Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2020-2021nr. 35, item 4

4 Mededelingen

De voorzitter:

Ik deel aan de Kamer mee dat de volgende leden zich hebben afgemeld:

Stienen, wegens deelname aan de vergaderingen van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa;

Koffeman, wegens preventieve quarantaine.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

De voorzitter:

Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

De Tijdelijke regeling digitaal quorum, die de Kamer heeft vastgesteld op 27 oktober jongstleden, vervalt van rechtswege op 1 mei 2021, tenzij de Kamer haar tijdig verlengt. Gezien de actuele situatie met betrekking tot het coronavirus en de geldende landelijke richtlijnen stel ik voor om de regeling te verlengen met de in artikel 3 van de Tijdelijke regeling genoemde termijn van ten hoogste twee maanden, dat wil zeggen tot 1 juli 2021.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Verlangt iemand aantekening? Mevrouw Faber.

Mevrouw Faber-van de Klashorst (PVV):

Ik wil aantekenen dat de PVV de voorkeur heeft voor een fysiek quorum.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Faber. De heer Otten.

De heer Otten (Fractie-Otten):

Ik sluit me aan bij mevrouw Faber. Wij hebben al ruim een jaar consistent gezegd dat wij voorstander zijn van een fysiek quorum.

De voorzitter:

U vraagt aantekening. De heer Nicolaï.

De heer Nicolaï (PvdD):

Onze fractie sluit zich bij de twee voorgaande sprekers aan.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Nicolaï, namens de Partij voor de Dieren. Een van de andere fracties? Dat is niet het geval.

De leden van de fracties van Fractie-Otten, de PVV en de PvdD wordt conform artikel 112 van het Reglement van Orde aantekening verleend dat zij geacht willen worden zich niet met het voorstel te hebben kunnen verenigen.

Dan deel ik de Kamer voorts mee dat ook het eerder door mij genomen Tijdelijk besluit digitaal quorum d.d. 29 oktober 2020 zal worden gecontinueerd tot 1 juli 2021.

Op verzoek van fractie van de Partij voor de Dieren heb ik op grond van artikel 36 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer het lid Koffeman aangewezen als lid van:

  • -de commissie voor Europese Zaken (EUZA);

  • -de commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad (I&A/JBZ).

De heer Van Hattem en de heer Nicolaï hebben mij conform artikel 139, eerste lid, van het Reglement van Orde gemeld de Kamer om verlof te willen vragen voor het houden van een interpellatie. Ik geef het woord aan de heer Van Hattem voor een korte toelichting bij de interruptiemicrofoon, desgewenst.

De heer Van Hattem (PVV):

Voorzitter. Het verzoek is om een interpellatiedebat te mogen houden met minister De Jonge van VWS over de op 27 oktober 2020 aangenomen motie-Van Hattem c.s., die nog steeds niet naar behoren is uitgevoerd. Ik heb de nodige vragen over de informatievoorziening aan de Kamer en de uitvoering van deze motie.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Hattem. Dan geef ik het woord aan de heer Nicolaï.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. De Kamer had een motie aangenomen waarin wordt gevraagd om aan de vervoerders en alle andere betrokkenen mee te delen dat wanneer een ingezetene van Nederland zegt "ik kan niet tijdig beschikken over een testresultaat", hij gewoon naar Nederland vervoerd wordt en dat bij binnenkomst wordt gecontroleerd of de betrokkene een beroep kan doen op die bepaling. Ik heb niet gemerkt dat er door de minister een schrijven is gemaakt waarin dat aan de vervoerders en alle andere betrokkenen wordt meegedeeld. Wat dat betreft wil ik het interpellatieverzoek daarop richten en aan de minister vragen of dat alsnog is gebeurd, hoe dat zit en of hij nog wat gaat doen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Nicolaï.

Wenst een van de andere leden het woord over het interpellatieverzoek? Dat is niet het geval.

Ik constateer, gehoord hebbend het College van Senioren, dat er voldoende steun is voor het houden van een interpellatiedebat.

Wens een van de leden stemming over dit verzoek? Dat is niet het geval.

Dan stel ik vast dat de Kamer verlof heeft gegeven om de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te interpelleren. Ik stel voor de interpellatie vandaag aan het einde van de avond te houden, direct na de behandeling van het wetsvoorstel Geweldsaanwending opsporingsambtenaar, met een spreektijd in eerste termijn voor beide interpellanten van vijf minuten en een spreektijd in tweede termijn voor beide interpellanten en eventuele andere sprekers van twee minuten.

De heren Van Hattem en Nicolaï hebben hun interpellatievragen reeds aan mij doen toekomen. Deze zijn verspreid onder de leden.