Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Opiumwet in verband met het creëren van de mogelijkheid voor de burgemeester om bestuursdwang toe te passen ter handhaving van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet in woningen en lokalen of bij woningen of lokalen behorende erven (30515).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Voorzitter. De gemeenten spannen zich al jaren in om drugspanden te sluiten. Het bekendste voorbeeld is dat van de gemeente Venlo die met het project-Hector al jarenlang bezig is om pand na pand op de criminelen te veroveren en de stad weer leefbaar te maken. Andere gemeenten, zoals Arnhem en Leeuwarden, hebben inmiddels een gerichte aanpak voor het sluiten van drugspanden. Het goede van het wetsvoorstel is dat het eindelijk gemakkelijker wordt om drugspanden direct aan te pakken. Het verhandelen van drugs, of het nu harddrugs of cannabis is, biedt voldoende aanleiding om een pand via bestuursdwang te sluiten. Dat is absoluut winst. Nu moeten gemeenten zich met de Wet Victoria in allerlei bochten wringen om aan te tonen dat de openbare orde ernstig wordt aangetast en dat er sprake is van ernstige overlast. Bestuursdwang mag bovendien alleen toegepast worden als uiterste redmiddel en overeenkomstig uitgangspunten als subsidiariteit en proportionaliteit. Op dat punt is het CDA dus erg ingenomen met het wetsvoorstel.

Onduidelijk blijft wat precies drugspanden zijn. In de algemene plaatselijke verordeningen wordt een onderscheid gemaakt in dealpanden, gebruikerspanden en kweekpanden. Gemeenten proberen via de plaatselijke verordening in te grijpen bij deze panden. In de plaatselijke verordening staan regels, zoals dat het gaat om winkels en afhaalcentra indien er drugs worden verkocht, gebruikt, bewerkt en dergelijke. Het wetsvoorstel lijkt echter vooral over de dealpanden en niet over de gebruikerspanden te gaan. De gemeentelijke praktijk laat zien dat het onderscheid tussen dealen en gebruiken moeilijk te maken is. In een coffeeshop wordt zowel gedeald als gebruikt. Dat geldt ook voor andere panden. Gemeenten lopen daar bij publiek toegankelijke lokalen onder de Wet Damocles al tegenaan. In de evaluatie van het bestaande artikel 13b van de Opiumwet staat dat er nu al problemen zijn bij de bewijslast van verkoop in publiek toegankelijke lokalen.

De CDA-fractie vindt het logisch dat als er veel junks bij een pand of lokaal lopen, het mogelijk wordt om die panden te sluiten. Waarom is het niet mogelijk om bij aanwezigheid van een bepaalde hoeveelheid drugs aan te nemen dat er kennelijk sprake is van handel en er dus reden is voor sluiting van het pand? In wetsartikel 13b wordt de term "daartoe" gebruikt. De vraag van mijn fractie is of wij de term daartoe moeten zien als een inperking van het wetsartikel. Is het alleen mogelijk als aangetoond wordt dat er sprake is van verkoop? Of is het een verruiming van het wetsartikel? Is het dus mogelijk om bij aanwezigheid van een bepaalde hoeveelheid drugs in te grijpen volgens het wetsvoorstel? Wij horen graag van de minister hoe wij de term moeten interpreteren. Wij kiezen voor de ruime interpretatie van het wetsartikel. Dat betekent in onze ogen dat de term moet worden geschrapt. Of ziet de minister dit anders?

De heer Van der Staaij (SGP):

Ligt het niet voor de hand dat het "daartoe aanwezig is" betekent "met het oogmerk om het te verkopen"? Dat lijkt mij op zichzelf geen ingewikkelde vraag. Het is meer de vraag hoe je er politiek tegenaan kijkt? Vind je het wenselijk dat alleen tegen de aanwezigheid van drugs kan worden opgetreden als kan worden aangegeven dat het daar ligt met het oogmerk om het te verkopen?

Mevrouw Joldersma (CDA):

Ja. Het gaat precies over de interpretatie en de vaststelling van dat oogmerk. Ik heb zojuist geprobeerd aan te geven dat het onderscheid tussen verkoop en gebruik volgens ons in elkaar overloopt. Op zich is het particuliere gebruik van cannabis niet verboden. In een particulier huis mag je zelf cannabis gebruiken. Is het echter een gebruikershonk dat overlast veroorzaakt, dan vinden wij het heel logisch dat dergelijke drugspanden gesloten moeten kunnen worden. Kennelijk is daar een bepaalde hoeveelheid cannabis aanwezig met een bepaald oogmerk. Het gaat mij om de definitie: wat betekent het voor het oogmerk van verkoop?

De heer Van der Ham (D66):

De gebruikershoeveelheid is vijf gram. Als je bijvoorbeeld een plantje voor eigen gebruik teelt, dan heb je al snel meer in huis dan die vijf gram. Je kunt stellen dat je wat je meer hebt dan die vijf gram ter verkoop kunt aanbieden. Waar ligt voor mevrouw Joldersma dan de grens van het aantal plantjes die een thuisteler voor eigen gebruik in huis mag hebben?

Mevrouw Joldersma (CDA):

Ik probeer juist aan te geven dat de grens tussen gebruik, verkoop en dealen schimmig is. Wij zouden die grens graag zo ruim mogelijk interpreteren. In de huidige wetgeving is bezit voor eigen gebruik toegestaan. Dat is de grens van een halve gram bezit voor eigen gebruik. Daarvoor zijn bij de opsporingsbevoegdheden precieze hoeveelheden vastgesteld. Die staan ook in de wet aangegeven. Dus dat is in ieder geval de minimumgrens. Daarom horen wij graag van de minister hoe wij dit wetsartikel op dat punt moeten interpreteren.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Mevrouw Joldersma gaf net als argument dat er dan overlast kan ontstaan. Daar hebben wij toch juist die andere wet voor? Volgens mij is de wet al sluitend genoeg. Komen wij met de verbreding die mevrouw Joldersma vraagt niet op een hellend vlak terecht?

Mevrouw Joldersma (CDA):

Met dit wetsartikel willen wij de mogelijkheid bieden om in te grijpen in drugspanden op basis van de Opiumwet en niet op basis van ernstige overlast. Gemeenten moeten nu hele dossiers aanleggen om die ernstige overlast aan te tonen. Zij noteren en registreren en pas als zij voldoende denken te hebben om het voor de rechter te kunnen handhaven, zijn zij in staat iets met dat drugspand te doen. Het voordeel van dit wetsartikel is dat het direct die mogelijkheid biedt. In dit wetsartikel staat veel over verkoop en handel, maar wij vinden dat het bereik breder mag zijn. Als er een grote hoeveelheid drugs in een pand aanwezig is, zie ik niet in waarom er niet kan worden ingegrepen. Dan moet dat pand gesloten kunnen worden.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik begrijp uw argumentatie. Ik zie ook de problemen voor de gemeenten. Ik ben in de veronderstelling dat wij juist daarom dit wetsvoorstel hebben. Ik wacht het antwoord van de minister af, maar ik neem aan dat er zorgvuldig is gehandeld toen dit wetsvoorstel werd opgesteld. Ik verwacht dat met dit wetsvoorstel de huidige lacunes in de wet opgevuld worden.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Dan verschillen wij waarschijnlijk van mening over de definitie van overlast. Wij zien het als een mogelijkheid om drugspanden eerder aan te pakken. De grenzen tussen gebruik en verkoop zijn een beetje schimmig. Daarom vraag ik de minister of het mogelijk is om het artikel niet alleen te gebruiken als de verkoop daadwerkelijk is aangetoond maar ook als die hoeveelheid drugs aanwezig is. Daar zullen wij in tweede termijn wel op terugkomen.

Voorzitter. Naast het toevoegen van woningen is in de nota van wijziging ook de definitie van een lokaal aangepast. Eerst was een lokaal iets wat publiek toegankelijk was; vervolgens werd het iets wat geen woning was en nu heb je óf een woning, óf een lokaal. Kan de minister aangeven wat wij precies onder een lokaal moeten verstaan? Het hoeft blijkbaar niet publiek toegankelijk te zijn. Is een houseparty ook als een lokaal te zien? Ik heb uit de definitie begrepen dat het niet alleen gaat om het pand als zodanig, maar ook om de omgeving van het pand. Dus als het om een lokaal gaat, gaat het ook om de omgeving van het lokaal.

De heer Van der Ham (D66):

Mevrouw Joldersma wil deze wet dus gebruiken om straks houseparty's te verbieden waar mensen bijvoorbeeld drugs bij zich hebben, wat over het algemeen niet mag?

Mevrouw Joldersma (CDA):

Nee, ik vraag naar de definitie van het begrip lokaal. Gelukkig wordt er al flink ingegrepen bij houseparty's. Wij zijn daar heel tevreden over, maar de partij van de heer Van der Ham wat minder, heb ik begrepen. De definitie van het begrip lokaal wordt in deze wet veranderd en ik wil graag weten hoe die definitie dan zal luiden. Als daar dan ook een houseparty onder valt, zal ik dat niet afwijzen.

De heer Van der Ham (D66):

Mevrouw Joldersma doelt waarschijnlijk op de gang van zaken in Amsterdam waar in het kader van de manifestatie Awakenings is gesproken over de vraag hoe er met drugs op die feesten zou moeten worden omgegaan. Uiteindelijk is er na veel debat, ook met de burgemeester, geprobeerd om samen met de organisatoren een oplossing te vinden. Als je zo'n lokaal als drugspand aanmerkt, zullen mensen te voren massaal gaan slikken en daar is de volksgezondheid niet mee gediend. De harde lijn die mevrouw Joldersma nu suggereert, zou wel eens met zich kunnen meebrengen dat er extra gezondheidsschade ontstaat.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Ik vind het opvallend dat de partij van de heer Van der Ham het prima vindt dat mensen illegale middelen gebruiken en overal mee naar toe nemen. Mijn partij stelt zich op het standpunt dat illegale middelen terecht in de Opiumwet zijn verboden. Daarom moet je tegen het gebruik van die middelen optreden. Wij spreken nu over de definitie van het begrip lokaal. Ik zie niet in waarom een houseparty niet onder die brede definitie van het begrip lokaal zou kunnen vallen.

De heer Van der Ham (D66):

Wat mevrouw Joldersma nu zegt, klopt niet. Wij hebben in alle debatten over drugs gezegd dat voor ons de volksgezondheid leidend is. Als je alles verbiedt, zoals mevrouw Joldersma wil, zal het gewoon doorgaan, maar je hebt er dan wel minder grip op. Ik heb liever contact met mensen die drugs gebruiken, opdat je ervoor kunt zorgen dat zij dit zo verstandig mogelijk doen en dat zij zo min mogelijk gezondheidsrisico's lopen. Dat is altijd het uitgangspunt geweest voor D66, maar ook voor het Nederlandse drugsbeleid; door openheid en voorlichting proberen risico's te voorkomen. Mevrouw Joldersma maakt nu een karikatuur van de werkelijkheid.

Mevrouw Joldersma (CDA):

De heer Van der Ham verwijst naar de volksgezondheid, maar de volksgezondheid is nu juist de basis van de Opiumwet. Op de opiumlijsten I en II zijn bepaalde middelen opgenomen juist met het oog op de risico's van het gebruik voor de volksgezondheid. Vanwege die risico's zijn die middelen aangewezen als illegale middelen. De heer Van der Ham moet consequent zijn.

De aanpak van growshops vindt nu veelal plaats op basis van de bevoegdheden van de burgemeester voor de openbare orde. Recentelijk is in Venlo een eerste succesvolle rechterlijke toets geweest van het vergunningplichtig maken van growshops via de algemene plaatselijke verordening. Daarmee krijgt de voorbeeldfunctie van de vergunningsplicht via de algemene plaatselijke verordening voor andere gemeenten een steviger fundament. Ook voor andere panden als bel- en sekswinkels is dit gewenst.

De CDA-fractie wil een initiatiefwetsvoorstel indienen om zo de onderliggende criminaliteit te kunnen aanpakken. Dit blijkt ook nodig, want veel eigenaren van growshops hebben een crimineel verleden. Wij zoeken nu naar middelen om de growshops te kunnen aanpakken. Het is vreemd dat wij dit niet gewoon via de Opiumwet kunnen doen. Iedereen weet dat de teelt en daarmee de handel in cannabis aan alle kanten wordt bevorderd.

Uit een uitspraak van de rechtbank in Rotterdam blijkt dat de voorbereidende handelingen als het maken van afspraken om drugs te kopen, ook gezien kunnen worden als nauw verbonden met de verkoop. Als dit zo is, waarom is dan het bevorderen van de handel of het voorbereiden van activiteiten voor de kweek ook niet strafbaar te stellen? Artikel 3.B. van de Opiumwet verbiedt elke openbaarmaking welke er kennelijk op is gericht de verkoop, aflevering of verstrekking te bevorderen. De growshops doen niet anders.

Met stijgende verbazing heb ik op de Hennepbeurs in de RAI gezien hoe de Nederlandse growshops zich daar presenteren. Open en bloot wordt er getoond hoe je beter kunt kweken, hoe je stank en geur kunt vermijden en waar je moet zijn voor al je kweekmiddelen. Ook is er inmiddels een testcase op de markt om te voorspellen hoe stoned of high je kunt worden van bepaalde cannabis. Ik zag op die beurs nergens een verwijzing naar het feit dat het gaat om illegale middelen. Een en ander werd gepresenteerd als de normaalste zaak van de wereld. Het effect daarvan is dat ontiegelijk veel mensen uit het buitenland aanwezig waren die maar al te blij zijn dat in Nederland kan wat in hun land niet kan. Die hele hennepbeurs heeft een aanzuigende werking. Mijn fractie heeft het gevoel dat wij door de growshop-markt en de gehele branche constant in de maling worden genomen. Zij bieden alles aan, van de kweek tot aan het plaatsen bij mensen thuis. Alleen omdat het woord "cannabis" niet expliciet wordt genoemd, terwijl iedereen weet dat het om cannabis en om voorbereidende handelingen gaat, kan er niet rechtstreeks volgens de Opiumwet worden aangepakt. Waarom is het niet mogelijk om die voorbereidende handelingen via de Opiumwet strafbaar te stellen?

De heer De Wit (SP):

Hangt het probleem dat mevrouw Joldersma schetst, op basis van wat zij heeft gezien op de hennepbeurs, niet nauw samen met het beleid van het CDA en de afgelopen kabinetten om cannabis niet te legaliseren? Worden daardoor niet juist dergelijke situaties veroorzaakt? Bij legalisering komt alles in handen en onder controle van de overheid. Dan is dit allemaal niet meer aan de orde.

Mevrouw Joldersma (CDA):

De heer De Wit houdt er een vreemde redenering op na. In de Opiumwet worden cannabis en andere middelen verboden. De overheid handhaaft op basis van die wet. De criminele sector onderneemt echter allerlei andere activiteiten waarop de heer De Wit zegt dat er niet meer gehandhaafd moet worden en een en ander zelfs gelegaliseerd moet worden. Dat is niet onze redenering. Wij vinden dat cannabis en andere middelen absoluut thuishoren in de Opiumwet en wij vinden het ook van belang dat daarop wordt gehandhaafd. De mogelijkheid van het plaatsvinden van een beurs heeft te maken met het klimaat waarin een aantal partijen in Nederland denkt dat cannabis gelegaliseerd kan worden. Het gaat echter om heel schadelijke middelen. Als die dubbele norm in Nederland wordt gehandhaafd, waarbij coffeeshops worden gedoogd en dus blijkbaar ook een hennepbeurs mag worden georganiseerd, dan zenden wij de verkeerde boodschap uit. Het is heel belangrijk om te handhaven en voorbereidende handelingen die te maken hebben met de verkoop en de handel onder te brengen in de Opiumwet.

De heer De Wit (SP):

Ik ga die discussie niet overdoen.

Mevrouw Joldersma (CDA):

U vraagt mij ernaar.

De heer De Wit (SP):

Ik stel alleen vast dat u vastloopt in uw betoog als u niet erkent dat er een punt te maken is voor legalisering. Bij legalisering is controle door de overheid op de kweek mogelijk waarmee het probleem van de achterdeur, van de coffeeshops, wordt opgelost. Dat is een veel betere oplossing dan de bestrijding die u voorstaat.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Ik ga graag de discussie over de legalisering aan; die is jarenlang in de Kamer gevoerd. Daar is ook steeds de aandacht op gevestigd, eigenlijk te veel want de echte problemen zijn daardoor niet aangepakt. In de procedurevergadering hebben wij afgesproken om de discussie over legalisering nu niet te voeren, maar ik voer die met alle plezier.

De voorzitter:

Ik niet.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Logisch geredeneerd vanuit dit wetsvoorstel, in het kader van de aanpak van drugspanden en van een verandering van de definitie van "lokaal", vraag ik de minister hoe "growshop" gedefinieerd moet worden. Valt "growshop" onder de definitie van "lokaal"? Ik heb duidelijk aangegeven hoe ik naar het begrip "verkoop" kijk. Zelfs de rechtbank geeft aan dat voorbereidende handelingen gerelateerd zijn aan het mogelijk maken van verkoop en daarom eigenlijk bij de Opiumwet betrokken moeten worden. Mijn conclusie kan niet anders zijn dan dat het heel logisch is dat die growshops onder de Opiumwet vallen. Het verbaast mij zeer dat die growshops ons elke keer in de maling kunnen nemen door te doen wat zij willen en zij alleen door het woord "cannabis" weg te laten niet strafbaar zijn uit hoofde van de Opiumwet. Dat vind ik een kwalijke zaak en dat probeer ik aan te geven.

De voorzitter:

Misschien kunt u dat bij uw volgende antwoord op een interruptie wat korter doen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik ben het van harte eens met hetgeen mevrouw Joldersma zegt over growshops en hennepbeurzen; die vormen een beschamende vertoning. Dat was het vorig jaar en het jaar daarvoor echter ook. De vraag is hoe wij voor elkaar kunnen krijgen dat er daadwerkelijk wat wordt gedaan tegen growshops.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Wij hebben daartoe een initiatiefwetsvoorstel ontwikkeld. Wij willen dat er met een vergunningstelsel wordt gewerkt, met verplichte vergunningen die aan voorwaarden zijn gebonden. In dat geval hebben wij in elk geval grip op de growshops en de eigenaren ervan. Aan de vergunningen kunnen immers aanvullende voorwaarden worden verbonden. Wij zullen echter ook blijven zoeken naar mogelijkheden om growshops toch onder de Opiumwet te brengen. In Rotterdam is onderzocht of de interpretatie van de wet wat kan worden opgerekt zodat criminele activiteiten die achter de growshops zitten eronder kunnen worden gebracht. Dit wetsvoorstel geeft mij alle aanleiding om voor te stellen om de begrippen "verkoop" en "voorbereidende handelingen" onder deze wet te brengen. Als dat niet lukt, gaan wij verder met ons voorstel met betrekking tot een vergunningplicht.

De heer Van der Ham (D66):

U hebt gelijk dat wij dit wetsvoorstel in de context moeten zien van de omstandigheden waar wij in verkeren rond de teelt van cannabis. Ik wil niet direct pleiten voor legalisering van de cannabisteelt, want dat zal internationaal-rechtelijk heel moeilijk zijn. Gereguleerde teelt is echter wel essentieel om het waterbedeffect bij de toepassing van deze wetgeving te voorkomen, dus dat het ergens wordt ingedrukt en ergens anders weer naar boven komt. U hebt gezegd dat u tot certificering van growshops wilt komen. Ik kan mij daar best iets bij voorstellen. Houdt dit dan ook in dat die growshops alleen toegankelijk zijn voor gereguleerde telers? Dan is er immers een gesloten keten en kunnen de fracties van het CDA, D66, de PvdA en misschien de VVD eindelijk eens de handen ineen slaan.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Ik vind het verbazend hoe u toch elke keer weer probeert om uw gereguleerde teelt weer binnen te krijgen. De Opiumwet is daar heel duidelijk over en de internationale verdragen ook. De CDA-fractie vindt dat de handel en de teelt internationaal, in Europa en wereldwijd, moet worden aangepakt. Nederland moet op dat terrein absoluut geen eigen beleid voeren. Mijn fractie heeft daar ook geen enkele behoefte aan. Ik heb duidelijk proberen maken dat het heel belangrijk is dat wij consequent zijn bij de handhaving van de Opiumwet. Het coffeeshopbeleid is niet consequent, dat geef ik toe. Als je criminaliteit wil decriminaliseren om een waterbedeffect te voorkomen, zit je volgens mij echter op de verkeerde weg.

De voorzitter:

Mevrouw Joldersma en mijnheer Van der Ham, het wetsvoorstel dat nu wordt behandeld gaat hier niet over. Wilt u zich beperken tot het onderwerp van het wetsvoorstel?

De heer Van der Ham (D66):

Mevrouw Joldersma, erkent u dat alleen deze wet, op grond waarvan bijvoorbeeld wietplantages kunnen worden gesloten, niet effectief zal zijn bij het oplossen van het probleem? Vindt u ook niet dat er meer aanvullende maatregelen moeten worden genomen, waaronder Europese regels rond de teelt van cannabis?

Mevrouw Joldersma (CDA):

U kiest voor een heel andere oplossing dan wij. Wij zien dit voorstel als een belangrijk element in het gevecht dat een aantal gemeenten al is aangegaan met drugspanden. Venlo is daar een goed voorbeeld van. Daar probeert de gemeente pand voor pand te heroveren. U vindt waarschijnlijk dat de Europese regels moeten gaan in de richting van de regulering van de teelt. Dat is volgens mij echt de verkeerde weg. De teelt zal daardoor nog normaler worden en drugs zullen de normaalste zaak van de wereld worden. Wij zijn erg blij met de huidige Opiumwet waarin juist dit soort handelingen wordt verboden. Daar past dit element, dat is gericht op handhaving, heel goed in.

Ik wil tot slot een paar woorden zeggen over qat en paddo's. Ik had dit onderwerp al in mijn inbreng opgenomen voordat de discussie over de paddo's weer oplaaide. Wij hebben een aantal jaar geleden een discussie gevoerd over paddo's. Op dat moment leek het niet logisch om de verse paddo's onder de Opiumwet te brengen. Er is toen wel gezegd dat de smartshops goed in de gaten moeten worden gehouden zodat duidelijk is wat er precies gebeurt en hoe deze middelen zich ontwikkelen. Een dodelijk voorval zoals onlangs heeft plaatsgevonden, is altijd weer aanleiding om te bezien wat er precies gebeurt met betrekking tot paddo's. Ik vind het heel verbazend dat in de voorlichting paddo's nog steeds als een heel onschuldig genotmiddel worden neergezet.

De voorzitter:

Mevrouw Joldersma, de relatie met dit onderwerp ontgaat mij. De relatie met de actualiteit is mij duidelijk, maar die met het onderwerp van dit debat niet. Ik zou graag willen dat u zich beperkt tot het onderwerp.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Ik heb gemeld dat ik een paar woorden wilde zeggen over qat en paddo's. Ik zal proberen om het nog wat korter te houden. In de Opiumwet zijn de grondstoffen voor de qat en de paddo verboden, maar niet de verse producten. Uithoorn is het grootste distributiecentrum wat betreft de qat. Andere Europese landen hebben de qat via de Opiumwet verboden, maar Nederland niet. Wij vinden dat ook de verse producten onder de Opiumwet moeten vallen, want dan kan het gebruik ervan ook worden aangepakt.

De heer Teeven (VVD):

Even binnen de strekking van het wetsvoorstel. Is het standpunt van de CDA-fractie dat, als paddo's en qat worden verkocht vanuit woonhuizen in woonwijken, op grond van artikel 13b van de Opiumwet moet kunnen worden opgetreden?

Mevrouw Joldersma (CDA):

Wij zouden dat een goede zaak vinden, maar dan moet je die middelen wel eerst onder de Opiumwet brengen.

De heer Van der Ham (D66):

In 2000 is een onderzoek naar paddo's uitgevoerd. De conclusie daarvan was dat je die niet moet verbieden, maar er is ook een aantal aanbevelingen gedaan. Een aanbeveling was om te zorgen voor waarschuwingen op etiketten. Dat is de afgelopen zeven jaar niet gebeurd. Wat vindt mevrouw Joldersma ervan dat er met dat onderzoek en de aanbevelingen niets is gedaan, terwijl dat heel veel gezondheidsschade had kunnen voorkomen?

Mevrouw Joldersma (CDA):

De heer Van der Ham is weer bezig met het benadrukken van het legaliseren en buiten de Opiumwet houden van bepaalde zaken, maar wij willen die juist onder de wet brengen, want dan kun je die aanpakken. Wij vinden smartshops niet goed voor onze samenleving. Wij willen die ook aanpakken via de vergunningverplichting. In het onderzoek van 2000 stond overigens ook dat de situatie verandert en dat een en ander goed in de gaten moet worden gehouden. Daarom verzoeken wij de minister te bezien of de qat en de verse paddo;s onder de Opiumwet kunnen worden gebracht, zodat ertegen kan worden opgetreden.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Het was voorspelbaar dat het CDA de gebeurtenis van vorige week zou aangrijpen om hierover te beginnen bij de behandeling van dit wetsvoorstel. Het CDA wil het gebruik van paddo's binnen woningen verbieden, maar een aantal soorten is gewoon te vinden in de bossen in Nederland. Wil het CDA die bossen tot verboden gebied verklaren? Wil het CDA mensen verbieden om daar te wandelen en paddenstoelen te plukken?

Mevrouw Joldersma (CDA):

Die discussie hebben wij eerder gevoerd, maar in de Opiumwet staan de grondstoffen die verboden zijn. Het is heel vreemd dat de grondstoffen wel worden verboden, maar niet de verse producten. Wij willen die ook onder de Opiumwet brengen.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Het is heel vervelend dat de natuur ons dit flikt, maar hoe wil het CDA dat praktisch aanpakken?

Mevrouw Joldersma (CDA):

De Opiumwet heeft betrekking op de gezondheidsrisico's. Wij willen dat middelen waarvan wij de indruk hebben dat die schadelijk zijn voor de gezondheid onder de werking van de Opiumwet brengen. Wij verzoeken de minister daarom de gezondheidsrisico's aan te geven. Blijkbaar hebben wij de gezondheidsrisico's van paddo's niet goed in de smiezen. Dat meisje was niet depressief, maar in alle voorlichting staat dat je depressief moet zijn wil je vatbaar zijn voor de nadelige effecten van paddo's. Dat blijkt dus niet het geval. Hetzelfde geldt voor qat. Daar weten wij veel te weinig van. Wij willen meer inzicht in de risico's voor de volksgezondheid. Mevrouw Azough stelt dat het praktisch niet kan en dat je het daarom niet moet doen, maar dat is de verkeerde volgorde.

De heer De Wit (SP):

Mevrouw Joldersma stelt bij herhaling dat zij wil weten welke schade de qat en de paddo's veroorzaken. Minister Klink heeft naar aanleiding van het betreurenswaardige voorval van vorige week laten weten dat hij een onderzoek gaat instellen. Waarom wachten wij dat niet af? Waarom wil mevrouw Joldersma deze zaken nu direct in de Opiumwet opnemen? Dit gaat voorbij aan de strekking van het voorstel. Zij dwingt de Kamer een standpunt hierover in te nemen, terwijl er onderzoeken lopen en zijzelf ook om onderzoek vraagt.

Mevrouw Joldersma (CDA):

De heer Klink heeft het gezegd als een reactie naar buiten toe. Ik ben het ermee eens dat je eerst de schadelijkheid moet kennen voor je ze onder de Opiumwet brengt. Dat is de reden om iets op de lijst I of lijst II van de Opiumwet te zetten. Dat is wat ik hier vraag. Ik betrek qat erbij, omdat ik bij qat precies hetzelfde probleem zie. Wij kunnen de distributie daarvan niet aanpakken, terwijl iedereen ziet dat het om schadelijke middelen gaat. Andere landen zijn wel in staat om die middelen te verbieden en Nederland is weer bezig om de hele wereld te bevoorraden.

De heer De Wit (SP):

Mevrouw de voorzitter. Het wetsvoorstel waarover wij vandaag spreken, gaat in feite over het aanpakken van de illegale verkoop van drugs vanuit woningen, lokalen en erven. Overlast en verloedering van de omgeving door illegale verkooppunten moeten worden tegengegaan. Daarover is geen misverstand. De SP-fractie is het daar van harte mee eens. De leefbaarheid van de wijken, waarover wij uiteindelijk spreken, is van heel groot belang. Dit onderwerp sluit in zoverre zelfs aan bij het beleid van het nieuwe kabinet om de problematiek van de wijken aan te pakken. In dat opzicht zou het wetsvoorstel daartoe zelfs een belangrijke bijdrage kunnen leveren.

Er zijn toch een paar punten die ik de minister wil voorhouden. De manier waarop de overlast ten gevolge van drugshandel wordt aangepakt, moet wel kritisch worden bekeken. Het wetsvoorstel maakt het immers mogelijk dat woningen, lokalen en erven worden gesloten indien de Opiumwet wordt overtreden. Het sluiten van woningen gaat echter ver; dat gaat natuurlijk heel ver. Wij moeten niet vergeten dat het gaat om het woongenot van mensen en het recht op huisvesting. Beide zijn grondrechten die erkend zijn in het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens en in het Internationale verdrag inzake de economische, sociale en culturele rechten. Dat betekent dat er voor ingrijpen voldoende rechtvaardiging moet zijn indien daarbij inbreuk wordt gemaakt op deze rechten.

Het recht op woongenot en het recht op huisvesting spelen echter geen rol als het gaat om illegale verkoop vanuit lokalen waarin daadwerkelijk wordt gewoond. De truc om daar een bank neer te zetten of een oude matras neer te leggen, is al lang en breed bekend. In elk geval wordt ermee gepoogd om bestuursdwang te voorkomen, maar daar wordt meestal wel doorheen geprikt. Wij zijn van mening dat tegen die schijnwoningen moet kunnen worden opgetreden. Wel moet dan vaststaan dat er feitelijk niemand woont op het betreffende adres. In de nota naar aanleiding van het verslag schrijft de minister: "Het gaat echter nagenoeg altijd om woningen die niet of slechts naar uiterlijke schijn worden bewoond." Heeft de minister overwogen om zich te beperken tot deze vorm van schijnwoningen, indien daarmee alle problemen of het grootste deel ervan kan worden opgelost en vooral de overlast kan worden aangepakt?

Als wel sprake is van bewoning moet omzichtiger worden opgetreden. Het uiterste gevolg is namelijk dat niet alleen de overtreder, dus de verkoper van de verboden middelen, maar ook gezinsleden, waaronder kinderen, op straat komen te staan.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Als ik ervoor kies om ergens te gaan wonen en met mijn kinderen naar hartenlust drugs ga verkopen, mag ik niet meer onder die wet vallen? Begrijp ik de heer De Wit zo goed?

De heer De Wit (SP):

Als het om woningen gaat, moeten wij optreden. Daarmee ben ik het eens. In dat opzicht onderschrijf ik het voorstel. Ik vind echter dat voor woningen waar daadwerkelijk mensen in wonen, een gefaseerde aanpak moet plaatsvinden. In een aantal gemeenten is dat al praktijk. Je moet met mensen overleggen en zeggen dat zij ermee moeten stoppen. Vervolgens kom je van de ene fase in de andere terecht, al naar gelang de zwaarte van de sanctie. In alle duidelijkheid: in woningen waar mensen wonen, moet worden opgetreden. Het gaat mij echter te ver om bij de eerste constatering mensen op straat te zetten. De praktijk die bij gemeenten bestaat om het gefaseerd te doen, zou in feite ook de landelijke praktijk moeten worden bij ingrijpende maatregelen zoals schending of beëindiging van woongenot of huisvesting.

De heer Van der Staaij (SGP):

Die gefaseerde aanpak maakt sowieso deel uit van een handhavingsbeleid; dat is niet iets bijzonders voor deze categorie gevallen. De vraag is of u het wel of niet wilt beperken tot situaties waarin niet bewoond wordt. Ik proefde even uit uw woorden dat u het wilde beperken tot situaties waarin niet echt bewoond wordt. In dat geval krijg je al die bewijslastproblemen. Je moet dan bewijzen dat er niet echt bewoond wordt. Je zou bovendien een dekmantel kunnen geven in situaties met een echt drugspand waarin één of twee mensen ook nog een bed hebben staan.

De heer De Wit (SP):

Ik maak onderscheid tussen echte woningen en lokalen. In woningen waarin gewoond wordt, moet je gefaseerd optreden. Als wordt vastgesteld dat er in een lokaal niet gewoond wordt, is er geen enkel probleem. Als er wel gewoond wordt, is er wel een probleem. In het ene geval heb je een ander middel dan in het andere geval. Als er sprake is van schijnwoningen, kun je gewoon optreden. Zodra sprake is van wonen, heb je te maken met een woonrecht. De overheid moet dan afwegen wat zij gaat doen: meteen optreden of eerst een afweging maken.

De heer Van der Staaij (SGP):

Wilt u nu wel of niet met dit instrumentarium kunnen optreden in situaties waarin zowel gewoond als gehandeld wordt?

De heer De Wit (SP):

Ja.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Gemeenten zullen ongetwijfeld voorzichtig met dit wetsvoorstel omgaan, want zij voelen zich over het algemeen zeer betrokken bij hun bewoners. Het is een uiterste maatregel. Maar juist met dat omzichtig omgaan kunnen kinderen het slachtoffer worden. Het is makkelijk om je kinderen in die huizen te plaatsen om een sluiting te voorkomen.

De heer De Wit (SP):

Als kinderen als middel gebruikt worden om de ingrijpendheid van de maatregel af te zwakken of op te schorten, moet de gemeente dat onderzoeken. Als de gemeente constateert dat er een gezin woont, moet zij iets terughoudender zijn.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Dat snap ik, maar het is niet aan ons om het wetsvoorstel af te zwakken. Wij moeten gemeenten juist instrumenten geven waarmee zij kunnen handhaven. Gemeenten zullen daar op gepaste wijze mee omgaan.

De heer De Wit (SP):

Het gaat mij er niet om, het wetsvoorstel af te zwakken. Ik ben begonnen met te zeggen dat de SP het wetsvoorstel onderschrijft. Daarnaast maak ik opmerkingen over de manier waarop moet worden opgetreden tegen woningen waarin daadwerkelijk gewoond wordt. Daar moet je gefaseerde maatregelen toepassen. Ik zou graag zien dat de praktijk van een aantal gemeenten landelijk wordt gehanteerd. Voordat je een maatregel treft, moet je vaststellen of het gaat om een incident of om structurele handel. De gemeente moet onderzoeken wat er gebeurt en of sprake is van een woning waarin een gezin woont. Naar mijn idee moet daarin gefaseerd worden opgetreden.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Niemand is tegen die gefaseerde aanpak. Uw voorstel is echter nog gefaseerder als sprake is van een gezin met kinderen. Ik zou die kinderen juist zo snel mogelijk uit zo'n drugsomgeving willen halen.

De heer De Wit (SP):

Ik ben niet dezelfde mening toegedaan. U wilt de kinderen misschien onder toezicht plaatsen of in een pleeggezin onderbrengen, maar daar hebben wij het nu niet over. Het gaat mij erom dat wordt opgetreden, maar dat niet bij de eerste de beste vaststelling dat er gehandeld wordt, een gezin op straat wordt gezet.

De heer Teeven (VVD):

De heer De Wit weet dat in de praktijk niet meteen wordt opgetreden. Stel dat er een aantal meldingen is geweest dat er in een pand wordt gedeald, dat er door omwonenden wordt geklaagd en dat de handel ook wordt vastgesteld. Waarom kan dan niet meteen die bestuursdwang ingaan? Waarom moet het dan allemaal zo supergefaseerd?

De heer De Wit (SP):

Je creëert vervolgens een ander probleem. Je zou dan kunnen zeggen dat het de schuld van de mensen zelf is, waar ik het op zichzelf ook wel mee eens ben, maar desalniettemin heeft de gemeente een volgend probleem, namelijk dat er een gezin op straat staat. Verwijzend ook naar de praktijk, pleit ik ervoor dat de gemeente bij de constatering van het feit als zodanig aangeeft dat het daarmee afgelopen moet zijn en dat anders bij de eerstvolgende keer een maatregel volgt. Dat is de praktijk en ik pleit ervoor dat die wordt geïnstitutionaliseerd, in de zin dat alle gemeenten in het land aldus handelen.

De heer Teeven (VVD):

Bent u niet bang dat er dan verleggingseffecten optreden? Iets wordt geconstateerd in een pand A; vervolgens gaat de gemeente over tot aanzegging en gaat zij de bewoner horen. Bent u niet bang dat in de tussentijd in een pand B wordt gedeald en dat het probleem dus in feite wordt verlegd?

De heer De Wit (SP):

Dat ligt eraan. De gemeente moet consequent optreden. Als je mensen op straat zet, is er ook niet de garantie dat het probleem zich niet verplaatst naar een ander pand. Kortom, de gemeente moet alert reageren op signalen van de burger. Tegelijkertijd pleit ik voor een gefaseerde aanpak van dwangmiddelen.

Mijn laatste onderwerp betreft het verschil met artikel 174a van de Gemeentewet. Ik doel dan op de huidige praktijk dat het noodzakelijk is voor het optreden tegen panden dat er sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde. Dit is tot nu toe een struikelblok gebleken, niet alleen omdat er sprake is van een bewijsprobleem maar ook omdat de dealers dit weten te ontwijken door hun klant bepaald gedrag voor te schrijven; dus niet schreeuwen, niet met draaiende motor voor de deur staan, geen ruzie maken, geen drugsgebruik voor de deur etc. Hoewel ik het van harte eens ben met dit wetsvoorstel is mijn vraag wat de rechtsgrond is voor ingrijpen van de overheid. Als dit niet is ernstige verstoring van de openbare orde, is dan de enkele overtreding van de Opiumwet in casu de constatering dat er gehandeld wordt, voldoende rechtvaardiging om in te grijpen? Ik kijk daarbij tevens naar het EVRM, in het bijzonder het recht op wonen. Of geldt als motivering van dit soort besluiten dat er als gevolg van het feit dat er gedeald wordt, sprake is van een ongewenste situatie en dat dit mede een grond is om op te treden?

Verder hecht ik eraan op te merken dat wij ons als Kamer bij de behandeling van dit wetsvoorstel buiten de incidentenpolitiek moeten houden. Wij moeten ons in het kader van dit wetsvoorstel dus niet laten dwingen tot beslissingen over het drugsbeleid in Nederland, over de achterdeur, over paddo's etc.

De heer Teeven (VVD):

Daar ben ik het geheel mee eens. Daarom heb ik een vraag aan de heer De Wit over de geschiedenis van artikel 13b van de Opiumwet. Wij praten hier heel veel over overlast in woonwijken. Refererend aan de wetsgeschiedenis in relatie tot de totstandkoming van genoemd artikel was overlast totaal geen criterium. Het ging er alleen maar om of er werd verkocht, verstrekt en verhandeld. Overlast was daarbij totaal irrelevant. Dat artikel 13b is er ooit voor bedoeld geweest om gemeenten die een nuloptiebeleid voerden, in staat te stellen dat beleid te handhaven. Vindt de heer De Wit niet dat in lijn van de oorspronkelijke bedoeling van artikel 13b, wij ook bij de voorliggende wetswijziging dat punt van de overlast zouden moeten laten vervallen en dat wij enkel zouden moeten kijken naar de constatering dat artikel 13b wordt overtreden en dus niet ook naar het EVRM?

De heer De Wit (SP):

De rechter kijkt niet alleen naar proportionaliteit en subsidiariteit maar toetst ook op het EVRM. Wij hebben hierbij te maken met een koppeling van de Opiumwet aan bestuursdwang. Op het moment dat de overheid gebruikmaakt van dit soort machtsmiddelen, is de vraag aan de orde of er niet iets van een toetsing zou moeten plaatsvinden. Is de enkele rechtsgrond inzake overtreding van de Opiumwet voldoende om bestuursdwang en bestuursmaatregelen te kunnen toepassen?

De heer Teeven (VVD):

De heer De Wit gaat een beetje voorbij aan mijn vraag. De bestuursdwang staat al in de wet, want wij praten vandaag over een wijziging van artikel 13b. In de wetsgeschiedenis wordt echter niets gezegd over overlast. Is het dan wel reëel om de minister nu naar het EVRM te vragen? In de wetsgeschiedenis was het EVRM namelijk helemaal geen criterium. Dat was mijn vraag aan u.

De heer De Wit (SP):

Die vraag heb ik ook gesteld aan de minister. Ik kan mij namelijk voorstellen dat in de dagelijkse praktijk daar juist een beroep op zal worden gedaan. Meer kan ik er op dit moment ook niet over zeggen.

De heer Anker (ChristenUnie):

Voorzitter. De veelzijdige problematiek rond drugsgebruik, drugshandel en de overlast die beide met zich meebrengen, is in deze Kamer al regelmatig onderwerp van debat geweest. Na afgelopen week, na het voorval met de paddo's, merk je dat het debat weer nieuwe voeding krijgt en dat wij er nog lang niet uit zijn hoe het moet. Het is een continue zorg van de Kamer.

De ChristenUnie heeft zich altijd onomwonden sterk gemaakt voor een streng beleid op dit punt. Ik herinner in dat kader aan het initiatief dat wij, samen met de VVD, hebben genomen om een blowverbod op straat in te stellen. Drugs maken de mens afhankelijk en vaak ook kapot. Alleen al om de verwoestende effecten van drugsgebruik voor mens en samenleving zou de overheid een verantwoordelijkheid op zich moeten nemen. Dit geldt nog eens te meer wanneer gebruik en handel leiden tot overlast en criminaliteit. Helaas is dit vaak het geval. Dat leidt tot verloedering en versterkt gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Vanuit verschillende delen van het land, maar zeker vanuit de grensstreek in het zuiden, met name Limburg en Zeeland, bereiken ons hierover signalen. Als krachtig optreden hier achterwege blijft, tast dit zonder meer de geloofwaardigheid van de overheid aan.

Het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken betreft een aanscherping van de bestaande bevoegdheid van de burgemeester om op te treden tegen illegale verkooppunten van verdovende middelen. Mijn fractie deelt de visie van de minister dat de voorgestelde bepaling het handhavingsgat kan dichten tussen het bestaande artikel 13b van de Opiumwet en artikel 174 van de Gemeentewet of zo u wilt het gat tussen Damocles en Victoria. Dat dat gat bestaat blijkt duidelijk uit het onderzoek dat in opdracht van de minister is gedaan. Het probleem is helder samengevat in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag.

De bestaande bepalingen functioneren wel, maar de noodzaak om in elk geval verstoring van de openbare orde aan te kunnen tonen, maakt dat functioneren ontoereikend. Een bevoegdheid die een grote inbreuk maakt op persoonlijke rechten en vrijheden vraagt om een extra sterke onderbouwing. Vandaar de kritische vraag op dit punt van mijn fractie in de schriftelijke voorbereiding. De beantwoording door de minister, ook van vragen van andere fracties, sterkt ons in de opvatting dat de afweging en onderbouwing van dit wetsvoorstel deugdelijk zijn.

Proportionaliteit was een van de punten waar de ChristenUnie in het bijzonder de vinger bij legde. Wij zijn blij met de opmerking dat het niet de bedoeling is om bij een eerste overtreding acuut tot sluiting van woningen over te gaan. De minister staat een gefaseerde aanpak voor. Prima! Een stappenplan moet wat ons betreft echter geen knellend keurslijf worden, maar tegelijk moeten wij waken voor cowboygedrag. In de vorige bijdrage werd al een beetje duidelijk dat daar sprake is van een spanningsveld. De ChristenUnie verwacht dan ook van de minister dat hij in de communicatie met de gemeenten nadrukkelijk zal toelichten dat de afdelingen 5.3, bestuursdwang, en 5.4, dwangsom, uit de AWB in de breedte van toepassing zijn. Met andere woorden, sluiting is het ultieme, maar niet het enige beschikbare middel.

Wij hebben een aantal vragen. De eerste gaat over de drempel voor het gebruik van de bevoegdheid. In de eerste alinea van paragraaf 2 van de nota naar aanleiding van het verslag stelt de minister dat opgetreden wordt nadat geconstateerd is dat er sprake is van illegale verkoop enzovoort. Kan de minister toelichten wat hij hiermee bedoelt? Gaat het alleen om constateringen in ambtsedige processen-verbaal van politiemensen of moet er een redelijk vermoeden van schuld bestaan of wordt misschien zelfs alleen opgetreden in het kielzog van strafrechtelijk optreden? Op welke wijze wordt het optreden door de burgemeester afgestemd met dat van politie en justitie?

Ik sprak al over het belang dat mijn fractie hecht aan een proportioneel gefaseerd optreden. Ik heb ook aangegeven dat die fasering in ernstige gevallen een snel en slagvaardig optreden van de overheid niet in de weg mag staan. Op dit punt lijkt er enige spanning in het wetsvoorstel te zitten. Biedt dit wetsvoorstel voldoende ruimte voor de overheid om kordaat op te treden?

Mijn fractie hoopt dat van de voorgestelde bevoegdheden ook een zekere waarschuwende en preventieve werking uitgaat. Heeft de minister in dat kader concrete ideeën voor publieksvoorlichting over het toepassen van bestuursdwang bij overtreding van de Opiumwet?

Wij kregen onlangs een persbericht uit Terneuzen van de actiegroep "De grens is bereikt". Deze bezorgde burgers vragen aandacht voor coffeeshops die niet aan de AHOJG-criteria voldoen. Biedt dit wetsvoorstel de mogelijkheid om ook tegen dat soort coffeeshops op te treden?

De heer Teeven (VVD):

Nu breekt mijn klomp. De vertegenwoordiger van de ChristenUnie heeft grote zorgen over de bewoners van Zeeuws-Vlaanderen. In het regeerakkoord staat echter dat coffeeshops niet aan de grens mogen zijn gevestigd, maar terug moeten naar de steden. In Venlo is er juist een probleem opgelost door de coffeeshops naar de grens te verplaatsen. Nu wil de heer Anker de coffeeshops weer terugbrengen naar de steden. Hoe zit dat nu?

De heer Anker (ChristenUnie):

Wij willen de coffeeshops niet terugbrengen naar de steden. Wij willen graag dat er goed gehandhaafd wordt. De bewoners van de grensstreek hebben veel last van het grensverkeer van en naar coffeeshops. Zij stellen dat er coffeeshops zijn die niet aan de criteria voldoen. Ik wil weten of met dit artikel in de hand tegen die coffeeshops kan worden opgetreden.

De heer Teeven (VVD):

Ik begrijp uw vraag wel, maar mij gaat het om iets anders. Het probleem in Terneuzen is dat de coffeeshops in de stad worden bezocht door Belgen en Fransen. In Limburg is een vergelijkbaar probleem opgelost door coffeeshops te verplaatsen naar de grens. In het regeerakkoord staat dat coffeeshops terug moeten naar de steden. U bent niet benaderd door mensen uit de grensstreek, maar door inwoners van de binnenstad van Terneuzen. Zij hebben kennelijk problemen met het regeerakkoord, want zij hebben het over coffeeshops die in de stad zijn gevestigd en niet aan de grens.

De heer Anker (ChristenUnie):

Wij willen de problemen met het grensverkeer niet oplossen door de coffeeshops naar de grens te verplaatsen. Wij vinden dat er moet worden opgetreden tegen shops die niet aan de criteria voldoen. Het is een kwestie van afschuiven van problemen als coffeeshops naar de grens worden verplaatst.

De heer Van der Ham (D66):

Onder anderen Gert Leers, burgemeester van Maastricht, heeft gezegd, af te willen van de grote hoeveelheid coffeeshops in zijn stad door ze naar de grens te verplaatsen. Verzet u zich tegen een dergelijke oplossing of mag hij dat als burgemeester die met zijn poten in de modder staat zelf uitmaken?

De heer Anker (ChristenUnie):

Onze opvatting over de vestigingsplaats van coffeeshops is duidelijk. Wij willen het liefst dat ze er niet zijn. Wij hebben moeite met de uitspraak dat coffeeshops verplaatst moeten worden naar de grens om overlast in de binnenstad te voorkomen.

De heer Van der Ham (D66):

In het regeerakkoord staat dat er geen coffeeshops in de buurt van scholen mogen staan. Daar kan ik mij best wel iets bij voorstellen. Dan moeten ze dus naar de rand van de stad worden verplaatst, zoals Gert Leers voorstelt.

De voorzitter:

Ik stel vast dat ook dit onderwerp niet aan de orde is in het kader van dit wetsvoorstel. De heer Anker kan nog kort antwoorden en daarna vervolgen wij de behandeling van het wetsvoorstel.

De heer Anker (ChristenUnie):

Het korte antwoord is dat niemand blij is met een coffeeshop en dat er zo min mogelijk moeten zijn. De heer Van der Ham heeft een heel andere benadering, zoals zojuist uit het debat met mevrouw Joldersma duidelijk is geworden. Hij pleit voor regulering. Onze benadering is dat kwaad in de samenleving, zoals drugs, bestreden moet worden.

De heer Van der Ham (D66):

De ogen dicht doen dus.

De voorzitter:

U hebt niet het woord.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Ik sluit mij aan bij de woorden van de heer Van der Ham. Ik verbaas mij over het afschuifgedrag van de ChristenUnie. Zo wordt het probleem niet opgelost.

De heer Anker (ChristenUnie):

Wij proberen het probleem juist in het hart aan te pakken. Wij kiezen voor effectief bestrijden in plaats van een gedoogbeleid.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Zal het kwaad verdwijnen door drugs te verbieden?

De heer Anker (ChristenUnie):

Die grote ambitie is onze inzet.

De heer Van der Staaij (SGP):

De heer Teeven suggereerde zo-even iets over het streven in het regeerakkoord om coffeeshops in grensstreken tegen te gaan. Volgens hem gaat het alleen over plaatsen pal langs de grens en niet over plaatsen in de buurt van de grens. Ik neem echter aan dat het streven ruim moet worden opgevat. De heer Anker heeft dan ook terecht naar voren gebracht dat ook in plaatsen zoals Terneuzen geen overmaat aan coffeeshops mag ontstaan.

De heer Anker (ChristenUnie):

Die interpretatie klopt.

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter. Halve maatregelen werken niet. Deze zin las ik in de memorie van toelichting op dit wetsvoorstel. Die zin mag wat betreft de Partij voor de Vrijheid ten grondslag worden gelegd aan het gehele handhavingsbeleid voor de Opiumwet. Laten wij deze zin in steen uithouwen en ophangen op de muur achter het spreekgestoelte! Laten wij elke beleidsnotitie over drugs, ieder requisitoir en ieder vonnis in een drugszaak met deze zin aanvangen! De Partij voor de Vrijheid is tevreden dat in een stuk van de regering staat dat bij het drugsbeleid halve maatregelen niet werken. Dit besef lijkt ook bij de burgemeester van Maastricht doorgedrongen te zijn. Die laat vandaag de politie een grote actie ondernemen tegen drugsrunners en andere illegale drugshandelaren. Ik hoop dat hij het volhoudt.

De strekking van het voorliggende wetsvoorstel heeft de volledige instemming van de fractie van de Partij voor de Vrijheid. Ook de beoogde integrale aanpak van alle verkooppunten van drugs steunen wij. Naar ons idee zitten er echter twee zwakke plekken in het geheel.

Ten eerste is de beoogde aanscherping van bestuursdwang tegen illegale verkooppunten van drugs in de praktijk alleen mogelijk als de gemeenten op dit punt beleid ontwikkelen. In de nota naar aanleiding van het verslag staat dat 5% van de gemeenten in ons land dat nog steeds niet heeft gedaan. Dit cijfer stamt uit het jaar 2005. Is een recenter cijfer beschikbaar? Is het mogelijk of wellicht zelfs noodzakelijk om gemeenten de verplichting op te leggen om ter zake beleid te ontwikkelen? De drugsplaag heeft zich inmiddels over het gehele land uitgebreid. Hoe is het mogelijk dat er nog steeds gemeenten zijn zonder beleid om de illegale drugshandel tegen te gaan?

Ten tweede de gefaseerde aanpak. Waarom niet direct bestuursdwang toepassen bij de eerste constatering van manifeste gevallen van drugshandel in panden als daarbij personen betrokken zijn die allang een strafblad ter zake van drugshandel hebben opgebouwd? Waarom in die gevallen een gefaseerde aanpak volgen?

Voorzitter. In het licht van het inzicht dat halve maatregelen niet werken, maak ik nog drie opmerkingen. Ik begin met het heilige rookhol oftewel de drugswinkel die de regering helaas nog eufemistisch pleegt aan te duiden als een coffeeshop. Ik vind het verwerpelijk als het rookverbod voor publieke ruimtes niet geldt voor deze drugswinkels. Ik roep de regering op om in dezen de rug recht te houden.

Het volgende punt is de verse paddo's. Ook deze worden verkocht en dat is op dit moment nog legaal ook. Het argument daarvoor schijnt te zijn dat de concentratie van werkzame bestanddelen in verse paddo's lager is dan in de gedroogde paddo's die wel onder de werking van de Opiumwet vallen. Dat lijkt mij nauwelijks een plausibel argument. Om het gewenste effect te bereiken hoeft de gebruiker van verse paddo's dus alleen maar een grotere hoeveelheid te nuttigen. De politie in Amsterdam wordt wekelijks geconfronteerd met personen die onder invloed van paddo's gevaarlijk gedrag vertonen, vaak ook gevaarlijk voor zichzelf. Meestal loopt dat dankzij politieoptreden niet fataal af. Dat het wel fataal kan aflopen, moge duidelijk zijn. Ik heb gelezen dat de minister van Volksgezondheid overweegt een onderzoek te laten uitvoeren naar de werking van verse paddo's. Daar zit ik niet op te wachten, want die werking is allang bekend. Vooral ook de ongewenste gevolgen zijn genoegzaam bekend. Wij hebben er volgens mij dan ook veel meer aan als ook de verkooppunten van deze drugs krachtig aangepakt worden. Dat betekent dat de handel strafbaar moet worden gesteld. De desbetreffende panden kunnen dan, mede met toepassing van dit wetsvoorstel zodra het kracht van wet krijgt, worden gesloten. Graag verneem ik van de minister van Justitie wat hij op dit punt denkt te moeten en kunnen ondernemen.

Het laatste punt is de handel in qat. Ook de verkoop van deze drug leidt tot overlast voor de omgeving. In Uithoorn, naast Tilburg de bekendste verkoopplaats van qat in ons land, heeft de gemeenteraad in januari jongstleden op initiatief van het CDA een motie ingediend met de strekking om de ernstige overlast die de qathandel meebrengt tegen te gaan. Er werd in gevraagd om handhavend optreden. Kan dit wetsvoorstel, zodra het kracht van wet heeft gekregen, worden ingezet om qathandel te bestrijden? Uit de vragen van mevrouw Joldersma kreeg ik de indruk dat zij denkt dat het niet zo is. Ik wil graag weten wat de minister daarvan vindt. Wil de minister zich ervoor inzetten om ook die handel, met name de overlast als gevolg daarvan, actief te bestrijden?

De heer Van der Ham (D66):

Bent u bekend met het onderzoek van het coördinatiepunt assessment en monitoring nieuwe drugs uit 2000 naar paddo's?

De voorzitter:

Het debat van vandaag gaat niet over paddo's. Ik sta het dan ook niet toe dat u hierover interrumpeert.

De heer Van der Ham (D66):

Er worden ook veel andere artikelen verkocht die hallucinerend kunnen zijn, bijvoorbeeld absint en sint-janskruid. Zelfs kruidnagel kan in grote hoeveelheden problemen geven. Wat vindt de heer De Roon van de verkoop van die middelen? Die middelen zijn nu nog legaal, maar die kunnen eenzelfde werking hebben.

De voorzitter:

Dit heeft volgens mij ook geen betrekking op dit debat.

De heer Van der Ham (D66):

Het gaat vandaag over drugs.

De voorzitter:

Nee, het gaat over de wijziging van de Opiumwet in verband met de verkoop in woonhuizen.

De heer Van der Ham (D66):

Ik vind het niet juist dat wij met u inhoudelijk moeten debatteren over de vraag wat onder drugs wordt verstaan. Wij zullen later debatteren over de verkoop van discutabele middelen. Het heeft echter ook te maken met de werking van deze wet.

De voorzitter:

Ik begrijp uw redenering wel, maar u hebt hier gisteren uitvoerig over gesproken in de commissie. Ik heb daar een mededeling van gekregen en ik probeer dit debat conform die mededeling te laten verlopen. Ik zou het op prijs stellen als u de besluiten van uw eigen commissie hier gestalte geeft.

De heer De Roon (PVV):

Er zijn natuurlijk nog veel meer middelen die gevaarlijk kunnen zijn voor de eigen gezondheid of die kunnen leiden tot gedrag dat gevaarlijk is voor anderen. Misschien moeten wij het daar op een ander moment nog eens over hebben. Op dit moment lijkt het mij niet zinvol om daar uitvoerig over te praten.

De heer Teeven (VVD):

Is de heer De Roon met mij van mening dat deze regering eigenlijk via de minister de burgemeesters dringend in overweging moet geven om hier consequent mee om te gaan? Hij haalt het voorbeeld aan van de D66-burgemeester in Uithoorn die de overlast laat bestaan. Daar verandert natuurlijk niets aan. Wij kunnen de wetgeving wel aanpassen, maar de vraag is of er geen instructie voor de burgemeester in Uithoorn bij hoort.

De heer De Roon (PVV):

Het gaat niet alleen om hetgeen er in de wet wordt neergelegd, maar ook om de vraag hoe de wet wordt uitgevoerd. Zodra blijkt dat ambtenaren van hoog tot laag tekortschieten in het handhaven van de wet, ligt het op de weg van de regering en in het bijzonder van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie om erop aan te dringen dat dit wel gebeurt. Zij moeten dan alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat de wet wordt gehandhaafd.

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Het is goed dat wij vandaag kunnen spreken over dit wetsvoorstel dat gemeenten kan helpen in de strijd tegen drugs. Die strijd wordt ook gevoerd in het belang van de volksgezondheid. De negatieve, ernstige, verwoestende gevolgen van drugsgebruik zijn helaas in de afgelopen periode meer en meer zichtbaar geworden. Wij steunen dit wetsvoorstel, want het kan de gemeenten wel degelijk helpen in de strijd tegen drugs.

Ik wil hier wel de kritische kanttekening bij maken dat de vrijheid tot het gebruik van drugs die het kabinet in stand wenst te houden, voortdurend vraagt om maatregelen om de ongewenste neveneffecten van dat gebruik te bestrijden. Mede doordat de criminaliteit zich van een deel van de drugshandel heeft meester gemaakt, wordt de landelijke overheid telkens tot nieuwe wettelijke maatregelen gedwongen en zien lokale overheden hun beleid ondermijnd door nieuwe ontwikkelingen. De vindingrijkheid aan de kant van de al dan niet professionele, al dan niet georganiseerde criminaliteit zorgt er helaas wel voor dat de bron van de lucratieve handel niet opdroogt.

Zoals in de memorie van toelichting helder naar voren komt en ook later in de stukken overtuigend wordt gewisseld, blijkt in de praktijk de toepassing van het huidige instrumentarium – het huidige artikel 13b van de Opiumwet en artikel 174a van de Gemeentewet – ter bestrijding van illegale verkooppunten van soft- of harddrugs onvoldoende effectief te zijn. Met name het bewijs van verstoring van de openbare orde in een bestuursdwangprocedure strekkende tot sluiting van de woning, al dan niet in combinatie met voor publiek toegankelijke lokaliteiten, lijkt moeilijk te leveren, zeker als het om verspreid liggende woningen gaat.

Het is overigens opmerkelijk dat de Eerste Kamer al in 1996 bij de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel dat tot de wet van maart 1997 heeft geleid waarbij artikel 174a van de Gemeentewet werd ingevoegd, haar voorkeur uitsprak voor het opnemen van een sluitingsbevoegdheid voor woningen in de Opiumwet in plaats van in de Gemeentewet. De regering heeft die suggestie toen niet overgenomen, omdat zij een bredere reikwijdte van de regeling noodzakelijk en gerechtvaardigd achtte. De regering vond toen dat de noodzaak niet was aangetoond voor het uitvoeren van een bevoegdheid tot sluiting van woningen op de enkele grond van overtreding van de Opiumwet. Inmiddels moeten wij vaststellen dat het inzicht veranderd is. Wij zijn er tevreden over dat er nu een voorstel is aangeboden dat een aanvulling vormt op het bestaande instrumentarium.

In de stukken wordt beklemtoond dat het een vergaande bevoegdheid is om woningen te kunnen sluiten. Het is wel goed om hierbij te bedenken dat het, hoewel wij in juridische zin over woningen spreken, in feitelijke zin in een groot aantal situaties gewoon gaat om als woning vermomde drugspanden. Het is de inzet van dit wetsvoorstel om daartegen te kunnen optreden, opdat het misbruik van de bescherming van de woning ongedaan kan worden gemaakt.

Ik richt mij met name op de vraag of dit al met al wel ver genoeg gaat. Ook al is dit wetsvoorstel bedoeld als een vereenvoudiging van de bewijslast, dit betekent geenszins dat woningen waarin drugs worden aangetroffen zonder meer gesloten kunnen worden. Het enkele aantreffen van drugs, ook in grote hoeveelheden in een pand zonder dat er enige indicatie is dat er in of vanuit het desbetreffende pand drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt, is niet voldoende voor de toepassing van het nieuwe artikel 13b van de Opiumwet, althans zo begrijp ik het woordje "daartoe" waar ook mevrouw Joldersma over sprak. Ik hoor graag van de minister hoe makkelijk het in de praktijk is om, ook als een grote hoeveelheid drugs worden aangetroffen in een woning en er geen duidelijke sporen van verkoop zijn, op te treden op grond van dit wetsartikel.

Het tweeslachtige beleid dat ten aanzien van de bestrijding van drugs wordt gevoerd, blijft wringen. Het bezit en het kopen van kleine hoeveelheden in coffeeshops worden niet aangepakt. Die praktijk komt terug in wervende zinnen in de onderhavige stukken, zoals: "Door het gevoerde cannabisbeleid is het immers voor iedere inwoner van Nederland mogelijk om cannabis te kopen in een coffeeshop". Dergelijke wervende zinnen spreken mijn fractie niet erg aan.

Ik stel nog een vraag over de wietteelt. In een eerdere fase van dit wetsvoorstel is de vraag aan de orde geweest of het instrumentarium van dit wetsvoorstel moet kunnen worden ingezet tegen de wietteelt in een woning. Hoe kijkt de minister daartegenaan? Is het bestaande instrumentarium om te kunnen optreden tegen grootschalige, of kleinschaliger, wietteelt in woningen voldoende?

De heer Van der Ham (D66):

Die teelt is volgens de Woningwet aan te pakken. Hebt u aanwijzingen dat die mogelijkheid niet voldoet?

De heer Van der Staaij (SGP):

Mijn vraag kwam op omdat in een eerdere fase de VNG heeft aangegeven zich daarvoor niet meer in te zetten. In die zin is mijn vraag of het instrumentarium kan worden ingezet tegen de wietteelt in woningen.

Mijn eerste punt was of het instrumentarium van dit wetsvoorstel voldoende is als er grote hoeveelheden drugs in een pand worden gevonden maar bewijzen voor verkoop niet voorhanden zijn. Een tweede vraag is hoe het precies zit met die voorbereidende maatregelen die gemeenten verwachten en die door toepassing van het nieuwe instrumentarium aan de orde kunnen komen. Er wordt tamelijk stevig neergezet dat die voorbereidende maatregelen getroffen moeten zijn. Gemeenten, politie en justitie moeten het eens worden over de aanpak en de prioriteit daarvan. De toepassing van het artikel kan voorts alleen plaatsvinden als onderdeel van een integraal gemeentelijk beleid ten aanzien van illegale verkooppunten. In de memorie van toelichting staat dat aan dat beleid een handhavingsarrangement, een handhavingsmatrix of stappenplan gekoppeld moet zijn waarin nauwkeurig is aangegeven bij welke overtreding, door wie, met welk juridisch instrumentarium en met welke consequenties wordt opgetreden. Dergelijke eisen zijn op zich begrijpelijk en zullen voor een aantal gemeenten, die sinds jaar en dag met illegale verkooppunten worden geconfronteerd – grote steden, gemeenten in de grensregio – niet bezwaarlijk zijn omdat zij al over een stappenplan beschikken. Moet die zware eis echter als voorwaarde gesteld worden voor gemeenten die hoogst incidenteel of voor het eerst met het verschijnsel van drugshandel vanuit woningen worden geconfronteerd? Belast dat die gemeenten niet te zeer? Als gevolg van het optreden van de burgemeester in de ene gemeente, kan verplaatsing van de activiteiten naar een andere gemeente plaatsvinden. Betekent de voorwaarde voor toepassing van de nieuwe bevoegdheid dat een gemeente die voor het eerst met deze praktijk wordt geconfronteerd, eerst een compleet integraal drugsbeleid moet ontwikkelen voordat handhavend kan worden opgetreden? Dat lijkt mijn fractie een te vergaande eis.

Ik kom op mijn laatste punt. De heer Teeven heeft al een intelligente poging gedaan om te beklemtonen dat onder dit wetsvoorstel niet alleen valt wat het instrumentarium van de gemeenten is, maar dat ook de stoffen die zijn aangemerkt en onder de Opiumwet vallen, bepalen in hoeverre het instrumentarium kan worden gebruikt. In die zin raakt het wel degelijk aan de reikwijdte van het instrumentarium. Ik sluit mij kortheidshalve aan bij hetgeen ik van de CDA-collega daarover heb gehoord en wat door anderen is genoemd, namelijk dat verse paddo's en qat voluit onder de Opiumwet zouden moeten vallen. Tegen de handel daarin vanuit woningen moet kunnen worden opgetreden.

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter. In dit soort debatten is altijd de vraag aan de orde hoe wij omgaan met drugs in onze samenleving. Hoe doen wij dat verantwoord? Hoe laten wij het besef dat alcohol en drugs altijd zullen worden gebruikt en het feit dat wij hechten aan zelfbeschikkingsrecht van mensen samengaan met onze zorg over de volksgezondheid? Hoe voorkomen wij overlast en criminaliteit? Deze vragen hangen altijd boven dit soort debatten en alleen een integraal beleid kan het hoofd bieden aan dit soort vraagstukken.

Vorig jaar hebben wij uitgebreid gediscussieerd over de achterdeurproblematiek. Bij die discussie is een motie ingediend door de heer Weekers (24077, nr. 188) waarin het volgende werd verzocht aan de regering:

  • - de inspanningen te vergroten om de illegale cannabisteelt, met name vanuit woningen, alsmede de verkoop vanuit illegale verkooppunten te bestrijden teneinde de verkoop verder te kanaliseren via de streng gereguleerde verkooppunten;

  • - de Kamer halfjaarlijks over de effecten van de inspanningen te berichten, naar analogie van een groot project;

  • - te voorkomen dat exploitanten van streng gereguleerde coffeeshops in handen worden gedreven van de criminaliteit en oplossingen te zoeken in de lijn van het Manifest van Maastricht.

Deze motie is met grote meerderheid aangenomen door de Tweede Kamer. Er zou kunnen worden gezegd dat wij vandaag het eerste deel van het verzoek aan de regering uit deze motie bespreken, namelijk het aanpakken van illegale verkooppunten en illegale teelt. Het aanpakken van teelt valt overigens eigenlijk niet zo zeer onder dit wetsvoorstel, want dat wordt op een andere manier geregeld. Er is echter wel een relatie. In deze motie komt het belang van complementaire maatregelen heel duidelijk aan de orde. Als je immers hier drukt, gaat het daar omhoog.

Mijn fractie is voor een harde aanpak van illegale verkoop. Wij moeten echter goed beseffen dat het elders opduikt als het ergens is aangepakt. Dat is een belangrijk aspect bij deze regelgeving. Ik ben ervoor om gemeenten meer mogelijkheden te geven om op te treden, maar de vraag is wat er vervolgens met de integrale aanpak gebeurt. Tilburg en Maastricht zijn met voorstellen voor experimenten gekomen. Hoe gaat de minister daarmee om? In het regeerakkoord staat dat er geen nieuwe experimenten zullen worden gedaan. Hoe wil de minister dan tegemoet komen aan de wensen van gemeenten, die met hun poten in de modder staan, zodat zij toch iets kunnen doen en een integraal en complementair beleid kunnen voeren? Ik overweeg op dit punt een motie.

Wij spreken vandaag over de uitbreiding van artikel 13b van de Opiumwet. De kern van de zaak is dat burgemeesters in dit voorstel ook de bevoegdheid krijgen tot toepassing van bestuursdwang ten aanzien van woningen en niet voor publiek toegankelijke lokalen. Het doel is om drugspanden te kunnen sluiten en overlast tegen te gaan. De fractie van D66 is op zich voor deze mogelijkheid, maar dat is eigenlijk niet het punt vandaag. Dat zou het zijn als er een compleet nieuwe bevoegdheid zou worden gecreëerd. Het gaat vandaag echter om aanscherping van de wet omdat het huidige instrumentarium niet volledig aan de verwachtingen voldoet.

De vraag die wij onszelf moeten stellen, is of de voorgestelde wijziging noodzakelijk en proportioneel is. Bij de beantwoording van deze vraag wil ik nadrukkelijk aandacht vragen voor het onderscheid tussen woningen en niet voor publiek toegankelijke lokalen, in dit geval vaak loodsen en kassen. Deze plaatsen worden in het voorstel in één adem genoemd, terwijl er een belangrijk verschil is. Vanuit de praktijk bereikten ons geluiden dat de huidige wetgeving met name voor de niet voor publiek toegankelijk lokalen te weinig houvast biedt. Loodsen bevinden zich vaak in industriegebieden of in elk geval niet in woonwijken. Daarmee is het overlastcriterium van artikel 174a van de Gemeentewet soms niet te vervullen. Tegelijkertijd vallen deze gebouwen ook niet onder het huidige artikel 13b van de Opiumwet. Een uitbreiding van de Opiumwet met deze lokaliteiten ligt daarom voor de hand.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Volgens mij is dat al gebeurd, want de definitie die nu in de wet wordt gehanteerd betreft een lokaal, zonder koppeling aan publieke toegankelijkheid. Ik snap niet precies wat u nu nog wilt.

De heer Van der Ham (D66):

Ik heb al gezegd dat ik dat onderdeel van het wetsvoorstel steun.

De situatie met betrekking tot woningen is echter anders. Rondom woningen is juist wel vaak sprake van overlast en verstoring van de openbare orde, een eis die artikel 174a van de Gemeentewet stelt. Deze eis is indertijd niet voor niets geformuleerd. Wij moeten extra zorgvuldig zijn waar het gaat over woningen. Het is immers een grondrecht dat mensen hun persoonlijke levenssfeer beschermd zien en weten, conform artikel 8 van Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Als je daar zo maar kunt ingrijpen, zou dat een inbreuk op een dergelijk grondrecht kunnen zijn die te ver gaat. Als je het doet, moet het zijn omgeven met de nodige waarborgen. Nu biedt de huidige wetgeving volgens de minister in de praktijk, op het moment dat er echt iets speelt, te weinig houvast om in te grijpen. In de praktijk blijkt het vereiste van verstoring van de openbare orde moeilijk hard te maken. Er is dus behoefte aan een andere bepaling die deze eis niet heeft.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Ik snap de discussie over het ingrijpen in woningen niet. Dat mag nu via het desbetreffende artikel van de Gemeentewet. Ik heb de heer Van der Ham, noch andere collega's, nog nooit horen aangeven dat dit een probleem is. Straks mag het op basis van de Opiumwet, maar dan is het opeens wel een probleem. Nu mag echter ook al worden ingegrepen in woningen, alleen op basis van verstoring van de openbare orde.

De heer Van der Ham (D66):

Ik probeer mijn eigen dilemma op dit punt te laten zien. Als sprake is van een probleem in het kader van de openbare orde, als er overlast is, dan is dat voldoende argumentatie om door middel van de huidige wetgeving in te grijpen. Het komt voor dat mensen worden gechanteerd, dat sprake is van intimidatie, of van een dusdanig goede organisatie dat er geen overlast is, maar wel een probleem. De overheid wil dan optreden, omdat er dingen gebeuren die men niet wil, zoals de illegale verkoop van drugs. Wij horen graag van de minister wat het probleem is. Zijn er zoveel voorbeelden van dit soort overlast dat dit een wijziging van de wet rechtvaardigt? Is het nu zo moeilijk de mate van overlast vast te stellen, omdat die op de klassieke manier niet in voldoende mate kan worden aangetoond? Of zijn er niet voldoende mogelijkheden om tot de opbouw van een dossier te komen, op basis waarvan kan worden ingegrepen? Als het laatste het geval is, ligt het dan niet meer voor de hand de regelgeving op dat punt aan te passen? Ik hoor dat graag.

Het is van belang vast te kunnen stellen voor wie de wet precies is geschreven. Op basis van de stukken concludeer ik dat huurwoningen via de woningbouwcorporaties geen problemen opleveren, vanwege de clausules in het huurcontract. Dan blijven over de particuliere verhuur en het eigenwoningbezit. Het lijkt mij dat een en ander zich toespitst op het laatste, omdat ook bij particuliere verhuur een verhuurder weinig problemen zal hebben om het contract te ontbinden bij illegale drugspraktijken. Het gaat dus om illegale verkooppunten van drugs in eigen woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen, waarbij geen verstoring van de openbare orde optreedt, want anders zou artikel 174a van de Gemeentewet immers gelden. Bovendien geldt het ook niet voor harddrugspanden want ik heb begrepen dat de handel vanuit woningen in harddrugs eigenlijk altijd al door de rechter wordt gezien als verstoring van de openbare orde. Dat is de zogenaamde geabstraheerde overlast. Kan de minister op dat punt ingaan?

Ik concludeer dat dit wetsvoorstel dus is geschreven voor de illegale verkooppunten in eigen woningen en lokalen die sterk verspreid zijn gelegen, waarbij geen sprake is verstoring van de openbare orde, maar waar softdrugs worden verhandeld door criminelen die zo professioneel zijn dat zij de eisen van artikel 174a van de Gemeentewet weten te omzeilen. Klopt dit? Is die de categorie waarover wij het hebben? Graag een reactie van de minister, vooral gelet op de link met de harddrugs die eigenlijk al voldoende bewijs zijn om in te grijpen.

Artikel 13b van de Opiumwet komt niet in plaats van artikel 174 van de Gemeentewet, maar is een aanvulling op het bestaande instrumentarium, aldus de minister. De keuze hangt af van de lokale situatie. Hoe moet ik dat precies zien, vooral nu de minister zelf aangeeft dat gemeenten enigszins teleurgesteld zijn over de kleine kans op succes en zij vaak afzien van de nieuwe sluitingsprocedures voor woningen? Als ik dit goed lees, zal geen enkele gemeente artikel 174a van de Gemeentewet inzetten, want waarom zouden zij? Zij hebben inmiddels een veel gemakkelijker instrument, namelijk artikel 13b van de Opiumwet. Graag een reactie.

Wij zijn blij te horen dat de minister het sluiten van woningen als ultimum remedium ziet, maar over de vastlegging hiervan in het kader van de gefaseerde sanctionering en het zogenaamde stappenplan heeft mijn fractie nog een vraag. Dit stappenplan wordt genoemd in de memorie van toelichting, maar het ligt niet vast. Wij hebben nergens kunnen vaststellen dat het verplicht wordt. Mijn fractie pleit hier uitdrukkelijk wel voor. Immers, het stappenplan biedt volgens de regering de noodzakelijke vorm van proportionaliteit en dat is volgens D66 het minste wat moet zijn geregeld voordat een burgemeester bestuursdwang toepast. Er is inmiddels een amendement door mevrouw Azough ingediend. Wij hebben daar veel sympathie voor. Graag een reactie daarop, want dat is van belang voor onze weging van het wetsvoorstel.

Voor dezelfde proportionaliteit is het van belang dat de burgemeester in het besluit tot sluiting de duur ervan bepaalt en motiveert. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft geadviseerd om dit te doen. De antwoorden van de minister overtuigen op dit punt nog niet voldoende. De minister gaat in zijn beantwoording louter in op de andere opmerkingen van de Orde, maar ik mis in zijn beantwoording een heldere argumentatie waarom een dergelijke voorwaarde niet wenselijk zou zijn. Voor D66 heeft een dergelijke eis het karakter van een extra toets voor de rechter, alsmede een nadere motiveringsplicht voor het bestuursorgaan. Ik heb op dit punt ook een amendement ingediend en ik hoor daarop natuurlijk graag de reactie van de minister.

Als voorbeeld noem ik stadsdeel de Baarsjes in Amsterdam, waar ik zelf vandaan kom. Daar is nu, terecht, een drugspand gesloten. Het is al twee jaar dichtgetimmerd. Dat leidt tot een verloederd straatbeeld en een algemeen gevoel van verloedering. Zeker in slechte wijken kan dit een negatief effect hebben. Het zou heel goed zijn als er een motivatie van het bestuur komt wanneer het pand weer voor iets anders wordt benut. Het pand in dit voorbeeld is inmiddels gekraakt. Dat is iets wat een meerderheid van de Kamer ook niet graag ziet. Wij denken daar iets anders over, maar in dit geval vinden wij het ook geen terechte bestemming voor het pand. Het is in elk geval van belang om meer expliciet te zijn over de toekomst van zo'n pand in een buurt, zeker in buurten die toch al kwetsbaar zijn.

De laatste vraag betreft de hoeveelheden die het OM in zijn achterhoofd heeft bij strafvervolging voor softdrugs. Wij vernemen uit de praktijk dat er onduidelijkheid bestaat over de thuisteelt. Bij een teelt van minder dan zes planten wordt geen vervolging ingesteld, maar moet men wel afstand doen van de planten. Hoe verhoudt dit zich precies tot elkaar? Kan de minister hieromtrent meer duidelijkheid bieden? Vallen die mensen verder ook onder de werking van artikel 13b van de Opiumwet?

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Mevrouw de voorzitter. Een paar jaar geleden was er regelmatig bij mijn familie in Rotterdam-Zuid sprake van enorme overlast van drugsrunners. Elke avond en nacht hoorde men het snerpende lawaai van hun scooters als zij optrokken of aankwamen bij het pand waar zij hun koopwaar vandaan haalden. De dagelijkse overlast en de dreigende sfeer domineerden het leefklimaat in deze woonstraat, met alle gevolgen voor de bewoners van die straat. Er ontstond een klimaat waarin mensen zich ongemakkelijk en ook onveilig konden voelen. Dit hield aan totdat de drugshandel naar een andere wijk verhuisde en men in deze straat weer rustig kon gaan slapen. Waarschijnlijk werden mensen in een andere straat weer wakker gehouden.

De noodzaak van een strikte aanpak van illegale drugshandel staat wat mijn fractie betreft buiten kijf, zeker in de gevallen waarin sprake is van overlast en verloedering. Dat zal overigens wel moeten gebeuren in een integrale aanpak, want dit wetsvoorstel komt voort, zoals de heer Van der Ham al zei, uit een motie van de heer Weekers die was gericht op het aanpakken van illegale drugshandel op basis van het Manifest van Maastricht.

Vandaag bespreken wij een wetsvoorstel dat erop neerkomt dat het huidige artikel in de Opiumwet waarin de bestuursdwang wordt geregeld, wordt uitgebreid met de mogelijkheid om ook in het geval van lokalen die niet publiek toegankelijk zijn, bestuursdwang te kunnen toepassen. Dat kunnen loodsen zijn, dat kunnen woningen zijn, dat kunnen schijnwoningen zijn, maar ook woningen die daadwerkelijk als woning worden gebruikt. Tot nu toe was toepassing van deze bestuursdwang in de zin van de Opiumwet voorbehouden aan publiek toegankelijke lokalen, de welbekende disco's, ook in Amsterdam, die zo nu en dan tijdelijk of definitief werden gesloten nadat drugshandel was geconstateerd. Met de beoogde aanvulling wordt de toepassing van deze bestuursdwang ook mogelijk voor woningen van waaruit drugs worden verhandeld. Nu is het aanpakken van woningen waar illegaal drugs worden verhandeld, al mogelijk op basis van de Gemeentewet. Als een burgemeester een woning van waaruit gedeald wordt, wil sluiten, kan hij gebruikmaken van de bevoegdheid in artikel 174a van de Gemeentewet. De burgemeester of de officier van justitie moet dan echter wel aantonen dat een verstoring van de openbare orde plaatsvindt. Met de voorgestelde aanpassing wordt sluiting veel eenvoudiger, omdat alleen bewezen hoeft te worden dat er drugs worden verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel aanwezig zijn.

Voor GroenLinks is het vanzelfsprekend dat illegale handel in drugs, zeker vanuit woningen, wordt aangepakt. Mijn fractie steunt dan ook het wezen van dit wetsvoorstel. Die aanpak behoort echter wel gepaard te gaan met de nodige waarborgen op het gebied van legitimiteit en effectiviteit. Daarom heb ik nog wel een aantal vragen over het wetsvoorstel. Die vragen gaan vooral over het onderwerp waarover dit wetsvoorstel gaat en niet over de wietteelt, die door het CDA al is aangekaart. In de nota naar aanleiding van het verslag staat heel duidelijk dat er op het punt van wietteelt andere bevoegdheden om woningen te sluiten in de Woningwet vastliggen. Als die bevoegdheden niet goed of niet voldoende gebruikt worden, dan hoor ik dat graag. Volgens mij hoeven wij daar niet per se van uit te gaan.

Ik kom op de legitimiteit. Het blijft belangrijk om te beseffen dat het ongestoord gebruik van een woning een internationaal gegarandeerd mensenrecht is, waarvan alleen afgeweken kan worden voor zover bij wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van "de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van rechten en vrijheden van anderen". Dit maakt het wel degelijk mogelijk om aantasting van het vrije woongenot toe te laten. Het is de vraag of deze mogelijkheden zo ver reiken, dat niet hoeft te worden voldaan aan het leveren van voldoende overtuigend bewijs dat sprake is van verstoring van de openbare orde.

Er was een goede traditie van terughoudendheid in de uitbreiding van bevoegdheden binnen het bestuursrecht met rechtsmiddelen die eerder een strafrechtelijk karakter hebben. Niet zo lang geleden hebben wij daarover in het kader van het terrorisme een uitgebreid debat gehad. Met dit wetsvoorstel ligt het in de rede dat het openbaar bestuur voor de weg van de minste weerstand zal kiezen als de aanwezigheid van illegale verkooppunten wordt geconstateerd. Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan? Deelt de minister deze voorspelling?

Een principiëler dilemma is dat als er strafbare feiten worden geconstateerd, wij ervan mogen uitgaan dat strafrechtelijke handhaving zal plaatsvinden. Ziet de minister dat dilemma ook? Kortom, er moet een duidelijke rechtvaardiging zijn voor deze uitbreiding binnen het bestuursrecht.

Hoe vaak is artikel 174a van de Gemeentewet in de afgelopen jaren toegepast? Ik heb zelf de indruk dat er door het openbaar bestuur relatief weinig gebruik van is gemaakt. Hoe vaak is naar aanleiding van het gebruik hiervan sluiting van de desbetreffende woning of het desbetreffende lokaal met succes bij de rechter tegengegaan? Hoe vaak is het niet op basis van drugshandel, maar op basis van wapenhandel of prostitutie gebeurd? Hoe vaak blijkt er sprake te zijn van schijnwoningen en in hoe veel gevallen blijken deze woningen daadwerkelijk als woning gebruikt te worden?

Hoe vaak vindt illegale verkoop vanuit woningen plaats in verhouding tot illegale verkoop op straat, via 06-dealers of via horeca- en toonbankdealers? Wat is het aandeel van deze vorm van illegale handel? Er lijkt een redelijke kans te zijn dat de aanpak van verkooppunten in woningen of lokalen ertoe zal leiden dat de illegale handel sterker zal verschuiven naar straatverkopers en 06-dealers. Deelt de minister deze zorg? Het kan ertoe leiden dat de overlast en verloedering rond de verkoop van drugs op straat toenemen. Het rapport Cannabis zonder coffeeshops waarschuwt ervoor dat de vermenging van soft- en harddrugs over het algemeen het grootst is bij straatdealers en het kleinst bij thuisdealers. Die zorg zie ik graag meegenomen in het antwoord van de minister.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Ik probeer de lijn van uw betoog te volgen, maar ik raak het spoor een beetje bijster. Ik meen dat u begon met de opmerking dat u voor het wetsvoorstel was. Nu krijg ik echter de indruk dat u tegen bent. U stelt een groot aantal vragen en spreekt over de illegale verkoop. Het voorstel van de wet is er nu juist op gericht dat wij zicht krijgen op die illegale verkoop en kunnen ingrijpen. U doet net alsof wij het allemaal al weten, en daar gaat u de effectiviteit van het wetsvoorstel aan afmeten. Bent u voor of tegen het wetsvoorstel?

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Wat mij betreft is het noodzakelijk dat een wetsvoorstel uitgebreid en gedegen wordt behandeld in deze Kamer en dat daarbij alle vragen die te stellen zijn, waaronder kritische vragen, ook gesteld worden. Ik heb aangegeven dat mijn fractie de essentie van dit wetsvoorstel deelt, te weten de aanpak van illegale handel. Illegaal is illegaal, zeker als het tot overlast en verloedering leidt. Ik heb er nog wel een aantal vragen over, die uw fractie eigenlijk zou moeten delen. Het gaat namelijk niet alleen om de effectiviteit maar ook om de proportionaliteit en de legitimiteit van deze maatregel. Hoe beter wij hier het wetsvoorstel behandelen, hoe meer houvast de mensen in het veld hebben om het straks toe te passen.

De Raad van State wijst erop dat artikel 13b van de Opiumwet nadere waarborgen moet bevatten om te voldoen aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Daarom zou volgens de raad moeten worden opgenomen dat bestuursdwang onder meer kan bestaan uit tijdelijk verzegelen of het anderszins sluiten van de woning, het lokaal of het erf. In antwoord op de in de nota naar aanleiding van het verslag gestelde vraag waarom het kabinet deze zinvolle aanvulling niet overneemt, stelt het kabinet dat er al sprake is van een gefaseerde aanpak en dat er zal worden uitgegaan van proportionaliteit. Welnu, als er sprake is van een gefaseerde aanpak en van proportionaliteit, zou er mijns inziens niets op tegen kunnen zijn om die proportionaliteit in de wet te verankeren. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister.

Het zou nog zinvoller zijn als dit nieuwe kabinet terugkwam op de eerdere beslissing om het softdrugsbeleid op slot te houden. Veel van de problemen waarover wij het nu hebben, zeker als het gaat om de grensstreken waaraan het kabinet regelmatig refereert in de memorie van toelichting, zouden eerder gebaat zijn bij een realistischer drugsbeleid. Dit wetsvoorstel is direct voortgekomen uit de motie van de VVD destijds. Die lijn was heel duidelijk: aanpakken van illegale handel en tegelijkertijd ervoor zorgen dat de achterdeurproblematiek realistisch wordt aangepakt. Wij moeten af van de gedachte dat cannabis als manna uit de hemel in de schappen van de coffeeshops terechtkomt. GroenLinks gelooft niet zo in die wonderbare spijziging van de coffeeshopblowers. Het zou heel goed zijn als dit nieuwe kabinet de problemen aanpakt door niet de ogen te sluiten voor de achterdeur en door niet alleen uit te gaan van de veronderstelling dat het kwaad, zoals de ChristenUnie zei, uit de samenleving kan worden gebannen door een simpel verbod.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Ik vind het prima dat u allerlei complimenten uitdeelt aan de VVD maar volgens mij is het wel iets te veel eer om dit wetsvoorstel te koppelen aan het Manifest van Maastricht. Ik verzoek u nog eens goed te kijken naar de voorgeschiedenis van dit wetsvoorstel.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Volgens mij had het wel degelijk ook hiermee te maken en was er een heel duidelijk draagvlak voor de motie van de heer Weekers. Het had ook zeker te maken met het feit dat dit wetsvoorstel er moest komen. Destijds was er een duidelijke meerderheid in de Kamer die inzag dat je niet alleen maar de illegale drugshandel moest aanpakken maar dat er ook gezorgd moest worden voor een realistischer drugsbeleid op andere vlakken. Ik begrijp nu dat u denkt: pakken wat je pakken kunt, dit wetsvoorstel hebben wij binnen en de rest laten wij lopen. Ik hoop niet dat er een meerderheid is in deze Kamer die deze koers zal volgen.

De heer Van der Ham (D66):

Als een van de schrijvers van het manifest wijs ik erop dat het inderdaad complementair is; hard aanpakken wat illegaal is en ervoor zorgen dat de andere dingen ook goed geregeld worden. Anders zal het niet z'n effect hebben.

De heer Teeven (VVD):

Wij praten vandaag over het eerste gedeelte van het Manifest van Maastricht en daarmee is de VVD het van harte eens.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Oké. Daar ben ik dan heel blij om. Ik ben benieuwd naar de behandeling en de uitvoering van de rest.

De heer Teeven (VVD):

Daar praten wij vandaag niet over, want dat wilde u niet.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Ik ben in ieder geval benieuwd naar de lijn van de VVD in deze kabinetsperiode.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter. Ik woon graag in een buurt waar ik veilig kan wonen en werken. Helaas moet ik constateren dat voor heel veel mensen in Nederland nog geldt dat zij niet wonen in een dergelijke wijk. Veel wijken zijn nog te verloederd en hebben te maken met een hoge criminaliteit en met veel overlast. De PvdA-fractie zet zich dan ook hard in om criminaliteit en overlast in alle steden en alle dorpen tegen te gaan. Illegale onderverhuur, huisjesmelkerij en illegale wietteelt in woningen moeten aangepakt worden, juist om dat te bewerkstelligen. De aanpak van illegale verkoop van wiet, dan wel harddrugs hoort daar ook bij.

In het verleden is een aantal stappen gezet in wetgeving om dergelijke overlastgevende en criminele activiteiten aan te pakken. De Wet-Victoria is daar een voorbeeld van. Deze wet heeft echter als nadeel dat je aan moet kunnen tonen dat er sprake is van ernstige overlast. Gemeenten geven aan dat zij het moeilijk vinden om die clausule op alle punten hard te maken. De voorgestelde wijziging van de Opiumwet biedt een oplossing voor deze leemte. Omdat ik, en met mij de PvdA-fractie, van mening ben dat wij alles moeten doen om juist dit soort illegale praktijken in de kiem te smoren, ben ik dan ook van harte voorstander van deze wetgeving. Daar ga ik in mijn verdere verhaal ook helemaal geen afbreuk aan doen. Alles wat wij kunnen doen om illegale criminele activiteiten tegen te gaan en waarmee wij de wijken leefbaarder, veiliger en prettiger kunnen maken, moeten wij van harte ondersteunen. Dat wil niet zeggen dat het daarmee stopt, want natuurlijk moet je ook de illegale verkoop op straat aanpakken en moet je ervoor zorgen dat andere uitwassen van de drugsproblematiek worden aangepakt. Daar hebben wij het nu echter niet over. Wij hebben het nu over de Opiumwet en de wens om de illegale verkoop in woningen aan te pakken.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Ik stelde die vraag juist omdat er zorgen zijn dat als je de verkoop vanuit woningen aanpakt, de problemen verschuiven naar straathoeken en 06-dealers. Dat is een vorm van drugsverkoop die nog moeilijker aan te pakken is.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik vind dat een oneigenlijk argument. Je moet namelijk beide vormen aanpakken. Je moet niet het ene doen en het andere laten. Ik vind dat de illegale verkoop vanuit woningen moet worden aangepakt, maar daarnaast vraag ik het kabinet om ook de straatverkoop hard en stevig aan te blijven pakken. Ik denk niet dat wij dit element maar terzijde kunnen schuiven omdat wij een andere element zien. Wij moeten op beide punten inzetten, want er is een alternatief: de coffeeshop. Daarom ben ik ook zo'n warm voorstander van het openhouden van de coffeeshops.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Dat ben ik volledig met u eens. U heeft mij ook niet horen zeggen dat ik ervoor ben om illegale verkoop vanuit woningen te gedogen om op die manier de straatverkoop aan te pakken. Ik waarschuw echter wel voor dat waterbedeffect. Ik wil graag van de minister horen – ik neem aan dat dat ook voor u geldt – hoe hij dit denkt te voorkomen.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Dat waterbedeffect wil ik uiteraard ook niet. Ik zeg alleen dat dat geen reden is om deze wetswijziging niet door te laten gaan. Natuurlijk hoor ik ook graag van de minister welke aanvullende maatregelen hij zal nemen om de straatverkoop aan te pakken. Ik vind echter ook van belang dat de coffeeshops niet nodeloos worden ingedamd, zoals andere partijen in de Kamer wel graag zouden zien. Dan zou er namelijk geen goed alternatief meer zijn.

Ik heb nog enkele vragen, maar daarmee wil ik dit wetsvoorstel niet ondermijnen. Ik wil de minister vragen of hij nog in algemene bewoordingen in kan gaan op de vraag hoe men precies tot een aanwijzing komt dat er illegale verkoop plaatsvindt. Ik denk dat een aantal van de zorgen van aanwezige Kamerleden juist dat aspect betreffen. Het lijkt mij goed als de minister daarop ingaat. Ik vraag ook aandacht voor de rol van bewoners. Ik maak mij zorgen over mensen die zich in hun straat, wijk en buurt inzetten voor het tegengaan van illegale of criminele activiteiten. Helaas worden deze mensen daar wel eens de dupe van door straatterreur of intimidatie.

De heer Teeven (VVD):

Uw woorden zijn mij uit het hart gegrepen. Ik had het zelf niet beter kunnen zeggen. Kan de fractie van de PvdA ermee instemmen dat in artikel 13b, lid 1, het woord "geproduceerd" wordt toegevoegd na de woorden "verkocht, afgeleverd"? Daarmee worden alle dingen u aanroert, ondervangen, zoals illegale teelt in woonwijken. OM en gemeenten kunnen op grond van dit artikel zeer slagvaardig optreden.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Er zijn hierover al verschillende vragen aan de minister gesteld. Met name de wietteelt kan via andere artikelen worden aangepakt. Ik hoor graag de reactie van de minister op deze vragen alvorens hier verder op in te gaan.

Voorzitter. Het zal duidelijk zijn dat wij deze wetswijziging steunen.

De heer Van der Ham (D66):

Wij zijn ook positief over het wetsvoorstel. Wij willen echter graag weten wat het kabinet in dit kader nog meer wil doen, bijvoorbeeld ten aanzien van softdrugs. Staat u nog steeds achter het Manifest van Maastricht?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ja.

De heer Van der Ham (D66):

In het regeerakkoord staat dat er gedurende deze kabinetsperiode geen experimenten mogen worden gehouden. Daar zou ik nooit mijn handtekening onder hebben gezet, maar wat moet de minister volgens u wel doen om samen met de lokale overheden de achterdeurproblematiek te kunnen aanpakken?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

In elk geval moet voorkomen worden dat er en masse coffeeshops gesloten worden en ook een nulbeleid moet niet overal worden nagestreefd. Ik ben voorstander van preventie, van het voorkomen van uitwassen. Er moet toezicht zijn op het naleven van de grens van 18 jaar voor de verkoop in coffeeshops.

De heer Van der Ham (D66):

De aankomende vier jaar is er dus geen enkel overleg met lokale overheden over het aanpakken van de achterdeurproblematiek?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

U weet ook dat er duidelijk in het regeerakkoord staat dat er niet meteen wordt ingestemd met extra experimenten voor het legaliseren van dergelijke drugs. Dat betekent echter niet dat er niet wordt overlegd met lokale partijen. Wij zien ook wel dat de achterdeurproblematiek belemmering met zich brengt.

De heer Van der Ham (D66):

Hoe stelt u zich dat voor?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik ben bijvoorbeeld in overleg met de gemeente Tilburg. Als daar zinnige voorstellen uitkomen waarover wij in de coalitie overeenstemming kunnen bereiken, dan zullen die worden overgenomen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik hoorde u zeggen dat u wilt voorkomen dat coffeeshops massaal worden gesloten. Ik meen toch dat in het regeerakkoord staat dat coffeeshops in de buurt van scholen moeten worden gesloten en dat vestiging ervan in de grensstreek moeten worden tegengaan. Als coffeeshops zich niet aan de criteria houden, worden ze ook zonder pardon gesloten. Ik neem aan dat de PvdA-fractie daar volledig achter staat.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Inderdaad, maar ik heb gezegd dat wij er niet naar moeten streven om alle coffeeshops in Nederland klakkeloos te sluiten. Dan is er geen antwoord meer op de straatverkoop. Iets anders is dat ik in de nabijheid van een school geen coffeeshop wil zien. Het betekent ook niet dat ik wil dat alle 14-jarigen wiet kunnen aanschaffen.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Ik ben het ermee eens dat de coffeeshop het enige juiste alternatief is voor illegale verkoop. Wat vindt de PvdA van de plannen van de gemeente Den Haag om geen coffeeshops toe te staan binnen een straal van 500 meter van scholen? Dat betekent concreet dat er geen coffeeshops meer mogen zijn in Den Haag.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik ben geen voorstander van de strikte stelregel om binnen een straal van zoveel meter geen coffeeshops toe te staan. Ik vraag aan gemeenten om een duidelijk beleid te formuleren. Er moet goed gekeken worden welke coffeeshops gehandhaafd kunnen worden. De vraag is hoeveel er nodig zijn om de markt te voorzien. Gelukkig hebben de meeste gemeenten een duidelijk beleid ten aanzien van coffeeshops.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

De PvdA kan zich dus niet vinden in het CDA-voorstel om een strikte regel te hanteren voor coffeeshops in de buurt van scholen?

De voorzitter:

Wij spreken vandaag niet over het regeerakkoord. Ik adviseer mevrouw Kuiken om zich te beperken tot het onderwerp.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Er zijn verschillen van inzicht over de beste omgang met de coffeeshopproblematiek. Er zijn ook verschillen van inzicht over het wetsartikel. Gelukkig zijn wij het over de hoofdlijnen eens. Dat geldt ook voor wat er in het regeerakkoord staat.

De heer Van der Ham (D66):

Er zijn partijen in de Kamer die zeggen: one size fits all. De overheid moet nationaal voorschrijven hoe het moet gebeuren. De PvdA kiest voor een benadering van onderop. Dan mogen lokale overheden voor een groot deel de richting aangeven.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Je moet landelijk regelen wat moet en aan het lokale niveau overlaten wat kan. En over one size fits all gesproken: ik heb een andere maat dan de heer Van der Ham.

De heer Van der Ham (D66):

Die staat u overigens goed!

De heer Teeven (VVD):

Voorzitter. De VVD-fractie is een groot voorstander van een strenge aanpak van de drugscriminaliteit. Wij moedigen de inzet aan van het middel van bestuursdwang bij de aanpak van illegale verkooppunten van drugs in woningen en andere plaatsen. Een strenge aanpak van het probleem is dringend gewenst. De mailtjes van het Nationaal Actiecomité Drugsoverlast, van bewoners van Limburg en Zeeuws-Vlaanderen en van bewoners van de vier grote steden stromen dan ook binnen. Die hebben er last van. Een aanpak is ook dringend gewenst gezien de trend van professionalisering van de verkoop vanuit woningen en winkelpanden met een woningdeel binnen woonwijken. Het zijn steeds vaker professionele criminelen die anticiperen op wetgeving en voorkomen dat hen verstoring van de openbare orde ten laste kan worden gelegd. Om die reden kan de VVD-fractie instemmen met de voorgestelde wijziging van artikel 13b.

Onze fractie mist echter een woordje in artikel 13b, lid 1. Ik mis het woord "geproduceerd" achter de woorden: afgeleverd, verkocht, verstrekt. Daarmee wordt beoogd om de discrepantie weg te halen die bestaat tussen dealen en verkopen uit panden en het grootschalig en industrieel wiet telen in panden. Andere woordvoerders zeggen dat daarvoor een andere wet en een ander middel bestaan. Deze aanscherping van artikel 13b van de Opiumwet betekent echter dat er meer dan voorheen gecombineerd opgetreden moet worden door gemeenten en het Openbaar Ministerie. Meer dan voorheen zal er sprake moeten zijn van een strategische en gecombineerde aanpak.

De heer Van der Ham (D66):

In artikel 97 van de Woningwet staat dat het aangepakt kan worden. Wat is precies het probleem? U bent toch voor minder regels?

De heer Teeven (VVD):

Minder regels is prima, maar wij hebben het over één woordje. Die wetswijziging is bovendien niet zo groot. Dat ene woordje "geproduceerd" heeft een doel. Ik denk daarbij aan drugsoverlast en panden die worden ontruimd. Met dat ene woordje voorkomen wij de moeilijke weg via de Wet Victor en de Onteigeningswet, bijvoorbeeld bij het onteigenen van panden. Als het OM gaat vervolgen, dan is er ook de mogelijkheid om verbeurdverklaring te vragen. Een aantal leden heeft daar schriftelijke vragen over gesteld aan de minister. De minister heeft gezegd dat daar een andere weg voor is, bijvoorbeeld de Wet Victor en de Onteigeningswet. Als wij het woord geproduceerd opnemen, dan vatten wij de wietteelt in woonwijken ook onder dit artikel. Er is wetstechnisch niets dat zich daartegen verzet. Je krijgt dan ook geen enorme discrepantie tussen enerzijds wietteelt, waartegen je alleen langs bestuurlijke weg optreedt met de Woningwet, en anderzijds dealen, waarvoor het Wetboek van Strafvordering de middelen ter beschikking stelt. Op die manier voorkom je dat die panden snel gebruikt worden. Wij vinden beiden dat die panden niet gekraakt mogen worden. Wij vinden kraken niet goed en u vindt dat panden niet lang leeg mogen staan. Om die reden moet het woord "geproduceerd" erin.

De heer Van der Ham (D66):

Ik ben benieuwd wat het antwoord van de regering is.

De heer Teeven (VVD):

Daar ben ik ook benieuwd naar.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Volgens mij staat het woord produceren niet in de huidige wet.

De heer Teeven (VVD):

Dat klopt; dat staat er niet in. Ik wil dat toevoegen. Wij praten over een aanpassing van artikel 13b, lid 1 van de Opiumwet. Ik stel voor om het woord geproduceerd toe te voegen.

Mevrouw Joldersma (CDA):

Volgens mij komt het woord produceren helemaal niet voor in de Opiumwet.

De heer Teeven (VVD):

Het woord productie komt wel in andere artikelen van de Opiumwet voor. In het kader van dit wetsvoorstel is het van belang te kijken wat je na afloop met die panden doet. Je moet iets met panden die in gebruik zijn bij eigenaren. Bij huurders is het eenvoudig. Dan is mijn vraag aan de minister of hij zijn collega van Volkshuisvesting wil vragen om te kijken of corporaties die panden weer snel verhuren. Ik heb nog een vraag over panden die in eigendom zijn. Is de minister voornemens het OM te vragen om meer te vervolgen en panden te ontnemen? Die weg is moeilijk te volgen voor gemeenten.

De heer Anker (ChristenUnie):

Volgens mijn informatie worden in andere delen van de wet de termen verwerken, bewerken en bereiden gebruikt. Wat bedoelt u met de termen productie en produceren? Waarom gebruikt u die andere termen niet?

De heer Teeven (VVD):

Ik gebruik bewust niet de term bereiden. Die term wordt gebruikt in de artikelen 2 en 3, maar dan gaat het over ecstasylabs. Ik gebruik bewust de term productie. Er bestaan misverstanden over de vraag of het telen van wiet onder de term bereiden kan worden vervat. Wij hebben het over de productie van verdovende middelen. Volgens de huidige jurisprudentie valt het telen van wiet er dan wel onder. Ik hoor graag het standpunt van de minister.

Het gefaseerd optreden is al eerder aan de orde geweest. Op zichzelf is het goed dat wordt gekeken naar de rechten van woningbezitters in het kader van het EVRM. Stel dat in de praktijk al een aantal keren is geconstateerd dat er sprake is van het dealen van drugs in panden. Waarom moeten de gemeenten dan eerst waarschuwen? Wij zijn bang voor verleggingseffecten. Kan de minister daar iets over zeggen? Er staat niets over in de stukken. Hoe zit het met de verleggingseffecten als je te lang wacht met optreden? Verplaatst het zich dan niet naar een andere plek in een woonwijk?

In de wetswijziging wordt het woord "erf" gebruikt. Dit is in de jurisprudentie wel uitgewerkt, zeker in de strafrechtelijke jurisprudentie, maar hier gaat het om bestuursdwang. Ziet de minister in dit kader een erf als het erf waarop een woning of lokaal is gevestigd of ziet dit begrip ook op een erf dat niet direct is geschakeld met de woning of het lokaal maar dat wel toebehoort aan dezelfde huurder of eigenaar? Met andere woorden: is het begrip "erf" een civielrechtelijk begrip dat moet worden gekoppeld aan de woning of het lokaal dat op het erf staat of ziet de minister het begrip "erf" ook als terreinen waar loodsjes of spullen op staan die niet direct gekoppeld zijn aan de woning waar de huurder of de eigenaar in zit? Zo wordt het wel in de binnenstad gehanteerd bij het ontruimen van wietpanden

Ik zal niet uitgebreid ingaan op paddo's en qat, maar ik vraag wel wat de politie of de gemeenten in het kader van deze wetgeving kunnen doen als er vanuit een woning bijvoorbeeld qat wordt verkocht. Zo is er in Uithoorn sprake van grote overlast, maar de burgemeester zegt dat hij niet kan optreden omdat qat niet op de lijst van de Opiumwet voorkomt. Vanuit die invalshoek vraag ik de minister wat er nu moet worden verstaan onder een middel als vermeld op lijst I in artikel 13b, lid 1? Horen paddo's en qat daar niet in thuis? Overigens zeg ik in de richting van de heer Van der Ham dat ik mij heb vergist. Ik heb tijdens een interruptie gezegd dat de burgemeester van Uithoorn van D66-huize is, maar hij is van GroenLinks-huize.

De heer De Wit (SP):

In het wetsvoorstel wordt juist niet gesproken over erven die liggen bij of nabij of wat dan ook, maar over erven behorende bij. Met enige goede wil zou je dus kunnen zeggen dat het niet uitmaakt waar de erven liggen als zij maar behoren bij een woning.

De heer Teeven (VVD):

Ik ben het eens met de heer De Wit dat het zo zal kunnen zijn en dat wij dit met enige goede wil in het wetsvoorstel kunnen lezen, maar de mensen die er in de praktijk mee aan het werk moeten, zullen ongetwijfeld met verweer op dit punt worden geconfronteerd. Daarom vind ik het goed dat dit in de Handelingen wordt opgenomen en dat de minister nadrukkelijk zijn standpunt geeft. Bij de toepassing van de bestuursdwang kan hierover dan geen onduidelijkheid bestaan.

De heer Van der Ham (D66):

Een van de mogelijkheden om overlast door de verkoop van qat of paddo's tegen te gaan, is door ze onder de softdrugs te scharen. Je kunt dan dezelfde eisen stellen. Dit zou toch een uitweg zijn? Dat het ongereguleerd is, is geen goede zaak, daar zullen de heer Teeven en ik het over eens zijn. Waarom brengen wij die middelen dan niet onder de regels voor softdrugs?

De heer Teeven (VVD):

Ik ga graag buiten de orde van dit debat om de heer Van der Ham te beantwoorden. Ik ben van mening dat paddo's harddrugs zijn en dat de stoffen die erin zitten, een harddrug zijn. Paddo's hebben effecten als harddrugs en lsd. De voorschriften dat mensen altijd in het gezelschap van een ander moeten zijn, in een veilige omgeving moeten verkeren en niet te hoog in een gebouw mogen verblijven als zij paddo's gebruiken, althans de stoffen die in paddo's zitten, horen bij een harddrug. Ook het feit dat zij niet verslavend zijn, maar als een tranquillizer werken die rare effecten teweeg kan brengen, is voor mijn fractie voldoende om paddo's op lijst I van de Opiumwet te handhaven. Het zijn harddrugs die je vooral niet op lijst II moet zetten. Paddo's moeten gewoon verboden worden.

Deelt de minister het standpunt van de VVD-fractie dat artikel 13b en het optreden van de bestuursdwang in het kader van artikel 13b niet zijn gekoppeld aan het begrip overlast? Ook al is er geen sprake van overlast in een woonwijk, maar gebeurt er in een pand wel wat wordt beschreven in de wetswijziging die thans voorligt, dan zou er toch met bestuursdwang moeten kunnen worden opgetreden? Het begrip overlast is geen grond voor de gemeenten om op te treden. Deze vraag aan de minister is gebaseerd op de wetsgeschiedenis van het oorspronkelijke artikel 13b oud waarin nadrukkelijk staat dat het ook zonder overlast kan worden toegepast. Artikel 13b kon juist worden toegepast door gemeenten die kiezen voor de nuloptie, dus voor helemaal geen coffeeshops. Oorspronkelijk was artikel 13b bedoeld om op te treden tegen coffeeshops. Gemeenten die ervoor kozen om geen coffeeshops toe te staan, ook als deze geen overlast veroorzaakten, konden op grond van artikel 13b toch optreden.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Ik begrijp de vraag van de heer Teeven enerzijds wel maar anderzijds niet. Burgemeesters kunnen wel degelijk optreden, tenzij zij dat niet willen, wat ook mogelijk is in de nieuwe situatie aan de hand van artikel 13b. Verstoring van de openbare orde en overlast zijn aan de orde omdat dat de gronden zijn voor het aanpakken aan de hand van artikel 174a. Het gaat dus om twee verschillende dingen. Wat wij vandaag bespreken, is complementair aan de Gemeentewet.

De heer Teeven (VVD):

Ik heb hetgeen de minister daarover geschreven heeft ook gelezen. Ik haak echter op een ander punt aan. Artikel 13b oud van de Opiumwet wordt gewijzigd. In de totstandkoming van dat artikel was het begrip "overlast" geen punt. Mijn fractie is het zeer eens met de wetswijziging en begrijpt dat de dossiervorming met betrekking tot de openbare orde een probleem is. Ook al is er geen sprake van overlast in een woonwijk moet er echter wel worden opgetreden tegen een woning van waaruit wordt verkocht en gedeald, gelet op de wetsgeschiedenis. Deelt de minister het standpunt dat overlast geen voorwaarde is? Dat heeft niets te maken met de openbare orde en het opbouwen van het dossier. Ik hanteer een andere invalshoek.

De voorzitter:

Ik verzoek de leden om te stoppen met interrumperen. Er volgt immers nog een tweede termijn. Ik sta nog een korte vraag toe aan de leden Azough en Van der Ham, waarna de Kamer haar eerste termijn kan afronden.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Ik maak slechts nog een opmerking. Het is volgens mij juist de crux van het wetsvoorstel dat vandaag voorligt dat verstoring van Teevende openbare orde en overlast geen grond meer hoeven te zijn voor het overgaan tot aanpakken.

De heer Van der Ham (D66):

Die opmerking maakte ik ook. Harddrugsverkoop wordt op zichzelf al als verstoring van de openbare orde beschouwd. Het gaat nu puur om softdrugs, toch?

De heer Teeven (VVD):

Ja. De vragen die ik de minister stel, gaan over coffeeshops in de oorspronkelijke vorm van het wetsvoorstel. Laat ik het nog één keer zeggen. Als vanuit een pand softdrugs worden gedeald of verkocht en er geen verstoring van de openbare orde is of overlast voor de bewoners, kan er dan toch worden opgetreden? Ik wil duidelijk horen, juist voor de gemeenten die ermee aan het werk moeten, dat het overlastbegrip, ongeacht of bewoners erover klagen – als zij er wel over klagen, moeten gemeenten heel snel optreden – geen rol speelt bij het besluit om op te treden. Op dat punt hoor ik graag de mening van de minister.

Ik hoor graag van de minister of hij van mening is dat optreden met bestuursdwang in het kader van het nieuwe artikel gepaard moet gaan met in te stellen vervolging. Is hij voornemens om met betrekking tot het Openbaar Ministerie aanwijzingen te geven tot het instellen van vervolging? Op die manier wordt voorkomen dat gemeenten optreden zonder een strafrechtelijke follow-up. Deze vraag stel ik in relatie tot mijn eerdere vraag over wat er met die panden gebeurt. Als een gemeente geen mogelijkheid ziet om te onteigenen, heeft het Openbaar Ministerie dan wellicht mogelijkheden om verbeurd te verklaren?

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik ga zo schorsen voor de lunchpauze. Na de schorsing beginnen wij met de regeling van werkzaamheden. Aansluitend zal de minister antwoorden in eerste termijn. Mij is gemeld dat er vandaag wellicht nog een VAO zal worden aangevraagd naar aanleiding van het algemeen overleg over OESO/DAC van vanmiddag, omdat er vandaag moet worden gestemd over eventuele moties in verband met Europees beraad. Daarom stel ik voor om alle VAO's rond 16.00 uur te houden, desnoods met onderbreking van de agenda, en aansluitend te stemmen.

De heer De Wit (SP):

Voorzitter. Ik zit met het probleem dat om 14.15 uur een algemeen overleg plaatsvindt over vreemdelingen- en asielzaken. Het betreft een voortzetting van een algemeen overleg van vorige week, namelijk de beantwoording van de staatssecretaris en de tweede termijn van de Kamer. Dat algemeen overleg duurt van 14.15 uur tot 17.15 uur. Wilt u dit debat afmaken vandaag of is het de bedoeling dat alleen de beantwoording in eerste termijn van de minister nog volgt?

De voorzitter:

Het was mijn voornemen om het debat af te maken.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Ik begrijp uw voornemen, maar ik heb hetzelfde probleem als de heer De Wit. Het betreft een heel belangrijk algemeen overleg waarin een aantal essentiële antwoorden moet worden gegeven. Dat kan ik eigenlijk niet missen.

De voorzitter:

Ik stel voor om even te overleggen in de lunchpauze.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt van 12.27 uur tot 13.10 uur geschorst.

De voorzitter:

De ontvangen brieven en wetsvoorstellen staan op een lijst die op de tafel van de griffier ligt. Op die lijst staan voorstellen over hoe de Kamer deze stukken kan gaan behandelen. Als aan het einde van de vergadering geen bezwaar is gemaakt tegen deze voorstellen, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

Naar boven