Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 51, pagina 3020-3023

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 15 maart 2007 over het Toewijzingsplan broeikasgasemissierechten.

Mevrouw Neppérus (VVD):

Voorzitter. De verdeling van CO2-emissierechten is een belangrijk onderwerp. Nederland had een allocatieplan gemaakt voor de CO2-emissierechten, maar de Commissie heeft dat afgewezen. Inmiddels ligt er een conceptreactie van het Nederlandse kabinet. Ik zeg er wel bij dat Nederland niet het enige land was waar het mis ging, want eigenlijk kregen alle landen ongelijk. Op zichzelf genomen kan de VVD-fractie zich een allocatieplan binnen de Europese Unie goed voorstellen. Wel zullen wij blijven zeggen dat de zaak van de CO2 niet alleen een Europees probleem is, maar een mondiale zaak. Een grotere rol voor Europa is belangrijk, maar Europa kan het niet alleen. De reactie van het kabinet tegenover Brussel is tegemoetkomend. Ik mij daar iets bij voorstellen, maar mijn fractie vraagt zich wel af of de andere landen waarvan de plannen zijn afgewezen ook zo tegemoetkomend zijn. Is daarover contact geweest?

Eén punt in de conceptreactie is voor ons niet verteerbaar, namelijk de aanpak van de kleine installaties. De kleine installaties dragen maar beperkt bij tot de emissie van CO2, en het hele emissiesysteem zou hun daarom een onevenredig hoge last opleggen. Het kabinet zegt het met die redenering eens te zijn, maar accepteert vervolgens toch de uitspraak van de Commissie, al wil men het punt van die kleine installaties bij de herziening aan de orde stellen. Wij denken dat het beter is om nu actie te ondernemen en willen daarom de Commissie juridisch onder druk zetten; dat pleegt nog wel eens te helpen. Dit kan door bezwaar aan te tekenen bij de Commissie voordat over een paar dagen de termijn verloopt. Mede namens de heer Madlener dien ik daarom de volgende motie in.

De NeppérusKamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Europese Commissie (de Commissie) in haar beschikking over het Nationaal Toewijzingsplan Broeikasgasemissierechten 2008-2012 heeft aangegeven dat de lijst met deelnemende installaties niet compleet is, omdat kleine installaties ontbreken;

overwegende dat de Commissie hiermee de Nederlandse aanpak afwijst om kleine installaties uit te sluiten van het emissiehandelssysteem;

overwegende dat de bijdrage van de kleine installaties aan de CO2-emissies gering is en dat de administratieve lasten die het systeem met zich meebrengt, voor deze installaties in verhouding fors zijn;

overwegende dat de Nederlandse regering tot 26 maart 2007 de gelegenheid heeft om tegen het oordeel van de Commissie in beroep te gaan;

verzoekt de regering, voor 26 maart 2007 bezwaar aan te tekenen tegen het oordeel van de Commissie en te bewerkstelligen dat installaties tot 3 MW volledig buiten het systeem van emissiehandel vallen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Neppérus en Madlener. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 74(28240).

De heer Madlener (PVV):

Voorzitter. Ik heb een motie die nog iets verder gaat. Het hele klimaatbeleid is natuurlijk een hot issue en zal dat ook blijven in de komende jaren. De EU probeert nu afspraken te maken. Dat is een rijdende trein die voort dendert. Het gaat, wat ons betreft, iets te snel. Wij streven naar een level playing field voor het bedrijfsleven, maar moeten vaststellen dat het klimaatprobleem een wereldwijd probleem is en dat veel bedrijven een wereldwijde speler zijn. Wij hebben een globaliserende economie, en niet alleen grote bedrijven, maar ook kleinere bedrijven hebben te concurreren met andere landen, ook buiten Europa. Omdat wij ons zorgen maken over het welvaartsverlies dat in Nederland optreedt, terwijl dat volgens ons niet bij zal dragen aan een oplossing van het klimaatprobleem, heb ik de volgende motie voorbereid.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de menselijke invloed op het klimaat nog onvoldoende is aangetoond;

overwegende dat het broeikaseffect een wereldwijd probleem kan worden, waar alleen wereldwijde maatregelen enig effect op zullen kunnen sorteren;

overwegende dat het systeem van emissiehandel dat in Europees verband wordt ingevoerd zeer nadelige gevolgen heeft voor het bedrijfsleven;

verzoekt de regering, bij de voortgangsonderhandelingen met de Europese lidstaten over het klimaatbeleid na 2012 geen bindende afspraken te maken welke verder gaan dan het klimaatbeleid van de G8 alsmede Brazilië, China en Rusland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Madlener. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 75(28240).

Minister Van der Hoeven:

Voorzitter. Mevrouw Cramer en ik hebben een werkverdeling afgesproken. Mevrouw Cramer zal ingaan op de motie van de heer Madlener en ik zal ingaan op de motie van mevrouw Neppérus.

Wij hebben vorige week uitvoerig gesproken over het CO2-toewijzingsplan. Ik hoop dus ook dat wij vandaag die discussie kunnen afronden. Ik vind het fijn dat wij daar vandaag over kunnen spreken in dit VAO. Als wij dat volgende week hadden moeten doen, zou het inderdaad problematisch zijn geworden, gelet op de datum die daarvoor staat.

Ik ben blij met de opmerkingen van mevrouw Neppérus dat de VVD-fractie in principe akkoord is met het toewijzingsplan en dat CO2 niet alleen een landelijk probleem is, maar een wereldwijd probleem en dat je het dus ook wereldwijd moet aanpakken, maar – ik heb heel goed naar mevrouw Neppérus geluisterd – dat ontslaat ons ook in Europees verband niet van de verplichting, te doen wat ons deel van het arrangement is. Het is heel goed dat zij dat ook zo uitgesproken heeft, dus mijn dank daarvoor.

Dan kom ik op de motie. Mevrouw Neppérus vraagt ons eigenlijk om in beroep te gaan tegen het oordeel van de Commissie, bezwaar aan te tekenen tegen het oordeel van de Commissie en te bewerkstelligen dat installaties tot drie megawatt volledig buiten het systeem van de emissiehandel vallen. Ik vind het jammer dat de Commissie niet akkoord is gegaan met ons voorstel. In beroep gaan heeft heel weinig zin, zoals wij ook al hebben besproken tijdens het algemeen overleg. Het duurt lang en het heeft geen opschortende werking. Dit betekent dat wij de kleine installaties gewoon moeten meenemen in het handelssysteem. Wij kunnen de situatie krijgen dat zij eerst wel moeten meedoen en dat later zal blijken dat dat niet hoefde, gesteld dat wij deze zaak zouden winnen. Daarop zitten wij natuurlijk niet te wachten. Alleen een lidstaat kan in beroep gaan, afzonderlijke partijen kunnen dat niet. Dat is ook de achtergrond van het feit dat deze motie er nu ligt.

Alles overwegende, ook met betrekking tot de oplossing die is gevonden, moeten wij de aanneming van deze motie ontraden, omdat het beroep geen opschortende werking heeft. Wel zal ik, zoals ik al eerder heb toegezegd, bij de herziening van de Richtlijn emissiehandel opnieuw de positie van de kleine installaties aan de orde stellen, omdat dit ook voor ons een aangelegen punt is.

Mevrouw Neppérus (VVD):

Ik vind het een goede zaak dat de minister de zaak aan de orde wil stellen in nader overleg. Daarover zijn wij het eens. Toch blijft de VVD erbij dat men door beroep aan te tekenen druk uitoefent op de zaak. De minister had ook om een kort geding kunnen vragen. Ik meen dan ook dat wij van mening blijven verschillen. Wij zouden toch graag meer druk hebben gezien. Een juridisch bezwaar wil beslist wel eens helpen. Dat zou ik hier van belang vinden.

Minister Van der Hoeven:

Nederland heeft er niet voor gekozen om een spoedvoorziening aan te vragen. Daarvan is in de motie ook geen sprake. Daarin wordt gesproken van bezwaar aantekenen tegen het oordeel van de Commissie. Het gaat erom hoe de Kamer uiteindelijk zal stemmen. Ik ontraad de aanneming van de motie omdat wij mensen daarmee iets voorhouden wat niet reëel is. Ik vind dat wij dat niet moeten doen.

Mevrouw Neppérus (VVD):

Dan blijven wij hierover van mening verschillen. Als het de minister erom zou gaan om spoedeisendheid in de motie opgenomen te krijgen, zou ik zonder meer bereid zijn tot aanpassing ervan.

Minister Van der Hoeven:

Aan de eis van rechtmatigheid moet worden voldaan. De spoedmaatregel mag niet vooruitlopen op het hoofdgeding. Men moet echt op het eerste gezicht gelijk hebben. Dit hebben wij al gewisseld in het algemeen overleg hierover. Het is onze inschatting dat dit niet het geval is.

De heer Madlener (PVV):

Naar mijn mening klopt er iets niet in de redenering van de minister. Misschien kan zij mij overtuigen. Zij geeft aan het niet verstandig te vinden om in beroep te gaan omdat wij de kleine installaties een worst zouden voorhouden en omdat een beroep geen opschortende werking heeft. Vandaar dat wij nu iets invoeren wat straks weer wordt gewijzigd. Verder geeft de minister aan dat zij bij de volgende voortgangsonderhandelingen opnieuw over dit punt zal gaan praten, terwijl zij daarvoor zei dat zij er niets meer aan kan doen. Kan zij dit uitleggen?

Minister Van der Hoeven:

Wij spreken hier over het toewijzingsplan 2008-2012. Daarvoor worden nu de regels vastgesteld, inclusief de positie van de kleine installaties. Die afspraken gelden echter niet voor eeuwig. Wanneer de richtlijn wordt herzien en wanneer wij gaan praten over het nieuwe toewijzingsplan, ontstaat er een nieuwe situatie. Dat is ook de achtergrond van mijn opmerking dat ik dan opnieuw over kleine installaties zal praten, omdat ik inhoudelijk wel degelijk uw probleem zie. Dat is ook precies de reden geweest waarom Nederland in eerste instantie een ander voorstel had ingediend voor de kleine installaties. Daarbij zijn wij echter teruggefloten.

De heer Madlener (PVV):

Dus als de motie met succes leidt tot het aanvechten van dit besluit en de kleine installaties wellicht kortere tijd te maken krijgen met deze maatregel, vindt u dat niet acceptabel. Als uw onderhandelingen na 2012 leiden tot resultaat, waarbij kleine installaties te maken hebben met een periode van vier jaar, vindt u dat wel acceptabel.

Minister Van der Hoeven:

Nee, dit is geen juiste voorstelling van zaken. Nu gaat het om het toewijzingsplan 2008-2012. Als wij daartegen in beroep willen gaan, heeft dat beroep geen opschortende werking. Dat betekent dus dat de maatregel gewoon in gang wordt gezet en dat wij afhankelijk van de uitkomst eventueel iets moeten terugdraaien. Ik heb al gezegd waarom een spoedeisende aanpak weinig zin heeft. Wij hebben namelijk onvoldoende sterke argumenten. Dan moet je zoiets niet doen. Dat neemt niet weg dat wij ervoor moeten zorgen dat er in een volgende periode, waarin nieuwe afspraken moeten worden gemaakt, er ook andere afspraken kúnnen worden gemaakt. Daarom vind ik dat wij het zo moeten doen als is voorgesteld. In een volgende periode moeten wij dit, en zeker de kleine installaties die een belangrijk onderdeel van het gehele traject vormen, daarom opnieuw aan de orde stellen.

Minister Cramer:

Voorzitter. Ik ga in op de tweede motie, die van de heer Madlener. Ik ben het eens met wat hij en mevrouw Neppérus zeggen over het broeikasprobleem als een internationaal vraagstuk; daarover verschillen wij niet van mening. Toch ontraad ik het aannemen van de motie-Madlener. Ik heb daarvoor de volgende redenen.

De heer Madlener begon zijn verhaal met de stelling dat klimaat een "hot issue" is. Je kunt dat ook letterlijk opvatten; de opwarming van de aarde is inderdaad een probleem. Er zijn heel veel deskundigen die zich met dit vraagstuk bezighouden. Een zeer grote meerderheid van hen – wij spreken dan over 98% of 99% – meent dat het broeikasvraagstuk te maken heeft met menselijk handelen. Er bestaat een heel kleine minderheid die dit aanvecht. Ik ben graag bereid hierover buiten de Kamer verder te discussiëren met de heer Madlener. Ik zou er zelfs een technische briefing over kunnen organiseren. Het is mijn overtuiging, ook op grond van alle informatie die ik van deskundigen krijg aangereikt, dat het broeikasvraagstuk een heel serieus probleem is.

De tweede reden waarom ik het aannemen van de motie ontraad, heeft betrekking op het level playing field. Ook op dit punt ben ik het met de heer Madlener en mevrouw Neppérus eens als zij zeggen dat dit level playing field essentieel is. Juist dáárom ben ik zeer content met de uitkomst van het overleg in Brussel. Er wordt nu in ieder geval door gezamenlijk op te trekken voor gezorgd dat er op EU-niveau een level playing field komt. De EU komt met doelstellingen die zeer nauw aansluiten bij het regeerakkoord. Ik zie dit als een steun in de rug. Hierdoor hoef ik het in de gesprekken met het bedrijfsleven immers niet alleen te hebben over Nederland en over een alleingang van Nederland, maar kunnen wij het hebben over een gezamenlijke aanpak.

De EU is echter niet gelijk aan de hele wereld. De indieners van de motie vinden dat eigenlijk de hele wereld moet meegaan in de maatregelen. Dat punt is in Brussel tijdens de onderhandelingen ter sprake gekomen. Op grond daarvan is afgesproken dat de EU gaat afstevenen op 20% CO2-reductie, tenzij ook de andere landen van de wereld bereid zijn zich in te zetten. In dat geval is de EU bereid een tandje harder te gaan lopen en af te stevenen op 30% reductie. Er is in de onderhandelingen dus al rekening gehouden met het meegaan met de ontwikkelingen in de rest van de wereld. Het voorkomen van een te grote alleingang van Europa zit dus al verwerkt in de resultaten van de onderhandelingen. Het doel is juist, te bezien hoe wij de andere landen van de wereld mee kunnen krijgen in dit proces. Daarbij hebben wij uiteraard in het kader van allerlei regelingen, zoals Joint Implementation en het clean development program, mogelijkheden om samen op te trekken met ontwikkelingslanden en het voormalige Oost-Europa.

Er is dus al veel in gang gezet om ervoor te zorgen dat wat de heer Madlener met zijn motie beoogt, ook gerealiseerd wordt. Wij moeten echter érgens beginnen. Als wij wachten tot iedereen uiteindelijk een stap heeft gezet zijn wij, als het eindelijk zo ver is, in Nederland waarschijnlijk al in de problemen gekomen met het houden van droge voeten. Dat is niet de bedoeling.

Dan iets over het welvaartsverlies. Dat is een kwestie waarmee wij rekening moeten houden in het kader van het level playing field, maar het broeikasvraagstuk is volgens mij een blijvend vraagstuk. Als je daar nu in investeert, positioneer je je alvast op een goede manier op het speelveld, ook met het oog op de toekomst. Met die technologische voorsprong kun je vervolgens een enorme bijdrage leveren in de wereld. Dat levert winst op en geen verlies. Door deze gezamenlijke EU-aanpak kunnen wij in de wereld economisch een positieve rol spelen, met name door het sterk inzetten op innovatie.

De heer Madlener (PVV):

De minister geeft aan dat ongeveer 98% van de wetenschappers het erover eens is dat de mens wel degelijk grote invloed uitoefent op het klimaat en dat die invloed leidt tot een opwarming van de aarde, die weer ongewenst is. De wetenschappers waren er eeuwen geleden in grote meerderheid van overtuigd dat de aarde plat was en dat de zon om de aarde draaide. Wij vinden daarom dat wat de klimaatsceptici aangeven niet moet worden onderschat. Er is daarnaast nog niets aangetoond, maar de wetenschap moet zaken aantonen. In dat kader hebben wij over klimaathysterie gesproken, want er is wel degelijk sprake van veel tegenkrachten, ook in wetenschappelijke kring. Dat krijgt onvoldoende aandacht.

Het betoog van de minister over het level playing field kan ik bijna onderschrijven, maar ik wil nog wel iets opmerken over de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen in Europees verband. Ik beluister altijd dat Nederland in Europa voorop moet lopen en dat Europa voorop moet lopen in de wereld. In deze motie wordt beoogd dat wij die stap samen zetten of niet. Dat is een accentverschil en daarom handhaaf ik mijn motie, waarin ik de Kamer verzoek de minister te ondersteunen bij haar inzet voor de verdere onderhandelingen in Europees verband.

Minister Cramer:

Er is altijd sprake van een afweging. In hoeverre zorg je ervoor dat iedereen meekomt? In hoeverre steek je je nek uit? Dat is in het bedrijfsleven precies hetzelfde. Ondernemers wegen ook af of zij voor een bepaalde voorsprong gaan, voordat de anderen meegaan. In wezen gaat het hier om hetzelfde spel. De inschatting van Nederland is dat het probleem zo serieus is dat wij geen rol in de achterhoede willen spelen. Wij moeten wat dit betreft proactief handelen. Daarom kiezen wij bij de onderhandelingen voor een realistische en haalbare inbreng, zonder de indruk te wekken dat wij het probleem bagatelliseren. Integendeel, wij pakken de kwestie op en wij gaan er met zijn allen voor. Dat is volgens mij in deze situatie goed gelukt.

Mevrouw Neppérus (VVD):

Voorzitter. Naast de klimaatsdiscussie speelt voor mijn fractie ook het opraken van de fossiele brandstoffen. Daarbij speelt de mondiale aanpak een rol. Ik neem aan dat wij binnenkort gaan spreken over welke stappen de minister wat dat betreft wil nemen. Dat blijft voor ons een essentieel onderdeel.

Minister Cramer:

In het kader van het Project schoon en zuinig kom ik binnenkort met een plan. Ik bereid dat samen met mijn collega voor. De genoemde aspecten worden daarin meegenomen.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor om aansluitend over de ingediende moties te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Wij gaan nu over tot de stemming over beide moties.

In stemming komt de motie-Neppérus/Madlener (28240, nr. 74).

De voorzitter:

Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de VVD en de PVV voor deze motie hebben gestemd en die van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Madlener (28240, nr. 75).

De voorzitter:

Ik constateer dat de aanwezige leden van de fractie van de PVV voor deze motie hebben gestemd en die van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

De vergadering wordt van 14.36 uur tot 16.00 uur geschorst.