Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-2020nr. 23, item 5

5 Herdenking van de heer J.A. van Kemenade

Aan de orde is de herdenking van de heer J.A. van Kemenade.

De voorzitter:

Aan de orde is de herdenking van de heer J.A. van Kemenade. Ik heet de minister-president van harte welkom in de Eerste Kamer.

Ik verzoek de leden te gaan staan.

Vandaag gedenken wij Jos van Kemenade, die op 19 februari jongstleden op 82-jarige leeftijd overleed. Hij was sinds 2002 minister van staat.

Josephus Antonius van Kemenade werd op 6 maart 1937 geboren in Amsterdam. Toen hij in 1955 zijn gymnasium bèta-diploma had behaald aan het Amsterdamse St. Nicolaaslyceum, ging hij in Nijmegen onderwijssociologie studeren, omdat de studie die hij eigenlijk wilde volgen, politicologie, daar niet bestond. Hij kon toen nog niet weten hoe beide passies, onderwijs en politiek, zich in zijn latere leven met elkaar zouden verstrengelen.

Hij begon in 1958 als wetenschappelijk medewerker van het Sociologisch Instituut van de universiteit. Vervolgens werd hij directeur van het Instituut voor Toegepaste Sociologie en buitengewoon hoogleraar onderwijssociologie.

Toen Van Kemenade in 1972 lid werd van het college van bestuur van de Katholieke Universiteit Nijmegen, had hij tijdens bijeenkomsten over de toekomst van het onderwijs reeds indruk gemaakt op PvdA-voorman Den Uyl met zijn expertise op dat terrein. Niet lang daarna werd hij gevraagd als onderwijsminister in het kabinet-Den Uyl. Dat zou hij in twee kabinetten zijn, namelijk ook begin jaren tachtig van de vorige eeuw in het kabinet-Van Agt II. Tussentijds was hij lid van de Tweede Kamer voor de Partij van de Arbeid en buitengewoon hoogleraar onderwijskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Nadat het tweede kabinet-Van Agt in 1982 viel, werd Van Kemenade opnieuw lid van de Tweede Kamer en eveneens opnieuw buitengewoon hoogleraar onderwijskunde, dit keer aan de Universiteit van Amsterdam. Twee jaar later verliet hij de actieve politiek en werd hij voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam.

Jos van Kemenade zou de rest van zijn werkzame leven bestuurder blijven: van 1988 tot 1992 als burgemeester van Eindhoven en aansluitend tien jaar als commissaris van de Koningin in Noord-Holland. Van 2002 tot aan zijn overlijden was Jos van Kemenade minister van staat.

In de Eerste Kamer stond hij in 1975 als onderwijsminister lijnrecht tegenover VVD-senator Haya van Someren bij de behandeling van de begroting van zijn ministerie. De VVD was geen warm voorstander van de middenschool. Van Someren deed Van Kemenades ideeën voor een nieuw onderwijsstelsel dan ook af als — in haar woorden — "de maquette van een reeds verloren ideaal". Van Kemenade antwoordde daarop, ik citeer: "Onderwijs kan het zeker niet alleen, maar het kan wel een belangrijke voorwaarde zijn als onderdeel van een totaal beleid, gericht op meer gelijkwaardigheid in de samenleving."

Terugkijkend op zijn ministerschap was Van Kemenade trots op het zogenoemde stimuleringsbeleid. 2.000 scholen kregen hierdoor extra middelen en mankracht om kinderen met van huis uit minder goede kansen hulp te bieden. Ook de financiering van de moedermavo's en het wetsontwerp voor de basisschool, waarbij kleuter- en basisonderwijs werden samengevoegd, noemde hij als enkele van zijn grootste verdiensten. Al realiseerde hij zich dat — ik citeer opnieuw — "als ik overlijd erboven staat 'De man van de Middenschool'".

Naast zijn politieke en maatschappelijke carrière was Jos van Kemenade betrokken bij vele organisaties en zat hij meerdere adviescommissies voor. Zo was hij voorzitter van het curatorium van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid, voorzitter van het college van curatoren van de School voor Journalistiek, voorzitter van de Contactgroep Tegoeden Tweede Wereldoorlog, ook bekend als de commissie-Van Kemenade, en voorzitter van de Raad voor het Openbaar Bestuur.

Jos van Kemenade stond bekend als een consciëntieus, vriendelijk en benaderbaar bestuurder met een tomeloze werklust, maar bovenal als een verstandig idealist voor wie gelijke kansen voor iedereen en betrokkenheid van de burger bij het bestuur de grootste drijfveren waren.

Moge ons respect voor zijn persoon en zijn verdiensten voor de samenleving en de Nederlandse parlementaire democratie tot steun zijn voor zijn familie en vrienden.

Dan geef ik thans het woord aan de minister-president.

Minister Rutte:

Bij de benoeming van Jos van Kemenade tot commissaris van de Koningin in Noord-Holland, in 1992, schreef het Parool met een rake typering: "Hij is altijd de minister gebleven die toevallig niet in het kabinet zat". Dat sluit aan bij wat Van Kemenade in zijn memoires over zichzelf zei, namelijk dat hij eigenlijk altijd meer wetenschapper en bestuurder is geweest dan iets anders.

Velen hebben rond zijn overlijden al gememoreerd hoe hij als minister van Onderwijs in het kabinet-Den Uyl aan de basis stond van een hele rij hervormingen en plannen, van moedermavo tot tweefasenstructuur en van de roemruchte contourennota tot de — u noemde het al, voorzitter — al even roemruchte maar ook gesneefde middenschool.

Zelfs als Kamerlid kon hij de wetenschapsbeoefening en het wetgeven niet laten en schreef hij zowel een dik standaardwerk over onderwijsbeleid als een grondig onderbouwd initiatiefwetsvoorstel over volwasseneneducatie, een voorstel dat hij vervolgens als minister in het kortstondige tweede kabinet-Van Agt zelf in behandeling kon nemen — en dat lijkt mij een unicum in onze parlementaire geschiedenis. Nog in 2018 kon hij met spijt in zijn stem vaststellen dat de middenschool er met een tweede kabinet-Den Uyl wél was gekomen. Kortom, Jos van Kemenade was een man van de inhoud en de lange adem, die niet bang was voor bestuurlijke en beleidsmatige vergezichten.

In een van zijn eerste interviews als minister schetste hij in 1973 al het beeld van het onderwijs als een mammoettanker die zich misschien niet zo makkelijk laat sturen, maar met kleine tikjes wel degelijk flink van koers kon veranderen. Of zijn medewerkers op het departement dat beeld van die kleine tikjes hebben herkend, waag ik overigens te betwijfelen, want minister Van Kemenade wilde veel veranderen, en ook veel ineens. Maar de realiteitszin die hem later als bestuurder zo kenmerkte, zat er natuurlijk toen al in.

Al was hij in zijn latere jaren misschien wat minder hemelbestormend dan toen hij aantrad als jong bewindsman, consistent in zijn visie was hij altijd. Wat hem dreef, was een diepgewortelde overtuiging dat sociale ongelijkheid slecht was voor het land en slecht voor het individu. Goed onderwijs voor iedereen was voor hem de manier om daar iets aan te doen. Aan dat principe, aan dat ideaal bleef hij zijn leven lang trouw, ongetwijfeld ook vanuit zijn persoonlijke ervaring als eerste hoogopgeleide lid van zijn familie — een verhaal dat hij vaak heeft verteld.

In zijn latere carrière — u schetste dat, voorzitter — groeide Jos van Kemenade uit tot een bestuurder van formaat, een man die leefde voor de publieke zaak, die hij op alle niveaus diende: landelijk, provinciaal, lokaal, in de overheid, politiek en wetenschap, en als voorzitter van talloze adviescommissies en maatschappelijke organisaties. Want nee zeggen tegen bestuurlijke verantwoordelijkheid lag niet in zijn aard.

Het ministerschap van staat dat hem in 2002 toeviel, was dan ook een zeer verdiende bekroning op een indrukwekkende carrière in het openbaar bestuur. In die laatste hoedanigheid heb ik hem persoonlijk een paar keer mogen ontmoeten. Ik raakte onder de indruk van zijn scherpe en analytische geest. Hij kon betogen en relativeren tegelijk. Dat maakte hem, misschien wel juist daardoor, des te overtuigender.

Meneer de voorzitter. Bij zijn afscheid als voorzitter van de Raad voor het Openbaar Bestuur in 2009 hield Jos van Kemenade een stevig en uiteraard doorwrocht pleidooi voor actief burgerschap als fundament onder een sterk en goed functionerend democratisch bestel. Dat actieve burgerschap heeft hij ons als het ware voorgeleefd gedurende zijn lange en rijke loopbaan in dienst van het algemeen belang.

Wij herdenken hem met dankbaarheid en groot respect.

Namens het kabinet wens ik zijn familie en andere nabestaanden alle kracht toe bij de verwerking van dit grote verlies.

De voorzitter:

Ik verzoek eenieder om een moment stilte in acht te nemen.

(De aanwezigen nemen enkele ogenblikken stilte in acht.)

De voorzitter:

Dank u wel.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.