Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-2000nr. 40, pagina 3036-3084

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001) (26727);

het wetsvoorstel Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (26728).

(Zie het wetgevingsoverleg van 17 en 21 januari 2000.)

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Reitsma (CDA):

Mevrouw de voorzitter! Vandaag behandelen wij de belastingherziening van Zalm en Vermeend, zoals het in de volksmond heet. De CDA-fractie constateert dat wij tot nu toe, in de schriftelijke ronde, belangrijke punten hebben binnengehaald. Dat is prima. Wij vinden een aantal grondgedachten van dit plan ook wel goed. Het is echter niet ons plan. Wij hebben andere opvattingen over belasting heffen bij huishoudens en vermogens en wij hebben een andere visie op lastenverlichting en werkgelegenheid. Op belangrijke onderdelen gaat, wat ons betreft, dit plan niet ver genoeg. Wij hebben niet de illusie dat dit belastingplan de 21ste eeuw aankan. Daarbij denk ik aan de nog steeds hoge tarieven in de inkomstenbelasting, aan het hele ICT-gebeuren en met name aan de Europese context.

Bijna niets is zo materieel als belastingheffing. Belastingheffing betreft namelijk geld: geld voor de overheid en geld van de burger. Wij vinden dat daar dus zorgvuldig mee omgesprongen moet worden. Toch moeten wij ons niet blindstaren op alleen dat geld, zo leert ons het boek Spreuken. Ik citeer: "Maak u niet moe om rijk te worden en houdt er mee op, uw verstand daartoe te gebruiken. Gij richt uw oog op de rijkdom en hij is verdwenen: hij maakt zich vleugels en als een adelaar vliegt hij Hemelwaarts". (Spreuken 23: 4-5, Willibrordvertaling). Ik vind dit een aardig citaat als je het hebt over belasting heffen en waar ik nu heen wil.

De CDA-fractie wil daarom meer aandacht voor de immateriële kanten van de belastingherziening, de verdeling van arbeid en zorg bijvoorbeeld, toekomstgerichtheid, zorg voor de ouderen en de vergroening. Het kabinet hecht daar blijkbaar wat minder aan. De doelstellingen van het kabinet ademen de sfeer van geld, inkomen en betaalde arbeid: de verbreding en versterking van de belastinggrondslag, het bevorderen van de werkgelegenheid en de economische structuur, het versterken van de concurrentiekracht van Nederland en de verlaging van de lastendruk op arbeid. De CDA-fractie betreurt het dat ook in de uitvoering van deze doelstellingen pragmatiek en materialisme de boventoon blijven voeren. Er zijn ook andere waarden in het leven.

Ik wil eerst uit de doeken doen wat de CDA-houding is als wij het over belastingen hebben. De CDA-fractie heeft de voorstellen van het kabinet tegen het licht en tegen de eigen uitgangspunten gehouden. Wij zijn daarbij van de volgende grondgedachten uitgegaan.

Voor de CDA-fractie is het van wezenlijk belang dat een nieuw belastingstelsel rekening houdt met het feit dat mensen leven in gezins-, in huishoudensverband of in ieder geval in samenlevingsverband. De CDA-fractie spreekt in dat kader over gezins- of huishoudensdraagkracht.

In het verlengde hiervan is het voor de CDA-fractie van belang dat bij de bepaling van de belastingdruk zorgtaken gewaardeerd en betrokken worden en dat het belastingsysteem de waarde van onbetaald werk en sociale contacten onderkent.

Met het oog op het draagkrachtbeginsel zien wij een belangrijke rol weggelegd voor het principe van lastenmaximering, met name met betrekking tot de kosten van zorg, onderwijs en wonen. Deze lastenmaximering is een instrument dat bij uitstek geschikt is om rekening te houden met de financiële positie van huishoudens en zo armoedevallen te vermijden.

Mijn vierde uitgangspunt is dat er in een belastingsstelsel aandacht voor de toekomst is. Dit betekent niet alleen dat het een tijd mee moet kunnen, dat het bestand moet zijn tegen de tand des tijds. Dit betekent ook dat de mensen door het belastingstelsel worden aangemoedigd om te sparen, al dan niet voor hun oude dag, en dat de gemeenschapszin wordt bevorderd.

Het vijfde uitgangspunt is voor ons dat budgettair gezien de maatvoering van de lastenverlichting – of, liever gezegd, de smeerolie – in lijn zijn met het doel en de economische achtergrond daarvan. Budgettair gezien moet er nu met kracht gewerkt worden aan reductie van de staatsschuld. Dit kan ook, want in de huidige omstandigheden moet worden betwijfeld of extra lastenverlichting als werkgelegenheidsinstrument noodzakelijk is. Extra lastenverlichting werkt in een gunstig economisch klimaat, zoals nu heerst, gemakkelijk inflatoir.

Ten zesde. Bovendien moet de procedurele gang van het wetsvoorstel helder en zorgvuldig zijn. Dit betekent dat het met de nodige rust de parlementaire behandeling moet kunnen doorstaan en dat maatschappelijke organisaties de tijd gegund wordt op de voorstellen te reageren.

En ten slotte geldt voor ons dat het systeem zelf helder moet zijn en dat instrumentalisme zoveel mogelijk bestreden dient te worden.

Mevrouw De Vries (VVD):

Voorzitter! Hoeveel lastenverlichting zou de CDA-fractie willen?

De heer Reitsma (CDA):

Daar kom ik nog uitgebreid op terug.

Voorzitter! Met deze uitgangspunten in gedachten heeft de CDA-fractie de herziening van het belastingstelsel tegen het licht gehouden. Op zichzelf hebben wij altijd positief tegenover een herziening gestaan; dat hebben wij bij de behandeling van de verkenning ook al naar voren gebracht. De oude inkomstenbelasting was versleten, bijvoorbeeld als het ging om inkomsten uit vermogen. Zo'n herziening mag wat ons betreft ook best grondig zijn. Wij moeten niet bang zijn voor iets nieuws, als het er maar beter op wordt. De vraag is of de Nederlandse burger van deze herziening zoveel beter wordt. Materieel gezien gaat iedereen erop vooruit, maar wel onder de voorwaarde dat men werkt, werkt, werkt en nog eens werkt. Betaald werk, wel te verstaan. Wat doen wij met zorgtaken en vrijwilligerswerk? In het Nederland van de 21ste eeuw lijkt daar steeds minder ruimte voor te zijn. Laten wij het beeld niet mooier maken dan het is. De inkomstenbelasting gaat dan wel naar beneden, maar de burger wordt geconfronteerd met hogere BTW-tarieven, met duurdere gas- en elektriciteitsrekeningen en niet te vergeten met een forse stijging van de lokale lasten. In sommige gebieden van Nederland gaan het komende jaar de lokale lasten met 15% omhoog. Dat kan de koopkrachtplaatjes voor de burger nog behoorlijk vertroebelen. Materieel gaan velen er iets op vooruit, zolang zij maar werken. Maar alleenverdieners en niet-werkenden komen er bij de plannen van deze twee bewindslieden bekaaid van af. Daarnaast zullen individuele burgers door een aantal maatregelen, waaronder de stijging van de lokale lasten, vermoedelijk uiteindelijk toch minder in de portemonnee overhouden. Daar maakt de CDA-fractie zich zorgen over.

Het kabinet gaat de grondslag voor premie en belasting heffen verbreden. Aftrekposten en faciliteiten worden geschrapt. In dat verband wil ik op een pikant punt wijzen. Mede als gevolg van de "Vermeenderitis", die tijdens het bewind van deze staatssecretaris heerst, is het belastingstelsel dichtgeslibd met instrumentalisme en belastinguitgaven. Het aardige is dat dit hetzelfde virus is dat we met deze grondslagverbreding willen bestrijden.

Zoals bekend, heeft de CDA-fractie altijd grote moeite gehad met de haast waarmee het belastingplan door de Kamer werd gejast. Het tempo waarmee de Tweede Kamer het wetsvoorstel moest behandelen was veel te hoog. Ik ben bang dat later blijkt dat het parlement essentiële dingen over het hoofd heeft gezien. Dat zelfs het ministerie het tempo van de minister en de staatssecretaris nauwelijks kon bijhouden, blijkt uit een aantal slordigheden en onvolkomen in de wet die mede hebben geleid tot de uitgebreide nota's van wijziging. In de nota naar aanleiding van het nader verslag worden een aantal antwoorden met grote stelligheid gegeven, terwijl enkele dagen daarna een uitgebreide nota van wijziging verschijnt met antwoorden en voorbeelden die haaks staan op de schriftelijke rondes van een paar dagen daarvoor.

Het is niet fraai om zo met het parlement om te gaan. Een zelfbewust en volwassen parlement zou dit niet moeten accepteren. Zolang een meerderheid in dit parlement zijn tanden niet laat zien, verwordt datzelfde parlement tot een monistisch verlengstuk van de regering. De CDA-fractie betreurt dit in hoge mate. Het is slecht voor het gezag van het parlement richting regering en bevolking. Ik wil hieraan echter verder geen woorden meer vuilmaken.

De CDA-fractie is bijzonder content met de hulp van het departement, met de constructieve wetgevingsoverleggen en de deskundigheid en hulp van de mensen om mij heen. Ik spreek hiervoor mijn dank uit. Toch hebben wij nog veel kanttekeningen bij het wetsvoorstel. De voorliggende plannen zijn immers niet ónze plannen. Ik zal hierna uitgebreid ingaan op de wijze waarop wij, als christen-democraten, het belastingstelsel vorm gegeven zouden hebben. Ik zal daarbij ingaan op de sociaal-economische context, op de houdbaarheid van de plannen, de rechtszekerheid en op het draagkrachtbeginsel. Ik hoop daarbij ook een doorkijk te geven naar een verderliggend perspectief. Een ding in deze grote stapel papier over de belastingherziening is nieuw. De tarieven en alle bedragen die de bewindslieden in het wetsvoorstel noemden zijn in euro's uitgedrukt. In dat kader heb ik een stropdas omgedaan waarop vele euro's te zien zijn. Ik heb dus mijn kleding aangepast aan de nieuwe trend in de belastingwetgeving. De minister zal deze stropdas herkennen!

Het financieel-economische beleid dat gedurende twee decennia is gevoerd, heeft tot grote successen geleid. Loonmatiging, lastenverlichting gekoppeld aan bezuinigingen in de collectieve sector en een trendmatig begrotingsbeleid hebben resultaat gehad. De overheidsfinanciën staan er nu aanzienlijk beter voor, er lijkt zelfs sprake te zijn van een begrotingsoverschot. Maar wij zijn er nog niet, wij hebben nog wel te maken met een torenhoge schuld.

Toch wordt er van verschillende kanten gewaarschuwd. Onze economie kent ook haar kwetsbaar heden. Ik doel dan op het risico van inflatie, maar ook op de dreigende tekorten op de arbeidsmarkt. De inflatie bedraagt ongeveer 2,25% in 1999. Dat is vooral met het oog op de concurrentiepositie veel te hoog. De gemiddelde inflatie in Nederland is namelijk hoger dan in de rest van de EMU-Ianden. De achterliggende gedachte van de inflatieverwachting is niet alleen de voorziene BTW-verhoging en de verschuiving naar de indirecte belastingen op zich, maar ook de aanhoudende groei, de consumptieve vraag en de krapte op de arbeidsmarkt. In ieder geval kan onze economie op dit moment geen forse lastenverlichting gebruiken. Daarmee zouden wij onze economie verder oververhitten, met alle inflatoire gevolgen van dien.

En dan die andere kwetsbaarheid van onze economie: de krapte op de arbeidsmarkt. De werkloosheid is niet verdwenen. Die zit vooral in de WAO, de lage arbeidsparticipatie van ouderen en allochtonen en langdurig werklozen. Nieuw is alleen dat er fikse tekorten dreigen op de arbeidsmarkt. En die krapte zou gemakkelijk snel kunnen toenemen. Daarbij komt nog eens het probleem van de vergrijzing. Ik ben blij dat ook het kabinet deze kwetsbaarheid van onze economie signaleert. De financiële drempels voor het toetreden tot de arbeidsmarkt wil het kabinet verlagen. De lastenverlichting in de vorm van een arbeidskorting is daarvan een voorbeeld. Overigens de vraag naar en het aanbod van werk lopen niet per se één op één. Uit de cijfers van het CPB blijkt dat de vraag naar werk, gemeten in personen, door dit belastingplan toeneemt met 65.000. Het aanbod daarentegen neemt maar toe met 15.000 personen. Nu de harde kern van werklozen gaandeweg in zicht is, is het opvullen van deze 50.000 vacatures een veel moeilijker zaak dan de cijfers van het CPB doen vermoeden. De huidige schaarste op de arbeidsmarkt wordt door de belastingherziening verder vergroot. Ik vind dat wij die kant van de medaille ook eens moeten bekijken.

Tegen de hier geschetste macro-economische achtergrond moeten de belastingplannen worden geplaatst. Het beleid van het kabinet is erop gericht de vraag naar werken te vergroten en arbeid goedkoper te maken. Het kabinet wil deze doelstelling bereiken door lastenverlichting. Dat is alom bekend. De CDA-fractie is van mening dat dit beleid de risico's van krapte op de arbeidsmarkt en inflatie vergroot. Volgens de laatste macro-economische verkenning zal de arbeidsinkomensquote ook al hoger uitvallen; volgens het CPB neemt deze in 1999-2000 toe met 2,75%. Bovendien, ook al mag de staatsschuld dan als percentage van het nationaal inkomen dalen, die schuld is nog altijd te hoog. Het terugbrengen daarvan is van groot belang voor de ruimte op de begroting. De daardoor vrijkomende middelen kunnen bijvoorbeeld ingezet worden voor de betaalbaarheid van de vergrijzing. Dat betekent in ieder geval dat er jaarlijks een begrotingsoverschot moet zijn. De CDA-fractie heeft reeds gepleit om ten minste 75% van de inkomstenmeevallers te reserveren voor het aflossen van de staatsschuld. Dat zal de minister bekend zijn.

Al met al is het daarom zeer de vraag of het verstandig is de komende jaren te kiezen voor een beleid van steeds meer lastenverlichting. Om deze reden vraagt de CDA-fractie om maatvoering bij de lastenverlichting. Is het kabinet van plan om de komende jaren nog meer dan deze 5 mld. die nu wordt uitgetrokken als smeerolie voor deze belastingherziening aan lastenverlichting te besteden wanneer de inkomstenmeevallers daartoe ruimte bieden? Daarover willen we nu graag helderheid hebben. Ook de politieke partijen die deze regering steunen, moeten daarover helderheid verstrekken. Het heeft namelijk alles te maken met de verdere werking van dit belastingstelsel.

Dat laat overigens onverlet dat er bij een grote belastingoperatie geld nodig is om de inkomensverschuivingen te compenseren. Dat erkennen wij. Dat was bij de operatie-Oort het geval en is ook hier noodzakelijk. Het is niet fair om groepen mensen er zomaar op achteruit te laten gaan. Dat zou de consequentie zijn als er geen smeermiddelen waren. Dat zag het kabinet achteraf ook. De middeninkomens, de ouderen en de mensen met een "kleine" baan mogen niet de dupe worden van deze belastingherziening. Het leek er even op dat dit wel het geval zou zijn.

De CDA-fractie blijft het vreemd vinden dat het kabinet een jaar lang studeert op de belastingplannen, op 14 september 1999 met een plan komt en dat dan blijkt dat dat plan grote onevenwichtigheden vertoont met betrekking tot de positie van de middeninkomens en ouderen. Terecht is er vervolgens een lawine van kritiek gekomen. Het gekke is dat de oplossing voor dat probleem voor het oprapen lag. Heeft de minister dat in het jaar waarin hij op het plan studeerde niet gemerkt? De CDA-fractie heeft in de schriftelijke ronde al meteen scherp aangegeven hoe je met het wijzigen van tarieven c.q. met het veranderen van de lengten van de schijven het probleem kon oplossen. De aangegeven oplossing bleek ook uit de zes varianten die wij later voorgeschilderd kregen. Die betroffen grotendeels de lengte van de schijven en de hoogte van de tarieven. Het was toch direct mogelijk geweest voor deze oplossing te kiezen? Dan was er meteen een meer evenwichtig plaatje voor de middeninkomens en ouderen verschenen.

Voorzitter! Ik kijk naar de houdbaarheid van de plannen. De CDA-fractie vraagt zich af hoe houdbaar de plannen die nu voor ons liggen zijn. In november 1997 presenteerde het duo Zalm/Vermeend met grote zelfverzekerdheid – zo kennen we ze ook – de nota "Belastingen in de 21ste eeuw, een verkenning". Wij spraken toen nog over een belastingplan voor de 21ste eeuw. Opvallend is dat de plannen later werden gerelativeerd. Nu spreekt men van inkomstenbelasting 2001. Het kabinet heeft kennelijk niet meer de pretentie dat dit plan de 22ste eeuw zal halen.

De CDA-fractie vindt dit plan niet houdbaar genoeg en dat heeft een aantal oorzaken. Het plan houdt te weinig rekening met de internationale context. Voorts mist de CDA-fractie een gedegen visie op de ontwikkelingen in verband met de oprukkende ICT. Wij missen ook een antwoord op het probleem van de vergrijzing en ten slotte vinden wij dat het kabinet met een verlaging van de tarieven is blijven hangen op een te hoog niveau. Eerst wil ik nu iets zeggen over de internationale context.

Deregulering, liberalisering en belastingharmonisatie verminderen de betekenis van de landgrenzen. Dat heeft gevolgen voor het vestigingsklimaat. Ook de Europese integratie leidt tot toename van de mobiliteit van arbeid en kapitaal. Vanwege al die factoren kunnen burgers en bedrijven vrij gemakkelijk naar het buitenland gaan. Reden waarom bij de keuze van een locatie de fiscale overwegingen een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Reden ook, om de belastingsregimes op elkaar af te stemmen. In de sfeer van de indirecte belastingen is sprake van een steeds verdergaande harmonisatie. In de sfeer van de directe belastingen wordt op onderdelen gestreefd naar coördinatie en convergentie. De Europese Commissie controleert de juistheid van fiscale steunmaatregelen. Daarom is het vreemd dat de forfaitaire rendementsheffing wordt geïntroduceerd, want juist die heffing staat haaks op de Europese context. De ICT is een van die zeer belangrijke ontwikkelingen die van de wereld een dorp maken. Vanwege de toenemende handel en dienstverlening via internet rijst de vraag: welk land heeft straks de heffingsbevoegdheid? Verder is het de vraag of de fiscus überhaupt nog grip heeft op goederenstromen via internet. Terwijl straks een groot deel van de bevolking afhankelijk is van ICT, geeft de belastingherziening 2001 nog geen antwoord op de vraag wat de gevolgen ervan zijn voor de belastingen. De CDA-fractie had graag gezien dat deze belastingsherziening ook in dat opzicht millenniumproef was. Door de verschuiving van directe naar in directe belastingen – daar zijn wij voor – wordt deze kwetsbaarheid alleen maar groter.

Het kabinet kiest voor arbeidsmaximalisatie. Het wil op die manier het draagvlak voor de premie- en belastingheffing vergroten. Tegelijkertijd gaat het kabinet de grondslag voor de premieheffing versmallen door in de boxen II en III geen premie meer te heffen. Dat laatste holt naar ons oordeel de grondslag uit. Waarom heeft het kabinet hiervoor gekozen?

Het kabinet kiest voor vergroening en BTW-verhoging. Dat laatste is met name bedoeld om de consumptie te belasten en derhalve bij te dragen aan vergroening en duurzaamheid. Tevens biedt dit ruimte voor verlaging van de belasting op arbeid. Als milieubelastingen echter effectief zijn, remmen zij de groei af van de grondslag waarover deze belastingen worden geheven. Helaas staat bij dit kabinet de budgettaire functie van de vergroening voorop. Extra inkomsten worden gewoon ingeboekt. Hiermee toont het kabinet aan dat het geen effect van de maatregelen verwacht. Dat vinden wij een slechte zaak, want dat holt de waarde van de milieuoverwegingen en de betekenis die de burgers daaraan hechten, uit. In die zin zijn een aantal groene belastingen holle woorden.

Van de overheid mag worden verwacht dat zij niet zomaar de spelregels van de belastingheffing verandert. Burgers moeten op de overheid kunnen vertrouwen. Als de overheid dan toch de regels wijzigt, moeten er goede overgangsregels worden gemaakt. Dat geldt zowel voor de oudedagsvoorziening als voor de kapitaalverzekeringen. Het kabinet maakt in de belastingherziening op een vrij abrupte manier een einde aan bepaalde belastingvrijstellingen. Over het opgebouwde kapitaal moet dan een forfaitaire rendementsheffing worden betaald, terwijl dat voorheen gewoon vrij was. Rechtszekerheid houdt in dat er bij een belastingherziening zorgvuldige en deugdelijke overgangsregelingen moeten komen. Ook de ruime discretionaire bevoegdheden die de minister van Financiën zou krijgen, stelden niet gerust. Gelukkig heeft de regering die delegatiebepaling na forse kritiek weer ingeslikt, maar het is wel tekenend. De CDA-fractie heeft grote moeite met het overgangsregime dat het kabinet voorstelt. De invoeringswet voorziet in een te beperkte eerbiedigende werking. De CDA-fractie is van mening dat een overheid betrouwbaar moet zijn en dat er meer eerbiedigende werking moet komen.

Het draagkrachtbeginsel is een kernpunt in de christen-democratische visie op belastingen. Door de eeuwen heen heeft dit altijd een belangrijke rol gespeeld. Dit beginsel is zo oud als de mensheid zelf. In Mesopotamië werd ooit een grote muur gebouwd. Dag en nacht moesten mannen daaraan verplicht werken. Vanzelfsprekend waren niet alle mannen even sterk. De jongeren konden meer dragen dan de ouderen en de sterken meer dan de zwakken. De bouwopzichters waren verstandige mensen. Zij lieten iedereen werken naar eigen draagkracht. Op deze wijze was immers, zo wisten zij, de bouw het snelst voltooid.

De CDA-fractie vindt dat in ons belastingstelsel de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. In het huidige belastingstelsel wordt daarom gewerkt met een progressieve belastingstructuur en belastingvrije sommen. In de praktijk werkt deze belastingheffing sterk proportioneel uit. Ook in de belastingherziening 2001 blijven er, zij het beperktere, progressieve tarieven en heffingskortingen. Maar de vermogenswinstbelasting blijft uit. Daardoor zullen straks naar ons oordeel ook deze voorstellen weer redelijk proportioneel uitpakken. Door de boxenstructuur kan het zelfs gebeuren dat de sterkste schouders de lichtste lasten dragen.

De inkomensherverdeling die met de progressieve structuur wordt beoogd, kan wellicht ook op een andere manier worden bereikt. Afgevlakte progressieve belastingtarieven zijn naar ons oordeel te combineren met een gericht pakket van kortingen en aftrekposten. In haar uiterste vorm komt die afvlakking neer op een "flat tax". Door verlenging van de oude eerste schijf, die nu is opgedeeld in een eerste en tweede schijf, wijst het kabinet eigenlijk zelf al een beetje in die richting. Om het draagkrachtbeginsel hierbij te hanteren, zijn naar ons oordeel op de leefsituatie van mensen toegesneden heffingskortingen een absolute voorwaarde. Daarbij hoort ook het maximaliseren van lasten voor zorg, onderwijs en wonen. Alleen op die manier is een afvlakking van de tarieven mogelijk. Het kabinet moet dit, wat ons betreft, de komende jaren verkennen. Daarbij moet gekeken worden naar verbreding van de grondslag, tariefsverlaging, verhoging van de indirecte belastingen en beperking van belastinguitgaven. Een dergelijke flat tax kan dus alleen op voorwaarde van een combinatie met op de leefsituatie van mensen toegesneden heffingskortingen – vaak inkomensafhankelijk – en met maximering van lasten die mensen en gezinnen opbrengen voor zorg, onderwijs en wonen. Wij kunnen dan weer aansluiten bij het CDA-plan "De moeite waard".

Uiteraard is nadere studie vereist naar de inkomenseffecten en de uitvoeringslasten. Vervolgens kan worden bezien of het koersen op een flat tax met heffingskortingen daadwerkelijk verantwoord is. Ik overweeg in tweede termijn een motie in te dienen waarin ik de regering verzoek daaromtrent een verkenning te starten.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Voorzitter! Waar is het het CDA nu precies om te doen? De heer Reitsma heeft uitgesproken dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Hij heeft ook gezegd dat dit niet altijd de praktijk is en ook niet zal zijn. Dit heeft iets te maken met de box III-heffing. Vervolgens heeft de heer Reitsma een scenario geschetst van een flat tax met heffingskortingen. Worden daarbij ten opzichte van het huidige systeem de draagkrachtverhoudingen nu wel of niet gewijzigd? Gaat het om het versterken van het progressieve karakter van de inkomstenbelasting of om het wijzigen van de huidige draagkrachtverhoudingen?

De heer Reitsma (CDA):

Essentieel is dat de belastingheffing wordt getoetst aan het draagkrachtbeginsel. Die toetsing moet niet in alleen in theorie plaatsvinden, maar ook in de praktijk. Het oude belastingsysteem voldoet op belangrijke onderdelen niet meer aan dit beginsel. Ik noem de belasting op vermogen en de hoeveelheid aftrekposten. Het stelsel heeft een sterk proportioneel karakter gekregen.

Daarnaast is in internationaal verband een verdere verlaging van de tarieven te constateren. Daar moet ook rekening mee worden gehouden. Het lijkt mij dan ook beter om de weg die het kabinet is ingeslagen verder te vervolgen en te kiezen voor een flat tax, die zodanig wordt ingericht dat volledig wordt voldaan aan het draagkrachtbeginsel. Overigens is er in box I en box II nu ook sprake van een flat tax. Ik vraag om een onderzoek naar de mogelijkheden van een flat tax in box III. Een en ander dient uiteraard gepaard te gaan met belangrijke heffingskortingen toegespitst op de leefsituatie. Dit betekent dat die kortingen vaak inkomensafhankelijk zullen moeten zijn. Daarnaast moet de sociale context zodanig worden ingevuld dat belangrijke kosten zoals die voor wonen, studeren en zorg gemaximeerd worden. Wij willen de mogelijkheden hiertoe graag onderzocht zien. Het CDA verricht op dit gebied ook nadere studie. Wellicht leidt dit tot een beter belastingstelsel, waarin scherper rekening wordt gehouden met het draagkrachtbeginsel en waarmee wij toch internationaal uit de voeten kunnen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Vindt u dat het huidige voorstel van het kabinet voldoet aan die ambitie van het CDA?

De heer Reitsma (CDA):

Ik constateer dat de voorstellen aan de ene kant leiden tot nivellering van de inkomens. Ik zeg dit vooral tegen de VVD. Aan de andere kant – ik zeg dit vooral de PvdA – constateer ik dat de afstand tussen werkenden en niet-werkenden toeneemt. Ik denk overigens dat, gezien de omvangrijke groep ouderen, beide groepen even groot zijn. Minister Zalm heeft tijdens het wetgevingsoverleg aangegeven dat zeer bewust is gekozen voor een denivellerende maatregel op dat gebied. Met de eerste ontwikkeling heb ik niet zoveel moeite, maar met de laatste ontwikkeling heb ik zeer veel moeite. Als wij deze kant opgaan, is het nog maar de vraag of je het draagkrachtbeginsel in ere houdt en of de solidariteit tussen de verschillende groepen in de samenleving tot haar recht blijft komen.

Een bijkomend voordeel van de flat tax is dat je in verschillende boxen hetzelfde tarief kunt hanteren. Daardoor ontstaan er minder arbitrageproblemen tussen de boxen. Het kabinetsvoorstel voor de gescheiden boxen heeft het grote nadeel dat over de boxen heen geen verliesrekening mogelijk is. Het kabinet kiest voor een analytische benadering, waardoor de verschillende bronnen verschillend worden aangeslagen. De fractie van het CDA vraagt zich af of enkel de bron van het inkomen een verschillend tarief rechtvaardigt. Wij blijven de voorkeur geven aan een synthetisch inkomensbegrip. Als je de flat tax in de uiterste vorm doorvoert, heb je daarmee een synthetische benadering gekregen.

Dan ga ik in op de huishoudensdraagkracht en belasting op inkomen. In algemene zin geldt dat draagkracht niet alleen een kwestie is van individueel inkomen, maar ook van vermogen, gezinssituatie, leeftijd, etc. De CDA-fractie legt bij de belastingheffing sterk de nadruk op de leefsituatie. Wij noemen dat draagkracht in huishoudensverband. Instrumenten hiervoor kunnen zijn: een partnerstelsel of een stelsel van aanvullende heffingskortingen, zoals een kinderkorting, een zorgkorting en een ouderenkorting. Het is een van beide. Voorop moet staan dat niet alle mensen kunnen werken en dat ook niet alle mensen behoeven te werken. Dat geldt voor opvoeders, verzorgenden, ouderen en voor mensen die zich op een andere wijze nuttig maken voor de samenleving. Zij mogen niet gestraft worden door het overheidsbeleid. Het belastingvoorstel dat wij nu bespreken, is doordesemd met het motto van het vorige kabinet, namelijk: werk, werk en nog eens werk. Aan het nieuwe motto, kwaliteit van de samenleving, geeft het plan nog onvoldoende inhoud. Het belang van participatie op de arbeidsmarkt is boven alles verheven. Dat zie ik in de benadering van alleenverdieners en kleine tweeverdieners, maar ook in de waardering van het vrijwilligerswerk en de zorg voor kinderen. Dat mensen zelf moeten kunnen bepalen hoe zij hun leven inrichten, staat bij de CDA-fractie voorop. Als de overheid al een voorkeur laat blijken, dan moet dat betrekking hebben op het beschermen van de zwakkeren.

Bij de gegeven lastenverlichting mikt het kabinet vrij eenzijdig op een fikse arbeidskorting. Nagenoeg alle prikkels in het nieuwe belastingstelsel wijzen in die richting. Ik maak een rekensommetje. Er is 5 mld. lastenverlichting. Ruim 3 mld. gaat enkel en alleen naar de arbeidskorting. De rest wordt gebruikt voor de rest van de operatie. De minister knikt, dus dat rekensommetje is wel juist. Gezien het oude recept van het economisch herstelbeleid – loonmatiging en lastenverlichting – is het begrijpelijk dat voor deze benadering wordt gekozen. Toch moet ook de arbeidskorting beoordeeld worden tegen de achtergrond van rechtvaardigheid en draagkracht. De vraag welk type samenleving wij wensen, is hierbij naar onze mening nadrukkelijk aan de orde. Zeker bij zo'n grote belastingherziening moeten fiscaal-politieke beginselen zwaar wegen. Vanuit deze uitgangspunten moet worden aangetekend dat de forse arbeidskorting tot onevenwichtigheden leidt.

Ik wijs op de volgende punten. De miljarden die uitgetrokken worden voor de arbeidskorting, borduren voort op het ouderwetse concept. Dat is een te grove maatregel voor specifieke knelpunten. Bovendien zet het ouderen en minima op een achterstand. Werkenden gaan er ten opzichte van de andere categorieën al snel zo'n 2, 3 en soms 4% op vooruit.

De effectiviteit in termen van extra aanbod is gering. Vreemd is dat niet. Geld is niet meer het belangrijkste lokmiddel. Andere arbeidsmarktinstrumenten zijn naar ons oordeel effectiever en richten zich ook meer op mensen die leven van een uitkering en in beginsel beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt.

De arbeidskorting, het laatste punt, wordt alleen aan werkenden gegeven. In feite is er langs de achterdeur sprake van een zeer forse ontkoppeling van lonen en uitkeringen. Waar blijven de beloftes die de PvdA voor de verkiezingen heeft gedaan ten aanzien van uitkeringsgerechtigden? Wij constateren dat de PvdA, als zij hiermee instemt, de uitkeringsgerechtigden in de kou laat staan, terwijl de VVD haar belofte aan de ouderen verbreekt. Wat blijft er over van de kreet van de VVD dat ouderen een welvaartsvaste oudedagsvoorziening behoren te hebben? Ouderen worden immers op achterstand gezet.

Bovendien wil het kabinet met de arbeidskorting vooral mensen die voor zorg kiezen, de arbeidsmarkt op jagen. Het gevolg is dat alleenverdieners en 1,2- en 1,4-verdieners op achterstand worden gezet. De CDA-fractie wijst die dure en onrechtvaardige benadering af. Wij denken dat het beter is om te kiezen voor een gericht arbeidsmarktbeleid. Dat beleid zou onder meer uit de volgende onderdelen kunnen bestaan:

  • 1. een beter sanctiebeleid voor uitkeringsgerechtigden die banen weigeren;

  • 2. het bevorderen dat de oudere werknemers blijven werken, door permanente scholing, demotie en dergelijke; dat is de verantwoordelijkheid van de sociale partners en de overheid;

  • 3. het voorkomen van leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt; het wetsvoorstel naar aanleiding van de CDA-motie ligt eindelijk bij de Kamer;

  • 4. het voorkomen dat mensen bij wie herstel mogelijk is, de WAO instromen; de CDA-fractie heeft in dat verband gepleit voor het verlengen van de Ziektewetperiode en het verplicht opstellen van herstelplannen;

  • 5. het wegwerken van armoedevallen door lastenmaximering; ik verwijs naar het CDA-plan "De moeite waard";

  • 6. het stroomlijnen van de overige arbeidsmarktinstrumenten, waaronder de instroom- en uitstroomtrajecten.

Ook zal veel nadrukkelijker rekening moeten worden gehouden met de betekenis van onbetaalde zorg, opvoeding, mantelzorg en vrijwilligerswerk, zeker nu gebleken is dat ook veel mannen per saldo minder zouden willen werken om tijd aan zorg te besteden. Daarom is het verstandig om de arbeidspolitiek vooral te richten op de harde kern van werklozen, de uitkeringsgerechtigden. Dit is een geheel andere lijn dan het door het kabinet gekozen, miljarden verslindende instrument van de arbeidskorting.

Het gaat de CDA-fractie om optimale en niet om maximale arbeidsdeelname. Dat zorgtaken moeilijker in geld waardeerbaar zijn, maakt deze taken niet zonder waarde. Een samenleving die niet investeert in opvoeding, onderlinge betrokkenheid en aandacht, verschraalt. Bekend is het gezinsdal in de koopkrachtplaatjes nadat het eerste kind geboren is. Mensen krijgen opeens te maken met een hausse aan kosten, waar zij eerder nog niet mee in aanraking kwamen. In de memorie van toelichting weegt het kabinet af of het gezinnen met kinderen tegemoet wil komen, bijvoorbeeld via een zorgforfait. Het kabinet wijst het zorgkostenforfait uiteindelijk af vanwege de arbeidsparticipatie, de individualisering en de vereenvoudiging. Alleen degene die werkt, mag erop vooruitgaan! Met andere woorden: het kabinet onderkent het draagkrachtprobleem, maar maakt dat ondergeschikt aan de arbeidsmarktpolitiek. De CDA-fractie is meer een voorstander van een vorm van huishoudensdraagkracht dan van individuele draagkracht. Dit betekent dat bij de bepaling van belasting moet worden gekeken naar het huishoudensinkomen. Daarbij is de onderlinge verhouding – wie brengt wat binnen – niet relevant. De draagkracht wordt immers bepaald door het totale gezinsinkomen. Daarbij moet ook rekening gehouden worden met de kosten die het hebben van kinderen met zich brengt. In zijn meest consequente vorm vertaalt het draagkrachtbeginsel zich in een partnerstelsel, dat goed te combineren is met een kinderkorting. Dat is ook de reden waarom de CDA-fractie met een voorstel voor een kinderkorting is gekomen. Dit voorstel is van belang in het kader van de gezinsdraagkracht.

Bij een partnerstelsel houdt de belastingdienst geen rekening met de verhouding tussen beide inkomens. Indien de inkomsten worden verkregen door een partner die 40 uren werkt en een partner die 20 uren werkt, zal de belastingdruk even hoog zijn als de belastingdruk van het huishouden waarin beide partners 30 uur werken. Gemeten naar de maatstaf betalen alleenverdieners, maar ook 1,2- tot 1,4- verdieners, vaak te veel belasting. Het inkomen van de huishoudens kan volstrekt identiek zijn, terwijl de belastingdruk in het ene geval hoger is dan in het andere.

Mevrouw De Vries (VVD):

Wilt u terug naar de situatie voor 1964, toen de inkomens van man en vrouw bij elkaar op werden geteld? Stelt u feitelijk voor om 40 jaar terug te gaan?

De heer Reitsma (CDA):

Ik wil een stap vooruit zetten en aansluiten bij de belangrijke belastingwetten van bijvoorbeeld Duitsland, Frankrijk en de Verenigde Staten. Die hebben allen een partnerstelsel. Ik wil nog een volgende stap zetten. Ik heb vrij helder betoogd hoe ik op de langere termijn naar belastinginning kijk. Ik heb het kabinet gevraagd om de flat tax en een aantal omgevingsfactoren verder te verkennen. Het partnerstelsel kan een mooie tussenstap zijn, maar bij flat tax is dit stelsel volstrekt overbodig geworden. Flat tax is namelijk de optimale vorm van het partnerstelsel, omdat er maar één tarief is.

Mevrouw De Vries (VVD):

Wilt u terug naar de situatie voor 1964, toen de Tweede Kamer vol overtuiging heeft gezegd dat het niet meer van die tijd was om inkomen van man en vrouw bij elkaar op te tellen? Iedereen werd vanaf die tijd op eigen inbreng belast. Ik constateer, tenzij ik mij vergis, dat u terug wilt naar de periode voor 1964.

De heer Reitsma (CDA):

Ik heb net al gezegd dat ik niet de behoefte heb om terug te kijken en oude koeien uit de sloot te halen. Ik kijk liever hoe wij het belastingstelsel in deze eeuw verder kunnen verbeteren. Daartoe heb ik een aantal voorstellen gedaan.

Bij de toepassing van het partnerstelsel worden de belastbare inkomens van beide partners samengevoegd en vervolgens in gelijke parten aan beiden toegerekend. De overheid belast hen conform een individueel tarief. De gezamenlijke belastingdruk wordt daarmee niet, zoals in het huidige stelsel, mede bepaald door de rolverdeling binnen de huishouding. Het partnerstelsel geeft op eigentijdse wijze invulling aan de draagkracht van een huishouden en staat dus neutraal – dit zeg ik met name tegen mevrouw De Vries – ten opzichte van de gekozen rolverdeling. Mogen de partners dat zelf uitmaken? Moet "vadertje Staat" via de fiscaliteit sturend optreden? Het partnerstelsel komt in vergelijking met de kabinetsplannen met name ten goede aan de alleenverdieners met een belastbaar inkomen hoger dan de eerste schijf en aan tweeverdieners die met een verschillend marginaal tarief geconfronteerd worden. Momenteel betalen tweeverdieners die gezamenlijk hetzelfde inkomen binnenbrengen minder belasting dan eenverdieners of 1,2- tot 1,4-verdieners. Wanneer dit partnerstelsel bijvoorbeeld met een realistische splitsingsfactor van 1,9 of zelfs van 1,95 wordt toegepast, leert dit na enkele rekensommen dat de inkomensplaatjes over de gehele linie er evenwichtiger uitzien dan in de kabinetsplannen. Daar is het de CDA-fractie met name om te doen.

Mevrouw De Vries (VVD):

Ik probeer duidelijk te krijgen wat de heer Reitsma werkelijk bedoelt. Zegt hij dat bij de mensen die thans eenverdiener zijn, bijvoorbeeld voor een bedrag van ƒ 80.000, het inkomen door twee moet worden gedeeld alvorens er belasting over te betalen? De huidige alleenverdieners zullen dus volgens het CDA een aanzienlijke lastenvermindering krijgen ten opzichte van de huidige situatie? Begrijp ik dat goed?

De heer Reitsma (CDA):

Als de ene partner een inkomen inbrengt en de ander niet, willen wij dat inkomen door twee delen. Ik heb zelfs een factor van 1,9 voorgesteld. Ik kom met dat voorstel omdat de voorstellen van het kabinet op een ongewenste manier uitwerken. In het geval twee partners ieder voor 50% werken en men gezamenlijk een inkomen van een ton geniet, betalen deze mensen in het voorstel van het kabinet minder belasting dan in het geval twee partners eenzelfde inkomen genieten en de ene partner 100% werkt en de ander niet werkt. Een andere, veel voorkomende situatie is dat de ene partner 100% werkt en de ander 20% of 30%. Die situatie komt het meest voor. Juist voor eenverdieners en voor kleinere tweeverdieners is de uitwerking van dit stelsel evenwichtiger. Waarom zouden tweeverdieners die beiden voor 100% werken, minder belasting betalen dan hun buren met hetzelfde inkomen, maar met een andere percentuele inkomensverhouding? Ik zie daarin geen ratio en vind dat dit moet worden rechtgetrokken. Met flat tax is een dergelijk probleem opgelost. Ik nodig u daarom uit om de discussie daarover snel aan te gaan, althans binnen het kader dat ik heb aangegeven; ik doel hierbij op de omstandigheden waarin het draagkrachtbeginsel heel goed is in te brengen.

Voorzitter! Ik kom toe aan de kindkorting. De CDA-fractie stelt een kindkorting voor van ƒ 500 per huishouden met kinderen van 12 jaar en jonger. Gelukkig komen vrijwel alle fracties met hun eigen kindkorting. Mijn fractie juicht het toe dat dit thema nu bij alle fracties op de agenda staat. Hulde hiervoor! Laten wij nu een discussie voeren over de beste invulling. Ik sta open voor alle plannen, maar voorlopig verdedig ik ons eigen voorstel. De CDA-fractie pleit dus voor een vaste kindkorting voor gezinnen met kinderen met een leeftijd tot 12 jaar. In die situatie zorgt de combinatie van zorg en arbeid in de regel voor veranderingen in taakverdeling en voor fikse verschuivingen in koopkracht. Een soortgelijke maatregel is enige jaren geleden voor ouderen getroffen toen uit de armoedemonitor bleek dat zij te maken hadden met een welvaartsdal. Als ik alle amendementen bezie, dan moet ik constateren dat de CDA-fractie aanzienlijk meer geld hiervoor uittrekt, althans meer dan de Paarse fracties. Het plan van GroenLinks kan ik nog niet zo goed overzien. In ieder geval kennen wij hier een grotere prioriteit aan toe.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Reitsma daagt ons terecht uit tot een debat over de kindkorting. Maar waarom stelt het CDA de kindkorting bij het belastingplan voor? Het gaat immers om een inkomensonafhankelijke korting en waarom zou een en ander niet via de kinderbijslag kunnen worden geregeld?

De heer Reitsma (CDA):

Dat is een heel goede vraag. De kosten voor de opvoeding van kinderen moeten via de kinderbijslag worden ondersteund. Maar partners, in welke samenlevingsvorm ook, die kiezen voor kinderen, worden vaak geconfronteerd met een inkomensdal; dit geldt zeker als de kinderen nog jonger zijn dan 12 jaar. Het lijkt mij evenwichtig om die gezinnen minder belasting te laten betalen, bijvoorbeeld door een kindkorting.

Ik voel uw volgende vraag al aankomen: waarom geen inkomensafhankelijkheid, zoals GroenLinks voorstelt? Ik denk dat een inkomensafhankelijke kindkorting in de lijn van de flat tax ligt; zo kan het draagkrachtbeginsel inhoud worden gegeven. Bij het geval van een progressieve belastingheffing, zoals nu in box I, past die minder. Ik weet dat GroenLinks hierin een andere keus heeft gemaakt. De nuancering is dus daar te vinden, maar er is een brug te slaan.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik probeer uw argumentatie toe te passen op de volgende situatie: een vader en een moeder met kinderen onder de 12 jaar blijven beiden fulltime werken. In dat geval is er eigenlijk geen sprake van een inkomensdal. Hoe kan de heer Reitsma rechtvaardigen dat deze ouders, volle tweeverdieners, beide zo'n kinderkorting krijgen? Deze ouders krijgen voor het uitbesteden van de zorg voor hun kinderen ook nog eens faciliteiten voor kinderopvang aangeboden. Dat zijn faciliteiten die verruimd zijn bij het belastingplan 2000. Ik wijs er verder op dat de draagkracht van een dergelijk gezin vaak zo groot is dat er helemaal geen reden is voor de overheid om deze ouders extra geld te geven.

De heer Reitsma (CDA):

Als de heer Vendrik om zich heen kijkt, ziet hij dat de meeste partners ervoor kiezen om samen voor de kinderen te zorgen. Zij doen dan ook meestal beiden een stapje terug op de arbeidsmarkt. Dat is de meest voorkomende situatie. Hij kan niet ontkennen dat in zo'n geval een inkomensdal ontstaat. Met mijn voorstel sluit aan ik op die situatie. Als beide partners 100% blijven werken, moeten zij wel meer kosten voor kinderopvang maken. Daar is een aantal regelingen voor. Wellicht moet dit hele systeem tegen het licht worden gehouden, nu in de belastingwetgeving een kinderkorting wordt opgenomen. Het kabinet zou er verstandig aan doen het komende jaar het hele palet van instrumenten voor kinderopvang in beeld te brengen om zo een antwoord te geven op de vraag wat met het oog op het draagkrachtbeginsel het beste instrument is. Als de heer Vendrik zegt daarvoor te willen gaan, ben ik bereid hem te steunen.

Mevrouw Giskes (D66):

Waarom zou je het regelen op de manier die de heer Reitsma voorstelt, als je het niet inkomensafhankelijk wilt maken en het ook niet bindt aan de vraag of iemand wel of niet werkt? Ik heb verder veel amendementen gezien, maar daaronder waren nog geen "dekkingsamendementen". Wanneer krijgen wij die amendementen te zien? Het is namelijk moeilijk discussiëren, als niet bekend is hoe de heer Reitsma zijn voorstellen wil dekken.

De heer Reitsma (CDA):

De tweede vraag van mevrouw Giskes is de beste. In het wetgevingsoverleg heb ik gezegd alle amendementen die ik zal indienen van een dekking te zullen voorzien. Ik wil geen discussie over de dekking en daarom heb ik ervoor gezorgd dat zij 100% worden gedekt. Ik herinner mevrouw Giskes er wel aan dat de minister juist tegen haar moest zeggen dat hij vond dat zij een mooi amendement indiende over de leeftijdsgrens van 65 jaar, maar dat hij nergens de bijbehorende dekking kon ontwaren. Ik vraag mij dus af of mevrouw Giskes eigenlijk wel recht van spreken heeft.

Mevrouw Giskes (D66):

Ik vraag alleen maar waar ik die dekking kan vinden. Als de heer Reitsma de amendementen noemt waarin de dekking is geformuleerd, is dit probleem van tafel.

De heer Reitsma (CDA):

Als de ambtenaren van Financiën nog harder zouden kunnen werken, hadden zij er nu gelegen. Zij doen hun uiterste best en deze technische voorstellen zullen binnenkort voorliggen. Als de behoefte daartoe bestaat, ben ik echter bereid om nu mijn amendementen te noemen en daarbij exact aan te geven waar de dekking is gevonden. Mevrouw Giskes kan er met een gerust hart van uit gaan dat mijn amendementen goudgerand zijn.

Mevrouw Giskes (D66):

Wij hebben nu de mogelijkheid om de heer Reitsma te bevragen over de dekking van zijn amendementen. Ik zie dan ook het liefst dat hij nu al een klein tipje van de sluier oplicht. Wij zien dan later de uitwerking wel.

De heer Reitsma (CDA):

Ik licht dat tipje op, op voorwaarde dat mevrouw Giskes in haar betoog ook aangeeft waar zij de dekking voor haar voorstellen heeft gevonden. Als zij dat niet doet, zal ik haar aan deze interruptie herinneren.

Ik heb mijn dekking onder meer gevonden in een verlaging van de arbeidskorting. In mijn verdere betoog wordt nog wel duidelijk welke kritiek de CDA-fractie op deze korting heeft. Verder soupeer ik de 630 mln. op die voor 2000 is ingezet voor het arbeidskostenforfait en die voor 2001 opnieuw moet worden versleuteld. Ik gebruik ook de 125 mln. die nog resteert van de smeerolie van 5 mld. Als deze redenering niet deugdelijk is, verschuil ik mij achter het voorstel dat de drie Paarse partijen hebben gedaan. Ten slotte haal ik 100 à 200 mln. uit de belastinguitgaven. Dat is mijn dekking. Ik denk dat die dekking helemaal rond is.

Voorzitter! Voor de CDA-fractie is het duidelijk dat de huidige belasting op vermogen zo goed als failliet is. Deze vorm van belasting heeft nog maar weinig met het draagkrachtbeginsel te maken. Daarom moet worden gekozen uit drie alternatieven: de vermogenswinstbelasting, de vermogensaanwasbelasting of de forfaitaire rendementsheffing. De CDA-fractie wijst de vermogensaanwasbelasting af. Redenen hiervoor zijn de volgende. Deze vorm van belasting zou de belastingplichtige in liquiditeitsproblemen kunnen brengen. Met deze vorm zouden wij te maken krijgen met een zwak inkomensbegrip en het gevaar zou ontstaan dat ook de aanwas wordt meegerekend die voortkomt uit besparingen.

Resteert een keuze tussen de forfaitaire rendementsheffing en de vermogenswinstbelasting. Helder is dat beide opties een stap in de richting zijn van het hernieuwd vormgeven van het draagkrachtbeginsel op het terrein van vermogen. De vermogenswinstbelasting komt op zuiver fiscaal-theoretische gronden het beste tegemoet aan het draagkrachtbeginsel. Daarom ligt daar de voorkeur van de CDA-fractie. Wij zijn nog niet overtuigd van de argumenten van het kabinet om uiteindelijk te kiezen voor de forfaitaire rendementsheffing. Deze heffing belast een fictief rendement van het aanwezige vermogen. Deze gedachte is niet nieuw. Toen het (in de derde eeuw) in het Romeinse rijk steeds lastiger werd om de belasting op landbouwgrond te innen, vond een belastinghervorming plaats. De belasting op de feitelijke opbrengst werd vervangen door een belasting, waarbij de mogelijkheid tot een bepaalde opbrengst, de forfaitaire grondslag ging vormen. Men ging uit van de hoeveelheid grond die een span ossen in een dag kon omploegen. Begin vorige eeuw kwam Pierson ook met een forfaitaire grondslag. Deze belasting heeft geen lang leven gehad.

Het Paarse kabinet benadrukt in de belastingherziening 2000 sterk de voordelen van deze forfaitaire rendementsheffing en poetst de bezwaren te gemakkelijk weg. De forfaitaire rendementsheffing sluit niet aan bij het Europees beleid. In de schriftelijke ronde is voldoende naar voren gekomen dat er diverse afstemmingsproblemen kunnen ontstaan. Het kabinet kiest voor een boxensysteem. Vermogens worden in verschillende soorten belast, namelijk als aanmerkelijk belang, in de vennootschapsbelasting en in box III. De CDA-fractie acht het een illusie dat arbitrage met het voorstel van het kabinet wordt uitgebannen. De boxen kennen immers een verschillend tarief. Dat lokt verschuivingen uit. De belastingplichtigen en hun adviseurs zullen driftig op zoek gaan naar ontwijking. Het kabinetsvoorstel mag dan wel eenvoudig, inzichtelijk en minder bewerkelijk zijn, maar dat behoeft niet altijd doorslaggevend te zijn.

De grootste moeite heeft de CDA-fractie met het belasten van een fictie in plaats van reële winsten. De werkelijk opbrengst kan heel verschillend uitpakken. De opbrengst kan variëren tussen een negatieve opbrengst tot rendement van 10 a 20%. Ieder wordt geacht 4% rendement te halen. De overheid verzekert zich van stabiele middelen via stabiele afdrachten van belastingplichtigen die zelf met fluctuerende winsten te maken hebben. Overigens is het goed zich te realiseren dat de opbrengst van de rendementsheffing relatief gering is, namelijk 1% van het nationale inkomen. Dat relativeert het hele gedoe ook weer. Het geeft het betrekkelijke karakter aan van het stabiliteitsargument. Belangrijk is ook de constatering dat de rendementsheffing wel voorziet in een proportioneel tarief maar feitelijk degressief uitpakt: mensen die hogere rendementen halen, betalen relatief minder belasting over hun vermogen, en omgekeerd. Ten eerste zal de koopkracht van vermogenden uiteraard aanzienlijker groter zijn bij een rendement van bijvoorbeeld 6% dan bij 4%. In beide gevallen wordt over 4% een proportionele heffing betaald. Bovendien zullen degenen met het meeste vermogen er veelal het meest op vooruitgaan. Hoogvermogenden kunnen zich immers meer risico's permitteren, die in de regel hogere rendementen opleveren. In feite lopen de plannen daarmee uit op een drukverdeling die nadelig is voor de kleine vermogenden.

Het bovenstaande overziend, geldt voor de CDA-fractie dat een vermogensrendementsheffing onvoldoende recht doet aan het principe van draagkracht en proportionaliteit. Belastingen moeten zoveel mogelijk aangrijpen bij realiteiten en niet bij ficties. De werkelijke koopkracht is grondslag voor belastingen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Voorzitter! Veel van het betoog van de heer Reitsma zou ik tot het mijne kunnen maken. De vraag is welke politieke conclusie hij trekt. Ik heb gezien dat hij rond box III zeker drie amendementen heeft voorgesteld – en dan zal ik er nog wel een paar over het hoofd hebben gezien – die alle tot doel hebben, als ik de toelichtingen goed heb begrepen, om aan het probleem van een te grote belastingdruk op de kleine spaarder tegemoet te komen, bijvoorbeeld door alle schulden in mindering te laten brengen op positieve vermogensbestanddelen en het verhogen van de vrije voet met ƒ 50.000. Is de keerzijde van de woorden van de heer Reitsma niet dat er aan de bovenkant voor de vermogensbezitters die er per saldo een stuk beter van worden een stukje lastenverzwaring bij hoort? Gaat hij op dat punt ook amendementen voorstellen of steunt hij de amendementen terzake die ik heb voorgesteld?

De heer Reitsma (CDA):

Ik wil eerst met het kabinet de principiële discussie voeren over wat de beste vorm van belasting op vermogen is. Ik stel mij daar open voor, want ik vind dat je dat moet doen op basis van argumenten. Ik heb een voorlopige voorkeur en ik vind dat ik daarvoor voldoende argumenten heb. Als ik zie dat die forfaitaire rendementsheffing er komt, wil ik dat er een aantal elementen ingebouwd worden die een en ander rechtvaardiger doen uitpakken. Ik erken dat van mijn voorstel om de vrijstelling wat te verhogen ook rijken profiteren. Dat nadeel moet ik dan maar slikken om met name de kleine spaarders tegemoet te komen. Ik ga niet zover als de heer Vendrik om te zeggen: ik kies voor een progressief belastingtarief. Dan kies je namelijk voor een redelijk hoge belastingdruk en dat vind ik in verband met kapitaalvluchtproblemen onverantwoord. Naar mijn mening kom je op die manier netto slechter uit.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Voorzitter! Nu word het leuk. De heer Reitsma zegt net dat de forfaitaire vermogensrendementsheffing er naast schiet als het gaat om de groterevermogensbezitters die grote rendementen, 10 of 20% op jaarbasis, weten te realiseren, terwijl er maar op basis van 4% wordt belast. Er is dan dus sprake van een buitengewoon lichte belastingdruk. De heer Stevens heeft al opgemerkt: eigenlijk zou je daar iets aan moeten doen. Een manier om er enige verbetering in aan te brengen, is het hanteren van een Vpb-achtig schijventariefstelseltje zoals ik in een amendement vorm heb gegeven. Het gaat dan niet aan dat weg te zetten als: dat lokt internationale kapitaalvlucht uit. Ik stel iets minimaals voor, namelijk het opheffen van een drukverschil dat er eigenlijk niet zou mogen zijn en waarvan de heer Reitsma ook vindt dat het er niet zou mogen zijn.

De heer Reitsma (CDA):

U toont naar mijn mening haarscherp aan wat de zwakte van dit kabinetsvoorstel is. Daarom zou het kabinet moeten denken aan een andere vorm van belasting op vermogen die veel rechtvaardiger is, zoals een vermogenswinstbelasting. Ik daag het kabinet uit om de argumenten te weerspreken die de heer Vendrik naar voren heeft gebracht. Ik ga niet op de stoel van het kabinet zitten om een kromme redenering te verdedigen.

Mevrouw De Vries (VVD):

Ik begrijp dat het CDA vooralsnog kiest voor vermogenswinstbelasting. Zou die belasting per saldo meer moeten opbrengen dan wat nu aangegeven wordt ten aanzien van de vermogensrendementsheffing? Betrekt het CDA daarbij de verliesverrekening die bij een vermogenswinstbelasting zou horen? Hoe gaat men dan om met de mogelijkheden van uitstel van belastingheffing en al dat soort manipulatiemogelijkheden?

De heer Reitsma (CDA):

Het antwoord op uw eerste vraag is nee. Het gaat ons niet om de opbrengst. Het gaat ons om het principe van rechtvaardigheid en draagkracht en om het belasten naar werkelijke inkomsten. Als de opbrengst per saldo gelijk is, vinden wij ons voorstel ook beter.

Als je kiest voor vermogenswinstbelasting is het inherent aan het systeem dat je reële winsten belast en dat reële verliezen in vermindering gebracht worden. Dat hoort bij het draagkrachtbeginsel. Waarover je nog zou kunnen denken, is het binden van het verlies aan een maximum. Allerlei modaliteiten zijn denkbaar, maar in beginsel hoort verliesverrekening erbij.

Mevrouw De Vries (VVD):

Het is goed om exact te weten welke kant u op wilt gaan. Ik begrijp dat u nog niet precies in beeld heeft hoe een vermogenswinstbelasting eruit zou moeten zien.

De heer Reitsma (CDA):

Toch wel.

Mevrouw De Vries (VVD):

Maar u zegt dat u de schulden, de verliezen eventueel aan een maximum wilt binden, of juist niet. Het is nogal principieel of je daarin wilt snijden. In uw denktrant profiteren mensen met grotere vermogens meer van zo'n vermogensrendementsheffing, maar beseft u dat mensen met een groot vermogen die veel risico kunnen nemen en de risico's goed kunnen spreiden, in uw gedachtegang met een verliesverrekening nog veel beter af zouden zijn? Het is dus de vraag of uw redenering, gebaseerd op draagkracht, wel spoort met een vermogenswinstbelasting. Het is misschien goed om hier nog eens over na te denken, want ik denk dat u de consequenties van deze redenering niet overziet.

De heer Reitsma (CDA):

Ik begrijp uw vragen wel, want u bent doodsbang dat andere partijen nu of over enkele jaren alsnog weglopen voor zo'n forfaitaire rendementsheffing en dat dan het geesteskind van de VVD weg is. Ik begrijp uw zorg, maar een vermogenswinstbelasting is gewoon het belasten van de reële winsten: de inkomsten uit vermogen en de winst bij het vervreemden van vermogen. Maar daar behoort bij dat reële verliezen in mindering kunnen worden gebracht, zodat er over het saldo belasting wordt geheven. Punt uit. Ik ben van mening, en het blijkt ook uit alle theoretische concepten en beschouwingen, dat deze belasting beter aansluit bij het draagkrachtbeginsel, omdat de opbrengsten belast worden, bijvoorbeeld met één tarief. GroenLinks wil deze opbrengsten met een progressief tarief belasten, maar daar kies ik voorlopig niet voor, omdat dit niet zou passen in mijn benadering van flat taxes voor de komende jaren. Maar in ieder geval worden zo de werkelijke opbrengsten, de werkelijke inkomsten belast. Bij een forfaitaire rendementsheffing wordt een fictie belast; als opbrengsten vier keer zo hoog zijn, mag men die gewoon behouden. Dat vind ik onrechtvaardig. Een forfaitaire rendementsheffing werkt in een aantal gevallen zelfs zeer degressief.

Mevrouw De Vries (VVD):

Ervan uitgaande dat u voor het systeem kiest waarbij verliezen niet aan een maximum worden gebonden, maar alle verliezen verrekend mogen worden, wat zou u dan doen als dit helemaal niets oplevert voor de schatkist? Zegt u feitelijk dat het u niets interesseert hoe vermogen uiteindelijk belast wordt? Uw redenering zou ertoe kunnen leiden dat er per saldo niets binnenkomt; u kent toch ook alle ontwijkingsmogelijkheden bij vermogenswinstbelasting? Wilt u dat, of vindt u het redelijk dat er over vermogen enige belasting wordt betaald? Ik ben het overigens met u eens dat dit niet overdreven veel moet zijn, maar uw redenering zou er misschien toe leiden dat er niets geheven wordt. Dat kan ook weer niet de bedoeling zijn.

De heer Reitsma (CDA):

De belasting op vermogen, ook bij de forfaitaire rendementsheffing, levert gewoon peanuts op. Het levert niet eens 1% van ons nationaal inkomen op. Waar praten wij over? U zit erover in of de vermogenswinstbelasting een cent meer of minder oplevert dan de forfaitaire rendementsheffing, maar dat is niet de kern van de discussie. Ik denk dat vermogenswinstbelasting meer oplevert, maar dan moet die nader uitgewerkt worden en dan moet er een nieuw wetsvoorstel geschreven worden. De CDA-fractie wil dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen bij de belastingheffing. Dat gebeurt niet met de forfaitaire rendementsheffing en dat is de kern van onze kritiek.

Mevrouw De Vries (VVD):

Uw betoog is inmiddels helder. U zegt dat de vermogenswinstbelasting meer moet opleveren en dat het CDA daar voor staat. Het CDA zegt feitelijk dat vermogen zwaarder belast moet worden. Ik dank u voor deze toelichting.

De heer Reitsma (CDA):

Als u mijn woorden op deze manier verdraait, laat ik uw conclusie voor wat die is. Ik heb al gezegd dat het om peanuts gaat. Misschien levert het een cent meer of minder op, maar ik zal u maar in de waan laten dat wij de vermogenden willen aanpakken. U hoeft niet bang te zijn, wij kijken meer naar de rechtvaardigheid. Volgens mij bent u bang dat op enig moment de oude filosofie van Pierson in dit huis zal sneuvelen. Ik hoop dat dit zal gebeuren.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! Ik wil even doorgaan op dit punt. De heer Reitsma heeft terecht gezegd dat het bijna 1% van het nationaal inkomen betreft. Hij noemt dit peanuts. Ik steun natuurlijk zijn redenering over de rechtvaardigheid; wij zijn ook vóór vermogenswinstbelasting. Maar als mevrouw De Vries vraagt of het CDA de vermogens zwaarder wil belasten, zegt de heer Reitsma ineens dat de opbrengst er niet toe doet en dat het hem alleen om de rechtvaardigheid gaat. Maar de essentie van rechtvaardigheid wordt toch vertaald in de opbrengst? Als mevrouw De Vries concludeert dat u de vermogenden harder wilt aanpakken, moet u op grond van het rechtvaardigheidsbeginsel zeggen: ja, dat wil ik.

De heer Reitsma (CDA):

De rechtvaardigheidsgedachte heeft te maken met het dragen van de zwaarste lasten door mensen met de sterkste schouders. Ik blijf nu binnen de vermogensbox. De forfaitaire rendementsheffing voldoet hier echter niet aan. Dan rijst de vraag of men überhaupt wil dat de belasting op vermogen wordt verhoogd. Ik zie hier niet direct een aanleiding voor, maar het mag nader bekeken worden als de vermogenswinstbelasting in een wet nader wordt uitgewerkt. Dit is echter niet mijn uitgangspunt. Ik ben gevoelig voor het argument van het kabinet dat vermogen mobiel is. Nu kan men een zwaardere belasting toepassen dan bij de forfaitaire rendementsheffing of het huidige belastingstelsel, maar als dat rare kapitaalvluchten met zich brengt, schieten wij er niets mee op. Er moet dus naar een evenwicht worden gezocht.

De heer Marijnissen (SP):

Pleit u er dan voor die 30% te verlagen? Dat moet dan de consequentie zijn. U vindt vermogenswinstbelasting eerlijker en dat komt omdat op de AEX over de laatste vijftien jaar 13,5% gescoord is. Als u zegt dat er geen reden is om de belasting op vermogen te verhogen, wijs ik u op de rekensommen in allerlei kranten. Er zijn voorbeelden gegeven van iemand die ƒ 1000 meer gaat verdienen in box I en in het hoogste tarief ƒ 520 belasting moet betalen, terwijl iemand anders die rustig bij de kachel zit, een bedrag van ƒ 1000 vermogen maakt en op ƒ 120 belasting uitkomt. Op grond van rechtvaardigheid is er volgens mij alle reden om de vermogens aan te pakken.

De heer Reitsma (CDA):

Die vermogens moeten belast worden, daar hebt u volstrekt gelijk in. Via die weg moet ook een bijdrage worden geleverd aan de inkomstenbron van de schatkist. Ik meen echter dat het op een veel rechtvaardiger manier moet gebeuren dan het kabinet voorstelt. Bij een vermogenswinstbelasting in de Nederlandse situatie kan ik nu nog niet overzien voor welk tarief gekozen moet worden. Er kan gedacht worden aan enerzijds verschillende tarieven bij inkomsten uit vermogen en anderzijds aan opbrengsten die ontstaan bij vervreemding van vermogen. Dit moet echter nader worden uitgewerkt. Ik meen echter dat het de taak van het kabinet was om via deze benadering de belasting op vermogen neer te leggen. Dan hadden wij hier kunnen spreken over de hoogte van het tarief en de voorwaarden. De rechtvaardigheidsgedachte en het draagkrachtbeginsel zeggen mij dat dit een beter uitgangspunt is. En volgens mij deelt u deze conclusie.

De heer Marijnissen (SP):

Zeker! Maar het is mij nog niet duidelijk of u kiest voor de vermogenswinstbelasting. Of krijgen de bewindslieden nog een kans om u te overtuigen? Wat is het standpunt van het CDA?

De heer Reitsma (CDA):

Onze voorkeur gaat uit naar vermogenswinstbelasting. Wij hebben daar een aantal goede argumenten voor en ik vraag de bewindslieden daarop inhoudelijk te reageren. Als zij vasthouden aan de forfaitaire rendementsheffing, zeg ik dat ik op dit moment niet overtuigd ben van hun keuze in het wetsvoorstel. Wij voeren hier echter een debat en ik wil de bewindslieden niet de kans ontnemen, hun overtuigingskracht uit de kast te halen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik probeer het even langs de andere kant. Het kabinet beoogt met de belastingherziening een verschuiving van de opbrengsten van arbeid naar vermogen tot stand te brengen. Dat lukt voor een bedrag van 450 mln. Dat gaat die vermogensrendementsheffing opleveren ten opzichte van de huidige situatie. Vindt het CDA dat voldoende, of moet het minder of meer zijn?

De heer Reitsma (CDA):

Ons uitgangspunt is dat het absoluut niet minder moet zijn dan de opbrengst die het kabinet voorstelt. Laten wij dat maar als ijkpunt nemen. Op welke tarieven wij dan uitkomen, dat mag u uitrekenen, dat doe je niet even op de achterkant van een sigarendoos.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Misschien is het wel aardig als u namens het CDA vanuit de filosofie over de optimale belastingmix even aangeeft waar het bijvoorbeeld de komende drie à vier jaar in Nederland naartoe moet met die belastingheffing op vermogen. Het levert immers heel weinig op en dat is heel merkwaardig. Wij zijn immers een stinkend rijk land, dus er zou best wat meer uit de belastingheffing op vermogen gehaald kunnen worden. Het kabinet stopt bij 450 mln. Dat is niet echt heel veel. Zegt u nu namens het CDA, mijnheer Reitsma, dat er wel een paar miljard bij mag? Dat geeft een eerlijker drukverdeling van de belastingen in Nederland.

De heer Reitsma (CDA):

Dat is mijn uitgangspunt niet.

Mevrouw De Vries (VVD):

In reactie op een vraag van de heer Vendrik zegt de heer Reitsma van het CDA dat de vermogenswinstbelasting in ieder geval meer moet gaan opleveren. Toen ik net de conclusie trok dat de heer Reitsma zwaarder wil gaan belasten, mummelde hij een beetje: trek u eigen conclusies maar. Maar nu bevestigt u dat, mijnheer Reitsma. In reactie op de heer Vendrik zegt u namelijk dat de vermogenswinstbelasting op zijn minst hetzelfde en het liefst wat meer moet opleveren dan de huidige vermogensrendementsheffing.

De heer Reitsma (CDA):

Ik heb gezegd dat wij als uitgangspunt moeten nemen dat het in ieder geval hetzelfde bedrag moet opbrengen.

Mevrouw De Vries (VVD):

Als ik de heer Reitsma interrumpeer, lijkt het wel alsof hij probeert te suggereren dat het minder moet opleveren of vooral niet méér, en als linkse collega's hem interrumperen, zegt hij dat het méér moet zijn! Het standpunt van het CDA is mij nog niet duidelijk.

De heer Reitsma (CDA):

Ik zou maar oppassen!

Mevrouw De Vries (VVD):

Ik krijg de indruk dat ik moet oppassen omdat het CDA vermogen veel zwaarder wil gaan belasten.

De heer Reitsma (CDA):

Ik denk dat ik redelijk helder geweest ben. Mevrouw De Vries begrijpt dondersgoed wat de lijn van de CDA-fractie is. Ik nodig haar uit straks haar visie maar eens te geven over wat zij vindt van belasting op vermogen. Ik vermoed dat zij de forfaitaire rendementsheffing door dik en dun verdedigt. Daarom is de vraag interessant tot welke school de fractie van de PvdA behoort. Is die door het stof gegaan ten aanzien van dit onderdeel? Ziet de fractie van de PvdA dit in deze coalitie als een tussenstation en als een mooie opstap om op enig moment bij de vermogenswinstbelasting te komen? Dat past naar mijn mening beter bij het gedachtegoed van de sociaal-democraten. Ik ben eigenlijk wel een beetje benieuwd. U moet niet te veel ruzie maken met de VVD, want zodra er over één cent meer vermogensbelasting gesproken wordt, vliegt mevrouw De Vries direct uit haar bankje! Ik wens u veel sterkte. Ik vind echter wel dat de PvdA-fractie in dit debat helder moet aangeven wat zij op lange termijn vindt van de belasting op vermogen. Is zij van mening dat hier een rechtvaardig instrument gekozen is en dat dit een opstap moet zijn naar een belasting op vermogen die beter aansluit bij het draagkrachtbeginsel? Hoe je het ook wendt of keert, Nederland isoleert zich behoorlijk van de rest van de wereld.

Voorzitter! Na deze meer algemene christen-democratische visie wil ik nog ingaan op enkele onderdelen van de belastingherziening. De CDA-fractie heeft veel energie gestopt in de twee schriftelijke rondes en in het wetgevingsoverleg. Wij zijn tevreden over de beantwoording en over de vele punten die de regering in de uitgebreide nota van wijziging heeft gehonoreerd. Reeds voor de kerst had de CDA-fractie amendering in gang gezet inzake oudedagsvoorziening, eerbiedigende werking, kapitaalverzekering, spaarloonregeling, arbeidskorting voor deeltijdbanen en corrigeren van onevenwichtigheden in de inkomenseffecten ten aanzien van bijvoorbeeld ouderen en de positie van zelfstandigen. De regering was ons te vlug af. Zij kwam met een nota van wijziging en ik moet tegen haar zeggen: hulde, daarmee heeft u veel wensen van de CDA-fractie op concrete punten gehonoreerd. Daarvoor willen wij dankzeggen. Wij zijn de bewindslieden erkentelijk dat zij met deze wijzigingsvoorstellen zijn gekomen.

Er resteren nog wel een aantal puntjes. Ik noem: de pensioenen, het eigen huis, de positie van ondernemers, de belasting op vermogen, kapitaalverzekering en de inkomenseffecten. Op onderdelen zijn deze onderwerpen in het wetgevingsoverleg aan de orde geweest. De CDA-fractie vindt het van groot belang dat iedere burger in Nederland een goed pensioen kan opbouwen. Daarom moet de premie aftrekbaar blijven. De regering is in het kader van de belastingsherziening 2001 met een oudedagsvoorziening gekomen. De CDA-fractie had ernstige bezwaren tegen de uitwerking van de regering van de invulling van die oudedagsparaplu. Wij vinden dat er een integrale normering voor de fiscale begeleiding van oudedagsvoorzieningen in de tweede en derde pijler moet komen. Hierbij gaat het dan om de vrijwillige voorzieningen. Met de oorspronkelijke voorstellen van de regering was het niet mogelijk om voor iedere belastingplichtige een adequate oudedagsvoorziening op te bouwen. De voorstellen waren beduidend slechter dan het zogenaamde Witteveenkader. Onze kritiek richtte zich op de ongelijkheid in de jaarlijkse opbouw met 1,75 versus 2%, de franchise met 21.000 versus 30.000 en het geheel afschaffen van de ongetoetste lijfrenteaftrek. De SER heeft naar ons oordeel een goed advies gegeven en die raad heeft ook helder aangegeven wat uiteindelijk de verschillen waren tussen de tweede en derde pijler. De raad gaf aan dat die opgeheven moesten worden. De CDA-fractie heeft in de schriftelijke ronde aangedrongen op een drietal aanpassingen: de jaarlijkse opbouw naar de 2%, gelijke franchise en het handhaven van de deblokkering van de spaarloonregeling. De regering heeft die voorstellen in de nota van wijziging overgenomen, zij het globaal, want zij deed dat niet helemaal met betrekking tot de 2%. De amendementen op dit punt heb ik daarom, overigens met genoegen, niet meer ingediend, maar in de prullenmand gegooid. Dank voor het honoreren van de CDA-wensen op dit punt.

De uitwerking van de laatste voorstellen van de regering tonen aan dat er toch tekortkomingen zullen zijn met betrekking tot de oudedagsparaplu. Eén integrale norm is er nog niet. Daarvoor blijft de CDA-fractie wel pleiten. Met het oog op gelijkheid, controleerbaarheid en uitvoerbaarheid is het nodig dat er uiteindelijk één integrale norm komt. Kijkend naar het definitieve voorstel van de regering komen wij tot de conclusie dat het in een aantal situaties niet mogelijk is om een adequate pensioenvoorziening op te bouwen. Er is een te beperkte jaarruimte en een te beperkte reserveringsruimte. De twee ingediende amendementen die de CDA-fractie heeft medeondertekend, willen wat meer ruimte creëren, maar ook de andere indieners zullen erkennen dat er situaties kunnen zijn waarin er toch onvoldoende inhaalruimte is om een volledige en adequate pensioenvoorziening te krijgen, een die gelijk is met die volgens het Witteveenkader. Wij hebben dit in het wetgevingsoverleg al naar voren gebracht. Ik denk in dit verband vooral aan jonge mensen die jaren in het buitenland werken en aan gescheiden mensen. Verder denk ik aan de steeds groter worden groep van jonge ondernemers die jarenlang een laag inkomen hebben genoten en die op enig moment besluiten om in loondienst te gaan. Zij kunnen de inhaalslag niet meer maken. Wij blijven erop hameren dat dit gat in de wet op enig moment gedicht moet worden. Bovendien wordt in de nadere voorstellen van de regering onvoldoende rekening gehouden met de leeftijd. Dat vind ik ook een minpunt. Tevens blijft druk ontstaan doordat met de huidige voorstellen de positie van de alleenstaande dichter in de buurt komt van de positie die voortvloeit uit de SER-voorstellen dan dat het geval is met de alleen- en anderhalfverdieners met hun pensioenopbouw. Op dit punt heb ik in het wetgevingsoverleg nog niet een adequaat antwoord gekregen. Ik weet dus nog niet wat de oorzaak hiervan is en waarom voor deze vorm is gekozen. Waarom wordt niet meer rekening gehouden met loopbaanontwikkeling? Dat gebeurt wel met het Witteveenkader. Kortom, wij vragen de regering in de komende tijd te studeren op de mogelijkheid om uiteindelijk te komen tot één integrale norm voor de fiscale begeleiding van de oudedagsvoorzieningen voor elke belastingplichtige. Dat lijkt ons absoluut nodig vanwege de vergrijzing waarmee wij te maken krijgen. Ik overweeg om op dit punt in tweede termijn een motie in te dienen.

Voorzitter! Dan iets over de voorstellen met betrekking tot het eigen huis. De CDA-fractie is van oordeel dat de regering het eigenwoningbezit dient te bevorderen, ook voor mensen met een smalle portemonnee. Daarom moet de hypotheekrenteaftrek onverkort gehandhaafd worden. Wij hopen dat na deze belastingherziening niet steeds weer opnieuw onzekerheden opborrelen, met name uit de fracties van PvdA en D66. Van GroenLinks weten wij het, maar bij de PvdA of D66 is er steeds weer een enkeling die iets naar boven haalt. Daardoor ontstaat onrust die van bovenaf dan weer boem-pats moet worden ingedrukt. Wij hopen dat die ellende nu voorbij is. De overheid moet betrouwbaar zijn. Burgers gaan langlopende verplichtingen aan. Ik mag toch aannemen dat de PvdA en D66 ook betrouwbaar willen zijn en dat ook tegenover de burgers willen uitstralen.

De CDA-fractie steunt de voorstellen van de regering om het oneigenlijk gebruik van de hypotheekrenteaftrek te voorkomen. Daarvoor is zij met goede voorstellen gekomen.

De heer Schutte (GPV):

Op het gevaar af dat ik dezelfde kritiek krijg als enkele collega's zojuist, ga ik in op het betoog van de heer Reitsma. Hij zegt: niet aan het eigen huis komen vanwege de rechtszekerheid. Maar dat betekent dat je nooit zou kunnen werken aan een wezenlijke wijziging van het stelsel, wat er ook gebeurt. Bij zo'n wijziging komt immers altijd de rechtszekerheid in het geding.

De heer Reitsma (CDA):

Ja. Ik zou mijn handen er ook maar van afhouden. Dat lijkt mij de verstandigste weg. Je bent dan betrouwbaar als het gaat om verplichtingen die burgers voor 30 jaar aangaan. Dat wil ik graag uitstralen.

De heer Schutte (GPV):

Dat is helder. De Nederlandsche Bank signaleerde echter het probleem dat het eigen huis mede vanwege de volledige aftrekbaarheid van hypotheekrente steeds meer alleen mogelijk wordt voor tweeverdieners, omdat starters en alleenverdieners uit de markt worden geprijsd. Ook ik zou nooit voorstellen steunen om het systeem van de aftrekbaarheid van hypotheekrente abrupt te wijzigen, maar zou dit geen argument kunnen zijn om op termijn te bezien of als onderdeel van een totaalpakket een beter systeem mogelijk is dan het huidige simpele systeem, dat alles aftrekbaar is?

De heer Reitsma (CDA):

Nee, daar voel ik weinig voor. Ik wil de zekerheid hierover handhaven. En wat de zorgen van Wellink betreft, lijkt het mij beter dat de minister en de banken om de tafel gaan zitten om te vermijden dat aan burgers een hypotheek wordt verstrekt ter hoogte van vijf of zes keer hun jaarinkomen. Daar zit naar mijn mening een veel groter probleem dan in de aftrekbaarheid van de rente. Ik vind dat in dit debat helder moet zijn dat de politiek zijn handen afhoudt van de aftrekbaarheid van de hypotheekrente. Ik hoop dat u die lijn ook steunt.

De heer Schutte (GPV):

Ik hecht zeer aan de rechtszekerheid van mensen, maar ik loop niet als een blind paard achter allerlei regelingen aan. Dan kun je immers nooit, ook niet over tien jaar, tot wijziging van een stelsel komen waaraan ook negatieve kanten zitten.

De heer Reitsma (CDA):

Dat zijn uw woorden.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Reitsma zegt: handen af van het eigen huis. Maar eerder hield hij een gloedvol betoog, dat het draagkrachtprincipe tot gelding moet komen en dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Een jaar lang debatteren over de hypotheekrenteaftrek heeft toch duidelijk gemaakt dat die faciliteit vooral openstaat voor mensen met een dikke beurs? Deze mensen profiteren het meest van deze fiscale faciliteit, want zij trekken de meeste rente af tegen vaak de hoogste marginale tarieven. Het geld van de schatkist gaat het meest naar de hoogste-inkomensgroepen. Hoe verhoudt het verhaal over "handen af van het eigen huis" zich nu met dat gloedvolle betoog over het draagkrachtprincipe?

De heer Reitsma (CDA):

Ik vind de bevordering van het eigenwoningbezit heel wezenlijk. Dat past heel goed bij een van de andere ijkpunten van de christen-democraten, namelijk het bevorderen van de spaarzin. Het past ook bij het dragen van eigen verantwoordelijkheid voor bezittingen. Daarom vind ik de aftrekbaarheid van hypotheekrente essentieel. Zolang wij een progressief tarief hebben, behoren wij niet te tornen aan de huidige fiscaliteit op dit punt. Als wij over enige jaren richting de flat tax gaan, dan komen wij automatisch bij de situatie waarin elke belastingbetaler hetzelfde tarief in aftrek brengt. De heer Vendrik heeft het wel eens over een percentage van 30 of 35 gehad. Wie dan een hogere hypotheek heeft, krijgt qua som een hogere aftrek, maar iedereen trekt de rente tegen hetzelfde tarief af.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Het meeste geld gaat naar degenen die dit het minste nodig hebben. Degenen met de hoogste inkomens, hebben de hoogste hypotheken en een belastingaftrek tegen het hoogste marginale tarief. Dat is vreemd, vooral voor een fractie die het eigenwoningbezit wil stimuleren. In dat geval zou je het juist moeten omdraaien. U weigert dit gegeven te betrekken bij uw verhaal over draagkracht, namelijk dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Hier gebeurt precies het tegenovergestelde.

De heer Reitsma (CDA):

Ik blijf bij de fiscaliteit. Zolang er een fiscaal systeem is met progressieve tarieven, zijn de aftrekposten aan die progressiviteit gekoppeld. Dat is de dragende gedachte van de fiscaliteit tot nu toe geweest. Dit kabinet schaft de progressieve tarieven niet af, alleen krijgen zij een minder sterk progressief karakter. Zolang het progressieve karakter wordt gehandhaafd, moet er voor de aftrekposten ook die lijn gevolgd worden. Daar wil ik dan ook geen inbreuk op maken. Dit geldt overigens ook voor giften en bijzondere lasten. Ik weet dat u een andere filosofie heeft, maar zolang er progressieve tarieven zijn, ben ik niet van mijn benadering af te brengen omdat ik die rechtvaardig acht.

Het is goed dat het kabinet de bijleenhypotheek en de aflossingsvrije hypotheek aanpakt. Er is daarbij sprake van een verstandig overgangsregime. Die faciliteiten staan haaks op het bevorderen van de spaarzin en de minister van Financiën wordt geconfronteerd met hoge aftrekposten. Verdere ingrepen in de hypotheekvormen wijzen wij af.

Burgers betalen de laatste jaren een fors bedrag aan huurwaardeforfait. Uit de cijfers blijkt dat het huurwaardeforfait de afgelopen tien jaar met 170%, de overdrachtsbelasting met 190% en de onroerendezaakbelasting met 120% is gestegen. Dat is aanzienlijk meer dan de procentuele stijging van de budgettaire effecten van de hypotheekrenteaftrek zelf, namelijk 80%. Ik weet overigens dat de grondslag van de hypotheekrenteaftrek een andere is en dat het totale bedrag hoger is. Procentueel zijn het huurwaarde forfait en de onroerendezaakbelasting de laatste tien jaar gigantisch gestegen en dat irriteert burgers in hoge mate. Dit thema moet op de politieke agenda komen en daartoe heb ik enkele voorstellen gedaan.

Ik stel voor om het huurwaardeforfait te bevriezen. Dan behoeven burgers niet meer te betalen voor hun huis, terwijl zij de waardestijging daarvan niet in handen hebben. Daarnaast stel ik voor burgers te stimuleren hun hypotheek af te lossen. Dat heeft enkele voordelen. De bezitter van een eigen woning die aflost, betaalt in mijn voorstel minder huurwaardeforfait. Daarvan profiteert eenzesde van alle woningbezitters direct, omdat zij geen hypotheek meer hebben op hun woning. Voor de andere woningbezitters kan het aanleiding geven om af te lossen, want aflossing gaat gepaard met een lager huurwaardeforfait. Ook de staat heeft voordelen bij dit plan. Als bezitters van een eigen woning hun hypotheek aflossen, behoeft er minder geld gereserveerd te worden voor hypotheekrenteaftrek. Dat is een voordeel voor de schatkist.

De CDA-fractie wil in dit debat nog een derde voorstel doen. Het blijft in onze ogen vreemd dat alleen de huiseigenaar een gefacilieerde kapitaalverzekering kan afsluiten tot een bepaald maximum. Dat lijkt op een stukje onrechtvaardigheid tegenover de huurders. Dat is ook 50% van het aantal mensen in Nederland. Daarom pleit de CDA-fractie ervoor dat ook huurders kunnen sparen voor de aanschaf van een woning. Zij zouden de mogelijkheid moeten hebben om een kapitaalverzekering, bijvoorbeeld tot een bedrag van ƒ 100.000, af te sluiten. Die kapitaalverzekering moet dan contractueel worden vastgelegd. In de wetgeving zal dan moeten worden vastgelegd dat die middelen alleen mogen worden aangewend voor het kopen van een woning. Het bijkomend voordeel van deze wijze van sparen is dat het bedrag dat jonge mensen bij de aankoop van een huis nog moeten lenen, ook lager is. Een deel kan immers direct worden voldaan uit de uitkering van de kapitaalverzekering. Wordt de uitkering niet aan de koop van een huis besteed – ik vind dat je wel zuiver moet blijven – dan moet uiteraard afgerekend worden met de fiscus. Ik wil niet met de rare grappen worden geconfronteerd die de bewindslieden hebben genoemd: een kapitaalverzekering van ƒ 50.000 is zogenaamd gekoppeld aan de studiekosten van de kinderen, maar als het bedrag vrijkomt, kan men er ook een boot of iets dergelijks voor kopen. Ik overweeg op dit punt in tweede termijn een motie in te dienen.

Dan de positie van de ondernemers. De regering heeft het fiscale regime van de ondernemers er niet overzichtelijker op gemaakt. In het belastingplan 2000, de belastingherziening 2001, het aangekondigde ondernemerspakket voor de 21ste eeuw en het reguliere belastingplan 2001 wordt een aantal wijzigingen aangekondigd. Globaal gesproken is het slecht gesteld met de inkomenspositie van met name de kleine zelfstandigen. Dat baart de CDA-fractie zorgen. Uit de cijfers blijkt dat het vooral gaat om zelfstandigen met een inkomen onder de ƒ 40.000. Dat blijkt ook uit de rapportage die wij van de bewindslieden hebben gekregen. De voorstellen van de regering pakken niet altijd even gunstig uit voor deze groep ondernemers. Over een aantal voorstellen uit het ondernemerspakket komen wij nog te spreken. De CDA-fractie pleit in dit debat in ieder geval voor het handhaven van stakingswinstvrijstelling voor mensen van 55 jaar en ouder en voor het handhaven van het bijzondere tarief van 20% bij invaliditeit en overlijden. Deze twee fiscale faciliteiten zijn bijvoorbeeld voor de agrarische sector en het MKB van wezenlijk belang. De bedrijfsopvolging kan ernstig in gevaar komen als deze twee faciliteiten worden afgeschaft.

De doorschuifregeling is voor lang niet alle gevallen een oplossing. Daarom moeten die twee faciliteiten er blijven, want zij dragen beide ook een sociaal karakter. De praktijk heeft bewezen dat deze faciliteiten noodzakelijk zijn. Daarom heb ik hierover, inmiddels samen met collega Van der Vlies, twee amendementen ingediend.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik heb nog een vraag over het amendement-Reitsma op stuk nr. 46. Daar hebben wij het vorige week even over gehad.

De heer Reitsma (CDA):

Welk amendement is dat?

De heer Vendrik (GroenLinks):

In dit amendement wordt geregeld dat degene die sneller aflost, een lager eigenwoningforfait in rekening gebracht krijgt.

De heer Reitsma stelt dat het amendement ervan uitgaat dat de verlaging van het eigenwoningforfait wordt gefinancierd uit de prikkel die uitgaat van het aflossen van de hypotheekschuld, waardoor minder renteaftrek plaatsvindt. Weet de heer Reitsma zeker dat dit voor de schatkist een voordeel oplevert? Dat was de vorige keer nog onduidelijk.

De heer Reitsma (CDA):

Er zijn bepaalde zekerheden in het leven, maar deze zekerheid ken ik niet. Ik schat wel in dat het ongeveer zo uitpakt.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ongeveer neutraal.

De heer Reitsma (CDA):

Ja, daar ga ik van uit.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Het een heft het ander op. De kosten van een lager woningforfait worden gecompenseerd door een lagere hypotheekrenteaftrek.

De heer Reitsma (CDA):

Ja, daar ga ik een beetje van uit.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Dan hoor ik graag van de bewindslieden of dat klopt.

De heer Reitsma (CDA):

Ik heb het amendement wel aangepast. Ik sprak eerst over de WOZ-waarde. Nu gaat het over de waarde van de woning op het moment dat deze werd gekocht. Dat is in het debat ook naar voren gekomen. Dat was een redelijke suggestie. Anders kan iemand er oneigenlijk van profiteren.

De heer Marijnissen (SP):

Ik meen dat de bewindslieden onder andere tegen het voorstel van de heer Reitsma hebben ingebracht dat er wel heel veel mensen zijn die het huis helemaal hebben afgelost.

De heer Reitsma (CDA):

Dat heb ik net ook gezegd.

De heer Marijnissen (SP):

Als u alles meerekent wat destijds is ingebracht, veronderstelt u dan een neutrale uitkomst? Ik neem aan dat u dat met Financiën hebt afgestemd.

De heer Reitsma (CDA):

Het aardige was dat men bij Financiën er erg veel moeite mee had om daar met grote stelligheid sommetjes op los te laten; tot nu toe was men daar niet toe in staat. Het blijft dus een indicatie; zo eerlijk ben ik wel.

De heer Vendrik (GroenLinks):

U noemt dit een indicatie, maar het gaat hier om miljarden. De hypotheekrenteaftrek kost de schatkist in 1998 14 mld. U gaat ervan uit dat dat bedrag door uw amendement substantieel zal afnemen, maar u weet dat niet zeker. Binnen de kortste keren is er op het punt van de belastinginkomsten dus een gat van 3 mld. of 4 mld. als dit amendement verkeerd uitpakt.

De heer Reitsma (CDA):

De hypotheekrenteaftrek "kost" – zo wil ik het eigenlijk niet eens uitdrukken – bijna 14 mld.; het huurwaardeforfait levert 4 mld. tot 4,5 mld. op. Als door mijn amendement 1 mld. minder aan huurwaardeforfait binnenkomt, zullen veel eigenaren van eigen woningen de vlag uitsteken; daarmee roep ik de VVD-fractie op om mijn voorstel te steunen. De renteaftrek zal dan misschien ook 1 mld. afnemen; dat is een indicatie. U moet het dus niet hebben over 3 mld. of 4 mld.; aan die proporties moet niet worden gedacht.

Voorzitter! De regering is met wijzigingen in het AB-regime gekomen. De kritiek daarop was niet mals; dat is ook in de schriftelijke ronde gebleken. Dat was reden voor de regering om met aangepaste voorstellen te komen. Die voorstellen spitsen zich toe op het AB-tarief en de meesleep- en meetrekregeling. Wij delen de opvatting dat het AB-tarief neerwaarts aangepast diende te worden, omdat er sprake was van een ongelijkheid ten opzichte van het gecumuleerde tarief inzake box I. De regering brengt dit tarief nu snel naar 25% en financiert dat uit de middelen die gereserveerd waren voor het zogenaamde Vpb-opstapje. Dat was echter onvoldoende en daarom is ook voorgesteld om de meesleep- en meetrekregeling in box II te plaatsen; dat vind ik onbegrijpelijk, ondoordacht en onverantwoord. En dan te bedenken dat deze suggestie in dat gekke overleg door de VVD-fractie is ingebracht; ik zou haast zeggen dat ik blij ben dat ik daar niet bij ben geweest, want dat AO leidt alleen maar tot ellende! Het lijkt mij een rare suggestie en er wordt ook forse kritiek op geuit. De hele werkgeverslobby staat op haar achterste poten, want hoe kan juist de VVD-fractie nou met een dergelijk voorstel komen? Is mevrouw De Vries zo blind bezig geweest dat zij, omdat het tarief – in afwijking van het regeerakkoord – beslist van 30% naar 25% moest, zo'n dikke prijs heeft moeten betalen dat het met de meesleep- en meetrekregeling een ellende van jewelste is geworden? Hoort zij wat de mensen van haar voorstel vinden? Volgens mij heeft zij de staatssecretaris in het wetgevingsoverleg ook al stilletjes gevraagd om dit alsjeblieft weer in box I te stoppen. Zij heeft er een bende van gemaakt.

Mevrouw De Vries (VVD):

Volgens mij heeft de heer Reitsma volstrekt geen punt, want anders zou hij niet met zo'n opgeklopt verhaal komen. Heeft hij niet gehoord dat ik ook heb gezegd dat de uitwerking zo complex is dat dat eigenlijk niet de bedoeling is en dat box I misschien interessanter is? Daarmee zou hij een veel realistischer stand van zaken hebben weergegeven. In feite heeft hij nu aangegeven dat hij geen punt heeft. Ik vraag hem daarom om in ieder geval naar wetgevingsoverleggen te komen en om dan ook goed te luisteren.

De heer Reitsma (CDA):

Het lijkt mij het beste dat u dat robbertje zelf maar met de staatssecretaris uitvecht, want volgens mij kun je inderdaad beter voor box I kiezen. Ook de complicaties daarvan moeten echter op een rijtje worden gezet. U hebt zelf deze ellende veroorzaakt en de staatssecretaris heeft dat in wetgeving omgezet, waardoor de wetgeving nu rammelt. Ik wens u heel veel succes, maar het probleem moet wel opgelost worden, want dit is allemaal niks. Op deze manier jaag je elk familielid bij de ondernemer weg, want niemand zal met deze constructie nog bereid zijn om een pand te verhuren en de mede-AB-houders zullen altijd tegen de betrokken AB-houder zeggen dat hij het spul maar moet houden. Zij willen immers niet voor de vennootschapsbelasting opdraaien, omdat de betrokken AB-houder de winst zal opstrijken. Ik snap niet hoe dit, in een normaal wetgevingsproces, in een nota van wijziging is opgenomen. Het zal wel met koehandel te maken hebben. Succes ermee!

Ik heb met genoegen een amendement ingediend omtrent de FOR, gesteund door de coalitiepartijen. Dat lijkt mij een leuke deal, die wij ter plekke hebben gesloten. Dank voor de bereidwilligheid, want dit probleem voor de ondernemers in het MKB en de agrarische sector is nu opgelost.

Ik heb veel gezegd over de belasting op vermogen, maar ik heb nog een paar punten over eventuele aanpassingen. Ik heb een amendement ingediend dat ertoe strekt dat na drie jaar de forfaitaire rendementsheffing geëvalueerd moet worden. Dat kan dan mogelijk de opstap kan zijn naar een vermogenswinstbelasting. Daarnaast is het een rare situatie dat in box I en II wel sprake is van vermogenswinstbelasting is en in box III niet.

Er dient nog eens beter gekeken te worden naar de heffingsgrondslag. Wij stellen voor om de agrarische grond in privé-bezit buiten de rendementsgrondslag te houden. De nettopacht is dusdanig laag dat de forfaitaire rendementsheffing van 4% bij lange na niet wordt gehaald. Het argument van de regering, dat bij verpachte grond een waardestijging plaatsvindt, overtuigt de CDA-fractie niet. De regering had in dat geval moeten kiezen voor een vermogenswinstbelasting. In dat geval had zij dat argument naar voren mogen brengen. De vermogenswinst is bij andere bezittingen in de kabinetsvoorstellen ook niet belast. Bovendien kan en wil een verpachter zijn grond vaak helemaal niet verkopen, want hij heeft daar een emotionele binding mee. Dat is natuurlijk anders bij de institutionele beleggers en bijvoorbeeld de dienst domeinen. Die willen de grond gewoon kwijt. Particuliere grondbezitters raken door de regeringsvoorstellen juist in liquiditeitsproblemen. Dat tast het instituut pacht onevenredig aan en daarmee vervalt een belangrijke financieringsvorm voor de agrariërs. De regering dient één lijn te trekken voor landgoederen, natuurterreinen en agrarische gronden.

Een ander punt betreft de kunst. De CDA-fractie is van oordeel dat kunst buiten de heffingsgrondslag dient te blijven. Daarom heb ik een amendement ingediend dat ertoe strekt de laatste zinnen achter de komma in artikel 5.2.2 te schrappen. Ik weet niet of het kabinet dat bij nota van wijziging wilde overnemen, maar voorlopig ligt mijn amendement er. De kleine spaarders hebben over het algemeen laag renderende beleggingen, die wat de CDA-fractie betreft ontzien moeten worden. Ik heb daarom een voorstel ingediend om het heffingsvrije vermogen van ƒ 37.000 globaal te verhogen naar ƒ 50.000 per persoon. Wij doen dat om de spaarzin te bevorderen.

Ik zeg nadrukkelijk dat ook wij sympathiek staan tegenover de voorstellen van mijn collega's om per kind een bedrag op te voeren bij het heffingsvrije vermogen. Wij zullen die voorstellen steunen. Grote bezwaren heeft de CDA-fractie bij het voorstel van de regering om de kleine schulden niet meer te tellen bij de hoogte van het vermogen. Hier wordt naar ons oordeel de kleine man dubbel gepakt. Eerst wordt de renteaftrek op consumptief krediet afgeschaft en vervolgens mag men geen ƒ 5500 van de schulden in mindering brengen op zijn bezittingen. Dat lijkt ons onredelijk. Daarom heb ik een wijzigingsvoorstel ingediend om dit terug te draaien.

De CDA-fractie staat positief tegenover de regeling maatschappelijk beleggen. Wij hebben twijfels over de maximale grens van groen beleggen en "tante Agaath". Daar zou van een ongemaximeerde grens sprake moeten zijn. Op zichzelf staat de CDA-fractie positief tegenover de gedachte om iets te doen aan studieverzekeringen tot een waarde van ƒ 50.000. De uitwerking van de regeling lijkt mij echter ondoordacht. De middelen kunnen nu ook voor heel andere doelen worden besteed dan studie. Ik nodig de bewindslieden uit om hier met een passende regeling te komen.

De CDA-fractie heeft aangedrongen op een speciale heffing bij speculatiewinsten die op korte termijn behaald worden. Wij denken daarbij aan een identieke regeling zoals die in Duitsland bestaat. Ik overweeg om in tweede termijn eventueel een motie in te dienen om dit in studie te nemen.

Ik kom te spreken over de kapitaalverzekering. De regering is met forse ingrepen gekomen bij de fiscale faciliëring van de kapitaalverzekering. Het overgangsregime van twee jaar in het oorspronkelijke wetsvoorstel leek nergens op. Er was totaal geen eerbiedigende werking. De argumentatie van de regering was naar ons oordeel zwak. Door middel van een nota van wijziging is er wel een betere overgangsregeling gekomen. Deze moet dan wel voldoen aan bepaalde voorwaarden en aan een maximum. Voor een deel van de kapitaalverzekering, waaronder koopsompolissen, is in het geheel geen eerbiedigende werking. De CDA-fractie vindt dat onjuist. Er zijn langlopende contracten aangegaan en de overheid behoort daarbij betrouwbaar te zijn. De regering verdedigt zich door te zeggen dat er ingrepen mogen worden gedaan, omdat er voor een andere vorm van belasting op vermogen is gekozen. De staatssecretaris heeft dat afgelopen vrijdag nadrukkelijk naar voren gebracht.

Ik vind dat deze argumentatie niet zo kan worden gebruikt, omdat er een vorm van belasting op vermogen blijft bestaan. Daarbij komt dat de toenmalige bewindslieden voor de brede herwaardering een garantie hebben gegeven dat de kapitaalverzekeringen voor 100% zouden worden geëerbiedigd. Die garantie wordt door de huidige bewindslieden verbroken. Dat spoort niet met het vereiste dat de overheid betrouwbaar moet zijn. Een en ander is dan ook niet aanvaardbaar voor de CDA-fractie, zeker niet waar het de contracten van voor de brede herwaarderingen betreft.

De regering behoort in principe alle kapitaalverzekeringen die voor 14 september 1999 zijn afgesloten te eerbiedigen. Hoe omgegaan moet worden met de kapitaalverzekeringen van voor de brede herwaardering is volstrekt duidelijk: belofte maakt schuld. Dat is ook de reden dat ik een amendement op dit punt heb voorgelegd.

De CDA-fractie heeft eveneens moeite met het feit dat een aantal contracten voor lijfrenteverplichtingen niet wordt geëerbiedigd. Wij nodigen de regering uit om nog eens inhoudelijk in te gaan op de vraag waarom hier niet een vorm van eerbiedigende werking is voorgesteld.

Voorzitter! Ik kom bij de inkomenseffecten. Deze belastingherziening heeft nogal wat inkomenseffecten. De inkomenseffecten voor bepaalde groepen en de inkomenseffecten voor individuele belastingplichtigen kunnen heel verschillend uitpakken. Ondanks de 5 mld. smeerolie – ook een vorm van lastenverlichting – zal een enkele groep zelfs in de min terechtkomen. Ik zeg er nadrukkelijk bij dat dit een enkele groep betreft. De inkomenseffecten voor individuele gevallen kan in bepaalde gevallen heel negatief uitvallen. De regering heeft daarvoor bij deze belastingherziening niet altijd evenveel oog. Mijn fractie betreurt dat. Een en ander heeft vooral betrekking op ondernemers die hun bedrijf beëindigen, werknemers met hoge werkelijke beroepskosten en belastingplichtigen die relatief veel gebruik maken van aftrekposten. Deze kunnen in de min terechtkomen.

Heel erg zorgelijk vindt de CDA-fractie de onevenwichtigheid van de inkomenseffecten voor de middeninkomens, de ouderen, de alleenverdieners, de 1,2 à 1,4-verdieners, de zelfstandigen en de mensen met kleine baantjes. Daarop was de harde kritiek van de CDA-fractie gericht bij het verschijnen van het oorspronkelijke wetsvoorstel.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Reitsma doet nu opnieuw de uitspraak dat er ook bij het voorliggende belastingplan groepen zijn die er onvoldoende op vooruitgaan, dan wel het risico lopen dat zij erop achteruitgaan. Helemaal in het begin van zijn betoog zei hij dat er grenzen moeten worden gesteld aan de lastenverlichting. Ik ben overigens blij dat ik dit geluid vaker van de CDA-fractie heb gehoord. Waar komen deze twee invalshoeken bij elkaar? Je kunt niet eindeloos groepen willen bedienen en tegelijkertijd harde grenzen stellen aan de lastenverlichting. Zet de heer Reitsma nu in op een lastenverlichting van 6 mld. of komt hij lager uit? Welke groepen gaan voor die lastenverlichting betalen? Het geld moet toch ergens vandaan komen.

De heer Reitsma (CDA):

Ik accepteer het financiële kader dat het kabinet tot nu toe heeft gebruikt voor de lastenverlichting. Ik ben van mening dat dit bedrag nodig is als smeerolie. Alleen zo kan men komen tot met een redelijk evenwichtig pakket voor iedereen. Binnen dat kader is een aantal onevenwichtigheden ingebouwd die binnen dat kader moeten worden rechtgezet. Een helderder antwoord kan ik niet geven.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Reitsma accepteert dus dat die lastenverlichting oploopt naar 5,8 mld. en misschien nog wel hoger?

De heer Reitsma (CDA):

Ik kom daar nog op terug.

Voorzitter! Ik bedank de regering dat zij na de kritiek op 14 september vooral voor de middeninkomens, de ouderen en de mensen met kleine baantjes met aanzienlijke verbeteringen is gekomen. Dat is prima, maar belofte maakt dan ook schuld. Over twee punten willen wij toch nog helderheid van de regering. Dat betreft de financiering van de inkomensreparatie. Dat is het punt dat de heer Vendrik zojuist aansneed. Mijn andere punt betreft de onevenwichtigheden. Bij de dekking kunnen grote vraagtekens worden gezet. De opbrengst van de verlaging van de AWF-premie is ingezet voor inkomensreparatie van de middeninkomens. Wat als na enige jaren de premie weer verhoogd moet worden? Is de dekking dan wel structureel? Wie hebben straks de inkomensnadelen als er premieverhoging plaatsvindt? Dat zijn dan toch de middeninkomens. De middelen die eigenlijk gebruikt hadden moeten worden voor de verlaging van de premies – het hoort bij het verzekeringskarakter – heeft de minister gebruikt voor het inzetten van inkomenspolitieke doelen. Die doelen pasten de minister wel. Als de premie weer verhoogd wordt, dan vind ik het een riskante operatie. Waarom heeft de minister het op deze manier gedaan? De ouderen en de middeninkomens zijn kwetsbaar.

Verder staat het haaks op de motie-Bolkestein. Die geeft aan dat er geen inkomenspolitiek gevoerd mag worden met werknemersverzekeringen. De CDA-fractie heeft die motie van harte gesteund. Wat doet minister Zalm? Hij gaat dwars tegen deze motie in: toch de middelen gebruiken voor het voeren van inkomenspolitiek. Waar zijn de door hem aangekondigde 750 mln. Schoorlmiddelen gebleven? Dat waren toch andere middelen dan de WW-premiemiddelen. Ik had het zo begrepen en de anderen ook. De analyse zou kunnen zijn dat de argumenten van de minister in het kabinet niet al te zwaar hebben geklonken en dat men het niet leuk vond dat hij voor zijn beurt sprak. Het is ook mogelijk dat in het overleg waar ik en de collega van GroenLinks niet bij waren, de VVD de slag heeft verloren en tegen de PvdA en D66 heeft gezegd: die 5 mld. is genoeg en niks geen Schoorlmiddelen. Ik proefde dat al bij het kleine belastingplan. Gefeliciteerd dat jullie die slag hebben gewonnen. Men heeft de VVD-fractie aardig in de mangel gekregen. Het kabinet heeft de minister aardig in de mangel gekregen.

In combinatie met de verlaging van de AWF-premie is het arbeidskostenforfait afgeschaft. Afschaffing van het arbeidskostenforfait werkt ook nog eens nivellerend. De VVD hamert er altijd op dat het kabinet dat niet mag doen. Veel erger is dat een tweede onzekerheid is ingebouwd voor de middeninkomens. Als het economisch wat slechter gaat, dan moet ook dat weer met andere middelen worden gerepareerd. Al met al is het een mooie draai. De middeninkomens zijn in ere hersteld, maar de kwetsbaarheden en onzekerheden zijn ingebouwd. Welke zekerheid hebben de middeninkomens bij de VVD? Hetzelfde geldt voor de fractie van de PvdA, want ze trekt zich niet veel meer aan van de minstverdienenden en de uitkeringsgerechtigden. Ik vind het nogal kwetsbaar. De financiering is niet mooi.

Dan het uiteindelijke inkomensplaatje. Er zijn te veel onevenwichtigheden, ook na de tweede nota van wijziging. Er heeft een forse nivellering plaatsgevonden in het gehele inkomensplaatje. De VVD heeft wel een hoge prijs moeten betalen voor het verlagen van het toptarief en het binnenhalen van de forfaitaire rendementsheffing. Het toptarief is zelf betaald door het afschaffen van de aftrekposten. Er heeft een denivellering plaatsgevonden tussen werkenden en niet-werkenden. Dat wordt vooral veroorzaakt door per saldo 3 tot 3,5 mld. extra te stoppen in de arbeidskorting. Ik tel de middelen voor 2000 er maar bij op. Daarvan profiteren niet-werkenden en de ouderen niet. Die groepen worden bewust op achterstand gezet. De CDA-fractie vindt dat qua rechtvaardigheid niet aanvaardbaar. De cijfers spreken voor zich. Inkomenseffecten van de belastingherziening bij een inkomen onder de ton: werkenden en alleenverdieners gaan er 3 tot 6% op vooruit. Alleenverdienende werkenden gaan er 1 tot 4,5% op vooruit. Waarom dat verschil? Het partnerstelsel is toch beter! Ouderen gaan er 1 tot 3% op vooruit. Waarom een verschil met werkenden? Sociale mimina gaan er 1,8 tot 3% op vooruit. Dat is beduidend minder dan werkenden. Alleenstaanden met WW of WAO gaan er 2 tot 3,5% op vooruit en alleenverdieners met WW of WAO 0,5 tot 2%. Bij vutters is er zelfs sprake van een kleine min tot 4%. Ik vind dit niet evenwichtig.

Waar blijft de toezegging van de PvdA dat de koppeling in stand moet worden gehouden? Formeel blijft de koppeling in stand, maar via de achterdeur wordt deze behoorlijk uitgehold. Werkenden worden op voorsprong gezet. Niet werkenden krijgen minder. Ik kan dit niet als sociaal beleid kenschetsen. De CDA-fractie vindt dat dit gecorrigeerd moet worden. Dat is de reden waarom de CDA-fractie, op onderdelen met andere fracties, een extra ouderenkorting heeft neergezet voor inkomens tot ƒ 58.000 en een extra korting voor de niet-werkenden die een arbeidsverleden hebben tot ƒ 58.000 van ƒ 100. Dit wordt gefinancierd via het verlagen van de arbeidskorting. Dit werkt naar twee kanten. De inkomensverschillen worden op die manier kleiner, waardoor wij de mensen weer recht in de ogen kunnen kijken. Ik zou graag willen dat de paarse partijen daar meer oog voor hadden.

Ik heb al gezegd richting VVD-fractie: waar blijft de toezegging aan de ouderen? In de verkiezingscampagne heeft zij erop gehamerd dat ouderen qua inkomen welvaartsvast volledig met werkenden mee moesten gaan. Nu zet zij die ouderen op achterstand en verbreekt zij haar belofte. Ik raad haar aan ons amendement inzake de ouderenkorting te steunen.

Mevrouw De Vries (VVD):

Begrijp ik goed dat de heer Reitsma volstrekt niet weet waarover hij het heeft als het gaat over welvaartsvast? Dat betrof de AOW en ik geloof niet dat de AOW hier in het geding is. Ik vraag hem om, voordat hij dat soort taal weer uitslaat, de stukken goed te bestuderen. Als je de inkomensplaatjes van ouderen bekijkt, blijkt dat de ouderen er eigenlijk heel goed af komen.

De heer Reitsma (CDA):

Ik daag u uit te bezien wie de stukken het beste bestudeerd heeft. Maar misschien is het beter de strijdbijl wat dat betreft te begraven.

Waar gaat het materieel om? Als men met voorstellen komt waarbij werkenden er met 3 tot 6% op vooruitgaan en tegelijkertijd met voorstellen waarbij ouderen er met 1 tot 3% op vooruitgaan, wie zijn dan de dupe? Wie zorgt er dan voor dat ouderen niet hetzelfde mogen verdienen via het uitkeringscircuit als werkenden? Dat is de VVD-fractie. Zij veroorzaakt in feite deze breuk. Laat die fractie het de ouderen maar eens vertellen! Dat beeld moet gecorrigeerd worden, want nu wordt geen eerlijke schets gegeven van wat de VVD in de verkiezingen elke keer naar voren heeft gebracht.

Voorzitter! Door nadrukkelijk in te zetten op de individualisering in de belastingherziening ontstaat er een derde onevenwichtigheid, namelijk het verschil tussen werkende alleenstaanden enerzijds en alleenverdieners en kleine tweeverdieners anderzijds. De verschillen zijn 2%. Dit hoort gecorrigeerd te worden. Ik heb aangegeven hoe dit kan.

De voorstellen van de Paarse partijen omtrent de kinderkorting versterken het negatieve beeld tussen alleenverdieners en tweeverdieners nog meer. Daarom vind ik mijn voorstel ten aanzien van de kinderkorting evenwichtiger. Het gaat om een kinderkorting ongeacht de taakverdeling tussen partners in een leefsituatie. De Paarse partijen koppelen dit aan een verplichte leefsituatie. Wat ik de VVD kwalijk neem, is dat volgens deze partij niet-werkenden helemaal geen kinderkorting behoren te krijgen. Ik ben blij dat PvdA en D66 wat dit betreft met een voorstel – ik vind het een mager voorstel – zijn gekomen. Dit onderscheidt die partijen van de VVD, de partij die geen oog heeft voor niet-werkenden met kinderen. Ik zou graag gezien hebben dat het voorstel van PvdA en D66 wat ruimhartiger was geweest en ik zou er graag over in discussie gaan of wij onze voorstellen niet wat dichter bij elkaar kunnen brengen, opdat wij een meerderheid kunnen vormen om ook voor die mensen met kinderen een korting te laten gelden. Ik werp deze fracties de handschoen toe en ik hoop dat wij een compromis kunnen bereiken.

Onze fractie is er tevreden over dat het kabinet nu ook degenen met een klein baantje wil laten profiteren van de arbeidskorting, maar wij vinden dat het voorstel op dit punt anders had moeten worden uitgewerkt. De toekenning had proportioneel moeten zijn voor iedereen. Daarom heb ik vandaag een amendement ingediend om de rare "knik" in het plaatje eruit te halen. Het is ook de wens van de vakbeweging om de arbeidskorting wat evenwichtiger te maken. Mijn voorstel betekent dat de arbeidskorting voor de kleine baantjes wat omhoog gaat en dat ze, omdat het budgettair neutraal moet zijn, voor degenen met de hoogste inkomens iets lager wordt. Maar daar heb ik weinig moeite mee.

Vanaf 27 jaar komt men niet meer in aanmerking voor aftrek wegens buitengewone lasten bij ziekte of invaliditeit. Wij hebben hierover in het wetgevingsoverleg uitvoerig gesproken. De CDA-fractie is van mening dat inwonenden die ouder dan 27 jaar zijn, deze aftrekpost moeten behouden. Hier valt immers ook een stukje mantelzorg onder. Het departement heeft aangegeven dat dit amendement 15 mln. kost. Ik zal hier ook een dekking voor geven, maar ik durf de stelling aan dat met dit amendement fors bespaard zal worden op de kosten van de zorg door instellingen. Als mensen vrijwillig, in hun eigen huis, voor zieke en invalide mensen zorgen, bespaart dat de minister van Volksgezondheid gigantische bedragen, omdat er dan geen gebruik hoeft te worden gemaakt van dure instellingen. Die instellingen moeten er wel zijn, maar er zijn wachtlijsten en wij moeten dankbaar zijn dat er nog mensen zijn die zieken thuis willen verzorgen. Wij vinden dat daar een kleine fiscale faciliteit bij behoort.

Ik heb een amendement ingediend om op bepaalde onderdelen indexering toe te passen. Ik wijs in dit verband op de aftrek van 60 cent per kilometer. De regering schrapt de werkelijke beroepskosten. Op dit punt blijven bepaalde onevenwichtigheden bestaan. Enkele groepen, zoals muzikanten met hoge beroepskosten en werknemers wier werkgever dergelijke kosten niet betaalt, komen in grote problemen. Ik ben bereid, mocht dit voor de regering een oplossing bieden, de grens iets hoger te leggen, zodat het beslag op het budget wat geringer is. Ik sta daar open voor, maar ik vind dat er een vorm van aftrek voor deze beroepskosten moet blijven bestaan en daarom heb ik dit amendement ingediend.

De CDA-fractie is van oordeel dat de fiscaliteit sterker rekening moet houden met het vrijwilligerswerk. Ik heb in het begin van mijn betoog dit punt al genoemd. Daarom bepleiten wij verhoging van de onbelaste vergoeding van vrijwilligers, die nu ƒ 1400 bedraagt. Volgens mij wil een meerderheid van de Kamer dit naar ƒ 2400 verhogen. Ik doe een beroep op het kabinet om dit voor te stellen en geen verdere korting op bijstandsuitkeringen toe te passen als die mensen vrijwilligerswerk doen waarvoor zij een vergoeding krijgen.

De CDA-fractie meent dat als er een langstlevendetestament is gemaakt, het aandeel van de kinderen niet in de grondslag van een forfaitaire rendementsheffing moet worden opgenomen. Volgens mij blijkt uit de nota van wijziging en uit de schriftelijke beantwoording dat dit probleem voldoende opgelost is. Als dit niet zo is, hoor ik dat graag van de staatssecretaris.

Wat moet er gebeuren als een langstlevende bij testament het vruchtgebruik wordt toegekend? De CDA-fractie gaat ervan uit dat in zo'n geval niet de kinderen in de forfaitaire rendementsheffing vallen, maar de vruchtgebruiker. Ik wil hiervan graag een bevestiging horen, want dit is nog niet aan de orde geweest. Is deze benadering juist?

Grote moeite heeft de CDA-fractie met gevallen waarbij in de afgelopen jaren ouders het vruchtgebruik van een woning hebben gekregen en dit contractueel hebben vastgelegd, maar waarvoor de staatssecretaris in bestaande gevallen geen overgangsregeling biedt. Ik heb een amendement neergelegd om voor mensen die 65 jaar en ouder zijn, ik beperk mij dus tot de ouderen, alsnog een overgangsregeling te maken. Het gaat dan om contractueel vastgelegde situaties.

Ik rond af. Het CDA is een partij met een missie om te werken met een betrokken samenleving waarin respect, naastenliefde en verantwoordelijkheid centraal staan. Die gedachte willen wij ook laten doorklinken in de discussie over de belastingherziening. Onze opvatting is dat de mens er niet alleen is voor zichzelf, maar tot zijn recht komt in relaties met anderen. Dat hebben wij concreet politieke invulling willen geven via onze gedachten over het partnerstelsel en het voorstel omtrent de kinderkorting. Het uitgangspunt van de naastenliefde moet er concreet toe leiden dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen en dat er recht gedaan wordt aan de werkelijke inkomsten. Vandaar ons pleidooi voor de vermogenswinstbelasting. Hoewel ik besef dat er in het regeerakkoord al veel is dichtgetimmerd, wil de CDA-fractie deze week graag met de bewindslieden en de paarse partijen een principieel debat voeren, al was het maar omdat wij allen weten dat de politiek moet inspelen op nieuwe ontwikkelingen in de samenleving. Niet alleen volgend, maar ook sturend vanuit een eigen opvatting. De 21ste eeuw is nog maar net begonnen!

De voorzitter:

Ik heb enig overleg gevoerd en in tegenstelling tot wat op de sprekerslijst staat, lijkt het mij verstandig dat nu de heer Van der Vlies aan het woord komt en dat wij na hem schorsen voor de avondpauze. Dit is ook met de heer Bos overlegd en hij vond dit een goed idee.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter! Het belastingplan voor de 21ste eeuw heeft veel pennen en tongen in beweging gebracht. De contouren van het plan waren in de nota "Belastingen 21ste eeuw, een verkenning", reeds geschetst. Deze verkenning was echter niet meer dan een globale inleiding. Vandaar dat het uiteindelijke wetsvoorstel dat medio september bij de Kamer werd ingediend nog vele nieuwe feiten en verrassingen bevatte, met name in de sfeer van de uitwerking en de detaillering van de eerder aangegeven grote lijnen en met betrekking tot het overgangsrecht. Het was dan ook om die reden, dat de SGP-fractie niet gelukkig was met het tempo waarin de fundamentele regeringsplannen door het parlement zouden worden geloodst. Ik kom daar aan het slot van mijn bijdrage nog op terug.

De twee langdurige en als constructief ervaren sessies van vorige week maandag en vrijdag stonden geheel en al in het teken van "de techniek". Ik zet dit tussen aanhalingstekens omdat techniek belangrijk kan zijn met een grote impact. Het wetsvoorstel is artikel voor artikel doorgekropen, waarbij alle ins en outs uitgebreid aan de orde kwamen. Het is wat de SGP-fractie betreft niet de bedoeling om vandaag die grote klus nog eens dunnetjes over te gaan doen. Mijn bijdrage staat dan ook in het teken van een algemene beschouwing over en de beoordeling van wat voorligt.

De SGP-fractie vindt het jammer dat de discussie vaak zo nadrukkelijk ging over inkomenseffecten en koopkrachtplaatjes. De mens laat zich gemakkelijk leiden door de simpele vraag: wat betekenen de voorstellen in mijn knip? Dit is echter eenzijdig, zeker vanuit een doorleefd besef van gemeenschapszin en de daarbij behorende verantwoordelijkheden voor elkaar en de samenleving. Er bleken aanvankelijk nogal wat effecten in de min te zitten. De 5 mld. die in eerste instantie als smeermiddel moest dienen om de overgang naar het nieuwe belastingstelsel soepel te laten verlopen, heeft gaandeweg veel kritiek doen verstommen. Toen er ook nog eens 1 à 2 mld. extra uit het WW-fonds in het nieuwe stelsel en in de tarieven versleuteld kon worden, leek de situatie te ontstaan waarin de regering zich nog slechts weinig moeite hoefde te troosten om voldoende steun voor de belastingherziening te verwerven. Natuurlijk moet ik toegeven dat de laatste financiële injectie was bedoeld om de knelpunten die ook mijn fractie heeft gesignaleerd – met name bij de middeninkomens, de mensen met een deeltijdbaan en de ouderen – weg te nemen.

Ook is de vraag gesteld, of die 6 à 7 mld. niet heel nuttig aan andere dingen besteed hadden kunnen worden. Genoemd werden de beleidsterreinen van onderwijs, zorg, veiligheid en natuurlijk werd niet ten onrechte verwezen naar de nog altijd torenhoge staatsschuld. Wij willen daarvoor graag aandacht blijven vragen. Het gaat wat ons betreft om een verstandige mix. Ik denk dat wij daarover bij gelegenheid van de Voorjaarsnota heel uitvoerig komen te spreken, nu wij met een begrotingsoverschot van doen hebben. Voor dit moment aanvaardt de fractie van de SGP de gegevenheid die ik zojuist schetste. Belastingverlichting is, mits die heel rechtvaardig wordt verdeeld, niet verkeerd.

Ook ik herinner aan de Kameruitspraak neergelegd in de motie-Bolkestein, namelijk dat er geen inkomenspolitiek gevoerd zou worden met werknemersverzekeringspremies. Er is echter wel sprake van enige overtreding wat dit betreft. Deze minister van VVD-huize, die zeker niet om spilzucht bekend zal willen staan, moet zich dit toch een tikkeltje aantrekken. Maar goed, in een coalitie moet je wel eens wat!

Het heffen van belastingen is een eeuwenoud en beproefd mechanisme. Ook in de Bijbel kom je dat tegen. Al in Genesis 14 lezen we over het geven van tienden. Het gaat daar over Jozef die als onderkoning het Egyptische volk – met uitzondering van de priesters – verplichtte tot het afstaan van derde delen aan de farao. Dat gebeurde met name met het oog op de zeven magere jaren van honger en schaarste die waren voorspeld. Veel later, toen het volk Israël zelf een koning begeerde, waarschuwde de profeet Samuel dat men wel moest weten wat daarvan de consequenties konden zijn. Het volk nam deze consequenties voor haar rekening en zo ontstond als gevolg van de vestiging van de monarchie een uitgewerkt belastingstelsel, inclusief het daarvoor benodigde ambtenarenapparaat. Dit stelsel was gebaseerd op herendiensten voor mannen en vrouwen en op vertiending van landbouw- en veeteeltproducten. De ene vorst of koning maakte het zwaarder voor de ingezetenen dan de andere. De extreme belastingdruk die Rehabeam het volk wilde opleggen toen hij klaar stond om zijn vader Salomo op te volgen, werd zelfs aanleiding tot het uiteenvallen van Israël in twee rijken.

De profeten in het Oude Testament hebben zich vaak scherp gekeerd tegen de te hoge belastingdruk. Deze rustte ook toen al immers maar al te vaak op het armste deel van het volk.

Dat brengt ons tot de Bijbelse noties dat belastingheffing rechtvaardig en billijk moet zijn, dat de belastingdruk in verhouding moet staan tot de rechtmatige overheidsverplichtingen en dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen; het draagkrachtbeginsel dus!

Ook in de nieuwtestamentische tijd werd de belastingdruk als dermate hevig ervaren, dat er vele afvaardigingen naar het keizerlijke hof in Rome werden gezonden teneinde om verlichting te smeken. Uiteindelijk zou volgens wetenschappers de beroemde volkstelling van Lucas 2 – het kerstverhaal – een opdracht van de Romeinse keizer zijn om zo tot een rechtvaardiger belastingsysteem te komen, via de invoering van een hoofdelijke omslag. Er ontstonden twee soorten belasting: het "tributum soli" op landbouwproducten en het "tributum capitis", een hoofdelijke omslag die ook voor bezittingen gold. De tollenaren, die die belasting inden, werden door het volk gehaat vanwege hun gewetenloze methoden waarbij zij corruptie en afpersing niet schuwden. Met dat bijeengebrachte belastinggeld – via vorsten en landvoogden ging het naar de keizerlijke schatkist – werden vele niet te verdedigen activiteiten gefinancierd. Denk maar aan de decadente en bloedige spelen te Rome en aan het dagelijkse offer voor het welzijn van de keizer. Desondanks verzette de Heere Jezus zich niet tegen de belastingplicht van toen. Met zijn uitspraak "geef de keizer wat des keizers is" erkent hij het recht van de overheid in dezen. Ik geef toe, er volgt wat op en als SGP'er wil ik dat gezegd hebben: geef Gode wat Gods is. Maar dit terzijde.

In nauwe relatie hiermee staat de tekst in Romeinen 13: "Want daarom betaalt ge ook schattingen, want zij zijn dienaars Gods in ditzelfde geduriglijk bezig zijnde". Welnu, de belangrijke notie die wij hieraan kunnen ontlenen, is dat de overheid en de belastingplichtige gescheiden verantwoordelijkheden hebben. Enerzijds wordt de overheid op diverse plaatsen in de Bijbel impliciet of expliciet op haar taak en roeping gewezen om het kwade te beteugelen en haar onderdanen in het goede voor te leven. Anderzijds geeft de Bijbel de burger geen vrijbrief om op grond van het feit dat de overheid zich, betreurenswaardig genoeg, weinig aan haar roeping gelegen laat liggen, zich aan zijn belastingplicht te onttrekken. Wij hebben hierover bij de behandeling van de fiscalisering van de omroepbijdrage een discussie gevoerd. Die doen wij uiteraard niet over, maar ik herinner er wel aan.

Voorzitter! Het zijn bovengenoemde Bijbels gefundeerde noties waaraan de SGP-fractie de belastingherziening 2001 wil toetsen. Ik vind dit een geschikt moment om daarover uitvoerig te spreken. Wij doen dat niet altijd. We behandelen vaak belastingwetten, maar nu gaat het om een fundamentele stelselwijziging en het is toch de bedoeling dat dat in deze discussie tot uiting komt. Daarom heb ik de vrijheid genomen om onze oriëntatie helder aan te geven en daarvoor aandacht te vragen.

Het gaat er bij deze herziening om in hoeverre het belastingplan aan het ideaalbeeld dat ik schetste tegemoetkomt of, kan het zijn, voldoet. Daarnaast willen wij het wetsvoorstel beoordelen tegen de achtergrond van de bestaande situatie onder de Wet inkomstenbelasting 1964 en bekijken in hoeverre de nieuwe plannen een wezenlijke verbetering betekenen. Dit is een principiële maar ook praktische benadering.

Allereerst constateer ik dan dat er aan het nieuwe belastingplan geen enkel funderend beginsel ten grondslag lijkt te liggen. In het regeerakkoord wordt gesproken over het creëren van een robuust belastingstelsel met bredere grondslagen en lagere tarieven in de loon- en inkomstenbelasting. Het is dan ook onze indruk dat het de regering er bij deze belastingherziening primair om te doen is, dat een stabiele belastingopbrengst wordt veiliggesteld. Op zichzelf is daar niets tegen in te brengen. Het belastingstelsel dient er immers toe om inkomsten voor 's Rijks schatkist te genereren. Dat is legitiem. Tegelijk kan niet worden ontkend dat het belastinginstrument voluit een beleidsinstrument is. Je kunt ermee sturen, mee beïnvloeden en er gedragscorrectie mee aanbrengen: aanmoedigen en ontmoedigen noemen we dat. En daar zit wat de SGP-fractie betreft nu juist het probleem. Nogmaals het lijkt erop dat het bij deze belastingherziening voornamelijk gaat om geld, geld, geld, om een voor het kabinet bekende drieslag te parafraseren. Naar de mening van de SGP-fractie zijn de in het wetsvoorstel neergelegde fiscale en niet-fiscale doelstellingen hieraan vaak ondergeschikt geraakt. Misschien was dit niet de bedoeling, maar zo oogt het geheel. Anders gezegd: het gaat er primair om dat er een zo breed mogelijk systeem van belastingheffing komt. Kunnen eventueel ook andere doelstellingen worden verwezenlijkt, dan is dat mooi meegenomen.

Overigens kan de SGP-fractie wel instemmen met een aantal doelstellingen die in het voor ons liggend wetsvoorstel naar voren worden gebracht. Ik noem de nagestreefde evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de belasting- en premiedruk en het uitgangspunt van de vergroening, hoewel wij een eigen mening hebben over de mate waarin deze met de huidige voorstellen zal worden gehaald.

Ik wijs ook op de impliciete doelstelling met dit wetsvoorstel: het traditionele kostwinnersmodel dat in de achter ons liggende jaren steeds meer werd losgelaten, uitschakelen. Daardoor wordt het met het huidige stelsel vanouds erkende belang van het gezin – te denken valt aan het thuis verzorgen en opvoeden van kinderen – nu in belangrijke mate definitief ingeperkt. Op grond van – laat ik dat zo maar aanduiden – Bijbels gefundeerde noties is het monogame huwelijk in de visie van de SGP-fractie de enige door God gegeven inzetting, waarbinnen man en vrouw een duurzame samenleving kunnen en mogen voeren. Door het huwelijk ontstaat als het ware een twee-eenheid; naar binnen toe is weliswaar sprake van twee individuen, maar naar buiten toe manifesteert de samenleving zich als een eenheid. Daarom kan het gezin worden beschouwd als de hoeksteen van de samenleving of als de kleinst mogelijke economische eenheid. De SGP-fractie vindt het verwerpelijk dat deze kleinst mogelijke eenheid als gevolg van het nieuwe belastingsysteem in toenemende mate wordt opengebroken en dat de economische onafhankelijkheid van veelal vrouwen via financiële prikkels nog verder wordt afgedwongen. De individualisering en de economische zelfstandigheid vormen helaas een rode draad in de voorstellen die nu voorliggen. Met name in de gezinnen met lage inkomens zullen moeders met kinderen als gevolg van de prikkels die in de belastingherziening zijn ingebouwd, zich min of meer gedwongen voelen om de arbeidsmarkt op te gaan. Daar komt nog bij dat er immers een, wat je noemt, ruim aanbod van fiscaal gestimuleerde vormen van kinderopvang wordt opgezet. In dit verband verwijs ik naar het pleidooi van mijn fractie om de gelden die daarmee gemoeid zijn via ophoging van de kinderbijslag te verdelen. Dat doet onzes inziens meer recht aan de eigen verantwoordelijkheid van de ouders. Ik had het over de moeders, maar uiteraard hebben ook de vaders in dit verband een heldere verplichting.

In de context van de huidige voorstellen vraag ik mij af, in hoeverre er voor de groep ouders met kinderen de facto sprake is van een reële keuzemogelijkheid. De SGP-fractie pleit ervoor om die gezinnen met kinderen niet achter te stellen ten opzichte van tweeverdieners, zeker niet als sprake is van een alleenverdienerssituatie en één ouder de kinderen thuis verzorgt. Hoewel de regering in de memorie van toelichting op bladzijde 24 zegt dat met voorliggend wetsvoorstel "een stap wordt gezet op de weg naar verdere individualisering van het belastingstelsel, waarbij draagkrachtbepalende factoren, zoals het hebben van een partner zonder inkomen, niet worden veronachtzaamd", constateer ik dat er feitelijk wel sprake is van een achterstandssituatie voor eenverdieners. De inkomenseffecten als gevolg van de belastingherziening 2001 blijven voor deze groep immers achter bij de inkomenseffecten voor alleenstaanden en tweeverdieners. Het is dan ook tegen de achtergrond van dit gegeven dat mijn fractie het amendement op stuk nr. 29 heeft ingediend om tot een zorgkostenforfait te komen.

Naast de betreurenswaardige werking van deze effecten van de belastingherziening voor de gezinnen voorziet de SGP-fractie dat deze maatregelen zullen leiden tot een verdergaande en bepaald niet in alle opzichten risicoloze individualisering van onze samenleving. Ik denk aan de gevolgen die dit zal hebben voor onder meer de mantelzorg en het vrijwilligerswerk. De inzet van de regering is er, mede in voorliggend wetsvoorstel, duidelijk op gericht om zoveel mogelijk mensen aan betaald werk te krijgen. Dat is een reëel doel dat wij kunnen steunen, maar je kunt dat ook overaccentueren. Door zo'n te expliciete benadering lijken de mensen die er al dan niet bewust voor kiezen om geen betaalde arbeid te verrichten maar zorg te geven aan een gezin of vrijwilligerswerk te doen, linksom of rechtsom te worden gediskwalificeerd. Het gevolg daarvan is dat er in de toekomst minder mensen beschikbaar zullen zijn om allerlei nuttige, onbezoldigde taken in de totale breedte van de samenleving, waarvoor deze inzet immers het cement is, te verrichten. Dit is dan ook een illustratie van wat ik eerder in mijn bijdrage suggereerde over het pragmatisme waarmee de regering bepaalde doelstellingen in haar belastingplan heeft ingepast en andere heeft laten liggen.

In het regeerakkoord en in andere beleidsstukken spreekt de regering behartigenswaardige woorden over sociale cohesie en maatschappelijke betrokkenheid. Dat is prima, maar waar wordt dit nu in dit voorliggende belastingsstelsel precies gefacilieerd? Vandaar dat ik nogmaals graag aandacht vraag voor mijn amendement op stuk nr. 29. Iemand die ervoor wil kiezen om thuis kinderen of verwanten te verzorgen of om zich als vrijwilliger voor allerlei maatschappelijk relevante en nuttige activiteiten in te zetten, moet dat in alle vrijheid kunnen doen, zonder dat de persoon daarmee vergelijkenderwijze in zijn of haar inkomenspositie wordt getroffen. De hoogte van de zorgkorting die wij in ons amendement hebben voorgesteld, ƒ 500 per kalenderjaar, is arbitrair maar redelijk. De Vakcentrale voor middelbaar en hoger personeel pleitte zelfs voor een zorgforfait van ƒ 2000.

Mevrouw Giskes (D66):

Voorzitter! Moeten volgens de heer Van der Vlies degenen die kiezen voor een zorgend bestaan zonder dat zij een partner hebben die in hun onderhoud voorziet, ook worden vrijgesteld van de verplichting om zelf inkomen te verwerven?

De heer Van der Vlies (SGP):

Als het de verzorging van kinderen betreft, is mijn houding dezelfde. Overigens mogen wij burgers ook op hun verantwoordelijkheid wijzen om voor een inkomensbron te zorgen. In een belastingstelsel zoeken wij nu juist een evenwicht tussen alle mechanismen.

Mevrouw Giskes (D66):

U dwingt degenen die zorg als ambitie hebben, een partner te vinden die in hun onderhoud voorziet.

De heer Van der Vlies (SGP):

Dat had ik mij tot nu toe niet gerealiseerd. Ik krijg dit graag nader toegelicht. Een alleenstaande kan heel goed de zorg voor kinderen of verwanten hebben. Daarvoor geldt mijn amendement ook. Het gaat tenslotte om belastingplichtigen en ook zo iemand is belastingplichtig.

Mevrouw Giskes (D66):

U sprak over de vrijwilligheid als mensen willen kiezen voor een bestaan dat gevuld is met zorg voor anderen, zoals mantelzorg. Tegelijkertijd blijkt uit uw verhaal dat men die gelegenheid alleen krijgt als men erin slaagt iemand te vinden die hem of haar wil onderhouden.

De heer Van der Vlies (SGP):

U spitst de zaak toe in een voor mij verkeerde richting. Mijn aangrijpingspunt is de zorgplicht. Wij zijn al enige tijd bezig de arbeidsparticipatie te bevorderen. Er is een incentive om toe te treden tot de arbeidsmarkt en die kan de zorgtaak in het gedrang brengen. Daar wil ik iets aan doen.

Nu wij het toch hebben over de positie van het gezin en de visie op het huwelijk die er volgens de SGP-fractie onverbrekelijk mee verbonden is, wil ik krachtig en duidelijk afstand nemen van het partnerbegrip zoals in het wetsvoorstel wordt gehanteerd. Het moge duidelijk zijn dat de SGP-fractie vanuit principieel gezichtspunt grote moeite heeft met die regeling, die overigens in allerlei wetgeving divers gedefinieerd is. Ik begrijp dat men het voornemen heeft een en ander te synchroniseren. De nieuwe visie op het partnerbegrip is eigenlijk bedroevend. De meest losse vorm van partnerschap – het niet geregistreerd samenwonen – wordt erkend. Daarbij komt dat samenwonenden jaarlijks een fiscaal-strategische optie wordt geboden om al dan niet als partner te worden aangemerkt. Overigens is het positief dat mede naar aanleiding van vragen en opmerkingen onzerzijds in het verslag en in het nader verslag meer duidelijkheid is geboden over de wijze waarop de zogenoemde duurzaamheidseisen moeten worden nageleefd.

In de memorie van toelichting stelt de regering dat de keuze van invoering van meer analytische elementen in deze belastingherziening naar haar mening recht doet aan de doelstelling om de inkomstenbelasting als draagkrachtheffing zodanig te moderniseren dat van elke belastingplichtige, rekening houdend met de aard en omvang van zijn inkomen, zijn persoonlijke omstandigheden en praktische overwegingen, een bijdrage kan worden gevraagd aan de algemene middelen, die – meer nog dan onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 – is afgestemd op zijn feitelijke draagkracht.

Behoudens onze bezwaren tegen de in onze ogen doorgeslagen individualisering kan de SGP-fractie zich op zichzelf wel in deze benadering vinden. Uit de commentaren van diverse maatschappelijke groeperingen blijkt dat belastingplichtigen die in een bijzondere situatie verkeren als gevolg van de voorgestelde maatregelen met onverwachte, onbedoelde en soms ook onredelijke effecten geconfronteerd kunnen worden. Wat dat betreft lijken ook op dit punt de door de regering gedefinieerde doelstellingen niet geheel te worden waargemaakt.

Ook de SGP-fractie is tijdens de parlementaire behandeling op elementen gestuit die naar haar mening afbreuk doen aan het draagkrachtprincipe. Ik wijs daarbij op de gevolgen van het vervallen van de reserve assurantie eigen risico voor bedrijven die zich om principiële redenen niet willen verzekeren. Ik wijs ook op de gevolgen van het vervallen van de stakingsvrijstelling voor met name kleine ondernemers en op de reeds genoemde positie van eenverdieners met een gezin. Wij zijn van mening dat belastingplichtigen die in bijzondere situaties verkeren, als gevolg van de voorgestelde maatregelen met onverwachte en onbedoelde, en soms onredelijke, effecten worden geconfronteerd. Daarop kom ik in mijn bijdrage nog terug.

Mevrouw De Vries (VVD):

De heer Van der Vlies is al vaker op de gemoedsbezwaarden teruggekomen. Stel je voor dat je daar sympathiek tegenover staat. Hoe definieer je een gemoedsbezwaarde, zodat je iets kunt afdekken? En hoe zorg je ervoor dat er geen uitstraling plaatsvindt naar anderen?

Wat de heer Van der Vlies zegt, kun je heel sympathiek vinden, maar hoe ga je het vormgeven opdat het wetstechnisch handhaafbaar is? Misschien heeft de heer Van der Vlies daarover nagedacht.

De heer Van der Vlies (SGP):

Daar heb ik wel een begin van een antwoord op. Het begrip "gemoedsbezwaarde" tegen elke vorm van verzekering is gedefinieerd in de Coördinatiewet socialezekerheidswetten. Ik weet niet uit mijn hoofd welk artikel het is, maar daarin is een definitie te vinden die tot de dag van vandaag wordt gehanteerd. Voor de Sociale verzekeringsbank is volstrekt duidelijk wie daarvoor wel en niet in aanmerking komen. Dat begrip lijkt mij dus helder.

Iets anders is het – en daar hebben de bewindslieden over gesproken – dat de titel van de reserve assurantie eigen risico ook door anderen dan gemoedsbezwaarden is aangegrepen om voor zichzelf een positie te verwerven. Daar kan ik mij bepaalde voorbeelden bij indenken. Vorige week hebben wij daarvan een voorbeeld gegeven. Ik noem het transportbedrijf met een groot wagenpark. Als elke wagen in de verzekering zit, zou het bedrijf voor een geweldige jaarlijkse premie moeten opdraaien. Gelet op de premieafdracht, wil men het risico in eigen huis houden.

De bewindslieden stellen echter dat hiervan ook door anderen gebruik en misbruik kan worden gemaakt. De bewindslieden spreken zelfs van fraude. Dat wil ik natuurlijk te enen male niet. Daarom ga ik een discussie aan met de regering om te zoeken naar de best mogelijke oplossingen. Als wij het ondernemerspakket en de daarbijbehorende wetten behandelen, wenst de SGP-fractie op dit punt nog nader terug te komen, en dan ontdaan van alle risico's waar wij ons tegen menen te moeten indekken.

Mevrouw De Vries (VVD):

De heer Van der Vlies vraagt dus in feite aan de bewindslieden hoe de afbakening van de gemoedsbezwaarden kan worden gerealiseerd en dan kunnen wij daar later op terugkomen.

De heer Van der Vlies (SGP):

Zo is dat.

Voorzitter! Met de belastingherziening 2001 wordt beoogd zowel een verschuiving van directe naar indirecte belastingen als een betere werking van de arbeidsmarkt te bewerkstelligen. Op zichzelf kan de SGP-fractie zich in deze doelstellingen vinden. Onze vraag blijft echter wel wat de consequenties hiervan zijn voor mensen met een minimumuitkering die ten gevolge van een handicap of anderszins niet in staat zijn tot het verrichten van arbeid, maar wel geconfronteerd worden met een verhoging van de BTW en de energieheffing. Ik weet dat er tijdens de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel het een en ander ook voor deze groepen is gerepareerd – waarvoor dank – maar ik wil de regering toch verzoeken om duidelijk aan te geven op welke wijze de genoemde inkomenscategorieën tegemoet worden gekomen, zoals meer in het algemeen toch in het vooruitzicht was gesteld.

Als het gaat over het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt, waar de SGP-fractie zich afgezien van de sterk geïndividualiseerde insteek goed in kan vinden, moet worden gezegd dat ik mij afvraag of de regering op dit punt niet al te hoge verwachtingen heeft. Er wordt gesteld dat laagopgeleiden en allochtonen oververtegenwoordigd zijn in de WW en de bijstand, dat de arbeidsdeelname van ouderen laag is en dat het potentieel van WAO-gerechtigden die gedeeltelijk kunnen en willen werken, onvoldoende wordt benut. Ook voor de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt wordt in dit verband nader aandacht gevraagd. De SGP-fractie heeft nog steeds twijfels over de mate waarin de effecten van de voorliggende voorstellen op de arbeidsparticipatie van genoemde doelgroepen te verwachten zijn, gelet op de huidige behoefte van de arbeidsmarkt en de plaatsen waar de groei van de werkgelegenheid te verwachten valt. Kan de regering hier nader op ingaan? Collega Reitsma heeft op dit punt vanmiddag al een analyse gegeven die sceptisch was over de verwachtingen van de regering. Voor die analyse had ik wel begrip.

Alvorens meer in detail op de belastingherziening 2001 in te gaan, heeft de SGP-fractie er behoefte aan om een soort tussenstand op te maken. In het begin van mijn bijdrage heb ik de volgende noties genoemd: belastingheffing moet rechtvaardig en billijk zijn, de belastingdruk moet in verhouding staan tot de rechtmatige overheidsverplichtingen en de sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen; het draagkrachtbeginsel dus. Daarnaast noemde ik de notie dat de belastingplichtige zich niet aan zijn belastingplicht mag onttrekken. Tevens kwam de notie aan de orde dat het monogame huwelijk op grond van de Bijbel als de enige door God gegeven samenlevingsvorm moet worden beschouwd. Die notie is natuurlijk zeer bepalend voor onze visie op de positie van het gezin als hoeksteen van de samenleving en op de positie van het gezin in dit stelsel.

Ik heb in mijn bijdrage reeds aangegeven dat de SGP-fractie met betrekking tot de eerste notie enige twijfels heeft. Ik erken dat de tweede nota van wijziging de koopkrachteffecten positief heeft beïnvloed. Het pijnpunt voor de SGP-fractie ligt echter duidelijk bij de positie van de alleenverdiener – zijnde kostwinner – ten opzichte van de tweeverdieners. Ik besef dat ik helaas niet bij machte ben om op dit moment een dam tegen dat euvel op te werpen, maar ik zou het begrip en respect waarmee volgens de beide nota's naar aanleiding van het verslag van onze standpunten in dezen is kennisgenomen, graag omzetten in een concrete inzet van de regering voor de positie van de eenverdiener.

Ook op andere punten is de SGP-fractie er niet van overtuigd dat de sterkste schouders daadwerkelijk de zwaarste lasten dragen. De notie dat niemand zich aan zijn belastingplicht mag onttrekken, doet mij op dit moment opmerken dat de belastingherziening erop gericht is om een stabiele belastingopbrengst veilig te stellen. De bewindslieden hebben er nooit een geheim van gemaakt dat zij met hun plan de hoge belastingvlucht willen tegengaan. Het is de SGP-fractie inderdaad een doorn in het oog dat welgestelde medelanders om fiscale redenen de wijk naar het buitenland nemen; over solidariteit gesproken! Op dit punt heeft de regering dan ook onze volledige steun.

Voorzitter! Een van de noviteiten van het nieuwe belastingplan 2001 is het boxensysteem: drie inkomensboxen met eigen regels voor inkomensbepaling, een eigen verliescompensatie en een eigen tarief. In analytische zin is dat ten opzichte van het huidige belastingsysteem een verbetering, maar op het punt van het draagkrachtprincipe betekent de belastingherziening een verslechtering. Niet de totale draagkracht, maar de omvang van de afzonderlijke soorten inkomen en de daarop van toepassing zijnde tarieven bepaalt immers de verschuldigde belasting. In het verlengde hiervan vraag ik mij af in hoeverre de regering er met de uitvinding van het boxensysteem in is geslaagd om allerlei onethische en anderszins verwerpelijke fiscale constructies uit te bannen. Ik kan mij voorstellen dat verzekeraars en andere financiële ondernemers inmiddels hun hersens pijnigen om de mazen van het nieuwe belastingstelsel te ontdekken. Met andere woorden: hoe robuust is het nieuwe boxensysteem?

De voorstellen voor een apart pakket maatregelen met betrekking tot aanpassingen in het winst-uit-ondernemingsregime zullen ons nog in afzonderlijke wetsvoorstellen worden voorgelegd. Toch is in de belastingherziening 2001 ook een aantal voorstellen van dien aard opgenomen. De SGP-fractie had er de voorkeur aan gegeven om alle wijzigingen in de winstsfeer integraal te behandelen, maar dat is nu eenmaal niet gelukt; de regering heeft zich op dat punt verantwoord en komt in de loop van het aanstaande voorjaar nog met het ondernemingspakket all in. Enkele belangrijke punten uit dat ondernemerspakket zijn de aanpassing van het urencriterium en de gebruikelijkheidstoets ondernemerschap, de afschaffing assurantiereserve eigen risico en de afschaffing van de stakingsvrijstelling.

Allereerst ga ik in op het urencriterium. In het voorliggende wetsvoorstel wordt bepaald dat voor de toepassing van het urencriterium werkzaamheden buiten beschouwing worden gelaten, indien een door de belastingplichtige gedreven onderneming deel uitmaakt van een samenwerkingsverband van verbonden personen. Met het oog hierop is in artikel 3.2.1.4, tweede lid, onderdeel a, een gebruikelijkheidstoets opgenomen. In het verslag heeft de SGP-fractie de regering gevraagd of en, zo ja, onder welke nader beschreven voorwaarden de onder andere in de land- en tuinbouw veelvuldig voorkomende zogenoemde man-vrouwmaatschappen en -firma's aan de gebruikelijkheidstoets voldoen. Onze vraag kwam voort uit de ongerustheid dat dit soort bedrijven onrechtvaardig en onevenredig door een te rechtlijnige gebruikelijkheidstoets worden getroffen. Zowel uit de voorbeelden uit de beide nota's als tijdens het wetgevingsoverleg van afgelopen week bleek dat de gebruikelijkheidstoets voor ondernemers feitelijk niet verandert. Volgens de staatssecretaris moet het dan wel om echte ondernemers gaan. Mij dunkt dat dit voor de door mij beoogde categorie geldt. Mag dat mijn definitieve conclusie op dit punt zijn of druk ik mij dan te euforisch uit?

Ik heb over de reserve assurantie eigen risico bij interruptie al gezegd wat mijn voornemen is. Daar komt een wetsvoorstel over. Ik hoop daarin een deugdelijke afbakening van de gerechtigden op een eventueel blijvende dan wel aangebrachte titel te vinden. Voorts hoop ik daarbij op steun van mijn geachte collega's en de regering. Wat mij betreft komt de regering zelf met een wetsvoorstel waarin dit op een verantwoorde wijze is besloten. In dat geval hoef ik het niet te amenderen.

Het vervallen van de stakingsvrijstelling is een netelig punt. De regering stelt in de stukken dat de stakingsvrijstelling een sociale en pragmatische achtergrond heeft. De stakingsvrijstelling verzacht de belastingheffing bij beëindiging van ondernemersactiviteiten en voorkomt geschillen over niet al te grote stakingswinsten. In tegenstelling tot hetgeen de regering beweert, speelt het sociale aspect van de stakingsvrijstelling naar de mening van de SGP-fractie een belangrijke rol. Ik wijs in dit verband bijvoorbeeld op de situatie van binnenvaartondernemers, die na beëindiging van de bedrijfsuitoefening vaak woonruimte aan de wal moeten inrichten en betrekken. Ik wijs ook op de ondernemers in de agrarische sector, die door allerlei ontwikkelingen, mede ingegeven door het huidige overheidsbeleid van herstructurering, reeds onevenredig worden getroffen. Ten slotte wijs ik op de ondernemers in het midden- en kleinbedrijf, die de onderneming aantoonbaar niet kunnen overdragen. Daar zijn allerlei gedachten over gewisseld, maar alles overziende, moet in dit soort situaties de mogelijkheid van een stakingsvrijstelling gehandhaafd blijven. In de samenleving is over de voorgenomen afschaffing van de stakingsvrijstelling veel commotie ontstaan. Dat is toch begrijpelijk? Collega Reitsma heeft in de handhaving van de stakingsvrijstelling middels diverse amendementen voorzien. Enkele daarvan heb ik medeondertekend. De inzet van mijn fractie is daarmee helder.

In voorliggend wetsvoorstel wordt wat de oudedagsreserve betreft voor ondernemers de mogelijkheid geopend om ten laste van de ondernemingswinst een lijfrente aan te kopen ten behoeve van de oudedagsvoorziening. Er zijn echter ondernemers die op principiële gronden niet tot de aanschaf van een lijfrentepolis kunnen overgaan, maar toch evenzeer behoefte hebben aan de vorming van een oudedagsvoorziening. Dit punt zien wij overigens ook bij werknemers met een pensioentekort in het geval van ouderen die voor de studie van hun kind willen sparen, maar bezwaren hebben tegen de aanschaf van de voor vrijstelling vereiste studieverzekering.

Hoewel de regering in beide nota's de suggesties in die richting van de SGP en ook van andere fracties afwees, vraag ik nogmaals dringend voor genoemde groepen, op grond van hun gemoedsbezwaren, een vergelijkbare regeling te treffen in de zin van gebonden sparen. Is dat mogelijk? Indien nodig zal ik in tweede termijn hierover een motie of amendement indienen. Ik hoop echter dat het niet zover hoeft te komen.

De fiscale behandeling van de eerste eigen woning blijft, conform het regeerakkoord van de vorige regeerperiode, gelijk aan de regeling uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De SGP-fractie vindt dat de regering op dit punt van meer doortastendheid en voortvarendheid blijk had kunnen geven. Het had van durf en realititeitszin getuigd indien wij op dit moment, in alle vrijheid en zonder de last van een regeerakkoord, met alle fracties over de fiscale behandeling en met name over de aftrek van de hypotheekrente hadden kunnen debatteren. Uit het oogpunt van rechtvaardigheid, volgens de regering een van de doelstellingen van voorliggend wetsvoorstel, hadden wij bijvoorbeeld gezamenlijk kunnen besluiten om de aftrek van hypotheekrente voor de eerste eigen woning aan een bepaald maximum te binden. In het verkiezingsprogramma van de SGP, waarop ik ben verkozen, wordt in dit verband concreet een maximum van ƒ 500.000 genoemd. Uiteraard is dit bedrag in de praktijk geen constante; het verkiezingsprogramma is in dezen gedateerd. De prijsontwikkelingen op de huizenmarkt zullen op enigerlei wijze hierbij worden betrokken, maar het gaat mij om de principiële discussie.

Een ander probleem is de hoogte van bepaalde hypotheken in relatie tot de inkomenspositie, hetgeen de heer Wellink van De Nederlandsche Bank signaleerde. Hierover stelden wij gisteren schriftelijke vragen. Het geheel zou in zijn totale samenhang maar eens tegen het licht moeten worden gehouden ten behoeve van starters op de huidige woningmarkt. Het ontgaat ons niet dat dit een politiek gevoelig thema betreft, maar daarom hoeven wij niet om de hete brij heen te lopen en het denken op nul te zetten!

De aftrekmogelijkheid voor rente op consumptief krediet zal als gevolg van de belastingherziening 2001 geheel komen te vervallen. In het licht van het feit dat deze renteaftrekfaciliteit velen de gelegenheid biedt, ofwel in de verleiding brengt, om grotere consumptieve uitgaven te doen dan feitelijk verantwoord is, kan de SGP-fractie hiervoor begrip opbrengen. Onze vraag, die wij reeds in het verslag hebben gesteld en die onzes inziens nog niet bevredigend is beantwoord, is in hoeverre het schrappen van de aftrekmogelijkheid voor renten op consumptief krediet nadelig uitwerkt voor mensen met een laag inkomen, bijvoorbeeld ouderen met een pensioentekort en een eigen woning. Deze mensen hebben in feite via hun eigen huis een spaarpotje voor de oude dag aangelegd, waardoor zij hun geringe inkomen kunnen aanvullen door een hogere hypotheek op het huis te nemen. Ook kunnen zij op die manier plotselinge hoge uitgaven opvangen. Aangezien het bij dergelijke hypotheken gaat om een geldlening voor consumptieve doeleinden, wordt de rente gezien als consumptieve rente. Op welke wijze wordt met deze complicaties voor de groep ouderen die reeds op genoemde wijze aan hun oudedagsvoorziening hebben vormgegeven, rekening gehouden? Is de regering alsnog bereid de consumptieve rente die betrekking heeft op het spaarpotje voor de oude dag als uitzondering toe te voegen aan de in het wetsvoorstel specifiek genoemde consumptieve renten die onbeperkt aftrekbaar zijn?

Over de ruimte die belastingplichtigen in het nieuwe belastingstelsel zal worden geboden om via premiebetalingen voor lijfrenten een opgetreden pensioentekort te compenseren, is in de achterliggende periode uitgebreid van gedachten gewisseld. De SGP-fractie heeft daarin ook haar partijtje meegeblazen. Ik refereer aan onze suggestie dat de belastingsdienst jaarlijks op elke individuele belastingaanslag de hoogte van het pensioengat van de betreffende belastingplichtige zou kunnen vermelden. Dit idee is indertijd om uitvoeringstechnische redenen door de regering van de hand gewezen. Hoe dan ook, mij gaat het erom dat de belastingplichtige niet aan zijn lot wordt overgelaten en dat hij niet op een of andere wijze maar moet zien hoe hij op eigen houtje zijn pensioengat berekent. Met name voor laagopgeleiden zou dat een lastige opgave zijn. Daar komt nog bij dat veel mensen sowieso moeite hebben met het inventariseren van hun pensioenaanspraken. Ik ben ervan overtuigd dat dit signaal bij de regering is overgekomen en ik nodig haar graag uit om er nauwlettend op toe te zien dat de afspraken die op dit punt gemaakt zijn, adequaat worden nageleefd.

Ik kom met grote stappen in box Ill, de box van inkomen uit sparen en beleggen. Hierin wordt de inmiddels veelbesproken forfaitaire rendementsheffing geïntroduceerd. Het punt dat ik hier naar voren wil brengen, is het gekozen denkbeeldige percentage van 4 van de waarde van het nettovermogen. De brief van de zes hoogleraren belastingrecht van 17 januari jl. brengt onder meer hetzelfde punt naar voren als de SGP-fractie destijds in het verslag. Het gaat om het gegeven dat door de invoering van de forfaitaire rendementsheffing het draagkrachtbeginsel wordt uitgehold; er wordt immers geen belasting geheven over de werkelijk genoten vermogensopbrengsten. Bovendien is het effectieve tarief van de rendementsheffing degressief: hoe hoger het werkelijk behaalde rendement, des te minder belasting in verhouding wordt betaald. Vooral bezitters van grotere vermogens zijn in staat om hogere rendementen te realiseren dan de door de wetgever veronderstelde 4%. Anderzijds behalen kleine spaarders die risico willen en moeten mijden momenteel vaak minder dan 4% reëel rendement. Minder vermogenden gaan dus in verhouding meer betalen. Naar de overtuiging van de zes wetenschappers – en de SGP-fractie sluit zich daar graag bij aan – is dit in strijd met het rechtsgevoel van de belastingbetalers. De wetenschappers besluiten hun kritiek op dit punt met de opmerking dat een wetgever die het rechtsgevoel schendt, verzet oproept tegen de belastingheffing en toekomstige belastingopbrengsten in de waagschaal stelt. Graag hoor ik een reactie van de regering op dit punt.

In de memorie van toelichting stelt de regering op pagina 6 dat de vermogensrendementsheffing "een adequaat antwoord (is) op de grootschalige belastingontwijking die onder de bestaande belastingwetgeving plaatsvindt (...)". Mag hieruit, tegen de achtergrond van het commentaar van de zes hoogleraren, worden afgeleid dat de 4% bewust is gekozen om het "grote geld" met het uitzicht op een voordeeltje te paaien?

Kort vraag ik nog even de aandacht voor het amendement op stuk nr. 68 van de heer Vendrik, dat ik heb medeondertekend. Wij willen het door middel van dit amendement mogelijk maken dat ook sociaal-ethische beleggingen tot de maatschappelijke beleggingen worden gerekend. Deze beleggingen zouden namelijk niet langer onder de hiervoor bestemde vrijstelling vallen. Gezien de sociale aspecten die met dit soort beleggingen verband houden, meen ik er goed aan te hebben gedaan om dit amendement mede te ondertekenen.

Mevrouw De Vries (VVD):

Kan de heer Van der Vlies aangeven wat hij verstaat onder een sociaal-ethische belegging?

De heer Van der Vlies (SGP):

De heer Vendrik heeft hiervan al diverse voorbeelden gegeven. Toen ik met hem over dit amendement sprak, dacht ik zelf aan beduidende dotaties in de sfeer van kerkelijk en identiteitsgebonden maatschappelijk werk.

Mevrouw De Vries (VVD):

Dotaties zijn toch geen beleggingen?

De heer Van der Vlies (SGP):

Mevrouw De Vries heeft gelijk. Ik maak een vergissing. Ik bedoelde organisaties die zich hiermee bezighouden en waarin je kunt participeren door middel van beleggingen.

Mevrouw de voorzitter! Enkele onderwerpen die in het wetsvoorstel als specifieke onderwerpen worden aangeduid, wil ik graag nog even naar voren halen. Ik doel op de reiskosten voor het woon-werkverkeer, het privé-gebruik van de zakenauto, de buitengewone lasten en de giftenaftrek. Ik wil in dit kader met name ingaan op de positie van gehandicapten en chronisch zieken.

Ik kom allereerst te spreken over de reiskosten voor het woon-werkverkeer en – laat ik het maar gelijk meenemen – het privé-gebruik van de auto van de zaak. Het gaat immers in beide gevallen hoofdzakelijk om de auto. Op zichzelf kan de SGP-fractie zich wel vinden in de lijn om het woon-werkverkeer per auto te beperken. Er moet inderdaad op een of andere wijze worden voorzien in een prikkel om zo dicht mogelijk bij het werk te gaan wonen. Vroeger was het heel normaal om te verhuizen als je van betrekking veranderde. Ik heb dat als kind in mijn ouderlijk gezin zelf diverse malen mogen meemaken. Tegenwoordig verhuist men echter nog maar zelden als elders een baan wordt aanvaard. Daarvoor bestaan allerlei legale redenen die ik zeker niet onder het vloerkleed wil vegen, maar het is wel de vraag of die redenen altijd fiscaal moeten worden erkend.

Een en ander vooronderstelt wel adequaat openbaar vervoer als alternatief. Helaas is dat nog bij lange na niet het geval. Het gaat in onze optiek dan ook te ver om het reiskostenforfait voor automobilisten geheel te schrappen. Ik wijs bijvoorbeeld op het feit dat mensen die als gevolg van vroeger ruimtelijkeordeningsbeleid eigenlijk te ver van hun werk zijn gaan wonen, hierdoor worden gedupeerd.

De SGP-fractie kan in principe instemmen met het vervangen van het forfaitaire karakter van de autokostenfictie door een benadering die beter aansluit op het feitelijk privé-gebruik van de auto van de zaak. Wij vinden echter de voorgestelde verplichting tot het dagelijks bijhouden van elke gereden rit met kilometerverantwoording, ondersteund door agenda en andere bewijsstukken, met het oog op de benodigde controle en de conflictgevoeligheid geen goed alternatief. Vooral bij de controle voorzie ik allerlei complicaties. Vandaar dat ik de regering vraag deze regeling sterk te vereenvoudigen. Mijn collega Schutte heeft daartoe terecht een voorstel gedaan.

Ik kom op de buitengewone lasten en giftenaftrek. Allereerst bedank ik de regering dat de mogelijkheid van giftenaftrek in het nieuwe belastingstelsel gehandhaafd blijft. De regering heeft de SGP-fractie hiertoe een toezegging gedaan in een pril stadium van de discussie over deze stelselherziening. Het verheugt ons dat deze toezegging is gehonoreerd. De SGP-fractie vindt het een goede zaak dat het geven van periodieke giften fiscaal wordt gestimuleerd. Uit de nota naar aanleiding van het verslag heb ik begrepen dat desondanks in de belastingherziening voor 2001 de bepaling is opgenomen dat de belastingplichtige bij het bepalen van de inkomensafhankelijke drempel voor toepassing van de persoonsgebonden giftenaftrek moet uitgaan van het gezamenlijke inkomen van hemzelf en zijn partner. Anderzijds is de maximale omvang van de in aanmerking te nemen andere giften verhoogd. Per saldo zou het volgens de regering geen beperking van de aftrek van andere giften opleveren. Mijn vraag is om dat even tegen het licht te houden als het gaat over de situatie van de eenverdiener.

De gehandicapten en chronisch zieken dreigden in eerste instantie bij de belastingherziening 2001 qua inkomenspositie achter te blijven bij de rest van Nederland. Gelukkig is er inmiddels een en ander ten gunste van deze groep bijgestuurd. Diverse organisaties voor gehandicapten en chronisch zieken hebben in de tussentijd niet stilgezeten. Ze hebben voorstellen gedaan. Die zijn op 18 januari jl. aan de staatssecretaris aangeboden. Hier wreekt zich het ijzige tempo van de parlementaire behandeling. Die voorstellen kunnen nu niet worden meegenomen. De staatssecretaris heeft gezegd dat hij hierop in de loop van het jaar zal terugkomen en met voorstellen zal komen. Wij zien daar met belangstelling naar uit.

Nauw verbonden met de belangen van gehandicapten en chronisch zieken is de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van andere verwanten dan kinderen. Dan speelt weer die leeftijdsgrens van 27 jaar. Deze aftrekmogelijkheid is in het wetsvoorstel geschrapt met een beroep op het niveau van de sociale zekerheid in Nederland en de fraudegevoeligheid van de regeling. De fractie van de SGP meent dat er echter wel degelijk behoefte bestaat aan een aftrekpost voor uitgaven die voortvloeien uit het verzorgen van gehandicapten en chronisch zieken. Dat is nog altijd nodig, hoezeer er ook het een en ander is verbeterd in de inkomenspositie van jonggehandicapten. Als je de totale positie beziet en die vergelijkt met de gezinsvervangende voorzieningen, dan is wel degelijk sprake van een discrepantie. De last daarvan moet niet bij die ouders of andere familieleden blijven liggen. Dat ontmoedigt, maar het moet juist aangemoedigd worden.

Ook hier geldt nog de positie van gemoedsbezwaarden die immers wel hun bijdrage betalen aan de sociale voorzieningen maar er zelf geen gebruik van maken. Het heeft geleid tot het indienen van het amendement op stuk nr. 70. Met de bezwaren van de regering heb ik maximaal rekening gehouden. Het amendement kost 5 mln. Dat is nog niet gedekt. Ik hoor die vraag al stellen. Ik ken de staatssecretaris. Hij zou er recht op hebben dat ik die vraag onder ogen zie. Een bedrag van 5 mln., ach. Het zit in de plooien van de jassen die deze heren dragen. De orde van grootte van het bedrag mag enige betrekkelijkheid ingeven. Overigens dank ik de regering voor de toezegging dat ook in het nieuwe belastingstelsel met betrekking tot de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen beneden de 27 jaar de mogelijkheid van kinderaftrek voor gemoedsbezwaarden gehandhaafd wordt.

Collega Reitsma heef zo-even gesproken over de niet-actieven. Hij heeft daarover een amendement ingediend dat ik medeondertekend heb. Ik herhaal zijn argumentatie hier niet.

Ik rond af. Terugkijkend op de parlementaire behandeling van deze omvangrijke en fundamentele belastingherziening, bekruipt mij nog wel een gevoel van lichte onvrede. Het wetsvoorstel is met een sneltreinvaart behandeld, wat zijn weerga in de parlementaire geschiedenis nauwelijks kent. Ik vond de afwezigheid van de SGP-fractie in het algemeen overleg op 8 december jl. niet het mooiste. De vraag of het nuttig zou zijn geweest daar op dat moment te zitten, hebben wij, gezien de omstandigheden van toen, gemeend met nee te moeten beantwoorden. Ik heb daarover enkele bewindslieden en collega's gehoord. Zij vonden het verbazingwekkend van juist een lid van de SGP-fractie, zijnde gezagsgetrouwe mensen met een hoge taakopvatting. Daarover geen misverstand. Ik hecht aan die kwalificaties en ik zal er ook voor staan, maar er zijn grenzen. Op dat moment vonden wij dat een grens was bereikt.

Voorzitter! De commentaren van de kant van diverse maatschappelijke organisaties zijn te horen tot op de dag van vandaag. De vraag is gewettigd: hoe zorgvuldig is het proces dat wij hier met elkaar hebben? Die vraag leg ik maar aan de bewindslieden voor, want het mag niet gebeuren dat wij na de stemming tot de conclusie komen, aannemende dat de plannen hier een meerderheid halen en dat de Eerste Kamer ons volgt, dat er allerlei mankementen zijn. Dat zou uiterst gênant zijn en een diskwalificatie betekenen. Daarvoor wens ik geen verantwoordelijkheid te dragen.

Een andere, algemene vraag is die naar de vereenvoudiging welke in het stelsel is voorzien. Vereenvoudiging is een eerlijk doel, een doel dat door de SGP-fractie wordt gesteund. Ik heb maximaal begrip voor de bewindslieden, want zij kunnen niet in alle opzichten er wat aan doen dat er hier een lekje is en daar een mankementje en dat er gerepareerd moet worden. Het wordt er wel steeds ingewikkelder op. Ik verzoek de bewindslieden ons een overall toets voor te houden ergens aan het eind van dit debat in de zin van: hoever zijn wij, het geheel overziende, gekomen? Dat moet dan uiteraard in relatie worden gebracht met de doelstellingen van controleerbaarheid en handhaafbaarheid, want op dat terrein moeten wij winst boeken.

Ten slotte, mevrouw de voorzitter, wil ik nog een punt aan de orde stellen dat ik echt tot het eind bewaard heb. Dat betreft de medewerkers van het ministerie van Financiën. Ik wil de bewindslieden vragen de dank van de SGP-fractie over te brengen voor de uitstekende ondersteuning en dienstverlening die zij, soms op redelijk onmogelijke tijden, ons hebben gegeven. Het was soms hectisch, maar naar ons idee waren zij altijd aanspreekbaar. Dat was uiterst plezierig. Die erkenning wil ik hier publiekelijk gedaan hebben.

De vergadering wordt van 19.05 uur tot 20.35 uur geschorst.

De heer Bos (PvdA):

Mevrouw de voorzitter! "Er zijn weinig gebieden waar argument en contra-argument, betoog pro en contra zo op elkander botsen als in de belastingtheorie", zo schreef wijlen prof. Hofstra al in 1946. Dat hij gelijk had, hebben in ieder geval de hier aanwezige Kamerleden en bewindspersonen de afgelopen maanden aan den lijve ondervonden. Discussies over belastingen zijn vaak fel, ze worden gevoerd vanuit stellingen die vaak eeuwen geleden ook al betrokken werden en kunnen leiden tot grote emoties bij en betrokkenheid van de burger. Misschien is de reden daarvoor wel gelegen in wat een andere grootheid in de geschiedenis van het denken over socialistische, economische en belastingpolitiek, Jan Pen, daarover in 1963 zei: "Het lijdt geen twijfel dat de fiscus in voortdurend conflict leeft met de belastingplichtigen: hij neemt hun zonder aanwijsbare tegenprestatie een deel van hun inkomen af".

De burger die zich druk maakt om belastingheffing, heeft dus altijd gelijk, heeft altijd het recht om te weten waarom wij belasting heffen en wat er met het geld gaat gebeuren; het gaat immers om zijn geld. Dat geldt zelfs voor die ene burger die mij een anonieme brief schreef en die vandaag in ieder geval teleurgesteld gaat worden. Zijn brief begon immers met: "Geacht Kamerlid Bos, ik had nog nooit van u gehoord en dat had ik graag zo gehouden."

Het is niet alleen terecht dat burgers zich druk maken over belastingen; het is ook noodzakelijk. Belastingen dringen diep binnen in de persoonlijke levenssfeer van mensen en halen iets weg wat van hun is. Dat kan alleen maar als die burger daar zelf mee instemt, direct of via vertegenwoordigers zoals wij. Noem het roof zonder zonde, naar Thomas van Aquino. Noem het "no taxation without representation", naar het denken van John Locke. Hoe je het ook noemt, belastingheffing en democratie behoren onverbrekelijk bij elkaar en dus hoort een fundamentele wijziging in ons belastingstelsel voorafgegaan te worden door een fundamenteel publiek debat, opdat de mensen weten waar wij voor staan en waarom wij doen wat wij doen. Die verantwoording legt de Partij van de Arbeid hier vandaag af over de ingediende Wet inkomstenbelasting 2001.

Mevrouw de voorzitter! De Partij van de Arbeid staat voor een overheid die ook in de 21ste eeuw in staat is te doen wat zij moet doen: het bevorderen van een duurzame economische ontwikkeling, het ondersteunen van een hoogstaande en stimulerende publieke sector en het voeren van eerlijke en effectieve inkomenspolitiek. Op al die gebieden valt nog een wereld te winnen en op al die gebieden schiet ons instrumentarium, zeker ook op belastinggebied, tekort.

Alle verhalen over "de nieuwe economie" ten spijt, de overheid zal ook in de 21ste eeuw haar rol moeten spelen bij het bevorderen van een duurzame economische ontwikkeling. Een duurzame economische ontwikkeling dicteert dat spaarzaam wordt omgesprongen met ruimte, milieu en energie; dan helpt het dus niet als de prijs van die zelfde ruimte, milieu en energie laag is. Een duurzame economische ontwikkeling betekent ook mensen aan het werk krijgen en aan het werk houden, opdat het draagvlak voor duurzaam gefinancierde collectieve voorzieningen in stand blijft. Mensen aan het werk krijgen en aan het werk houden. Dan helpt het dus niet als mensen er bij het aanvaarden van een baan nauwelijks op vooruit gaan, als het voor werkgevers duur is om mensen in dienst te nemen, als het voor veel vrouwen absoluut niet loont om te gaan werken omdat het belastingstelsel hun economische zelfstandigheid niet erkent. Toch is dat precies wat ons huidige belastingstelsel allemaal doet. Het maakt arbeid duur en milieu, ruimte en energie goedkoop. Het geeft onvoldoende stimulansen aan mensen die wel willen en kunnen werken, maar voor wie dat onvoldoende lonend is. Het gaat nog te vaak uit van klassieke gezins- en huishoudensbeelden die allang niet meer maatgevend voor de praktijk zijn, maar ondertussen wel met name vrouwen belemmeren bij het streven naar economische zelfstandigheid en participatie in het arbeidsproces. Wij willen investeren in een overheid die bijdraagt aan een duurzame economische ontwikkeling en wij constateren dat het belastingstelsel dit streven tegenwerkt. Daarmee is het eerste blok redenen gegeven waarom ons belastingstelsel veranderen moet.

Maar er is meer. De 21ste eeuw is vast en zeker een eeuw vol welvaart en wenkende perspectieven voor velen, maar vast niet voor iedereen. De grote veranderingen, de toenemende snelheid waarmee veranderingen zich voordoen, de dreiging van een blijvende tweedeling tussen degenen die deze ontwikkelingen wel en degenen die deze ontwikkelingen niet bij kunnen houden, kunnen wel eens betekenen dat de overheid in de 21ste eeuw nog meer dan in de 20ste eeuw zal worden aangesproken op haar vermogen de inkomenspositie van de zwakkeren in de samenleving te steunen. En ook in dit opzicht faalt het huidige belastingstelsel opzichtig. Het duidelijkste voorbeeld is wel hoe wij hier enkele maanden geleden, in de vorige eeuw, een discussie voerden over de vraag hoe wij het aantrekkelijker konden maken voor mensen rond het minimumloon om een baan te accepteren. Het enige instrument dat ons daarbij ten dienste stond was het arbeidskostenforfait, hetgeen ons in de paradoxale situatie deed belanden dat wij poogden rond het minimumloonniveau een inkomensverbetering aan te brengen met een instrument waarvan hogere inkomens niet alleen mee profiteerden, maar zelfs meer dan de groep waar het eigenlijk voor bedoeld was.

In andere woorden, afgezien van het sleutelen aan schijven en tarieven, kunnen wij vandaag de dag lagere inkomens alleen maar ondersteunen met instrumenten, zoals de belastingvrije som en het arbeidskostenforfait, die de inkomensverschillen eerder vergroten dan verkleinen. Niet echt iets waar ik een warm gevoel bij krijg en dus een tweede belangrijke reden om het instrumentarium bij te stellen.

Tot slot wat toch de kerntaak is van het belastingstelsel: het binnenhalen van voldoende middelen om de publieke sector te financieren en dat dan doen op een manier die door iedereen als billijk wordt ervaren. Met andere woorden: de sterkste schouders de zwaarste lasten laten dragen. Geld binnenhalen voor de financiering van de publieke sector is de oerfunctie van de belastingheffing en nog altijd de kern van het politieke debat. Want dan gaat het dus over de vraag of we genoeg geld binnenhalen om de kwaliteit van de publieke sector in Nederland te verhogen, de wachtlijsten in de zorg weg te werken, de veiligheid op straat te vergroten, de uitval in het onderwijs te bestrijden, de mobiliteit te beheersen, de uitstoot van schadelijke gassen binnen de perken te houden en mee te kunnen doen aan vredesoperaties over de grenzen. Dit zijn allemaal zaken waar de Partij van de Arbeid in gelooft. De Partij van de Arbeid staat voor een overheid die ook in de 21ste eeuw in staat is om juist dat soort taken te vervullen. Maar dat kost geld. Geld dat via een goed werkend belastingstelsel binnen moet komen. En als we ons belastingstelsel laten zoals het is, zal het juist in deze primaire functie vroeg of laat falen. De combinatie van hoge tarieven en hoge aftrekposten holt langzaam de grondslag van ons stelsel uit, vermindert de concurrentiekracht met het buitenland en biedt met name vermogende burgers vele manieren om aan het betalen van belasting te ontkomen.

De heer Reitsma (CDA):

Ik zag de minister van Financiën wat sceptisch kijken toen u zei dat er geld via belastingen binnen moet komen omdat er uitgaven gedaan moeten worden. Welke politieke conclusies trekt u uit de keuze die wij voor 2000 moeten maken tussen belastinginkomens, meevallers en het verhogen van de uitgaven?

De heer Bos (PvdA):

Ik wil u wel zeggen wat ik daarvan vind, maar dat wordt dan een ander debat. De afspraken in het regeerakkoord gelden tot het financieringstekort op nul is gekomen. Daarbij is sprake van bepaalde formules over meevallers, lastenverlichting, aflossing van de staatsschuld, e.d. Zoals u weet, vindt over deze kwesties op dit moment een levendige discussie plaats tussen iedereen die daarbij betrokken is nu wij in de luxe situatie verkeren waarin sprake is van een overschot.

De heer Reitsma (CDA):

Je kunt op een gegeven moment de grondslag van de belasting willen verbreden, waardoor de overheid de mogelijkheid krijgt, meer premies en meer belasting te ontvangen. Vindt u dit een belangrijk punt omdat daarmee ook de uitgaven van de overheid verder kunnen worden geïntensiveerd?

De heer Bos (PvdA):

Daar gaat het mij niet om. Hoeveel u en ik ook willen uitgeven, wij zijn beiden afhankelijk van een belastingstelsel dat werkt en dat in staat is redelijk en billijk burgers te belasten, waarna het ontvangen geld kan worden uitgegeven. De stelling die ik betrek is dat dit stelsel, als wij ons belastingstelsel niet veranderen, hiertoe vroeger of later niet meer staat zal zijn. En dan hebben wij geen centen meer om al die goede dingen te doen, ongeacht de vraag of het veel of weinig dingen zijn.

De heer Reitsma (CDA):

Deze belastingherziening hoeft wat de PvdA betreft er niet toe te leiden dat de overheid meer middelen binnen kan krijgen, zodat de samenleving een kwaliteitsimpuls kan krijgen, voor bijvoorbeeld onderwijs of zorg.

De heer Bos (PvdA):

Dat is wat mij betreft een ander debat. Ik raak het punt straks nog wel aan. Misschien dat ik daarmee uw vraag dan iets nadrukkelijker beantwoord, mijnheer Reitsma.

De heer Reitsma (CDA):

Het is natuurlijk makkelijk om te zeggen dat het een ander debat is. Het was echter uw stelling dat belastingen geïnd worden om überhaupt de uitgaven te kunnen betalen. Ik vind dat je dan op zijn minst moet aangeven, hoeveel belastinginkomsten er moeten komen om die belangrijke kwaliteitsimpuls te kunnen geven, maar daar bent u neutraal.

De heer Bos (PvdA):

Nee, ik verwijs naar het feit dat de partij waarvan ik deel uitmaak, in een coalitie zit die afspraken gemaakt heeft over welke uitgaven zij gaat doen. Er vinden debatten plaats over de vraag of dat misschien niet een beetje méér moet zijn. U kent het standpunt van de PvdA in dezen. Mijn stelling is dat je, ongeacht welk standpunt je in dat debat inneemt, een belastingstelsel nodig hebt dat werkt; een belastingstelsel dat in staat is om het geld op een redelijke manier binnen te halen. Ik constateer dat wanneer wij het huidige belastingstelsel niet aanpassen, het vroeg of laat in die primaire functie zal falen.

Ik zal u uitleggen waarom. Als steeds minder mensen steeds minder belasting gaan betalen en als dat vooral de mensen met geld zijn, zet dat de solidariteit onder druk. Dan zullen steeds minder mensen het logisch en legitiem vinden dat zij wel gewoon belasting betalen en anderen niet en zal het ontwijkingsgedrag toenemen en de financiering van de zorg, het onderwijs, de veiligheid – op welk niveau dan ook – uiteindelijk de prijs moeten betalen.

Mevrouw de voorzitter! De eerste ontvangers der belastingen ontvingen hun penningen in een mandje. Dat mandje heet fiscus in het Latijn. Een wrangere beeldspraak is niet mogelijk, want ons huidige belastingstelsel is zo lek als een mandje: Nederland wordt rijker, maar de schatkist merkt het niet. De nieuwe rijkdom sijpelt weg. En waarom zou Jan met de pet wel betalen als Piet met de belastingadviseur dat niet doet? Als er één goede reden is om het belastingstelsel te vernieuwen, dan is dit het wel. Wij willen ook in de 21ste eeuw kunnen investeren in zorg, veiligheid en onderwijs, maar dan moet het geld daarvoor wel binnenkomen. En als steeds minder mensen steeds minder belasting gaan betalen, staat niet alleen de schatkist onder druk maar ook de solidariteit. En beide leiden er vroeg of laat toe dat we onze ambities – het wegwerken van de wachtlijsten, voldoende politie op straat, goede onderwijzers voor de klas – niet waar zullen kunnen maken.

Kortom, het belastingstelsel moet op de schop. Maar daar hangt een prijskaartje aan. Het kan niet gratis, zeker niet als je wilt proberen om zoveel mogelijk mensen, met name mensen met lage inkomens, heel te houden in zo'n gigantische operatie. In het regeerakkoord hebben wij daarvoor 5 mld. aan belastinggeld voor vrijgemaakt. Dat is een geweldige hoeveelheid geld in een tijd waarin terecht de vraag gesteld wordt, of dat geld niet beter gebruikt kan worden, voor zorg, voor onderwijs, voor veiligheid, voor een eerlijke inkomensverdeling.

Eenieder die deze vraag stelt, zou ik twee dingen willen meegeven. Allereerst dat we moeten uitkijken voor valse tegenstellingen. En dat zeg ik niet alleen omdat deze coalitie naast de 5 mld. die voor de belastingherziening wordt uitgetrokken, ook 10 mld. vrijmaakt voor uitgavenvergroting. Ik zeg dat ook omdat de 5 mld. die wij wél uittrekken voor de belastingherziening zelf al een investering is in de kwaliteit van de samenleving. Kijk bijvoorbeeld naar de vergroening van het belastingstelsel en naar de arbeidskorting, die het makkelijker moet maken om mensen te werven voor werk in de zorg en het onderwijs. Die 5 mld. is een investering in een belastingstelsel dat ons in staat stelt om ook in de toekomst genoeg geld binnen te halen voor diezelfde zorg, datzelfde onderwijs, de veiligheid en alles wat ons na aan het hart ligt. Het is een investering in een belastingstelsel dat mensen stimuleert om te gaan werken. Als die mensen werken, gaan zij ook weer belasting betalen en dragen daarmee bij aan ons vermogen in een goede publieke sector te investeren. En investeren kost geld! Nu die 5 mld. in onze zak houden en ons belastingstelsel niet hervormen, betekent dat we vroeger of later de rekening gepresenteerd krijgen in de vorm van slechte zorg, toenemende onveiligheid en slecht onderwijs, gewoon omdat we niet meer in staat zijn het geld bij elkaar te harken, omdat we te lang doorgingen met een volstrekt ineffectief en verouderd belastingstelsel!

De heer Vendrik (GroenLinks):

Volgens mij zijn wij nu 6 mld. kwijt aan deze belastingoperatie.

De heer Bos schetst een apocalyptisch perspectief: als wij zo doorgaan komt er straks geen geld meer in de schatkist. Volgens mij doelt hij op het belasten van vermogen. De vermogensrendementsheffing levert structureel 450 mln. op. Deze belastingherziening kost structureel 6 mld. In die apocalyps van hem geloof ik dus voorlopig niet. Voorlopig zie ik alleen maar dat het huidige systeem méér geld oplevert dan het systeem dat de heer Bos hier staat te verdedigen.

De heer Bos (PvdA):

Maar wij zijn natuurlijk niet aangenomen om alleen maar naar de situatie van vandaag te kijken en om niet te letten op de ontwikkelingen in de volgende eeuw of op de consequenties die er zullen zijn als we niets doen. Over die 450 mln. zullen we het straks nog uitgebreid hebben, dat beloof ik u. Eén ding is wel duidelijk: de winst van de vermogensrendementsheffing, die 450 mln. zal bedragen, wordt niet alleen behaald in 2001. Het gaat erom dat met huidige belastingstelsel de schatkist er niets van merkt als Nederland rijker wordt en er in Nederland meer vermogen ontstaat. Alles wordt namelijk weggezet in onbelaste vermogens. De vermogensrendementsheffing begint met een opbrengst van 450 mln., maar er is de veilige wetenschap dat de schatkist het zal merken als Nederland rijker wordt. En met de hogere opbrengst voor de schatkist kunnen wij vervolgens heel goede dingen doen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Dat klinkt allemaal heel erg mooi, maar u doet het voorkomen dat ik die 6 mld. vergelijk met die 450 mln. U zegt zelf, dat de grote meerwaarde van deze belastingherziening is, dat er op termijn per saldo meer geld in de schatkist komt. Dat zie ik niet. Dat maakt u met uw tekst ook niet waar. Wat wel helder is, is dat de herziening nu structureel 6 mld. gaat kosten en dat zij structureel 450 mln. gaat opleveren. Dan heeft u nog een gat van 5,6 mld. dat gedicht moet worden. Met een mooi verhaal komt u er dan niet. De herziening kost 5,6 mld. en dat sluit niet aan bij uw verhaal dat wij bezig zijn een belastingherziening te realiseren die o zo nodig is, omdat wij anders op termijn niet over voldoende middelen beschikken. De herziening kost ons geld en zij levert ons geen geld op, mijnheer Bos.

De heer Bos (PvdA):

Ik houd het erop, dat u mij verkeerd begrijpt. Het cruciale woord dat ik gebruikte is natuurlijk het woord "investering". Als je ergens in investeert ben je op het moment waarop je dat doet geld kwijt, maar je geeft dat uit, omdat je weet dat er op termijn baten tegenover staan. Inderdaad investeren wij nu 5 mld. aan fiscale ruimte in een nieuw belastingstelsel. Dat doen wij, omdat wij denken dat wij een belastingstelsel krijgen dat ons op de langere termijn in staat stelt om meer mensen aan het werk te houden en meer belastinggeld te innen en om dat ook nog op een meer billijke manier te doen. Dat is iets wat ik 5 mld. waard vind.

De heer Vendrik (GroenLinks):

U weet wat Keynes over de langere termijn zei.

De heer Bos (PvdA):

Dan zijn we allemaal dood, maar hier gaat het om een aanzienlijk kortere termijn.

De heer Reitsma (CDA):

Mevrouw de voorzitter! Toch begrijp ik deze redenering niet. Er wordt 5 mld. aan smeerolie uitgetrokken. Dat noemt de heer Bos 5 mld. investeren in de samenleving. Moet ik de redenering nu doortrekken en ervan uitgaan dat de PvdA eigenlijk wil zeggen: het zou nog beter zijn als 10 mld. werd uitgetrokken, want dan investeer je nog meer in de samenleving? De heer Bos komt nu wel met een heel vreemde redenering. Ik kan die althans niet volgen. Wat bedoelt hij nu?

De heer Bos (PvdA):

Natuurlijk zeg ik niet dat 10 mld. uittrekken nog beter zou zijn. Het gaat erom dat je de hoeveelheid geld die je in een investering steekt altijd vergelijkt met de baten. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat een ruimte van 5 mld. aan belastinggelden een goede investering is, gelet op wat wij terugkrijgen in termen van werkgelegenheid, milieu, participatie, emancipatie, duurzaamheid enzovoorts. Ik ben er uiteraard niet van overtuigd dat je meer terugkrijgt als je 6 of 10 mld. in het nieuwe plan steekt. Dat is ook de reden dat wij er erg aan hechten dat niet verder wordt gegaan dan 5 mld. aan fiscale ruimte. Ik zeg dit nadrukkelijk, want ik zie de heer Vendrik al weer naar de interruptiemicrofoon komen. Van tevoren zijn wij op dit punt heel duidelijk geweest.

De heer Reitsma (CDA):

U vindt dus dat die 5 mld. een investering in de samenleving is. Ik heb in mijn betoog juist naar voren gebracht dat het noodzakelijk is om zo'n operatie zonder grote fluctuaties in inkomens tot stand te brengen om zodoende een redelijk belastingstelsel te krijgen. Is dat niet een veel eerlijkere benadering dan die u met uw verhaal heeft? Met uw verhaal wordt de herziening overal aan vastgekoppeld.

De heer Bos (PvdA):

Nee, maar ik vind dat in beide benaderingen een kern van waarheid zit. Ik blijf bij mijn beeldspraak. De investering is terecht, gelet op wat wij ervoor terugkrijgen. Wat u zegt geldt ook: bij dit soort gigantische operaties, waarmee de inkomens van mensen gemoeid zijn, kost het redelijk in stand houden van die inkomens ook geld. Dan is een toets nodig om heel goed te kunnen zien bij wie die 5 mld. terechtkomt. Ik constateer dat zowel bij het vergroenen of bij het schrappen van de aftrekposten blijkt dat de mensen met de laagste inkomens in dit proces het kwetsbaarst zijn en daar moet dan ook het geld vooral terechtkomen. Ik ben van mening dat dit gebeurt.

De heer Reitsma (CDA):

Die rekensom is heel snel te maken: 3 mld. gaat in de arbeidskorting zitten en 2 mld. wordt besteed aan de tariefsverlaging en de lengte van de schijven. Mijn vraag is evenwel: vindt u het nodig dat de 750 mln. Schoorlmiddelen erbij komen? Dat waren echt de middelen uit de inkomensmeevaller.

De heer Bos (PvdA):

Als u wat over Schoorl wilt weten, moet u het maar aan het geacht VVD-lid Zalm vragen. Ik heb daar verder geen boodschap aan. Wij hebben hier een afspraak gemaakt over 5 mld. en die gebruiken wij.

De heer Reitsma (CDA):

Dat is helder.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Bos doet een voorspelling die mij doet denken aan uitspraken van Amerikaanse economen uit het begin van de jaren tachtig. Zij zeiden ook dat lagere belastingen meer belastinginkomsten opleveren. Maar heeft hij dat laten doorrekenen bij het Centraal planbureau? Als ik als oppositielid met zo'n verhaal kom, weet ik precies wat de regeringspartijen aan mij vragen, namelijk of er een berekening is die deze redenering staaft. Vandaar mijn vraag.

De heer Bos (PvdA):

U heeft het over lagere belastingen. Dat is juist met het oog op de nettolastenverlichting. Maar met de voorgestelde belasting op vermogen zal voor een aanzienlijke groep ook sprake zijn van een stijging van de belastingdruk. Die kanttekening maak ik dus bij uw betoog. Ik ga af op berekeningen en analyses die door velen gemaakt zijn. Ik denk ook aan de zeer verontrustende trend die de laatste tien à twintig jaar in ons belastingstelsel is opgetreden, namelijk dat steeds meer mensen steeds minder belasting zijn gaan betalen door de toename van aftrekposten en door het oppotten van geld uit onbelaste vermogenswinsten. Daar maken wij nu een einde aan. Dat maakt mij hoopvol over wat het stelsel in de toekomst aan inkomsten kan genereren, op welk niveau wij dat ook ambiëren. Ook een partij die veel minder investeringen in de samenleving en veel minder uitgaven voorstaat dan de PvdA, is gebaat bij een belastingstelsel dat niet lekt.

Mevrouw de voorzitter! Gezien wat ik net gezegd heb, zal het u niet verbazen dat de PvdA blij is met de manier waarop de belastingherziening per 1 januari 2001 uitwerkt voor de verschillende inkomensgroepen. Dat zag er al goed uit en dat is er met de wijzigingen van de laatste weken alleen maar beter op geworden. Het is goed om te zien dat werkenden op minimumloonniveau er zo'n ƒ 1400 per jaar netto op vooruitgaan. Het is goed om te zien dat de mensen met lagere inkomens er meer op vooruitgaan dan de mensen met hogere inkomens. Het is goed om te zien dat daar waar het leek te wringen – bij de mensen met middeninkomens, de mensen met kleine banen en de ouderen – nog wat extra's is gedaan. Maar de echte inkomenspolitieke betekenis van deze belastingherziening ligt niet bij het koopkrachtplaatje van 1 januari 2001, maar bij het instrumentarium dat ons na die datum ten dienste staat. Natuurlijk, zoals gezegd, mogen de inkomenseffecten per 1 januari er zijn. Maar wat echt winst is, is dat de belastingvrije som wordt vervangen door de heffingskorting en het arbeidskostenforfait en de werkelijkekostenaftrek door de arbeidskorting. Dat betekent dat denivellerende instrumenten van inkomenspolitiek vervangen zijn door nivellerende instrumenten van inkomenspolitiek. Dat herhaal ik nog maar een keer voor mevrouw De Vries. Er komt dus eindelijk een einde aan de tijd waarin wij niet in staat waren minimumloners te helpen zonder de mensen met hogere inkomens tegelijkertijd nog meer te helpen. Straks zal het op dat gebied dus echt anders zijn. Als wij de heffingskorting of de arbeidskorting de komende jaren verhogen, dan tikt dat in guldens bij iedereen even hard aan en in procenten zelfs meer bij de mensen met lagere inkomens dan bij de mensen met hogere inkomens. Wij vinden dat een belangrijk winstpunt van deze belastingherziening.

De heer Reitsma (CDA):

U trekt een heel goede conclusie richting de VVD: nivellering in plaats van denivellering. Maar wat is dan uw reactie op de opmerking van minister Zalm tijdens het wetgevingsoverleg, dat het introduceren van de arbeidskorting een forse denivellering betekent tussen werkenden en niet-werkenden. Telt u dan uw zegeningen nog eens.

De heer Bos (PvdA):

Daar kom ik straks nog op terug, maar ik zal er nu ook even op ingaan. Wij kunnen geen twee dingen tegelijkertijd willen. Wij kunnen niet tegelijkertijd de participatie van mensen op de arbeidsmarkt willen bevorderen en de situatie laten voortbestaan waarin mensen met een uitkering er netto op achteruitgaan als zij een baan accepteren. Je kunt onmogelijk beide dingen tegelijk willen. Wij hebben ervoor gekozen om werk weer lonend te maken, zodat mensen het in hun portemonnee merken als zij een baan accepteren. In de jaren waarin wij met het CDA in de regering zaten, hebben wij het verschil tussen werkenden en niet-werkenden vergroot door de uitkeringen niet te laten stijgen of zelfs te verlagen. Maar vandaag de dag doen wij dat op een heel andere manier, want ook mensen met een uitkering gaan er met deze belastingvoorstellen honderden guldens op vooruit. Maar de mensen op minimumloonniveau gaan er inderdaad iets meer op vooruit. Daar hebben wij, zoals gezegd, een goede reden voor.

De heer Reitsma (CDA):

U moet niet in het verleden vluchten. Hoe je het ook wendt of keert, door de introductie van de arbeidskorting wordt een sterke denivellering tussen werkenden en niet-werkenden gerealiseerd. De bulk van de niet-werkenden is de groep ouderen die helemaal geen prikkel nodig heeft om toe te treden tot de arbeidsmarkt. Welke rechtvaardigheid zit daar achter?

De heer Bos (PvdA):

Dat heb ik al gezegd. Je kunt niet mensen aan het werk helpen als zij er bij het accepteren van een baan financieel op achteruitgaan. Het verschil tussen werkenden en niet-werkenden wordt inderdaad vergroot, maar dit gebeurt niet door de niet-werkenden erop achteruit te laten gaan. Ook zij gaan er fors op vooruit. Alleen degenen met een baan op het niveau van het minimumloon gaan er een beetje meer op vooruit. Verscheidene journalisten en commentatoren hebben er terecht op gewezen dat de vooruitgang – waar de heer Reitsma zo negatief over doet – voor degenen op het niveau van het minimumloon in de praktijk nog wel eens tegen zou kunnen vallen. Ook met deze arbeidskorting zullen degenen die vanuit een uitkering een baan aanvaarden er plotseling mee geconfronteerd worden dat zij geen recht meer hebben op allerlei ondersteuningsregelingen. Dat probleem mag niet genegeerd worden.

De heer Reitsma (CDA):

U ontwijkt mijn vraag. Het ging mij om de ouderen die geen prikkel via de arbeidskorting nodig hebben. Dat is maatschappelijk ook onverantwoord, maar toch wilt u de 65-plussers op achterstand zetten. Dat begrijp ik niet.

De heer Bos (PvdA):

Er wordt niemand op achterstand gezet. Een van de hoekstenen van deze belastingherziening is dat in principe iedereen erop vooruit kan gaan. Grofweg gaat men er gemiddeld 2 à 3% op vooruit met uitzondering van degenen die werken en het minimumloon ontvangen, want die krijgen er het dubbele bij. De vooruitgang van degenen met een uitkering en van ouderen is heel goed vergelijkbaar met de vooruitgang van de meeste mensen met een baan. Het systeem is volstrekt billijk. Ik erken dat er fors wat meer wordt gedaan voor degenen die een baan accepteren op het niveau van het minimumloon. Daar is ook een goede reden voor.

De heer Reitsma (CDA):

Toch klopt uw stelling niet. Ik verwijs naar de koopkrachtplaatjes na de tweede nota van wijziging. Ik noem de ouderen en de werkende alleenverdiener. Ik noem ook de gehuwde ouderen en de werkende alleenstaande. De werkenden gaan er 2 à 3% meer op vooruit dan de ouderen. Welke rechtvaardiging kunt u daarvoor geven?

De heer Bos (PvdA):

Ik ben dat niet met u eens. Als u de koopkrachtplaatjes nog eens goed bestudeert, zal blijken dat werkenden en niet-werkenden er grofweg 2 à 3% op vooruitgaan. Er blijkt ook dat er iets extra wordt gedaan voor degenen die op het minimumloon een baan aanvaarden. Ik houd dit staande en ik heb al aangegeven dat wij daar goede redenen voor hebben.

De heer Reitsma (CDA):

Uit de koopkrachtplaatjes uit de nota van wijziging blijkt echt iets anders. Er is zeker een verschil van 2% en in bepaalde gevallen van 3% tussen werkenden en niet-werkenden.

De heer Bos (PvdA):

Oh, in bepaalde gevallen.

De heer Reitsma (CDA):

Nu moet u niet flauw doen. Neemt u maar een willekeurig inkomenscategorie. De inkomensgroepen van ƒ 30.000 en ƒ 60.000 zijn bijvoorbeeld redelijk vergelijkbaar. De conclusie kan niet anders zijn dan dat PvdA en VVD de ouderen ten opzichte van de werkenden op een min van zeker 2% zetten. Dat is een bewuste keuze. De minister heeft dat ook duidelijk gezegd en daar moet u niet voor weglopen.

De heer Bos (PvdA):

Ik heb kennelijk een heel ander zicht op de werkelijkheid dan u. Ik ga er dan ook verder maar niet op in.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Volgens mij heeft de heer Reitsma wel degelijk een punt. Er blijven naar de mening van GroenLinks in ieder geval zorgen voor de toekomst omdat de speciale aftrek voor mensen met een uitkering verdwijnt. Daarmee verdwijnt een inkomensinstrument voor een genivelleerde inkomenspolitiek. Ik hoop dat de heer Bos daar ook nog niets over gaat zeggen.

De heer Bos (PvdA):

Ja, dat is mijn volgende punt.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Fijn.

Mijn vraag had betrekking op het vorige punt. De heer Bos schetst de toekomst van de arbeidskorting. Hij doet het voorkomen alsof de introductie van de arbeidskorting van ƒ 1847 in vergelijking tot het arbeidskostenforfait dat wij nu kennen, een parel van nivellering is. Wij hebben aan de staatssecretaris gevraagd of hij daar wat rekensommetjes over wil geven. Ik houd het even heel simpel. Iemand met een minimumloon krijgt nu ƒ 1000 arbeidskostenforfait. Die krijgt straks een arbeidskorting van ongeveer ƒ 1900. Ik rond het even af. Iemand met vier keer modaal krijgt nu een arbeidskostenforfait van ƒ 1600. Dat is dus iemand die ongeveer twee ton verdient. Hij krijgt straks een arbeids- korting van net boven de ƒ 2000. Dat betekent dat de omzetting – welke belastingguldens gaan naar hogere inkomens en welke belastingguldens gaan naar lagere inkomens – de komende jaren nog geen effect heeft. Wij moeten echt een paar jaar het arbeidskostenforfait nog flink verhogen; dan pas heeft hetgeen de heer Bos schetst betekenis. In de tussentijd hebben wij in de derde en de vierde schijf wel lagere tarieven. Daardoor wordt de betekenis van de omzetting van het arbeidskostenforfait weer geringer.

De heer Bos (PvdA):

Ik meen dat de heer Vendrik nu dezelfde fout maakt als bij de vermogensrendementsheffing. Wij bespreken niet het belastingplan 2001. In dat debat, dat wij elk jaar aan het eind van het jaar voeren, kijken wij naar de schijfjes en de tariefjes voor het jaar daarna. Nu zetten wij een nieuw stelsel in elkaar. Dit debat gaat over de instrumenten. De inkomenspolitieke betekenis daarvan beperkt zich dan ook niet tot 2001. Als wij de arbeidskorting niet zouden hebben geïntroduceerd, hadden wij met dat arbeidskostenforfait moeten werken. Dan hadden wij jarenlang alleen het arbeidskostenforfait kunnen gebruiken als wij iets hadden willen doen aan de afstand tussen het minimumloon en de uitkering. Daar zouden mensen met een hoger inkomen veel meer van geprofiteerd hebben dan mensen met een laag inkomen. Nu zetten wij min of meer inkomensneutraal het huidige stelsel om in een nieuw stelsel. Het is inkomensneutraal op het moment van omzetting, maar de winst zit 'm natuurlijk in de jaren na de omzetting. Als ik dat probleem nu wil bestrijden en dat niet meer doe met behulp van het arbeidskostenforfait maar met behulp van de arbeidskorting, weet ik zeker dat dit in guldens bij de lagere inkomens net zo hard aantikt als bij de hogere inkomens. Dat is echt anders dan het was.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Maar die winst is de komende jaren nog niet zichtbaar omdat die arbeidskorting veel hoger is dan hetgeen nu wordt uitgedeeld aan het arbeidskostenforfait. En er is ook een verlies. De heer Bos kijkt graag een paar jaar vooruit. Hij neemt structureel lagere tarieven voor zijn rekening. Dat betekent dat belastinginkomsten worden gederfd en dat hogere-inkomensgroepen minder belasting gaan opleveren. Dat is wel het saldo. Dus naast de winst, die pas over een aantal jaren wordt uitbetaald, neemt de heer Bos dus nu al een verlies. Daarop spreek ik hem aan.

De heer Bos (PvdA):

Ik noem dat geen verlies, want ik meen dat er heel goede redenen zijn om door dat hele belastinggebouw de tarieven te verlagen, zeker gelet op de landen om ons heen. Wij leven in Nederland niet op een eiland, zeker niet in Europa, en wij moeten rekening houden met hetgeen wij op dat gebied om ons heen zien gebeuren. Daar hoort ook het verlagen van tarieven bij en dat gebeurt van hoog tot laag.

De heer Marijnissen (SP):

Ik wil de heer Bos in zoverre wel bijvallen dat ook in onze optiek de arbeidskorting beter is dan het arbeidskostenforfait. Dat neemt niet weg dat nog heel veel geld in het kader van de arbeidskorting naar de hogere inkomens vloeit. Ik meen mij te herinneren dat bij de eerste inbreng van de Partij van de Arbeid is gevraagd om een doorrekening van een aftopping van die arbeidskorting. Mijn fractie was daar zeer aangenaam door verrast. Dat zal de heer Bos begrijpen. Gaat hij nog wat doen met de antwoorden van de bewindslieden?

De heer Bos (PvdA):

Nee, dat was ik niet van plan.

De heer Marijnissen (SP):

Waarom niet?

De heer Bos (PvdA):

Mensen met een hoog inkomen, de Boonstra's, hebben die arbeidskorting niet nodig. Toch loopt in de voorstellen die wij hier doen, de arbeidskorting door tot en met de mensen die deze niet nodig hebben. Dat komt omdat wij ervoor hebben gekozen de arbeidskorting voor twee doeleinden te gebruiken. Het instrument heeft immers niet alleen een betekenis op de arbeidsmarkt – om mensen te stimuleren een baan te accepteren – het is ook in inkomenspolitiek opzicht van belang. Dat houdt in dat, als je de arbeidskorting ergens wilt doen ophouden, je dat betrekkelijk hoog zou moeten doen. Dat was de achtergrond van de vraag die wij indertijd stelden. Wij konden ons niet voorstellen dat, als je de arbeidskorting ergens zou willen aftoppen, je dat lager zou doen dan bij inkomens van een ton of meer of zo. Als je dan bekijkt wat dat oplevert en welke negatieve inkomenseffecten dit teweegbrengt, moet je je afvragen of het dat wel waard is en bij de gezamenlijke afweging is naar voren gekomen dat het dat uiteindelijk niet waard is.

De heer Marijnissen (SP):

Ik maak bezwaar tegen het feit dat u de introductie van de arbeidskorting rechtvaardigt met het argument dat er winst moet zijn voor de mensen die van een uitkering naar werk gaan. Dat speelt zich dus af onderin het loongebouw. Daar heeft GroenLinks al eens voorstellen voor gedaan en wij hebben daar de "terugtaks" voor geïntroduceerd: ƒ 250 per maand voor mensen op het minimumloon tot 115% en afbouw in het traject van 115% tot 150%. Dat komt neer op ongeveer 2 mld. Bij de arbeidskorting gaat het over 7 mld. à 9 mld. U kunt wel vragen of het boven de ton – ik wil immers best over die ton praten – nog wel de moeite waard is, maar als het u erom gaat om de armoedeval te bestrijden en ervoor te zorgen dat mensen die onderin het loongebouw werk aanvaarden, er daadwerkelijk iets op vooruitgaan, dan zou u toch beter voor die terugtaks kunnen opteren? Dan zou u immers veel goedkoper uit zijn. Er is helemaal niets wat uw redenering rechtvaardigt dat wij mensen bovenin het loongebouw, van wie u zelf zegt dat zij het eigenlijk niet nodig hebben, op deze manier toch een douceurtje geven.

De heer Bos (PvdA):

Ik zal niet onder stoelen of banken steken dat ik enige sympathie voor uw denkbeelden heb, want als ik het voor het zeggen had... Ook ik ben van mening dat mensen met hoge inkomens niet alles nodig hebben wat zij krijgen.

De heer Marijnissen (SP):

Gaat u door! Ik zou graag horen wat er zou gebeuren als u het voor het zeggen had.

De heer Bos (PvdA):

Ook als ik het voor het zeggen had, zou ik rekening moeten houden met wat er in de landen om ons heen gebeurt en met de wijze waarop daar wordt omgegaan met belastingtarieven, ook voor mensen met hoge inkomens. Wij kunnen wel een mening hebben over de vraag wat mensen nodig hebben, maar wij weten allemaal dat wij niet lang een situatie kunnen volhouden waarin er in Nederland ook voor de mensen met hogere inkomens een structureel hogere belastingdruk is dan in de landen om ons heen. Op de langere termijn zou dat de welvaart in dit land immers aantasten; ook dat is door diverse analyses aangetoond. Daar teken ik dus niet voor.

De heer Marijnissen (SP):

Zij gaan toch niet voor die ƒ 1800 naar België of Luxemburg? Dat is toch een misverstand?

De heer Bos (PvdA):

Uw redenering heeft natuurlijk niet alleen betrekking op die ƒ 1800. Als u met de redenering begint dat die mensen dat niet nodig hebben, gaat het tarief daarna immers ook nog omhoog naar 60%. Waarom zou het tarief vervolgens niet naar 70% gaan en waarom zou er geen schijf bij komen van 80%? Ik vind een redenering op grond van de vraag of mensen het al of niet nodig hebben, heel sympathiek, omdat ook ik ideeën heb over rechtvaardige inkomensverdeling en dergelijke. Als ik echter verantwoordelijkheid moet nemen voor de inrichting van het belastingstelsel, is dat echter helaas niet het enige waar ik naar moet kijken; ik moet dan immers ook bekijken hoe concurrerend dat belastingstelsel is ten opzichte van de landen om ons heen. Dan maak je dus dit soort keuzen.

De heer Marijnissen (SP):

Het gaat mij vooral om het enorme verschil tussen de hele inleiding van uw betoog, die bij wijze van spreken ook door mij uitgesproken had kunnen zijn.

De heer Bos (PvdA):

Nou, nou. Nu moet ik mij zorgen gaan maken.

De heer Marijnissen (SP):

Dat mag u rustig doen, want er is een groot verschil tussen uw woorden en de werkelijkheid. U hebt gezegd dat de overheid geld nodig heeft voor de collectieve voorzieningen; dat zou ik ook zeggen. U hebt ook gezegd dat de overheid moet zorgen voor een belastingheffing naar draagkracht; ook dat zou ik zeggen. Over die twee elementen zijn wij het eens; zij komen in meer of mindere mate vandaag waarschijnlijk in alle speeches aan de orde. Het gaat er natuurlijk om wat u vervolgens met die twee uitgangspunten doet. Dan komt u al heel snel met het argument dat die mensen naar het buitenland gaan als de plannen van de heer Marijnissen worden uitgevoerd en als wij de arbeidskorting niet ook aan de mensen met een inkomen boven een ton geven. Ik vrees dat u op die manier straks ook in de discussie over de vermogenswinstbelasting zeer snel met een schijnoverwinning kunt wegkomen.

De heer Bos (PvdA):

Het mag wat u betreft allemaal niet genoeg zijn, maar ik constateer dat wij met de zojuist door mij geschetste uitgangspunten de grootste Nederlandse nivelleringsoperatie sinds mensenheugenis hebben neergezet. Ik ken geen inkomensbeeld op 1 januari van enig jaar waarbij de verschillen tussen de vooruitgang voor de lagere inkomens en de vooruitgang voor de hogere inkomens zo groot zijn als in deze plannen. Laten wij dat tenminste samen vaststellen.

De heer Marijnissen (SP):

Achter mij protesteerde mevrouw De Vries; ik maak dus echt in commissie bezwaar tegen uw opmerking dat dit de grootste nivelleringsoperatie is uit de Nederlandse geschiedenis. Dat moet u eens proberen hard te maken, want ik zal mevrouw De Vries straks zeker vragen of zij het daarmee eens is. Ik weet zeker dat zij mij dan de argumenten zal leveren om aan te tonen dat u absoluut ongelijk hebt. Ik nodig u vooral uit om nu hard te maken waar het revolutionair nivellerende effect precies in zit.

De heer Bos (PvdA):

Dat is duidelijk; ik zal de discussie tussen u en mevrouw De Vries met belangstelling volgen.

De heer Marijnissen (SP):

Ik zal dit straks aan mevrouw De Vries vragen, maar ik wil nu graag uw argumenten horen die uw uitspraak schragen dat dit de grootste nivelleringsoperatie in de Nederlandse geschiedenis is.

De heer Bos (PvdA):

In dat geval wijs ik op twee zaken. Ten eerste ken ik geen voorbeeld van een inkomensplaatje op 1 januari van enigerlei jaar waaruit blijkt dat mensen met een minimumloon meer dan 6% en mensen met een inkomen van twee of drie keer modaal, 2 à 3% erop vooruit kunnen gaan. Misschien mis ik de voorbeelden, maar deze zijn mij niet bekend. Ten tweede constateer ik dat, na herhaald verzoek van de Kamer, de regering tot tweemaal toe in de nota heeft aangegeven dat de belastingdruk in het nieuwe stelsel progressiever werkt dan in het oude stelsel. De effectieve lastendruk op iemand met een inkomen van twee of drie keer modaal is hoger vergeleken met de lastendruk op iemand met een minimumloon. In het nieuwe stelsel is dat zelfs meer dan in het oude stelsel. Dat zijn mooie voorbeelden in de goede richting. Ik ken geen voorbeelden van waar dat eerder, in ieder geval in Nederland, gedaan is. Mogelijk schiet mijn kennis tekort, maar dan houd ik mij voor educatie aanbevolen.

De heer Marijnissen (SP):

Laat ik hier twee dingen over zeggen. Allereerst komen wij zeker nog te spreken over de vermogensrendementsheffing. Die werkt niet naar draagkracht, daar zijn wij het heel snel over eens. Ik noem ook de hypotheekrenteaftrek, waarbij wij allemaal weten dat er veel gemeenschapsgeld naar vooral de rijkere mensen toegaat. Wij zullen daar direct ook uitvoerig over spreken. Ten tweede heb ik alle stukken gelezen en gecheckt op het punt van de vermeende progressiviteit. Ik kan er van de kant van de bewindslieden echter niet meer uit krijgen dan dat zij zeggen dat het een "tikkeltje progressief" is.

De heer Bos (PvdA):

Ik zie uit naar de rest van de avond, meneer Marijnissen!

De voorzitter:

Meneer Vendrik, bij een interruptieronde is het heel ongebruikelijk om voor een tweede beurt terug te komen. Ik geef u daarom slechts heel kort de gelegenheid om voor de tweede keer te interrumperen, maar dat is dan wel de laatste keer dat u dat op deze manier doet.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Dat begrijp ik. De heer Bos vraagt naar bewijsmateriaal. Kent hij het boekje dat ik hier heb?

De heer Bos (PvdA):

Dat is nummer 115.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Dat is inderdaad nummer 115, het Centraal planbureau puntendiagram. Wij hebben de regering gevraagd inkomenseffecten te noemen boven de anderhalve ton. Dat wilde de regering niet. Het staat echter hier in dit boekje. Dit is geen nivellering, maar denivellering. Het spijt me. Ik begrijp dat u het graag anders had gezien, maar het is denivellering.

De heer Bos (PvdA):

Ik denk het plaatje te herkennen dat de heer Vendrik heeft laten zien. Ik ontken niet dat er vast en zeker bepaalde inkomensgroepen zijn, met name de groep die inkomens van in de tonnen geniet, die nadrukkelijk zullen profiteren van deze belastingherziening. Het is echter niet gemakkelijk om dat effect te vermijden zonder internationaal geweldig uit de pas te lopen. Dat kan wellicht voorkomen worden door met een nieuw verfijnd stelsel met allerlei nieuwe tarieven en schijven te komen. Daarvoor kiezen wij echter niet, om goede redenen.

Mevrouw de voorzitter! De Partij van de Arbeid is tevreden met de inkomenspolitieke aspecten van de belastingherziening. Wij plaatsen echter enige kanttekeningen. Allereerst moet ons van het hart dat wij hebben moeten slikken toen met het verdwijnen van het arbeidskostenforfait ook het zogenaamde niet-actievenforfait is verdwenen. Toch accepteren wij dat, omdat het niet-actievenforfait blijkbaar niet nodig is om een acceptabel inkomensplaatjes te laten zien en wij niet zullen aarzelen om een vergelijkbaar instrument in het leven te roepen als dat nodig mocht zijn. Bovendien is afschaffing van het arbeidskostenforfait de PvdA het een en ander waard.

Er zijn twee groepen waarbij wij niet overtuigd zijn dat de belastingherziening redelijk voor hen uitwerkt. Ik heb het dan met name over de grensarbeiders in de Nederlands-Belgische grensstreek en over de vutters. Wij overwegen om op dit punt moties in te dienen, maar nodigen de regering uit om eerst haar licht daarover te laten schijnen.

De heer Reitsma (CDA):

De heer Bos zegt te overwegen een motie in te dienen over de vutters. Hij heeft echter net gezegd dat een inactievenforfait of een inactievenkorting, zoals voorgesteld in mijn amendement, niet nodig is. Er valt immers via andere instrumenten het nodige op te lossen. Waarom overweegt hij dan een motie in te dienen om de inkomenspositie van de vutters te verbeteren, een categorie die in de min terecht zal komen? Het allersimpelste instrument is toch de arbeidskorting of een bijzondere korting voor niet-actieven met een arbeidsverleden?

De heer Bos (PvdA):

Er is gelukkig ook een ander instrument, namelijk de overhevelingstoeslag. Ik overweeg een motie in te dienen waarin de regering wordt gevraagd om bij de definitieve vaststelling van het koopkrachtbeeld voor 2001 nadrukkelijk aandacht te besteden aan deze groep en om het eventueel inzetten van een overhevelingstoeslag in dit kader te bezien.

De heer Reitsma (CDA):

Waarom dient u dan niet een amendement in om dat in evenwicht te brengen?

De heer Bos (PvdA):

Als het op deze manier kan, dan heb ik geen amendement nodig. Maar ook op dit punt wacht ik de visie van de regering af.

Ten slotte de positie van gehandicapten en chronisch zieken. Dit is een buitengewoon moeilijk probleem, omdat het altijd redelijk lijkt om voor hen meer middelen vrij te maken. Al tijden is er overleg tussen de gehandicaptenorganisaties en de diverse ministeries over de aanpassing van de nodige regelingen en faciliteiten, bijvoorbeeld in de sfeer van de buitengewonelastenaftrek. Wij moeten helaas constateren dat de regering het moment van de belastingherziening niet heeft gebruikt om op dit gebied een aantal van de door de organisaties voorgestelde veranderingen door te voeren. Misschien kwam dat ook doordat de nadruk van de voorstellen tot voor kort meer lag op het beschikbaar krijgen van meer geld dan op structuurveranderingen in het stelsel. Dat excuus bestaat nu in ieder geval niet meer. Een paar weken terug heeft de Gehandicaptenraad een degelijk rapport gepresenteerd waarin een aantal zeer zinnige voorstellen stonden, die niet slechts gingen over meer geld, maar ook over een zinnigere structurering van de bestaande faciliteiten, bijvoorbeeld door het gebruik van andere drempels en heffingskortingen. Uit de reacties van de staatssecretaris op dit rapport leiden wij af dat ook hij vindt dat er iets met deze voorstellen moet gebeuren. Wij zullen hem zo nodig met behulp van een motie daaraan herinneren.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Betekent deze dreiging met een motie dat u de amendementen over dit probleem, dus over de aftrek voor buitengewone lasten, over de gehandicapten en over de 27-jarigen, niet steunt?

De heer Bos (PvdA):

Dat is correct.

Het volgende punt is ook van belang voor de inkomenseffecten; in de voorbereidende debatten is hierover al het een en ander opgemerkt. Het beoogde effect dat lagere inkomens er meer op vooruitgaan dan hogere inkomens lijkt zeer afhankelijk van de zogenaamde "niet-standaardeffecten", met name de gevolgen van het schrappen van diverse aftrekposten voor de hogere inkomens. Als dat, om wat voor reden ook, niet door zou gaan, dan draait het hele inkomensplaatje in een door ons ongewenste richting om.

Misschien is het goed om hier iets explicieter bij stil te staan, mede gezien de lessen die we geleerd hebben na de operatie-Oort. De rechter, zich beroepend op het beginsel van gelijke behandeling, dwong de wetgever tot een symmetrische behandeling van vergoedingen en aftrekposten en verwrong daarmee de door de wetgever beoogde systematiek. Als dat nu weer zou gebeuren, dan is per saldo het gevolg dat de inkomenseffecten ten gevolge van de tariefdaling overeind blijven en de inkomenseffecten ten gevolge van het schrappen van aftrekposten, de grondslagverbreding, een stuk onzekerder worden. Het resultaat zou een operatie zijn waarmee de hogere inkomens er per saldo meer op vooruitgaan dan de lagere inkomens. Voor ons is dat niet acceptabel.

Daarom is het voor ons niet slechts vanuit fiscaal-theoretisch oogpunt, maar nadrukkelijk ook vanuit politiek opzicht heel belangrijk om te zien hoe de beoogde grondslagontwikkeling zich in de praktijk zal voordoen en ook of het nieuwe zelfdragende regime van vergoedingen, dat niet via een of ander symmetriebeginsel is verbonden met het regiem van aftrekposten, het houdt en niet door de rechter onderuit wordt gefietst. Het is ook een van de redenen waarom wij met name op dit punt over een aantal jaren de wet willen evalueren; hierover later meer. De regering is zich van dit punt zeer bewust. Met name in de discussies over de afschaffing van onderdelen van het reiskostenforfait en van de werkelijke kostenaftrek heeft zij zich nadrukkelijk laten voorstaan op het niet langer tot uitgangspunt nemen van het symmetriebeginsel. Vergoedingen staan niet langer in relatie tot aftrekposten, maar zijn zelfdragend; zelflegitimerend is misschien nog wel een beter woord. De legitimiteit wordt ontleend aan wat in het maatschappelijk verkeer gangbaar is en niet aan wat er wordt afgetrokken.

In de rechtsliteratuur bestaat geen twijfel over deze redenering. Een ongelijke behandeling tussen werknemers die wel en werknemers die geen vergoeding krijgen, is toegestaan en op zich geen reden om aftrekposten toe te laten voor de werknemers die geen vergoeding krijgen, mits de regering daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging geeft. Dit is ook de redenering van de regering in de nota's naar aanleiding van het verslag en die redenering steunen wij ook. Wel vinden wij dat de regering nog veel duidelijker kan en moet aangeven wat die objectieve en redelijke rechtvaardiging is die kennelijk wordt gevonden in motieven van sociaal-economische politieke aard. Wij mogen toch in ieder geval aannemen dat het hierbij om meer gaat dan enkel budgettaire redenen. Wij nodigen de regering dan ook uit om op dit punt haar motieven nog eens in dit debat te expliciteren. Dit zal bijdragen aan de robuustheid van het voorgestelde regime, ook en zo nodig bij de rechter.

Aan deze rode lijn van het schrappen van aftrekposten, het verbreden van de grondslag en het verlagen van de tarieven kleeft nog een heel ander aspect en dat heeft te maken met de verhouding tussen werkgever en werknemer. Met name door het schrappen van aftrekposten in de sfeer van het woon-werkverkeer en bij de werkelijke kosten, kan een werknemer bepaalde tegemoetkomingen niet langer van de fiscus verwachten, maar zal hij die bij zijn werkgever moeten bevechten. Het kan daarbij gaan om opleidingskosten, reiskosten, kosten van kleding, uitrusting, instrumenten en dergelijke.

Het is een onderdeel van de plannen dat ons veel brieven heeft opgeleverd en dat in individuele gevallen ook pijnlijk kan uitwerken. Toch steunen wij de regering in dit opzicht, niet alleen omdat de huidige regelingen, met name de werkelijke kostenaftrek, slechts voor weinig mensen betekenis hebben en zeer fraudegevoelig blijken te zijn, maar ook omdat uitzonderingen op dit terrein naar alle waarschijnlijkheid de deur open zetten naar het herinvoeren van andere aftrekbare kosten. Daarmee zou de algemene lijn van het schrappen van aftrekposten, het verbreden van de grondslag en het verlagen van de tarieven in de gevarenzone terechtkomen.

Een en ander leidt mij tot twee conclusies. Mijn eerste conclusie is dat de regering met deze voorstellen, al of niet bedoeld, het vakbondslidmaatschap een grote stimulans zal geven. Als de werknemer het niet meer bij de fiscus kan halen, zal hij zich tot zijn werkgever richten. Het is met het oog daarop belangrijk om onderhandelingsmacht op te bouwen.

Mijn tweede conclusie luidt dat de regering met deze voorstellen ook een wissel trekt op haar eigen rol als werkgever. De overheid en de semi-overheid in de zorg, het onderwijs of de cultuur, staan niet bekend als de meest genereuze werkgevers bij het toekennen van vergoedingen voor zaken die nu niet meer in de aftreksfeer beschikbaar zijn, maar enkel en alleen bij de werkgever kunnen worden bevochten. De overheid als werkgever zal daar dus ook ruimte voor moeten maken. Zou het geen mooi gebaar zijn als Willem Vermeend hier, ter illustratie van het feit dat hij zich hier meer dan bewust van is, een gebaar zou maken en al zijn belastingambtenaren een abonnement op een vaktijdschrift of een jaarkaart voor de trein aanbiedt? Doet hij dat niet om het goede voorbeeld van een werkgever onder het nieuwe fiscale regime te geven, dan moet hij dat toch doen om zijn ambtenaren te bedanken voor de geweldige inspanning die ook zij de afgelopen maanden hebben geleverd.

De heer Reitsma (CDA):

Ik vind het opvallend dat de heer Bos zo gemakkelijk voorbijgaat aan de mogelijke problemen. Ik noem het voorbeeld van een muzikant die zelf ƒ 15.000 kosten moet maken, omdat zijn werkgever hem niet langer een vergoeding geeft. Vindt hij dit rechtvaardig? Het verbaast mij dat hij hierop reageert door te zeggen dat zo iemand pech heeft.

De heer Bos (PvdA):

Ik heb de woorden "u hebt pech" niet in de mond genomen. Ik constateer dat het in individuele gevallen pijnlijk uit kan vallen. Iemand in die positie kan echter ook over andere mogelijkheden beschikken om ervoor te zorgen dat het in de toekomst beter wordt geregeld. Ik verwacht dat vakbonden van een dergelijk probleem een punt zullen maken in het overleg over de arbeidsvoorwaarden. Ik verwacht verder dat werknemers in de toekomst zullen proberen dit soort kosten door hun werkgever vergoed te krijgen.

De heer Reitsma (CDA):

Wat doet de heer Bos als die verwachtingen niet uitkomen?

De heer Bos (PvdA):

Dat is een zaak die werkgevers en werknemers met elkaar zullen moeten bespreken. Dat gebeurt wel vaker.

De heer Reitsma (CDA):

De overheid draagt dus geen enkele verantwoordelijkheid als de lasten op enig moment de draagkracht van een individuele werknemer te boven gaan?

De heer Bos (PvdA):

Ik constateer dat de overheid haar verantwoordelijkheid neemt door dit soort versoberingen in het fiscaal regime vergezeld te laten gaan van compensatie op andere punten. De mijnheer of mevrouw die in de toekomst bepaalde kosten niet meer kan aftrekken, deelt mee in de voordelen van de belastingherziening, te weten de lagere tarieven. Hoe dat per saldo uitvalt, weet ik niet. Ik kan echter niet uitsluiten dat zich in individuele gevallen problemen zullen voordoen. Ik weet wel dat wij niet al te pessimistisch moeten zijn over de mogelijkheden van werknemers om een en ander bij onderhandelingen met de werkgevers aan de orde te stellen. Als de werknemer het namelijk niet meer kan trekken, heeft ook de werkgever een probleem.

De heer Reitsma (CDA):

Het rekensommetje is toch vrij gemakkelijk te maken. Door de tariefsverlaging ga je er mogelijkerwijs enkele honderden guldens op vooruit, maar door het afschaffen van de aftrek voor de werkelijke beroepskosten kunnen bijvoorbeeld muzikanten er wel eens ƒ 10.000 of ƒ 15.000 op achteruitgaan, omdat zij hun kosten dan zelf moet betalen. De heer Bos is sociaal-democraat en het verbaast mij daarom hogelijk dat hij zich er niet voor inzet dat deze mensen naar draagkracht worden belast. Zijn opstelling komt erop neer dat hij zegt: je moet jezelf maar redden. Dat is een tamelijk hartvochtige benadering.

De heer Bos (PvdA):

U neemt het woord sociaal-democratie in de mond. Ik had het net over vakbonden. De sociaal-democratie heeft een behoorlijke traditie als het gaat over het vertrouwen in de onderhandelingen die vakbonden en werknemers in georganiseerd overleg voeren. Ook ik heb brieven gekregen waaruit blijkt dat het redelijke verzoeken betreft. Er staan veel meer gevallen tegenover waar sprake is van een geweldige ruimte voor oneigenlijk gebruik. Dan komt deze aftrekpost terecht bij mensen met hogere inkomens. Als sociaal-democraat loop ik niet geweldig warm voor een aftrekpost die fraudegevoelig is en vooral terechtkomt bij mensen met hogere inkomens. Er kunnen alternatieven worden geboden in het overleg tussen werknemers en werkgevers.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Bos beroept zich op de relatie tussen werkgever en werknemer. In dat kader zou het opgelost kunnen worden. Dat vinden wij ook. De musici geven aan – het valt ook te toetsen – dat de overheid zelf in niet geringe mate de werkgever is. Doet u samen met de fractie van GroenLinks een beroep op het kabinet om in zijn hoedanigheid als werkgever deze beroepsgroep in bijzondere mate tegemoet te komen bij de komende CAO-onderhandelingen?

De heer Bos (PvdA):

Ik wil niet in onderhandelingen treden. Ik ben duidelijk geweest. De regering trekt met deze voorstellen een wissel op haar eigen rol als werkgever in de overheids- en semi-overheidssector. Ik ben het op dat punt met u eens.

Voorzitter! Nog een laatste punt naar aanleiding van dit onderwerp. Het is een korte toelichting op een door mij en enkele anderen ingediend amendement. De versobering van het openbaarvervoerforfait leidde tot een strenger regime voor reizigers die onregelmatig of over kleine afstanden reizen, die met andere woorden minder goed in staat zijn om met een OV-verklaring aftrek te claimen. Dat kan met name deeltijders en flexwerkers op een vervelende wijze raken. Ons amendement strekt ertoe om daar waar een OV-verklaring mogelijk is deze ook te eisen, doch daar waar dit niet mogelijk is maar wel met het openbaar vervoer gereisd is, nadere regels voor een soepeler bewijslast toe te laten. Ik heb in het verlengde hiervan ook de intentie om bij motie aan te dringen op verder overleg tussen Financiën, Verkeer en Waterstaat en de OV-bedrijven om op dit punt met nadere oplossingen te komen. Ik denk aan nieuw kaartsoorten.

Voorzitter! De rode lijn van het schrappen van fiscale faciliteiten, het verbreden van de grondslag en het verlagen van de tarieven wordt ook in de sfeer van het ondernemerschap gevolgd.

De heer Schutte (GPV):

Ik word geprikkeld door het feit dat ik al vele moties heb horen aankondigen, terwijl het pas de eerste termijn is. Vindt de heer Bos niet dat wij met elkaar moeten proberen dat datgene wat wij in het normale debat kunnen bereiken, niet bij voorbaat met een motie moet worden belegd? Ik kan mij niet voorstellen dat de regering niet zegt: goed begrepen, mijnheer Bos, dat doen wij. Als nee wordt gezegd, is het tijd voor een motie.

De heer Bos (PvdA):

U hebt volkomen gelijk. Ik heb de nadruk op het woord intentie gelegd. Mijn voornemen staat nog niet vast. Ik zal de uiteindelijke beslissing nemen op basis van het antwoord uit vak K.

De heer Schutte (GPV):

Als wij er een gewoonte van maken dat wij dat in eerste termijn gaan melden, dan gaan ze denken: als er niets wordt gezegd, dan komt die niet. Wij kunnen er beter helemaal niets over zeggen.

De heer Bos (PvdA):

Ik heb goed naar u geluisterd.

Het is met name het afslanken van beschikbare ondernemersfaciliteiten voor commanditaire vennootschappen en samenwerkingsverbanden zoals man-vrouwmaatschappen waar de verschillen tussen het nieuwe regime en het huidige merkbaar zullen zijn. De toets die daarbij wordt voorgesteld is echter duidelijk en verdedigbaar. Als er geen ondernemersrisico wordt gedragen, dan worden er ook geen ondernemersfaciliteiten genoten. Wij kunnen dus instemmen met het onderbrengen van commanditaire vennoten als medegerechtigden in box II en zien ook enige logica in de manier waarop de knip is geplaatst tussen de fiscale faciliteiten waar zij wel en waar ze geen beroep op kunnen doen. Wij begrijpen ook dat dit het regime is waaronder film en zeescheepvaart zullen worden geplaatst. In de diverse nota's is echter nog steeds sprake van aanvullende faciliteiten voor deze beide sectoren. Wij willen hierover wat meer horen, met name een antwoord op de vraag, of het hier permanente dan wel tijdelijke faciliteiten zouden moeten zijn. Ik constateer overigens dat bij derde nota van wijziging ook op dit punt nadere voorstellen zijn gedaan. Morgen komt er nog een vierde nota van wijziging. In tweede termijn zal ik daarop ingaan.

De tweede grote verandering in het ondernemersblok betreft de meesleep- en meetrekregeling voor ondernemers in de inkomstenbelasting en de aanmerkelijkbelangsfeer. Het gaat om de voorgestelde verlaging van het aanmerkelijkbelangtarief van 30% zoals voorzien in de oorspronkelijke voorstellen naar 25% zoals voorgesteld bij nota van wijziging. Ik noem deze twee maatregelen nadrukkelijk samen, omdat zij wat mij betreft aan elkaar zijn gekoppeld. Het tarief voor houders van een aanmerkelijk belang is naar beneden gegaan, maar de kosten ervan worden door de directeur-grootaandeelhouders zelf gedragen, enerzijds door vooruit te lopen op de terugsluis van de derde tranche vergroening, anderzijds door de lastenverzwaring die optreedt ten gevolge van het overplaatsen van de meesleep- en meetrekregeling naar zo wij begrepen hebben box I. Wij zouden het overigens op prijs stellen – maar misschien komt dit morgen vanzelf bij de vierde nota van wijziging – als de regering onze veronderstelling kon bevestigen dat de wijziging in de meesleep- en meetrekregeling zoals bij de laatste nota van wijziging is voorgesteld niet leidt tot een netto lastenverlichting voor de betrokken groep, maar met name ten doel heeft een transparantere vorm te vinden voor wat wij wel noemen diverse antiboxdrainagemaatregelen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Bos lijkt te zeggen dat de tariefsverlaging in box II voor aanmerkelijkbelanghouders verdedigbaar is, omdat die ondernemers dat zelf financieren. Ik kan mij niet herinneren van de diverse vergroeningsoperaties van de laatste jaren dat een verhoging van een deel van de lasten dat gedragen wordt door ondernemers, bijvoorbeeld vanwege hogere energiebelastingen, reden is geweest de AB-tarieven naar beneden bij te stellen. Nu gebeurt zulks wel. Is dit vanaf vandaag de standaard?

De heer Bos (PvdA):

Als wij toekomen aan de derde tranche vergroening, waar wij het aan het eind van het jaar over zullen hebben, zijn er grofweg in deze sfeer twee keuzes: of je gaat de vennootschapsbelasting verder verlagen – dit jaar hebben wij al een stapje gedaan – of je probeert een ander mechanisme uit. Uit berekeningen blijkt dat als je een en ander doet via verlaging van het AB-tarief, in zeer grote mate de groep van midden- en kleinbedrijven wordt gedekt die de lasten ondervindt van de ecotaks. Wij hebben contact opgenomen met MKB Nederland om zeker te weten of, als wij dit gebruiken om de ecotaks terug te sluizen, men ermee akkoord gaat. Dat blijkt het geval te zijn. Dat lijkt ons per saldo een heel effectieve manier om terug te sluizen, vooral – en dat moet u aanspreken – omdat dit een manier van terugsluizen is waarvan het grootbedrijf niet meeprofiteert, althans veel minder dan gebeurt als de vennootschapsbelasting wordt verlaagd.

De heer Reitsma (CDA):

De heer Bos heeft ingestemd met een AB-tarief van 25%. Welke gewijzigde omstandigheden hebben voor de PvdA-fractie de afgelopen twee jaar daarbij een rol gespeeld? Bij de verkenning pleitte de heer Bos nog voor een tarief van 35%. Heeft hij zijn oren zo laten hangen richting VVD dat hij een verlaging van het tarief met 10 punten accepteert?

De heer Bos (PvdA):

Nee, wij kunnen rekenen. Wij constateren dat het verlagen van het tarief met 5 procentpunten netto niets uitmaakt. Dan is er volgens ons niets aan de hand.

De heer Reitsma (CDA):

Dat is niet helemaal waar. U hebt eerst een verlaging van 35 naar 30 weggegeven blijkens het regeerakkoord. Eigen schuld dikke bult, zou ik zeggen.

De heer Bos (PvdA):

Beweert u dat het CDA voorstander is van het weer brengen van het tarief op 35%?

De heer Reitsma (CDA):

Dat is weer de oude truc. Ik ben ervoor om het te brengen op 26. Meer is niet nodig. Doordat men van 26 naar 25 gaat, halen de VVD en de staatssecretaris – en u bent er medeverantwoordelijk voor – veel ellende over ons heen. Daar ging het echter niet om. Het ging erom waarom de PvdA in twee jaar tijd akkoord gaat met een tariefsverlaging van 10 punten.

De heer Bos (PvdA):

Ik stel voor dat u mij aanspreekt op het akkoord gaan met een verlaging van 30% naar 25%. Dat doen wij omdat het niets voorstelt.

Mevrouw de voorzitter! Ik heb al eerder gezegd: het nieuwe belastingstelsel hoort in het teken te staan van misschien niet werk, werk, werk maar dan in elk geval wel van werk, werk. Het gaat goed met de werkgelegenheid in Nederland, maar een beetje tegenwind en de situatie is zo veranderd. Het blijft dus belangrijk om alle prikkels in het belastingstelsel en elders in de goede richting te geven. De verlaging van de arbeidskosten, de verkleining van de wig en de vergroting van de replacement rate dragen er allemaal aan bij dat het nieuwe stelsel participatiebevorderend werkt. Ook de lastenverlichting moet bijdragen aan een matiging van de looneisen, en dat was de belangrijkste reden om de spaarmogelijkheden in het spaarloon intact te laten; dus niet omdat we nu zo dol zouden zijn op de spaarloonregeling, maar omdat deze een nadrukkelijke rol speelt bij de bepaling van de looneisen door de vakbeweging.

De grootste winst op het gebied van arbeidsmarkt en werkgelegenheid, de grootste instrumentele vernieuwing in de voorstellen op dit gebied is de arbeidskorting, de belastingkorting die nu aan alle werkenden toekomt en die voor iedereen, vanaf 100% van het minimumloon, in guldens gelijk is. Deze vernieuwing heeft in de afgelopen weken alleen maar aan kracht gewonnen doordat er nog twee dingen zijn veranderd ten opzichte van het eerste voorstel. Allereerst komt de arbeidskorting, zij het in kleine beetjes, nu beschikbaar voor iedereen die werkt, terwijl het in het regeerakkoord nog ging om een minimumverdienste van 70% van het minimumloon. Het is goed dat met de laatste wijzigingen wordt erkend dat voor veel mensen de acceptatie van een deeltijdbaan het begin is van een entree of rentree op de arbeidsmarkt. Ook voor hen wordt met de introductie van de arbeidskorting werken weer lonend gemaakt. Ook mensen met kleine banen gaan dus delen in de voordelen van deze belasting herziening. Daar komt bij dat met de laatste wijzigingen ook het laatste restje arbeidskostenforfait dat er in het regeerakkoord nog was, uit de voorstellen verdwenen is. Dat verhoogt de juridische houdbaarheid van het geheel en haalt weer een aftrekpost weg waar mensen met hoge inkomens meer baat bij hadden dan mensen met lagere inkomens.

Wij hebben ons de afgelopen maanden nadrukkelijk ingezet om ervoor te zorgen dat ook mensen met kleine banen konden profiteren van de belastingherziening. Als wij allen roepen dat iedereen erop vooruit moet gaan, dan moet dat dus ook voor hen gelden. De verruiming van de arbeidskorting helpt daarbij. Wij zijn er overigens in dit opzicht nog niet helemaal. Wat ons dwars blijft zitten, is dat bij kleine deeltijdbanen voor toekenning van de arbeidskorting, maar ook elders bij inkomensafhankelijke regelingen, altijd naar het percentage van het minimumloon wordt gekeken in plaats van naar het aantal gewerkte uren. Dit betekent dat in de praktijk mensen met een laag uurloon benadeeld worden. De regering heeft in een eerder stadium min of meer toegezegd over deze materie een SER-advies te zullen vragen. Wij zouden dit nog graag luid en duidelijk bevestigd horen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Voorzitter! Dit laatste kan ik van harte ondersteunen, maar er is misschien in de tussentijd nog wat meer te doen, namelijk het oplopen van de arbeidskorting naarmate het inkomen toeneemt in de richting van 100% van het minimumloon, lineair te maken. Nu zit er een knik in. Tot 50% van het minimumloon krijg je een arbeidskorting die oploopt van nul tot ƒ 275, daarboven gaat ze steil omhoog. Het kost 500 mln. Zou dit geen mooie geste van de PvdA tegenover de lagere inkomens zijn?

De heer Bos (PvdA):

Wij hebben die 500 mln. niet, als wij alles doen wat wij willen doen. Daarnaast begrijpen wij uit analyses van het CPB dat, zou je zoiets doen, de verhouding tussen grote deeltijdbanen en kleine deeltijdbanen zodanig slecht komt te liggen, dat daar op termijn welvaartsverminderende effecten van uitgaan. Bovendien zijn wij bezig met een stelselvernieuwing en vind ik het het belangrijkst dat wij nu het instrument gecreëerd hebben. De voet zit tussen de deur. In de komende jaren zullen u en ik waarschijnlijk bekijken of wij daarmee de deur niet wat verder kunnen openwrikken. Het hoeft dus niet allemaal nu gerealiseerd te worden.

Voorzitter! Onze inzet voor mensen met kleine banen kwam echter ook voort uit een heel ander motief, een wellicht wat onderbelichte, maar voor ons hele belangrijke reden om de belastingherziening op een aantal punten met het nodige enthousiasme tegemoet te treden. Ik heb het over redenen die samenhangen met ons streven naar emancipatie van met name de vrouw, erkenning van de economische zelfstandigheid van minder of niets verdienende partners – ook weer met name vrouwen – en aandacht voor de problemen die het combineren van arbeid en zorg met zich mee kunnen brengen. De wet die hier voorligt, is echt fors moderner dan de oude wet. Zij doet meer recht aan nieuwe vormen van huishoudens en partnerrelaties en zij probeert meer recht te doen aan de economische zelfstandigheid van minder verdienende partners. Met name de vervanging van de overdraagbare belastingvrije som door de individueel toegekende en individueel uitbetaalde heffingskorting is in dit opzicht een mijlpaal waar de PvdA jarenlang om gevraagd heeft. De grootste rem op de arbeidsparticipatie van gehuwde of samenwonende vrouwen wordt daarmee uit de weg geruimd. Door de betalingssystematiek wordt ook recht gedaan aan de erkenning van hun economische zelfstandigheid. Ook de niet-verdienende of weinig verdienende partner – vaak vrouwen – krijgen hun heffingskorting nu zelf te zien en zelf uitbetaald, ook als zij niet buitenshuis werken, in plaats van dat dit, zoals nu, onzichtbaar versleuteld wordt in het inkomen van de verdienende of de meest verdienende partner. Dit is de meest in het oog springende innovatie vanuit het perspectief van emancipatie en economische zelfstandigheid, maar niet de enige. Lagere marginale tarieven dragen ook nadrukkelijk bij aan de arbeidsparticipatie van partners, bij de aftrekposten wordt het keuzeregime uitgebreid en ook in de sfeer van de oude dag worden een aantal verbeteringen gerealiseerd die veel beter zijn afgestemd op moderne leefvormen en met name de spaarmogelijkheden verbeteren van mensen met een gefragmenteerd arbeidsverleden, zoals bijvoorbeeld bij herintredende vrouwen vaak het geval is. Maar laten we voor wat betreft het oudedagsdossier bij het begin beginnen.

Het oudedagsdossier is een van de taaiste dossiers gebleken in de hele stelselherziening. Wij hadden daarbij steeds drie uitgangspunten. Allereerst vinden wij dat iedereen een goede oude dag moet kunnen realiseren en de fiscus daar, zo nodig, bij moet helpen. Ten tweede moeten de mogelijkheden tot bijsparen transparant en laagdrempelig zijn omdat anders de mensen met lage inkomens als eersten de klos zijn. Ten derde deelden wij de budgettaire ambitie van het kabinet om 1,5 mld. te besparen, geld dat hard nodig was om elders in het stelsel tarieven omlaag te brengen.

Kijken we nu terug naar de oorspronkelijke plannen, dan plaatsten deze uitgangspunten ons voor de nodige problemen, waarbij er twee nogal uit sprongen. Allereerst bleken de mogelijkheden voor bijsparen voor mensen buiten een collectieve regeling aanmerkelijk minder genereus dan voor mensen binnen een collectieve regeling. Daarnaast was het systeem buitengewoon ingewikkeld. Wij waren en zijn zeer gecharmeerd van de redenering dat je alleen fiscale hulp krijgt bij het pensioensparen als je het echt nodig hebt, maar naarmate die toets ingewikkelder wordt is het waarschijnlijk dat de lagere inkomens, de mensen met een lager pensioenbewustzijn, als eersten buiten de boot vallen. En wat ons gepresenteerd werd was echt heel ingewikkeld.

De afgelopen maanden is door ons en door het kabinet de nodige energie opgebracht om op beide punten verbeteringen te realiseren. Daarbij heeft gelukkig ook de verzekeringswereld zich de laatste weken van haar betere kant laten zien. Wat het kabinet nu heeft voorgesteld, is een voor ons alleszins verdedigbare uitkomst om de volgende redenen. Allereerst constateren wij dat de mogelijkheden van collectief en individueel sparen grofweg gelijk zijn getrokken op het niveau van de beste voorziening, namelijk de collectieve voorziening. Dit blijkt vooral uit de verruiming van de franchise en de jaarruimte. Daarnaast is het systeem aanmerkelijk versimpeld. Ook wij hebben daarbij enigszins moeten wennen aan de wonderbaarlijke terugkeer van de ongetoetste aftrek. Toch accepteren wij de ongetoetste aftrek van 1000 euro per belastingplichtige.

Wij hebben daar de volgende redenen voor. Allereerst komt het verlagen van de franchise naar ruim ƒ 21.000, in een situatie waarin bij de meeste pensioenregelingen sprake is van een franchise van ƒ 30.000, in de praktijk gewoon neer op het invoeren van een ongetoetste aftrek. Daarnaast is de aftrek heel laag gehouden en dat is essentieel omdat enerzijds deze vooral betekenis heeft voor mensen met lage inkomens die aan het bedrag van 1000 euro genoeg hebben om voor hun oude dag te sparen zonder dat ze een ingewikkelde bewijslast hoeven te leveren en anderzijds een drempel blijft opwerpen voor mensen die veel meer zouden willen aftrekken en daar eerst maar eens de noodzaak van moeten aantonen, net als in de oorspronkelijke voorstellen.

Mevrouw Giskes (D66):

U zegt dat het verlagen van de franchise eigenlijk gelijk staat met het introduceren van een ongetoetste aftrek. In de constructie-Witteveen zat altijd al een AOW-franchise van ƒ 21.000. Je zou dan denken dat velen die een regulier pensioen opbouwen niet in aanmerking zouden zijn gekomen voor een lijfrenteaftrek. Zegt u dit dus niet wat erg gemakkelijk?

De heer Bos (PvdA):

Ik ga af op de feitelijke informatie die het kabinet verstrekt heeft. Die feitelijke informatie luidt dat in de praktijk bij een meerderheid van de pensioenregelingen de franchise niet op het niveau van ƒ 21.000, maar op ƒ 30.000 ligt. Om goede redenen heeft men ervoor gekozen om de mogelijkheden die benut kunnen worden in het kader van de tweede regeling af te stemmen op de lagere bodem van ƒ 21.000. En dat doen wij nu ook bij de derde pijler.

Mevrouw Giskes (D66):

De situatie van nu is niet die van volgend jaar. U volgt wel heel gemakkelijk de redenering van het kabinet op dit punt.

De heer Bos (PvdA):

U hebt gelijk. De verlaging van de franchise naar ƒ 21.000 in een situatie waarin nu nog de meeste franchises op ƒ 30.000 zitten, staat gelijk aan het invoeren van een ongetoetste aftrek. Wij menen echter ook dat een modernisering van het stelsel – het reflecteren van het soort huishoudens dat in de toekomst zich meer zal voordoen – vereist dat wij op het niveau van ƒ 21.000 gaan zitten en niet op ƒ 30.000.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ook wij waren verbaasd over wat de heer Bos terecht de "wonderbaarlijke terugkeer van de ongetoetste aftrek" noemt. Voelt de PvdA ervoor dit als een overgangsmaatregel voor ongeveer vijf jaar te beschouwen? Daarna gaan wij terug naar het oorspronkelijke Vermeendsysteem: wie voor de derde pijler in aanmerking wil komen, moet dat aantonen.

De heer Bos (PvdA):

Ik voel er wel voor om na een aantal jaren te bekijken wat ervan gekomen is en hoe en door wie het gebruikt wordt. Op dat moment kunnen wij onze conclusies trekken.

Met het oog op deze versoepelingen leek het mijn fractie wel gewenst om in de reserveringsvoorstellen wat extra ruimte in te bouwen, met name met het oog op ouderen die, terugkijkend op hun arbeidsverleden en vooruitkijkend naar hun pensioen, nog eenmaal een wat ruimere inhaaloperatie zouden willen plegen. Wij hebben om die reden het daartoe strekkende amendement van mevrouw De Vries medeondertekend.

Ik benadruk overigens dat de herintroductie van de ongetoetste aftrek niet de enige versimpeling is in het systeem. De algemene inhaalruimte – het meest ingewikkelde onderdeel – verdwijnt. Ook dat maakt het geheel overzichtelijker. Daarnaast worden verplichtingen voor pensioenfondsen en verzekeraars aangescherpt om belastingplichtigen te informeren over hun pensioenaanspraken en is de belastingdienst – zo moeten wij de staatssecretaris geloven – in laatste instantie tot assistentie bereid. Of de floppy van Vermeend alle problemen in dit opzicht zal oplossen, daarvan zijn wij nog niet overtuigd. Wij zullen het nauwlettend volgen.

De heer Reitsma (CDA):

Ik meen mij te herinneren dat u in de eerste schriftelijke ronde evenals de CDA-fractie ervoor gepleit hebt te streven naar één integrale norm. Laat u die nu los, of zegt u dat de regering de komende jaren één integrale norm moet ontwikkelen?

De heer Bos (PvdA):

Ik ben van mening dat er redelijk recht is gedaan aan het hanteren van één norm. Gezien de totaal verschillende aard van collectieve regelingen en hetgeen mensen individueel vermogen, denk ik dat het nooit helemaal mogelijk zal zijn om dat volledig aan elkaar gelijk te maken. Als je wilt dat mensen die individueel voor hun pensioen moeten sparen tot eenzelfde niveau kunnen komen als mensen die daarvoor in bedrijfs- of sectorpensioenregelingen sparen, kan dit naar mijn mening met deze voorstellen voor het gehele spectrum redelijk goed gerealiseerd worden.

De heer Reitsma (CDA):

Als nu in de uitwerking blijkt dat het toch geweld doet aan het realiseren van één integrale norm, bent u dan van mening dat dit punt opnieuw op de politieke agenda moet komen?

De heer Bos (PvdA):

Ik herhaal dat ik van mening ben dat wij nu een redelijk gebouw hebben neergezet op goede fundamenten, maar dat wij met de inrichting van het huis nog lang niet klaar zijn. Daaraan zal de komende jaren nog fors gesleuteld worden. Ik vraag de regering nadrukkelijk hoe zij aankijkt tegen de verdere ontwikkelingen binnen de oudedagsvoorziening; hoe zij denkt die ontwikkelingen te kunnen volgen, te evalueren en daarin eventueel op een gepast tijdstip wijzigingen aan te brengen. Ik wijs ook op het feit dat het pensioenconvenant afloopt en dat er steeds meer nieuwe en hybride spaarvormen op de markt komen. Kortom, de wereld staat niet stil en wij kunnen dus ook niet stilstaan!

Een heel ander aspect van de oudedagsvoorziening dat uiteraard breder speelt doch dat ik hier toch even opbreng, is het overgangsrecht en de in dat verband vele opgeworpen vragen over de betrouwbaarheid van de overheid. Die vragen zijn terecht opgeworpen. Burgers moeten kunnen rekenen op hun overheid. Dat kan echter nooit betekenen dat de overheid niet van koers mag veranderen, geen beleid mag bijstellen of geen financieel regiem mag herijken louter en alleen omdat er burgers zijn die daaraan bepaalde verwachtingen hebben ontleend en op basis van die verwachtingen verplichtingen zijn aangegaan. Dat is geen pleidooi om helemaal geen rekening te houden met die verwachtingen, maar wel om te proberen een balans te vinden tussen het rekening houden met gerechtvaardigde verwachtingen van burgers enerzijds en de noodzaak beleid aan te passen bij veranderende omstandigheden anderzijds. Wij vinden het dus ook te prijzen dat de regering juist bij kapitaalverzekeringen, waarbij vaak sprake is van langlopende contracten die nauw samenhangen met de financiële langetermijnplanning van burgers, ervoor gekozen heeft om bestaande contracten te respecteren. Bij lijfrenten is dat niet gedaan en ook die keuze steunen wij. Dat heeft enerzijds te maken met het feit dat het belastingvoordeel van lijfrenten op het moment van aftrek genoten wordt. Men kan zich er dus niet op beroepen al een offer te hebben gebracht en nu een in het vooruitzicht gesteld belastingvoordeel te moeten missen. Dat voordeel heeft men namelijk al gehad op het moment van aftrek. Daarnaast is de lastenverlichting bij deze belastingherziening zodanig dat ook voor de meeste bezitters van lijfrenten geldt dat zij per saldo, op zijn minst ten dele, compensatie kunnen krijgen. Dat is wat ons betreft een zeer essentieel verschil met de brede herwaarderingsoperatie van begin jaren negentig.

Mevrouw de voorzitter! Ik ben met mijn verhaal langzaamaan terechtgekomen in de sfeer van belasting op vermogen en vermogensinkomsten, een van de meest innovatieve, maar ook meest omstreden onderdelen van de belastingherziening.

De heer Reitsma (CDA):

Ik heb nog een vraag over de heffingskortingen en speciaal over de combinatiekortingen. Daarover is een amendement ingediend dat u heeft medeondertekend.

De heer Bos (PvdA):

Daarover kom ik nog te spreken.

De heer Reitsma (CDA):

Ik ontdek nu namelijk een rare verrassing.

De heer Bos (PvdA):

Ik wacht in spanning af.

Voorzitter! Bij het bespreken van de keuzen die de regering maakt voor de forfaitaire vermogensrendementsheffing wil ik drie vraagstukken onderscheiden. Allereerst wil ik stilstaan bij de principiële vraag welke vorm van belastingheffing op vermogen en vermogensinkomsten het meest gepast is. Daarbij zal ik enkele woorden wijden aan de keus tussen vermogensbelasting, vermogenswinstbelasting, vermogensaanwasbelasting en vermogensrendementsheffing. Daarna wil ik een aantal vragen doornemen met betrekking tot de gekozen grondslag. Ten slotte wil ik stilstaan bij de keuze voor een forfaitair rendement van 4%, een proportioneel tarief van 30% en de op die basis verwachte opbrengsten. Maar nu eerst de kern van de zaak.

De Leidse econoom Vording zei recent dat alleen sufferds en hoge ambtenaren in Nederland nog het hoogste belastingtarief betalen. En Tweede Kamerleden, zo voeg ik daar toch maar aan toe... Niettemin, als er iets kenmerkend is voor het falen van ons huidige belastingstelsel, dan is het wel dat het synthetische stelsel vandaag de dag faalt bij het belasten van de inkomsten uit vermogen. De grootste winstmaker in de vermogenssfeer, koersstijgingen op aandelen, is volstrekt onbelast en als mensen daar met geleend geld in investeren kunnen ze nog een forse aftrekpost claimen ook. De huidige praktijk vloekt dus met het draagkrachtbeginsel, want het zijn met name de meer vermogende burgers, de mensen die goed in de slappe was zitten, die het zich kunnen veroorloven in aandelen te beleggen, die dat kunnen doen met geleend geld, die dikke onbelaste koerswinsten in hun zak kunnen steken en die de te betalen belasting op hun inkomen uit arbeid omlaag kunnen brengen met grote aftrekposten. Wie dat rechtvaardig vindt, mag het zeggen. Ik in ieder geval niet. Dat er iets moet gebeuren is dus duidelijk. En ik laat er geen misverstand over bestaan, dat voor fiscalisten en voor socialisten – een mooi koppel overigens – een vermogenswinstbelasting de oplossing is die veruit te prefereren valt boven alle andere mogelijke belastingen. Een vermogenswinstbelasting past het meest bij het draagkrachtbeginsel: de belastingheffing beweegt mee in tijden van voorspoed en tegenspoed, van winst en verlies. Veel heffen als er veel te heffen valt, niets heffen als er niets te heffen valt. Rechtvaardig en efficiënt: wat wil je nog meer.

De heer Reitsma (CDA):

U zou er verstandig aan doen tijdens uw spreekbeurt ook te letten op de non-verbale mededelingen van de minister van Financiën.

Minister Zalm:

Die is namelijk geen fiscalist en geen socialist.

De heer Bos (PvdA):

Maar hij was het wel, dus we doen hier een beroep op oude sentimenten.

Voorzitter! Toch kiezen wij niet voor die vermogenswinstbelasting. Misschien is dit een goed moment om Hofstra er nog een keer bij te halen, die in 1946 schreef: "Tenslotte gaat het in het maatschappelijk leven niet om wat in abstracto het beste is maar wat feitelijk mogelijk is. Een goede wet is de zodanige die zoveel van het gestelde ideaalbeeld weet te verwerkelijken, als in de gegeven omstandigheden bereikbaar is; een maatregel daarentegen welke te hoog grijpt en welke dientengevolge in de practijk mislukt, is slecht en onwetenschappelijk." Dat waren de mooie tijden van het wetenschappelijk socialisme! Kom daar nu eens om.

Hier zit wat mij betreft ook het grote probleem van de vermogenswinstbelasting. Dat het uitvoeringstechnisch ingewikkeld is, dat de opbrengsten instabiel zijn: allemaal belangrijke bezwaren maar wat mij betreft niet de belangrijkste. Waar het mij om gaat, is dat het nog zo rechtvaardig kan zijn als de overheid deelt in voorspoed en in tegenspoed, maar dat dat weinig voorstelt als de tegenspoed rap aan de belastinginspecteur wordt gepresenteerd en de voorspoed zo lang mogelijk wordt uitgesteld, dat het nog zo redelijk lijkt om te heffen naarmate er winst genoten wordt, maar dat het beeld al snel versombert als dat betekent dat vooral verliezen gepresenteerd worden en dat winsten uitgesteld worden of over de grens genoten worden. Mijn grootste probleem met een vermogenswinstbelasting is dat ik er van overtuigd ben dat juist mensen met grote vermogens weer de mazen van het net zullen vinden, zullen kunnen schuiven met winsten en verliezen, creatief zullen zijn met aftrekbare financieringskosten en daarmee precies doen wat we nou net proberen te bestrijden: dat gewone mensen keurig hun belasting betalen en rijke mensen er door allerlei trucs aan weten te ontkomen. Ik noem het voor het gemak maar "Vendriks val": naarmate een belasting op vermogen en vermogensinkomsten complexer, verfijnden en administratief bewerkelijker is, neemt de kans toe dat juist de meer vermogende burgers wegen zullen weten te vinden om aan het betalen van belasting te ontkomen. Ik spreek nu ook van Vendriks val omdat hij weer bij de interruptiemicrofoon staat.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Misschien moeten wij nu een paar dingen onderscheiden, want werkelijkheid en fictie lopen in het betoog van de heer Bos door elkaar heen. Is hij het met mij eens, dat wij in Nederland nooit geprobeerd hebben om een vermogenswinst- of een vermogensaanwasbelasting te introduceren? Waar haalt hij dan de zekerheid vandaan dat een dergelijke heffing, die je in allerlei soorten en maten vorm kunt geven, hierop stuk zal lopen? Waar haalt hij de zekerheid vandaan dat de vermogensrendementsheffing, waar de staatssecretaris mee gekomen is, per definitie wel tegemoetkomt aan die bezwaren? Zo'n heffing hebben wij namelijk ook nog nooit geprobeerd.

De heer Bos (PvdA):

Over de vermogensrendementsheffing heb ik nog niets gezegd. Daar kom ik nog op. Maar bij de vermogenswinstbelasting hoef je natuurlijk niet alleen naar Nederland te kijken. Ik constateer dat in de diverse analyses, nota's en memories van toelichting van de regering voorbeelden zijn gegeven van wat in het buitenland gebeurt. Ik constateer ook dat een van de voorbeelden van de Vereniging voor belastingwetenschappen voor een vermogenswinstbelasting uitgebreid is geanalyseerd. Daaruit bleken nogal wat problemen voort te vloeien. Al die problemen leiden maar tot één conclusie: Vendriks val. Het waren de rijken die ervan profiteerden.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Bos raapt nu een samenstel aan internationale ervaringen bij elkaar, maar ik constateer dat de fiscale wetenschappers het onderling niet eens zijn over de les die men moet trekken uit de ervaringen die her en der met de vermogenswinstbelasting zijn opgedaan. Ik constateer ook dat in theorie de opbrengst van die heffing veel hoger is. De landen waar op dit moment de vermogenswinstbelasting praktijk is, komen nu ook niet haast-je rep-je naar Nederland om te bekijken wat de vermogensrendementsheffing hier doet. Men werkt gewoon stelselmatig aan verbeteringen, zoals recent in de Verenigde Staten het geval was. Er wordt nu een beeld van de ervaringen elders in de wereld gecreëerd dat heel selectief is en dat een andere werkelijkheid negeert. Waarom is de heer Bos zo stellig?

De heer Bos (PvdA):

Omdat ik de feiten heb bekeken die mij gepresenteerd zijn. Het gaat dan om feiten over de ervaringen in andere landen en om gedegen analyses van gedane voorstellen. Daaraan ontleen ik weinig vertrouwen, dat zo'n stelsel in Nederland tot een rechtvaardiger uitkomst zou leiden dan de vermogensrendementsheffing. Ik heb het dan niet over de theorie, maar over de praktijk van alledag.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Moeten wij het niet eens proberen en werkendeweg bekijken wat de vermogenswinstbelasting in de Nederlandse praktijk betekent, zoals wij dat de afgelopen eeuw eigenlijk met alle belastingen hebben gedaan? Daar zitten wij zelf bij. U en ik gaan samen kijken hoe zich dat ontwikkelt. Als het dan fout blijkt te gaan, dan nemen wij samen de vermogensrendementsheffing. Dan bekijken wij hoe dat verloopt.

De heer Bos (PvdA):

Waarom zou ik nu een stelsel gaan proberen dat als zwakke plek juist dat probleem heeft dat wij vandaag de dag proberen te bestrijden? Daar is namelijk iedereen van overtuigd. Waarom zou ik nu juist met zo'n stelsel moeten beginnen?

De heer Vendrik (GroenLinks):

Dat is nog helemaal niet gezegd.

De heer Bos (PvdA):

Ik ben dan eerder geneigd om te zeggen: werk met ons mee en laten wij eens kijken hoe het gaat met de forfaitaire vermogensrendementsheffing. Als die niet blijkt te werken, kunnen wij altijd nog nagaan wat beter is.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Een van de problemen met de vermogensrendementsheffing is dat zij het draagkrachtprincipe met voeten treedt en dat zij bovendien nauwelijks extra opbrengst genereert. Dat lijkt mij ook een probleem voor een socialist als u.

De heer Bos (PvdA):

Ik vind het prima om op het draagkrachtbeginsel in te gaan, maar laten wij dan allereerst vaststellen dat de huidige praktijk helemaal niets met het draagkrachtbeginsel te maken heeft.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De huidige praktijk is iets heel anders dan het introduceren van een goede vermogenswinstbelasting.

De heer Bos (PvdA):

Ik beoordeel de voorstellen van de regering vooral ook op de vraag of zij een verbetering ten opzichte van de huidige praktijk betekenen. Ik ben er niet van overtuigd dat dit met de vermogenswinstbelasting het geval zal zijn, omdat ik denk dat die er in de praktijk toe zal leiden dat vermogende burgers de mazen in het net zullen vinden. Ik denk dat de vermogensrendementsheffing een veel betere kans van slagen heeft, niet om het draagkrachtbeginsel in zijn volle theoretische omvang perfect te benaderen maar wel om in de praktijk van alledag precies dat probleem te bestrijden waar het ons allemaal om begonnen is.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Bos gebruikt ervaringen met het huidige belastingstelsel, waarin de vermogensaanwas op geen enkele manier belast wordt, om niet te kiezen voor een vermogenswinstbelasting. Dat is een merkwaardige vorm van bewijsvoering, want er bestaat op dit moment in Nederland geen vermogenswinstbelasting. Als een dergelijke heffing theoretisch, maatschappelijk en vanuit een progressief perspectief het mooiste alternatief is voor de huidige situatie, waarom maakt de heer Bos daar dan geen begin mee? Waarom kiest hij er automatisch voor om een dubieuze heffing als de vermogensrendementsheffing te introduceren in plaats van voor een oplossing die politiek, maatschappelijk en qua opbrengst veel beloftevoller is?

De heer Bos (PvdA):

Dat zal ik u uitleggen. Maar misschien moet ik eerst wachten op de interruptie van de heer Marijnissen.

De voorzitter:

Dan krijgen wij nu die interruptie van de heer Marijnissen.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter! Deze fiscalist-socialist heeft aan het begin van zijn betoog gezegd dat het draagkrachtprincipe bepalend is voor de wijze waarop de PvdA tegen de belastingherziening aankijkt. De heer Bos heeft ook gezegd dat hij, als hij het voor zeggen had en als het kon, voorstander was van een vermogenswinstbelasting. Volgens zeer velen is deze vorm van belasting het beste middel om het draagkrachtbeginsel tot uitdrukking te brengen. Degene die vermogenswinst maakt, moet daar ook normaal belasting over betalen.

Er worden drie bezwaren tegen de vermogenswinstbelasting aangevoerd. De eerste twee vindt de heer Bos niet zo belangrijk, maar de derde wel, namelijk dat de verliezen gepresenteerd worden en de winstnemingen worden uitgesteld. Daardoor kunnen de rijke slimme jongens met al hun fiscale adviseurs toch de dans ontspringen.

Voorzitter! Het lijkt dat whizzkid Vermeend wel een oplossing voor dit probleem kan bedenken. Dat kan ik zelfs nog wel. Er kan bijvoorbeeld gesteld worden dat er binnen drie of vijf jaar afgerekend moet worden.

De heer Bos (PvdA):

In verschillende landen is ervaring opgedaan met dit soort regelingen. Elke keer blijkt dat de complexiteit van de wetgeving toeneemt waardoor degenen die het geld hebben om een belastingadviseur in te huren onder de belasting uit kunnen komen. Dat is echt niet in het belang van degenen waar het ons om gaat.

De heer Marijnissen (SP):

De laatste twintig jaar heeft de sociaal-democratie altijd te maken gehad met het dilemma van het streven naar rechtvaardigheid en de vermeende inefficiëntie om die rechtvaardigheid te bereiken. Het zou voor u als socialist onverdraaglijk moeten zijn, u zou er 's nachts van wakker moeten liggen, dat mensen die nu gemiddeld op de beurs van Amsterdam een rendement van 13,5% halen – en de laatste jaren 20% per jaar – met een belasting van 4% wegkomen. Ik wijs erop dat uw politiek leider meer dan eens – voor de verkiezingen – over exhibitionistische verrijking heeft gesproken. Hij heeft ook gezegd dat het misbruik van opties eens moest worden aangepakt. Ik stel vast dat het kabinet inclusief de minister-president, maar ook de fractie van de PvdA, het bij holle woorden laat nu wij de ideale kans hebben om hier iets aan te doen.

De heer Bos (PvdA):

Beter half gepakt dan niets betaald. Waar ik echt van wakker lig, is dat die mensen vandaag helemaal niets betalen. Ik kies voor een systeem waarmee dat veranderd wordt. Ik heb geen zin om te experimenteren met een systeem dat dezelfde zwakheden in zich heeft als het huidige. Dat proberen wij juist te veranderen. Ik kies voor een systeem dat mij zekerheid geeft dat er een eind komt aan de situatie dat gewone mensen keurig belasting betalen en rijke mensen door middel van allerlei constructies die mede het gevolg zijn van de complexiteit van de regeling, aan die belasting weten te ontkomen.

De heer Marijnissen (SP):

Iemand met een uitkering of met een gewone baan betaalt altijd het volle pond aan belasting. Ik stel vast dat u met al uw creativiteit, inclusief die van de heer Vermeend, van de heer Zalm en van het gehele kabinet, gedurende de twee jaar voorbereiding klaarblijkelijk niet in staat bent geweest om een systeem te bedenken waarin het regime dat geldt voor de gewone mensen waarvoor u zegt op te komen, ook geldt voor degenen aan de top. Iedereen moet betalen wat hij moet betalen op basis van het draagkrachtprincipe. U heeft zich daar ook aan gecommitteerd. Dat is vreselijk om vast te stellen.

De heer Bos (PvdA):

Natuurlijk is het teleurstellend dat wij niet kunnen doen wat in theorie het beste lijkt, maar dat is wel de feitelijke situatie. Ik ben niet gekozen om mijn fractie te adviseren om voor iets te stemmen dat theoretisch goed is. Ik wil een belastingstelsel dat werkt.

De heer Marijnissen (SP):

Een kruidenier moet alles bijhouden. Alle Nederlanders moeten om administratieve of fiscale redenen van alles bijhouden. Waarom is het voor degenen die speculeren op de beurs onmogelijk om een en ander administratief te presenteren, zoals door het kabinet wordt beweerd? Ik zie dat probleem niet. Ook als de vermogenswinst niet wordt gerealiseerd, kan er toch binnen een bepaalde termijn met de fiscus afgerekend worden? Ik ben het eens met de fiscalisten die zeggen dat degenen die zich meteen beroepen op het administratieve argumenten, eigenlijk een dergelijke belasting helemaal niet willen.

De heer Bos (PvdA):

Het administratieve argument zou inderdaad niet redelijk zijn als het louter ging om enkele regeltjes extra. De kern van dit argument is dat op administratieve wijze geen einde aan dit soort praktijken gemaakt kan worden omdat dan de druk wel ergens anders uit het systeem ontsnapt. Ik ken geen voorbeelden van regelingen waarin daarmee effectief wordt omgegaan. Het gaat overigens niet alleen om verlies en winst maar ook om financieringskosten. Er zit een geweldige escape in al die vermogenswinstbelastingen waardoor mensen geweldige aftrekposten kunnen opvoeren in de relatie tot het inkomen dat zij genieten. Het is de tweede grote constructiemogelijkheid die de vermogenswinstbelasting in zich draagt. Ik denk dat dit precies bestendigt wat wij nu proberen te bestrijden.

De heer Marijnissen (SP):

Ik stel vast dat nogal wat mensen die echt verstand hebben van deze materie, zeggen dat met dit boxenstelsel het boxhoppen mogelijk zal zijn. Daarover zal de heer Bos buitengewoon teleurgesteld zijn. Hij zal teleurgesteld zijn over al die constructies die bedacht gaan worden – al zegt Vermeend dat dit onmogelijk is – om toch weer onder de belasting uit te komen. Dat zal ook onder het nieuwe regime gebeuren. Daarom val ik degenen bij die zeggen dat wij bij het introduceren van de vermogenswinstbelasting – met alle creativiteit van het koppel in vak K en van de Kamer – in staat zijn een systeem tot in detail uit te werken waarbij wij in ieder geval meer realiseren dan die 1,2% belasting die de heer Bos wil gaan heffen op gemaakte winsten op de beurs. Want dat is het verschil met de heer Reitsma. Dat is een mooi bruggetje. Hij wil de opbrengsten niet verhogen en het laten bij de 450 mln. Wij zouden er graag een paar miljard bovenop zetten, want het geld is daar te halen.

De voorzitter:

Ik denk dat de heer Bos ook vindt dat het een bruggetje was.

De heer Reitsma (CDA):

Ik ben het met de heer Bos eens dat het oude fiscale stelsel van belasting op vermogen failliet is. Daar hoeven wij niet op terug te vallen. Het gaat om de beste nieuwe vorm. Hij zoekt een verdedigingslinie met de argumenten die het kabinet ook hanteert en zegt onder andere dat het een stabiele belastingopbrengst met zich brengt.

De heer Bos (PvdA):

Ik heb het woord stabiliteit niet genoemd.

De heer Reitsma (CDA):

Volgens mij heeft de heer Bos dat gebruikt.

De heer Bos (PvdA):

Dat heb ik zeer bewust niet gebruikt.

De heer Reitsma (CDA):

Wat vindt de heer Bos dan van de grote onzekerheidsmarge die het Centraal planbureau aangeeft bij het introduceren van een forfaitaire rendementsheffing?

De heer Bos (PvdA):

Ik vind het fantastisch dat de heer Reitsma zich zo goed kan inleven in mijn denken, want het is een van de volgende punten waarop ik expliciet zal terugkomen.

Voorzitter! De principiële keuze voor een forfaitaire vermogensrendementsheffing is gemaakt. Er zijn wel nog een paar vragen over de grondslag. Wij hebben besloten belasting te heffen over een verondersteld rendement over vermogen, maar over welk vermogen hebben wij het dan eigenlijk?

De forfaitaire vermogensrendementsheffing heeft belang bij een zo breed mogelijke grondslag. Er moeten zomin mogelijk mogelijkheden zijn voor belastingplichtigen om vermogen uit de grondslag weg te schuiven en tijdelijk elders onder te brengen. De bij de derde nota van wijziging voorgestelde aanscherpingen hebben intussen ook onze steun. Toch roepen de voorstellen op dit punt een aantal vragen op. Zo zou belasting kunnen worden ontweken naarmate het makkelijker wordt, tijdelijk te beleggen in roerende zaken die niet worden belast. De bekende voorbeelden zijn boten en oldtimers. Wij menen dat de wetsteksten inmiddels voldoende tegemoetkomen aan dit bezwaar, omdat voor alle roerende zaken geldt dat, indien zij kennelijk worden aangehouden ter belegging – hetgeen ter beoordeling is aan de inspecteur – zij wel belast zullen worden. De versoepeling die inzake kunst is aangebracht met als doel het moeilijker te maken kunst te belasten, werkt niet door naar andere roerende zaken en dat is prima. Voor ons speelt hierbij ook een rol dat een vaarbelasting zal worden ingevoerd en dat op het moment wordt bekeken of de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor oldtimers moet worden opgeheven. Al naar gelang de ontwikkeling op deze dossiers, zullen wij dit punt eventueel later weer naar voren brengen. Dat de minister nu opeens in de nota meent te moeten zeggen dat volgens hem het dossier vaarbelasting losstaat van de forfaitaire vermogensrendementsheffing, verbaast ons. Het was immers de minister zelf die dat verband legde in het algemeen overleg van 8 december, toen hij op onze vraag antwoordde dat het belasten van boten onder de forfaitaire vermogensrendementsheffing niet nodig was omdat een vaarbelasting zal worden gerealiseerd. Overigens is volgens mij het grootste verschil tussen die twee dat bij de een Duitsers wel en bij de ander Duitsers niet worden belast. Daar komen wij ook wel weer uit.

Over kunst en cultuur zullen wij in de tweede termijn spreken. Als hierover de tweede nota van wijziging is verschenen, wil ik nog wel even stilstaan bij de vraag in hoeverre wij bij deze heffing moeten kijken naar brutobezittingen of nettobezittingen. Nettobezittingen lijken ons het meest billijk en het meest in overeenstemming met de draagkrachtgedachte.

Waarom hoeven niet alle bezittingen meegeteld te worden, terwijl wel alle schulden in aftrek worden gebracht, inclusief de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van onbelaste bezittingen? Dat lijkt onredelijk, maar het is eigenlijk niet op te lossen, tenzij de belastingdienst in staat is om per belastingplichtige precies na te gaan welke schuld voor welk doel is aangegaan; dat is ondoenlijk. Het is natuurlijk ook mogelijk – daar hebben wij lang en nauwgezet naar gekeken – om een bepaald bedrag aan schulden standaard niet in aftrek te brengen. Aan die variant zitten veel goede kanten, maar uiteindelijk hebben wij het niet aangedurfd om daarvoor te pleiten. Dat heeft met name te maken met het feit dat ons elementaire inzichten ontbreken over hoe schulden en bezittingen over de diverse inkomensklassen zijn verdeeld; wij weten dus onvoldoende zeker wie van zo'n wijziging de voordelen en de nadelen ondervindt. Overigens zullen wij die inzichten na een paar jaar met de forfaitaire vermogensrendementsheffing wel hebben; misschien is er dan een reden om hier nog eens naar te kijken.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Bos sprak zojuist met afschuw over de vermogenswinstbelasting, omdat het bij een dergelijke belasting aftrekposten zou regenen. Daarbij gaat het dus meestal over schulden, waarvan je bij de vermogenswinstbelasting rente in rekening brengt. In het voorstel van GroenLinks is dat uitgesloten. Dat is een vrij grove en harde maatregel, maar dat dient juist om de constructiegevoeligheid van zo'n vermogenswinstbelasting te verminderen. Wat zien wij nou bij de vermogensrendementsheffing, die volgens de heer Bos een parel van robuustheid is? Alle schulden worden toegelaten. Dat leidt tot een paradijs voor wie constructies denkt te verzinnen. Dat is ook precies wat fiscalisten hebben aangegeven op het punt van boxhoppen: in box III zullen schuldtitels van allerlei soorten ter verrekening worden aangeboden. Lang leve de constructies onder de vermogensrendementsheffing, met de handtekening van de heer Bos.

De heer Bos (PvdA):

Ik geloof daar helemaal niets van. Ik raad u juist aan om uw eigen draagkrachtbeginsel serieus te nemen. Als u wilt belasten naar draagkracht, moet u rekening houden met schulden die mensen zijn aangegaan. Ik vind het volstrekt in strijd met het draagkrachtprincipe om iemand te belasten louter op basis van wat hij op de bank heeft staan, zonder te kijken naar de schulden die hij is aangegaan. U moet ook in dat opzicht consequent zijn.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Bij de vermogensaanwas- of winstbelasting moet dat volgens u zelfs, terwijl u tegelijkertijd op grond van dezelfde bepaling allerlei constructiegevoeligheden vreest en daarom dezelfde belasting afwijst. Wat is dat nou voor een redenering?

De heer Bos (PvdA):

Ik begrijp niet wat u mij nu voorhoudt.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Dan begrijp ik niet wat u zegt, want ik reageer op wat u zegt.

De heer Bos (PvdA):

Dan begrijpen wij elkaar niet.

Een laatste punt betreffende de grondslag van de forfaitaire vermogensrendementsheffing gaat over de vrijstellingen: per belastingplichtige ƒ 37.500 en daarnaast nog eens een ruimte van ƒ 100.000 voor maatschappelijke beleggingen. Op de vrijstellingsruimte kom ik later terug; nu ga ik in op de maatschappelijke beleggingen. Het is mij volstrekt onduidelijk hoe de staatssecretaris de vrijstelling van kapitaalverzekeringen voor studerende kinderen denkt te gaan handhaven. Geen enkele van de vragen die daar vorige week over zijn gesteld, is tot dit moment bevredigend beantwoord. Ik geef de staatssecretaris op z'n minst in overweging om de betreffende budgettaire ruimte elders te gebruiken voor hetzelfde doel, namelijk een spaarpotje voor studerende kinderen.

Wat de overige goede doelen betreft, zou ik het op prijs stellen om van de regering te vernemen welke concrete beleggingen of fondsen daaronder vallen. Tot slot doe ik het verzoek om zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over de nadere compenserende maatregelen die de staatssecretaris overweegt voor groenfondsen. De ruimte van ƒ 100.000 per belastingplichtige kan gezien worden als een inperking van de ruimte voor groen beleggen. In de praktijk zal dat wel meevallen, maar toch is deze inperking voor ons alleen acceptabel als de regering zo snel mogelijk verzekert dat de aantrekkelijkheid van groen beleggen voor de belegger verzekerd blijft. Graag verneem ik de concrete voornemens in dezen.

Mijn derde en laatste punt inzake de forfaitaire vermogensrendementsheffing betreft de percentages en de ingeschatte opbrengsten. Zoals al eerder gezegd, aanvaarden wij dat het principe van de forfaitaire vermogensrendementsheffing een brede grondslag met een – zeker als men de internationale context in ogenschouw neemt – ietwat gematigde heffing impliceert. Het is eigenlijk alsof het beroemde adagium van Jean-Baptiste Colbert in de praktijk wordt gebracht: de kunst van het belasting heffen bestaat erin dat men de gans zo plukt dat men de meeste veren krijgt en het minste gesis. Niettemin is de inhoudelijke onderbouwing van het forfaitaire rendement op 4% lang onduidelijk gebleven. In een zeer inhoudelijke discussie met de Kamer is langzamerhand een nadere precisering gegroeid, waarbij de regering eigenlijk is weggewandeld van het idee dat het forfaitair rendement een benadering is van het gemiddelde gerealiseerde rendement en meer de stelling heeft omarmd dat het forfaitair rendement een benadering is van het rendement dat eenieder moet kunnen maken. Wij hebben die wandeling samen met de regering gemaakt. Ook wij hadden in eerste instantie de benadering dat het forfaitaire rendement het gemiddelde rendement over allerlei vermogensvormen moest benaderen; denk maar aan de discussies over voortschrijdende gemiddelden. Ook wij zijn inmiddels echter van mening dat dit geen verstandige, geen logische en ook geen billijke benadering zou zijn. Zoals ik al eerder heb gezegd, is een vermogenswinstbenadering, waarbij je mensen kunt belasten al naar gelang hun feitelijke winsten, de meest rechtvaardige belasting. Als je dat niet kunt en als je gedwongen bent om te kijken naar een forfaitaire benadering, zou je kunnen kiezen voor een forfait dat gemiddelde rendementen benadert. Afgezien van de uitvoeringstechnische problemen, heeft deze benadering het principiële bezwaar dat mensen belast worden voor een fictief rendement dat zij niet behaald hebben of behaald kunnen hebben. Het gaat om een forfait dat gebaseerd is op een gemiddeld rendement op allerlei vermogensvormen, zowel sparen als beleggen. Vervolgens wordt er een soort gewogen gemiddelde berekend. Wat is echter redelijk aan het belasten van een spaarder op basis van een rendement dat is afgeleid van het rendement van een belegger? Daar is niets redelijks aan. Als dan toch gekozen wordt voor een forfaitaire benadering, zou dat bovendien strijdig zijn met het draagkrachtbeginsel.

De heer Marijnissen (SP):

Ik ben het hiermee helemaal eens. Is het in deze redenering en binnen deze toewijding tot de rendementsheffing niet beter om geen gemiddelde te zoeken tussen sparen, aandelen en derivaten, maar om te differentiëren, bijvoorbeeld 3% forfaitair voor sparen en 10% voor aandelen en derivaten? Waarom is daar niet voor gekozen?

De heer Bos (PvdA):

Wij hebben daarover goed nagedacht. Een van de redenen waarom wij daar uiteindelijk niet voor kiezen, heeft te maken met de buitengewoon enthousiaste reactie van de voorzitter van de Vereniging van effectenbezitters toen hem deze variant werd voorgelegd. Hij zag de nodige mogelijkheden om met het vermogen te schuiven, opdat uiteindelijk de belastingdruk minimaal wordt. Naarmate men in een heffing meer compartimenten met verschillende belastingdruk aanbrengt, worden meer mogelijkheden geopend voor mensen om de laagste belastingdruk op te zoeken. Dat is in niemands belang.

De heer Marijnissen (SP):

Dat lijkt mij duidelijk. Daar is echter toch wel een mouw aan te passen? Ik wil er geen technisch of ingewikkeld debat van maken. Dit probleem lijkt mij echter niet onoverkomelijk. Waarom zetten wij geen 4% op sparen en 10% op de aandelen en de derivaten? Dan is er toch aanzienlijk meer binnen?

De heer Bos (PvdA):

Wij roepen aldus een geweldige handel over ons af in manieren om spaarproducten om te zetten in aandelenproducten en andersom, al naargelang de verschillen in lastendruk. Dat moeten wij niet hebben.

De heer Marijnissen (SP):

Ik kan niet anders dan concluderen dat ook dit creatieve en constructieve voorstel van de SP-fractie ineens op administratieve en praktische problemen stuit. Waarom is dat nooit het geval aan de onderkant, als het om mensen met uitkeringen gaat? Die betalen gewoon het volle pond en zeuren daar vervolgens ook niet over. Als wij het over dit soort dingen hebben, is er elke keer wel iets tegen in te brengen. Ik ben het eens met de heer Vendrik. Waarom is niet gekozen voor een lijn op basis van rechtvaardigheid en het draagkrachtbeginsel? Waarom is niet gezegd dat de eventuele problemen werkendeweg opgelost zullen worden?

De heer Bos (PvdA):

Ik deel de zorgen van de heer Marijnissen. In het door hem voorgestelde systeem, met faciliteiten voor spaarders en voor beleggers met een verschillende belastingdruk, zal de spaarder rustig in het hokje blijven zitten met de belastingdruk voor het sparen. De belegger zorgt er echter voor dat zijn producten worden omgezet in spaarproducten op het moment dat er belasting wordt geheven. Het probleem heeft dan ook niets met administratie te maken. Het probleem is dat er mogelijkheden worden geschapen voor mensen die het zich kunnen veroorloven om het geld daar neer te leggen waar de belastingdruk het laagste is. Dat wil ik niet.

De heer Marijnissen (SP):

Dat wil ik ook niet. Als iemand in aandelen doet en daarmee verdient, is er geen sprake van rente over spaargeld, maar van rendement op basis van aandelen. Daarop zal hij worden aangeslagen. Wat is dan het probleem?

De heer Bos (PvdA):

De belegger zal dat omzetten in vermogen dat gekwalificeerd wordt en geclassificeerd wordt als spaarproduct tegen de tijd van belastingheffing. Die conversies kennen wij op dit moment ook al in de financiële wereld.

De heer Marijnissen (SP):

Dan moeten de berekeningen niet worden gemaakt op het moment van de aanslag of de aangifte, maar moet gewoon worden berekend wat er in een jaar is gebeurd.

De heer Bos (PvdA):

Ik ben aanmerkelijk pessimistischer over de mate waarin wij dat kunnen controleren.

De heer Marijnissen (SP):

Het gaat om de principiële bereidheid de daad bij het woord te voegen. Daar draait het om. Ik stel vast dat bij een idee om de zaken rechtvaardiger te maken er altijd wel iets is dat het niet mogelijk maakt. Dat geldt bij verarming en bij verrijking. Dat zijn immers twee kanten van dezelfde medaille.

De heer Bos (PvdA):

Wij schieten er niets mee op als principes slechts leiden tot papieren tijgers. Het lijkt hard te bijten, maar het doet in de praktijk niets.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Bos geeft zijn worsteling met de vermogensrendementsheffing weer. Hij wil graag differentiëren naar de soort belegging, waarop een verschillend rendement van toepassing moet zijn. Hij zegt dat het niet kan: rompslomp, constructiegevoelig etc. Het gevolg is een aanzienlijk verlies van het draagkrachtprincipe. Daar is het echter allemaal om begonnen. Als dat de conclusie is, is het dan geen tijd voor de Partij van de Arbeid om de vermogensrendementsheffing te heroverwegen? U kunt niet werken met een gedifferentieerd rendement, wat een aanzienlijk verlies betekent in termen van het draagkrachtprincipe. Als het verlies zo hoog oploopt en de meeropbrengsten ten opzichte van het huidige systeem zo gering zijn, waar gaat het de PvdA dan om?

De heer Bos (PvdA):

U suggereert voortdurend oplossingen die op papier een stuk rechtvaardiger lijken dan de vermogensrendementsheffing, maar volgens mij is dit slechts in theorie het geval. In de praktijk zullen met name de mensen met geld en vermogen manieren vinden om aan de betaling van belasting te ontsnappen. Daarvoor teken ik niet.

Ik ga verder met het forfaitair rendement. De gekozen benadering betekent niet dat de percentages van 4 en 30 voor ons eeuwig vaststaan, hoewel hieromheen uiteraard ook niet elk jaar opnieuw een politiek spel moet ontstaan; dat is in niemands belang. Wel is het volgende van belang. Wij zijn met deze percentages in het regeerakkoord akkoord gegaan op basis van de voorspelde meeropbrengst van 450 mln. Met andere woorden, de voorgestelde belasting op vermogensrendementen brengt 450 mln. meer op dan wat we nu uit de belasting op vermogen en vermogensinkomsten halen. Dit gegeven is voor ons van cruciaal belang geweest bij onze uiteindelijke afweging om akkoord te gaan met de forfaitaire vermogensrendementsheffing; wij willen immers een heffing waardoor vermogen en vermogensinkomsten effectiever worden belast dan nu het geval is.

Effectiever belasten betekent dat het meer geld oplevert. Het CPB heeft deze cruciale veronderstelling nagerekend en onderschrijft de 450 mln. als een redelijke schatting, zij het dat het een onzekerheidsmarge aangeeft van plus of min 1,5 mld. De opbrengst kan dus variëren van min 1 tot plus 2 mld. Met andere woorden, het CPB kan niet uitsluiten dat de forfaitaire vermogensrendementsheffing niet effectiever is dan het huidige belastingstelsel en acht het mogelijk dat zij zelfs minder in het laatje brengt. Mocht dit zo zijn, dan houdt het voor ons natuurlijk op. Vandaar dat wij een amendement hebben ingediend dat aandringt op een evaluatie van de effectiviteit van deze wet, waarbij nadrukkelijk aandacht wordt gevraagd voor de grondslagontwikkeling in het algemeen en de forfaitaire vermogensrendementsheffing in het bijzonder; enerzijds dus een toets op onze veronderstellingen inzake de robuustheid van het zelfdragende vergoedingenregime en anderzijds een toets op de vraag of de forfaitaire vermogensrendementsheffing het echt beter doet dan wat we vandaag hebben. Want nogmaals, als dat niet zo is, dan is sprake van een nieuwe situatie, waarvoor andere afwegingen gelden.

De heer Reitsma (CDA):

Mag ik u eens een situatie voorleggen? Stel dat na drie jaar blijkt dat de meeropbrengst van 450 mln. niet uitkomt. Welke conclusie trekt u dan?

De heer Bos (PvdA):

Dat ligt zeer aan de redenen die daaraan ten grondslag liggen. Als blijkt dat ook deze regeling allerlei ontwijkingsmogelijkheden biedt, dan hebben wij een ander debat dan wanneer blijkt dat in Nederland veel minder financieel vermogen aanwezig blijkt te zijn. Een evaluatie houd je ook voor het blootleggen van dergelijke oorzaken.

De heer Reitsma (CDA):

U zei letterlijk dat het voor uw partij ophoudt als de opbrengst lager is dan 450 mln. Mij lijkt de juiste vertaling hiervan dat er dan maar één instrument overblijft. Ik zou in ieder geval niet een ander instrument kunnen bedenken dan de vermogenswinstbelasting. Tenzij u natuurlijk kiest voor een vermogensaanwasbelasting, die ik overigens radicaal afwijs. Deelt u mijn conclusie?

De heer Bos (PvdA):

Een dergelijke conclusie kan pas worden getrokken als wij werkelijk zicht op de oorzaken hebben. Maar ik zeg u nogmaals dat wij ermee akkoord gaan omdat wij willen dat de opbrengst hoger is. Als de opbrengst lager is, dan is sprake van falen en moeten wij ons afvragen waarom wij tot zo'n systeem zijn overgegaan; het huidige systeem doet het immers net zo goed, of net zo slecht. Het lijkt mij daarom verstandig dat wij afspreken dat wij over vier à vijf jaar hierover verder zullen praten.

De heer Reitsma (CDA):

Stel dat over drie jaar blijkt dat het wel 450 mln. oplevert, maar dat het tegelijkertijd aantoonbaar is dat er heel veel mensen 10 of 12% rendement op hun vermogen hebben gehaald. Vindt de heer Bos het dan rechtvaardig om door te gaan met deze forfaitaire rendementsheffing van 4%?

De heer Bos (PvdA):

Dat is geen andere afweging dan die ik vandaag de dag ook moet maken. Ook vandaag de dag moet ik afwegen of ik wel of niet akkoord ga met een systeem dat werkt op basis van 4% forfaitair rendement, terwijl ik weet dat er elders grote winsten worden gemaakt. Ik weet overigens ook dat die winsten bij het minste of geringste kunnen omslaan in verliezen en dat mensen onder dit systeem dan ook belasting moeten betalen. Die afweging is in de toekomst niet anders. Als er een manier zou zijn om feitelijke winsten en verliezen te belasten, zonder dat je daarmee nieuwe ruimte schept voor allerlei constructies, was ik daar allang voor gewonnen.

De heer Reitsma (CDA):

Ik constateer dat bijna alle fiscalisten gruwen van een heffing op een fictief vermogen. Verder hebben socialisten in het verleden altijd gezegd dat het draagkrachtbeginsel moet worden toegepast op de belasting op vermogen. De heer Bos als socialist en fiscalist zou zich toch door dit uitgangspunt moeten voelen aangesproken. Ik begrijp niet dat hij zo gewillig de lijn van het kabinet volgt.

De heer Bos (PvdA):

Mijnheer Reitsma, ik behoor tot het zondig ras der reformisten. Elke stap in de goede richting vind ik dan ook echt een goede stap. Het gaat mij erom dat vandaag de dag op geen enkele manier recht wordt gedaan aan het draagkrachtbeginsel. Ik heb tabak van alle verhalen waarin wordt gesteld dat de vermogensrendementsheffing wordt afgemeten aan een theoretisch model dat niet zal werken. De mensen die dat stellen, zijn blind voor het feit dat dit systeem in termen van draagkracht en rechtvaardigheid in vergelijking met wat er vandaag de dag gebeurt een aanmerkelijke verbetering zal blijken te zijn.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Bos noemt de introductie van de vermogensrendementsheffing een fiscale revolutie in box III. Hij eindigde zijn verhaal echter met de opmerking dat de overheid er ten opzichte van de huidige situatie wellicht 1 mld. bij zal inschieten en dat wij de wet moeten evalueren als dat gebeurt. Ik vind dat hij de grote woorden die hij gebruikt, op deze manier allerminst waarmaakt. Er komt toch zeker helemaal geen fiscale revolutie?

De heer Bos (PvdA):

Als de heer Vendrik het CPB aanhaalt, moet hij dit bureau wel correct aanhalen. De conclusie van het CPB is dat de inschatting van 450 mln. correct is en vervolgens dat er sprake is van een onzekerheidsmarge. Het CPB concludeert dus niet dat wij geld zullen inleveren als deze nieuwe vorm van belastingheffing wordt ingevoerd. Ik zeg alleen maar dat wij over vijf jaar weten hoe het werkelijk is gelopen en dat wij dan onze conclusies moeten trekken. Niemand heeft belang bij een stelsel dat het slechter doet dan het huidige.

Mevrouw de voorzitter! In het wetgevingsoverleg van vorige week heb ik melding gemaakt van onze worsteling met de vraag of het nodig en zinnig is niet-normaal vermogensbeheer, zoals het zogenaamde huisjes melken, in de wet speciaal aan te merken, zodat het in box I en niet in box III wordt belast. Kortheidshalve kondig ik nu alvast maar aan dat ik samen met de heer Reitsma een amendement heb ingediend dat voortborduurt op de bestaande rechtspraktijk inzake artikel 22.1b van de Wet op de inkomstenbelasting. Dat amendement beoogt aperte speculatie, het uitponden van panden, het handelen met voorkennis en dergelijke aan te pakken. Wij zijn echter ook tot de conclusie gekomen dat ons op dit moment het zicht op de onroerendgoedmarkt ontbreekt en dat wij daarom geen overtuigend pleidooi kunnen houden voor een speciale fiscale behandeling. Dat wil zeggen het naar box I duwen van particuliere verhuurders van onroerend goed.

Ik stel vast dat de regering niet is weggelopen voor maatregelen op een van de meest gevoelige onderwerpen in de Nederlandse politiek: de fiscale behandeling van het eigen huis. De manier waarop dat is gedaan, verdient alle lof, want voorop stond de noodzaak uiterst voorzichtig om te gaan met het gegeven dat 3 miljoen huishoudens in Nederland een eigen huis hebben en daarvoor vaak langlopende financiële verplichtingen zijn aangegaan. Wat ons betreft is de discussie over de hypotheekrenteaftrek dan ook geen discussie over wat er goed of fout is aan het systeem. De discussie moet gaan over de vraag hoe een bestaand systeem kan worden verbeterd, zonder 3 miljoen huishoudens voor wie de minste of geringste verandering in het overheidsbeleid heel veel kan uitmaken, daarbij onnodig in de problemen te brengen. Daarbij kiest de Partij van de Arbeid voor een consistente en fundamentele, maar wel prudente aanpak aan de hand van drie rode draden.

De eerste rode draad is de fundamentele lijn. Wij willen de fiscale behandeling van het eigen huis zien en beoordelen in het licht van de ook door ons gewenste bevordering van het eigenwoningbezit. De tweede rode draad, en dat is de consistente, is dat wij ervoor kiezen primair excessen, onbedoelde effecten en oneigenlijk gebruik aan te pakken. De derde rode draad, de prudente, is dat wij gewone mensen die hard hebben moeten werken om na zoveel tijd eindelijk hun eigen huis te kunnen kopen, niet in onzekerheid zullen brengen. In dit licht bezien verdienen de voorstellen van het kabinet onze volmondige steun. De hypotheekrenteaftrek voor het tweede huis wordt geschrapt. Dat had en heeft immers weinig met het bevorderen van het eigenwoningbezit te maken. Ook de definitie van het gebruik van de woning als hoofdverblijf wordt aangescherpt en tegen oneigenlijk gebruik afgeschermd. Tegelijkertijd hebben wij vandaag geconstateerd dat de regering de oorspronkelijke voorstellen op een aantal punten zal aanpassen om een al te onredelijke uitwerking in moeilijke gevallen zoals bij echtscheiding of tijdelijke opname in een inrichting te voorkomen.

Mevrouw De Vries (VVD):

Ik ben verrukt dat de PvdA zegt dat zij mensen met een eigen woning niet in de problemen wil brengen. Betekent dit dat alle ballonnen die tot op heden zijn opgelaten van de baan zijn en dat dit het is?

De heer Bos (PvdA):

Eén ballonnetje niet. Wij hebben eerder in het debat in de afgelopen maanden gezegd dat wij van mening zijn dat van een aftopping van het huurwaardeforfait geen goede reden te bedenken is. Die mening zijn wij nog steeds toegedaan.

Mevrouw De Vries (VVD):

Mijn vraag had betrekking op de hypotheekrenteaftrek. U wilt mensen niet in een onzekere positie brengen. Al die onzalige ideeën van uw collega's die in de kiem gesmoord zijn zullen wij niet meer van de PvdA horen.

De heer Bos (PvdA):

Net zomin als de ideeën van collega Bolkestein bij zijn afscheid in het Nederlandse parlement over de fiscale behandeling van het eigen huis. Die zijn evenmin aan de orde.

De heer Vendrik (GroenLinks):

De heer Bos schetst de drie rode draden. Ze kwamen op mij over als drie blauwe draden. Betekent het dat het debat dat binnen de PvdA wordt gevoerd over nut en noodzaak van de onbeperkte hypotheekrenteaftrek bij dezen gewoon volledig beëindigd is?

De heer Bos (PvdA):

Natuurlijk niet.

De voorzitter:

Is dat niet dezelfde vraag die mevrouw De Vries zo-even stelde? Wat heeft het voor zin om dezelfde vragen te stellen?

De heer Bos (PvdA):

Wij hebben het over een politieke bepaling. Wij vinden dat wat er nu is afgeleverd een sluitende aanpak is op basis van een aantal uitgangspunten die wij delen. In de PvdA zal zoals dat in een goede democratische partij hoort, voortdurend verder gediscussieerd worden.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Kan de heer Bos mij uitleggen wat er socialistisch, links en revolutionair is aan het feit dat in het kader van de hypotheekrenteaftrek de meeste belastingguldens gaan naar de hoogste inkomens, mensen die het het minste nodig hebben?

De heer Bos (PvdA):

Dat is niet socialistisch en links. Ik kan dat ook niet uitleggen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Het is wel bestaande praktijk. U continueert dat met uw politieke instemming met dit kabinetsplan.

De heer Bos (PvdA):

Nee, dan heeft u het verkeerd begrepen. Ik kan wel uitleggen dat die scheve verdeling betrekkelijk weinig te maken heeft met de belastingtarieven. De scheve verdeling van de voordelen van de hypotheekrenteaftrek is primair te herleiden tot het feit dat wij er de afgelopen 40 tot 50 jaar buitengewoon slecht in geslaagd zijn om het eigenwoningbezit te bevorderen onder mensen met lage inkomens. Dat is de oorzaak van de scheve verdeling. Dat heeft bar weinig te maken met het feit dat de een tegen 50% en de ander tegen 60% kan aftrekken.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Het is een dubbele werking. Het gaat om de marginale tarieven en het feit dat men vanwege een hoger inkomen een duurder huis kan kopen en vaak een hogere hypotheek neemt. Het saldo van het geheel is dat de meest belastingguldens – en dat is aantoonbaar – in het kader van de aftrek van de hypotheekrente naar de mensen met de hoogste inkomens gaan. Dat heeft met socialisme niets meer te maken.

De heer Bos (PvdA):

Ik ga dat niet meer verdedigen. Wat wel met socialisme te maken heeft, is dat je het probleem aanpakt waar het het meest effectief is. De meest effectieve aanpak is bijvoorbeeld het indienen van de wet-Duivesteijn/Hofstra. Dat bevordert het eigenwoningbezit onder de laagste inkomens. Dat is een veel effectievere manier om de scheve verdeling waar u en ik zwaar aan tillen aan te pakken. Aftoppen of andere tarieven vallen qua effectiviteit totaal in het niet bij die wet.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Dan rest mij slechts de conclusie dat de PvdA probeert weg te komen met een buitengewoon beperkt voorstel ingediend door de heer Duivesteijn voor de stimulering van het eigenwoningbezit. Wij weten dat het heel weinig doet. Het leidt tot weinig verkoop van huizen aan lage inkomens. De grootschalige overheveling van belastingmiddelen naar hogere inkomens in Nederland gaat gewoon door in de komende 30 jaar. Voor de PvdA is dat kennelijk voldoende. Dat is de balans die u zoekt.

De heer Bos (PvdA):

Dat is niet de balans die ik zoek. Ik constateer dat wij ervoor kiezen een probleem dat bestaat en dat wij erkennen aan te pakken op de manier die het meeste resultaat biedt. U zet er een grote mond bij op, maar alle oplossingen die u biedt in termen van aftoppen en wat dan ook zetten uiteindelijk veel minder zoden aan de dijk als het gaat om het aanpakken van de scheve verdeling dan wat wij hebben gedaan via de wet-Duivesteijn en ook in vergelijking met waar het kabinet in deze voorstellen voor kiest.

De heer Marijnissen (SP):

Het is opmerkelijk dat u zo onbeschaamd afstand neemt van zijn eigen verkiezingsprogramma. Daarin wordt wel degelijk gesproken over aftoppen. Uw eigen congres heeft daar voor de verkiezingen toe besloten. Dat is wel overruled, zoals wij allemaal weten, maar u neemt niet omwille van de samenwerking met de VVD afstand van uw verkiezingsprogramma, maar u doet dat uit overtuiging. In dat programma wordt letterlijk gesproken over aftoppen. Laat mijn fractie daar een idee voor hebben! Iedereen in dit land krijgt tot ƒ 350.000 het recht op aftrek. Alleen de aftrek van wat daarboven zit schaffen wij af. Daarmee treffen wij 5% van de rijksten in dit land met de hoogste hypotheken. Het levert ons volgens het CPB 1,25 mld. op. Gezien uw hele verhaal tot nu toe en gezien uw verkiezingsprogramma vraag ik u: wat is hier tegenin te brengen?

De heer Bos (PvdA):

Daar kan ik een aantal dingen op zeggen. Ik waardeer het zeer dat u zo begaan bent met ons verkiezingsprogramma, de uitspraken van ons congres en dergelijke. Als u lid wordt, kunt u meepraten over de manier waarop wij er vervolgens mee omgaan.

De heer Marijnissen (SP):

U bent al de tweede die mij dat voorstelt. Waarom gebeurt dat toch?

De heer Bos (PvdA):

U pleit voor aftoppen op ƒ 350.000 en dergelijke. Ik verzoek u vriendelijk eens met mij mee te gaan naar een zaaltje in Nieuwegein, in Alkmaar of in Heerhugowaard en daar uit te leggen waarom het rechtvaardig is om af te toppen op ƒ 350.000. Dat is een belachelijk bedrag. Dit betekent dat men niet mensen met hoge inkomens waar het debat tot nu toe over ging, maar normale mensen met een modaal inkomen die een eenvoudig huisje zoeken, beperkt in de mogelijkheden om zo'n woning te kopen. Daar zijn wij niet voor en ik heb er geen enkele moeite mee dit hier te zeggen.

De heer Marijnissen (SP):

Ik weet niet wat ik nu allemaal hoor. Ik had het niet over de waarde het huis, maar over een hypotheek van ƒ 350.000. Met dat verhaal durf ik rustig met u naar Nieuwegein. Ik nodig u uit om daar samen te discussiëren. Ik verzeker u dat uw verhaal niet zo zal aanslaan als dat van mij. Wij zeggen: rijk en arm krijgt over de eerste ƒ 350.000 aftrek. Ik heb het over 5% van de Nederlanders. Neemt u van mij aan dat in dit geval het CPB gelijk heeft als het zegt: dat halen wij bij de hoge inkomens met de zeer dure villa's. Als u zegt dat u het eigenwoningbezit wilt bevorderen, vind ik dat prima. Maar ik zou niet weten waarom de PvdA het eigenvillabezit moet bevorderen.

De heer Bos (PvdA):

Mijnheer Marijnissen, ƒ 350.000 is een bedrag dat op dit moment lager is dan de prijs van een gemiddeld nieuw koophuis. U pakt dus helemaal niet de hogere inkomens aan. U pakt mensen aan die een huis van een gemiddelde prijs willen kopen. Van de mensen die op dit moment hypotheekrenteaftrek genieten, valt 90% niet in het toptarief voor de inkomstenbelasting. Daar zitten ontzaglijk veel mensen bij met een modaal inkomen.

De heer Marijnissen (SP):

Ik zou het vervelend vinden als er een misverstand bleef hangen en daarom wil ik nog een interruptie maken. Als iemand een huis wil kopen van ƒ 500.000, wat u waarschijnlijk gewoon een opstalletje noemt, en hij een hypotheek neemt van ƒ 400.000 komt volgens ons voorstel ƒ 50.000 niet voor aftrek in aanmerking. Dus de rente over die andere ƒ 350.000 kan worden afgetrokken. U moet de zaak niet dramatiseren. Dat heeft de VVD altijd in het verleden gedaan. Daardoor is de discussie over de aftrek van hypotheekrente altijd op slot geweest in dit land. Ik vind met de heer Wellink van de Nederlandsche Bank, toch niet de eerste de beste, dat wij eens een verstandige discussie moeten voeren over de hypotheekrenteaftrek.

De heer Bos (PvdA):

Uw voorstel bevoordeelt rechtstreeks de hogere inkomens, mensen die veel geld hebben en mensen die kunnen sparen. Dat zijn de mensen die zoveel geld op de bank hebben staan dat zij maar een hypotheek van 3,5 ton nodig hebben om een huis van 5 ton te kunnen kopen. De mensen die benadeeld worden door uw voorstel zijn de mensen die niet dat spaargeld hebben en die helemaal afhankelijk zijn van een hypotheek. Die misgunt u dus de koop van een eigen huis. Daar ben ik het mee oneens.

De voorzitter:

De heer Bos gaat nu verder met zijn betoog.

De heer Bos (PvdA):

Zal ik nog iets zeggen over het eigen huis of zal ik maar gaan afronden, mevrouw de voorzitter?

De voorzitter:

U moet uw eigen betoog houden, mijnheer Bos, ik bemoei me daar niet mee.

De heer Bos (PvdA):

Dan zou ik vooral nog willen zeggen dat de lijn die in de uitvoering al een aantal jaren bestond, de lijn om te controleren of het geld dat hypothecair wordt geleend, ook daadwerkelijk wordt gebruikt voor verwerving van het eigen huis, wordt doorgetrokken en nu ook wordt vertaald naar het regime bij kapitaalverzekeringen. Ook daar wordt de toets doorgevoerd dat de kapitaalverzekering vrijgesteld wordt van belastingheffing, maar dat die dan wel gebruikt moet worden ter aflossing van de hypothecaire lening of voor de aanschaf van een nieuw huis. En als sluitstuk van deze benadering is nu voorgesteld om niet slechts de aftrekbaarheid van de hypotheekrente tot 30 jaar per aangegane hypothecaire schuld te beperken, maar ook tegen te gaan dat dezelfde schuld bij elke nieuwe aankoop van het huis steeds weer opnieuw kan worden aangegaan en de rente steeds weer over de hele schuld aftrekbaar is. Het is een goede zaak dat daar nu paal en perk aan wordt gesteld. Het huis dreigde tot een onderpand van een permanent consumptief krediet te worden, met ook budgettair ongewenste gevolgen in de zin van een volstrekt open einde. Door deze regeling en door de 30-jaarstermijn voor iedereen op 1 januari a.s. in te laten gaan, wordt er een zeer fundamentele maatregel genomen, terwijl iedereen voldoende tijd heeft om zich erop in te stellen. En wie zegt dat dit een maatregel is die pas over 30 jaar effect heeft, heeft het mis. Natuurlijk, voor de overheidsfinanciën treedt het effect pas op termijn op, maar op de hypothecaire markt is de verandering meteen begonnen en denken kopers en adviseurs nu al op een heel andere manier over schuld en aflossing dan enkele weken geleden. Niemand wil straks met een schuld blijven zitten; iedereen gaat dus nu al denken over sparen of aflossen. En zo behoort het ook. Schulden aangaan is ieders goed recht, maar niet eindeloos lang en op kosten van de belastingbetaler. Dat lek wordt nu gedicht.

Voorzitter! Ik ga in de richting van afronding van mijn betoog. In het regeerakkoord waren de contouren geschetst van een nieuw belastingstelsel dat ons veel bracht waar wij ons jarenlang voor hadden ingezet. De thema's waren onze thema's: werk, milieu, participatie, emancipatie, duurzaamheid, sterkste schouders zwaarste lasten, een betaalbare oude dag. We kregen in het regeerakkoord en daarna in de uitgewerkte voorstellen eindelijk zicht op de instrumenten die die doelstellingen waar moesten maken. En toch kon het nog beter, zoals ook is gebleken. De voorstellen die de laatste weken door het kabinet zijn gedaan, hebben de voorstellen immers nog beter gemaakt: afschaffing van weer een aftrekpost die zich o zo makkelijk zou hebben geleend voor denivellerende inkomenspolitiek, het arbeidskostenforfait; meer aandacht voor mensen met kleine banen; een goede overgangsregeling voor gastouders en alfahulpen en een CAO-optie voor de laatsten; modernisering van het pensioensysteem; een sluitende aanpak op het gebied van de hypotheekschulden.

Kortom, wij zijn uiterst tevreden met wat er nu ligt, maar toch nog niet helemaal. Wij zijn een stelsel aan het bouwen dat waarschijnlijk geen hele eeuw, maar toch een flink aantal jaren dienst zal moeten doen, en toch dreigen wij één ding te vergeten: kinderen, arbeid en zorg. Mijn collega Giskes laat ik het genoegen om uit te leggen wat er zo goed is aan het hebben van een combinatiekorting, dus dat gedeelte sla ik nu maar over. Ik zou het op prijs stellen als de regering in haar reactie op het amendement van mevrouw Giskes, dat ik medeondertekend heb, nadrukkelijk wilde ingaan op de vraag of de relatieve koopkrachtpositie van de alleenstaande ouder, al dan niet werkend, onder dit amendement te lijden heeft. Als dit het geval mocht zijn, zouden wij naar aanvullende maatregelen willen zoeken om daaraan iets te doen, ook gelet op recente discussies in de Kamer in het kader van het "bijstandsmoedersdossier".

De heer Reitsma (CDA):

En juist daarover zou ik een vraag willen stellen.

De voorzitter:

Maar wel een zeer korte vraag, want ik sluit de vergadering echt om elf uur.

De heer Reitsma (CDA):

Prima, voorzitter.

Het verbaast mij in hoge mate dat de heer Bos in de afgelopen week een combinatiekorting van ƒ 441 heeft aangekondigd, terwijl er na alle beloftes in de publiciteit vandaag ineens een amendement uit de bus komt waarmee dit bedrag gehalveerd wordt. Wat komt er dan terecht van zijn toezegging aan de burgers, aan de gezinnen?

De heer Bos (PvdA):

Ik moet constateren dat de ambtenaren van Financiën die ons in de afgelopen maanden zo geweldig goed geholpen hebben, ook wel eens een foutje maken. Dat is hierbij kennelijk gebeurd. Wij zijn er vandaag achtergekomen dat de eerdere berekeningen niet klopten, wat buitengewoon triest is.

De heer Reitsma (CDA):

Maar dan moet ik ook constateren dat u in de afgelopen week tegenover de buitenwereld in het wetgevingsoverleg hebt volgehouden dat de PvdA staat voor een combinatiekorting van ƒ 441 voor gezinnen. Die wordt nu gewoon met een pennenstreek geschrapt, omdat het resultaat van het rekensommetje u niet uitkomt.

De heer Bos (PvdA):

Kom nu toch!

De heer Reitsma (CDA):

Zo wordt het in het land wel ervaren.

De heer Bos (PvdA):

Mijnheer Reitsma, u bent de laatste die in dit debat deze opmerking mag maken. U hebt vanavond amendementen ingediend die, als ik ze bij elkaar optel, 3,965 mld. kosten, zonder dat u ook maar ergens de dekking hebt aangegeven. En dan wrijft u mij aan dat in een amendement dat budgettair neutraal is, een rekenfout zit. Ik heb het fatsoen om eerlijk te melden dat er een rekenfout in zat.

De heer Reitsma (CDA):

Ik laat even die rekenfout en de kwestie rondom de gezinnen liggen. Uw stelling echter dat ik amendementen zonder dekking heb ingediend, moet u op dit moment hard maken. Anders neemt u die opmerking nu terug. Maak het rekensommetje; maak het hard

De heer Bos (PvdA):

Ik heb de stukken voor mij en ik heb het uitgerekend. Het komt op 3,965 mld. neer.

De heer Reitsma (CDA):

Noem de getallen en geef één gulden aan die niet gedekt is. Hoe komt u aan die 3,965 mld.?

De voorzitter:

De vraag is duidelijk.

De heer Bos (PvdA):

Ik heb hier voor mij een optelsom liggen, en ik ben bereid om naar mijn plaats te gaan en de resterende stukken te halen, die begint met 90 mln., dan komt er 185 mln., dan 30 mln., dan 300 mln., dan 50, dan 450 mln. Deze getallen heb ik gevonden in de amendementen van het CDA met betrekking tot de kosten die daar per amendement netjes in vermeld staan. Ik heb alle getallen opgeteld en dan kom ik op 3,965 mld.

De heer Reitsma (CDA):

Zal ik u eens iets vertellen? U kunt volstrekt niet rekenen met een aantal uitgangspunten. U moet wat u zei maar snel inslikken. Ik heb hier de brief voor mij liggen. Het is jammer dat het departement niet sneller kon werken, maar ik heb daar alle begrip voor. Men heeft veel werk voor ons verricht. De twee dekkingsamendementen liggen er nu nog niet, maar u had dan een minder grote broek aangetrokken. Ik vraag u nu: neem dit terug en beoordeel morgen mijn amendementen op de feiten. U zult dan tot een andere conclusie komen.

De voorzitter:

Ik denk dat het inderdaad verstandig is om dit morgen verder uit te discussiëren. Op dit moment komen wij er niet uit. Ik verzoek de heer Bos zijn betoog af te ronden.

De heer Reitsma (CDA):

Er wordt grote onzin uitgekraamd!

De heer Bos (PvdA):

Voorzitter! De armoedediscussies van de laatste jaren hebben laten zien dat met name gezinnen met kinderen in de lagere-inkomenscategorieën het moeilijk hebben. Een specifiek instrument om hier iets aan te doen hebben wij eigenlijk niet. Wij kennen de kinderbijslag, maar die heeft twee grote nadelen. Het is een uitgave en die concurreert dus met andere uitgavenprioriteiten. Tegelijkertijd werkt die generiek voor iedereen. Het instrument dat wij bij amendement, dat is medeondertekend door de collega's Schutte en Giskes, voorstellen, is een inkomensafhankelijke kinderkorting. Ik verwijs kortheidshalve naar de tekst van dat amendement en de daarbij aangeven dekking voor verdere uitleg. Wat ons betreft is dit instrument een kapstok voor verdere discussies om te bezien of meerdere regelingen die gericht zijn op kinderen – en die wij via de fiscale sfeer willen regelen – daaraan opgehangen kunnen worden.

Geen terugblik zonder vooruitblik. Al in 1881 memoreerde Heemskerk dat elke minister van Financiën sinds 1848 het plan opvatte om het belastingstelsel grootscheeps te herzien, het meer gelijkmatig, billijker en minder drukkend te maken. Vervolgens constateerde Heemskerk in 1881 dat "ieder hunner zich hoogst gelukkig heeft mogen rekenen, zoo hij, voorziende in de dadelijke behoeften der schatkist, eenige partiële verbetering met grote moeite kon verkrijgen". Al die ministers hadden kennelijk geen Vermeend als staatssecretaris, want het ziet ernaar uit dat het deze keer echt gaat lukken.

In een veranderende wereld is een politicus nooit klaar. Ik zeg de heer Reitsma na dat er nog een heleboel zaken gebeuren in de wereld om ons heen die ons ertoe zullen dwingen ons belastingstelsel ook in de 21ste eeuw talloze malen te blijven hervormen. Ik zeg met hem dat wij vooral moeten denken aan onze hoge marginale tarieven in vergelijking met het buitenland. Wij moeten kijken naar de beweging op het gebied van belastingcoördinatie in Europees verband en wij zullen ook nadrukkelijk moeten kijken naar de elektronisering van handel en economie.

Mevrouw de voorzitter! Ik zei het al, politici in een veranderende wereld zijn nooit klaar. De belastingwetten waar wij het deze dagen over hebben, zijn dan ook geen eindpunten. Het zijn nuttige stappen vooruit in de goede richting. En zo beoordelen wij ze ook. Niet dat nu plotseling onze idealen op belastinggebied zijn bereikt. Niet dat er in de voorliggende voorstellen geen elementen zouden zitten die de Partij van de Arbeid best anders had willen zien. En ook ontkennen wij niet dat er compromissen zijn gesloten. Dat valt wat ons betreft allemaal weg bij wat wij wel bereikt hebben. Met de ogen open en vol overtuiging erkennen wij dat deze voorstellen op zijn minst een overtuigende stap in de goede richting zijn.

Commentatoren hebben de belastingvoorstellen, en met name de vermogensrendementsheffing, smalend vergeleken met de wet die Pierson in 1893 invoerde: back to the future. Het is een vergelijking waarop ik trots zou zijn, want Pierson was de eerste minister van Financiën die het draagkrachtbeginsel tot uitgangspunt van de belastingheffing wilde maken. En wat mij betreft wordt er later over de Wet inkomstenbelasting 2001 geoordeeld zoals Goeman Borgesius in 1893 oordeelde over de belastingwetten van Pierson. Hij zei het volgende: "Volmaakte rechtvaardigheid is vooral op belastinggebied een onbereikbaar ideaal, maar door deze hervorming is ten minste aan groote onrechtvaardigheden een einde gemaakt; ook in de thans ingevoerde wetten moge de progressie nog te wenschen overlaten, er is ten minste een dam opgeworpen tegen het euvel, dat ons belastingstelsel progressief werkte in omgekeerde richting." "Eindelijk heeft dan toch die zoo noodzakelijke verplaatsing van druk plaats gevonden. Er is thans een fundament gelegd, waarop latere Regeeringen kunnen voortbouwen." Dat was Goeman Borgesius in 1893. Back to the future en dat is maar goed ook.

De voorzitter:

Wij zullen morgenvroeg om 10.15 uur dit debat voortzetten.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

Sluiting 23.00 uur