Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 12, item 4

4 Pakket Belastingplan 2016

Aan de orde is de behandeling van: 

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Belastingwet BES in verband met de implementatie van Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PbEU 2014, L 359) en om uitvoering te geven aan de door de OESO ontwikkelde Common Reporting Standard (Wet uitvoering Common Reporting Standard) ( 34276 );

  • - het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2016) ( 34302 );

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 met het oog op een vrijstelling van bepaalde periodieke uitkeringen aan specifieke groepen oorlogsslachtoffers (Wet vrijstelling uitkeringen Artikel 2-Fonds) ( 34303 );

  • - het wetsvoorstel Tegemoetkomingen in de loonkosten van specifieke groepen (Wet tegemoetkomingen loondomein) ( 34304 );

  • - het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2016) ( 34305 );

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 in verband met de implementatie van aanpassingen in de Moeder-dochterrichtlijn (Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015) ( 34306 ).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Financiën van harte welkom in de Eerste Kamer. Ik geef als eerste het woord aan de heer Van Rij. Aangezien het zijn maidenspeech is, zal ik de stemmingsbel laten klinken. 

De beraadslaging wordt geopend. 

De heer Van Rij (CDA):

Mevrouw de Voorzitter. Het is voor mij een grote eer om hier vandaag in de senaat mijn maidenspeech te mogen houden. En dan gaat het ook nog over belastingen, een kernthema in de politiek en in mijn beroepsleven. Een thema ook dat mij in mijn werk altijd heel dicht bij de politiek heeft gehouden, of ik dat nu wilde of niet. En dat wilde ik natuurlijk wel. 

In de jaren zeventig van de vorige eeuw was ik leerling aan het Christelijk Gymnasium Sorghvliet, tegenover het Catshuis. Met enige regelmaat bezocht ik, op de publieke tribune, de vergaderingen van de Tweede Kamer. De Eerste Kamer stond eerlijk gezegd nog niet op mijn netvlies. Mijn vader werkte in die tijd bij de Rijksvoorlichtingsdienst, in het bijzonder belast met de voorlichting van het Koninklijk Huis. Zijn kantoor was gevestigd op Binnenhof 20. Ik spreek hier over de tijd van het roemruchte kabinet-Den Uyl. In maart 1977 heb ik bij wijze van spreken dat kabinet letterlijk zien vallen. Als ik 's ochtends vroeg per fiets op school arriveerde, stonden de journalisten nog steeds rondom de hekken van het Catshuis, alwaar dat kabinet de zoveelste nachtelijke vergadering had doorgemaakt over de grondpolitiek. Dat onderwerp overleefde het kabinet-Den Uyl niet. Als hoofdredacteur van de schoolkrant mocht ik er graag hele beschouwingen aan wijden, of mijn medeleerlingen dat nu leuk vonden of niet. 

Enkele maanden geleden wreef mijn oudste broer mij het volgende citaat uit 2000 onder de neus: "Ik ben een parttimer in de politiek. Dat bevalt mij. Wat mij leuk lijkt, is zo tegen mijn zestigste voor een aantal jaren in de senaat te gaan". Meer dan vijftien jaar later is het zo ver en hoop ik mij dienstbaar te mogen opstellen om het werk als medewetgever zo goed mogelijk te doen. Ik zal daarbij steeds de rol van de Eerste Kamer goed voor ogen houden, de wetsontwerpen die in de Tweede Kamer zijn aangenomen toetsend op rechtmatigheid, uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en verenigbaarheid met het Europese en internationale recht. Met grote belangstelling zie ik uit naar de debatten met de regering en de andere geachte afgevaardigden. 

Vandaag en morgen behandelen we maar liefst zes wetsvoorstellen die met fiscale wetgeving en beleid te maken hebben. Een fiscalist likt daar zijn vingers bij af. Toch moet mij wel van het hart dat er grote vraagtekens gezet kunnen worden bij de zorgvuldigheid van het wetgevingsproces. De Tweede Kamer heeft welgeteld drieënhalve maand om zich in de ingewikkelde materie te verdiepen en de Eerste Kamer één maand. De regering heeft op dat punt beterschap beloofd; wij zullen het zien. En dan laat ik het bochtige parcours van de ternauwernood ingediende novelle maar buiten beschouwing. 

Ik spits mijn bijdrage toe op vier onderwerpen: het inkomensbeleid, het box 3-plan, de fiscale concurrentiepositie van Nederland en de balans tussen wetgeving en uitvoering. 

Vandaag had de apotheose moeten worden van een grootse en meeslepende belastinghervorming. Zo moet de staatssecretaris van Financiën zich dat vorig jaar hebben voorgesteld. Dromend op zijn fiets zal hij, optimistisch als hij is, gedacht moeten hebben dat zijn naam eind 2015 in de geschiedenisboeken terecht zou komen met de belastinghervorming van Wiebes. Ik zie hem instemmend knikken! 

(Hilariteit) 

De heer Van Rij (CDA):

Hoe anders is het gelopen. Wat vandaag voorligt, is in de verste verte geen belastinghervorming. Het is uitgelopen op een doodgewone uitruil van belangen, het deels teruggeven van geld aan burgers dat ze eerst is afgepakt. Laten wij het een gemiste kans noemen. Dat is inmiddels toch wél een historische uitspraak geworden. Gezien de antwoorden van de regering is de coalitie er niet debet aan dat het geen belastinghervorming is geworden. Het was louter en alleen die vervelende oppositie die maar steeds niet voor het noodzakelijke draagvlak zorgde. 

Misschien toch even een moment van reflectie. Waarom koos de regering bewust voor sonderingen achter de schermen? Vanwaar deze angstige houding? Waarom heeft zij niet gedurfd om eerst een grote schets inzake een belastinghervorming te presenteren, zoals Zalm en Vermeend dat deden met de belastingverkenning voor de 21ste eeuw? Dat is transparant de dialoog daarover aangaan met de samenleving. Zo had die schets kunnen bestaan uit de volgende bouwstenen: een generieke verlaging van inkomstenbelastingtarieven en slechts twee schijven, een verbreding van de grondslag en een beperkt aantal heffingskortingen. Wij noemen dat de sociale vlaktaks. Maar dit geldt ook voor een doortastende visie op de winstbelasting. Ook daarbij zou de grondslag verbreed moeten worden en het tarief verlaagd, zodat er meer in Nederland geïnvesteerd kan worden door bedrijven in Nederland. Dat is goed voor de werkgelegenheid. Het kabinet heeft bewust gekozen voor gesprekjes in de achterafkamertjes om vervolgens doodleuk te zeggen: er is geen draagvlak voor meer. Wie kan dat nu controleren? 

Hoe ziet belastinghervorming à la Wiebes er overigens uit? Een beetje van dit, een beetje van dat. Een klein beetje tariefsverlaging in de tweede en derde schijf, een beetje verlenging van de derde schijf en een indexering van schijven. Als wij dat de rechterhand van dit kabinet noemen, dan is er in dit kabinet altijd de onvermijdelijke linkerhand. En jawel, het kabinet heeft nu zo'n beetje alle kortingen die ertoe doen inkomensafhankelijk gemaakt: de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de algemene inkomensafhankelijke combinatiekorting. Een gevolg is dat burgers met een soms heel lage marginale druk, ruim 2%, worden opgevrolijkt of met een heel hoge marginale druk worden belast, 56%. De rechtvaardiging voor deze mix is dat het arbeidsaanbod met het astronomische aantal van 35.000 banen gaat toenemen. Ja, niet volgend jaar en de jaren erna, maar dat zijn de gunstige werkgelegenheidseffecten over tientallen jaren. Dat wordt dan aan het volk verkocht alsof het kabinet zorgt voor 35.000 nieuwe banen. Als kersverse senator vraag ik mij dan af in welke werkelijkheid ik ben terechtgekomen. Inderdaad, dat is de werkelijkheid van het MICSIM-model van het CPB, dat door het kabinet en een deel van de oppositie als heilig is verklaard. Iedere discussie over het gebruik van dat model is onmogelijk, zelfs een genuanceerde discussie. 

Voor een gewone burger is dit een vrij absurde discussie. Je zult maar behoren tot één van die 600.000 werklozen en te horen krijgen dat nog eens 35.000 mensen zich op langere termijn gaan melden op de arbeidsmarkt. De eerste vraag die je dan stelt, is: en welke baan komt er voor mij en mijn buurman? Inderdaad, geen enkele. Ik kom daar straks nog op terug, maar ik wil alvast wel het volgende kwijt. Het Binnenhof creëert geen banen, of het zou om de verbouwing van het Binnenhof zelf moeten gaan. 

Aan de gekozen mix kleeft nog een groot bezwaar. Dat heeft te maken met de steeds groter wordende inkomensverschillen tussen tweeverdieners met kinderen en werkende alleenstaanden met kinderen aan de ene kant en gezinnen met kinderen en één kostwinner aan de andere kant. Het Centraal Planbureau heeft die verschillen nog eens doorgerekend op verzoek van acht partijen in de Tweede Kamer. Door het gebruik van de gerichte fiscale instrumenten houdt een alleenstaande ouder met kinderen die een modaal inkomen van €36.000 verdient ruim €6.000 meer over aan beschikbaar inkomen dan een eenverdiener met kinderen. Gescheiden leven lijkt zo fiscaal gestimuleerd te worden. 

Voor het CDA is daarmee het einde van het gebruik van die gerichte fiscale instrumenten definitief in zicht, temeer omdat het gebruik daarvan slecht uitpakt voor de inkomenspositie van ouderen en steeds minder mensen geen effectief gebruik kunnen maken van de kortingen omdat het inkomen te laag is en zij te weinig belasting betalen. Dat heet de verzilveringsproblematiek. En ten slotte: de burger begrijpt er niets meer van. Denken wij nu werkelijk dat het volgende tafereeltje zich in menig Nederland huisgezin gaat afspelen op 1 januari 2016: "Lieverd, het wordt tijd dat jij je gaat melden op de arbeidsmarkt, want de algemene inkomensafhankelijke combinatiekorting is iets gestegen en de arbeidskorting ook."? 

Ik kom te spreken over de voorgestelde aanpassing in box 3. Laat ik maar met de deur in huis vallen: de leden van de CDA-fractie zien helemaal niets in de plannen van het kabinet om box 3 aan te passen. Collega Hoekstra kondigde tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen al aan dat ik het mes in het varkentje van box 3 zou zetten. Laat ik eens een poging wagen, met respect aan de geachte afgevaardigde van de dierenpartij. 

Het is naar de mening van mijn fractie volstrekt onjuist om plannen die betrekking hebben op het belastingjaar 2017 in het Belastingplan 2016 op te nemen. Wij hebben dan ook geen enkele boodschap aan het feit dat VVD en PvdA elkaar hier in een dodelijke wurggreep omstrengeld houden. Mijn fractie staat niet alleen in haar massieve kritiek dat er geen enkele noodzaak voor de koppeling is, noch wetssystematisch, noch budgettair. Ook de Raad van State en vele professoren delen die mening. De tot nu toe gegeven verklaring voor deze koppeling van regeringszijde overtuigt niet. Mijn fractie ziet het verband tussen lastenverlichting op arbeid en lastenverzwaring op vermogen niet, zeker niet wanneer de lastenverzwaring op vermogen een wassen neus is. Naar de mening van mijn fractie is hierbij puur sprake van een politieke deal tussen de regeringspartijen en wordt een serieuze toets van deze voorstellen door de Eerste Kamer belemmerd. Dat is staatsrechtelijk verwerpelijk. Mijn fractie is dan ook verheugd dat de motie-Hoekstra in dit huis met algemene stemmen is aangenomen. De reactie van de regering vonden wij zeer zuinigjes: "Echter, bovenstaande motie geeft aan dat uw Kamer deze samenhang anders beoordeelt. Ik heb hier in het debat begrip voor getoond". Het is voor het kabinet te hopen dat de inhoud en strekking van deze motie serieus worden genomen. 

Onze bezwaren tegen de koppeling van de herziening van box 3 aan dit Belastingplan blijven staan. Wij vragen de regering daarom hier nogmaals de voorstellen rondom box 3 te ontkoppelen. Wij verzoeken de regering een nieuw voorstel in 2016 bij het parlement in te dienen, zodat er fundamenteel en inhoudelijk over het belasten van inkomsten uit vermogen gesproken kan worden, zeker nu de motie-Groot/Bashir in de Tweede Kamer is aangenomen. De regering heeft de gedragseffecten van de voorstellen in het geheel niet in beeld. En als die wel in beeld zijn, is dat nog niet verteld. Mijn vragen daarover zijn sterk ontwijkend beantwoord. Het huiswerk is nog niet af. Kan de staatssecretaris alsnog ingaan op de door mij beschreven alternatieve routes voor box 3, met de mogelijke gedragseffecten? 

Ik moet zeggen dat ik zelden zo'n slecht doordacht plan heb gezien. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat de regering er niet in is geslaagd om twee tegenovergestelde beginselen van heffing inzake inkomsten uit vermogen met elkaar te combineren: het realisatiebeginsel aan de ene kant — je betaalt pas belasting als je inkomsten geniet of vermogenswinst betaalt — en de fictie aan de andere kant. 

In onze Wet inkomstenbelasting is in 2001 bewust gekozen voor het heffen op basis van een fictie. De reden hiervoor was dat de Wet inkomstenbelasting 1964 tot een daling van belastinginkomsten leidde doordat in beginsel belaste netto-inkomsten uit vermogen werden omgezet in onbelaste vermogenswinsten. Het realisatiebeginsel gold immers niet voor vermogenswinsten; er was toen geen vermogenswinstbelasting. Wel was er een vermogensbelasting. In 2000 werd besloten om de vermogensbelasting af te schaffen en een zogenaamde box 3 in te voeren. Met deze eenvoudige oplossing zouden stabiele belastinginkomsten voor het Rijk worden gegarandeerd. Thans is dat 4 miljard euro. Het percentage van het forfaitair rendement van 4 werd gerechtvaardigd door te verwijzen naar het reëel risicovrij rendement op Nederlandse staatsobligaties over een periode van vijftien jaar, en dus niet alleen door het nominale rendement, rekening houdend met de inflatie. Zo kwam men op die 4%. Kortom, het is óf de fictie óf het realisatiebeginsel, maar niet beide. De staatssecretaris heeft naar de mening van de leden van de CDA-fractie tevergeefs het onverenigbare proberen te verenigen. 

Wat is nu het grootste probleem? Met de huidige lage rentestanden maakt slechts een deel van de beleggers 4%. De memorie van toelichting laat dat heel duidelijk zien. Ongeveer 25% van alle belastingplichtigen valt in box 3: 3,3 miljoen mensen. Van die groep heeft ruim 2,3 miljoen een belastbare grondslag voor sparen en beleggen tussen €0 en €100.000. Met name de groep tot €100.000 belegt voornamelijk in banktegoeden en zet het geld conservatief op de bank. Dat is ongeveer 60%. De rente op dit moment is 1%. Laten we zeggen dat er 1% inflatie is. Dan heb je 0% gemaakt, maar moet je wel 1,2% betalen. Dit betekent dat je inteert op zuur verdiende spaarcentjes. Het CDA meent dan ook dat die beleggers niet worden geholpen met de plannen van het kabinet. Wel heeft het CDA met belangstelling, via de novelle, kennisgenomen van het voorstel om de vrijstelling in 2016 wat te verhogen. Dat is een kleine stap in de goede richting. 

Met het voorstel voor 2017 wordt er niet zo veel opgelost. Ondanks de voorgestelde verhoging tot €25.000 en de verlaging van het forfaitair rendement tot 2,9% voor de groep van €0 tot €100.000, zal de belastingdruk nog altijd 0,87% zijn. Met andere woorden: de voorzichtige spaarder — zijnde meer dan 60% van de ruim 2 miljoen beleggers — gaat er nog steeds op achteruit; niet met 1,2%, maar met 0,87%. Dat is net zoiets als dat je 40° koorts hebt, naar de dokter gaat die je een middel geeft en zegt: "U hebt nu 40° koorts, maar met dit middel zakt de koorts naar 39° en voelt u zich een stuk beter". Met andere woorden: het zet nog geen zoden aan de dijk. 

Ik ga nog even door, want ik merk dat het mes nog niet voldoende in het varkentje zit. De regering stelt drie schijven voor. Naast de eerste schijf van €0 tot €100.000 komen er twee andere schijven: de tweede schijf loopt van €100.000 tot €1.000.000 met een forfaitair rendement van 4,7% en de derde schijf met 5,5% bij meer dan €1.000.000. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat werkelijk geen enkele belegger nog de aansluiting zal zien met de individuele situatie. Het gaat hier om gemiddelden die op basis van volstrekt willekeurige aannames qua tijd en qua benchmark zijn gekozen. 

De CDA-fractie heeft principieel grote bezwaren tegen deze zeer ingewikkelde wijze van wetgeving. De charme van de eenvoud van het stelsel, zoals wij dat sinds 1 januari 2001 kennen, wordt volstrekt tenietgedaan. De eenvoud is vervangen door een complexiteit met vele wiskundige formules waar geen enkele belastingplichtige nog een touw aan kan vastknopen. Ik zou willen zeggen: "Welkom in de wondere wereld van Willy Wortel Wiebes". Het is een volstrekte illusie om te veronderstellen dat de beleggers, die bijvoorbeeld over meer dan 1 miljoen euro in box 3 beschikken, niet naar rechtmatige alternatieven zullen kijken. Overigens is die groep goed voor 25% van de belastingopbrengsten van 4 miljard, terwijl het slechts om 1% van het totaal aantal belastingplichtigen in box 3 gaat. Dit voorstel brengt de belastingopbrengsten in gevaar. Het CDA zal zich in 2016 blijven inzetten voor de kleine spaarder en voor een simpelere oplossing dan nu voorligt. Wij zullen er alles aan doen om dit in onze ogen vermaledijde plan te torpederen voor 1 januari 2017. 

Op fiscaal terrein zien wij de toenemende invloed van Brussel en Parijs. Naar vandaag toe vertaald, liggen er maar liefst drie voorstellen die door Brussel, de Europese Unie, of door de OESO zijn geëntameerd: de country-by-country reporting, de implementatie van de Moeder-dochterrichtlijn en de Common Reporting Standard. De leden van de CDA-fractie onderschrijven het internationale fiscale beleid van dit kabinet, maar er ontbreekt nog een echte "sense of urgency". Aan de ene kant maakt Nederland zich terecht sterk voor maatregelen tegen belastingontwijking en ondersteunt om die reden dan ook het zogenaamde BEPS-project. Nederland loopt hiermee zelfs voorop, zoals bij het actief benaderen van ontwikkelingslanden om de algemene antimisbruikbepaling aan te passen of hulp aan te bieden in het kader van de capaciteitsopbouw van de belastingdiensten in ontwikkelingslanden. Ook ten aanzien van de uitwisseling van tax rulings aan belastingdiensten heeft Nederland het voortouw genomen. Kan de staatssecretaris zich ook een scenario voorstellen waarin bedrijven straks in sterk verminderde mate in tax rulings zijn geïnteresseerd, waarmee Nederland een van zijn kroonjuwelen ziet verblinken? Aan de andere kant staan er voor Nederland grote belangen op het spel. Buitenlandse investeerders zijn goed voor 15% van de echte werkgelegenheid in Nederland. We praten dan over echte, reële banen, 949.000 directe banen, en niet over indirecte banen. Nederland moet niet naïef zijn. Een aantal grote landen, zoals Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië, zouden maar wat graag die werkgelegenheid binnen de eigen landsgrenzen hebben. De concurrentie tussen Europese landen om aantrekkelijke buitenlandse investeerders naar binnen te halen, is bijzonder groot. In die zin heeft het kabinet gelijk dat uitsluitend harde afspraken tussen EU-landen ertoe doen. Nederland moet geweldig op zijn eigen zaak letten. De toenemende bemoeienis van Brussel op het gebied van de directe belastingen is immers niet van politieke belangen ontbloot. De Europese Commissie gaat wel heel ver in het oprekken van de eigen bevoegdheden, zoals bij de inzet van het instrument van ongeoorloofde staatssteun bij de beoordeling van tax rulings. 

Op het beleid dat Nederland voert ten aanzien van de implementatie hebben wij ook een puntje van kritiek. Ik heb het hierbij in het bijzonder over het voorstel voor de implementatie van de Moeder-dochterrichtlijn. Volgens ons gaan hierbij twee zaken principieel fout. De implementatiewet gaat verder dan de richtlijn. Sterker nog, de uitleg met betrekking tot de hybride leningen is volgens ons zelfs in strijd met de richtlijn. Daarbij wordt het karakter van een hybride lening in fiscale zin, namelijk eigen vermogen, ontkend. De uitkomst is dan ook negatief. In plaats van dubbele non-belasting, dat de richtlijn probeert te bestrijden — en waarmee wij het eens zouden zijn — wordt nu in sommige gevallen dubbele heffing geëntameerd in situaties waarin de rente in het buitenland niet of gedeeltelijk aftrekbaar is. Dat is een overkill die ook Brussel niet voor ogen stond, maar Den Haag kennelijk wel. Wij zijn benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris. Wij zijn tot nu toe niet overtuigd door zijn antwoorden. Ik hoor graag de reactie van de staatssecretaris op dit punt. 

Met grote instemming hebben wij kennisgenomen van de uitvoeringstoets bij dit belastingpakket. Deze staatssecretaris mag dat echt op zijn conto schrijven. Hij heeft dat vorig jaar toegezegd in zijn brief over de brede aanpak met betrekking tot de Belastingdienst. Bij de belastingwetgeving is er de laatste jaren te vaak sprake geweest van wettelijke maatregelen die uitvoeringstechnisch niet goed uitpakten. Door nu consequent per voorstel en per maatregel met een uitvoeringstoets te komen, wordt de medewetgever meegenomen in de afwegingen die worden gemaakt. Niets is schadelijker voor een samenleving dan belastingwetgeving die in de uitvoering tot grote onduidelijkheden en onrechtvaardigheden leidt. 

Een puntje van aandacht: de uitvoerende macht mag niet op de stoel van de wetgevende macht gaan zitten. Uiteraard is het allemaal nog wennen, maar wij vinden dat er zeker in de beantwoording nu te vaak en te snel naar het argument van de uitvoering wordt gegrepen om voorstellen uit het parlement af te wimpelen, en dat terwijl de eigen qua uitvoering zeer bewerkelijke voorstellen met droge ogen worden verdedigd. Dat is ook weer niet de bedoeling. Ik zal hiervan later in het debat een aantal voorbeelden noemen, maar wacht eerst de reactie van de staatssecretaris af. 

Ik ga afronden. Alles afwegende, steunt de CDA-fractie het Belastingplan 2016 zoals dat thans voorligt, evenals het belastingpakket. Ik kan ook een tipje van de sluiter oplichten. In de novelle hebben wij geen heel bijzondere afwijkingen kunnen ontdekken. Voor ons zijn de positie van werkenden en gezinnen belangrijk, evenals de positie van ouderen, van het bedrijfsleven als motor van echte banen, en van de kleine spaarders. Zoals bekend heeft het CDA steeds voor lastenverlichting gepleit. De burgers hebben er recht op om na zeven magere jaren een deel van de lastenverzwaring terug te krijgen. Dat is goed voor de economie. Het zal de consumptie aanjagen, evenals de investeringen. Mild formulerend zien wij in de gekozen richting een eerste stapje naar een bredere hervorming. 

Het CDA is tegen het plan-box 3 en zal dat op alle momenten en met alle argumenten en middelen blijven bestrijden, omdat de kleine spaarder daar niet mee geholpen is. Daarnaast roepen wij het kabinet op om grote haast te maken met de ontwikkeling van een strategie voor de vennootschapsbelasting, zodat wij een robuust en rechtvaardig systeem hebben dat internationaalproof is en Nederland een aantrekkelijk land laat zijn en laat blijven voor ondernemers, zowel binnenlandse als buitenlandse. Zij zijn immers de basis van onze welvaart. 

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Van Rij. Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech bij dit belangrijke debat. Dat u drie minuten over de door u aangekondigde spreektijd van 25 minuten heen bent gegaan, vergeef ik u deze keer. Het is niet toevallig dat deze speech over het Belastingplan gaat. U bent immers een fiscaal expert. U studeerde Nederlands recht en fiscaal recht aan de Universiteit van Leiden. Al tijdens de laatste studie begon u uw werkzame leven als assistent-belastingadviseur. Na uw afstuderen in 1986 werd u medewerker bij de Algemene Bank Nederland. In 1990 werd u belastingadviseur bij Loyens&Volkmaars in Amstelveen. Een jaar later vestigde u zich als zelfstandig belasting- en financieel adviseur in Den Haag. 

In 1994 trad u in dienst bij Ernst & Young Belastingadviseurs, waar u tot op de dag van vandaag aan verbonden bent. Als senior partner bent u momenteel actief als Global- en EMEIA Leader Private Client Services. Kunt u het nog volgen? Waar staat "EMEIA" voor? 

De heer Van Rij (CDA):

Dat staat voor "Europe, Middle East, India, Africa". 

De voorzitter:

Oh, dear. Nou, dank u wel. 

Als senior partner bent u momenteel dus actief als Global- en EMEIA Leader Private Client Services. U bent voorzitter van het Regionaal Partnerforum België-Nederland, lid van de EMEIA Advisory Council en lid van de Global Governance Council. 

In al die jaren hebt u uw opleiding steeds verder verbreed door postacademisch onderwijs te volgen aan het Nederlands Instituut voor Bank- en Effectenbedrijf, de Erasmus Universiteit, Harvard Business School, Booth School of Business in Chicago, Instituto Empresa Business School in Madrid, en, vorig jaar nog, aan Insead in São Paulo. Ik dacht dat dit in Fontainebleau zat, maar kennelijk zit dat ook in São Paulo. Het zit dus over de gehele wereld. 

Uw politieke affiniteit openbaarde zich al op jonge leeftijd. Naar verluidt trakteerde u reeds op 12-jarige leeftijd uw klasgenoten op een lezing over Abraham Kuyper. Binnen het CDA hebt u een zeer actieve loopbaan gehad, die in 1986 in Wassenaar begon met, achtereenvolgens, het oprichten van de CDJA-kern, het lidmaatschap van de gemeenteraad en het wethouderschap. In een roerige tijd, in 1999, werd u landelijk voorzitter van uw partij, het CDA. Over die jaren publiceerde u in 2002 "Duizend dagen in de landspolitiek. Leiderschapscrises in het CDA". Uw dagboeken uit die periode inspireerden mede tot het boek "Gepland toeval" van Rien Fraanje en Jouke de Vries dat in 2010 verscheen. Het verschijnen van dat boek zal u deugd gedaan hebben. 

U bent uw partij altijd een warm hart toe blijven dragen, maar schrikt er niet voor terug om een kritisch geluid te laten horen als u daar aanleiding toe ziet. Dat deed u onder andere in uw opinieartikelen, waarvan u de afgelopen 25 jaar een breed scala hebt opgebouwd, samen met uw wetenschappelijke publicaties over fiscaliteit. U droeg de afgelopen jaren ook bij aan verkiezingsprogramma's van uw partij en aan plannen over de toekomst van de belastingen. Daarmee kunt u dus ook bij mijnheer Wiebes terecht. In die artikelen zette u ook de Eerste Kamer de pen op de neus. Meermaals riep u de Kamer op om kritische vragen te stellen over de rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van een wetsvoorstel. Het zal u dan ook deugd doen dat u sinds juni deel uitmaakt van deze Kamer en nu daarbinnen inbreng kunt leveren bij de belangrijke wetsvoorstellen die hier aan de orde zijn. 

Ik wens u alle succes bij uw verdere bijdrage aan het werk van de Kamer en ik schors de vergadering om de collegae en mijzelf de gelegenheid te geven u te feliciteren. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Voorzitter. Ik wil allereerst collega Van Rij feliciteren met zijn maidenspeech. Wij zien uit naar een vruchtbaar debat met elkaar en goede samenwerking. Alvorens over het Belastingplan te spreken, wil ik namens de 50PLUS-fractie onze grote voldoening uitspreken over de geslaagde Klimaattop in Parijs. Dat is de grote verdienste van het Franse voorzitterschap dat, na de terreuraanslagen in Parijs, heeft aangetoond dat niets onmogelijk is als duidelijk wordt gemaakt dat de toekomst van de wereld, van onze planeet, en de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen op het spel staan. 

Ik dank de staatssecretaris voor de uitvoerige schriftelijke beantwoording van onze vragen en via hem ook zijn medewerkers en medewerksters. Het was een pittige klus. We moeten nu een oordeel vellen over het Belastingplan 2016 en later over de novelle. Het gaat om een belastingverlaging van bijna 5 miljard en eigenlijk gaat het om een brutoverlaging van 7 miljard, 1% van het bruto nationaal product. De 50PLUS-fractie is van mening dat alle Nederlanders, jong en oud, behoren te profiteren van belastingverlagingen, zoals jong en oud immers ook meebetalen of -betaalden aan de tientallen miljarden belastingverzwaringen vanaf het begin van de crisis. 

Gelijke fiscale behandeling van werkenden en ouderen is een kwestie van beschaving en rechtvaardigheid. Die gelijke behandeling was er ook bij de eerdere echte grote belastinghervormingen in 1990 en 2001. Na de lasten nu ook de lusten voor iedereen. Teruggeven van wat is afgepakt, zoals collega Van Rij zojuist zei. Ik ondersteun dat. 

Dit Belastingplan is een regelrechte belastingstraf op oud worden. Dat zit ook besloten in de term die het kabinet gebruikt, een levensloopbelasting. Het is een pure discriminatie, een discriminatie naar leeftijd. Voor 50PLUS is het principe van gelijke behandeling de toets voor de rechtmatigheid van de voorstellen. Dat is de eerste taak van deze Kamer. De vraag is of dit rechtmatig is. Gaarne ontvang ik een antwoord van de staatssecretaris op deze principiële vraag. 

Vooral ook omdat het kabinet van zins is dit discriminatoire beleid voort te zetten, is het noodzakelijk paal en perk te stellen en te zeggen: tot hier en niet verder. Het Belastingplan 2016, eenmaal goedgekeurd, is een precedent want het zet de deur wagenwijd open voor verdere belastingverlaging alleen voor werkenden, nota bene ook nog deels betaald door de ouderen. Gekker kan het eigenlijk niet worden. Wij wijzen op de brief over de novelle, waarin wederom een verlaging van 4 miljard van de inkomstenbelasting wordt aangekondigd, waarbij het de vraag is of die weer beperkt wordt tot een belastingverlaging op arbeid, alleen voor de werkenden dus. Alles wijst daarop omdat in de novellebrief wordt gesproken over 15.000 extra banen en dat kan effectief alleen via weer een enorme verhoging van de arbeidskorting van bijvoorbeeld €1.500. Kan de staatssecretaris hierop een klip en klaar antwoord geven? Volgende week spreken wij daar overigens nader over. 

De 50PLUS-fractie zal zich ten principale tegen deze schuif zoals die in de brief staat, verzetten tenzij — de voorstellen zijn er nog niet — de garantie wordt gegeven dat per saldo structureel absoluut geen verslechtering voor de ouderen optreedt. Er bestaat overigens in box 1 geen belasting op arbeid. Het is misschien goed om dat hier nog eens te zeggen. In box 1 wordt het inkomen uit arbeid belast en volgens de wet is dat het inkomen uit tegenwoordige en vroegere arbeid. Die worden dus wettelijk totaal gelijk gesteld. 

Als je het stelsel dat nu voor ons ligt in internationaal verband ziet, dan is dit Nederlandse fiscale beleid met kortingen, overigens ook met de discriminatie tussen een- en tweepersoonshuishoudens, een beleid dat zijn weerga niet kent in West-Europa en daar dus ook niet voorkomt. Wij hadden om een internationaal overzicht op beide punten gevraagd. Dat hebben wij nog niet ontvangen. Kan de staatssecretaris dat alsnog leveren voor de behandeling van de novelle en anders zo spoedig mogelijk daarna? 

Wij beschouwen het niet meedelen in de 4 tot 5 miljard zoals gezegd als een aparte strafbelasting voor de ouderen. We hadden al vier ouderentaksen. Dit is nummer vijf. Na de Bosbelasting, de verhoging in één keer van de inkomensgrens voor de inkomensafhankelijk bijdrage van €32.000 naar €50.000 in 2011, de Wul-taks van 4 % in 2013 en nu ook de verhoging van 0,65% van de inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgpremie, hebben we nu nummer vijf, de discriminatoire Rutte-Dijsselbloem-Wiebesbelastingtaks, een beschamende belasting. Het stapelen gaat dus gewoon door. 

Voor de beoordeling kiezen wij een totaal andere invalshoek dan het kabinet en kijken wij naar het Belastingplan 2015 en 2016 samen en naar andere maatregelen buiten deze belastingplannen, zoals de juist genoemde inkomensafhankelijke bijdrage. Die inkomensafhankelijke bijdrage is overigens een verkapte extra inkomstenbelasting van 5,5% voor ouderen en zzp'ers. 

Inderdaad verbetert door het Belastingplan 2016 de koopkracht van ouderen eenmalig met 1,2%, maar dat brengt de totale koopkracht toch nog maar op nul, van -1,2% naar nul. Dat komt door andere maatregelen buiten dat Belastingplan van 2016, vooral door de inkomensafhankelijke bijdrage die tot een structurele daling van de koopkracht met 0,7% leidt voor bijna alle inkomens van de ouderen, ook de lagere. De andere, brede invalshoek van de 50PLUS-fractie toont een onthutsend en beschamend beeld van de werkelijkheid zoals die er is, althans in onze ogen. Wij kijken naar een aantal zaken tegelijk: meer jaren naast één jaar, fiscaal en niet-fiscaal samen en het onderscheid tussen structureel en eenmalig. Het lijkt zo simpel, maar voor het kabinet is dat een bijna onoverkomelijke opgave. 

Wat doen wij? Wij betrekken de Miljoenennota 2015 erbij en zien de exclusieve structurele lastenverzwaringen voor de ouderen van niet minder dan 600 miljoen waartoe in het najaar van 2014 is besloten. Die bestonden uit verlaging van de ouderenkorting voor 200 miljoen, afschaffing van de ouderentoeslag voor 135 miljoen en verhoging van de inkomensafhankelijke bijdrage met 0,65% voor 275 miljoen. Een structurele lastenverzwaring voor de ouderen alleen van 610 miljoen, waarover vorig jaar is besloten. 

De vermindering van de verlaging van de ouderenkorting, let wel, de vermindering van de verlaging van de ouderenkorting! — zo gaat dat met ons — met tweemaal €54 via de vierde nota van wijziging en de novelle, maakt de structurele verlaging van de ouderenkorting van vorig jaar van €83 gelukkig weer geheel ongedaan vanaf 2017. Er blijft zelfs een kleine verhoging van €25 over. Maar er blijft dus nog een structurele verzwaring voor ouderen van 400 miljoen over van vorig jaar. Het zou het kabinet hebben gesierd ook de twee andere besluiten terug te draaien. Nu dat niet is gebeurd, blijft na 2016 deze verzwaring van 400 miljoen voor ouderen gewoon bestaan. Alle eenmaligheid voor 2016 ten spijt. 

Het kabinet spreekt in dit verband van intensivering van de ouderenkorting die een belangrijk deel van de koopkrachtreparatie in 2016 structureel maakt. Ik noem dit het simpel terugdraaien van een eerdere verlaging. Dat is geen verhoging. Dit terugdraaien toont aan dat de koopkrachtreparatie lapwerk was en dat het structureel moest, zoals wij gevraagd hebben. Wij zijn uiteraard blij met de twee kleine stapjes, maar dat is alleen het niet meer afpakken van wat dreigde afgepakt te worden. Onze fractie blijft een gehele structurele verhoging van €220 eisen en niet maar de helft van €108 die er nu is. Immers, de ouderenkorting daalt in 2017 gewoon met €112, een tientje per maand. Dat weten wij dus nu al. Hoe groot is de koopkrachtdaling van €112 belastingstijging, zo vraag ik de staatssecretaris. Is hij bereid nu al toe te zeggen dat dit in het Belastingplan 2017 structureel wordt gerepareerd en niet weer eenmalig met die €112? Kom daar dus niet voor de tweede keer mee aan, want dan slepen we de gevolgen van een fundamenteel fout besluit van jaar tot jaar mee. Dat moet de staatssecretaris niet willen. Gaarne krijg ik daarop een antwoord. 

De 50PLUS-fractie zal elk jaar vragen om een totaalplaatje: fiscaal en niet-fiscaal, structureel versus eenmalig en een driejaarsoverzicht met daarin het jaar ervoor en erna, anders komen we niet uit de puzzels. We willen dus ook weten wat de gevolgen voor de koopkracht van ouderen zijn op het niet-fiscale terrein. Ik noemde bijvoorbeeld de verhoging van de inkomensafhankelijke zorgpremie. 

De 50PLUS-fractie heeft in de Tweede Kamer een evenredig aandeel geëist in de structurele 5 miljard lastenverlaging en die is er helemaal niet gekomen. In de senaat is de motie-Nagel daarover aangenomen. Die is niet uitgevoerd. Ik zou zeggen: nog niet, want de motie blijft boven de markt hangen, evenals de motie-Schalk, die wij ook blijven steunen. 

De ouderen hebben structurele lastenverzwaringen en een eenmalige reparatie in 2016 gekregen, juist als gevolg van eerdere lastenverzwaringen. Het beeld voor de werkenden staat in totaal contrast daarmee, met alleen steeds grotere structurele lastenverlichtingen. Dat zal volgens het kabinet in de toekomst zo doorgaan. In twee kleine rondes is er weer 90 miljoen en 300 miljoen extra naar de werkenden geschoven uit de algemene ruif van de schijfverlaging, die 0,3 % minder wordt. In die twee rondes wordt van de ouderen alleen 200 miljoen niet meer afgepakt, maar zij krijgen er niets bij. 

Meer hebben zij blijkbaar ook niet te verwachten. Sterker nog, zij hebben volgens het kabinet ook helemaal geen recht op een structurele belastingverlaging. Dat is de harde consequentie van het geloof van het kabinet dat de werkenden zorgen voor de welvaart en hun eigen toekomstige welvaart. Ouderen zijn in de visie van het kabinet een exclusief belastingobject: bij hen valt het te halen, en alleen daar. 

Rutte noemde bij de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer de 5 miljard voor de werkenden een keuze. Het kabinet kondigde aan door te gaan met dit beleid van exclusieve verlaging van de belasting op arbeid. De Belastingplannen 2015 en 2016 bevatten een totale structurele belastingverlaging van ruim 3 miljard door een verhoging van de arbeidskorting. In 2017 komt daar nog 0,5 miljard bij. In de periode 2014-2017 is de arbeidskorting met €1.224 verhoogd tot €3.321 en de ouderenkorting met, let wel, €30 euro tot €1063. Dat is een verschil in drie jaar van bijna €1.200 euro. 

We moeten ook kijken — ik verwijs naar tabel 5 van de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer, en de tabellen 13 en 14 van de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer — naar het astronomische verschil tussen het totaal van alle heffingskortingen voor de werkenden en de ouderen in 2017. Werkenden ontvangen in dat jaar €5.292 meer korting dan de ouderen bij een inkomen van €20.000, en €6.437 meer korting bij een inkomen van €40.000. Voor werkenden is dat een korting van 100% op de te betalen belasting bij een inkomen van €20.000, en een korting van 46% bij een inkomen van €40.000. Deze absurde verschillen tonen het failliet aan van deze discriminerende inkomstenbelasting. Kan de staatssecretaris hierop reageren? 

In dit verband is het goed het antwoord van de staatssecretaris bij de Algemene Financiële Beschouwingen in de senaat te citeren op onze vragen over het verschil in de behandeling van werkenden en ouderen. Hij zei: "De werkenden van nu zijn de ouderen van straks. Als je die nu faciliteert in het opbouwen van welvaart (...) dan help je daarmee ook de toekomstige ouderen. (...) Het gaat niet alleen maar om een verdelingsvraagstuk op dit moment. Het gaat ook om welvaartsopbouw naar de toekomst. Daarin ontstonden grote verschillen. Die kwamen in augustus aan het licht. Die zagen er niet zo heel fraai uit. Het kabinet heeft de ferme oproep tot koopkrachtreparatie voor 2016, die in augustus klonk, aangegrepen. In de nota van wijziging is daar voor 2017 nog 100 miljoen bijgekomen. De heer Van Rooijen heeft aangegeven dat onvoldoende te vinden. Dat snap ik vanuit zijn perspectief, maar als de polsstok meer naar de ene kant gaat, raak ik elders weer banen kwijt. Dat komt het draagvlak niet bepaald ten goede." 

De staatssecretaris gebruikte daarvoor aan de overkant de fraaie termen "banentoets" en "democratietoets". Collega Van Rij kijkt naar mij: ik wist niet dat dit toetsen waren in het fiscale recht. Het komt het draagkrachtbeginsel als toets niet ten goede. De minister van Financiën verdedigde de arbeidskorting in hetzelfde debat als een effectievere manier om de wig te verkleinen, omdat die alleen voor de werkenden geldt en goed voor de werkgelegenheid is. Volgens de staatssecretaris gaat het bij de lastenverlichting in de inkomstenbelasting om de keuze of fiscale voordelen die in de actieve of in de niet-actieve levensfase van mensen worden gegeven. Hij wees erop dat ik ten principale eigenlijk vind dat er fiscaal geen verschil mag zijn tussen werkenden en niet-werkenden. Het kabinet is het daar ten principale niet mee eens. Werkenden werken en creëren welvaart. 

En wat doen ouderen, zo vraag ik mij af. Ik ben het dus niet met hém eens. Uit tabel 16 van de memorie van antwoord blijkt naar aanleiding van onze vragen dat de ouderen bij alle inkomens meer belasting betalen dan de werkenden. Die tabel is op ons verzoek opgesteld, waarbij de AOW-premie buiten beschouwing is gelaten. De AOW-premie is immers geen belasting maar een ouderdomsvolksverzekering. Er wordt een heel onzuiver debat gevoerd over de AOW-premie. Omdat de werkenden AOW-premie betalen, zouden ouderen die ook moeten betalen, zo vinden sommigen. Ik wil erop wijzen dat wij, de ouderen van nu, destijds AOW-premie betaalden voor de AOW van onze ouders, die daarvoor nooit AOW-premie hadden betaald. Zo solidair waren wij dus met onze ouders. De ouderen van nu ontvangen de welverdiende AOW waar zij 40 jaar hard voor gewerkt hebben. Zij zouden dan waarschijnlijk AOW-premie moeten gaan betalen onder de vlag van een belasting. 

De verhoging van de arbeidskorting wordt nu voor het eerst mede verdedigd met het argument dat de AOW'ers geen AOW-premie betalen. Dat is volgens mij al zo sinds de instelling van de AOW, maar goed. Dat blijkt uit pagina 22 van de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer. Ik citeer de staatssecretaris: "De grafieken en tabellen tonen dat de heffingskortingen voor belastingplichtigen onder de AOW-gerechtigde leeftijd hoger zijn omdat er is uitgegaan van volledige belasting- en premieplicht. AOW-gerechtigden zijn daarentegen niet meer premieplichtig voor de AOW en in de hoogte van de heffingskortingen wordt hier rekening mee gehouden." Meer dan rekening, zo zou ik willen zeggen. Kan de staatssecretaris hierop een nadere toelichting geven? 

Wij wijzen erop dat in antwoord op onze vragen uit tabel 16 op pagina 27 van dezelfde memorie van antwoord blijkt dat juist door de veel hogere arbeidskorting de werkenden ook nog effectief steeds minder AOW-premie gaan betalen. De ouderen zouden die AOW-premie dus wel moeten gaan betalen. Ik noem dat de omgekeerde wereld. 

In antwoord op de door ons gestelde vragen blijkt uit tabel 11 van de nota naar aanleiding van het verslag aan de Eerste Kamer bovendien dat de ouderen niet minder belasting betalen dan de werkenden. Integendeel, zij betalen meer, en nog meer als je ook de inkomensafhankelijke bijdrage van 5,5% meetelt, die alleen de ouderen betalen. Dat is nog eens €1.100 tot €2.200 bij een inkomen van respectievelijk €20.000 of €40.000. Het verschil wordt nog groter als je de vergelijking totaal maakt en het onbelast voordeel van de zorgpremie voor de werknemer meetelt. Die wordt immers door de werkgever betaald. Dat is nog eens €610 tot €1.329 euro bij een inkomen van respectievelijk €20.000 of €40.000, zoals blijkt uit tabel 12 van dezelfde nota. 

Ik kom op het draagvlakbeginsel. In de loop der jaren is er in de inkomstenbelasting een steeds grotere kloof ontstaan in de fiscale behandeling van een- en tweepersoonshuishoudens en tussen niet-AOW'ers en AOW'ers; het kabinet spreekt dan liever over werkenden en niet-werkenden, want dat moet het doen om de belasting op arbeid te verdedigen. Het spreekt ook wel over actieven en niet-actieven; het is tamelijk denigrerend om ouderen te omschrijven als niet-werkenden en niet-actieven. 

In de Tweede Kamer en in de senaat bij de Algemene en Financiële Beschouwingen is uitvoerig stilgestaan bij dit verschil. In de senaat zijn moties aangenomen over elk van beide onderwerpen. Zij hebben gemeen de zorg dat de kloof al groot is maar steeds groter wordt. Ook hierbij wordt wel het argument gebruikt dat het nu eenmaal zo gegroeid is. Maar het is nooit verkeerd dan toch een moment van bezinning in te bouwen en de senaat is bij uitstek de plaats om dat te doen, zeker nu het wetsvoorstel voorligt dat verschillen fors vergroot en die steeds meer in strijd komen met het draagkrachtbeginsel. 

Voor het kabinet moet het duidelijk zijn dat de twee moties nog steeds op tafel liggen. De motie-Nagel vroeg om een evenredig deel in de structurele belastingverlaging. Die is er helemaal niet gekomen. Waarom niet? Het is overigens opmerkelijk dat een in de senaat niet ingediende motie wel wordt uitgevoerd bij de novelle en niet de twee hier aanvaarde moties. Het kan verkeren. 

Ik zou hier een uitvoerige beschouwing kunnen houden over het draagkrachtbeginsel, ook in relatie tot het welvaartsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel die door de minister en de staatssecretaris hier ook in november werden aangevoerd. Ik ben blij dat we naar aanleiding van onze vragen nu in elk geval weten hoe het kabinet tegen de inkomstenbelasting aankijkt. Beide bewindslieden constateren terecht dat wij fundamenteel van mening verschillen en hun verweer heeft mij allerminst overtuigd, integendeel, mij gesterkt in de gedachte dat we totaal op de verkeerde weg zijn. Nog sterker, de inkomstenbelasting — ik zeg dat niet graag — verwordt tot een instrument van werkgelegenheidsbeleid en arbeidsmarktpolitiek. Het wordt een uitdeelbelasting met steeds meer willekeurige politieke deals. Het einde van een echte zuivere inkomstenbelasting komt in zicht. Omdat er geen principes meer aan ten grondslag liggen, is alles mogelijk en verdedigbaar: de waan van de dag heerst. Je kunt aan alle knoppen draaien — soms gebruikt de bewindsman dat woord ook, hoewel ik het een vreselijk woord vind, maar dat terzijde — en het wordt hiermee een sinterklaassysteem met een hoog kerstboomgehalte. Gaarne een antwoord. 

Het gevolg is — collega Van Rij noemde dat de linker kant van het verhaal — nivellering met verdere versterking van de zogenaamde tweede progressie: het effect van dalende kortingen naarmate het inkomen hoger is, inkomensafhankelijke kortingen. De eerste is uiteraard de tariefprogressie. De nivellering leidt ook tot een versterking van de zogenaamde derde progressie: inkomensafhankelijke regelingen die afnemen naarmate het inkomen stijgt. Bijna alles wordt inkomensafhankelijk, de AOW gelukkig niet. 

Ik noemde dat in 1977, vlak voor de verkiezingen toen ik nog staatssecretaris was, al het probleem van de cumulatieve marginale druk. Ik zag dat het CDA bij de vragen — ook vanavond heeft collega Van Rij dat gedaan — erop wees dat de marginale druk loopt tussen 2% en 56 %. Die druk zie je niet in de schijftarieven. Schijftarieven laten zien wat het lijkt, niet wat het is. 

Het kabinet erkent dat het draagkrachtbeginsel een belangrijke pijler is van de loon- en inkomstenbelasting, maar voegt er direct aan toe: het pakket van 5 miljard doet daar niets aan af. 

De 50PLUS-fractie vraagt de staatssecretaris voor 1 september 2016 te komen met een studierapport over het draagkrachtbeginsel in de inkomstenbelasting. Wil hij dit toezeggen? 

Wij komen nu te spreken over drie fiscale voorstellen en hebben daarover de volgende vragen waarop wij een duidelijk antwoord van de bewindsman verwachten. Allereerst de veel besproken ouderenkorting. Wat is het beleid van het kabinet voor de ouderenkorting en speciaal die tot €35.000? Wij hebben sterk de indruk dat het kabinet geleidelijk deze korting steeds verder wil verlagen en dat de verlaging met €83 de eerste stap was. Is dat juist? Kan worden bevestigd dat de korting niet verder wordt verlaagd, zeker niet gelet op de steeds hogere arbeidskorting? Is de bewindsman bereid de ouderenkorting boven €35.000 van nog slechts €70 — dat mag je toch een fooi noemen — weer terug te brengen naar het niveau van in ieder geval €150? Wij willen erop wijzen dat bij de invoering van de Wet uniformering loonbegrip in 2013 als compensatie voor de 4% verhoging van het tarief van de eerste schijf de ouderenkorting is verhoogd van €762 tot €1.032. Voor de inkomens boven €35.000 is een korting ingevoerd van €150. Daarnaast werd het tarief van de verlaagde inkomensafhankelijke bijdrage verlaagd. 

De 50PLUS-fractie is van mening dat er geen sprake van kan zijn dat die compenserende maatregelen voor permanente 4% verzwaring alsnog een tijdelijk karakter krijgen door die compensaties geleidelijk terug te draaien, zoals is gebeurd met de €83. Gaarne een duidelijk antwoord. 

Er zijn nu twee stapjes gezet om de structurele verlaging van €83 ongedaan te maken. Per saldo stijgt de ouderenkorting dus met €108: bijna de helft van de €220 tijdelijk. De 50PLUS-fractie eist dat ook de resterende €112 structureel wordt om te voorkomen dat de korting in 2017 weer daalt met €112. Anders kondigt zich nu al de volgende reparatie aan in 2017. Maar de ouderen willen niet weer zo behandeld worden als dit jaar waarbij het kabinet volgend jaar wel weer kijkt of een eenmalige reparatie van de koopkracht voor de ouderen nodig is in het kader van wat zo fraai heet, een evenwichtige inkomensverdeling. Wij wijzen erop dat de werkenden in 2016 de hogere arbeidskorting ontvangen, maar dat zie je in 2017 in de koopkrachtplaatjes niet meer als een verbetering. 

Ik kom nu over de ouderentoeslag te spreken. Hier wreekt zich dat het besluit tot afschaffing vorig jaar al genomen is en daarmee een vaststaand feit is geworden voor het kabinet en de staatssecretaris. Maar het is nooit te laat om dat te heroverwegen en er in elk geval over te debatteren. Wij blijven pleiten voor het niet laten doorgaan van de afschaffing van de ouderentoeslag. Dat is een vrijstelling van vermogen voor box 3 die alleen geldt voor mensen met alleen AOW of AOW met een klein pensioen. Deze ouderen worden hard gepakt. Zij gaan er zeker bij een tweepersoonshuishouden fors op achteruit: €250 tot €500 structureel. Maar nog veel erger is het dat zij de huurtoeslag van bijna €4.000 in een keer verliezen, permanent. Is de bewindsman alsnog bereid de afschaffing van de ouderentoeslag ongedaan te maken? 

De Belastingdienst kan niet het probleem zijn omdat in elk geval de ouderen dan zeker weten dat de ouderentoeslag bij de definitieve aanslag 2016 gehandhaafd blijft en zij het teveel betaalde terugkrijgen. Als de bewindsman niet bereid is de afschaffing van de ouderentoeslag ongedaan te maken dan vragen wij of hij bereid is om de afschaffing ten minste een jaar uit te stellen en of hij anders wil kijken naar een geleidelijke afbouw. 

Wat wij in elk geval eisen, is een verzachting van de gevolgen van de afschaffing van de ouderentoeslag voor de huurtoeslag, door een meer geleidelijke afbouw van de toeslag bij overschrijding van de vermogensgrens. Wij vragen nogmaals een aparte compensatieregeling voor het verlies van de huurtoeslag. Het gaat hierbij om 20.000 ouderen die €4.000 netto elk jaar verliezen. De brieven daarover vallen nu in de brievenbus van deze mensen en zij voelen het direct al in januari: €300 per maand minder. Dat kun je deze mensen toch niet aandoen en zeker niet als er 4 miljard is voor de werkenden? Wij vragen het kabinet dringend een speciale tegemoetkoming te treffen: een verhoging van de vermogensgrens voor de huurtoeslag tot €41.000. Gaarne een antwoord. 

Ten slotte, het derde voorstel waarover wij willen spreken: de verhoging van het lage IAB-tarief in 2016 waartoe ook al in 2014 was besloten. De minister heeft besloten die premie met 0,65 % te verhogen. Het is, zoals gezegd, een lastenverzwaring van 275 miljoen voor ouderen met een negatief koopkrachteffect van 0,7% voor alle inkomens tot €54.000. De enige motivering is het verbeteren van de schatkist. Dat kan toch niet waar zijn? 

Het tarief voor de inkomensafhankelijke bijdrage voor de ouderen werd bij de invoering van de Wet uniformering loonbegrip (Wul) expres verlaagd en wordt nu weer verhoogd. De verhoging kan nog verder oplopen. Het lagere tarief — het is nog steeds 1,25% lager — kan worden verhoogd. Ik vraag het kabinet om toe zeggen dat het het verlaagde tarief niet zal optrekken tot het hoge tarief. 

De 50PLUS-fractie wil volgend jaar proberen de Zorgverzekeringswet zo te wijzigen, dat de minister in de toekomst de bestaande 1,25% bandbreedte tussen het verlaagde en normale tarief alleen kan wijzigen bij wet of bij Algemene Maatregel van Bestuur en niet bij een simpel besluit. Tevens zullen wij volgend jaar proberen ervoor te zorgen dat het tarief van 5,5% voor de inkomensafhankelijke bijdrage weer wordt verlaagd. 

Ik rond af, maar het volgende moet mij nog van het hart. De ouderen hebben geen evenredig deel gehad van de 5 miljard aan belastingverlaging. Zij zijn afgescheept met een beschamende eenmalige fooi van €137; dat is €11,41 per maand. De werkenden daarentegen ontvangen een permanent verkiezingscadeau van €1.200; dat is €100 per maand. En vanaf 2017 gaan de ouderen weer permanent €112 meer betalen; dat is bijna een tientje per maand meer. Wij blijven dus strijden voor een evenredig deel. 

Het kabinet moet zich diep schamen. Het Belastingplan 2016 is samen met dat van 2015 een straf op oud worden. De 50PLUS-fractie houdt de VVD en de PvdA voor deze ouderenstraf verantwoordelijk. De ouderendiscriminatie houdt niet op. Was het hier op 17 november, bij de Algemene Financiële Beschouwingen, nog vijf voor twaalf — collega Schalk sprak daarover — nu is het vijf over twaalf. 

De heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. Allereerst feliciteer ik collega Van Rij met zijn maidenspeech. Ik heb genoten van zijn bijdrage. 

Het antwoord op de vraag of je warm of koud wordt van het voorliggende Belastingplan hangt af van de vraag of je de onderliggende economische analyse deelt en instemt met de beleidsmatige consequenties die daaraan verbonden worden. De ChristenUnie-fractie heeft op basis van dit analysekader twijfels over dit Belastingplan. Ik wil dan ook niet te snel in de technocratische modus schieten door de verschillende fiscale maatregelen van een louter instrumentele weging te voorzien. Mijn fractie heeft behoefte aan een meer reflexieve bijdrage aan dit debat. Die bijdrage zal ik leveren aan de hand van vier vragen: is het Belastingplan verantwoord, is het realistisch, is het groen en is het rechtvaardig? 

Is het Belastingplan verantwoord? Het economische beeld dat in het Belastingplan 2016 wordt geschetst, is doordrenkt van optimisme. Gelukkig is er ook veel om dankbaar voor te zijn. De Nederlandse economie, zo leert ons de decemberraming van het CPB van afgelopen vrijdag, groeit dit jaar met 2% en volgend jaar met 2,1%. Dat zijn mooie, maar ook fragiele cijfers. Zoals mijn fractie tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen van een maand geleden betoogde, kan naast dit optimistische beeld een beeld van aanhoudende zorg worden gelegd. De werkloosheid in ons land blijft op een onacceptabel hoog niveau: er zijn 600.000 werklozen, van wie bijna de helft langdurig werkloos is. Het internationale economische en politieke toneel biedt een verwarrend spectrum van onzekerheid, terreurdreiging en terugslag. De ISIS-terreur laat eens te meer zien dat investeringen in veiligheid, justitie en defensie geen restpost mogen zijn. De vluchtelingenstroom plaatst ons land voor immense opgaven; de minister van Financiën gaf zelfs aan dat de welvaartsstaat op het spel staat. 

Al deze ontwikkelingen hebben hun impact op onze economie en onze financiële stabiliteit. In deze hoogst onzekere context vindt de ChristenUnie-fractie het geen vanzelfsprekende keuze om 5 miljard euro aan lastenverlichting uit te delen. Zeker, er is in de afgelopen zeven jaar veel van de Nederlandse bevolking gevraagd en de neiging om wat terug te doen is begrijpelijk, maar juist nu het weer wat beter gaat, moeten we niet in oude procyclische fouten vervallen, ook niet wanneer het verkiezingsjaar nadert. Het geld voor de belastingverlichting hebben we immers niet op de plank liggen, maar moet gewoon geleend worden. 

De heer Van Strien (PVV):

Ik wil graag weten of ik het goed gehoord heb. Pleit de ChristenUnie er nu voor om de belasting niet te verlagen in verband met de enorme stroom asielzoekers? Dat geld moet aan de asielzoekers worden besteed. Heb ik dat goed gehoord? 

De heer Ester (ChristenUnie):

Nee, dat hebt u niet goed gehoord. Dat zou mij ook zeer van mijzelf tegenvallen. Ik probeer te laten zien dat de internationale politiek-economische context zeer ongewis is en dat het juist dan goed is om ervoor te zorgen dat we voldoende financiële middelen hebben om ons land op te lijnen en te kunnen investeren in allerlei voorzieningen die die dreigingen juist tegengaan. 

De heer Van Strien (PVV):

De heer Ester verwoordt al die tegenvallers nu iets anders. Ik heb hem zojuist als een van die tegenvallers de enorme instroom van asielzoekers horen noemen. Die mis ik nu in zijn antwoord. 

De heer Ester (ChristenUnie):

Ik zie de instroom van asielzoekers niet als een tegenvaller, maar als een fact of life waar we iets aan moeten doen. We moeten die mensen opvangen en dat gaat gewoon geld kosten. Als je 5 miljard uitgeeft, zul je de opvang op een andere manier moeten financieren. Daar hebben we gewoon geld voor nodig. Daar schamen wij ons niet voor; dat is onze morele plicht. 

We zien dan ook dat onze EMU-schuld niet onder de 60%-norm komt en dat ons structureel begrotingstekort stijgt. De Raad van State trekt hierover terecht aan de bel. De jongste raming van het CPB laat zien dat het structurele begrotingstekort snel oploopt, van 1,3% in 2015 naar bijna 2% in 2016. De Nederlandsche Bank (DNB) voorziet een structureel tekort dat zelfs nog verder oploopt, naar 2,5%, in 2017. DNB wijst er ook op dat de economische groei dit jaar en de komende jaren boven de potentiële groei ligt. De logische vraag die daarbij hoort, is hoe nodig het is om juist in 2016 een geleende lastenverlichting van 5 miljard euro uit te delen om de economie aan te zwengelen. Kan de staatssecretaris hierop reageren? 

De ChristenUnie-fractie weet zich geïnspireerd door het oudtestamentische verhaal van Jozef. Deze onderkoning van Egypte zorgde ervoor dat de graanschuren tijdens de jaren van overvloed gevuld waren, zodat het land goed bestand was tegen de hongersnood die volgde. Dat beleid kan Nederland tot voorbeeld dienen. Juist nu het weer wat beter gaat met de Nederlandse economie, moeten we onze buffers op peil brengen - we moeten de graanschuren gevuld houden - zodat we opgewassen zijn tegen komende stormen. Mijn fractie moet ervan overtuigd worden dat het pakket van 5 miljard ons land op lange termijn echt sterker maakt, waarbij de overheidsfinanciën moeten worden meegewogen. 

Bovendien zijn de baten ongelijk verdeeld, waarover ik zo dadelijk meer zal zeggen. Van een fundamentele hervorming van ons belastingstelsel is geen sprake. Daar was geen politieke ruimte voor. Wat nu voorligt, zijn wat goedbedoelde maatregelen voor het lonender maken van arbeid. Daarbij wordt verbaal stevig ingezet op de banen die het Belastingplan oplevert: dat zijn er 35.000, om precies te zijn. Dat is eigenlijk een zeer bescheiden aantal, gezien de omvang van de werkloosheid in ons land en gezien het bedrag van 5 miljard aan lastenverlichting. Het toont dat fiscale stimulering van de arbeidsparticipatie door het arbeidsaanbod te prikkelen veel minder effectief is dan in vroeger jaren. De novelle onderstreept deze conclusie nog eens. De verschuivingen in de novelle leiden namelijk tot 0,0% extra banen. Dat is een opvallend resultaat. 

Mijn fractie zag, samen met vele andere partijen, uit naar een hervorming van ons belastingstelsel die niet eenzijdig gebaseerd is op het primaat van betaalde arbeid. 

De heer Backer (D66):

Mag ik de heer Ester wijzen op de brief van het kabinet, waarin het aanvullende maatregelen aankondigt? Een van die maatregelen is een mogelijke uitbreiding met het lokaal belastinggebied. Als het voorontwerp op tijd wordt ingediend en de belasting koopkrachtneutraal wordt geheven, zoals wordt gepland, kan dit structureel meer dan 20.000 banen opleveren. Kan de heer Ester dat in zijn betoog meewegen? 

De heer Ester (ChristenUnie):

Ik ga zo op de techniek in, maar dit zijn wel een paar als-danvragen, die op dit moment niet voorliggen. Ik baseer mij nu op de berekeningen die zijn gemaakt. Daar komt dat opvallende percentage van 0,0 uit. 

Ik zei al dat mijn fractie uitzag naar een hervorming van ons belastingstelsel, een stelsel dat niet eenzijdig gebaseerd is op het primaat van betaalde arbeid, maar dat ook oog heeft voor mensen die verantwoordelijkheid nemen waar het gaat om de zorg voor kinderen, mantelzorg en de zorg voor chronisch zieken en gehandicapten, dat een goede balans vindt tussen individu en huishouden en dat vergroening en verduurzaming van onze economie door de juiste fiscale prikkels serieus neemt. Dat heeft niet zo mogen zijn en de ChristenUnie-fractie betreurt dat. De staatssecretaris noemde het zelf een gemiste kans. En gelet op het snel oplopende structurele begrotingstekort heeft dit kabinet in zijn nadagen ook nog eens het broodnodige smeermiddel voor een stelselherziening weggegeven. 

Heeft de staatssecretaris nog wel de ambitie om alsnog een poging te wagen tot een grondige stelselherziening in de resterende kabinetsperiode? Kunnen we nog een initiatief van hem verwachten of berust hij? Mocht de staatssecretaris de stelselherzieningshandschoen toch weer willen oppakken, dan roepen we hem en het kabinet op om een doortastender regie te voeren. Het volstaat niet om partijen fiscaal tegen elkaar te laten opbieden en vervolgens te constateren dat het wel erg druk wordt bij de geldloketten. Deze belastingpolitiek-nieuwe-stijl heeft het voordeel van transparantie, maar ook het nadeel van zichtbare politieke onmacht. Inhoudelijke en niet procedurele regie moet hier het verschil maken. 

Dan mijn tweede punt: is het Belastingplan realistisch? Wat opvalt bij de behandeling van het Belastingplan in de Tweede Kamer, is de doorslaggevende rol die werkgelegenheidsdoorrekeningen van — en aannames daarbij — door het CPB spelen bij het al dan niet honoreren van amendementen. Collega Backer ging er zojuist al even op in. Misschien is de Eerste Kamer de juiste plek om hier kanttekeningen bij te maken. Ik zeg dit niet om het CPB te kritiseren, mijn fractie heeft oprecht veel respect voor onze nationale rekenmeesters. Zij zijn vermoedelijk de eersten om te benadrukken dat hun rekensommen niet verabsoluteerd dienen te worden. De manier waarop Den Haag nu aan de haal gaat met de uitkomsten van de CPB-rekenmodellen, doet het debat geen goed. Allereerst moeten we ons realiseren dat het hier om een arbeidsaanbodmodel gaat, het MICSIM-model. Op basis van bepaalde aannames rond de werking van fiscale parameters zal dit aanbod stijgen of dalen. Het gaat dus niet om extra banen die worden gecreëerd, het gaat om extra uren die mensen wel of niet willen gaan werken op basis van empirisch bepaalde vraagelasticiteiten. De baanconsequenties worden daarbij eerst op lange termijn zichtbaar. Structurele arbeidsaanbodmodellen kunnen moeilijk overweg met onvrijwillige werkloosheid en dat geldt ook voor de CPB-modellen. Het gaat hier immers om een onvrijwillige aanbodrestrictie die haaks staat op de vrijekeuzeassumptie van de aanbodmodellen zelf. De onderliggende data zijn, blijkens recente studies van het CPB zelf, afkomstig uit de periode 2006-2009. Vooral in de jaren daarna steeg de werkloosheid. De geringe impact van onvrijwillige werkloosheid in de CPB-berekeningen komt voort uit het geringe aantal werklozen in de dataset in de gebruikte periode. Dat betekent dat de vooruitberekeningsmodellen in gebreke blijven in een periode, zoals nu, van relatief hoge werkloosheid. Uit de schriftelijke vragenronde bleek dat het CPB over meer recente cijfers beschikt, maar niet in de gelegenheid is om deze te analyseren. Wil het kabinet, zo vraag ik de staatssecretaris, het Planbureau verzoeken om de modellen te updaten met meer actuele data? Dat zou de waarde van de berekeningen en de kwaliteit van het debat zeer ten goede komen. 

Met deze kennis gewapend, moeten we veel minder dwingend omgaan met de banenberekeningen van het CPB wat de politieke weging van fiscale maatregelen betreft. En nogmaals, voorzitter, het Planbureau zal de eerste zijn om dit te beamen. We moeten het Planbureau dan ook niet in de verkeerde positie plaatsen. Politiek blijft politiek, modellen blijven modellen. Maar zelfs indien het getal van 35.000 banen correct zou zijn, is dit een wel zeer magere opbrengst van het lastenverlichtingspakket. Veel geld voor weinig banen. Structureel gaat het om meer dan €140.000 per baan per jaar. In 2016 gaat het om 7.000 extra banen, ofwel ruim €700.000 per baan. Mag ik de staatssecretaris vragen om een reactie op deze rekensommen? 

Is het Belastingplan groen? Mijn fractie is blij met het klimaatakkoord dat het afgelopen weekend in Parijs is gesloten. 

De heer Backer (D66):

Ik heb met veel interesse naar de uiteenzetting van collega Ester geluisterd over het model van het CPB. Ik ondersteun zijn relativering ervan. Is de som die hij aan het eind van zijn betoog maakt, dan geen artificiële som? Hij heeft het namelijk over een aanbodmodel. Dan mag je toch niet zomaar die berekening daarop loslaten? 

De heer Ester (ChristenUnie):

Het is van tweeën één: u gaat akkoord met een belastingverlagingspakket van 5 miljard euro. Een belangrijke redenering daarbij is die 35.000 banen. Dan mag ik toch het ene getal door het andere delen? Dat zult u ongetwijfeld zelf ook hebben gedaan bij het afwegen van de effectiviteit van die investering. 

De heer Backer (D66):

Mede, maar ik zit sterker op de lijn die u daarvoor betoogde, namelijk dat het model de richting aangeeft dat dit banengroei teweegbrengt. Het exacte getal moet je relativeren, dat moet je ook relativeren bij het aanvullende pakket. Daarom vond ik de conclusie dat u het vervolgens gaat delen niet erg logisch. Maar voorzitter, ik heb echter gehoord wat de heer Ester daarover zegt. 

De heer Ester (ChristenUnie):

Dank u. 

Ik kwam net bij een onderwerp dat u nog meer aan het hart zal gaan, mijnheer Backer, namelijk de vraag of het Belastingplan groen is. Ik zei al dat mijn fractie blij is met het klimaatakkoord dat afgelopen weekend in Parijs is gesloten. De klimaatopgave is urgent en de roofbouw op de Schepping groot. Ook Nederland moet alles in het werk stellen om de slag naar een CO2-arme duurzame economie te maken. Vergroening van onze productie en consumptie moet een prioriteit van de eerste orde zijn. Ons fiscale systeem kan daarbij een belangrijke hefboomfunctie vervullen. Mijn fractie is de staatssecretaris erkentelijk voor het overzicht dat hij op ons verzoek heeft aangereikt over fiscale vergroeningsstimuli die ons land kent. Daaruit blijkt dat het Belastingplan 2016 niet overloopt van ambitie. Het ingewikkelde verhaal rond de herintroductie van de vrijstelling kolenbelasting voor de opwekking van elektriciteit maakt de zaak er niet eenvoudiger op. Het veel te hoge plafond in het emissiehandelssysteem en de daarmee samenhangende veel te lage prijs voor CO2-uitstoot zit een voortvarende vergroening danig in de weg. Het overzicht toont weliswaar een reeks van fiscale vergroeningsmaatregelen, maar de staatssecretaris geeft aan dat van veel maatregelen de milieuwinst eigenlijk niet is bepaald. Dat kan natuurlijk niet. Ook hier wreekt zich het gemis van een grondige belastingherziening waarin een gebalanceerd en effectief systeem van fiscale vergroeningsstimuli wordt gepresenteerd. De ChristenUnie-fractie wil op het punt van vergroening en verduurzaming veel meer ambitie en doortastendheid. 

En dan de laatste vraag: is het Belastingplan rechtvaardig? Is er sprake van een rechtvaardige verdeling van het zoet dat verdeeld wordt over de bevolking? Op basis van de voorliggende rijksbegroting en het Belastingplan 2016 geeft het kabinet in 2016 10,6 miljard euro meer uit dan er binnenkomt. Dat is omgerekend €622 per inwoner, oftewel €2.500 gerekend voor een gezin met twee kinderen. Toch wordt er 5 miljard euro, ofwel €300 per inwoner, uitgetrokken om uit te delen. Dat geld wordt ook nog op ongelijke wijze over diezelfde inwoners verdeeld. Terwijl tweeverdieners met twee kinderen al snel mogen rekenen op zo'n €1.500, blijft een eenverdienersgezin met twee kinderen steken op €700. Het is gezien deze cijfers onbegrijpelijk hoe het kabinet omgaat met de motie-Schalk. Ik zou graag een reactie van de staatssecretaris krijgen hoe hij de relatie legt tussen het Belastingplan en de motie-Schalk. Ouderen moeten het veelal doen met een plusje tussen de €100 en €200 per persoon — de heer Van Rooijen is daar net uitvoerig op ingegaan — terwijl uitkeringsgerechtigden blijven steken op een bedrag van enkele tientjes. Mijn fractie vraagt ook aandacht voor chronisch zieken en gehandicapten, twee kwetsbare groepen die we in de overheidsstatistiek zelden terugzien. Twee groepen die door het wegvallen van inkomensondersteunende maatregelen financieel getroffen worden. Kan de staatssecretaris aangeven waarom chronisch zieken en gehandicapten van het fiscale zoet zijn uitgezonderd? 

We hebben dus niet alleen met een Belastingplan te maken waarbij over wat verantwoordelijk fiscaal beleid is serieuze vragen te stellen zijn bij de risico's waarmee uitgaven omgeven zijn, maar ook bij de rechtvaardigheid van de geleende lastenverlichting laten zich indringende vragen stellen. Na zeven magere jaren is ons reële bbp pas dit jaar weer op het niveau van voor de crisis van 2008. In deze crisisjaren is met bezuinigingen en lastenverzwaringen veel van de Nederlandse bevolking gevraagd. De groepen waarvan de koopkracht het meest is achtergebleven, zijn de eenverdieners, de ouderen en de uitkeringsgerechtigden. Dat zijn precies die groepen die er het komend jaar van het kabinet het minst bij krijgen. Was het niet rechtvaardiger geweest, zo vraag ik de staatssecretaris, nu de stelselherziening achter de politieke horizon is verdwenen, te volstaan met een gerichte koopkrachtreparatie? Dan waren we met aanzienlijk minder klaar geweest. We hadden dan minder hoeven te lenen van de belastingbetalers van de toekomst: onze kinderen. Graag een reactie hierop. 

Ik sluit af. Het is duidelijk dat de ChristenUnie-fractie kritiek heeft op het Belastingplan 2016. Wij plaatsen vraagtekens bij de omvang van de lastenverlichting zonder een hervorming van het belastingstelsel zelf. Juist nu het beter gaat, moeten we het dak repareren. Het heeft lang genoeg geregend. Het zoet dat het kabinet nu rondstrooit, bereikt vooral werkenden en tweeverdieners. Betaalde arbeid, daar gaat het kennelijk om. Eenverdieners, mantelzorgers, chronisch zieken en gehandicapten liggen buiten het fiscale blikveld. De kans op verduurzaming van onze economie, van de Schepping, wordt onvoldoende gepakt. Waarom het geld niet ingezet bij de hernieuwde discussie over belastinghervorming, zoals die ongetwijfeld gevoerd zal worden bij de kabinetsformatie over een dik jaar? Dan kunnen we Nederland echt sterker maken. Met het Belastingplan 2016 viert het economisch en electoraal opportunisme hoogtij. Mijn fractie heeft, samengevat, twijfel of dit Belastingplan verantwoord, realistisch, groen en rechtvaardig is. Wij sporen de staatssecretaris aan om deze twijfel weg te nemen. 

De heer Van Strien (PVV):

Voorzitter. Om te beginnen wil ik collega Van Rij feliciteren met zijn fantastische maidenspeech. Ik vond het oprecht een goed verhaal. Helaas ontging mij de logica van de eindconclusie, dat het CDA voor het Belastingplan gaat stemmen, maar de heer Van Rij heeft me beloofd dat hij me dat een dezer dagen nog uitlegt. 

We mogen het er vandaag nog niet over hebben, maar ik pak toch een punt uit de brief bij de novelle die nog door de Tweede Kamer moet worden goedgekeurd. Na een aantal jaren van afbraakbeleid begint dit kabinet nu ook nog met de fysieke afbraak van Nederland. Tien kolencentrales komen op de nominatie om gesloten te worden om dit flut-belastingplan dat we vandaag wel mogen behandelen, te redden. Daaronder drie fonkelnieuwe kolencentrales die net voor een bedrag van 4,5 miljard zijn gebouwd. 

Ik weet niet of VVD'ers de laatste week überhaupt nog de krant durven open te slaan, daarom citeer ik zelf maar even willekeurig uit de ingezonden stukken in dat toch in het algemeen wat gereserveerde Financieel Dagblad van vorige week. Die worden daar al gecensureerd, dus ik durf ze hier wel te herhalen: 

  • -"VVD is volslagen de weg kwijt. Nooit meer VVD!" 

  • -"4,5 miljard kapitaalvernietiging kolencentrales, elke logica is zoek bij deze politieke koehandel." 

  • -"Ideologie triomfeert weer. Het is een achterlijke kapitaalvernietiging." 

Ik voeg daar zelf aan toe dat in moderne kolencentrales als deze totaal geen roet geëmitteerd wordt, maar alleen C02 en water, net als bij alle mensen en dieren. Dat wordt opgenomen door planten. Een kringloop die met elementaire kennis van de chemie te bevatten is. 

Laat ik verder gaan met het Belastingplan 2016 zelf. Daaruit zijn de afgelopen tijd willekeurig wat getallen naar voren geschoven die de indruk moesten wekken dat de gemiddelde werkende volgend jaar schatrijk wordt. Een bedrag van 5 miljard zou er te verdelen zijn. Niets is minder waar. 

Ik zou zowel de staatsecretaris als mijn collega's willen uitnodigen de Miljoenennota er eens bij te pakken en te kijken naar tabel 2.3.1 op blz. 14 van de bijlagen: de tabel belasting- en premieontvangsten. Onder die tabel staat een zinnetje: "Beleidsmaatregelen zorgen per saldo voor 0.1 miljard euro lagere ontvangsten in 2016". Eén tiende miljard klinkt nog een beetje, maar als je de tabel bekijkt, zie je dat dat de afronding is van 78 miljoen. Endogeen stijgen de belasting- en premieontvangsten volgend jaar met maar liefst 8 miljard. Hoezo lastenverlichting vraag ik dan? 

Wat met de ene hand wordt weggegeven, wordt met de andere hand weer binnengehaald. Het totaal aan lastenverzwaringen is bijna net zo groot als die schamele lastenverlichting die erin zit. En dan hebben we het nog niet over het feit dat de belastingen de afgelopen jaren al met 15 miljard verhoogd zijn. Aan de overkant heeft mijn collega dat "een sigaar uit eigen doos" genoemd, en terecht. 

Nu is er in belastingplannen voor de burger überhaupt nooit iets te verdelen. Hooguit wordt de burger iets minder afgeknepen. Dat de duimschroeven voor de belasting- en premiebetaler volgend jaar bepaald niet losser gedraaid worden, blijkt al uit mijn opmerking van zojuist en zal ik in het vervolg van mijn betoog nog duidelijk gaan maken. 

Als de burger zou zien dat de overheid zorgvuldig met zijn zuurverdiende centen zou omgaan, dan zou er ongetwijfeld een basis voor draagvlak zijn. Die basis is er echter niet, en die wordt ook niet beter met de voorbeelden van kapitaalvernietiging die ik zojuist noemde. Terwijl terzelfdertijd het land volstroomt met asielzoekers en de miljarden naar Brussel, Griekenland, ontwikkelingshulp en subsidies rijkelijk blijven stromen, meldt het Nibud vorige week in het onderzoeksrapport Geldzaken in de Praktijk dat hoge zorgkosten steeds vaker oorzaak voor betalingsproblemen zijn. Hogere zorgkosten en hoge vaste lasten. Bijna een miljard gaan die zorgpremies in 2016 volgens de tabel die ik zojuist aanhaalde omhoog door beleid van deze regering en nog een miljard endogeen. Samen 2 miljard stijging van de zorgpremies. 

Opvallend daarbij is dat de betalingsproblemen van de burger niet zijn ontstaan door een slordige administratie of overbesteding, aldus het instituut. Nee, hogere vaste lasten. Ook veel ouderen zitten aan de grens van hun financiële mogelijkheden. 

Het huidige Belastingplan is ook zonder novelle al een resultaat van koehandel, terwijl de neomarxistische aanpak van box 3 door vrijwel niemand gewaardeerd wordt en bij de VVD-fractie het koude zweet op het voorhoofd doet ontstaan in verband met de steeds dichterbij komende verkiezingen. 

In dit krachtenspel, waarbij het resultaat van het achterkamertjesoverleg al bekend is, probeert iedereen vandaag nog wat piketpaaltjes te slaan. Alvorens ik mijn bezwaren tegen dit plan specificeer, herhaal ik mijn punt dat wij geen belasting moeten betalen om de regering wat hobby's te laten botvieren die de maatschappij zouden moeten veranderen. Belasting betaal je omdat de regering, zonder verkwisting, een aantal wezenlijke taken te vervullen heeft, niet meer en niet minder. Enerzijds zien we dat wezenlijke taken als bijvoorbeeld het garanderen van de veiligheid van de burgers niet adequaat gebeuren, anderzijds zien we een enorme verkwisting door tot nu toe onbeperkt asielzoekers binnen te laten, van wie we weten dat ze vele jaren lang, generaties lang, zwaar op de begroting zullen blijven drukken en we zien miljarden kostende milieumaatregelen met een effectiviteit van nul. Schoorvoetend geven de laatste weken zowel de minister van Financiën als de minister-president toe dat op het gebied van asielinstroom de PVV gewoon gelijk heeft, maar maatregelen? Voorlopig ho maar! Dat is allemaal niet bevorderlijk voor de belastingmoraal. 

Wat ook niet bevorderlijk is voor Nederland en voor de belastingmoraal, is dat een alleenstaande ouder met twee kinderen die op het minimumloon zit, van een loon van bruto €20.000 netto bijna €29.100 overhoudt, terwijl tegelijkertijd een alleenverdiener op modaal niveau met €36.000 bruto €26.800 onder de streep overhoudt. Ik haal deze cijfers uit een CPB-notitie van 23 oktober, die u ongetwijfeld kent. Er is naar ik begrepen heb ook in de Tweede Kamer al ruimschoots uit geciteerd. Algemeen kun je stellen dat het verschil tussen modaal en minimumloon, bruto €36.000 respectievelijk €20.000, onder de streep vrijwel nihil is door de nivelleringsdrang van dit kabinet. 

Er zijn veel meer voorbeelden te noemen van bizarre verhoudingen. Bijvoorbeeld ook voor kostwinnersgezinnen is de belastingdruk inderdaad veel hoger dan voor andere gezinnen. Bij anderhalf keer modaal heeft een kostwinnersgezin per jaar €8.000 minder te besteden. Dit wordt uitsluitend veroorzaakt door de enorme progressie in de inkomstenbelasting, waarvan het dolgedraaide toeslagensysteem deel uitmaakt, oftewel het nivelleringsfeestje van de Partij van de Arbeid. Dit belastingplan had daar wat aan kunnen doen. Quod non! Als het doel van dit plan was om werken te bevorderen, dan is dat niet gelukt. Als we kijken naar vereenvoudiging van het stelsel, dan zijn we alleen maar verder van huis. Een gemiste kans. 

Ik kom bij mijn volgende bezwaar tegen het huidige plan. Dat zijn de verhogingen van de accijnzen op frisdrank, bier en zelfs water en niet te vergeten kerftabak. Het is het derde jaar op rij dat ik er hier een punt van maak dat accijnsverhogingen op brandstoffen en dranken funest zijn voor de ondernemers in de grensstreek. Middenstanders tot wel 50 kilometer van de grens, voor zover die er nog zijn, zien nu al veel mensen in hun omgeving omrijden naar gastvrije winkels over de grens voor drank, benzine en binnenkort ook hun shag. Met de voorgenomen verhoging wordt dat alleen maar weer meer. De hele middenstand in het grensgebied wordt op deze wijze systematisch de nek omgedraaid. De accijns in Nederland op bijvoorbeeld bier is nu al vier keer zo hoog als in Duitsland. Het prijsverschil op een liter benzine loopt al op tot circa €0,30 per liter. Het is tijd voor een drastische accijnsverlaging om werkgelegenheid te creëren in gebieden waar die toch al niet florissant is. Dat levert de staat niet minder, maar meer op. 

Ik kom bij de ouderen. Die zijn — ik heb dat ook al bij de algemene financiële beschouwingen gezegd — door toedoen van dit kabinet echt de klos. Ook in 2016 leveren de meer dan 700.000 gepensioneerden koopkracht in en wel voor het achtste jaar op rij. Dat is echt onbehoorlijk. Ouderen met een klein pensioen die toevallig ook nog behoefte hebben aan zorg, als ze die tenminste nog kunnen krijgen, leveren het meeste in. Gepensioneerden hebben het al voor hun kiezen gekregen door dit kabinet en daar komt in de komende tien jaar nog eens 5% koopkrachtdaling bovenop als gevolg van de nieuwe pensioenregels. De PVV is van mening dat hier echt iets aan moet gebeuren. De reparatie in de novelle, die we nog moeten behandelen, is niet meer dan het leveren van een schaamlapje. 

Ik kom op box 3. Over box 3 werd en wordt steen en been geklaagd. Geen enkele spaarder haalde dat forfaitaire rendement van 4%. Zelfs één procent krijg je tegenwoordig niet meer op de bank. Je zou zeggen: dan pas je dat forfaitair rendement aan. Maar deze regering laat geen enkele kans onbenut om het belastingstelsel nog ingewikkelder te maken dan het al is. Klagen alle belastingbetalers over een fictief rendement, dan gooien we er nog een paar ficties bovenop. Te weten: een fictieve verdeling naar beleggingscategorieën en daarbovenop fictieve rendementen per beleggingscategorie. Is de AEX-index van 4 september 2000 tot nu toe gedaald van 701 naar 460 punten? Welnu, dan kan dat niet de goede index zijn. Een nieuwe fictie erbovenop: "U belegt ook in het buitenland? dan kunnen we een index gebruiken die de belastingheffer beter uitkomt." Dat alles omdat het nieuwe "Kapitaal" van de neo-Marxist Piketty door deze VVD staatsecretaris overtroffen moest worden. Nu zitten de echt rijke mensen in box 2 en niet in box 3, maar het gaat dit kabinet om de beeldvorming, voor de bühne. Een bizarre vertoning. En zo zitten we nu met de situatie dat de kruidenier die zijn winkel verkocht heeft en nog een paar jaar wil leven van de opbrengst omdat hij nu eenmaal geen pensioen heeft opgebouwd, door de overheid als een veel betere belegger wordt beschouwd dan de grote pensioenfondsen die miljarden beheren. Dit onderwerp is al diverse keren aan de orde geweest, maar in het verleden wezen de staatssecretarissen van Financiën en SZW vrolijk naar elkaar, zonder het probleem op te lossen. Ik vrees dat het ook vandaag niet opgelost gaat worden, maar ik merk toch maar weer eens op dat hier een kans om draagvlak te vinden weer weggegooid wordt. 

Ik rond af. Dit belastingplan is geen lastenverlichting maar een lastenverlegging. Daar verandert de komende novelle niets aan. De PVV zal dan ook, met of zonder novelle, tegenstemmen. 

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Köhler, die zijn maidenspeech houdt. 

De heer Köhler (SP):

Voorzitter. Mijn eerste inbreng in het plenaire debat in deze Kamer sinds mijn benoeming in juni, gaat over het Belastingplan voor volgend jaar. Een plan waar de coalitie van VVD en PvdA pas na veel geschuifel, een viertal nota's van wijziging en een novelle die hier boven de markt hangt, voldoende steun voor lijkt te verwerven. 

De staatssecretaris, en via hem zijn ambtenaren, wil ik danken voor de zeer snelle beantwoording van de vragen over de novelle bij het Belastingplan. Hierdoor kunnen we deze vandaag in onze beraadslagingen betrekken, nog voor de Tweede Kamer deze novelle bespreekt. Eindelijk leiden de manoeuvres van D66 tot enige bestuurlijke vernieuwing. Maar of we daar blij mee moeten zijn, betwijfel ik. 

De regeringscoalitie van VVD en PvdA claimt dat hun plan om de belastingen te verlagen de optimale mix van maatregelen bevat om zowel de werkgelegenheid te bevorderen als om te komen tot evenwichtige inkomensverhoudingen. De SP is het daar niet mee eens. Allereerst enkele opmerkingen over de werkgelegenheid. De 4,5 miljard euro belastingverlaging voor burgers zou volgens het kabinet 28.000 banen opleveren. Dat is niet veel: als die miljarden in de zorg worden gestoken, of geïnvesteerd in de sociale huisvesting, levert dat een veelvoud aan banen op. Als minister Asscher een banenplan zou lanceren dat meer dan €150.000 per baan kost, zou hij worden hij weggehoond. Maar goed, 28.000 banen veronderstelt het kabinet. Daarbij baseert het zich op het rekenmodel van het Centraal Planbureau. Volgens dat model ontstaan die banen vooral door de arbeidskorting, een belastingvoordeel voor werkenden, te verhogen. Dat vergroot het verschil met mensen zonder betaald werk. Die zouden daardoor harder naar werk gaan zoeken. Het aanbod bepaalt de vraag, althans volgens de theorie van de aanbodeconomen. Zo komen er op termijn meer mensen aan het werk, in theorie. 

Op de tegenwerping dat er al honderdduizenden werklozen vergeefs op zoek zijn naar een baan en dat het geen banen oplevert als daar door de arbeidskorting geprikkeld nog honderdduizenden werkzoekenden bijkomen, hebben deze theoretici ook een antwoord. Voor de korte termijn kan dat wel zo zijn, maar als de werkloosheid dadelijk veel minder is, gaat hun theorie wel weer op. Dat kan misschien wel tien jaar duren, maar dat doet voor de regering niet af aan de aantrekkingskracht van het rekenmodel. Kan de staatssecretaris bevestigen dat de voorspelde 28.000 CPB-modelbanen niet voor de nabije toekomst, maar voor de langere termijn worden voorzien? 

Ik ga uitgebreid in op deze rekenarij, omdat deze theorie verhindert dat de coalitie meewerkt aan verbetering van het belastingplan. Toen de heer Dijkgraaf in de Tweede Kamer namens de fracties van SGP, ChristenUnie, CDA en SP een voorstel indiende om de gezinnen met één kostwinner wat beter te bedelen, werd dat afgewezen, want het zou volgens het rekenmodel te veel banen kosten. De heer Dijkgraaf, zelf overigens een aanhanger van de CPB-modellen, betoogde nog met kracht van argumenten waarom de manier waarop het CPB het model toepaste bij zijn voorstel niet adequaat was. Maar daar mocht staatssecretaris Wiebes niet op ingaan, want de regering verlaat zich per definitie op de CPB-berekening, dus in dit geval ook. Kafka op het Binnenhof. 

Overigens zal belastingverlaging heus wel wat banen opleveren. Als de mensen netto meer inkomen krijgen, kunnen ze meer besteden en daardoor groeit de economie en komen er banen bij. Maar daarvoor hoef je mensen zonder betaald werk — ouderen en mensen met een uitkering — niet te laten achterblijven bij de mensen met betaald werk, wat in de belastingvoorstellen van de regering juist wel gebeurt. En daarbij is het goed om vooral de mensen met lage inkomens er geld bij te geven, want zij zullen dat sneller weer in de economie pompen. Maar dat gebeurt in de voorstellen van het kabinet juist niet. 

Daarmee kom ik op wat het kabinet "evenwichtige inkomensverhoudingen" noemt. De hogere arbeidskorting komt vooral ten goede — althans in de oorspronkelijke voorstellen van het kabinet — aan mensen met een laag of modaal loon. Dat was voor de VVD natuurlijk niet evenwichtig genoeg. Daarom moest er ook belastingverlaging voor de hogere middengroepen en voor de hoogste inkomens komen. Dus verlaging van de belasting in de tweede en derde schijf en verlenging van de derde schijf. Dat betekent dat je pas bij een hoger inkomen in de hoogste belastingschijf van 52% valt. Van die laatste maatregel profiteert krap 7% van de belastingplichtigen, de 7% mensen met de hoogste inkomens. Toch schrijft de staatssecretaris in zijn antwoorden dat deze maatregel ten gunste komt van de midden- en hoge inkomens. Kan de staatssecretaris uitleggen waarom hij het midden tussen 0 en 100 boven de 93 legt? 

Met dit Belastingplan trekt de staatssecretaris namens de regering als een sinterklaas langs de huizen. De meeste mensen krijgen een leuk cadeau, de rijkere mensen een wat luxer cadeau en de mensen met een minimuminkomen krijgen helemaal niets. Deze sinterklaas rijdt hun huisje stilletjes voorbij. Als VVD'er kan hij ermee thuiskomen, maar hij doet het ook namens de PvdA. Dat valt me, ondanks alles wat we van die partij inmiddels gewend zijn, toch nog tegen. 

Hier komt D66 opeens in beeld, als een streaker tijdens een voetbalwedstrijd. Hevig staat zij naar sinterklaas te gebaren. "Wat is er toch?", vraagt sinterklaas. "Moet ik de arme mensen ook wat geven?" "Nee sinterklaas", zegt D66. "Moet ik dan de rijke mensen een minder groot cadeau geven?" "Nee, dat zeker niet", roept D66. "Ik wil alleen wat aandacht." "Oké", zegt sinterklaas, "hier heb je een paar pepernoten. Dan kan ik verder." 

De regering heeft om voor sinterklaas te spelen wel geld moeten lenen. Maar als het om cadeaus aan hun kiezers gaat, zijn de VVD, de PvdA, het CDA en D66 hun strenge woorden over het financieringstekort, waarmee ze eerder draconische bezuinigingen motiveerden, opeens vergeten. 

De mensen met een minimuminkomen, met een bijstands- of een Wajonguitkering — zo'n miljoen mensen moeten daarvan rondkomen in dit land — zijn al tientallen jaren meer en meer achtergebleven bij de rest van Nederland. In de voorstellen van het kabinet gaan zij er, als zij geen kinderen hebben, dit jaar als enige groep niet in koopkracht op vooruit. Terwijl de andere huishoudens er gemiddeld 1,5% — dat is tegen de €500 per jaar — op vooruitgaan. Deze achterstelling is voor de SP onaanvaardbaar. 

De twee miljoen huishoudens met lage inkomens blijven steeds verder achter bij de twee miljoen huishoudens met hoge inkomens. En dat wordt door de belastingen onvoldoende rechtgezet. Onder het kabinet Rutte-Asscher gingen de lage inkomens in de periode 2012-2015 7% in koopkracht achteruit. De hoge inkomens gingen er 3% op vooruit. Ik ontleen deze cijfers aan een artikel dat mijn voorganger in deze Kamer, Geert Reuten, vorige maand publiceerde in het Tijdschrift voor Openbare Financiën. Als de staatssecretaris het wil nakijken, kan hij het daar vinden. Als het kabinet al streeft naar evenwichtige inkomensverhoudingen, dan is het daar tot nu toe niet in geslaagd. 

Ook met het Belastingplan 2016 wordt het verschil tussen de mensen met lage en hoge inkomens weer groter. Huishoudens met een laag inkomen gaan er gemiddeld €130 per jaar op vooruit, huishoudens met een middeninkomen €650 en huishoudens met een hoog inkomen krijgen er meer dan €1.000 per jaar bij. Voor zover de staatssecretaris liever in percentages rekent, wat ik me in dit geval vanuit zijn positie heel goed kan indenken omdat die de zaak zouden verhullen, merk ik op dat ook in percentages de verbetering van de koopkracht uiteenloopt: een hoger percentage voor de huishoudens met hoge inkomens dan voor de huishoudens met lage inkomens. Kan de staatssecretaris nog eens uitleggen waarom het kabinet dit evenwichtige inkomensverhoudingen noemt? 

De SP wil deze tendens naar steeds grotere ongelijkheid keren door de belastingen naar draagkracht te heffen en de sterkste schouders de zwaarste lasten te laten dragen. Gemeten aan deze uitgangspunten, scoort het Belastingplan 2016 dat we nu bespreken geen voldoende. 

Extra aandacht vragen we voor de almaar toenemende groep kinderen die in armoede opgroeien. In ons toch zo rijke land leven 400.000 kinderen die door het lage inkomen van hun ouders niet volwaardig mee kunnen doen in de samenleving. Wat vindt de staatssecretaris daarvan, in het licht van de door de regering bepleite participatiemaatschappij? 

Ook de ouderen hebben de laatste jaren veel ingeleverd. In de voorstellen van de regering wordt er eenmalig wat bij gegeven, vooral bij de ouderenkorting, om de koopkracht volgend jaar te repareren. Maar over het algemeen gaan de ouderen er volgend jaar weinig tot niets op vooruit en in 2017 vervallen de eenmalige maatregelen weer. Dan kan het kabinet in de vierde nota van wijziging wel schrijven dat er dan weer 100 miljoen bijkomt voor ouderen en in de novelle daar nog eens 100 miljoen bovenop doen, maar dat neemt niet weg dat de ouderen er in 2017 per saldo honderden miljoenen euro's op achteruit gaan. Als ik de laatste antwoorden van de staatssecretaris lees, zijn dit bedragen van 250 miljoen ten gevolge van de belastingplannen 2015 en 2016 samen. Als ik alle cijfers, ook die van de heer Van Rooijen, helemaal goed begrijp, dan moeten we daarbij ook nog een achteruitgang van 275 miljoen optellen door de verhoging van de inkomensafhankelijke bijdrage in de ziektekostenverzekering voor ouderen. Graag vraag ik de staatssecretaris of hij deze cijfers kan bevestigen. De SP concludeert in ieder geval dat ouderen in de voorstellen van het kabinet onderbedeeld worden. 

Het is onmogelijk alle gebreken van ons belastingstelsel in deze bijdrage aan de orde te stellen. Daarom ga ik nu niet in op het continu dalende aandeel van de belastingopbrengsten van bedrijven. Evenmin kom ik toe aan de grootschalige belastingontwijking door internationale bedrijven of de halfhartige opstelling van het kabinet op dit punt. Wel wil ik ingaan op de belasting op vermogens, want dit Belastingplan bevat ook een onderdeel over de aanpassing van de vermogensrendementsheffing; voldoende aanleiding om het ook dit jaar over de groeiende vermogensverschillen te hebben. 

"Rijkste Nederlanders flink rijker" kopte de Volkskrant begin november. Ik citeer: "Volgens de nieuwste Quote 500 zagen de 500 rijkste Nederlanders hun gezamenlijk vermogen dit jaar voor het eerst sinds de financiële crisis weer met meer dan 10% toenemen. Het aantal miljardairs groeide met vier tot zestien." De vermogensverschillen in Nederland horen bij de hoogste in de Westerse wereld. De 10% rijkste mensen bezitten meer dan 60% van het vermogen. Als je zoveel verdient dat je een deel van inkomen opzij kunt zetten en gaat beleggen, dan groeit dat vermogen door de jaren heen verder zonder dat je er iets voor hoeft te doen. Je profiteert van het werk van anderen. Niet voor niets spreken sommige economen in dit verband van het onverdiend inkomen. 

Dit inkomen uit vermogen wordt maar licht belast: 30% van een fictief rendement van 4%. Een beetje miljonair haalt makkelijk 5% rendement en betaalt dan maar 24% belasting. De SP vindt dat we niet langer een fictief rendement moeten belasten, maar het werkelijke rendement dat mensen uit hun vermogen halen. We constateren met instemming dat de Tweede Kamer vorige maand een SP-motie heeft aangenomen die de regering oproept snel met voorstellen in die richting te komen. Wat ons betreft gaat de belasting op vermogenswinst ook flink omhoog, van 30% naar 40% en voor miljonairs nog meer. Laten we de onverdiende inkomens drastisch beperken. Met dat geld kunnen we onze collectieve voorzieningen verbeteren. 

Het kabinet is op dit punt met een beperkt voorstel gekomen. Het stelt voor om de vermogensrendementsheffing in de buurt te brengen van de werkelijk behaalde rendementen. Het fictief rendement voor mensen met een klein vermogen, die dat vooral op een spaarrekening hebben staan, gaat omlaag en het veronderstelde rendement voor mensen met een groot vermogen, die dat goeddeels beleggen, gaat omhoog. 

De SP vindt dat redelijk, hoewel het nog lang niet aan onze voorstellen tegemoetkomt. Het is alleen een verschuiving binnen het kwart van de bevolking dat een vermogen van meer dan €250.000 bezit. 3 miljoen mensen gaan erop vooruit. Alleen de 300.000 meest vermogende Nederlanders gaan wat meer belasting betalen. De SP kan met deze verschuiving instemmen. 

Wel hebben we een vraag over de berekening van het fictieve rendement op vastgoed, zoals de tweede woning. In het voorstel van de staatssecretaris wordt ervan uitgegaan dat de netto huuropbrengsten nul zijn en dat de gemiddelde waardestijging van koopwoningen van 4,25% in rekening wordt gebracht. De staatssecretaris schrijft er echter zelf bij dat dit fictieve rendement op deze manier nog te laag is berekend. Wij vragen hem dan ook voor volgend jaar met een betere berekening voor het rendement op vastgoed te komen. Dat is ook nodig, omdat juist bij het vastgoed het niet eenvoudig zal zijn om snel over te gaan op het belasten van het werkelijk behaalde rendement. 

Het voorstel voor een verbeterde vermogensrendementsheffing steunen we, maar de rest van het Belastingplan in deze vorm niet. Daarvoor zou het gewijzigd moeten worden, zodat ook de mensen die dat het hardst nodig hebben er in koopkracht op vooruitgaan. Als altijd zien de leden van de SP-fractie met interesse uit naar de reactie van de staatssecretaris. 

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Köhler. Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech. U bent op 9 juni dit jaar beëdigd als lid van deze Kamer. Daarmee bent u, 44 jaar na uw eerste echte kennismaking met de politiek, weer terug op het politieke toneel. 

Die eerste kennismaking vond plaats bij de Pacifistisch Socialistische Partij in 1971. Direct nadat u lid was geworden van deze partij werd u actief bij de partijafdeling in Den Haag. En al snel werd u, als 18-jarige, landelijk actief als jongerensecretaris. Vanuit die positie werd u scholingssecretaris en later politiek vicevoorzitter. In een interview zei u hierover dat dit geen doelbewuste stappen waren, maar meer een toevallige samenloop van omstandigheden. Er werd een beroep op u gedaan en u verklaarde zich bereid. Als vicevoorzitter was u onder andere belast met het schrijven van een strategiestuk. Geen gemakkelijke taak, want het waren roerige tijden in de partij. Er leefden grote interne tegenstellingen over de koers van de partij en de samenwerking met andere partijen. In die turbulente jaren zeventig kreeg u ook enige landelijke bekendheid als algemeen secretaris van de Vereniging van Dienstplichtige Militairen. 

In 1980 deed men weer een beroep op u. Dit keer om gemeenteraadslid te worden in Amsterdam. Deze functie hebt u vervuld tot 1987, waarbij u het laatste jaar fractievoorzitter was van Links Akkoord, een samenwerkingsverband tussen CPN, PSP, PPR en EVP. In 1987 verliet u de Amsterdamse gemeentelijke politiek om landelijk bestuurder te worden van de Vervoersbond FNV en later directeur van het Projectbureau Aanvullend Openbaar Vervoer. In 1994 keerde u terug in de Amsterdamse gemeenteraad en werd u fractievoorzitter van de inmiddels jonge, nieuwgevormde partij GroenLinks. Vier jaar later werd u benoemd tot wethouder van Verkeer en Vervoer, Infrastructuur en Sociale Zaken. Als wethouder in Amsterdam pleitte u onder meer voor het rekeningrijden en de autoloze zondag en verzette u zich tegen de liberalisering van de taximarkt. 

In 2001 werd u adviseur sociale zekerheid en inkomenspolitiek bij de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland. Vier jaar later werd u directeur van de Vereniging Milieudefensie. In die hoedanigheid protesteerde u onder andere tegen de verbreding van de A4 tussen Leiderdorp en Burgerveen en droeg u bij aan een akkoord dat een meer milieuvriendelijke aanleg van de Tweede Maasvlakte waarborgde. "Er ligt nu een resultaat waar het milieu en de inwoners van Rotterdam wel bij varen", zei u in 2009. 

U hebt in een interview in 1987 gezegd dat u weliswaar in discussies soms cynisch kunt zijn, maar nooit qua levenshouding. Ik wens u toe dat dit nu, zoveel jaar later, met een rijke schat aan politieke ervaring, nog steeds het geval is. Ik wens u ook veel succes met uw verdere bijdrage aan het werk van de Kamer. Ik schors de beraadslaging om de collegae en mijzelf de gelegenheid te geven om u te feliciteren. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter. Ik wil natuurlijk nog heel graag de heer Köhler feliciteren met zijn maidenspeech. Wij hebben geconstateerd dat een klein maar belangrijk element in zijn geschiedenis niet geheel genoemd is, maar daarover spreken wij op allerlei andere momenten nog eens. O, u wilt het horen. Het betreft de overstap naar de SP in 2011. Er werd voortdurend vragend naar ons gekeken hoe dat nu zit. Dat is een belangrijk onderdeel van de geschiedenis van onze nieuwe collega. 

De voorzitter:

Dank voor de aanvulling. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Natuurlijk feliciteer ik ook collega Van Rij. Beiden hadden een heel goede bijdrage. Ik verheug mij op toekomstige debatten. 

Wij behandelen een belastingplan in een enigszins unieke versie. Er ligt inmiddels een novelle voor om de steun van een partij in deze Kamer, namelijk D66, daarvoor te verkrijgen en daarmee een meerderheid te creëren. Het bijzondere is — want dat kan niet anders — dat wij deze novelle vanavond ook aan de orde laten komen in deze behandeling, terwijl die nog niet in de Tweede Kamer is besproken. Het is niet anders. Ik denk dat het goed is om daar een aantal woorden aan te wijden. 

Ik heb al eerder tijdens de behandeling van de Miljoenennota 2016 namens de fractie van GroenLinks mijn teleurstelling uitgesproken over het feit dat het kabinet 5 miljard structureel besteedt aan lastenverlichting, waarvan een deel gaat naar mensen die het echt niet nodig hebben. Die 5 miljard lastenverlichting is het cruciale onderdeel van wat een belastinghervorming had moeten worden, maar eigenlijk toch meer een cadeautje is geworden om — ik zeg het oneerbiedig — kiezers te paaien om maar vooral op de coalitiepartijen te stemmen. Wij vinden het in ieder geval bijzonder jammer en ook een gemiste kans. 

De afgelopen jaren is er wel degelijk een aantal harde bezuinigingen door dit kabinet doorgevoerd, bijvoorbeeld op zorg, het beschutte werk en de sociale werkvoorziening. Het kraakt en het piept. Je zou zeggen: hé, er is nu geld om de nood te lenigen. Maar nee, dat geld wordt besteed aan burgers in plaats van aan publieke noden. Het heeft ons dan ook zeer verbaasd dat dit blijkbaar voor de PvdA toch reden is geweest om dit een goede stap te vinden en dit te ondersteunen. 

Ook met betrekking tot de vergroening van het belastingstelsel is er naar onze mening te weinig gebeurd. Er is daarvoor weinig geld beschikbaar gekomen. De tweedeling zal toenemen, omdat niet-werkende bijstandsgerechtigden en ouderen veel minder lastenverlichting ontvangen dan de werkenden. De werkgelegenheidswinst die met dit alles gemoeid gaat, is structureel 35.000 banen, maar dat aantal wordt pas over vele jaren gerealiseerd. Dat vinden wij buitengewoon mager gezien het enorme bedrag van 5 miljard structureel per jaar. Kortom: teleurstellend dat dit blijkbaar het grote ding was waar het kabinet nu mee komt. 

Ik kom dan bij de partij die nu heeft gezegd met de novelle dit Belastingplan te kunnen steunen, namelijk D66. Zij deelde in feite de kritiek op het Belastingplan, in ieder geval waar het ging om de werkgelegenheid en de vergroening en heeft om die reden tegen het Belastingplan gestemd. D66 zei dat er een groot gebrek aan ambitie bij het kabinet was en dat die vooral op het gebied van de werkgelegenheid volstrekt onvoldoende was. Dat gold ook voor het punt van de vergroening. Eerlijk gezegd verbaast het mijn fractie dat de voorliggende novelle nu afdoende is voor D66 om deze belastingherziening te steunen. Wij moeten dat overigens nog zien. Laat ik niet te ver vooruitlopen op het debat. Als je goed naar deze novelle kijkt, zie je dat er weinig extra werk in zit, zelfs 0,0%, zo hebben wij vandaag in de antwoorden van de staatssecretaris gelezen. Dat wordt afgerond naar 0%. De vergroening is best oké: een eenmalige extra investering in energiebesparing. Maar een eenmalig bedrag zet natuurlijk op de langere duur geen zoden aan de dijk. 

Er is een voornemen om in de toekomst de belastingdruk van het Rijk naar de gemeenten te verschuiven en om die gemeenten in staat te stellen om zelf belastinginkomsten binnen te halen. Het gaat om een verschuiving van 4 miljard. De belastingdruk voor de burgers mag niet toenemen. 

De heer Backer (D66):

Mevrouw Vos vindt de vergroening best oké. Ik wijs haar erop dat het kabinet in het totaal van maatregelen ook over de kolencentrales een aantal belangrijke besluiten heeft genomen die het nog nooit eerder op deze wijze heeft aangekondigd. In de vierde nota van wijziging staat de gas- en elektriciteitschuif. Er is een bedrag van 100 miljoen gevoteerd voor vergroening in de gebouwde omgeving. Ik zou zeggen: GroenLinks, het is wel iets meer dan best wel oké. Het zijn toch maatregelen die die partij ook zou moeten omarmen? 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

De sluiting van de kolencentrales is een goede actie van uw partij in de Tweede Kamer, maar die staat los van dit belastingplan. Er is inderdaad een motie aangenomen — daar zijn wij buitengewoon blij mee en wij hebben die natuurlijk gesteund — die het kabinet opdraagt om kolencentrales te gaan sluiten. Het kabinet stuurt nu een brief, gekoppeld aan dit belastingplan, dat het met een plan komt hoe dat gaat gebeuren. Eerlijk gezegd lijkt het mij vrij logisch dat het kabinet een motie van de Tweede Kamer uitvoert. Ik zie niet zozeer dat dit een verdienste is van deze novelle. Het staat er gewoon naast. Inderdaad zit er ook een aantal andere maatregelen in die tot enige vergroening leiden. Wij beoordelen die positief. Maar met betrekking tot de structurele grote veranderingen die wat ons betreft hadden moeten plaatsvinden, bijvoorbeeld het feit dat grootverbruikers nauwelijks energiebelasting betalen, gebeurt er niets. Dat vinden wij teleurstellend en dat was voor mijn fractie in de Tweede Kamer een reden om te zeggen dat het plan tekortschiet. 

Ik was bij het onderdeel rond de belastingverschuiving naar de gemeenten. Het valt ons op dat er blijkbaar door het CPB wordt gezegd dat die 15.000 tot 20.000 banen gaat opleveren. Kan het kabinet toelichten hoe het CPB daaraan komt? Overigens hebben wij de stukken daaromtrent gelezen. Blijkbaar komen die banen vooral uit de lastenverlichting die het Rijk kan gaan toepassen, namelijk verlaging van de inkomstenbelasting. Dat gaat werkgelegenheid opleveren. Maar het is niet zo dat wat men in het gemeentelijk domein gaat doen tot extra werk leidt. Begrijp ik dat goed? Ook zien wij dat deze maatregelen voorlopig redelijk onzeker zijn. Het kabinet komt weliswaar met een voorontwerp, maar er gaan wel weer een Tweede Kamerverkiezing en gemeenteraadsverkiezingen overheen. Het is dus allemaal nog maar afwachten of dit ook gaat gebeuren. 

Kan het kabinet aangeven hoe het bijvoorbeeld die nieuwe belastingen in het gemeentelijke domein ziet? Zou dat bijvoorbeeld via de onroerendzaakbelasting kunnen of is dat uitgesloten omdat die een relatie heeft tot bezit en dus enigszins tot het inkomen? Als dat op die manier niet kan, op welke wijze kan dan volgens het kabinet de belastingverhoging in het gemeentelijke domein vorm krijgen? Mijn fractie zou het betreuren als dat een persoonsbelasting of ingezetenenbelasting wordt, die in feite even hard aankomt bij de hoge als bij de lage inkomens en dus weer meewerkt aan denivellering. Misschien kan het kabinet al een klein tipje van de sluier oplichten. D66 heeft vast ideeën over de wijze waarop dit vorm moet krijgen en moet worden ingevuld. Het CDA heeft tussen de regels door laten weten dat het hier niet veel voor voelt, maar denkt: het zal onze tijd wel duren, want er komen verkiezingen en dan zien wij wel weer. Hoe hard is deze toezegging en wat gaat hier echt van terechtkomen? 

We zijn nieuwsgierig hoe de eenmalige 100 miljoen die beschikbaar komt voor energiebesparing door woningeigenaren ingezet gaat worden en hoe het kabinet ervoor gaat zorgen dat dit geld effect kan opleveren. We hadden bijvoorbeeld graag een revolverend fonds gezien, maar dat kan niet met een eenmalige bijdrage. Je moet dan toch met structurele middelen komen. Hoe kan hiermee volgens het kabinet effectief beleid worden gemaakt? 

Het laatste punt ten aanzien van de novelle dat ik wil aanstippen, is dat naar de idee van mijn fractie deze novelle denivellerend werkt. Is het kabinet dat met mijn fractie eens? We lezen in de beantwoording dat dit voor 2016 niet het geval is, maar voor 2017 wel. Hogere inkomens krijgen namelijk een langzamere afbouw van de heffingskorting en profiteren dus in deze novelle. Wat is de reden waarom juist voor de inkomens van ongeveer €35.000 tot €125.000 de heffingskorting langzamer wordt afgebouwd? We lezen in de beantwoording dat met name in 2017 het saldo-effect van het verlagen van de afbouw van de arbeidskorting en het verhogen van de lasten op arbeid nadelig uitpakt voor werkenden met een lager inkomen of een middeninkomen: tot min 0,2% bij €35.000. Voor werkenden met een inkomen in de vierde schijf en hoger pakt de novelle positief uit. Het voordeel neemt toe tot maximaal 0,3% bij een inkomen van €125.000. Boven de €125.000 gaat de arbeidskorting naar 0. Wij kunnen dit niet anders zien dan denivellering. Graag hoor ik van het kabinet of dit klopt en wat de reden is waarom juist voor deze vormgeving is gekozen. Het gat met de bijstandsgerechtigden wordt nog groter met deze novelle. Is het kabinet dat met ons eens? 

Het voorlopige oordeel van mijn fractie over de novelle is als volgt. Wat betreft vergroening wordt er iets gerealiseerd, maar blijft dat toch erg mager. Daarnaast betreurt mijn fractie het denivellerende effect en de langzamere afbouw van de arbeidskorting voor de inkomens tot €125.000. 

Ik loop het Belastingplan op een aantal onderdelen langs. De heer Backer vroeg mij net al hoe ik kijk naar de vergroening. Ik sta allereerst stil bij de klimaatconferentie in Parijs. Die conferentie heeft gelukkig een akkoord opgeleverd dat door alle landen is getekend. Dit is een buitengewoon belangrijke doorbraak. Dit akkoord houdt in dat er afscheid wordt genomen van de fossiele economie. Wanneer dat gaat plaatsvinden, is natuurlijk nog de grote discussie, maar men is het erover eens dat moet worden gestopt met fossiele brandstoffen. Ook staat in het akkoord dat een beperking van de opwarming tot maximaal 2°C niet voldoende is — ook dat is echt een belangrijke doorbraak — omdat die 2°C onacceptabele schade voor mens en natuur oplevert. Daarom moet worden ingezet op maximaal 1,5°C. Dit betekent dus ook dat Europa en Nederland meer maatregelen moeten nemen om het gebruik van fossiele brandstoffen terug te dringen en dat het tempo omhoog moet. We weten dat wat je elk jaar de atmosfeer in pompt, daar heel lang blijft zitten. Als de eenmalige 100 miljoen voor de energiebesparing de extra bijdrage is, vinden wij dat nogal zuinigjes. Dat is namelijk nog geen 2% van het grote bedrag van 5 miljard euro structurele lastenverlichting. 

We zullen snel moeten stoppen met het opwekken van elektriciteit door middel van kolencentrales. Dat heeft ook de Tweede Kamer vastgelegd bij motie van D66, die werd gesteund door veel andere partijen, waaronder die van mij. Het kabinet geeft in de brief over de novelle aan dat het op korte termijn met een reactie op die motie komt en al tijdens deze kabinetsperiode de inzet van kolencentrales wil afbouwen. Heeft het akkoord in Parijs tot gevolg dat het kabinet met een concreet plan komt om het gebruik van kolen als brandstof op korte termijn stop te zetten? Zo ja, welke maatregelen zal het kabinet daartoe nemen? Ook de motie-Klaver c.s., waarin wordt gevraagd om extra maatregelen in 2016, vraagt om een snelle en adequate reactie. 

Ik kom bij een aantal andere punten waarop het Belastingplan volgens ons tekortschiet. Met het klimaatakkoord in de hand is het echt niet meer te verdedigen dat de energieheffing voor grootverbruikers zo laag is in vergelijking tot de heffing die consumenten, maar ook het midden- en kleinbedrijf betalen. Ook de verslechtering die bij de behandeling in de Tweede Kamer in dit Belastingplan is gekomen, namelijk een vrijstelling voor de heffing op gas voor de mineralogische en metallurgische industrie, zou weer ongedaan gemaakt moeten worden. Is het kabinet bereid om stappen te zetten om de energieheffingen voor grootverbruikers geleidelijk te verhogen? Is het kabinet ook bereid om de opbrengst daarvan in te zetten voor de energie-investeringsaftrekregeling, zodat het aantrekkelijker wordt om te investeren in energiebesparing, juist voor bedrijven? Is het kabinet bereid om een deel in te zetten voor energiebesparende maatregelen in de woningen van grote woningcorporaties via de STEP-aanpak? 

Er zitten natuurlijk een aantal positieve punten in deze vergroening, zoals de postcoderoos. Een ander positief punt is dat het lokale tarief op de zelfopgewekte duurzame energie naar 0 gaat. Dat zijn goede maatregelen die wij natuurlijk steunen, maar over het algemeen vinden wij het aan de magere kant, zeker gezien het enorme bedrag aan lastenverlichting dat vrijkomt. 

De heer Van Strien (PVV):

Ik zit al de hele tijd op het puntje van mijn stoel om naar voren te springen, maar ik kan dat natuurlijk niet de hele tijd doen. Nu kon ik het echter niet laten. De helft van het energieverbruik in de chemische industrie dat wij "energieverbruik" noemen, is non-energetisch verbruik van energiedragers, wat inhoudt dat koolwaterstoffen worden omgezet in andere koolwaterstoffen die geen "energiedrager" meer heten. In de statistiek wordt energie verbruikt, maar in de werkelijkheid blijft die energie gewoon aanwezig in de stoffen die de chemische industrie produceert. Is mevrouw Vos dat bekend? Vindt zij dat op dat soort verbruik van energiedragers belasting geheven moet worden? 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Eerlijk gezegd vind ik dit een interessante technische vraag, maar om daar nu een antwoord op te geven … Laten we daar eens goed naar kijken. Uiteraard moeten we altijd op een verstandige manier belasting heffen. Mijn pleidooi is dat over het algemeen de inzet van fossiele brandstoffen in het grote bedrijfsleven buitengewoon laag belast wordt terwijl wij als consumenten daar wel flink voor betalen. Laten we dat eens rechttrekken. 

De heer Van Strien (PVV):

Het gaat over de helft van de koolwaterstoffen die gebruikt worden in de chemische industrie! Dat is niet zomaar een technisch vraagje. We hebben het over het belastingsysteem en over de helft van de koolwaterstoffen die in de chemische industrie gebruikt worden. Dat kun je niet zomaar afdoen met de reactie dat het een technisch vraagje is, waarover u zich vandaag geen zorgen maakt. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Laat ik de vraag dan beantwoorden. De inzet en het gebruik van energie, elektriciteit en gas moeten wat ons betreft veel hoger belast worden. Uw vraag ging veel meer over de inzet in de productie van materialen. Er zal goed moeten worden bekeken hoe die op een goede manier belast kan worden. Daar wil ik graag eens met u over doorpraten. 

Voorzitter. Ik vraag het kabinet, naast het uitvoeren van mijn pleidooi om nu eens echt de grootverbruikers aan te pakken, of het bereid is om zich in Europa in te zetten voor een beter functionerende en effectievere emissierechtenmarkt. Al tijdens de Financiële Beschouwingen hadden wij daarover een aardig debat met de staatssecretaris. Is hij bereid om te erkennen dat die markt in feite niet werkt omdat er veel te veel rechten in die markt zitten? Enorme reserves worden niet gebruikt, maar zijn nog steeds ergens beschikbaar. Daardoor zijn de prijzen van CO2 veel te laag en hebben we in feite een systeem dat onvoldoende werkt. Is het kabinet bereid om te zeggen: "Dit systeem moet gaan werken, dus we willen versneld dat plafond omlaagbrengen en willen de emissierechten die we niet gebruiken uit de markt halen. We willen echt ervoor zorgen dat de prijs van CO2 fors omhooggaat."? Ik zou het interessant als de staatssecretaris daarop een reactie geeft. 

Een volgend belangrijk punt waarbij wij ons afvragen waarom daar geen geld heen gaat, is het volgende. Alle gemeenten piepen en kraken op dit moment waar het gaat om de enorme hoeveelheid nieuwe taken die ze op hun bord krijgen rond de Participatiewet, rond zorg, rond welzijn, rond de Wmo en rond het passend onderwijs. Wethouders van vele steden en gemeenten hebben gezegd het gewoon niet te trekken. Als dat zo is, waarom besteden we dan niet een behoorlijk bedrag aan een fatsoenlijke invulling van al die belangrijke taken in het sociale domein voor burgers? Waarom zetten we niet een deel van de 5 miljard lastenverlichting daarvoor in? Waarom is daar niet voor gekozen? Dat zou ook een bijdrage betekenen aan het behoud van de werkgelegenheid in bijvoorbeeld de thuishulp. De overheid is door haar bezuinigingen de grootste banenvernietiger op het gebied van zorg, passend onderwijs en de Participatiewet. Wij vinden dat extra wrang voor de lager opgeleiden, die het al het buitengewoon moeilijk hebben op deze arbeidsmarkt. Waarom wordt er niet meer geïnvesteerd in het mogelijk maken van banen in de thuishulp? 

Een ander belangrijk punt dat wij zouden willen benadrukken betreft de begroting van Ontwikkelingssamenwerking. Via een schriftelijke inbreng bij die begroting zullen we daarover overigens ook nog het een en ander zeggen. Mijn fractie vindt dat we daar gewoon tekortkomen. Het budget daalt en daalt en daalt. Het probleem is dat binnen dat dalende budget voor ontwikkelingssamenwerking, een steeds groter aandeel moet worden besteed aan de eerstejaarsopvang van asielzoekers. Wij vinden het van groot belang dat deze groep goed wordt opgevangen en goed wordt begeleid en dat er juist meer wordt geïnvesteerd in integratie. Maar waarom moet dat betaald worden uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking? Langzamerhand blijft er steeds minder geld over voor de echt arme landen: nu ligt dat tussen 0,15% en 0,20%. Dat is ver beneden wat we in feite beschikbaar zouden moeten stellen voor de echt arme landen. Is het kabinet bereid om daar nogmaals naar te kijken en een andere oplossing te zoeken voor de bestedingen aan de eerstejaarsopvang van asielzoekers? Eerder heb ik al gezegd dat Duitsland het anders doet. Duitsland heeft gezegd: we hebben dit jaar een forse economische groei; we zetten een deel van dat geld in voor de opvang van asielzoekers en we laten dat niet allemaal ten koste gaan van ontwikkelingssamenwerking. Wat mijn fractie ook opvalt, is dat de klimaatfinanciering voor een groot deel uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking wordt betaald. 

Ik kom tot de inkomensverdeling. Wij vinden dat de lastenverlichting te veel bij de hogere inkomens terechtkomt, terwijl die het niet nodig hebben. Daarmee wordt de ontkoppeling tussen lonen en uitkeringen in feite verder aangescherpt, aangezien alleen werkenden profiteren van deze lastenverlichting. Wij zien niet in waarom de derde schijf verlengd moet worden en waarom het tarief van de derde schijf omlaaggaat. We horen graag van het kabinet welk maatschappelijk doel daarmee wordt gediend. Zou dat geld niet ten gunste moeten komen van de mensen met lage inkomens of van de mensen die in de bijstand zitten? 

Ik wil nog een vraag stellen over de kinderopvang waarvoor nu 100 miljoen extra beschikbaar komt. Op zich is dat een zeer te verdedigen zaak, maar ons valt op dat dit geld alleen bedoeld is voor kinderen van ouders die beiden werken, terwijl er ook kinderen zijn van alleenstaande ouders, van ouders die niet beiden werken en van ouders zonder geld. Die kinderen zijn nu afhankelijk van de voorzieningen die de gemeente voor hen creëert. Dit betekent dat veel kinderen niet in staat zijn om naar een voorschool of peuterspeelvoorziening te gaan. Ziet het kabinet mogelijkheden om uit het budget van 100 miljoen extra ook voor deze groepen kinderen iets extra's te doen? 

Ik kom tot een afsluiting. Ik ben al duidelijk geweest over het feit dat mijn fractie deze inzet van 5 miljard lastenverlichting niet kan billijken. Wij zien tal van maatschappelijke noden waarvoor geld beschikbaar zou moeten zijn. Wij zien te weinig vergroening en er is te weinig sprake van "eerlijk delen". Daarvoor zou meer aandacht moeten zijn. De novelle biedt in onze ogen ook te weinig verbetering. We horen graag het antwoord van het kabinet voordat wij tot een definitief oordeel komen. 

De heer Backer (D66):

Voorzitter. Allereerst feliciteer ik collega Van Rij, die een mooie loopbaan van hoofd van een schoolkrant tot senator voor het CDA achter de rug heeft. Ik constateer ook meteen een stijlbreuk binnen het CDA, want voortaan gaat alles openbaar en niet in de achterkamertjes. Dat verwelkom ik zeer. Ook feliciteer ik de heer Köhler, die de stijlfiguur van het sarcasme vanavond tot grote hoogten heeft weten op te zwepen. Maar ik weet waar de SP voor strijdt en dat heeft mijn sympathie, hoewel we vaak andere oplossingen zullen kiezen. 

De voorliggende wetsvoorstellen kennen een onstuimig voortraject. De staatssecretaris weet dat als geen ander. Hij is met enig schrik vrijgekomen. De media hebben er al veel over geschreven. De belastingen zijn meestal een onderwerp voor specialisten en ze zijn zelden voorpaginanieuws, maar dat was deze keer anders. Als er al zo veel buiten het parlement over is gezegd, wordt het hoog tijd dat wij er hier met elkaar over debatteren. We doen dat vanavond en morgenmiddag en zo nodig, zoals de commissie Financiën vanmiddag heeft vastgesteld, nog in een derde termijn volgende week. 

De voorzitter:

Een tweede termijn. 

De heer Backer (D66):

Een tweede termijn. Excuus. 

De behandeling moet zorgvuldig plaatsvinden. Er is een bestaand pakket en er is een novelle, zoals vanavond al een aantal keren is genoemd. Het is een bijzondere figuur, maar het kan, en in deze verhoudingen en in de tijd die we hebben, moet het maar zo. Zowel aan de wijzigingen in de vierde nota van wijziging als in de novelle heeft mijn fractie meegewerkt. Mijn fractie heeft die wijzigingen gewenst; daarover kan ik beter meteen helderheid geven. Daaraan is vanavond ook al een aantal keren gerefereerd. Ik bespreek het pakket en de aanvullingen tezamen. Dat kan ook, want we hebben de antwoorden op de laatste schriftelijke vragen op tijd gekregen en enkele vragen zijn ook al in de Tweede Kamer gesteld. Ik dank de staf van de minister, want zij hebben ongeveer realtime de vragen beantwoord. 

Bij hervormingen kon en kan het kabinet op de fractie van D66 rekenen. Het zou in strijd met de politieke logica zijn als we deze reeks niet samen kunnen voortzetten. Nu we zo'n eind gekomen zijn, willen we ook doorpakken. We staan simpelweg voor een doorlopende opgave tot aanpassing. Daar zijn we in Nederland, polderend of niet-polderend, al dan niet met een nieuwe landschapsarchitectuur, heel succesvol in. Kijk naar de OECD-statistieken, kijk naar de EU, kijk naar de ranking in de eurozone en kijk ook naar het Sociaal en Cultureel Planbureau, dat door onze oud-collega Kim Putters wordt geleid, en haar rapport over de sociale staat van Nederland. 

Belastinghervorming zal onderdeel moeten zijn van die aanpassing. Dat vond deze Kamer in meerderheid vorig jaar ook bij de Algemene Financiële Beschouwingen en bij het Belastingplan. Hier is de motie-Van Boxtel aangenomen, die breed werd gesteund. In die motie werd de regering opgeroepen om in het voorjaar van 2015 met voorstellen voor een structurele belastingherziening te komen. Dit was een urgente kwestie en die urgentie is niet verminderd. Het is ook reden voor mijn fractie om bij het pakket 2016, en ook bij de doorkijk naar 2017, te blijven streven naar verbeteringen, naar meer emanciperende effecten dan alleen koopkracht gedreven effecten, en ook de richting in te slaan naar hervormingen: het lokale belastinggebied. 

Ik sprak over "urgent". Ik citeer met instemming de woorden van professor Cnossen tijdens de hoorzitting in de Tweede Kamer: "Elk land heeft recht op een slecht belastingstelsel, maar Nederland heeft wel heel gretig van dat recht gebruikgemaakt". Dit, de motie-Van Boxtel en misschien ook zijn eigen ambitie, hebben de staatssecretaris ertoe aangezet om de contouren van een nieuw stelsel te schetsen. Wat blijft daar nu van over, in december van datzelfde jaar? Is de grote herziening verder weg dan ooit? Is het, om maar een metafoor uit de muziek te nemen, een prelude die ook zelfstandig kan bestaan? Of is het een ouverture, waarin de goede luisteraar al elementen van de latere delen kan horen? Ik trek geen conclusies over welke van de twee het is. Daarover komen we nog te spreken. 

Had het beter gekund? Ik hoorde daarover vanavond al de nodige opmerkingen in deze Kamer. Ja, het had zonder twijfel beter gekund. Het is niet veel meer dan een stap in de goede richting. Het is kennelijk een politiek noodzakelijke tussenstap. Laten we daar niet omheen draaien. Onze ambitie om een grote belastingherziening te helpen realiseren, blijft bestaan, maar die wordt niet in één keer gerealiseerd. Ik nodig deze energieke en optimistische bewindsman uit om ons uit te leggen hoe hij denkt het project, dat nu toch enigszins stagneert, verder te brengen. Dat kan geen oponthoud dulden. Ik deel de zorg die collega Ester daarover zojuist uitsprak. Het werk is niet voltooid en tot het zo ver is, ligt het risico op de loer dat we met gebrekkige fiscale instrumenten proberen verder te roeien, dat we bijvoorbeeld een flexibiliserende arbeidsmarkt proberen tegen te houden omdat we verouderde structuren denken te kunnen beschermen. Maar dat kan niet. De fiscus zal zich moeten aanpassen aan de verschuivingen van bevoegdheden van Den Haag naar Brussel, dus naar de EU — een vloek voor sommigen, terwijl anderen weer geloven dat dat goed is — en naar de grotere, opgeschaalde gemeenten. Vandaar dat dat ook belastinggebieden zouden moeten worden. Dat is anticiperen op of je aanpassen aan vele innovaties, ook in de vorm van transacties, digitale verdienmodellen, virtuele bedrijvigheid en een grensoverschrijdende economie. Er zijn steeds minder mensen in vaste loondienst; althans, de trend gaat naar minder. De waarde uit arbeid is niet altijd de waarde die vroeger werd gesignaleerd en kon worden belast. Uitgaande van de bestaande regels wordt het ook steeds moeilijker om vast te stellen waar arbeid of een bepaalde activiteit kan worden belast. Er zijn immers ook volledig of deels digitaal geleverde producten, die de vraag oproepen waar de winst wordt gemaakt en waar de belasting over die winst van moet worden betaald. Ik hoor graag de visie van de staatssecretaris op deze ontwikkelingen. 

Terwijl wij in dit land gebiologeerd zijn door migratie, waaruit voor Nederland ook kansen en niet eenzijdig bedreigingen voortkomen, gaat er tegelijkertijd bedrijvigheid internationaliseren, dus fysiek of fiscaal ons land uit naar economieën in Azië en andere groeipolen in de wereld. Er komt een vorm van TTIP aan; welke staat nog niet vast, maar er zal iets van verdere vrijhandel komen. De ontwikkeling van een capaciteit tot aanpassing is cruciaal voor onze welvaart. Die is dringend gewenst, en niet in de laatste plaats bij de Belastingdienst. Ik zeg daar maar bij dat innovatie niet hetzelfde is als toegeven aan een race to the bottom. Ze behelst aanpassingen in de richting van een economie die de meeste kansen biedt op ontplooiing door werk en leidt tot welvaart voor velen, in ons land en in de wereld, die daar nu nog maar nauwelijks van hebben geprofiteerd. 

Collega Vos sprak al over de commitments die zijn aangegaan door alle landen bij de Klimaattop in Parijs. Dat was inderdaad een historische gebeurtenis. Ik heb het nog even nagekeken: a commitment to well below 2 degrees, in de richting van 1,5, waar de gehele wereld zich aan heeft gebonden. De uitvoering zal ingewikkeld zijn, maar dit is een normstelling en het is consistent met deze ontwikkelingen in ons land. Ik zou zeggen dat het bijna toeval is, maar het besluit over de uitfasering van de kolencentrales past daar heel goed bij. Het kabinet is hierin nog nooit zo ver gegaan als in de brief van 8 december. Dat is winst voor de volgende generaties, maar nu komt het aan op het verzilveren daarvan door een concreet besluit. In de richting van mevrouw Vos zeg ik dat hiervoor een aanleiding bestaat, want in dit pakket is weer een vrijstelling van de kolenbelasting opgenomen. We moeten daar eerlijk over zijn. Ik vrees bijna dat ik hiermee een interruptie heb uitgelokt. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Het is natuurlijk geweldig dat er nu echt serieus wordt gesproken over stoppen met de opwekking van energie uit kolen. Dat is dus fantastisch, alleen heeft het naar mijn idee helemaal niets met dit Belastingplan te maken, en ook niets met de novelle. U presenteert dit nu echt als een nieuwe winst, maar volgens mij komt dat door een goede motie die de Tweede Kamer heeft aangenomen. 

De heer Backer (D66):

Ik vraag collega Vos waarom dit altijd in termen van winst en verlies moet worden gezien. Ik zou zeggen dat dit voor de toekomstige generaties winst is. Er is wel degelijk een relatie met het Belastingplan, omdat die discussie, anders dan wij allebei hebben gewild, is gevoerd in het kader van het energieakkoord en die vrijstelling op de kolenbelasting opnieuw wordt ingevoerd. Als de kolencentrales die faciliteit weer krijgen, is er aanleiding om daar nu iets over te zeggen. Dat is de link met het Belastingplan, en daarom vond ik het gerechtvaardigd om daarover te spreken en om de staatssecretaris daarop aan te spreken. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik neem aan dat dit een van de argumenten is waarom D66 nu vindt dat het voor het Belastingplan kan stemmen. Ik zeg daarop: materieel is er nog niets veranderd. We wachten op de brief, die sowieso moest komen omdat het gewoon over de uitvoering van een motie van de Tweede Kamer gaat. Ik weet dat mijn collega's in de Tweede Kamer alweer hebben geprobeerd om die heffing op kolen er juist via een amendement weer in te krijgen. Als die heffing er weer in kwam, zou je denken dat we weer ergens over zouden praten. Dan zou er een resultaat zijn, maar nu is het nog even afwachten of dat resultaat ervan komt. 

De heer Backer (D66):

Dat is het mooie van de pluriforme samenstelling van deze Kamer. Wij kunnen daar wel tevreden mee zijn, GroenLinks niet. Dat ligt vaak zo. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Mijn vraag was natuurlijk waarom dit voor u nu een winstpunt is. Uw fractie in de Tweede Kamer heeft wel tegen dit Belastingplan gestemd, onder meer omdat er veel te weinig ambitie was op het punt van werkgelegenheid en vergroening. U maakt nu een opmaat. In feite heeft u al gezegd dat u een stuk tevredener bent. Ik zoek nu een beetje naar waar dat in zit, naar wat de grote winst voor uw fractie is. Misschien komt dat zo meteen wel. 

De heer Backer (D66):

Vindt u het goed als ik mijn verhaal afmaak? U kunt dan na afloop ervan alsnog ontevreden zijn. Dan hoor ik dat van u en kan ik het verder uitleggen. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Prima, dat gaan we dan nog even bespreken. 

De heer Backer (D66):

In dat geval ga ik door met mijn betoog. Voordat mevrouw Vos mij onderbrak, wilde ik eigenlijk zeggen: dit is het einde van mijn inleidende opmerkingen. Mijn fractie is van mening dat er met de vierde nota van wijziging én de novelle én de kabinetsbrief van 8 december, dus met alle drie, sprake is van een substantiële verbetering. Er wordt wel steeds gekeken naar die novelle, maar voor ons is het totale pakket een verbetering. Hiermee geef ik meteen een antwoord op de vraag van mevrouw Vos. Deze wetsvoorstellen en de maatregelen erin hebben op termijn bij te dragen aan banengroei en vergroening, en ze leggen het fundament voor een hervorming op termijn. Het gaat daarbij om de wijzigingen in de vijfde nota van wijziging, nu de novelle, in aanvulling op de vierde, namelijk het verhogen van de IACK, de overdraagbare korting op de kinderopvangtoeslag, en de arbeidskorting. Het vertragen van de afbouw en het veranderen van de hellingshoek in de grafiek helpen om werk lonender te maken. 

De heer Schalk (SGP):

Ik wil een vraag stellen naar aanleiding van hetgeen collega Backer noemde, namelijk dat er nu een pakket ligt dat gunstig is en ons vooruithelpt. Ik feliciteer hem natuurlijk met de novelle, die blijkbaar door D66 wordt gesteund. Daarmee worden echter niet alle groepen heel erg goed geholpen. Hij begrijpt ongetwijfeld dat ik doel op de groep van eenverdieners. Bij de Algemene Financiële Beschouwingen is al gesproken over de kloof die door dit Belastingplan tot vijf keer groter zal groeien. Nu is dat Belastingplan bijna werkelijkheid en is die kloof zo groot. Ik weet dat wij verschillend over eenverdieners denken, maar laat ik dat even aan de kant zetten. Laten we zeggen dat het natuurlijk van belang is dat er prikkels zijn voor mensen om te gaan werken. Een aantal mensen kan dat echter niet. Voor die mensen loopt het soms dus zo op dat ze tot vijf keer zo veel belasting betalen. Vindt de heer Backer dat nog proportioneel? Ik wilde bijna zeggen "rechtvaardig", maar dat vind ik zwaar. 

De heer Backer (D66):

Als het antwoord "nee" zou zijn, waren wij de andere kant opgegaan. Wij hadden de gelegenheid om mede vorm te geven aan de laatste wijzigingen van het Belastingplan. Dat is evident uit de schriftelijke behandeling en het is ook gebleken uit de motie-Dijkgraaf/Omtzigt uit de Tweede Kamer, waarin juist voor die andere oplossingen werd gekozen en de eenverdieners er beter uit zouden komen. Wij hebben ervoor gekozen om dat niet te doen. Ik denk dat dat ons verdeeld houdt. Je kunt erover twisten of het instrument nog goed genoeg werkt. Je kunt erover twisten of het echt een vrije keuze is. Die discussie is er ook in de Tweede Kamer geweest. Ik herinner me dat er een ophoging is geweest van de TOG-bijdrage met 4 miljoen, voor degenen die de werkelijke zorg voor een gehandicapt kind of huisgenoot hebben. Maar uiteindelijk blijkt er gewoon een politiek verschil te zijn: doe je iets voor gezinnen en werkenden of doe je iets voor de eenverdiener? Als je het ene doet, doe je het andere niet, tenzij je de lastenverlichting nog verder beperkt. Die keuze is gemaakt. 

De heer Schalk (SGP):

Daar ben ik het mee eens: die keuze is gemaakt. En die politieke verschillen zijn er. Maar op een zeker moment wordt het buitenproportioneel, en daar lijkt het nu erg op. Voor 2016 hebben we dat te accepteren, dus dat zij zo. Zou de heer Backer bereid zijn om mee te denken over mogelijkheden in de toekomst om deze toch wel ver doorgevoerde prikkel voor 2017 enigszins terug te dringen? In de novelle worden al plannen voor 2017 ontwikkeld. Ik ben heel benieuwd of de heer Backer en zijn partij D66 bereid zijn om toch eens mee te denken en mee te kijken; zijn daar wat meer reële beelden uit te halen? 

De heer Backer (D66):

De heer Schalk vraagt het op een wijze waardoor ik bijna geen nee kan zeggen. Het valt mij bijna zwaar om dat te zeggen. 

De heer Schalk (SGP):

Dan zou ik het ook niet doen. 

De heer Backer (D66):

Nee, nee. 

De heer Schalk (SGP):

Zeg gewoon wat u op het hart hebt. 

De heer Backer (D66):

Nee, ik wil ook fair zijn. Er zijn politieke verschillen en tussen ons bestaan hierover verschillen in politieke opvattingen. Wij hebben met de SGP en de ChristenUnie de afgelopen jaren zij aan zij gestaan bij de moeilijke maatregelen. Niet omdat wij het over alles eens waren, maar wij waren het wel eens over een aantal zaken die moesten gebeuren. Op het punt van de lastenverlichting lopen de wegen uiteen. Dat is bij dit plan helder. Daarom pleit ik ook voor een fundamentelere aanpak van de belastingherziening, waarin dit punt wordt meegenomen. Natuurlijk moet het daarin worden meegenomen. Als de vraag van de heer Schalk luidt of ik vind dat dit een plaats moet hebben in die discussie, dan is mijn antwoord ja. 

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Schalk, op dit punt. 

De heer Schalk (SGP):

Laat ik het iets preciseren. Stel dat wij tot de conclusie komen dat er mogelijkheden zijn om die kloof te verkleinen waarbij er geen substantieel banenverlies plaatsvindt. Begrijp ik goed dat de heer Backer dan bereid is om daarover mee te denken? 

De heer Backer (D66):

Ik ben altijd bereid om daarover mee te denken. Het is wel opmerkelijk dat al de voorstellen van de heer Schalk wel tot banenverlies leiden. Ik relativeer dat getal want daarover zal ik straks nog spreken, maar de pijl staat tot nu toe wel de verkeerde kant op. Daarmee ben ik meteen beland op het punt waarop ik wilde doorgaan, namelijk de hoeveelheden banen en de exacte becijfering. 

De voorzitter:

Wacht u nog even. De heer Van Rooijen heeft nog een vraag. 

De heer Van Rooijen (50PLUS):

We hebben het over keuzes maken. De ene keuze gaat over de manier waarop je omgaat met het verschil tussen een- en tweepersoonshuishoudens bij de belastingen. Daarover is een motie ingediend en aanvaard. Aansluitend heb ik een soortgelijke vraag over de verschillende behandeling van werkenden en ouderen. Hoe kijkt de heer Backer aan tegen de toekomst? Hij spreekt over een verdere belastinghervorming. Die is naar mijn mening van tafel. De middelen zijn er niet voor. Ik wil hem toch vragen of hij in welke hervormingsdiscussies dan ook bereid is om te kijken naar de positie van ouderen in vergelijking met de werkenden. Dat wil ik graag horen omdat ook daar uiteindelijk een keuze in de ene of de andere richting wordt gemaakt. Wij hebben te accepteren dat nu de tering is geworpen, maar is de heer Backer bereid om daarover verder met ons te discussiëren? 

De heer Backer (D66):

Ik heb collega Van Rooijen gevolgd in zijn kruistocht voor de kiezersgroep waarvoor hij opkomt. 

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Groep? Het zijn mensen, pardon. 

De heer Backer (D66):

Het een sluit het ander toch niet uit? 

De heer Van Rooijen (50PLUS):

De formulering is niet helemaal correct. 

De heer Backer (D66):

Daar is niets mee bedoeld, maar ik merk dat de heer Van Rooijen daar erg op reageert. 

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Voorzitter? 

De voorzitter:

Nee, mijnheer Van Rooijen, even niet. 

De heer Backer (D66):

Ik heb de heer Van Rooijen gevolgd in zijn kruistocht en ook in de plannen die hij wil bijbuigen voor degenen die hem het meest aangaan, die hem het meest aan het hart gaan. Laat ik het dan zo zeggen. Ik denk dat ik hem zal teleurstellen. Als wij grote keuzes moeten maken bij de herziening van de belastingen en als wij kijken naar de relatieve welvaart en de uitdagingen waarvoor wij staan, dan wordt in dit belastingplan niet voor niets met onze steun gekozen voor de werkenden die bijdragen aan de inkomstenkant van de economie en ook aan de inkomstenkant van hun eigen budget thuis. Natuurlijk zullen er uiteindelijk rechtvaardige afstanden moeten zijn. De balans met niet-werkenden en met uitkeringen moet uiteindelijk rechtvaardig en proportioneel zijn, maar ik denk dat wij een stuk uit elkaar liggen wat betreft de ambities op dat terrein. 

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ik heb een aanvullende vraag over het perspectief. Het antwoord van de heer Backer is duidelijk. Ik wilde dit in de eerste termijn niet tot hem zeggen, maar hij heeft ook via de brief gedaan gekregen dat er tenminste wordt nagedacht over verruiming van het belastinggebied van de gemeenten. Laat ik het voorzichtig zeggen; wij debatteren daar de volgende week over. Daarin staat ook dat dan de belasting op werk moet worden verlaagd met 4 miljard, waarmee de keuze nu al is gemaakt door het kabinet, maar mede op initiatief van D66. Dat neem ik althans aan. 4 miljard meer naar de werkenden betekent dat er 5 miljard en 4 miljard, dus 9 miljard naar de werkenden gaat. Dit staat in het persbericht van D66. Ik heb vandaag betoogd dat 5 miljard al een brug te ver is. 4 miljard erbij is dan twee bruggen te ver. Kan de heer Backer daarop reageren? In dat voornemen krijgen de ouderen dus weer niets en betalen zij via meer gemeentebelastingen weer het gelag want uiteraard moet dat ergens vandaan komen. Zij zijn dus tweemaal de klos. 

De heer Backer (D66):

Dat lijkt mij het juiste moment om dat debat te voeren in zijn volle omvang. Het debat over het lokale belastinggebied wordt sinds 1998 met het artikel van professor Geppaart — dat kent u natuurlijk ook — en allerlei publicaties daarna in alle modaliteiten gevoerd. De commissie-Rinnooy Kan heeft erover geadviseerd. Wij zijn er nog niet. Een verruiming van het lokale belastinggebied dat per saldo zwaardere lasten gaat opleggen, zal uiteraard geen meerderheid in deze Kamers kunnen krijgen. Of het dan in de opvatting van de heer Van Rooijen eerlijk is verdeeld over ouderen en anderen, kan ik nu niet beoordelen. Dat zal de uitkomst van die discussie zijn en die zullen wij dan voeren. 

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Van Rooijen, op dit punt. 

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ik heb een korte vraag. Erkent de heer Backer wel dat de ouderen niets krijgen en er dus op geen enkele manier een rechtvaardige verdeling van lasten is als de belasting voor werkenden met 4 miljard omhoog gaat? 

De heer Backer (D66):

Ik vind deze conclusie wel erg kort door de bocht. Ik ga die ook niet zomaar bevestigen. Ik wil graag voortgaan met mijn betoog. De exacte becijfering van het arbeidsaanbod in het CPB-model leidt tot allerlei sommetjes, maar draagt niet bij aan de discussie. Ik was dan ook erg blij met de woorden van collega Ester. Er worden bedragen gedeeld en dan is het net of het per baan zoveel is. Het gaat om een structurele verbetering op de lange termijn. Daarbij komt ook nog het lokale belastinggebied. 35.000 plus, zeg ik dan maar. Hoeveel dat is, weet ik niet, maar het is de goede richting. Dat is het totale pakket. 

Ik steun overigens wel het verzoek van collega Ester om het CPB nog eens naar die getallen te laten kijken. Ik weet uit ervaring dat dit verzoek, via hem, aan minister Kamp moet worden gericht, maar bij dezen. 

De voorzitter:

Mevrouw Vos, een korte vraag want ik wil de heer Backer de gelegenheid geven om iets verder te komen met zijn betoog. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Bedankt voorzitter dat u mij toch de gelegenheid geeft. Dit punt van werkgelegenheid is heel belangrijk voor D66. 

De heer Backer (D66):

Voor u ook, dacht ik. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Absoluut, maar voor de Tweede Kamerfractie van D66 was dit volgens mij echt de reden om het belastingplan niet te steunen. Wat is nu volgens de heer Backer de winst, de ambitie qua werkgelegenheid, waardoor de fractie van D66 dit wel kan doen? 

De heer Backer (D66):

Dit is een beetje een herhaling van zetten. Ik heb net al gezegd dat het een totaalpakket is dat ons van een "nee" naar een "ja" heeft gebracht. Die reconstructie is gemaakt. De discussie in de Tweede Kamer is over veel meer gegaan dan het pakket dat er uiteindelijk ligt. Een heel groot deel van de vierde nota van wijziging heeft onze steun gehad, maar het was niet genoeg. Uiteindelijk is het kabinet met ons in gesprek gegaan en is er een uitkomst op het gebied van banen, vergroening en lokale belasting die voor ons voldoende is. Mevrouw Vos kan het hiermee al of niet eens zijn, maar dat is de afweging geweest. Daarover ben ik open. Daarmee komt Nederland gelukkig uiteindelijk weg met een belastingplan voor volgend jaar. 

De voorzitter:

Mijnheer Ester, ook voor u: één korte vraag graag. 

De heer Ester (ChristenUnie):

Zeker. De heer Backer sprak over het totaalpakket. Daaraan hangt natuurlijk een prijskaartje. Een prijskaartje van 5 miljard. Wij en ook de heer Backer hebben gezien dat het structurele begrotingstekort volgend jaar omhoog gaat naar 1,9%. In 2017 is het 2,5%. Dat is het structurele begrotingstekort. Dat is geschoond voor conjuncturele schommelingen en incidentele baten en lasten. Dat is nogal wat. De heer Backer sprak zojuist over Brussel. Hij moet straks in Brussel kunnen uitleggen dat mede dankzij zijn steun wederom de Brusselse normen niet worden gehaald. Maakt de heer Backer zich daar zorgen over of weegt hij dat anders? 

De heer Backer (D66):

Ik heb goed nieuws voor collega Ester, want bij de stukken zit een brief van de Europese Commissie, die de begroting heeft beoordeeld. Ik heb dat zorgvuldig uitgezocht, want daar zat ook mijn zorg: past dit nog in het Stabiliteits- en Groeipact en de gemaakte afspraken, zeker nadat de Raad van State daarover kritisch is geweest? En dat past! Ik raad de heer Ester aan om het te lezen. Ik wil niet zeggen dat alles wat uit Brussel komt heilig is, maar binnen het Europees semester is het belangrijk dat de Europese Commissie groen licht geeft. 

De voorzitter:

Heel kort, mijnheer Ester. 

De heer Ester (ChristenUnie):

Maar u realiseert zich dat u boven de 60%-norm zit? 

De heer Backer (D66):

Zeker, maar in de preventieve arm van het Groeipact mag dat, als je maar aangeeft structureel te gaan verminderen. Ik raad de heer Ester aan om het te lezen. Wij kennen deze materie beiden en hebben beiden gezorgd voor een sobere aanpak van de begroting. Dit is gecleared te Brussel. Ik zie de heer Ester nee schudden, maar wijs hem op de stukken. 

Een aantal zaken in mijn tekst heb ik al bij interruptie besproken. Laat ik dat niet herhalen. Dat geldt ook voor het lokale belastinggebied, maar daar wil ik in het bijzonder nog over zeggen dat de situatie in Nederland vrij uitzonderlijk is. Hier is ongeveer 5,2% van de totale belasting- en premieopbrengst lokaal. In de EU is dat ongeveer 38%. Een verschuiving is dus niet zo gek. Van die 5,2% is 3,8% van de gemeente, waaraan wij zo veel dingen vragen, zoals mevrouw Vos ook aangaf. Het is dus belangrijk dat we daar iets mee doen. Heel concreet wil ik de staatssecretaris vragen naar de status van de voorbereiding die reeds op zijn departement is getroffen. Er is namelijk al eerder aan gewerkt. In de brief staat als datum van indiening "voor de zomer". Ik zou graag willen weten hoeveel daarvoor. 

Onder het kopje "Mens en machine" heb ik in mijn tekst een kritische opmerking staan over het tijdstip van dit debat. Het is feitelijk bijna onmogelijk om voor het belastingjaar 2016 het optimale te bereiken doordat "de systemen" het niet toestaan. Er is door enkele woordvoerders geïnformeerd naar de extra kosten die dit meebrengt. In de uitvoeringstoets staat daar ook een en ander over. Zowel in de vierde nota van wijziging als in de novelle is een aantal voornemens voor 2017 in de plannen opgenomen. Dat gebeurt een jaar later omdat ze in 2016 niet meer konden worden doorgevoerd; denk aan de arbeidskorting en de kinderopvangtoeslag. Mijn fractie heeft daar drie observaties bij. 

Ik vind het ten eerste onwenselijk als de regering zodanig laat met het belastingplan naar deze Kamer komt dat er voor het belastingplan van het eerstvolgende jaar bijna geen reparatie mogelijk is, zoals soms nodig is. Natuurlijk gaat het om enorme aantallen en een complexe verwerking bij de Belastingdienst, maar de mens zou de machine de baas moeten zijn en blijven. 

Ten tweede zou deze Kamer de bespreking eerder moeten laten plaatsvinden. Ik kijk even naar de voorzitter: ik weet dat het een ingewikkelde discussie is met de Tweede Kamer, maar toch zouden we ernaar moeten streven — het is ook een hand in eigen boezem — dat we dit meteen volgend op de Algemene Financiële Beschouwingen doen. Zo kunnen we het als totaalpakket bespreken. 

Ten slotte trof ik, zoals ik al zei, bij de novelle een uitvoeringstoets aan. Dat deed mij een beetje denken aan situaties die wij in het werkend bestaan ook wel tegenkomen bij plannen waarvan operationele diensten of de stafdiensten vertellen dat ze niet kunnen, te veel geld kosten, al eerder zijn bedacht, niet verstandig zijn en moeten worden verworpen. Het is te prijzen dat de staatssecretaris zijn Belastingdienst behoedt voor ontijdige en niet-uitvoerbare plannen, want we hebben in het verleden sterke staaltjes gezien waarin dat niet werd gedaan. Dat is heel goed en past ook in de aanpak die collega De Graaf heeft bepleit bij de Algemene Beschouwingen. Maar goede voornemens die vooraf kenbaar zijn en gewoon in de begrotingscyclus zitten — daar reken ik dit debat ook toe — zouden niet moeten worden gefrustreerd doordat het ministerie keuzes heeft gemaakt in fte's en ICT-systemen en ze daardoor niet meer kunnen worden gerealiseerd op basis van capaciteit. Ook zou er niet moeten worden voorgesorteerd op beslissingen die de wetgever nog helemaal niet heeft genomen. Ik herinner even aan de VAR-aanvragen voor 2016, die in de zomer al niet meer in behandeling werden genomen omdat de wet DBA onderweg was. Daar hebben de VAR-houders een brief over gekregen — voor een deel onbegrijpelijk — dat dit nog wordt voortgezet omdat het debat pas in januari is. Als we het trouwens hebben over werk en banen, ontpopt dit voorstel zich meer als een vernietiger dan een banenmachine. 

Ik kom nog kort toe aan een aantal kleinere onderdelen van het pakket, die niettemin belangrijk zijn. De uitkering in het kader van het Artikel 2-Fonds steunen wij natuurlijk, met de kanttekening dat het jammer is dat dit zo lang heeft geduurd. De Wet overige fiscale maatregelen is een potpourri van schenking, divendbelasting, Common Reporting Standard, WOZ, fiscaal procesrecht, een elektriciteitsschuif en zuiveringsslib. Dit moet voortaan echt anders. Het kabinet heeft plechtige beterschap beloofd naar aanleiding van de motie-Hoekstra, die breed is gesteund. De vraag is met welke frequentie zulke moties moeten worden ingediend. Ik heb het eens nagekeken: eenzelfde motie is ingediend door senator Boorsma, ook van het CDA, in 1992 tijdens het kabinet-Lubbers/Kok. Die motie betrof dezelfde onderwerpen, is breed gesteund en zou ook tot goede voornemens leiden. Overigens heeft het CDA toen ook het belastingplan gesteund. Ik zou van de staatssecretaris willen weten wat in de toekomst zijn leidende criteria voor de verzamelwet zijn. 

Ik wil nog kort stilstaan bij twee specifieke punten die vandaag nog niet aan de orde zijn geweest. Dat legitimeert dat ik er toch nog iets over zeg. In de schriftelijke voorbereiding ging het over de prejudiciële vraag. Kan de staatssecretaris ons verzekeren dat een individuele rechtszoekende niet benadeeld wordt in zijn processuele positie? Zo ja, waarom niet? Er is nog een processueel punt dat mijn fractie met enige ongerustheid beziet, namelijk de toevoeging van lijfsdwang. Dat klinkt middeleeuws en is het misschien ook. Het zit in de voorstellen als machtsmiddel van de Belastingdienst bij invordering van claims. Het is een zwaar middel. Is het met voldoende waarborgen omkleed? Ik denk aan situaties met een doolhof van toeslagen, waarbij mensen absoluut niet weten waar ze nu eigenlijk voor worden aangesproken. 

Ik wil een opmerking maken over de RDA en S&O. Dat is schriftelijk ook aan de orde geweest. Mijn zorg is dat de topsectoren en grote bedrijven goed aan bod komen, maar het mkb uiteindelijk de hond in de pot zal vinden. In de Tweede Kamer is geprobeerd om dat af te dekken met een plafond. Dat heeft het niet gehaald. In de schriftelijke vragen was het betoog van de staatssecretaris naar mijn idee niet overtuigend, want het kwam neer op: het is goed omdat het goed is. Ik geef de staatssecretaris dringend in overweging niet met een herhaling van zetten te komen, maar een pas op de plaats te maken, of een oplossing te vinden om de zorgen te adresseren. Hij heeft daar in de Tweede Kamer iets merkwaardigs over gezegd. Ik zeg het even in mijn eigen woorden: als blijkt dat het niet goed uitpakt, halen we het geld terug bij degenen aan wie het is uitbetaald. Dat lijkt mij een rare figuur, of ik heb het verkeerd begrepen. Ik hoop dat de staatssecretaris dat nog even kan toelichten. 

Ik kom nu bij box 3. Het is moeilijk om hierbij niet te denken aan de recente reclame van een bekende supermarkt, met het gnuivende gezicht van die belastingadviseur. Dat doet onrecht aan de gewaardeerde beroepsgroep waar ook collega's Van de Ven en Van Rij deel van uitmaken, maar het geeft wel een illustratie van het feit dat de meeste mensen weinig van dit geheel snappen. Als ze box 3 in beeld hebben bij de aangifte, snappen ze met name niet het verschil tussen het rendement op vermogen en de hoogte van de heffing in box 3. De vraag is of dat gaat verbeteren in de plannen voor 2017 en 2018. Collega Van Rij heeft er heel uitvoerig over gesproken en zijn zorgen heel duidelijk genoemd. Ik heb het ook in de stukken aangegeven. Mijn fractie is van oordeel dat de kloof met het werkelijk rendement in 2016, en misschien ook in 2017, zo groot is dat die aankondiging over de toekomst de belastingmoraal niet ten goede komt. Het is budgettair mogelijk en technisch uitvoerbaar om die kloof al in 2016 wat te verkleinen voor de kleinere spaarders. Ik noteer dat een aantal collega's hier er positief over zijn geweest. Voor 2016 is het nog mogelijk om de vrije voet iets te verhogen. De kleine spaarder profiteert daar in relatieve zin dan het meest van. Vanuit die aanpak zou je voor 2017 ook nog varianten kunnen bedenken. 

Er is uitvoerig gedebatteerd in de Tweede Kamer over de vraag of er in 2018 een beter regime gaat komen en of het nu zo veel helpt dat nu al aan te kondigen. Heel fiscaal Nederland dat er voor heeft doorgeleerd, is om een oordeel gevraagd. We hebben dat ook gezien in de interessante hoorzitting van 23 november in deze Kamer. Ik zou iedereen ook aanraden het verslag daarvan nog eens na te lezen. De heer Köhler vergat nog te vermelden dat de heer Bashir van de SP en de heer Van Weyenberg van D66 samen een motie hebben ingediend in de Tweede Kamer, die ook is gesteund, die ertoe strekt het te baseren op werkelijk rendementen en die het kabinet ertoe oproept om daaraan te gaan werken. Dat lijkt mij een goede richting. 

Ook als dit Belastingplan 2016 allang op de plank ligt stof te vergaren, zal deze discussie nog voortgaan. De heer Van Rij heeft aangekondigd dat hij die discussie ook zal aanzwengelen. Ik ben dan ook heel benieuwd waar dit gaat uitkomen. Opmerkelijk ten aanzien van de discussie over box 3 is dat er eigenlijk geen diepgaand debat heeft plaatsgevonden over de belasting van vermogensaanwas terwijl dat toch een heel fundamenteel punt is. Graag hoor ik de visie van de staatssecretaris daarop en op de wijze hoe dit is gegaan. 

Ik rond af. Het was adembenemend om de staatssecretaris als een trapezeartiest in de Tweede Kamer bezig te zien om steun te verwerven voor zijn plannetjes. Uiteindelijk dreigde hij zonder vangnet in het zaagsel van de piste te vallen en het kabinet met hem. De staatssecretaris is net op tijd — nood breekt wet; iemand noemde het vandaag ook wel bestuurlijke vernieuwing — in de laatste fase op zoek gegaan naar steun en draagvlak en die is met D66 alsnog gevonden. Mijn fractie stond daarvoor open en heeft gaandeweg zelf kunnen ervaren hoe oplossingsgericht hij te werk is gegaan en hoezeer hij ook bereid was om verder vooruit te kijken. Ik wijs op de onderwerpen in de aanvullende maatregelen, zoals opgenomen in de brief van het kabinet van 8 december jl., te weten lokaal belastinggebied en kolencentrales, dit nog afgezien van de andere onderwerpen. Aan dit eindresultaat hebben wij zelf kunnen bijdragen en u allen hebt uit mijn betoog kunnen begrijpen dat het alles afwegende een voldoende scoort voor mijn fractie. Het is daarom niet meer dan logisch dat de fractie van D66, zoals het er nu voor staat — we moeten nog wachten op wat er in de Tweede Kamer gebeurt met de novelle — een positief eindoordeel zal kunnen vellen. 

De heer Ten Hoeve (OSF):

Voorzitter. Ik zou willen beginnen met de collega's Van Rij en Köhler te feliciteren met hun maidenspeech. Ik heb naar beiden, bij alle verschillen, met heel veel plezier en heel vaak ook met instemming mogen luisteren. 

Opvallend: de NRC meldde van de week in een klein berichtje dat Finland van plan is iedere volwassen Fin een basisinkomen te geven van rond de €800. Dat land wordt daarmee, naar ik aanneem, het eerste land ter wereld dat deze vorm kiest als welvaartstaatconcept. Het lost een hoop problemen op die bij ons geleid hebben tot een onoverzichtelijke belasting- en toeslagenwetgeving en tot uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst. En het lost ook een deel van de problemen op die dit jaar vanuit de christelijke fracties en vooral dan die van de SGP, en naar mijn mening niet ten onrechte, naar voren gebracht zijn. 

Het lijkt erop dat het Belastingplan, met alle annexen en met een novelle, aangenomen gaat worden in dit huis. Daarmee is voor de regering een probleem uit de wereld, maar daarmee zijn natuurlijk niet alle in de laatste tijd, ook door mij, geuite bezwaren, opgelost. Nu geld stoppen in een algemene ronde koopkrachtbehoud lijkt in een langzaam weer opbloeiende economie en na alle bezuinigingen van de laatste jaren, min of meer verantwoord. Extra geld in de economie pompen ten gunste van specifieke groepen — werkenden, en vooral werkenden met kinderen — is mooi voor degenen die ervan profiteren maar lijkt prematuur nu het niet is ingebed in een complete herziening van het uit de hand gelopen systeem, nu het doel van een structureel begrotingsevenwicht nog niet is bereikt, zelfs verder uit zicht raakt, ondanks mogelijk de goedkeuring van Brussel, en nu er bovendien alle reden is om aan te nemen dat ons nog heel hoge kosten te wachten staan vanuit diverse zowel binnenlandse als buitenlandse problematiek. 

In de zorg loopt het niet goed, voor justitie en veiligheid is het uitgetrokken geld vast niet genoeg, gas is nog altijd een bedreiging voor Groningen, verantwoordelijkheid nemen voor de EU-buitengrenzen gaat meer geld kosten en wat de zogenaamde "oorlog" met IS bij verdere escalatie gaat kosten, kon ook wel eens tegenvallen. En dan komt het klimaatakkoord er ook nog bij en dat mag toch ook wat kosten. 

Wat wij nu met dit Belastingplan doen is in ieder geval niet terugkeren naar eenvoud en naar een inkomstenbelasting die gelijke inkomens ook in principe gelijk, maar rekening houdend met draagkrachtverschillen, belast. Nee, wat wij nu doen, is juist verdergaan op de weg van de ene anders te behandelen dan de andere, vooral werkenden anders dan niet-werkenden, met het argument daarmee het grote probleem van de werkloosheid te willen aanpakken, maar in feite best beseffend dat we op deze manier wel het aanbod van arbeid kunnen opjagen maar er nauwelijks invloed op de werkgelegenheid zelf van uit zal gaan, behalve dan door de algemene bestedingsimpuls die van dit extra geld uitgaat. Wat we wel najagen, is het politiek-maatschappelijke ideaal dat iedereen zijn arbeid op de markt moet aanbieden en waar we dus geen rekening mee willen houden is de vrijheid, maar ook de soms afgedwongen noodzaak binnen leefgemeenschappen om andere keuzes te maken. Een overzichtelijk en eerlijk stelsel van inkomstenbelasting zou naar mijn gevoel niet politiek-maatschappelijke doelstellingen mogen najagen met series wel of niet inkomensafhankelijke heffingskortingen en toelagen. Een overzichtelijk en eerlijk stelsel zou naar mijn overtuiging uit moeten gaan van gelijke belasting van gelijke individuele inkomens; het zou een grote belastingvrije voet of algemene heffingskorting moeten toelaten die overdraagbaar is binnen een duidelijk omschreven levensverband. Het mag van mij boven de vrije voet een uniform tarief hanteren met alleen wel een duidelijk hoger tarief voor duidelijk hogere inkomens. Daarmee kom ik in de richting van het CDA, denk ik. 

Daarvan uitgaande is er dus nog wel werk aan de winkel en bij het aanpakken van dat grote werk zal het handig en ook onvermijdelijk zijn, dat er dan niet alleen klein geld maar ook groot geld aanwezig is om veranderingen door te kunnen voeren. Dat geldt zeker ook wanneer we bijvoorbeeld — ik waag het toch te zeggen — de laatste grote stap willen doen in de fiscalisering van de AOW. Dat is iets wat het systeem eenvoudiger en eerlijker maakt omdat dan AOW-inkomen gewoon behandeld kan worden als ander inkomen en AOW'ers dus ook als alle andere mensen, maar het is iets wat wel heel grote consequenties heeft. En het probleem momenteel is juist al dat de inkomens van ouderen al jaren onder druk staan en zullen blijven staan door het achterwege blijven van pensioenindexering. Dat komt niet door de belastingheffing maar de belastingheffing doet er wel een schep bovenop. Het is terecht dat gevraagd wordt in de belastingheffing, ook meer structureel dan alleen voor één jaar, rekening te houden met deze zich bijna als een slopende ziekte voltrekkende calamiteit. Fiscalisering AOW is redelijk, maar het kan niet zomaar zonder meer. 

Overigens kan het alternatief voor de onderkant van het systeem natuurlijk het kiezen voor het basisinkomen zijn, wat de AOW eigenlijk ook al is. Dat lost immers ook nog alle verzilveringsproblematiek in een klap op en het maakt allerhande toeslagen overbodig. Wel een aantrekkelijk, maar in eerste instantie natuurlijk niet heel makkelijk alternatief. Toch de moeite waard om eens over te gaan denken, staatssecretaris? De Finnen lijken het te kunnen. Een reëel probleem van lange adem, zoals terecht in het Belastingplan staat, is natuurlijk de te grote wig tussen nettoarbeidsloon en totale werkgeverskosten. Daarin speelt niet alleen de loonbelasting een rol, maar ook de doorgeschoten verantwoordelijkheid van de werkgever voor zieke en arbeidsongeschikt geworden werknemers. Of de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) en het daarin opgenomen lage-inkomensvoordeel (LIV) echt zoden aan de dijk kunnen zetten voor de positie van de lage-inkomensgroepen, meer dan de tot nu toe gehanteerde regelingen, lijkt mij voorlopig nog de vraag, maar aandacht voor deze groepen is niet overbodig. 

Daarmee komen we bij de regelingen die niet voor het komende jaar bedoeld zijn, maar vooruitgrijpen op 2017. Een van die regelingen is de omstreden regeling voor box 3. Natuurlijk is de kritiek terecht dat een dergelijke ingrijpende verbouwing van de regeling een aparte behandeling vraagt en niet zo maar als klein onderdeel van het totaalplan aangeboden had mogen worden, niet alleen omdat hiermee in het plan voor 2016 een voorschot op 2017 genomen wordt, maar ook omdat het om een principiële aanpassing van een belangrijk deel van het systeem van inkomstenbelasting gaat. Dat betekent dat hierover meer gezegd moet kunnen worden dan over verschuivingen in bedragen en tarieven, hoewel die soms ook best ingrijpend zijn. Ik ga ervan uit dat over dit onderdeel van het Belastingplan nog wel een keer verder gesproken zal worden voordat deze regeling echt geldigheid krijgt. Daar hebben we ook nog een jaar de tijd voor. 

Toch wil ik hierover nu een korte beschouwing geven. De huidige regeling krijgt terecht veel kritiek. Voor houders van spaarrekeningen betekent het dat het belastingpercentage hoger is dan het rentepercentage en dat elke procent inflatie het verlies voor de spaarder nog groter maakt. Het voorgestelde systeem waarbij fictie op fictie gestapeld wordt, zal niemand echt bevallen. Alleen van de kleine spaarder kun je veilig zeggen dat hij of zij er in ieder geval wat beter van wordt, ook al is het fictieve rendement nog altijd veel hoger dan het waarschijnlijke feitelijke rendement. Als het zo moeilijk is om echt gerealiseerde vermogensrendementen te traceren en als dan ook nog de keuze gemaakt moet worden of er belasting geheven moet worden over vermogensinkomsten of over vermogensaanwas — dat is ook geen eenvoudige vraag — waarom maken wij het onszelf dan niet makkelijker? De huidige regeling is naar haar vorm een belasting op vermogensinkomsten, maar feitelijk een belasting van 1,2% op vermogensbezit. Is er eigenlijk iets op tegen om er dan ook maar gewoon echt en formeel een vermogensbelasting van te maken? Met een wat grotere vrije voet dan nu geldt en met een bescheiden maar progressief tarief komt mij dat voor als duidelijk, goed controleerbaar, weinig bezwaarmogelijkheden opleverend en, ten slotte, zeker ook niet oneerlijk. Is de staatssecretaris dat met mij eens of wil hij het graag moeilijker houden? Mocht dat zo zijn, lijkt dat hem dan rechtvaardiger? 

De inhoudelijke punten in de novelle, voor zover deze geen aandacht krijgen in het Belastingplan, heb ik helemaal nog niet genoemd. Ze hebben mij ook niet echt reden geven om daar nu apart op in te gaan. De aanvullende maatregelen bevatten een aantal goede voornemens; ik neem aan dat wij die over het algemeen zullen terugzien in aparte wetgeving. Dan hebben we nog alle kans om daar echt op terug te komen. 

Ik heb op enkele punten commentaar gevraagd van de staatssecretaris. Ik hoor heel graag hoe hij daarop zal reageren. 

De heer Schalk (SGP):

Voorzitter. Ook ik begin met het uitbrengen van mijn felicitaties aan de leden Van Rij en Köhler. Ik zie uit naar de onderlinge gesprekken en debatten die wij zullen voeren. Ik vond het mooi dat beiden in hun bijdrage iets zeiden over een onderwerp dat mij na aan het hart ligt, namelijk de positie van alleenverdieners of eenverdieners. Het zal geen verbazing wekken dat ik hoop daar vanavond ook nog even over te spreken. 

Vandaag bespreken wij het Belastingplan 2016, het Belastingplan 2017 en het Belastingplan 2019, althans, daar lijkt het op als we de novelle die nog in de Tweede Kamer besproken moet worden, erbij betrekken. Immers, het scharnierpunt voor draagvlak is in de novelle te vinden. Het zal duidelijk zijn dat de leden van de SGP op een andere novelle hadden gehoopt. Daar gaan we vanavond niet zuur over doen, maar we mogen het wel jammer vinden. Ik kan er dan ook niet omheen om hier nadrukkelijk op in te gaan, temeer daar de novelle die er nu ligt voor het jaar 2016, niet veel voorstelt. Om precies te zijn gaat de novelle om twee financiële aanpassingen in 2016 die direct voor burgers merkbaar zijn: €100 miljoen voor energiebesparende maatregelen voor huiseigenaren en een verhoging van het heffingsvrije vermogen voor box 3 met €3.000. Voor de meeste mensen levert het in 2016 dus helemaal niets op. Als je geen huiseigenaar bent, kom je namelijk niet in beeld en als je geen spaarpot hebt, dan is het ook jammer! Alleen voor degenen die meer dan €22.000 op de bank hebben staan, wordt het interessant. Zij gaan er, dankzij het akkoord dat D66 heeft gesloten, in 2016 rechtstreeks op vooruit, en wel met €0,10 per dag. Immers, bij een fictief rendement van 4% over €3.000, waarover 30% belasting moet worden betaald, levert dit de kleine spaarder op jaarbasis maximaal €36 op. Dat zag ik ook terug in de antwoorden van de staatssecretaris. Verspreid over één jaar is dat €0,10 per dag. 

De heer Backer (D66):

Elke cent telt toch? 

De heer Schalk (SGP):

Zeker, elke cent telt. Het had nog veel erger kunnen zijn; dat ben ik zonder meer met de heer Backer eens. Het had ook €3,60 per jaar kunnen opleveren. Dat zal voor een aantal mensen inderdaad het geval zijn, want pas als je de volle €3.000 extra kunt sparen of gespaard hebt voor volgend jaar, levert het €36 op. Dat is €0,10 per dag. Daarmee is mij duidelijk waarom dit de kleine spaarder wordt genoemd. Om dit te betalen wordt het tarief in de tweede en derde schijf van de loon- en inkomstenbelasting minder verlaagd. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: wat blijft er over van die €0,10 per dag voor iemand met een modaal inkomen? 

Nogmaals, ik geef toe dat €0,10 per dag heel wat overzichtelijker is dan het amendement dat enige tijd boven het Belastingplan heeft gezweefd. Dat had tot doel om de kloof tussen een- en tweeverdieners te verkleinen. Daarbij ging het wel om serieus geld: een grote groep, namelijk 1 miljoen eenverdieners, zou er €520 per jaar op vooruitgaan. Voor eenverdieners die tot €8.000 meer belasting betalen dan tweeverdieners is dit een interessant bedrag. Maar het mocht niet zo zijn. Het aanbod van de fractie van de SGP tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen van 17 november om door te praten over mogelijke steun van de SGP-fractie heeft niet geleid tot enig contact vanuit het kabinet. Wij hebben dat te accepteren. 

Het levert echter nog wel een vraag op. Het grootste probleem, zo bleek destijds, was het vermeende banenverlies. Daarbij moeten we de 35.000 banen die het Belastingplan 2016 zou genereren als uitgangspunt nemen. Op dit punt ben ik het toch oneens met de heer Backer. Na mijn derde interruptie mocht ik niet verder op het thema ingaan, maar juist op dat moment gaf de heer Backer aan dat die 35.000 banen op de tocht zouden staan. De vraag is of dat zo is. Uit de reactie van de staatssecretaris op vragen van deze Kamer blijkt dat de novelle een marginaal effect heeft op de werkgelegenheid: afgerond is dat 0,0%. De conclusie van de staatssecretaris is, en ik citeer: "Het vijfmiljardpakket levert dus op termijn ook met de novelle nog steeds 35.000 banen op." 

Met andere woorden: de novelle levert niet meer banen op. Met dit aantal wordt nog steeds gerekend, en die banen zouden verloren zijn gegaan als de kloof tussen een- en tweeverdieners zou worden verkleind. Tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen heb ik al omstandig uit de doeken gedaan dat dit geen hout sneed, omdat het CPB-model niet het amendement dat voorzag in een afbouw van de overdraagbare heffingskorting tot 2028 doorrekende, maar rigide doorrekende alsof de overdraagbare heffingskorting tot 2040 op dezelfde hoogte in stand zou blijven. Om duidelijk te maken dat dit een rigide manier van rekenen is, heeft de fractie van de SGP een fictief voorbeeld aan de staatssecretaris voorgelegd. 

De heer Backer (D66):

Als ik collega Schalk zo beluister, hecht hij wel waarde aan het CPB-model als het aantoont dat de novelle weinig nieuwe banen oplevert, maar geen waarde aan het CPB-model als het gaat om de SGP-variant. Heb ik dat juist begrepen? 

De heer Schalk (SGP):

Inderdaad hebt u dat bijna goed begrepen. Ik moet eerlijk zeggen dat toen ik het las in de beantwoording van de staatssecretaris, ik eigenlijk dacht: dit is gewoon niet leuk voor D66. Nu hebben ze een novelle … Nee, ik maak het even af. 

De heer Backer (D66):

Zo veel compassie kan ik niet aan vanavond. 

De voorzitter:

Mijnheer Schalk maakt zijn antwoord even af. 

De heer Schalk (SGP):

Ik maak even mijn antwoord af. Ik zag in de beantwoording staan dat er wel enig effect is, maar omdat het CPB die modellen op een bepaalde manier hanteert, komt er gewoon in zo'n officieel stuk te staan: 0,0%. Dat vond ik best wel jammer, voor u. 

De heer Backer (D66):

Ik doe het voorstel aan collega Schalk om samen met de heer Ester een kleine werkgroep te vormen om met het CPB te gaan praten, om verschillende redenen en verschillende uitkomsten. Dan kunnen we misschien samen iets bereiken. 

De heer Schalk (SGP):

Ik vind dat een heel goede suggestie en ik nodig u uit om erbij te komen zitten, mijnheer Backer. 

Ik wilde net zeggen dat ik heel graag duidelijk wilde maken dat de manier van rekenen misschien goed is, maar het rigide behandelen van zo'n berekening eigenlijk niet echt werkt, en wel door het volgende fictieve voorbeeld aan de staatssecretaris voor te leggen: stel dat de overdraagbare heffingskorting met €1 wordt verhoogd in 2016, hoeveel banen zou dat dan kosten volgens de berekening van het CPB? Het antwoord vond ik ontluisterend: 21.000 banen. Bij een verhoging van de algemene heffingskorting met €1 zouden volgens het systeem dat nu wordt gehanteerd, 21.000 banen verloren gaan. Met andere woorden: de regering heeft 5 miljard euro nodig om 35.000 banen te creëren en de SGP zou met €1 per eenverdiener daarvan 21.000 banen teloor laten gaan. Waarom dit voorbeeld? Ik noem dit om aan te geven dat de leden van de fractie van de SGP in overweging willen geven om CPB-modellen zo te hanteren en te interpreteren dat zij recht doen aan wetsvoorstellen en amendementen. De fractie van de SGP gunt dit ook van harte aan de staatssecretaris, want dat zou hem heel wat werk hebben bespaard. Daarom graag een reactie van de staatssecretaris op dit punt. 

Intussen is er nog wel een probleem, namelijk hoe nu verder met de motie over de eenverdieners die in deze Kamer is aangenomen? In deze motie wordt de regering opgeroepen om de kloof tussen een- en tweeverdieners te verkleinen. In een notendop het probleem: tot nu toe betaalden eenverdieners wel tot drie keer meer belasting dan tweeverdieners. Door het Belastingplan 2016 loopt dit echter op tot wel vijf keer meer belasting. En door de novelle, die ook het een en ander regelt voor na 2016, loopt dat verschil nog enigszins op. 

Dit is echt een probleem. Iedereen weet dat het voor sommige mensen nodig is om prikkels in te bouwen om hen aan betaald werk te krijgen, maar hier gaat het om 1 miljoen eenverdieners. U weet, onderzoek van de SGP wijst uit dat deze eenverdieners te vinden zijn in alle politieke partijen. De vorige keer heb ik al betoogd dat het gaat om zeven zetels van de VVD in de Tweede Kamer, en vier zetels van de PvdA. Voor de nieuwe coalitiegenoot in deze Kamer, D66, gaat het om 9%, en dat is toch goed voor een zetel. Dat klopt trouwens precies, want tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen heeft de heer Rinnooy Kan — hij is hier vanavond niet aanwezig, maar ik noem hem met ere — zich bekendgemaakt als eenverdiener. Een van de tien. 

Maar er is meer: 75% van deze 1 miljoen mensen kan geen baan vinden of geen baan aanvaarden, omdat ze zorgen voor zieke kinderen, omdat ze handicaps hebben of omdat ze hun gezin willen verzorgen. Voor een deel is het dus gedwongen, of voor een deel vanuit keuzevrijheid. Maar deze mensen krijgen niet meer zomaar een prikkel, dit lijkt meer op de knoet erover. Tot vijf keer meer belasting, dat is onrechtvaardig. Zo wordt een eenverdiener gestraft voor zijn keuze en de tweeverdiener krijgt te maken met keuzedwang in plaats van keuzevrijheid. 

Daar loopt de SGP tegen aan. Dit moet aangepakt worden. Voor 2016 lijkt dat niet meer mogelijk via dit Belastingplan. De novelle biedt echter lichtpuntjes: daarin worden al de contouren geschetst voor het Belastingplan 2017. 

Welnu, de eenvoudige vraag van de SGP is deze: wil de staatssecretaris toezeggen dat de kloof tussen de een- en tweeverdiener substantieel verkleind wordt in het Belastingplan 2017, zodat alsnog de motie die door acht partijen in deze Kamer is ondersteund, wordt uitgevoerd? En is de staatssecretaris bereid om een verkenning van de mogelijkheden aan deze Kamer te sturen voor de zomer van 2016, waarbij reële doorrekeningen worden gehanteerd die recht doen aan de verkenningen? Misschien kunnen we daarbij de suggestie van collega Backer meenemen om te bekijken op welke wijze wij met de CPB-berekeningen en de interpretaties daarvan moeten omgaan. 

Mevrouw de voorzitter, terecht stipuleert u keer op keer dat de taak van de Eerste Kamer is om wetsvoorstellen te beoordelen op drie punten: rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Het spijt de leden van de fractie van de SGP zeer om te moeten constateren dat ze bij het door de regering ingediende Belastingplan 2016 struikelt over het eerste aspect, van de rechtmatigheid. De kloof tussen een- en tweeverdieners opjagen vinden wij onrechtvaardig. En ik hoop dat de staatsecretaris dit in het komende jaar, samen met ons, wil herstellen. 

Ik zie uit naar de antwoorden van de regering. 

De heer Van de Ven (VVD):

Mevrouw de voorzitter. In de eerste plaats wil ik uiteraard net als mijn voorgangers de collega's Van Rij en Köhler feliciteren met hun maidenspeech. Ik heb weer kunnen vaststellen dat er verschillen bestaan in uitgangspunten en dat zal mij verder kunnen scherpen in het werk voor deze Kamer. Ik zie met heel veel belangstelling uit naar de samenwerking met beide collega's Van Rij en Köhler in de naaste toekomst. En die begint met het Belastingplan. 

De leden van de VVD-fractie zijn van oordeel dat het belastingpakket 2016 geen "grote belastingherziening" is. De blauwdruk voor de fundamentele herziening van het belastingstelsel op basis van het rapport van de Studiecommissie Belastingstelsel van 7 april 2010, de commissie-Van Weeghel, en het rapport Naar een activerender belastingstelsel van 17 juni 2013, van de commissie-Van Dijkhuizen, heeft in de zomer van 2015 op partijpolitieke gronden helaas niet mogen leiden tot een breed draagvlak voor een wenselijke stelselherziening. Van de drie onderdelen voor de financiering van een fundamentele herziening van ons belastingstelsel — te weten: 5 miljard euro lastenverlichting voor werkenden plus 5 miljard euro extra opbrengst btw plus 5 miljard euro intensivering van gemeentelijke belastingen — is alleen de 5 miljard euro lastenverlichting voor de burger overgebleven. Uiteindelijk stijgt op grond van het initiatief van de staatssecretaris met zijn vierde nota van wijziging voor inkomensbeleid tijdens de Tweede Kamerbehandeling, de koopkracht voor alle belastingplichtigen in meerdere of mindere mate met gemiddeld 1,4%. 

De leden van mijn fractie hebben met tevredenheid kennis genomen van de novelle die de staatssecretaris op 9 december jl. bij de Tweede Kamer heeft ingediend. Daarmee is in dit huis voldoende draagvlak gecreëerd voor het Belastingplan 2016. De novelle, die naar het zich laat aanzien zal worden aangenomen in de Tweede Kamer, verfijnt het positieve inkomensbeleid van deze staatssecretaris. De staatssecretaris heeft in zijn brief van 8 december 2015 verder meegedeeld, het belastinggebied van gemeenten koopkrachtneutraal voor burgers te willen verruimen. Daartoe komt de regering vóór de zomer van 2016 met een voorontwerp van wet. Met deze aangekondigde maatregelen is overigens nog steeds niet sprake van een grote belastingherziening. 

In dit verband merk ik het volgende op. Collega Frank de Grave heeft er bij de Algemene Financiële Beschouwingen op 10 november op gewezen dat het koppelen van twee eigenstandige wetsvoorstellen in het Belastingplan 2016 waarbij één wetsvoorstel in 2016 in werking treedt en het andere wetvoorstel in 2017, onwenselijk is. Het oneigenlijk koppelen van twee fiscale voorstellen voor twee jaren in één belastingplan zou, ten onrechte, verder de gedachte kunnen voeden dat sprake is van, wederom, een grote belastingherziening. Quod non. De leden van de VVD-fractie hebben gestemd vóór de motie-Hoekstra van 17 november, die de regering verzoekt, zich voor de toekomst in een belastingplan te onthouden van het oneigenlijk koppelen van wetsvoorstellen. 

Het mag duidelijk zijn dat mijn fractie van oordeel is dat bij het belastingpakket 2016 in de kern simpelweg sprake is van een regulier, jaarlijks belastingplan met een grote toef slagroom voor de burger. Na jaren van lastenverzwaringen wordt de burger met het belastingpakket 2016 nú financieel in zijn portemonnee tegemoetgekomen. Dat is prachtig. De VVD-fractie steunt dit belastingpakket en de laatste verfijningen met de novelle van 9 december dan ook van harte. 

Voorstellen voor een grote vereenvoudiging van ons belastingstelsel liggen dus niet op tafel. Dat heeft consequenties voor de beoordeling van het belastingpakket 2016. Principiële standpunten over de wijze van belastingheffing kunnen naar het oordeel van de VVD-fractie met dit pakket niet aan de orde komen wegens het ontbreken van wetsvoorstellen voor een grote herziening. De laatste keer dat in dit huis principieel over de inrichting van ons belastingstelsel en de lastenverdeling voor de burger is gesproken, betrof de Wet inkomstenbelasting 2001. Dat is vijftien jaar geleden. 

De regering heeft bij het belastingpakket 2016 toch nog mogelijkheden gezien tot vereenvoudiging op een aantal terreinen. Ik verwijs voor een overzicht naar bijlage 1, Vereenvoudigingsmaatregelen pakket Belastingplan 2016 bij de brief van de staatssecretaris van 15 september 2015. Ik noem daarbij als voorbeeld de vereenvoudiging van de afschaffing van de jaarbetaling motorrijtuigenbelasting. Ook in het jaar 2016 wil de staatssecretaris mogelijkheden voor verdere vereenvoudiging onderzoeken. Die mogelijke vereenvoudigingsmaatregelen zijn opgesomd in bijlage 2 bij de brief van 15 september 2015, met als titel: In 2016 aan te vangen en voort te zetten onderzoeken voor vereenvoudiging. Een voorbeeld van een in 2016 in te stellen vereenvoudigingsonderzoek is het in die bijlage aangekondigde onderzoek naar de vereenvoudiging van de kleine ondernemingsregeling voor de btw, de zogenoemde KOR. 

Naar het oordeel van de VVD-fractie kunnen er ook overigens vereenvoudigingen van belastingwetgeving zijn die meer simpel zijn. Ik geef een voorbeeld. De VVD-fractie begrijpt niet de handhaving van artikel 5.10, lid 1, onderdeel e. in de Wet inkomstenbelasting 2001. Die bepaling stelt voor de vermogensrendementsheffing in box 3 dat contant geld, elektronisch geld, cadeaubonnen, enz. voor een bedrag van meer dan €517 — dat is het bedrag voor 2015 — belastbaar vermogen vormt dat moet worden aangegeven. Het is moeilijk voor de belastingplichtige om zich in 2015 bij het maken van zijn aangifte inkomstenbelasting 2014 te herinneren of hij op 31 december 2013 alle portemonnees omdraaide, losse munten en parkeergeld bijeenschraapte, cadeaubonnen bij elkaar zocht, het roze spaarvarken van zijn oma slachtte, enzovoorts, enzovoorts, dit met het doel om vast te stellen of per 1 januari 2014 dat bedrag van €517 werd overschreden en zo ja, met welk bedrag. De leden van de VVD-fractie vragen de staatssecretaris of hij van mening is dat dit soort bagatelregelingen kunnen worden geschrapt. 

In het kader van vereenvoudiging van belastingwetgeving beoordeelden de leden van de VVD-fractie de nu voorgestelde antimisbruikbepaling in de dividendbelasting op grond van de gewijzigde EU moeder-dochterrichtlijn. Die antimisbruikbepaling is in haar uitwerking naar het oordeel van mijn fractie complex. Die regeling zal bij de handhaving tot een aanzienlijk beslag leiden op de capaciteit van de Belastingdienst. De VVD-fractie vroeg in het voorlopig verslag om een totaaloverzicht van antimisbruikbepalingen voor dividenden. De staatssecretaris heeft geantwoord dat het tijdsbestek dat beschikbaar is voor de behandeling van het belastingpakket 2016 een beantwoording van die vraag niet toelaat. De belastingwetten kennen, zo concludeert de VVD-fractie naar aanleiding van dit antwoord van de staatssecretaris, kennelijk zoveel antimisbruikbepalingen voor de heffing van dividendbelasting dat haar bestaansrecht toch wel ter discussie kan worden gesteld. Voeg daarbij de uitspraak van het EU-Hof van Justitie van 17 september 2015 in de zaak Miljoen en X, de uitgebreide uitvoeringsvoorschriften voor het realiseren van een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting onder de belastingverdragen, dan lijkt de vraag gerechtvaardigd of de Nederlandse belastingwetgeving niet is gediend met het afschaffen van die belasting. 

De heer Van Rij (CDA):

Met belangstelling hoor ik het pleidooi van de heer Van de Ven voor afschaffing van de dividendbelasting. Ik ben ook wel benieuwd naar zijn opvatting over de positie van Nederland in een wat breder verband. Ik heb daar zelf wat aandacht aan besteed, als het gaat om de toekomst van de vennootschapsbelasting. Daarbij kijk ik met name ook naar wat andere landen om ons heen doen. We zien het Verenigd Koninkrijk, dat met zijn vennootschapsbelasting naar 18% gaat. We zien Ierland een dergelijke beweging maken. Dat betekent overigens wel dat je de grondslag ook moet verbreden. Wil de heer Van de Ven dat ook in die beschouwing betrekken, of richt hij zich uitsluitend op een pleidooi voor de afschaffing van de dividendbelasting? 

De heer Van de Ven (VVD):

Dat is een heel interessante vraag. Ik denk daar inderdaad wat anders over dan de gemiddelde belastingadviseur, zonder daarmee overigens een kwalificatie te geven, maar ik denk dat de bepaling van de winst in de sfeer van de dividendbelasting een totaal andere is dan de heffing op passief geldverkeer. Dat kan zijn interest, dividend of royalty's. Ik denk dus zelf dat het, anders dan wat nu in de ons omringende landen gebeurt, met een verlaging van het tarief, veel belangrijker is dat wij het concept goed koopmansgebruik blijven gebruiken. Goed koopmansgebruik biedt in Nederland de ondernemer, groot en klein, flexibiliteit bij het bepalen van de winst. Dat wordt allemaal bepaald in het kader van langjarige jurisprudentie van de Hoge Raad. De flexibiliteit die goed koopmansgebruik biedt, is naar mijn mening een betere waarborg voor een goed vestigingsklimaat in Nederland in de sfeer van de dividendbelasting dan een tariefverlaging. Maar ik wil graag nog eens een keer naar de argumenten luisteren waarom een tariefverlaging nu zo positief zou zijn. Overigens denk ik dat dat niet vanavond moet zijn, want u had nog een vervolg op uw vraag, namelijk of ik het in dit betoog heb over de dividendbelasting. Daarop is mijn antwoord ja, niet over de vennootschapsbelasting. 

De heer Van Rij (CDA):

Ik dank voor het college dat de heer Van de Ven gegeven heeft over goed koopmansgebruik, maar dat was mijn vraag niet. Mijn vraag was of hij ook de opvatting deelt dat de ons omringende landen zich allemaal aanpassen aan een aantal internationale ontwikkelingen waaraan Nederland zich ook gaat aanpassen. Dat betekent bijvoorbeeld dat we een beperking van de renteaftrek krijgen en een versobering van de octrooibox. Dat heeft niks met het zijn van belastingadviseur of niet te maken, dat heeft gewoon te maken met het vestigingsklimaat in ons land. Willen wij in de vennootschapsbelasting een belastingtarief houden van 25% of niet? Misschien kan ik de vraag wat versimpelen. 

De voorzitter:

Wij zitten met de discussie toch nog steeds in het Belastingplan, mag ik hopen? 

De heer Van Rij (CDA):

De dividendbelasting komt niet in het Belastingplan voor. 

De heer Van de Ven (VVD):

Ik denk toch dat het inderdaad een beetje buiten het Belastingplan valt. Naar aanleiding van het stapelen van anti-ontgaanswetgeving kun je op een gegeven moment een mening hebben. Uiteindelijk is dat ook een vraag aan de staatssecretaris. Je kunt een visie hebben op een bepaalde belasting. De vraag is hoe het zit met de vennootschapsbelasting. Dan kom je terug bij het principiële punt van een grote herziening, die niet alleen de inkomstenbelasting betreft, maar daarnaast ook de vennootschapsbelasting zou kunnen betreffen. Dan kun je ook komen bij thema's als: moet je het tarief verlagen als je ziet wat andere landen doen? Moet je ook kijken naar en een vergelijking trekken met andere landen wat betreft stimuleringsmaatregelen voor wetenschappelijk onderzoek en andere in dit verband nogal bekende stimuleringsmaatregelen? Op dit moment heb ik het even over de dividendbelasting. Als wij in een grote belastingherziening terechtkomen, ga ik graag met u het debat aan. Ik ga graag met de staatssecretaris het debat aan over de vraag hoe wij dat het beste kunnen implementeren. 

De voorzitter:

Maar dat is niet het onderwerp van het debat van heden, mijnheer Van de Ven. 

De heer Van de Ven (VVD):

Mevrouw de voorzitter, dat is naar mijn mening niet het onderwerp van het debat van vandaag. 

De voorzitter:

Ook naar mijn mening niet. 

De heer Van de Ven (VVD):

Ik ben bijna bij mijn afronding, maar nog steeds binnen de tijd van vijftien minuten denk ik, voorzitter. Dat afschaffen zou een vermindering van de regeldruk van de Belastingdienst kunnen bieden en een vereenvoudiging van belastingwetgeving, naast de eerdergenoemde vereenvoudigingen. Ook zou een eerste concrete maatregel worden genomen voor intensiveringen, met eigen vermogen, van investeringen vanuit het buitenland in Nederlandse ondernemingen. Op deze wijze zou de motie-Neppérus op stuk nr. 100. van 18 november 2015 bij het Belastingplan 2016 concreet inhoud kunnen krijgen. 

Het belastingpakket 2016 en het wetsvoorstel Wet uitvoering Common Reporting Standard zijn positief voor de portemonnee van de burger. Dat biedt de burger vooruitzicht en vertrouwen. Voor het overige zijn naar het oordeel van de VVD-fractie geen principiële discussies aan de orde, gelet op het reguliere karakter van de voorgestelde belastingmaatregelen. Deze wetsvoorstellen hebben, zoals gezegd, de instemming van de VVD-fractie. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Voorzitter. Graag feliciteer ik de collega's Van Rij en Köhler met hun maidenspeech. Ik spreek de hoop uit dat dit een begin is van een vruchtbare samenwerking. 

Vanavond bespreken wij het pakket Belastingplan 2016, bestaande uit vijf individuele wetsvoorstellen, waarvan het Belastingplan 2016 zelf er één is. Daarnaast betrekken wij de Wet uitvoering Common Reporting Standard bij de plenaire behandeling en maken wij graag reeds gebruik van de gelegenheid om de staatssecretaris enkele vragen over de aangekondigde novelle te stellen. 

Zoals elk jaar zijn wij de staatssecretaris en zijn ambtenaren zeer dankbaar voor het vele werk dat de afgelopen weken is verzet om de vragen van de leden van de Eerste Kamer van zorgvuldige antwoorden te voorzien. Zo ervaren wij de technische briefing altijd als zeer waardevolle dienstverlening vanuit het ministerie, waarvoor dank. 

Terug naar het pakket Belastingplan 2016. Dit is omvangrijker dan afgelopen jaren. Het bevat een lastenverlichting van 5 miljard euro, een herziening van box 3, maatregelen tegen belastingontwijking, wetgeving voor internationale uitwisseling van gegevens, de loonkostensubsidie voor lage inkomens, een oplossing voor de slepende kwestie omtrent Artikel 2-fonds uitkeringen aan oorlogsslachtoffers en vele andere wijzigingen. Het verheugt de PvdA dat het pakket zorgt voor meer banen en flink meer koopkracht. 

Het inkomensbeleid is dit jaar gericht op het verlagen van de lasten op arbeid en mijn fractie steunt dit. Tegelijkertijd zou zonder ingrijpen de koopkracht van mensen die inactief zijn, en dan met name gepensioneerden, er flink op achteruitgaan. Dit is gerepareerd. Het totale pakket aan lastenverlichting beslaat 5 miljard euro, waarvan 900 miljoen euro aan koopkrachtreparatie voor inactieven. Het pakket moet 35.000 banen opleveren. Daarnaast wordt veel verwacht van het LIV, dat mensen aan de onderkant van arbeidsmarkt aan het werk moet helpen. 

Allereerst vraagt mijn fractie graag in het algemeen aandacht voor de wijze waarop gedragseffecten meegenomen worden bij voorgenomen belastingmaatregelen. Daarbij baart het ons zorgen dat bij de ramingen van opbrengsten van lastenverzwaringen en verplichtingen de directe gedragseffecten vaak buiten beeld blijven. Dat wil zeggen, via de macro-economische doorrekening van het Centraal Planbureau worden de gevolgen van alle voorgestelde maatregelen voor de belasting- en premieontvangsten berekend, inclusief de gedragseffecten van al deze maatregelen samen. Bij de directe gedragseffecten van fiscale maatregelen is dat echter niet het geval. 

Zoals Edward Elferink en Ruud van Schijndel, twee onderzoekers verbonden aan de Algemene Rekenkamer, op persoonlijke titel schrijven: "Het is op dit moment van belang dat een transparante, heldere en realistische onderbouwing van het bedrag dat met de maatregel opgehaald moet worden beschikbaar is om de discussie over het nut, noodzaak en het effect op de maatschappij van de maatregel goed te kunnen voeren." Is de staatssecretaris het met de onderzoekers en mijn fractie eens dat in de verschillende fases van het politieke besluitvormingsproces informatie over directe gedragseffecten van belastingmaatregelen een belangrijke rol zou kunnen en moeten spelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt hij daaraan? 

Dan vraag ik graag aandacht voor het belasten van vermogenswinsten. Op dit moment wordt vermogen in box 3 belast tegen 30% op een verondersteld rendement van 4%. Dit wordt breed in de samenleving als onrechtvaardig beschouwd, met name omdat de rente op spaarrekeningen op dit moment veel lager is. Er lijkt dan ook brede politieke consensus over dat box 3 moet worden herzien. Zelfs over de manier waarop: idealiter moet je naar een systeem waarin werkelijke rendementen belast worden. 

Helaas is een systeem waarin reële rendementen worden belast op dit moment niet uitvoerbaar voor de Belastingdienst. Daarom staat er in dit Belastingplan een tussenvorm: een stelsel gebaseerd op de langjarige ervaring dat hoe hoger het vermogen is, hoe meer rendement daarop wordt behaald. Op basis hiervan is een stelsel tot stand gekomen dat vermogens de facto meer progressief belast. 

De PvdA juicht die progressiviteit toe. Immers, de vermogensongelijkheid in Nederland ligt hoger dan gemiddeld: hoger dan in de meeste Europese landen, hoger dan in het Verenigd Koninkrijk en op een even hoog niveau als in de Verenigde Staten. Daarbij zijn er aanwijzingen dat er de laatste jaren juist een verdere stijging van de vermogensongelijkheid is. Tegelijkertijd is door een veelheid aan ingrepen de belasting op vermogen in Nederland in de afgelopen periode steeds verder verlaagd. Daarmee ligt deze onder het gemiddelde van de OECD-landen. 

Mijn fractie steunt het gewenste eindbeeld van de staatssecretaris om op termijn ook in box 2 de werkelijke inkomsten te belasten. Dan worden zowel in box 2 als in box 3 de werkelijke inkomsten belast. Het belasten van de werkelijke individuele rendementen in box 3 is echter op dit moment nog niet mogelijk, aldus de staatssecretaris. Hij onderzoekt de mogelijkheden daartoe en zal daarover volgend jaar bij het Belastingplan 2017 rapporteren. 

De heer Van Strien (PVV):

Ik hoor mevrouw Sent zeggen dat de werkelijke inkomsten in box 2 moeten worden belast. Die worden gewoon belast, dus dat is volgens mij helemaal niet aan de orde. Die worden belast met vpb. Ik heb in de Quote 500 van dit jaar geturfd en van de eerste 100 zitten er 97 aantoonbaar in box 2 met hun totale vermogen. Van drie was het niet direct zichtbaar in welke box ze zaten. Box 3 speelt daar dus helemaal geen rol. Dit gaat over een totaal andere categorie. Ik vraag me af waar mevrouw Sent het over heeft. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Het is een misverstand dat ik de indruk zou willen wekken dat in box 2 niet-werkelijke inkomsten worden belast. Juist met de beweging richting het belasten van werkelijke inkomsten in box 3 komt er meer gelijkheid in de behandeling van box 2 en box 3. Dat steunen wij en die beweging willen wij de staatssecretaris graag zien maken. Voorsorterend daarop zal ik dadelijk de staatssecretaris daar een aantal vragen over stellen. 

De heer Van de Ven (VVD):

Ik denk dat er sprake is van een klein misverstand tussen partijen. De heer Van Strien heeft het over de bv die regulier belast wordt in box 2 en mevrouw Sent heeft het over de vrijgestelde beleggingsinstellingen in box 2. Daarop is in de tweede nota van wijziging ingegaan. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Hartelijk dank, collega. De staatssecretaris onderzoekt mogelijkheden om werkelijke rendementen in box 3 te belasten en zal daarover volgend jaar bij het Belastingplan 2017 rapporteren. Dat acht mijn fractie te laat om meegenomen te worden bij het volgende pakket. Daarom vragen wij de staatssecretaris om deze Kamer de uitkomsten van dit onderzoek reeds voor het zomerreces te doen toekomen. Mijn fractie is blij met het aangenomen amendement-Groot dat bedoeld is om uitwijking van beleggers in box 3 naar vrijgestelde beleggingsinstellingen te ontmoedigen. Collega Van de Ven had het daar al over. Met de staatssecretaris achten wij het van belang om voor de hoogte van het forfaitaire voordeel in box 2 de ontwikkeling van de forfaitaire rendementen in box 3 in zekere mate te blijven volgen. De staatssecretaris besteedt het komende jaar specifiek aandacht aan de ontwijkingsmogelijkheden voor box 3, waarbij eventuele maatregelen daartegen onderdeel zullen zijn van het Belastingplan 2017. Ook hier vragen wij de staatssecretaris of het mogelijk is deze Kamer de uitkomsten van dit onderzoek reeds voor het zomerreces te doen toekomen. 

Vervolgens vraagt mijn fractie graag aandacht voor het voorliggende voornemen van de staatssecretaris om het huidige RDA-voordeel via de loonheffing te verrekenen in plaats van via de winstbelasting om daarmee de effectiviteit van de RDA te verbeteren. De integratie van de S&O-afdrachtvermindering en de RDA heeft tot gevolg dat er per 2016 een fiscale regeling minder is en dat de S&O-afdrachtvermindering bestaat uit een grondslag voor alle S&O-kosten. Hierbij maakt mijn fractie zich samen met een aantal andere fracties — als ik dat goed heb begrepen vanavond — zorgen over de verzilveringsproblematiek bij mkb'ers met weinig personeel. Voorts vrezen wij dat grote multinationals onevenredig gebruik zullen maken van de regeling. Zo worden grote bedrijven voor het verminderde nettovoordeel gecompenseerd door het wegvallen van het plafond in de Wbso. Kleinere bedrijven worden gecompenseerd doordat hun R&D-uitgaven binnen de eerste schijf vallen. Het gevolg zou kunnen zijn dat de middelgrote bedrijven de rekening van de integratie betalen. Dit acht mijn fractie onwenselijk. Is de staatssecretaris dit met ons eens? 

De minister van Economische Zaken heeft toegezegd het effect van de integratie nauwlettend te volgen. Graag vernemen wij wanneer de resultaten hiervan met deze Kamer gedeeld zullen worden. De staatssecretaris heeft toegezegd dat indien er door het niet opnemen van een plafond sprake is van grote overschrijdingen ten gunste van grote bedrijven ten opzichte van de huidige raming, de compensatie gezocht zal worden bij deze bedrijven zelf. Graag vernemen wij wanneer de evaluatie en gevolgen hiervan met deze Kamer gedeeld zullen worden. 

Voorkomen is evenwel beter dan genezen, zo zou de staatssecretaris met ons eens moeten zijn. Dat kan door in de nieuwe Wbso-regeling het tarief van de tweede schijf te verhogen van 16% naar 18% en een derde schijf in te voeren met vanaf minimaal 25 miljoen euro een lager, dus degressief tarief van bijvoorbeeld 12%. Dit houdt rekening met de bezwaren van de regering tegen een plafond, verloopt vrijwel budgettair neutraal en compenseert de middelgrote bedrijven voor de nadelige gevolgen van de compensatie zonder dat de positie van kleinere bedrijven en multinationals verslechtert ten opzichte van de huidige situatie. Is de staatssecretaris bereid om deze wijziging door te voeren? Zo niet, waarom niet? 

Tijdens de schriftelijke behandeling van het voorliggende pakket heeft mijn fractie voorts aandacht gevraagd voor mogelijkheden voor het inzetten van de fiscaliteit ten behoeve van start-ups en start-up-gerelateerd mkb. In het bijzonder hebben wij aandacht gevraagd voor de gebruikelijkloonregeling, werknemersparticipatie en belasting van durfkapitaal vanuit het perspectief van Nederland als start-up-land. In het Belastingplan 2016 zijn nog geen specifieke maatregelen opgenomen om de start en groei van start-ups te bevorderen, maar wel heeft de regering voor het stimuleren van start-ups en het mkb in de begroting per 2017 50 miljoen vrijgemaakt. Het komende jaar wordt onderzocht hoe dit budget het best kan worden ingezet. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de randvoorwaarden uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en Europeesrechtelijke houdbaarheid. Graag vragen wij de staatssecretaris om deze Kamer de uitkomsten van dit onderzoek reeds voor het zomerreces te doen toekomen. 

Dan vraag ik namens mijn fractie nog graag aandacht voor een aantal onderwerpen die onze blijvende aandacht behoeven. Het eerste betreft de arbeidsparticipatie van vrouwen. In het verlengde van de inbreng van onze fractievoorzitter tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen, acht mijn fractie het wenselijk om wet- en regelgeving aan te passen teneinde het voor vrouwen lonend te maken aan het werk te gaan. Uit onderzoek van het Centraal Planbureau blijkt dat potentiële tweeverdieners relatief gevoelig zijn voor financiële prikkels. Graag verneemt de PvdA van de staatssecretaris welke consequenties hij hieraan verbindt. Onderzoek van het Centraal Planbureau wijst tevens uit dat het verlagen van de tarieven veel minder effect heeft dan in het verleden, omdat de arbeidsparticipatie minder gevoelig is geworden voor financiële prikkels. 

De heer Schalk (SGP):

Ik heb vanavond een vraag gesteld aan collega Backer van D66 over de problematiek van de een- en de tweeverdieners. Mevrouw Sent heeft het nu ook over tweeverdieners en zij heeft zich met name gericht op vrouwen. Ik heb gerefereerd aan een onderzoek, waaruit blijkt dat 125.000 vrouwen eenverdiener zijn. Zij hebben ook te maken met die enorme kloof. Zou mevrouw Sent bereid zijn om het komende jaar mee te denken of daar wat aan te doen is? 

Mevrouw Sent (PvdA):

De kloof tussen mannen en vrouwen baart ons grote zorgen. Die bestaat er bijvoorbeeld uit dat het aandeel van vrouwen met werk blijft steken op 64%, terwijl dit bij mannen 81% is. Vrouwen verdienen in het bedrijfsleven 80% van wat mannen verdienen en bij de overheid 90%. Slechts 53% van de vrouwen is economisch zelfstandig. Wij vinden het uitermate belangrijk dat deze kloof gedicht zal worden. 

De heer Schalk (SGP):

Dat is een andere kloof dan die ik bedoelde, maar dat had mevrouw Sent vermoedelijk al begrepen! Om die reden refereer ik nogmaals aan een groep vrouwen die dus wel werkt — 125.000 — maar die eenverdiener is. Die heeft te maken met een heel andere kloof. Ze worstelen niet om aan de bak te komen ten opzichte van mannen, maar bijvoorbeeld omdat hun echtgenoot vanwege een handicap niet kan werken of omdat hij voor kinderen zorgt. Deze vrouwen hebben te maken met de kloof tussen de een- en de tweeverdiener, wat kan oplopen tot soms vijf keer zo veel belasting. Dat is een ander kloofje dan mevrouw Sent bedoelde. 

Mevrouw Sent (PvdA):

De heer Schalk vroeg aandacht voor vrouwen die alleenstaande ouder zijn. Uit de cijfers van het Belastingplan blijkt dat alleenstaande ouders met een minimumloon in koopkracht 3,6% erop vooruitgaan als gevolg van het Belastingplan. Die groep heeft dus wel degelijk de aandacht van het kabinet en wij steunen dat. 

De voorzitter:

Mijnheer Schalk. 

De heer Schalk (SGP):

De laatste keer, voorzitter. De derde keer is de laatste, dus ik probeer het nog één keer. Mevrouw Sent noemt de groep alleenstaanden, maar ik bedoel de groep eenverdieners met een huishouden en een partner. Daarvan zijn er 125.000. Dat is een andere groep dan mevrouw Sent bedoelt. Die groep komt er juist bekaaid van af. Uit mijn hoofd gaan zij er maar 1,4% op vooruit, terwijl tweeverdieners er 3,6% op vooruitgaan. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Als wij het weer vanuit de vrouwen aanvliegen: ook hier komt die groep er bekaaid van af, omdat maar 53% van de vrouwen economisch zelfstandig is. Wetend dat heel veel huwelijken stranden, hoe spijtig dat ook is, vinden wij het belangrijk om economische zelfstandigheid van vrouwen en participatie op de arbeidsmarkt te stimuleren. Wij vinden het fijn dat daaraan een bijdrage wordt geleverd. 

De voorzitter:

Mijnheer Schalk, voor deze ene keer mag u het nog één keer proberen. 

De heer Schalk (SGP):

Het wordt wel ingewikkeld, want wij spreken telkens over een andere groep. Het gaat mij echt om de eenverdiener die nog niet gescheiden is ... 

De voorzitter:

U bedoelt een vrouw die kostwinner is. 

De heer Schalk (SGP):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik bedoel dus een vrouw die de kostwinner is, die nog niet gescheiden is en die nog niet al die andere dingen is, maar die gewoon een gezin heeft. Maar zij heeft één probleem: haar man kan niet werken om de een of andere reden. 75% van die groep kan gewoon niet aan het werk, maar die vrouwen werken wel en hebben te maken met die eenverdienerskloof, waarin zij vijf keer zo veel belasting betalen. Zij zouden economisch veel zelfstandiger zijn, als wij dat wat normaler aan de vork zouden steken. Mijn vraag is heel simpel. Zou mevrouw Sent daarover willen nadenken in het komende jaar, zodat wij in 2017 wellicht een geringe reparatie kunnen starten? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Dan blijf ik toch bij het perspectief van waaruit wij het beoordelen. Dat verschilt dan. Ik denk dat dan de conclusie dezelfde is als in het kleine debatje dat de heer Schalk had met de heer Backer, namelijk dat wij andere kloven zien die wij belangrijk vinden om te herstellen. 

Ik was bij de arbeidsparticipatie van vrouwen. Het verlagen van tarieven heeft veel minder effect dan in het verleden, omdat de arbeidsparticipatie minder gevoelig geworden is voor financiële prikkels. Graag verneemt mijn fractie van de staatssecretaris welke niet-financiële maatregelen wij van de regering mogen verwachten ter stimulering van de arbeidsparticipatie van vrouwen. 

Het volgende punt betreft mogelijkheden tot verdere vergroening. Het moge duidelijk zijn dat mijn fractie de maatregelen voor verdere vergroening van het belastingstelsel in het Belastingplan steunt. Ook zijn wij blij met de maatregelen op het terrein van de fiscale vergroening die voortvloeien uit de nota van wijziging van 13 november 2015. De verwachting is dat fiscale vergroening ook een steeds belangrijkere rol kan en moet spelen bij de tenuitvoerlegging door Nederland van de zojuist in Parijs gesloten klimaatovereenkomst. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris daartoe? Tijdens de behandeling van het Belastingplan in de Tweede Kamer zijn verschillende mogelijkheden voor verdere fiscale vergroening gewisseld, zo lezen wij in de memorie van antwoord. Graag ontvangt mijn fractie van de staatssecretaris een schriftelijke beoordeling van deze maatregelen. Is hij bereid dit toe te zeggen? 

Tegelijkertijd draagt de gedragseconomie andere, goedkopere middelen aan die gedragsveranderingen op het gebied van milieu en duurzaamheid kunnen bewerkstelligen. Dat zal collega Prast goed doen. Met een combinatie van economische en psychologische inzichten kan het natuur- en milieubeleid worden verbeterd, bijvoorbeeld door in te spelen op status quo-effecten, ongeduld, affect, sociale factoren en "nudging". Reeds eerder hebben wij dit onder de aandacht van de staatssecretaris gebracht en nu vernemen wij graag wat de stand van zaken is met betrekking tot het implementeren van de door gedragseconomische inzichten geïnspireerde vergroeningsmaatregelen. 

Ten slotte zouden wij de staatssecretaris graag een aantal vragen stellen met betrekking tot de novelle Belastingplan 2016. Deze kent een slechts klein aantal maatregelen en die kunnen op onze steun rekenen. Echter, de late indiening hiervan stuit bij mijn fractie op grote bezwaren. Immers, dit komt de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het Belastingplan 2016 niet ten goede en dat terwijl deze Kamer wetsvoorstellen juist moet toetsen op diezelfde uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Daar komt bij dat de uitvoeringskosten ook nog eens toenemen als gevolg van de maatregelen betreffende 2016. Om te citeren uit de bijdrage van mijn fractiegenoot André Postema tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen: "De primair toetsende rol van de Eerste Kamer moet meer behelzen dan te toetsen of men in de Tweede Kamer wel zijn zin heeft gekregen." Is de staatssecretaris het hiermee eens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt hij daaraan? 

Voorts vraagt mijn fractie graag aandacht voor het aangekondigde voorontwerp van het wetsvoorstel aangaande een verruiming van het gemeentelijk belastinggebied. Hierbij is het opvallend dat er een zeer groot verschil is tussen de perceptie en de werkelijkheid aangaande het aandeel van de diverse overheden in de totale opbrengst belastingen en premies. Zo meent de burger dat het aandeel van gemeenten 22% is, terwijl het werkelijke aandeel 3,4% is. En zo meent de burger dat het aandeel van het Rijk 51% is, terwijl het werkelijke aandeel 95% is. Naar het oordeel van mijn fractie verdient dit serieuze aandacht bij de wijze van heffen van gemeentelijke belastingen. Is de staatssecretaris bereid hier expliciet aandacht aan te schenken bij het aangekondigde voorontwerp? Zo ja, op welke wijze? 

Ook meent de PvdA dat een verruiming van het gemeentelijk belastinggebied geen grotere inkomensongelijkheid mag betekenen. Is de staatssecretaris dit met ons eens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt hij daaraan? Daarbij vragen wij bijzondere aandacht voor het feit dat het heffen van ingezetenenbelasting denivellerend werkt. Acht de staatssecretaris dat met ons onwenselijk? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt hij daaraan? 

Ik rond af. Mijn fractie steunt het dichten van de België-route. Wij zijn blij met de vrijstelling uitkeringen Artikel 2-Fonds. Wij hopen dat met de Wet tegemoetkoming loondomein meer banen komen voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Wij achten country-by-country reporting een belangrijke stap in de strijd tegen belastingontwijking. Deze steunen wij dan ook van harte. Wij zijn blij met de antimisbruikbepalingen die in heel Europa fiscale lekken moeten dichten. En wij zien de Wet uitvoering Common Reporting Standard als een belangrijke stap in de strijd tegen zwartspaarders en andere belastingontwijkers. Om met John Maynard Keynes te spreken: "The avoidance of taxes is the only intellectual pursuit that still carries any reward." Dat zien wij graag anders. Ter voorkoming van een debat over andere inzichten van deze gerenommeerde econoom heb ik slechts enkele resterende woorden. 

Uit het voorliggende pakket vloeien een aantal zorgen voort, zoals benoemd in mijn bijdrage van vanavond. Ik hoop dat de staatssecretaris deze weet weg te nemen en kijk dan ook uit naar zijn beantwoording. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik heb toch een vraag aan de collega van de Partij van de Arbeid. Wij hebben het over een enorme lastenverlichting van 5 miljard die 35.000 banen oplevert. Ik ben benieuwd hoe zij dat beoordeelt. Is zij het met onze fractie eens dat dat relatief weinig is voor dat enorme bedrag? Een deel van die lastenverlichting komt ook bij hogere inkomens terecht. Is dit nu de belastingherziening die de Partij van de Arbeid voor ogen had? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Wat wij van belang vinden, is dat op dit moment de economie uiterst fragiel is. De hoge werkloosheid baart enorme zorgen. Dat verdient alle aandacht door koopkracht en werkgelegenheid te stimuleren. Het gaat niet alleen maar om extra banen, hoeveel het er ook zullen zijn, het gaat ook om extra koopkracht voor mensen die het de afgelopen jaren heel zwaar hebben gehad. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Een deel van die koopkrachtwinst belandt natuurlijk niet bij de mensen die het zo heel zwaar hebben. Er vindt een belastingverlaging plaats, ook in de derde schijf, voor inkomens tot ruim €66.000. Eerlijk gezegd denk ik dat die groep nou niet direct de groep is die het zo moeilijk heeft. Wij weten dat mensen die het moeilijk hebben bijvoorbeeld in de thuiszorg werken en hun baan verliezen. Mijn vraag blijft: vindt de PvdA dat er goede keuzes worden gemaakt met dit Belastingplan? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik kijk naar de cijfers. Een alleenstaande met het minimumloon gaat er 3,7% op vooruit, een alleenstaande ouder met het minimumloon gaat er 3,6% op vooruit. Ik bestrijd de gedachte dat de minima er met het Belastingplan niet op vooruit gaan. Integendeel: juist ook met de maatregelen voor de onderkant van de arbeidsmarkt heeft die groep extra aandacht in dit Belastingplan. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Dan nog blijft het een feit dat er een verlenging van de derde schijf plaatsvindt en een verlaging van het tarief. U kunt toch niet ontkennen dat die groep inkomens dat niet nodig heeft, terwijl wij weten dat er grote maatschappelijke noden zijn in de thuishulp en de sociale werkvoorziening? Daar gaan heel veel banen verloren. Mijn vraagt blijft: worden hier nu goede keuzes gemaakt? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Naar mijn mening wel. Ik verval in herhaling. De economie is fragiel, de werkgelegenheid moet gestimuleerd worden, de onderkant van de arbeidsmarkt moet zo veel mogelijk worden ontzien. Een alleenverdiener met kinderen en twee keer modaal gaat er relatief minder op vooruit dan andere inkomensgroepen, zoals sociale minima. 

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Mevrouw Sent spreekt over koopkrachtontwikkeling. Dat geldt voor iedereen, ook voor de ouderen. Uit de antwoorden van de staatssecretaris blijkt dat de afgelopen vier jaar de koopkracht van de ouderen met 10% tot 12% is gedaald. Vindt zij het vanuit een economische benadering niet wenselijk om daar iets aan te doen voor de toekomst? 

Ik heb nog een vraag. Ik had gehoopt dat mevrouw Sent iets over de positie van de ouderen zou zeggen. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft alleen in het begin gezegd dat er 5 miljard lastenverlichting is, waarvan 900 miljoen voor de koopkrachtreparatie. Kan zij bevestigen dat die 5 miljard structureel is en die koopkrachtreparatie van 900 miljoen slechts eenmalig? Die 900 miljoen is dus geen structureel onderdeel van die 5 miljard. Anders roept zij een beeld op dat totaal niet klopt. 

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik heb de ouderen welzeker genoemd. Het komt erop neer dat de koopkracht van ouderen en uitkeringsgerechtigden gerepareerd wordt met bijna 900 miljoen in 2016, onder andere via een eenmalige verhoging van de ouderenkorting. Na 2016 is er structureel geld voor de ouderenkorting beschikbaar, te weten 200 miljoen. 

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Dat is geen antwoord op mijn vraag. Erkent mevrouw Sent dat die 900 miljoen eenmalig is tegenover de 5 miljard die structureel is? Zij zegt dat impliciet wel, maar kan zij bevestigen dat dit zo is en dat er na 2016 door de ouderen niet structureel wordt gedeeld in de 5 miljard die ieder jaar weer gegeven wordt? Duidelijker kan ik het niet vragen. 

Mevrouw Sent (PvdA):

We bespreken vandaag het Belastingplan 2016. Ik kijk met belangstelling uit naar de plannen voor 2017 en de maatregelen die deze plannen voor de ouderen behelzen. Ik heb daar maar beperkte invloed op, zo moet ik helaas bekennen. 

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Is mevrouw Sent bereid daarbij hulpvaardig mee te denken? 

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik ben bereid om hulpvaardig mee te denken vanuit een breder perspectief. Ik heb ook zorg over werkenden en hoe die het allemaal rond kunnen breien en over hoe minima rond kunnen komen. Ik zou er niet één groep uit willen lichten en die alleen maar tegemoet willen komen. 

De voorzitter:

Ik geloof dat wij inmiddels allemaal denkgroepjes in de Kamer hebben ontwikkeld op allerlei vakken. Dat wordt nog interessant. Wenst een van de leden in eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. 

De beraadslaging wordt geschorst. 

De voorzitter:

Ik schors de vergadering voor de nachtrust tot morgenochtend 09.15 uur.