Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2014-2015nr. 23, item 9

9 Taaleis Wet werk en bijstand

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van: 

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet werk en bijstand teneinde de eis tot beheersing van de Nederlandse taal toe te voegen aan die wet (Wet taaleis WWB) ( 33975 ).

(Zie vergadering van heden.) 

De beraadslaging wordt hervat. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Voorzitter. Ik bedank alle woordvoerders die hun inbreng hebben geleverd. Ik denk dat het goed is om te vertellen hoe ik mijn eerste termijn zou willen inkleden. Ik heb alle vragen een beetje geclusterd en in vijf blokken gegoten. Het eerste blok gaat over de vormgeving van het wetsvoorstel. Daar zijn veel vragen over gesteld. Het tweede blok gaat over de taaltoets die uit het wetsvoorstel voortvloeit. Het derde blok gaat over de uitvoering door gemeenten. In het vierde blok behandel ik de internationale en Europeesrechtelijke aspecten. Het laatste blok gaat over de financiële effecten. Op die manier probeer ik mijn eerste termijn in te richten. 

Nadat ik de leden heb bedankt, wil ik samen met alle leden beklemtonen dat het meedoen in onze samenleving natuurlijk begint met taal. Het beheersen van het Nederlands is een noodzakelijke voorwaarde op weg naar het meedoen in de samenleving en ook op weg naar de arbeidsmarkt. Zelfs de meest eenvoudige werkzaamheden vragen om basiskennis van onze taal. Het is belangrijk om te melden dat het kabinet — sommigen leden zijn erop ingegaan — vorige week heeft besloten om per 2016 van start te gaan met het actieprogramma "Tel mee met Taal". Dat is een gezamenlijk programma van de departementen OCW, VWS en SZW, gericht op het terugdringen van laaggeletterdheid en het voorkomen van taalachterstanden. Het heeft een looptijd van drie jaar, van 2016 tot 2018. In totaal zal er zo'n 54 miljoen euro voor het doel worden ingezet. Het kabinet stelt dus ook echt middelen ter beschikking. 

Het actieprogramma helpt ook bij ondersteuning bij taalverbetering van bijstandsgerechtigden. De beschikbaarheid van het cursusaanbod op lokaal niveau en andere mogelijkheden om de taalbeheersing te verbeteren worden hiermee natuurlijk ook beetgepakt. Het is voor niemand fijn om in de bijstand te belanden, zeker niet voor mensen die geen kans hebben gehad om de taal goed te leren. We moeten er dus alles aan doen om die mensen te helpen bij het leren van die taal. Met deze wetswijziging geven we een helder kader, waarbinnen mensen in de bijstand zich gaan inspannen om die Nederlandse taal onder de knie te krijgen. 

Ik had al gezegd dat ik in blokjes wilde antwoorden. Ik begin bij het eerste blok. Dat gaat over de vormgeving van het wetsvoorstel. Alle leden die vanmiddag het woord hebben gevoerd, hebben gevraagd waarom het kabinet deze wet nodig vindt en waarom het stimuleren van het beheersen van de Nederlandse taal niet gewoon aan gemeenten overgelaten kan worden zonder deze wetswijziging. Het CDA is met die vraag begonnen. Het is ook de belangrijkste vraag van het CDA. Ook ik heb beluisterd dat de fractie van het CDA aanvullend een paar vragen heeft gesteld aan de fractie van GroenLinks. Deze vraag was echter bij uitstek aan de orde. Ik zou er als volgt op willen antwoorden. De WWB verplicht de uitkeringsgerechtigden om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling. Dat kan een taaltraject of een re-integratietraject zijn. Het college bepaalt zelf wat passend is en of het een voorziening noodzakelijk acht. Maar de regering vindt dat een voldoende beheersing van de Nederlandse taal echt een absolute basisvoorwaarde is voor het verkrijgen van werk. Je zou kunnen zeggen dat met dit wetsvoorstel het college de verplichting wordt opgelegd om bij het vermoeden dat een uitkeringsgerechtigde de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, dit te toetsen. Als de gevraagde bewijsstukken niet overlegd kunnen worden en bij onvoldoende beheersing moet het college de man of vrouw in kwestie verplichten om zo'n taaltraject te volgen en om daar een inspanning te verrichten. Daarom hebben wij deze wet gemaakt. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Staatssecretaris Klijnsma gaf in het begin al aan dat de mogelijkheid er al is om een voorziening aan te bieden. Iemand kan verplicht worden om die voorziening te aanvaarden als dat bijdraagt aan de arbeidsre-integratie. Dit voorstel breekt heel duidelijk met de lijn dat er een voorziening wordt aangeboden. Ik heb ook gevraagd of er nog andere voorbeelden te noemen zijn waarbij iemand verplicht wordt zelf kennis te verwerven zonder dat daar een voorziening aan gekoppeld is. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Daar kom ik zo nog op, als we erover spreken hoe mensen dan aan die kennis van de Nederlandse taal komen. Deze onderlegger, als ik het zo mag uitdrukken, het beheersen van de Nederlandse taal, vinden we zo wezenlijk dat we colleges van B en W in Nederland zeggen dat ze daarbij mensen moeten gaan helpen. De vraag van mevrouw Strik is of die colleges de cursussen of andere hulpmiddelen moeten fourneren of dat zij ook kunnen zeggen: je moet zelf die inspanning leveren, dus moet je ook zelf op zoek naar hoe je dat doet. Ik vind het belangrijk dat vanuit colleges, dus door klantmanagers, met de persoon in kwestie nauwgezet wordt bekeken hoe die taal dan verworven kan worden. Als het betekent dat de persoon naar een professionele cursus moet, moet er ook gekeken worden of hij dat zelf kan betalen of dat het college daarbij moet helpen. Het kan ook betekenen dat hij met hulp — daar is mevrouw Strik zelf ook op ingegaan — van bijvoorbeeld een taalmaatje die inspanning kan doen om de taal goed te verwerven. Het is echt maatwerk per mens, als ik me zo mag uitdrukken. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

De staatssecretaris erkent dat dit systeem breekt met de regel die wij kennen dat er een voorziening wordt aangeboden. Zij zegt dat er in goed overleg bekeken wordt of dat nodig is. Is de staatssecretaris het met mij eens dat gemeenten een voorziening zouden moeten aanbieden als blijkt dat iemand een cursus moet volgen om aan dat vereiste niveau te komen? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Dat is echt aan de gemeenten zelf. Dat is de beleidsvrijheid van de gemeenten. Maar we hebben niet voor niks nu dat programma breed vanuit drie departementen uitgerold en daar 54 miljoen voor beschikbaar gesteld. Dat programma helpt natuurlijk ook om voorzieningen in gemeenten goed overeind te houden. Ik kom daar nog verder over te spreken. Dan kan ik daar misschien nog verder op inzoomen. 

Er was een vraag van de VVD, van de heer Beckers. Hij vraagt welk tijdpad de regering voor ogen heeft om het aantal mensen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen manifest te verminderen. Daar is niet alleen maar dit wetsvoorstel belangrijk voor, maar ook het actieprogramma "Tel mee met Taal". Dat actieprogramma richt zich op de aanpak van laaggeletterdheid en is vorige week naar de Tweede Kamer gezonden. Ik zei net al dat dat actieprogramma onder meer tot doel heeft dat in de periode 2016-2018 45.000 Nederlanders hun taalbeheersing aantoonbaar verbeteren. Dat komt natuurlijk ten goede aan de maatschappelijke participatie. Daarnaast worden in dezelfde periode 1 miljoen jonge kinderen bereikt met leesbevorderingsactiviteiten. Dat helpt. 

Dan is door de PVV-fractie en de Onafhankelijke Senaatsfractie de kwestie aan de orde gesteld hoe de voorhangprocedure rond de AMvB er precies uit zal zien en of die er wel of niet komt. Ik ben op dit moment bezig om die AMvB te ontwikkelen. Vervolgens zal ik de Raad van State daarover om advies vragen. Ik ben niet voornemens om de AMvB bij de Kamers voor te hangen. Het is niet gebruikelijk om een AMvB bij de Eerste en Tweede Kamer voor te hangen. Dat gebeurt natuurlijk wel bij hoge uitzondering. Dit is echt een technische AMvB, die zaken tussen de regering en de gemeenten regelt. Die AMvB zal regels bevatten over de taaltoets. Die zal gemeenten een kader bieden om in de praktijk met de taaltoets om te gaan. Ik zal daarop dus geen voorhangprocedure van toepassing verklaren. 

Op de volgende vraag van de GroenLinksfractie zijn wij al een beetje ingegaan per interruptie, maar ik wil die graag nog verder beantwoorden. Mevrouw Strik vroeg mij wat ik ervan vind dat een garantie voor het cursusaanbod ontbreekt. De gemeente kan de kosten van de taalcursus betalen in het kader van re-integratie, maar in de context van de beleidsvrijheid is het aan het college voorbehouden om de afweging te maken. De gemeenteraad dient in de re-integratieverordening regels op te stellen over de aan te bieden voorzieningen ten behoeve van arbeidsinschakeling in brede zin. Er zijn legio mogelijkheden om de Nederlandse taal te leren. De kosten daarvan verschillen naar gelang de aard van de studie en het specifieke lokale aanbod. Dus het college zal samen met de belanghebbende bekijken hoe de taalvaardigheid het beste kan worden vergroot, gelet op de individuele omstandigheden van de belanghebbende. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

De staatssecretaris zegt soms: het Rijk vindt dat het de plicht moet opleggen aan het college om de bijstand te verlagen bij een redelijk vermoeden. Maar als het gaat om de vraag welke mogelijkheid gemeenten hebben om daar werkelijk in te voorzien en of bijstandsgerechtigden de mogelijkheid hebben om de taal te gaan verwerven, dan beroept zij zich in een keer weer op de beleidsvrijheid van gemeenten. Het is toch het een of het ander? Als zij zo ferm is om een plicht op te leggen aan gemeenten, dan moet daar toch tegenover staan dat zij gemeenten daartoe in de gelegenheid stelt en bijstandsgerechtigden in de gelegenheid stelt om de taal te verwerven? Het gaat wel ergens over! Mensen kunnen de helft of hun hele bijstandsuitkering verliezen als dit niet goed gaat. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Wat gemeenten nu hebben te doen is nauwgezet kijken of mensen die bij hen aankloppen de taal zodanig beheersen dat ze goed actief kunnen zijn op de arbeidsmarkt. Ik hoef de wet niet nogmaals over het voetlicht te brengen, maar als gemeenten, als colleges denken dat bepaalde mensen daar extra inzet voor nodig hebben en daar extra inspanningen voor moeten verrichten, dan dient dat ook te geschieden. De gemeente heeft dus de plicht om per aanvrager goed te kijken naar de mate van beheersing van de Nederlandse taal. Vervolgens heeft de gemeente de beleidsvrijheid om te bekijken hoe de cliënt in kwestie geholpen kan worden om goed invulling te geven aan de inspanning om de taal te verwerven. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Hoe zit het dan met de waarborg voor de bijstandsgerechtigden als hij of zij de plicht opgelegd krijgt om binnen zes maanden een bepaald niveau te bereiken? Stel dat het om een analfabeet gaat, dan moet het toch vergezeld gaan van een waarborg voor zo iemand dat hem daartoe ook de mogelijkheid en de middelen worden aangeboden? Wij hebben het over iemand met een bijstandsuitkering. Die zal niet zo simpel duizenden euro's kunnen uittrekken. Ik wil dat de staatssecretaris daar wat specifieker op ingaat. Wij hebben het niet alleen over de beleidsvrijheid van gemeenten. Wij hebben het er ook over dat mensen in staat worden gesteld om daadwerkelijk te voldoen aan dat kennisniveau. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Mevrouw Strik slaat hier op zichzelf de spijker op de kop, want de achtergrond van mensen kan ongelooflijk verschillen. Mensen kunnen heel taalvaardig zijn maar niet in het Nederlands. Deze mensen kunnen het Nederlands via digitale mogelijkheden onder de knie krijgen. Maar als mensen, zoals mevrouw Strik zegt, analfabeet zijn en helemaal never nooit in hun eigen taal hebben leren lezen en schrijven, dan vergt dat een heel andere cursusvorm dan wanneer je vloeiend vier talen schrijft en spreekt behalve het Nederlands. Kortom, dan is het heel belangrijk dat de gemeente samen met de mens in kwestie kijkt wat het beste bij hem past. Dan is het echt aan de gemeente om te bekijken of de gemeente daar financieel bij wil helpen. Daarom is het plezierig dat die 54 miljoen aan de orde is. Dat komt nog eens bij de middelen die wij uit het participatiebudget kunnen fourneren. Gemeenten kunnen dan bekijken of mensen met zelfstudie of anderszins aan de slag kunnen. Dat hangt heel erg af van de persoon in kwestie. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik begrijp heel goed dat moet worden bekeken wat nodig is. Dat is logisch. Er moet maatwerk worden verricht, maar als vervolgens wordt geconstateerd dat iemand echt een cursus nodig heeft van een gekwalificeerde docent, dan moet je toch niet weer vervallen in de mantra van beleidsvrijheid? Dan moet er toch een waarborg zijn voor die persoon om die cursus te kunnen volgen, ook om te voorkomen dat iemand straks zijn uitkering verliest? Ik wil de staatssecretaris nog een punt meegeven. Gemeenten hebben zelf aangegeven dat het participatiebudget onvoldoende is om iedereen daarin te voorzien. Dus zou de bijstandsgerechtigde niet dat recht moeten krijgen als wordt geconstateerd dat dat nodig is? En zouden gemeenten niet tegelijkertijd in de mogelijkheid moeten worden gesteld om dat aan te bieden? De staatssecretaris heeft het over het nieuwe budget van 54 miljoen, maar dat gaat over alles en iedereen. Wij hebben het nu over bijstandsgerechtigden die in deze specifieke afhankelijke positie zitten. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Dan blijft het antwoord dat gemeenten vanuit het participatiebudget sowieso bekijken wat mensen nodig hebben om te kunnen re-integreren, waaronder de Nederlandse taal. Er zijn heel veel verschillende methodieken op basis waarvan je de taalbeheersing heel erg kunt verbeteren. Sommige methodieken hoeven nauwelijks geld te kosten, andere wel. Dan heeft mevrouw Strik het punt van aandacht dat gemeenten die cursus kunnen aanbieden als het wel geld kost. Maar nogmaals, dat is de beleidsvrijheid van de gemeente. Dat mag de gemeente zelf bepalen in nauwe afstemming met de persoon in kwestie. 

De heer Elzinga (SP):

De staatssecretaris zegt: het is de beleidsvrijheid van de gemeenten. Die kunnen het doen op basis van de huidige budgetten en middelen. Maar als ik het goed begrijp, is deze wet juist bedoeld om gemeenten een stukje beleidsvrijheid af te nemen en te dwingen om mensen Nederlands te laten leren. Ik heb nog geen cijfers gehoord, maar ik neem aan dat alle vragen die ik had gesteld nog aan bod komen. De staatssecretaris zei net dat de Nederlandse gemeenten het wel kunnen doen maar het nog niet hoeven te doen, en dat daar een omissie zat omdat het Nederlands zo essentieel is dat Nederlandse gemeenten dit moeten doen. Maar als het gaat om de middelen, wijst de staatssecretaris op de beleidsvrijheid van de gemeenten. Wat is het nou? Hebben ze nou de beleidsvrijheid en mogen ze het doen zoals het ze goed dunkt? Of moeten ze het doen? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Gemeenten moeten bekijken of mensen het Nederlands voldoende beheersen om te kunnen participeren op de arbeidsmarkt. Daarna kunnen ze met de mensen in kwestie bekijken welke trajecten ingeslagen kunnen worden om het Nederlands onder de knie te krijgen. Dat is de inspanningsverplichting van de mensen. Zij moeten zich gaan inspannen om het Nederlands te verwerven. Dan kan de gemeente bekijken of zij daarbij helpt en, zo ja, hoe. 

De heer Elzinga (SP):

Dus de gemeenten moeten erop toezien en de mensen moeten Nederlands leren. De gemeenten kunnen dan een instrument aanbieden. Dat is nu ook al zo. Maar moeten de gemeenten nu niet ook alles doen om die mensen te geleiden naar het accepteren van algemeen geaccepteerde arbeid? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Op al die facetten zijn gemeenten nu ook aan zet, maar dat verdisconteren gemeenten in hun eigen verordening. Dit is een wetswijziging. Het kabinet vindt het onderdeel taal zo belangrijk voor mensen om überhaupt mee te kunnen doen in de samenleving dat het kabinet dat extra onderstreept met deze wet. 

De heer Elzinga (SP):

Ik heb nog veel vragen gesteld. Ik hoop te gaan horen waarom het kabinet dat zo belangrijk vindt en welke aanwijzingen er waren dat gemeenten dat kennelijk niet deden. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Daar ben ik mijn eerste termijn mee begonnen en de Kamerleden hebben dat allemaal in hun inbreng onderstreept: taal is natuurlijk bij uitstek ongelooflijk wezenlijk om mee te kunnen doen in de samenleving, niet alleen maar op de arbeidsmarkt maar ook anderszins. Dat heeft de regering er ook toe gebracht om deze wetswijziging te entameren. 

De voorzitter:

Nu helemaal tot slot, mijnheer Elzinga. 

De heer Elzinga (SP):

Dat is nog geen antwoord op de vraag of het ook een probleem is. Ik heb daar een heleboel vragen over gesteld. Ik neem aan dat de staatssecretaris daarop terugkomt. 

Staatssecretaris Klijnsma:

We onderkennen het probleem dat heel veel mensen de taal nog steeds onvoldoende machtig zijn om voldoende actief op de arbeidsmarkt te kunnen zijn. Dat is de achtergrond van dit wetsvoorstel. 

Ik kom bij een andere vraag van GroenLinks en overigens ook van de Partij van de Arbeid, namelijk of het leertraject in het kader van de Wet inburgering eveneens kan worden beschouwd als inspanning zoals bedoeld in het thans voorliggende wetsvoorstel. Bovendien vragen zij of het college hier zelf in kan kiezen en of een aanvrager met twee aparte trajecten en twee aparte sets voorwaarden te maken kan krijgen. Wanneer een bijstandsgerechtigde op grond van de Wet inburgering begonnen is met een traject gericht op verbetering van zijn beheersing van de Nederlandse taal, kan dat worden beschouwd als voldoende inspanning van de kant van de bijstandsgerechtigde. De bijstandsgerechtigde krijgt dus niet met twee aparte trajecten oftewel de taaleis uit de Participatiewet en het inburgeringstraject te maken. De gemeente monitort wel in welke mate voortgang tijdens het inburgeringstraject wordt gemaakt. Aanvullend is gevraagd naar de rol van DUO. In sommige gevallen kan een bijstandsgerechtigde gebruikmaken van een lening van DUO, bijvoorbeeld als hij of zij inburgeringsplichtig is en een inburgeringscursus gaat volgen bij een taalaanbieder met het keurmerk Blik op werk. 

De fracties van het CDA en de PVV en de Onafhankelijke Senaatsfractie stelden een vraag over de inspanningsverplichting. Wil ik een resultaatsverplichting op termijn? Een resultaatsverplichting vind ik niet wenselijk. We hebben immers veel laaggeletterden van wie een resultaat op 1F-niveau niet kan worden verlangd. Deze wet biedt de gemeenten goede handvatten om het doel dat de Nederlandse taal voldoende wordt beheerst om aan het werk te gaan, te bereiken. Een resultaatsverplichting vind ik dus niet wenselijk. 

De OSF vroeg: "Taalbeheersing is toch ook belangrijk voor niet-bijstandsgerechtigden?" 

De heer De Lange (OSF):

Ik kom terug op de inspanningsverplichting versus de resultaatsverplichting. Het klinkt natuurlijk allemaal prachtig: we doen ons best en het zal wel goed komen, maar het gaat natuurlijk niet zozeer om de vraag of we ons best doen als wel om de vraag of er aan het einde van de rit taalvaardigheid ontstaat. Ik beluister op geen enkele manier dat wat de staatssecretaris voor ogen heeft, daadwerkelijk leidt tot taalvaardigheid als er niet steviger op wordt ingezet. Ik ken het standpunt. Dat heb ik in de schriftelijke voorbereiding gelezen. Ik zou zeggen dat we hier een debat voeren en dat daarin hopelijk niet dezelfde argumenten als de schriftelijk gewisselde langskomen. Dat lijkt mij tijdverspilling. Ik wil daadwerkelijk horen waarom in enig detail een inspanningsverplichting de voorkeur verdient boven een resultaatsverplichting. Een en ander zou toch gestoeld moeten zijn op een grotere effectiviteit van het geheel? Ik hoor daar helemaal niets over, maar wil dat wel graag. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Het mag toch zo zijn dat we in het mondelinge consistent blijven met wat we schriftelijk met elkaar hebben gewisseld? Het zou bijzonder zijn als ik nu iets anders opmerkte dan ik schriftelijk heb meegedeeld. Hoe dan ook, ik wil best een beetje inzoomen, als daarop prijs wordt gesteld. Indien het taalbeheersingsniveau onvoldoende is, ga ik ervan uit dat een bijstandsgerechtigde ermee aan de slag gaat en dat hij of zij zich inspant om de taal beter onder de knie te krijgen. Ik acht het denkbaar dat sommige bijstandsgerechtigden ondanks hun inspanningen de Nederlandse taal niet op referentieniveau 1F gaan beheersen. Nu verlaagt het college de bijstand enkel in geval van verwijtbare onvoldoende inspanningen om tot beheersing van de Nederlandse taal te komen. De inspanningsverplichting vind ik dus echt een groot goed. Een resultaatsverplichting vind ik in dit verband niet wenselijk, zoals ik al zei. Wat dat betreft, blijf ik consistent. 

Mijn antwoord op de andere vraag van de OSF is dat taalbeheersing inderdaad ook belangrijk is voor niet-bijstandsgerechtigden. Gemeenten zetten nu al in op de verbetering van taalbeheersing in de brede zin van het woord, want op lokaal niveau zijn verschillende organisaties en initiatieven actief om taalachterstanden en laaggeletterdheid tegen te gaan. Ik heb net al gesproken over het programma. Dat herhaal ik niet. De doelstelling van dat programma is wel dat meer burgers, van kinderen tot volwassenen, zo aan hun taalvaardigheid werken dat zij hun kansen op maatschappelijke en economische participatie nu en in de toekomst vergroten. Het is dus belangrijk dat er aandacht is voor de aanpak van laaggeletterdheid op de arbeidsmarkt, maar ook in de brede zin van het woord. Wat dat betreft ben ik het zeer met de heer De Lange eens. 

De heer De Lange (OSF):

Dank u. Dat klinkt allemaal prachtig, maar het gaat er natuurlijk werkelijk om dat er resultaten worden bereikt. Daarover hoor ik opnieuw niets. Ja, er worden inspanningen geleverd. Dat is allemaal heel mooi, maar wat zijn de resultaten van die inspanning? Welke cijfers horen daarbij? Hoe kunnen we wijzen op de successen van de programma's waarvan de staatssecretaris hoog opgeeft? Ik ben erg gecharmeerd van plannen, maar ik ben nog veel meer gecharmeerd van resultaten. Daarover hoor ik in deze context graag het nodige. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Zojuist heb ik al opgemerkt dat het doel van het actieprogramma is dat 45.000 Nederlanders hun taalbeheersing in de periode 2016-2018 aantoonbaar verbeteren. Dat zijn ronde cijfers, lijkt mij zo. 

De heer De Lange (OSF):

Dat zijn ronde cijfers over plannen, niet over resultaten, terwijl het bij dit soort dingen natuurlijk om resultaten gaat. We kunnen allemaal met cijfers smijten voor een toekomst die ongewis is en van alles en nog wat beloven, maar mensen die de taal onvoldoende beheersen, hebben behoefte aan feitelijkheden. Dat is een concreet resultaat van een concrete inspanning die leidt tot concrete zaken op de arbeidsmarkt. Daarover hoor ik dus helemaal niets. Dat vind ik verontrustend. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Dit vind ik echt te gemakkelijk. Het is niet voor niets dat we vanuit drie departementen de handen in elkaar slaan om de laaggeletterdheid in Nederland het hoofd te bieden. Het is voor mensen echt een handicap als zij niet kunnen lezen en schrijven. Daarom willen we ook zo graag hulp bieden op dat punt. De heer De Lange vraagt mij wat voor resultaten ik precies wil zien. Wij willen echt proberen, een groot aantal mensen de helpende hand te bieden, zodat zij later wel kunnen lezen en schrijven of in ieder geval voldoende mee kunnen doen met ons allemaal. Ik vind het te gemakkelijk om dat op deze manier weg te zetten. 

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, mijnheer De Lange. 

De heer De Lange (OSF):

Tot slot, ja, want ik denk ook niet dat we hiermee verder komen. We praten nu over lezen en schrijven, maar taalbeheersing is meer dan dat. Je hebt namelijk ook verbale taalbeheersing. Ik zou zeggen dat er al heel veel gewonnen is als die verbale taalbeheersing op een hoger niveau is gekregen. Dat kan in heel veel banen voor heel veel mensen effectief zijn om goed te functioneren. Als er nog eens lezen en schrijven bij komt, is dat natuurlijk prachtig, maar we moeten wel onderscheid maken tussen de diverse stappen die nodig zijn om tot taalbeheersing te komen. Alles in een grote pot gooien en door elkaar roeren, is de oplossing niet, ben ik bang. Daarover hoor ik ook graag de mening van de staatssecretaris. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik denk dat de heer De Lange en ik daarover absoluut niet van mening verschillen, want natuurlijk is niet alleen lezen en schrijven wezenlijk, maar juist ook spreken, luisteren en elkaar goed kunnen verstaan. Op die manier kun je met elkaar interacteren. Dat zijn wij nu ook aan het doen, zou je kunnen zeggen. 

De fractie van D66 bij monde van mevrouw Scholten en de fractie van de VVD vroegen wanneer de wet in werking treedt en of de gemeenten daarop zijn toegerust. Het wetsvoorstel gaat samen met een AMvB, die gelijktijdig in werking moeten treden. De AMvB moet nog aan de Raad van State worden voorgelegd. Op grond van afspraken tussen Rijk en gemeenten wordt vervolgens in principe een termijn van minimaal drie maanden voor voorbereiding door gemeenten aangehouden. Ik ben gehouden aan de vaste verandermomenten voor wetgeving. Ik richt mij op invoering per 1 juli 2015, maar neem daarbij de bovenstaande aspecten natuurlijk wel in ogenschouw. Zodra ik het advies van de Raad van State heb ontvangen, kan ik een definitief besluit nemen over de invoeringsdatum. 

De heer Kok vroeg of het kabinet niet wil erkennen dat een groot deel van de bijstandsgerechtigden nooit aan het werk komt. Het zal niemand verbazen dat het kabinet juist bij uitstek perspectief voor iedereen wil bieden en dat daarom dit wetsvoorstel ook is gemaakt, zodat iedereen mee kan doen. Want het kabinet spant zich tot het uiterste in om de mogelijkheden die er op de arbeidsmarkt zijn, volop te benutten. Dat is ook de leidraad van de belangrijke wetgeving die door deze Kamer mede is gerealiseerd. Ik noem de Wet werk en zekerheid, de Participatiewet, maar ook de sectorplannen en alles wat gemeenten nu aan het doen zijn. De cijfers van het CPB die vorige week naar buiten kwamen, bevestigen de ingezette lijn: de economische groei trekt dit jaar aan en er is volgens het CPB sprake van een gestaag herstel. Ook de werkloosheid begint — ik zeg het heel voorzichtig — heel licht te dalen. Iedereen is er ontzettend hard mee aan de slag. 

Het tweede blok gaat over de taaltoets. De PVV heeft gevraagd of het niveau van 1F nou wel voldoende is om echt goed mee te kunnen doen op de arbeidsmarkt. Het niveau 1F van het referentiekader taal komt voort uit het werk van de commissie-Meijerink. Het referentiekader taal is een eenduidig kader voor het Nederlands, waar het hele onderwijs aan refereert. Dat behelst een basale beheersing van de taal in woord en geschrift. Bovendien sluit het taalniveau aan bij de eisen die gelden op grond van de Wet inburgering. Dat spoort dus goed met elkaar. 

GroenLinks stelde een vraag over de bekostiging van de noodzakelijke cursus. Daar heb ik net op geantwoord. 

De VVD en de SP stelden een vraag over het aantal bijstandsgerechtigden met onvoldoende taalbeheersing. De vraag aan mij is of ik landelijke of gemeentelijke cijfers heb over de omvang van de groep bijstandsgerechtigden die geen document kan overleggen als bewijs van taalbeheersing. Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal bijstandsgerechtigden dat over onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal beschikt. Want tot nu toe was er geen landelijk beleid op het gebied van taalbeheersing van bijstandsgerechtigden. Daarom worden er door gemeenten hierover geen uniforme gegevens geregistreerd. Maar we gaan deze wet natuurlijk wel over vier jaar evalueren. Er wordt nu wel gemonitord en over vier jaar kunnen we die inzichten verschaffen. 

Het derde blok gaat over de uitvoering door de gemeenten. GroenLinks en de PVV hebben gevraagd, waarom ik me zo bemoei met die gemeenten. Wil ik daar niet eens een keertje mee ophouden? Het is natuurlijk ontzettend belangrijk dat ook in de context van de Participatiewet arbeids- en re-integratieverplichtingen aan de orde zijn. Het zich kunnen uitdrukken in de Nederlandse taal is daarbij natuurlijk een belangrijk element. Daar ben ik al op ingegaan. Dit wetsvoorstel voorziet in een concreet en apart wettelijk kader met heldere spelregels ten aanzien van de inspanningen die bijstandsgerechtigden moeten leveren bij het leren van de Nederlandse taal. Dat geldt ook voor de spelregels indien er verwijtbaar onvoldoende voortgang wordt geboekt. De uitvoering heeft hiermee een goed handvat en de belanghebbende die een beroep op bijstand doet, weet wat van hem of haar wordt verwacht. Om die redenen wordt met deze wet de beheersing van de Nederlandse taal als zelfstandige verplichting toegevoegd aan de Participatiewet. 

De Partij van de Arbeid en de VVD hebben een vraag gesteld over de memorie van antwoord. Daar staat in dat de taaleis natuurlijk niet kan gelden voor mensen die wel hun best doen, maar die het niet zal lukken om het vereiste niveau te halen. Naar aanleiding van deze opmerking vragen de leden of ik kan toelichten wat de betekenis van het antwoord is voor het college van B en W. Want hoe stelt het college vast dat het iemand niet zal lukken, ondanks grote inspanningen? Het is ter beoordeling aan het college om te bepalen of sprake is van verwijtbaarheid met betrekking tot de inspanningen, gericht op het in voldoende mate beheersen van de Nederlandse taal. Want niet van iedereen kan hetzelfde tempo worden verwacht. Belanghebbenden wordt een redelijke en reële termijn geboden om de taal te gaan beheersen. Deze termijn wordt afgestemd op het individu. Voor de belanghebbenden wordt een proportionele benadering nagestreefd. Ik wil benadrukken dat niemand vooraf van bijstand wordt uitgesloten. Omstandigheden als dyslexie, analfabetisme, cognitieve problemen, gezondheidsreden, medische gronden, audio- en visuele beperkingen zijn allemaal omstandigheden die in de beoordeling van verwijtbaarheid een rol kunnen spelen. Ik vertrouw erop dat gemeenten een dergelijke beoordeling uiterst zorgvuldig zullen maken, zoals zij thans in het kader van de Participatiewet bij andere verplichtingen doen. 

De Partij van de Arbeid vroeg of het college bij het toepassen van verwijtbaarheid zich rekenschap dient te geven van de persoonlijke omstandigheden, zoals de aanwezigheid van te verzorgen kinderen of de woonomstandigheden van betrokkenen. Het is expliciet ter beoordeling aan het college om te bepalen of sprake is van verwijtbaarheid. Bij het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid is een verlaging van de bijstand in het geheel niet aan de orde. Indien blijkt dat het bijstandsgerechtigden vanwege persoonlijke omstandigheden, zoals de aanwezigheid van te verzorgen kinderen en de woonomstandigheden van betrokkenen, niet lukt om aan het vereiste taalniveau te voldoen, zijn expliciete individualiserende bepalingen opgenomen, die het mogelijk maken dat de bijstand niet wordt verlaagd. Er is dus sprake van een afweging op individueel niveau door het college, alvorens pas tot verlaging van de bijstand kan worden overgegaan. 

De PvdA heeft nog gevraagd of het college aan het begin van het verbeteringstraject helder moet zijn naar betrokkenen. Het college kan samen met de belanghebbenden bekijken en hierover ook afspraken maken, hoe en in welk tempo de taalvaardigheid, gelet op de individuele omstandigheden van een belanghebbende, kan worden vergroot. Gemeenten monitoren de voortgang van de inspanning bij de verbetering van de beheersing van de Nederlandse taal. Het behoort tot de beleidsvrijheid van de gemeenten om te bepalen, hoe zij de voortgang beoordelen. Ik kan me daarom voorstellen — ik zie daar al mooie voorbeelden van — dat gemeenten een plan van aanpak maken, samen met de desbetreffende belanghebbende. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dat punt laat natuurlijk nog heel veel vragen open. Hoe gaat het college dat beoordelen? Boeken van voortgang kan heel snel een subjectief begrip worden. Maar heb ik de wet goed gelezen dat aan het begin iemand krijgt aangegeven dat het onvoldoende is, waarna na zes maanden wordt bekeken of er voortgang is geboekt? Als het college dan van mening is dat niet voldoende voortgang is geboekt, wordt de uitkering met terugwerkende kracht verlaagd, vanaf het moment dat schriftelijk is medegedeeld dat dat vermoeden er is. Zo lees ik de wet. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik wil mevrouw Strik even goed begrijpen. Want er wordt pas iets gedaan door het college als het echt van mening is dat iemand geen of zeer onvoldoende inspanningen heeft verricht, na ommekomst van een halfjaar. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik hoop dat dat niet zo is, maar ik las in het wetsvoorstel dat de uitkering dan met terugwerkende kracht tot zes maanden daarvoor wordt verlaagd. Er staat namelijk: het college verlaagt de bijstand, wat niet gebeurt als iemand voldoende voortgang heeft geboekt, wat na zes maanden wordt bekeken. Dat moment van het verlagen van de bijstand is het moment waarop een redelijk vermoeden ontstaat. Misschien kan de staatssecretaris daar in de tweede termijn nog even antwoord op geven. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Volgaarne, want het redelijk vermoeden ontstaat natuurlijk pas na verloop van tijd. Er is dan geen sprake van terugwerkende kracht. Ik kom daar graag in de tweede termijn nog even op terug. 

De heer Van Zandbrink (PvdA):

Ik heb daarover een aanvullende vraag. Is het zo dat, voordat het college overgaat tot verlaging, het alsnog een tweede taaltoets moet afnemen? Er is een taaltoets aan het begin van het traject, maar is die er ook na bijvoorbeeld de zes maanden die mevrouw Strik noemt? Is er dus een tweede taaltoets voordat het college kan overgaan tot een besluit tot verlaging van de uitkering? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Zo is het precies. Als het college het gerede vermoeden heeft dat iemand geen enkele inspanning heeft verricht en dus ook helemaal niet vooruit is gegaan, dan dient het college een toets uit te voeren om dat ook echt te staven voordat het iets met de bijstandsuitkering mag doen. 

De heer Van Zandbrink (PvdA):

Dank voor dit antwoord. Ik wil even één stapje terug in de beantwoording. De staatssecretaris heeft gezegd dat het college met betrokkenen praat over de manier waarop en het tempo waarin de verbetering van de taalbeheersing wordt ingevuld. Op dat moment spreekt het ook af hoe de voortgang wordt gemeten. Moet ik daaruit opmaken dat het college aan uitkeringsgerechtigden een aanbod doet over de manier waarop het afspraken wil maken? Voor de uitkeringsgerechtigde kan dat betekenen dat specifieke eisen worden gesteld aan de voortgang, en dat het college bereid is om bepaalde middelen beschikbaar te stellen als iemand een cursus gaat volgen. In andere situaties heeft het misschien een aanbod dat op een heel ander niveau ligt en waarover andere afspraken worden gemaakt, bijvoorbeeld met taalmaatjes. Is er een aanbod van het college aan de uitkeringsgerechtigde op een bepaald moment? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Dat is een vraag die mevrouw Strik impliciet ook heeft gesteld. Het antwoord daarop is ja. Iedere keer opnieuw kijk je natuurlijk naar de persoon in kwestie die aanklopt en die het Nederlands beter in de vingers moet krijgen. Het is echt voor ieder mens anders. Het college zal dus samen met de persoon in kwestie kijken wat voor hem of haar opportuun is. 

Ik kom dan bij een vraag van de VVD. Waaraan moet de taaltoets door gemeenten nou precies voldoen? De gemeenten hebben beleidsvrijheid bij de keuze voor een toets. Zo kunnen zij ervoor kiezen om gebruik te maken van een toets die ook gebruikt wordt bij de inburgering. Om de rechtsgelijkheid te waarborgen worden in een AMvB wel eisen gesteld aan de kwaliteit en de objectiviteit van de taaltoets. Die eisen hebben onder meer betrekking op de in de toets op te nemen onderdelen, de wijze van toetsing van de verschillende onderdelen en de wijze van beoordeling van de toets. 

Dan kom ik op een vraag van D66. Waarom hebben we wel het uitvoeringspanel om advies gevraagd en niet de VNG? Het uitvoeringspanel adviseert over de uitvoerbaarheidsaspecten van voorgenomen beleid en wet- en regelgeving. Het bestaat uit ongeveer vijftien à twintig gemeenten. Het levert goede technische adviezen over de werking van wet- en regelgeving, die vaak leiden tot aanpassing en verbetering. De VNG heeft ook formeel zitting in het uitvoeringspanel, net zoals Divosa, de SVB en KING. KING is het kwaliteitsinstituut voor gemeenten. Zoals meermalen in het parlementaire traject is gememoreerd, is geen aparte formele adviesaanvraag aan de VNG voorgelegd, omdat vergelijkbare voorstellen zijn besproken met het uitvoeringspanel van de gemeenten. De inzichten voortkomend uit die besprekingen zijn verwerkt. De AMvB behorende bij het wetsvoorstel is wel voor advies aan de VNG en het uitvoeringspanel voorgelegd. Bij de definitieve uitwerking van de AMvB zal met deze adviezen rekening worden gehouden. Daar zijn we nu mee bezig. 

Mevrouw Scholten (D66):

Ik dank de staatssecretaris voor dit antwoord, maar ik blijf nieuwsgierig naar die vergelijkbare voorstellen. Dat is niet dit wetsvoorstel, want anders zijn ze niet vergelijkbaar. Het zijn dus andere wetsvoorstellen geweest die met het uitvoeringspanel besproken zijn en die van toepassing worden verklaard op de uitvoering van dit wetsvoorstel. Wat zijn dan die wetsvoorstellen geweest? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Er is natuurlijk een heel voortraject geweest bij dit wetsvoorstel. Ik denk dat mevrouw Scholten daar ook van op de hoogte is. Die wetsvoorstellen zijn ook met het uitvoeringspanel gewisseld. Het uitvoeringspanel is nauw betrokken geweest. 

Ik kom bij het vierde blokje: de internationale en Europeesrechtelijke aspecten van het wetsvoorstel. Met name GroenLinks is daarop ingegaan, maar ook de SP. Ik heb natuurlijk gezien dat het CDA daarover ook een aantal vragen aan GroenLinks heeft gesteld. De leden van de fractie van GroenLinks vroegen of het wetsvoorstel houdbaar is binnen het internationaal en Europees recht. Op dit wetsvoorstel heeft de regering een uitgebreide toets aan het Europees en internationaal recht uitgevoerd. Die toets is in de memorie van toelichting beschreven. De regering is van mening dat dit wetsvoorstel volledig in overeenstemming is met het internationaal recht, en wordt daarin ook gesteund door de Raad van State. Zoals in de memorie van toelichting en in de antwoorden op de vragen van de Tweede en de Eerste Kamer uiteengezet werd, is de evenredige wijze waarop het wetsvoorstel eisen stelt ten aanzien van bijstandsgerechtigden in overeenstemming met de eisen die het Europees recht met zich meebrengt waar het EU-onderdanen betreft. Het wetsvoorstel voorziet in een taaleis Nederlands voor alle bijstandsgerechtigden. Hierin wordt geen onderscheid gemaakt. Ik ben van mening dat vanuit het algemeen belang van iedereen verlangd mag worden dat als er belemmeringen zijn die het vinden van betaald werk in de weg staan, die belemmeringen moeten worden weggenomen. Als de Nederlandse taal een belemmering vormt voor het vinden van werk, zal die belemmering dus ook moeten worden weggenomen om te voorkomen dat belanghebbende niet kan participeren op de arbeidsmarkt. We hebben deze wet dus uit-en-ter-na getoetst aan internationale regelgeving. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Natuurlijk heb ik ook al die stukken gelezen. Ik lees echter voortdurend hetzelfde mantra. Enerzijds is er geen discriminatie of ongelijke behandeling, want iedereen wordt hetzelfde behandeld. Anderzijds is dit alleszins gerechtvaardigd vanwege het algemeen belang. Het begint al met die ongelijke behandeling, want de vrijstelling geldt voor mensen die acht jaar Nederlandstalig onderwijs hebben gevolgd. Dat betekent dat de plicht geldt voor alle mensen die dat niet hebben gedaan en die elders hun jeugd hebben doorgebracht. Voor laaggeletterden en analfabeten die in Nederland op school hebben gezeten geldt de plicht niet. Dan is er toch sprake van een indirect onderscheid? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Het onderhavige wetsvoorstel behandelt mensen niet anders om redenen die geheel of gedeeltelijk op hun etniciteit zijn terug te voeren. Het voorziet namelijk in een taaleis voor alle bijstandsgerechtigden. Er wordt dus geen onderscheid naar etniciteit gemaakt. Ik snap wat mevrouw Strik zegt. Voor zover er sprake zou zijn van indirect onderscheid, is dat desalniettemin gerechtvaardigd, omdat vanuit het algemeen belang van eenieder in Nederland verlangd mag worden dat belemmeringen om actief te worden op de arbeidsmarkt worden opgeheven. Dan mag je dit ook gewoon van mensen vergen. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik ben blij dat de staatssecretaris voor de zekerheid voor die tweede redenering gaat liggen. Zij erkent dan min of meer dat er toch sprake is van indirecte discriminatie. Het gaat volgens mij niet op om dat te rechtvaardigen vanuit het algemeen belang dat men Nederlands leert. Dat geldt natuurlijk net zo goed voor die laaggeletterden en analfabeten die in Nederland onderwijs hebben gevolgd. Als je dat onderscheid gerechtvaardigd wilt laten zijn, geldt juist de proportionaliteitseis. Dan is het zo belangrijk dat een aanbod tot stand komt en dat iemand ook echt in staat wordt gesteld om te gaan voldoen aan de vereiste kennis van de Nederlandse taal. Juist vanwege die combinatie — en dat punt heb ik echt duidelijk proberen te maken — ben je wel degelijk bezig om in strijd te handelen met de internationale discriminatieverboden. Ik zou de staatssecretaris willen vragen om daarop in te gaan en daarbij ook te betrekken of zij heeft overwogen om advies in te winnen, bijvoorbeeld bij het College voor de Rechten van de Mens. Dat gaat uitgerekend over dit soort zaken. Daarvoor hebben we dat orgaan feitelijk in het leven geroepen. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Even voor de goede orde: natuurlijk heb ik niet gezegd dat we indirect onderscheid onderstrepen. Dat moet echt even heel helder zijn. Voor zover dat al aan de orde zou zijn, is het desalniettemin gerechtvaardigd omdat we zo graag willen dat alle mensen mee kunnen doen met ons allemaal. Dat is essentieel om nu even op te merken. De Raad van State heeft niet voor niets zo stringent gekeken naar het internationaalrechtelijke. Het advies van de Raad van State is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar, denk ik. Wat dat betreft zijn we internationaal gezien recht in de leer. 

De heer Elzinga (SP):

Het tweede deel van de redenatie volg ik en het advies van de Raad van State ook, maar voor de helderheid wil ik toch het volgende vragen. Het wetsvoorstel, de kortingen en de eventuele sancties die daaruit voortvloeien, hebben toch alleen betrekking op diegenen die bij een taaltoets niet voldoende kennis blijken te hebben om het referentiekader 1F te halen? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik vind het fijn dat de heer Elzinga dit nog eens voor de Handelingen vraagt. Het gaat erom dat mensen zich echt inspannen om de taal te verwerven. Na verloop van tijd, vaak na een halfjaar, wordt bekeken of men die inspanning heeft geleverd. Als dan blijkt dat dit niet het geval is, is er een toets aan de orde en kan de gemeente overgaan tot het bijstellen van de bijstandsuitkering. 

De heer Elzinga (SP):

De inspanningseis geldt dus alleen voor mensen voor wie de taaltoets mogelijk aan de orde zou zijn? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Die geldt voor alle bijstandsgerechtigden. Als iemand een bijstandsaanvraag doet, moet hij natuurlijk een aantal zaken overleggen, onder andere of hij het Nederlands tot op zekere hoogte beheerst. Veel mensen die in Nederland geboren en getogen zijn en hier op school hebben gezeten, kunnen aangeven dat zij acht jaar basisonderwijs hebben gehad. Dan is die inspanningsverplichting natuurlijk niet aan de orde. Die is wel aan de orde als mensen het Nederlands evident niet onder de knie hebben. 

De heer Elzinga (SP):

Nog even heel scherp: als iemand hier acht jaar basisonderwijs heeft gehad, is dit dus niet aan de orde. Of iemand nou laaggeletterd of analfabeet is, na acht jaar basisonderwijs geldt er geen taaltoets en geldt ook niet dezelfde inspanningsverplichting, noch de mogelijkheid tot een sanctie op basis van deze wetswijziging. Als iemand dus niet acht jaar basisonderwijs in Nederland heeft gehad, dan gelden de toets en de inspanningsverplichting om het Nederlands te leren beheersen wel. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Ja, tenzij iemand een ander document kan overleggen waaruit blijkt dat hij het Nederlands goed onder de knie heeft. Dat klopt. Ik roep nog even een andere vraag in herinnering die ik al in een eerder stadium heb beantwoord. Als iemand wel acht jaar hier op school heeft gezeten en het Nederlands toch evident niet beheerst — het zou kunnen — dan kunnen gemeenten natuurlijk ook helpen om die man of vrouw het Nederlands wel aan te laten leren. Dat zal alleen niet erg vaak voorkomen, denk ik. 

Ik kom bij het laatste blok. Dat gaat over de financiële effecten van deze wet. De fracties van GroenLinks, SP en PVV hebben hierover vragen gesteld. Kan ik een onderbouwing geven van het financiële effect van dit wetsvoorstel en de uitstroom naar werk? De besparing van 5 miljoen euro wordt naar verwachting geheel veroorzaakt door extra of versnelde uitstroom uit de bijstand en niet door verlaging van uitkeringen. De regering beschikt niet over exacte aantallen bijstandsgerechtigden die naar verwachting als gevolg van het wetsvoorstel zullen uitstromen. Dat wordt mede veroorzaakt door de samenhang met het wetsvoorstel WWB-maatregelen. Die aanpassingen leiden ook tot extra uitstroom uit de bijstand. De regering heeft daarom op voorhand een beperkt additioneel effect op de uitkeringslasten ingeboekt. Dit effect is gebaseerd op de veronderstelling dat het wetsvoorstel leidt tot een daling van het jaarlijks te verstrekken aantal uitkeringen met circa 400. Dat is dus een aanname. 

Mevrouw Scholten (D66):

Even voor de goede orde en speciaal voor de Handelingen: ook de D66-fractie had over de financiële onderbouwing dezelfde vraag gesteld. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Klopt. Duidt u het mij niet euvel. Dat is inderdaad het geval. 

De GroenLinksfractie heeft gevraagd naar de bekostiging van taalcursussen. Daar ben ik eigenlijk al op ingegaan in het eerste blok. Daar laat ik het bij. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

De staatssecretaris is inderdaad ingegaan op de vraag of iemand geen waarborgen zou moeten krijgen. Zij vindt van niet. De gemeenten hebben echter duidelijk aangegeven dat er een aanbod bij zou moeten horen, maar dat zij de middelen niet hebben, gelet op het slinkende participatiebudget. Zij hebben immers ook nog andere verplichtingen. Erkent de staatssecretaris ook dat het inderdaad niet kan? Erkent zij dat gemeenten meer nodig hebben dan het huidige participatiebudget om in al die gevallen een passend aanbod te kunnen bieden als dat nodig is? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Deze financiële discussie hebben we ook gevoerd bij de totstandkoming van de Participatiewet. We bespraken toen de vraag of het participatiebudget ten principale voldoende zou kunnen zijn voor het re-integreren van mensen die bij de gemeente aankloppen. Dit is daar ook een onderdeel van. Het is aan de gemeenten welk aanbod zij doen. Nogmaals, ik wil het niet mooier of minder mooi maken: dat is echt de beleidsvrijheid van de gemeenten. Ik heb met mevrouw Strik al uitgebreid gewisseld welke verschillende vormen van cursussen en anderszins er aan de orde kunnen zijn als je Nederlands wilt leren. Daar kan de gemeente met de persoon in kwestie echt samen naar kijken. 

De fracties van D66 en de SP hebben gevraagd hoe de uitvoeringskosten precies kunnen worden berekend. Dit wetsvoorstel valt grotendeels binnen de reguliere uitvoeringsprocessen van gemeenten. Het levert dus niet veel extra werk op. Klanten moeten nu ook al diverse documenten overleggen bij de intake voor de bijstand. Het toevoegen van een schooldiploma vraagt geen wezenlijke extra inspanning. Nieuw binnen de uitvoeringspraktijk is dat gemeenten een toets dienen af te nemen om te bepalen of het taalniveau voldoende is. Gemeenten krijgen veel vrijheid bij het vormgeven van die toets. Gemeenten kunnen daarbij gebruikmaken van bestaande toetsen. De kosten per toets kunnen daardoor beperkt blijven. Daarnaast ga ik ervan uit dat het aantal mensen dat uiteindelijk een taaltoets zal moeten afleggen, relatief beperkt is. Immers, niet bij iedereen die zich bij de gemeente meldt zal een taaltoets moeten worden afgenomen. Dat geldt alleen voor mensen die geen document kunnen overleggen waaruit blijkt dat de beheersing van de Nederlandse taal voldoende is. Ik ben van mening dat met de compensatie van structureel 5 miljoen gemeenten afdoende gecompenseerd worden voor de extra uitvoeringskosten. In antwoord op een vraag van de SP-fractie kan ik bevestigen dat de kosten mede beperkt zijn omdat het gaat om een inspanningsverplichting. 

Daarmee ben ik aan het einde van mijn eerste termijn gekomen, voorzitter. 

De heer Terpstra (CDA):

Voorzitter. Ik heb twee vragen gesteld aan de staatssecretaris en vier vragen aan GroenLinks. Ik wil zowel de staatssecretaris als mevrouw Strik dankzeggen. Het antwoord van de staatssecretaris op de vraag waarom deze wet er moet komen en waarom de gemeenten dat niet zelf decentraal kunnen regelen, is dat het spreken van de Nederlandse taal eigenlijk een eis is van nationaal belang. De uitvoering daarvan wordt overgelaten aan de gemeenten. Vanuit deze redenering kun je uiteraard eeuwig blijven discussiëren, maar ik stel vanavond dat we met deze redenering kunnen leven. 

In de discussie over inspanningsverplichting versus resultaatsverplichting over een aantal jaren was mijn redenering heel sterk gekoppeld aan de wijziging van het beleid in Nederland voor immigranten. De staatssecretaris heeft de doelgroep terecht verbreed naar iedereen die laaggeletterd is. Wat ons betreft speelt deze zaak op de langere termijn. Ik vind dat je geen ruzie moet maken over hetgeen er op de langere termijn moet gebeuren. De staatssecretaris stelt dat het met name gaat om een grotere groep laaggeletterden in onze maatschappij. Voor die groep kunnen wij leven met de gedachte van de staatssecretaris dat een inspanningsverplichting voldoende is en dat een resultaatsverplichting voor deze groep misschien een onjuiste uitwerking zou kunnen hebben. Wij kunnen hierin dus meegaan met de staatssecretaris. Ik ben in een zeer milde bui. 

Dan kom ik op de vraag of de gemeenten per definitie voorzieningen moeten bieden aan de bijstandsgerechtigde. Wij willen deze zaak niet op nationaal niveau regelen. De Wmo staat in andere sectoren weliswaar ter discussie, maar hierin wordt wel steeds meer uitgegaan van de vraag wat de cliënt nodig heeft. Er wordt steeds minder uitgegaan van de vraag welke voorzieningen de gemeente in de aanbieding heeft. Deze gedachte willen wij ook toepassen op het onderhavige onderwerp van vanavond. Ook hierbij pleiten wij voor maatwerk. 

Mijn vragen aan mevrouw Strik zijn naar mijn idee, maar dat is uiteraard subjectief, niet zodanig beantwoord dat wij van mening zijn veranderd. Naar onze mening vindt GroenLinks te snel dat maatregelen die bedoeld zijn om de positie van de doelgroep te verbeteren, leiden tot indirecte discriminatie en daardoor in strijd zijn met internationale verdragen. Deze redenering kunnen wij niet volgen. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen, hoewel ik, net zoals de heer Terpstra niet door mij is overtuigd, niet ben overtuigd door de staatssecretaris. De staatssecretaris begon haar termijn met de stelling dat het leren van de Nederlandse taal heel belangrijk is voor de integratie en om mee te doen. Ik denk dat die mening door iedereen in dit huis wordt gedeeld. Feitelijk gaat het debat daar helemaal niet over. Het is belangrijk om de taal te leren, maar het gaat om de vraag waar dat moet worden belegd en op welke manier we dat zo goed mogelijk kunnen bevorderen en stimuleren. 

Dit kabinet claimt het vreselijk belangrijk te vinden. Ook het vorige kabinet claimde dit overigens. Het moet me echter van het hart dat dit kabinet, net als het voorgaande kabinet, dit wel op een heel vreemde manier uit. De verplichting wordt namelijk nog eens extra in de wet vastgelegd, maar de bestaande instrumenten om een en ander mogelijk te maken worden juist afgebroken. Dat hebben we ook bij de Wet inburgering gezien. We hadden een heel goede onderwijsinfrastructuur, maar die is om zeep geholpen. We leggen dus een extra verplichting op aan migranten en vervolgens mogen zij uitzoeken op welke manier zij die gaan invullen. Dat is niet ons idee van integratiebeleid of van het bevorderen van de Nederlandse taal. Volgens mij heeft de overheid daar wel degelijk ook een belangrijke rol in. Dan kun je inderdaad heel goed een inspanningsverplichting opleggen. 

Bijna iedereen in dit huis heeft gevraagd wat de meerwaarde is van dit wetsvoorstel ten opzichte van de huidige mogelijkheid die de gemeenten al hebben en ten opzichte van de maatregelen WWB die op 1 januari zijn ingevoerd. Het argument van de staatssecretaris voor de meerwaarde van dit wetsvoorstel is dat Nederlands leren zo belangrijk is, maar dat vind ik toch vrij zwak. Het gaat er juist om dat gemeenten nu ook al de mogelijkheid hebben om mensen te verplichten, taalkennis te verwerven die nodig is voor de arbeidsre-integratie. Ik heb nog geen enkel argument gehoord waarom het nodig is om de gemeenten hiervoor extra de duimschroeven aan te draaien. Op alle andere vragen antwoordt de staatssecretaris namelijk dat het behoort tot de beleidsvrijheid van de gemeenten. 

Die discrepantie blijft maar in dit verhaal en in dit wetsvoorstel zitten. Het valt mij bijzonder tegen van dit kabinet en in ieder geval van een PvdA-staatssecretaris dat er geen consistentere lijn wordt aangebracht. Het valt mij tegen dat er niet meer zorg en aandacht is voor de mogelijkheid die gemeenten moeten hebben om te borgen dat bijstandsgerechtigden daadwerkelijk taalkennis op kunnen doen. Zit in de maatregelen die op 1 januari zijn ingegaan, niet al heel sterk het aspect dat de staatssecretaris nu met dit wetsvoorstel opnieuw wil regelen? Kan de staatssecretaris daarop ingaan? 

De staatssecretaris luistert slecht naar gemeenten. Ze zegt dat ze overleg heeft gehad, maar uit alles blijkt dat dit pas achteraf is gebeurd. Dan gaat het eerder om uitleggen dan om overleggen. De gemeenten hebben heel duidelijk gevraagd om hun meer flexibiliteit te geven. Zij zien die mensen; zij weten wat die mensen nodig hebben. Dat kan voor elke persoon, qua arbeidsmarktperspectief, wel degelijk anders zijn. De staatssecretaris heeft daar geen oren naar gehad. 

Dan kom ik op het noodzakelijke budget. De gemeenten hebben aangegeven dat dit voorstel betekent dat ze meer moeten aanbieden, maar dat ze daar geen geld voor hebben. De staatssecretaris zei in antwoord op mijn vraag dat we hierover al hebben gesproken bij de behandeling van de Participatiewet. Zij doet er echter met dit wetsvoorstel nog een schepje bovenop. Zij heeft nog geen concreet antwoord gegeven op de vraag of dit betekent dat er meer behoefte is aan budget om dit daadwerkelijk te kunnen waarmaken. Het kan niet komen uit het bestaande budget, want daar zijn in de afgelopen tijd al steeds meer claims op gelegd. 

Ik ben teleurgesteld. Ik vind het jammer dat ik de heer Terpstra niet heb kunnen overtuigen, maar ik vind het eigenlijk nog erger dat ik de staatssecretaris er niet van heb kunnen overtuigen dat er wel degelijk sprake is van indirecte discriminatie als je een groep mensen een zwaardere verplichting oplegt alleen maar omdat ze ergens anders zijn geboren of hun jeugd hebben doorgebracht. We hebben hier wel vaker dit soort kwesties aan de orde gehad en in een aantal gevallen is later gebleken dat de rechter dit soort zaken anders beoordeelt dan de staatssecretaris. Denk bijvoorbeeld aan het woonlandbeginsel. Het is soms fijn om gelijk te krijgen, maar soms ook niet. 

De heer Beckers (VVD):

Mevrouw Strik is van mening dat het onderscheid gelegen is bij mensen die elders zijn opgegroeid. Volgens mij is dat niet het onderscheid dat in onze wet wordt gemaakt. Het onderscheid is erin gelegen dat sommige mensen de Nederlandse taal machtig zijn en anderen niet. Mensen die in een andere omgeving en in een andere cultuur zijn opgegroeid en wel de taalvaardigheid hebben, worden op dezelfde manier bejegend. In deze wet worden zij niet geconfronteerd met de opdracht om iets aan hun taalvaardigheid te doen. Er wordt dus onderscheid gemaakt tussen degenen die wel de taalvaardigheid hebben en degenen die die niet hebben. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Dat is juist het punt: daar gaat het niet om. Dan zou het onderscheidende criterium zijn of je die vaardigheid wel of niet in huis hebt. Dat is echter niet het geval. Mensen die acht jaar lang Nederlandstalig onderwijs hebben genoten, zijn vrijgesteld van de toets. Er wordt dus niet eens getoetst of zij voldoen aan het 1F-taalniveau. Er zijn echter ook heel grote aantallen analfabeten of laaggeletterden in Nederland die wel acht jaar op Nederlandstalig onderwijs hebben gezeten. Zij worden volkomen buiten deze wet gehouden. De inhoud en de taalkennis zijn dus niet het onderscheidende criterium. 

De heer Beckers (VVD):

Ik mag toch hopen dat ons onderwijs zodanig is dat degene die acht jaar lagereschoolonderwijs heeft gehad, voldoet aan de minimale eis voor taalvaardigheid in het Nederlands? Ik heb er geen cijfers van. Ongetwijfeld zullen er incidentele uitvallers zijn, maar ik denk dat de kwaliteit van ons onderwijs zodanig is dat iemand die acht jaren op een lagere school heeft rondgelopen, Nederlands kan spreken, schrijven en lezen. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik deel de mening van de heer Beckers dat het heel zorgwekkend zou zijn als dat niet zo is. Ik moet de heer Beckers teleurstellen: het gaat om grote aantallen mensen die hier acht jaar de lagere school hebben doorgebracht en die achteraf toch laaggeletterd of zelfs analfabeet blijken te zijn. Dat is een heel groot probleem. Prinses Laurentien maakt zich er niet voor niets zo druk over. Het budget van mevrouw Klijnsma is er niet voor niets. Dat wordt ervoor uitgetrokken om dit probleem uit te roeien. Dit probleem bestaat. Daarom houd ik vol dat het onderscheidend criterium niet laaggeletterdheid of analfabetisme is, maar waar je onderwijs hebt gevolgd. Dat kan indirect discriminerend zijn. 

Ik vervolg mijn betoog. Helaas is vorige week het wetsvoorstel constitutionele toetsing gesneuveld aan de overkant. Dat betekent dat wij als Kamer, ook de Eerste Kamer, nog meer de taak hebben om wetsvoorstellen aan de grondwet te toetsen. Dat zal ook wel zo blijven. We hebben dus niet alleen te maken met verdragen maar ook met artikel 1, het recht op gelijke behandeling. Ik roep al mijn collega's op om dit heel serieus te doen, want wij hebben geen alternatief. De rechter mag er helaas niet naar kijken. 

Dan kom ik op de vraag of het in strijd is met verdragen. De staatssecretaris geeft aan dat het Unierecht, het vrije verkeer van personen, geen drempel zal opwerpen voor het wetsvoorstel. Ik denk evengoed dat het problemen gaat opleveren in de praktijk. Een Duitser of een Fransman, of welke Unieburger dan ook, die in de bijstand belandt en die vervolgens wordt gedwongen om de Nederlandse taal te leren, zonder dat er een aanbod tegenover staat, zal wel degelijk bij de rechter en de Staat kunnen opwerpen dat dit een belemmering oplevert voor het vrije verkeer. De staatssecretaris is daar niet zozeer op ingegaan. Misschien kan zij dat in de tweede termijn doen. 

Ik vroeg of met terugwerkende kracht de bijstand kan worden verlaagd na zes maanden als blijkt dat er geen voortgang is geboekt. De staatssecretaris antwoordde daarop dat de bijstand niet met terugwerkende kracht kan worden verlaagd. Het is goed voor de Handelingen dat we dat hier constateren. 

Mijn laatste punt betreft mijn grootste bezwaar in eerste termijn. Ik zie overigens dat de voorzitter al klaarzit om de motie voor te lezen. Ik wil heel graag de regering oproepen om daadwerkelijk de waarborg te regelen dat aan een bijstandsgerechtigde een passend aanbod wordt aangeboden en dat hij op die manier in staat wordt gesteld om de voortgang te boeken die de regering oplegt. Natuurlijk moeten gemeenten ook in de gelegenheid worden gesteld om dat aanbod daadwerkelijk te doen. 

De voorzitter: 

Door de leden Strik, Elzinga, Reuten, De Boer en Meijer wordt de volgende motie voorgesteld: 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat onderhavig wetsvoorstel gemeenten oplegt om de bijstand te verlagen bij een redelijk vermoeden dat een bijstandsgerechtigde niet of niet in voldoende mate de Nederlandse taal beheerst op referentieniveau 1F; 

overwegende dat verlaging niet plaatsvindt indien betrokkene voortgang boekt bij het verwerven van de vereiste kennis van de Nederlandse taal; 

overwegende dat deze voortgang alleen in redelijkheid van de bijstandsgerechtigde kan worden verlangd indien hij daartoe ook in staat wordt gesteld; 

verzoekt de regering om er zorg voor te dragen dat gemeenten de plicht tot het verwerven van kennis van de Nederlandse taal vergezeld laten gaan van een passend aanbod, en om gemeenten hiertoe financieel in de gelegenheid te stellen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Zij krijgt letter D (33975). 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Tot slot hoop ik dat de Kamer de redelijkheid van deze motie inziet, maar dat zij ook de onredelijkheid van dit wetsvoorstel inziet. Mijn fractie is erg bezorgd over de problemen die dit gaat opleveren, met name voor bijstandsgerechtigden die die voortgang niet kunnen boeken en die uiteindelijk alleen maar in een negatieve spiraal terechtkomen van de dreiging van verlaging en eventueel van daadwerkelijke verlaging, financiële problemen en ga zo maar door. Dan hebben we alleen maar meer problemen voor die mensen veroorzaakt, waardoor ze alleen maar minder bezig kunnen zijn met het leren van de taal, met participeren en met het vinden van werk. Ik vraag mij in gemoede af wat we dan in godsnaam, in hemelsnaam hebben bereikt met dit wetsvoorstel. 

De heer Kok (PVV):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor haar beantwoording. Ik moet zeggen dat het goed is om te horen dat dit kabinet, ook al is het kennelijk een late roeping, de beheersing van de Nederlandse taal wezenlijk acht c.q. een basisvoorwaarde vindt — zo begrijp ik het in ieder geval — voor de positionering op de arbeidsmarkt. Ik heb begrepen dat de inzet van betrokkenen verplicht zou zijn. Ook het actieprogramma Tel mee met Taal, dat tamelijk nieuw is en dat recentelijk tot ons is gekomen, lijkt nuttig te zijn. Het probleem is daarmee in ieder geval breed manifest geworden, als het dat al niet was. Het lijkt echter wel een longshot op een ongewisse toekomst, zeker als het gaat om het actieprogramma. 

Het verhaal van de staatssecretaris is helaas voornamelijk bloksgewijs en feitelijk. Het kan mijn fractie niet echt overtuigen. De reactie blijft hangen in het beknopte raamwerk van deze wet. Mijn fractie moet constateren dat de wezenlijke, meer beleidsmatige aspecten niet of nauwelijks aan de orde zijn gekomen. Ik noem met name de geconstateerde discrepantie met het regeerakkoord. Waarom is er dit bijzonder wetje, terwijl de verplichting in feite al bestaat sinds 1 januari, zoals al door meerderen is geconstateerd? Waarom is er in beginsel geen strikte resultaatverplichting? Waarom is gekozen voor een zeer laag referentieniveau? 

Mijn fractie is van oordeel dat een minimale taalbeheersing absolute noodzaak is. De staatssecretaris is wat mijn fractie betreft in dit opzicht te vrijblijvend, zeker ten opzichte van het geformuleerde uitgangspunt van het regeerakkoord. Er is sprake van een onbegrijpelijke discrepantie. Miskend wordt dat het primaire eigenbelang van het individu vooropstaat, ook wat betreft de deelname aan het maatschappelijk verkeer en zeker als het gaat om het aspect integratie. Daar verschillen wij kennelijk met andere partijen van mening over. In de praktijk zal de vrijheid in de decentrale uitvoering het beoogde resultaat zeker niet dichterbij brengen. 

De conclusie kan helaas, hard gesteld, niet anders zijn dan dat het wetsvoorstel hinkt op twee tegenstrijdige stromingen. Het is een tandeloos compromis geworden. Het lijkt te zijn verworden tot een stukje windowdressing voor langjarig tekortschietend beleid in de vorm van voornamelijk verbaal vertoon. De toegevoegde waarde zien wij niet direct. De doelstelling is goed, maar de uitwerking is minder. Het is twijfelachtig of op deze wijze het zicht op werk echt dichterbij is gekomen. Het is een beetje als met slechte appeltaart: het lijkt vaak goed van smaak, maar soms is het arm van substantie. 

De heer De Lange (OSF):

Voorzitter. Allereerst dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording van de vele vragen, zij het dat maar een deel van de vragen beantwoord is en de meest relevante vragen vaak niet. Ik ben vandaag naar dit debat gekomen met een positieve instelling ten aanzien van het wetsvoorstel. Helaas heeft de obligate beantwoording van de staatssecretaris me sterk doen twijfelen of die positieve grondhouding nog wel verantwoord is en of het wel zo'n goed idee is. 

Ik ervaar het debat van vanavond als volkomen overbodig. We hebben geluisterd naar een herhaling, een letterlijke herhaling in heel veel gevallen, van wat er in de schriftelijke voorbereiding al gewisseld was. Waar ik helemaal niets van gemerkt heb, terwijl ik dat toch verwacht van een regering, is dat er, als het over iets zo belangrijks als taalbeheersing en taalonderwijs gaat, een visie wordt neergezet die klinkt als een klok. Dat is wat dit probleem verdient in dit huis. Ik heb daar helemaal niets van gehoord. Ik heb wat vage plannen gehoord, die met cijfers onderbouwd zijn die geen echte cijfers zijn. Sommigen zouden dit luchtfietserij noemen. 

Ik zal mij, zeg ik als conclusie, opnieuw beraden over hoe te stemmen volgende week. Een paar uur geleden was ik meer overtuigd van de meerwaarde van dit wetsvoorstel dan ik dat op dit moment ben. 

Mevrouw Scholten (D66):

Voorzitter. Ik ga hier maar heel kort staan, want het is alweer ongelofelijk warm geworden hier. Het is maar dat u het weet. 

De voorzitter:

De Griffier zit klaar hoor, en de Kamerbewaarder komt er ook al aanlopen. Maakt u zich geen zorgen. Alles komt goed. Helaas is mevrouw Slagter niet aanwezig, maar voor de rest gaat het goed. 

Mevrouw Scholten (D66):

Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris van harte bedanken voor de uitvoerige antwoorden. Ik heb heel goed geluisterd en wil haar graag bedanken. Toch ben ik een beetje in de war geraakt door die antwoorden. Natuurlijk is het voor niemand fijn om in de bijstand te komen en er dient ook veel te worden ondernomen om mensen weer uit de bijstand te krijgen. Ik juich het actieprogramma Tel mee met Taal van harte toe. Ik vind dat een buitengewoon belangrijk en bijzonder initiatief en ben ook blij dat de regering daarvoor 54 miljoen heeft vrijgemaakt. 

Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de staatssecretaris op twee gedachten blijft hinken. Enerzijds bepleit zij maatwerk. Dat juicht mijn fractie van harte toe. Ik verwijs opnieuw naar artikel 18, lid 4 van de Participatiewet. Die hebben we van de zomer besproken en daarin staat dat de belanghebbenden kennis en vaardigheden moeten verwerven en behouden om uit de bijstand te komen. Ik heb in mijn eerste termijn bepleit dat daar ook het beheersen van de Nederlandse taal onder valt. Anderzijds bepleit de staatssecretaris met dit wetsvoorstel weer dat het een inspanningsverplichting is, al moet met die inspanningsverplichting wel weer een toets worden gehaald, anders wordt de bijstand onherroepelijk naar beneden bijgesteld. Stel dat er aan die inspanningsverplichting niet wordt voldaan en dat de toets niet wordt gehaald. Dan kom je toch redelijk dicht in de buurt van een resultaatverplichting, waardoor juist dit wetsvoorstel verschilt van het wetsvoorstel Participatiewet artikel 18, lid 4. Dan komt het maatwerk dat eerder bepleit is, sowieso in de knel. 

Ik vrees, en dat vind ik nog het belangrijkste argument, dat dit wetsvoorstel, eenmaal tot wet verheven, bij gebrek aan budget en vanwege een overvloed aan gedecentraliseerde taken bij de gemeenten, die dat ook allemaal zouden moeten uitvoeren, op de plank zal blijven liggen en dat dit wetsvoorstel dus een heel hoge symboolfunctie zal hebben. Ik vrees daarom ook dat ik de staatssecretaris niet blij ga maken als ik zeg dat ik mijn fractie zal adviseren om dit wetsvoorstel niet te steunen. 

De heer Beckers (VVD):

Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de uitvoerige beantwoording van de vragen. Zo gaat dat meestal met antwoorden: sommigen zullen tevreden zijn en anderen zijn minder tevreden. Ik kan zeggen dat ik im grossen ganzen met de beantwoording van de vragen tevreden ben, zeker als ik de staatssecretaris hoor zeggen dat de noodzaak en de wenselijkheid van deze wet ligt in het feit dat taal een basisvoorwaarde is om te komen tot een eerste stap naar arbeid en naar een arbeidzaam leven in dit land. Vervolgens moet betrokkene moeite doen om ervoor te zorgen dat hij of zij die arbeid ook kan behouden. 

Bij de VVD denken wij in termen van het stimuleren van mensen, in termen van activiteiten ontwikkelen en ontplooien, in termen van mensen aanzetten tot het maximaal aanspreken van hun eigen capaciteiten. Dat zit in die wet en dat kun je eruit halen. Je kunt er ook andere dingen uithalen en dat leidt dan wellicht tot een gevoel van onvrede. De bedoeling is echter, althans zo hebben wij deze wet gelezen, dat je met deze wet bij een mens kunt oproepen wat er van die persoon aan positiefs te verwachten valt. De bijdrage die we van die persoon verwachten, is een inspanning. Ik hoor het de staatssecretaris ook zeggen: wij gaan sturen, wij gaan met deze wet colleges van B en W in de gelegenheid stellen om te sturen op het leveren van een inspanning en we gaan ervoor zorgen dat die inspanning vervolgens leidt tot een resultaat. 

Daarom is het ook zo jammer — ik vind dat de staatssecretaris daarin tekortgeschoten is — dat het cijfermateriaal ontbreekt waarnaar wij vragen. Waar staan we nu? Hoeveel bijstandsgerechtigden zitten nu in de situatie dat ze de vereiste taalvaardigheid niet bezitten? Hoeveel mensen met te weinig taalvaardigheid zitten nu in de bijstand? Waar staan we nu? En waar willen we over vijf jaar zijn? Op die vragen hoor ik de staatssecretaris wel zeggen dat zij gaat monitoren, maar die monitoring moet je kunnen afzetten tegen een vertrekpositie. Die missen we echter en ik doe nogmaals een oproep aan de staatssecretaris om die gegevens, die iedere gemeente ongetwijfeld heeft, toch nog te verzamelen. Dan krijgen wij zicht op wat nu de landelijke situatie is, waar we nu staan en waar we over vijf jaar willen staan. 

Over het moment van invoering heb ik de staatssecretaris duidelijk horen zeggen dat zij ernaar streeft de wet op 1 juli in te laten gaan en dat zij de Raad van State zal vragen om een spoedadvies. Daar zijn wij de staatssecretaris dankbaar voor. Ik heb ook gehoord wat zij zei op mijn vraag over de verwijtbaarheid. De staatssecretaris noemde elementen die tot niet-verwijtbaarheid zouden kunnen leiden. Dyslexie, gezondheidsredenen, een groot gezin, kinderen die tijdelijk problemen hebben, dat zijn allemaal omstandigheden die kunnen leiden tot niet-verwijtbaarheid, maar die omstandigheden zijn niet limitatief bedoeld. Dat heb ik de staatssecretaris toch goed horen zeggen? Graag hoor ik dat nog even bevestigd. 

Voorts kunnen de staatssecretaris en het kabinet rekenen op een positieve view van mijn fractie. Ik zal mijn fractie adviseren om dit wetsvoorstel met alle kansen die erin zitten, te steunen. 

De heer Elzinga (SP):

Voorzitter. De staatssecretaris begon haar eerste termijn met de vaststelling dat taal heel belangrijk is voor deelname aan het maatschappelijk verkeer, inclusief de participatie op de arbeidsmarkt. Ik denk dat alle fracties hun eerste termijn begonnen met die vaststelling. Het vormde bijvoorbeeld de SER. De CDA-fractie verwees daar in eerste termijn al naar, maar ook de SP wees erop, dertig jaar geleden al. De staatssecretaris biedt daarvoor echter geen nieuwe instrumenten, want gemeenten zetten zich nu immers in brede zin ook al in voor taalbeheersing. In het kader van de WWB of de Participatiewet hebben de gemeenten bovendien nu al de plicht om mensen een voorziening te bieden, met een sanctiemogelijkheid, om ze op de best mogelijke manier aan werk te helpen. Als taal als grootste barrière daartoe wordt ervaren, zal de gemeente hierop een voorziening inzetten. Dat wordt nu een landelijke verplichting, ook als andere hobbels mogelijk groter zijn. Maar waarom die landelijke verplichting er nu precies moet komen, is mijn fractie geheel niet duidelijk geworden. De hamvraag voor welk probleem dit wetsvoorstel een oplossing biedt, is niet beantwoord. Wel heeft de staatssecretaris op een van mijn vragen herhaald dat de regering niet over landelijke cijfers beschikt over het aantal personen in de bijstand dat de Nederlandse taal niet op referentie 1F machtig is. Wel heeft de staatssecretaris aangegeven dat deze groep bestaat uit analfabeten en laaggeletterden. Dat was een herhaling van hetgeen ook al in de voorbereiding van dit debat is gewisseld. 

Het totale aantal laaggeletterden en analfabeten in Nederland is wel bekend. Dat zijn er ruim anderhalf miljoen, van wie er 550.000 analfabeet of zeer laaggeletterd zijn en onder het vereiste 1F-referentieniveau zitten. Gelukkig zijn velen van hen niet afhankelijk van de bijstand, maar helaas is ook een aanzienlijk aantal daarvan in Nederland opgegroeid en vallen zij helemaal niet onder de doelgroep van deze wet. Op ongeveer tien vragen om de doelgroep meer helder te krijgen, heb ik slechts één antwoord gekregen. Dat was het antwoord op de vraag of de bezuiniging gebaseerd is op 400.000 bijstandsuitkeringen en of dit aantal een aanname is. Daar zit geen enkele berekening achter. Of er überhaupt een probleem is met de doelgroep, is dus niet duidelijk geworden, laat staan wat de omvang van het probleem is. Het enige wat de staatssecretaris daarop heeft aangegeven, is dat het natuurlijk bij de invoering van het wetsvoorstel gemonitord zal worden en dat we bij de evaluatie van dit wetsvoorstel over een paar jaar wellicht helder hebben hoe groot de doelgroep was en of er een probleem was dat moest worden opgelost. Het biedt geen extra mogelijkheden voor gemeenten om mensen maximaal te helpen. Het biedt wel een verplichting om bestaande middelen die gemeenten hebben in het kader van de Participatiewet op een bepaalde wijze in te zetten, maar of dat vervolgens goed gebeurt, is weer een beslissing van de gemeenten. Het is aan hen om daarover te oordelen en dat te bepalen. De verplichting in het wetsvoorstel heeft in de ogen van mijn fractie dan ook uitsluitend symbolische waarde, zoals ik ook al in eerste termijn constateerde. Het helpt mensen helaas niet concreet om Nederlands te leren. Dat voorstel krijgt de stem van de SP-fractie niet. 

De heer Van Zandbrink (PvdA):

Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris bedanken voor de uitvoerige beantwoording van de vragen. In mijn beleving is één vraag onvoldoende aan de orde geweest en die gaat over artikel 8, lid 7 over de mogelijkheden voor het verwerven van middelen bij belanghebbenden. Het is onduidelijk wat daarmee wordt bedoeld. Het gaat hier om mensen zonder werk en die moeten dat betalen. Ik krijg daarop graag nog een toelichting. 

Een belangrijk punt dat we in de discussie scherp hebben gekregen, is dat de gemeenten heel berekenbaar tegen betrokkenen moeten zijn. Aan het begin van het traject, wanneer de taalcursus met onvoldoende gevolg is afgelegd, moeten duidelijke afspraken worden gemaakt over de manier waarop de verbetering wordt ingezet, wat de voortgangsmomenten zijn en hoe wordt getoetst. Dan worden ook afspraken gemaakt over het aanbod van de gemeente. Dat is een belangrijk punt. Al met al zal ik mijn fractie, mede dankzij de beantwoording, adviseren om hier positief tegenover te staan. 

De voorzitter:

De staatssecretaris is in de gelegenheid om meteen te antwoorden. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Voorzitter. Wederom wil ik de woordvoerders van de Kamer bedanken voor de bijdragen in tweede termijn. Ik heb natuurlijk opgetekend wie reeds ja kan zeggen tegen dit wetsvoorstel en wie niet. Ik ga kort in op de verschillende opmerkingen. 

Ik constateer dat de heer Terpstra zegt dat wij het er allemaal over eens zijn dat het spreken van het Nederlands in Nederland van nationaal belang is en dat dit ook de onderliggende gedachte van dit wetsvoorstel is. De uitvoering van het wetsvoorstel is bij de gemeenten belegd. De heer Terpstra vindt de inspanningsverplichting als zodanig een voldoende inzet van het wetsvoorstel, want maatwerk blijft essentieel. Dat kan ik natuurlijk zeer beamen. 

Mevrouw Strik begon haar betoog met de opmerking dat ik haar niet heb kunnen overtuigen. Ik vind dat spijtig, maar soms is het leven zo. Mevrouw Strik heeft wel beklemtoond dat GroenLinks het uiteraard belangrijk vindt dat iedereen de taal onder de knie heeft. Bij haar is de essentie natuurlijk ook op welke manier dat vervolgens gebeurt. Daarover hebben wij niet dezelfde gedachtegang. Zij is niet overtuigd van de wijze waarop de gemeenten de hand aan de ploeg kunnen slaan. Zij meent dat de instrumenten daarvoor onvoldoende zijn. 

Mevrouw Strik heeft mij ook gevraagd hoe het nu precies zit met het vrije verkeer van werknemers in de Europese Unie. Het staat lidstaten natuurlijk vrij om met betrekking tot de bijstand taaleisen te stellen. De EU-richtlijn 2004/38 laat dit toe. De noodzaak om taalcursussen aan te bieden is er niet c.q. wordt niet voorgeschreven. Dat is de discretionaire bevoegdheid van gemeenten om in overleg met de betrokkenen inspanningen af te spreken. Ook in die context is dit wetsvoorstel dus voldoende getoetst. 

Mevrouw Strik heeft nog wel aangekaart dat de Eerste Kamer natuurlijk ook de toetsing aan de Grondwet onder haar hoede heeft. Dat kan ik alleen maar beamen. Zij heeft een motie ingediend over het passend aanbod en de financiën voor gemeenten, maar het zal geen verbazing wekken dat ik, indachtig mijn eerste termijn, de motie moet ontraden. Er zijn namelijk legio mogelijkheden om de taal te verwerven. Daar zijn we over en weer uitgebreid op ingegaan. De weg waarlangs behoort tot de beleidsvrijheid van de gemeenten in nauwe afstemming met de persoon in kwestie. De gemeenten hebben daar natuurlijk ook voldoende instrumenten voor. De motie moet ik dus ontraden. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Als ik de staatssecretaris zo hoor, lijken mij er niet zo veel argumenten te zijn om de motie te ontraden. Wij roepen het kabinet op, ervoor zorg te dragen dat gemeenten een passend aanbod bieden aan degenen die de taal moeten verwerven. De staatssecretaris zegt dat er legio mogelijkheden zijn en dat er dus altijd een passend aanbod bedacht kan worden. Vervolgens staat erbij dat de gemeenten daartoe in de gelegenheid moeten worden gesteld. De staatssecretaris zegt dat zij legio mogelijkheden hebben. Als zij daarachter staat, zou het mij een lief ding waard zijn als zij deze motie inderdaad van harte kon aanbevelen. 

Staatssecretaris Klijnsma:

Dan is het van tweeën een. Je kunt de motie op twee of misschien wel meer manieren lezen. Ik lees haar in ieder geval zo dat mevrouw Strik c.s. mij vraagt om inderdaad een passend aanbod te bieden en ook gemeenten daartoe financieel in de gelegenheid te stellen. Dan lees ik de motie zo dat mevrouw Strik mij vraagt om aanvullend middelen beschikbaar te stellen. Als dat niet zo is, is de motie eigenlijk overbodig en zou ik die formeel ook moeten ontraden. 

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Over dat passend aanbod zegt de staatssecretaris dat gemeenten maatwerk moeten leveren. Het gaat mij erom dat daarbij een passende voorziening hoort, dus dat er wordt afgesproken: dit hebt u nodig en dat krijgt u. Dat vraagt de motie. Daarbij staat: en de gemeenten daartoe financieel in de gelegenheid te stellen. Ik vind dat het meer aan de gemeenten en de staatssecretaris samen is om te bekijken wat gemeenten daarvoor nodig hebben en of zij inderdaad daartoe in de gelegenheid zijn. Ik druk mij niet uit in euro's, in bedragen. Het gaat mij erom dat de gelegenheid er is voor gemeenten om dat passende aanbod te doen. 

Staatssecretaris Klijnsma:

In de manier waarop wij met elkaar verkeren, moet glashelder zijn hoe de motie door het kabinet wordt geduid. Ik moet deze motie echt ontraden, omdat door mevrouw Strik en de andere ondertekenaars de invitatie wordt gedaan om met gemeenten in conclaaf te gaan. Deze motie zou de strekking kunnen hebben van een amendement — ik weet dat amendementen hier niet aan de orde kunnen zijn — omdat die natuurlijk ook financiële implicaties zou kunnen hebben. Mede daarom moet ik de motie ontraden. 

De heer Kok zegt net als wij allen dat de taal natuurlijk een basisvoorwaarde is om te kunnen participeren. Hij is op zichzelf blij met het actieprogramma Tel mee met Taal. Ik heb er ook kennis van genomen dat ik in mijn termijn de heer Kok en de PVV niet heb kunnen overtuigen om volgende week toch ja te kunnen zeggen tegen dit wetsvoorstel. Ik neem daar kennis van. De heer Kok zegt dat hij dit wetsvoorstel te vrijblijvend vindt. Het mag toch helder zijn dat doordat wij die inspanningsverplichting aan mensen voorleggen en doordat wij gemeenten verplichten om met de betrokkenen in conclaaf te gaan, vrijblijvendheid op die twee punten niet aan de orde is. Het is zoals het is. Ik hoop dat de heer Kok gaande de komende week toch nog op andere gedachten kan komen. 

Dat geldt ook voor de heer De Lange, die heeft gezegd dat hij met een positieve grondhouding dit debat inging en dat hij vindt dat het kabinet een visie op taalbeheersing ontbeert. Dat is echt niet aan de orde, want anders zouden wij dit überhaupt niet aan de orde stellen. Bovendien zouden wij de middelen niet fourneren die met Tel mee met Taal gepaard gaan. Ik ben dat dan ook niet met de heer De Lange eens. Ik hoop natuurlijk dat ook hij deze week nog kan benutten om door te denken over het al dan niet steunen van dit wetsvoorstel. 

Mevrouw Scholten is ook heel helder geweest. Zij zegt dat zij haar fractie niet positief kan adviseren. Zij is blij met Tel mee met Taal, maar zij vindt dat een resultaatsverplichting wel aan de orde is. Ik merk dat de meningen daarover zeer verdeeld zijn in uw Kamer. Daar neem ik kennis van. 

De heer Beckers zegt dat het jammer is dat niet helemaal helder is wat de vertrekpositie nu is, als het gaat om de onderliggende cijfers. Ik heb in mijn eerste termijn helder gemaakt dat de gemeenten dat natuurlijk niet hebben kunnen bijhouden, omdat die verplichting er nu helemaal niet ligt. Ik denk dat dat heel logisch is. Ik heb toegezegd dat ik na ommekomst van vier jaar uw Kamer en ook de Tweede Kamer zal informeren over de gang van zaken. 

Over de invoeringsdatum heeft de heer Beckers gezegd dat hij blij is met mijn inspanningsuitdaging om te kijken of ik 1 juli kan halen. Dat heb ik natuurlijk goed in mijn oren geknoopt, maar ik heb in mijn eerste termijn reeds gezegd dat tot het onmogelijke niemand gehouden is, dat ik de gemeenten, onze medeoverheden, natuurlijk niet wil maltraiteren en dat het goed gebruik is dat je hun een invoeringsperiode gunt. Ik doe mijn best. 

De heer Beckers (VVD):

Dat "ik doe mijn best" klinkt alweer vriendelijker, maar de opmerking "niemand is gehouden tot het onmogelijke" bracht mij hier aan de microfoon. Ik hoop dat dat niet het uitgangspunt van de staatssecretaris is. Ik hoop dat zij tot haar uitgangspunt maakt: ik ga dat realiseren en ik zorg ervoor dat die wet op 1 juli in werking treedt. Onverhoopt kan er wellicht hier of daar nog een hobbel zijn die nu niet te voorzien is en die ons tot een andere eindconclusie brengt, maar daar gaan wij niet van uit, toch? 

Staatssecretaris Klijnsma:

Volgens mij zeggen de heer Beckers en ik hetzelfde. Ik weet zeker dat ook de heer Beckers goed met gemeenten wil omgaan, want zo zijn wij. Dat doen wij altijd met medeoverheden. Wij moeten gewoon kijken of dat in de tijd past. 

Er was nog een vraag van de heer Beckers over het al dan niet limitatief zijn. Ik heb een aantal voorbeelden genoemd in de memorie van antwoord. Dat is in die zin niet limitatief; dat is ook helder. Gemeenten houden natuurlijk altijd beleidsvrijheid bij het inkleuren van de positie van de mensen die bij hen aankloppen. 

De heer Elzinga heeft gezegd dat ook hij de meerwaarde van deze wet niet ziet, net als een aantal andere woordvoerders. Ik neem daar kennis van. 

De heer Elzinga heeft nogmaals gevraagd naar de omvang van de doelgroep. Ik heb er nu net weer richting de heer Beckers iets over gezegd. Wij zijn ervan uitgegaan dat om en nabij 400 uitkeringen dan niet meer verstrekt hoeven te worden en dat dit een ruimte oplevert van 5 miljoen. Dat is echter een aanname, dus daar ben ik ook heel ruiterlijk in. 

Last but not least kom ik bij de heer Van Zandbrink, die nog een vraag heeft gesteld over het verwerven van middelen en deze doelgroep. Ook dat is iedere keer opnieuw weer maatwerk. Iedere keer opnieuw bekijkt een gemeente hoe iemand erbij zit in de context van wat hij verder zelf kan entameren. Het is goed dat de heer Van Zandbrink dat nog een keer onder de aandacht heeft gebracht. 

Voorzitter. Ik ben daarmee aan het eind gekomen van mijn betoog. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Ik kom tot de afhandeling van het wetsvoorstel. Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel? Dat is het geval. Ik stel voor, volgende week dinsdag over dit wetsvoorstel en over de motie te stemmen. 

Daartoe wordt besloten.