WPO. Het idee bestaat dat een leerling met een indicatie voor een bepaalde onderwijstijd ook vanaf 1 augustus 2013 alleen onderwijs kan volgen op een school die beschikt over de desbetreffende onderwijssoort. Dit is onjuist. Op dit moment kan het inderdaad niet, als gevolg van artikel 40, lid 3 van de WEC, maar dit komt te vervallen in dit wetsvoorstel. Als mevrouw Ortega het ook voor het vo wil regelen, verwijs ik naar het amendement van mevrouw Ferrier. Ik heb begrepen dat mevrouw Ferrier heeft geprobeerd om het hierover met mevrouw Ortega eens te worden. Als je het voor de WPO regelt, vind ik dat je dat ook moet doen voor de WVO. Deze ongeclausuleerdheid, met het schrappen van artikel 70, is echt ongewenst. Daarom ontraad ik het amendement.

De heer Van der Ham (D66):

Ik was gisteren bij een bijeenkomst in Brabant over onder andere passend onderwijs en huisvesting. Daar sprak ik iemand die zei: de beperkingen in de wet beperken mij om werkelijk passend onderwijs te geven. Ik ben heel benieuwd hoe de minister wil regelen dat die mogelijkheid ook in het vo ontstaat. Het is echt heel jammer als we dat niet regelen. Dat is een gemiste kans, vooral voor leerlingen die heel goed op twee scholen onderwijs kunnen volgen. Als de minister de gedachte van mevrouw Ortega-Martijn steunt, maar de uitvoering ervan niet, verzoek ik haar een nota van wijziging op dat punt te maken, zodat wij het kunnen regelen in de juiste weging. Wil de minister ons daarin tegemoetkomen?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

De wens van de heer Van der Ham is eigenlijk al verhoord, want mevrouw Ferrier heeft daarvoor het amendement op stuk nr. 55 ingediend. Zij heeft gepoogd het daarover eens te worden met mevrouw Ortega, want mevrouw Ortega was de initiatiefnemer voor dit verhaal. Ik heb echter begrepen dat het niet gelukt is. Misschien lukt het alsnog, dat zou mooi zijn. Het amendement ligt er wel en daarin wordt het dus voor het vo geregeld.

In het amendement op stuk nr. 19 van de heren Klaver en Dijsselbloem wordt geregeld dat ouders die het niet eens zijn met het ontwikkelingsperspectief, hun bedenkingen kunnen voorleggen aan deskundigen. Er is de onderwijsconsulent in algemene zin. Die kan altijd ingezet worden. Ik zie ook in het referentiekader dat vanuit het veld zelf de intermediair en de second opinion als mogelijkheid gehanteerd worden. Ik kijk dan ook even naar het nader gewijzigd amendement op stuk nr. 57 van de heren Dijsselbloem en Van der Ham over de geschillen. Uit beide stukken spreekt wat het ontwikkelingsperspectief betreft dat de ouders met de school in overleg moeten en dat er ook nog iets moet zijn als het niet lukt. Ik begrijp dat wel. Ik heb al aangegeven dat ik niet wil juridiseren. Vandaar ook die trits. Ik heb erover nagedacht. Het amendement over de geschillen vind ik vrij zwaar beladen. Het is ook vrij definitief. Ik voel meer voor de voorlopigheid waar mevrouw Ferrier voor is. Ik vraag dan mevrouw Ferrier of zij bereid is om het ontwikkelingsperspectief toe te voegen aan het andere amendement dat over toelating en verwijdering gaat. Ik weet dat zij daar in eerste instantie niet heel veel voor voelde; zij heeft dat al eerder aangegeven. Als zij dat wel doet, ontstaat er voor het ontwikkelingsperspectief een momentum dat de geschillencommissie er een oordeel over kan geven. De school moet uiteindelijk het laatste woord hebben, maar dan is er wel een momentum. Dan heb je niet allemaal verschillende zaken. Ik vraag de indieners of zij bereid zijn om met elkaar te bekijken of zij de amendementen kunnen integreren, met de stijlopzet van het amendement dat mevrouw Ferrier heeft ingediend. Ik hecht er namelijk aan om het de eerste vier jaar eens te proberen in die opzet. Ik hecht er ook aan dat het een niet te zwaar beladen commissie is. Mijn vraag is of de indieners daarmee iets kunnen doen met elkaar. Ik begrijp namelijk wel het gevoelen achter de twee amendementen.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Ik wil daar graag goed naar kijken. Ik heb inderdaad mij moverende redenen om het tijdelijk te maken, voor vier jaar, en om het echt over de plaatsing te hebben. Ik wil graag bekijken of wij het ontwikkelingsperspectief daarin kunnen meenemen, zonder dat het een zwaar opgetuigd instrument wordt waardoor de ruimte voor scholen en docenten weer beperkt wordt.

De heer Van der Ham (D66):

Wij moeten tot een mooie wet komen en dan ook nog met genoeg geld, maar daar gaan we het straks over hebben. De minister moet mij even uitleggen waarom die tijdelijkheid van vier jaar nodig is. Ik vind die raar. Wij kunnen in het amendement ook vastleggen dat de geschillenregeling na vier jaar wordt geëvalueerd. Dat is eigenlijk hetzelfde maar dan op een andere manier aangevlogen. De heer Dijsselbloem en ik hebben een amendement ingediend dat van heel veel details is ontdaan. Het biedt veel meer ruimte, waarbij overigens wel een paar richtingen worden aangegeven die geënt zijn op het amendement van mevrouw Ferrier. Bij mij bestaat dus alle bereidheid om er nog eens naar te kijken. Mijn vraag gaat echt over die vier jaar. Wij kunnen ook een evaluatiebepaling in het amendement opnemen. Dan doen wij hetzelfde, maar dan laten wij wel zien dat het ons menens is. Wat is nu het voordeel van het tijdelijk maken?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik ga uiteindelijk niet over het amendement van mevrouw Ferrier, maar die tijdelijkheid heeft ook mijn voorkeur. Daarmee maak je namelijk duidelijk dat je ervan uitgaat dat mensen het op een bepaald moment zelf met elkaar regelen en dat dat op een goede manier gebeurt. In de loop der tijd zijn handreikingen gedaan die benut kunnen worden om het definitief zelf goed te regelen. Ik zeg niet dat het voorlopige instrument niet definitief wordt, want misschien vinden wij het wel een nuttig instrument en willen we het zo laten gebeuren. Ik wil gewoon de intentie wat scherper en helderder hebben. Mijn accent is dus net even iets scherper. Dat is de achterliggende reden.

De heer Van der Ham (D66):

De heer Dijsselbloem en ik zijn ons nog aan het beraden, ongetwijfeld straks ook met mevrouw Ferrier. Ik vind het heel belangrijk dat de minister zegt dat het best iets breder kan dan het amendement van mevrouw Ferrier. Dat is ook de opzet geweest van ons amendement. Hoe wij het aanvliegen, of het een evaluatiebepaling wordt om na vier jaar eventueel te kunnen continueren, moeten wij even in onderling overleg bekijken. Wij bekijken of wij er goed uit kunnen komen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Prima, dank.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

De heer Van der Ham sprak bijna namens mij, maar ik heb nog een ander punt waarop ik de vinger wil leggen. Het amendement van mevrouw Ferrier begint met een kanbepaling. Als wij tot elkaar komen, zal er een geschillencommissie komen, even los van wat er na vier jaar gebeurt. Ik wil geen misverstand dat wij een kanbepaling opnemen en dat er uiteindelijk toch niks komt.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Als ik er positief in zit, mag u ervan uitgaan dat ik dat wel doe. Neemt u dat met mevrouw Ferrier op; het is haar amendement. Ik hoor graag in de loop van de behandeling hoe het verder verloopt om u te kunnen adviseren.

De heer Klaver (GroenLinks):

De minister geeft aan dat de onderwijsconsulent die je kunt inzetten om advies te geven over het ontwikkelperspectief een zwaar middel zou zijn. Zo is het middel juist niet bedoeld. Het is bedoeld als een aanvulling op de geschillenprocedure. Dat zou verdere juridisering kunnen voorkomen. Kan de minister aangeven waarom dat een zwaar, misschien wel te zwaar middel is en waarom het geen aanvulling is op de geschillencommissie?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik vind het te zwaar om het te regelen in de wet. De onderwijsconsulent is beschikbaar. Die kan gewoon ingevlogen worden op het moment dat er een probleem is. Zijn of haar rol is veel meer: wat is hier gebeurd, hebben jullie daar- en daaraan gedacht. De geschillencommissie kan ook inhoudelijk meekijken. Ik wil niet én een onderwijsconsulent én een geschillencommissie én een klachtencommissie én misschien ook nog de Commissie Gelijke Behandeling. Dat wordt mij te veel. Ik vind het makkelijker als er een amendement ligt waarop je kunt doorborduren. Dan heb je een sobere aanpak.

De heer Klaver (GroenLinks):

Volgens mij is het amendement over de onderwijsconsulent toch echt anders. Er staat niet dat het moet gebeuren en dat een onderwijsconsulent zich ertegenaan moet bemoeien. Ouders en het bevoegd gezag krijgen de mogelijkheid om een onderwijsconsulent erbij te roepen op het moment dat zij er niet uitkomen. De onderwijsconsulent velt geen inhoudelijk oordeel, maar hoort zowel de ouders als het bevoegd gezag en kan van daaruit een advies geven. Dat is toch echt iets anders dan het amendement van mevrouw Ferrier, waardoor wij het zouden kunnen samenvoegen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

De samenvoeging zit wat mij betreft in de gedachte erachter: de twee amendementen waarin ik de gedachte rondom het ontwikkelingsperspectief bespeur en het amendement van mevrouw Ferrier waarop je mooi zou kunnen aanhaken. Maar dan moet je er wel samen iets van maken, want dan heb je het met elkaar gedaan. Ik hoef het helemaal niet in de wet te regelen, want iedereen mag de onderwijsconsulent erbij halen. Dat is gewoon een feit. Deze onderwijsconsulenten staan ter beschikking van een ouder of van een school die zegt: kom even erbij zitten, want wij komen er niet uit. Als je er dan niet uitkomt, laat je een deskundige ernaar kijken. Daarvoor vind ik de geschillencommissie plezierig, omdat die dat oordeel kan geven. De school moet daar zijn verhaal doen. Is de ouder het er dan nog niet mee eens, dan kan met steun van de geschillencommissie de rest van de procedure worden afgelopen.

Ik kom bij het amendement-Van der Ham op stuk nr. 22 om de zorgplicht wel te laten gelden bij de wachtlijst. Ik moet dit ontraden. Het is niet wenselijk om een voorrangspositie te creëren voor leerlingen die een extra ondersteuningsbehoefte hebben. Daarbij komt dat je van tevoren helemaal niet weet of een kind een ondersteuningsbehoefte heeft. De school zal dat eerst moeten onderzoeken. Die gaat pas aan de slag met een kind op het moment dat het aan de beurt is. Ik vind het beter dat kinderen met een ondersteuningsbehoefte en kinderen zonder een ondersteuningsbehoefte gelijk worden behandeld. Als ze aan de beurt zijn, dan zijn ze aan de beurt. En dan gaat de school bekijken of de leerling echt een extra ondersteuningsbehoefte heeft en, zo ja, of de school eraan kan voldoen of ergens anders een plekje moet zoeken.

De heer Van der Ham (D66):

In eerste termijn heb ik uitgebreid aangegeven waar het mij om te doen is. Ik wil niet dat leerlingen zomaar door hun ouders een etiketje krijgen opgeprikt. Nee, iemand moet geïndiceerd zijn en staat op een wachtlijst. En vervolgens gebeurt er niks. Dat moeten wij zien te voorkomen. Ik vrees dat er met dit wetsvoorstel een nieuw afvoerpuntje in het passend onderwijs ontstaat, namelijk de wachtlijst. Daar geldt dan namelijk de zorgplicht niet meer voor. Dat moeten wij echt zien te voorkomen. In reactie op mevrouw Ferrier heb ik gezegd dat het geen truc moet worden om kinderen te laten voordringen op een wachtlijst. Binnen een samenwerkingsverband moet er veel extra aandacht voor zijn dat er juist voor dit soort leerlingen een zorgplicht is. Je kunt ze niet laten bungelen. Daar ben ik heel erg bang voor. Met die uitleg heb ik het amendement ingediend. Als de minister zegt dat bepaalde zinnetjes uit het amendement moeten worden gehaald om iets ongewensts te voorkomen, dan ben ik daartoe bereid. Ik hoor dat graag van de minister.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik vind dat kinderen op een wachtlijst ten principale gelijk behandeld moeten worden. Als een ouder ervoor kiest om een kind op een wachtlijst te laten staan, is dat prima, maar als er ook kinderen zonder ondersteuningsbehoefte op staan die eerder aan de beurt zijn, dan zijn die kinderen eerder aan de beurt. Een school moet transparant zijn. Scholen kunnen niet impliciet een weigeringsbeleid hebben door kinderen gewoon nooit te behandelen. Dat kan niet aan de orde zijn. Als dat zo is, moet de inspectie er achteraan. Dat wil ik niet oplossen door elk kind met een extra ondersteuningsbehoefte bovenaan de wachtlijst te zetten. Dat is wat er feitelijk gebeurt.

De heer Van der Ham (D66):

Dat staat helemaal niet in het amendement …

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Maar het is wel wat er feitelijk gebeurt. De heer Van der Ham wijst op de zorgplicht en zegt dat er met die kinderen dus iets moet worden gedaan. Als de school een kind met die extra behoefte kan plaatsen, gaat dat kind op dat plekje zitten, terwijl andere kinderen misschien al langer wachtten.

De heer Van der Ham (D66):

Dat is niet wat er staat …

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Maar zo werkt het wel uit.

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter, mag ik een vraag stellen?

De voorzitter:

Ja.

De heer Van der Ham (D66):

Het samenwerkingsverband moet de zorgplicht waarmaken. Het samenwerkingsverband kan tegen ouders zeggen: wij vinden het verstandig dat het kind naar die school gaat. Als het kind vervolgens op een wachtlijst wordt gezet, kan dat zomaar einde oefening zijn. Een kind kan op zo'n wachtlijst staan en gewoon thuiszitten. Ik vind dat het samenwerkingsverband de zorgplicht serieus moet nemen. Als het ziet dat een zorgleerling heel lang op een wachtlijst komt te staan, dan moet het op zoek gaan naar een school waar het kind wel snel geholpen kan worden. Dat is wat ik beoog.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Stel dat een school een kind behandeld heeft, constateert dat hij de extra zorgvraag zelf niet kan leveren, en op zoek gaat naar een andere school. Het besluit kan pas genomen worden als er daadwerkelijk een andere plek voor een kind is. Als een kind dan weer maanden op een lijst komt te staan, dan loopt de tienwekentermijn af. Dan moet de zittende school het kind tijdelijk plaatsen. Op dat moment komt de urgentie wel op gang. Dan zal die plek gevonden worden. Wellicht moeten scholen onderling een procedure afspreken waarin, als een kind ergens op een school als extra ondersteuningsbehoeftig wordt geoormerkt, het kind niet onderop de wachtlijst komt te staan. Dat is een andere situatie. Dat moeten de scholen onderling regelen. Lukt het niet, dan ziet de school met de zorgplicht de tienwekentermijn aflopen en moet hij de tijdelijke plaatsing op zich nemen. Ik wil dat niet hiervandaan dichtregelen. Dit moet men gewoon onderling bespreken.

De heer Van der Ham (D66):

Ziet de minister het gevaar dat de wachtlijst …

De voorzitter:

Dit is uw vierde keer …

De heer Van der Ham (D66):

Nee, het is de derde keer.

De voorzitter:

Dan kunt u niet tellen.

De heer Van der Ham (D66):

U moet het zeggen, u bent de voorzitter.

De voorzitter:

Ik heb het gezegd.

De heer Van der Ham (D66):

Dan doe ik het in tweede termijn.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Ik denk dat wij allemaal willen dat de zorgplicht zo effectief mogelijk wordt en dat het aantal uitzonderingen waarmee scholen kunnen zeggen dat de zorgplicht niet bij hen komt te liggen, zo min mogelijk is. Toch is dit er een, en wel een riskante. Wachtlijsten zijn soms gemakkelijk te creëren. Dat kan een heel eenvoudige manier worden. Je creëert als school een wachtlijst bij de toelating en daarmee kun je tegen iedereen die zich meldt, zeggen: sorry, we hebben een wachtlijst dus we hebben geen zorgplicht. Gaat u vooral naar een andere school of we zetten u op een wachtlijst. Ik vind het tricky. Wachtlijsten zijn ongelooflijk gemakkelijk te manipuleren.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dan hebben we het over het toelatingsbeleid van scholen in het algemeen. Dat moet transparant zijn. Daar waar aantoonbaar de zaak getraineerd wordt et cetera, moet de inspectie optreden. Het gaat mij te ver om te zeggen dat een school voor leerlingen die op een wachtlijst staan, de zorgplicht moet vervullen. De school moet dan namelijk voor alle leerlingen die op de wachtlijst staan en waarvan de ouders aangeven dat ze extra ondersteuning nodig hebben, onderzoeken of er inderdaad extra ondersteuning nodig is. Is dat niet het geval, dan heeft men een enorme inspanning gepleegd terwijl het kind nog niet aan de beurt is en ook niet aan de beurt komt, tenzij de wachtlijst opgelost is. Ik denk dat we generiek beleid moeten hebben: dat geldt zowel voor artikel 23 waar het gaat om het onderschrijven van de grondslagen van de school als voor de wachtlijst, namelijk dat kinderen gelijk behandeld worden. Als we in de loop der tijd zien dat er problemen zijn met de wachtlijsten, dan moeten we er wat aan doen maar dan is er allereerst de inspectie die een school hierop kan aanspreken. Ik zou dat nu niet allemaal willen vastleggen. Ik vind dat je kinderen dan in een bevoorrechte positie plaatst en dat je scholen opzadelt met allerlei onderzoeken. Als ouders namelijk heel graag hun kind op een bepaalde school willen, kunnen ze wel zeggen dat het kind extra ondersteuning nodig heeft. Dan moet de school dat gaan onderzoeken terwijl het kind nog helemaal niet aan de beurt is. Ik vind er veel nadelen aan zitten om het op die manier te doen en wil gewoon de gulden regel hanteren: er is een wachtlijst, er is een artikel 23 en op het moment dat het kind bij de school naar binnen kan en het heeft extra ondersteuning nodig, gaat de zorgplicht in. Ik ontraad het amendement.

Ik schijn het amendement op stuk nr. 21 over te slaan, maar ik heb dat amendement niet in mijn bezit. Als iemand het wel heeft, houd ik mij zeer aanbevolen, dan kan ik er iets over zeggen.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

In eerste termijn heb ik amendement op stuk nr. 21 ingetrokken.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Het is er al niet meer. Ik kom bij het amendement op stuk nr. 23 van de heer Dijkgraaf. Het gaat om artikel 29 van de WMS: "de mogelijkheid om instemming om te zetten in adviesrecht wordt van toepassing verklaard op de ondersteuningsplanraad indien bij ten minste twee derde van de deelnemende scholen in het samenwerkingsverband een mr gebruik maakt van dit artikel". Dit betreft een andere wetgeving dan die wij hier aan de orde hebben. Wij hebben het over het regionaal ondersteuningsplan. Ik zou de discussie niet met allerlei zaken willen belasten. Ik denk niet dat er een lijk valt, maar ik ben terughoudend met allerlei aanpassingen. Instemming of advies: het ligt dicht bij elkaar. Voor allebei geldt dat je een procedure in werking moet stellen op het moment dat je er niet uit komt met elkaar. Ik zou het willen laten zoals het is. Ik ontraad het amendement.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Vanuit de lijn van de minister snap ik het wel. Aan de andere kant is het in lijn met andere regelgeving die we op dit punt hebben. Ik neem aan dat de minister er ook geen bezwaar tegen heeft, mocht de Kamer zo verstandig zijn om het amendement aan te nemen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik ontraad het amendement maar ik zal de wet er niet voor intrekken. Ik zeg echter ook: let op dat je niet te veel regelt.

Ik heb hier het advies van de heer Dijkgraaf en mevrouw Ferrier over het kernvoorstel van het amendement in het wetsartikel over het leerlingenvervoer: "moet bij een voorziening die voor een leerling passend is toegevoegd worden die rekening houdt met de van ouders redelijk te vergen inzet". Uit het amendement begrijp ik dat de heer Dijkgraaf wil regelen dat er door het college van B&W aangegeven wordt wat men redelijk vindt qua tijd. Ik hecht er zeer aan om aan te geven dat dit aan het college van B&W is. De gemeenteraad zal daar zijn voordeel mee doen. Als die vindt dat het niet goed is, kan er een discussie plaatsvinden. Het amendement kan geen kwaad. Het geeft voor ouders iets meer zekerheid op het lokale niveau. Dus ik kan ermee leven om het op die manier te doen. Ik heb het ook gevraagd aan de VNG omdat ik wist dat het er aankwam en ook die kan ermee leven. Overigens blijft de bevoegdheid liggen bij B en W om te beslissen over wel of geen leerlingenvervoer, maar het geeft iets meer rechtszekerheid voor ouders.

Dan kom ik op het amendement op stuk nr. 29, dat regelt dat in een samenwerkingsverband ook met buitenlandse scholen in de grensregio's samengewerkt kan worden. Samenwerkingsverbanden en/of scholen kunnen als ze dat willen altijd samenwerken met scholen in het buitenland. In de regel hoeft dat niet, want het zijn de ouders die kiezen voor een school in het buitenland. Nederlandse scholen hebben daar niets mee van doen. Alleen Leerplicht in Nederland heeft daarin een taak. Daar hebben wij vaker over gesproken; de heer Biskop was en is er altijd bij betrokken. Het kan niet zo zijn dat een samenwerkingsverband het dekkende aanbod deels invult door samen te werken met een school in het buitenland, waardoor ouders verplicht worden om hun kind daar op school te doen. Er wordt gevraagd om in de wet op te nemen om in een imperatieve AMvB te regelen hoe de samenwerking moet worden vormgegeven. Dit is overbodig en ongewenst, aangezien de samenwerking al mogelijk is. Het alternatief is om een kan-bepaling in de wet op te nemen.

Wat betreft het leerlingenvervoer naar de buitenlandse scholen in de grensregio's is de gemeente aan zet. Over dat laatste zijn door D66 al eerder Kamervragen gesteld. We waren in de veronderstelling dat gemeenten geen vervoer naar het buitenland mochten vergoeden, maar in de beantwoording heb ik kunnen toelichten dat dit wel kan. Het kan dus gewoon. Om het dan weer te gaan regelen, vind ik toch wat overbodig.

De heer Van der Ham (D66):

Begrijp ik nu goed dat de minister zegt dat als er een kan-bepaling van die AMvB-oplossing wordt gemaakt, ze het dan wel zou steunen? Dat vind ik prima. Het gaat mij hierom. Als een instelling in een grensregio aangeeft heel goed samen te kunnen werken met een speciaalonderwijsinstelling of wat dan ook over de grens, hetgeen beter voor de leerlingen is en ook kortere reistijden met zich brengt, dan vind ik dat daar een wettelijke basis voor moet zijn en dat men daarvoor dan bij de minister moet kunnen aankloppen. Ik wil dat haakje graag in de wet maken. Als dat op een nog mildere manier kan, vind ik het prima om er een kan-bepaling van te maken.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Laat ik daar even in de tweede termijn op terugkomen. Het is een wat technisch punt en ik zit net even wat minder goed in deze materie.

Dan kom ik op het amendement-Dijsselbloem/Van der Ham op stuk nr. 31. Daarin wordt voorgesteld om de wet niet eerder dan twee jaar na aanvaarding door de Staten-Generaal van kracht te laten worden, zoals ook geadviseerd is door de ECPO en Onderwijsraad. Vooruitlopend op de wetgeving passend onderwijs is ook al ervaring opgedaan via pilots, waaronder de veldinitiatieven. Uiteindelijk is er besloten om het te faseren. De facto is er per 1 augustus 2012 weliswaar de wet, maar de feitelijke echte invoering is per 1 augustus 2013. Als ik dat optel bij de periode dat we al over dit verhaal praten en daarbij gevoegd de bekendheid dat dit er gaat komen, heb ik het idee dat het redelijk is om het op deze manier te doen. Misschien is het ook wel goed om aan te geven dat wanneer we het niet zo doen, we op een andere manier de bezuinigingen moeten vinden, die ik nu voor een deel uit de bureaucratie haal die ik op kan heffen op het moment dat we de zaken conform het tijdschema doen, het uitgestelde tijdschema dat meer rust en zorgvuldigheid brengt. Dat zou ik een slechte zaak vinden, want dan moet ik het misschien in het primaire proces gaan vinden en dat zou ik een gemiste kans vinden. Dus alles bij elkaar genomen, zeg ik: laten we het zo doen. Ik heb al gezegd dat ik de vinger erg goed aan de pols houd om daar waar nodig in te kunnen grijpen, te ondersteunen et cetera. Ik ontraad derhalve het amendement.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Ik begrijp de politieke haast van de minister. Mijn stelling zou zijn dat op het moment dat de wet volledig is behandeld tot en met de Eerste Kamer, het veld weet waar het aan toe is. We behandelen vandaag een ongelofelijke dikke wet met een ongelofelijke stapel amendementen. Dus het veld is nog steeds in afwachting van wat er nog precies uit gaat komen qua rechten en plichten. Dus dan is de politieke druk ervan af. De minister heeft het dan over de streep getrokken. Wat zou er tegen zijn om dan de invoering te faseren zodat het zorgvuldig kan gebeuren? De minister weet net zo goed als ik dat heel veel samenwerkingsverbanden nog moeten worden opgezet, veel zaken nog moeten worden geregeld, budgetten moeten worden verdeeld, plannen moeten worden gemaakt, ondersteuningsplanraden moeten worden opgericht en zo kan ik nog wel even doorgaan. De minister neemt een groot risico door het wetsvoorstel er op deze manier door te drukken. Je kunt misschien nog twisten over de vraag of dat risico in de Kamer bestaat, maar voor het veld maakt dit de situatie buitengewoon kwetsbaar.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik wijs nogmaals op de gefaseerde invoering, waardoor de feitelijke invoering de facto later zal plaatsvinden. Ik heb ook aangegeven dat ik de komende tijd de vinger buitengewoon goed aan de pols zal houden. We hebben met elkaar ook evaluatiemomenten afgesproken. We zullen stap voor stap te werk gaan. Als het nodig is, zal ik niet nalaten om in te grijpen.

Ik kom bij het amendement-Van der Ham/Dijsselbloem (stuk nr. 32), waarin het punt van de overeenstemming tussen het samenwerkingsverband en het college van B en W aan de orde komt. Het gaat me te ver om te eisen dat overeenstemming wordt bereikt. Ik heb het in het wetsvoorstel over "op overeenstemming gericht overleg". Dat vind ik belangrijk. Er is ook een verplichting tot het beslechten van geschillen. Dat vind ik ook belangrijk. Het instemmingsrecht van de gemeenten ten aanzien van het ondersteuningsplan is mijns inziens niet de oplossing. Een eenzijdige instemming met ondersteuningsplannen door gemeenten geeft geen garantie op een goede afstemming. Dit doorkruist bovendien de eigen verantwoordelijkheid van de scholen, die over veel meer gaan dan alleen over de directe relatie tussen de gemeenten en bijvoorbeeld de jeugdzorg en het leerlingenvervoer. Er is ook een sterke onderwijskant. Verder kan het instemmingsrecht van elke gemeente bij verschil van opvatting tussen de gemeenten complicerend werken in de besluitvorming. Ik heb, met de VNG, wel nagedacht over mogelijkheden om op sectorniveau iets te regelen. Daar wil ik mijn schouders best onder zetten, maar ik wil het niet zo zwaar maken.

De heer Van der Ham (D66):

De minister zegt dat we de eigenstandigheid van scholen moeten respecteren, maar de gemeenten zijn aan zet als het gaat over de huisvesting. We hopen dat er een soort symbiose met de jeugdzorg ontstaat. De heer Dijsselbloem en ik hebben het daar ook uitgebreid over gehad. Dan is het toch van groot belang dat er minimaal een afspraak komt die bepaalt dat we elkaar in de ogen kijken en dat er instemming moet zijn. In 99 van de 100 gevallen gaat dat goed, want dat gebeurt in heel veel gemeenten al goed. We moeten echter wel regelen dat er een haakje in de wet is om het harder te maken. Ik vraag de minister – de VNG en de grote steden doen dat ook – om ervoor te zorgen dat dit in het wetsvoorstel goed is afgehecht, want anders zullen er problemen ontstaan. Ik voeg daaraan toe: alle problemen waar deze ministers en de andere ministers in het kabinet het over hebben betreffende de samenwerking tussen dat soort instanties, kunnen we nu goed regelen middels dit amendement.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Andersom zal van de gemeenten worden gevraagd dat ze met scholen overleg voeren over het jeugdhulpverlenings- en jeugdzorgbeleid. De scholen zullen echter uiteindelijk geen instemmingsrecht hebben. Ze zullen er met elkaar uit moeten komen. Ik wil er daarnaast op wijzen dat er ook samenwerkingsverbanden zijn waarin misschien wel 20 of 30 gemeenten vertegenwoordigd zijn, met name op het platteland. Ik vind dat te risicovol. Als één gemeente overdwars gaat, dan staat het hele proces stil. Ik vind het prima dat men op overeenstemming gericht overleg heeft. Dat is ook een toets om te bezien of men echt zijn best heeft gedaan om er samen uit te komen. In de achtervang is er dan de geschillenregeling waarvan ik wettelijk heb vastgelegd dat men die met elkaar vorm en inhoud moet geven. Dan vind ik dat dit echt in voldoende mate gebeurd is. Ik ben de gemeenten al tegemoetgekomen, want ik had in eerste instantie "na overleg" staan. Dat gaf misschien te veel mogelijkheden om te zeggen "ik heb overlegd; klaar". Nu moet men op overeenstemming gericht overleg voeren. Dat is een aanpassing ten opzichte van het concept dat de internetconsultatie in was gegaan. Ik heb dus al een stap gezet, maar ik vind dat de verantwoordelijkheden en de continuïteit van het proces op een goede manier gewaarborgd moeten zijn.

De heer Van der Ham (D66):

Nogmaals: dit is een grote wens van de gemeenten, die vinden dat zij op dit punt onvoldoende gehoord zijn. Het amendement gaat over de geschillenregeling; daarover hebben wij het nieuwe amendement ingediend. Volgens mij moet u hier straks in de tweede termijn op terugkomen, want volgens mij hebt u gereageerd op iets wat daar niet staat.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik kijk daar nog even goed naar; het zou kunnen. Het gaat mij er echter om dat wij geen verplichtingen neerleggen naast datgene wat nu reeds in de wet geregeld is.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Ik probeer het nog iets scherper te krijgen. Het amendement regelt niet dat de gemeenten een groen of rood licht kunnen geven. Het geeft de gemeenten dus niet het recht om dit te blokkeren. Er staat alleen: als het op overeenstemming gerichte overleg er niet uit komt, moet er wel een procedure zijn. Begrijp ik nu dat de minister zegt dat die er al is, dat die in algemene zin is geregeld en dat die hier ook van toepassing zal zijn?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ja, wij moeten een geschillenregeling maken. Ik kan mij voorstellen dat allemaal verschillende geschillenregelingen op een rij wat lastig is. Dan moeten de sectoren met elkaar iets doen.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Dit gaat over de situatie dat de gemeenten en de samenwerkingsverbanden er niet uitkomen. Dan is er straks gewoon een procedure om er een klap op te geven.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Klopt.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

De minister moet dan nog eens naar het amendement kijken. Dan kijken wij nog eens naar de feitelijkheid.

De minister maakt een opmerking over sectoren die iets zouden kunnen regelen. Ik heb in het debat met de staatssecretaris voor jeugdzorg, mevrouw Veldhuijzen, gevraagd om te bevorderen dat er convenanten komen tussen de onderwijssectoren en de VNG over hoe samen te werken op het gebied van passend onderwijs en jeugdzorg. Het moet echter ook wederkerig zijn. Kan de minister zeggen of hierbij enige voortgang is geboekt?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ja. De heer Dijsselbloem vroeg eerder naar het aantal pilots. Er zijn er 35 aangemeld, waarbij zo'n zestig gemeenten zijn betrokken. De pilots zijn voorbeelden van uitproberen hoe goed samen te werken. Ik merk dat bijvoorbeeld in Amsterdam en ook Rotterdam scholen en gemeenten heel gemotiveerd zijn om met elkaar afstemming en meerwaarde te realiseren. Het loopt wel. Dat moet ons handvatten geven over hoe wij het in de komende tijd beter kunnen doen. Dit zijn de voorlopers.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik ga de minister een motie uitsparen. Ik heb een motie in voorbereiding op dit punt, met het verzoek aan de minister om samen met VNG en sectororganisaties zo mogelijk in 2012 met een regeling te komen om het op nationaal niveau te doen, zodat wij niet voor verschillende gemeenten verschillende regelingen krijgen. Als de minister toezegt dat zij hier druk op zet, vinden wij elkaar volgens mij. De regeling moet er komen. Wij zouden er zeer aan hechten om niet weer een paar honderd van dat soort geschillencommissies te zien ontstaan. Dan is het einde zoek.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ja, bij dezen. Ik wil de samenwerkingsverbanden en de gemeenten wel de ruimte laten om er gebruik van te maken. Ik ben ervan overtuigd dat het een hoop gedoe scheelt. Als het er is, kan men er immers ook gebruik van maken. Ik vind het prima. Ik ga het met VO-raad, PO-Raad en VNG overleggen.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik onderstreep dat het op basis van vrijwilligheid is. De minister heeft ook de datum van 2012 genoteerd en dat het met spoed moet gebeuren?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ja, het moet met spoed. Ik kijk ook even naar de indieners van het amendement. Er is dan sprake van "op overeenstemming gericht overleg", wat zij blijkbaar ook niet wilden veranderen in "instemming". Ik verkeerde in die veronderstelling. Dat had ik dus fout. Ik ga dus richting VNG, PO-Raad en VO-raad om te vragen om hiervoor een voorziening te creëren waarvan gemeenten en samenwerkingsverbanden gebruik kunnen maken. Ik vind het prima om het op deze manier te doen.

Dan mijn advies over het amendement op stuk nr. 33 van de heer Van Dijk. Die gaat erover dat als de wet vijf jaar na inwerkingtreding van de wet geëvalueerd wordt, en de Tweede Kamer van oordeel is dat de effecten van de wet onwenselijk zijn, de wettelijke situatie teruggedraaid wordt. Ik vind het heel vreemd om dat in de wet vast te leggen. Volgens mij geeft het ontzettend veel onzekerheid voor de scholen. Wij gaan evalueren. De Kamer is vervolgens mans genoeg om in meerderheid iets anders te bedenken als men het allemaal niks vindt. Ik mag het hopen van niet, maar dit lijkt mij niet wenselijk. Dit hangt er als een soort "slagschip" boven.

Het amendement op stuk nr. 34 van de heer Van Dijk regelt dat het wetvoorstel pas in werking treedt nadat de Kamer een invoeringstoets heeft ontvangen. Die discussie heb ik eerder al gevoerd met de heer Dijsselbloem. Ik heb gezegd wanneer wij evalueren. Die evaluatie komt in de Kamer aan de orde. Januari 2013 is het eerste moment. Ik zal niet schromen om in te grijpen of bij te sturen en maatregelen te nemen, te steunen, als dat nodig is. Ik vind dit niet wenselijk omdat het naar mijn idee niet mogelijk is.

Dan het amendement op stuk nr. 35 van de heer Van Dijk. Met dit amendement wordt geregeld dat de minister verantwoordelijk is voor het scheppen van een toereikend aanbod in het speciaal onderwijs. De discussie van daarnet over de discretionaire bevoegdheid is daaraan verbonden. Ik ontraad dit amendement. De verantwoordelijkheid ligt bij de scholen. Het speciaal onderwijs en het regulier onderwijs werken samen in het regionale verband. Beide partijen moeten samen bekijken hoe zij zo goed mogelijk met de middelen omgaan. Ik ga niet in die verantwoordelijkheid treden.

Het amendement op stuk nr. 36 van de heer Van Dijk regelt dat alle AMvB's uit dit wetsvoorstel worden voorgehangen bij de Staten-Generaal. Het voorhangen van alle amendementen zal leiden tot langdurige procedures. Ik ken de wensen van de Kamer op vele terreinen en zal deze op een ordentelijke manier toepassen. Maar, om het zo te zeggen, ik regeer en de Kamer controleert, en ik wil niet in de omgekeerde situatie terechtkomen. Doe ik het niet goed, dan word ik graag naar de Kamer geroepen; ik kom hier namelijk altijd met plezier. Daarbij komt dat vele AMvB's ook al een nahangprocedure hebben. Ik ontraad dus dit amendement.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Over het amendement op stuk nr. 35 wilde ik alleen zeggen dat het nog wordt aangepast, maar de minister had de essentie ervan wel te pakken: wat kan de minister doen als het aanbod van het speciaal onderwijs echt te veel afneemt? De minister kan nu een aanwijzing geven en een boete geven aan bestuurders die er – om het even in mijn woorden te zeggen – een potje van maken. Maar met die boete schieten leerlingen natuurlijk niet zo veel op. Daarom wil ik de minister nog een ander instrument geven om te kunnen ingrijpen, namelijk om tegen een bestuurder te kunnen zeggen: dit pik ik niet, het aanbod moet goed blijven, u moet op non-actief worden gesteld. Ik geef dit de minister graag in overweging.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik kijk in grote dankbaarheid naar meneer Van Dijk, omdat hij mij altijd allerlei instrumenten wil geven. Dat is heel mooi, maar als je ergens verantwoordelijkheid neerlegt, moet je die daar ook neerleggen.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Voorzitter. Het amendement op stuk nr. 36 is het amendement op stuk nr. 56 geworden, en is nu medeondertekend door mevrouw Ferrier. Dat komt doordat de heer Dijsselbloem daarover een vraag heeft gesteld: zou het geen min zijn? Nee, het moet een plus zijn als een school iets extra's zou willen doen. In de toelichting hebben we dit zo opgenomen, om verwarring te voorkomen.

De voorzitter:

Het gaat om het gewijzigde amendement, in plaats van het amendement op stuk nr. 38.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik behandel het nu toch maar voor het gemak. Dit amendement regelt dat het samenwerkingsverband alleen beperkingen kan stellen aan het door de school gewenste schoolondersteunend profiel, wanneer het profiel voor het samenwerkingsverband een onevenredige belasting vormt, onder meer in financiële zin. Het punt van de heer Dijsselbloem had ik ook ten aanzien van dit amendement: het mag niet zo zijn dat daarmee scholen wegduiken voor een basisarrangement; dat kan niet de bedoeling zijn. De heer Dijkgraaf zegt dat hij dit heeft aangepast met de zaken die hij in de toelichting heeft veranderd. Ik zie dat als een plus, om maar even van "min" naar "plus" te gaan. Dit betekent dat hij het heeft over scholen die zo veel mogelijk leerlingen willen opvangen. Ik vind het erg belangrijk dat hij aan het eind van het betoog heeft toegevoegd dat het amendement de verantwoordelijkheid van het samenwerkingsverband onverlet laat om afspraken te maken met scholen, met het oog op het creëren van een dekkend ondersteuningsaanbod. Daarmee wordt duidelijk dat dit uiteindelijk gewoon een regionaal samenwerkingsverband is, waarin partijen met elkaar eruit moeten komen; zowel in financiële zin als met betrekking tot het dekkingsverhaal. Ik begrijp dat er bredere steun is voor dit amendement. In dit amendement zie ik eigenlijk de geest van de wet weerspiegeld, dus eigenlijk zou ik moeten zeggen dat het overbodig is. Ook wordt de positie van de kleinere scholen erin geëxpliciteerd en ik denk dat dit voor velen in de Kamer zijn aantrekkelijkheden heeft. Ik denk dat het uiteindelijk niet afwijkt van de geest van de wet, dus met dit amendement kan ik leven. Wel heb ik de behoefte om dit goed in de gaten te houden, zodat dit goed verloopt en ik, indien nodig, op een bepaald moment bij de Kamer kan terugkomen met de boodschap dat het niet helemaal is gegaan zoals wij hadden gedacht. Maar mijn beeld is dat dit amendement in de geest van de wet is. Het geeft ruimte om te doen wat wij juist willen: kinderen zo veel mogelijk op de eigen, reguliere school. Dit luistert nauw, dus ik wilde dit wel even goed uiteenzetten. Het sluit ook aan bij de zorg die de Raad van State had en dat is op zich ook een goede zaak.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik wil dat toch wel even benadrukken, want de Raad van State had niet voor niets als commentaar de vraag of artikel 23 wel goed is gewaarborgd. Het is verder inderdaad in lijn met de geest van de wet. Omdat dat zo is, lijkt het mij goed om dat te expliciteren. Het is natuurlijk prima dat de minister hierop terugkomt op het moment dat hiervan misbruik wordt gemaakt. Dat geldt overigens natuurlijk voor alle artikelen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik wil het hier wel expliciet bij vermelden.

De voorzitter:

Minister, u komt nu toe aan het amendement op stuk nr. 39. Dat is echter vervangen door het amendement op stuk nr. 58.

De heer Elias (VVD):

Voorzitter, mijn tweede interruptie vandaag!

De voorzitter:

U hoort mij ook niet. Fijn dat u er bent!

De heer Elias (VVD):

Bij de behandeling van het vorige amendement sprak de minister over "goed in de gaten houden", "in de geest van de wet" en "een verduidelijking". Ik snap dat, maar ziet de minister het wel als een maatregel die alleen in het uiterste geval mag worden gebruikt? Bestaat verder niet het risico dat scholen zich onttrekken aan het samenwerkingsverband? Daarover word ik graag gerustgesteld.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Daarom is het juist zo belangrijk dat de heer Dijkgraaf in zijn toelichting op het amendement schrijft dat het amendement de verantwoordelijkheid van het samenwerkingsverband onverlet laat om afspraken te maken met scholen met het oog op het creëren van een dekkend ondersteuningsaanbod. Dat is de taak van het samenwerkingsverband en die taak laat het amendement onverlet. Dat is inderdaad belangrijk. Verder wordt het in de context van de wet geplaatst, waardoor het eigenlijk een explicitatie is van de positie van de scholen. Bovendien willen wij dat scholen zelf zo veel mogelijk gaan doen en dat er voldaan wordt aan de eisen van de Algemene wet gelijke behandeling. Als een school niet kan aantonen dat hij het niet kan doen, dan heeft de ouder gewoon ook het recht om op die school te zijn. Dat is ook nog eens een punt dat erbij komt. Daarom zei ik ook dat het amendement eigenlijk overbodig is, maar dat het wel de zorg iets expliciteert. En daardoor vind ik het aanvaardbaar. Maar ik houd het wel in de gaten. Ik wil de wet gewoon zo licht mogelijk houden. Hij is namelijk, zoals de heer Dijsselbloem onderstreept, toch al best wel dik.

De voorzitter:

De leden hebben zich voor in totaal anderhalf uur spreektijd in tweede termijn ingeschreven. Dat zijn echt grote getallen en wij moeten dan ook tempo gaan maken. Doen wij dat niet, dan krijg ik het vandaag niet af. En dat is wel wat een deel van de leden graag wil.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Voorzitter, dan kom ik nu toe aan het amendement op stuk nr. 39 van mevrouw Ortega-Martijn. U zei echter dat dit amendement is vervangen door een ander amendement.

De voorzitter:

Dat is het amendement op stuk nr. 58.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dat amendement heb ik nog niet in mijn bezit. Ik sla het daarom maar even over. Ik ontvang dat amendement op stuk nr. 58 graag alsnog.

Dan ga ik maar verder met het amendement op stuk nr. 40 van mevrouw Ortega. Dit amendement regelt dat het ondersteuningsplan wordt vastgesteld voor de periode van een jaar. Ik ontraad de aanneming van dit amendement. Het is al mogelijk. Het is aan de regio om te beslissen of men dat wel of niet doet. Vier jaar is de maximumtermijn, maar het is ook mogelijk om het eerder te doen.

Ik kom dan nu toe aan het amendement op stuk nr. 41 van de heren Klaver en Dijsselbloem om de voorzieningen voor de basisondersteuning landelijk vast te leggen. Het is ondoenlijk om dat in de regelgeving uit te werken. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de uitwerking van de definities, want die definities zijn niet eenduidig te maken. Ik heb echter wel sympathie voor het amendement van de heer Elias, want dat amendement regelt dat het moet gebeuren. Vervolgens zal men het op regionaal niveau met elkaar moeten regelen. Misschien moeten deze leden bezien of zij hun amendementen in elkaar kunnen schuiven, want ik kan alleen met het amendement van de heer Elias goed leven. Ik krijg namelijk van de regio's het signaal dat ik in ieder geval moet aangeven dat er een basisprofiel moet zijn om iedereen zijn steentje bij te laten dragen. Vervolgens moet men op regionaal niveau uitdiscussiëren wat er precies onder valt, maar dat past natuurlijk goed bij de vrijheid op regionaal niveau.

Het amendement op stuk nr. 41 ontraad ik en het amendement op stuk nr. 42 van de heer Elias ondersteun ik. Daarmee heb ik beide amendementen behandeld.

De heer Klaver (GroenLinks):

De minister zegt dat het ingewikkeld is om het in de wetgeving op te nemen. Er ligt een amendement en daarin staat hoe je het in de wet op zou kunnen nemen. Dat hebben wij overgenomen uit het referentiekader en daarover bestaat wel overeenstemming met het veld. Wat is dan eigenlijk nog de belemmerende werking van dit amendement voor de samenwerkingsverbanden?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Het is mogelijk dat sommige samenwerkingsverbanden een wat smallere basisprofielbenadering kiezen voor de scholen omdat zij de voorkeur geven aan meer specialisatie. Dat hangt samen met de financieringsmodellen. U hebt net als ik het referentiekader gelezen en daaruit blijkt dat er verschillende financieringsmodellen zijn. Die bieden de mogelijkheid om te specialiseren of te generaliseren. Ik laat dat graag over aan de regio's zelf. Het met elkaar afspreken van een basisprofiel, conform het amendement-Elias, kan een toegevoegde waarde hebben. Ik sta daar positief tegenover. Dat sluit ook een beetje aan bij wat u wilt, maar het gaat iets minder ver.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik begrijp dat de regionale samenwerkingsverbanden de vrijheid moeten hebben om te kunnen differentiëren, maar ik trek toch graag een vergelijking met de ziektekostenverzekering. Wij hebben allemaal dezelfde basisverzekering. Daarmee is voor iedereen in Nederland een bepaald niveau van zorg gegarandeerd. Daarbovenop kan bij de ziektekostenverzekeringen tot concurrentie worden gekomen met maatwerk. Waarom zou in het onderwijs niet voor iedereen dezelfde vorm van basisondersteuning kunnen worden geboden? Dat zou de rechtsgelijkheid van ouders en leerlingen sterk bevorderen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik zit wat dat betreft in het socialistische partijmodel van "alles in de ziektekosten". De vraag is echter: waar is de uitvoering? Het is niet zo dat als er een basisprofiel is, de rest niet geleverd wordt. Het wordt alleen op een andere manier geleverd. Er kan voor gekozen worden om alles op de reguliere school te doen, maar er kan ook voor gekozen worden om een deel specialisatie binnen het regulier onderwijs elders in de school te bieden of in het speciaal onderwijs. Het hele "pakket", om maar even in ziekenfondstermen te blijven, wordt geleverd.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Wij behandelen een voorstel tot een heel dikke wet waarin de minister van alles regelt. Bij mij begint echter een bepaald beeld te ontstaan. Van amendementen van de oppositie zegt de minister: dat hoeft allemaal niet, dan komt het tot nog meer regelingen terwijl ik het juist licht wil houden. De amendementen van de coalitiefracties zijn echter prima. Daarbij heb ik het argument van licht houden en niet regelen nog niet gehoord. Ik zeg dit toch maar even, op een momentje tussendoor. Ik stel dit even vast. Als voor alle oppositieamendementen geldt dat de wet er te zwaar van wordt en voor alle coalitieamendementen geldt dat ze kunnen worden overgenomen, dan kunnen wij in één keer alle amendementen afhandelen. Ik hecht er echter aan om ruimte te geven. Dit gaat niet om de grote politieke strijdpunten maar om de techniek en de zorgvuldigheid van wetgeving. Ik wil in dat verband dat wij allemaal hetzelfde worden behandeld.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik ben het daarmee op twee punten volstrekt oneens. Ik ben net bezig geweest om uw zorgen rond het ontwikkelingsprofiel te verbinden aan wat mevrouw Ferrier naar voren heeft gebracht. Ik weet dat mevrouw Ferrier heel sterk hecht aan de klachtenprocedure in plaats van een geschillencommissie in relatie tot het ontwikkelingsprofiel. Ik deed dat om tegemoet te komen aan uw zorgen. Ik heb in relatie tot de VNG gezegd dat ik bereid ben om te overleggen over een landelijke voorziening. Ik doe dat voor u, juist omdat ik uw zorgen wil verbinden aan andere zaken. Ik vind dit dan ook niet leuk of terecht. Verder gaat dit punt niet over de techniek. Dit gaat over de ruimte die een regio heeft. Ook in het licht van wat u naar voren brengt – uw amendement was mij natuurlijk bekend – heb ik gezegd dat ik voor een deel zal doen wat ook de heer Elias wil. Die zorg blijkt immers breder te leven. U wilt veel meer regelen, en dat is in Nederland ter linkerzijde ook gebruikelijk. Dat is ook helemaal niet erg, maar zo ver ga ik daarin niet mee. Ik heb net voorbeelden genoemd van mijn verbindend optreden, zodat wij er met elkaar wat moois van maken. Ik had dat ook niet kunnen doen. Ik heb er heel bewust en zorgvuldig over nagedacht, juist vanwege de zorg achter uw amendementen.

De voorzitter:

Minister, ik snap uw betrokkenheid, maar ik verzoek u wel om via mij te spreken in plaats van rechtstreeks tegen de leden. Door elkaar rechtstreeks aan te spreken, wordt het allemaal veel persoonlijker.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ja. Ik doe het meestal goed. Voorzitter, u hebt gelijk.

De voorzitter:

Laten wij het houden bij het onderwerp. Ik geef het laatste woord op dit punt aan de heer Dijsselbloem. Daarna gaan wij verder met de volgende vragen.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Voorzitter. Ik had niet beoogd om een heel tussendebat te voeren. Mijn punt is het volgende. De minister legt een dik wetsvoorstel neer waarin heel veel wordt geregeld. Met een argument als "u voegt regels toe en dat doet links altijd" heb ik dan helemaal niets. Dat is geen inhoudelijk argument. Als wij het zo gaan doen, dan moeten wij maar ophouden. Tot nu toe is bij elk oppositieamendement het argument gegeven dat wij het dicht willen regelen en de minister het licht wil houden. Dat is gewoon niet waar. Over het amendement van de heer Van der Ham en mij over de geschillencommissie heeft de minister bijvoorbeeld gezegd: laten we dat niet doen. Laten we dat van mevrouw Ferrier doen. Het amendement van ... Ik moet even nadenken maar ik weet wel dat mijn naam er in ieder geval onder staat.

De voorzitter:

Niet te veel voorbeelden geven en geen inleidingen houden.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Er was er zojuist nog een. Dat had betrekking op het basiszorgniveau. Daarover zei de minister ook: laten we dat van de heren Klaver en Dijsselbloem niet doen. We doen dat van Elias. Dat patroon moet zich niet herhalen.

De voorzitter:

Mijnheer Dijsselbloem, uw punt is duidelijk. Ik geef het woord aan de heer Klaver om in te gaan op een nieuw punt in plaats van op hetzelfde punt. Dat ene punt hebben we inmiddels wel uitgesproken.

De heer Klaver (GroenLinks):

Omdat de minister ons toch aansprak met "links" en zij sprak over het niet willen dichtbreien van het gehele onderwijsveld, haal ik een heel kort citaat aan van de heer Beertema: de huidige onderwijskoers van dit kabinet is een regelbrei, omdat de overheid te veel afstand houdt. Met meer decentralisatie wordt die afstand groter.

Het is de eigen gedoogpartner die aangeeft dat juist dit kabinet er een regelbrei van maakt en niet "links".

De voorzitter:

Reageert u straks in één keer, minister.

Ik geef het woord aan de heer Van der Ham.

De heer Van der Ham (D66):

"Links" laat ik mij helemaal niet zeggen, want ik ben een liberaal.

De voorzitter:

Dat is een persoonlijk feit. Mijnheer Van der Ham, kom op!

De heer Van der Ham (D66):

Ik geloof dat er geen andere liberale partijen meer zijn. Tegen de minister zeg ik dat er bij ouders een aantal grote zorgen leven over hun rechten. Ik heb de minister daar net al op aangesproken. Ik spreek de minister als christendemocraat, zoals zij daar staat, dan ook aan op maatschappelijke verankering en maatschappelijke betrokkenheid. Als er amendementen komen om dat zorgvuldig te regelen, kan de minister niet zeggen dat dat een speeltje is en dat het allemaal dikker wordt. Nee, dat zijn oprechte pogingen om ouders kracht te geven.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik nodig de minister uit om haar opmerking terug te nemen. Als zij met een ingewikkeld wetsvoorstel aan komt zetten van honderden pagina's – het onderwijsveld zegt ook dat het alleen maar ingewikkelder wordt – en zij vervolgens zegt dat dit wel bij "links" past omdat "links" altijd alles dicht wil regelen, dan durf ik met haar de weddenschap aan te gaan dat ik op twee kantjes kan weergeven wat we moeten doen. We moeten namelijk regelen dat er goed speciaal onderwijs komt voor leerlingen. Dan kun je dit hele wetsvoorstel in de prullenbak doen. De minister heeft dus een probleem, niet wij!

De voorzitter:

We spreken elkaar niet rechtstreeks aan, maar doen dat via de voorzitter; de minister probeert met één welluidende zin verder te gaan naar het volgende punt.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dat valt niet mee, voorzitter.

De voorzitter:

Ja, dat gaat u lukken.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dat gaat me lukken?

De heer Van Dijk heeft een punt. Deze wet is te belangrijk om over "links" en "rechts" te spreken. Laat ik het zo zeggen: met elkaar proberen we een goede wet te maken.

De voorzitter:

Mooier kan het niet.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dat is punt 1.

De voorzitter:

Ik zou echt stoppen als ik u was.

De heer Beertema (PVV):

Toch zeg ik 2.

Naar eer en geweten zeg ik dat de zorgen die er binnen de oppositiepartijen leven – zij geven het immers zo aan, oppositie en coalitie – ook bij mij leven. Vandaar dat ik probeer om ze te adresseren. Ik kies er echter niet voor om nog meer regels mee te geven, dus om nog meer aan te geven hoe ze het op regionaal niveau moeten doen. Ik wil een aantal waarborgen inbouwen. Dat doe ik door datgene wat er ligt bij elkaar te brengen, niet meer en niet minder.

De voorzitter:

De heer Beertema, geeft u een korte reactie.

De heer Beertema (PVV):

Heel kort. Ik wil even zeggen dat de heer Klaver toch wel heel selectief winkelt in de winkel van Beertema.

De voorzitter:

Ja, maar dat doen we hier allemaal wel eens. Het punt is gemaakt. De minister vervolgt haar betoog.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik kom op het amendement op stuk nr. 44. Een leerling blijft tijdelijk geplaatst totdat er een alternatief wordt geboden binnen het samenwerkingsverband. In het wetsvoorstel is geregeld dat tijdelijke plaatsing pas kan worden beëindigd wanneer de school een besluit heeft genomen over de toelating. Een kind is dus gewoon in het schoolgebouw zolang er niet een andere situatie is. Dat heb ik net al in de richting van de heer Van der Ham aangegeven. Die situatie duurt voort zolang er geen alternatief geboden is. Ik denk dus dat het niet nodig is om het zo te regelen, dus ik ontraad dat amendement.

Ik kom op het amendement op stuk nr. 45. Het ontwikkelingsperspectief wordt niet opgesteld na overleg met de ouders, maar dat gebeurt in een op overeenstemming gericht overleg. Dat is een wens die breed wordt gedragen, zo is mijn beeld. Dus ik kan leven met deze afspraak. Ik heb net al gezegd dat ik dit een aanvulling vind. Ik denk eerlijk gezegd dat dat na overleg ook goed zou kunnen, maar de Kamer heeft breed zorgen over de ouders. De heer Van der Ham heeft dat net ook nog aangegeven. Dus ik kan daarmee leven.

De voorzitter:

Ik kom bij het volgende amendement, op nr. 46 dat nu nr. 57 draagt.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Het amendement over het instellen van een landelijke geschillencommissie kunnen wij nu overslaan, want dat heb ik behandeld bij nr. 46. Daarbij heb ik aangeven: uw zorg neem ik ter harte, het ontwikkelingsperspectief doen wij erbij en maakt u een combinatie met elkaar.

De voorzitter:

Dank u wel. Vervolgens nr. 47.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik kijk naar amendement nr. 47 van de heer Jasper van Dijk, om het wetsvoorstel zodanig aan te passen dat het samenwerkingsverband wel bepaalt welke leerlingen naar het vso gaan maar de kosten worden gedragen door de rijksoverheid. Dat druist volstrekt in tegen het feit dat betalen en bepalen daarmee niet meer in één hand zitten. Dat vind ik echt onwenselijk. Ik vind juist dat de regio het met dat budget moet doen. Dus ik ontraad de motie.

De voorzitter:

Het amendement.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik kom bij het amendement van de heer Elias op stuk nr. 48 om het wetsvoorstel zodanig aan te passen dat de vereveningspercentages niet worden vastgelegd in de wet maar nader bij AMvB om zo meer flexibiliteit te hebben. Ik denk dat het moet kunnen zoals het nu zit in de wet. Wat mij betreft is dat geen probleem. Ik kan er op zichzelf geen probleem mee hebben om jezelf nog iets meer ruimte geven om het alsnog anders te regelen. Wij houden het scherp in de gaten. Door meerdere sprekers is hier de zorg rond de verevening naar voren gebracht. Dus ik kan daarmee leven.

De heer Beertema (PVV):

Betekent dit dat de minister dan akkoord gaat met een AMvB die erin voorziet dat er jaarlijks een gesprek plaatsvindt over die vereveningspercentages? Voorziet de minister dan niet een jaarlijks praatcircus met een gigantische lobby, waarschijnlijk uit het oosten van het land, om aan te geven dat het heel hard nodig is om niet zozeer te verevenen?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik zit even bij het punt "jaarlijks". Waar staat dat?

De heer Beertema (PVV):

Dat staat in het amendement van de heer Elias, volgens mij.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dan kom ik daar even op terug in de tweede termijn, want dat is mij niet opgevallen. Het lijkt mij niet zo'n heel goed idee om daarover jaarlijks te gaan praten. Misschien is het goed dat de heer Elias daar zelf ook even naar kijkt.

Ik kom bij het amendement nr. 49 van de heer Jasper van Dijk: een school voor bijzonder onderwijs kan slechts een leerling weigeren wanneer ouders weigeren de grondslag te respecteren. U begrijpt dat dat gaat om artikel 23 van de Grondwet. Dat wens ik niet even tegelijk met deze wet de deur uit te helpen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat is niet helemaal juist. Het gaat echt om een heel klein puntje. Ik hoor alweer wat rumoer vanuit de SGP, hoe is het mogelijk! Het gaat namelijk om de toelating van een zorgleerling, niet van een leerling in het algemeen. Daarover maakt de SGP zich zorgen. Dus ik stel u eigenlijk een gewetensvraag.

De voorzitter:

Nee, wij gaan niet aan mij gewetensvragen stellen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

O nee, daarin hebt u gelijk, voorzitter. Ik stel de minister een gewetensvraag. Dient een school een zorgleerling toe te laten indien hij of zij de grondslag respecteert?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik heb net ook al rond de wachtlijsten gezegd dat ik gewoon houd van de gulden regel die er is, namelijk artikel 23. Dat artikel geeft aan dat er geen acceptatieplicht is. Als een kind extra zorg nodig heeft en als de ouders van dat kind de grondslag van de school erkennen, dan kan er geen aanleiding zijn om het kind te weigeren. Maar wij houden uiteindelijk wel gewoon die hoofdlijn overeind met deze wet.

Ik kom bij amendement nr. 50 van de heer Dijsselbloem, met het voorstel om in de wet een artikel op te nemen waarin staat dat de minister aan de bevoegde gezagen van de twee epilepsiescholen bekostiging verstrekt ten behoeve van de ambulante begeleiding aan leerlingen met epilepsie. Ik begrijp de basisgedachte van dat amendement. Dat is ook de reden dat ik destijds de motie van de heer Dijsselbloem heb omarmd. Ik heb daarom aan de inspectie gevraagd om onderzoek te doen. De hoogte van de bekostiging kan ik pas vaststellen op het moment dat het inspectieonderzoek is afgerond. Op basis van het onderzoek moet ook blijken of en in welke mate de gewone middelen voor de ambulante begeleiding, die nu zijn meegenomen in de berekening voor de samenwerkingsverbanden in oprichting, hiervoor moeten worden ingezet. Wat dat betreft is het amendement niet per se nodig. De Kamer heeft mijn toezegging. Om opnieuw duidelijk te maken dat ik graag meedenk, ook met de heer Dijsselbloem, steun ik het amendement.

Ik kom bij het amendement-Dijkgraaf op stuk nr. 51. De ondersteuningsplanraad vervalt en daarmee ook de optie die de raad heeft om een bindende voordracht te doen voor één zetel van de raad van toezicht in het samenwerkingsverband. De medezeggenschapsraden krijgen echter een overwegende invloed op de benoeming van ten minste de helft van het aantal leden van de raad van het samenwerkingsverband. Mijn reactie hierop is als volgt. Het samenwerkingsverband wordt verantwoordelijk voor de toewijzing van de ondersteuning en verdeling van de middelen in de regio. Omdat de medezeggenschapsraad zeggenschap volgt, raad ik ten sterkste af om de ondersteuningsplanraad te laten vervallen. Naar aanleiding van eerdere vragen van de Kamer is bij nota van wijzing de mogelijkheid van een bindende voordracht voor de ondersteuningsplanraad geregeld. Gegeven de instelling van de ondersteuningsplanraad is het consistent om eventuele benoemingen van een lid van de raad van toezicht bij het samenwerkingsverband te beleggen in plaats van bij de deelnemende medezeggenschapsraden. Een overwegende invloed vanuit de ondersteuningsplanraad lijkt mij niet verstandig, omdat dit een te zware wissel trekt op de onafhankelijke toezichthoudende rol die een raad van toezicht behoort te vervullen. De raad van toezicht moet geen verlengstuk worden van de medezeggenschap. De bepaling over de invulling van de inspraak en het aantal leden waarover de invloed geldt, minstens de helft, laat veel ruimte voor de medezeggenschapsraad. Ik wil het amendement dan ook sterk ontraden.

Dan kom ik bij het amendement-Dijkgraaf/Ortega-Martijn op stuk nr. 52. Indien het bevoegd gezag bij tien of meer samenwerkingsverbanden slechts één vestiging heeft, kan het bevoegd gezag de minister verzoeken voor zijn scholen een afzonderlijk samenwerkingsverband te mogen oprichten. Ik moet dit echt ontraden, want dit gaat dwars door het regionaal gebeuren heen. Onderzoek wijst uit dat het over slechts vier schoolbesturen gaat. Nu nog wel, maar fusies zijn snel tot stand te brengen. Dan zal ik de rest ook de ruimte moeten geven om dat te doen. Deze schoolbesturen hebben zelf geen dekkend aanbod. Vervolgens neemt men wel de leerlingen die men zelf kan opvangen, maar kunnen de andere leerlingen via het vso in de regio aangemeld worden. Deze leerlingen moeten dan betaald worden uit het regionaal budget. Dat geeft mijns inziens te veel ruimte om de middelen en de problemen van de betreffende groep voor een deel te kunnen afwentelen. Het idee is nu echter juist een dekkend aanbod. Ik vind het niet wijs en ik ontraad dit amendement dan ook.

Uiteindelijk kom ik bij het verbeterde amendement van mevrouw Ferrier op stuk nr. 53 dat voortborduurt op het amendement van mevrouw Ortega-Martijn. Het zou mooi zijn als men de zaak kan samenvoegen. Dat is een meerwaarde op het vo-terrein. Doet u dat alstublieft, zo vraag ik de indieners. Dan wordt dit amendement breed gesteund. Dat zou erg plezierig zijn, ook gelet op de discussie van zo-even. Met het een kan ik echt niet meegaan, maar met het ander wel.

Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. …

De voorzitter:

Op stuk nr. 54, van de heer Dijsselbloem cum suis.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Nee, dat heb ik al behandeld, meen ik. Ik heb dat amendement in ieder geval niet in mijn bezit. Misschien kan het even aangeleverd worden.

Ik kom bij het amendement op stuk nr. 55 van mevrouw Ferrier. Dat is het amendement over de WPO, waarover men het met elkaar eens zou moeten kunnen worden.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

De minister zegt dus klip-en-klaar dat de onderwijsbehoefte gevolgd wordt en niet de locatie?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

In het voortgezet onderwijs moet je de mogelijkheid hebben om onderwijsuren te draaien op een andere locatie. Dat betreft echter niet de onbeperktheid die mevrouw Ortega wil bewerkstelligen met het schrappen van artikel 70. In het primair onderwijs hebben wij het al geregeld. Nu gaat het om het voortgezet onderwijs, in aanvulling op de huidige wet waarin ook nog een versoepeling plaatsvindt. Zo verstrekkend als mevrouw Ortega het voorstelt, kan het niet. Immers, anders kunnen in één gebouw twee scholen bij elkaar komen en vaste voet krijgen. Dat gaat mij echt te ver.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Nee, het gaat echt om het volgen van de onderwijsbehoefte, zodat het niet alleen op een bepaalde locatie geldt, omdat een kind daar is ingeschreven. Dat is de achterliggende gedachte.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Het amendement ligt er zoals het er ligt, en het doel is dat, als leerlingen die in het reguliere voortgezet onderwijs zijn ingeschreven, een deel van de week onderwijs ontvangen in cluster 2, deze uren meetellen als onderwijstijd. Dat is wat mevrouw Ortega wil bewerkstelligen. Het kon al wel in het primair onderwijs en het kan hiermee ook in het voortgezet onderwijs.

De voorzitter:

Ik stel voor dat de minister het amendement op stuk nr. 54 op een nader moment van commentaar voorziet, anders duurt het te lang. De fracties hebben heel lange spreektijden in tweede termijn, dus ik sta nu geen interrupties meer toe. Echt niet. Mijnheer Dijsselbloem, hebt u een punt van orde?

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Ik heb vanochtend een amendement laten maken, maar dat is nog niet rondgedeeld. Dat amendement komt er dus nog bij, maar de minister kan dat ook later nog bespreken.

De voorzitter:

In tweede termijn. Prima.

De heer Van der Ham (D66):

Dat geldt voor mij ook.

De voorzitter:

Het geldt ook voor de heer Van der Ham. Dan gaan we na de schorsing verder met de tweede termijn van de kant van de Kamer.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

In tweede termijn hebben de woordvoerders een derde van hun spreektijd in eerste termijn. Binnen die tijd moeten zij ook eventuele moties indienen.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik bedank de minister voor de uitgebreide schriftelijke beantwoording van de vragen. Net als zij vindt de ChristenUnie dat de invoering van passend onderwijs positieve resultaten zal opleveren. Daarover zijn we het met elkaar eens. Ik merk wel op dat de minister in haar beantwoording erg veel uitgaat van veronderstellingen. Vaak spreekt zij uit dat zij denkt dat het allemaal wel goed komt. Het is werk in uitvoering; dat heeft zij duidelijk aangegeven. Ik ben dat met haar eens, maar ik ben niet gerust op de bezuinigingen in het speciaal onderwijs. Eén extra kind in een groep kan al gevolgen hebben voor de begeleiding van andere kinderen. De minister gaat het monitoren en als er sprake is van problemen kan zij ingrijpen. Het is echter de vraag of het kwaad niet al is geschied tegen de tijd dat zij gaat ingrijpen. Het gaat hier wel om kwetsbare kinderen. We mogen dit deze kinderen echt niet aandoen. Ik weet uit ervaring dat er maar iets kleins hoeft te gebeuren om deze kinderen helemaal uit balans te brengen. Soms moet alles dan weer opnieuw beginnen. Daarom heeft het niet onze voorkeur om af te wachten of het allemaal goed gaat. Deze kinderen zijn geen proefkonijnen.

Mijn fractie wil dat er niet op het speciaal onderwijs wordt bezuinigd. Dan doel ik op die 85 mln. Het speciaal onderwijs is te kwetsbaar. We weten niet welke gevolgen dit kan hebben. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat met de bezuinigingsvoorstellen een succesvolle stelselwijziging passend onderwijs onder zware druk komt te staan;

van mening dat met name de bezuiniging op het speciaal onderwijs door middel van het vergroten van klassen en het ontslaan van onderwijspersoneel de invoering van passend onderwijs en goede begeleiding van zorgleerlingen onder druk zet;

van mening dat behoud van ondersteuning in de klas in het regulier en speciaal onderwijs prioriteit heeft boven de invoering van prestatiebeloning voor leraren;

verzoekt de regering, de voorgenomen investering in prestatiebeloning van leraren deels in te zetten ten behoeve van het traject passend onderwijs, in het bijzonder gericht op het verlichten van bezuinigingen in het speciaal onderwijs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ortega-Martijn. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 62 (33106).

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Vervolgens wens ik mijn amendement op stuk nr. 40 in te trekken. De minister heeft gezegd dat het al in de wet staat. De termijn van één keer per vier jaar staat er inderdaad in. Ik had dat even verkeerd gelezen.

De voorzitter:

Het amendement-Ortega-Martijn (stuk nr. 40) is ingetrokken.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik heb wel bezwaar tegen het stemadvies van de minister over mijn amendement op stuk nr. 44 over kinderen die op school moeten blijven tot er een tijdelijke plek is gevonden. De minister zegt dat die mogelijkheid er is. In de wet staat het echter heel duidelijk: indien de leerling wordt toegelaten, wordt tijdelijke plaatsing omgezet in definitieve plaatsing. Indien de toelating van de leerling wordt geweigerd, wordt de tijdelijke plaatsing beëindigd en wordt de leerling uitgeschreven met ingang van de dag die volgt op de dag waarop de toelating wordt geweigerd. Dan komt een kind toch gewoon thuis te zitten? Daar krijg ik graag nog een reactie op.

De minister zal hopelijk nog een stemadvies geven over het amendement op stuk nr. 58 over gelijke behandeling.

Dan heb ik nog een aantal moties. Ik begin met een motie inzake overeenstemming over het ontwikkelingsperspectief. Ik heb ouders gesproken die gezegd hebben: wij hebben ook altijd het behandelingsplan ondertekend. De minister zegt dat dit twee verschillende zaken zijn en daar heeft zij gelijk in, maar er is wel een gezamenlijke resultante. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ouders worden betrokken bij de vorming en uitvoering van het ontwikkelingsperspectief;

van mening dat zeggenschap van ouders en ouderbetrokkenheid wordt vergroot door ondertekening van het ontwikkelingsperspectief, maar dat ook verschillen van inzicht tussen school en ouders direct duidelijk worden;

verzoekt de regering, te bevorderen dat overeenstemming van ouders bij het ontwikkelingsperspectief via ondertekening plaatsvindt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ortega-Martijn. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 63 (33106).

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik heb ook enkele vragen gesteld over het feit dat ik uit het rondetafelgesprek met juridisch deskundig personeel heb begrepen dat overal het wiel weer wordt uitgevonden. Ik heb daar geen antwoord op gekregen. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat op dit moment afspraken tussen schoolbesturen binnen regio's worden gemaakt over de vorming van samenwerkingsverbanden;

van mening dat samenwerkingsverbanden baat hebben bij goede voorbeelden bij het ontwikkelen van ondersteuningsprofielen;

verzoekt de regering, in overleg met het onderwijsveld te komen tot een model voor samenwerkingsverbanden om te komen tot ondersteuningsprofielen en de wijze waarop de indicatiestelling kan worden vormgegeven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ortega-Martijn. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 64 (33106).

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik heb ook aandacht gevraagd voor de leerlingen met een meervoudige handicap. Vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat veel leerlingen met een meervoudige handicap intensieve begeleiding nodig hebben in het speciaal onderwijs, waarbij soms een-op-eenbegeleiding nodig is;

constaterende dat er een budgetkorting zal plaatsvinden van 10% in het (voortgezet) speciaal onderwijs;

van mening dat ieder talent in het onderwijs telt en recht heeft op cognitieve ontwikkeling;

verzoekt de regering, te garanderen dat ieder kind zijn of haar onderwijsperspectief behoudt en dat er geen kinderen onnodig in de dagbesteding terechtkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ortega-Martijn. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 65 (33106).

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Dat laatste is namelijk een vrees van ouders. Als die kan worden weggenomen, is mijn fractie ook content.

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter. "Geen taboes". Dat is een uitspraak van de minister in antwoord op mijn vraag tijdens het debat. Geen taboes. Op dit moment zijn mensen in het Catshuis aan het onderhandelen over de bezuinigingen. Er ligt een enorme taak voor de regering en ook voor partijen die niet deelnemen aan de regering, want die denken ook mee. We kunnen geld beter inzetten. Aan het einde van mijn betoog zal ik daar een voorstel voor doen. We kunnen in het hele pakket andere keuzes maken. We kunnen ervoor zorgen dat de pijn van het onbezonnen bedrag van 300 mln. – die leeft bij de oppositie, maar als ik het goed zie ook bij de minister en de coalitie – wordt verminderd. We kunnen recht doen aan de oproepen vanuit de Amsterdam ArenA van afgelopen dinsdag en aan allerlei mailtjes die wij gekregen hebben. Er is ontzettend veel kritiek op de plannen, met name vanwege de grote bezuinigingen. We kunnen die kritiek het hoofd bieden als we in het Catshuis ook gaan kijken naar de bezuinigingen op de zorgleerlingen. Ik hoop dat er werkelijk geen taboes zijn in het Catshuis en dat er wordt gekeken naar het regeerakkoord. Ik hoop dat men inziet dat het bedrag voor het passend onderwijs dat niet wordt onderbouwd door feiten, moet worden aangepast. Omdat ik hoop dat dit gebeurt, dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het financiële kader onderdeel uitmaakt van de wetsbehandeling;

constaterende dat er thans in het Catshuisberaad wordt gesproken over het algemene financiële kader voor de komende jaren, waarbij er geen taboes zijn omtrent de aard en omvang van de bezuinigingen;

spreekt uit, niet eerder over het wetsvoorstel passend onderwijs te stemmen dan nadat de resultaten van het Catshuisberaad bij de Kamer bekend en besproken zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Ham. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 66 (33106).

De heer Van der Ham (D66):

"Geen taboes" houdt ook in dat de forse bezuinigingen op het passend onderwijs gewoon heroverwogen mogen worden. Ik hoop dus dat de regeringspartijen, de gedoogpartijen en de minister – maar de minister gaat hier niet over, want dit is een motie aan de Kamer – dit werkelijk in overweging zullen nemen. Dan kunnen we nog bekijken of we de boel op een aantal punten kunnen bijstellen en de bedding van dit wetsvoorstel wat aangenamer kunnen maken.

De bedding wordt ook beter en aangenamer op het moment dat we de polarisatie rond het onderwijs een beetje achter ons laten. Als ik naar het debat van de afgelopen weken kijk en naar het debat in de Kamer, dan hoor je dingen langskomen waarvan je je afvraagt of we dat nu werkelijk menen. De heer Beertema zei dinsdag dat leraren liever naar de camping in de Dordogne gaan dan dat ze voor de klas staan of naar een bijeenkomst van de school gaan. Ik begrijp dat je als je emotioneel bent, weleens iets zegt. Ik kijk hem nu even aan, zie dat hij al naar de microfoon gaat en ik verwacht dat hij zal zeggen dat hij zo'n veralgemenisering natuurlijk niet meent.

De voorzitter:

Dit gaat van uw tijd af.

De heer Van der Ham (D66):

Ik stel de heer Beertema een vraag.

De voorzitter:

Mijnheer Van der Ham, de bedoeling is dat u vragen stelt, als de heer Beertema achter het spreekgestoelte staat en u bij de interruptiemicrofoon.

De heer Van der Ham (D66):

Ik zeg dit en de heer Beertema komt naar de interruptiemicrofoon. Waarschijnlijk wil hij antwoorden op mijn vraag en wil hij zijn opmerking terugnemen.

De heer Beertema (PVV):

Ik constateer dat de heer Van der Ham alweer in sjablonen spreekt. Ik heb nooit gezegd dat een leraar er liever op uitgaat met de caravan aan de trekhaak dan dat hij in een lerarenvergadering zit. Er zijn leraren die dat doen. Er zijn echter ook leraren die heel hard werken. Daarbij heb ik me altijd buitengewoon thuis gevoeld. Dat is het verhaal dat ik heb gehouden. Ook nu winkelt de heer Van der Ham weer heel selectief in het werk van Beertema.

De heer Van der Ham (D66):

Ik hoor de heer Beertema zijn woorden terugnemen.

De heer Beertema (PVV):

Nee!

De heer Van der Ham (D66):

O, hij doet het niet. Dan zijn we op dezelfde plek.

Voorzitter. Wij hebben nog amendementen liggen over de geschillencommissie. Daarover gaan we wat mij betreft stoeien met mevrouw Ferrier om die samen te voegen. Ik hoop dat we daar uitkomen. Er zijn heel veel andere amendementen ingediend om de positie van ouders te versterken. De minister heeft ze bijna allemaal afgeraden. Ik vind dat echt heel slecht, omdat het pogingen zijn om de rol van ouders te versterken en hen meer te betrekken bij het onderwijs aan hun kinderen. Ik had juist van de minister verwacht dat zij daar een groot voorstander van zou zijn. Juist de ouders die wat zwakker staan door de schoolbesturen waarmee ze te maken hebben, moet je equiperen met goed materiaal en goede ondersteuning. Ik hoop werkelijk dat de coalitiepartijen en de gedoogpartijen naar dat soort voorstellen kijken en die kunnen steunen, ondanks dat de minister het geen goede plannen vindt. Ik roep hen op om hier werkelijk goed naar te kijken. Ik kijk met name naar de CDA-fractie. Zo meteen komt er nog een amendement – dat is het langste gedeelte – om er bijvoorbeeld voor te zorgen dat er betere afspraken worden gemaakt tussen ouders en schoolbesturen over het soort informatie dat moet worden gegeven aan scholen. Nu kunnen scholen namelijk vragen wat ze willen, maar er zijn geen afspraken waar dat toe beperkt mag worden. Heel gedetailleerde, bijna wetenschappelijke informatie kunnen ouders soms niet leveren. Ik vind dat daar vanuit de overheid een paar eisen aan moeten worden gesteld. Ik hoop dat de minister dus positief kan reageren op het amendement dat ik net heb ingediend.

Ik dien de volgende motie in, die gaat over de wachtlijsten. Ik heb daar ook een amendement over ingediend, dat de minister heeft ontraden.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat wachtlijsten op scholen een mogelijk probleem kunnen vormen met betrekking tot het recht doen aan de zorgplicht in het passend onderwijs;

verzoekt de regering, te monitoren op de duur van de plaatsing op de wachtlijsten, de oorzaken van de wachtlijsten en de wijze waarop scholen en samenwerkingsverbanden deze zo kort mogelijk houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Ham en Dijsselbloem. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 67 (33106).

De heer Van der Ham (D66):

In de schriftelijke beantwoording is de minister ingegaan op de ICT-middelen. Die zijn volgens haar heel mooi en daar kunnen we volgens haar heel goed gebruik van maken in het passend onderwijs. Het is echter wel redelijk beperkt wat daarmee nu gebeurt. Er is nog geen heel groot systeem om alle leerlingen met specifieke problemen te helpen met ICT-middelen. De groep is soms zelfs zo klein dat ook de markt niet de mogelijkheid aangrijpt om die te ontwikkelen. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ICT-middelen een goede bijdrage kunnen leveren aan zorg op maat voor specifieke zorgleerlingen;

overwegende dat het accent bij die ICT-middelen nu vooral ligt op kernvakken als Nederlands, rekenen/wiskunde en Engels;

overwegende dat zorgleerlingen grote baat kunnen hebben bij ICT-middelen die betrekking hebben op andere kennis en competenties;

verzoekt de regering, met voorstellen te komen om ICT-middelen te ontwikkelen voor brede toepassing voor kennis en competenties ten gunste van specifieke zorgleerlingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Ham en Klaver. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 68 (33106).

De heer Van der Ham (D66):

Wij hebben een aantal amendementen ingediend over de gemeenten en hun rol. In de aanloop naar de stemmingen, die wat mij betreft pas over een aantal weken zijn, gaan wij kijken of dit nu "sound" is met de VNG en of die zich voldoende herkent in de voorstellen die daarover zijn ingediend. Wij komen daarop later dus nog terug. Ik heb nog wel een motie over aandacht voor bepaalde regio's, namelijk krimpregio's.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat krimpregio's bovenop de druk op het onderwijs die met krimp samenhangt, te maken hebben met specifieke uitdagingen rond zorgleerlingen;

verzoekt de regering, in overleg te treden met de krimpregio's om afspraken te maken teneinde deze regio's te ondersteunen in het uitvoeren van de Wet passend onderwijs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Ham, Dijsselbloem, Klaver en Ortega-Martijn. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 69 (33106).

De heer Van der Ham (D66):

Ik had ook beloofd aan te geven waar wat ons betreft de dekking gevonden zou kunnen worden voor het verminderen van de bezuinigingen op het passend onderwijs.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, de bezuinigingen van 300 mln. op het passend onderwijs te heroverwegen en die te dekken uit het beperken van het budget voor de maatschappelijke stage, de gratis schoolboeken en een temporisering van de prestatiebeloning,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Ham en Klaver. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 70 (33106).

De heer Van der Ham (D66):

Wij leveren er dus ook nog een dekking bij.

Ten slotte: 90 mln. op bestuur en management, 46 mln. op de groeiregeling, 31 mln. op het budget voor speciaal onderwijs, bezuinigingen op de gewichtenregeling, 300 mln. op de jeugdzorg, 200 mln. op de materiële bekostiging van scholen en 300 mln. op de zorgleerlingen. Die optelsom van bezuinigingen maakt dat zo veel scholen en zo veel docenten zo boos zijn en verontrust zijn. Die maakt dat mensen naar de ArenA gingen en tegen de minister zeiden: gebruik uw verstand. Die optelsom kunnen wij in het klaslokaal niet bolwerken. Dat gaat problemen opleveren, juist met de kwetsbaarste leerlingen.

Voorzitter. Ik hoop werkelijk dat in het Catshuis de aankomende weken naar de oppositie wordt geluisterd, en vooral naar de mensen in de ArenA en overal in het land die zich zorgen maken, om die optelsom te verlichten. Iedereen is zich ervan bewust dat wij allemaal de broekriem moeten aanhalen in Nederland. Laten wij dat echter wel doen waar nog echt vet op de botten zit. Volgens mij is dat niet het geval bij die zorgleerlingen. Ik hoop werkelijk dat de minister, de coalitiepartijen en de gedoogpartner daarnaar luisteren.

De heer Beertema (PVV):

Met de directe koppeling die de heer Van der Ham legt met de gesprekken in het Catshuis loopt hij wel het risico dat in plaats van 300 mln. over een paar weken 560 mln. bezuinigd wordt. Ik hoop dat hij zich dat realiseert.

De heer Van der Ham (D66):

Is dat een dreigement van de heer Beertema?

De heer Beertema (PVV):

Nee. Als u zegt dat u de stemming wilt uitstellen tot na het Catshuisberaad, gaat u er kennelijk van uit …

De voorzitter:

Ik ga nergens van uit.

De heer Beertema (PVV):

De heer Van der Ham gaat daar van uit. Ik hoop dat hij zich realiseert dat die 300 mln. helemaal niet vanzelfsprekend is. Is het dan wel zo verstandig om deze motie in te dienen?

De heer Van der Ham (D66):

Dat is heel verstandig. Als ik kijk in de poppetjes van ogen van deze minister en van de leden van een aantal coalitiefracties, denk ik dat zij eigenlijk die 300 mln. niet kunnen verantwoorden. Zij hebben het hier niet goed kunnen uitleggen. Over die 300 mln. is steeds gezegd dat het in het regeerakkoord staat en dat het dus 300 mln. moet zijn. De heer Beertema heeft dat ook gezegd. Ik heb het rapport van het CPB waarop men dat bedrag baseert, erbij gepakt. Daarin staat dat de aanname die de heer Beertema in het debat debiteerde, op niets gebaseerd is. De perverse prikkels zijn er wel, maar wij weten niet hoe groot ze zijn. Die 300 mln. is dus nergens op gebaseerd. Gehoord de beraadslagingen, gehoord het debat dat wij nu twee dagen in dit huis voeren, zeg ik tegen de heer Beertema dat ik ervan uitga dat de minister, de coalitiepartijen en ook de heer Beertema zelf dat goed in de oren knopen en denken: dat bedrag van 300 mln. moet fors naar beneden, dat kan niet anders. Als constructieve oppositiepartij zeg ik erbij dat er op de onderwijsbegroting posten zijn, bijvoorbeeld de gratis schoolboeken, de maatschappelijke stage en voor een deel ook de prestatiebeloning – wij zijn er niet tegen, maar het kan getemporiseerd worden – waaruit je dat kunt halen. Dan kunnen wij echt een slag slaan.

De heer Beertema (PVV):

Ik blijf erbij dat die 300 mln. een buitengewoon verantwoord bedrag is en dat het een politieke keuze is.

De heer Van der Ham (D66):

Die 300 mln. is dus een politieke keuze. Het is een keer aan een onderhandelingstafel ontstaan en het is niet gebaseerd op onderzoek. U baseert zich op onderzoek. Vervolgens lezen wij dat onderzoek. Daarin staat dat u helemaal niet de conclusie kunt trekken dat er zomaar 300 mln. op wordt bezuinigd. Nu wij hier een paar dagen bij elkaar hebben gezeten, hoop ik werkelijk dat wij voldoende informatie hebben gekregen uit het veld, van mensen die dagelijks met hun voeten in de modder staan en dagelijks te maken hebben met dit soort zorgleerlingen. Als wij niet naar hen luisteren en als dat niet wordt binnengetrokken in het Catshuis, is Nederland werkelijk verder van huis. Ik kan mij niet voorstellen dat de heer Beertema, de heer Elias en mevrouw Ferrier zich dan nog in het onderwijsveld durven te vertonen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Er wordt inderdaad al heel lang gesproken over deze wet passend onderwijs. Talloze besprekingen zijn er geweest. De minister gebruikt dat ook als argument om over te gaan tot invoering. Dat zou een sterk argument zijn geweest, als al die gesprekken tot iets hadden geleid. Maar zou de minister niet eerlijk moeten zeggen dat het tegendeel het geval is, met als climax deze week vijftigduizend leraren in de Arena die niet blij zijn? Er waren trouwens nog veel meer leraren die niet eens binnenkwamen in het stadion. Er waren ook nog heel veel leraren en ouders die mij mailden: ik ga niet naar die staking, maar ik steun ze wel.

Het draagvlak voor deze wet is minimaal. Dat draagvlak was de grootste les uit de commissie-Dijsselbloem, waarover de minister eerlijk zei dat zij die conclusie deelde. De conclusie uit het parlementair onderzoek werd Kamerbreed gesteund: wij voeren geen grote vernieuwingen meer in zonder draagvlak. Dat is precies wat de minister nu doet. Misschien wil zij er straks op reageren.

De minister zegt: de wet is op zichzelf oké, alleen is er veel kritiek op de bezuinigingen. Die bezuinigingen zijn echter onlosmakelijk verbonden aan deze wet. Ze staan zelfs in die wet. Daarom wordt het passend onderwijs eerder knellend onderwijs, want scholen zullen minder middelen hebben om deze leerlingen met een handicap of een stoornis toe te laten.

Vervolgens is er een alternatief waardoor het ongedaan maken van die bezuinigingen geen cent hoeft te kosten. Het plan voor de prestatiebeloning gaat van tafel of wordt uitgesteld. Zelfs staatssecretaris Zijlstra heeft in de krant gezegd dat je er niet te dogmatisch over moet zijn. Ik zou zeggen: kijk er nog eens heel goed naar en voer nog eens een heel goed gesprek met uw collega-staatssecretaris. Ik durf te beweren dat de minister dat zou steunen. Alleen moet de VVD hierin meegaan.

Uitstel zou inderdaad de "second best"-oplossing zijn. Dat vraagt het hele onderwijs: als het dan zo nodig moet, doe het dan later, geef ons meer tijd om die enorme wet in te voeren met alle implicaties en voer een uitvoeringstoets uit. Maar ook dat wil de minister in geen geval. Zij wil er niet naar kijken. Zij heeft net alle amendementen van de oppositie integraal ontraden, dus daar word je niet vrolijk van.

De wet wordt nodeloos ingewikkeld. Er komen samenwerkingsverbanden, ondersteuningsplannen, een referentiekader en noem maar op. Honderden pagina's hebben wij allemaal voor ons liggen, terwijl je volgens de SP moet uitgaan van drie simpele dingen: je maakt een aantal landelijke criteria op grond waarvan een leerling recht heeft op extra ondersteuning, je zorgt ervoor dat deskundigen dichtbij die leerlingen de beoordeling van dat kind doen en je laat de inspectie controleren. Hoe moeilijk kan het zijn? Vervolgens ga je investeren in onderwijs in plaats van bezuinigen.

Ik kom op de hele discussie over de groei van het aantal zorgleerlingen. Het is een van de grote aanleidingen voor het kabinet om in te grijpen. Ten eerste valt die groei dus mee, zeker in het basisonderwijs. De grootste groei zit hem in het voortgezet onderwijs. Daarvan zegt de minister eerlijk dat dat misschien te maken heeft met de organisatie van het voortgezet onderwijs: veel verschillende vakken, veel verschillende docenten, grotere scholen, minder structuur. De minister kan zeggen: wij gaan de leraren bijscholen, wij gaan ze professionaliseren en dan gaan wij kijken of het goed komt. Als echter de structuur van het voortgezet onderwijs in zichzelf niet passend is voor passend onderwijs, dan kun je leraren scholen tot je een ons weegt, maar dan zal het niet werken. Een leraar uit het voortgezet onderwijs zei maandag tegen mij: ik heb 30 leerlingen in de klas; als de 31ste erbij komt met extra zorg, dan kan ik geen les meer geven, dan moet ik kiezen. Dat gaan wij niet oplossen met bijscholing. Ook al is die leraar perfect bijgeschoold, het is gewoon een kwestie van een tekort aan tijd.

En dan worden al die begeleiders, die de docenten moeten ondersteunen, op straat gezet. Dat vind ik onbegrijpelijk.

De heer Elias (VVD):

Ik nodig de heer Van Dijk uit om zich bij de feiten te houden. Hij zegt dat "al die begeleiders op straat worden gezet". Ik wijs erop dat de helft van het geld beschikbaar blijft. Scholen kunnen via de samenwerkingsverbanden specialistische hulp gewoon opnieuw binnenhalen. U mag kritiek hebben op het feit dat de groepsgrootte met 10% groeit. U mag kritiek hebben op het feit dat er wordt gekort op die ambulante begeleiding. Maar u mag niet zeggen dat die verdwijnt. Dat mag u niet doen.

De voorzitter:

Mijnheer Elias, wilt u via de voorzitter spreken?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Minstens de helft van de begeleiders gaat eruit. Dat zegt de heer Elias ook. De helft! Het is volstrekt onduidelijk hoeveel het er precies zijn. De cijfers daarover verschillen. Ik heb er een debat over gehad met de minister. Scholen bekijken welke begeleiders dan wel docenten moeten vertrekken. Het zijn er enkele duizenden. Er zullen minder docenten zijn, er zullen minder begeleiders zijn om meer onderwijs te geven aan zorgleerlingen. Dát is de essentie van het probleem. De heer Elias gaat als een farizeeër nog eens heel precies op de cijfers zitten, maar hij moet ingaan op de essentie. Minder mensen om meer te doen! Dat lost de VVD niet op.

De heer Elias (VVD):

Persoonlijke beledigingen laat ik terzijde. 55% van het geld gaat eraf, maar daar zit voor een groot deel rompslomp, bureaucratie, vergaderingen, verkeerde organisatie in. Het lijkt mij prima om belastinggeld goed te besteden. Er blijft ruimte om die specialistische kennis voor kinderen in te huren. Doe niet alsof dat niet zo is, want u maakt de mensen bang, en dat hoort niet.

De voorzitter:

Wij gaan door met een volgend punt, want ik heb begrepen dat dit al eerder is besproken.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dit laat ik mij niet zomaar zeggen.

De voorzitter:

U mag wel reageren, maar daarna gaat u door met uw betoog.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De heer Elias woont echt op een andere planeet. Met deze wet wordt de bureaucratie groter. Het is een volstrekte illusie om te zeggen dat er op de bureaucratie wordt bezuinigd. Dat is een illusie die u docenten voorhoudt.

De voorzitter:

U moet via de voorzitter spreken.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat is een illusie die de heer Elias docenten voorhoudt. Ik maak hier niemand bang. De regering bezuinigt objectief 300 mln. op het onderwijs. Daar zijn docenten bezorgd over. Ik word een beetje moe van de afleidingsmanoeuvre die de heer Elias constant probeert te hanteren door te zeggen dat er verkeerde cijfers worden gegeven. Er is deze week een prima brief van de Algemene Onderwijsbond gekomen, waarin nogmaals heel correct de feiten op een rijtje worden gezet. Daar hoor ik de heer Elias niet over.

Er komen meer thuiszitters door deze wet. Dat is mijn inschatting. Ik had een motie opgesteld om de minister op te roepen een meldpunt te maken waar ouders de thuiszitters kunnen melden. Maar we moeten zo min mogelijk moties indienen, dus deze motie laat ik achterwege. Ik roep de minister wel op om op dit punt in te gaan. Met name in het voortgezet onderwijs is men bang voor onzichtbare thuiszitters als gevolg van deze wet. Waar kunnen ouders naar toe? We moeten dat in beeld brengen.

Ik heb opgeroepen tot een toelatingsrecht voor zorgleerlingen die de grondslag van de school respecteren. Hoe moeilijk kan dat zijn? Je bent een zorgleerling, je respecteert de grondslag van een bepaalde school en dan zou het nu nog zo kunnen zijn dat die school de leerling weigert omdat ze de grondslag niet onderschrijft. Dat vind ik werkelijk onbegrijpelijk. Het gaat hier om een leerling die extra zorg nodig heeft, die graag naar de school om de hoek wil, en die wordt dan om levensbeschouwelijke redenen niet toegelaten. Deelt de minister mijn mening dat dit niet moet kunnen? Dan mag zij heel artikel 23 voorlopig nog in stand houden, ik vraag slechts om dit kleine puntje aan te passen.

Het ziet ernaar uit dat de Eerste Kamer deze wet moet gaan tegenhouden. Ik vrees dat we het hier niet gaan redden en dat de coalitie inclusief gedoogpartner gaat vasthouden aan dit verkeerde plan. Ik wijs de Eerste Kamer nu al met nadruk op de kritiek van de Raad van State. De Raad van State zegt dat de minister haar taken onvoldoende waarmaakt als deze wet er komt. Daarmee bedoelt de raad dat taken over de schutting worden gekieperd naar de samenwerkingsverbanden en dat de verantwoordelijkheid van de minister rondom zorgleerlingen en speciaal onderwijs, onvoldoende wordt waargemaakt. Het lijkt me echt een zaak voor de Eerste Kamer om hier heel goed naar te kijken. Ik snap het punt van de PVV ook niet. De PVV zegt dat de minister meer regie gaat nemen met deze wet. Het is precies andersom: de minister gaat minder regie nemen. Ze zegt ook altijd trots dat we de verantwoordelijkheid naar de scholen gaan brengen.

De minister is onverbiddelijk, de acties laten haar koud. Ik voorzie een parlementaire enquête. Tot slot dien ik twee moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij grove nalatigheid een samenwerkingsverband een boete opgelegd kan krijgen;

constaterende dat een boete nog geen oplossing biedt voor falende bestuurders;

verzoekt de regering, de mogelijkheid te scheppen om bestuurders bij wanbeleid op non-actief te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 71 (33106).

De heer Jasper van Dijk (SP):

De volgende motie gaat over het volgen van het geld voor de zorgleerlingen. De hele Kamer heeft hierover een punt gemaakt. De minister zegt dat zij met een voorstel komt, maar het was mij niet geheel duidelijk wanneer. Binnen enkele maanden werd er gezegd, maar komt het dan in deze wet of in een andere? Deze motie maakt het iets nauwkeuriger en zet de minister aan tot spoed.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er weinig zicht is op hoe het budget voor zorgleerlingen wordt besteed;

verzoekt de regering, binnen één maand met een voorstel te komen waardoor meer zicht ontstaat op de besteding van het budget voor zorgleerlingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 72 (33106).

De heer Dijkgraaf (SGP):

Voorzitter. De heer Van Dijk gaf aan dat er grote verschillen zijn tussen de partijen. Je zou inderdaad op die manier naar het debat kunnen kijken. Dat komt volgens mij voor een belangrijk deel doordat het debat over de bezuinigingen ging. Er zijn in dit debat grote woorden gebruikt. Ik kijk niet alleen naar de heer Van Dijk, maar ook naar allerlei anderen en laat ik mezelf er ook maar bij betrekken. Als je aan deze grote woorden voorbij gaat en door de oogharen heen kijkt, is dit toch het debat waarin wij allen, zowel de minister als alle Kamerfracties die hier het woord gevoerd hebben, zeer betrokken zijn bij dit onderwerp. Ik denk dat dit het punt is waar we elkaar in de toekomst moeten vinden. Dan nemen we een beslissing, maar dan is dat het begin van een route. Ik meen dat de heer Dijsselbloem heeft gezegd dat we hier over twee, drie of vier jaar weer staan en dat we ons dan – ik weet niet meer welke woorden hij exact gebruikte – de vraag kunnen stellen hoe het zo heeft kunnen lopen. Ik denk dat ik dat met hem eens ben. Bij dit soort grote stelselwijzingen moet je op een gegeven moment knopen doorhakken en zal je op een gegeven moment constateren dat er dingen verkeerd gaan. Ik hoop dat wij elkaar in de toekomst inderdaad op die betrokkenheid voor deze kwetsbare leerlingen vinden en ik ga er eigenlijk ook van uit.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vind het een mooi pleidooi tot nu toe van de SGP. Natuurlijk zijn we allemaal zeer betrokken bij deze wet. Ik wil de heer Dijkgraaf eigenlijk dezelfde vraag stellen die ik aan de minister heb gesteld. Hoe kun je nu zo'n grote wet willen invoeren waarvoor het draagvlak momenteel tot het nulpunt is gedaald?

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik ga daar antwoord op geven. Dat zit ook centraal in mijn verhaal waar ik zo op kom. Ik wil eerst de minister bedanken voor de beantwoording en de adviezen die zij heeft gegeven over sommige van mijn amendementen. Ik dank de minister niet voor alle adviezen die zij gaf, maar ik begrijp ze soms wel. Ik ga gewoon uit van het gezond verstand van de Kamer dat de amendementen die wij ingediend hebben alle het steunen waard zijn. Wij zullen dat dinsdag zien.

Dan kom ik op de kernvraag van de heer Van Dijk die ook de kernvraag is die wij uiteindelijk dinsdag in de fractievergadering moeten beantwoorden. Is gegeven de bezuiniging die er is, de sector dan gediend bij de oude wet of bij de nieuwe wet? Zo eerlijk moeten we de vraag stellen, want dinsdag stemmen wij niet over al dan niet bezuinigingen. Gegeven dat er bezuinigd wordt en gegeven dat er besloten is in de Miljoenennota 2011 en die van 2012 en 2013 – dat moet natuurlijk allemaal nog gebeuren – is dan de vraag of de nieuwe wet beter is dan de oude. Als ik dan zie dat deze nieuwe wet minder bureaucratie, meer flexibiliteit, meer maatwerk en betere financiële prikkels oplevert, dan kan ik maar tot een conclusie komen, namelijk dat als je uitgaat van die bezuinigingen, elke partij die tegen die wet stemt de sector de instrumenten ontneemt om handen en voeten te geven aan de toekomst en daarmee onverantwoordelijk bezig is richting passend onderwijs.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De heer Dijkgraaf heeft het volste recht om deze visie op de wet te hebben. Er is nu echter geen draagvlak voor deze wet. Dan kan de heer Dijkgraaf zeggen dat dit door de bezuinigingen komt. Welnu, die bezuinigingen zijn er inherent aan. Dus we zitten nu op een punt waarbij we de conclusie van de commissie-Dijsselbloem in feite in de prullenbak werpen als deze wet wordt aangenomen.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik heb verschillende keren woordvoerders van die 50.000 stakers horen zeggen: wel passend onderwijs, geen bezuiniging.

De heer Van der Ham (D66):

De heer Dijkgraaf doet net alsof alles al een voldongen feit is, maar dat is niet zo. Op dit moment wordt er onderhandeld in het Catshuis en op de een of andere manier is er ergens toch een linkje met de SGP omdat die toch mogelijk een van de gedogers kan zijn in de Eerste Kamer. De heer Dijkgraaf en zijn fractie hebben dus met die twee zetels macht en die gebruiken ze ook af en toe. Dat doen ze ook vanuit hun christelijke identiteit. Die identiteit komt dan bijvoorbeeld tot uitdrukking in het tegenhouden van de koopzondag. Maar nu vraag ik aan de heer Dijkgraaf of hij ook voor een wat hoger doel, namelijk wanneer het gaat om de kwetsbaarste leerlingen, zijn macht wil gebruiken om ervoor te zorgen dat die bezuiniging een beetje terug wordt gedraaid. Zou dat dan niet getuigen van de christelijke moraal die hij hier zo vaak debiteert in de Kamer?

De heer Dijkgraaf (SGP):

Dit kabinet stelde voor om in twee jaar te bezuinigen op passend onderwijs: in 2012 100 mln. en in 2013 300 mln. Ik wijs naar de minister, maar hij stelde het niet voor. Het voorstel kwam van de drie partijen. Toen heeft de SGP-fractie gezegd dat dit onacceptabel was. In combinatie met deze ingewikkelde stelselwijziging gaat dat veel en veel te snel. Wij wilden twee jaar extra en die hebben wij gekregen. Wij zijn daar dankbaar voor. De minister heeft zelf gezegd dat door die gefaseerde invoering er een begaanbare weg is.

Hebben wij geen zorgen? Ja, die hebben wij. Ik heb daarover in eerste termijn gesproken. Ik heb ze van verschillende kanten gehoord, zowel van de coalitie als van de minister als van de oppositiepartijen. De kernvraag die voorligt, is echter niet of wij wel of niet 300 mln. gaan bezuinigen op passend onderwijs. Gegeven het feit dat de politieke constellatie is zoals die is, is de kernvraag die voorligt of de oude wet beter is of de nieuwe.

De heer Van der Ham (D66):

Wij zitten nog midden in de behandeling van de wet inzake passend onderwijs. Er komen nog allerlei amendementen en daarover moet nog worden gestemd. Die zijn ingebed in de bezuinigingen. De zorgen blijven er. Ik heb onderzoeken geciteerd, waaruit blijkt dat die 300 mln. niet is gebaseerd op de omvang. De heer Dijkgraaf heeft macht. Gaat hij alleen maar spreken over de koopzondagen en over hogere bijdragen voor kinderopvang, omdat dat vanuit zijn ideologie beter uitkomt, of gaat hij ook nog iets doen waarbij wij allemaal baat hebben, namelijk die bezuinigingen terugdraaien? Het ligt in zijn handen. Ik kijk hem nogmaals aan en vraag hem dat.

De voorzitter:

Ik hoop dat de heer Dijkgraaf een kort antwoord kan geven.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Dat kan ik. Ik citeer onze fractievoorzitter: de SGP zit niet aan de tafel in het Catshuis noch onder de tafel. Daar zitten drie andere partijen.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Voorzitter. Ik blijf haken bij het kunstmatige onderscheid dat de heer Dijkgraaf aanbrengt tussen de wet en de bekostiging. Hij zegt dat wij vandaag niet over de bezuinigingen stemmen, maar bij elk nieuw stelsel dat wij introduceren, ook in het onderwijs, kijken wij naar de voorwaarden waaronder die moeten plaatsvinden. Is niet de bekostiging van elk stelsel dat wij bij wet regelen de verantwoordelijkheid van de minister? Is het dus niet de plicht van de SGP-fractie om zich, op het moment waarop zij gaat voorstemmen, af te vragen of het kan in termen van zorgvuldigheidseisen, voldoende tijd, voldoende middelen en expertise? Als die vragen met "ja" worden beantwoord, is er hopelijk draagvlak. Ik vind dat de heer Dijkgraaf zich veel te gemakkelijk afmaakt van de verantwoordelijkheid die hij met zijn voorstem voor dit wetsvoorstel straks op zich neemt.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik dacht het duidelijk te hebben gezegd. Als een partij dinsdag "nee" zegt tegen de Wet passend onderwijs, zegt zij "ja" tegen het oude stelsel. Dan zegt zij "ja" tegen het oude stelsel in combinatie met 300 mln. bezuinigingen. Daaronder zullen leerlingen nog vele malen meer lijden. Die koppeling maak ik.

Voorzitter. Ik ga afronden. Met de andere fracties maken wij ons zorgen over die 300 mln. bezuinigingen. Daarover beslissen wij echter niet dinsdag, maar in november als wij spreken over de onderwijsbegroting. Dan gaat het over het budget 2013. Daarom ben ik blij dat de minister heeft toegezegd om te evalueren, die evaluatie naar de Kamer te sturen en er met de Kamer over te spreken. Dan kunnen wij dat combineren. Wij beslissen erover bij de begroting 2014 in november 2013. Dan hebben wij opnieuw een evaluatie van de minister, die naar het geheel kijkt. Opnieuw kunnen wij dan nagaan hoe ver wij gevorderd zijn en of wij de volgende stap kunnen zetten. Alle partijen hebben dan de mogelijkheid om met voorstellen te komen om de bezuiniging al dan niet terug te draaien. De SGP-fractie zal dan volop nagaan of een en ander stap voor stap haalbaar is en of de leerlingen de zorg krijgen die zij nodig hebben.

De heer Elias (VVD):

Mevrouw de voorzitter. Mijn fractie en ik willen dat kinderen die zorg nodig hebben, die zorg krijgen. Als de kinderen die nu speciale zorg nodig hebben, straks groot zijn, komen zij niet in een voor hen aparte wereld terecht. Ook in de maatschappij zijn er allerlei verschillen tussen mensen. Juist in het onderwijs moeten docenten zich aanpassen aan verschillen in de klas. Ouders en scholen moeten niet uitgaan van het stempel dat op het kind is gedrukt, maar van wat het kind kan. Ik herhaal wat de heer Dijkgraaf daarover zei toen hij wees op zijn zoon achter in de zaal. Ik vond het een heel belangrijk moment.

In de eerste termijn zei de heer Van der Ham nog – het blijkt: wij debatteren hier, wij luisteren naar elkaar – dat onder meer de schaamte van de ouders om te zeggen dat hun kind "iets" heeft, is afgenomen en dat dit een goede ontwikkeling is. Dat een op de vijf kinderen "iets" heeft, is op zichzelf niet verkeerd. Soms is de diagnose beter en komt daardoor meer aan het licht. Ik heb gehoord dat de heer Van der Ham dat zei, en daarin heeft hij gelijk. Ik neem het eventuele misverstand dat daarover ontstaat, echter graag weg. Het feit dat de lichte stoornis sneller en vaker wordt vastgesteld, wil namelijk nog niet zeggen dat het kind daarmee per definitie een probleem is geworden. Dat wordt er op dit moment te vaak van gemaakt.

Gisteren belde ik een leraar aardrijkskunde naar aanleiding van een van de vele steunmails die ik ontvang. Ik krijg heel veel boze mails, maar ik krijg toch ook opmerkelijk veel sterk ondersteunende mails. Het is waar dat in de discussie over dit onderwerp een zeker zwart-wit denken is ontstaan. Beleefdheidshalve laat ik even in het midden wie daarmee begonnen is, maar dat terzijde. Hoe dan ook, de leraar aardrijkskunde die ik belde, vertelde me dat hij vijf kinderen met een lichte stoornis in zijn klas had. Zijn verhaal vertoonde sterke overeenkomsten met het verhaal dat een andere leraar gisteren in het Algemeen Dagblad vertelde. De aardrijkskundeleraar vertelde mij dat het in zijn klas gewoon goed liep. Extra hulp zou hij best handig vinden, maar hij achtte het belangrijker dat het kind in een gewone klas kon blijven.

Als wij over drie jaar terugkijken op deze herziening van het passend onderwijs, zullen wij zeggen dat wij er goed aan hebben gedaan om het zo te veranderen als wij nu op het punt staan te doen. Daar ben ik oprecht van overtuigd. Ik zeg dan ook volmondig "ja" op de vraag van de heer Van der Ham of ik mij nog wel durf te vertonen in het onderwijs. Ik ben het eens met hetgeen de heer Dijkgraaf zo-even zei: wie nu "nee" zegt tegen deze wijzigingen, zegt "ja" tegen het oude stelsel, met zijn perfide uitwassen en met zijn perverse prikkels. Van alle mensen hier in de zaal, van iedereen op de publieke tribune en van iedereen uit de arena, accepteer ik kritiek op onze standpunten, maar ik accepteer niet dat de oprechtheid van dat standpunt en onze overtuiging in twijfel worden getrokken. Dat hoef ik ook niet te accepteren.

Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat kinderen minder als hulpbehoevend of als probleem worden bestempeld, zodat kinderen die in het reguliere onderwijs kunnen, niet in het speciaal onderwijs zitten en dat kinderen die in het speciaal onderwijs thuishoren, niet in het reguliere onderwijs zitten. Ik heb dan ook met genoegen de krachtige inhoudelijke verdediging daarvan door mevrouw Ferrier van het CDA, door de heer Beertema van de PVV, de heer Dijkgraaf van de SGP en natuurlijk de minister aangehoord. Voor wie mijn bijdrage in eerste termijn heeft gehoord, zal het niet verrassend zijn dat ik het met hen eens ben.

Ik herhaal de kaarsrechte lijn van de VVD, waar de heer Van Dijk mij en onze liberale politieke groepering aan mag blijven herinneren. De leerling die werkelijk zorg nodig heeft, moet die zorg krijgen. Mijn fractie steunt daarom het amendement inzake de financiering van epilepsiescholen. Ik heb het amendement dan ook meeondertekend. Ik heb dat eerder ook beloofd. Ik heb gezegd dat we de problemen die er zijn, zullen oplossen. Daar mag men ons nu en in de toekomst aan houden.

Het tij begint te keren. Het beeld wordt gemengder en genuanceerder. Voorstanders van ingrijpen in de huidige, uit de hand gelopen situatie bij passend onderwijs beginnen zich uit te spreken, niet alleen in mijn mailbox, maar ook in kranten. Ik citeer een ingezonden brief van M. Olsthoorn, uit Vlaardingen, in het Algemeen Dagblad van vanmorgen: "Toen onze zoon in groep 8 zat, werd gemeld dat hij naar een vmbo-school met specifieke zorg moest. Het leek ons overdreven voor een kind dat alleen moeite met taal heeft. De school had zonder toestemming een rapport laten maken door een psycholoog die onze zoon nooit gesproken heeft. Hierdoor kon ons kind niet gemakkelijk naar een school van eigen keuze. Dat heeft ons veel moeite gekost. Hij doet het nu goed op zijn school zonder specifieke zorg. Ik denk dat er inderdaad kan worden bezuinigd door alleen die kinderen passend onderwijs te geven die dit echt nodig hebben." Ik geef het maar even weer.

Mij zijn vragen gesteld over de visie van de VVD op het onderwijsbeleid. De VVD wil de kwaliteit verhogen. Onze gemiddelde leerlingen doen het internationaal redelijk goed, maar de uitschieters naar boven presteren niet goed genoeg. De bepalende factor is de leraar, na het kind de belangrijkste persoon in het onderwijs. Er zijn heel veel goede leraren, dat heb ik in ieder debat met grote nadruk naar voren gebracht. Zij dragen bij aan het leerproces. Waar dat niet goed of onvoldoende gebeurt, moet dat hardop kunnen worden gezegd, onder meer naar aanleiding van bijvoorbeeld kritische signalen van de onderwijsinspectie.

De leraar moet goed zijn. De VVD zet in op goede leraren door de Pabo te versterken, door docenten in het regulier onderwijs bij te scholen om beter om te kunnen gaan met verschillen in de klas, door jonge, gemotiveerde leraren ruimte te bieden op school en perspectief op een goede loopbaan te geven, door schoolleiders ertoe te bewegen hun geld uit te geven aan het onderwijs in plaats van aan gebouwen en door hen te dwingen personeelsbeleid te voeren met functioneringsgesprekken. Daar zet de VVD zich voor in, zodat mensen ook graag in het onderwijs willen werken en zodat de leraar gestimuleerd en gesteund wordt. Daar gaat het om. De les aan de leerling staat voorop, in het regulier en in het speciaal onderwijs. Daarom ontstaat nu een systeem waarin deze scholen samenwerken. Binnen die samenwerking wordt er met gebudgetteerde middelen voor gezorgd dat ieder kind een plek krijgt op een school die bij hem of haar past.

Ik ben blij met de duidelijke toezegging dat er een bureaucratie-sheriff komt. Dat is voor mijn fractie een belangrijke geruststelling. De heer Dijsselbloem vond dat maar niets; de wereld op z'n onderwijspolitieke kop! Mag ik hem vragen, voor de stemming nog even contact te zoeken met zijn PvdA-fractiegenoot Çelik, die hiervan een warm voorstander is? Als de minister het liever een bureaucratie-waakhond noemt dan een sheriff, vind ik dat prima, als die mijnheer of mevrouw maar armslag krijgt en als wij hier in de Kamer maar de signalen kunnen doorkrijgen van onnodige bureaucratische rompslomp, daar waar de vrijheid die de wet biedt, wordt misbruikt. Ik heb een vraag aan de minister: wanneer gaat die mevrouw of mijnheer aan het werk dit jaar?

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Het enige wat ik de heer Elias heb voorgehouden, is dat hij dit wetsvoorstel zo warm omarmt omdat het een einde zou maken aan de bureaucratie. Vervolgens bepleit hij een bureaucratie-sheriff, omdat hij zich blijkbaar grote zorgen maakt over nieuwe bureaucratie. Dat is het enige wat ik hem heb voorgehouden, maar hij heeft daar nog niet op gereageerd. Hij bevindt zich enigszins in een rare knoop, maar ik wens hem veel succes.

De heer Elias (VVD):

Ik heb u daarop geantwoord, maar ik doe het in één zin nog een keer. Dit wetsvoorstel gaat bureaucratie tegen, maar geeft veel vrijheid, en die zou kunnen worden misbruikt. Wat ik wil, is dat dit tijdig wordt gesignaleerd en meteen bij de strot wordt gebeten.

Voorzitter. Over bureaucratie sprekend, ik ben oprecht verheugd dat de geachte afgevaardigde Van Dijk van de Socialistische Partij met ons strijdt voor zo scherp mogelijk renderende onderwijseuro's. Ik hoop hem dan ook bij het nog komende debat over het SCP-rapport Waar voor ons belastinggeld? aan mijn zijde te vinden. Uit het interruptiedebatje van hem met de minister komt naar voren dat er beter op zal worden gelet dat geld voor kinderen die zorg behoeven, niet in de algemene pot verdwijnt. Daarop heeft de minister naar mijn smaak een bevredigend antwoord gegeven.

De reden waarom ik dit punt met enige nadruk naar voren breng, is een artikel dat vandaag in Elsevier is verschenen. Veel scholen, 53%, hebben te veel eigen vermogen. Hun taak is om dat uit te geven aan onderwijs. In het artikel wordt het risico benadrukt dat scholen om binnen de normen voor de reserves te blijven geld uitgeven aan niet-onderwijszaken, want dan houden zij in ieder geval geen reserve die te groot is. Hoe controleert de inspectie op die prikkel? Dat bevalt me niet.

De antwoorden van de minister op de door mij ingediende amendementen geven mij geen aanleiding tot nadere vragen, behalve de opmerking van de heer Beertema met betrekking tot het amendement over de verevening. Mijn bedoeling met het amendement is om het rigide karakter van die verevening weg te nemen. De omvang van de te nemen stappen moet op een later moment bepaald worden. Dat kan volgens mij met een AMvB. Ik vraag de minister langs deze weg om een bevestiging dat ik dat juist zie.

Ik wil ten slotte één motie indienen. Deze motie gaat over onderwijs aan ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen. Ik verwijs hiervoor naar mijn bijdrage in eerste termijn. Ik hecht er zeer aan dat deze motie met een zo groot mogelijke steun wordt aangenomen vanuit mijn eveneens in eerste termijn al verwoorde filosofie dat wij zuinig met moties moeten omspringen, omdat juist dan dat instrument zijn nuttige functie behoudt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende:

  • - dat een kleine groep ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen onderwijs volgt in scholen of afdelingen voor meervoudig gehandicapten of op basis van verbrede toelating in scholen voor lichamelijk gehandicapten of zeer moeilijk lerende kinderen;

  • - dat deze leerlingen om onderwijs te kunnen volgen voortdurend afhankelijk zijn van begeleiding die gefinancierd wordt op basis van de AWBZ, welke begeleiding de komende jaren voor een belangrijk deel zal worden gedecentraliseerd naar de gemeenten;

overwegende:

  • - dat geen twijfel bestaat over de noodzaak voor deze leerlingen, in aanmerking te blijven komen voor de zwaarste vorm van extra ondersteuning binnen het kader van passend onderwijs;

  • - dat scholen vanwege de ernst van de handicap geconfronteerd worden met een veelheid aan administratieve procedures;

  • - dat stelselwijzigingen ten aanzien van passend onderwijs en de AWBZ beide betrekking hebben op de groep ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen, waarbij nog veel onduidelijkheid bestaat over de praktische uitwerking van deze stelselwijzigingen voor deze groep;

verzoekt de regering:

  • - ten eerste te bewerkstelligen dat de politieke leiding van de departementen van OCW en VWS gezamenlijk met de VNG nog in 2012 een duurzame oplossing uitwerkt die passend onderwijs en begeleiding op basis van de (gedecentraliseerde) AWBZ zo goed mogelijk op elkaar doen aansluiten;

  • - ten tweede in overleg met de sectororganisaties in het onderwijs nog in 2012 een procedure uit te werken waardoor de plaatsing van ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen in een voor hen passende school gerealiseerd kan worden met zo min mogelijk procedurele en administratieve belasting voor ouders en de betrokken scholen, onder meer door een voorbeeldafspraak in het referentiekader op te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Elias en Ferrier. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 73 (33106).

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Ik maak eerst nog een enkele opmerking om te verduidelijken dat het onderwijsveld zich toch niet zo eenduidig tegen deze wet verzet als ons wordt voorgehouden. Ik geef een paar citaten uit een interview met een lector, een hoogleraar pedagogiek die deel uitmaakte van de Evaluatie- en Adviescommissie Passend Onderwijs, de commissie-Lambrechts. Op de vraag of er tegenwoordig meer leerlingen met gedragsproblemen zijn, reageert hij heel uitgesproken. Daar geloof ik niets van, zegt hij. Waarom zou de jeugd anders zijn? Ik denk dat het aanzienlijk beter is dan vroeger. We leven in een betere tijd, met minder armoede en minder ellende. Er zijn zelfs aanwijzingen dat het aantal leerlingen met gedragsstoornissen is afgenomen. Vroeger waren er ook leerlingen in een klas die zich anders gedroegen. Dat is een beetje een drukke leerling, zei je dan. Die moet ik wat extra in de gaten houden. En over een leerling die bijvoorbeeld geen vrienden had, zei je: ach, het is een beetje vreemde snuiter. Nu heeft hetzelfde kind PDD-NOS of ADHD. Een beetje leraar zegt nu: daarvoor moet hulp van buiten komen, ik ben geen therapeut. Ik noem dat psychologisering van het schoolleven. Hij zegt voorts: natuurlijk zijn er bij iedere docent lastige leerlingen, maar het verschil is dat goede docenten de problemen voor zijn. Ze worden er niet door verrast. Dat is een combinatie van goede didactiek, humor en het besteden van persoonlijke aandacht aan de leerling. Daar hoef je geen psycholoog voor te zijn. Dat hoort bij de normale omgang en de interesse. Kortom, de aanpak van leerlingen met gedragsproblemen moet op primair niveau in het klaslokaal plaatsvinden.

Deze hoogleraar zegt: wat ik zie bij lesuitval – en ik herken dat ongelooflijk – is kamertjes vol socialevaardigheidstrainers, studiebegeleiders en vertrouwenspersonen die zitten te praten met of over de leerlingen. Er zit een heel netwerk van bevoegde leraren die eigenlijk voor het primaire proces moeten worden ingezet. De zorg moet in de klas worden georganiseerd, en niet daarbuiten. Natuurlijk zijn er echt moeilijke leerlingen. Deze hoogleraar zegt dat geschat wordt dat het om 5% gaat. Bij hen moet een behandeling door experts plaatsvinden. De beste remedie tegen gedragsstoornissen is goed docentschap. Dat is een gezonde combinatie van intuïtie en nuchterheid. Dat is wat de PVV-fractie betreft de belangrijke boodschap aan de lerarenopleidingen en de pabo's. Wij willen terug naar die pedagogische kwaliteit van onze leraren.

De samenwerkingsverbanden en de aangesloten scholen zouden zich moeten baseren op het uitgangspunt dat er sprake is van 5% moeilijke leerlingen – niet 10% en zeker geen 20% – en op leraren die in staat zijn om met die gedragsproblemen om te gaan. Die zijn er nu al; elke school kent ze. Een goedkoop intervisienetwerkje, per school georganiseerd, kan daarbij veel meer uitkomst bieden dan de leemlaag van hulpverleners die zich nu rond het onderwijs heeft geplakt.

Ik dank de minister voor haar bijdrage in eerste termijn. Dit is een belangrijk en complex dossier, dat veel emoties oproept. Die zijn deels terecht, zeker als het gaat om vragen als: is het samenwerkingsverband op tijd gereed, hoe staat het met mijn baan? Dat zijn allemaal legitieme vragen, maar heel veel emoties zijn aangewakkerd door desinformatie van de vakbonden en de media. Afgelopen dinsdag heb ik al gezegd dat niet alle leraren boos zijn. De leraren die voor de maatregelen zijn, kunnen zich nauwelijks verstaanbaar maken in het verbale geweld tegen dit kabinet. Er bestaat echter wel degelijk instemming met de wetswijziging. Ouders, leraren en organisaties met een tegengeluid zijn wat mij betreft te weinig aan het woord gekomen. Ik geef een citaat uit een e-mailbericht dat boekdelen spreekt. "Gisteren vroeg een leerling aan de directeur op zijn middelbare school waarom er gestaakt moest worden. Wil jij met tien gehandicapte leerlingen in een klas zitten? Dat was het antwoord. De leerling zei dat hij niet snapt dat het openbaar onderwijs zo weinig kinderen met een beperking toelaat, want hij zag ze niet in zijn omgeving. Daar schrok de directeur kennelijk van, en hij sputterde daarna: ja, maar wij hebben te weinig vrijwilligers om te helpen in de klas. Jij moet dan ruimte afstaan voor die kinderen. Dan wordt het nog rumoeriger in de klas en kun jij je slechter concentreren." Dat is het verhaal.

Ik haal ook het AD-interview aan met een docent wiskunde die voorstander is van passend onderwijs. Collega Elias refereerde er al aan. Ik moet zeggen dat het AD als een van de weinige kranten in staat is geweest om een genuanceerd beeld te geven. Dat vind ik een compliment waard. Wat mij betreft staat het AD bovenaan het lijstje van de kwaliteitsmedia, misschien wel als enige. "Ik vraag mij al een tijd af hoe het kan dat er sinds 2003 vier keer zo veel zorgleerlingen bij zijn gekomen. Kinderen zijn niet moeilijker geworden en zij zijn ook niet slechter gaan leren. Het systeem klopt volgens mij niet." Verder zegt deze docent: "Het gaat er alleen om of de leraar genoeg structuur in zijn klas heeft en of hij het aan kan. Want nu vinden leraren het wel gemakkelijk dat alle moeilijke gevallen naar hun eigen school gaan. Eigenlijk vind ik dat al die docenten die protesteren in de ArenA zeggen: die lastige kinderen wil ik niet in mijn klas." Dit zegt een docent met een klas met zes kinderen met een gedragsstoornis. Een ervaren docent, die erkent dat het niet altijd gemakkelijk is. Hij zegt ook dat het vaak moeilijk is. Soms lukt het niet om goed les te geven. Hij ziet echter wel de mogelijkheden van een nieuw systeem en de mogelijkheden van zijn leerlingen.

De lerarenopleidingen moeten toekomstige docenten beter voorbereiden op zorgleerlingen. Ik heb zojuist bij interruptie aan de minister gevraagd of zij daarover heel nadrukkelijk met de staatssecretaris in overleg wil gaan. Volgens mij heb ik de toezegging gehoord dat zij dit inderdaad gaat doen. Ik zou het prachtig vinden als het pedagogisch-didactisch handelen veel nadrukkelijker werd ingebed in de curricula van de pabo's en de lerarenopleidingen. Ik wil graag dat de minister toezegt dat zij met de staatssecretaris daarover in overleg treedt. Misschien moet het gewoon worden opgenomen in de kennisbasis.

Ik kom even terug op de verevening. De middelen moeten eerlijker worden verdeeld over stad en platteland. Het kan niet zo zijn dat er door een mysterieuze speling van het lot zo veel meer zorgleerlingen zijn op het platteland dan in de steden. Er zijn genoeg oorzaken te bedenken. Leraren in de grote stad zijn gewoon gewend aan afwijkingen van het gemiddelde. De ouders zijn vaker lager opgeleid en daarmee slechter in staat om hun weg te vinden in de wirwar van folders, bureaucratie enzovoort. Een eerlijke verdeling is hier op zijn plaats. Die is te lang scheef geweest. Het budget wordt met dit wetsvoorstel bepaald op grond van het aantal leerlingen in een samenwerkingsverband. Naar rato krijgt ieder samenwerkingsverband dus evenveel. Dat is een heel rechtvaardige verdeling. De PVV-fractie vindt dat dit zo snel mogelijk moet worden doorgevoerd. Wij voelen niet voor een verdere temporisering.

Wij begrijpen dat de regio's die middelen zullen moeten afstaan aan de regio's die jarenlang onderbedeeld zijn geweest, zich daarop moeten kunnen instellen. Daar moeten zij op kunnen anticiperen. Dat zal echter wel moeten gebeuren in het tempo van de overgangsregeling van vijf jaar – die is heel redelijk – waarin scholen en samenwerkingsverbanden kunnen toegroeien naar het nieuwe budget. Ik stel dus voor om de overgangsregeling zoals die is vastgelegd te handhaven en niet afhankelijk te maken van een AMvB die per schooljaar, op basis van de lobby van de betreffende samenwerkingsverbanden, zal worden vastgesteld. Ik voorzie daar een praatcircus en dat zouden wij niet moeten willen.

De heer Klaver (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van alle gestelde vragen, zowel schriftelijk als mondeling hier in de Kamer. Wat mij het meest is opgevallen in dit debat, is dat de minister eindelijk heeft toegegeven dat er wordt bezuinigd op onderwijs. In tweede instantie leek zij daar even op terug te komen, maar voor mij was het heel helder: er wordt aangegeven dat de nullijn voor docenten echt een bezuiniging op onderwijs is, hoewel die niet in de OCW-begroting staat. Ik vind het toch belangrijk om dat hier te hebben opgetekend: dit kabinet investeert niet in onderwijs en houdt zelfs de investeringen in onderwijs niet op peil.

Wij hebben gesproken over de bureaucratie. Een van de belangrijke doelstellingen van het voorliggende wetsvoorstel is het terugdringen van de bureaucratie. De heer Dijsselbloem heeft het al treffend geschetst: het zou de doelstelling van dit wetsvoorstel moeten zijn, maar toch is het nodig dat er een "bureaucratiesheriff" komt om dat allemaal in de gaten te houden. Hoe gaat deze "bureaucratiepersoon" functioneren? Welke bevoegdheden moet hij krijgen? Hoe krijgt hij zicht op de bureaucratie in de 150 samenwerkingsverbanden?

Wat betreft de bureaucratie, heb ik ook gewezen op de lappendeken van regio's. De minister zegt dat dit inderdaad lastig is, maar dat Nederland nu eenmaal een lappendeken is van regio's. Misschien is het goed om daar eens een stap verder in te zetten en met de collega's in het kabinet tot afspraken te komen. Dat zal niet op heel korte termijn mogelijk zijn. De doelstelling zou moeten zijn om er binnen deze kabinetsperiode voor te zorgen dat de verschillende bestaande regio's beter op elkaar worden afgestemd. Ik hoop op een toezegging van de minister op dit punt.

Het voorliggende wetsvoorstel kan twee kanten opgaan. Er is een ideaal scenario, een scenario waar de coalitiepartijen graag op wijzen. Wij krijgen straks een stelsel waarin kinderen sneller plaats vinden en op een geschikte school terechtkomen. Wij krijgen straks een stelsel waarin kinderen gemakkelijker in het reguliere onderwijs terechtkomen. Wij krijgen een stelsel waarin minder administratieve rompslomp is, minder financiële prikkels die ervoor zorgen dat kinderen overlabeld worden. Het zou kunnen.

Er is echter ook een worstcasescenario. Het zou anders kunnen lopen. Scholen krijgen geld al naar gelang de machtspositie van hun besturen. Met onbegrijpelijke indicatieprocedures en regeltjes wordt een geweldige berg papierwerk geboren, die moet worden beoordeeld door een bureaucratie die met onderwijsgeld wordt bekostigd. Het kan ook dat kinderen straks allerhande aandoeningen krijgen aangemeten waarmee geld uit de centrale pot wordt verkregen. Uit financiële overwegingen worden kinderen dan niet meer naar het speciaal onderwijs gestuurd, maar naar een reguliere school aan de andere kant van het samenwerkingsverband.

De heer Beertema noemde dat gisteren rampscenario's en zei dat wij te zwart zouden kijken, gitzwart zelfs. Nee, dit heet realisme. De hele onderwijssector wijst op de risico's die in deze wetswijziging liggen. Dat komt niet alleen door de technische wijziging van de wet, maar vooral door de bezuiniging die erbij komt kijken. Het is aan ons, als politiek, om ervoor te zorgen dat wij niet straks moeten ingrijpen als het eigenlijk al te laat is. Wij moeten nu al kijken hoe wij dat soort dingen kunnen voorkomen.

Er zijn meer dan 50 amendementen ingediend. Het is een groot wetsvoorstel, maar meer dan 50 amendementen is ontzettend veel. Dat zegt volgens mij iets over de kwaliteit van het wetsvoorstel. Als je bekijkt waar de amendementen op zijn ingediend, zie je dat er van alles is geregeld voor de onderwijsbesturen en te weinig voor de positie van ouders. Gehoord de reactie van de minister op de amendementen, in ieder geval op die van de oppositie, ben ik bang dat de positie van ouders niet verder wordt verstevigd.

Ik maak mij ook zorgen over de verdere professionalisering van de docenten. De heer Elias stelde dat 50% van de docenten niet in staat is om goed om te gaan met verschillen in de klas. Dat is ernstig. Daarom moet je investeren in de bijscholing van deze docenten. Ja, dat moet gebeuren op de pabo, zeg ik tegen de heer Beertema. Maar ook in de docenten die nu bezig zijn, moet worden geïnvesteerd. Als je dit wetsvoorstel op de korte termijn wilt invoeren, dan heb je niet genoeg aan de middelen die nu beschikbaar zijn voor professionalisering. Dan zul je moeten intensiveren. Het kabinet zegt: de prestatiebeloning hebben wij nodig om de sociaaleconomische en financiële positie van Nederland te versterken. Ik ben het niet eens met dat argument. Bij de prestatiebeloning wordt gericht geïnvesteerd in de verbetering van de kwaliteit van docenten. Dat doel is net zo goed te dienen door de prestatiebeloning heel gericht in te zetten voor de professionalisering van leraren. Dat zou in ieder geval moeten gebeuren in de transitiefase naar het passend onderwijs. Dat is volgens mij ook het doel dat in het verkiezingsprogramma van de VVD staat. Ik meen dat het hiervoor inzetten van de prestatiebeloning, de slagingskans van dit wetsvoorstel in belangrijke mate kan vergroten. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat leraren op reguliere scholen vaker extra ondersteuning zullen moeten bieden;

overwegende dat veel leraren hiervoor extra kennis en vaardigheden en ondersteuning nodig hebben;

overwegende dat extra middelen voor professionalisering en ondersteuning van leraren cruciaal zijn voor een succesvolle invoering van passend onderwijs;

verzoekt de regering, de middelen voor prestatiebeloning in te zetten om leraren te ondersteunen bij de invoering van passend onderwijs

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Klaver en Dijsselbloem. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 74 (33106).

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik heb het gehad over de bureaucratie. Hoe gaat de bureaucratiefunctionaris in de gaten houden wat er gebeurt? Wij missen straks essentiële sturingsinformatie. Ik vermoed dat de Kamer die straks ook zal missen. Daardoor kunnen wij niet zien hoe het is gesteld met het passend onderwijs. Om daarop beter grip te krijgen, dien ik de volgende twee moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het wetsvoorstel passend onderwijs de landelijke indicatiestelling afschaft;

constaterende dat het aantal leerlingen dat extra ondersteuning krijgt in de afgelopen jaren sterk is gestegen;

overwegende dat het aantal leerlingen met een ondersteuningsbehoefte een indicatie is voor het budget dat aan passend onderwijs moet worden toegekend;

verzoekt de regering, het aantal leerlingen met extra zorgbehoefte jaarlijks in kaart te brengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Klaver, Van der Ham en Dijsselbloem. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 75 (33106).

De heer Klaver (GroenLinks):

Voorzitter. Ik heb nog een andere motie over bureaucratie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat reguliere scholen na de invoering van passend onderwijs naar verwachting vaker ondersteuning aan leerlingen zullen moeten bieden;

overwegende dat scholen dankzij de zorgplicht ook verplicht zijn onderwijs te geven aan leerlingen voor wie geen passend aanbod met de juiste ondersteuning kan worden gevonden, als geen passend aanbod op een andere school gevonden kan worden;

overwegende dat het succes van passend onderwijs afhangt van het vinden van een passende plaats voor elk kind;

verzoekt de regering, te monitoren in hoeveel gevallen scholen menen dat een leerling geen passende ondersteuning kan worden gegeven en er geen alternatief gevonden kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Klaver, Van der Ham en Dijsselbloem. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 76 (33106).

De heer Klaver (GroenLinks):

In mijn termijn het ik het ook gehad over de mogelijkheid tot schorsing. Ik heb hierover ook een amendement ingediend. De minister stelde dat schorsing in het primair onderwijs op dit moment al zo'n 1500 keer per jaar plaatsvindt. Dat zou nu eigenlijk niet moeten kunnen. De inspectie zou daarom hierop wat mij betreft veel scherper hebben moeten toezien. Ik hoor uit het veld dat verwijdering niet wordt ingezet als middel, maar als oplossing. Dit wil de minister als het ware legaliseren. Zij wil niet de vergelijking trekken met coffeeshops. Ik zie echter een parallel. Hoe zal de nieuwe mogelijkheid tot schorsing in de wet eraan bijdragen dat beter wordt bijgehouden of schorsing echt als een middel wordt gebruikt? Of gaat schorsing dienen als een oplossing voor situaties met leerlingen die bijna niet te handhaven zijn in een klaslokaal, of voor leerlingen voor wie moeilijk ondersteuning is te bieden?

Ik kom tot een afsluiting. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat het optreden van de coalitie een staaltje van powerplay is. Ik merk hoe er is gereageerd op de wijzigingsvoorstellen van de oppositie om dit wetsvoorstel echt beter te maken. Ik hoor hoe er in ieder geval door de heer Beertema en de heer Elias is gereageerd op de vakbonden. Op grond daarvan concludeer ik dat dit een staaltje van powerplay is. Deze wet komt erdoorheen, ongeacht wat anderen vinden en ongeacht de vraag of wij de wet beter kunnen maken.

Er zijn meer dan 50 amendementen, ik zei het al. Die zijn niet ingediend om te traineren. De 50.000 mensen in de ArenA staan daar niet om te traineren. Zij staan daar omdat zij zich zorgen maken. Mensen staan niet alleen in groten getale in de ArenA. Gisteren stond ik nog op het Binnenhof voor de kleinste demonstratie ooit, een demonstratie van kleine legopoppetjes, omdat kinderen die gehandicapt zijn en op school zitten hier niet konden zijn. Mensen maken zich zorgen. Ik vind dat dit niet op waarde wordt geschat, en ik vind de reactie, zowel die op de ouders, de kinderen en de leraren als die op de oppositie, on-Nederlands. Wij polariseren niet. Dat past niet in onze volksaard, zou ik bijna willen zeggen. Wij proberen om wetgeving die voorligt sterker te maken door ook naar de minderheid te luisteren. Ik vind dit een gemiste kans.

Ik denk dan ook dat het kabinet en de coalitie vandaag een overwinning zullen boeken omdat deze wet inzake het passend onderwijs er bijna ongeschonden doorheen zal komen, maar dat het op de lange termijn een nederlaag zal zijn, omdat de positie van ouders wordt uitgehold en omdat ik me grote zorgen maak over de kansen van kinderen in het onderwijs. Ik beloof één ding: de komende jaren zal ik als een havik in de gaten houden wat er gebeurt op het gebied van passend onderwijs. Als er ook maar één leerling buiten de boot dreigt te vallen, ben ik de eerste die hier zal staan. Ik vind dat deze minister aan zo'n belangrijke wetswijziging, waaraan zo'n grote bezuiniging is gekoppeld, haar politieke lot zou moeten verbinden. Daar ga ik me voor inzetten.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Voorzitter. Ik dank allereerst de minister voor haar antwoorden, schriftelijk en mondeling. Ik dank ook de collega's voor het debat. Dat zeg ik eigenlijk nooit, maar nu wel, omdat wij in eerste termijn een stevig debat hebben gevoerd, met enige emotie. Dat is ook begrijpelijk en op zijn plaats, en ik hecht eraan om te zeggen dat ik er zeker van uitga dat alle collega's vanuit zeer integere betrokkenheid bij dit onderwerp over dit wetsvoorstel hebben gesproken. Er blijft echter een groot verschil van inzicht bestaan, een verschil van inschatting misschien van de risico's die wij met deze operatie nemen. Ik kom daar zo nog over te spreken.

De heer Elias (VVD):

Het is misschien een beetje ongebruikelijk, maar ik heb er behoefte aan om te zeggen dat ik de opmerking van de heer Dijsselbloem zeer op prijs stel.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Vandaag verscheen er een bericht van het Sociaal en Cultureel Planbureau over de IQ-maatregel. Waarom wil ik daarover iets zeggen? Dat wil ik omdat wij op dit moment echt te maken hebben met een stapeling van maatregelen die op verschillende manieren groepen in onze samenleving raken. Men kent het rijtje. Het zijn allemaal van die afkortingen en het is allemaal zo abstract, maar het gaat echt voor een groot deel over dezelfde mensen. Dat zijn mensen die straks – ik geloof dat de heer Elias het zei – niet in een aparte wereld terechtkomen maar gewoon in onze samenleving moeten kunnen meedoen. Wij proberen van alles te organiseren om ervoor te zorgen dat zij in die gezamenlijke samenleving een plek kunnen vinden. Daarbij gaat het om allerlei vormen van ondersteuning en begeleiding, soms op school, soms op het werk en soms thuis. De optelsom van alle maatregelen – daarom begin ik over de IQ-maatregel – pakt zo ongelooflijk onrechtvaardig uit. Daar zit mijn emotie. Het SCP zegt dat 33.000 zwakbegaafden in Nederland getroffen zullen worden door de aanscherping van de IQ-maatregel. Daarbij gaat het om de vraag wie er recht heeft op maatschappelijke begeleiding thuis. Het SCP zegt echt dat zij hierdoor getroffen zullen worden, dat zij beperkt zullen worden in hun mogelijkheden.

Nu hebben wij het over het passend onderwijs. Daarbij gaat het om zorg en begeleiding voor kinderen die vanwege gedrag of beperkingen of stoornissen ook extra aandacht nodig hebben. Ik bestrijd niet de integriteit van wie dan ook, maar mensen, mensen, mensen, wat nemen wij een risico. Dat nemen wij niet alleen met het passend onderwijs, maar met de optelsom van deze maatregelen. Echt, het is ongelooflijk wat voor risico hierbij vanuit een puur financieel motief wordt genomen.

In eerste termijn heb ik gesproken over het afwegingskader, de wijze waarop wij deze wet beoordelen. Dat zit in een aantal factoren, die ik maar samenvat met het rijtje geld, tijd, expertise en draagvlak. Draagvlak kan ik relativeren. Als wij het wetsvoorstel vandaag goed inhoudelijk hadden kunnen behandelen en als de voorwaarden geld, tijd en expertise geborgd waren, ben ik ervan overtuigd dat het draagvlak goed zou zijn geweest of zou zijn geworden. Dan had ik het voor mijn rekening durven nemen.

Echter, ik vind niet dat we zijn opgeschoten op deze drie hoofdpunten. Er werd door woordvoerders van de coalitie en ook door de minister al voor het debat in de media gezegd: wij houden onze poot stijf, dit is het, zo gaat het gebeuren. Dat frustreert mij. Ik had al niet heel veel illusies, maar om voor het debat al in de media te moeten vernemen dat we allemaal hoog of laag kunnen springen maar dat het toch doorgaat in de vorm die er nu ligt, getuigt niet van veel respect voor de collega's in de Kamer of voor de parlementaire democratie. Hebben we dan wel een zinvol debat gevoerd, zo vraag ik mij af. Ik zeg er niet veel meer over, want dan zou ik mijn bijdrage in de eerste termijn herhalen.

De bezuiniging blijft zoals zij is; de factor tijd gaat mede door de bezuiniging extra knellen, de factor expertise knelt doordat er onvoldoende geld is voor de scholing van leraren en we staan onder grote tijdsdruk. Als die drie factoren in combinatie enigszins waren aangepast, hadden we het misschien aangedurfd, want zoals gezegd is en blijft de PvdA voorstander van passend onderwijs. Er is een regeerakkoord dat knelt en dat heeft van begin tot einde in dit debat het kader gevormd. Een groot deel van de Kamer is bij het opstellen van het regeerakkoord echter niet betrokken geweest en het onderwijsveld was dat al helemaal niet. Daar hebben we het mee te doen …

Ik ga in op enkele inhoudelijke punten die nog resten. Het eerste betreft de inspectie. In eerste termijn heb ik gevraagd hoe de inspectie bij de beoordeling van scholen rekening zal houden met het aantal zorgleerlingen. Misschien heb ik heel even niet opgelet, maar volgens mij is deze vraag nog niet beantwoord. Ik stel dit aan de orde, omdat veel scholen zeggen dat het, als zij veel zorgleerlingen in huis houden, aan het einde van de rit de Cito-score kan beïnvloeden en dat zij daarop worden afgerekend door de inspectie. Dan zegt de inspectie dat ze het niet goed doen in de vergelijkingsgroep. De minister kent deze discussie. Ik wil preciezer weten, al was het maar voor alle scholen die meeluisteren naar dit debat, hoe deze perverse prikkel eruit wordt gehaald. Hoe voorkomt de minister dat scholen die zich inspannen om zo veel mogelijk zorgleerlingen binnen houden, daarop door de inspectie worden afgerekend?

Ik heb nog één opmerking over het toetsingskader; een oude discussie tussen de minister en mij. Ik vind dat de Kamer tijdig, en wel voor dat het wordt vastgesteld, het toetsingskader moet kunnen inzien. In de praktijk van het onderwijs, en dus zo meteen ook in de praktijk van de samenwerkingsverbanden, is het toetsingskader namelijk zeer bepalend voor de vraag hoe men een en ander gaat inrichten. De scholen pakken het erbij om te zien wat de inspectie verwacht. Op grond daarvan bepalen ze wat ze in ieder geval moeten doen. Het is echt cruciaal. De minister zegt dat zij het licht regelt omdat zij ruimte wil laten aan de scholen en aan de samenwerkingsverbanden, Dan wil ik van tevoren wel even het toetsingskader zien om te bezien of het allerlei zaken toch invult. Ik ben daar altijd begripvol voor, want de inspectie heeft nu eenmaal houvast nodig. Om je een oordeel te kunnen vormen heb je een kader nodig, maar dat kader kan zeer bepalend worden voor de zogenaamde vrijheid die we aan scholen laten en voor hoe het gaat.

Er is veel gesproken over de positie van ouders. Ik heb me erover verbaasd dat het zo'n groot onderwerp moest worden. Er liggen nog twee amendementen van mij, mogelijk kan de minister daar nog op reageren. Een betreft de samenstelling van de ondersteuningsplanraad. Ik vind dat mensen daar in moeten kunnen komen door de medezeggenschapsraad maar niet per se uit de medezeggenschapsraad. Het is een enorme belasting voor ouders. Die zijn al actief in de medezeggenschapsraad en nu moeten ze ook nog eens de ondersteuningsplanraad erbij doen. Ik vind dat niet wenselijk. Het tweede amendement gaat over het recht op onafhankelijke ondersteuning. Misschien komt de minister daar nog op.

De geschillencommissie en de basiszorg zijn twee onderwerpen waarover meerdere amendementen zijn ingediend. Ik zit er constructief in; ik vind dat we zo ver mogelijk moeten komen om te bezien of we tot gezamenlijke amendementen kunnen komen. Dan hebben we daar in ieder geval nog enige winst geboekt.

Ik ben de collega's en de minister opnieuw zeer dankbaar dat de enorme klap die op de epilepsiescholen zou vallen, is afgewend. Hopelijk komen we uiteindelijk ook tot een goede oplossing voor het landelijke verband, de landelijke expertise die deze scholen dan kunnen blijven inzetten. Het is zeer, zeer waardevol dat we die behouden.

Dan de bureaucratie. Laten we het maar afwachten. We hopen allemaal dat het minder wordt, maar o jee, o jee, wat komt eraan. Maar gelukkig komt er een sheriff …

Tot slot. De optelsom van enerzijds de stapeling van maatregelen op kwetsbare mensen en anderzijds de stapeling van maatregelen op het onderwijs – de nullijn, de voortslepende discussie over de onderwijstijd die nu niet goed bekostigd is, het passend onderwijs en de druk daarop: meer kwaliteit, wat ik zeer steun – maakt dat het onderwijs onder grote spanning staat. Dan hoeven we niet verbaasd te zijn dat de relatie tussen politiek en onderwijs weer onder grote spanning staat, nog afgezien van hoe we met elkaar omgaan in bewoordingen. Je mag namelijk veel van het onderwijs vragen. Sterker nog, ik vind dat we veel moeten vragen. Die kwaliteit moet omhoog. Onze kinderen hebben daar recht op, maar dat betekent ook dat je het onderwijs daartoe in staat moet stellen. Dat heeft te maken met voorwaarden waar de politiek voor verantwoordelijk is. En die voorwaarden ontbreken.

Ik dien nog enkele moties in, want anders krijg ik echt last met u, voorzitter. Nee, ik heb nog een paar minuten.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de invoering van passend onderwijs zorgvuldig moet plaatsvinden;

constaterende dat er breed zorgen bestaan over de randvoorwaarden waaronder de wet nu wordt doorgevoerd;

verzoekt het Presidium, voorafgaand aan de eindstemming over het wetsvoorstel passend onderwijs een onafhankelijke uitvoeringstoets te laten plaatsvinden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dijsselbloem, Jasper van Dijk, Klaver en Van der Ham. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 77 (33106).

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Er is zorg, vooral bij ouders. Zij zeggen: de ondersteuningsplanraad is er nog niet, die moet nog worden opgericht, maar ondertussen begint de beleidsmachine al te draaien. Zij zijn dus bang dat ze er nog niet staan in de eerste fase, die zo cruciaal is, waarin het plan wordt gemaakt, het beleid en de verdeling van budgetten. Daarover gaat de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de ondersteuningsplanraad het medezeggenschapsorgaan wordt voor het passend onderwijs binnen de samenwerkingsverbanden;

overwegende dat een volwaardige ondersteuningsplanraad van begin af aan nauw betrokken moet worden bij de beleidsvoorbereiding, besluitvorming en uitvoering van het ondersteuningsplan passend onderwijs;

constaterende dat het ondersteuningsplan al begin 2013 gereed moet zijn;

verzoekt de regering, de onderwijsinspectie te laten toezien op een volwaardige rol van de ondersteuningsplanraad in al zijn geledingen bij de besluitvorming over het ondersteuningsplan passend onderwijs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dijsselbloem, Klaver en Van der Ham. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 78 (33106).

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Ik heb nog een motie over prestatiebeloning. Daarover zijn al meerdere moties ingediend, maar ik dien deze motie toch in. Zij is net weer een slag anders dan de andere. Misschien kunnen we ze nog samenvoegen voor de stemmingen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de bezuinigingen een groot risico vormen voor alle leerlingen en leraren die te maken krijgen met de wet passend onderwijs;

overwegende dat het welslagen van passend onderwijs van een veel groter maatschappelijk belang is dan het aanjagen van prestatiebeloning;

verzoekt de regering, de middelen voor prestatiebeloning volledig in te zetten voor passend onderwijs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dijsselbloem, Jasper van Dijk en Klaver. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 79 (33106).

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Dan heb ik een motie over de inzet van de lerarenbeurs.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er ook de komende jaren nog volop middelen beschikbaar zijn voor het scholen van docenten in de vorm van de lerarenbeurs;

overwegende dat duizenden ambulant begeleiders met expertise in de begeleiding van zorgleerlingen en hun leraren worden ontslagen;

constaterende dat volgens de onderwijsinspectie circa de helft van alle docenten nog onvoldoende in staat is, om te gaan met de uiteenlopende vragen van zorgleerlingen en daarin dus nog moeten worden bijgeschoold;

verzoekt de regering, de komende drie jaar alle vrijkomende middelen van de lerarenbeurs in te zetten voor bijscholing over passend onderwijs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dijsselbloem en Van der Ham. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 80 (33106).

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Ik heb in eerste termijn gesproken over de samenhang met jeugdzorg. Anderen hebben daar ook op gewezen. Ik heb dit soort opmerkingen ook gemaakt in het debat over jeugdzorg, dus ik blijf die kruisverbanden aanbrengen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat stelselwijzigingen passend onderwijs en jeugdzorg vrijwel gelijktijdig de komende jaren gaan plaatsvinden;

overwegende dat beide de zorg voor jeugd betreffen en dat onderlinge samenhang dus zeer geboden is;

constaterende dat de regionale samenwerking rond passend onderwijs en rond jeugdzorg lang niet overal lijkt te gaan samenvallen;

verzoekt de regering, de samenhang tussen de stelselwijzigingen jeugdzorg en passend onderwijs aan te brengen en de regionale samenwerking zo veel mogelijk te laten samenvallen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dijsselbloem, Beertema, Ferrier en Elias. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 81 (33106).

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Ik hecht eraan mede namens de andere indieners te benadrukken dat het niet ons doel is om passend onderwijs en de regiovorming daarin te vertragen, maar als hiermee de regiovorming rond jeugdzorg wordt versneld, zou dat ons een lief ding waard zijn.

Ik hoop dat geen van de zorgen die in het veld leven, bij de leraren, bij ouders en in deze Kamer niet bewaarheid zullen worden. Ik hoop dat ik hier de komende jaren geen één keer hoef te staan omdat er samenwerkingsverbanden vastlopen, omdat de leerlingen totaal geen plek meer kunnen krijgen en worden doorgeschoven, omdat het ziekteverzuim onder leraren omhooggaat, omdat de werkdruk in de klassen weer hoger is geworden. Ik hoop dat ik nooit, maar dan ook nooit, de minister naar de Kamer hoef te halen omdat er een school op omvallen staat en failliet dreigt te gaan. Zo zit ik erin. Maar het is onze verantwoordelijkheid om, alles overziende, het wetsvoorstel en alle wijzigingen die daar misschien nog op zullen komen, te beoordelen en ons af te vragen of wij dit voor onze rekening kunnen nemen. Zo staan wij erin. Die eindafweging zullen wij waarschijnlijk dinsdag maken.

De heer Elias (VVD):

Ik accepteer de argumenten die de heer Dijsselbloem naar voren brengt vanuit zijn visie. Toch wil ik hem een praktische vraag stellen. Stel dat hij hier over een jaar twee keer met de minister staat de debatteren, omdat iets niet goed gaat en ergens een school dreigt om te vallen. Stel dat hij hier over twee jaar drie keer met de minister staat te debatteren, omdat er iets mis gaat. Vindt hij dat dan niet toch een betere situatie dan wanneer wij het huidige systeem handhaven? Refererend aan wat de heer Dijkgraaf heeft gezegd, wie dinsdag tegen dit wetsvoorstel stemt, stemt voor het behoud van de huidige situatie mét, zoals ik het zei, de perfide uitwassen in de manier waarop het werkt. Dat is mijn, niet eens politieke, maar praktische vraag aan hem.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Het is een buitengewoon politieke vraag, omdat het onderdeel van de politiek is, je geen keuzes te laten opdringen en nieuwe keuzemogelijkheden te creëren. Ik zou de heer Elias willen uitdagen om met mij nieuwe mogelijkheden te creëren voor een stelsel dat wel adequaat is, waarmee geen risico's worden genomen met uiterst kwetsbare kinderen, dat ervoor zorgt dat de werkdruk van leraren niet toeneemt, en dat hun motivatie om aan de slag te gaan met passend onderwijs, niet weghaalt. Die keuze hebben wij. Die keuze hebben wij vandaag en die hebben wij dinsdag. En elke keer dat wij hier staan omdat dingen zijn ontspoord, houd ik die keuze weer aan de heer Elias voor. Dan zal ik zeggen: mijnheer Elias, u zou nu met mij een aantal verbeteringen kunnen aanbrengen; u had het toen kunnen doen, maar dat is toen niet gebeurd; laten wij het nu doen. Dat is politiek. Politiek is keuzes maken en niet je keuzes laten opdringen.

De heer Elias (VVD):

U kunt mij van alles verwijten, maar niet dat ik geen keuzes durf te maken.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Nee, ik verwijt u dat u mij keuzes opdringt.

De heer Elias (VVD):

U doet alsof …

De voorzitter:

Via de voorzitter.

De heer Elias (VVD):

Pardon, ik doe het echt niet expres.

De voorzitter:

Dat weet ik.

De heer Elias (VVD):

De heer Dijsselbloem, mevrouw de voorzitter, doet alsof er met die kinderen gesold wordt wanneer het gaat zoals ik het beschrijf. Daar maak ik bezwaar tegen, inhoudelijk. Dat is namelijk niet waar. Er is iets fout gegaan met die epilepsiescholen – dat is een heel lang verhaal, dat de heer Dijsselbloem kent – omdat het geld in de techniek verkeerd was toegewezen met de indruk dat er kon worden bezuinigd. Toen heeft de Kamer ingegrepen. Die scholen blijven overeind. Geen kind op die scholen heeft daar last van gehad. Ja, die bestuurders hebben slapeloze nachten gehad en ons heeft het allemaal een hoop tijd gekost, maar kinderen hebben daar geen last van gehad. De heer Dijsselbloem moet dus niet zeggen dat wij met het systeem dat wij nu gaan invoeren, risico's met de kinderen nemen. Dat geloof ik niet.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

De uitsmijter van de heer Elias was adequaat: hij gelooft het niet. Dat kan. Daar eindigt het debat uiteindelijk. Het debat eindigt in de vaste overtuiging van de heer Elias dat het allemaal goed zal komen en dat het nieuwe systeem beter zal zijn, ondanks dat er zo veel geld uitgaat, er duizenden mensen worden ontslagen et cetera. Een groot deel van de Kamer, een groot deel van het veld en heel veel ouders maken zich daar enorme zorgen over. Het is uiteindelijk aan ons, politici, om die weging te maken en ons af te vragen: doen wij het toch? Daar zullen wij elkaar niet in naderen. Maar de heer Elias kan mij niet voorhouden dat de keuze is: je moet nu akkoord gaan, want anders ben je verantwoordelijk voor een stelsel dat niet goed functioneert. Het stelsel zoals het nu is, functioneert inderdaad niet. De Partij van de Arbeid is al in de vorige kabinetsperiode onder staatssecretaris Dijksma begonnen om dit voor te bereiden, dus dat is het punt niet. Het punt, dat ik tien keer kan herhalen, is of wij voor onze verantwoordelijkheid nemen dat wij nu niet alleen een systeem vastleggen qua techniek, maar ook accepteren dat de voorwaarden waaronder dat gebeurt, tot buitengewoon veel risico's leiden. Dat is mijn inschatting. Dit leidt tot buitengewoon veel risico's en de heer Elias neemt daar de verantwoordelijkheid voor.

De heer Dijkgraaf (SGP):

De heer Dijsselbloem zal het met mij eens zijn dat de vraag in feite is of er in ieder geval een verbetering is ten opzichte van het huidige systeem. Hij zegt dat we moeten werken aan een alternatief, maar als hij terugkijkt op hoe lang het geduurd heeft om met dit voorstel te komen, zal hij het met mij eens zijn dat als er dinsdag nee wordt gezegd, het in ieder geval nog jaren duurt voordat er een alternatief is waarvoor wel een meerderheid is.

De voorzitter:

Ik wil niet flauw zijn, maar dit is eigenlijk dezelfde vraag.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Mijnheer Dijkgraaf, u bent lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. In de Tweede Kamer is op dit moment een wetsvoorstel passend onderwijs aan de orde. U en ik, en vooral u vanwege uw cruciale stem in de Eerste Kamer, kunnen beslissende invloed hebben op de wijze waarop we dit nieuwe stelsel invoeren. Over dat stelsel zouden we het in grote mate eens kunnen worden in de Kamer. Ik meen dat er al jaren maar één fractie is die echt tegen passend onderwijs is; met deze opmerking maak ik overigens een zijstap. U maakt de context van het voorstel klein en zegt: daar stemmen wij nu niet over. U neemt vandaag niet de verantwoordelijkheid voor een systeem. Mensen leven niet in een systeem. Er is geen leerling die woont in een systeem. U neemt vandaag de verantwoordelijkheid voor wat u mensen aandoet! Dat zit in dit wetsvoorstel en dat …

De voorzitter:

U moet elkaar niet op die manier rechtstreeks aanspreken. Op deze manier moeten we het niet doen. U spreekt via de voorzitter.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

U hebt volstrekt gelijk, voorzitter. Ik heb er ook geen woord meer aan toe te voegen.

De voorzitter:

Dat lijkt mij ook heel goed.

De heer Dijkgraaf (SGP):

De heer Dijsselbloem zal het toch wel met mij eens zijn dat de bezuinigingen niet in het wetsvoorstel staan. Daar hebben we bij de begroting voor het jaar 2012 over gestemd en daar gaan we opnieuw over stemmen aan het eind van dit jaar. Als de heer Dijsselbloem stelt dat het grote probleem het tekort aan geld is, dan daag ik hem uit om dinsdag voor te stemmen en de rest van het jaar te benutten om die discussies te blijven voeren. Die discussies zijn waardevol. Er komen continu nieuwe mogelijkheden om dat geld bij te passen.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Ik noteer dat de SGP zich gaat inzetten om dat geld bij de begrotingen de komende jaren bij te passen. Wij zullen zij aan zij strijden. De heer Dijkgraaf is geen technocraat. Hij beseft dat als hij nu groen licht geeft voor dit wetsvoorstel, er vanaf 1 augustus dit jaar stappen gezet gaan worden. Sterker nog, op dit moment krijgen mensen al brieven in de bus dat zij zullen worden ontslagen in de nabije toekomst. Het is niet zo abstract, mijnheer Dijkgraaf. Het raakt het leven van mensen. U bent verantwoordelijk voor de effecten daarvan. Het is altijd een combinatie van een dooie letter in de wet en de omstandigheden en de middelen die wij mensen kunnen geven – dat doen we niet, maar dat zouden we moeten doen – om met die wet iets moois te bouwen. Dat had gekund, maar die mogelijkheid wordt iedereen, leerlingen en leraren, simpelweg onthouden – dat vrees ik tenminste – door een meerderheid van deze Kamer.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Voorzitter. Tot slot.

De voorzitter:

Volgens mij had u al een "tot slot". Echt waar, ik kan tellen. Oude opleiding.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik weet dat u kunt tellen. Dat respecteer ik zeer.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Voorzitter. In deze Kamer is het altijd zo geweest dat als we het hadden over het passend onderwijs, de debatten uitstegen boven het partijpolitieke gekissebis. Het gaat namelijk om een kwetsbare groep kinderen in de samenleving die ons allemaal evenzeer aan het hart gaat. Ik heb gehoord dat het zou gaan om staaltjes powerplay. Ik ga ervan uit dat de emotie die wij vandaag gezien hebben in het debat, vooral ingegeven is door de zorg die wij als volksvertegenwoordigers met elkaar delen en door het gemeenschappelijke doel dat wij hebben om het beste te zoeken, juist voor deze kinderen.

Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen. Ik heb een paar punten en begin bij mijn amendement op stuk nr. 55. Dit amendement ging in eerste instantie alleen over cluster 2, maar ik vind dat het voor kinderen in alle clusters zou moeten gelden, dus ik heb het uitgebreid van alleen cluster 2 naar alle clusters. Nu kan een kind ook onderwijs ontvangen op een andere schoolsoort dan die waarvoor het is ingeschreven. Ik zou graag hebben dat de minister dit bevestigt.

Met het nader gewijzigde amendement op stuk nr. 57 over de geschillencommissie ga ik aan de slag. Wij gaan erover stoeien met de collega's Van der Ham en Dijsselbloem. Ik heb er alle vertrouwen in dat wij hier op een goede manier uit zullen komen.

Ik heb nog een paar prangende punten. In eerste termijn heb ik gezegd dat er spookbeelden bestaan over wat er aan de hand is. Dat baart mij zorgen. Het is van wezenlijk belang dat, als wij deze wet stapsgewijs gaan uitvoeren en als wij heel kritisch nagaan hoe deze zal neerdalen in de praktijk, iedereen op zijn minst goed geïnformeerd is. In antwoord op mijn vraag hierover kreeg ik de reactie dat er een mooie website is, maar dat vind ik niet voldoende. Als ik als bezorgde ouder op zoek ben naar informatie en naar de website van het ministerie ga, kom ik niet bij die mooie website terecht. Ik vraag de minister om hier nog eens goed naar te kijken zodat de spookbeelden, die onnodig tegenwerken, de wereld uit geholpen worden.

In eerste termijn heb ik ook mijn zorgen geuit over de stroomlijning van de beleidsvoorstellen van de ministeries van OCW en VWS en over de uitdagingen waar de gemeentes voor staan. Ik heb gevraagd om een hoofdlijnenbrief die vanuit een gemeenschappelijk, integraal denken is opgesteld. Het antwoord op mijn verzoek was dat zo'n hoofdlijnenbrief niets toevoegt. Ik denk zelf echter van wel, omdat het dwingt tot een integrale manier van denken en beleid formuleren. Ik roep de minister dus op om hierover nog eens na te denken en met haar collega-bewindslieden contact te hebben om na te gaan of er toch niet zo'n beleidsbrief kan komen. Ik zou het zeer waarderen.

Ik kom bij de docenten. Ik heb afgelopen dinsdag heel goed geluisterd – dat zeg ik met nadruk – naar die 50.000 mensen in de Amsterdam ArenA. Ik heb hun brieven ook goed gelezen. Ik heb ook geluisterd naar docenten en brieven gelezen van docenten die zeggen: oké, dit is het dus; hier gaan wij het mee doen; ik zet mijn schouders eronder. Zij schreven dat zij niet gingen staken omdat zij ervoor willen gaan en er het beste van willen maken. Docenten verdienen alle ondersteuning die zij nodig hebben – ik heb dit al eerder gezegd – want zij zijn de mensen die het doen. Ik heb gezien hoe zij het doen en ik heb daar respect en waardering voor. Bij de begrotingsbehandeling van Buitenlandse Zaken heb ik gevraagd of de professionaliseringsgelden die wij hebben heel specifiek ingezet kunnen worden voor het passend onderwijs. Ik ben blij dat dit gaat gebeuren en dat scholen daarin ruimte krijgen. Er komt een prestatiebox zodat mensen zelf kunnen bepalen hoe dat geld wordt ingezet. Ik ben daar blij mee.

Ik kom op de ouders. Zij zijn voor het CDA altijd, maar zeker binnen de kaders van deze wet, van zeer groot belang. Wij vinden het belangrijk dat de ouders in de positie komen om op een gelijkwaardige manier met de school te bepalen wat het beste is voor hun kind. Wij hebben gezien en wij weten uit onze eigen praktijk en omgeving dat een succesvolle schoolcarrière – ik doel daarmee op iets wat breder is dan goede cijfers voor rekenen en taal, namelijk de ontwikkeling tot een integraal mens – erbij gebaat is dat de school en de ouders met elkaar in gesprek zijn. Dat is eigenlijk een voorwaarde. Vandaar dat wij vinden dat ouders goed en onafhankelijk geïnformeerd moeten zijn en ondersteund moeten worden. Zij moeten een goede positie krijgen. Dat is een van de dingen waarnaar mijn fractie heel kritisch zal kijken.

Ik heb nog een vraag over een punt dat ik eerder vandaag heb ingebracht: hoe gaat het in de praktijk? Het is namelijk echt de bedoeling dat de school taken aan de schoolondersteuningsplanraad overdraagt. Ik weet dat er goede bedoelingen zijn. Vanochtend heeft de minister in haar beantwoording ook gezegd dat wij daarvoor ruimte moeten geven, maar de ondersteuningsplanraad is niet in staat om te doen wat wij ervan verwachten als scholen niet echt taken overdragen. Wil de minister daar kritisch naar kijken? Mijn fractie zal het in ieder geval kritisch volgen.

Vorig jaar heb ik een motie ingediend die in deze Kamer met steun van een brede meerderheid is aangenomen. Daarbij is ons gezegd dat scholen niet zullen omvallen. Daar ga ik ook héél kritisch naar kijken. Ik zeg tegen collega Dijsselbloem dat ik verwacht dat wij hier nog vaak zullen staan, niet om te constateren wat er allemaal fout is gegaan, maar juist om dat te voorkomen. Daarom is het zo belangrijk dat wij nu afspreken wat wij van elkaar verwachten en waar wij op willen uitkomen. Net als collega Klaver zal ik wat dat betreft een havik zijn. Het gaat ons uiteindelijk om één doel – en dat delen wij met elkaar – namelijk dat juist deze kinderen krijgen waarop zij recht hebben: het beste, een volwaardige plek in onze samenleving.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik ben heel blij dat mevrouw Ferrier dat zegt. Ik zal haar daar ook aan houden. Ik heb er wel een vraag over. Stel dat blijkt dat de bezuiniging die nu op tafel ligt, de invoering van het passend onderwijs bemoeilijkt of misschien wel onmogelijk maakt. Is mevrouw Ferrier dan bereid om af te stappen van de afspraken die in het regeer- en gedoogakkoord over het financiële kader zijn gemaakt en te zeggen: nu moet er geld bij? Komt er een moment waarop mevrouw Ferrier dat wil zeggen? Anders zijn de mooie woorden die zij zojuist heeft gesproken gratis medeleven en daar hebben de ouders die op de tribune zitten helemaal niets aan.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Het is geen gratis medeleven. Ieder jaar bespreken wij de begroting. Nogmaals, ik verwacht dat wij vaak met de minister over dit onderwerp zullen praten. Als er scholen dreigen om te vallen of als er dingen gebeuren die wij niet willen – de heer Dijsselbloem heeft ze zonet opgenoemd – is het mijn inzet om dat voor te zijn, te voorkomen. Dat doen wij ieder jaar bij de begrotingsbehandeling.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik ken de begrotingscyclus van de Kamer. Helaas is de onderwijspraktijk echt anders en kunnen scholen niet altijd tot de volgende begrotingsbehandeling wachten. Ik hoop dat mevrouw Ferrier ook in de tussentijd bereid is om, als het echt nodig is, samen met mij naar andere financiële oplossingen te kijken. Ik blijf er namelijk bij dat de bezuinigingsopgave waarvoor het onderwijs staat, een grote belemmering zal zijn om dit wetsvoorstel tot een succes te maken.

De heer Van der Ham (D66):

Ik heb in mijn tweede termijn per motie de suggestie gedaan om het debat en de stemming af te wachten tot na afloop van het Catshuisberaad, en te bekijken of er misschien door een herschikking in de onderwijsbegroting toch nog ruimte is voor het verzachten van de bezuiniging op het passend onderwijs. Ik vraag hierop een reactie van mevrouw Ferrier, maar ik vraag ook een reactie op de opmerking van de heer Beertema. Hij zei: misschien komt er nog wel een hoger bedrag uit. Ik mag hopen dat ik van de CDA-fractie te horen krijg dat in ieder geval niet méér op zorgleerlingen zal worden bezuinigd.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Ik zit niet bij dat Catshuisberaad. Ik ben helemaal niet van plan om te zeggen: wij wachten op wat daar gebeurt. Ik heb daar geen enkel zicht op. Dat zeg ik in alle oprechtheid. Ik weet niet wat daar gebeurt en ik weet niet hoe lang dat zal duren. Ik ben dus op geen enkele manier bereid om te zeggen: laten wij maar wachten tot men eruit is. Wij zullen zien wat voorligt als men eruit is. Ik heb daar geen enkel idee van en ik kan daarover geen enkele uitspraak doen.

De heer Van der Ham (D66):

Mevrouw Ferrier kan wel zeggen wat zij wenselijk acht. Vindt zij het als woordvoerder op dit onderwerp wenselijk dat de bezuiniging wellicht nog veel forser wordt, zoals de heer Beertema zei? Of vindt zij het wenselijk dat er, gehoord de beraadslagingen, toch nog eens naar een mogelijke verzachting van de bezuinigingen wordt gekeken? Ik wil graag een antwoord op zowel mijn eerste als mijn tweede vraag.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Wat ik wenselijk acht op dit moment, nu wij dit wetsvoorstel bespreken, is dat het zo goed mogelijk neerdaalt in de praktijk. Dat traject gaan wij met elkaar doorlopen en ik ga dat stap voor stap als een havik volgen. Dat zeg ik tegen de heer Van der Ham. Verder zeg ik niets.

De heer Beertema (PVV):

Ik wil de heer Van der Ham duidelijk maken dat ik geen lijntjes naar het Catshuis heb. Ik heb geen enkele aanwijzing dat er iets staat te gebeuren. Zijn motie verbaast mij en daarom heb ik de vraag gesteld die ik heb gesteld.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Deelt mevrouw Ferrier mijn mening dat er bij de stemming dinsdag over de vraag of de nieuwe wet of de oude situatie wenselijk is, veel meer mogelijkheden zijn? Wij kunnen het immers ook op een andere manier doen. Voorts vraag ik of zij waarde hecht aan een congresmotie die eerder door de CDA-fractie is ingediend en waarin wordt gevraagd om niet zo hard te bezuinigen en om meer tijd om dit plan door te voeren.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Ik begin met de laatste vraag. De congresmotie is al uitgevoerd doordat wij de invoering van het passend onderwijs hebben kunnen temporiseren en uitstellen. Daarvoor zijn extra middelen beschikbaar gesteld, onder andere uit de prestatiebeloning. Ten aanzien van de eerste vraag ben ik ervan overtuigd geraakt dat het invoeren van de nieuwe wet inderdaad inmiddels urgent is. In de eerste plaats moet er voor het veld, voor de mensen die het in de praktijk doen, duidelijkheid komen. Dit heeft al veel te lang geduurd. Wij spreken hier al jaren over. Ik zie echt uit naar het moment – dat meen ik oprecht – dat wij dit in praktijk gaan brengen. De tweede reden is dat ik inderdaad vind dat er, zoals het nu gaat, veel te veel gebreken zijn in de wijze waarop wij de zaken nu hebben georganiseerd. Kiezen voor deze wet is beter dan de zaken laten zoals die nu zijn.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De congresmotie van de CDA-fractie is volgens mij helemaal niet uitgevoerd. Aan een aantal punten in de motie wordt niet tegemoetgekomen. Voorts is het heel vreemd om nu met de wet aan de gang te gaan omdat wij anders blijven staan op een punt dat slechter is, als je ziet dat zo veel mensen grote bezwaren hebben tegen het totaalpakket waarover wij dinsdag gaan stemmen, inclusief de bezuinigingen die in die wet staan en die een grote meerderheid van de Nederlanders zegt niet te willen.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Wij gaan stap voor stap de invoering van deze wet volgen. Wij zullen er vaak over komen te spreken. Ik begrijp de zorgen die er zijn bij docenten en ouders. Het is juist mijn inzet om te voorkomen dat datgene gebeurt waarvoor men zo bevreesd is. Ik ben ervan overtuigd dat wij met het systeem dat nu wordt opgezet uiteindelijk kunnen zeggen: gelukkig dat wij het zo hebben gedaan.

De voorzitter:

Wij hebben geluisterd naar de laatste spreker van de zijde van de Kamer. Ik schors de vergadering tien minuten. Daarna gaan wij luisteren naar het antwoord van de minister. Ik verzoek de woordvoerders even bij mij te komen.

De vergadering wordt van 17.41 uur tot 17.57 uur geschorst.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Voorzitter. Ik dank de leden voor hun reactie in tweede termijn. Ik ben blij met de woorden die gesproken zijn. Ik bespeur namelijk dat er ondanks de verschillen die er zijn, toch waardering is voor het debat dat is gevoerd. Ik denk dat dit belangrijk is omdat dit uiteindelijk duidelijk maakt dat wij allen maar één doel hebben en dat is om dit zo goed mogelijk te regelen. Ieder doet dat vanuit zijn eigen positie en vanuit zijn eigen mogelijkheden en onmogelijkheden, maar heeft wel nadrukkelijk dat doel voor ogen. De onderlinge waardering, die zich specifiek even uitte tussen de heren Elias en Dijsselbloem, kan ik alleen maar buitengewoon waarderen.

Ik begin met het beantwoorden van de vragen. Dan ga ik al snel in op de moties, want het zijn er veel, en op de amendementen. Ik probeer mijn antwoord af te ronden met een paar afsluitende woorden. Ik zal proberen om kort te antwoorden.

Mevrouw Ortega, die een buitengewone betrokkenheid toont bij dit thema – dat waardeer ik alleen maar – heeft nog een paar punten naar voren gebracht. Zij heeft deze vooral verwoord in de door haar ingediende moties. Ik zal daarom op de punten die mevrouw Ortega heeft genoemd, ingaan bij de bespreking van de moties en amendementen.

Ook de heer Van der Ham heeft zijn punten vooral in moties naar voren gebracht. Ook op die punten kom ik terug bij de behandeling van de moties. Anders ga ik het allemaal dubbel doen.

De heer Van Dijk heeft gevraagd of de gesprekken van de afgelopen jaren tot iets hebben geleid. Die gesprekken hebben wel degelijk tot iets geleid. Daarmee sluit ik mij aan bij hetgeen de heer Dijsselbloem daarover zegt. Ik heb gezien dat de gesprekken in de afgelopen jaren werden gevoerd en ik heb gezien dat alle betrokkenen uiteindelijk hebben gezegd dat dit de beweging is die wij moeten maken. Dat wil ik toch even vastgelegd hebben. Daarin is door mijn voorgangster fors geïnvesteerd en daardoor kon ik daarop naadloos voortborduren. Er is wel een complicerende factor, die natuurlijk ook iets doet met het draagvlak. De gesprekken hebben echter wel ergens toe geleid. Het is een intensief traject geweest. Dat heb ik toen met veel bewondering bekeken en daarop heb ik dankbaar voortgeborduurd. Ik realiseer mij echter dat de omstandigheden van nu het wel lastig maken. Daarbij denk ik dan aan de randvoorwaarden die de heer Dijsselbloem noemde. Ik wil echter recht doen aan degene die aan de inhoud heeft gewerkt.

Hier wordt niet in de opmerkingen van de heer Beertema, maar in de opmerkingen van de heer Zijlstra selectief gewinkeld. De heer Zijlstra zei dat het geld op dat moment nog niet kon worden gebruikt omdat nog werd gewerkt met pilots. Hij was daarom bereid om het geld in te zetten ten behoeve van het passend onderwijs en de langstudeerdersregeling. Zo moeten wij het stuk natuurlijk ook zien; dat is de context van zijn opmerkingen, die op dat punt niet generiek zijn. Daarmee wil ik eventjes recht doen aan de heer Zijlstra.

Wij hebben gesproken over de levensbeschouwelijke argumenten en dergelijke. Eén ding wil ik nog zeggen over de Raad van State en over de stelling dat de regering haar verantwoordelijkheid niet neemt. Dat klopt, maar alleen in die zin dat dit geschreven stond in het advies van de Raad van State. Er verschijnt echter altijd een nader rapport na het advies van de Raad van State en naar aanleiding van dat advies heb ik op veel punten wijzigingen aangebracht. Ik waardeer de Raad van State en het advies dat de raad geeft. Ik ben dan ook absoluut van mening dat de uitspraak "de regering neemt haar verantwoordelijkheid " in dezen volledig van toepassing is. Er is een advies en er is een nader rapport waarin het advies op de punten in belangrijke mate is overgenomen.

De heer Van Dijk heeft moties ingediend. Daar kom ik nog op terug.

De heer Dijkgraaf had een prachtig betoog. In de kerk zou men er alleen maar "amen" op kunnen zeggen. Dat past eigenlijk ook wel bij de heer Dijkgraaf. Hier kan ik echter alleen maar zeggen dat ik het er vanaf het begin, en vooral tot het eind van harte mee eens ben.

De heer Elias vraagt wanneer de waakhond aan het werk gaat. Ik heb gezegd dat ik de gedachte sympathiek vind. Ik ga dit uitwerken. Voor de zomer is duidelijk hoe ik dat wil gaan doen. Ik zal de Kamer daar netjes over rapporteren. Hoe ik die figuur positioneer, et cetera, hoort de Kamer nader van mij. Ik heb al een soort organisatie die aan de slag is om de voorbereidingen te treffen en die straks de implementatie gaat ondersteunen. Dat lijkt me een heel mooie club om aansluiting bij te zoeken, dus ik zal de Kamer daarover nader informeren, maar ik heb net geconstateerd dat er een buitengewoon groot draagvlak voor is, dus ik zal op dit punt niet achterblijven. Men kan op mij rekenen.

De heer Beertema ging in op het pedagogisch-didactisch handelen. Ik heb al gezegd dat ik dat van harte ondersteun. Er gebeurt al veel op dat vlak, maar ik doe de scherpe, heldere toezegging dat ik dit ten overvloede nog een keer meeneem om met de heer Zijlstra te bespreken, zodat men heel zeker weet dat ik er het nodige mee doe.

De heer Beertema vroeg of er elk jaar overleg plaatsvindt over de verevening. Nee, zo is het niet bedoeld. Het gaat om de jaarlijkse vaststelling van percentages over vijf jaar, die een bepaald beloop kennen. In het amendement van de heer Elias wordt erop gedoeld dat de percentages in die vijf jaar wat anders kunnen verlopen. Een andere mogelijkheid is om iets later te starten. Die mogelijkheid wil de heer Elias met zijn amendement hebben. Als we die AMvB niet benutten, zal het gaan zoals in de wet is afgesproken.

De heer Klaver heeft zoals altijd een gloedvol betoog gehouden, met verschillende dimensies. Dat komt ook doordat hij een brede portefeuille heeft in de Kamer. Er ligt een motie-Dijsselbloem, die ik straks zal ondersteunen. Deze sluit volstrekt aan bij datgene wat de heer Klaver naar voren bracht. Misschien is hij inmiddels medeondertekenaar ervan. Daarin wordt het kabinet gevraagd om zo goed mogelijk te kijken naar de samenhang van het beleid in de regio's. De heer Klaver heeft dit thema in eerste termijn geagendeerd en ik zal het meenemen naar het kabinet, als die motie wordt aangenomen. We weten dat het nooit perfect zal worden, maar het is een ontwikkeling en we moeten eraan blijven werken om de integraliteit die wij willen, te bewerkstelligen. Dat is echt een punt dat ik bij die motie zal honoreren.

Verschillende sprekers zijn ingegaan op de positie van ouders. Ten eerste wordt met het wetsvoorstel en het amendement van de leden Dijsselbloem, Ferrier en Van der Ham de geschillenregeling uitgebreid op het punt dat oorspronkelijk bedoeld was. Ten tweede ontstaat er op overeenstemming gericht overleg voor ouders. Ten derde is er sprake van advisering en instemming door de medezeggenschapsraad. Ten vierde staan de onderwijsconsulenten volstrekt ter beschikking. Ik heb dat niet gelimiteerd. Daarom zal ik de motie uiteindelijk afwijzen. Er zijn onderwijsconsulenten en die kan men benutten, klaar, over en uit. Ik zie wel wat de rekening dan is, aan het eind van de rit, om het maar simpel te zeggen.

Ik denk dat we hier heel veel aan doen. De heer Van der Ham zei er ook iets over. Het enige wat overblijft, is het punt van de instemming, maar bij het ontwikkelingsperspectief is er sprake van professionaliteit en daar zit ook een schooladvies in verweven. Als ik dat bij elkaar bekijk, denk ik: prima. Er verandert niet zo heel veel, maar er komt een belangrijk punt bij, namelijk de zorgplicht. Deze maakt het voor ouders echt veel beter. Ik heb respect voor wat de Kamer eraan heeft toegevoegd. Ik kan daar goed mee leven, want ik begrijp die zorg. Ik vind het een mooi evenwicht. Wat in het wetsvoorstel staat, is uiteindelijk eerder een verbetering dan een vermindering ten opzichte van de huidige situatie.

De heer Klaver is ook ingegaan op de professionalisering, waar ik nog op terugkom. Ik zeg alvast dat er heel veel in wordt geïnvesteerd in de komende jaren. Het actieplan blijft overeind. Er komt 150 mln. bij. De prestatiebeloning wordt ingezet. Dat kan ik nu niet zomaar veranderen naar een ander doel. Dat willen we ook breder doen. We doen dat in de vorm van pilots. Het gaat nog om bescheiden bedragen. Het wordt pas echt fors in 2015–2016, zoals men weet, want ik heb het ingeleverd voor een ander doel, namelijk uitstel van de bezuiniging op passend onderwijs. Er gebeurt heel veel en daar kom ik zo meteen nog even op terug.

De heer Dijsselbloem heeft zoals altijd een gedegen betoog gehouden. Hij zei: let op de stapelingen. Ik denk dat dit een terecht punt van zorg is. Daarom heeft de heer Kamp op dit gebied de coördinatie. We zeggen dat het echt bij elkaar gebracht moet worden, omdat dingen elkaar wel raken en we ook heel zorgvuldig moeten zijn. De Kamer is er zelf bij, maar wij zijn er als kabinet ook bij om buitengewoon voorzichtig te zijn met de stappen die we zetten. Het is waar dat we bezuinigen. Daar moeten we ook niet voor weglopen. Dat doe ik dus ook niet. Dat betekent dat het voor sommige groepen moeilijker worden. Op andere terreinen leveren andere groepen weer in, maar hier komt ook een bepaalde groep mensen in beeld. Daar wil ik ook niet schimmig over zijn. Dat zou geen recht doen aan de werkelijkheid.

De heer Dijsselbloem heeft de vier heldere uitgangspunten genoemd: geld, tijd, expertise en draagvlak. Op het gebied van geld heb ik natuurlijk iets gedaan. Ik verwijs naar april, wat volgens mij overigens bijna één op één overeenkwam met de bedoelde resolutie die de heer Van Dijk voor ogen had. Wat dat betreft, onderschrijf ik de reactie van mevrouw Ferrier.

Op het gebied van tijd, wijs ik erop dat er in de tijd meer ruimte is ontstaan. Nogmaals, het begint wel in augustus, maar dat is eigenlijk een voorbereidingsjaar. Normaal gesproken zeg je: we gaan het voorbereiden en dan gaat het 1 augustus 2013 in. Ik heb er echter voor gekozen om de voorbereiding een onderdeel van de wet te laten zijn, om bijvoorbeeld ervoor te zorgen dat de ondersteuningsplanraad ook betrokken is bij de besluitvorming. Ik kom er later nog over te spreken in het kader van de motie.

We doen heel veel aan het behoud van expertise. Er zullen natuurlijk ontslagen vallen. Dat is de werkelijkheid. Dat heb je met het bedrag dat nu aan de orde is. Maar we hebben juist ten behoeve van het behoud van expertise afspraken gemaakt met die clubs van het convenant. We steken 150 mln. extra in de professionalisering van leerkrachten, waarbij de scholen de ruimte hebben om dat geld gewoon heel direct in te zetten waar zij vinden dat dat nodig is. We hebben echter specifiek de afspraak rondom passend onderwijs gemaakt. Bij de totstandkoming van de schoolprofielen is het heel belangrijk dat medezeggenschapsraden dat punt er ook goed aan verbinden. Ik denk dat dit heel belangrijk is, omdat zij die twee dingen dan bij elkaar brengen. Het budget is er in ieder geval. Dat gaat per 1 maart richting de scholen in de prestatiebox. Voorts hebben we wettelijk twee jaar de gedwongen winkelnering. Ik doe dus wel degelijk wat in mijn vermogen ligt. Ik zal later nog even ingaan op de motie hierover.

Zal de inspectie opletten bij de opname van veel zorgleerlingen? Ja, dat is de inzet. Ik ga natuurlijk sowieso heel goed met de inspectie praten over het hele verhaal en het handelen aldaar. Ik wil niet dat de ruimte die ik bied, straks ingeperkt wordt door de inspectie. Wat dat betreft, vindt de heer Dijsselbloem mij aan zijn zijde. Ik ga met dat inspectiekader aan de gang. Men kent mijn hoofdlijn op dat gebied. Ik moet die zelf vaststellen voordat die naar de Kamer gaat. Als de Kamer er dan wat van vindt, ben ik best bereid om er nog eens naar te kijken. Als er echt een zwaarwegend punt is, ben ik best bereid om nog even met de inspectie om de tafel te gaan zitten. Maar ik hecht eraan om het proces wel gewoon naar behoren te laten verlopen. Ik regeer, de Kamer controleert.

De heer Dijsselbloem heeft aangegeven dat hij hoopt, hier geen één keer te hoeven staan. Het is eigenlijk net zoals mevrouw Ferrier heeft gezegd: die illusie kan ik de heer Dijsselbloem gewoon echt ontnemen. Hij zal hier staan. Ik denk dat dat gewoon de werkelijkheid is. De heer Dijkgraaf heeft het ook heel helder aangegeven. Het is gewoon een complexe stelselwijziging. Er is nooit een stelselwijziging in Nederland geweest waarvoor wij niet met elkaar in de Kamer hebben gestaan. Ik zal ook moeten ingrijpen als het niet goed gaat. Dat sluit ik echt niet uit. Op 150 plekken met 480 gemeenten en duizenden scholen gaan we deze slag maken. De verantwoordelijkheid komt veel breder te liggen in het veld. Natuurlijk gaat het dan af en toe niet goed. Dat is de werkelijkheid. Een belangrijke vraag is of we er dan met elkaar op tijd bij zijn. Ik hoop dat dit overwegend het geval zal zijn. Het zal misschien ook wel eens niet het geval zijn, maar we moeten wel direct ingrijpen als we zien dat dat moet gebeuren. Dan gaat het erom of we dan ook daadwerkelijk scherp op de bok kunnen zitten. Ik heb begrepen dat het in dit geval zal gebeuren, maar men kan er voor honderd procent op rekenen dat ik dat elke dag ook letterlijk zal doen.

Ik kom nu toe aan de moties.

De heer Van der Ham (D66):

Er zijn ook een paar amendementen ingediend.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Die zal ik ook behandelen. Laat ik daarmee maar beginnen, want zoals u weet, wil ik u altijd graag tegemoetkomen.

Het amendement op stuk nr. 29 van de heer Van der Ham gaat over de grensregio's. Ik kom even terug op de kan-bepaling, omdat daaraan een aspect zit dat nog niet aan de orde is geweest. Het wetvoorstel tot wijziging van de WPO, WEC en WVO geldt alleen voor het grondgebied van Nederland. Wij hebben daarmee ook met andere zaken op de Antillen te maken gehad. De Raad van State heeft dit duidelijk aangegeven. Mochten wij iets willen doen rond een bepaling in de Nederlandse wet, dan moeten wij eerst een verdrag sluiten. Er moet dan ook echt eerst een probleem zijn, want anders krijg ik de bondgenoten aan de andere kant van de grens niet aan tafel. Laten wij het zo doen. Als de heer Van der Ham het verandert in een kan-bepaling, hebben wij het in elk geval in de wet geregeld. Is dan de tijd daar, dan weet hij dat ik nog een paar stappen te zetten heb.

De heer Van der Ham (D66):

Ik heb Bureau Wetgeving inmiddels opdracht gegeven om dit te veranderen. Daarin gaan wij elkaar dus tegemoet treden.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Prima, dan kan ik het oordeel over het amendement aan de Kamer overlaten.

Het amendement op stuk nr. 48 gaat over de verevening. Ik heb zojuist toegelicht hoe het zit met het jaarlijkse percentage. Maar wij gaan natuurlijk niet elk jaar over de verevening praten.

Dan kom ik op het amendement van de heer Dijsselbloem op stuk nr. 54 over leden van de ondersteuningsplanraad die geen deel uitmaken van de afzonderlijke medezeggenschapsraden. Ik moet de aanneming van het amendement ontraden. Ik vind het ontzettend belangrijk dat de mensen uit de verbanden van de scholen komen. Daar begint het; de scholen hebben het primaat en van daaruit bouwen wij het ondersteuningsplan op. Ik wil dat de mensen die daarin zitten, aangesloten zijn en dat zij gecorrigeerd kunnen worden op de scholen, in de trant van: jij zit dat daar wel te doen, maar wij hebben met dit en dat te maken. Ik vind die "getrapte medezeggenschap" om het zo maar uit te drukken, heel belangrijk. "Door en uit" vind ik ontzettend belangrijk. Ik kan dus niet anders dan de aanneming van het amendement ontraden. Het zijn grote regio's en het gaat niet om massa's mensen. Er is niet elke dag piekbelasting. Er zijn periodes dat je er wat scherper bij betrokken bent. Men moet verder met elkaar in het ondersteuningsplan afspreken hoe men betrokken wil blijven gedurende de desbetreffende periode, maar ik ga ervan uit dat er toch gewoon een paar mensen gevonden moeten kunnen worden die de klus willen doen. Misschien wordt iemand er wel voor vrijgesteld, maar deze moet dan wel met zijn voeten in de modder staan van de lokale medezeggenschap.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Het is gewoon een praktische kwestie. Ik heb veel ouders gesproken die actief zijn in de medezeggenschapsraden. Zij vertelden mij hoe veel werk het is als je het goed wilt doen. Je moet je terdege verdiepen in de materie. Je moet proberen een beetje te kunnen meepraten met de directie of de schoolleiding. Je moet wel weten waarover het gaat. Zij zeggen dat zij dit er nu bij krijgen. Het is prima dat zij worden gekozen door de medezeggenschapsraden. Hierdoor is de verbinding daarmee ook al aangebracht. Maar laten wij niet van dezelfde mensen steeds een nieuwe opdracht vragen, want dat is gewoon te veel. Het is een praktische benadering. Volgens mij wil de minister, net als ik, dat juist veel ouders betrokken zijn. Door het lidmaatschap open te stellen voor mensen die nog niet actief zijn in de medezeggenschapsraad, betrekken wij meer mensen bij de medezeggenschap van ouders.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik zou zelf ook willen kiezen voor de praktische benadering, maar dan in deze zin: laten wij met elkaar afspreken dat iemand uit een medezeggenschapsraad in de ondersteuningsplanraad komt te zitten, en dat betrokkene dan elke keer gewoon de vergaderingen bijwoont en vrijgesteld wordt om dat te doen. Dat gebeurt tenslotte niet elke dag, maar men heeft dan wel die betrokkenheid. Dan is het ook opgelost. Laat men daar op regionaal niveau gewoon met elkaar over nadenken, maar ik hecht wel aan de verbinding in de zin van "uit en door". Het gaat erom dat je met je voeten in de school staat en dat het niet iets aparts wordt wat daarvan is losgekoppeld.

De kern van het amendement van de heer Jasper van Dijk op stuk nr. 59 is: als er naar het oordeel van de minister in een samenwerkingsverband een tekort dreigt te ontstaan aan speciale scholen, kan de minister noodzakelijke voorzieningen treffen. Ik heb dit zojuist uitgebreid behandeld. Het is echt aan de scholen zelf om dat te doen. Wij kennen nu geen inclusief onderwijs en ook in de toekomst zal dat niet het geval zijn. Er zal altijd speciaal onderwijs zijn in Nederland. Het is mogelijk dat in de loop der jaren als gevolg van keuzes die in een samenwerkingsverband worden gemaakt, als de versterking van de leerkracht zich doorzet en als wij nog beter in staat zijn om kinderen te behouden, hier en daar een school wordt samengevoegd met een andere. Dat kan. Ik vind dat een nuchtere benadering. Ik zie het echter voorlopig gaan zoals het nu gaat. Druppelsgewijs zullen er wat meer kinderen in regulier onderwijs terechtkomen. Ook dat kent echter zijn grenzen, zoals wij weten. Ik ontraad het om dit te doen. De verantwoordelijkheid ligt bij de samenwerkingsverbanden.

Het amendement op stuk nr. 60 strekt ertoe nadere regels te stellen bij AMvB aan de gegevens die ouders moeten overleggen. Ik begrijp de zorg die hierachter zit, maar ik ga dit niet in een AMvB vastleggen. Het kan namelijk zijn dat echt maatwerk per kind nodig is. Ik zal de sectorraden wel vragen om daarover te spreken in het kader van de regioplannen en elkaar scherp te houden op dit punt. Ik wil het niet vastleggen in de wet. Dat kan ik ook niet. Ik kan niet in de schoenen van de school gaan staan en zeggen hoe zij precies moeten handelen in individuele situaties. De vraag kan immers heel verschillend zijn. Ik wil wel deze zorg overbrengen aan de VO-raad en de PO-Raad en alle verdere betrokkenen. Ik zal ze vragen om hier een noot aan te wijden bij het referentiekader, om daar enigszins transparant in te zijn. Het blijft echter maatwerk. Soms heb je van de een andere informatie nodig dan van de ander.

Ik kom nu op het amendement op stuk nr. 82 van mevrouw Ortega-Martijn. Het kernvoorstel van dit amendement is dat wordt geregeld dat het samenwerkingsverband in het ondersteuningsplan moet opnemen hoe ouders onafhankelijke ondersteuning krijgen in het proces van de plaatsing, het bepalen van de ondersteuningsvoorziening en het overleg over het ontwikkelingsperspectief. Ik heb net geschetst wat er aan ondersteuning beschikbaar is. Die onderwijsconsulenten – dat wil ik hier bij vermeld hebben – zijn gewoon te benutten. Ga je gang, maak er gebruik van. Ik ga hier niet nog meer doen dan wat er nu staat, want dan wordt het een brij van allerlei toegevoegde zaken. Het proces is op overeenstemming gericht. Er komt een geschillenregeling. Er zijn onderwijsconsulenten die ouders kunnen ondersteunen. Er is een medezeggenschapsraad om ervoor te zorgen dat de ouders er goed in zitten. Ik heb gezien dat in het referentiekader nu al second opinion en mediation zijn opgenomen. Als het een beetje meezit, gaat men er dus zelf mee aan de slag. Ik wil dat niet van bovenaf opleggen. Dan zou ik het namelijk bepalen en moet de regio de rekening ervoor betalen. Bovendien bied ik al faciliteiten. De geschillencommissie zal mijn richting op komen, schat ik zo maar in. De onderwijsconsulent komt ook voor mijn rekening. Ik betaal deze van harte, maar daar wil ik het echt bij houden. Ik ontraad dus dit amendement.

Nu kom ik echt op de moties. Dan kan ik eindelijk elke keer het woord "motie" uitspreken. Dat doet mij goed.

De heer Van der Ham (D66):

Ik heb nog een amendement ingediend. Ik weet alleen niet welk nummer het heeft, voorzitter. Wilt u mij misschien helpen?

De voorzitter:

Waar gaat het over?

De heer Van der Ham (D66):

Het gaat over de informatie die een ouder moet leveren aan een samenwerkingsverband.

De voorzitter:

Is dat het amendement over de gegevens bij aanmelding op stuk nr. 60?

De heer Van der Ham (D66):

Dat zou kunnen.

De voorzitter:

Dat is net behandeld, toen u stond te praten.

De heer Van der Ham (D66):

Mijn excuses. Ik werd even gebeld door Bureau Wetgeving.

De voorzitter:

Het is dus behandeld. De minister vervolgt haar betoog.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik heb één amendement laten liggen, namelijk dat over de Algemene wet gelijke behandeling van mevrouw Ortega. Ik vraag mijn ambtenaren of zij mij de reactie daarop kunnen leveren. Dan ga ik erop in nadat ik de moties heb besproken.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik dank de minister hiervoor. Ik heb ook gevraagd hoe het zit met het amendement op stuk nr. 44. Daar wil ik toch nog graag een toelichting op.

De voorzitter:

Dat heeft de minister echt al behandeld, mevrouw Ortega. Ik wil daar niet op terugkomen. Dan moet u concreet zijn over wat u nog niet begrijpt.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik heb in mijn tweede termijn voorgelezen wat er in de wet staat. De minister zegt dat betrokkenen blijven zitten totdat er een ander alternatief is, maar de wet zegt wat anders.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik zal mijn punten voorlezen. Misschien krijgen wij het dan scherp. In het wetsvoorstel is geregeld dat de tijdelijke plaatsing pas kan worden beëindigd wanneer de school een besluit over de toelating heeft genomen. Als het gaat om een leerling die extra ondersteuning nodig heeft, treedt de zorgplicht in werking. Dan kan de school de leerling de toelating alleen weigeren als er op een andere school een plek is. Aan de zorgplicht is pas voldaan als de leerling daadwerkelijk is geplaatst. Als dit amendement van mevrouw Ortega wordt overgenomen, moet een school – als het niet gaat om een leerling die extra ondersteuning nodig heeft en als de school de toelating van de leerling weigert – toch een plek op een andere school zoeken. Dan wordt dus de zorgplicht eigenlijk verbreed tot alle leerlingen. Voor andere kinderen die geen extra ondersteuning nodig hebben, geldt dit ook niet. Ouders kunnen in een andere school zoeken waar de leerling wel kan worden toegelaten.

De voorzitter:

Is het hiermee duidelijk, mevrouw Ortega?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Als het nog niet duidelijk is, moet ik er straks even op terugkomen. Dan moet mevrouw Ortega even goed haar punt maken en kijk ik ook even naar de ambtenaren achter in de zaal.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik had inderdaad begrepen dat het op die manier gaat. Mijn fractie heeft er echter problemen mee dat het kind toch thuis komt te zitten. De ouder moet immers op zoek gaan naar een andere school. Dat is ons punt.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Mevrouw Ortega heeft het dan over een kind dat geen extra ondersteuning nodig heeft. Daarmee geldt de zorgplicht niet.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Nee, het gaat wel om zorgplicht.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Laat mevrouw Ortega dan straks nog even het citaat geven dat zij aan het begin gaf. Ik kom daarop dan terug.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Ik kom nog even terug op het amendement op stuk nr. 55, dat nu over meer gaat dan alleen cluster 2. Het gaat over alle clusters. Ik hoor de minister graag nog even bevestigen dat een kind inderdaad ook onderwijs kan ontvangen op een andere schoolsoort dan de soort waar het staat ingeschreven.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Daarbij gaat het om het feit dat mevrouw Ferrier kiest voor een verbreding. Wat mij betreft is dat akkoord. In dat opzicht kan ik het oordeel over het amendement nog steeds aan de Kamer overlaten.

Ik kom nu bij de bespreking van de moties. Mevrouw Ortega-Martijn verzoekt de regering in haar motie op stuk nr. 62, de voorgenomen investering in prestatiebeloning van leraren deels in te zetten ten behoeve van het traject passend onderwijs, in het bijzonder gericht op het verlichten van bezuinigingen in het speciaal onderwijs. Hierover hebben wij veel gesproken. Wij kunnen het daarover nog lang en kort hebben. Ik kies voor kort, in het belang van de voorzitter. Ik ontraad de Kamer het aannemen van deze motie.

In haar motie op stuk nr. 63 verzoekt mevrouw Ortega de regering, te bevorderen dat overeenstemming van ouders bij het ontwikkelingsperspectief via ondertekening plaatsvindt. Ik heb heel nadrukkelijk gesteld dat ik dit net een stap te ver vind gaan, ook gelet op de professionaliteit. Ik ontraad deze motie.

In haar volgende motie verzoekt mevrouw Ortega de regering, in overleg met het onderwijsveld te komen tot een model voor samenwerkingsverbanden om te komen tot ondersteuningsprofielen en de wijze waarop de indicatiestelling kan worden vormgegeven. Dat overleg loopt al gewoon. Wij zijn nu bezig met het referentiekader. Ik wil niet voor één model gaan. Men moet uiteindelijk gewoon zelf kiezen. Ik ontraad de Kamer daarom het aannemen van de motie.

In haar motie op stuk nr. 65 verzoekt mevrouw Ortega de regering, te garanderen dat ieder kind zijn of haar onderwijsperspectief behoudt en dat er geen kinderen onnodig in de dagbesteding terechtkomen. Dit is een onhelder verzoek. Het wetsvoorstel is wel helder. Ook voor meervoudig gehandicapte leerlingen geldt de zorgplicht. Scholen moeten een passend aanbod bieden. Dit zal vrijwel altijd in het speciaal onderwijs zijn. Voor deze kinderen wordt een ontwikkelingsperspectief opgesteld. Ouders moeten ontheffing van de leerplicht aanvragen als hun kind naar de dagbesteding gaat. Ik ontraad de motie. Dit is immers in het wetsvoorstel klip-en-klaar.

In de motie op stuk nr. 66 van de heer Van der Ham wordt uitgesproken, niet eerder over het wetsvoorstel over passend onderwijs te stemmen dan nadat de resultaten van het Catshuisoverleg bij de Kamer bekend en besproken zijn. Het overleg in het Catshuis is tijdens dit overleg al veel besproken. Daarover zeg ik niets meer. Ik wil het wetsvoorstel nu afhandelen en niet verder vertragen. De Eerste Kamer moet ook voldoende tijd houden om de slag te maken. Als er nog een boot met dubbeltjes langskomt, dan gaan wij die dubbeltjes met feest in ontvangst nemen. Er is echter voor mij geen aanleiding om dit wetsvoorstel nu vast te houden.

In de motie op stuk nr. 67 wordt de regering verzocht, te monitoren op de duur van de plaatsing op de wachtlijsten, de oorzaken van de wachtlijsten en de wijze waarop scholen en samenwerkingsverbanden deze zo kort mogelijk houden. Wij hebben duizenden scholen. Dit zou leiden tot een enorme administratievelastendruk. Ik wil het aannemen van deze motie daarom echt ontraden.

De heer Van der Ham (D66):

Monitoren houdt in dat je ziet wat er gebeurt. De heer Dijsselbloem had het over klachten over te lange wachtlijsten die worden misbruikt voor iets. Monitoren houdt in dat je zulke klachten in kaart brengt en ervoor zorgt dat op grond daarvan wordt gehandeld en er iets mee wordt gedaan. Het is dus niet overal meekijken, maar wel scherp oog en oor houden voor wat er binnenkomt. Zo'n perverse prikkel kan er namelijk in zitten. Als ik de minister vraag om deze motie zo te lezen, kan zij daar toch niet tegen zijn? Dat kan zeker niet als zij van het amendement dat ik op dit punt heb ingediend, het amendement over de wachtlijsten en de zorgplicht, zegt dat het te ver gaat. Wij moeten wel zorgvuldig en goed kijken wat er gebeurt.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Voor dit type klachten is de inspectie sowieso het loket waar kan worden aangeklopt. Daarover werd zonet ook iets gezegd. Als er klachten zijn, kan men aankloppen. Wij gaan natuurlijk in algemene zin monitoren. Als hierover klachten zijn, kan ik die ook in de monitor vermelden. Dat is echter iets anders dan dat ik actief ga onderzoeken hoe het met de klachten zit. Wij hebben een monitor. Als er klachten zijn over deze situatie, vanuit de inspectie of vanuit ouderorganisaties, wil ik die wel vermelden in de monitor. Laat ik die toezegging doen. Daarmee is hetgeen in de motie wordt uitgesproken, wel iets veranderd, maar als de heer Van der Ham het op deze manier mondeling doet, kan ik daarmee leven

In de motie op stuk nr. 68 wordt de regering verzocht om met voorstellen te komen om ICT-middelen te ontwikkelen voor brede toepassing voor kennis en competenties ten gunste van specifieke zorgleerlingen. De verantwoordelijkheid voor de leermiddelen ligt bij de scholen en uitgevers zelf. Ik vind echt dat zij dit zelf moeten oppakken. Met deze motie wordt een heel brede opdracht bij het Rijk neergelegd, en daar voel ik niets voor. Ik ontraad de motie dus.

De heer Van der Ham (D66):

Het punt is nu juist dat voor specifieke leerlingen met specifieke problemen de markt, de uitgevers, die middelen niet gaan maken. Ik vraag dus dat de overheid, net zoals zij het doet bij heel schaarse medicijnen voor specifieke ziektes, bekijkt hoe gestimuleerd kan worden dat dit wordt ontwikkeld. Daarmee kunnen ook leraren voor een deel actief worden ondersteund om dit toe te passen. Dat is duurder dan als de markt het doet. In de motie wordt gevraagd om te stimuleren dat dit wordt ontwikkeld, want voor die specifieke groepen is dit gewoon ingewikkelder en de markt doet het niet zelf.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Deze motie moet ik ontraden, maar ik neem het punt mee in mijn overleg met de PO-Raad en de VO-raad. Ik zal dit bij hen neerleggen. Met name bij hen ligt de verantwoordelijkheid om, als iets niet wordt opgepakt omdat het te lastig is en te weinig oplevert, samen met scholen te bekijken hoe het opgestart kan worden. Er zijn meerdere voorbeelden dat de VO-raad in de afgelopen jaren een stimulans heeft gevormd. Deze motie ga ik echter niet doen, want daarmee wordt het echt bij het Rijk neergelegd. Als de heer Van der Ham met een motie komt om mij te vragen dat ik het verzoek neerleg bij de VO-raad en de PO-Raad, kan ik daar ja op zeggen, maar dit komt echt op het bordje van het Rijk en dat ga ik niet doen.

In de motie op stuk nr. 69 wordt de regering verzocht, in overleg te treden met de krimpregio's om afspraken te maken teneinde deze regio's te ondersteunen in het uitvoeren van de Wet passend onderwijs. Zodra deze wet erdoor is, ga ik aan de slag in de richting van de regio's. Ik wil het oordeel over deze motie aan de Kamer laten, met dien verstande dat ik geen of nauwelijks geld heb. Ik heb wel een kleine regeling waarvan po-scholen gebruik kunnen maken, en er is wat ondersteuning voor expertisebehoud volgens het convenant dat is gesloten. Verder zijn wij gewoon aanwezig om te kijken waar men tegen aanloopt en eventueel een handje te helpen of even mee te denken. Dat doe ik, en in die zin zie ik de motie als ondersteuning. Ik vind het wel goed om dit hier vast te leggen, gelet op het belang van de krimpregio's, en laat daarom het oordeel aan de Kamer.

Ik kom op de motie op stuk nr. 70, waarin de regering wordt verzocht om de bezuiniging van 300 mln. op het passend onderwijs te heroverwegen en dit te dekken uit het budget voor de maatschappelijke stage, de gratis schoolboeken en een temporisering van de prestatiebeloning. Hierop moet ik helaas nee zeggen. Ik ontraad deze motie.

In de motie-Van Dijk op stuk nr. 71 wordt de regering verzocht, de mogelijkheid te scheppen om bestuurders bij wanbeleid op non-actief te stellen. Dit kan al. Het zit in de wet. Het is niet zozeer een kwestie van op non-actief stellen bij wanbeleid, maar ik zal dan verschillende mogelijkheden hebben. Het begint bij de toezichthouders. Ik kan hiertoe in het kader van de nieuwe wet een aanwijzing geven. Die mogelijkheid heb ik trouwens ook volgens de Wet goed onderwijs, goed bestuur. Dit wetsvoorstel introduceert echter voor het eerst ook een taakverwaarlozingsregeling. Dit komt tegemoet aan het punt van de heer Van Dijk. Met die regeling is er de mogelijkheid dat ik het overneem als het niet goed gaat. En dat zit in de wet. Ik ga de zaak dan tijdelijk regelen. Ik zet geen bestuurders op non-actief, dat is niet mijn taak, maar ik neem het op dat moment gewoon over of ik zet er iemand naast. Dat regelt de wet.

De voorzitter:

Wat is dan uw oordeel over deze motie?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Die is overbodig.

In de motie-Van Dijk op stuk nr. 72 wordt de regering verzocht om binnen één maand met een voorstel te komen waardoor meer zicht ontstaat op de besteding van het budget voor zorgleerlingen. De komende maanden ga ik aan de slag met de uitwerking hiervan. Ik leg deze motie even terzijde. Ik kom er zo meteen op terug. Er komt zo nog een motie, die met deze motie te maken heeft. Misschien kunnen ze gecombineerd worden, dan kan ik ze gewoon ondersteunen, want ik ben juist van plan om stappen te zetten en dit stimuleert mij alleen maar verder om dat te doen.

In de motie-Elias/Ferrier op stuk nr. 73 wordt de regering ten eerste verzocht om te bewerkstelligen dat de politieke leiding van de departementen van OCW en VWS gezamenlijk met de VNO nog in 2012 een duurzame oplossing uitwerken die passend onderwijs en begeleiding op basis van de gedecentraliseerde AWBZ zo goed mogelijk op elkaar doen aansluiten. Ten tweede wordt de regering in deze motie verzocht om in overleg met de sectororganisaties in het onderwijs nog in 2012 een procedure uit te werken waardoor de plaatsing van ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen in een voor hen passende school gerealiseerd kan worden met zo min mogelijk procedurele en administratieve belasting voor ouders en de betrokken scholen, onder meer door een voorbeeldafspraak in het Referentiekader op te nemen. Ik kan het oordeel over deze motie aan de Kamer laten. De motie verwoordt een gevoel dat breed leeft. Ik zeg er wel bij dat ik natuurlijk zal proberen om het gevraagde nog in 2012 uit te werken, maar "it takes three to tango" in dit geval en ik weet dus niet of het lukt. Ik zal mij er echter voor inzetten. Met deze kanttekening laat ik de motie over aan het oordeel van de Kamer.

In de motie-Klaver/Dijsselbloem op stuk nr. 74 wordt de regering verzocht, de middelen voor prestatiebeloning in te zetten om leraren te ondersteunen bij de invoering van passend onderwijs. Ik moet deze motie ontraden. Er zijn extra middelen voor professionalisering, 100 mln. en daarna 150 mln. De middelen voor prestatiebeloning worden ingezet voor experimenten. Deze kunnen ook betrekking hebben op het omgaan met verschillen. Jazeker, dat kan. De bedragen zijn nu nog klein, want, nogmaals, het is al ingezet voor passend onderwijs, namelijk via het uitstel van de bezuiniging.

In de motie-Klaver c.s. op stuk nr. 75 wordt de regering verzocht, het aantal leerlingen met extra zorgbehoefte jaarlijks in kaart te brengen. Ik zie dit als ondersteuning van de toezegging die ik eerder vandaag gedaan heb. Ik kom in dit kader nog even terug op de motie-Van Dijk op stuk nr. 72. Ik ga overleggen met de PO-Raad en de VO-raad over het punt dat ik financiering en leerling met elkaar wil verbinden. Zo krijg je er meer zicht op of het geld echt bij de school komt. Ik heb zojuist al gezegd dat het niet mogelijk zal zijn om binnen de school precies in de gaten te houden wat er gebeurt, want dan maak ik iedereen knettergek. Ik wil vragen of deze twee moties samengevoegd kunnen worden. De heer Van Dijk wil er namelijk zicht op hebben waar het geld blijft en de heer Klaver van GroenLinks wil weten hoeveel extra zorgbehoefte er is. Dat zit dicht tegen elkaar aan en het is net de stap die ik wil zetten in het kader van BRON in combinatie met het geld dat vanuit het samenwerkingsverband naar de school gaat. Ik wil er eerst over praten, daarna kom ik met een wetswijziging. De koninklijke weg is hier dé weg, want anders krijg ik terecht problemen in de Eerste Kamer, want bronnen moeten heel zorgvuldig benut worden.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik denk dat ik wel even met de heer Klaver kan overleggen over samenwerking, dat is niet het punt. In mijn motie zit natuurlijk wel een tijdslimiet. Ook daarover valt te praten, maar dan wil ik wel eerst wat meer weten. De minister heeft volgens mij haast met deze wet. Zij wil snel naar de Eerste Kamer. Hoe kan zij dan over enkele maanden nog met een nieuw voorstel komen om in deze wet weer van alles te regelen?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dat is omdat ik gewoon mijn ordentelijke gang te gaan heb. Ministerraad, Raad van State, vervolgens indiening bij de Kamer. Ik wil het overleg over dit punt spoedig houden, dus daar zal het niet aan liggen; ik doe het gewoon een dezer weken. Vervolgens ga ik direct de wetswijziging voorbereiden. Dan probeer ik haar zo snel mogelijk naar de Kamer te sturen. Rond de invoering is het niet de showstopper. Het gaat er uiteindelijk om dat je kunt zien waar het geld blijft. En we willen weten hoeveel kinderen ondersteuning krijgen, omdat we de indicatie gaan verlaten en in de toekomst op een andere manier iets meer zicht houden.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Maar wordt het een wetswijziging van deze wet, of bedoelt de minister dat zij een heel nieuwe wet gaat maken?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Nee, ik moet even kijken in welke wet ik dat doe – dat heb ik net ook al gezegd – als het maar gewoon kan. Klaar.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik denk dat het wel goed gaat komen en dat wij de moties kunnen toevoegen. Ik begrijp dat het zorgvuldig moet gebeuren en dat we daar ook de tijd voor moeten nemen. Dat heb ik bij het wetsvoorstel gezegd, dus het zou vreemd zijn als ik dat niet bij deze wetswijziging zou zeggen. Mijn verzoek is wel dat die wetswijziging er ligt voor het najaar van 2013, voor de begrotingsbehandeling, zodat we rond die tijd al de eerste cijfers mee kunnen nemen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Najaar 2013, nu moet ik even nadenken … Dat is over een jaar.

De voorzitter:

Dat is over anderhalf jaar.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Maar het moet natuurlijk ook wel bij de BRON-systemen. Laat ik het als volgt doen. Ik voer het gesprek met het veld. Vervolgens stuur ik de Kamer een brief. Dan kan ik ook kijken wat realistisch en haalbaar is qua wetgeving en qua uitvoering, want DUO moet zoiets ook weer oppakken. Daar kan ik op dit moment geen uitspraak over doen, want anders schep ik misschien verwachtingen die ik niet ga waarmaken.

De heer Klaver (GroenLinks):

Dat lijkt mij prima, maar de minister heeft mijn wens gehoord om het binnen anderhalf jaar te doen.

De heer Elias (VVD):

Ik heb nog een nabrander bij de motie op stuk nr. 73. De minister zei dat ze daarvoor moet overleggen met een ander departement, VWS. Het is wel van belang om te weten dat de Kamer daar zeer aan hecht – ik heb daarover gesproken – en dat mijn motie daaromtrent inmiddels ook is meeondertekend door de heren Dijsselbloem, Van der Ham en Klaver, mevrouw Ortega-Martijn, de heer Van Dijk, de heer Dijkgraaf en de heer Beertema. Dus de minister kan niet meer wind in de zeilen krijgen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

De heer Elias maakt mij buitengewoon gelukkig. Er is weer een motie van de oppositie die ik kan ondersteunen. Ik vraag de heer Elias om dit punt ook via de vaste commissie voor VWS neer te leggen bij het ministerie van VWS, want dat kan het ook alleen maar extra ondersteunen.

De heer Elias (VVD):

U moet er met volle kracht in.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Don't worry about mij. Maakt u zich geen zorgen over mij.

De voorzitter:

Heel goed. Gaat u verder met de motie op stuk nr. 74.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Die heb ik volgens mij al behandeld.

De voorzitter:

Oké, dan de motie op stuk nr. 75.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Nee, ik heb hem toch niet behandeld. In deze motie wordt de regering verzocht de middelen voor de prestatiebeloning in te zetten om leraren te ondersteunen etc. Ik ontraad deze motie. Dat hebben we al genoeg besproken.

Ik was gebleven bij de motie op stuk nr. 75. In deze motie wordt de regering verzocht het aantal leerlingen met extra zorgbehoeften jaarlijks in kaart te brengen. Dat heb ik zojuist besproken. Als die motie op een verantwoorde manier samengevoegd wordt, dan kan ik haar ondersteunen.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 76, waarin de regering wordt verzocht om te monitoren in hoeveel gevallen scholen menen dat een leerling geen passende ondersteuning kan worden gegeven en er geen alternatief gevonden kan worden. Ik zou de motie als volgt willen vertalen. Ik wil in de gaten houden, monitoren wanneer er geen aanbod aan de kinderen gedaan wordt, want dat is eigenlijk wat met deze motie wordt gezegd. Ik kan namelijk niet meten of men iets wel of niet meent. Nee, er zou dan uiteindelijk geen aanbod gedaan worden aan een kind. Dat wil ik meenemen in de monitor. Ik laat het oordeel over deze motie dus aan de Kamer. Dat is de uitkomst van het feit.

De voorzitter:

Kan de heer Klaver leven met deze uitleg van de minister?

De heer Klaver (GroenLinks):

Daar kan ik mee leven.

De voorzitter:

Dan is het akkoord.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

In de motie op stuk nr. 77 wordt het Presidium verzocht om voorafgaand aan de eindstemming over het wetsvoorstel passend onderwijs een onafhankelijke uitvoeringstoets te laten plaatsvinden. De heer Dijsselbloem en de heer Van Dijk houden deze motie aan, maar ik heb al aangegeven dat ik deze motie ontraad.

In de motie op stuk nr. 78 wordt de regering verzocht de onderwijsinspectie te laten toezien op een volwaardige rol van de ondersteuningsplanraad in al zijn geleden bij de besluitvorming over het ondersteuningsplan. Dat lijkt mij zinvol. De rol van het ondersteuningsplan vind ik cruciaal. Ik deel de opvatting van de indieners. Ik zal nagaan hoe we dit het beste kunnen regelen. Dat hoeft niet per se via de inspectie, maar in ieder geval zal ik erop toezien. Met die nuancering laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer. Ik ben het er namelijk volstrekt mee eens dat het heel relevant is dat het snel en goed op orde komt.

In de motie op stuk nr. 79 wordt de regering verzocht om de middelen voor de prestatiebeloning in te zetten. Daar gaat hij weer. Mijn antwoord is nog steeds hetzelfde, consistent als ik tracht te zijn: ontraden.

In de motie op stuk nr. 80 wordt de regering verzocht de komende drie jaar alle vrijkomende middelen van de lerarenbeurs in te zetten voor bijscholing over passend onderwijs. We doen al veel. Ik neem de zorg die hier door de heer Dijsselbloem geuit wordt mee. Ik vraag hem om de motie aan te houden. Ik ga samen met de staatssecretaris nog een keer goed kijken wat we allemaal doen. Dan hebben we echt alle kansen en mogelijkheden benut. Ik schrijf de Kamer daar een brief over. Vervolgens kan de heer Dijsselbloem zijn motie al dan niet in stemming brengen. Zo wil ik het doen, want ik begrijp de zorg, maar ik wil daar even goed naar kijken. Ik heb het idee dat wij al veel doen, maar ik kom er graag even op terug.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Mijn motie op stuk nr. 80 over de lerarenbeurs houd ik dan aan.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Dijsselbloem stel ik voor, zijn motie (33106, nr. 80) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

In mijn motie op stuk nr. 78 zal ik "de onderwijsinspectie" schrappen uit het dictum, zodat er komt te staan: "verzoekt de regering, toe te zien op een volwaardige rol van …"

De voorzitter:

Dient u zelf nog een gewijzigde motie in?

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Ja.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik kom bij de motie-Dijsselbloem c.s. op stuk nr. 81. Dat is ook de laatste als ik er geen vergeet. Daarin wordt de regering verzocht, de samenhang tussen de stelselwijzigingen jeugdzorg en passend onderwijs aan te brengen en de regionale samenwerking zo veel mogelijk te laten samenvallen. Dit is alleen maar een stimulans om dat zo goed mogelijk te doen. Het lijkt mij goed dat de Kamer die uitspraak helder doet. Ik kan die van harte steunen. Dus het oordeel over de laatste motie laat ik aan de Kamer. Ik neem die zorg ter harte.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik heb nog één kleine aanvulling op mijn motie op stuk nr. 71 over het op non-actief zetten van de bestuurders. De minister zei terecht dat ze dat al kan doen, maar wij hebben het nog even gecheckt: dat is tijdelijk. In de wet staat dat die regeling over het verwaarlozen van taken op een gegeven moment wordt opgeheven. In mijn motie wordt gesteld dat die mogelijkheid er altijd moet zijn. In die zin is het geen overbodige motie.

De voorzitter:

Dat was een verduidelijking.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Maar ik wil buitengewoon terughoudend zijn in het aangrijpen van bestuurders en wie dan ook. Ze hebben een eigen verantwoordelijkheid. Ik doe dit tijdelijk omdat ik ook zie dat een en ander rondom de invoering van het geheel mis kan gaan. Dan wil ik niet te lijdelijk af moeten wachten totdat het helemaal misgaat. Daarvoor heb ik voor mijzelf dat verhaal. Over dat deel zijn wij het zeer eens. Ik zal niet schromen om dit te gebruiken, want de zaak moet gewoon goed lopen. Maar op termijn wil ik het gewoon weer loslaten. Dan is het aan de inspectie met haar toezicht en de mogelijkheden die daarbij horen. Daar laat ik het bij.

Dan kom ik op het amendement-Ortega-Martijn op stuk nr. 58. De portee daarvan is: kan bij de beoordeling van de aanmelding van een kind dat extra ondersteuning nodig heeft, verwezen worden naar de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ)? Dit vind ik echt onwenselijk. Als wij namelijk per wet gaan zeggen dat de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte geldt, dan krijgen wij straks wetten waar dat extra voor geldt. Dat zorgt vervolgens weer voor vragen over wetten waar het niet voor geldt. Voor alle wetten in Nederland geldt gewoon de WGBH/CZ, ook voor dit wetsvoorstel. Die wet is gewoon de gouden regel. Dit is onnodig. Ik ontraad het amendement. Sterker, het is onwenselijk.

Ik hoor nog één keer graag het citaat van mevrouw Ortega-Martijn om te kunnen zeggen of zij een punt heeft. Zij heeft dat terecht gesteld in haar betoog. Ik zou één minuut willen schorsen om het even kort te sluiten en dan kan ik een antwoord geven.

De voorzitter:

Mevrouw Ortega had ook nog een andere vraag.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Het gaat om een passage op pagina 7 van het wetsvoorstel. Het betreft de aanpassing van artikel 14, lid 7.

Daarnaast wil ik mijn amendement op stuk nr. 17 intrekken, omdat met het amendement van mevrouw Ferrier op stuk nr. 55 een groot deel van onze zorgen wordt weggehaald.

De voorzitter:

Het amendement-Ortega-Martijn (stuk nr.17) is ingetrokken.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Eind goed, al goed.

Zou ik nog wel even het citaat van mevrouw Ortega-Martijn kunnen horen? Zij had dat panklaar. Aangezien wij dit snel willen doen, is het handiger als zij het nu even voorleest.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Indien de aanmelding een kind betreft dat niet is ingeschreven op een andere school, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs en de aanmelding is gedaan ten minste tien weken voorafgaand aan de eerste dag van een schooljaar en de beslissing over toelating op de eerste dag van het schooljaar nog niet is genomen, wordt het kind met ingang van die dag tijdelijk geplaatst op de school en als leerling ingeschreven. Indien de leerling wordt toegelaten wordt de tijdelijke plaatsing omgezet in een definitieve plaatsing. Indien de toelating van een leerling wordt geweigerd, wordt de tijdelijke plaatsing beëindigd en wordt de leerling uitgeschreven met ingang van de dag die volgt op de dag waarop de toelating wordt geweigerd.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Voorzitter. Ik vraag u om de vergadering zo direct twee minuten te schorsen, zodat ik dit even kan afkaarten. Ik wil het scherp hebben, omdat het een aangelegen punt is.

De voorzitter:

Mevrouw Ferrier stelt haar vraag ook nog even voordat ik de vergadering schors. Misschien kan de minister een en ander beter beoordelen als deze vraag samenhangt met die van mevrouw Ortega.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Er ligt nu een Kamerbreed gesteunde motie-Elias/Ferrier op stuk nr. 73 over het belang van de samenwerking tussen OCW, VWS en VNG. Ik vraag de minister om na te denken over mijn verzoek om in lijn met deze motie een hoofdlijnenbrief van de verschillende departementen en de VNG aan de Kamer te sturen.

Daarnaast vraag ik de minister of zij nog kan ingaan op het punt dat scholen daadwerkelijk taken overdragen aan het samenwerkingsverband, opdat de ondersteuningsplanraden echt effectief worden gemaakt.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Voorzitter. Ik ga in op de twee vragen van mevrouw Ferrier. Zij gaf aan dat er een breed ondersteunde motie ligt die betrekking heeft op het overleg tussen VWS en OCW. Deze gaat heel specifiek over de AWBZ. Mevrouw Ferrier wil echter een heel brede brief. Ik wil voorkomen dat wij heel veel brieven gaan schrijven. Er ligt al een brief van de staatssecretaris en ook een van mij. Als wij iets te melden hebben, zullen wij dat zeker vastleggen in een brief, maar ik ga niet zomaar een brief schrijven.

Mevrouw Ferrier heeft ook een vraag gesteld over het daadwerkelijk overdragen van taken. Ik zal gaan praten met de organisatie die hierover een zorg heeft – ik begrijp dat dit het CNV is – om na te gaan wat precies de zorg is en vervolgens wat ik daaraan kan doen, mede richting de betrokken sectororganisaties. Zo zal ik het doen. Op dit moment zou ik echt niet weten wat ik ermee kan doen omdat ik niet weet waar mevrouw Ferrier precies op doelt. Dit zeg ik toe.

Tot slot ga ik in op de vraag van mevrouw Ortega. Het is waar dat de leerling wordt uitgeschreven als de school de toelating weigert, maar de school kan pas weigeren – dat staat in het vierde lid; dit biedt de context, de inbedding – als er een andere plek gevonden is. Dat is de zorgplicht. De zorgplicht is dus altijd dominant.

Ik zal afronden. Wij hebben een heel lang debat gevoerd over een heel belangrijk wetsvoorstel. Het was een goed debat, waarin met inzet en engagement is gesproken. Met dit wetsvoorstel regelen wij een aantal belangrijke zaken. Er komt een zorgplicht voor ouders. Ouders worden niet meer van het kastje naar de muur gestuurd. Wij regelen dat de scholen in de positie worden geplaatst om op lokaal niveau met alle betrokkenen, ouders, zorginstellingen en gemeenten, goed beleid te maken om deze kinderen, die ons aan het hart gaan, hun talenten te laten ontwikkelen. We plaatsen leraren sterker in hun kracht. Dat is heel belangrijk, want zij zijn de sleutel tot goed onderwijs. Er komt een sterkere relatie tussen scholen en gemeenten in het op overeenstemming gerichte overleg. Dat is belangrijk met het oog op nieuwe decentralisaties en de integraliteit die wij willen bewerkstelligen. Wij gaan weg – dit vind ik een heel belangrijk onderdeel van de wet – van de slagboomdiagnostiek en we gaan naar handelingsgericht werken. Deze wet gaat over onderwijs en het ondersteunen van leerlingen zodat zij zo goed mogelijk hun talenten kunnen ontplooien. Daar heeft ieder mens immers recht op.

De voorzitter:

Na 12,5 uur vergaderen, 40 amendementen en 20 moties kun je toch wel stellen dat wij indringend hebben gesproken over deze wijziging van het passend onderwijs.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Volgende week zullen wij, denk ik, stemmen over het wetsvoorstel, de moties en de amendementen.

De heer Van der Ham (D66):

Ik wil graag de motie waarin wordt uitgesproken dat wij niet over het wetsvoorstel voor de wijziging van het passend onderwijs willen stemmen dan nadat de resultaten van het Catshuisberaad bekend zijn gemaakt (33106, nr. 66) als eerste in stemming brengen, dus voordat we over de amendementen en het wetsvoorstel stemmen.

De voorzitter:

Ik zal dit verzoek doorgeven.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik kom met een vervanging van de motie op stuk nr. 71 over het op non-actief stellen van bestuurders.

De voorzitter:

Dat zullen wij op de stemmingslijst zien.

De vergadering wordt van 18.55 uur tot 20.05 uur geschorst.

Naar boven