Aan de orde is de behandeling van:

het voorstel van rijkswet Goedkeuring van het op 10 september 1996 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake het alomvattend verbod op kernproeven (Trb. 1997, 62) (25728, R1602).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Apostolou (PvdA):

Mijnheer de voorzitter! In de schriftelijke behandeling van het onderhavige verdrag heeft de fractie van de Partij van de Arbeid gesteld verheugd te zijn met de totstandkoming van het alomvattend verbod op kernproeven. De PvdA-fractie stelde toen tevens dat het te betreuren was dat twee van de 44 landen die het verdrag dienen te bekrachtigen, namelijk India en Pakistan, dit verdrag niet hebben ondertekend. Immers, het verdrag is bedoeld om het nemen van kernproeven definitief te stoppen, een rem te vormen op de proliferatie van kernwapens en een impuls te geven om de grote voorraden kernwapens drastisch te reduceren. Wij vroegen de regering alles in het werk te stellen om India en Pakistan ertoe te bewegen het verdrag te ondertekenen. De regering stelde in de nota naar aanleiding van het verslag dat zij in bilaterale contacten met India de wenselijkheid van ondertekening van het verdrag naar voren zou brengen en dat Nederland erop zou blijven toezien dat dit onderwerp andermaal aan de orde wordt gesteld in contacten tussen de EU-trojka en de Indiase autoriteiten.

Enkele maanden later hebben India en Pakistan kernproeven gehouden, een trieste zaak waartegen wereldwijd protest is aangetekend. De keerzijde van deze kernproeven is een positieve. Wat wij in maart van dit jaar niet voor mogelijk konden houden, namelijk de ondertekening van het kernstopverdrag door India en Pakistan, blijkt nu wel binnen bereik. India heeft juist dezer dagen in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties verklaard bereid te zijn het verdrag te ondertekenen. Deze gang van zaken laat naar mijn mening zien hoe moeilijk het is en hoe tegenstrijdig landen in deze wereld handelen als het gaat om afspraken ten behoeve van ontwapening en uitbanning van kernwapens.

In deze situatie van tegenstrijdigheden en ons bewust zijnde van de complexiteit van de zaak, verwelkomt de fractie van de Partij van de Arbeid het feit dat het verdrag inzake het alomvattend verbod op kernproeven tot stand is gekomen en nu in de Kamer ter goedkeuring voorligt. Mede door de inspanningen van Nederland is dit verdrag tot stand gekomen. Dit verdrag is een belangrijke stap in het streven om alle kernproeven stop te zetten en vormt een essentieel element van de internationale wapenbeheersingsagenda.

De PvdA-fractie heeft reeds schriftelijk haar waardering uitgesproken voor deze inspanningen en voor de cruciale rol die Nederland heeft gespeeld als algemeen voorzitter van de onderhandelingen die tot dit verdrag hebben geleid. Namens mijn fractie wil ik hier nogmaals waardering uitspreken voor het werk dat de heer Ramaker en zijn team hebben verricht. Het is goed dat wij onze successen koesteren. En wij mogen trots zijn op de bijdrage die Nederland als klein land aan de internationale vrede en veiligheid levert. In die zin wil ik de wijze waarop de minister van Buitenlandse Zaken kortgeleden in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de bijdrage van Nederland aan de internationale samenwerking uiteengezet heeft, onderschrijven en ondersteunen. Het is volgens mij meer dan nodig dat de stem van landen die geen hoofdrolspeler zijn in de internationale verhoudingen, luider wordt gehoord.

De fractie van de Partij van de Arbeid stemt in met het wetsvoorstel tot goedkeuring van het Verdrag inzake het alomvattend verbod op kernproeven. Echter, de PvdA-fractie beseft terdege dat wij met dit verdrag geen antwoord hebben gegeven op de ontwikkelingen die op dit moment gaande zijn en waarover ik straks meer zal zeggen. Dit verdrag is van groot belang voor het streven naar een kernvrije wereld. Er is nog veel werk te doen alvorens wij kunnen juichen over de afspraken met betrekking tot non-proliferatie, kernwapenvermindering en de uiteindelijke eliminering van kernwapens.

Voorzitter! Ik wil de minister graag een aantal vragen voorleggen. Ik wil om te beginnen vragen hoe de minister het belang van dit verdrag beoordeelt in het licht van de ontwikkelingen na de kernproeven door India en Pakistan. Deze landen zijn geen partij bij het non-prolife- ratieverdrag, maar hebben wel aangekondigd in beginsel te willen toetreden tot dit verdrag als zijnde kernwapenstaten. Indien echter het discriminatoire karakter van het non-proliferatieverdrag blijft bestaan, wellicht met de toevoeging van deze twee landen, zetten wij dan daadwerkelijk een stap voorwaarts in de vermindering en uiteindelijk de vernietiging van kernwapens? Wat vindt de regering van de suggestie om alle kernwapens in de wereld op termijn onder een VN-autoriteit te brengen om ze uiteindelijk te kunnen vernietigen? Zijn wij er niet aan toe om, zoals voor chemische en biologische wapens en recentelijk ook voor landmijnen geldt, kernwapens volledig uit te bannen? India heeft vaak gezegd dat het het non-proliferatieverdrag wil ondertekenen, mits de kernwapenstaten hun kernwapenarsenaal geheel ontmantelen. Nu schijnt India openingen te bieden voor ondertekening. Wat zal de Nederlandse houding zijn ten aanzien van dit voornemen? Zal de Nederlandse regering zich inzetten om zowel in het verband van de Europese Unie als in het verband van de NAVO op het aanbod van India en Pakistan in te spelen? Zij willen blijkbaar partij worden van zowel het non-proliferatieverdrag als het verdrag inzake het verbond van kernproeven.

Voorzitter! Verder wil ik de regering vragen naar haar mening inzake de mogelijkheid van het op termijn uitbreiden van het verdrag met een verbod op subkritische kernproeven en simulaties. Het kernstopverdrag voorziet daar niet in en naar het schijnt zullen de Verenigde Staten miljarden dollars blijven uitgeven aan dergelijke proeven en simulaties. Andere landen, zoals Rusland, zouden overwegen het voorbeeld van de Verenigde Staten te volgen. De Verenigde Staten hebben aangegeven dat dergelijke proeven nodig zijn om het huidige arsenaal op peil te kunnen houden en hun veiligheid te kunnen blijven garanderen. Zij maken zelfs duidelijk dat de proeven dienen om nieuwe kernwapens te kunnen ontwikkelen. Een verbod op het ontwikkelen van nieuwe kernwapens ontbreekt in dit verdrag. Een dergelijk verbod als follow-up op dit verdrag is nodig, wil men de verticale proliferatie van nucleaire wapens met effectieve middelen tegengaan en wil men voorkomen dat het verdrag een standstill betekent bij de huidige technologische ontwikkeling, maar ineffectief wordt bij verdere technologische verbeteringen. Het is bekend dat de Verenigde Staten dit verdrag niet onvoorwaardelijk zullen ratificeren. Welke mogelijkheden ziet de regering om een kritische dialoog met de Verenigde Staten over dit onderwerp en met name de simulaties aan te gaan? Is het waar dat volgens het schema van het Stockpile stewardship management program het bezit en de verdere ontwikkeling van de kernwapens van de Verenigde Staten al doorgetrokken is naar het jaar 2065? Wat vindt de regering hiervan?

Mijn derde punt betreft de onduidelijkheid die nog bestaat rond het verificatiesysteem. Hoe compleet is dat systeem en op welke termijn kan een completering van het systeem worden verwacht? Het blijft noodzakelijk om direct inspecties toe te staan, nadat het vermoeden is ontstaan dat een nucleaire proef is uitgevoerd. Feit is echter dat zonder inwerkingtreding van het verdrag een verbetering en zelfs een toepassing van het huidige verificatiesysteem moeilijk zal zijn. Hoeveel landen hebben dit verdrag reeds geratificeerd? Wat is de verwachting inzake de verificatie door de benodigde 44 landen?

Mijn vierde punt betreft de mogelijke consequenties voor de nucleaire doctrine van de NAVO nu besprekingen gaande zijn over het nieuwe strategisch concept van de NAVO. Aan de ene kant wordt gesteld dat elk kernwapen er een te veel is. Aan de andere kant spelen kernwapens mogelijk een cruciale rol in het afschrikken van het gebruik van biologische en chemische wapens. In elk geval is substantiële reductie van kernwapenarsenalen uit milieu- en veiligheidspolitieke motieven een belang van de eerste orde. Kan de minister zijn visie op de nucleaire doctrine van de NAVO geven? In dit verband wil ik de minister vragen hoe het kabinet staat tegenover het initiatief dat president Nelson Mandela heeft aangekondigd in zijn speech in de Algemene Vergadering van de VN om met een aantal andere landen een resolutie in te dienen om de vernietiging van alle kernwapens ter hand te nemen en consequent uit te voeren. Gaat de Nederlandse regering deze resolutie steunen?

Mijn vijfde opmerking betreft de Geneefse ontwapeningsonderhandelingen. Het verdrag inzake het alomvattend verbod op kernproeven is slechts één van de vele stappen. Voortzetting van de Geneefse ontwapeningsonderhandelingen, uitvoering van START-2 en beginnen met START-3 zijn van groot, zo niet groter belang nu het discriminatoire karakter van het non-proliferatieverdrag door de proeven van India en Pakistan prominent aan de orde zijn gesteld. Op welke wijze gaat de Nederlandse regering de uitvoering van de START-akkoorden ondersteunen?

Voorzitter! Mijn laatste opmerking heeft betrekking op de relatie tussen civiele en militaire nucleaire technologie. Het is bekend dat verschillende westerse landen nucleaire technologie leveren aan landen die daarover niet beschikken. De Nuclear Suppliers Group controleert de export van materiaal dat voor kernwapens gebruikt kan worden. Nederland speelt in deze groep een belangrijke rol. Is het mogelijk om een overzicht te krijgen van de in de afgelopen vijf jaar verrichte exportcontroles op nucleaire technologie en de effecten van deze controles? Vallen onder deze controles bijvoorbeeld ook de gebruikte kernreactoren die door westerse landen aan ontwikkelingslanden worden verkocht? Ik zou het op prijs stellen wanneer de minister deze toezegging deed en ons een overzicht zou doen toekomen.

De heer Van den Doel (VVD):

Voorzitter! Nu de heer Apostolou aan het einde van zijn betoog is gekomen, wil ik hem een vraag stellen. In de loop van zijn betoog vroeg hij de minister wat het standpunt van de regering is om alle kernwapens onder supervisie van de VN te brengen. Nu is deze minister voor een realistische positie van Nederland in de internationale politiek. Ik neem aan dat de PvdA dat standpunt ook deelt. Ik kijk dan even naar de problematiek. START-2 is nog niet geratificeerd; START-3 staat in de startblokken maar is nog verre van realistisch. Wat moeten wij dan met deze vraag? Wat is, gezien de problematiek, het realiteitsgehalte van die vraag om dat op korte termijn te bereiken?

De heer Apostolou (PvdA):

Voorzitter! Wij zitten nu in een fase waarin twee landen, Pakistan en India, kernproeven hebben verricht. Zij willen partij worden in dat non-proliferatieverdrag. Volgens het huidige verdrag mogen zij dat niet als kernwapenstaten. Daar moet dus over onderhandeld worden. Nu kan ik mij heel goed voorstellen dat in het kader van de VN, vanwege de nieuw ontstane situatie, gesproken wordt over een verdrag van de VN waarin datgene wat ik zojuist suggereerde naar voren komt. Dat lijkt mij niet ondenkbaar en wij mogen best een beetje dromen in deze wereld. Het is niet helemaal onrealistisch, ook gezien bijvoorbeeld een aantal andere ontwikkelingen zoals die met betrekking tot de landmijnen. En er zijn nog andere zaken die tot voor kort voor onmogelijk werden gehouden en die nu toch mogelijk zijn. In dat kader plaats ik deze vraag. Ik hoop dat ik duidelijk ben geweest.

De heer Van den Doel (VVD):

Het is mij volstrekt duidelijk, maar het ging mij om het realiteitsgehalte. Uw wens is duidelijk, maar ik wil gewoon praktisch blijven en ik vraag mij af wat de haalbaarheid ervan is op korte termijn. Is het niet veel belangrijker om ons internationaal in te zetten voor ratificering van START-2 door de Doema en het verder omlaaggaan van de huidige niveaus, dan ervoor te pleiten dat alle kernwapens in één slag onder supervisie van de VN worden gesteld? Ik kan mij dat ideaal wel voorstellen, maar in de praktijk lijkt mij de haalbaarheid zeer gering.

De heer Apostolou (PvdA):

Ik heb in mijn betoog ook opmerkingen van zeer realistische aard gemaakt over dingen die nu kunnen gebeuren. Deze vraag wordt ook door anderen gesteld. Het lijkt mij goed van de Nederlandse regering te vernemen hoe zij tegenover een dergelijk voorstel zou staan. Ik geef toe dat het wellicht op dit moment niet zo realistisch is. Wij kunnen echter niet in de toekomst kijken. Ik wil in ieder geval dat er veel meer gedaan wordt in de sfeer van ontwapening en kernwapenvernietiging dan dat nieuwe technologische ontwikkelingen ons inhalen en deze catastrofale wapens blijven bestaan.

De heer Hoekema (D66):

Voorzitter! Wij spreken vanavond over het buitengewoon belangrijke verdrag inzake het alomvattend verbod op kernproeven. Over dat verdrag is sinds 1958 gesproken en onderhandeld. In 1960 leek het onder handbereik te komen toen de drie kernwapenstaten die erover spraken – de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en het Verenigd Koninkrijk – dicht bij een akkoord waren. De geschiedenis heeft echter anders uitgewezen. Na een zeer lange onderhandelingsperiode, waarin het beperkte kernstopverdrag van 1963 een mijlpaal was, is dit verdrag pas in 1996 tot stand gekomen.

Vanavond kunnen wij wel zeggen dat het verdrag een succes is geweest van de wereldgemeenschap, een succes ook voor de Geneefse ontwapeningsconferentie die zelf heel lang geleden heeft onder het oleum dat er geen verdragen tot stand kwamen, maar toen in korte tijd zowel het verdrag inzake de chemische wapens als dit verdrag heeft afgeleverd. Het is ook een succes voor Nederland. Onder de bezielende leiding van ambassadeur Ramaker en zijn team is dit verdrag gereedgemaakt. Ik denk dat er weinig Nederlandse diplomaten zijn die in één week door de president van de Verenigde Staten worden geprezen en de zondag daarna in het programma Buitenhof verschijnen. Hulde voor de inzet van de Nederlandse ambassadeur Ramaker en zijn team. Ik wil hierbij de technische ondersteuning betrekken die gedurende al die jaren van onderhandelingen is geleverd door wetenschappers en technici vanuit het KNMI, de heer Ritsema en de heer Haak die enigszins vergelijkbaar met de inspanning van TNO, de heer Ooms, bij het verdrag inzake de chemische wapens, van onmisbare waarde zijn geweest bij het tot stand brengen van dit verdrag. Dat mag ook wel eens worden gezegd.

Nu het verdrag er ligt en wij het vanavond vanuit de Tweede Kamer kunnen goedkeuren, heeft mijn fractie iets dubbels; een beetje zoals een jongen van acht die weet dat hij een mooie fiets krijgt voor zijn verjaardag en die fiets niet op zijn achtste verjaardag maar pas op zijn twaalfde krijgt. De fiets is mooi. De fiets blinkt nog wel maar rijdt wat moeilijker. De glans is er wat af. Hij heeft iets te lang in het papier gezeten. Met die vergelijking wil ik dit verdrag kwalificeren. Het heeft wat te lang geduurd. Het lijkt alsof de kernwapenstaten net zo lang gewacht hebben totdat zij het zonder kernproeven konden stellen. Sterker nog, vlak voor de sluiting van het verdrag hebben met name Frankrijk en China nog een reeks kernproeven gedaan. Ik heb in 1993 in de VS een aantal laboratoria mogen bezoeken – Sandia en Lawrence Livermore – waar toen al bleek dat de stand van de technologie zodanig was, dat de VS, en datzelfde zal wel gelden voor Rusland, eigenlijk in staat waren om vrijwel hetzelfde effect van kernproeven te bereiken door middel van simulaties of subkritische proeven waarover de heer Apostolou sprak. Met andere woorden: er lag een reële mogelijkheid voor de kernwapenstaten om het verdrag nu af te sluiten. Mijn inschatting is dan ook dat de functie van het verdrag voor het doel van de non-proliferatie en het remmen van de nucleaire ontwapening toch iets in waarde is afgenomen vergeleken met de hoge verwachtingen die de wereldgemeenschap er jarenlang van had. Immers dit verdrag had een hoge symboolwaarde voor de wereldgemeenschap. Ik herinner in dit verband aan de beroemde resolutie in de Algemene Vergadering van de VN van de zogenaamde CORE-groep. De wereldgemeenschap dacht als het ware dat er met dit verdrag een rem zou komen op de modernisering, op de kwalitatieve verbetering van de kernbewapening en dat er rem zou komen op de hoeveelheden kernwapens. Welnu, ik denk dat dit iets te illusoir gedacht is. Het verdrag heeft natuurlijk een buitengewone waarde. Het bizarre is evenwel dat, nu het verdrag er ligt, India en Pakistan in het voorjaar door hun kernproeven hebben aangetoond dat de non-proliferatiefunctie van het verdrag maar heel beperkt is. Misschien geldt die wel voor landen als Noord-Korea, Irak of Iran, maar in ieder geval niet voor India en Pakistan. Tegelijkertijd kun je je afvragen – ik val collega Apostolou daarin bij – of de bestaande kernwapenstaten niet al jarenlang andere wegen hebben gevonden om door te gaan met de modernisering van hun kernwapens. Een van de onderdelen van de preambule van het verdrag is evenwel dat die modernisering, die kwalitatieve verbetering, wordt afgeremd en gestopt. En daarin is voor mijn fractie een beetje een dilemma gelegen, hoezeer zij het verdrag ook steunt en accordeert dat Nederland zijn zegen daaraan geeft.

Met de collega van de PvdA wil ik de minister vragen hoe hij het verschijnsel van de subkritische proeven beoordeelt. Ik denk eigenlijk dat het verdrag die gewoon mogelijk maakt. Er is destijds een compromis gesloten om de Verenigde Staten akkoord te laten gaan met de tekst. Daardoor blijven die subkritische proeven mogelijk. Dat is nu eenmaal een part of the deal. Ook het zogenaamde Stockpile stewardship management program, waar door de Verenigde Staten vele miljarden in worden gestoken, kan gewoon doorgaan. Met andere woorden: als je iets wilt doen aan de nucleaire ontwapening, dan zul je daar ook maatregelen voor moeten nemen die verdergaan dan dit verdrag, en als je iets wilt doen aan de problematiek van drempelstaten, dan moet je ook wat verdergaan dan het verdrag. Dat is eigenlijk de moraal van het verhaal van vanavond voor mijn fractie. Het verdrag is dus wel van belang, maar het is op zichzelf niet een voldoende voorwaarde om een rem te zetten op de proliferatie en de nucleaire bewapening. Daarom vraag ik de minister om nog eens een bespiegeling te houden over de manier waarop een rem kan worden gezet op de proliferatie en de nucleaire bewapening.

Aannemende dat de veiligheidssituatie in grote lijnen blijft zoals die nu is, zou mijn fractie er een groot voorstander van zijn dat de nucleaire ontwapening krachtig ter hand wordt genomen. Hierbij is er een aantal spelers in het spel. In de eerste plaats is dat Rusland. Wij weten allemaal dat het START-2-verdrag nog steeds in de Doema ligt. Dat kan Nederland niet zomaar even met een handgreep veranderen. Daar zullen druk, overredingskracht en beïnvloeding van de Verenigde Staten en andere landen voor nodig zijn. Nu Rusland in grote moeilijkheden verkeert, is het daar misschien vatbaar voor en kan de Doema er zo toe bewogen worden om START-2 te ratificeren. Ik vraag de minister nadrukkelijk om zijn inschatting daarvan te geven, bovenop de inschatting in de stukken. Zou het trouwens denkbaar zijn om niet met START-3 te beginnen? Er liggen al modellen, uitgangspunten en getallen in START-3 om de hoeveelheid nucleaire wapens nog drastischer te verminderen. Wat zou ertegen zijn om daar vast mee te beginnen? Wat zou ertegen zijn dat Nederland de Verenigde Staten daar ook toe oproept?

Er zijn nog andere kernwapenstaten. Ik noem Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en China. Ik denk dat het ook van belang is om te proberen, linksom of rechtsom, die andere drie kernwapenstaten op hun verantwoordelijkheden te wijzen. Daarbij gaat het overigens nadrukkelijk om andere verantwoordelijkheden en andere getallen. De hoeveelheden kernwapens van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zijn zeer beperkt en de functie ervan is ook beperkt. De hoeveelheid kernwapens van China is aanzienlijk. Ik zou het dus van groot belang vinden als China op een bepaalde manier kan worden betrokken bij de onderhandelingen over de kernwapens. Als er één conclusie is geweest die wij ook als Kamer in het voorjaar hebben getrokken na de kernproeven van Pakistan en India, dan is het wel dat die kernproeven een argument zijn om de kernwapenonderhandelingen te beginnen. Ik vraag de minister om daar vanavond zijn licht over te laten schijnen. Ik overweeg om in tweede termijn op dit punt een Kameruitspraak te vragen.

Voorzitter! Ik kom nog even op de positie van India en Pakistan. In het voorjaar is sprake geweest van een falen van de inlichtingendiensten. Men wist uiteindelijk niet dat die proeven zouden plaatsvinden. Er is zelfs nog discussie over het aantal en de soort proeven. Waren het er nu vijf of zes aan de kant van India respectievelijk Pakistan en wat voor soort proeven waren het? Met andere woorden: wij hebben die situatie eigenlijk een beetje onderschat. Wij hebben hier als Kamer overigens uitvoerig over gedebatteerd in juni. Nu heeft de premier van India vorige week in New York gezegd – de minister was daar zelf getuige van; ik weet niet of hij tijdens de toespraken in de zaal zat, maar hij heeft er in ieder geval van gehoord – dat India in beginsel bereid is om het kernstopverdrag te ondertekenen. Ik heb alleen maar uit de pers vernomen dat de toetreding van India binnen één jaar haar beslag moet krijgen; het vindt dat dit gekoppeld moet worden aan verdere ontwapening. Wij prijzen de dag niet voordat de avond gevallen. Daarom wil ik de minister vragen welke uitspraak de premier van India en welke de premier van Pakistan nu exact hebben gedaan. Is dat een onconditionele belofte om het kernstopverdrag te tekenen, of hebben India en Pakistan er weer allerlei voorwaarden aan gekoppeld, zodat men of van elkaar afhankelijk is, of van de verdere voortgang van het nucleaire ontwapeningsproces? Gezien de eerdere opstelling van beide landen, vrees ik een beetje dat het laatste het geval is, en dat wij dus misschien een beetje een kat in de zak hebben. Maar ik hoop zeer dat de premiers van India en Pakistan heel duidelijke, ondubbelzinnige toezeggingen hebben gedaan. Bij de positie van India en Pakistan teken ik ten slotte aan dat de werkelijke oplossing van de nucleaire problematiek in die regio natuurlijk moet zijn gelegen in oplossing van de regionale politieke problematiek, te weten Kasjmir en de onderlinge verhouding tussen India en Pakistan. Wij hebben daarover in juni uitvoerig met de voorganger van deze minister gesproken. Ik herinner aan mijn uitspraak tijdens dat debat met oud-minister Van Mierlo, dat een politiek initiatief over Kasjmir, misschien van de Unie en/of de Verenigde Staten en Rusland, om de verhoudingen tussen India en Pakistan verder te ontspannen, van groot belang zou kunnen zijn om ook de militaire component in die relatie van belang te doen verminderen, en ook het nucleaire element daarin te verminderen.

Voorzitter! Ik sprak al over de nucleaire ontwapening. Ik noteer de uitspraak in juni van de ambtsvoorganger van deze minister, oud-minister Van Mierlo, dat het toenmalige kabinet in grote lijnen, maar niet geheel, zich achter de verklaring kon scharen van een aantal landen, geïnspireerd door Zweden, Ierland en anderen, geheten 'Towards a nuclear weaponfree world'. Citerend uit het verslag van het algemeen overleg in juni, zei de heer Van Mierlo 'dat het overgrote deel van die verklaring door het kabinet kon worden geaccordeerd'. Hij maakte daarin een nadrukkelijke uitzondering – ik ga daarin mee – voor elementen die te maken hebben met de huidige NAVO-strategie, waarin Nederland nog steeds een kernwapentaak heeft. Voor mij hoeft die ook niet morgen overboord, maar het is wel een element in de discussie over de toekomst. Hij verwees ook naar elementen die heel zware kritiek in zich dragen op de huidige positie van de kernwapen staten. Nu ook president Mandela in de Algemene Vergadering vorige week een vergelijkbare oproep heeft gedaan, met een aantal elementen die op het eerste gezicht weinig bezwaar kunnen ontmoeten, vraag ik de minister van Buitenlandse Zaken in hoeverre hij bereid is dit soort politieke initiatieven om het nucleaire ontwapeningsproces ook in den brede verder te trekken, kan ondersteunen.

Voorzitter! In de Geneefse ontwapeningsconferentie is deze zomer als ik het goed begrijp een compromis ontstaan over het starten van onderhandelingen over de 'cut-off', de stopzetting van de productie van splijtbaar materiaal voor kernwapens. Dat is ook een belangrijke doorbraak in het hele proces van non-proliferatie en nucleaire ontwapening. Hoe schat de minister de kansen in dat die onderhandelingen over de stopzetting van de productie van splijtbaar materiaal tot resultaat leiden? Hoe ziet hij dat eventuele resultaat in de hele trits van processen, kernstopverdrag, nucleaire ontwapeningsonderhandelingen en stopzetting van de productie van splijtbaar materiaal.

Voorzitter! In hoeverre is het proces van de verificatie nu afgerond? In hoeverre is de verificatieorganisatie al volledig tot wasdom gekomen? In hoeverre kan Nederland daarin met het KNMI en het deelnemen aan het seismische netwerk zoals ook vroeger, een waardevolle bijdrage leveren, niet alleen financieel, maar ook met technische expertise?

Mevrouw Van Ardenne-van der Hoeven (CDA):

Voorzitter! De CDA-fractie is positief over de totstandkoming van het alomvattend kernstopverdrag. Het heeft lang geduurd voordat dit verdrag tot stand kwam. De discussie over het stopzetten van kernproeven is in feite decennia oud. Na de Koude Oorlog werd die discussie pas goed vlot getrokken. Aanvankelijk was er alleen nog maar een beperkt kernstopverdrag van 1963. Daarin staat dan ook de bepaling, dat overleg over de totale uitbanning van kernproeven dient te worden voortgezet. Dat is dan ook gebeurd. Nederland heeft daarin, zeker in de laatste fase van de totstandkoming van het alomvattende verdrag, een belangrijke constructieve rol gespeeld. Juist in die laatste fase waren veel obstakels te overwinnen. Wij hebben derhalve veel waardering voor de Nederlandse inzet. Het verdrag ligt nu voor ter ratificatie. Dat is een stap voorwaarts naar de beheersing van en uiteindelijk de algehele ontmanteling van kernwapens. De heer Apostolou heeft daarover een aantal vragen gesteld. Die spreken mij aan, maar ik heb nog een aantal andere punten.

Ik kom eerst te spreken over de houding van landen, zoals India en Pakistan, die het verdrag niet wensen te ondertekenen, althans niet wensten te ondertekenen. Deze landen zijn niet bereid het non-proliferatieverdrag te ratificeren. De regering is echter hoopvol, zo lezen wij in de memorie van antwoord, maar ik neem aan dat de regering hoopvol wás. Dergelijke landen zouden zich de politieke norm in het verdrag aantrekken en een land als India zal het verdrag wellicht alsnog tekenen, aldus de memorie van antwoord. Waarop was deze hoop gebaseerd? Bij het opstellen van de memorie van antwoord kon de regering toch nog niet weten dat India en Pakistan in de Algemene Vergadering van de VN dit jaar de uitspraken zouden doen die ze hebben gedaan? Of was daar al iets over bekend? Ik verneem ook graag onder welke condities India en Pakistan deze uitspraken hebben gedaan. Ik heb begrepen dat ze het alomvattende kernstopverdrag wel willen ondertekenen. De vraag is wanneer dat gebeurt, welk tijdstraject daaraan is verbonden en onder welke condities het gebeurt. Gelden die condities voor beide landen?

Inmiddels heeft Nederland na de kernproeven in India en Pakistan de ontwikkelingsrelatie met beide landen deze zomer bevroren. Naar onze mening was dit terecht, maar het is de vraag of Nederland een ontwikkelingsrelatie op regeringsniveau wel moet willen met landen die zich extreem bewapenen. De CDA-fractie vindt dat hierover een nadere afweging moet plaatsvinden om ad-hocreacties, zoals deze, te voorkomen. Wij krijgen daar graag een reactie op van de minister.

Wanneer de groep van 44, waartoe ook Nederland behoort, niet heeft ondertekend, zal het verdrag niet in werking treden. Wat is de stand van zaken? Zal het verdrag ooit in werking treden? Als dat niet het geval is, wat is dan de situatie? Wie heeft getekend, zal zich waarschijnlijk aan de norm houden. Wie niet heeft getekend, wil dit niet of nog niet en heeft daarvoor een reden, maar kan – zie India en Pakistan – toch kernproeven nemen. Landen als Noord-Korea, Irak en Iran zijn gedwongen een keuze te maken. Rusland blijft een onzekere factor. Of de VS gaan ratificeren, is nog onduidelijk. Er is in de VS blijkbaar een zogenaamd Stockpile stewardship management program ontwikkeld, kostbaar en zeer geavanceerd, om gesimuleerde en subkritische kernproeven te kunnen nemen. Op zichzelf is het begrijpelijk, als je toch over kernwapenmateriaal beschikt, dat je wilt nagaan of dit up-to-date is. Het is echter de vraag of daar bij de opstelling van dit verdrag rekening mee is gehouden. De betrouwbaarheid van het kernwapenarsenaal wil je namelijk toch altijd toetsen. In die zin ontstaat er als het ware een nieuw traject in de richting van die subkritische en gesimuleerde proeven, waardoor de situatie in feite niet veel verandert. De omvang van het arsenaal zou daarmee gewoon in stand kunnen blijven.

Daarom is het verdrag niet voldoende. Ik ben dat met de vorige sprekers eens. Er moet meer gebeuren om de proliferatie van kernwapens terug te dringen. Er zijn nieuwe initiatieven nodig of de bestaande initiatieven moeten verder worden uitgewerkt. Ik noem kortheidshalve een aantal punten dat van belang is. Een aantal maanden geleden hebben wij met de vorige minister van Buitenlandse Zaken gediscussieerd over de toetreding van India en Pakistan tot het NPV. Een bepaalde vorm, aldus de minister toen, zou nader moeten worden bestudeerd. Is het wat dat betreft zinnig om te bekijken of een bepaalde vorm wel mogelijk is? Ik zie wel dat het noodzakelijk is, maar het is veel belangrijker om na te gaan of die mogelijkheid bestaat, of de wens bestaat om tot toetreding over te gaan en hoe de verdragspartners erover denken. De ratificatie van START-2 ligt al heel lang bij de Doema. Er zal druk uitgeoefend moeten worden om de ratificatie te bespoedigen.

Dan de onderhandelingen over START-3, het verdrag tot beëindiging van aanmaken van nieuwe splijtstof en de instelling van kernwapenvrije zones.

Ik hoor graag een reactie van de minister op deze vier bestaande of nieuwe initiatieven, die de mogelijkheid openen een stap verder te komen als het gaat om het terugdringen van de proliferatie van kernwapens. Dat soort initiatieven is van belang om uitbreiding van kernwapens over meerdere landen – want dat is het meest risicovol – in te perken.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Voorzitter! Ik spreek evenals vanmiddag mede namens de RPF-fractie. Het verdrag dat thans ter goedkeuring voorligt, is onmiskenbaar een belangrijk verdrag. Het is een stap in de goede richting in een wereld die zich fundamenteel onveilig mag weten, alleen al vanwege het blote feit dat er kernwapens zijn. Om het preciezer te formuleren: omdat het tenslotte doodgewone mensen zijn die de beschikkingsmacht hebben gekregen over dergelijke verschrikkelijke wapens. Ik heb mij om politieke redenen nooit aangetrokken gevoeld tot de slogan 'alle kernwapens de wereld uit, te beginnen met Nederland', maar emotioneel heb ik deze slogan altijd wel goed begrepen. Wie gedwongen werd zich niet alleen politiek maar ook moreel te verdiepen in het vraagstuk van de kernbewapening, moet momenten hebben gekend dat de angst hem aanvloog.

Kernwapens als een onderdeel van een politiek van afschrikking hebben hun functie grotendeels verloren. Dat is een zaak om dankbaar voor te zijn. Het kwaad school overigens niet allereerst in de kernwapens zelf. Het was de diametrale botsing van ideologieën die de impuls vormde voor de kernwapenwedloop. Het voorliggende verdrag werd dan ook pas een historische mogelijkheid – evenals andere verdragen, zoals de heer Hoekema al zei – toen die ideologische spanning verdween, kortom toen de Koude Oorlog werd beëindigd. De daardoor ontstane politieke ontspanning heeft het mogelijk gemaakt verdragen te sluiten op het gebied van de nucleaire, de chemische en de biologische bewapening.

Hoe groot men het belang van dit verdrag taxeert, is natuurlijk afhankelijk van de vraag welk einddoel voor ogen staat. John Holum, directeur van het US Arms Control and Disarmament Agency, zei onlangs: 'We will never achieve a world free of nuclear weapons unless we first achieve a world free of nuclear explosions.' Dat was een waar woord en daarom mag dit verdrag ook beschouwd worden als een stap in de richting van een kernwapenvrije wereld. Of die er ooit zal komen en wat de weg is waarlangs, is vooralsnog een open vraag. Ook al zou het laatste kernwapen ontmanteld zijn, de mensheid beschikt wel over de kennis en die kennis zal wel nooit te vernietigen zijn.

Het monopolie van de zwaardmacht is een van de definiërende kenmerken van een staat. Het beschikken over wapens is derhalve politiek noch moreel illegitiem. Men behoeft echter geen pacifist te zijn om normatieve eisen te stellen aan het bezit en het gebruik van wapens, in het bijzonder zulke zware wapens als kernwapens. In de oudtestamentische oorlogswetgeving van Mozes vindt men bijvoorbeeld duidelijke normen die zich keren tegen de tactiek van de verschroeide aarde en de norm dat er een evenredigheid moet zijn tussen doel en middel en dat de burgerbevolking gespaard moet worden. Ik stem dan ook in met wat de regering – naar ik meen op uitnodiging van de D66-fractie – in de stukken schrijft, namelijk dat dit verdrag in elk geval een politieke norm bevat. Ik zou nog wel iets verder durven gaan, namelijk een eerste begin van een beginsel van internationaal recht, namelijk 'gij zult geen kernproeven houden'. Voor de erkenning van die norm of dat beginsel is het wellicht niet eens strikt noodzakelijk dat het verdrag wereldwijd wordt geratificeerd, hoe wenselijk op zichzelf ook. Het simpele feit van het opstellen van dit verdrag als resultaat van onderhandelingen, is reeds een stap voorwaarts. Ook een land dat het verdrag niet zal ratificeren, zal veel meer dan in het verleden argumenten moeten bedenken om het eigen gedrag te rechtvaardigen als toch kernproeven worden gehouden. Dat bleek reeds na de recentelijk gehouden kernproeven in India en Pakistan en de eerdere proeven van Frankrijk en de internationale reactie daarop. Het algemeen gevoelen was dat wat daar gebeurde niet meer deugde. Dat was anders dan twintig jaar geleden. Zo hoog als de spanningen een twintig jaar geleden opliepen toen het ging om de plaatsing van middellangeafstandswapens in Nederland, zo groot is de consensus nu als het gaat om dit verdrag. En dat is een plezierige constatering. Ik heb het niet nagezocht maar houd het niet voor onmogelijk dat de Kamer vroeger wel eens gestemd heeft tegen linkse moties die zich richtten tegen het houden van kernproeven en dergelijke. Ik ben dan ook blij dat ik op één lijn zit met mevrouw Vos, want ik mag er toch van uitgaan dat ook zij dit verdrag zal goedkeuren, of beter gezegd, dat ik dat zal doen. Kortom, ik ben blij dat er consensus is.

In het bijzonder de Nederlandse regering is te feliciteren, niet alleen met dit verdrag, maar vooral ook met de Nederlandse bijdrage aan de totstandkoming ervan. Ik herinner mij dat wij een paar jaar geleden op een rustige parlementaire avond – de tribunes zaten even vol als nu – het verdrag over de chemische wapens bespraken. Ook daarover bestond toen consensus. Toen hadden de woordvoerders het voorrecht om in de wandelgangen dr. Ooms te feliciteren, de Nederlandse expert op het gebied van chemische bewapening, die een grote bijdrage had geleverd aan de totstandkoming van dat verdrag. Het zou mooi zijn geweest als wij nu hetzelfde zouden kunnen doen met de heer Ramaker, die zo'n excellente rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het onderhavige verdrag. Wij kennen evenwel zijn verplichtingen op dit moment in New York en hij is derhalve geheel verontschuldigd. Maar ik zou het toch op prijs stellen als de minister te zijner tijd aan de heer Ramaker onze waardering – ik hoop dat de collega's het kunnen billijken dat ik in meervoud spreek – over zou brengen voor genoemde rol.

Voorzitter! Ik reken mijzelf niet tot de idealisten op het terrein van het buitenlands beleid, maar er is wel een legitieme ruimte voor die stroming als het gaat om de bevordering van het internationale recht en het denken over ontwapening. Ik weet dat het een lastige vraag is, maar ik nodig de minister toch uit om iets te zeggen over de betekenis van dit verdrag in het licht van het verder liggende doel, te weten een algemene en totale ontwapening op kerngebied. Tot deze vraag werd ik mede geïnspireerd door de aantekening die de Heilige Stoel heeft gemaakt bij de ondertekening van het verdrag. Ik zeg hier onmiddellijk bij dat ik niet alle details van het verdrag heb bestudeerd, maar ik kwam dit toevallig tegen. Als goed protestant ben je er dan in geïnteresseerd waarom die aantekening is gemaakt. In die aantekening wordt het verder liggende perspectief van algehele ontwapening nadrukkelijk geformuleerd. Enkel en alleen omdat het vragen naar de bekende weg is, informeer ik maar niet bij de regering waarom zij niet een vergelijkbare aantekening heeft gemaakt bij de ondertekening. Toch hoor ik graag een reactie van de minister op dit verder liggende doel. De Heilige Stoel heeft nu eenmaal wat meer politieke ruimte dan bijvoorbeeld een NAVO-lidstaat als Nederland.

De heer Hoekema (D66):

De heer Van Middelkoop laat zich inspireren door de Heilige Stoel. Dat is een verschijnsel dat zich in de komende jaren weinig zal herhalen. Daarnaast verklaart de heer Van Middelkoop zich graag tot realist, zoals vanmiddag te horen was tijdens het debat over de NAVO-uitbreiding, toen hij de minister van Buitenlandse Zaken uitdrukkelijk vroeg de kernfunctie van de NAVO, dus de afschrikking, te onderschrijven. De heer Van Middelkoop stelt nu deze vraag aan de minister, maar deelt hij zelf het doel van een algehele nucleaire ontwapening? Ik vraag dit, mede gezien zijn visie op de rol van het kernwapen in de huidige kernfunctie van de NAVO.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Ik heb vanmiddag geen pleidooi gevoerd voor het handhaven van de NAVO met haar complete afschrik- kingskracht zoals die in het verleden bestond. Dat zou zeer naïef zijn geweest. Ik pleitte wel voor het zoveel mogelijk intact houden van het militaire apparaat van de NAVO.

De vraag van de heer Hoekema hoef ik natuurlijk niet te beantwoorden, want ik heb al eerder gezegd dat het heel wat zou zijn als er een kernwapenvrije wereld zou ontstaan. De technologische kennis die wij hebben, laat zich echter moeilijk vernietigen. Ik ben best bereid om de vraag van de heer Hoekema met 'ja' te beantwoorden, maar het antwoord op de vraag langs welke weg het einddoel zou moeten worden bereikt, is veel ingewikkelder. Ik zal straks nog wel iets zeggen over de noodzaak die dit verdrag ook met zich brengt voor de kernwapenstaten om meer te doen aan zaken als kernontwapening en -ontmanteling. Daar ben ik namelijk wel heilig van overtuigd en terzake deel ik de zorgen die de heer Hoekema in zijn betoog verwoordde.

Het getuigde van realiteitszin toen de regering in de toelichting schreef dat spoedige inwerkingtreding van het verdrag niet voor de hand ligt. Thans kan de vraag worden gesteld of de regering wellicht meer perspectief ziet. Ik doel natuurlijk allereerst op de kennelijke bereidheid van India en Pakistan om over niet al te lange tijd toch tot ondertekening over te gaan. De minister is net in New York geweest en zal ongetwijfeld de laatste stand van zaken kunnen geven. Ik nodig hem daartoe uit.

Eenzelfde vraag kan gesteld worden over de politieke bereidheid van de Amerikaanse senaat om tot ratificatie over te gaan. Graag derhalve een actualisering van de stand van zaken. Uit een brief van de ministers van Defensie en van Buitenlandse Zaken van 17 september jl. haalde ik dat India kort na de kernproeven te kennen heeft gegeven onderdelen van het verdrag te willen ondertekenen. Bestaat die mogelijkheid nog steeds? Kan dat wel? Wat moet ik daaronder verstaan? Verder sluit ik mij graag aan bij de vragen van de heer Hoekema over de kennelijke voorwaarden die gesteld kunnen worden bij ondertekening.

Dat tot voor kort de Indiase regering weigerde het verdrag te ondertekenen, is uitermate wrang, omdat juist de Indiase premier Nehru in de jaren vijftig en zestig pleitte voor een verbod op kernproeven. India weigerde in 1963 zelfs in te gaan op het voorstel van de Amerikaanse regering om als tegenwicht voor China een atoombom te produceren, toen duidelijk werd dat Peking een nucleaire macht zou worden. De eerlijkheid gebiedt natuurlijk te erkennen dat evenals bij het non-proliferatieverdrag bij het kernstopverdrag het onderscheid of, zo men wil, de discriminatie tussen de 'haves' en de 'have-nots' wordt bevestigd, zo niet versterkt. Daarom zal de geloofwaardigheid van de ondertekening van het verdrag door landen die beschikken over kernwapens, aangevuld moeten worden met programma's voor de vernietiging van overbodige kernkoppen en de bereidheid om niet met andere middelen het bestaande arsenaal te perfectioneren. Op dat gebied ben ik niet erg gerust. Ik reken het tot de taak van de Nederlandse regering daarop bij die landen aan te dringen, in het bijzonder bij de bondgenoten. Wij zijn immers nog zeer ver verwijderd van echte kernontwapening.

Nu hoeven wij dit debat niet te gebruiken om alle aspecten van het thema kernontwapening aan de orde te stellen. Ik heb slechts één vraag. Ik begreep deze zomer dat Israël heeft ingestemd met de oprichting van een VN-commissie voor onderhandelingen over het zogenaamde FMCT-verdrag tegen de productie van plutonium en andere splijtstoffen voor kernwapens. Deze commissie wordt opgericht door de VN-ontwa- peningsconferentie. Kan dit bericht bevestigd worden? En wat zal de eventuele bijdrage van Nederland zijn aan dit volgende verdrag?

Het verdrag is geen perfect verdrag. De regering heeft dat in de stukken ook niet verbloemd. Het is wel een knap onderhandelingsresultaat van partijen met soms zeer uiteenlopende politieke strevingen. Een zwak punt bijvoorbeeld is de magere tekst op het punt van de sanctionering bij overtreding van het verdrag. Eigenlijk bevat het verdrag geen echte sancties. In het derde lid van artikel V wordt uitsluitend gesproken over collectieve maatregelen. Verder kon men kennelijk niet komen en dat valt te betreuren.

Een andere vraag betreft de effectiviteit van de handhaving van het verdrag. Als ik het goed begrijp, vallen proeven waarbij geen kernexplosies plaatsvinden, niet onder de reikwijdte van het verdrag. Wij hebben het dan over subkritische proeven, waarbij wel een kernreactie maar geen nucleaire explosie plaatsvindt. Weet de regering of er landen zijn die voornemens zijn dit soort proeven te houden om bestaande kernwapens veilig en betrouwbaar te houden? Ik stel die vraag omdat ik heb begrepen dat in het Europees Parlement gediscussieerd is over een kennelijk voornemen van de Verenigde Staten om een viertal van dergelijke proeven uit te voeren. Weet de Nederlandse regering daarvan? En zo ja, wat is haar reactie daarop? Is dit type proeven te beschouwen als een indruisen tegen de geest van het verdrag?

Ik rond af met twee vragen van juridische aard. In de toelichting wordt erop gewezen dat te zijner tijd nog strafwetgeving ter uitvoering van het verdrag moet worden gemaakt. Het lijkt mij niet nodig om op hoge toon te vragen waarom dat niet reeds is gebeurd. Ik denk niet dat iemand van ons er behoefte aan heeft om in zijn achtertuintje een kernproef te houden, zodat hij strafrechtelijk zou moeten worden aangepakt. Ik las echter in de stukken bij het verdrag tegen de antipersoneelmijnen dat er gewerkt wordt aan een kaderwetgeving die kennelijk de uitvoering regelt, met name van de strafbaarstellingen voortvloeiend uit dit type verdragen. Geldt dat ook voor het onderhavige verdrag? Kan daar iets meer over gezegd worden?

Mijn tweede en laatste vraag is een beetje voor de liefhebber en betreft de situatie die zich voordoet als het Koninkrijk zich heeft onthouden van stemming bij wijziging van het verdrag. Op bladzijde 20 van de toelichting staat daarover dat in dat geval inwerkingtreding van de desbetreffende verdragswijziging geschiedt in overeenstemming met artikel 92 van de Grondwet. De minister mag zich ontslagen weten van de plicht dit constitutionele aspect ten gronde te behandelen, maar ik wil toch graag gezegd hebben het vreemd te vinden dat bij stemonthouding van de regering het gewijzigde verdrag wel gelding zal hebben in het Koninkrijk, maar dat de Staten-Generaal dan geen beslissende stem meer hebben. Die hebben wij nu wel. Ik voeg daar onmiddellijk aan toe dat ik op dit punt politiek geen problemen voorzie. Echter, wat thans een academische kwestie is, kan later plotsklaps wel politiek belangrijk worden. Met het oog daarop wil ik graag gezegd hebben wat ik zo-even opmerkte. Daar laat ik het dan ook bij.

De heer Van den Doel (VVD):

Voorzitter! Het kernstopverdrag kent, afgemeten naar de duur van de onderhandelingen, een lange geschiedenis. Het is dan ook des te verheugender dat twee jaar geleden, nota bene onder Nederlands voorzitterschap, de kroon is gezet op onderhandelingen die bijna veertig jaar hebben geduurd. De Nederlandse diplomatie heeft hierbij een voortreffelijke rol vervuld. Hulde aan al degenen die hieraan een bijdrage hebben geleverd. Dat geldt natuurlijk in het bijzonder – anderen hebben er ook al aan gerefereerd – voor de ambassadeur, de heer Ramaker.

Ik heb mij wel eens afgevraagd waarom juist Nederlandse diplomaten bij dit soort moeizame onderhandelingen een sleutelrol vervullen. Wellicht komt dat omdat wij op nationaal niveau van oudsher gewend zijn om compromissen te sluiten en dat dus ook internationaal goed kunnen uitdragen. Hoe het ook zij, het verdrag is er en daar mogen wij trots op zijn.

Het belang van dit verdrag, ook voor Nederland, kan niet genoeg worden benadrukt, temeer daar de proliferatie van nucleaire kennis en technologie de afgelopen jaren een grote vlucht heeft genomen. De kans op het ontstaan van nieuwe kernwapenstaten is daarmee toegenomen, met als gevolg grote risico's voor vrede en veiligheid. Het verdrag mag dan ook worden gezien als een stap voorwaarts naar een veiligere wereld. Door medeondertekening van de vijf erkende kernwapenstaten die tevens de permanente leden van de Veiligheidsraad vormen, is het politieke signaal overduidelijk. Het is een vastberaden stap om de ontwikkeling en proliferatie van kernwapens een halt toe te roepen. Het legt landen die op dat punt nog aspiraties hadden, volledig aan banden, althans als het verdrag van kracht wordt, en daar wringt de schoen. Het aantal landen dat het verdrag heeft geratificeerd, is tot nu toe nog niet erg groot. Het zijn er nog maar tien. De grote mogendheden behoren hier nog niet toe.

De echte problemen liggen natuurlijk bij de landen die het verdrag niet eens willen ondertekenen. Zolang India, Pakistan en Noord-Korea het verdrag weigeren te ondertekenen, zitten wij toch met een probleem. Er is wel een klein lichtpuntje, en dat is dat Pakistan in navolging van India afgelopen week heeft toegezegd volgend jaar het verdrag te zullen ondertekenen. Het verstand schijnt het hier toch van de emoties te hebben gewonnen.

Ook hieruit blijkt weer dat landen pas zwichten als zij zelf grote nadelen van hun opstelling ondervinden. De logica die hieruit voortvloeit, is dat de sancties en maatregelen die tot nu toe zijn genomen, pas moeten worden opgeheven als deze landen het verdrag hebben ondertekend, en niet eerder. Maar dan nog moeten wij afwachten of men het verdrag ook werkelijk ratificeert.

In de memorie van toelichting wordt gesteld dat het verdrag een politieke norm stelt en dat niet-naleving van de norm voor een land aanzienlijke consequenties zou moeten hebben. Hierover heb ik een vraag. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt gesteld dat de positie van India aan de orde zou moeten komen op de toetsingsconferentie van het non-prolifera- tieverdrag in het jaar 2000. Dat lijkt mij op zichzelf goed. Als het huidige verdrag na drie jaar nog niet in werking kan treden, is er de mogelijkheid in artikel 14, lid 2, om een conferentie te beleggen om te bezien wat te doen staat om de inwerkingstelling te bespoedigen. Zo'n conferentie zou dus in november 1999 gehouden kunnen worden, als wij kijken naar de wetstekst. Hoe staat de regering hiertegenover?

Mag ik ervan uitgaan, zo vraag ik aan de regering, dat de internationale druk op India en Pakistan blijft bestaan totdat zij het verdrag hebben ondertekend. Is er nog iets veranderd in de houding van de regering op dit punt sinds het algemeen overleg op 24 juni jl.?

De heer Hoekema (D66):

Voorzitter! Ik steun de vraag van de heer Van den Doel over de wenselijkheid dat de landen die bij de groep van 44 horen, ook toetreden tot het verdrag. Is de heer Van den Doel het met mij eens dat in het onverhoopte geval dat die landen geen partij worden, het verdrag naar alle waarschijnlijkheid toch van kracht kan blijven, zo niet de jure dan wel de facto, op grond van de regels van het Weense verdragenrecht? Met andere woorden, de norm blijft dan toch wat in het verdrag is vastgelegd.

De heer Van den Doel (VVD):

Ik denk dat u gelijk hebt dat de morele norm is opgelegd aan de landen die het hebben ondertekend. Ik ga straks nader in op de Nederlandse positie. Zolang het verdrag nog niet in werking is getreden, biedt het de mogelijkheid dat de landen die het hebben ondertekend, een toetsingsconferentie beleggen om te kijken wat te doen staat om het verdrag zo snel mogelijk in werking te stellen. Dat instrument moet worden benut, denk ik, en dat zou volgend jaar al kunnen.

Voorzitter! Uit de nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat de totstandkoming van het kernstopverdrag de weg opent voor onderhandelingen over een verdrag dat de productie van splijtstoffen voor explosiedoeleinden verbiedt. Collega Hoekema heeft al gerefereerd aan de Geneefse conferentie waar dat principebesluit is genomen. Ik wil de regering graag in die opvatting steunen, maar in artikel 8 van het verdrag wordt de mogelijkheid opengelaten dat bij een conferentie waar een herziening van het verdrag aan de orde is, het onderwerp nucleaire explosies voor vreedzame doeleinden weer wordt geagendeerd. Mijn vraag is: hoe verhoudt dit zich tot de zojuist genoemde onderhandelingen waarin men juist die productie van splijtstoffen voor explosiedoeleinden wil verbieden? Is dat misschien ook niet een voorbeeld in een verdrag waarvan je zou kunnen zeggen: als dat aan de orde is, dan komt dat erop neer dat zeker Nederland daartegen zal stemmen en dat daarmee die verdragswijziging in feite niet aan de orde zal kunnen zijn?

Voorzitter! Het verdrag wint aan geloofwaardigheid en betrouwbaarheid doordat het voorziet in een uitvoeringsorganisatie die in staat mag worden geacht om alle werkzaamheden die voortvloeien uit het verdrag ook adequaat uit te voeren. Maar het verdrag wint bovenal aan geloofwaardigheid, omdat er ook een uitgebreid verificatienetwerk wordt opgezet. Dat verificatienetwerk is echter nog niet helemaal gerealiseerd. In hoeverre kan Nederland daar op het gebied van technologie nog een bijdrage aan leveren? Uit de memorie van toelichting heb ik begrepen dat de netwerken voor infrageluid en hydroakoestische metingen nog voor het grootste deel moeten worden opgezet en dat de technologie voor een dergelijke verificatie nog verder ontwikkeld dient te worden. Wellicht kan de Nederlandse wetenschap of het bedrijfsleven hierbij betrokken worden.

Ik wil het volgende opmerken over de uitvoeringsorganisatie. Kan de regering aangeven welke landen namens West-Europa en Noord-Amerika in de uitvoerende raad zitting nemen? Is er binnen de westelijke groep al overeenstemming om tot een Beneluxzetel te komen? Het is denkbaar dat Nederland de komende jaren geen deel kan uitmaken van de uitvoerende raad, maar wellicht bestaat de mogelijkheid voor Nederland om andere posities binnen de uitvoeringsorganisatie te bekleden. Misschien kan de minister hier iets over zeggen?

Ik kom, evenals de heer Van Middelkoop, te spreken over de goedkeuringswet. De regering stelt dat voorstellen die volgens het verdrag via een zware procedure moeten worden aangenomen, aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. Dat lijkt mij evident. In de gevallen waarbij de regering zich onthoudt van stemming maar waarbij de wijziging toch wordt aanvaard, wordt geen parlementaire goedkeuring gevraagd. Er vindt echter wel vooroverleg plaats met de Kamer. Ook dat vind ik juist. Ik heb begrepen dat die parlementaire goedkeuring in feite niet nodig is, omdat de landen die zich onthouden van stemming, niet verplicht zijn om de verdragswijziging te ratificeren.

Er doet zich echter nog een derde mogelijkheid voor: dat Nederland tegenstemt. Dan vindt er geen vooroverleg plaats met de Kamer. Er komt dan ook geen verdragswijziging, want er moet unanimiteit zijn voor zo'n verdragswijziging. Ik kan mij voorstellen dat het grote politieke consequenties zou kunnen hebben als Nederland tegenstemt en daarmee in feite een verdragswijziging blokkeert. Ik spreek nu overigens even over een theoretische mogelijkheid, want ik kan mij niet voorstellen dat Nederland zo'n uitzonderingspositie inneemt dat het in z'n eentje een verdragswijziging tegenhoudt. Maar die situatie kan zich voordoen. Ik vraag derhalve aan de regering of het niet wenselijk is om ook in een dergelijke situatie vooroverleg met de Kamer te plegen.

Voorzitter! Ik wil ten slotte nog iets zeggen over de nationale wetgeving die voortvloeit uit het verdrag. Ook daaraan heeft collega Van Middelkoop gerefereerd. De regering zegt dat het toch nog enige tijd zal duren voordat het verdrag in werking treedt. Zij wil dan ook niet zo'n haast maken met de nationale wetgeving. Ik kan mij die praktische instelling voorstellen, maar zou het, gezien de prominente rol van Nederland in de onderhandelingen en gezien het feit dat Nederland een van de eerste landen was die het verdrag heeft ondertekend, ook geen goed voorbeeld zijn als Nederland die nationale wetgeving gaat voorbereiden? Is daar wellicht een tijdpad voor aan te geven?

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter! Het heeft toch altijd wat onwezenlijks om in een vrijwel lege zaal van de Tweede Kamer met een handjevol mensen, Kamerleden, ministers, ambtenaren en andere belangrijke personen, een discussie over een onderwerp als dit te voeren. Er waren ooit tijden dat de gemoederen heel wat meer verhit waren. Wat dat betreft is er natuurlijk winst geboekt de laatste jaren. Ik denk dat er nu veel bredere consensus is over het belang van een verdrag als dit. Aan de andere kant zijn er nog veel grote problemen: kernproeven door India en Pakistan, een instabiel Rusland met een gigantische kernwapenvoorraad en de Verenigde Staten met een kernwapenprogramma dat nog tot in het jaar 2065 lijkt door te gaan, zo blijkt uit een missie van Amerikaanse bisschoppen lazen wij in Trouw. Dan denk je toch dat wij nog lang niet klaar zijn met dit vraagstuk. Wat meer maatschappelijke beroering zou best op z'n plaats zijn.

Wij bespreken nu het kernstopverdrag. In ieder geval hulde voor de rol die Nederland gespeeld heeft in het tot stand komen van dit verdrag. Dat is zeker een belangrijke stap geweest. Ik wil de minister, net als anderen, vragen om ons te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de ondertekening van het kernstopverdrag. Is het inderdaad zo dat India nu bereid is tot ondertekening? Betekent het dat Pakistan dat ook zal gaan doen? Hoe is de situatie in de Verenigde Staten? Ik heb in ieder geval berichten gehoord dat het congres absoluut niet staat te trappelen om dit verdrag te ondertekenen, alhoewel er belangrijke concessies zijn gedaan in de richting van de Verenigde Staten.

Het kernstopverdrag dat wij vandaag bespreken, is een stap in de goede richting, maar het is niet de stap waarvan wij ooit gehoopt hadden dat die zou worden gedaan. Oorspronkelijk hadden wij te maken met een verdrag dat de bedoeling had om alle proeven te stoppen, daarmee ook technologische vernieuwing en wapenwedloop, en om uiteindelijk te komen tot een totale vernietiging van alle kernwapens. Nu zien wij een verdrag dat wel voor de eerste stap, het stoppen van alle proeven, het een en ander regelt, maar die laatste stap, een totale ontwapening, lijkt ver uit beeld geraakt. De Verenigde Staten propageert dit verdrag ook vooral als een non-proliferatieverdrag. Dat is op zichzelf ook belangrijk, maar ik denk dat wij de stappen die verder gezet moeten worden in de richting van een uiteindelijke totale ontwapening, beslist niet uit het oog mogen verliezen. Is de regering met mij van mening dat de uiteindelijke totale kernontwapening in beeld moet blijven en wil zij zich inzetten om met andere landen, wellicht via een programma van vele jaren, verder na te denken over de manier waarop wij daar kunnen komen?

Ik zei het al, het is belangrijk dat dit verdrag er ligt en dat Nederland het gaat tekenen. Daar zal mijn fractie ongetwijfeld ook voorstemmen, maar er is natuurlijk nog een aantal problemen, die ook door andere fracties zijn genoemd. Het feit dat het bij dit verdrag mogelijk blijft om testexplosies die zijn weggevallen te vervangen door computersimulaties in combinatie met subkritische kernproeven, zie ik als een groot probleem. Het blijkt dat zeker de Verenigde Staten dit wil gaan gebruiken, niet alleen om verouderde kernwapens te testen, maar ook aangepaste en wellicht zelfs nieuwe kernwapens. Dit past ook in hun programma dat – ik zei het net al – tot ver in de volgende eeuw door gaat lopen. De Verenigde Staten wil via het Stockpile stewardship management program de testmogelijkheden regelen. Dat is niet zomaar een programma, dat is een programma waarvoor de komende twaalf jaar 50 mld. dollar wordt gereserveerd en dat is niet niets.

Er lijkt daar niet bepaald sprake te zijn van afbouw van een kernwapenprogramma. Het blijft gewoon een belangrijke hoeksteen in het veiligheidsconcept. Ook lijkt er geen sprake meer te zijn van vernietiging van overbodige kernkoppen na de Koude Oorlog. Bart van der Sijde, wel bekend in deze Kamer, heeft volgens informatie van de Amerikaanse overheid berekend dat er in de Verenigde Staten, zelfs na uitvoering van START-1 en 2, nog 10.000 kernwapens zullen zijn voor vrijwel direct gebruik en 5000 half ontmantelde. Ook aan Russische zijde zullen die aantallen nog aanwezig zijn. Kortom, de dreiging van een kernoorlog blijft onverminderd aanwezig.

Ook is een probleem de vage grens tussen wat qua kernwapens oud is en wat nieuw. Het zal moeilijk zijn om vast te stellen of het bij het vervangen van kernwapens gaat om kleine of grotere verschillen of zelfs het testen van geheel nieuwe kernwapens. De Verenigde Staten lijken zelfs bezig te zijn met het ontwikkelen van nieuwe kernwapens. Wat dat betreft, regelt dit verdrag niet voldoende. Ik sluit mij graag aan bij de vraag van anderen of het niet nodig is om ook een verbod op computersimulaties en subkritische proeven in een verdrag te regelen en in ieder geval in een volgende stap te realiseren. Is de minister bereid om juist ten aanzien van de Verenigde Staten die zich op deze manier opstellen en blijkbaar doorgaan met hun kernwapenprogramma, een kritische houding aan te nemen en zijn zorgen op dit punt duidelijk over te brengen? Ik denk dat hij zich dan in het goede gezelschap zou bevinden van mensen als generaal Butler, Robert McNamara en de heer Graham, de voormalige vertegenwoordiger van de Verenigde Staten bij het non-proliferatieverdrag, die zich zeer ernstige zorgen maakt over deze ontwikkelingen in de Verenigde Staten. Ik zou de minister ook willen vragen of hij zich ervoor wil inzetten dat bij de volgende besprekingen ook aan de orde komen suggesties uit het Canberra-rapport, zoals de afschaffing van de laatste restanten van de tactische kernwapens, het opstarten van een no first use-verdrag, het uit de alarmfase halen van wapens en de fysieke scheiding van kernkoppen en raketten.

Dat zou van groot belang zijn. Immers, ook in Europa en zeker ook in Rusland zijn nog kernkoppen aanwezig. En Rusland is een instabiel land, waardoor het gevaar niet denkbeeldig is dat er eens iets misgaat. Wil de NAVO er echt iets aan doen, dan zal zij ook een gebaar moeten maken om te proberen landen als Rusland, maar uiteraard ook India en Pakistan, zover te krijgen dat zij echt stappen zetten om te stoppen met het verder ontwikkelen van kernwapens en het doen van kernproeven. Is de minister bereid zich in de NAVO in te zetten om te bereiken dat de NAVO bereidheid uitspreekt om de laatste 200 Amerikaanse tactische kernwapens uit Europa terug te trekken en een begin te maken met een kernwapenvrije zone in Europa? Landen op het zuidelijk halfrond dringen er juist bij landen op het noordelijk halfrond op aan om een begin te maken met kernwapenvrije zones. Ik denk dat een dergelijk gebaar van de NAVO ook de Russische terughoudendheid inzake het verminderen van kernwapens en het verder ratificeren van START-2 zou kunnen verkleinen.

De vergadering wordt van 20.45 uur tot 20.50 uur geschorst.

Minister Van Aartsen:

Voorzitter! Er is door de Kamer dank uitgesproken aan het adres van de heer Ramaker, zijn ploeg en alle experts en onderzoekers die erbij en erachter hebben gezeten voor het vele werk dat zij hebben verricht in het midden van de jaren negentig om dit verdrag tot stand te brengen. Ik denk dat terecht van de kant van de Kamer die dank is uitgesproken. Ik zal deze dank graag overbrengen.

Mijns inziens is het goed, in de gaten te houden dat wij te maken hebben met een verdrag dat kernproeven verbiedt, maar nog geen echt kernontwapeningsverdrag is. Zo nu en dan ontstaat het gevoelen hier en daar dat het wel zo is. Het is een stap, maar dan wel een heel belangrijke stap op weg naar algehele kernontwapening. Ik geloof dat de heer Van Middelkoop ACDA-directeur John Holum aanhaalde. Hij heeft in die termen over dit verdrag gesproken. Het is echter niet het eind. Je moet er met fors wat idealisme aan blijven werken, maar je moet – en wat dit betreft ben ik het eens met de kanttekeningen die de heer Van den Doel maakte – wel reëel blijven in dit hele proces.

Wij moeten voort op dit gebied. Een van de terreinen waarop wij voort moeten en waarover ik straks nog iets meer zal zeggen, is de stopzetting van de productie van splijtstoffen voor ontploffingsdoeleinden. Dat is in wezen het volgende element dat je nodig hebt op weg naar een wereld waarin deze wapens geen rol meer spelen. Wat dit betreft deel ik volledig het idealisme dat volgens mij van links tot rechts in deze Kamer leeft. Dat is ook de geestesgesteldheid waarmee de regering in de komende jaren aan dit geheel zal arbeiden. Helaas kan ik de Kamer – en wat dit aangaat, moet ik de heer Hoekema teleurstellen – op dit moment nog geen vergezicht geven. Het is in elk geval nodig met noeste arbeid verder te gaan, want wij zijn er nog niet.

Terecht is door de Kamer gevraagd: wat is de stand van zaken ten aanzien van de inwerkingtreding van het verdrag? Zoals bekend, treedt het verdrag in werking 180 dagen nadat alle landen uit de groep van 44 hun akte van bekrachtiging hebben neergelegd bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Op 18 augustus jl. hadden 150 landen het CTBT ondertekend, waaronder alle landen uit de groep van 44, met uitzondering van het bekende drietal: India, Noord-Korea en Pakistan. Van de EU-partners ratificeerden inmiddels al Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, Spanje en het Verenigd Koninkrijk het verdrag. Er zijn in totaal, zeg ik naar aanleiding van een vraag van de heer Apostolou, 17 ratificaties gerealiseerd en 9 daarvan betreffen de landen die tot de groep van 44 behoren en die met name worden genoemd als nodig voor de inwerkingtreding van het verdrag.

Alle woordvoerders, de heer Hoekema, mevrouw Van Ardenne, de heer Apostolou, mevrouw Vos, de heren Van den Doel en Van Middelkoop, hebben gevraagd naar de situatie ten aanzien van India en Pakistan. De recente kernproeven hebben, hoe merkwaardig het ook klinkt, een zekere positieve 'fall-out' gehad, ten gevolge waarvan de inwerkingtreding zou kunnen worden bespoedigd. Het is een merkwaardige paradox maar die doet zich waarschijnlijk toch voor. Op 23 september verklaarde Pakistan in de Algemene Vergadering bereid te zijn voor september 1999 tot het verdrag toe te treden, onder de voorwaarde dat de sancties tegen dat land zouden worden opgeheven. India heeft in wezen ook meegedeeld bereid te zijn om mee te werken aan een spoedige inwerkingtreding van het CTBT.

Misschien is het goed om op de posities van die twee landen wat dieper in te gaan, met name naar aanleiding van de vraag van de heer Hoekema op dat punt. Pakistan verklaarde dat alle staten met nucleaire capaciteit het kernstopverdrag moeten hebben bekrachtigd alvorens het in werking treedt. Dat is een van de elementen die zijn genoemd. Pakistan is bereid om het CTBT te ratificeren vóór de conferentie waarvan sprake is in artikel 14. In de wandeling heet dat ook de 'artikel 14-conferentie'. Maar Pakistan heeft daarbij laten weten dat zij meent dat er geen druk of dwang op Pakistan moet worden uitgeoefend. In dit verband verwacht Pakistan dat de arbitraire beperkingen die het land zijn opgelegd in de multilaterale instituties, zoals het IMF, snel zullen worden verwijderd. Pakistan verwacht ook dat de discriminerende sancties tegen het land zullen worden opgeheven. En men verwacht – hier sprak de heer Hoekema ook over – van de wereldgemeenschap ook steun bij het zoeken naar een rechtvaardige oplossing voor de kwestie Kasjmir. Ik geloof dat de terminologie waarin vorige week gesproken is, 'onverkorte steun' was. Ik denk dat het goed is dat ook de Nederlandse regering zich rekenschap geeft van dat feit en dat zij nog eens beziet hoe en op welk moment er weer wat beweging in die vastgelopen affaire kan komen.

India heeft, uiteraard ook duidend op de genomen kernproeven, gezegd dat het land zijn nationale veiligheidsverplichtingen heeft geharmoniseerd en dat het verder wenst samen te werken met de internationale gemeenschap. India is in gesprek met belangrijke gesprekspartners over een reeks van kwesties, waaronder het CTBT. India is, zoals vorige week is gezegd, bereid om die gesprekken tot een succesvol einde te brengen, zodat de werking van het verdrag niet tot na september 1999 wordt vertraagd. India verwacht dat de andere landen waarvan ratificatie van het verdrag een voorwaarde is voor inwerkingtreding, het verdrag ook zullen bekrachtigen zonder voorwaarden. Dat kan natuurlijk niet anders verstaan worden als een vingerwijzing in de richting van Pakistan.

Ik denk dat geconcludeerd kan worden dat het perspectief op de ondertekening en de goedkeuring door India en Pakistan door deze verklaring in de vorige week, is verbeterd. Goedkeuring in andere kernwapenstaten, waar de heer Van Middelkoop en mevrouw Vos naar hebben gevraagd, zoals China, Rusland en de VS is niet op korte termijn te verwachten. China neemt, mede na de kernproeven van India, een afwachtende houding aan. De Russische regering zal, naar wij voorzien, het ratificatievoorstel van het verdrag niet op afzienbare termijn bij de Doema indienen. Dat heeft mede iets te maken met de politieke problemen in de Russische Federatie. Het is natuurlijk niet uitgesloten dat op het moment dat er weer een volwaardige Russische regering zit en de wat langgerekte kabinetsformatie is afgelopen, er mogelijk enige vaart in de zaak komt, mede in het licht van wat er rondom India en Pakistan gebeurt. De Verenigde Staten spelen daarbij echter ook een rol, want de Russische Federatie zal niet ratificeren zolang de Verenigde Staten dat nog niet hebben gedaan.

In de Verenigde Staten is de goedkeuring nog niet op de agenda van het Senate Foreign Relations Committee geplaatst. Dat is het allerlaatste bericht wat ik daarover vanmiddag heb gekregen en geverifieerd heb. De ratificatie kan dus pas aan de orde komen in een volgend congres. Als de Russische Federatie blijft bij haar standpunt, verhindert dat in wezen ook een spoedige voortgang in de Russische Federatie.

Van het nog niet in werking getreden verdrag – en ik denk dat dit een belangrijk punt is, voorzitter – gaat echter wél een belangrijk normstellend karakter uit. Ook dat bleek uit de reacties op de kernproeven van India en Pakistan. Die hebben weer aanleiding gegeven tot activiteiten die er uiteindelijk toe kunnen leiden dat India en Pakistan gewoon aan het verdrag gaan meedoen.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Kan de minister iets meer zeggen over de achtergronden van het feit dat in de VS die ratificatie nog een tijd op zich zal laten wachten? Is dat omdat er daar nog veel weerstanden bestaan tegen ratificatie, of zijn er andere oorzaken aan te wijzen?

Minister Van Aartsen:

Ik moet heel voorzichtig zijn. Het enige wat ik op dit moment weet, is dat er in het congres nogal wat weerstand tegen dit verdrag bestaat. Dat is vanaf het begin het geval geweest. Die weerstand is nog niet werkelijk overwonnen. In het gesprek dat ik in oktober of begin november met de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken zal hebben, zal ik wat dit betreft een beroep op haar doen, alhoewel het congres in dezen een belangrijke leidende functie heeft. Het is misschien toch goed dat ook van de zijde van de Nederlandse regering – uw Kamer heeft dit ook gevraagd – duidelijk gemaakt wordt dat de Nederlandse regering graag zou zien dat de Verenigde Staten zich voegen in de reeks van landen die het verdrag nu gaan ratificeren. Dat is het enige beeld dat ik op dit moment hierover kan schetsen. Zou u daarover meer informatie willen hebben, dan kan ik u die uiteraard doen toekomen. Ik geloof dat hetgeen ik nu weergeef, in wezen de kern van het probleem vormt.

Om dit niet helemaal in mineur te laten eindigen, voorzitter, wijs ik nogmaals op het normstellend karakter en het normstellend kader van het verdrag. Het maakt ook duidelijk dat je soms met kleine stappen een eind vooruit kunt komen. Nederland zal zich zijnerzijds ook inspannen om India en Pakistan tot ondertekening en goedkeuring te bewegen. Ik denk dat wij verder zullen moeten bezien in hoeverre er in EU-kader kan worden gestreefd naar duidelijke interventies op dit gebied, teneinde India en Pakistan nog een extra zet te geven ten opzichte van de verklaringen die in de Algemene Vergadering zijn afgelegd.

De heer Apostolou en mevrouw Van Ardenne hebben gezegd dat het NPV de hoeksteen is van het Nederlandse non-proliferatiebeleid. Zij koppelden daaraan de vraag of het niet verstandig zou zijn als ook India en Pakistan zouden toetreden tot het NPV. Toetreding van die beide landen als kernwapenstaat – dat zijn ze op dit moment – tot het non-proliferatieverdrag is echter onmogelijk. In dit verband – ik heb dat aan het begin van mijn betoog ook al aangegeven – is toetreding van India en Pakistan tot het verdrag waar wij nu over spreken, een stap in de goede richting. En dat houdt vervolgens het perspectief van toetreding tot het NPV volledig open. Daar zullen wij uiteindelijk naar toe moeten. Onder de huidige verhoudingen en met de kaarten zoals die nu liggen, behoort toetreding van die beide landen als kernwapenstaat niet tot de mogelijkheden.

De heer Apostolou (PvdA):

Voorzitter! Dat betekent dat als India en Pakistan het onderhavige verdrag ondertekenen, dan de weg open is naar het non-proliferatieverdrag. De minister zegt nu dat Nederland en de Europese Unie die lijn ondersteunen. Ik wil weten of het dan alsnog onmogelijk kan blijken te zijn dat die landen toetreden tot het NPV.

Minister Van Aartsen:

Die landen zijn op dit moment kernwapenstaat en dus kunnen zij niet toetreden. Het verdrag waar wij het nu over hebben, verbiedt kernproeven, maar gaat nog niet in de richting van een werkelijk kernontwapeningsverdrag. Als India en Pakistan dit ondertekenen, is dat een belangrijke stap in de goede richting. Het is evenwel een eerste stap die in dit kader gezet zal moeten worden. Die stap moet ook door beide landen worden gezet om hen rijp te maken voor de volgende fase. Daaraan zijn wij op dit moment echter nog niet toe.

Mevrouw Van Ardenne heeft gevraagd hoe het komt dat wij enige hoop hadden dat de beide landen zouden kunnen toetreden. Nederland had de indruk gekregen dat beide landen door de voortgaande druk uiteindelijk wel zouden moeten verklaren dat zij zouden toetreden. Zo heeft bijvoorbeeld ook Zuid-Afrika zijn kernwapenprogramma opgegeven. Dat zijn van die ontwikkelingen die uiterst positief zijn.

De heer Apostolou (PvdA):

Voorzitter! Ik wil nog even terugkomen op het vorige punt. Ik kan de redenering volgen: als India en Pakistan het onderhavige verdrag ondertekenen, is het mogelijk om te praten over toetreding tot het non-proliferatieverdrag. De minister zei dat hier op dit moment nog niet echt iets over gezegd kan worden, omdat die tijd nog niet aangebroken is. Als India en Pakistan evenwel zeggen dat zij partij willen worden bij het non-proliferatieverdrag, wat zegt Nederland dan?

Minister Van Aartsen:

Als zij dat zouden zeggen, dan zou dat natuurlijk een fantastische ontwikkeling zijn.

Mevrouw Van Ardenne-van der Hoeven (CDA):

Het zit natuurlijk toch wat ingewikkelder in elkaar. Nederland kan dit wenselijk vinden, wat in feite is wat de vorige minister van Buitenlandse Zaken heeft gezegd. Hij vond dat een dialoog moet worden gestart, opdat beide landen in een of andere vorm kunnen toetreden. Maar in feite zouden zij dan moeten toetreden als niet-kernwapenstaat. Vervolgens zouden de kernwapens worden ondergebracht in het verdrag. Acht de minister dat een begaanbaar pad? Het hangt in feite niet zozeer af van Nederland, als wel veel meer van de overige kernwapenstaten die lid zijn van het NPV. Hoe schat de minister in dat zij deze weg op zouden willen gaan?

Minister Van Aartsen:

Het is heel moeilijk voor mij om daarop nu à bout portant een antwoord te geven. Dat behoort haast tot de onmogelijkheden. Op dit moment zijn wij absoluut niet aangeland in dat stadium. Het eerste wat wij nu mogen hopen, is dat na de kernproeven die zij hebben genomen en na de redes die vorige week zijn gehouden in de Algemene Vergadering, daadwerkelijk de methodiek in gang wordt gezet om dit verdrag te gaan ratificeren. Ik heb daar redelijke hoop op, vooral ook omdat zij liever geen artikel 14-conferentie hebben. Maar over de vraag hoe, in welk tempo en óf beide landen vervolgens bereid zijn hun kernwapenarsenalen werkelijk te ontmantelen, valt mijnerzijds op deze avond heel weinig te zeggen. Het enige dat ik daarvan kan zeggen, is dat dit een stap in de goede richting is. Natuurlijk zou het een fantastische ontwikkeling zijn als er daarna iets volgt, maar dat hangt uiteraard af van overige internationale ontwikkelingen. Dat hangt bijvoorbeeld af van het vinden van een oplossing voor het probleem dat nog steeds tussen deze twee landen bestaat.

De heer Hoekema (D66):

Het punt van mevrouw Van Ardenne doortrekkend: de minister moet heel scherp zijn in zijn zienswijze op dit punt. Of India en Pakistan treden als niet-kernwapenstaat toe tot het NPV, zoals Zuid-Afrika, of je gaat het NPV wijzigen en het aantal kernwapenstaten dat gelegitimeerd is in dat verdrag, uitbreiden. Ik zou hopen dat het Zuid-Afrikaanse model voor India en Pakistan openstaat, maar dat zal waarachtig niet zo gemakkelijk zijn. Wat dat betreft moeten wij aan India en Pakistan niet de illusie geven dat, nu zij mogelijkerwijs toetreden tot het kernstopverdrag, daarmee automatisch voor ons de weg vrij zou zijn om ze binnen het NPV te halen. Nee, zij moeten heel precies toetreden als niet-kernwapenstaat, met alle verificatie van dien.

Minister Van Aartsen:

Dat is geheel juist. Ik geloof dat dat het betoog was wat ik op dit punt hield, het idealisme op dit punt van de geachte afgevaardigde volstrekt delend.

Voorzitter! De heer Apostolou en mevrouw Vos hebben gesproken over het Stockpile stewardship management program, en de problematiek van de subkritische kernproeven. De achtergrond van dit program is dat zolang dit type kernwapens bestaat, het van het allergrootste belang is dat de landen die erover beschikken, ook beschikken over adequate middelen om een zo veilig mogelijk beheer van hun arsenalen mogelijk te maken. Hoe merkwaardig het ook klinkt, maar deze arsenalen moeten wel onderhouden worden, anders kunnen er grote ongelukken gebeuren.

Over de subkritische proeven het volgende. Behalve informatie in de pers over mogelijk door de Verenigde Staten te ondernemen subkritische kernproeven, heeft de regering daarover geen nadere informatie. Evenmin is bij ons de technische kennis aanwezig om te bepalen of dergelijke proeven nodig zijn om bestaande kernwapens veilig en betrouwbaar te houden. Voorzover subkritische proeven de betrouwbaarheid en veiligheid van kernwapens zouden helpen garanderen, zouden dergelijke proeven ook niet indruisen tegen de geest van het verdrag.

De heren Apostolou en Hoekema hebben gevraagd naar het verificatienetwerk. Het seismisch gedeelte daarvan is grotendeels klaar. Nederland levert een deskundige bijdrage in de vorm van een medewerker van het KNMI. De overige technieken moeten over een aantal jaren gereed zijn, maar dat is afhankelijk van financiering door de Prepcom in Wenen. Hoe meer geld, hoe sneller het gaat. Bij de inwerkingtreding van het CTBT gaat een en ander echt werken. Nederland tracht actief te bevorderen dat het verificatienetwerk zo spoedig mogelijk operationeel wordt. Wij zullen de volgens de contributieschaal berekende bedragen ook tijdig ter beschikking stellen, zodat er aan onze kant ook op financieel gebied alles aan is gedaan om het verificatienetwerk ten spoedigste in werking te laten treden.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter! Een vraag over het Stockpile stewardship management program. De minister zegt dat dit nodig is om wapens te kunnen testen. De middelen voor dit programma zijn echter zodanig ruim dat je je kunt afvragen of dat wel nodig is. In die zin is het programma erg fors opgetuigd. Daarmee is het gevaar aanwezig dat niet slechts bestaande wapens worden getest, maar wel degelijk ook nieuwe en aangepaste versies. Gaat dat niet wat verder dan de geest van het verdrag?

Minister Van Aartsen:

Het gaat inderdaad om een miljardenproject. Voorzover ons bekend is, ontwikkelen de VS echter geen nieuwe kernwapens via dit program. Om de Kamer wat dat betreft volledig in te lichten, merk ik wel op dat het omhulsel van een bestaand type vrijevalbom, de B-61, recent is aangepast om dieper te kunnen penetreren in een harde ondergrond. Dat is de enige nieuwe ontwikkeling waarvan wij op de hoogte zijn. Er is geen sprake van het ontwikkelen van geheel nieuwe kernwapens via dit program.

De heer Van den Doel (VVD):

Voorzitter! De minister refereert aan het verificatienetwerk. Een gedeelte daarvan, betrekking hebbend op infrageluid en hydroakoestische metingen, moet nog van de grond worden getild. In hoeverre wordt er, behalve die ene wetenschapper, vanuit het Nederlandse bedrijfsleven en de Nederlandse wetenschap een bijdrage geleverd? Wordt dit overgelaten aan de uitvoeringsorganisatie? Participeert Nederland daar actief in, of staan wij aan de zijlijn op dat punt?

Minister Van Aartsen:

Er zijn over de verdeling van de posten afspraken gemaakt, bijvoorbeeld over de verdeling van de westerse zetels in de uitvoerende raad. Daarbij komt ook de mogelijkheid aan de orde van een Beneluxzetel. Van een finalisering van die afspraken is nog geen sprake. Wij streven inderdaad naar een Beneluxzetel in deze raad. De heer Van den Doel heeft een vraag gesteld over mogelijkheden in dit kader voor het Nederlandse bedrijfsleven. Volgens de voorschriften worden alle aanschaffingen door het voorlopig technisch secretariaat getenderd. Het Nederlandse bedrijfsleven kan op dergelijke tenders inschrijven. Overigens heeft er geen Nederlands bedrijf op een recente in Wenen uitgebrachte grote tender voor het communicatiesysteem van het PTS ingeschreven, wat jammer is. Het ligt minder voor de hand dat Nederlandse bedrijven betrokken zullen zijn bij de opbouw van het verificatienetwerk. Nederland heeft weinig of geen expertise bij het opzetten van de hardware van dat netwerk.

Voorzitter! De heren Hoekema en Apostolou hebben gevraagd naar het initiatief van de groep van acht, onder verwijzing naar wat de president van Zuid-Afrika daarover vorige week in New York heeft gezegd. Ook dit thema is al eerder in de Kamer aan de orde geweest. Mijn ambtsvoorganger heeft hierover ook al de nodige opmerkingen gemaakt. De Nederlandse regering heeft zeer veel sympathie voor de verklaring van de groep van acht, de ministers van buitenlandse zaken van Brazilië, Egypte, Ierland, Mexico, Nieuw-Zeeland, Slowenië, Zuid-Afrika en Zweden, op 9 juni jl. De ultieme doelstelling van een algehele uitbanning van kernwapens wordt ook door de Nederlandse regering onderschreven. Ik herinnerde er al aan bij het begin van mijn betoog. Het probleem is alleen dat – en ik kom dan op hetzelfde punt waar mijn ambtsvoorganger ook al heeft gestaan; de heer Hoekema herinnerde daar al aan – niet alle aanbevelingen uit deze verklaring zich verdragen met de nucleaire strategie van de NAVO. Het gaat hier met name om de aanbeveling dat alle niet-strategische kernwapens door de kernwapenstaten zouden moeten worden teruggetrokken. Een repatriëring van Amerikaanse kernwapens uit Europa is naar de mening van de regering op dit moment niet in het belang van de nationale en regionale veiligheid. Men zou kunnen zeggen: zou dit punt dan ook niet bij de onderhandelingen over het strategisch concept aan de orde kunnen zijn? Ik verwacht niet dat dat het geval zal zijn, want het kernwapenbeleid van de NAVO is 'the weapon of last resort'. Volledige afschaffing is ook niet aan de orde in het kader van wat er in de wereld overigens gebeurt. Denkt u maar aan ontwikkelingen in Irak, Libië en Noord-Korea. Tevens speelt daar ook het vraagstuk van een gelijke lastenverdeling tussen de landen van West-Europa en – straks met de uitbreiding – een aantal andere landen en de Verenigde Staten.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter! De minister zegt dat wij er geen baat bij hebben als de Amerikaanse kernwapens uit Europa worden teruggetrokken. Als hij het echter bekijkt vanuit het perspectief dat het wellicht de onderhandelingen met Rusland over snellere en verdergaande ontwapening op het gebied van kernwapens zou kunnen versnellen, dan zou het juist onze veiligheid kunnen vergroten. Ziet de regering dat niet als een breekijzer om een stap verder te komen met de Russische Federatie?

Minister Van Aartsen:

Op dit moment niet, voorzitter! Ik denk dat er met de Russische Federatie een aantal andere thema's op kortere termijn spelen, zoals het zetten van een stap in het kader van dit verdrag. Bovendien blijft uiteindelijk ook nog het belangrijke element dat er voor de NAVO en het bondgenootschap sprake moet zijn van het laten werken van het afschrikkingselement. Ik wees al op ontwikkelingen in een aantal landen die op een heel andere manier in de wereld staan dan Nederland, zoals Irak, Libië en Noord-Korea. Deze landen tonen zich actief in de richting van de aanschaf van massavernietigingswapens. De NAVO moet dus uiteindelijk dat afschrikkingswapen hebben, waarbij een gelijke lastenverdeling speelt over het totale bondgenootschap. Op dit moment heeft dat voor de Nederlandse regering geen prioriteit.

Voorzitter! De heer Apostolou heeft geïnformeerd naar de exportcontroles. Deze vormen een belangrijk middel om de naleving van het NPV te helpen waarborgen. Zolang landen toch gevoelig materiaal blijven leveren, blijft het risico bestaan. De Nuclear Suppliers Group is in de ogen van de regering op dit punt succesvol. Levering van kerncentrales valt bijvoorbeeld onder de exportcontroles.

Verdergaande onderhandelingen in Genève op het gebied van de ontwapeningsconferentie is een andere vraag van de geachte afgevaardigde. Volgend jaar is het de bedoeling dat wordt begonnen met onderhandelingen over de stopzetting van de productie van splijtstoffen. Ik noemde de stap die moet worden gezet in het begin van mijn betoog al een volgende stap op weg naar het uiteindelijke doel dat wij allen koesteren – het verdrag bouwt in wezen voort op het verdrag waarover wij vanavond spreken – namelijk verdere bevordering van kernontwapening en non-proliferatie. Zo wordt via een aantal stappen verdergegaan in de richting die wij allen wensen te gaan, waarbij ik denk aan het CTBT, aan dit 'cut-off'-verdrag, zoals het in de wandelgangen van de techniek heet, en aan de hulp aan de Russische Federatie bij de vernietiging van kernwapens en chemische wapens.

De heer Van Middelkoop heeft geïnformeerd naar de positie van Israël ten aanzien van dit verdrag. Israël heeft de oprichting van een onderhandelingscommissie in dit kader niet in de weg gestaan, maar wilde niet prejudiciëren op de inhoudelijke opstelling die het uiteindelijk zal kiezen in de onderhandelingen. Er is in ieder geval een blokkade verdwenen.

Mevrouw Van Ardenne heeft gevraagd naar de kernwapenvrije zones. In wezen zijn er in de wereld gelukkig al een aantal kernwapenvrije zones: in Latijns-Amerika, Afrika, Zuidoost-Azië en een deel van het Pacificgebied. Nederland is uiteraard voorstander van meer kernwapenvrije zones, maar dan aan te gaan op vrijwillige basis. Zojuist verwees ik al naar de positie van de NAVO.

De heer Van Middelkoop heeft gewezen op de sancties bij verdragsovertreding. Artikel 5 kent een aantal mogelijkheden ter rechtzetting van verdragschendingen. Bij overtreding van de verplichting om geen kernproeven uit te voeren, kan inderdaad de conferentie van verdragspartijen collectieve maatregelen aan de lidstaten aanbevelen, maar in dat geval kan de zaak ook aan de VN zelf worden voorgelegd, waarbij in eerste instantie natuurlijk ook aan de Veiligheidsraad wordt gedacht. De heer Van Middelkoop heeft gevraagd wat Nederland doet aan de verdere uitvoeringswetgeving. Hij heeft gevraagd of er sprake zal zijn van het tot stand brengen van een kaderwet die ook de grondslag zal moeten bieden voor de uitvoering van het kernstopverdrag. Er is een dergelijke kaderwet in de maak. De verwachting is dat deze wet nog deze herfst naar de Raad van State kan gaan, zodat zij, indien de Raad van State spoedig adviseert, begin volgend jaar bij de Kamer kan zijn.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Ik kwam op de notie van zo'n kaderwet omdat ik van de week toevallig zag – wij moeten nu de inbreng leveren voor het antipersoneelmijnenverdrag – dat kennelijk aan zo'n kaderwet wordt gewerkt. Is die kaderwetgeving zowel bedoeld voor dat verdrag als voor het onderhavige verdrag en wellicht nog voor andere verdragen?

Minister Van Aartsen:

Zij levert een soort paraplu voor dit verdrag en het verdrag dat de heer Van Middelkoop zojuist noemde.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Ik neem aan dat de minister van Justitie daarvoor de eerstverantwoordelijke is. Ik vraag dat voor de volledigheid, want dan merken wij er waarschijnlijk wat minder van. Ik beveel dat overigens niet aan.

Minister Van Aartsen:

Wij zijn dat beiden. In dit verband zou ik het niet geheel logisch vinden dat slechts de minister van Justitie hiervoor verantwoordelijk is. Zoals bekend, is de regering één. Het is wel de bedoeling om een paraplukaderwetgeving tot stand te brengen. Ik hoop dat de wet volgend jaar bij de Kamer kan worden ingediend.

Voorzitter! De heren Van den Doel en Van Middelkoop hebben een heel ingewikkelde vraag gesteld. De heer Van Middelkoop had de neiging om te zeggen dat daar geen antwoord op hoefde te volgen, maar de heer Van den Doel heeft mij wat dat betreft iets strenger toegesproken. Het gaat om de problematiek van de verdragswijziging van artikel 8. Ik meen dat het volgende punt voor de Kamer het belangrijkst is. Als Nederland zich bij een wijzigingsvoorstel van stemming onthoudt, hoeft het de wijziging vervolgens niet te ratificeren. Die wijziging wordt dan beschouwd als wetgeving door een internationale organisatie conform artikel 92 van de Grondwet. Omdat het parlement zich in een dergelijke situatie niet achteraf kan uitspreken over een verdragswijziging, lijkt het mij in de rede te liggen dat het parlement in dat geval vooraf wordt geraadpleegd. Het ligt ook in de rede dat het parlement vooraf wordt geraadpleegd als Nederland zich bijvoorbeeld als enige staat zou verzetten tegen een verdragswijziging. Dit is echter allemaal theorie. Naar ik meen, was dat vooral de zorg van de geachte afgevaardigde de heer Van den Doel. Het is natuurlijk evident. In zo'n geval zou het verdrag sneuvelen op basis van een Nederlandse tegenstem.

Ik meen hiermee de vragen van de Kamer te hebben beantwoord.

De heer Apostolou (PvdA):

Voorzitter! Ik dank de minister voor zijn antwoorden. Het spreekt mij aan dat hij heeft gezegd dat de regering zich laat leiden door idealisme bij dit onderwerp, maar dat tegelijkertijd realisme en pragmatisme is geboden. Als je op dit terrein geen idealisme hebt, kom je geen stap verder, denk ik.

Ik schrok een beetje van het beeld dat de minister gaf van de ratificatie van dit verdrag. Het is bedroevend om te zien hoe weinig landen dit verdrag hebben geratificeerd, en dat grote landen zoals Rusland en de Verenigde Staten zo afhoudend zijn om hiermee aan het werk te gaan. Het is goed dat de minister zegt dat hij hierover zal spreken met de minister van buitenlandse zaken van de Verenigde Staten en de gevoelens van de Kamer over zal brengen.

In het rijtje van landen die het verdrag hebben geratificeerd, hoorde ik ook Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, dus belangrijke landen van de Europese Unie. Welke pressie zou er nog meer uitgeoefend kunnen worden bij de bondgenoot Verenigde Staten om hiermee serieuzer aan de gang te gaan? Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk zijn ook kernwapenstaten, maar zij hebben dat wel geratificeerd, dus waarom zou de bondgenoot Verenigde Staten dat niet kunnen doen?

De heer Van Middelkoop (GPV):

Zou het niet verstandig zijn om eerst zelf te ratificeren, voordat wij naar de Verenigde Staten en anderen lopen? Wij hebben ook nog niet geratificeerd.

De heer Apostolou (PvdA):

Ik neem aan dat na vanavond overduidelijk is dat deze Kamer het verdrag zal ratificeren. Vanuit die veronderstelling maak ik deze opmerking.

De voorzitter:

Ik denk dat het mijn taak is om u ook te wijzen op het bestaan van de Eerste Kamer.

De heer Apostolou (PvdA):

Ik neem aan dat het daar ook geratificeerd zal worden. Ik kan mij niet voorstellen dat Nederland een negatief signaal zou geven in dezen. Formeel zijn wij nog niet zover, maar ik maak deze opmerking vanuit die veronderstelling. Wanneer wij het proces hebben voltooid en hebben geratificeerd, hebben wij inderdaad veel meer recht van spreken.

Ik begrijp wel dat de minister vanavond geen afgerond antwoord kan geven over India en Pakistan, want dat vind ik ook een moeilijk punt. Ik heb dit aangekaart, omdat in mijn fractie nog geen duidelijkheid is over onze houding, wanneer India en Pakistan zeggen dat zij heel graag partij willen worden van het non-proliferatieverdrag en willen toetreden. Ik weet niet onder welke condities zij dat doen, maar wij moeten voorbereid zijn op zo'n aanbod. Het zou jammer zijn, als zij wel zouden mogen toetreden, maar niet als kernwapenstaten. Ik zou veel meer openheid willen betrachten om een dialoog te beginnen.

Ik weet niet of dit te veel is gevraagd, maar ik zou graag spreken over een notitie of een korte brief van de regering over wat er in de Europese Unie en de NAVO leeft wat dit vraagstuk betreft. Als deze landen het aanbod doen dat zij willen toetreden tot het non-proliferatie- verdrag, wat zou dan het antwoord zijn van landen van de Europese Unie en de NAVO?

De heer Van den Doel (VVD):

Voorzitter! Als wij kijken naar het gedrag van India en Pakistan, constateren wij dat zij internationale normen hebben overschreden door de kernproeven die zij hebben uitgevoerd. Daar moet krachtig op worden gereageerd. Wij moeten India en Pakistan ertoe brengen dat zij het kernstopverdrag ondertekenen en toetreden tot het NPV. De heer Apostolou wil nu een beetje toegeven aan India en Pakistan om ze binnen het NPV te krijgen. Hoe bescheiden onze rol ook is, als internationale gemeenschap moeten wij heel duidelijk en krachtig laten weten dat dit niet toelaatbaar is. Wij moeten niet een stapje in hun richting doen en zeggen: kom maar binnen, onder bepaalde condities. Ook tegen de Partij van de Arbeid zeg ik dat er een duidelijk signaal moet uitgaan naar die landen. Toetreding tot het NPV kan alleen wanneer de kernwapens die zij hebben, worden vernietigd, zoals Zuid-Afrika ook heeft gedaan.

De heer Apostolou (PvdA):

Mijn zorg is niet zozeer dat er een duidelijk signaal moet worden gegeven aan India en Pakistan, maar ik constateer dat zij ondanks alle internationale pressie die kernproeven hebben gedaan. Mijn angst is dat er nog meer landen zullen volgen, dat er nog meer kernstaten zullen komen. Hoe kan dat vermeden worden? Dat is voor mij een dilemma. Ik heb er geen antwoord op, maar ik ben op dit moment nog niet zover. Een aanbod van hun kant om echt te werken aan non-proliferatie, moet je niet te gemakkelijk afdoen met de opmerking dat zij zich aan de internationale afspraken moeten houden, punt uit!

De heer Van den Doel (VVD):

Wij hebben toch voorbeelden van andere landen? Wij hebben toch gezien waar een inconsequente opstelling van de internationale gemeenschap toe leidt? Ik noem het voorbeeld van Irak. Wat zou er gebeurd zijn als wij ons in de afgelopen jaren wat soepeler ten opzichte van Irak hadden opgesteld? Wat zou er gebeurd zijn als wij alle verklaringen van Irak hadden geloofd en hadden toegegeven aan alle misleidingen? Waar zouden wij dan geweest zijn als internationale gemeenschap? Toch veel verder van huis dan nu! Met andere woorden, hier geldt alleen maar: duidelijkheid, een krachtig beleid en niet toegeven.

De heer Apostolou (PvdA):

Voorzitter! Ik constateer dat de VVD-fractie hierover een veel duidelijker standpunt inneemt. Ik heb gevraagd om wat meer discussie daarover. Ik weet niet of het mogelijk is om de gevoelens van de Europese landen hieromtrent op een rijtje te zetten, maar als dat te veel gevraagd is, dan hoeft dat voor mij niet.

Ik wil nog iets zeggen over het initiatief van president Mandela. Nederland zal zijn stemgedrag moeten bepalen als er in de Algemene Vergadering van november inderdaad een resolutie aan de orde is. Mijn vraag was: zal Nederland zich dan onthouden, voorstemmen of tegenstemmen? Ik wil daar graag meer duidelijkheid over hebben.

Ik heb voorts gevraagd om een overzicht van de exportcontroles in de afgelopen vijf jaar. Is het mogelijk om dat overzicht te geven?

De heer Hoekema (D66):

Voorzitter! Ik ben de minister van Buitenlandse Zaken erkentelijk voor zijn uitvoerige positieve antwoord op de gemaakte opmerkingen in eerste termijn. Ik constateer dat in de mix van pragmatisme, realisme en idealisme die de minister van Buitenlandse Zaken ook al in de memorie van toelichting citeert, het idealisme in ieder geval bij dit onderwerp niet afwezig is. Over de andere onderwerpen komen wij nog wel te spreken in het kader van de begrotingsbehandeling. Ik steun de minister daarin van harte. Om ook het idealisme in het beleid van deze minister nog een steun in de rug te geven waar het gaat om de voortgang dan wel het starten van onderhandelingen over nucleaire ontwapening als complement op het kernstopverdrag, op de onderhandelingen die nu starten over de 'cut-off', heb ik de eer om mede namens de collega's Apostolou en Vos de Kamer de volgende motie voor te leggen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat een effectief non-proliferatiebeleid ook vergt dat, gegeven de huidige veiligheidssituatie, radicale reducties van kernwapenarsenalen plaatsvinden;

constaterende, dat het CTBT wel indirect maar niet rechtstreeks een rem zet op kwaliteit en omvang van de nucleaire arsenalen;

van oordeel, dat het wenselijk is dat reducties van de arsenalen van de kernwapenstaten met kracht worden voortgezet;

van mening, dat de kernproeven van India en Pakistan hieraan een nog grotere urgentie verlenen;

verzoekt de regering bij de NAVO-bondgenoten en met name bij de Verenigde Staten, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk aan te dringen op het voeren van onderhandelingen ter vermindering van de kernwapenarsenalen dan wel de voortzetting daarvan (mede afhankelijk van de ratificatie van START-2 in de Doema),

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Hoekema, Apostolou en M.B. Vos. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 6 (25728, R1602).

De heer Van Middelkoop (GPV):

Voorzitter! Het is misschien een kwestie van redactie, maar als je je binnen de NAVO richt tot met name de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, dan heb je volgens mij ook alle kernwapenstaten van de NAVO. Maar dat even terzijde!

Ik ben bepaald ongelukkig met deze motie. Om uitgerekend op dit moment, wanneer wij praten over een mondiaal werkend verdrag, om dan hier in de Kamer, waar de zorgen primair uitgaan naar India, Pakistan, Noord-Korea en de toestand van de kernwapenarsenalen in Rusland en dergelijke, met een motie te komen richting enkele NAVO-bondgenoten, vind ik wat gratuit en ook niet het goede signaal. Ik begrijp deze motie dus eerlijk gezegd niet helemaal. Dan heb ik nog een tweede vraag. Nederland is natuurlijk ook altijd nog betrokken bij de nucleaire paraplu van de NAVO, althans het restant ervan. Heeft deze motie daar wellicht ook enigszins betrekking op? Als dat het geval is, dan dient het wel goed te worden uitgesproken.

De heer Hoekema (D66):

Voorzitter! De motie heeft daar niet letterlijk betrekking op. Je kunt natuurlijk doorgaan met de onderhandelingen over vermindering van de arsenalen zonder die ene kernwapentaak die, naar het schijnt, in Nederland bestaat overboord te gooien.

Dan kom ik op de eerste vraag van de heer Van Middelkoop. Het is natuurlijk juist dat je je over de hele linie moet richten op de problematiek die voorligt. Wij hebben als Kamer uitgebreid gedebatteerd over de situatie in India en Pakistan, zowel in juni als vandaag. Wij hebben bij verschillende gelegenheden uitvoerig gesproken over de situatie in Rusland. Ik vind het ook niet de taak van de Kamer om per definitie altijd over alle onderwerpen die in discussie zijn een alomvattende motie af te kondigen. Ik heb er dus geen enkel probleem mee, integendeel, ik ben er een groot voorstander van dat wij op het punt van de onderhandelingen over die reducties een uitspraak van de Kamer uitlokken.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Voorzitter! De heer Hoekema weet op grond van vroegere ervaringen wellicht beter dan wie ook in deze Kamer dat de onderhandelingen, zoals START-1 en 2, waartoe hij nu oproept, altijd zijn gevoerd tussen de eerst relevante kernwapenstaten. Het waren niet uitsluitend de NAVO-lidstaten die over kernwapens beschikten, maar het betrof bijna altijd de Verenigde Staten en Rusland. Daarom vind ik het zo curieus om bij dit verdrag met zo'n eenzijdig gerichte motie te komen. Daarom voel ik er ook niet zoveel voor. Dat moet gerechtvaardigd worden.

De heer Hoekema (D66):

Voorzitter! In de tekst van de motie wordt gesproken over onderhandelingen over de nucleaire arsenalen. Er wordt ook gerefereerd aan ratificatie van START-2 in de HoekemaDoema. Dat betekent dat het vooral gaat om onderhandelingen met Rusland. Bij onderhandelingen over kernwapenarsenalen probeer je natuurlijk ook om China erbij te betrekken. Als dat niet klip en klaar blijkt uit de redactie van de motie, dan wil ik daar nog wel naar kijken. Daar kan ik dinsdag dan op terugkomen bij de stemming. Als je het hebt over reductie van de kernwapenarsenalen, dan spreek je over de vijf erkende kernwapenstaten. Over de problematiek van India en Pakistan hebben wij, dunkt mij, voldoende gesproken vanavond.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Mag ik op die handreiking van de heer Hoekema ingaan? Dan wordt het een stuk interessanter. Als hij bereid is om nog eens te bekijken of de motie wellicht niet te eenzijdig is en als hij de motie zou kunnen bevrijden van de door mij gesignaleerde eenzijdigheid, dan vind ik haar een stuk sympathieker. Om de ernst van zijn nadenken nog wat te stimuleren, wijs ik hem erop dat hij nog net geen meerderheid in de Kamer heeft. Het is op dit moment fiftyfifty.

De heer Hoekema (D66):

Dat is een buitengewoon sympathieke invitatie van de heer Van Middelkoop en ik kan daar moeilijk aan voorbijgaan. Ik zal het doen.

De heer Van den Doel (VVD):

Voorzitter! Ik sluit mij aan bij de opmerking van de heer Van Middelkoop, dat de motie wat eenzijdig is. Ik had mij twee moties kunnen voorstellen. De eerste zou een oproep via de regering kunnen zijn om India en Pakistan in multilateraal verband verder aan te sporen om zich aan te sluiten bij het kernstopverdrag en uiteindelijk over te gaan tot vernietiging van hun kernwapenvoorraden. De tweede motie zou wat breder gericht kunnen zijn, namelijk tot alle kernwapenstaten om op VN-niveau verder te onderhandelen over de reductie van hun kernwapenarsenalen. Deze motie is eenzijdig gericht op de NAVO-bondgenoten en dat vind ik in het kader van dit debat geen goed signaal.

De heer Hoekema (D66):

Voorzitter! Wij moeten als parlement ook praktisch zijn. Je richt je in de eerste plaats toch op je partners en je bondgenoten. Daar heb je de meeste invloed op. Ik richt mij in deze motie ook impliciet op de andere erkende kernwapenstaten, maar ik zal nog eens naar de tekst kijken. Ik vind het ook wat onbescheiden worden als wij nu, vijf dagen na speeches van India en Pakistan over de mogelijke ondertekening van het kernstopverdrag, via de regering deze landen uitnodigen om hun kernwapenarsenaal te vernietigen. Mij dunkt dat wij in het debat voldoende hebben gesproken over de positie van die landen. Ik heb er dus niet zo'n behoefte aan om ook India en Pakistan – ik voeg daar Israël nog aan toe – bij die motie te betrekken.

De heer Van den Doel (VVD):

Over onbescheidenheid gesproken. Wij zien dat START-2 nog steeds aan de orde is. Ook START-3 gaat vorm krijgen. Wat voegt dit dan nog toe? Wat wil de heer Hoekema nog meer dan wat er nu gebeurt?

De heer Hoekema (D66):

Voorzitter! De Kamer heeft het recht om politieke uitspraken te doen. De ambtsvoorganger van deze minister van Buitenlandse Zaken heeft in juli een interessante benadering voorgelegd die in het algemeen overleg over de kernproeven van India en Pakistan brede ondersteuning verkreeg. Ik vind het van belang dat de Kamer zich ook over de richting van het beleid uitspreekt. Zo simpel is het. De heer Van den Doel kan daarover stemmen.

De heer Van den Doel (VVD):

Voorzitter!...

De voorzitter:

Nee, het lijkt mij nu uitgediscussieerd. De discussie is een paar keer heen en weer gegaan en de meningen zijn nu wel bekend.

De heer Hoekema (D66):

Voorzitter! Mijn allerlaatste opmerking betreft de resolutie die Zuid-Afrika deze herfst in de Algemene Vergadering zal indienen. Met de collega van de Partij van de Arbeid ben ik zeer benieuwd naar a. de tekst van de resolutie en b. het stemgedrag van Nederland. Als de heer Mandela of zijn regering slim is, dient hij een resolutie in met elementen die zeer breed aanvaardbaar zijn. Het zou mij verbazen als Nederland in staat was om een andere stem uit te brengen dan een stem vóór. Gegeven wat ik in de pers heb gelezen over de inhoud van de resolutie, zal het namelijk moeilijk zijn iets anders te doen dan ervoor stemmen. Overigens zou het dan de eerste keer sinds 1984 zijn dat wij in de Kamer misschien met het kabinet van mening verschillen over het stemgedrag inzake een VN-resolutie.

De voorzitter:

Mevrouw Van Ardenne heeft mij gevraagd haar te verontschuldigen.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter! Ik dank de minister voor zijn antwoorden. Hij heeft gezegd dat hij met de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, mevrouw Albright, zal spreken over het belang van een snelle ratificatie van het kernstopverdrag en dat lijkt mij eerlijk gezegd een goede zaak. Ik vraag hem ook op een aantal andere punten kritische noten bij haar te kraken als het gaat om de toekomst van de Verenigde Staten met kernwapens, want ik maak me toch zorgen over het Stockpile stewardship management program. Ik ben er niet zoals de minister van overtuigd dat het alleen maar wordt ingezet voor het testen van verouderde kernwapens. Dit aan de ene kant gezien het grote budget dat ervoor beschikbaar is en aan de andere kant vanwege een aantal berichten erover. Ik heb hier onder meer een bericht voor mij dat begin dit jaar in het Bulletin of Atomic Scientists is verschenen van de hand van onderzoeker William Arkin. Daarin wordt wel degelijk gerept van vergaande vernieuwingen aan kernkoppen, kernonderzeeërs en intercontinentale raketten. Ik verzoek de minister zich nog eens te verdiepen in dat onderzoek zoals dat begin dit jaar is gepresenteerd in dat bulletin. Kan hij dan vasthouden aan de stellingname dat de Verenigde Staten absoluut geen nieuwe kernwapens produceren?

Dat de ontwapening stagneert, vind ik zorglijk. Dat is dus ook bij de Verenigde Staten het geval. Het lijkt mij in die zin goed dat, wellicht in een wat bredere vorm, de motie waartoe door de heer Hoekema het initiatief is genomen, door de Kamer wordt aangenomen.

De minister heeft vermeld dat er een aantal kernwapenvrije zones zijn, maar het is opmerkelijk dat deze zich op dit moment alleen op het zuidelijk halfrond bevinden. Dat lijkt mij voor Europa een aansporing om ook hier een kernwapenvrije zone te creëren.

Ik verzoek de minister tot slot te reageren op een aantal suggesties die in het Canberra-rapport zijn gedaan, zoals die voor een no first use-verdrag, het uit de alarmfase halen van wapens en de fysieke scheiding van kernkoppen en raketten.

Minister Van Aartsen:

Voorzitter! Zeer veel dank voor de opmerkingen in tweede termijn, zeker ook van de zijde van de heer Apostolou die inderdaad de mix van idealisme en realisme ook in mijn eerste termijn heeft geproefd. Daar ben ik zeer gelukkig mee, want dat betekent dat wij in ieder geval consequent werken langs de lijn die zowel in de regeringsverklaring als in de begrotingsstukken is neergelegd.

Ten aanzien van de opmerkingen van de heer Apostolou over de toetreding van India en Pakistan moet ik toch herhalen wat ik daarover heb gezegd. In wezen heeft de heer Van den Doel dat al scherp geschetst in het debat in eerste termijn. Zonder een verdragswijziging kunnen India en Pakistan niet als kernwapenstaat toetreden. En als we het pad opgaan van een wijziging van het NPV, dan is er enig risico dat het geheel weer uit elkaar valt. Wij hebben nu eenmaal het verdrag. Wij hebben daarmee een systematiek opgebouwd. Het is niet ondenkbaar dat dan weer meer kernwapenstaten ontstaan. Ik denk dat het niet wenselijk is dat deze landen als kernwapenstaten toetreden. Het perspectief moet, zoals ik in eerste termijn al zei, openblijven. Hierbij is dit verdrag een eerste en noodzakelijke opstap.

Ik kom tot de resolutie en de opmerking van de president van Zuid-Afrika. Ik vind het heel moeilijk vooruit te lopen op een resolutie die ik niet ken. Ik ben vanavond al geconfronteerd met het fenomeen van een motie waarvan ik de precieze inhoud nog niet ken. Ik denk dat het goed is even af te wachten wat de Zuid-Afrikaanse delegatie in de Verenigde Naties doet met de opmerking terzake van de Zuid-Afrikaanse president, en op basis daarvan ons standpunt te bepalen. Ik ben nog helemaal niet toe aan de gedachte van de heer Hoekema dat wij dan voor de eerste keer een probleem krijgen over onze houding ten aanzien van een resolutie.

De heer Apostolou heeft gevraagd naar een overzicht van de exportcontrole over een jaar of vijf. Natuurlijk kan ik de Kamer dat overzicht verschaffen.

Ik kom tot de motie, die overigens meen ik nog in constructie of zelfs reconstructie is. Ik wil er in algemene zin op ingaan, maar ik wacht uiteraard op de definitieve tekst.

De voorzitter:

De motie is formeel ingediend. Formeel gesproken is de tekst ervan dus bekend.

Minister Van Aartsen:

U hebt gelijk, voorzitter. Dit maakt het mij ook iets makkelijker. De regering is voor verdere kernwapenreductie, zoals dat in het START-proces met name een rol speelt. Kernwapenstaten moeten in dit kader het goede voorbeeld geven. De NAVO-strategie vereist de handhaving van het arsenaal. Ik heb dit toegelicht en gezegd dat wij afschrikking nodig hebben, mede in verband met de gang van zaken in een aantal landen die zich nu eenmaal niet gedragen zoals wij graag hebben dat zij zich gedragen in de wereldgemeenschap. Overigens hebben Frankrijk en Engeland bij mijn weten te kennen gegeven te willen beperken als andere landen dat ook doen. Daarbij moeten wij in de gaten houden dat in de context waarin wij werken Frankrijk en Engeland niet de onderhandelaars zijn.

Al met al, voorzitter, heeft de motie mijn sympathie. Ik denk echter dat het niet goed is een motie te omarmen of er een positief advies van de regering aan te verbinden, die gezien de huidige tekst een niet bereikbaar doel nastreeft. Anders komt de regering uiteindelijk scheef uit.

Mevrouw Vos maakte een opmerking over het Stockpile stewardship management program. Zij verwees naar een bulletin waarin kennelijk een wetenschappelijke analyse is gemaakt van dit programma. Ik zal dat uiteraard graag bezien. De informatie die ik nu heb, is dat dit programma niet gericht is op het vervaardigen van geheel nieuwe kernwapens. Kennelijk wordt in dat bulletin een andere evaluatie gegeven van dat programma.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, aanstaande dinsdag te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

Sluiting 21.58 uur

Naar boven