Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2017-2018nr. 7, item 3

3 Vastleggen en bewaren van kentekengegevens

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie ( 33542 ).

De voorzitter:

Aan de orde is de behandeling van wetsvoorstel 3354, Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie. Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid welkom in de Eerste Kamer. Ik feliciteer hem van harte met zijn benoeming. Het is voor hem de eerste keer dat hij hier een wetsvoorstel komt verdedigen. Ik wens hem daarbij veel wijsheid toe en ik wens hem succes bij de vervulling van zijn ambt.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Dercksen.

De heer Dercksen (PVV):

Voorzitter, dank u wel. Ook namens de PVV-fractie feliciteer ik de minister met zijn benoeming, ondanks dat we met de privépersoon wellicht wat verschillen van mening hebben, variërend van Zwarte Piet tot de behandeling van jihadisten.

Dat gezegd hebbende: de wereld en daarmee de criminaliteit verandert in rap tempo. Het is aan de wetgever om daar telkens weer op te anticiperen en niet steeds op grotere achterstand te worden gezet. Zo is de wereld van vandaag alweer een heel andere dan die in 2013, het jaar waarin het initiatief voor deze wet is genomen. De politiek is dus vier jaar bezig geweest met een toch relatief eenvoudige wet over het vastleggen van kentekengegevens. We lopen dus niet alleen achter de feiten aan, we lopen ook nog eens erg langzaam, zeker hier in de senaat.

Voorzitter. Nog voordat ik in de politiek ging, viel mijn oog op een stuk — ik meen dat het in de Elsevier was — waarin uit de doeken werd gedaan dat de politie, gebruikmakend van camera's, feilloos drugskoeriers van de weg kon plukken. Dat kwam van het weekend nog in het nieuws terug. De pakkans was zo'n beetje 100%, maar de zaak hield geen stand voor de rechtbank, want de desbetreffende camera's waren niet opgehangen om drugskoeriers te vangen. Ik was stomverbaasd. De overheid heeft middelen in handen om de criminaliteit te bestrijden, maar het mág niet. Wat is dit voor een land? Een aantal partijen in dit huis zal dat misschien vanzelfsprekend vinden, maar ik maak mij sterk dat buiten deze Haagse kaasstolp bijna niemand dat begrijpt.

Voorzitter. Nederland heeft de landsgrenzen opgeheven. Daardoor reizen nu volstrekt ongehinderd Oost-Europese criminelen door het land. Albanezen waren vorige week in het nieuws, maar morgen kunnen dat zo weer Roemenen zijn. Ook terroristen kunnen ongehinderd ons land binnenkomen. U herinnert zich wellicht nog de heer El Bakraoui, moslimzelfmoordterrorist van beroep en een van de daders van de aanslagen in Brussel. Hij kon ongehinderd geruime tijd vrijelijk door de EU reizen. Niets werd hem in de weg gelegd. Het is dus goed dat gedurende het proces waarin deze wet naar dit huis onderweg was, de mogelijkheid is toegevoegd dat ook de AIVD gebruik kan maken van het systeem van kentekenplaatherkenning om terrorisme te bestrijden en terrorismenetwerken in kaart te brengen. Het systeem heeft zijn meerwaarde al bewezen, daar het hier en daar al functioneerde onder de Politiewet. Het kentekenregistratiesysteem kan net dat beetje bewijs leveren om zware criminelen en terroristen op te sporen en op te sluiten. Wat nog ontbreekt — de burgemeester van Baarle-Nassau wees daarop — is een snelle uitwisseling van gegevens. Daarvoor is nu een internationaal rechtshulpverzoek nodig. Kan de minister aangeven of er stappen worden gezet om dit probleem bij grensoverschrijdende criminaliteit aan te pakken? Daar zitten ze in het zuiden van het land om te springen.

Voorzitter. Het verzamelen van gegevens van burgers raakt ook de privacy van die burgers. Daarom is het goed om nog eens te recapituleren hoe het systeem werkt. Er is sprake van hit/no hit. Men mag alleen zoeken naar een bekend kenteken. Er is dus geen sprake van grasduinen in gegevens van Jan en alleman of het vastleggen van het gedrag van onverdachte burgers. Alleen een geautoriseerd opsporingsambtenaar krijgt toegang tot het systeem na voorafgaand bevel van de officier van justitie, die moet toetsen of aan de eisen wordt voldaan. Het kan alleen gebruikt worden bij ernstige strafbare feiten en voortvluchtige personen. Bij een strafzaak toetst de rechter of de officier van justitie een juiste afweging heeft gemaakt en daarmee of het bewijs rechtmatig is verkregen. Het systeem logt. Dat wil zeggen dat wordt geregistreerd wie toegang krijgt tot het systeem en wanneer. Iemand die dat ongeautoriseerd doet, kan een sanctie tegemoetzien, tot ontslag aan toe. Alleen de kentekenplaten worden geregistreerd. Mocht er onverhoopt een bestuurder op de foto staan, dan wordt die in het dossier geblurd. Met dat laatste zijn wij niet onverdeeld gelukkig, daar waar het om terrorismeverdachten of verdachten van zedenmisdrijven gaat.

Kan er dan nooit wat misgaan? Natuurlijk kan dat. Niets is onfeilbaar, maar als er iets misgaat bij het achtervolgen van criminelen door de politie, zeggen we ook niet dat de politie nooit meer criminelen mag achtervolgen. Dan evalueer je en kijk je hoe het beter kan, net zoals in dit wetsvoorstel is opgenomen. Het uitgangspunt is dus bijzonder zorgvuldig, zo zorgvuldig dat iemand met dit systeem ook zijn of haar onschuld kan bewijzen of althans daartoe een poging kan wagen. Ik vind het systeem zo zorgvuldig dat ik me afvraag aan welke kant de critici nu eigenlijk staan. Staan ze wel aan de kant van de samenleving? Staan ze aan de kant van de samenleving, die beschermd dient te worden tegen criminaliteit en terreur? Staan ze aan de kant van slachtoffers en nabestaanden? Staan ze wel aan de kant van de mensen bij de politie, die tegen een nogal karig salaris proberen Nederland veiliger te maken?

Voorzitter. Op basis van dit voorstel kunnen de kentekengegevens vier weken worden bewaard. Elke termijn die je afspreekt is arbitrair, dus ook deze, maar ons komt die nogal kort voor. Er zijn gevallen bekend waarbij een moordenaar is veroordeeld zonder dat het slachtoffer is gevonden en de dader blijft zwijgen. Welk onbegrensd en onbeschrijfelijk leed wordt hier aangericht bij de nabestaanden? Een langere bewaartermijn zou heel misschien toch een oplossing dichterbij kunnen brengen. Het systeem is niet zaligmakend, maar het kan net dat puzzelstukje voor de oplossing bieden, kan leiden tot rust voor nabestaanden. Die kans vergroten we natuurlijk aanzienlijk als we de bewaartermijn verlengen naar langer dan vier weken. Ook het terrorismevoorbeeld dat ik net gaf, waarbij de dader een jaar voor de aanslagen door Nederland reisde, geeft aan dat een termijn van vier weken veel te kort is. Vandaar ook dat ik de minister zou willen vragen hoe hij naar deze vier weken vraagt, temeer daar veel partijen in de Tweede Kamer, die na de verkiezingen van maart intussen een meerderheid vormen, een veel langere bewaartermijn wilden. Die partijen hebben hier in dit huis overigens ook een meerderheid.

Voorzitter. In Engeland is de bewaartermijn twee jaar. Ze hebben die teruggebracht van vijf naar twee jaar. Dat zullen ze niet zonder reden hebben gedaan. De Britten lijken dus bij een evaluatie te hebben vastgesteld dat een bewaartermijn van twee jaar zinvol is. Is de minister bereid om onderzoek te doen naar de meerwaarde van uitbreiding van de bewaartermijn van vier weken naar die Britse twee jaar? Is hij bereid om op basis van die ervaringen ons, maar ook de Tweede Kamer, te informeren en, als daar reden voor is, ook met voorstellen te komen om die bewaartermijn te verlengen?

Ik dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dercksen. Ik geef het woord aan mevrouw Bredenoord.

Mevrouw Bredenoord (D66):

Voorzitter. Allereerst wil ook ik graag de heer Grapperhaus verwelkomen als nieuwe minister van Justitie en Veiligheid.

Wij spreken vandaag over het voorstel om een wettelijke bevoegdheid te creëren voor het vastleggen en bewaren van kentekengegevens van voertuigen op de openbare weg door middel van camera's ten behoeve van de opsporing van bepaalde misdrijven en ter aanhouding van voortvluchtige personen. Onder kentekengegevens wordt verstaan: het kenteken, de locatie, het tijdstip en een foto-opname van het voertuig. Dit weekend verschenen in de media al wat berichten over de uitbreiding van de ANPR-camera's, onder andere op de Nederlandse binnenwegen. En hoewel we het vandaag in deze Kamer hebben over het vastleggen en bewaren van kentekengegevens, valt het wetsvoorstel dat vandaag wordt behandeld onmiskenbaar binnen een bredere discussie over privacy, vrijheid en veiligheid. Eerbiediging van het privéleven is van essentieel belang voor de vrijheid én veiligheid van burgers. Het is daarom van groot belang dat wetgeving die de privacy van burgers inperkt ten behoeve van de veiligheid, aan een strenge noodzakelijkheids- en proportionaliteitstoets wordt onderworpen, juist omdat mijn fractie veiligheid hoog in het vaandel heeft staan.

Het systematisch scannen en opslaan van kentekengegevens door camera's langs de weg is een mogelijke inbreuk op artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM: het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Een dergelijke inbreuk kan gerechtvaardigd zijn indien het bewaren van de desbetreffende gegevens bij wet is voorzien, het een legitiem doel dient en het noodzakelijk is in een democratische samenleving. Dat wil zeggen: het moet noodzakelijk en proportioneel zijn.

Feitelijk is het moeilijk om de noodzaak en proportionaliteit van het onderhavige wetsvoorstel in te schatten. Mijn fractie trekt niet in twijfel dat het opslaan van kentekengegevens van nut zou kunnen zijn voor het opsporen en het in kaart brengen van verdachten van misdrijven. Zo is de verwachting dat het massaal opslaan van gegevens een positief effect zou kunnen hebben op het oplossen van misdrijven en het opsporen van verdachten. De vraag is echter of het middel in verhouding staat tot het doel. De mate waarin deze effectiviteit zich zal bewijzen, is nog niet duidelijk en is niet te staven aan harde cijfers. De voorbeelden die de vorige minister tot nu toe heeft gegeven, zijn gebaseerd op een heel beperkt aantal ervaringen.

De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat de vier rechtszaken die worden genoemd ter illustratie van het belang voor de opsporing, ook de enige vier zaken waren in de jaren 2009 en 2010 waarin bewijsmateriaal dat met behulp van ANPR was verkregen een rol speelde. De Afdeling advisering plaatst dan ook vraagtekens bij de doeltreffendheid en concludeert naar aanleiding van de ervaringen met ANPR in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten: "Op grond van het voorgaande kan niet worden gesteld dat sprake is van een zodanige doeltreffendheid dat deze noodzakelijkerwijze dwingt tot de voorgestelde nieuwe bevoegdheid". Bovendien is de vraag hoe groot de inbreuk op privacy zal worden ook moeilijk in te schatten, omdat de schaal waarop de vaste en mobiele camera's ingezet kunnen worden, geregeld zal worden in een algemene maatregel van bestuur. Hoe kunnen wij beoordelen en ook controleren waar in het wegennet camera's komen te staan, vast of mobiel? Dat is een eerste vraag aan de minister.

Het enkel handig of nuttig zijn is geen wettelijk criterium. De wetgeving moet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en daarmee proportioneel. Wij vragen de minister hoe wij dit op basis van de huidige informatie kunnen beoordelen. Kan hij nader onderbouwen waarom de voorgestelde maatregel noodzakelijk en proportioneel is?

Eerdere antwoorden van de minister gaven aan dat er in de publieke ruimte, op onze openbare wegen, minder sprake is van een zogenaamde reasonable expectation of privacy en dat de opslag van kentekengegevens voor vier weken slechts een minimale inbreuk op de privacy is. Mijn fractie zet daar de nodige vraagtekens bij. Ten eerste is het onderscheid tussen de private en de publieke ruimte door de opkomst van big data en het Internet of Things steeds meer aan het vervagen, zo heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid recent ook betoogd in zijn rapport Big Data in een vrije en veilige samenleving. Privacy in de publieke ruimte was vroeger minder een issue, maar mensen zijn publiekelijk steeds zichtbaarder en te volgen via foto's en digitale sporen. Naarmate mensen meer systematisch bekeken worden, gaan ze zich anders gedragen. De onbevangenheid neemt af, zo schrijft ook het Rathenau Instituut. De publieke ruimte is in principe van iedereen en daarin mag je je in beginsel ongehinderd en onbespied bewegen. De ANPR-camera's hebben een effect op onze vrijheden. Dat bevestigt dat de proportionaliteitstoets streng moet worden nageleefd, ook bij iets ogenschijnlijk onschuldigs als de opslag van kentekens. Graag een reactie hierop van de minister.

Ten tweede werd tijdens de deskundigenbijeenkomst al gewaarschuwd voor de effecten van grootschalige dataopslag op de privacy door middel van wat de mozaïektheorie genoemd werd. Hoewel een enkele foto van een auto op een specifieke plek op een openbare weg geen enorme inbreuk op de privacy van een persoon betekent, kan dit in combinatie met andere gegevens een zeer privacygevoelig beeld van iemands persoonlijk leven weergeven. In een reactie gaf de voormalige minister aan dat dit wetsvoorstel geen grondslag biedt om iemands gedrag volledig na te trekken, en dat de ANPR-gegevens die op grond van dit wetsvoorstel worden vastgelegd apart van de overige gegevens en voor een beperkte duur worden bewaard. Maar hoe zit dit met ANPR-gegevens van verschillende plekken die met elkaar kunnen worden verbonden? Wat zijn de wettelijke waarborgen dat er geen profielen van mensen worden gemaakt? Is de minister met de D66-fractie van mening dat zolang de daadwerkelijke schaal en koppeling van camera's onbekend is, er sprake zou kunnen zijn van surveillance?

Locaties van camera's zijn erg bepalend om aspecten van iemands persoonlijkheid of persoonlijke leven in kaart te kunnen brengen. Uit snelwegen is misschien niet direct veel af te leiden, maar hoe zit het met camera's in de buurt van scholen, kerken, moskeeën, een ggz-instelling, een ziekenhuis of een homo-ontmoetingsplaats? Privacy is nodig om je vrij en veilig te voelen. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister.

Mijn fractie ziet hier het risico van wat function creep wordt genoemd. Dat wil zeggen: het gebruik van een technologie, een systeem of data voor doelen waarvoor het oorspronkelijk niet bedoeld was. Function creep staat haaks op doelbinding, hetgeen een belangrijk uitgangspunt is van privacy by design, hetgeen in de Europese Algemene verordening gegevensbescherming ook wel dataprotectie by design wordt genoemd. De Europese Algemene verordening gegevensbescherming, die in mei 2018 in werking treedt, stelt dat het verwerken van persoonsgegevens volgens het principe van dataprotectie by design dient te gebeuren. Dit principe zal de komende jaren verder invulling moeten krijgen, maar het betekent globaal dat verwerkers van persoonsgegevens technologische en organisatorische maatregelen moeten nemen om de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zo klein mogelijk te houden, bijvoorbeeld door principes als dataminimalisatie en doelbinding.

Mijn fractie ziet in het onderhavige wetsvoorstel bepaalde waarborgen die onder dit principe zouden kunnen worden geschaard, zoals de horizon- en de evaluatiebepaling. Maar een secure benadering van dataprotectie by design vraagt ook om een secure onderbouwing van de lengte van de bewaartermijn. Waarom is het volgens de minister nodig om de gegevens van in principe onverdachte burgers voor specifiek 28 dagen op te slaan? Waarom niet alleen realtime scannen of een dag, een week of bijvoorbeeld twee weken bewaren? Kan de minister nader duiden waarom voor de meeste misdrijven waarop dit voorstel ziet juist die termijn van 28 dagen noodzakelijk is? Ik vraag dit vooral in het licht van de vaststelling dat dit voorstel met name en in eerste instantie onschuldige en onverdachte burgers treft.

Ook zou ik graag van de minister vernemen hoe hij het onderhavige wetvoorstel ziet in het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie waarmee een streep getrokken werd door de Dataretentierichtlijn, de zaak Digital Rights Ireland uit 2014. Hier bepaalde het Europese Hof over het opslaan van telecom- en locatiegegevens van individuele burgers: "De bewaarde gegevens kunnen namelijk zeer nauwkeurige aanwijzingen verschaffen over het privéleven van degenen van wie de gegevens worden bewaard, zoals de gewoonten van het dagelijkse leven, de plaatsen van permanent of tijdelijk verblijf, de dagelijkse verplaatsingen of verplaatsingen van andere aard, de uitgeoefende activiteiten, de sociale relaties en de gefrequenteerde sociale milieus." Einde citaat.

De heer Dercksen (PVV):

Een mooi moment voor een vraag. Ik vraag mij af of we dezelfde wet hebben gelezen. Volgens mij kan men dat systeem helemaal niet in om daar de gegevens van burgers te zoeken, als zij niet worden verdacht van een serieus misdrijf waarbij voorlopige detentie aan de orde is. U maakt een heel groot verhaal over privacy, maar er kan helemaal niet gezocht worden naar gegevens van burgers die niet van een ernstig misdrijf worden verdacht. Dat is vraag één.

Ik heb net de procedure geschetst hoe het systeem werkt en welke waarborgen erin zitten. Is dat voldoende of is dat niet voldoende voor de D66-fractie? En als het niet voldoende is, welke waarborgen zou u dan nog meer willen? Dan kunnen we misschien ook D66 aan boord krijgen voor deze wet.

Mevrouw Bredenoord (D66):

Ik geef de heer Dercksen graag antwoord. Ik denk dat wij wel degelijk hetzelfde wetsvoorstel hebben gelezen. Kijkt u serieus naar het EVRM, bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dan is het systematisch en toch wel massaal opslaan van data van in principe onverdachte burgers überhaupt al een schending van het recht. Het is in dit geval toch aan de wetgever om uit te leggen waarom dat een legitieme schending zou zijn. Überhaupt is het opslaan van die data, of het nou voor een dag is, voor 28 dagen of twee jaar, al een mogelijke schending. Dat moet uitgelegd worden. Dan maakt het niet uit of er wel of niet in gekeken wordt. Er worden daar locatiegegevens opgeslagen.

De heer Dercksen (PVV):

Een aantal landen doen dit al. Ik kan toch moeilijk zeggen dat het Verenigd Koninkrijk niet tot onze westerse samenleving behoort. Zij doen dat al, dus klaarblijkelijk wegen zij die rechtenschending niet zo zwaar. Hoe verhoudt dat zich nou tot het doel van deze wet, namelijk om echt zware criminelen, dus niet iemand die een rol drop heeft gestolen, maar iemand die serieuze misdrijven heeft gepleegd of terreur in de zin heeft, op te sporen? Aan welke kant sta je dan als politieke partij?

Mevrouw Bredenoord (D66):

Het is ten eerste goed om te weten dat Nederland veiliger is dan ooit in de geschiedenis. De kans dat wij overlijden aan obesitas is groter dan dat we overlijden aan een aanslag of aan een criminele activiteit. U stelde net de vraag: aan welke kant sta je als je alleen maar die veiligheid benadrukt? Wat u er dan bij moet zeggen, is dat iets anders verloren gaat als je steeds meer focust op veiligheid. Dat is misschien iets abstracter dan terrorisme of criminaliteit benoemen, want dat gaat om vrijheid, om autonomie, om je onbespied in de publieke ruimte kunnen bewegen. Die publieke ruimte is van ons allemaal. Als mensen daar inbreuk op willen maken, moet dat uitgelegd worden. Dat is de reden dat wij aan de minister vragen of hij nader wil toelichten waarom dit noodzakelijk zou zijn, want eerlijk gezegd hebben wij dat in de stukken nog niet overtuigend kunnen vinden. En dan maakt het helemaal niet uit of dat in het Verenigd Koninkrijk gebeurt. De evaluatie van de WODC verwijst zelfs naar het Verenigd Koninkrijk en zegt daarbij letterlijk dat daar ook niet overtuigend aangetoond is dat het werkt. Wel voor kleine vergrijpjes, maar niet voor de grotere zaken.

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Dercksen.

De heer Dercksen (PVV):

Tot slot, voorzitter. Ik weet niet hoe u reist, maar ik kom met de auto. De kans dat ik zojuist ben gefilmd bij de Shell of rijdend hier in de parkeergarage is nogal groot. Als ik naar de supermarkt ga, sta ik ook op beeld. Als u met het openbaar vervoer komt, staat u, als het de provincie Utrecht betreft, in elk geval op hd-camera's. En dan wordt echt iedereen gefilmd en dat kan iedereen zien. Die beelden worden opgeslagen, zonder dat daar deze wetgever echt serieus aan te pas komt. Nu gaan we camera's neerzetten om de routes te ontdekken van zware criminelen, van mogelijk terrorisme, en dan doet u niet mee. Dat vind ik zorgelijk.

Mevrouw Bredenoord (D66):

De heer Dercksen zegt: natuurlijk willen wij dat de politie haar gang kan gaan. Het lastige is hier nou juist dat niet alleen die zware criminelen eruit gefilterd worden, maar dat van alle burgers alle passagegegevens worden opgeslagen. De vraag is een beetje hoeveel criminelen je wilt vangen om massaal gegevens op te slaan. Dat is volgens mij de afweging.

Ik vervolg mijn tekst, als dat mag van de voorzitter. Ik heb net een citaat voorgelezen. De vraag die ik daarbij had, is of dit wetsvoorstel, indien het wordt aangenomen, standhoudt voor het Hof van Justitie. Graag ook daarop een reactie van de minister.

Voorzitter, ik kom tot een afronding. Mijn fractie heeft serieuze kanttekeningen bij de proportionaliteit van het onderhavige wetsvoorstel, benadrukt het belang van privacy in de publieke ruimte en vraagt zich af of de principes van dataprotectie by design voldoende gerespecteerd worden. De WRR heeft in het eerder genoemde rapport gewaarschuwd voor "dataobesitas", waarbij juist de overheid bij big data het goede voorbeeld moet geven van less is more.

We zien uit naar de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Bredenoord. Ik geef aan het woord van mevrouw Wezel.

Mevrouw Wezel (SP):

Dank u, voorzitter. Deze minister zei enige tijd terug, toen hem werd gevraagd naar zijn politieke ambities, dat velen geroepen werden, maar slechts weinigen uitverkoren. Namens onze fracties — ik spreek namens de SP-fractie, maar ook namens die van de Partij voor de Dieren — spreek ik er waardering voor uit dat de minister ja gezegd heeft tegen zijn uitverkiezing en dat hij bereid is het zware ambt van minister van Justitie en Veiligheid op zich te nemen. Dat getuigt van moed. Het ministerie maakt immers zware tijden door en staat onder stevige kritiek. Volop werk aan de winkel dus. Ik wens hem daarbij wijsheid en sterkte.

Voorzitter. We bespreken vandaag een voorstel dat eraan moet bijdragen dat voortvluchtige criminelen sneller en eenvoudiger worden opgespoord. Dat is op zich een goed plan. Ik hoop ook dat de ambitie van de nieuwe minister niet alleen is de opsporing van criminelen te vergroten, maar ook het daadwerkelijk oppakken zodat criminelen daadwerkelijk worden vervolgd en hun straf uitzitten. In de afgelopen jaren hebben het OM en de politie steeds meer bevoegdheden gekregen om daders op te sporen. De feitelijke resultaten van opsporing en vervolging van de daders bleven echter achter vanwege gebrek aan opsporings- en vervolgingscapaciteit in eerste aanleg en daarna in hoger beroep, en vervolgens een gebrek aan capaciteit om de daders ook echt achter de tralies te krijgen.

Ik noem maar even wat berichten uit de media van de afgelopen tijd. Er is geen opsporingscapaciteit voor het onderzoeken van een liquidatiezaak in Venlo. Een kopschopperszaak in Arnhem werd pas na anderhalf jaar aangebracht op zitting, waardoor de daders lagere straffen kregen. Na een oproep daartoe is mijn mailbox de afgelopen week volgestroomd met meldingen van slachtoffers die al lang wachten totdat hun zaak wordt behandeld. De inhoud van deze berichten zou ik graag een keer met de minister willen delen. Ze tonen de zorgen van veel mensen dat er iets niet goed loopt bij het aanpakken van onrecht in onze samenleving. Zoals de minister het in zijn boek over de rafels van onze rechtsstaat zo mooi zei, vrij naar Shakespeares Hamlet: "Er is iets verrots in de staat van Nederland."

Het is tijd om te luisteren naar al de slachtoffers die vragen dat er recht gedaan wordt. Graag verneem ik daarom welke doelen de minister stelt ter verbetering van de doorlooptijden binnen de strafrechtketen, gekoppeld aan concrete termijnen en acties. Niet alles hoeft vandaag. Wil de minister toezeggen dat hij hier schriftelijk op terug zal komen? Wellicht zou hij daarbij specifiek aandacht kunnen besteden aan de ernstige geweldsmisdrijven en zedenzaken.

Meer in het algemeen zullen onze fracties het op prijs stellen als de minister in deze ambtstermijn daadwerkelijk het rafelen van de rechtsstaat aanpakt. Daarmee zal hij naar mijn mening een bijdrage kunnen leveren aan herstel van het vertrouwen van de burgers in de rechtstaat en zal zo'n aanpak preventieve en repressieve werking hebben op de daders, die nu te lang vrij kunnen blijven rondlopen. Het zou fijn zijn als we in de komende tijd juist van deze minister voorstellen krijgen om deze rafels weg te werken, zodat we weer terug kunnen pronken met het mooie kleed dat onze rechtsstaat hoort te zijn.

De heer Dercksen (PVV):

Ik ben het bijna met alles eens wat mevrouw Wezel naar voren brengt, ware het niet dat we waarschijnlijk een andere conclusie trekken. Want als je met dit systeem dus meer gegevens op tafel krijgt van verdachten, zou dat het proces juist weleens kunnen versnellen. Ziet u dat ook en hoe weegt u dat dan in het kader van de problemen die u net schetst en die wij allebei delen?

Mevrouw Wezel (SP):

Daar kom ik zo op terug.

De voorzitter:

Voorzitter.

Mevrouw Wezel (SP):

Voorzitter. En ik ga ervan uit dat hij met ons uitziet naar het debat over de staat van de rechtsstaat dat we komend voorjaar hier in deze Kamer met elkaar gaan voeren. Vooralsnog prijzen wij ons gelukkig dat deze minister aangetreden is. We zijn ervan overtuigd dat hij het als een plezierige uitdaging zal zien als wij hem hier in deze Kamer waar nodig het vuur aan de schenen leggen. Dat is precies wat ik bij de behandeling van het nu voorliggend omstreden wetsvoorstel wil doen. Ik zie nu al uit naar zijn reactie.

Kijkend naar het voorliggende wetsvoorstel moet de vraag worden gesteld of de voorgestelde maatregel in redelijke verhouding staat tot de inmenging in het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer enerzijds en de doelstelling van de opsporing van strafbare feiten anderzijds. Is de inbreuk die dit voorstel maakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk in de Nederlandse democratische samenleving? Kan de voorgestelde maatregel als een doeltreffend en toereikend middel worden gezien om het beoogde doel van opsporing van strafbare feiten te bereiken? Is de voorgestelde maatregel proportioneel te noemen?

Bij het onderhavige wetsvoorstel zijn onze fracties hier vooralsnog niet van overtuigd. Het is nog volledig onduidelijk om hoeveel camera's het gaat en hoe massaal de inzet zal zijn. Daarom is het niet goed mogelijk om de proportionaliteit van dit wetsvoorstel te beoordelen. Wellicht dat de minister hier inmiddels meer duidelijkheid over kan geven. De Afdeling advisering van de Raad van State oordeelde in zijn advies dat de mogelijke meerwaarde van ANPR voor de opsporing zeer beperkt is, dat het niet waarschijnlijk is dat het bewaren van passagegegevens vanzelf zal leiden tot meer opsporing met ANPR, en dat daartoe een visie nodig is in een organisatie die gereed is zodanig informatiegestuurd te werken dat het voorgestelde effectief kan zijn. Met andere woorden: de reisbewegingen van alle automobilisten op de Nederlandse wegen kunnen met dit wetsvoorstel gedurende jaren worden opgeslagen en gebruikt enkel zodat de politie deze kan gebruiken, maar daarvan is nog niet duidelijk of ze meerwaarde zullen hebben en of ze zullen leiden tot meer opsporing, temeer daar de visie hierop ontbreekt. Dat deze reisgegevens geregistreerd kunnen worden, betekent nog niet dat dit moet gebeuren en dat dit de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van alle automobilisten op de Nederlandse wegen rechtvaardigt. Graag de reactie van de minister.

De Afdeling advisering van de Raad van State oordeelde hierover naar mijn mening terecht dat de algemene stelling in de memorie van toelichting dat de opbrengsten van het bewaren van no hits zwaar wegen in een samenleving waarin veel waarde wordt gehecht aan het verhogen van de veiligheid en de aanpak van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit, nog niet maakt dat de doeltreffendheid en daarmee de noodzaak voldoende overtuigend zijn.

Op het eerste gezicht lijkt het wetsvoorstel met allerlei waarborgen omkleed voor alle automobilisten op de Nederlandse wegen. In het wetsvoorstel wordt toegelicht dat het veiligstellen, bewaren en gebruiken van de kentekengegevens alleen mogelijk is in het geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, waarop een gevangenisstraf is gesteld van vier jaar of meer, ten behoeve van de opsporing in geval van verdenking van een ernstig verkeersmisdrijf, ter aanhouding van een voortvluchtige persoon, dat de gegevens enkel gedurende vier weken worden bewaard, dat het om een strikte doelbinding gaat, dat er een toets plaatsvindt door de officier van justitie en dat raadpleging alleen kan plaatsvinden door geautoriseerde en opgeleide opsporingsambtenaren die niet met het onderzoek zijn belast.

Maar wie het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens van mei 2017 aan de regering inzake het conceptuitvoeringsbesluit doorneemt, ziet dat door de onderhavige wet, in combinatie met artikel 8 en 9 van de Wet politiegegevens en het uitvoeringsbesluit, de kentekengegevens van niet-verdachten, eenmaal veiliggesteld, ook voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt, aan het buitenland en derden kunnen worden verstrekt en dat bij de verdere verwerking de oorspronkelijke regels niet meer van toepassing zijn. Zoals ik het nu zie, gaan met dit wetsvoorstel de sluizen open: een doorlopend bevel op grond van artikel 8 en 9 Wet politiegegevens en klaar is Kees. Per definitie is er namelijk bij alle opsporingsonderzoeken sprake van uitvoering van de dagelijkse politietaak, en anders valt het wel onder artikel 9, "noodzakelijk voor het onderzoek naar de schending van de rechtsorde", te brengen.

Volgens informatie van het ANP blijkt dat er op dit moment al twee plekken zijn waar de politie nu al met een doorlopend bevel gegevens opslaat, met toestemming van een officier van justitie. De woordvoerder van het Openbaar Ministerie op de expertmeeting benoemde dit zo mooi als "een heel gerichte opslag van data, namelijk alleen data van de vervoersbewegingen van kentekens die langs de ANPR-camera's komen in Nederland." Dat zijn dus zo meteen vrijwel alle vervoersbewegingen van alle automobilisten op de Nederlandse wegen. Onze fracties gaat dit echt te ver. Het gaat hier om een systematische gegevensverzameling van alle Nederlandse automobilisten, waarvan het gros helemaal niets heeft misdaan. Het gaat om miljoenen kenteken- en reisgegevens per dag. Graag de reactie van de minister.

In dat kader wil ik de minister graag om heldere antwoorden vragen op de volgende vragen. Wat gaat er precies bewaard worden? Alle Automatic Number Plate Recognition-data van heel Nederland of alleen van een bepaalde stad? Hoe gaat dat? Voor welke andere doeleinden kunnen deze gegevens nog worden gebruikt? Wanneer kunnen deze gegevens aan derden worden verstrekt en om welke derden gaat dit? Wanneer kan deze informatie aan het buitenland worden verstrekt? Wanneer zijn bij de verdere verwerking de strikt vastgelegde gebruiksdoelen zoals genoemd in artikel 126jj, derde lid, Strafvordering en de beperkingen zoals neergelegd in artikel 126jj, vijfde lid, Strafvordering ten aanzien van beperkte verstrekking aan derden niet meer van toepassing? Kan de minister toelichten wat voor de burger de toegevoegde waarde is van verstrekking voor andere doeleinden en aan derden en het buitenland? Wil de minister toezeggen dat hij het conceptuitvoeringsbesluit aanvult met de antwoorden op de vragen van de Autoriteit Persoonsgegevens en het aangepaste conceptuitvoeringsbesluit voorlegt aan deze Kamer?

Het mag duidelijk zijn dat onze fracties dit voorstel vooralsnog volstrekt onvoldragen vinden. Mede daarom zie ik uit naar de antwoorden van de minister.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Wezel. Ik geef het woord aan mevrouw Strik.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Ook wij willen allereerst de minister hartelijk welkom heten in deze plenaire zaal. Wij zien uit naar een verdere vruchtbare samenwerking. Met het vooropzetten van Justitie in de naam van het ministerie wil dit kabinet in ieder geval al laten zien dat het hecht aan de rechtsstaat, zo vernamen wij ook van minister Grapperhaus bij onze kennismaking. Dat stemt mijn fractie hoopvol.

Het kabinet wil blijkens het regeerakkoord bijzondere aandacht schenken aan de waarborgen voor de persoonlijke levenssfeer van burgers, beperkte toegang, aangescherpt toezicht, noodzakelijkheid van bewaartermijnen aangeven, adequate bescherming en beveiliging van de gegevens en een rapportage- en evaluatieplicht. Dat klinkt ons als muziek in de oren. Deze voornemens kunnen voortkomen uit de politieke voorkeuren binnen het kabinet of de toenemende weerzin binnen de samenleving tegen grootschalige opslag en gebruik van persoonsgegevens; kijk naar het referendum over de Wiv. Maar de visie kan ook samenhangen met de nieuwe juridische realiteit, waarin rechters een halt toeroepen aan een ongebreidelde verzamelwoede zonder strikte noodzaak en proportionaliteit. Al deze ontwikkelingen maken het debat vandaag een belangrijke testcase. We zullen de pudding aandachtig proeven op het gebied van effectiviteit, uitvoerbaarheid en rechtmatigheid.

Om met het laatste te beginnen. De arresten van het Hof van Justitie en het EHRM over dataretentie hebben de grondvesten van Europa doen schudden. Het Hof maande lidstaten tot veel grotere terughoudendheid bij het opslaan, bewaren en uitwisselen van persoonsgegevens. In zijn arresten Digital Rights, Watson en Tele2 stelde het ingrijpende limieten aan het gebruik van persoonsgegevens en gebruikersgegevens. Die beperkingen spitsen zich concreet toe op het doel van de maatregel, de duur van de opslag en het geografisch gebied. Maar ook de categorie personen van wie gegevens worden bewaard, dient beperkt te zijn tot diegenen die waarschijnlijk betrokken zijn bij ernstige criminaliteit. Vanwege al deze beperkingen breken de ministers zich in de EU momenteel het hoofd over welke ruimte de jurisprudentie nog laat voor het bewaren van communicatie- of andere gebruikersgegevens en studeren ze op de gevolgen voor nieuwe en huidige wetgeving. Daarover heeft onze Kamer schriftelijke vragen gesteld en we kijken natuurlijk reikhalzend uit naar de beantwoording daarvan.

Maar terwijl deze studie nog lang niet is afgerond, wenst het kabinet toch dat de Eerste Kamer het onderliggende wetsvoorstel nu al aanneemt. Mijn fractie vindt dat niet logisch. Wij keren liever ten halve dan dat we ten hele gaan dwalen, en dat zou de minister toch ook moeten aanspreken. De minister moet dus wel zeker van zijn zaak zijn om vol te houden dat het wetsvoorstel volstrekt past binnen de kaders die de Europese hoven hebben gesteld. Volgens het Hof is zelfs het doel om zware criminaliteit te bestrijden, met name georganiseerde misdaad en terrorisme, onvoldoende rechtvaardiging voor een algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeersgegevens en locatiegegevens. Het voorliggende voorstel ziet op het oplossen van veel meer vormen van criminaliteit. De misdrijven waarvoor kentekengegevens mogen worden geraadpleegd, vallen zelfs niet allemaal onder het criterium "serious crime". Denk bijvoorbeeld aan kleine winkeldiefstallen waar toch een straf van vier jaar op staat, zodat er voorlopige hechtenis kan worden opgelegd.

Naast het ruime doelcriterium is ook de ruime verzameling van persoonsgegevens zelf problematisch, nog los dus van het gebruik van die gegevens. Met het goed regelen van de toegang kan dus niet een schending, als die door het verzamelen zou worden gepleegd, worden gerepareerd. Het Hof acht het essentieel dat verzamelen en bewaren van persoonsgegevens van alle burgers de uitzondering is en niet de regel. Juist daarom is die beperkte toepassing zo essentieel. Die beperking zien we dus niet wat betreft personen, want alle auto's die langs een camera komen worden geregistreerd en niet alleen die van strafrechtelijk relevante personen. Met betrekking tot de tijd is er wel een beperking aan het bewaren, namelijk vier weken, en wij sluiten op dit punt graag aan bij de vragen van mevrouw Bredenoord hierover.

De beperking in de locaties is daarnaast weer bijzonder ruim geformuleerd. Volgens het Hof moet het daarbij gaan om gebieden met een hoog risico dat een misdrijf wordt voorbereid of gepleegd. Uit de toelichting van de regering blijkt echter dat ook locaties met intensieve verkeersstromen kunnen worden aangewezen. Daar hebben we er nogal wat van in Nederland, dus hoe strikt is die begrenzing? Zondag vernamen we dat de politie ook ANPR-gegevens gaat registreren langs provinciale wegen. Wat betekent dat voor de toepassing van de wet, als die wordt aangenomen? Nog meer opslag van gegevens?

Camera's worden goedkoper en in de toekomst is wellicht elke politieauto uitgerust met een camera. Dergelijke snelle ontwikkelingen, in combinatie met vrij vage wettelijke criteria, maken een beperking tot het strikt noodzakelijke moeilijk. Het wetsvoorstel biedt weinig handvatten daarvoor, maar ook artikel 3 van de ontwerp-AMvB bevat door zijn ruime formulering nauwelijks beperkende waarborgen. Hoe meer locaties mogelijk kunnen worden gebruikt, hoe groter de hoeveelheid vastgelegde informatie over voertuigbewegingen die niet van belang zijn voor de opsporing van misdrijven of de aanhouding van voortvluchtige personen.

Uit het ontwerpbesluit maakt mijn fractie op dat eenmaal opgevraagde kentekengegevens ook voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt — mevrouw Wezel gaf het net ook al aan — en aan derden kunnen worden verstrekt. Kan de minister uitleggen waarom in dergelijke situaties de waarborgen komen te vervallen? Om welke doelen gaat het dan? En om welke derde partijen gaat het dan? Is dit niet een al te makkelijke sluis naar verdere verwerking van persoonsgegevens en wellicht ook naar function creep?

Volgens de minister heeft het cameraplan maar een beperkte waarde, omdat over het daadwerkelijke gebruik van de camera's ten slotte door het bevoegd gezag wordt beslist. Dat ziet onze fractie toch wat anders. Dat plan geeft namelijk de kaders aan waarbinnen cameratoezicht mag plaatsvinden. Motivatie is dus nodig dat de mogelijke locaties voldoen aan de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit. Het verbaast mijn fractie daarom dat de korpschef zelf het cameraplan mag vaststellen. Een jager laat je toch ook niet zelf beslissen in welke gebieden en wanneer mag worden gejaagd? Waarom niet in het kader van checks-and-balances het OM het kader laten bepalen, in overleg met de politie? Of, misschien nog beter, toch de eindverantwoordelijkheid bij de minister zelf gelegd, zoals dat ook geldt voor de minister van Defensie bij de KMar?

De Autoriteit Persoonsgegevens kan adviseren over de inzet van ANPR en het gebruik van ANPR-gegevens, maar wordt de autoriteit ook jaarlijks om advies gevraagd over het conceptcameraplan? Kan de minister wat preciezer de status van het cameraplan toelichten en uitleggen waarom het niet de vorm krijgt van bijvoorbeeld een ministeriële regeling? En kunnen organisaties of personen opkomen tegen de inhoud van het plan of kunnen ze dat alleen tegen het daadwerkelijke gebruik van camera's? Graag een toelichting van de minister.

Dan, voorzitter, de proportionaliteit. Over de mogelijke inbreuk op het privéleven van mensen reageert de minister geruststellend. De camerabeelden zouden maar heel beperkte informatie geven over iemands doen en laten. Dat zien wij toch anders. De kentekengegevens bieden, afhankelijk van de intensiteit van de surveillance en van hoe vaak iemand zich in zo'n locatie bevindt, informatie over iemands dagelijks gewoontes, verblijfplaats, het patroon in verplaatsingen, en dus ook over de uitzonderingen op dat patroon. Dit kan burgers zeker wel het gevoel geven te worden bespied in de publieke ruimte. Wij zien hier duidelijke raakvlakken met het Digital Rights-arrest, hoewel dat telefoon- en internetgegevens betrof. Ook het argument dat mensen zich ervan bewust zijn dat ze zich op de openbare weg bevinden, vinden wij een dooddoener. Als ik van Arnhem naar Den Haag wil met de auto, kan ik niet ervoor kiezen om dat al dan niet via de publieke weg te doen. Ik zal die publieke weg wel op moeten.

Voorzitter. De politie kan wel van particulieren de beelden van bewakingscamera's opvragen, maar volgens de minister gaat daarmee kostbare tijd verloren. Dat maakt het wetsvoorstel wel wat kwetsbaar, want er zijn dus alternatieven voorhanden en dat wordt nog meer naarmate auto's ook meer gegevens gaan opslaan. Het OM kan bijvoorbeeld via autobedrijven de gegevens vorderen van de auto's die in de omgeving van een misdrijf hebben gereden. Dat het misschien minder omslachtig en handig is om ze zelf ter beschikking te hebben, weegt wellicht niet altijd op tegen het effect dat van veel meer mensen de gegevens worden opgeslagen en op die manier ook veel meer onschuldige mensen in relatie kunnen worden gebracht met criminaliteit.

Voorzitter. Dan heeft het Hof heeft ook een reeks van procedurele voorwaarden gesteld. Wat betreft het kenbaarheidsvereiste verwijst de minister naar de Staatscourant. Dat lijkt mijn fractie nou niet de meest toegankelijke wijze van burgers informeren. Waarom niet een bordje op toegangswegen dat er cameratoezicht plaatsvindt?

Verder eist het Hof dat de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de bewaarde gegevens in beginsel wordt onderworpen aan voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie. In dit wetsvoorstel wordt voorzien in autorisatie door de officier van justitie, maar zou deze bevoegdheid, mede in het licht van het Tele2-arrest, niet bij de rechter-commissaris dienen te worden gelegd? Graag een antwoord van de minister.

Ook is het de vraag of het vernietigen van de gegevens na vier weken wel voldoende is gegarandeerd. De Nederlandse overheid heeft in het verleden laten zien niet altijd betrouwbaar te zijn geweest in het verwijderen van persoonlijke data, zoals DNA-materiaal. Het wetsvoorstel spreekt over geautomatiseerd verwijderen, wat natuurlijk nog geen automatisch verwijderen is. Hoe garandeert de minister dat de overheid zich in dit dossier aan de wet gaat houden? Het onrechtmatig gebruik van ANPR-gegevens de afgelopen zeven jaar geeft weinig vertrouwen.

Tenslotte dan, voorzitter, de effectiviteit. Laten we de jarenlange onrechtmatige praktijk van het werken met ANPR-gegevens, maar natuurlijk ook de pilots die hebben plaatsgevonden, maar als een voordeel gebruiken. Wat kunnen we leren van deze ervaringen? Toevallig of niet, heeft op de dag waarop dit wetsvoorstel was ingepland om als hamerstuk af te doen, het ministerie een rapport uit december 2016 vrijgegeven over de effectiviteit van ANPR. In dat rapport wordt een weinig hoopvol beeld geschetst over de effectiviteit bij opsporing van criminelen. Zo blijkt dat het een bijna onmogelijke opgave is om de bergen data die beschikbaar zijn, te filteren, laat staan dat hits direct en adequaat kunnen worden opgevolgd. Dat gebeurde slechts in minder dan een factor 1.000 van het aantal hits. Meestal is er niemand ter plaatse, wordt een hit niet opgemerkt en is er sowieso gebrek aan capaciteit. Met de wet zal de hoeveelheid data natuurlijk alleen maar toenemen.

Volgens het WODC draagt ANPR wel bij aan het innen van boetes, maar nauwelijks aan opsporing. Het aantal, steeds herhaalde, succesverhalen is op een hand te tellen. Het WODC verwacht evenmin dat de wettelijke bewaartermijn deze meerwaarde zal vergroten. Ook in het Verenigd Koninkrijk blijkt dat ANPR aanzienlijk minder betekent voor de opsporing dan voor controles, ondanks een bewaartermijn van twee tot vijf jaar, afhankelijk van of het met criminaliteit is te verbinden. Die bewaartermijn was overigens aanvankelijk ook op vier weken gesteld. Ondanks jarenlange ervaring zijn er noch harde cijfers uit het Verenigd Koninkrijk noch uit de Verenigde Staten over een noemenswaardige meerwaarde van ANPR voor de opsporing en blijkt ook daar ANPR vooral nuttig bij het opsporen van overtredingen als openstaande boetes en rijontzeggingen.

Een interessante bevinding uit het rapport is dat nadat niet langer alle passagegegevens meer mochten worden bewaard, het aantal hits juist steeg. Volgens het WODC leidde het afschaffen van de bewaarmogelijkheid tot veel meer referentielijsten, van de RDW, het CJIB, het CBR, voor onderzoek, waardoor er gerichte zoekacties konden worden uitgevoerd. Daarvoor leefde het idee dat referentielijsten niet nodig waren, omdat er achteraf toch altijd kon worden gezocht. Minder data leiden dus kennelijk tot een betere inzetbaarheid van de toch beperkte politiecapaciteit en tegelijk tot minder inbreuken op de privacy. Hoe ziet de minister dat?

Voorzitter. De evaluatie heeft geen informatie opgeleverd over de bijdrage aan vermindering van de criminaliteit, aan afschrikwekkende effecten en evenmin aan veiligheidsgevoelens of aan eventuele toename van de legitimiteit van de politie. Dit zijn wel doelen die moeten worden meegenomen in de beoordeling van de effectiviteit van ANPR, aldus het WODC. Deelt de minister deze vaststelling en hoe gaat hij die verwerken in de evaluatie? Al met al concludeert het WODC dat de meerwaarde van ANPR voor opsporing beperkt is en zij vooral voor verkeers- en voertuiggerelateerde overtredingen effectief kan zijn. Het acht de huidige informatie, technologische betrouwbaarheid en voorbereiding bij de politie onvoldoende om ANPR structureel te gaan invoeren.

De WRR constateert dat politiek enthousiasme voor nieuwe technologie vaak is gebaseerd op argumenten als vergroten van veiligheid en verhogen van effectiviteit en efficiency. Die doelen blijken vaak zwaarder te wegen dan transparantie, privacyveiligheid, keuzevrijheid en accountability. Daarom pleit de Raad voor een open en evenwichtige afweging tussen de "stuwende beginselen" (veiligheid) en "verankerende beginselen" (privacy). Wij sluiten ons graag aan bij dit pleidooi. Mocht dit voorstel toch worden aangenomen, dan hopen wij dat een dergelijke afweging in elk geval bij de evaluatie zichtbaar wordt gemaakt.

Voorzitter. De pudding is de afgelopen jaren al enigszins geproefd. Daaruit blijkt — en ik ben bang dat dit voor het hele wetsvoorstel zal gelden als het wordt aangenomen — dat we hier met een Christmas pudding te maken hebben. Het is wat vroeg misschien voor deze vergelijking, maar dat is nu mijn associatie. De wet kent namelijk een ellenlange voorgeschiedenis en de liefhebbers zweren erbij: geen kerst zonder pudding. Maar als het eindelijk op tafel staat, dan vrees ik dat hij veel te machtig blijkt voor de trek die we hebben en dat hij onze gezondheid eerder schaadt in plaats van dat hij ons beschermt. Een bakje yoghurt werkt waarschijnlijk beter na een maaltijd. Maar uiteraard wachten wij met belangstelling de antwoorden van de minister af.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Strik. Voldoende alcohol over de Christmas pudding en dan doet hij het prima. Ik geef het woord aan mevrouw Vlietstra.

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Voorzitter. Allereerst wil ook ik namens mijn fractie de minister van harte geluk wensen met zijn benoeming. Ik wens hem veel succes. Wij kijken uit naar een goede samenwerking.

Voorzitter. Het voorliggend wetsvoorstel kent een grondige voorbereiding. In twee rondes zijn door de leden vele vragen gesteld. Daarnaast is een deskundigenbijeenkomst gehouden, die veel waardevolle inzichten heeft opgeleverd. Naar de mening van mijn fractie was deze grondige voorbereiding noodzakelijk omdat — het is al vaker gezegd — twee belangen aan de orde zijn. Enerzijds is er het belang van de opsporing bij ernstige misdrijven. Anderzijds is er het recht van de burger op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. In de genoemde deskundigenbijeenkomst werd dit dilemma treffend verwoord door de heer Wolfsen van de Autoriteit Persoonsgegevens. Ik citeer: "Vrije burgers in een vrij land moeten zich vooral ook vrij kunnen bewegen en massale surveillance verhoudt zich daar niet toe, althans slecht. Maar het land moet ook veilig blijven en de politie moet dus haar werk kunnen doen." Ziedaar het dilemma.

Voorzitter. Op dit moment worden al ANPR-gegevens bewaard zonder dat daarvoor de wettelijke basis bestaat. Wetgeving is daarmee in de ogen van mijn fractie dringend noodzakelijk. In de voorbereiding op dit debat zijn door mijn fractie indringende vragen gesteld over noodzaak en reikwijdte van het verzamelen en achteraf kunnen raadplegen van ANPR-gegevens, over de waarborgen met betrekking tot opslag en gebruik van de gegevens en over de horizonbepaling van drie jaar. In het bijzonder is door ons de vraag gesteld of met het creëren van de bevoegdheid om naast zogenaamde hits ook no hits te bewaren niet een disproportionele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ontstaat en of daarmee mogelijk in strijd met artikel 8 EVRM wordt gehandeld.

Voorzitter. Wij danken de minister voor de zorgvuldige en adequate beantwoording. Veel zorgen van mijn fractie zijn daarmee weggenomen. Het wetsvoorstel bevat een reeks van waarborgen. De werking van de wet betreft uitsluitend ernstig strafbare feiten en de aanhouding van voortvluchtigen. Het verzamelen van gegevens vindt uitsluitend plaats langs de openbare weg en wanneer dat strikt noodzakelijk is op basis van een jaarlijks vast te stellen en in de Staatscourant te publiceren cameraplan. Gegevens zijn niet uitwisselbaar met andere instanties, worden maximaal vier weken bewaard en daarna geautomatiseerd vernietigd. Alleen daartoe geautoriseerde opsporingsambtenaren hebben toegang tot de gegevens op basis van een voorafgaand, schriftelijk vastgelegd bevel van de officier van justitie, die in elke zaak een zorgvuldige afweging moet maken op basis van noodzaak, reikwijdte van de zoekvraag en de inbreuk die daarmee wordt gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Mevrouw Vlietstra noemt een aantal waarborgen waarvan zij het idee heeft dat het wetsvoorstel daaraan voldoet. Ze zegt ook dat het altijd in een cameraplan wordt vastgesteld en dat het alleen gebeurt wanneer het strikt noodzakelijk is. Welke waarborgen ziet zij dat dat ook daadwerkelijk gebeurt?

Ik heb nog een andere vraag. Mevrouw Wezel en ik hebben gewezen op het feit dat gegevens, als ze eenmaal zijn opgeslagen, vervolgens verder kunnen worden verwerkt, voor andere doelen kunnen worden gebruikt en aan derden kunnen worden verstrekt. Wat vindt zij van dergelijke mogelijkheden?

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Als mevrouw Strik het goed vindt, dan zou ik graag mijn verhaal af willen maken, omdat ik aan het eind een aantal vragen formuleer die op ditzelfde terrein liggen.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Oké. Prima.

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

De laatste waarborg die ik nog wilde noemen, is dat vastlegging in een bevel toezicht en controle achteraf mogelijk maakt. Voor mijn fractie zijn dat allemaal buitengewoon belangrijke en noodzakelijke voorwaarden en waarborgen, die meewegen in de uiteindelijke bepaling van ons standpunt.

Voorzitter. Technisch is het mogelijk gegevens die geen hit geven met een referentiebestand, meteen te vernietigen. Op dit moment gebeurt dat ook. Hoewel wij begrip kunnen opbrengen voor de wens van politie om no hits gedurende een korte periode te bewaren omdat ze waardevolle informatie kunnen opleveren op een later moment, is tegelijkertijd de privacy van een grote groep weggebruikers in het geding. In de al genoemde deskundigenbijeenkomst bleek dat er tussen sprekers grote verschillen van opvatting bestaan over de mate waarin het bewaren van no hits in strijd is met artikel 8 EVRM. Ook in de afgelopen dagen is door een aantal organisaties nog eens nadrukkelijk gewezen op het in hun ogen ontbreken van noodzaak en proportionaliteit in het wetsvoorstel. De minister gaat zowel in de memorie van antwoord als in de nadere memorie van antwoord grondig in op dit buitengewoon belangrijke punt door te duiden wat de verschillen zijn tussen het onderhavige wetsvoorstel en een aantal uitspraken van het EHRM. Die verschillen betreffen doel, reikwijdte, geografische afbakening, bewaartermijn, kenbaarheid en toegang tot de gegevens. Op basis van die vergelijking trekt de minister de conclusie dat het wetsvoorstel niet in strijd is met artikel 8 EVRM. Mijn fractie kan zich op dit moment vinden in deze conclusie.

Mijn fractie heeft nog wel enkele aanvullende vragen over de uitvoering van de wet, mede naar aanleiding van het conceptuitvoeringsbesluit. Niet alleen op papier moeten alle waarborgen ter bescherming van de privacy worden vastgelegd, zeker zo belangrijk is de naleving ervan. Hoe wordt erop toegezien dat de bewaarde gegevens ook werkelijk na vier weken zijn vernietigd? Door wie wordt bewaakt dat een mondeling bevel tot raadpleging door de officier van justitie inderdaad binnen drie dagen schriftelijk wordt vastgelegd? Hoe wordt voorkomen dat verzamelde gegevens toch worden gedeeld met andere instanties en ook het buitenland? En wat als dit alles niet gebeurt? In het conceptuitvoeringsbesluit is een jaarlijkse privacyaudit voorzien. Graag hoort mijn fractie van de minister op welke wijze en door wie deze audit wordt uitgevoerd. Mijn fractie zou het op prijs stellen kennis te kunnen nemen van de jaarlijkse uitkomsten van de privacyaudit. Wij vragen de minister toe te zeggen dat deze audit ook aan deze Kamer wordt aangeboden.

Voorzitter. Een ander punt betreft de bekendmaking van het zogenaamde cameraplan. Door de minister is aangegeven dat bekendmaking geschiedt door publicatie in de Staatscourant. Mijn fractie kan zich voorstellen dat niet elke burger dagelijks deze krant raadpleegt. Mevrouw Strik noemde dat ook al. Welke andere mogelijkheden ziet de minister om de burger te informeren dat langs de weg waar hij rijdt ANPR-gegevens worden verzameld?

Een derde punt waar wij graag de reactie van de minister op willen horen, betreft de centrale opslag van de gegevens. In de toelichting op artikel 9 van het conceptuitvoeringsbesluit wordt aangegeven dat ANPR-gegevens die worden vastgelegd op grond van artikel 126jj centraal worden opgeslagen en worden gescheiden van "andere ANPR- en politiegegevens", die op grond van de artikelen 8 en 9 worden verwerkt. Wat is, zo vraagt mijn fractie, het onderscheid tussen "ANPR-gegevens" en "andere ANPR-gegevens"? Gaat het bij de laatste om ANPR-gegevens waarvan is vastgesteld dat ze verder gebruikt mogen worden in een opsporingsonderzoek en die daarmee vallen onder de Wpg? Graag helderheid op dit punt.

Onze laatste vraag betreft de horizonbepaling. Het nieuwe artikel vervalt na drie jaar, tenzij bij koninklijk besluit anders bepaald. Daartoe wordt in opdracht van de minister door het WODC een onderzoekrapportage opgesteld over de doeltreffendheid en de effecten van de wet. Graag hoort mijn fractie van de minister wat zijn ambitie is: wanneer is in de ogen van de minister sprake van voldoende doeltreffendheid en effectiviteit? Welk resultaat streeft de minister na en wanneer is hij tevreden? In de memorie van antwoord van 8 maart 2017 gaf de minister aan dat reeds overleg plaatsvindt met het WODC over de aanpak van de evaluatie. We zijn acht maanden verder en de wet wordt, als deze Kamer instemt, over acht weken ingevoerd. Kan de minister aangeven welke afspraken zijn gemaakt met het WODC?

Voorzitter. Wij kijken uit naar de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Vlietstra. Ik geef het woord aan de heer Rombouts.

De heer Rombouts (CDA):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ook ik wil me aansluiten bij de welkomstwoorden van de collega's in de richting van onze minister. Hij is niet alleen onze minister, maar hij is ook echt ónze minister. Ik spreek alle vertrouwen uit in een effectieve en constructieve samenwerking met hem.

Mevrouw de voorzitter. Mijn fractie heeft grote verwachtingen van de aanpak van de ondermijnende criminaliteit door het nieuwe kabinet. In het regeerakkoord staan daarover vertrouwenwekkende passages, bijvoorbeeld over de versterking van de strafrechtketen, de aanpak van de cybercriminaliteit, de bestrijding van het terrorisme, het verbod op motorbendes en last but not least een integrale aanpak van ondermijning en georganiseerde criminaliteit, zaken waarop door onze fractie in dit huis bij meerdere gelegenheden is aangedrongen. Wij zien de uitwerking van die voorstellen in het regeerakkoord, in het bijzonder de ondermijningswet en het ondermijningsfonds, dan ook met grote belangstelling tegemoet.

Mevrouw de voorzitter. Willen politie en justitie samen met vele andere organisaties in dit land ons land veiliger kunnen maken, dan zullen ze ook over effectieve mogelijkheden moeten kunnen beschikken om misdrijven te voorkomen, te signaleren en te bestrijden. Het wetsontwerp waarover dit debat gaat, biedt zo'n mogelijkheid. Het voegt aan het Wetboek van Strafvordering een regeling toe — het is al vaker gezegd vandaag — waardoor het vastleggen en bewaren van kentekengegevens van voertuigen in een kentekenregister mogelijk wordt. Met dit voorstel mogen zogenaamde passagegegevens worden opgenomen in het kentekenregister en binnen vier weken gebruikt worden bij de opsporing van een specifiek misdrijf en voor de aanhouding van voortvluchtige personen. Maar elk voordeel heb z'n nadeel: het massaal vastleggen en bewaren van gegevens betekent een forse inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, in het bijzonder wanneer dit ook burgers regardeert die niet verdacht worden van enig strafbaar feit. Daarom hebben wij in de schriftelijke behandeling vragen gesteld over de wijze waarop de geregistreerde gegevens bewaakt worden, hoe de verwerking en vernietiging hiervan op een beheerste wijze geschieden zal en hoe een en ander gemonitord wordt. Mijn fractie vindt dat er zeer goede argumenten moeten zijn om een inbreuk op de privacy van zo veel burgers te rechtvaardigen. Dat is het geval indien het middel dat wordt nagestreefd én proportioneel én noodzakelijk is.

Naar aanleiding van de kritiek van de Raad van State en de Autoriteit Persoonsgegevens, toen nog het College Bescherming Persoonsgegevens geheten, is het oorspronkelijke wetsvoorstel aangepast en de reikwijdte beperkt. De zorgen van mijn fractie zijn hierdoor en ook door de beantwoording van de minister — ik bedoel de vorige — gedurende de schriftelijke procedure afdoende weggenomen. Er zijn voor mijn fractie in dit wetsvoorstel, waaraan al sinds 2013 gewerkt wordt, inmiddels voldoende waarborgen ingebouwd die ons het vertrouwen geven van een zorgvuldige omgang met de geregistreerde gegevens. Uiteraard hoort mijn fractie ook graag uit de mond van deze kersverse minister dat het hem ernst is dat deze waarborgen nauwgezet door alle betrokkenen in acht zullen worden genomen en dat hij hierop ook zelf actief zal toezien, te beginnen met het tijdig en duidelijk voor de burger kenbaar maken dat en waar gegevens zullen worden geregistreerd. Verder hoort mijn fractie graag dat camera's alleen worden geplaatst op voor opsporing relevante locaties, dat de gegevens gescheiden zullen worden opgeslagen en na vier weken automatisch vernietigd worden, dat ze niet aan andere instanties ter beschikking zullen worden gesteld, dat de aard van de gegevens beperkt blijft tot — het is ook al eerder genoemd — kenteken, locatie, voertuig en tijdstip, dat gezichtsherkenning wordt voorkomen, dat toegang tot de gegevens alleen is toegestaan na een bevel van een officier van justitie, dat toegang uitsluitend wordt toevertrouwd aan geautoriseerde ambtenaren die over een unieke code beschikken, dat inzage alleen mogelijk is voor de opsporing van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis staat alsmede voor het aanhouden van voortvluchtige personen, dat het inloggen automatisch wordt vastgelegd en last but not least dat er jaarlijks een privacyaudit zal worden gehouden. Bovendien weten we dat de werking van het wetsvoorstel is beperkt tot drie jaar en na twee jaar zal worden geëvalueerd.

Als — en nu komt er een lubberiaanse zin, maar ik ben een groot fan van de voormalige premier — deze minister mijn fractie nog eens wil toezeggen dat hij op deze punten scherp zal toezien, wil ik nu al wel zeggen dat onze fractie, alles afwegende, tot het oordeel is gekomen dat het een goede zaak is dat na aanvaarding van dit wetsvoorstel de Nationale Politie en het Openbaar Ministerie in staat gesteld worden om, na jaren van voorbereiding, voor de opsporing van misdrijven en de aanhouding van voortvluchtige personen gebruik te kunnen maken van dit nieuwe opsporingsmiddel, terwijl de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die dit middel ontegenzeggelijk ook met zich brengt, met voldoende waarborgen omkleed is om hier veiligheid voor privacy te laten gaan.

De voorzitter:

Mijnheer Rombouts, u was buiten adem van die lange zin, maar u moet toch nog even terug.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik begrijp dat, als je het zelf uitspreekt, dit lastig is. Maar mevrouw Vlietstra stelde net de regering de vraag wat er uit de evaluatie moet komen om te beoordelen of het verder kan of niet. U spreekt nu bij voorbaat uw steun hiervoor al uit. Dat is fijn en duidelijk voor de minister, maar ik begrijp dat dat wel onder voorwaarden gebeurt, althans met het belangrijke punt dat er een evaluatie wordt uitgevoerd. Kunt u nou aangeven wat er voor de CDA-fractie in de evaluatie moet staan om te zeggen: nou, wij gaan door? Op welke punten zult u de evaluatie beoordelen als: nou ja, dan wordt het een ander verhaal voor ons?

De heer Rombouts (CDA):

Dat is een begrijpelijke vraag. Ik begrijp dat mevrouw Strik mijn analyse een beetje zuinig vindt. Ik vond haar kerstmenu, yoghurt, een beetje zuinig, maar dat daargelaten. We zullen de evaluatie tegen het licht houden van wat in dit wetsontwerp en in de adviezen eromheen al voldoende is beschreven. Zal het een proportioneel middel blijken? Zal op grond van het gebruik in de eerste twee jaar blijken dat het noodzakelijk was? Twee jaar is natuurlijk best een korte periode, maar als de werkingsduur maar drie jaar is, dan snap ik dat je na twee jaar zult moeten evalueren. We zullen langs alle waarborgen die ik net bewust heb opgesomd, bekijken of het nagekomen is. Daar zullen we niet alleen de evaluatie voor gebruiken maar ook de privacyaudits, waarvan ik aanneem dat we die ter inzage krijgen. Die aspecten rechtvaardigen voor ons dat je hier veiligheid voor privacy laat gaan.

Of u het wilt geloven of niet, de huidige korpschef van de nationale politie was ooit "mijn", tussen grote aanhalingstekens, korpschef in Noordoost-Brabant. Hij voorspelde tien jaar geleden al dat we dit middel nodig zouden hebben om de veiligheid in het land te waarborgen. Ik heb een dezer dagen nog even contact met hem gehad over zijn profetische gave. Als hij tien jaar geleden al aangaf dat we dit nodig zouden hebben, ook kijkend naar wat in het buitenland gebeurde, en als we samen vaststellen dat in 2013 aan dit wetsontwerp begonnen is — althans, toen begon het formele traject — dan zijn we al vijf, zes jaar bezig om dit te realiseren. Dan moeten we ook een keer de proof of the pudding willen doen. Wat ons betreft is dat geen yoghurt.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

We kunnen iets in het midden vinden, tussen Christmas pudding en yoghurt. U geeft aan dat objectief moet vaststaan dat het noodzakelijk en proportioneel is. Volgens u stelt dat ook eisen aan de manier waarop in de komende twee jaar wordt geregistreerd wanneer die ANPR-gegevens worden gebruikt. Ik neem aan dat de politie dan ook elke keer moet aangeven waarom er geen alternatief voorhanden is en waarom het noodzakelijk is. Dat is voor ons belangrijk om straks te kunnen toetsen hoe het werkelijk is ingezet en of de noodzaak naar voren komt.

De heer Rombouts (CDA):

U stelt een bijna retorische vraag.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ja, maar ik wil graag uw bevestiging.

De heer Rombouts (CDA):

Laat ik er nog het volgende over zeggen. Er zijn eigenlijk niet zo veel wetten waaraan wij meteen een horizonbepaling koppelen. Dat is hier wel gebeurd. Dat zegt eigenlijk al dat wij allemaal, ook de initiatiefnemers, degenen die het wetsvoorstel hebben ingediend en hebben gemaakt, na korte tijd willen kijken of het nog steeds proportioneel en nodig is.

De voorzitter:

De initiatiefnemer van dit wetsvoorstel is de regering, maar goed, dat maakt niet uit. Er is nog een vraag van mevrouw Wezel. Mijnheer Rombouts, het is net als bij Heintje Davids, u moet iedere keer terug.

De heer Rombouts (CDA):

Heen en weer.

Mevrouw Wezel (SP):

Hij is een populaire man. Ik heb nog een vraag aan de heer Rombouts. Mevrouw Vlietstra en mevrouw Strik hadden het er net ook al over. Ik heb aangegeven dat de Autoriteit Persoonsgegevens vragen heeft gesteld over de verstrekking aan derden voor andere doeleinden in het buitenland. Dat baart de SP nogal wat zorgen. Wat is het standpunt van het CDA daarover?

De heer Rombouts (CDA):

Ik vind die vraag heel begrijpelijk. Met u wacht ik eerst even af wat de minister daarover zegt. Ik heb er natuurlijk begrip voor dat je over de grens heen moeten samenwerken als het gaat om terrorisme en zware criminaliteit en dat je soms gegevens moet delen. Maar als we in het binnenland zeggen dat we de gegevens niet met de Belastingdienst, de provincies of anderen gaan delen, dan moet er nogal wat aan de hand zijn als je ze wel gaat delen met buitenlandse instanties. Ik ben met u benieuwd naar wat de minister daarover te melden heeft.

De voorzitter:

Zo te zien kunt u nu inderdaad gaan zitten, mijnheer Rombouts. Ik geef het woord aan de heer Knip.

De heer Knip (VVD):

Voorzitter. Ook mijn fractie wenst de minister geluk met zijn benoeming en ziet uit naar een vruchtbare samenwerking met hem en de regering. Ik wens hem ook geluk met het feit dat hij vandaag in dit huis voor het eerst het woord mag voeren over een zo principieel en materieel belangrijk wetsvoorstel.

Voorzitter. Ik kan inhoudelijk zeer kort zijn. Nadat eerst is besloten over dit wetsvoorstel te stemmen zonder plenair debat, is door enkele fracties alsnog een debat aangevraagd, met als redengeving dat een zeer recente ontwikkeling in de jurisprudentie nieuw licht op de zaak zou werpen. Uiteraard heeft mijn fractie zich daar niet tegen verzet. Immers, als te elfder ure zou blijken dat het wetsvoorstel tekortkomingen vertoont, geldt zeker voor een zorgvuldig wetgevingsproces: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Ik ben het op dat punt geheel met mevrouw Strik eens. Wat daarom hier en nu belangrijk is, is de beoordeling van de eventuele gevolgen van de bedoelde laatste jurisprudentie voor dit wetsvoorstel.

Wat mijn fractie betreft staan de subsidiariteit en proportionaliteit van dit voorstel niet meer ter discussie, want dat zou voor een groot deel een herhaling van zetten opleveren. De aandacht moet nu uitgaan naar de beoordeling van het Tele2-arrest in het licht van Digital Rights Ireland en het Watson-arrest, zoals ook is gevraagd in de brief van de Kamercommissies J&V en I&A/JBZ van 5 oktober inzake dataretentie. Zeker gezien de beschrijving in de nadere memorie van antwoord van de vijf waarborgen in dit wetsvoorstel, juist over het omgaan met en de aanwending van kentekengegevens, zijn wij nog niet overtuigd door de argumentatie van de initiatiefnemende fracties voor dit debat dat dit wetsvoorstel zou moeten worden heroverwogen. We zien daarom uit naar het standpunt van de regering.

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Knip. Mevrouw Strik.

De heer Knip (VVD):

Gelukkig ben ik ook populair, voorzitter. Dat stelt mij gerust.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Daarom stel ik toch maar even een vraag aan de heer Knip. U noemde de recente ontwikkelingen van de jurisprudentie in Europa. Tot onze verbazing kwam daar nog een nieuwe ontwikkeling bij. Op de dag waarop het voorstel als hamerstuk stond gepland, kwam er een rapport door het WODC uit over de effectiviteit van de huidige ANPR-praktijken. Dat was al een wat ouder rapport. Het is al ruim een halfjaar oud, maar het kwam toen pas vrij. Dat rapport is behoorlijk kritisch over de mate waarin ANPR effectief is en kan zijn voor de opsporing van misdrijven. Ik neem aan dat u die studie ook tot u hebt genomen. Ik zou graag willen weten wat de VVD-fractie daarvan vindt.

De heer Knip (VVD):

Die studie hebben wij inderdaad tot ons genomen. Je zou inderdaad kunnen zeggen dat een aantal zaken tot nadenken stemt. We hebben het nu een paar keer gehad over de proof of the pudding, Christmas pie en wat dies meer zij …

De voorzitter:

Christmas pudding.

De heer Knip (VVD):

Christmas pudding. Ik denk dat we nu maar eens moeten beginnen met het te gaan doen. Je kunt wel steeds inschattingen maken en aan de hand van beperkte ervaringen zeggen "het zal wel of niet werken", maar mijn fractie heeft nu geen behoefte meer aan yoghurt met alcohol, maar aan een wetsvoorstel dat wet wordt en kan gaan werken.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dan heb ik toch nog een laatste vraag. U staat er helemaal achter, maar u zegt wel: the proof of the pudding is in the eating. Betekent dat dat die evaluatie voor u ook nog steeds van groot belang is? Is dat voor u weer een nieuw punt om te beoordelen of we door kunnen gaan met deze wetgeving?

De heer Knip (VVD):

Zoals gezegd: het is voor ons geen hinderpunt. Maar je zou dat heel goed moeten betrekken bij het oordeel over drie jaar of je die wet al dan niet wilt verlengen, ook in het licht van wat de heer Rombouts zei over die horizonbepaling, waar wij in de eerste termijn overigens ook naar hebben gevraagd. In die zin is ook het nieuwe rapport buitengewoon zinvol.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Oké, dus het is geen onvoorwaardelijke ja. Maar u vindt de evaluatie over drie jaar wel een serieus markeringspunt om te bekijken of we hiermee moeten doorgaan?

De heer Knip (VVD):

Mevrouw Strik kent de open mind van de VVD-fractie.

De voorzitter:

Oké. Ik moet toch even iets kwijt over die Christmas pudding. In een echte Christmas pudding zitten kleine zilveren bedeltjes. Daar kan je je tanden op stuk bijten. Mevrouw Wezel.

Mevrouw Wezel (SP):

Ik heb ook nog een vraag aan de heer Knip. Ik begrijp dat de VVD meteen wil beginnen met het gebruiken van de kentekengegevens voor het opsporen van verdachten. Dat gebeurt natuurlijk al en dat is ook een goed streven. Maar hoe kijkt de VVD aan tegen het gebruik door derden voor andere doeleinden in het buitenland?

De heer Knip (VVD):

Ik kijk net als de heer Rombouts uit naar het antwoord van de minister. Dat wil ik graag even horen. Op zich is het een relevante vraag. Ik moet u bekennen dat ik het antwoord daarop niet onmiddellijk zelf weet, dus vandaar dat ik dit even wil afwachten.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Knip.

Wenst een van de leden in eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval.

De vergadering wordt van 15.04 uur tot 15.49 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de minister van Justitie en Veiligheid.

Minister Grapperhaus:

Mevrouw de voorzitter, dank u wel. Laat ik beginnen met te zeggen dat het een eer en een genoegen is om uitgerekend hier, vandaag in uw Kamer, mijn parlementaire spreekdebuut, anders dan het beantwoorden van mondelinge vragen, te houden. Ik heb in het verleden wel een beroep uitgeoefend waarin openbare betogen aan de orde waren, maar ik wil nu alvast toegeven dat we de rechtsstatelijke diepte die uw Kamer gewoon is te gebruiken, in de praktijk natuurlijk toch helaas wat minder vaak tegenkomen.

U bent het rechtsstatelijke geweten van onze democratie. Ik denk dat de nadruk die in de eerste termijn is gelegd op verenigbaarheid van dit wetsvoorstel met rechtsbeginselen, daar ook van getuigt. Ik wil dan ook de woordvoerders en u, mevrouw de voorzitter, danken voor de diepte in het debat, die we hopelijk verder gaan krijgen, maar overigens ook voor de uiterst vriendelijke woorden die in mijn richting zijn gesproken. Ik hoop uiteraard op een samenwerking in de komende jaren die zich als vruchtbaar laat kenschetsen. Met het woord "vrucht" in het woord vruchtbaar zou ik bijna gaan raken aan de nogal vaak aan de orde geweest zijnde Christmas pudding, ware het niet dat mijn overgrootvader van Duitse boerenkomaf was en wij nog altijd in de familie Weihnachten en Heiliger Abend vieren. En daar is, zoals u hopelijk zult begrijpen, Christmas pudding niet bij voorradig. Wel is het ieder jaar weer een verrassing, wanneer de vader of de moeder de bel heeft geluid en men de kerstboom voor het eerst mag aanschouwen, om daarin een veelheid aan prachtige versierselen te zien. Daar zou ik bijna de vragen in deze Kamer mee willen vergelijken, maar ik beloof u dat ik verder niet op deze vergelijking zal terugkomen maar nu ter zake zal komen.

Het ANPR-wetsvoorstel regelt de bewaring van kentekengegevens van voertuigen wanneer voertuigen langs de openbare weg een camera passeren. Kentekengegevens mogen vier weken worden bewaard, en gedurende die termijn kunnen de kentekens beschikbaar komen voor politie en justitie voor specifieke opsporingstaken, heel beperkte specifieke opsporingstaken. Dan gelden voor dat gebruik strikte voorwaarden voor toegang tot en het gebruik van die kentekengegevens.

Dat wetsvoorstel is voor de opsporing van criminaliteit van groot belang. Kentekengegevens kunnen belangrijke aanwijzingen opleveren. Er kunnen verdachten mee in beeld worden gebracht en er kunnen verdachten mee uitgesloten worden. Ook kan het bijdragen aan het achterhalen van de verblijfplaats van de verdachte, en er kan door die gegevens worden gekeken of er meer verdachten bij een bepaald strafbaar feit betrokken waren. Het kan heel belangrijk zijn bij de opsporing van ernstige misdrijven waarbij voertuigen zijn betrokken, hetzij omdat het misdrijf met behulp van een voertuig is gepleegd, hetzij omdat een voertuig is gebruikt om weg te vluchten of sporen uit te wissen. Ook kan het belangrijk zijn in situaties waarin het gaat om de voertuigen zélf, bij voertuigendiefstal. Je kunt dan denken aan ernstige strafbare feiten als gewelddadige berovingen, ontvoeringen, ladingdiefstal, overvallen, ram- en plofkraken en levensdelicten. Tegenover dit alles staat natuurlijk het element van de privacy. Daar gaat het, denk ik, vandaag vooral om: de afweging tussen enerzijds de opsporing, waarin een element zit van bescherming van de burgers, en anderzijds de privacy, waarin een element zit van bescherming van de individuele burger.

Het zal u niet ontgaan zijn dat ik natuurlijk ietwat later in dit wetgevingstraject ben ingestapt, maar ik kan u zeggen dat ik volledig achter het resultaat sta dat ik hier vandaag toelicht. Dat komt omdat er al in de Tweede Kamer een heel zorgvuldig debat is gevoerd, waarin verschillende wijzigingen zijn aangebracht. In de eerste nota van wijziging is vastgelegd dat alleen geautoriseerde opsporingsambtenaren bij de gegevens mogen en dat gegevens ook echt definitief vernietigd moeten worden na vier weken. In een tweede nota van wijziging zijn aanpassingen gemaakt naar aanleiding van de uitspraken van het Hof van Justitie. Ook zijn er amendementen aangenomen van de PvdA en de VVD over een zorgvuldige evaluatie en van de ChristenUnie over de voorhang van het uitvoeringsbesluit en het koninklijk besluit tot verlenging.

Er zitten veel waarborgen in dit wetsvoorstel. Ik kwam uiteindelijk tot een gelaagde optelsom van maar liefst tien waarborgen. Er mag niet zomaar of lichtvaardig gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid. Dat mag alleen bij de opsporing bij verdenking van een ernstig strafbaar feit of bij het traceren van voortvluchtigen, en alleen op bevel van de officier van justitie. Nog zo'n waarborg: de gegevens worden apart van andere gegevens bewaard. En ik heb net al een aantal dingen gezegd naar aanleiding van de wijziging in de Tweede Kamer over die speciale geautoriseerde opsporingsambtenaren.

Het wetsvoorstel heeft een heel goede — ik mag wel zeggen: optimale — balans gevonden tussen het belang voor de maatschappij van aan de ene kant opsporing en aan de andere kant de privacy van burgers. In onze maatschappij, waarin technologieën zich ontwikkelen en de criminaliteit zich ook ontwikkelt, moet de politie bijblijven en de middelen kunnen benutten om criminaliteit op te sporen. Wij moeten met elkaar in de maatschappij de afweging tussen het opsporingsbelang en het privacybelang ook durven maken. Dat vraagt de rechtsstaat van ons. Ik wijs erop dat dit wetsvoorstel nog eens extra een horizonbepaling bevat: de wet komt over drie jaar te vervallen, tenzij de regering besluit tot verlenging van de wet. Ik zal aan het slot in dat kader iets zeggen over — daar is naar gevraagd — mijn ambities en wat een evaluatie zou moeten inhouden. Maar wat die afweging betreft wordt hiermee dus echt een heel zorgvuldig wetsvoorstel voorgelegd.

Voorafgaand aan het aflopen van die horizontermijn wordt een evaluatie aan uw Kamer gezonden waarin zowel de effectiviteit als de privacyaspecten zullen worden bekeken. Op basis van dat alles hoop ik dat we straks samen kunnen vaststellen dat de wet ANPR een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de opsporing én dat de wet voldoende waarborgen heeft laten zien voor de privacybescherming. Ik zal u, zoals al aangekondigd, in de tussentijd de jaarlijkse privacyaudit toesturen, zodat u ook van dat aspect tussentijds op de hoogte blijft.

Voorzitter. Graag dank ik nogmaals de leden die zojuist over het wetsvoorstel het woord hebben gevoerd, voor de door hen gestelde vragen en door hen uitgesproken steun. Ten aanzien van degenen die zich kritisch hebben uitgelaten of die anderszins aanvullende vragen hebben gesteld, hoop ik dat deze behandeling ertoe kan leiden dat ook zij zich bij het wetsvoorstel kunnen aansluiten.

Dan kom ik nu toe aan de beantwoording van de gestelde vragen. Ik wil proberen dat zo veel mogelijk per onderwerp te doen. Ik begin met het onderwerp privacy. Het lid Knip — maar ik meen dat dat ook uit de vragen van andere woordvoerders naar voren is gekomen — heeft gevraagd wat de gevolgen van de recente jurisprudentie van het Hof voor dat wetsvoorstel zijn. Ik ga ervan uit dat daarmee bedoeld is het zeer recente PNR-advies van het Hof van Justitie van de EU van 26 juli 2017. Andere jurisprudentie waaraan natuurlijk wordt gerefereerd, over Digital Rights en Tele2, dateert allemaal van eind 2016 of nog daarvoor en is al uitvoerig behandeld door mijn ambtsvoorganger in de memorie van antwoord.

Welnu, dat PNR-advies van 26 juli 2017 ging over de vraag of de overeenkomst met Canada op het punt van Passenger Name Record de toets der kritiek kon doorstaan. Ik haal daar twee dingen uit. Op de eerste plaats iets wat juist een onderschrijving is van het uitgangspunt van het wetsvoorstel. Het enkele feit, zo zegt het Hof van Justitie, dat gegevens van onverdachte personen worden bewaard maakt nog niet dat er sprake is van een schending. Ik citeer met uw permissie in het Engels: "The agreement therefore does not exceed the limits of what is strictly necessary, merely because it permits the systematic retention and use of the PNR data of all air passengers." Het Hof zegt dus heel duidelijk dat het gegeven dat men aan systematische dataretentie doet van PNR-data van álle passagiers, op zichzelf nog niet betekent dat er sprake is van een schending. Dat is een belangrijke opmerking om te maken.

Het tweede dat ik uit het advies van het Hof van Justitie haal, betreft de waarborgen die in de uitspraak worden getoetst. Dat zijn overigens de bekende toetsstenen die eerder door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van de EU in de al genoemde zaken naar voren waren gehaald. Dat zie ik als jurist wel voor me bij, zo noem ik het maar even, deze Canadese overeenkomst: op veel punten viel het verkeerd uit. Als je die toetsstenen van de jurisprudentie neemt en legt langs dit wetsvoorstel, dan voldoet dit wetsvoorstel, zo heeft mijn ambtsvoorganger al uitvoerig laten zien in de memorie van antwoord, nu juist wel op alle punten aan de toetsen van beide Europese Hoven.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dank voor het antwoord. Ik heb het idee dat niet alleen het advies van het Hof over PNR van belang is, maar ook de Tele2-, Watson- en Digital Rightsarresten. Ook al heeft uw voorganger daar al een antwoord op gegeven in de schriftelijke rondes, ik ga die criteria langs in mijn eerste termijn. Ik heb die juist als toetsingskader gebruikt om aan te geven dat er nog steeds hier en daar een spanning zit. Het Hof heeft daarover bijvoorbeeld nadrukkelijk gezegd dat een algemeen en ongedifferentieerd verzamelen en opslaan van gebruikers- en vervoersgegevens zelfs niet voor het doel van zware criminaliteit kan worden gerechtvaardigd. Het Hof heeft gezegd dat er daarom veel beperkingen moeten worden gesteld. Ik loop die beperkingen langs. In tijd — vier weken — valt het misschien mee, maar qua locatie en gezien het feit dat voor alle mensen geldt dat hun gegevens worden opgenomen, zijn er toch wel goede redenen om te twijfelen aan de overeenstemming met deze arresten. Ik hoop toch dat de minister nog nader zal ingaan op deze punten.

Minister Grapperhaus:

Ik wil daar natuurlijk op ingaan, waarbij ik wel het volgende vooropstel. De uitgangspunten van de arresten zijn inmiddels uitvoerig aan de orde geweest. Het gaat eerst om het legitieme doel. Daarvan heeft het Hof gezegd in het Tele2-arrest dat op zichzelf opsporing van criminaliteit een legitiem doel is. Die barrière zijn we dus voorbij. Waar het daarna op neerkomt, is de proportionaliteitstoets. Dan legt het Hof criteria aan die liggen op het gebied van geografische beperking, op het gebied van bewaartermijnen en op het gebied van inhoudelijke en procedurele elementen. Dan ga ik toch dit wetsvoorstel er langs leggen en zeg ik hardop het volgende. In dit wetsvoorstel geldt een korte bewaartermijn van vier weken. Er moet een machtiging zijn van een officier van justitie. Dat moet leiden tot een schriftelijk verzoek van de opsporingsambtenaar aan de speciaal daartoe geautoriseerde opsporingsambtenaar. Dat wordt een select gezelschap, dat ook nog eens een zeer persoonlijke authenticatie krijgt. Dan is het volgende dat dit verzoek alleen maar mag als het aantoonbaar betrekking heeft op specifieke misdrijven, zoals ik die eerder omschreef. Dan is het ook nog eens zo — laten we dat niet vergeten — dat het hier alleen gaat om kentekeninformatie. Dus er wordt nog geen enkele achterliggende persoonsinformatie gegeven. Dan wordt het ook nog eens apart bewaard.

Als je dat langs de lat van het Hof legt inzake Tele2 en Digital Rights, dan is dit, vind ik, een heel zorgvuldig, zuiver afgewogen voorstel. Sommige critici — die heb ik hier in deze Kamer ook wel gehoord vandaag — vragen zich af of de bewaartermijn niet te kort is. Nee. Misschien, mevrouw de voorzitter, kan ik die vraag meteen beantwoord hebben.

Waarom vier weken? In de Tweede Kamer zijn twee amendementen ingediend: een over een halfjaar en een over twee jaar. Allebei de amendementen zijn door de Tweede Kamer afgewezen. We hebben hier met vier weken aangesloten bij wat op grond van de Gemeentewet geldt voor cameratoezicht. Overigens is dat ook in België de termijn. Dat lijkt ook een heel redelijke afweging: een beperkte periode voor opsporingsdoeleinden en daarna alles vernietigen.

Ik heb het hele rijtje nog eens opgesomd en ik vind dat de criteria hier juist in gunstige zin uitvallen. Dat dat bij Tele2 anders was, had natuurlijk alleen al te maken met het feit dat het niet zomaar om telecommunicatiegegevens ging, dus bijvoorbeeld om het verzamelen van alleen nummers. Nee, het ging daar ook om het feit dat gegevens van gesprekken bekend werden. Het werd dus niet alleen duidelijk dat ik uw nummer gebeld had, maar ook wat wij met elkaar besproken hadden en dergelijke. Ik ga hier nu niet al te uitvoerig op in, maar ik meen dat dat toch wel veel en veel verder gaat.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik verschil er ook met uw voorganger over van mening dat het hier wel degelijk gaat om een algemene, ongedifferentieerde opslag van gegevens. Uw voorganger, en misschien vindt u dat ook, zei: nee, dat is niet zo, want dat gebeurt alleen maar van mensen die langs bepaalde camera's komen. Dat is toch ongedifferentieerd, want het gaat er juist om dat er geen verschil wordt gemaakt tussen mensen die met enig strafbaar feit in verband worden gebracht en onschuldige burgers. Daar zit nog steeds het punt dat er geen beperking wordt aangebracht. Ik wil er ook nog op wijzen dat het Hof van Justitie het nadrukkelijk heeft over zware criminaliteit. Zelfs in dat geval is die algemene en ongedifferentieerde opslag niet terecht. Natuurlijk, de term "serious crime" wordt ook wel gebruikt. De minister zei net dat het alleen gaat om ernstige misdrijven. Ik vraag me toch echt af of hij dat kan volhouden bij misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Dat kan soms zelfs ook gaan om winkeldiefstallen. De vraag is toch of we niet te ruim zijn met onze criteria om dergelijke algemene, ongedifferentieerde opslag mogelijk te maken. Ik kom straks graag terug op de meer precieze antwoorden.

Minister Grapperhaus:

Mevrouw de voorzitter, u wilt mij wel vergeven, maar ik hoop dat het redelijk gaat. Ik heb nog een beetje het gevoel van de 2 voor 12-quiz: dat ik de goede antwoorden erbij moet zoeken. Maar ik heb ook van tevoren nog eens goed gekeken naar de serious crimes, want ik vond het wel een interessante juridische vraag. Dat is overigens ook al uitgebreid in de memorie van antwoord aan de orde geweest, maar toch. In Europees verband wordt het onderscheid gemaakt tussen "offences" — overtredingen, "crimes" — misdrijven, en "serious crimes" — misdrijven van een bepaalde ernst. Het wordt aan de nationale wetgever overgelaten om aan te geven wanneer er sprake is van serious crimes. Het Hof van Justitie geeft voorbeelden, maar definieert dat begrip niet. Misdrijven, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kunnen worden aangemerkt, en die merk ik in ieder geval aan als serious crimes. We hebben in Nederland een uitgebreide campagne op het gebied van high-impact crime, de heel erg dicht bij de mensen staande criminaliteit, zoals woninginbraak en straatroof. Dat wij dat high-impact crime noemen, komt omdat dit voor de betrokken burgers een enorme impact op hun leven heeft als ze dat overkomt. Ik vind dat serious crimes. Mijn voorganger vond dat ook. Dat is een definitie van serious crimes waar het Hof van Justitie en de EU ons de ruimte toe laten. Ik sta daar ook achter.

Ten slotte de differentiatie. Ik ben van mening dat er inderdaad enige differentiatie in zit. Dat heeft te maken met het enigszins door een van de vragenstellers gehekelde punt van wat de openbare weg is, want veel keus heb je niet. Dat is niet helemaal waar, want er leiden veel wegen naar Rome. Los daarvan zit er een zekere differentiatie in of ik die openbare weg wel of niet gebruik. Ik weet niet of u dat een heel vergaande differentiatie vindt. Ik wil best met u meegaan als u zegt dat dit misschien niet het geval is, maar dan kom ik terug op het feit dat dit wetsvoorstel zo veel waarborgen biedt op het gebied van het beschermen van de levenssfeer van de individuele burger dat dit er ruimschoots tegen opweegt.

Mevrouw Wezel (SP):

Voor de opslag in eerste instantie zijn een heleboel waarborgen. Het grootste probleem is mijns inziens het volgende. Als het eenmaal is opgeslagen, dan kan het voor allerlei soorten misdrijven worden gebruikt, maar, zoals ik al aangaf, het kan ook aan derden worden verstrekt voor andere doeleinden. Dan blijken alle waarborgen ineens overboord te worden gegooid.

Minister Grapperhaus:

Voor dat verstrekken aan derden kom ik terug op de waarborgen die zowel in het wetsvoorstel als in het daaruit voortvloeiende besluit zitten. Als de ANPR-gegevens voldoen aan de zoekvraag en dus relevant zijn voor het opsporingsonderzoek — ik blijf herhalen dat dit alleen speelt in een heel beperkte aantal strafbare feiten — dan mogen ze verder worden verwerkt. Dan zijn het gewone politiegegevens. Neem een voortvluchtige bankovervaller. Bij knooppunt Oudenrijn — laten we een neutraal knooppunt nemen — wordt een no hit geconstateerd. De politie kan daardoor de voortvluchtigheid van deze overvaller vaststellen, laten we zeggen, tot in Noordoost-Brabant. Daar wordt nog een keer een no hit met de camera geconstateerd. Op dat moment weten we dat nog niet, maar de auto wordt in ieder geval gesignaleerd. Uiteindelijk weet men hem te traceren. Daarmee wordt niet zozeer het opsporingsbewijs geleverd, maar de opsporing wordt daarmee wel op een heel belangrijke manier gefaciliteerd. De kentekengegevens van de voortvluchtige bankrover komen dan in het relevante opsporingsonderzoek. Als u met een derde bijvoorbeeld bedoelt de takeldienst die de auto van de bankovervaller voor onderzoek moet komen ophalen, of het NFI dat onderzoek aan de auto moet doen, dan heeft u op zichzelf helemaal gelijk. Maar ik vind het, als wij op een gegeven moment door alle waarborgen heen zijn en we een zware misdadiger hebben mede dankzij die gegevens in een opsporingsonderzoek, dan gewoon politiegegevens. Dat is wat anders dan u suggereert, alsof elke willekeurige derde met die kentekengegevens aan de haal zou kunnen gaan.

Mevrouw Wezel (SP):

Ik vind het een goed punt dat de ANPR-gegevens worden gebruikt voor het pakken van die bankovervaller. Maar wat er gebeurt, en dat vertelde het OM toen ook bij de bijeenkomst hier, is dat alle data worden opgeslagen, dus van alle automobilisten op al die wegen. Dat betekent dat alle informatie die dan is opgeslagen politiegegevens betreft en dat die politiegegevens kunnen worden verstrekt aan derden voor andere doeleinden. Dat zijn ook de kentekengegevens van al die andere automobilisten op de Nederlandse wegen in dat tijdvak.

Minister Grapperhaus:

Als u het goedvindt, gebruik ik deze reactie meteen om een antwoord te geven op wat mevrouw Bredenoord vroeg over wat de wettelijke waarborgen zijn dat er geen profielen worden gemaakt. De wet sluit uit dat er profielen worden gemaakt, er wordt alleen — daar kom ik weer op terug — op basis van een concrete zoekvraag in het systeem gezocht. Dan komen we op een zoekvraag die is gerelateerd aan serious crimes. Dat is allemaal heel expliciet vastgelegd in artikel 126jj, derde lid, Wetboek van Strafvordering waar staat: uitsluitend. Het mag alleen in het kader van een concreet opsporingsonderzoek naar een ernstig strafbaar feit of de aanhouding van een voortvluchtige. Het is dus niet zo dat de politie met de kentekengegevens van onschuldige burgers dingen gaat doen.

Mevrouw Wezel (SP):

Ik verwijs naar het rapport van de Autoriteit Persoonsgegevens, waarin staat dat er gegevens aan derden voor andere doeleinden kunnen worden verstrekt, bijvoorbeeld aan derden in het buitenland, en dat bij die verstrekkingen de artikelen die de minister net noemde niet van toepassing zijn. Daar zijn vragen over gesteld. Wat de minister stelt, komt in ieder geval niet overeen met het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens. Graag een reactie.

Minister Grapperhaus:

Daarover het volgende. Ook voor buitenlandse verzoeken geldt dat die worden getoetst aan dezelfde criteria. Dat zijn dus dezelfde soort beperkte strafbare feiten die in Nederland gelden. Daarvoor gelden precies dezelfde zorgvuldigheidswaarborgen die ook voor de vanuit Nederlandse opsporing komende opsporingsverzoeken gelden.

Mevrouw Bredenoord (D66):

Ik kom even terug op het antwoord over de bewaartermijn van 28 dagen. Een van onze vragen en zorgpunten was waarom 28 dagen een redelijke bewaartermijn is. Als ik het goed hoorde, was het antwoord van de minister dat dit een redelijke, zorgvuldige bewaartermijn is omdat die aansluit bij gemeentelijke verordeningen en omdat het in België ook zo gebeurt. Ik zou graag wat meer inhoudelijke redenen horen waarom dit een redelijke afweging is. Waarom is er niet gekozen voor een andere termijn, bijvoorbeeld alleen real time?

Minister Grapperhaus:

Dat was een deel van mijn antwoord, moet ik toegeven. Ik heb er ook op gewezen dat er in de Tweede Kamer over is gediscussieerd. Er zijn zelfs amendementen ingediend die de termijn tot een half jaar en tot twee jaar verlengden, maar die hebben het niet gehaald. Daarmee mogen wij met elkaar vaststellen dat er voor een termijn van meer dan zes maanden geen draagvlak bestaat in de maatschappij. Vervolgens is de afweging welke termijn in redelijkheid de opsporing de kans geeft om echt iets met die no hits te kunnen doen, daartegenover afwegend de proportionaliteit ten opzichte van het feit dat al die gegevens worden meegenomen. Wij vinden vier weken een redelijke termijn waarbinnen de opsporing in staat moet kunnen zijn om ver te kunnen komen. Daarbij is inderdaad ook gekeken naar hoe het elders in Nederland, respectievelijk bij onze zuiderburen is geregeld. In de evaluatie over drie jaar gaan we er verder naar kijken. Ik wachtte al op het moment waarop uw collega, de heer Dercksen, zou opstaan, maar hij heeft dat al gedaan, en zou vragen: waarom toch zo'n korte termijn? Daar zit een afweging in die nu op vier weken uitkomt, nogmaals rekening houdend met het feit dat de Tweede Kamer heeft gezegd: in ieder geval minder dan zes maanden.

Mevrouw Bredenoord (D66):

Volgens mij zijn we het erover eens dat een van de kernvragen is of het een proportionele inbreuk op de privacy is. Ik denk daarom dat die termijn van 28 dagen een heel duidelijke inhoudelijke motivering behoeft. Hoe korter de bewaartermijn, hoe kleiner — relatief gezien —- de inbreuk. Waarom zou die termijn dan niet toch op 14 of 5 dagen worden gesteld? Kunt u daar toch nog iets meer over zeggen? Ik denk dat u dan voor een deel al antwoord gaat geven op de mogelijke vraag van collega Dercksen.

Minister Grapperhaus:

Ik wil hem het recht niet ontzeggen om een eigen antwoord te krijgen op zijn eventuele vragen, dus ik beperk mij toch tot uw vraag. Ik stel vast dat uit de afweging van al die belangen naar voren komt dat je een termijn moet hebben waarin de opsporing goed gebruik van de gegevens kan maken. Ik zeg "goed gebruikmaken", want "optimaal gebruikmaken" van die gegevens zou betekenen dat je ze inderdaad twee jaar zou moeten bewaren, zoals op dit moment in het Verenigd Koninkrijk geldt. Aan optimaal gebruik in de ogen van de opsporingsinstanties komen we dus niet toe. Een kortere termijn dan vier weken zal de opsporing toch wel snel in verlegenheid brengen omdat het nu eenmaal niet zo is dat alles meteen in de eerste dagen helder wordt en dat je al die no hits nuttig kunt gebruiken. Dat weten we uit ervaring.

Ik schetste net het voorbeeld van iemand die voortvluchtig is geweest en van wie je de route wilt vaststellen. Daar zul je toch echt in de opsporing een redelijke tijd voor moeten kunnen hebben. Maar goed, u heeft wel een punt als u vraagt: kunt u dat empirisch staven? Dat kan ik op dit moment niet. Dat heeft ook gewoonweg te maken met het feit dat we de komende drie jaar ervaring hiermee moeten gaan opdoen. Het argument van het opsporingsapparaat dat het in ieder geval een redelijke periode moet zijn omdat je niet meteen de volgende dag al kunt zeggen dat je het hebt opgelost, zoals een collega van u ook suggereerde, lijkt in ieder geval valide genoeg om deze toch in de ogen van het opsporingsapparaat betrekkelijk korte termijn te hanteren.

De heer Dercksen (PVV):

Die amendementen zijn ingediend voor de verkiezingen van maart. Als ik de redenering van de minister mag volgen, is er intussen wel maatschappelijk draagvlak voor de verlenging van de termijnen, want de partijen die de amendementen steunden, hebben in de Tweede Kamer intussen een meerderheid. Heb ik het nu goed begrepen dat u niets wilt doen aan die vier weken? Wilt u dat dan wel heel nadrukkelijk betrekken bij de aangekondigde evaluatie, ook in combinatie met de ervaringen in Groot-Brittannië?

Minister Grapperhaus:

Ik ga toch alvast iets onthullen van wat ik aan het slot wilde zeggen over mijn ambities. We moeten natuurlijk over drie jaar met elkaar vaststellen of dit inderdaad een positief effect op de opsporing heeft gehad, of we ook echt kunnen zeggen dat we goed binnen de grenzen — ik zeg ook: echt goed binnen de grenzen — van die proportionaliteit zijn gebleven en of het ook echt zo is uitgepakt. In dat kader zul je dus ook die vier wekentermijn tegenkomen. Het zou kunnen dat we over drie jaar met elkaar vaststellen: het werkt wel, maar als je die termijn zou verlengen, dan zou het veel beter zijn.

Voorzitter, met uw goedvinden ga ik door met de beantwoording. Mevrouw Vlietstra van de PvdA heeft gevraagd naar het onderscheid tussen de ANPR-gegevens en de andere ANPR-gegevens in het besluit. We hebben ANPR-gegevens die op grond van deze bevoegdheid worden verzameld. Die ANPR-gegevens gaan, zoals gezegd, apart bewaard worden. Daarvoor gelden aparte regels. Er zijn ook nog andere ANPR-gegevens, die bijvoorbeeld op grond van artikel 3 van de Politiewet worden vastgelegd omdat ze op een referentielijst voorkomen. Daarop is het uitvoeringsbesluit niet van toepassing. Dat zijn dus andere ANPR-gegevens. Het gaat erom dat voor de gegevens die op grond van dit wetsvoorstel worden bewaard aparte, strengere regels worden opgenomen.

Laat ik ook meteen antwoord geven op de vraag van mevrouw Vlietstra over het toezien op de vernietiging. De ANPR-gegevens zullen automatisch worden verwijderd. Dat doet het systeem zelf. De ICT zal daar uitvoerig op worden getest voordat ANPR wordt ingezet. Ook bij de jaarlijkse audit zal de vernietiging van gegevens een punt van aandacht zijn. Om tegemoet te komen aan de zorg van uw Kamer zal ik de korpschef vragen of hij in de beginfase een extra menselijke controle kan uitvoeren om te toetsen of de automatische vernietiging structureel sluitend functioneert. "Menselijk" is dan bedoeld in de zin van: door mensen.

Mevrouw Wezel (SP):

Ziet dat dan ook op de informatie die wel is veiliggesteld? Mijn ervaring is dat er een heleboel restinformatie is van opsporingsonderzoeken. Ook deze informatie komt daarin voor en die wordt juist niet vernietigd. Kunt u met betrekking tot deze gegevens — dat zijn gegevens waarvoor een bevel wordt afgegeven — toezeggen dat die veiliggestelde en bewaarde informatie ook wordt vernietigd binnen een bepaalde tijd?

Minister Grapperhaus:

Als u doelt op informatie die na de machtiging van de officier van justitie op verzoek van een opsporingsambtenaar na autorisatie met die speciale authenticatie is afgegeven louter en alleen voor die zware criminaliteit, voor die serious crimes, dan zeg ik: die informatie komt in het opsporingsonderzoek terecht. De ANPR-gegevens die zich sec nog in het systeem bevinden worden verwijderd, maar die informatie zit in het opsporingsonderzoek, dus ik kan niet … Die informatie zit in het opsporingsonderzoek.

Mevrouw Wezel (SP):

Dan zit er in dat strafrechtelijk onderzoek natuurlijk een heleboel no-hitinformatie van burgers die helemaal niets met dat strafrechtelijk onderzoek te maken hebben. Dat is hetzelfde als met taps. Er zijn een heleboel tapgesprekken. Hoe ga je daarmee om? Hoe ga je om met de no-hitinformatie van al die andere mensen die daar niets mee te maken hebben? Die informatie zit dan wel in het strafrechtelijk onderzoek.

Minister Grapperhaus:

Nee, nee, dat zie ik niet zo. Dat zit daar niet in.

De voorzitter:

U kunt hier ook in tweede termijn nog op terugkomen.

Minister Grapperhaus:

Ik zal daar straks nog even op terugkomen, maar die zit volgens mij niet in dat …

Mevrouw Wezel (SP):

Je krijgt een berg informatie.

Minister Grapperhaus:

Nee, maar die krijgt die opsporingsambtenaar niet. Die krijgt toegespitste …

Mevrouw Wezel (SP):

Je krijgt een berg informatie.

De voorzitter:

Nee, mevrouw Wezel. Minister, mocht u er nog iets anders over willen zeggen, dan kunt u dat ook nog in de tweede termijn doen. Daarin komt dit ook nog aan de orde.

Minister Grapperhaus:

Mevrouw Wezel vroeg wat de meerwaarde is van verstrekking voor andere doeleinden aan het buitenland. Dan heb ik in ieder geval toch nog een antwoord op een door haar gestelde vraag. Gegevens mogen niet worden verstrekt — ik heb dat al gezegd, maar ik zeg het nog eens — voor andere doelen dan opgenomen in het wetsvoorstel, ook niet aan het buitenland. Ook in het buitenland mag dat alleen voor de twee doelen die specifiek genoemd zijn. Dat is ook nog eens allemaal vastgelegd in het uitvoeringsbesluit. Ik denk dat het wel belangrijk is dat we deze informatie — nogmaals, op verzoek, na een machtiging van de officier van justitie — bijvoorbeeld kunnen verlenen in het geval dat er in België een aanslag is gepleegd en er aanwijzingen zijn dat de pleger of medeverdachten ook in Nederland zijn geweest of naar Nederland zijn gevlucht, of in het geval dat de Belgische autoriteiten verzoeken om kentekengegevens van het voertuig van de verdachte in de periode waarin die mogelijk in Nederland was, om zo zijn gangen na te kunnen gaan.

Mevrouw Vlietstra vroeg: wat doet de minister om de privacy van burgers te waarborgen en hoe wordt gegarandeerd dat de wettelijke regels worden nageleefd? Mevrouw Strik stelde dezelfde vraag. In de eerste plaats is het heel belangrijk dat deze gegevens apart bewaard worden. Gewone opsporingsambtenaren kunnen er niet bij. Alleen speciaal door mij daartoe geautoriseerde opsporingsambtenaren kunnen dat. Een zoekvraag kan alleen worden ingevoerd in het kader van een lopend opsporingsonderzoek of ter aanhouding van een voortvluchtige veroordeelde. Ik herhaal: daarvoor is steeds het bevel van de officier van justitie nodig. Ik benadruk dat andere bevragingen niet mogelijk zijn. We gaan daar in de privacyaudit ieder jaar over rapporteren.

Waarom is het niet nodig om een rechter-commissaris te betrekken? Ook die vraag is uitvoerig aan de orde geweest in de memorie van antwoord, dus ik beperk mij tot een wat korter antwoord, met uw welnemen, mevrouw de voorzitter. Het gaat hier om een andere situatie dan in de Tele2-uitspraak van het Hof, onder andere vanwege de aard van de gegevens. Daarover heb ik net al wat uitgelegd. Dat waren echt heel duidelijk tot de persoon te herleiden telefoongegevens. Bij ANPR gaat het niet om vertrouwelijke telecommunicatie. Daardoor valt de waardering van het belang van de persoonlijke levenssfeer anders uit. Bij de tweede nota van wijziging is bepaald dat er een bevel van de officier van justitie moet zijn. Dan sluit de bepaling ook aan bij de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden, waarvoor ook de officier van justitie de beslissende autoriteit is.

Dan is er het rapport van Regioplan in opdracht van het WODC dat afgelopen zomer is verschenen, over intelligente toepassingen van ANPR. In dat rapport wordt ingegaan op bestaande toepassingen en wordt ook verwezen naar het eerdere rapport van DSP. In het rapport wordt vastgesteld, onder verwijzing naar het rapport van DSP, dat informatie niet altijd rechtstreeks tot opheldering van een misdrijf leidt, maar een bijdrage kan leveren aan het onderzoek door aanwijzingen over personen die wel of niet in de buurt van het misdrijf waren. De meerwaarde van het wetsvoorstel is dat gegevens die belangrijke aanwijzingen voor de opsporing kunnen opleveren, worden bewaard. De toegevoegde waarde van dit wetsvoorstel voor de opsporing zal natuurlijk pas echt in beeld kunnen komen als we die evaluatie hebben gedaan.

Ten slotte wil ik in het kader van dat rapport toch nog bladzijde 2 van dat rapport citeren. Daar staat onder het kopje Methoden van onderzoek en beperkingen: "Het onderzoek is uitgevoerd door middel van literatuurstudie en interviews, waarbij het zwaartepunt bij interviews met functionarissen van de Nederlandse politie heeft gelegen. Het onderzoek heeft daarom duidelijke beperkingen: mogelijk zijn er nieuwe ontwikkelingen waarover niet in openbare bronnen wordt gerapporteerd, omdat ze strijdig zijn met maatschappelijke opvattingen of om criminelen niet wijzer te maken dan noodzakelijk; [en] het onderzoek richt zich voor een belangrijk deel op toepassingen van de politie. Verder geldt dat er op dit moment veel nieuwe (organisatorische) ontwikkelingen bij de Nederlandse politie gaande zijn die hun beslag nog moeten krijgen en waarvan de werking en de effectiviteit nog moet blijken. Het onderzoek is dus mogelijk te vroeg gekomen." Ik sluit mij bij die laatste zin aan.

Er is ook gezegd — ik meen door mevrouw Bredenoord, die volgens mij de Raad van State parafraseerde — dat de voorbeelden uit de jurisprudentie … O, pardon.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

U doet het rapport wel een beetje makkelijk af, moet ik zeggen. Het rapport is onder verantwoordelijkheid van het WODC uitgekomen en ik vind dat er vrij veel belangwekkende informatie in staat die niet uit de lucht is gegrepen. Het zijn voor een deel ook feiten. Op basis van die feiten vind ik de conclusie toch vrij zorgwekkend, namelijk dat het qua bijdrage aan de opsporing een heel beperkte meerwaarde heeft op dit moment. Terecht maken de onderzoekers het voorbehoud dat dat nu deels zo is omdat het wetsvoorstel nog niet is aangenomen, maar ze kijken ook naar de ervaringen in het Verenigd Koninkrijk en de VS. Daar staat het al jarenlang wel in de wet, maar ook daar is nog steeds sprake van een onderontwikkeling van het gebruik van ANPR voor de opsporing. De onderzoekers zeggen ook dat het vaak vooral om laaghangend fruit gaat. Dat hangt ook sterk samen met het feit dat er geen politiecapaciteit voor is. Daar zou je dan ook op moeten inzetten. De vraag is dus wel waar je je capaciteit op inzet. Dan ben je er dus niet met ANPR zelf, maar zul je ook iets met die gegevens moeten doen. Dus om nou te zeggen dat we er geen conclusies aan kunnen verbinden … Wat vindt de minister van het feit dat het tot nu toe, hier en in andere landen, toch maar een heel beperkte bijdrage heeft geleverd? Dat is natuurlijk belangrijk voor de afweging ten opzichte van de privacy.

De voorzitter:

Kunt u uw interruptie afronden, mevrouw Strik?

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Als het weinig effectief is, is het kennelijk ook niet noodzakelijk, misschien. Dan komt die afweging wel anders te liggen.

Minister Grapperhaus:

Laat ik beginnen — dat is een beetje aan de zijkant van dit debat — met te zeggen dat ik in deze nieuwe functie in ieder geval één aangename rol heb, namelijk dat ik het land in mag om bij de politie te vertellen dat het kabinet extra geld ter beschikking heeft gesteld in verband met de capaciteit. Dat is altijd plezierig, goed nieuws. Over hoe zich dat gaat uitkristalliseren moeten we het nu niet hebben, maar dat is in ieder geval toch een niet onbelangrijke kanttekening.

Ik doe dat rapport niet af als niet ter zake doend of wat dan ook. Ik zal niet mijn hele verhaal herhalen, maar ik wijs erop dat ook in het rapport wordt gezegd dat die informatie niet altijd leidt tot een "hebbes, we hebben de boef te pakken", maar wel tot meer aanwijzingen, die vaak cruciaal kunnen zijn. Dat geldt ook voor de jurisprudentiegevallen die in de behandeling in de Tweede Kamer genoemd zijn. Ik zie u gebaren; het zijn inderdaad maar vier jurisprudentiegevallen. Ik zal zo nog iets zeggen over de reden dat het er maar vier zijn. Maar dit zie je ook in die jurisprudentiegevallen. De politie had daar de ANPR-informatie voor no hits experimenteel gebruikt, of omdat het dan maar moest. Je ziet dat het in die gevallen net even een extra duw in de goede richting geeft. Daar zegt dit rapport ook gewoon goede dingen over. Ik doe helemaal niets af aan het nut van dat rapport op een aantal punten, maar ik blijf erbij dat het eigenlijk te vroeg is. Laat ik het zo stellen: hier is iemand die uw pudding bij voorbaat, al aan het begin van het diner, zou afwijzen, als je in die vergelijking kunt praten. Ik denk dat we dat niet moeten doen. Ik denk dat we echt eerst die evaluatie moeten hebben. Nogmaals, er zitten ook positieve punten in het rapport. Dat geldt dus ook voor de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, mevrouw Strik.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Misschien gaat de minister nog nader in op de evaluatie, maar wanneer hij denkt dat de afweging nog steeds in het voordeel van ANPR valt, in welke mate moet de effectiviteit bij de evaluatie dan zijn gebleken?

Minister Grapperhaus:

Als u het goed vindt, zal ik daar aan het slot nog iets over zeggen, bij de vragen over onze ambitie.

Ik wou eerst nog iets zeggen over die voorbeelden, waar ik net al over begon. Ik zag mevrouw Strik vier vingers opsteken; ik neem aan dat zij doelde op de vier uitspraken die tijdens de behandeling in de Tweede Kamer aan de orde zijn geweest. Het interessante is: waarom zijn daar zo weinig uitspraken over? Omdat de politie die no hits niet kon gebruiken. Als u die vier zaken leest, ziet u dat de politie in twee van de vier zaken een tik op de vingers krijgt omdat ze die gegevens niet mag gebruiken. In de derde zaak wordt trouwens ook gezegd dat de politie die informatie niet mag gebruiken, maar gelukkig wordt het bewijs dan op andere gronden alsnog geleverd. Ik heb zelf jarenlang jurisprudentieonderzoek gedaan — maar mevrouw Strik ook, denk ik — en het vervelende is dat jurisprudentie natuurlijk geen statistische afspiegeling is van wat er in de praktijk werkelijk gebeurt.

Als u het goed vindt, wilde ik door, want anders duurt het lang. Wat gaat er precies bewaard worden? Camera's mogen alleen worden geplaatst op de locaties die voldoen aan de criteria die in de wet zijn opgenomen. Laat dat nog eens duidelijk zijn. Mevrouw Bredenoord vroeg nog of camera's kunnen worden geplaatst bij gevoelige plaatsen zoals kerken, scholen en moskeeën. In het wetsvoorstel is vastgesteld dat camera's op of aan de openbare weg worden geplaatst. De criteria voor de plaatsing van camera's staan in het ontwerp-ANPR. Camera's kunnen worden geplaatst op bepaalde plaatsen die een risico voor criminaliteit opleveren of die als vluchtroute worden gebruikt. In het cameraplan wordt verantwoording afgelegd over keuzes rondom de plaatsing. Dat cameraplan wordt niet alleen in de Staatscourant, maar ook op de website Overheid.nl gepubliceerd. Ik kan niet bij voorbaat uitsluiten dat zo'n camera eens een keer in de buurt van een school of een kerk staat, maar dan kan het uitsluitend gaan om kentekens van passerende voertuigen, niet om de bezoekers van de scholen of kerken, en ook alleen maar als wordt voldaan aan de verdere criteria van het besluit.

Mevrouw Bredenoord (D66):

Ik zou toch ook nu graag willen horen wat de waarborgen zijn dat die camera's daar toevallig staan om passerende auto's te scannen en dat ze niet met een reden precies bij de kerk of de ggz-instelling zijn neergezet. Welke waarborgen hebben wij om dat te geloven?

Minister Grapperhaus:

Ze worden niet bij de kerk of de moskee neergezet omdat er daar een kerk of een moskee is. Ze worden op de openbare weg geplaatst op een plaats die voldoet aan een van de drie criteria die de wet noemt. Dat is één.

Dan twee. Er kan in het zichtveld, ergens in de verte of waar dan ook, een school of een verenigingsgebouw staan. Laat ik even andere voorbeelden noemen. Nogmaals, het gaat dan alleen maar om kentekens van passerende auto's die gedurende 28 dagen, vier weken in het bewaarsysteem opgenomen blijven. Dat bewaarsysteem mag alleen worden geraadpleegd door geautoriseerde opsporingsambtenaren op verzoek van een door de officier van justitie gemachtigde opsporingsambtenaar. Dat verzoek moet in het teken staan van die specifieke categorieën misdrijven. Ik heb het nog niet genoemd, maar daarbij speelt ook nog mee dat die geautoriseerde en geauthenticeerde opsporingsambtenaar moet registreren wie de opsporingsambtenaar is, wat het doel is van zijn onderzoek en wat allemaal niet meer. Het staat ver af van iemand die het in zijn hoofd zou kunnen halen om op die foto's te kijken wat er bij de kerk gebeurt. Dan moet hij ze gaan uitvergroten. Dat gebeurt helemaal niet. Dat kan niet.

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, mevrouw Bredenoord. Kort.

Mevrouw Bredenoord (D66):

Het gaat mij niet zozeer om wat er bij de kerk, de moskee of de ggz-instelling gebeurt. Het gaat mij om het loutere feit dat je in kaart kunt brengen dat mensen frequente bezoekers zijn van een bepaalde instelling. Dat is al privacygevoelige informatie. Dat is mijn punt.

Minister Grapperhaus:

Dat kunt u niet in kaart brengen. U moet het zo zien: die camera brengt niet in kaart, die registreert. Laat ik aannemen dat ik opsporingsambtenaar ben en onderzoek doe naar een voortvluchtige bankovervaller. Ik vraag om de gegevens van die camera met betrekking tot een bepaald kenteken. Er wordt dan heel zorgvuldig getoetst voordat ik toestemming krijg; ik ga het niet allemaal herhalen. Met codes gaat die speciale ambtenaar dat bekijken. Ik krijg dan alleen maar informatie dat dat kenteken op woensdagavond 18.00 uur gezien is op die locatie. That's it. Ik krijg ook geen informatie over wie de eigenaar van die auto is, laat staan dat hij die kerk bezoekt. Ik moet hier nog aan toevoegen — dat had de discussie een stuk vergemakkelijkt — dat in het uitvoeringsbesluit is vastgelegd dat de camera's niet op niet-openbare plaatsen mogen worden gericht. Vandaar dat ik zei: als je per ongeluk ergens in de verte nog iets ziet. Ja? Goed!

Ik denk dat ik de vragen van mevrouw Bredenoord al voldoende heb beantwoord toen ik even met mevrouw Strik in debat was over hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot de uitspraken van het Hof van Justitie.

We hebben het uitvoerig gehad over het cameraplan en de bewaartermijn.

Is het wetsvoorstel proportioneel? Daar heb ik inmiddels ook uitvoerig op geantwoord.

De voorzitter:

Mevrouw Strik, kort graag.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Het kan dat ik even zat te slapen, maar ik heb geen antwoorden gehoord op mijn vragen over wie het cameraplan vaststelt, omdat het idee is dat de politie dat vaststelt, en vanwege de checks-and-balances en zo.

Minister Grapperhaus:

Ik was iets te snel. Ik dacht dat dat misschien al voldoende aan de orde was geweest. Mijn excuses.

Ieder jaar wordt er een cameraplan opgesteld. Daarin moeten alle camera's worden opgenomen die voor ANPR worden ingezet, zoals bedoeld in dit wetsvoorstel. Het wordt opgesteld door de korpschef in samenspraak met het OM. Het cameraplan wordt aan mij als minister gezonden en daarna openbaar gemaakt in de Staatscourant en op Overheid.nl. De inzet is daarmee controleerbaar. In het cameraplan wordt vastgelegd waar en hoeveel vaste camera's zijn geplaatst. Er wordt ook in opgenomen hoeveel mobiele camera's zullen worden ingezet en op welke soort locaties.

Ik denk dat ik de meeste vragen nu toch heb beantwoord. Ik heb voldoende geantwoord dat de publicatie plaatsvindt in de Staatscourant en op Overheid.nl.

Door wie wordt bewaakt dat een mondeling bevel binnen drie dagen schriftelijk wordt vastgelegd, zoals in de wet wordt beschreven? Dat wordt binnen het Openbaar Ministerie bewaakt, dat verantwoordelijk is. Allereerst de individuele officier van justitie, maar daarnaast ook de hoofdofficier van justitie en de procureur-generaal zien erop toe dat dat zorgvuldig gebeurt. In een strafzaak zal de rechter in het strafdossier dat altijd nog een keer beoordelen.

Mevrouw Strik stelde een vraag over het WODC-rapport. Ik hoop dat ik die inmiddels heb beantwoord. Anders kan dat nog in tweede termijn.

Ik kom aan de beantwoording van de vragen van mevrouw Vlietstra. Waar zal de evaluatie zich op richten? De evaluatie zal in hoofdlijnen ingaan op twee onderwerpen: de effectiviteit voor de opsporing en de privacyaspecten. Bij de effectiviteit zal natuurlijk naar de casuïstiek maar ook naar cijfers worden gekeken. Bij de privacyaspecten zal ook worden gekeken naar de uitkomsten van de jaarlijkse privacyaudits. De evaluatie staat op de onderzoeksprogrammering van het WODC. Momenteel buigen onderzoekers zich over de onderzoeksopzet die de effectiviteitsvraag kan beantwoorden. Dat is een heel lastige vraag, omdat je — dat durf ik u niet eens uit te leggen — niet altijd heel duidelijk kan zeggen wat uiteindelijk de betekenis is geweest in de strafzaak.

Ik ben mevrouw Vlietstra er zeer erkentelijk voor dat zij de vraag heeft gesteld wat eigenlijk mijn ambitie is en wanneer in mijn ogen sprake is van doeltreffendheid. Voor mij moet de ambitie van dit wetsvoorstel zijn dat straks duidelijk blijkt dat het een belangrijke bijdrage levert aan de opsporing van ernstige strafbare feiten en dat de bescherming van de privacy van de burgers daar niet of nauwelijks onder geleden heeft; sterker nog, dat burgers daardoor juist een veiligere samenleving hebben gekregen. Dat zal uit de evaluatie moeten blijken. Ik heb daar alle vertrouwen in. Ik eindig waar ik begon. Ik vind dit echt een wetsvoorstel waarbij de balans tussen het opsporingsbelang enerzijds en het belang van de individuele levenssfeer anderzijds zeer zorgvuldig is gewogen.

Ik hoop in eerste termijn antwoord te hebben gegeven op de bij de leden bestaande vragen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan zijn we nu toegekomen aan de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik geef het woord aan de heer Dercksen.

Mevrouw Wezel (SP):

Kunnen we even vijf minuten schorsen?

De voorzitter:

Nu, op dit moment? Ik kijk even rond. Is iedereen daarmee akkoord? Vijf minuten, maar dan ook echt vijf minuten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Dercksen.

De heer Dercksen (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen en de onderbouwing van de zorgvuldigheid van dit voorstel, dat niet zaligmakend is maar dat wel kan helpen om criminelen en terroristen op te sluiten. Ik heb me ook wel een beetje verbaasd over de, zo het lijkt het wel, onwil bij een aantal collega's om te begrijpen dat het systeem alleen kan worden geraadpleegd daar waar het serieuze verdachten en serieuze criminaliteit betreft. Ik vind het onjuist dat men de zweem van onduidelijkheid, die men lijkt te willen plaatsen hier, niet staaft aan de feiten, aan dit voorstel. Ook de capaciteitswinst die dit voorstel gaat opleveren voor de politie is wat mij betreft onderbelicht gebleven.

Ik heb nog één vraag uit de eerste termijn openstaan en die betreft — dat schuurt een beetje langs deze wet — de zorgen bij met name de burgemeesters in Zuid-Nederland. Zij maken zich zorgen over de grensoverschrijdende criminaliteit en zouden graag een snellere uitwisseling van ook kentekengegevens willen hebben. Daar is nu een internationaal rechtshulpverzoek voor nodig en dat kost een hoop tijd. Ik zeg Zuid-Nederland, maar ook vanuit Utrecht wordt er nogal geplofkraakt in Duitsland. Het zou goed zijn als tussen landen om ons heen, nu wij geen grenzen hebben, sneller gegevens, waaronder kentekengegevens, kunnen worden uitgewisseld. Ik vraag de minister of hij daartoe stappen zou willen ondernemen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Dercksen. Ik geef het woord aan mevrouw Bredenoord.

Mevrouw Bredenoord (D66):

Voorzitter. Ik wil allereerst de minister graag bedanken voor zijn antwoorden. Ik meen uit de eerste termijn nog een antwoord te missen op mijn vraag over de mozaïektheorie. Wellicht kan de minister daar nog wat verder op ingaan.

Feitelijk neemt de minister met dit voorstel een hypotheek op de toekomst. Hij geeft zelf ook aan dat er op dit moment geen harde cijfers zijn. Het is dus niet empirisch te onderbouwen hoe effectief het wetsvoorstel is. Feitelijk moet dat gaan blijken de komende drie jaar.

Waar ik dan toch een beetje mee blijf zitten, zijn het rapport van het WODC en ook de ervaringen uit het Verenigd Koninkrijk. Daar blijkt toch vooral dat het geen of maar een heel beperkte bijdrage levert aan de opsporing van zware criminaliteit en dat het vooral gaat om het kleine bier, de kleine overtredingen. Daarmee blijft een feit dat er een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer en dat de afweging of die gerechtvaardigd en proportioneel is moeilijk blijft. Voor mijn fractie blijft het nog onduidelijk hoe nu moet worden bepaald of het wetsvoorstel proportioneel is als de effectiviteit feitelijk nog ongewis is.

Ook houd ik mijn twijfels bij de bewaartermijn van 28 dagen. We hadden het er even over en toen gaf de minister aan dat dat kennelijk nodig is voor de opsporing. Kennelijk heeft de politie dus 28 dagen nodig om iets te kunnen doen met de eventuele hits. We weten allemaal dat er achterstanden zijn bij politie en OM, dus gaat, als ik dan deze logica zou volgen, de bewaartermijn alleen maar langer worden en niet korter. Ik meende dat de minister toch ook een soort voorschot nam op de evaluatie en dat hij zei: het kan dat het toch ruimer moet dan 28 dagen en misschien zelfs naar twee jaar, zoals in het Verenigd Koninkrijk.

Ik heb verder goed geluisterd naar de antwoorden van de minister en van mijn collega's. Ik neem die mee terug naar de fractie om onze uiteindelijke positie te bepalen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Bredenoord. Ik geef het woord aan mevrouw Wezel.

Mevrouw Wezel (SP):

Dank u wel, voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen. Er zijn nog twee openstaande vragen, die ik graag nog aan de minister wil stellen. Ik pak ze er even bij. De eerste was de vraag of de minister kan toezeggen dat hij ons schriftelijk bericht over wat zijn doelen zijn ter verbetering van de doorlooptijden binnen de strafrechtketen, gekoppeld aan concrete termijnen en acties. De tweede vraag was of de minister wil toezeggen dat hij het conceptuitvoeringsbesluit aanvult met de antwoorden op de vragen van de Autoriteit Persoonsgegevens en dat hij het aangepaste conceptuitvoeringsbesluit dan wel uitvoeringsbesluit voorlegt aan deze Kamer. Daar mis ik nog de antwoorden op.

De voorzitter:

Ik wil u wat vragen, mevrouw Wezel. In hoeverre is uw vraag over de prestaties in de strafrechtketen gerelateerd aan het specifieke onderwerp van dit wetsvoorstel?

Mevrouw Wezel (SP):

Dat is gerelateerd aan dit wetsvoorstel, omdat dit een methode is om de prestaties in de strafrechtketen te verbeteren. Maar je ziet aan de andere kant dat die prestaties achterblijven. Ik ben benieuwd wat hij wil gaan doen om de doorlooptijden in die keten te verbeteren.

De voorzitter:

Ik moet u toch zeggen dat ik vind dat het wel heel erg vergezocht is om dat onderwerp — dat is een onderwerp waar de Algemene Rekenkamer ooit een heel indringend rapport over heeft geschreven, jaren geleden — nu zomaar even op een achternamiddag — dat zeg ik dus even, echt een achternamiddag — te betrekken bij een wetsvoorstel dat gaat over het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie. Ik vind het dus enigszins buiten de orde.

Mevrouw Wezel (SP):

Ja. Ik zal een korte toelichting geven. Zoals ik ook aangaf in mijn debattekst zelf, zitten er een heleboel slachtoffers te wachten totdat hun zaak wordt opgepakt door de politie en er wordt vervolgd. Dat zijn mensen die mij in de afgelopen tijd hebben gemaild. Het is iets waar ik zelf ook mee zit en waar een heleboel mensen mee zitten. Ik spreek nu de minister en in het kader van de vraag wat we gaan doen aan de versterking van die opsporing vind ik het belangrijk om die vraag te stellen. Dat is de reden dat ik die vraag heb gesteld. Ik begrijp dat u dat anders ziet.

De voorzitter:

Ik zie dat anders. U spreekt inderdaad — dat ben ik met u eens — nu de minister, maar dat betekent niet dat vragen over de hele waaier van al datgene wat speelt in het strafrecht, in de strafrechtketen en in de opsporing nu aan de minister kunnen worden gesteld. Maar goed, ik heb mijn punt heel duidelijk gemaakt. Ik vind het echt, zoals ik u al zei, buiten de orde van het wetsvoorstel over het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie.

Mevrouw Wezel (SP):

Dat is duidelijk. Dank u.

Even kijken, mijn volgende punt. De minister gaf aan dat de no-hitinformatie "naam" en "bevel aan de officier van justitie" niet in het strafrechtelijk onderzoek komen. De opsporingsdienst verzamelt allemaal informatie en dat gaat soms om voetbalvelden vol, zo weet ik uit ervaring. Daar komt ook alle no-hitinformatie in, dus ook alle kentekengegevens van alle burgers die geen verdachte zijn. Het is mijns inziens, en naar het inzien van de fracties van de SP en de Partij voor de Dieren, niet wenselijk dat de no-hitkentekengegevens van burgers die geen verdachte zijn in die restinformatiebakken komen. Daarnaast stelt de minister dat alleen de info van de bewuste camera wordt vastgelegd. In de praktijk blijkt dat alle ANPR-data, afhankelijk van de opdracht, kan worden opgevraagd over een bepaalde periode en dat je aan de hand van die informatie bepaald gedrag kunt zien van een verdachte, bijvoorbeeld dat die steeds naar een bepaalde plaats gaat en weer terug. Dat betekent dat de informatie van al die andere niet betrokken burgers ook in die informatiebak terechtkomt en dat vind ik nogal zorgelijk. Daarom verzoek ik de minister om te reageren op de vraag hoe hij voornemens is de informatie die in die restbakken of in die opsporingsinformatie terechtkomt te vernietigen.

Verder heb ik vragen gesteld over het moment dat die informatie eenmaal is vastgelegd na een bevel van de officier en beschikbaar is. Ik dacht net van de minister gehoord te hebben dat het niet verstrekt zou worden aan derden en het buitenland en ook niet voor andere doeleinden. Dat heb ik de minister horen zeggen en dus ga ik daarvan uit, maar ik wil in ieder geval een motie op dit punt indienen.

De voorzitter:

Door de leden Wezel, Koffeman, Ruers, Meijer en Köhler wordt de volgende motie voorgesteld:

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de minister in het uitvoeringsbesluit uit te sluiten dat de no-hitkentekengegevens verstrekt kunnen worden aan derden, aan het buitenland en voor andere doeleinden anders dan voor opsporingsdoeleinden en de inlichtingendiensten,

en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt letter H (33542).

Dank u wel, mevrouw Wezel. Ik geef het woord aan mevrouw Strik.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor de prettige uitwisseling van argumenten en voor de antwoorden op onze vragen. Ik ben bang dat we voor dit moment moeten besluiten dat we agree to disagree, maar wie weet komen we bij de evaluatie wel tot een gezamenlijke conclusie. Dat zou heel mooi zijn.

Wat me opvalt, is dat de minister zo makkelijk zegt dat de EU-jurisprudentie inmiddels klip-en-klaar is, dat we het daar niet meer over hoeven te hebben. We hebben toevallig vandaag nog een uitstelbrief gekregen van de minister, waarin hij vraagt om wat meer geduld te hebben omdat nog niet allemaal is uitgekristalliseerd op EU-niveau wat de consequenties zijn. Wij blijven dus nog steeds met belangstelling uitkijken naar nadere duiding.

Voor nu — ik denk dat ik het voldoende gezegd heb — vinden wij de opslag en de bewaring te algemeen geformuleerd en de beperkingen te weinig beperkt. Ik zou me nu willen beperken tot de locaties, want dat hangt samen met het cameraplan. Wij vinden het eigenlijk echt onbegrijpelijk dat er zowel in de wet als in de AMvB zo weinig concrete criteria staan over de locaties, want die bepalen natuurlijk heel erg hoe algemeen die bewaar- en verzameldata nu worden vastgelegd, en dat het cameraplan, waarin staat waar het allemaal moet gebeuren, door de politie zelf wordt opgesteld. De minister heeft net eventjes uitgelegd hoe het gaat. Ja, ik weet ook hoe het gaat, maar ik wil weten hoe hij daartegen aankijkt en waarom niet bijvoorbeeld het OM dat doet, in het kader van de checks-and-balances, of het liefst eigenlijk nog de minister zelf. Het spijt me dat ik weer beeldspraak gebruik, maar het is toch een beetje een slager die zijn eigen vlees keurt; toch weer in termen van voedsel! Maar het blijft toch een beetje raar dat de politie zelf mag bepalen waar het noodzakelijk is dat de camera's worden opgehangen en waar de data uit kunnen worden gehaald die zij nodig hebben voor de opsporing.

Met betrekking tot de proportionaliteit: de minister zegt dat de gegevens lang niet zo ver gaan als bij het arrest Tele2. Ik zou dan ook nog even het arrest Digital Rights willen aanhalen. Ook daar ging het om verkeersgegevens, dus niet rechtstreekse, inhoudelijke communicatie maar wel wie met wie gebeld heeft et cetera. Ik denk dat hij er iets te makkelijk aan voorbijgaat dat vervoersgegevens — waar mensen zich bevinden, waar ze vaker heen gaan, hoe ze zich verplaatsen — wel degelijk iets kunnen zeggen over de privacy. Ik meende net de minister iets te horen zeggen over "inzittenden kunnen we zien". Misschien kan hij dat even rechtzetten, want volgens mij moet het volstrekt helder zijn dat het echt alleen gaat om de auto's en de kentekens en niet om de inzittenden.

Een andere vraag, waar de minister nog niet op gereageerd heeft, is of de gegevens niet op een andere manier te verkrijgen zijn. Ik denk dat dat ook weer een belangrijk punt is om straks de proportionaliteit te toetsen bij de evaluatie. Ik zou de minister ook willen vragen in hoeverre hij ervoor zal zorgen dat wij bij die evaluatie informatie hebben over het volgende. Als de officier van justitie toestemming geeft voor het verkrijgen van de data, wordt dan ook inderdaad inzichtelijk gemaakt of die informatie niet op een andere manier te verkrijgen is geweest en in hoeverre dat noodzakelijk is? Op die manier kunnen we straks echt een goede afweging maken. Het gaat er daarbij natuurlijk ook om in hoeverre het een belangrijke bijdrage is aan het opsporen van ernstige strafbare feiten.

Tot slot. We hebben het al heel veel over de pudding gehad. Voor een deel was die pudding het wetsvoorstel zelf, want daarin moeten de procedurele waarborgen zitten waardoor we kunnen zeggen: we kunnen hier met een gerust hart mee instemmen. U heeft onze twijfels gehoord. De rest zal inderdaad moeten blijken bij de uitvoering van de wetgeving. Dan is het interessant dat ik aangeef dat de rapporten en de ervaringen uit het buitenland tot nu toe toch wel behoorlijk wat twijfels geven over de effectiviteit, en daarmee over de noodzakelijkheid, en dat de minister daarop zegt: daar valt nog niet zoveel uit op te maken. Maar daarmee zegt de minister ook dat we nog niet alles weten over in hoeverre het effectief zal zijn. Het is dus toch een beetje een sprong in het onbekende. Ik mag hopen dat ook degenen die hier nu wel veel meer voorstander van zijn, straks echt onbevangen en objectief zullen kijken of het wel degelijk die bijdrage levert aan de opsporing van ernstige misdrijven zoals nu wordt aangenomen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Strik. Ik geef het woord aan mevrouw Vlietstra.

Mevrouw Vlietstra (PvdA):

Voorzitter, dank u wel. Ook ik dank de minister voor zijn antwoorden. Ik wil nog op een paar punten ingaan.

Ik snap dat het moeilijk is om de ambitie waar ik naar gevraagd heb echt smart te formuleren. De formulering van de minister dat hij duidelijk een belangrijke bijdrage geleverd wil zien aan de opsporing van ernstige strafbare feiten met zo weinig mogelijk negatieve effecten op de privacy van de burger, kan ik uiteraard onderschrijven. Er is hier gewezen op het rapport van het WODC. Dat is nog niet heel hoopgevend op dit punt, dus laten we inderdaad de ambitie van de minister om dat met dit wetsvoorstel duidelijk beter te laten zijn voor ogen houden.

De privacyaudit komt jaarlijks. Ik zou me kunnen voorstellen dat we qua effectiviteit niet pas na drie jaar gaan kijken hoe het uitpakt, maar dat het ook tussentijds van belang kan zijn om eens even te kijken hoe het daar nou mee staat en of de effectiviteit op de opsporing inderdaad een stijgende lijn vertoont.

Wat betreft het toezicht op de automatische vernietiging van gegevens ben ik blij met de opmerking van de minister dat de ICT uitvoerig wordt getest alvorens ANPR wordt ingezet en dat in de beginfase ook extra menselijke inzet wordt gepleegd op dit punt. We weten dat met de ICT bij de politie nog weleens wat aan de hand wil zijn, dus op dit punt heeft de minister mij gerustgesteld.

Ik heb gevraagd of de minister nog andere mogelijkheden ziet om het cameraplan bekend te maken. Ik begrijp dat naast de Staatscourant ook Overheid.nl wordt gehanteerd. Mevrouw Strik heeft nog gevraagd of bijvoorbeeld ook gedacht is over het plaatsen van bordjes bij de wegen waar die camera's worden gebruikt. Ik zou graag willen dat hij daar nog op ingaat.

Het punt van de ANPR-gegevens en de andere ANPR-gegevens roept bij mij verwarring op. Ik zag ook dat de Autoriteit Persoonsgegevens in het advies over het conceptuitvoeringsbesluit daar een opmerking over maakt. Als ik me goed herinner, doet zij de minister zelfs de suggestie om dat onderscheid niet te maken.

Ten slotte. Mijn fractie deelt de opvatting dat met alle waarborgen die in het wetsvoorstel zitten en de horizonbepaling van drie jaar, er een verantwoorde balans is tussen enerzijds het belang van de opsporing en anderzijds het recht van de burger op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Wij kijken uit naar de evaluatie over drie jaar. Uiteraard, mevrouw Strik, zullen wij onbevooroordeeld, met een open mind en niet vooringenomen de rapportage op dat punt van het WODC en van de minister beoordelen.

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Vlietstra. Ik geef het woord aan de heer Rombouts.

De heer Rombouts (CDA):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik heb ooit eens het advies gekregen: richt je niet te veel op degenen die tegen zijn en die je waarschijnlijk toch niet kunt overtuigen, maar focus je vooral op degenen die al voor zijn, om die in elk geval aan je zijde te houden. Het is tegen die achtergrond dat ik mijn enige gestelde vraag nog eens herhaal. Is het deze kersverse minister ernst dat de waarborgen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen, inclusief die in de schriftelijke behandeling, door alle betrokkenen in acht zullen worden genomen, en dat hij daar ook zelf actief op zal toezien?

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Rombouts. Ik zie de minister zwaar schrijven. Ik vraag de minister of hij in de gelegenheid is direct te antwoorden of dat hij vijf of tien minuten schorsing wenst.

Minister Grapperhaus:

Vijf minuten.

De voorzitter:

Dan geef ik u zeven minuten, tot 17.20 uur.

De vergadering wordt van 17.13 uur tot 17.20 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de minister van Justitie en Veiligheid.

Minister Grapperhaus:

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik zal nu zo veel mogelijk beantwoorden in de volgorde van de sprekers.

De afgevaardigde Dercksen heeft de vraag gesteld of ik internationale uitwisselingen van kentekengegevens kan versnellen. Er is destijds een verdrag gesloten tussen een aantal lidstaten dat voorziet in een mogelijkheid van rechtstreekse raadpleging van kentekenregisters door de lidstaten. Dat verdrag is inmiddels omgezet in een voor de hele Unie geldend raadsbesluit: het Raadsbesluit Prüm. Daarnaast gelden uiteraard de traditionele rechtshulpinstrumenten en blijven we in de EU streven naar verbetering en versnelling, met inachtneming van de privacywaarborgen.

De heer Dercksen (PVV):

Deze vraag was naar aanleiding van het nieuws van, ik meen, vorige week of twee weken geleden, waarin de burgemeester van Baarle-Nassau deze zorgen uitte. Ze zei monter in de pers dat ze naar Den Haag zou togen om dat voor elkaar te krijgen. Kan ik uw opmerking nou als een geruststelling kwalificeren, waarin u zegt: die data-uitwisseling gaat nu veel sneller, met alle waarborgen die wij ook belangrijk vinden? Of is dat niet zo?

Minister Grapperhaus:

Ik heb u gezegd dat we streven naar verbetering en versnelling. Die geruststelling hangt er dus vanaf hoe u mij in mijn streven kwalificeert, denk ik.

Dan had mevrouw Bredenoord een vraag. Nou ja, mevrouw Bredenoord en mevrouw Strik vlogen het punt allebei van een bepaalde kant aan: wat moeten we nou doen als de effectiviteit niet helder is? Er zijn heel duidelijke aanwijzingen dat ANPR een vooruitgang gaat betekenen in de opsporing. Ik heb het in eerste termijn nog niet genoemd, maar er was al een rapport van DSP in opdracht van het WODC, waarin de conclusie duidelijk was dat het een verbetering voor de opsporing kan opleveren. Over het rapport van Regioplan, ook weer in opdracht van het WODC, heb ik net al in eerste termijn het nodige gezegd. We moeten niet vergeten dat men ook daarin zegt dat het wel degelijk resultaten gaat opleveren. Het levert volgens de voorlopige bevindingen van Regioplan mogelijk niet hetzelfde succes op als het bij boetes oplevert, maar dat er resultaten uit voort gaan komen, blijkt er wel uit. Of je dat, op basis van het onderzoek in de Verenigde Staten of het Verenigd Koninkrijk, kwalificeert als tegenvallend of juist meevallend, kun je pas met elkaar vaststellen als de evaluatie is gedaan. Ik wil echt, in reactie op de terechte vragen van mevrouw Bredenoord, nog eens benadrukken dat de evaluatiebepaling er niet voor niets is. We gaan die evaluatie echt heel serieus doen, waarbij we ook zullen bekijken hoe de officier van justitie het subsidiariteitsbeginsel heeft toegepast. Dan neem ik ook al een heel klein beetje een voorschotje op de vraag van Rombouts of ik daar actief iets in ga doen, maar ik kom daar straks nog op. We gaan het dus echt goed in kaart brengen, zodat we over drie jaar echt weten hoe effectief het is geweest.

Mevrouw Bredenoord heeft nog gevraagd of de mozaïektheorie niet leidt tot de conclusie dat hier sprake is van een veel grotere inbreuk, omdat door een combinatie van gegevens wel een meeromvattend beeld kan worden verkregen. Nee, de ANPR-gegevens moeten apart van andere politiegegevens worden bewaard. Dat mag slechts voor een beperkte duur en alleen gegevens die relevant zijn voor het opsporingsonderzoek mogen onder strikte voorwaarden worden verstrekt. Ik heb ze een aantal keren opgedreund; dat ga ik u niet weer aandoen. Alle andere gegevens, zeg ik tegen mevrouw Wezel, die dus niet met andere informatie in het opsporingsonderzoek in verband kunnen worden gebracht, blijven daar dus buiten. Mevrouw Wezel heeft het over een "restbak", maar die is dus na 28 dagen, na vier weken, hoe dan ook leeg. Er is daar dus niet iets oneigenlijks mee gebeurd.

Heel even ontstond in tweede termijn zorg bij mevrouw Wezel. We hadden het over een voortvluchtige bankovervaller. Kunnen jullie misschien zeggen of je het kenteken dat door een getuige is gesignaleerd, daar en daar tegenkomen? Ja, zegt men, woensdagavond 19.30 uur bij Oudenrijn, in de richting van België, of weet ik wat. Dát is het gegeven dat de opsporingsambtenaar krijgt die het verzoek om een kenteken heeft gedaan aan de geautoriseerde geauthentiseerde opsporingsambtenaar. Mevrouw Wezel had het over een groepsfoto op het voetbalveld, maar die opsporingsambtenaar krijgt dus niet allemaal andere gegevens erbij. Hij krijgt alleen maar dat. De gegevens die niet onder de opsporing vallen, worden na vier weken allemaal vernietigd.

Mevrouw Wezel (SP):

Er wordt informatie gevraagd van de ANPR-camera's, bijvoorbeeld verkeersgegevens van mensen die veel rijden in Brabant tot aan de grens. Op basis daarvan worden bepaalde kentekens geselecteerd die wel heel veel stoppen bij bepaalde parkeerplaatsen. Dat geeft informatie. Dat betekent dat er heel veel data en kentekengegevens van mensen die daar allemaal in die regio rondrijden, beschikbaar komen voor die opsporingsdienst. Die komen dus allemaal in het opsporingsonderzoek en in het opsporingsdossier. Dat kan soms voetbalvelden groot zijn. Ik heb zelfs gezien bij grote opsporingsonderzoeken dat het gigantische ruimtes zijn met data. Dat bedoelde ik met die informatie. Daar zitten dus een heleboel kentekengegevens bij van mensen die niet betrokken zijn bij strafbare feiten.

Minister Grapperhaus:

Ik heb toch het idee dat er een klein misverstand is. Dat spijt mij bijzonder, want dan is dat tot nu toe niet goed overgekomen. Kijk, die camera's staan van hier tot Breda bijvoorbeeld. Die registeren de auto's. Ze staan op drie punten omdat die aan een van de locatievereisten voldoen: knooppunt Oudenrijn. Noem nog twee knooppunten en je bent er. Die camera's registreren dat u er langsrijdt, dat ik er langsrijd, maar ook dat er een bankovervaller op de vlucht langsrijdt. Ik ben mijn sleutels thuis vergeten, dus ik ga nog een keer terug. Ik kom nog een keer. Ik ga weer heen. Ik ben mijn koffer vergeten. Voor mijn part sta ik er twintig keer op, maar ik ben geen verdachte in een opsporingsonderzoek, dus de gegevens van het feit dat mijn auto twintig keer met zijn kenteken is gefotografeerd, zitten vier weken achter gecodeerd slot en grendel bij die speciale opsporingsambtenaren. Daar kan niemand bij. Na vier weken is dat vernietigd, is dat weg. Als ik in diezelfde vier weken werd ingehaald door de Audibende uit Duitsland of zo, wat dan ook, dan wordt die auto ook gefotografeerd, maar dat kenteken is in een onderzoek betrokken. Dát kenteken wordt op verzoek van de politie eruit gevist en mijn kenteken niet. Dat is gewoon na vier weken weg.

Mevrouw Wezel (SP):

Wat er gebeurt, is dat ze bij alle auto's die langs een aantal punten zijn gereden, gaan kijken welke auto's eromheen reden. Dus er wordt een heleboel informatie verzameld. Uit die informatie gaan ze bepaalde opsporingsinformatie pakken, die weer leidt tot het opsporingsonderzoek. Die informatie blijft beschikbaar tot en met het punt dat een zaak onherroepelijk wordt, misschien in hoger beroep, omdat later blijkt dat er bijvoorbeeld onderzoekswensen worden ingediend door de advocatuur in de zin van: welke auto's reden er nog meer over die weg op dat moment? In de praktijk zie je dat ook in het openbaar vervoer wordt gekeken wie er allemaal hebben uitgecheckt. Zo meteen is dat: wie reden er allemaal over die weg? Al die informatie wordt bewaard, zodat die informatie beschikbaar blijft om erin te kunnen grasduinen als de rechtbank, het OM of de advocatuur later opsporingswensen hebben.

Minister Grapperhaus:

Maar mevrouw Wezel, hier heb ik in eerste termijn al over gezegd: wat u beschrijft is profilering. Dat mag niet. Dat gaat ook niet gebeuren. Dan kunnen wij het nog over konvooiering hebben.

Mevrouw Wezel (SP):

Dat heet: een opsporingsonderzoek.

De voorzitter:

Mevrouw Wezel, het woord is aan de minister.

Minister Grapperhaus:

Ik hoorde u zeggen: dan komen die kentekengegevens en dan komt er een opsporingsonderzoek. Maar zo zit het niet in elkaar. Er is een opsporingsonderzoek gaande. Omdat je geen gebruik mag maken van no hits, gebeurt het volgende, zo is uit jurisprudentie gebleken; dat komt in één van die zaken voor. Een auto wordt gestolen. Die rijdt langs die camera's, maar dat is een no hit, want die auto staat nog niet als gestolen geregistreerd. Van de gegevens dat iemand die auto heeft meegenomen naar Zuid-Nederland mag je geen gebruikmaken, want het is een no hit. Nu gaan we het als volgt veranderen. Die autodief rijdt met die auto naar het Zuiden, die komt drie keer op de camera en in het kader van een opsporingsonderzoek naar díé auto met kenteken xyz wordt gevraagd: zit die op de camera's? Ja. Dan heb je al die waarborgen rond die speciale opsporingsambtenaar en zo meer. Dan kun je dus het spoor vinden van die auto. Stel dat het een bende is van autodieven. Dan kan het zo zijn dat de officier van justitie de machtiging geeft om na te gaan of op al die camera's kentekens van dezelfde drie auto's te zien zijn. Maar als ik daar in mijn onschuld in mijn auto voor die autodieven tuf, dan kom ik letterlijk helemaal niet in beeld, want mijn kenteken heeft niets te maken met dat opsporingsonderzoek. Nogmaals, voor konvooiering zal een machtiging moeten komen van de officier van justitie om het verzoek te kunnen doen: wilt u kijken of er meer dan één auto stelselmatig meereed? Dat is konvooiering. Het andere element is profilering; daar begon u mee. Dat is "buiten de vraag", wou ik zeggen, maar dat is een anglicisme. Dat is out of the question. Dat gaat niet gebeuren.

Mevrouw Wezel (SP):

Mag ik nog één vraag stellen?

De voorzitter:

Heel kort, mevrouw Wezel, op dit punt.

Mevrouw Wezel (SP):

Vaak zeggen mensen als ze bijvoorbeeld een overval hebben gezien: het was een rode Polo. Wat gebeurt er dan? Dan wordt die informatie beschikbaar gesteld en dan wordt er gekeken: reed er een rode Polo? Er is dan helemaal geen kenteken beschikbaar, maar voor dat opsporingsonderzoek moet er dan wel gekeken worden of er rode Polo's reden. Dan zie je: ja, dat was de rode Polo. Dan zijn er een heleboel zwarte, groene en blauwe auto's langs gegaan.

Minister Grapperhaus:

Het gaat alleen over kentekens. Ik heb het woord "inzittenden" overigens niet in de mond genomen vandaag. Dat zou uit het stenografisch verslag kunnen blijken. Maar kennelijk was er even een misverstand in die zin dat ik zou hebben gesuggereerd dat je ook de inzittenden of zoiets zou kunnen zien. Dat is absoluut niet het geval. Wij kunnen dus ook niet zien of het een zwarte trui is of een rode polo of wat dan ook. Het kenteken, daar gaat het om. Is daar nog een vraag over? Oké.

Waarom vier weken? Ik heb dat al een keer uitgelegd, mevrouw Bredenoord. Ik heb het al gehad over de amendementen met een periode die langer was, maar met uw welnemen — met dank — heb ik nog kunnen vinden dat er ook een amendement is geweest om het in te korten tot twee weken. Dat heeft de Tweede Kamer ook niet aanvaard. Dat betekent dus dat die vier weken een door de volksvertegenwoordiging in alle opzichten breed gedragen termijn is. Ik heb in eerste termijn uitgelegd dat die termijn een redelijke afweging is tussen het belang van opsporing, die in die vier weken geacht moet worden een heleboel te kunnen doen aan de ene kant, en de belangen van de proportionaliteit en de persoonlijke levenssfeer aan de andere kant.

Dan was er nog een vraag over bordjes langs de weg. Was die van mevrouw Vlietstra of van mevrouw Strik?

De voorzitter:

Mevrouw Vlietstra heeft het over bordjes gehad.

Minister Grapperhaus:

Ja, eerst mevrouw Strik, geloof ik. Nee, dat vinden wij geen beter alternatief dan publicatie in de Staatscourant. Het is ook raadpleegbaar. Via Overheid.nl kan iedereen ruim van tevoren op elk gewenst moment een indruk krijgen van waar ANPR-camera's zijn geplaatst. Het biedt de automobilist de gelegenheid om al veel eerder te zien dan tijdens de autorit waar die camera's staan. Als ik de afgelopen jaren de levendige discussie in Nederland over privacyaspecten zie, dan ben ik ervan overtuigd dat dat ook echt op een enthousiaste wijze geraadpleegd zal worden.

Dan heb ik nog een paar vragen te beantwoorden, wat ik snel zal doen. U had het over de korpschef, die u vergeleek met de slager die zijn eigen vlees keurt. Even los van het feit hoe zich dat precies tot het kerstdiner verhoudt; zeker als u vegetarisch zou zijn, is dat natuurlijk even een andere kwestie. Maar het is niet de slager die zijn eigen vlees keurt, het is een slager die voor mij het beste vlees gaat uitzoeken. En vervolgens mag ik als klant, in dit geval als minister van Justitie en Veiligheid, maar dat mag u als volksvertegenwoordiging natuurlijk ook, zeggen: maar dat is helemaal geen goed stukje vlees dat je gehaald hebt. Kijk, die metafoor van de slager die zijn eigen vlees keurt, is een beetje als Roy Bean die in het Westen rechter, advocaat en officier van justitie was in zijn eigen proces. Maar dat speelt niet. De korpschef zegt: dít zijn nu de plekken voor het cameraplan, dat wordt gepubliceerd, en daar kunt u mee aan de slag.

De voorzitter:

Kort, mevrouw Strik.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Als ik moet kiezen, kies ik toch voor die pudding, want ik eet inderdaad geen vlees.

De voorzitter:

Maar die puddings worden gemaakt van ...

Minister Grapperhaus:

U begon over de slager!

De voorzitter:

Mevrouw Strik, mevrouw Strik, die puddings worden gemaakt met niervet.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ja, daarom. Het is dus kiezen between rock and a hard place. Geen van beide dus. Voor mij daarom geen van beide, maar een ander menu. Maar het punt blijft toch dat eerder het idee was dat de minister het cameraplan zou vaststellen. Dat is losgelaten. Nu is het de politie die het vaststelt en het wordt gezonden naar de minister, die het vervolgens publiceert. Dat is toch iets anders dan dat de minister het zou vaststellen. Daarom mijn vraag: wordt dat niet te veel, dat de politie dat zelf kan bepalen? Want wat gaat de minister nou vervolgens doen met dat cameraplan? Gaat hij het dan nog eens goed tegen het licht houden? Gaat hij zelf bepalen of het wel inderdaad allemaal noodzakelijk, proportioneel et cetera is?

Minister Grapperhaus:

Ja, ik ga natuurlijk niet meer langs die camera's rijden. Kijk, laat ik er dit over zeggen. Dan neem ik toch een voorschotje op wat Rombouts zei. Ik zal moeten kijken dat ik mijn rol wel zodanig invul dat u niet over drie jaar zegt: heb je nou nooit een keer met de korpschef gepraat over dat cameraplan. Dat zal een zeer marginale toets zijn, maar die zal ik wel doen. Maar u wilt mij vergeven: ik ga niet het cameraplan van de politiechef toetsen. Het lijkt mij ook qua deskundigheid inzake opsporing dat de Nederlandse burger liever heeft dat de korpschef dit doet dan dat ik dat ga doen. En anders zou ik het, mevrouw Strik, op zijn advies doen en dan is het resultaat hetzelfde. Laten we wel wezen: ik ben, als ik de krant mag geloven, op dit moment nog geheel verantwoordelijk voor de politie. Dus daar mag u mij ook op aanspreken.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Uiteraard hebben we het niet over de persoon van de minister van Justitie. Maar het gaat erom of er voldoende checks-and-balances in zitten. Daarom zou ik u toch willen verzoeken om wel bij de evaluatie te betrekken hoe dat proces verloopt: of dat onafhankelijk genoeg is, wat de rol van het OM daarbij is en of het misschien beter is om daar in de toekomst die hole te leggen. Ik zou graag willen dat dat aandacht krijgt bij de evaluatie.

Minister Grapperhaus:

Oké. Maar dan voeg ik daar een ding aan toe: onafhankelijk is natuurlijk heel mooi, maar het moet ook kwalitatief een goed cameraplan zijn. Als de politie zich wat meer op iets anders gaat richten, dan ... Nee, dat doet de korpschef. We gaan over drie jaar zeker kijken of het goed was om die verantwoordelijkheid daar te leggen, lijkt mij.

Ik wilde nog als laatste, hopend dat ik niemand tekort doe, ingaan op de vraag van de afgevaardigde Rombouts of het deze minister ernst is met de waarborgen die in het wetsvoorstel in acht zijn genomen en of de minister daar zelf actief op zal toezien. Het antwoord is volmondig ja. Ik heb in het begin gezegd dat dit een wetsvoorstel is wat belangrijk is in het kader van de opsporing en dat blijf ik benadrukken, ook ten opzichte van die afgevaardigden die zich daar vandaag hier en daar wat kritisch over hebben uitgelaten. Het is een heel belangrijk wetsvoorstel. Ik vind, als we er zo'n evaluatie in zetten, dat ik er dan ook voor moet zorgen dat ik mij in de tussentijd bekommer om hoe het in de praktijk zal gaan.

Als laatste is er een motie ingediend door het lid Wezel. Ik ontraad deze motie. Dit punt is al in de wet geregeld. Op grond van artikel 126jj Strafvordering, vijfde lid zijn de bepalingen uit de Wpg over de verstrekking van derden niet van toepassing. Dat mag dus niet, en dat volgt al uit het voorstel. Voor het buitenland hebben we in artikel 13 van het besluit al vastgelegd dat het niet verder verstrekt mag worden. Aldus ontraad ik de motie.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Wezel.

Mevrouw Wezel (SP):

Ik wil graag nog een antwoord vragen van de minister op zijn doelen, het conceptuitvoeringsbesluit, aan te vullen met antwoorden op vragen van de Autoriteit Persoonsgegevens en het aangepaste conceptuitvoeringsbesluit voor te leggen aan deze Kamer.

Minister Grapperhaus:

Laat ik met het laatste beginnen: dat uitvoeringsbesluit is met alle waarborgen omgeven die nodig zijn en die ook tegemoet komen aan niet alleen de kritische noties van de Autoriteit, maar ook — dat heb ik in het begin al aangegeven — tegemoet zijn gekomen aan de diverse wensen in de Tweede Kamer. Want er zijn gewoon een aantal wezenlijke wijzigingsvoorstellen op de wet aangenomen, en daaruit voortvloeiend op het uitvoeringsbesluit. Dat uitvoeringsbesluit is echt degelijk en deugdelijk in het licht van het voorliggende wetsvoorstel.

U had mij nog iets gevraagd over de doorlooptijden. Daarover zou ...

Mevrouw Wezel (SP):

De vraag was of u het wilt voorleggen aan deze Kamer. Ik begrijp dat het aan de waarborgen voldoet, maar wij willen dat wel graag kunnen toetsen.

Minister Grapperhaus:

Maar het uitvoeringsbesluit is u dacht ik toegezonden bij de memorie van antwoord. Het is al toegestuurd. Ik zie allemaal duimen omhoog gaan, dus dan moet het zo zijn. Het is u toegezonden bij de memorie van antwoord. Ja? Ik ben er daarom van uitgegaan dat we vandaag veel over het uitvoeringsbesluit hebben gesproken op basis van die tekst.

Mevrouw de voorzitter. U hebt nog kort met mevrouw Wezel gesproken over haar verzoek over doorlooptijden en een nota daarover. Ik zou eigenlijk op dit moment willen toezeggen graag daarover in dit gebouw in gesprek te gaan met mevrouw Wezel en dan te zien of daar nog verder voor mij huiswerk uit voort zou vloeien.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik kom tot afhandeling van het wetsvoorstel. Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel? Dat is het geval. Dan stel ik voor om volgende week dinsdag over het wetsvoorstel en de motie te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor zijn debuut hier in de Eerste Kamer. Ik hoop dat het hem bevallen is.