Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal1999-2000nr. 26, pagina 1205-1241

Aan de orde is de gezamenlijke behandeling van de wetsvoorstellen:

Wet Inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001) (26727);

Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (26728).

De voorzitter:

Alvorens het woord te geven aan de heer Stevens deel ik mee dat hij bij het kijken naar een hockeywedstrijd geblesseerd is geraakt en dat hij daarom het grootste gedeelte van zijn inbreng overeenkomstig artikel 84, eerste lid – dat ik minder pleeg aan te halen dan artikel 84, tweede lid – vanaf zijn zitplaats zal uitspreken. Hoewel ik weet dat u allen de artikelen 84, eerste en tweede lid kent, deel ik met het oog op de publieke tribune mede dat artikel 84, eerste lid bepaalt, dat de leden het woord voeren vanaf de spreekplaats tenzij de voorzitter hun verlof geeft, vanaf een andere plaats in de vergaderzaal te spreken. Dat verlof heeft de heer Stevens dus. Van het tweede lid wordt overigens niemand ontslagen; dat houdt namelijk in, dat de leden zich richten tot de voorzitter.

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Stevens (CDA):

Voorzitter! Allereerst mijn dank voor de uitleg die u aan de Kamer heeft gegeven. Dat bespaart mij de uitleg waarom ik hier met twee stokken ben verschenen. Dat heeft niets te maken met het hartelijk welkom dat ik wil uitspreken vanaf deze plaats namens onze fractie en, naar ik aanneem, namens de hele Kamer aan de bewindslieden van Financiën en met name aan de nieuwe bewindsman, de staatssecretaris, die wij voor het eerst hier verwelkomen. We weten, dat hij in de Tweede Kamer al zeer betrokken is geweest bij deze wetsvoorstellen en wij verheugen ons op een constructieve gedachtewisseling.

Voorzitter! Ik zal nu gebruikmaken van dat bepaalde artikel in het Reglement van orde!

Van Pierson tot Zalm! Het was minister van Financiën Pierson die een eeuw geleden de gedachte van een fictieve rendementsheffing introduceerde. Dat was in een tijd dat de belastingheffing nog niet zo ontwikkeld was en gebruikt werd als een instrument ter bevordering van maatschappelijk gewenst gedrag. Thans, in een tijd waarin rechtvaardige belastingdruk centraal staat, grijpt de regering weer naar dit paardenmiddel, dat een van de pijlers is van het nieuwe systeem. Het kan verkeren!

De CDA-fractie wil het debat voeren op hoofdpunten en aandacht geven aan de volgende onderwerpen: de plaats van deze ingrijpende wetswijziging in de context van de hervormingspogingen van de afgelopen vijftien jaar, een korte analyse van wat nu werkelijk nieuw is en wat blijft, een toetsing van het eindproduct aan de door de regering zelf gekozen uitgangspunten, een contourenschets voor de toekomst en ten slotte een toetsing van het wetsvoorstel aan de drie o's, die wij al in de schriftelijke inbreng hebben aangereikt, de o's van ongelijke behandeling, overkill en overgangsrecht.

Allereerst zal ik iets zeggen over de geschiedenis van de belastinghervorming. Het is buitengewoon interessant om wat zich hier vandaag afspeelt nog eens te bezien in de context van wat zich in de laatste vijftien jaar heeft afgespeeld. We hebben in de vorige eeuw vijf belastinghervormingcommissies aan het werk gehad, maar de meest relevante voor onze discussie is de commissie-Oort. De commissie-Oort had volstrekt andere uitgangspunten en een veel beperkter gezichtsveld dan die welke blijken uit de wetsvoorstellen die thans voor ons liggen. Centraal bij die poging, althans bij dat advies, stond de vereenvoudiging. Centraal stond ook de tariefsstructuur. Bijna bleef het daarbij. De eenvoud zou zich naar het oordeel van deze commissie vertalen in een zo lang mogelijke eerste schijf, zodat er één tarief zou zijn voor plusminus 80% van de belastingplichtigen. Dat zou in feite betekenen, dat voor deze belastingplichtigen de eenvoud haar top had bereikt. Het belangrijke advies van de commissie-Oort, dat ook opgevolgd is, houdt in: het terugbrengen van het aantal tariefsschijven van negen naar drie door middel van een samenvoeging van belastingen en premies. Deze commissie gaf al haar adviezen op een budgettair neutrale basis, hetgeen resulteerde in een toptarief van 65%.

De opvolgende hervormingscommissie heeft die lijn doorgezet. Ook daar stond de vereenvoudiging centraal, ook daar een lange eerste schijf, maar slechts twee schijven met tarieven van 33% en 55% en ook hier de gedachte: hoe langer de schijf hoe eenvoudiger het systeem. Die tariefverlaging en die twee schijven waren alleen mogelijk dankzij een heffingskorting. Een volgende aanbeveling van deze commissie was één loonbegrip voor loonbelastingen en werknemersverzekeringen introduceren, omdat dit ongetwijfeld belangrijke vereen- voudigingswinst zou betekenen.

Het meest opvallende van al deze pogingen, die zich in de vorige eeuw hebben afgespeeld, is dat zij draaien rondom de belastingcomponent. Dat is merkwaardig, want de eerste schijf, waarin circa 80% van de belastingplichtigen zit, bestaat voor vier vijfde uit premies en slechts voor een vijfde uit belastingen. Het is opvallend dat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in die context eigenlijk altijd buiten schot is gebleven, althans voorzover men dat kon waarnemen.

Nederland heeft door deze zeer vreemde opbouw eigenlijk een van de laagste belastingtarieven in Europa, althans in de eerste schijf. Dit realiseren wij ons nog te weinig. Nadat de voorstellen van de commissie-Oort tot wetgeving waren verheven, had men op Financiën dan ook de grote zorg dat de premies de belastingen uit de eerste schijf zouden verdringen. Men achtte dat buitengewoon ongewenst, omdat belastingen uiteindelijk door iedereen betaald moeten worden. Men vindt namelijk, en terecht, dat iedereen moet bijdragen aan de bekostiging van alle algemene voorzieningen. Deze zorg is nu min of meer weggenomen, maar de prijs ervoor is, dat wij thans de fondsen gaan compenseren uit de belastingopbrengst en dat is een eerste stap op de weg naar fiscalisering.

Een tweede fenomeen van de afgelopen vijftien jaar was de grote angst bij bepaalde maatschappelijke partners voor vereenvoudiging door middel van harmonisatie van het loonbegrip voor belastingen en werknemerspremies, hetgeen een logische tweede stap zou zijn na de adviezen van de commissie-Oort. Op zichzelf was dit misschien nog wel te begrijpen, maar onderschat is eigenlijk gebleven wat de vereenvoudigingswinst is wanneer dat loonbegrip wordt geharmoniseerd. Uiteindelijk betekent dit namelijk dat men niet alleen één rechtsgang kan introduceren, dat men het loonbriefje voor de belastingplichtige aanzienlijk doorzichtiger maakt, maar dat ook de werkgevers, dus het bedrijfsleven, minder administratieve lasten over zich heen krijgen, kortom, dat men met één rechtsgang en straks met wellicht één afdracht en één inninginstantie een enorme vereenvoudiging bereikt. Een droom? Nee, niet meer. Het onderwerp was lange tijd taboe, ook voor de hervormers Zalm en Vermeend, maar hier breekt de zon door. De commissie-De Boer heeft recent aanbevelingen gedaan om deze harmonisatie te realiseren en thans lijkt deze gedachte een positief onthaal te krijgen, op zijn minst bij de huidige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid! Wij volgen dat met grote belangstelling.

De conclusie van dit alles is dat in het algemeen belastinghervormingen in dit land een lange incubatietijd en een positieve maatschappelijke grondhouding, uiteraard gesteund door een politieke grondhouding, nodig hebben. Hiermee stuiten wij op het meest merkwaardige fenomeen van deze hervorming. Er was geen enkele interesse vanuit de wetenschap of van een of andere lobby, uit welke hoek dan ook, die om grote hervormingen vroeg toen de bewindslieden Zalm en Vermeend aan hun "verkenning" begonnen. Ik meen dat drie factoren voornamelijk hebben geleid tot het document waarover wij thans ons oordeel gaan vellen, te weten het nieuwe-eeuwgevoel – men wilde toch iets nieuws doen – de politieke weerzin tegen het gebruik van allerlei constructies terzake van sparen en beleggen en niet in het minst en zeker niet in de laatste plaats de inzet van de bewindslieden, die op hun eigen wijze een "sense of urgency" hebben weten te creëren en daarmee uiteindelijk deze wetsvoorstellen in dit huis hebben weten te landen.

Aardig is dat zij onconventioneel zijn omgegaan met het belastinghervormingsproces. Zij hebben nieuwe elementen geïntroduceerd in de heffing die tot dan toe ondenkbaar waren. Ik noem de introductie van analytische elementen en de introductie van een fictieve rendementsheffing. In deze context veroorloof ik mij een anekdote – het is geen anekdote, het is waar gebeurd – uit de commissie-Oort, die uiteraard ook naar de analytische heffing heeft gekeken en vervolgens prof. De Kam heeft afgevaardigd om een studie te doen in welke andere landen een analytische heffing reeds ingang had gevonden. Hij kwam terug met het verhaal dat vooral de landen Rwanda en Burundi zich bedienden van dit stelsel, waarmee de discussie in de commissie was gesloten en niet meer is heropend totdat de bewindslieden zelf met dit voorstel kwamen! Ook al zijn de wijzigingen en de belastingopbrengsten misschien niet zo ingrijpend, toch zijn wij van oordeel dat deze operatie op zichzelf zeer belangrijk is, omdat zij een ingrijpende omwenteling betekent in het fiscaal denken en veel heeft losgemaakt van wat in het verleden platgetreden paden waren. Dat is belangrijk, want het maakt de geesten rijp voor fiscale aanpassingen die vroeg of laat nodig zijn in Europa.

Wat is nieuw aan dit systeem? Ik heb net de twee belangrijkste elementen al genoemd: de analytische elementen en de fictieve rendementsheffing. Twee grote aftrekposten vervallen; dat moeten wij ons goed realiseren. Na Oort, waarmee de AOW-premie verviel, vervallen nu de vrije som en het arbeidskostenforfait. Met name de vrije som is de laatste echte grote aftrekpost die omgeruild kan worden, in dit geval voor een heffingskorting, een tariefverlaging en uiteraard een arbeidskorting. Verder is sprake van een beperkte grondslagverbreding. Men verkijkt zich altijd weer op de mogelijkheden van de grondslagverbreding. Ik kan u verzekeren dat na deze ingreep praktisch geen tariefverlaging meer te bereiken is, omdat wij mogen aannemen dat de twee grootste aftrekposten die intact blijven, de hypotheekrente en de pensioenpremies, thans de status van monumentenzorg hebben bereikt. Alle andere aftrekposten dragen nauwelijks bij aan tariefverlaging via grondslagverbreding.

Wat wel blijft, is box I, de grootste doos. Ik hoor graag van de bewindslieden waarom zij hebben gemeend een Engelse term te moeten introduceren, terwijl het Nederlandse woord "doos" zich hiervoor uitstekend had geleend. In box I – ik zou eigenlijk moeten spreken over een sigaar uit eigen doos – gebeurt natuurlijk niet zoveel. Toch zit 95% van de Nederlandse belastingplichtigen daarin. Ik hoor het nog wel.

Ik kom bij de kwaliteit van de wijziging. Ik heb al genoemd dat circa 95% van het nationaal belastbaar inkomen in de eerste schijf blijft. Daar verandert weinig. Wel is sprake van een andere aanpak van sparen en beleggen. Er vindt echter geen hervorming van de sociale verzekeringen plaats. Dat zal op ons af moeten komen en zal vroeg of laat een discussie oproepen over fiscalisering; die kan niet uitblijven. De harmonisatie van het loonbegrip staat nu waarschijnlijk op de rails dankzij de commissie-De Boer. De voorstellen staan haaks op de ontwikkelingen in Europa, met name wat de vermogensrendementsheffing betreft. Een analytische aanpak vindt meer opgeld in Europa, maar toch nog vrij beperkt.

Ik wil de voorstellen toetsen aan de eigen uitgangspunten van de regering, althans de belangrijkste daarvan. Het eerste uitgangspunt is verlaging van de lastendruk op arbeid. Dat is gebeurd en is heel belangrijk, maar het gaat ten koste van hogere indirecte belastingen, inclusief milieuheffingen, die met name aan de onderkant hard aankomen en moeilijk te ontwijken zijn.

Vervolgens noem ik de robuustheid. Door meer te mikken op indirecte belastingen en door de BTW te verhogen wordt het stelsel robuuster en in de ogen van sommigen wellicht wat onrechtvaardiger.

Het aardige in de discussie is de vraag of de BTW wel zo'n robuuste heffing is. Ik wijs op de ontwikkelingen van het internet en ik heb geluisterd naar de opmerking van de minister in Nijenrode een paar weken geleden. Wij weten dat het internet op zijn minst voor een deel ongrijpbaar voor de BTW is. Dan moet je je afvragen of de loonbelasting eigenlijk niet minstens zo'n robuuste post is. Het is een post die het grootste deel van box I beslaat, waar men ook moeilijk van wegkomt en die bovendien, zeker als de aftrekposten wat verder worden ingeperkt, ook de kwaliteit van een robuuste heffing krijgt.

Een andere toets was de evenwichtige en rechtvaardige belastingdruk. Ook hier past een genuanceerde reactie. Arbeid wordt zwaarder belast dan vermogen. Er is geen verliesverrekening tussen de boxen. Er zijn geen bijzondere tarieven. Er is geen aftrek van de kosten van verwerving. Dat is de prijs die meer voor de robuuste elementen dan voor de rechtvaardige elementen moet worden betaald. Enkele gedachten zijn zonder meer vereenvoudigend. De fictieve rendementsheffing valt daaronder. De uitwerking is echter bijzonder gecompliceerd.

Waar zal de discussie ons in de toekomst toe leiden? Die vraag is interessant omdat de voorzet al in de Tweede Kamer is gegeven. Er is zelfs al een motie aangenomen om te kijken of er niet één tarief kan worden geïntroduceerd. Dat is ook een gedachte die tot voor kort ondenkbaar was. In de toekomstdiscussie zullen de volgende punten aan de orde komen. De fiscalisering is ingezet, zeker wanneer de tekorten in de sociale verzekeringen worden aangezuiverd uit de belastingen. Ik noem de weg naar één tarief en de weg naar harmonisering van het loonbegrip. Als de loonbelasting een robuustere heffing wordt, zal ook de loonsomheffing binnen handbereik komen. Dit zou een echte vereenvoudiging zijn.

Voorzitter! Voordat ik met de inhoudelijke beoordeling van de voorstellen begin, dank ik de bewindslieden voor hun open opstelling tegenover deze Kamer. De minister gaf een voorzet door tijdens het vooroverleg met de Kamercommissie ongevraagd de onverwachte schoonheid van de veegwet te memoreren. De komst van de staatssecretaris naar de vaste Kamercommissie was een positief signaal, dat zich vertaalde in een handreiking in de nota naar aanleiding van het verslag, waarin wordt gesteld dat het bijzondere karakter van het wetgevingsproces enige ruimte laat om onderwerpen die in de Eerste Kamer naar voren komen, ook aan de orde te stellen in de Tweede Kamer. Wij stellen dat op prijs, omdat onze fractie deze belastinghervorming niet ziet als een prestigeproject, maar als een project van nationaal belang. Dat is reden temeer om de knelpunten, die inmiddels kamerbreed zijn gesignaleerd, in deze plenaire behandeling alle aandacht te geven.

In onze schriftelijke inbreng hebben wij ervoor gekozen, de wetsvoorstellen te toetsen aan drie criteria: gelijke behandeling, overkill en het overgangsrecht. Wij trekken deze lijn naar de plenaire behandeling door en willen er een vierde "o" aan toevoegen, namelijk die van onrust. Het blijkt dat de wetsvoorstellen groeiende onrust oproepen bij diverse groepen belastingplichtigen, maar ook bij het bedrijfsleven en uitvoeringsinstanties. In het oog springen daarbij onderwerpen als de meesleepregeling, de afschaffing van de eerbiedigende werking voor lijfrentepolissen, de groenfondsen, de invoeringsproblematiek en de pensioengatsituatie. Daar waar deze onrust grote proporties aanneemt, is het van belang de oorzaken te analyseren en waar mogelijk passende oplossingen aan te dragen. Wij willen daar graag een bijdrage aan leveren.

Ik kom op de gelijke behandeling. Wij hebben moeten constateren dat dit wetsvoorstel op een aantal punten op gespannen voet staat met het beginsel van gelijke behandeling. Dit komt prominent in beeld bij onderwerpen als de fiscale behandeling van de pensioen- en lijfrenteverzekeringen en de meesleepregeling. Het heeft ons betreurd dat wij op deze problematiek tot op heden een weinig positieve reactie hebben mogen ontvangen. Het beginsel van gelijke behandeling heeft zich een plaats verworven in de jurisprudentie en zal zeker een rol spelen wanneer de nieuwe wetgeving door de rechter zal worden getoetst.

Met betrekking tot de oudedagsvoorziening zien wij duidelijk een anomalie. Indien men in principe geen verschil wil tussen de tweede en de derde pijler, dan moet men ook niet toelaten dat in de tweede pijler een pensioen van 70% reeds op 60-jarige leeftijd kan worden bereikt en in de derde pijler niet. Dat betekent dat met name kwetsbare groepen zoals de kleine zelfstandigen geen aanvullende oudedagsvoorziening kunnen opbouwen om eerder met pensioen te gaan, terwijl dit in de tweede pijler wel mogelijk is. De stelling van de bewindslieden dat oprekking van de derde pijler ten koste van de tweede pijler zou moeten gaan, is in strijd met de stellingname bij de Wet fiscale behandeling in dit huis. Deze is per 1 juni 1999 aangenomen. In de nota naar aanleiding van het verslag erkennen de bewindslieden dat eenieder in staat moet worden gesteld om fiscaal gefacilieerd een goede oudedagsvoorziening bij elkaar te sparen, waarbij hetgeen in de tweede pijler gebruikelijk is, de maatstaf vormt. Het komt ons voor dat daaronder ook valt de mogelijkheid om in 35 jaar een oudedagsvoorziening op te bouwen van 70% van het laatste salaris, ingaande op 60-jarige leeftijd. De vraag is of hier geen sprake is van koudwatervrees die geneutraliseerd kan worden, temeer omdat wij leven in de wetenschap dat het pensioenconvenant en de budgettaire neutraliteit – de bewindslieden hebben die zelf als randvoorwaarde aangereikt bij deze discussie – uiteindelijk altijd kunnen worden doorgetrokken naar de lijfrenteverzekeringen voor zelfstandigen, al was het maar op basis van het gelijkheidsbeginsel!

Voorzitter! Een tweede onderwerp dat bij meer fracties in dit huis veel aandacht vraagt, is de meesleepregeling. Ook hier komt het gelijkheidsbeginsel prominent aan de orde. Wij zijn de bewindslieden erkentelijk dat zij vanuit hun positie de ruimte creëren om zich in deze kwestie kwetsbaar op te stellen. Dat siert hen. Wij willen van onze kant ook graag een positieve bijdrage aan deze discussie leveren, in de hoop dat de door alle partijen gewenste constructieve gedachtewisseling in dit huis zal leiden tot een herbezinning op dit fenomeen, zodat het opnieuw kan worden geëvalueerd. Daar is ook alle aanleiding toe. Iedereen die nog eens terugkijkt naar de wetsgeschiedenis in de Tweede Kamer, ziet dat de bal op en neer is gegaan en dat er diverse voorstellen zijn ingevoerd en uitgevoerd, totdat uiteindelijk bij de vierde nota van wijziging dit voorstel zijn uiteindelijke vorm heeft gekregen. De principiële problemen zijn bekend. Ik voeg daar nog aan toe dat er eigenlijk een vermogenswinstbelasting wordt ingevoerd en dat dit in strijd is met het dragende beginsel van de vermogensrendementsheffing. Bovendien zou die belasting ook maar één groep regarderen. Ook zijn er in de discussie en de literatuur veel praktische problemen geconstateerd.

Waar wij ons buitengewoon aan storen, is dat starters en familiebedrijven het slachtoffer worden, omdat zij onherroepelijk minder zachte financiering zullen krijgen vanuit de familiekring. Men zal toch eerder kiezen voor box III en leasing dan voor box I. Ook in de uitvoeringssfeer komen er grote problemen vanwege de eis dat er een nieuwe taxatie zal moeten plaatsvinden van alle ter beschikking gestelde activa. Ik verwijs hierbij naar het antwoord dat ik van de minister van Justitie heb gekregen op een vraag die ik onlangs heb gesteld over de WOZ en de niet geringe achterstanden bij de gerechtshoven. Er zal gegarandeerd ook veel jurisprudentie komen over het gelijkheidsbeginsel. De onzeker heid die daarvan uitgaat, hangt jarenlang boven de markt en zal ten koste gaan van de bedrijfsfinanciering van het MKB en de starters. Wij hebben kennis genomen van de uitgebreide reactie hierop van de bewindslieden in de nota naar aanleiding van het verslag. Die reactie was buitengewoon nuttig, omdat wij daardoor inhoudelijk met elkaar kunnen discussiëren.

In de bijdrage die wij leveren, willen wij zoeken naar een mogelijkheid om overkill en misbruik te voorkomen. Dat wil niet zeggen dat hiermee een stellingname tegen arbitrage verwacht moet worden. Arbitrage bestaat op zichzelf in het belastingrecht. De vraag is alleen of het niet een excessieve vorm aanneemt, waardoor het de richting van misbruik uitgaat. Dat moet namelijk niet kunnen. Zolang men evenwel accepteert dat een ondernemer het recht heeft om een eigen rechtsvorm te kiezen die fiscaal anders wordt behandeld, bijvoorbeeld een BV, zullen er verschillen zijn en blijven met de zelfstandige IB-ondernemer. Daar is niets mis mee, mits er maar op "armslengte"-basis wordt gehandeld tussen aandeelhouder en vennootschap. En die eis ligt al jarenlang verankerd in het systeem en in de jurisprudentie. Men kan ook voor totale neutraliteit kiezen. De BV wordt dan fiscaal transparant, waardoor het probleem ook is opgelost. Die stap hebben de bewindslieden echter niet willen of niet kunnen zetten. Daarmee lokken zij ook zelf arbitrage uit, omdat men natuurlijk zijn weg gaat zoeken. De vraag is dus of er oplossingen zijn die tegemoetkomen aan de bezwaren die de bewindslieden hebben. Het is bekend dat wij er voorkeur voor hebben – daarmee sluiten wij van harte aan bij de stellingname van de VVD – dat deze bedrijfsmiddelen in box III worden geplaatst en dat verder hetzelfde regime wordt gevolgd als wanneer deze bedrijfsmiddelen ter beschikking zouden worden gesteld aan derden. Wij hebben toch gedacht of er nog een soort tussenoplossing zou zijn, die weliswaar technisch misschien niet zo mooi is, maar die wel tegemoet komt aan de gedachten van de bewindslieden. Wij denken daarbij aan de mogelijkheid, de netto inkomsten exclusief de vermogenswinsten uit het ter beschikking gestelde vermogen te belasten naar het tarief van box I, met dien verstande dat bij vervreemding de vervreemdingswinst wordt belast in box III. Als de bewindslieden dan nog bang zijn voor arbitrage, zou kunnen worden bepaald dat in het jaar van vervreemding de box die de hoogste belastingopbrengst genereert, prevaleert. Ik denk dat men dan tegemoet komt enerzijds aan de zorg voor arbitrage, omdat in het dagelijks verkeer van de terbeschikkingstelling de terbeschikkingsteller wordt geconfronteerd met het progressieve tarief in de eerste schijf – dat loopt dus door – en dat je aan de andere kant ook tegemoet komt aan de basisgedachte van het systeem dat vermogensbestanddelen thuishoren in box III. Ik indiceerde daarnet al dat daarbij geen sprake hoeft te zijn van arbitrage. Met andere woorden: als in een bepaald jaar box I onverhoopt meer oplevert aan belasting dan box III in het jaar van de vervreemding, laat box I dan maar prevaleren. Dan zal in ieder geval niemand kunnen zeggen dat er in dat jaar wordt gearbitreerd. Ik verzoek de bewindslieden over dit alternatief na te denken. Het doet overigens niets af aan ons basisuitgangspunt, maar misschien is het een mogelijkheid om de discussie een verdere dimensie te geven.

Voorzitter! Het tweede punt waarop wij de voorstellen hebben getoetst, is de overkill. Wetgeving die dat soort betiteling uitlokt, verdient nadere bezinning. In onze schriftelijke bijdrage hebben wij een vrij groot aantal gevallen geïdentificeerd, waarbij elementen van overkill zijn te constateren. Ik noem ze in willekeurige volgorde: dividend stripping, surtax groenfondsen, het begrip uiteindelijke gerechtigde voor de dividendbelasting, de materiële fusie-eis, het verlies bij aanmerkelijk belang, de afschaffing bijzonder tarief, de afschaffing aftrekbare kosten van verwerving, de landbouwvrijstelling, de meetrekregeling, sommige bepalingen met betrekking tot verzekeringen en de man-vrouwfirma. Niet alle aspecten daarvan zijn uiteraard overkill, maar zij hebben wel elementen daarvan.

Het doet ons genoegen dat de bewindslieden op een aantal punten een tegemoetkomende benadering van de zijde van het kabinet hebben getoond, althans de bereidheid om hierover van gedachten te wisselen met de Eerste Kamer. Ik doel op met name op het verlies aanmerkelijk belang, de meetrekregeling en de dividend stripping. Met name op het laatste punt zijn we geïnteresseerd van de bewindslieden te vernemen, wat de laatste stand van zaken is met betrekking tot de discussie daarover met het bankwezen. Des te minder begrijpen wij, waarom de bewindslieden zo krampachtig vasthouden aan hun standpunt inzake de materiële fusie-eis, naar aanleiding van het arrest Leur-Bloem. Het zal ongetwijfeld leiden tot nieuwe jurisprudentie, met vele jaren van onzekerheid voor de praktijk.

Voorzitter! Ik wil een drietal punten aan de orde stellen in het kader van deze toetsing. Allereerst de bijzondere tarieven, een onderwerp dat ook in de Tweede Kamer uitgebreid aan de orde is gekomen, en een onderwerp dat het bedrijfsleven raakt. Wij denken hierbij aan bijzondere tarieven bij staking en bij overlijden. Ook andere fracties vragen hiervoor aandacht. Het kabinet rechtvaardigt de afschaffing met een beroep op overleg met het bedrijfsleven. Het kabinet kan dit doen, maar de vraag is natuurlijk of het op de weg van het bedrijfsleven ligt, op te komen voor de versterking van het ondernemerschap. Ik denk dat dat kan, maar het ligt op de weg van het kabinet om op te komen voor de zwakkere ondernemer die het slachtoffer wordt van deze afschaffing. De vraag is dan ook, of er geen tegemoetkoming mogelijk is. Weliswaar is een geringe tegemoetkoming toegezegd in de vorm van een betalingsregeling, en verder noemen de bewindslieden de doorschuiffaciliteit, de stakingslijfrente, de middelingsregeling en de 60%-waardering van de bedrijfswoning waarin de achtergebleven partner blijft wonen. Dat kunnen faciliteiten zijn, maar dat hoeft niet, want dat hangt af van de omstandigheden. Wij vragen de bewindslieden, hoe zij staan tegenover de gedachte, een bijzonder tarief voor staking en overlijden in te voeren van bijvoorbeeld 30%, waarop alleen een beroep kan worden gedaan als de andere faciliteiten niet of niet volledig kunnen worden gebruikt. Het budgettair belang van een dergelijke benadering is waarschijnlijk gering, het is eenvoudig te hanteren en het vormt geen inbreuk op het systeem.

Een tweede punt dat wij aan de orde willen stellen, is het verlies bij het aanmerkelijk belang. Wij hebben reeds in het voorlopig verslag opgemerkt, dat wij het een onbevredigende uitkomst vinden dat AB-verliezen niet kunnen worden verrekend met de inkomstenbelasting uit box I via een tax-creditsysteem. Wij hebben aangegeven, dat verliesverrekening via een tax-creditsysteem volledig losstaat van het analytisch systeem, dat immers alleen bestaat uit een aparte grondslag en een apart tarief. Tax credit vindt plaats op een hoger niveau, namelijk op dat van de belastingschuld. Wij menen dat er mitsdien geen technische bezwaren zijn, zoals de reactie van de bewindslieden schijnt te indiceren. Wij zijn wat dat betreft in lijn met de positie van de collega's van de PvdA- en de VVD-fractie in dit huis. Ook wij ondersteunen de gedachte dat de mogelijkheid wordt gecreëerd een verlies uit aanmerkelijk belang bij het einde van het aanmerkelijk belang, te weten het einde van box II, te verrekenen via een belastingkorting met de belasting over het inkomen uit box I en uit box III. Wij merken wel op dat dit meer dan "een keer per leven" zou kunnen plaatsvinden. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt over een keer per leven gesproken, maar het zou technisch gesproken natuurlijk wel twee keer kunnen gebeuren. Wij willen nadrukkelijk onderstrepen dat daarmee geen belastingbesparende constructies mogen worden gecreëerd of dat daarvan oneigenlijk gebruik kan worden gemaakt, noch dat er onbedoelde precedentwerking van uit zou mogen gaan.

Een derde punt in het kader van de overkill is de meetrekregeling. Ook deze regeling heeft reeds aanleiding gegeven tot hilariteit in de fiscale vakpers, hetgeen een uitzondering is, maar ze vertoont wel elementen van overkill. Ook hierbij mag ik tot ons genoegen constateren, dat de bewindslieden op dit punt de discussie met dit huis willen openen, hetgeen wij op prijs stellen. Wij hebben dan ook al een eerste voorzet gedaan in onze bijdrage en ons afgevraagd of het niet mogelijk is dat er op z'n minst afstemming komt tussen de familiegroepen die worden genoemd in artikel 5.4.1.2a en in de vergelijkbare regeling in artikel 3.4.1.2 door het schrappen van de duurzaam gescheiden levende echtgenoot. De bewindslieden repliceren dan dat het niet mogelijk is dat te realiseren zonder in voorkomende gevallen het positieve belang voor de fiscale begeleiding van echtscheiding van AB-houders te verliezen. Wij plaatsen daar een vraagteken bij. Als dat de wens is, is er, naar ik aanneem, een mogelijkheid om die anomalie te elimineren. Wij zien de reacties op dat punt graag tegemoet.

De derde toets betreft het overgangsrecht. Zoals bekend, hechten de leden zwaar aan begrippen zoals "terugwerkende kracht", "eerbiedigende werking" en "nakoming van toezeggingen". Het is de plicht van deze Kamer om wetsvoorstellen te toetsen, met name op doelmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. De voorgestelde afschaffing van de aftrek premies lijfrentepolissen van vóór de brede herwaardering was aanleiding voor onze fractie om de waarde van toezeggingen en de eerbiedigende werking eens fundamenteel aan de orde te stellen in deze discussie. De bewindslieden wijzen in hun antwoord op een driedeling. Zij stellen dat er toezeggingen zijn met een algemeen beleidsmatig of politiek karakter, dat er concrete toezeggingen zijn die de staatssecretaris kan doen als medewetgever over in behandeling zijnde wetsvoorstellen, en dat er specifieke toezeggingen kunnen zijn over de invoering van voorgestelde maatregelen in bepaalde gevallen. Wat er ook zij van deze onderverdeling, de bewindslieden stellen duidelijk dat een toezegging de wet niet te veranderen, nooit een juridische strekking kan hebben. Naar ons oordeel is dat in dit geval ook niet aan de orde. Terzake van de afschaffing van de aftrek lijfrentepremies is uitsluitend sprake van het nakomen van een toezegging inzake eerbiedigende werking voor bestaande contracten. Dat laat onverlet, dat de wet als zodanig dan kan worden veranderd. Ook toen deze toezegging werd gedaan, werd de wet veranderd en maakte men een uitzondering voor deze polissen. Waarom zou dat niet ook bij een tweede wetswijziging kunnen geschieden? Met andere woorden: het is mijn indruk dat wij nog geen antwoord van de bewindslieden hebben ontvangen op de kernvraag of in situaties waarin zonder enig voorbehoud een concrete toezegging wordt gedaan over lopende contracten, die toezegging kan worden ingetrokken door een nieuwe wetswijziging. Wij willen daarover graag met hen discussiëren in dit debat.

Onlangs hebben wij een opinie ontvangen van de hand van het kantoor Loyens & Loeff, dat in onvoorwaardelijke termen aangeeft dat het standpunt van het kabinet in strijd is met het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel en dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de belastingrechter een beroep op het vertrouwensbeginsel zal honoreren. Dit is een nieuw feit dat in de Tweede Kamer en tot op heden in deze Kamer niet mede in de overwegingen betrokken is geweest. Wij mogen er van uitgaan dat deze kwestie in rechte wordt uitgevochten, al was het maar bij wijze van proefproces. Dat betekent dat de budgettaire opbrengst van deze heffing in feite ter discussie staat. Wij vragen ons af of het ter voorkoming van dit soort procedures en onduidelijkheid niet mogelijk is met een inventieve benadering te komen om een stap voorwaarts te zetten in deze impasse. Wij denken hierbij aan de mogelijkheid van het kabinet de Hoge Raad te vragen een – niet bindend – advies uit te brengen over de algemene rechtsvraag in hoeverre toezeggingen over de eerbiedigende werking van lopende contracten kunnen worden ingetrokken door latere nieuwe wetgeving. Dit zal op korte termijn een belangrijke indicatie voor de toekomst kunnen geven en wellicht behulpzaam zijn om een lange periode van rechtsonzekerheid te voorkomen.

Voorzitter! De CDA-fractie heeft terzake van de eigen woning aandacht gevraagd voor een drietal knelpunten die naar haar oordeel inbreuk maken op de uitgangspunten in het regeerakkoord om de bestaande fiscale behandeling van de eigen woning voort te zetten. Het betreft hier de onderhouds- of verbeteringskosten, gefinancierd met vreemd vermogen, de bijgeleende rente over de periode 1 januari 1996 t/m 31 december 2000 en het verlies van de volledige aftrek van hypotheekrente bij verhuizing. Wij vonden bij de bewindslieden gehoor voor onze opmerkingen. De bewindslieden maakten gewag van een sympathieke gedachte, wat wij als een handreiking zien voor het voeren van deze discussie.

De bewindslieden bevestigen dat de onderhoudsschulden vanaf 1 januari 2001 gestaafd moeten worden door schriftelijke bewijzen. Dat staat in de wet. De vraag is of dit ook geldt voor de periode vóór 1 januari 2001. Wij menen van niet. Dit staat niet in de wet. De bewindslieden stellen in hun nota de voorwaarde dat deze leningen "door de belastingdienst als zodanig zijn geaccepteerd". Deze acceptatie-eis lijkt ons in strijd met de huidige wet. Wij verzoeken de regering daarom deze voorwaarde te laten vervallen.

Over de bijgeleende rente is veel discussie geweest. Hierover zijn ook resoluties verschenen. Wij weten dat deze rente vanaf 1 januari 2001 niet meer in aftrek kan worden gebracht. Wij weten ook dat op 31 december 1995 bestaande hypothecaire schulden zonder nader bewijs worden aangemerkt als te zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning. Er is echter een grijs gebied vanaf 1 januari 1996 tot het moment dat de nieuwe wet haar intrede zal doen. Wij hebben over deze kwestie vragen gesteld. Het besluit van 7 juni 1987 waarnaar door de bewindslieden wordt verwezen ziet op bepaalde met name genoemde hypotheekvormen. Rente over een "bijleenrenteschuld" terzake van de eigen woning is zonder meer aftrekbaar. Dit is ook aangegeven in het besluit van 11 mei 1998 en dat van 14 april 1999. Voor aftrek van deze rente geldt geen beperking met betrekking tot de leenvorm, hypothecair of anderszins, en ook niet met betrekking tot de jaren waarop dit betrekking heeft, vóór of na 1996. Het zou daarom niet correct zijn deze "bijleenrenteschuld" met ingang van 1 januari 2001 in box III te plaatsen. Wij stellen dan ook voor, te bepalen dat de hiervoor bedoelde "bijleenrenteschuld" evenals de onderhouds- en verbeteringsschulden die per 31 december 2000 aanwezig zijn, te betitelen als "verwervingsschulden". Wij menen dat dit zonder wetswijziging mogelijk is in het kader van de uitvoering.

Voorzitter! Een enkel landelijk dagblad heeft melding gemaakt van het feit dat de staatssecretaris de burger in belangrijke mate tegemoet is gekomen op het vlak van groen beleggen. Deze gedachte leeft zeker niet bij degenen die het dichtst betrokken zijn bij het groen beleggen. De voorstellen van de staatssecretaris komen erop neer dat bij wijze van overgangsrecht de zittende houders van groen beleggen worden gevrijwaard van de vermogensrendementsheffing boven het maximum. Voorts wordt een nieuwe aftrekpost gecreëerd van 2,5% in box I. Onze eerste vraag is of dit ook geldt voor de bestaande beleggers. De vraag die resteert is of de groenfondsen toekomst hebben met deze toezegging. Voor het groen beleggen wordt budgettair jaarlijks 75 mln. ingeruimd. Dit correspondeert met een totaal investeringsbedrag in groene projecten van 3 mld. Van deze investeringsomvang van 3 mld. is echter reeds 2,7 mld. ingevuld, wat betekent dat de groenfondsen nog slechts 300 mln. uitzettingsruimte rest. Deze zal naar verwachting van de fondsen binnen een half jaar zijn opgesoupeerd. De groenfondsen pleiten daarom voor een investeringsniveau van 750 mln. per jaar, hetgeen zou leiden tot een permanente kern van 6 mld. Dit correspondeert met een jaarlijks beslag van 150 mln. in de toekomst. In de groene beleggingswereld heerst de gedachte dat een jaarlijkse groei van het budgettair beslag met 25 mln. tot een maximum van 150 mln. correspondeert met dit initiatief.

Een tweede knelpunt voor de groenfondsen is het maximum. Zij moeten binnen het maximum van ƒ 100.004 concurreren met andere categorieën maatschappelijk beleggen, zoals met de ethische beleggingen, maar ook met de Agaathleningen en de kapitaalverzekering voor studiekosten. Het aanbrengen van een splitsing tussen de categorieën maatschappelijk beleggen kan een oplossing zijn. Aan de ene kant is er dan de minder renderende categorie, groen beleggen, ethisch beleggen, en aan de andere kan het ondernemersgerichte beleggen, zoals filmfinanciering, tante Agaath en dergelijke. Wij vernemen graag de visie van de bewindslieden op deze twee knelpunten.

Een onderwerp dat de CDA-fractie zeer aan het hart ligt, is het vrijwilligerswerk. Wij hebben daarvoor speciale aandacht gevraagd, maar wij zijn tot op heden nog niet veel verder gekomen in de discussie met de bewindslieden. Het wetsvoorstel is vooral afgestemd op een gericht arbeidsmarktbeleid, maar wij menen dat ook nadrukkelijk rekening moet worden gehouden met de betekenis van onbetaalde zorg, opvoeding, mantelzorg en vrijwilligerswerk. Wij hebben daarom gevraagd of de huidige belastingvrije vergoeding verhoogd kan worden tot ƒ 2000. Deze is thans ƒ 1470. De bewindslieden zijn echter bezorgd dat een aanmerkelijke verhoging niet aan de orde kan zijn, omdat genieters van inkomsten uit arbeid dan wellicht een deel van hun beloning als kostenvergoeding willen aanmerken met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en omdat dan het verband met de algemeen te maken, maar ongetoetste kosten wordt losgelaten. Wij weten uit de recente historie dat een dergelijke reserve niet bestond bij vorige kabinetten! Ik verwijs alleen al naar het arbeidskostenforfait, dat uit inkomenspolitieke overwegingen tot een ongekende hoogte is opgevoerd. De royale uitvoering van de 35%-regeling roept ook niet meteen de gedachte op dat hier geen ruimte kan zijn. Het komt ons voor dat het mogelijk moet zijn, een iets hoger forfaitair bedrag als belastingvrije kostenvergoeding te realiseren. Is dat mogelijk door een extra deel van die belastingvrije vergoeding te bestempelen als een belastingvrije incentive ter bevordering van vrijwilligerswerk? Deze incentive wordt dan gecreëerd. De bewindslieden hebben dat ook gedaan bij groen beleggen door een aftrekpost te creëren in de eerste schijf. Als dat mogelijk is, zou je denken dat ook dit mogelijk is. Is men echt bezorgd dat het gelijkheidsbeginsel een streep door de rekening haalt? Ik zet daar een groot vraagteken achter. Een kabinet dat een extra "boxvreemde" aftrekpost kan creëren voor groen beleggen, CV's in films en zeeschepen bevordert en ethisch beleggen aantrekkelijk wil maken, moet toch ook in staat zijn om een kleine, iets royalere tegemoetkoming te realiseren voor vrijwilligerswerk. Uiteraard dient een en ander te worden voorzien van duidelijke afbakeningsgrenzen en voldoende waarborgen tegen oneigenlijk gebruik. Wij zien de reactie van de bewindslieden op dit punt graag tegemoet.

Voorzitter! Ik wil afronden met de invoering en de uitvoering. De leden van onze fractie wensen hun zorg uit te spreken over de problemen die zijn voorzien bij de invoering van deze wetgeving. Zij doen dit in navolging van de behartigenswaardige opmerkingen van de PvdA-fractie en de andere fracties. Wij constateren dat met het oog op deze herziening dit jaar nog vier nieuwe wetsvoorstellen zullen worden ingediend, terwijl er nog twee in de Tweede Kamer aanhangig zijn. Voorts moet nog een groot aantal onderwerpen worden behandeld en uitgevoerd in het kader van het wetsvoorstel technische aanpassingen. Voorzover wij dat kunnen overzien, zijn dat ten minste twaalf onderwerpen. De neerslag van de discussie in dit huis tot op heden geeft aan dat deze lijst wellicht nog iets wordt uitgebreid. Dat betekent dat van alle departementen, maar ook van het bedrijfsleven en van de overheidssector grote inspanningen zullen worden gevraagd. Er zal extra moeten worden geïnvesteerd in adequate voorlichting en assistentie. Wij vernemen graag van de bewindslieden de stand van zaken in detail. Welke tijdschema's zijn gesteld voor de aanpassing van computerprogramma's bij het bedrijfsleven en overheidsinstanties, inclusief provincies en gemeenten? Hoe wordt de haalbaarheid daarvan ingeschat?

Voorzitter! Wij hebben kennisgenomen van een schrijven van het Verbond van verzekeraars aan de staatssecretaris van 27 april jongstleden betreffende een aantal belangrijke uitvoeringsaspecten. Het heeft ons gestoord dat wij in deze discussie worden betrokken. Deze uitvoeringsaspecten regarderen immers in eerste instantie het verkeer tussen Financiën en de verzekeringsmaatschappijen.

Indien deze reactie echter als een noodkreet moet worden geïnterpreteerd, ligt het anders, temeer omdat het een testcase kan zijn om te zien hoe Financiën met de uitvoering omgaat. Indien de stellingname in de brief juist is en het toegezegde overleg met het veld, zoals dat zo plastisch heet, praktisch stilligt, is er kennelijk iets aan de hand.

Wij verzoeken de staatssecretaris daarom om opheldering over de knelpunten die in de brief zijn genoemd, waar wij nu tegen onze wil bij worden betrokken. Meer in het algemeen willen wij vernemen of er wellicht vergelijkbare vertragingen spelen in het overleg met andere uitvoeringsinstanties bij de uitvoering van de voorliggende wetsvoorstellen, waarbij het departement van Financiën is betrokken.

Wij brengen in dit verband in herinnering hoe moeizaam en traag de uitvoering van een simpele toezegging van staatssecretaris Vermeend is verlopen over kapitaalverzekeringen met een pensioenclausule. Deze heeft slechts na herhaald rappelleren vanuit deze Kamer en van andere bronnen tot actie geleid.

Voorzitter! Tot zover onze bijdrage in eerste termijn. Wij zien met belangstelling de reactie van de bewindslieden tegemoet, eventueel schriftelijk, zoals wij bij de financiële beschouwingen gewend zijn. Afhankelijk daarvan zullen wij overwegen of wij een of meer moties zullen indienen om onze zienswijze te onderstrepen.

Mevrouw Ter Veld (PvdA):

Voorzitter! Naar mijn beste weten is het uniek dat een staatssecretaris een debat met de Senaat moet aangaan over een wetsvoorstel dat hij enkele weken daarvoor als volksvertegenwoordiger in de Tweede Kamer heeft moeten behandelen. Lastig lijkt het mij ook wel. Als volksvertegenwoordiger kun je "twee dingen goed begrijpen" en bij beide kun je kanttekeningen maken, maar als bewindsman is het "van twee dingen één". Je hebt maar te verdedigen wat er als compromis uit de Tweede Kamer komt, want dat is de waarheid zoals zij er ligt. Ik wens de staatssecretaris daarbij graag veel wijsheid, waar ik overigens niet aan twijfel, en erg veel sterkte.

In de pers is steeds geschreven dat staatssecretaris Bos in een gespreid bedje komt. Nu maak ik ook wel eens een bed op, maar ik geloof dat als ik mijn bed zo opgemaakt achter zou laten, mijn partner zou zeggen: kan dat niet beter? Een gespreid bedje is het natuurlijk geenszins.

De wetten zijn klaar, op papier. Ik vind dat staatssecretaris Vermeend in korte tijd goed werk heeft verricht, maar de werkelijkheid veranderen is altijd moeilijker dan wetgeving veranderen. Dat moet nog komen. Daarbij is de invoering een belangrijk punt. Dat is in dit huis ook een belangrijk punt van aandacht. Om maar meteen een van mijn hoofdpunten te noemen: naar onze opvatting is daarover tot op heden wat te luchtig gedaan, zij het dat er in de laatste schriftelijke antwoorden iets van ongerustheid doorklonk.

Even ter geruststelling, de wens om te komen tot dit belastingplan heeft in principe de steun van de fractie van de Partij van de Arbeid. De werkelijkheid blijkt onder de huidige wetgeving zo makkelijk te kunnen afwijken van de door de wetgever beoogde effecten. Het nieuwe plan heeft zeer veel goede kanten, als je het daartegen afzet. Dat de fractie van de Partij van de Arbeid het wetsvoorstel steunt, betekent zeker niet dat de bewindslieden nu achterover kunnen leunen, want er zitten nog problemen genoeg aan. Ik heb een aantal kritische kanttekeningen.

Zoals ik al zei, zien wij een aantal positieve kanten aan de voorliggende voorstellen. Het terugbrengen van het grote aantal aftrekposten is een goede zaak. Als de beoogde eenvoud inderdaad wordt bereikt, is dat een groot goed. De intentie om vermogenswinsten middels de vermogensrendementsheffing onder de belastingen te brengen, is in ieder geval positief. Bovendien is er sprake van een grote lastenverlichting van 6 à 7 mld., waarbij volgens de berekeningen iedere burger erop vooruitgaat. Mijn liefje wat wil je nog meer?

Toen ben ik bij mijzelf nog eens nagegaan waarom ik er toch zo kritisch tegenaan keek. Dat kan zijn door mijn ervaring met de vorige belastingherziening, het plan-Oort. Ook dat plan ging gepaard met een aanzienlijke vermindering van het aantal aftrekposten, een verlaging van de toptarieven en 4 mld. lastenverlichting. Nog geen jaar daarna werd door de toenmalige minister-president bij voortduring gesproken over de rijke burgers, de arme overheid en noodzakelijke gigantische bezuinigingen op de overheidsuitgaven, met name in de sociale zekerheid. Dat zal wel geen oorzakelijk verband hebben gehad met de belastingverlichting, maar toch. Lastenverlichting is voor de PvdA-fractie op dit moment, in deze economische situatie, als zodanig geen prioriteit. Terugkijkend naar "Oort": de gewenste vermindering van het aantal aftrekposten hebben wij in de afgelopen vijf jaar, de periode waarin ik de belastingwetten behandel, bijna allemaal teruggedraaid. Ik herinner mij nog dat collega Stevens bij het terugtrekken van "congressen in het buitenland" zijn eerste congres in Cyprus of Malta organiseerde. Dat doet er niet zoveel toe, maar ik verzoek wel dringend om dit niet nog eens te doen.

Ik weet dat de aftrek voor lage inkomens van de aanschafkosten van computers niet van het ministerie van Financiën, maar van het ministerie van SZW komt. Toch zeg ik: doe dat niet. Wie amper geld genoeg heeft voor een nieuwe wasmachine – ook een krediet opnemen is duur, want de rente is niet aftrekbaar – kan natuurlijk wel een computer aanschaffen, maar daar kun je de was niet op draaien. Bovendien zijn aftrekposten altijd gunstig voor hogere inkomens. Ook geef ik een inhoudelijke waarschuwing: als iedereen met een laag inkomen op hetzelfde moment dezelfde computer aanschaft, treedt de wet van de remmende voorsprong in werking, net zoals in Frankrijk met het Minitel-experiment: niemand mag ervan afwijken, want anders zou je iedereen dwingen om opnieuw een computer aan te schaffen. Ik denk dat de nieuwe technologie op een andere manier bereikbaar en toegankelijk kan worden voor de lage inkomens. Ik herhaal dus: geen nieuwe aftrekposten!

Ik begin mijn betoog met een aantal algemene opmerkingen over de Europese invalshoek, de inkomensverdeling en de vraag of het belastingplan inderdaad voldoende inspeelt op de samenleving van morgen. Daarna zal ik ingaan op het wetsvoorstel zelf, waarbij ik vooral aandacht zal besteden aan de artiestenregeling. Ik zal eindigen met de zorgen van de PvdA-fractie over de in- en uitvoering van de wetgeving.

Ik begin dus met de Europese invalshoek. De minister zal zich als geen ander herinneren hoe mijn fractiegenoot Thijs Wöltgens vorig jaar, het jaar daarvoor en bij mijn beste weten ook de jaren daarvoor de Europese invalshoek heeft gekozen als een belangrijk uitgangspunt voor zijn financiële beschouwingen; dat heb je als je uit Kerkrade komt. Daarbij vroeg hij aandacht voor een verdere harmonisatie van de belastingwetgeving. Een sociaal en sterk Europa vereist dat schadelijke belastingconcurrentie wordt tegengegaan, maar onze indruk was dat Nederland zelf een belangrijke bijdrage kan leveren aan deze schadelijke ontwikkeling. Die indruk meenden wij bevestigd te krijgen door het rapport van de werkgroep die aan de Commissie interne markt en de minister van Financiën verslag heeft uitgebracht. Als ik het mij goed herinner, heeft dat de publiciteit gehaald. Toen mijn collega Wöltgens staatssecretaris Vermeend daarmee confronteerde, heeft Vermeend plechtig beloofd om dat rapport te zullen weerleggen. Die weerlegging hebben wij nog niet gezien.

In de schriftelijke voorbereiding heeft de regering er opnieuw blijk van gegeven dat zij geen al te grote belangstelling koestert voor belastingregimes op Europees niveau. Onze vraag naar eventuele gevolgen voor de burger van een vermogensrendementsheffing in Europees kader is afgedaan met de opmerking dat de Europese Commissie geen nieuwe plannen voor regelgeving heeft. Sterker nog: op basis van persberichten constateert de regering dat commissaris Bolkestein geen rol ziet voor Europees optreden op het terrein van de inkomstenbelasting. In die opmerking klonk echt opluchting door. Er had echter sprake moeten zijn van verontrusting en toenemende verontwaardiging. Er is toch alle reden om verontrust te zijn over fiscale mededinging in Europees verband? Twee jaar geleden hield prof. Daniëls zijn inaugurele rede in Maastricht. Daarbij toonde hij theoretisch en empirisch aan hoe schadelijk belastingconcurrentie uiteindelijk voor alle betrokkenen is: alle lidstaten zien daardoor de financiële basis voor overheidsuitgaven eroderen. Misschien past zo'n ontwikkeling in een zuiver liberale ideologie, maar bewindslieden in een paars kabinet en zeker een sociaal-democratische staatssecretaris kunnen hier alleen maar ongelukkig mee zijn. Als het waar is dat Euro-commissaris Bolkestein op het punt van de inkomstenbelasting geen initiatief neemt, dreigen toch nog grotere consequenties? De mobiele veelverdiener wordt gelokt met dalende toptarieven en de belastingheffing verschuift hoe langer hoe meer naar de indirecte, kostprijsverhogende belastingen, de BTW en de milieuheffingen. Het gevolg is: minder belasting naar draagkracht, minder herverdeling en dus een grotere inkomensongelijkheid. Dat is niet het Europa dat de PvdA-fractie voor ogen staat. De uit de schriftelijke voorbereiding blijkende laconieke houding ten opzichte van Europa is dan ook niet acceptabel. Nederland zou voorop moeten lopen bij de bestrijding van die schadelijke belastingconcurrentie en niet mogen berusten in de passiviteit van de Europese Commissie. Welke initiatieven is de regering van plan te ontwikkelen om de schadelijke belastingconcurrentie op Europees niveau tegen te gaan? Het antwoord op die vraag plaatst dit wetsvoorstel in het perspectief van de concurrentiespiraal, of van een robuust stelsel dat voor de komende jaren een belastingheffing naar draagkracht vastlegt.

Alvorens vanuit deze perspectieven op de wetgeving in te gaan, wil ik een micro-Europees punt aan de orde stellen: de grensarbeiders. Het is zonneklaar dat het gezinsinkomen van een alleenverdienersfamilie, wonend in België of Duitsland, als gevolg van het niet toevallen van de heffingskorting aan de partner achteruitgaat omdat deze niet onderhevig is aan de volksverzekeringsplicht. Een echt goede analyse voor deze grensarbeiders ontbreekt en de vakbeweging komt met andere berekeningen dan het departement. Gezien vanuit het Europese principe van het vrije verkeer van werknemers is het een slechte zaak wanneer op het niveau van de lidstaten een eenzijdige belastingwijziging plaatsvindt die een negatieve uitwerking heeft op het grensoverschrijdend arbeidsverkeer. Harmonisatie mag dan niet aan de orde zijn, disharmonisatie moet in ieder geval worden voorkomen. Bij de sociale zekerheid is zoiets zelfs verplicht. Ziet de staatssecretaris mogelijkheden voor reparatie, opdat de grensarbeider bij deze, binnen het grote Europa toch normale, activiteit niet wordt benadeeld ten opzichte van collega's die net aan de andere kant van de weggevallen grens wonen?

Terug naar de vraag of dit wetsvoorstel kan worden aangemerkt als een robuust stelsel waarin rekening wordt gehouden met draagkracht. Meer dan 90% van de inkomsten waarover belasting wordt geheven, komt uit box I en valt dus onder de progressieve heffing. De invoering van de heffingskorting en de arbeidskorting heeft voor een groot deel van de werkende bevolking een nivellerend effect, dat bovendien bij een gunstige ontwikkeling in de sociale zekerheid wordt versterkt. Daarnaast kunnen deze instrumenten beter worden gebruikt bij een positief inkomensbeleid voor lagere en middeninkomens, wanneer zulks noodzakelijk blijkt. Toch zitten er enkele schaduwkanten aan dit zonnige beeld. De BTW-verhoging is een prijsopdrukkend middel. Ondanks het gegeven dat het BTW-tarief tussen de tarieven van België en Duitsland in zal vallen, zal een en ander zeker forse effecten hebben voor winkeliers in het grensgebied. Uiteraard ondervindt de koopkracht van degenen die hun inkomen geheel moeten besteden aan consumptieve uitgaven meer effect van BTW-stijgingen dan de koopkracht van hen die een groot deel van hun inkomen kunnen reserveren voor sparen en beleggen. De verlaging van het toptarief zal zeker ook meer effect hebben naarmate een groter deel van het inkomen in de bovenste regionen verkeert.

De hypotheekrente blijft een aftrekpost. Aftrekposten in box I hebben het grootste effect bij de hoogste inkomens, zij het dat door de verlaging van het toptarief een deel van het positieve effect verdwijnt. Toch vraag ik mij af of het niet meer in de lijn van dit belastingplan zou liggen om ook een heffingskorting voor de hypotheekrenteaftrek te ontwikkelen; dat was een oud PvdA-voorstel bij de Oort-wetgeving, destijds door Kamerlid Vermeend in eerste termijn aan de orde gesteld. De minister denkt nu natuurlijk dat hij een medestander voor de flattax heeft gevonden, want daarbij is de aftrekpost voor de hypotheekrente voor iedereen gelijk. Dit is echter niet het geval: het probleem is immers dat bij een flattax een grote hoeveelheid inkomensafhankelijke regelingen op gemeentelijk niveau en op basis van andere wetgeving zullen worden ingevoerd; hierover schreef de staatssecretaris als Kamerlid ooit een goed stuk.

Vanuit het perspectief van inkomensverdeling en draagkracht is het natuurlijk positief dat door de rendementsheffing de thans nog onbelaste vermogenswinsten bij de heffing worden betrokken. In werkelijkheid valt dit echter wat tegen. Juist voor de topinkomens die nu onder de vermogensbelasting vallen, gaat het om een materieel geringe verhoging van 0,7% naar 1,2%. De grondslag voor de vermogensheffing daalt, want het eigen huis valt in box I. Er zijn aanzienlijk meer mensen met een laag en middeninkomen dan met een echt hoog inkomen, maar die laatsten gaan er aanzienlijk meer op vooruit. Het is dus nivellerend voor een groot deel van de bevolking, maar het is fors denivellerend aan de top.

Economisch gezien is het heel verstandig. Immers, verhuizen naar België in verband met de belastingen hoeft niet meer. De belastingen kunnen weer gewoon in Nederland worden afgedragen, het genot van de volksverzekering blijft in stand, de bridgeclub is weer naast de deur en alle kinderen kunnen weer gewoon op bezoek komen. De minister van Financiën, die natuurlijk vooral kijkt naar de inkomensstroom voor de overheid kan terecht tevreden zijn. Als de rente enigszins stijgt, komen alle rijke Belgen naar Nederland! Of was het nu de belastingconcurrentie waar ik zojuist een kritische kanttekening bij plaatste?

Wie de draagkracht belangrijk vindt, is toch enigszins teleurgesteld. Maar afgezet tegen de huidige wetgeving, waarbij veel burgers met hoge inkomens nooit betaalden wat zij op grond van de wet leken te moeten betalen, kiest de PvdA ervoor de zonzijde te zien. Een positief betoog van de staatssecretaris, die dit in alle mogelijke kleine zaaltjes in zijn periode van de Tweede Kamer heeft uiteengezet, zal ons daarbij sterken.

Wel ideologisch storend, ook al is het materieel van nauwelijks enig belang, is het voornemen om alleen volksverzekeringspremies te heffen over het inkomen in box I. Volksverzekeringen gaan uit van het ingezetenschap. Ook burgers die uitsluitend inkomen genieten uit box II en box III zijn ingezetenen. Op grond van de solidariteitsgedachte horen zij dus ook premie te betalen. Dit is misschien wel heel praktisch, maar het klopt toch niet. Een goede oplossing zou zijn om de volksverzekeringspremies volledig te fiscaliseren. Dit is een al jaren bestaande wens van een deel van de PvdA.

Speelt dit belastingplan voldoende in op de samenleving van morgen? Om die vraag goed te kunnen beantwoorden, moet je in een glazen bol of in het koffiedik kijken. Dat is niet gemakkelijk. Maar ook nu al zijn er een aantal zaken die de aandacht vragen. Sommigen zullen denken aan de noodzaak van economische structuurversterking. Ik noem het milieu en vooral de veroudering van de bevolking. Op het terrein van het milieu voorziet het belastingplan nog in een vervolg. Ik heb begrepen dat met betrekking tot het bevorderen van investeringen door burgers in het milieu, aanpassingen zijn voorgenomen in het groen beleggen. Collega Stevens wees daar al op. Dezelfde vrijdag dat de laatste schriftelijke antwoorden ons bereikten, heeft het kabinet over groeninvesteringen nadere besluiten genomen. Bestaande groenrentes worden ontzien en nieuwe bevorderd tot een maximum met de invoering van een aftrekpost in box I (?). Ik begrijp het niet echt. Het zou dan ook goed zijn, als de staatssecretaris zijn voornemens hieromtrent verduidelijkt. Zowel uit de financiële als de milieuwereld hebben ons de nodige vragen bereikt. Bovendien is er kritiek geuit. Geldt de nieuwe regelgeving ook voor bestaand groeninvesteerders? Is de ruimte inderdaad zo beperkt? Ik ga er nu niet uitgebreid op in. Dat hoeft misschien ook niet, als ik de antwoorden van de staatssecretaris gehoord heb. De wetsvoorstellen bereiken ons nog. Als ik er wel uitgebreid op in wil gaan, heb ik daar de tweede termijn voor.

Het inspelen op de verandering van de bevolkingssamenstelling zal ik wel in voldoende mate moeten terugvinden in de onderhavige wetsvoorstellen. Immers, ook bij de desbetreffende wetgeving is gezegd: daarvoor komt nog de pensioenparaplu in het belastingplan. Het WRR-rapport zal hiervoor vast veel tot inspiratie hebben gediend, zo is mijn mening. Wij kunnen waarnemen voor de nabije toekomst dat jongeren in toenemende mate in de fase van gezinsvorming beiden buitenshuis werken. Wij kunnen ook waarnemen in de Nederlandse samenleving dat het aantal ouderen relatief en absoluut toeneemt. In het kader van "arbeid en zorg" is kabinetsbreed aandacht voor het kunnen inpassen van betaalde arbeid in mens- en gezinsleven. Dat is een goede zaak. Daarover gaat het ILO-verdrag 156. Twintig jaar geleden was de voorzitter van de werknemers daar voor. Dit verdrag verplicht Nederland daartoe. Het gaat echter heel sterk over betaalde arbeid en zorg voor kinderen. Maar hoe zit het met de individuele en de collectieve zorg voor ouderen? Die hoeven zelfs geen kinderen te hebben die de zorg voor hen op zich kunnen nemen.

Wij zien dat in toenemende mate oudere mensen over een redelijk pensioen beschikken. De fiscale begeleiding en de zekerheid van de basis (AOW) hebben ervoor gezorgd dat witte vlekken in pensioenland minder worden. Dat geldt echter niet voor iedereen. De inkomensverschillen tussen ouderen zijn dan ook zeer groot (boven de 65 en onder de 65). Dat blijft in de toekomst zo. Ik zou bijna zeggen: niet alleen ondanks, maar misschien zelfs dank zij dit belastingplan.

Er zijn, zeker buiten de werknemerskring, grote groepen werkenden die op een eigen wijze voor een oudedagsvoorziening zorg moeten dragen. De inkomensverschillen tussen ouderen werken natuurlijk door in de mate waarin ouderen zorgafhankelijk en zorgontvankelijk zijn. De zorg van kinderen voor de ouders is in financieel opzicht een uitzondering. Er is steeds minder mogelijk vanwege de tijd, hoewel mantelzorg nog steeds een groot onderdeel van de zorg is. Het beleid is er namelijk op gericht dat alle volwassenen in de arbeidzame leeftijd betaalde arbeid verrichten. Nu en dan roep ik ook dat het belastingplan een enorme emancipatie-impuls heeft, als buitenshuis werken maatgevend is voor emancipatie. Het recht op het eigen aanrecht is namelijk volkomen vervangen door het recht en de plicht om te werken voor de eigen open keuken. Wie zorg behoeft, kan dus niet terugvallen op de eigen werkende kinderen. Hij is afhankelijk van de collectieve voorzieningen of van een voldoende hoog eigen inkomen. Maar de zorg vanuit de samenleving georganiseerd in de Staat blijkt de groei niet te kunnen bijhouden. Dat zien we allemaal aan de wachtlijsten. Wanneer ouderen dan onvoldoende geld hebben om de zorg zelf particulier in te kopen en de collectief georganiseerde zorg achterblijft, willen kinderen – zeker de tweeverdieners – in plaats van met tijd nog wel eens met geld bijspringen. Je kunt het toch vervelend vinden als je moeder maar één keer per week onder de douche kan en zelf hulp bieden is vaak onmogelijk. Ik vind het wegvallen van de mogelijkheid om deze kosten in mindering te brengen op het belastbaar inkomen wel eenvoudiger, maar ik vraag mij toch af of de individualisering hier niet ver is doorgeschoten. Dat de ouderen zelf de kosten als bijzondere lasten mogen aftrekken, biedt weinig soelaas wanneer het eigen inkomen de AOW nauwelijks te boven gaat. Je kunt de kosten ook amper maken!

Ik acht het dus van zeer groot belang, zowel voor de ouderen van straks als voor de generaties die na hen komen, dat ieder die kan sparen voor de oude dag dat ook gewoon zelf doet. Daarmee kunnen ouderen in grote mate onafhankelijk blijven van collectieve zorg en de volgende generaties wordt de extra last bespaard van een steeds groter beroep op collectieve zorgvoorzieningen. Dan is het de vraag of de beschermende pensioenparaplu in voldoende mate tot stand is gekomen.

Bij de behandeling van de Wet fiscale facilitering pensioenen heb ik naar voren gebracht, dat ik de jas wel iets te ruim vind maar dat was geen uitnodiging om hem dan maar meteen op maat aan te passen. Ik kreeg zojuist een brief van de Stichting van de arbeid die er in paniek op wees, dat er weer een pand van de jas in de Witteveenwetgeving afging als wij meer willen in het Belastingplan. Vanuit de verzorgingsfilosofie is een pensioen tot een bepaald niveau belangrijk en daarboven vooral plezierig. Dat bij het Belastingplan zoals het thans voorligt, gezocht is naar enige inperking – ook ten opzichte van de Witteveenwetgeving – heeft mij helemaal niet verbaasd. Dat hoeft ook niet per se bij ons op problemen te stuiten als er maar voldoende ruimte is om de verzorgingsfilosofie goed vorm te geven. Niet iedereen hoeft de maxima van de wetgeving op te zoeken. Ik heb nagegaan of een pensioen van 70% van het laatstgenoten salaris, in 40 jaar op te bouwen, ook buiten een pensioenregeling vanwege de werkgever mogelijk is. Verzekeraars rekenden uit dat dit niet mogelijk is en het ministerie meende van wel. Ik heb gekeken naar de grondslagen van de berekeningen. Het ministerie hanteerde een rekenrente van 4% en de verzekeraars 3%. Misschien mag het ministerie dat maar verzekeraars moeten 3% hanteren. Ik zag geen inflatie en het ministerie houdt geen rekening met kosten. Als je dat in de markt doet, ga je failliet!

Naar mijn mening zit het in het midden. Als mensen hun arbeidsleven aanvangen met een redelijk inkomen, gestaag carrière maken en in een stijgende lijn ieder jaar gebruikmaken van de jaarruimte, zal het pensioen lager uitkomen dan in een pensioenregeling mogelijk is maar toch een redelijke hoogte hebben. Het zal in ieder geval geen 70% zijn. Echter, voor mensen met een lager inkomen of een sterk fluctuerend inkomen wordt een pensioen vanuit de verzorgingsgedachte volgens mij te krap. Dat steekt temeer daar waar het inlopen van pensioengaten aanzienlijk is beperkt. Geen jaarruimte, dan ook geen pensioenruimte, ook niet achteraf. Ik heb de indruk, dat dit in de Tweede Kamer in de discussie over de vraag of de terugwerkende kracht van vijf naar zeven jaar moest worden verlengd niet is gezien, omdat het daar niet gaat om pensioengaten maar om de situatie, dat de jaarruimte er wel was maar het geld niet.

Ik begrijp de angst, dat juist door burgers met hoge inkomens de maximale grenzen worden opgezocht zodat weer een forse aftrekpost kan worden opgevoerd, maar volgens mij had dit ook op een andere manier kunnen worden voorkomen door bijvoorbeeld maxima te stellen aan de hoogte van het inkomen waarover het pensioen kan worden opgebouwd. Het vervangen van de derde tranche door het uitsluitend mogen benutten van de jaarruimte vind ik een groot verlies in het licht van de financiering van de toekomstige vergrijzing.

Ik stel het absoluut op prijs, dat de harde opstelling ten aanzien van het vullen van eventuele AOW-tekorten – waarover de SER zich buigt – inmiddels is verlaten, maar ik heb mij wel ernstig gestoord aan de opvatting dat mensen er geen behoefte aan hebben om een dergelijk gat te dichten omdat de Bijstandswet de vloer is. Dat nu staat haaks op iedere rechtsgrond van de sociale zekerheid. De samenleving, georganiseerd in de Staat, vrijwaart iedereen tegen armoede en gebrek onder de voorwaarde, dat iedereen zichzelf ook inspant om niet in zo'n situatie terecht te komen.

Maar goed, ook voor andere pensioengaten vind ik het regime te strak. Een pensioentekort kan ontstaan door een vorm van verevening bij echtscheiding. Het is voor de burger echter wel een gat. Erger nog vind ik het als je de jaarruimte niet hebt kunnen benutten, omdat je die niet hebt. Iemand met een zeer sterk fluctuerend inkomen zal nooit een lang doorlopende kapitaalverzekering met een lijfrenteclausule kunnen afsluiten. Het ene jaar heeft hij namelijk meer en het andere jaar minder ruimte. Moet hij dan ieder jaar een koopsompolisje storten? Dan lopen kosten behoorlijk op. Dat is geen goed systeem.

Bovendien zijn mensen zich niet altijd even goed bewust van de noodzaak de jaarruimte werkelijk te benutten als er geen andere pensioenopbouw is: er zijn kinderen, er is een hypotheek afgesloten, er zijn tekorten, investeringen in een eigen bedrijf, een eigen woning enz. Pensioenbewustwording ontstaat vaak pas als de pensioenleeftijd dichterbij komt.

Maar als de individuele burger niet een goed pensioen heeft, kost ons dat collectief veel geld. Ik heb veel liever dat de mensen er nu voor sparen dan dat zij de volgende generatie opzadelen met een collectieve last. Daarom vind ik dat een goede regeling en een zekere fiscale faciliëring zeker op hun plaats zouden zijn. Natuurlijk is het waar dat de Tweede Kamer een aantal dingen heeft verbeterd: van 15% naar 17% opbouw. Dat geeft meer ruimte. Verder is er de 1000 euro algemene lijfrenteaftrek. Ik noem dit maar een gemaksregeling. Wat ik leuk vind en ook wel goed, is dat de franchise is verlaagd, want zeker voor tweeverdieners met bijna een volledig inkomen, bijvoorbeeld in schaal 3, is het inkomen ongeveer gelijk aan de hele franchise bij het ABP. Dan heb je dus eerst samen 72.000 bruto en daarna alleen nog maar AOW. Het is dus mooi dat dit gat gedicht kan worden. De prijs ervoor is echter, dat andere pensioengaten niet meer gedicht kunnen worden en dat vind ik verkeerd. De prijs is naar mijn mening te hoog.

Wat betekent de geuite kritiek voor het standpunt van de Partij van de Arbeid? In een paars kabinet leef je met compromissen. Anders gaat het niet. Europa als invalshoek vinden wij belangrijk. Dat heb ik reeds gezegd. De koopkrachteffecten zijn gemiddeld positief, maar naast de nivellerende effecten in grote delen van het inkomensgebouw springen de topinkomens er wel erg gunstig uit. De toekomstige verandering in onze bevolkingssamenstelling heeft aandacht, maar kennelijk is het toch onmogelijk geweest om voldoende aandacht te besteden aan de oudedagsvoorziening van een groot deel van de burgers die niet onder een pensioenregeling vallen. Dus: gematigd positief.

Dan ga ik nu in op de wet en begin met iets te zeggen over box I. Voorzitter! Waarom spreekt men van een "box"? Was hokje I niet Nederlandser geweest? Of: kist? Vat, hoor ik iemand roepen. Ik eindig dan bij vat 69, maar nee, ik begin gewoon bij I: inkomen uit arbeid en eigen woning.

Voor werknemers met een goede pensioenregeling is eigenlijk de enige verandering het vervallen van het arbeidskostenforfait en de mogelijkheid om arbeidskosten boven een bepaald niveau af te trekken. Sommige mensen menen dat hiervoor een overgangsregeling ontworpen had moeten worden, maar ik meen dat wij hiermee het systeem erg ingewikkeld hadden gemaakt. De heffingskorting compenseert dat meer dan volledig aan de onderkant. Onbelaste vergoedingen zijn mogelijk. De CAO-onderhandelingen worden voor de vakbondsbestuurder hartstikke leuk en de vakbeweging wordt weer vreselijk wervend. Als de mensen vakbondslid zijn kunnen ze daar meteen juridische steun krijgen bij een conflict met de werkgever. Dus erg grote problemen zie ik niet, maar er zijn wel een paar rare dingen. De fietsaftrek is hartstikke goed bedoeld, maar eigenlijk heel vreemd. Als er toch iets moet worden geruild, gooi deze regeling er dan maar uit. De gestaffelde regeling met betrekking tot de auto van de zaak lijkt mij ook ingewikkeld. Ik vind dat men beter terug kan gaan naar de oude regeling van 20%, want met die reeks van 500 tot 4000 km, 4000 tot 7000 km en 7000 km en daarboven kost het systeem meer en heeft men meer ellende. Ik raad daarom aan daar nog eens naar te kijken.

Pijnpunt is de belastbaarheid voor het volledig progressief tarief van een collectieve ongevallenverzekering vanwege de werkgever, dus het vervallen van het bijzondere tarief. Ik vroeg naar een voorbeeld en kreeg toen een voorbeeld waarbij de uitkering vanuit een collectieve ongevallenverzekering werd gedaan. In de voetnoot stond: we gaan ervan uit, dat het jaarinkomen van betrokkene meteen is gedaald. Ja, als je in januari een ongeluk krijgt, zal dat wel het geval zijn, maar als dat in december gebeurt is dat niet zo. Aan die berekening had ik daarom niet zo veel. Volledig bepalend voor het netto-effect is namelijk of je vroeg of laat in het jaar doodgaat. En het gaat niet om een kleine verhoging voor de werkgever als de uitkering bruto wordt verhoogd. Ik heb dat even uitgerekend. Een verzekering voor een jaarsalaris bij overlijden en twee of drie jaarsalarissen bij een ongeval kost een werkgever ongeveer 30 cent per ƒ 1000, dus ongeveer ƒ 100, voor kantoorpersoneel. Voor glazenwassers kost het ongeveer ƒ 300 extra. Bij duizend werknemers tikt dat wel aan. Uiteindelijk wordt een hoger bedrag verzekerd, opdat de fiscus het kan terugnemen omdat het in het progressieve tarief moet. Eerst zei de fiscus: wij verhogen de premie een beetje, het bedrag wordt hoger, dus wij doen 20%. Nu staat er weer dat het progressief wordt belast. De werkgever verhoogt de premie een beetje. Houd het toch gewoon op 20%. Ik heb als antwoord gekregen dat het heel goed is dat de winst van het vervallen van de bijzondere tarieven wordt gebruikt voor het ondernemersplan, maar ik begrijp niet wat de werknemers daaraan hebben.

Ik kom bij de zelfstandig ondernemer. Ik ga ervan uit dat man-vrouwfirma's door de fiscus niet zullen worden gediscrimineerd en dat er geen sprake kan en zal zijn van een discriminerende tendens dat, als man en vrouw samen de onderneming drijven, de vrouw geacht zal worden een ondergeschikte positie in te nemen en als "genegenheidsondernemer" op te treden. Als dat zich nauwelijks zal voordoen, ga ik ervan uit dat er zich niet al te veel problemen zullen voordoen op dit terrein.

Ik ben niet gerust over de toetreding tot en de beëindiging van de ziekenfondsgeneugten. In een stuk staat dat de omvang van de groep die recht blijft hebben op het ziekenfonds niet zal veranderen. Dat kan betekenen dat het dezelfde groep is, maar het kan ook betekenen dat er 40.000 in en 40.000 uit het ziekenfonds gaan. De omvang blijft in beide gevallen gelijk. Wij komen hierop terug bij de wet inzake de inkomensafhankelijke regelingen. Het gaat nu vooral om de vraag of het ondernemersbegrip wijzigingen heeft ondergaan die op deze verzekeringsplicht invloed kunnen hebben. Dat hoor ik graag, want ik vind het vervelend om mensen, na hen tegen hun zin op 1 januari in het ziekenfonds te hebben gedaan, opnieuw tegen hun zin op 1 januari eruit te moeten gooien terwijl zijzelf helemaal niks aan de situatie hebben veranderd en er niks aan hebben kunnen doen.

Ik kom bij de problemen bij inkomsten uit overige werkzaamheden. Ik heb er bij de voorbereiding al op gewezen dat ik de administratieve belasting niet echt voor mij zie die het voor burgers zal zijn om een volledige boekhouding te moeten voeren. Een gepensioneerde werknemer die inkomen geniet uit de royalty's van zijn memoires moet een openingsbalans hebben. Als hij een tweede huis aan zichzelf ter beschikking heeft gesteld om daar het boek te schrijven, is het dan een kwestie van vermogensetikettering? Of kun je het huis niet aan jezelf meeslepen, omdat je zelf een lichaam bent? Kun je het alleen meeslepen naar een ander lichaam, zoals een BV of een partner? Het is ingewikkeld.

Ook gemeenteraadsleden, burgers die naast hun werknemerschap bijvoorbeeld lid zijn van een adviescommissie in de gemeente of een klachtencommissie en Eerste-Kamerleden, hoe vervelend ik het ook vind om dit uiteen te zetten, zullen hun onbelaste onkostenvergoeding zien vervallen en de werkelijke kosten mogen aftrekken. Ik zal nooit zeggen dat die kosten er niet zijn, maar het gaat gewoon om de extra administratie. Gelukkig zijn er onder ons misschien wel gepensioneerde Eerste-Kamerleden die zeggen: hoera, ik kan mijn computer opnieuw op mijn openingsbalans zetten. De heer Rensema glimt helemaal. Het lijkt opkomen voor eigen parochie, maar ik vraag mij af of er voor zowel gemeenteraadsleden als senatoren niet in redelijkheid een forfaitair bedrag is vast te stellen. Is dit inderdaad verstandig? Anders spaar ik mijn bonnetjes wel: vijf vullingen voor mijn pen gebruikt voor de Eerste Kamer. Dan gebruik ik hier wel een paarse pen en voor iets anders een rode.

Bij inkomen uit overige werkzaamheden is een van de opvallende pijnpunten, zoals ook bleek uit de reacties van collega's, de meesleep- en meetrekregeling. Dat hangt deels samen met de kring van personen. Het is mijns inziens onuitvoerbaar. Ik zag tijdens het programma Opsporing Verzocht dat een zoon die zijn vader terugvond – er staat nergens dat het een erkend kind moet zijn – een meerderheidsbelang van wel 6% in een BV bleek te hebben waarin de vader een kapitaalgoed ter beschikking heeft gesteld. Die wil dat kind absoluut niet eens kennen; dat is veel te duur. Als je zelf al niet weet wat een kind uit het eerste huwelijk van je inmiddels gescheiden levende partner in jouw tweede huwelijk doet en waar het uithangt, hoe moet de belastingdienst dat dan weten? Er staat toch nergens dat ik een familiestamboom bij mijn aangifteformulier moet doen? Daar doet zich al een probleem voor.

Het tweede probleem hangt heel serieus samen met de vermogenswinstbelasting die zal ontstaan bij vermogensonderdelen die ook nog in waarde kunnen toenemen, zoals grond. Er is dan immers niet alleen sprake van het belasten van inkomsten uit terbeschikkingstelling, maar er zal ook nog eens moeten worden afgerekend tegen de waardestijging als het vermogensbestanddeel alsnog van de hand wordt gedaan, aan het kind wordt verkocht of door enige andere omstandigheid terugkeert in box III. Collega Stevens heeft daarvoor al een suggestie gedaan. Ik denk dat hij op het punt van de oplossingen veel deskundiger is dan ik, maar het lijkt mij goed om er nog eens goed naar te kijken.

Datzelfde geldt voor de landbouwvrijstelling. In de stukken wordt de indruk gewekt dat het probleem gering is. De oudere boer die zijn land ter beschikking stelt van zijn boerendochter, kan bij de onderneming betrokken blijven. Wij krijgen van LTO Nederland heel ongeruste brieven over gefaseerde bedrijfsoverdracht en alle mogelijke manieren waarop het landbouwbedrijf kan worden voortgezet. Volgens mij zijn de problemen groot, volgens de staatssecretaris gering. Ik krijg graag een nadere toelichting. Ik ben ervan overtuigd dat ook andere woordvoerders op dit probleem zullen wijzen, maar mij bekruipt de hele tijd het gevoel dat ook deze wijziging wat ondoordacht is doorgevoerd. Heroverweging is zeer gewenst.

Dat brengt mij op de bij derde nota van wijziging ingebrachte ingevoerde artiestenregeling. Ook die vind ik overhaast en ondoordacht opgeschreven en echt niet goed. Voor artiesten waren er al twee mogelijkheden: een fictieve dienstbetrekking en een zelfstandigheidsverklaring. Nu is er in de loonbelasting een nieuwe bij gekomen: de artiestenregeling in geval van activiteiten van korte duur. Opgemerkt wordt dat socialezekerheidsbescherming wenselijk zou zijn. Wenselijk is echter niet hetzelfde als geregeld. Ik zie hier niet zulke vreselijk grote problemen, omdat het wellicht praktisch te regelen is naar de feitelijke omstandigheden kijkend. Omdat de loonbelasting vervolgens wordt verrekend met de inkomstenbelasting en daar het inkomen geldt als loon uit onderneming, komt de artiest onder de Ziekenfondswet te vallen als hij een laag inkomen heeft. WW en Ziektewet zullen wellicht niet zo vaak gebruikt worden, maar toch.

Grotere problemen zie ik bij de manier waarop fiscaal in de sfeer van de loonbelasting wordt omgegaan met kosten. Tot nu toe werd loon in natura belast voor de besparingswaarde, tenzij het incidentele en lage kosten betrof. Voorgesteld wordt uit te gaan van een belasting voor de economische waarde om daarna te kijken of het kan worden verrekend via de besparingswaarde. Een commissie gaat bezien hoe dat met bonnetjes moet. Hoe zij dat moet doen, weet ik niet.

Het probleem zit bij de brede grondslag, loon en onkostenvergoeding naar economische waarde, en de belastingheffing van 20% daarover, ook al kan het later bij de inkomstenbelasting worden gecorrigeerd. Sting trad laatst in Ahoy op. De afspraak voor de recetteverdeling was 15-85, waarbij alle lasten voor rekening van de groep Sting kwamen. De vier leden van de groep zouden in de toekomst over een bedrag van ƒ 340.000 20% loonbelasting moeten betalen. Daarbij gaat het echter niet alleen om loon, maar ook voor een groot deel om onkosten. Zo moeten Ahoy, de agent, de roadies, de publiciteit, de catering, enz. worden betaald. Uiteindelijk houden ze wellicht ƒ 20.000 de man over als inkomen. Dat kan later met de aanslag worden verrekend. Dus eerst ƒ 68.000 belasting betalen om daarna tot de ontdekking te komen dat je maar ƒ 8000 hoeft te betalen. Dat is een voorfinanciering van jewelste, die men maar moet kunnen opbrengen. Het vertrouwen in de Nederlandse fiscus moet daar wel erg groot voor zijn. Het zou binnen de Europese regelgeving wel eens strijdig kunnen worden geacht met het vrije verkeer. Immers, er wordt bewust veel te veel belasting geheven, veel meer dan noodzakelijk is. Bij een goede loonverdelingsverklaring zouden die kosten er eerst afgaan.

Voor een binnenlandse groep geldt precies hetzelfde. Op zichzelf is het verstandig om er een iets hoger tarief dan 20% op te zetten, want binnenlandse artiesten zijn volksverzekeringsplichtig, maar het is logisch om daar met een loonverdelingsverklaring de onkosten eerst af te halen. Ook bij binnenlandse artiesten is het verschil tussen de loonheffing en de inkomstenbelasting veel te groot. Ik ben ervan overtuigd dat de staatssecretaris net als ik beschikt over het rapport van de commissie-Habbema, alle artikelen terzake van Dick Moolenaar en alle verontruste brieven uit het artiestenveld, artiesten die zich over het algemeen zo goed betrokken weten bij veranderingen van belastingwetgeving. Ik verwacht dus nog een reactie. Ik zeg erbij dat ik op dit punt redelijk vasthoudend ben. Ik wil dus graag een antwoord waardoor die vasthoudendheid niet nodig is.

Mijn opmerkingen over box I sluit ik af met de constatering dat het eigen huis er een beetje vreemd in zit. Maar aangezien politieke keuzes ook in eigen geledingen niet altijd even eenduidig zijn en het H-woord nauwelijks schijnt te mogen worden uitgesproken, geef ik slechts aan dat de PvdA-fractie in de Eerste Kamer het er niet helemaal mee eens is. Er is wel degelijk reden om ook op dit terrein verder te gaan en te erkennen dat het hebben van een eigen huis ook vermogensvorming is.

Hiermee beland ik in box II. Daar heb ik niet zoveel mee, maar er zit wel een pijnpunt in. En dat is de absolute onmogelijkheid om te komen tot verliesverrekening over de boxgrenzen heen. Natuurlijk wil ik niet dat er allerlei verliesgevende BV's worden gekweekt die daarna op alle mogelijke oneigenlijke manieren met belasting in box I en box III worden verrekenend. Er zou echter eenmaal per leven verrekend moeten kunnen worden. Als iemand chronisch ziek is, één BV heeft, verlies lijdt en dat verlies niet terug kan verrekenen met eerdere jaren en niet vooruit kan verrekenen met latere jaren, omdat hij de BV moet staken, dan moet het daarbij geleden verlies toch eenmaal verrekend kunnen worden. Misschien zou dat vanuit het gelijkheidsbeginsel ook bij gepensioneerden moeten kunnen. Ik denk dat wij een structuur niet altijd heiliger moeten verklaren dan de praktijk.

Ik hop nu snel over naar box III. Volgens sommigen is dat de pretbox, want dan heb je namelijk vermogen. Schulden moet je in box I hebben. Voor heel veel mensen in Nederland zal het echter een nieuwe ervaring zijn, want zij hebben tot nu toe niets met de fiscus te maken, als het om hun vermogen gaat. De groep belastingplichtigen die straks te maken zal krijgen met de vermogensrendementsheffing, is aanzienlijk groter. De vrijstelling is namelijk beperkt en de rendementsheffing ziet niet alleen toe op geld, maar ook op het tweede huis. Het kan dus gebeuren dat een huurder drie hoog achter met een goed vastgeklonken stacaravan of een leuk optrekje op de volkstuin plots een vermogen blijkt te hebben waarover hij rendementsheffing moet betalen. Voor die burger is dat zijn eerste huis, want dat andere is maar een huurhuis. Als ik dit even zet tegenover de bewoner van een kapitale villa met een luxe zeegaand zeiljacht, dan gaat er volgens mij toch iets wringen. Misschien dat die burger er goed aan doet om zijn tweede huis, die goed vastgeklonken stacaravan waar hij nog een hypotheek op heeft, voor de fiscus op te geven als zijn eerste huis. Ik weet echter niet of het huurhuis als tweede huis aangemerkt mag worden. Ik denk trouwens dat, als de geneugten van de belastingverlaging in het eerste jaar, 2001, zijn genoten, de aanslag voor de rendementsheffing die in 2002 komt, veel mensen die niet hebben geweten dat zij vermogend waren, gigantisch zal verbazen. Is de vrijstelling dan ook niet te beperkt? Zou een hogere vrijlating met een hoger tarief niet eenzelfde opbrengst hebben gegenereerd? Hadden de gewone burgerman en burgervrouw niet wat meer ontzien kunnen worden en hadden de echte rijken niet wat meer kunnen bijbetalen?

Voorzitter! In box III zit ook een studiekostenverzekering voor kinderen. Die is heel goed bedoeld, maar het is niets anders dan een verhoging van de vrijstelling voor een kapitaalverzekering voor gezinnen met kinderen, mits zij daarmee beginnen als het kind onder de 13 is. Vreemd genoeg wordt daarbij ook het zogenaamde volledige gezin aanzienlijk meer bevoordeeld dan het eenoudergezin. Wat een vast bedrag van ƒ 50.000 per ouder met studiekosten van een verschillend aantal kinderen te maken heeft, ontgaat mij volstrekt. En dat er bij overlijden van een van de ouders ook meteen meer vermogensrendementsheffing moet worden betaald, als beiden ƒ 50.000 hebben willen reserveren, komt mij ook wat vreemd voor. Uiteindelijk is het namelijk aanzienlijk duurder om kinderen in je eentje te laten studeren dan wanneer je er met z'n tweeën voor staat. Als verzekeringsproduct is het echter vast heel interessant. Een gezin met een kind onder de 13 kan een kapitaalverzekering afsluiten zonder te behoeven voldoen aan "groen" of "tante Agaath", maar toch lijkt mij dit inadequaat voor het ondersteunen van studerende kinderen. Meedenkend, kwam ik uit op een levensverzekeringsproduct waarbij de uitkering wel afhankelijk is van het aantal kinderen en waarbij een beperkt aantal termijnen geldt, zodat het kind er inderdaad van kan gaan studeren. Wanneer het kind niet gaat studeren, dan wordt de uitkering belast bij het kind zelf. Ik heb genoeg creativiteit om nog andere oplossingen te bedenken voor mensen met kinderen. Als dat niet de bedoeling is, dan wil ik voorstellen om te komen tot een kapitaalverzekering voor de zorg van ouders. Ik wacht met belangstelling af hoe de bewindslieden tegen dit soort goedbedoelde kapitaalverzekeringsvrijstellingen aankijken. Daarbij mogen ook het groen beleggen en tante Agaath nog eens aan de orde komen.

Ik kom op het grootste probleem, namelijk de invoering en de uitvoerbaarheid. Dat de commissie-Thunissen/De Waard geen indicaties heeft dat er problemen zijn, leidde bij mij tot de verzuchting dat in die commissie wellicht niet de goede mensen zitten. Ik zie namelijk wel heel veel problemen. Het beeld dat wordt opgeroepen, alsof er nog ruim de tijd is om de invoering op adequate wijze te begeleiden, kan alleen naar voren komen vanuit de fiscale invalshoek. "Al zijn uw inkomsten nog zo snel, de belasting achterhaalt ze wel." Ze komen namelijk altijd achteraf. De fiscus hoeft pas in 2002 dingen te weten, die ik als burger nú moet weten om actie te kunnen ondernemen voor 1 januari 2001. En er zijn nog maar zes maanden te gaan! In de schriftelijke antwoorden wordt gesuggereerd, dat de ruimte voor invoering één jaar zal zijn van de drieënhalf jaar voor het hele proces. Die invoeringsruimte is wat ingekort. Voor 1 januari 2001 zullen al degenen die recht hebben op uitbetaling van de heffingskorting een aanvraag moeten hebben ingediend. Dat zijn zo'n 2 miljoen mensen, die straks te maken krijgen met de fiscus, dus ook alle bijstandscliënten. Is het de bedoeling dat de sociale dienst die aanvraag en de verrekening doet? Ik denk het niet. Als de sociale dienst zelf een aanvullende uitkering moet geven op de heffingskorting en de kinderkorting, betekent dit dat alle computerprogramma's en uitkeringssystemen bij de sociale diensten moeten worden aangepast. Is er inmiddels overleg met Divosa en zo ja, is dat tot tevredenheid van alle betrokkenen afgerond? Kunnen de sociale diensten in die zeer beperkte tijd tot uitvoering overgaan? Ik heb hierover mijn twijfels. Het is niet één computerprogramma: iedere gemeente heeft zijn eigen computerprogramma uitgevonden.

En nu de burgers. Als je al deelneemt aan een pensioenregeling en er valt een huis-aan-huiskrant van de fiscus in je brievenbus, lees je dat je misschien iets mag doen aan opbouw van een aanvullend pensioen, wat afhankelijk is van je jaarruimte. Dan vraag je dus aan elkaar of je je A-factor al kent. Politici hebben zelf nog nooit een pensioenbrief gehad: die krijgen zij dit jaar voor het eerst, zo heb ik gehoord. Maar de A-ruimte is ook iets anders dan pensioeninformatie. Je moet weten, welke ruimte je nog hebt om een aanvullend pensioen te krijgen. Dat wij dat willen weten, komt ook omdat sommige burgers inmiddels zelf lopende kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausules hebben, waarvoor ze iedere maand misschien ƒ 500 betalen. Als dat te veel is voor de jaarruimte, moet een deel naar box I en een deel naar box III. Als dat toch naar box III moet, doe je dat toch niet in een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule? Dan kun je het net zo goed gewoon sparen, tenzij het natuurlijk voor je partner was, want dan houd je rekening met het kortlevenrisico. Als je denkt dat je 110 jaar wordt, moet je je absoluut verzekeren vanwege het langlevenrisico. Dat soort dingen wil een burger toch weten voor 2001? Dat wil hij weten zodra die huis-aan-huisbrief binnenkomt, zodra hij dat boek van de Consumentenbond heeft ontvangen. Als je bij twee werkgevers werkt en deelnemer aan twee pensioenregelingen bent, nou ja.

Voorzitter! Ik ga tijd besteden aan de kapitaalverzekeringen, waarbij ik begin met de kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule. De bijlage daarbij heb ik eigenlijk niet begrepen. Hij ging alleen maar over kapitaalverzekeringen zonder lijfrenteclausule, en over kapitaalverzekeringen die je kunt binden aan een eigen woning. Bij de laatste werd niet aangegeven, dat er ook nog een grens zat ter hoogte van de hypotheekschuld. Of geldt dat alleen voor nieuwe kapitaalverzekeringen die worden gebonden aan de eigen woning? Maar dat stond niet in het voorlichtingsmateriaal. Ik hoop niet dat dat de voorlichting voor de burger is. Ik merk ook dat mensen heel vaak niet weten dat ze een kapitaalverzekering hebben. Is de hypotheek met levensverzekering een kapitaalverzekering? Ja, je betaalt wel geld, en dat je als je op je 65ste of eerder dood gaat daarmee de hypotheek aflost, waardoor er misschien wel geld overblijft, dat weten sommige mensen niet. Ik wist niet dat ik een kapitaalverzekering had, maar ik heb er één. Ik weet het nu, maar niet iedereen behandelt het belastingplan!

Is een risicoverzekering een kapitaalverzekering? Dat kan, namelijk als het een gemengde verzekering is. Maar als je annuïteitenkapitaal krijgt, dat daalt naarmate je dichter bij je 65ste zit, valt dat dan in box III, als het tot uitbetaling komt omdat de partner dood gaat? Of valt die uitkering ook in box I? Dat soort vragen krijg ik, ook van pensioendeskundigen. Ik zou wel een reactie willen hebben. In de Tweede Kamer is de verwachting uitgesproken dat verzekeraars hierbij een zware verantwoordelijkheid zullen hebben, zodat ik de problemen even langsloop. Ik begin bij de pre-brede herwaarderingspolissen. Dat ze zo heten, hangt samen met het gegeven dat ze te onderscheiden moeten zijn van post-brede herwaarderingspolissen. Bij de vorige wetgeving werden deze volledig ontzien, met een heel harde toezegging. Het argument voor de beëindiging van deze eerbiedigende werking is nu dat de burgers die tien jaar geleden geëerbiedigd zijn, al tien jaar lang hebben kunnen profiteren van het oude systeem, en dat het dus logisch is om ze dat nu af te nemen. Dat wist het toenmalige kabinet ook toen het met de eerbiedigende werking kwam. Het waren behoorlijke zunigerds. Het was in 1989-1992 geen rijke tijd. De vraag is ook of het fatsoenlijk is. Mijn fractie heeft daar toch problemen mee. Als expliciet bij eerdere wetgeving gezegd wordt dat er sprake is van eerbiedigende werking, dan is het de vraag of je dan tien jaar later kan zeggen: het is nu anders. Hoe werkt het bijvoorbeeld uit in de sociale zekerheid? Er zit toch absoluut iets in waardoor je zegt: dat hoort niet zo, dat geeft geen vertrouwen aan de burger.

Een andere vraag is of het überhaupt wel kan. Kan een eens toegezegde volledig eerbiedigende werking vervangen worden door een deels eerbiedigende en een deels directe werking? Of krijg je dan problemen? In een notitie van het Verbond van verzekeraars wordt onder meer verwezen naar de harmonisatiewet en het EVRM. Dergelijke verwijzingen hebben het effect zoals een patiënt ondergaat wanneer het haakje van de tandarts een open zenuw raakt. Kan het dus eigenlijk wel? Als het niet kan, krijg je toch helemaal een zooitje? Ik ben er absoluut niet gerust op. Kan de staatssecretaris motiveren waarom hij meent dat het wel kan zonder risico's te lopen?

En dan nu de uitvoeringspraktijk. De polis van de pre-brede herwaardering moet ten minste in tweeën worden gescheurd. Een deel dat de flexibiliteit behoudt en een tweede deel dat voldoet aan de straks vigerende wetgeving. De kans is reëel dat de polis zelfs in drie delen moet worden gescheurd. Een deel gaat dan in box I en een ander deel in box III als mijn jaarruimte wordt overschreden. Die polissen kan ik bij verschillende verzekeraars hebben. Hoe moet die informatie gaan lopen? Ieder jaar moeten wij opgeven wat de kapitaalruimte is. Niet omdat het meteen tot belastingheffing zal leiden, want er is een vrijstelling voor een bedrag van ƒ 272.000. Maar om te kunnen beoordelen dat het bedrag beneden die ƒ 272.000 blijft, zal toch jaarlijks moeten worden opgegeven om hoeveel het gaat. Die polissen kunnen afgesloten zijn bij verschillende maatschappijen. Iemand kan bij de AEGON een polis hebben van ƒ 150.000, bij Delta een polis van ƒ 50.000 en bij Nationale Nederlanden een polis van ƒ 75.000. Samen heeft hij dan te veel. De vraag is vervolgens ten aanzien van wie het teveel geldt. Moet dan voor elk eenderde het teveel in box III berekend worden of moet een van de drie een stukje in box III gaan berekenen? Hoe weten ze dat van elkaar? Is er een re-reseigneringsplicht van de fiscus richting de verzekeringsmaatschappijen? En dat moet allemaal voor 1 januari. Ik geloof niet dat dit kan. Het moet ook nog worden aangeleverd op basis van een sofi-nummer, terwijl dat nummer nog niet eens is ingevoerd. Het betekent dat er een heel nieuwe verzekeringsadministratie moet worden opgezet. Ik ben overigens hartstikke blij dat de kleine volksverzekeringspremies en de kleine begrafenispolissen op mijn suggestie er nu worden uitgehaald. Ik zag alweer een miljoen brieven per jaar bij de burgers terechtkomen. Als je dan geen onkosten behoeft te maken, dan kost het je niets, maar in werkelijkheid gaat het om tig-miljoen. Ik meen dat het wat betreft de gehele verzekeringswereld zal gaan om een bedrag van grofweg 100 mln. Overigens, waar haal je de mensen vandaan en waar moeten ze zitten? Dit soort problemen kan zich voortdurend voordoen en de noodzakelijke kennis daarvoor moet bij de burgers bekend zijn. Voor pensioenfondsen valt het dan nog mee, want die behoeven slechts de A-factor op te geven, maar de verzekeringsmaatschappijen moeten weten wat de afkoopwaarde en de reserveringswaarde van de polis is, welke premies betaald zijn etc. Er zijn nog geen duidelijke afspraken over. Dit gaat mijns inziens niet goed. Wij gaan dus allemaal onze verzekeringsmaatschappijen bellen en dan gaan hun telefooncentrales net zo werken als die van verzekeringsmaatschappijen voor ziektekosten als er weer iets gebeurt met het ziekenfonds: die zijn drie maanden onbereikbaar. Ik denk dat de staatssecretaris mij gerust moet stellen, dat het allemaal wel goed zal gaan. Met spoed zal overleg met de uitvoerders van kapitaalverzekeringen gevoerd moeten worden. De problemen moeten worden geïnventariseerd en van een oplossingsrichting worden voorzien. Misschien is er zelfs financiële compensatie geboden, maar ik begrijp dat er nog een vuiltje van 600 mln. tussen het departement en de verzekeraars hangt. Ik heb mij ook afgevraagd of het mogelijk is de vermogensrendementsheffing uit te stellen. Maar ja, om het jaar erna twee rekeningen te krijgen; ik heb al die klachten gezien van mensen die in een jaar twee keer de WAZ-premie moesten betalen. Dat was voor sommigen in mijn kennissenkring een behoorlijke klap voor hun financiële ruimte.

Voorzitter! Het belastingplan is een heel grote inspanning geweest voor het departement. Wetgevingsprocessen van een dergelijke omvang in een korte tijd verwerken om te komen tot een wet, is absoluut bewonderenswaardig. Echter, als de snelheid voor de uiteindelijke invoering tot grote problemen aanleiding gaat geven, dan zijn wij onvoldoende zorgvuldig bezig. Iets kan niet alleen omdat wij dat willen. Politieke wil is een groot goed, maar biedt niet voor alle problemen een oplossing. Ook de Partij van de Arbeid heeft de politieke wil deze belastingherziening met dit kabinet in te voeren ondanks haar kritische kanttekeningen, omdat zij hoopt dat voor een deel daarvan nog een oplossing zal worden gevonden. Ook ziet zij een aantal positieve punten ten opzichte van de bestaande situatie. Maar, voorzitter, het moet wel mogelijk zijn binnen de gekozen termijn!

De heer Rensema (VVD):

Voorzitter! De leden van de VVD-fractie hebben steeds veel waardering getoond voor het concept en voor de grote lijnen van de belastingherziening. Wij hebben ook lof voor de fiscaal-technische uitvoering. Wij menen echter dat er in de voorliggende wetsontwerpen enkele zeer ernstige gebreken zijn, die hersteld moeten worden. Dat kan ook gemakkelijk omdat er sprake is van onnodige inbreuken op de bestendige rechtsontwikkeling. Wij doelen hier op de beide meesleepregelingen en op het afschaffen van de bijzondere tarieven in box I. Er zijn nog meer bezwaren, maar wij willen ons zoveel mogelijk beperken tot de hoofdzaken. Wij komen hier nog uitvoerig op terug, maar gaan eerst verder met het uiten van onze grote lof.

De vermogensrendementsheffing is een goede vondst, al was het maar omdat een beter alternatief niet voorhanden is. Hier rijst inderdaad een helder perspectief van eenvoud en rechtvaardigheid zoals reeds 20 jaar geleden werd geschreven. Heel belangrijk is verder de fiscaalneutrale werking van deze heffing, die fiscalisten en economen gelijkelijk zal aanspreken. De burgers kunnen weer doen wat hun het beste lijkt, zonder dat zij eerst hun belastingadviseur moeten raadplegen.

Ook verder delen wij de argumenten waarmee de bewindslieden een- en andermaal hun voorstel hebben verdedigd. De namen van de oude denkers de liberaal Nicolaas Pierson en de socialist Jan Tinbergen zijn terecht genoemd. Het is goed om de belasting af te stemmen op de verdiencapaciteit.

Voorzitter! Het voorstel is veel minder revolutionair dan het op het eerste gezicht kan lijken. Wij hadden immers al een vermogensbelasting en ook een feitelijke situatie waarin van het belasten van de werkelijke objectieve opbrengst van het vermogen in veel gevallen weinig meer terechtkwam. De belasting kon in zeer veel gevallen op geheel legale wijze worden ontgaan. Bij deze feitelijke fiscaalrechtelijke situatie past de invoering van de rendementsheffing heel goed. Er is sprake van een belangrijke verbetering, maar ook van een harmonieuze ontwikkeling die geen echte inbreuk vormt op een bestendige rechtsvorming. Dit is wellicht ook de reden dat de rendementsheffing aanstonds door de maatschappij en door de markt is aanvaard. Wij achten het percentage van 4 voor het forfaitaire rendement niet te laag. Het gaat hier immers om een nettopercentage. Rekening moet worden gehouden met inflatieverliezen voor de rente en met risico en vooral kosten voor de inkomsten uit aandelen.

Er is voor het forfaitaire rendement op vermogen geen goed alternatief. In de academische discussie is wel verdedigd dat een vermogensaanwasbelasting mogelijk is. Dat is een belasting waarbij belasting wordt geheven over de niet gerealiseerde vermogenswinsten. Dat achten wij niet mogelijk omdat die inkomsten nog niet zijn ontvangen. Naar ons idee breng je de mensen tot razernij als je belasting wilt heffen van een voordeel dat nog niet genoten is en dat dus niet aanwezig is. De contanten waaruit de belasting kan worden betaald, zijn er immers nog niet. De vermogensaanwasbelasting is dus ondenkbaar.

De vermogenswinstbelasting van gerealiseerde winsten, zoals die door verschillende hoogleraren is verdedigd, kan naar men algemeen aanneemt, niet gelden voor het eigen woonhuis. Daarvoor is immers geen draagvlak. In het buitenland – in Frankrijk en Engeland wordt zo'n belasting geheven – wordt een uitzondering gemaakt voor de eigen woning. Dit feit tast echter het idee van een vermogenswinstbelasting principieel aan. Want wat moet je nu met zo'n belasting als die voor het belangrijkste bestanddeel van de vermogens van de burgers niet eens kan worden geheven? Voor de aandelen zijn de "lock in"-effecten het belangrijkste bezwaar. De regering heeft daar terecht op gewezen. Alleen de aandelen met verlies worden verkocht en dat verlies wordt aan de fiscus gepresenteerd. De aandelen met een stijgende waarde kunnen eindeloos in het familievermogen blijven. Bovendien zijn er onoverkomelijke uitvoeringsbezwaren. Iedereen kan vanavond nog via brokers in New York twee uur speculeren op de Amerikaanse beurzen. Een telefoontje en een creditcardnummer zijn waarschijnlijk voldoende. Dat is heel eenvoudig te doen. De mogelijkheden via het internet zijn waarschijnlijk nog rianter. Het is ondenkbaar dat de belastingdienst dit kan controleren. Een belasting die niet controleerbaar is, is per definitie niet mogelijk.

Wij hebben na de oorlog een speculatiewinstbelasting gehad als onderdeel van de inkomstenbelasting. Die speculatiewinstbelasting was eigenlijk ook een vermogenswinstbelasting. Deze belasting is toen wegens gebrek aan baten opgeheven.

Om al deze redenen zijn wij van mening dat vermogenswinstbelasting nooit een oplossing kan zijn.

Dan kom ik op onze bezwaren tegen de voorliggende wetsontwerpen. Deze bezwaren betreffen allereerst de beide meesleepregelingen. Als je verhuurt of ter beschikking stelt aan een ondernemend familielid of aan een eigen BV, een verwante BV waarin je een aanmerkelijk belang hebt, dan word je zwaar gepakt, driedubbeldik zelfs: een hoger tarief, een bredere grondslag en belasting over de waardestijging.

Prof. Geppaart heeft in het Weekblad van 20 april jongstleden opgemerkt dat dit laatste een wezenlijke breuk met het bestaande recht is. Waarom zijn de meesleepregelingen nodig? Zij vormen een inbreuk op het nieuwe systeem. Dat moge duidelijk zijn. Dat blijkt al uit het woord. De regeling heeft een gekunsteld karakter. Het woord "meeslepen" klinkt ons ook niet gunstig in de oren. Er zijn nog maar twee sprekers geweest, maar ik heb al de indruk dat er in dit huis kamerbreed verzet is tegen deze regelingen.

Er is gesuggereerd dat in de Tweede Kamer een politiek compromis is gesloten, waarbij de verlaging van het aanmerkelijkbelangtarief van 30 naar 25% is ingeruild tegen de omstreden meesleepregelingen in box I. In feite ging het niet om de verlaging van het aanmerkelijkbelangtarief, maar om het handhaven van het aanmerkelijkbelangtarief op 25% hoewel in het regeerakkoord 30% stond. De regering zou in deze redenering geen politieke ruimte hebben om er thans nog wat aan te doen. Deze zienswijze achten wij om verschillende redenen onjuist. Ook vooraanstaande sociaal-democraten hebben wel gevraagd om handhaving van het aanmerkelijkbelangtarief op 25%, omdat anders de cumulatieve druk van vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting te hoog zou worden.

Ook uit de behandeling in de Tweede Kamer blijkt niets van een compromis waarbij over en weer concessies zijn gedaan. De staatssecretaris van nu – ik mag het nog één keer zeggen – heeft als woordvoerder van de Partij van de Arbeid in heldere taal reeds aanstonds kritische vragen gesteld. Hij vroeg zich af of de regeling ongunstig zou kunnen uitwerken voor de financiering van het familiebedrijf. Bij interruptie heeft hij deze kritiek vragenderwijs herhaald. Staatssecretaris Vermeend heeft daarop onder meer geantwoord dat er met een open oog naar de problemen gekeken zou worden en dat er nog tijd is om met een veegwet te komen.

In de Eerste Kamer heeft vervolgens de fractie van de Partij van de Arbeid kritische vragen gesteld over de andere meesleepregelingen. Mevrouw Ter Veld heeft deze zojuist tot mijn genoegen herhaald. Haar voorbeeld was de boerendochter die de boerderij niet kan overnemen, omdat haar vader door de verpachting aan zijn dochter in de fiscale problemen zou geraken. Dit voorbeeld sluit volmaakt aan op wat door de VVD en door de andere partijen is opgemerkt.

Al met al lijkt er geen sprake te zijn van een politiek compromis. Er is zelfs niet of nauwelijks een politieke tegenstelling te ontwaren. Wij hebben dus alle ruimte om de regering te vragen te doen wat nodig is. Die ruimte hebben wij altijd, maar wij stellen dit om aan te geven dat er voor de regering geen praktisch beletsel is om aan de dringende wensen van deze Kamer tegemoet te komen.

De meesleepregelingen zijn niet echt noodzakelijk. Er is geen fiscaal-juridisch probleem dat door deze regelingen wordt opgelost. Er is alleen een probleem als men als uitgangspunt neemt dat ondernemend vermogen altijd zwaarder moet worden belast dan het beleggingsvermogen in box III. Daar is echter geen reden voor. Wij kunnen ons zelfs eerder het tegenovergestelde voorstellen.

Ook onze sociaal-democratische vrienden zien de kleine ondernemer al lang niet meer als de "bourgeois satisfait", maar als iemand die van groot belang is voor de ontwikkeling van de welvaart en de werkgelegenheid. Is de regering dan niet van mening dat de kleine ondernemers gestimuleerd moeten worden? Wat kan toch de reden zijn om hen enerzijds zo zwaar mogelijk te belasten en hen anderzijds te helpen met nogal buitenissige instrumenten, zoals de startersaftrek en de tante-Agaathleningen? Waarom zou een ondernemer geen belegger kunnen zijn in zijn eigen bedrijf? Waarom mag hij geen gebruikmaken van de rechtspersoonlijkheid die het ondernemingsrecht nu eenmaal toekent aan de BV? Waarom aanvaardt de regering een inbreuk op het systeem dat zij zelf met zoveel gepaste trots heeft gekozen en verdedigd?

Wij herhalen onze opmerking dat er in wetenschappelijk opzicht geen probleem is. Zo'n probleem was er wel in het oude systeem. Claims van de fiscus konden in het oude systeem verloren gaan in de sfeerovergang, door de vermogensbestanddelen waarin opgehoopt latent inkomen aanwezig was, over te brengen naar ondernemingsvermogen. Dan ging de claim van de fiscus geheel verloren. Dat was inderdaad een groot probleem, dat wetenschappelijk niet echt oplosbaar was. Er zijn allerlei incidentele reparatieregelingen voor gekomen, maar geen algemene oplossing. Het probleem van de sfeerovergang was er wel, maar het bestaat bij het nieuwe systeem niet meer. Laat de regering tevreden zijn met dit mooie succes van het nieuwe systeem!

In de brief van 18 april 2000 van de directeur van de Nederlandse Federatie van belastingadviseurs staat dat de meesleepregeling tot een wirwar van constructies zal leiden en dat nagenoeg geheel fiscaal en commercieel Nederland bepleit om hiervan af te zien. Enige regels later wordt opgemerkt: "Voor deze regeling bestaat maatschappelijk dan ook geheel geen draagvlak. Zoals opgemerkt zal zij voorwerp zijn van geharnast verzet." Wij moeten natuurlijk nooit wijken voor verzet of de dreiging daarmee, maar dan moet het wel gaan om een integer belang, om een zaak die het waard is om verdedigd te worden. Met dit ongelukkige product van de studeerkamer is dat niet het geval. Wij zien de opmerking van de federatie ook niet als een dreigement, maar als een zeer redelijke taxatie van de toekomstige ontwikkelingen. De federatie is een sympathieke organisatie van adviseurs in doorgaans kleinere kantoren. Zonder deze kleine kantoren is de belastingheffing van MKB-bedrijven nauwelijks mogelijk. Hierbij moet tevens worden bedacht dat het werk van de belastingdienst voor een heel groot deel is gericht op de ondernemers en de ondernemingen in Nederland. Daar wordt het nationale inkomen verdiend en daar ligt het zwaartepunt van de praktijk van de belastingheffing. Geharnast verzet zou zeer ernstig zijn en past ook niet in het poldermodel.

Wij en anderen, onder wie mevrouw Ter Veld, hebben reeds in de stukken opgemerkt dat een vader geen boerderij meer zal kunnen verhuren aan zijn zoon als hij niet in fiscale problemen wil komen. Zelfs de landbouwvrijstelling komt feitelijk buiten werking. Er wordt nog meer meegesleept dan eigenlijk tot de sfeer van de onderneming behoort. De regering heeft daarover opgemerkt dat de vader dit kan voorkomen door financieel en economisch bij de bedrijfsvoering betrokken te blijven. Dit antwoord is nauwelijks aan de maat. Mogen de mensen dit misschien zelf beslissen? De zoon zal ongetwijfeld zelf de baas willen zijn en niet steeds de kritiek van zijn vader willen ondergaan omdat die nog meedoet in het bedrijf. Bovendien bewijst dit antwoord dat de regeling heel makkelijk te ontgaan is.

Wij komen hier op voor de belangen van vele honderdduizenden ondernemers, middenstanders, boeren, kunstenaars, vrije beroepsbeoefenaren en andere zelfstandigen. Deze mensen hebben reeds de last van zware administratieve verplichtingen, ook ten dienste van de belastingheffing. Er is geen reden om hen te treffen met een geforceerd aandoende regeling. Er zit ook een ergerlijke kant aan. Het bedrijfspand dat tot dusverre in privé-eigendom gehouden werd, zal bijvoorbeeld opnieuw gewaardeerd moeten worden. Dat kost tijd, geld en aandacht en misschien moet men procederen met de fiscus. De regering zal wel zeggen dat panden altijd gewaardeerd moeten worden, maar het gaat hier om een kwestie waarbij elke gulden waarderingsverschil 52 cent kost. Dat is heel iets anders dan de 1,2 cent die dit zou kosten in box III.

Wij komen echter ook op voor de belangen van de fiscus, want die heeft hier weinig te winnen. In de haarvaten van de economie is heel veel mogelijk, meer nog dan wij ons thans kunnen voorstellen. De regeling zal worden ontgaan voor renderende zaken en worden gebruikt of misbruikt voor verliesposten. Wij hebben dat in de schriftelijke stukken uitvoerig uiteengezet. Het ontgaan lijkt niet zo moeilijk. Het tussenschakelen van een bank kan in enkele gevallen al voldoende zijn. Door de feitelijke en juridische positie van de bank zal een schijnhandeling niet bewezen kunnen worden. Inconsequentie werkt uiteindelijk tegen de fiscus, want de burger kan manipuleren en construeren; de fiscus kan dat niet. Dat lijkt haast een ijzeren wet. Het budgettaire voordeel zal na enkele jaren omslaan in een nadeel, maar de ergernissen en problemen voor welwillende mensen zullen blijven. Intussen blijft, zoals al eerder is gezegd, de vraag aan de orde of de regeling in overeenstemming te achten is met het gelijkheidsbeginsel.

Zijn er oplossingen mogelijk? Het komt ons voor dat de omstreden meesleepregelingen voorshands buiten werking moeten blijven. Dat kan heel simpel geregeld worden. Daarmee zou, ook in verband met de praktische aspecten, zoals de herwaardering, ook voor de belastingdienst een groot probleem zijn opgelost. De invoering van deze nieuwe wet, die wij ook uitvoerig hebben geprezen, behoort niet te worden belast met een regeling die zozeer omstreden is. In de tweede plaats is te denken aan een wijziging, in die zin dat de regeling niet zal gelden voor onroerende zaken. Het huren van bedrijfspanden is tegenwoordig zo gewoon, dat de band tussen onderneming en pand flinterdun is geworden. Daardoor kan ook de verhuur aan een ondernemend familielid of een "verwante" BV best worden gezien als een belegging die geheel systematisch thuishoort in box III. Ten slotte kan nog worden gedacht aan een regeling waarbij op zijn minst de belasting over de waardestijging wordt uitgeschakeld. Deze belasting is immers een inbreuk op de bestendige rechtsvorming. Niemand heeft daarop kunnen rekenen, zodat de ondernemers en zelfstandigen met enig recht kunnen klagen over een onbetrouwbare overheid. Er zou op zijn minst een overgangsregeling moeten komen waarbij alle bestaande gevallen worden ontzien. Huur- en pachtcontracten kunnen niet zomaar worden opgezegd. Dit zijn een aantal mogelijkheden, maar wij zouden er verre de voordeur aan geven om de regeling geheel buiten werking te laten: de staat behoort naar ons gevoel geen achterhoedegevechten te voeren.

Het andere grote probleem is de afschaffing van de bijzondere tarieven in box I. Ook deze afschaffing is volstrekt in strijd met een bestendige rechtsvorming. Het rechtskarakter van het belastingrecht wordt daardoor aangetast. Sinds de Romeinen wordt het recht immers gekenmerkt door een harmonieuze ontwikkeling via kleine stapjes. Grove inbreuken zijn in het recht niet passend. Algemeen wordt in de belastingwetenschap aanvaard dat er ontvangsten zijn die een zwak inkomenskarakter hebben en daardoor met een matig tarief moeten worden vergolden. Kan de wetgever deze algemene opvatting zomaar aan de kant schuiven? Heeft hij geen respect voor de wetenschap? Proefschriften en artikelen die de bijzondere tarieven ter discussie stellen, zijn ons niet bekend; er was dus geen aanleiding om op dit punt iets te veranderen.

De grootste fiscalist van na de oorlog was prof. mr. H.J. Hofstra. In onze kringen was hij gevreesd omdat hij een boek had gepubliceerd over socialistische belastingpolitiek. Bij ons weten heeft hij echter nimmer het bestaan van de gematigde tarieven aangevochten. Het bijzondere tarief voor de stakingswinst zag hij als een noodzakelijke correctie op de nominalistische winstberekening. Schijnwinsten mogen eigenlijk niet tot de fiscale grondslag behoren. Nu dat bij de stakingswinst doorgaans wel het geval is, is het toepassen van een gematigd tarief een eis van rechtvaardigheid.

Het is heel goed mogelijk dat een ondernemer in het verleden voor bijvoorbeeld een ton een bedrijfspand heeft gekocht en dat thans, om het maar heel gewoon te houden, ruim een miljoen waard is. Als rekening wordt gehouden met enige afschrijving, dan zal dit bij staking leiden tot een stakingswinst van ongeveer 1 mln. Deze winst bestaat grotendeels of geheel uit schijnwinst, want het is precies hetzelfde pand gebleven. Wil de regering over deze winst 52% belasting heffen? Zoiets is onvoorstelbaar. Ik betreur het dat ik daarvoor geen sterker woord heb kunnen vinden. Ik weet immers waarover ik praat: ik ben in diverse plaatsen belastinginspecteur geweest en ik weet dat problemen en moeilijkheden zich in de praktijk van de belastingheffing concentreren bij de kleine ondernemers. Deze mensen hebben bijvoorbeeld 40 jaar een kleine onderneming gehad en daarvoor 40 jaar lang belasting betaald. Daarover moet niet gering worden gedacht: mensen in loondienst merken niet zoveel van belastingheffing omdat de loonbelasting op hun loon wordt ingehouden, maar kleine ondernemers betalen hun belasting via een aanslag en merken die belastingheffing buitengewoon hard. Deze mensen zijn na 40 jaar belasting betalen dus aan hun pensioen toe, maar dat hebben ze niet echt, want dit zit in hun pand. Vervolgens komt de fiscus met de mededeling: wij willen nog even over de hele zaak, het pand, afrekenen, omdat daar een geweldige stille reserve in zit. Dat staat voor een habbekrats op de balans. Dit is niet uit te leggen aan die mensen.

Toen ik dit werk dertig jaar geleden moest doen, was het bijzondere tarief 20% tot 40%, afhankelijk van de winst in de laatste drie jaar. Door in die laatste drie jaar niet al te hard meer te werken, kon de ondernemer op een tarief uitkomen van 20%. Men kan zeggen dat dit niet zoveel is, maar dat was nog moeilijk genoeg. In elk geval kon je met die 20% zaken doen. Ik geloof dat er nu met de 52% geen zaken meer te doen zijn. Er zullen straks ondernemers zijn van 90 jaar die nog steeds een onderneming hebben. Immers, zij hebben nog steeds het bedrijfsvermogen dat zij weigeren om met de fiscus af te rekenen. Ik zou ze eigenlijk geen ongelijk kunnen geven.

Dit kan wel worden opgelost door doorschuiving, dus als een zoon of dochter de zaak wil voortzetten. Er is echter op gewezen dat dit een onaanvaardbare druk op die zoon of dochter kan leggen: jij moet de zaak overnemen, want anders moeten wij vreselijk veel belasting betalen. Soms is er geen opvolger of leent de zaak zich niet voor voortzetting. Zelfs als er geen winst meer wordt gemaakt, kan er nog wel een grote stakingswinst zijn.

Er zijn nog enkele andere kwesties die om nadere bezinning vragen. Voor de problemen met de lijfrenten en de levensverzekeringen sluiten wij ons aan bij de opmerkingen die de heer Schuyer van D66 daarover zal maken. Het is toch wel zeer de vraag, zoals ook mevrouw Ter Veld al heeft gezegd, of de eerbiedigende werking voor de oude contracten, die een aantal jaren geleden zo uitdrukkelijk is toegezegd en die ook wettelijk is geregeld, niet gehonoreerd moet worden. Is de hoogheid van het overheidsgezag hierbij niet in het geding?

Voor de artiesten moet in goed overleg met hun vertegenwoordigers verder worden gezocht naar een goede en praktische regeling. Wij hebben hierover ook veel brieven ontvangen. Wij zijn ervan overtuigd dat bepaalde toonkunstenaars die in de provincie werken en bescheiden inkomens hebben, hoge kosten hebben voor bijvoorbeeld bladmuziek. Het zou toch onredelijk zijn om daarmee geen rekening te houden.

Wij dringen aan op een spoedige hervorming van het successierecht. De stijging van het vermogen schept toch de budgettaire ruimte voor een tariefverlaging? Het tarief voor neven en nichten loopt op tot 68%. Dit is toch te gek, zo meen ik. Ook hierbij is het van belang dat het aantal erflaters zonder kinderen toeneemt. Ook daarin kan een budgettaire ruimte gevonden worden. Voorts wijzen wij erop dat er een groot verband bestaat met de bedrijfsopvolging. Juist als er zo'n zware belasting is op de stakingswinst, gaat bij overlijden het tarief van 20% naar 52%. Dit klinkt onvoorstelbaar, maar het is wel zo. Als er dan ook nog successierecht betaald moet worden, komt de financiering van de bedrijfsopvolging bepaald in de problemen.

Wij prijzen de regering voor het besluit om prof. Geppaart, in wie wij veel vertrouwen hebben, uit te nodigen om de totstandkoming van de veegwet te begeleiden. Wij herhalen onze lof voor het grote werk dat is verricht. Wij zijn zeer kritisch geweest, maar deze kritiek betrof enkele, zij het zeer belangrijke onderdelen. Wij hebben het gevoel dat deze onderdelen gemakkelijk vervangen of hersteld kunnen worden.

Wij wachten de antwoorden van de regering met buitengewone belangstelling af.

De heer Schuyer (D66):

Voorzitter! Het kan haast niet anders of de minister van Financiën is een bewonderaar van de hertog van Alva. Enige jaren geleden hebben we hier gesproken over de overdrachtsbelasting die rechtstreeks van Alva afkomstig is. De minister zegde toen een onderzoek toe naar de mogelijkheid om die belasting te herzien maar al spoedig kwam hij tot de conclusie dat herziening niet wenselijk was. Nu, bij de belasting herziening 2001, grijpt hij, zoals Grapperhaus constateerde, andermaal naar een belasting uit de tijd van Alva, door te komen met een vermogensrendementsheffing. Alva zocht naar heffingen die moeilijk of niet te ontlopen waren en slaagde daar goed in. Aanvankelijk konden de Staten van Holland de heffingen wel afkopen met een bedrag ineens maar in 1571 weigerde Alva dit en dat leidde tot de bereidheid van Holland om een leger te financieren dat aan Oranje ter beschikking werd gesteld. Fiscalisten hebben altijd tegen dit type belastingheffing bezwaar gemaakt, omdat er geen enkele relatie is tussen de heffing en een prestatie van de overheid. Maar de minister beroemt zich erop, geen fiscalist maar econoom te zijn en heffingen vanuit dat gezichtspunt te beoordelen. Wellicht is dat de oorzaak van het soms gehoorde verwijt, dat een principiële discussie hierover onvoldoende gevoerd zou zijn.

Dat verwijt is maar ten dele terecht. Er is bij de behandeling aan de overzijde wel degelijk een principiële discussie gevoerd over de nu voorliggende voorstellen. Men moet echter wel de moeite nemen wat verder terug te gaan dan alleen naar het slotdebat. In het hierna volgende zal ik laten zien op welke manier de huidige voorstellen tot belastingherziening passen in de visie van D66, maar ook dat zij daarin niet meer dan een eerste stap zijn. Daarna zal ik ingaan op een principiële kant van de voorstellen die de gemoederen in het bijzonder bezighoudt, namelijk de vraag of en hoe de voorgestelde vermogensrendementsheffing zich verdraagt met het draagkrachtbeginsel. En ten slotte zal ik een aantal punten behandelen die wij bij de indiening van de zogenaamde veegwet en van de begroting 2001 in discussie zouden willen zien.

Ik heb bij de financiële beschouwingen in 1993 en 1995 uitvoerig aandacht besteed aan de Chicago School of Economics, aan wier vertegenwoordigers de Nobelprijs voor Economie in het afgelopen decennium wel zes keer is toegekend. De ontwikkeling van deze school viel in tijd samen met het ontstaan van D66 en veel van haar gedachtegoed heeft zijn reflectie gevonden in het programma van mijn partij. In het bijzonder geldt dit voor de ideeën van twee vertegenwoordigers, namelijk Garry Becker en Robert Lucas. Om in het debat over wat nu wordt voorgesteld onze principiële uitgangspunten te benadrukken, wil ik daar nog eens kort de hoofdzaken van citeren.

Becker toonde aan, dat regels vaak niet werken en zelfs contraproductief kunnen zijn. Zodoende gaf hij een wetenschappelijke onderbouwing aan gangbare begrippen uit maatschappelijk verkeer en politiek, zoals vrije markt, individualisering, deregulering, terugtredende overheid en efficiency, en derhalve ook, zo constateerde ik in 1993, aan de afgeleide noties calculerende burger, calculerend bedrijf en calculerende samenleving. Het is de verdienste van Becker geweest, dat hij voor deze aanvankelijk negatief klinkende begrippen een kader tot positieve duiding bood. Een overheid die zich enigszins terugtrekt, een overheid die tegenover alle burgers – mannen en vrouwen, allochtonen en autochtonen – een gelijkwaardige uitgangspositie kiest, is de politieke vertaling van dit denken en is als zodanig geïntegreerd in de programma's van D66 en in de opstelling van haar vertegenwoordigers. Onmiskenbaar duidelijk wordt dit in onze opvattingen over emancipatie in de meest brede zin, in ons juridisch denken en in ons pleidooi om de overheid niet tegelijk als financier en uitvoerder te laten optreden daar waar ook private organisaties van overheidsfinanciering afhankelijk zijn. D66 beschouwde het in 1993 als een uitdaging om te bezien of ook het fiscaal stelsel van de overheid vanuit dat denken kon worden opgezet en beoordeeld. Om zo'n omvangrijke uitdaging het hoofd te kunnen bieden, werd in het partijprogramma voor de verkiezingen van 1994 – zoals bekend leidden deze verkiezingen tot de vorming van Paars I – gepleit voor de instelling van een staatscommissie ter voorbereiding van een fundamentele herziening van het belastingstelsel. Die staatscommissie is er niet gekomen, maar een voorstel tot fundamentele herziening van het belastingstelsel wel.

Maar wat waren in 1993 de punten die wij noemden als door zo'n staatscommissie te behandelen? De calculerende samenleving maakt het nodig, zo stelden wij toen, het belastingstelsel om te vormen van een synthetisch tot een analytisch stelsel. De indirecte belasting zou versterkt en de directe belasting verlicht moeten worden. Om het ontlopen van belasting tegen te gaan, zou het principe van de bronbelasting moeten worden ingevoerd. Het tax-creditsysteem zou op zijn consequenties moeten worden onderzocht, ook voor de hypotheekrente, voegden wij eraan toe. Vervolgens noemden wij een verschuiving van de algemene belastingheffing naar onder andere milieubelasting wenselijk. Om Europees in de pas te lopen zou het ook noodzakelijk zijn om de vermogensbelasting en de successierechten aan te pakken. Ten slotte was er de reden voor de vereenvoudiging. Bij mijn eerste financiële beschouwing in 1991 had ik al gesteld, dat een belastingheffing die de 50% te boven gaat de solidariteit in de samenleving al te zwaar op de proef stelt. Daarom stelden wij dat vereenvoudiging van het belastingsysteem hard nodig was, omdat er een fiscaal stelsel in stand gehouden werd waarbij ook de meest getrouwe betaler gemakkelijk in de fout kon gaan en bovendien oneigenlijk gebruik nauwelijks te vermijden viel. Tot zover 1993.

In 1995 kreeg de econoom Lucas uit de Chicago School de Nobelprijs. Waar Becker het falen van regels benadrukte, legde Lucas het accent op het voorkomen van ongelukken door preventief optreden van de overheid en door de theorie van de rationele verwachtingen. Vertaling hiervan in termen van financieel overheidsbeleid is niet eenvoudig, maar evenmin onmogelijk. De regelgeving van het Verdrag van Amsterdam betreffende deelneming aan de euro is een voorbeeld van preventief handelen van de overheid, evenals het verlagen van de rentelast op de rijksbegroting en het trendmatig begroten. Dat zijn allemaal punten aan de realisering waarvan D66 niet alleen van harte heeft meegewerkt, maar die mijn partij ook heeft bepleit in de periode dat zij geen regeringsverantwoordelijkheid droeg. Preventie bereik je, zo stelden wij nogmaals in 1995, door een radicale vereenvoudiging van het belastingstelsel. Het verlangen om oneigenlijk gebruik tegen te gaan had geleid tot een woud van regels die juist het omgekeerde hadden bewerkstelligd. Het grijs kenteken, in deze Kamer door mijn voorganger Vis uitvoerig aan de orde gesteld, is er een voorbeeld van, maar ook het zogenaamde koffiegeldarrest van de Hoge Raad: een werkgever moest een thuiswerker de aankoop van een pak koffie vergoeden, omdat de werkgever de koffie op het werk niet in rekening bracht waardoor die als loon in natura kon worden beschouwd. Vereenvoudiging voorkomt oneigenlijk gebruik niet, maar maakt het wel minder gemakkelijk. D66 staat daarom invoering van het tax-creditsysteem voor, keer op keer bepleit door Ybema en Giskes in de Tweede Kamer, in de Eerste Kamer door mij.

Het voorgaande, voorzitter, toont aan, dat voor D66 de hervorming van het belastingstelsel al een tijd hoog op de politieke wensenlijst staat. Ook hebben wij duidelijke ideeën bij de vraag waartoe die hervorming zou moeten leiden: tot de invoering van een tax-creditsysteem. Het huidige voorstel tot herziening is een stap in die richting, maar daarmee verdwijnt het tax-creditsysteem voor ons nog niet van de politieke agenda. Wij waarderen het derhalve positief, dat ook de bewindslieden hebben verklaard dat het eind van de herziening nog niet in zicht is. Het Kamerlid Bos – en natuurlijk ben je geneigd, mijnheer de voorzitter, om na de recente wisseling van functie zijn woorden met bijzondere aandacht te lezen – heeft aan de overzijde uitvoerig verklaard waarom de Partij van de Arbeid de onderhavige voorstellen steunt. Het belastinginstrumentarium schiet tekort bij het bevorderen van duurzame economische ontwikkeling, bij het ondersteunen van een hoogstaande en stimulerende publieke sector en vooral bij het voeren van een eerlijke en effectieve inkomenspolitiek. Kamerlid Bos stelde dat de overheid in de 21ste eeuw nog meer dan in de 20ste eeuw zal worden aangesproken op haar vermogen de inkomenspositie van de zwakkeren in de samenleving te steunen. En ook in dit opzicht faalt het huidige belastingstelsel opzichtig, zo stelde hij. Hoewel ik hem de vergelijking van de eeuwen niet nazeg, is duidelijk wat hier bedoeld wordt. De nieuwe voorstellen bieden meer mogelijkheden om bijvoorbeeld de inkomenspolitiek te sturen: de sterkste schouders kunnen meer gaan dragen dan in het oude systeem. In feite kan zo het draagkrachtbeginsel beter gerealiseerd worden. Omdat de meeste kritiek op de voorstellen het veronderstelde loslaten van het draagkrachtbeginsel betreft, met name door de vermogensrendementsheffing, dienen de voorstanders van de voorstellen daar een antwoord op te hebben. Daar kom ik nu over te spreken.

Bij de financiële beschouwingen in december 1996 werd, op de vraag hoeveel mensen eigenlijk het toptarief betaalden, geantwoord dat het er 315.000 waren. De minister gaf daarbij de volgende specificatie: 13% pensioengerechtigden, 10% ambtenaren, 43% in loondienst en slechts 20% ondernemers. Uit een staatje van de belastingplichtigen op vermogen bleek bovendien dat er geen duidelijke relatie is tussen betalers van het 60%-tarief in de inkomstenbelasting en de hoogte van het vermogen. Ik stelde toen:

"Ook zonder onderzoek is het vermoeden gerechtvaardigd dat hier een behoorlijke onbillijkheid inzit, namelijk dat de topbetalers niet de topverdieners zijn. Daarmee komt de vraag hoe de verlaging van het toptarief moet worden betaald in een iets ander daglicht te staan. Immers, de indruk bestaat dat het systeem van aftrekposten ten slotte leidt tot onredelijke verhoudingen tussen belastingplichtigen. Wellicht dat opschoning al flink helpt om de vraag te beantwoorden hoe de verlaging van dat toptarief en het verdwijnen van de vermogensbelasting moet worden betaald."

Bij ethische vraagstukken – de kwestie van het draagkrachtbeginsel bij belastingheffing is als zo'n vraagstuk te beschouwen – wordt eigenlijk steeds dezelfde discussie gevoerd: kies je voor een wettekst die je ethische uitgangspunten zo precies mogelijk verwoordt of concentreer je je op de werkelijke effecten? D66 heeft altijd consequent voor het laatste gekozen: in wetgeving inzake drugs, bij regelgeving over abortus en ook nu bij het vraagstuk van het draagkrachtbeginsel in de belastingwetgeving. Daar komt nog iets bij. Bij de invoering van de inkomstenbelasting zo'n 110 jaar geleden ging het, behalve om het ontvangen van geld, ook om het vinden van een middel om sociaal onwenselijke verschillen te reguleren. Dat proces is wellicht nooit helemaal voltooid, maar vast staat wel dat nationaal gezien de noodzaak tot regulatie nu bepaald minder is. De op zichzelf ergerlijke uitwassen die de laatste tijd aan het licht kwamen, zijn vermoedelijk door geen enkel fiscaal systeem volledig te ondervangen, maar de aanpak ervan wordt door de voorgestelde herziening wel beduidend makkelijker. D66 gaat er daarom van uit dat belastingregels nu ook andere, in de huidige maatschappij duidelijk urgente doelen kunnen nastreven. De belasting op consumptie behoeft meer aandacht. De noodzaak hiervan wordt in de huidige voorstellen impliciet onderkend, gelet op het verschuiven van het accent van directe naar indirecte belasting.

Uit het voorgaande blijkt voldoende waarom D66 de verlaging van het toptarief steunt. Hetzelfde geldt voor de steun die wij geven aan de vermogensrendementsheffing. In het wetenschappelijk debat zijn ook wel andere methoden voorgesteld: vermogensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting. Van beide wordt veelal gesteld dat zij het draagkrachtbeginsel beter vertegenwoordigen. Dat moge theoretisch zo zijn, maar het is de vraag of het in de praktijk ook zo zou uitwerken. Veel belangrijker voor een politicus is de constatering dat geen van beide een voldoende politiek draagvlak heeft. Politiek is, zeker niet in de laatste plaats, het bedrijven van de kunst van het haalbare. Dat is met de vermogensrendementsheffing op meesterlijke wijze gelukt. Als het gaat om de realisatie van het draagkrachtbeginsel, scoort de heffing beter dan het huidige systeem. De politieke haalbaarheid en de verbetering van het nieuwe systeem ten opzichte van het huidige maken dat de D66-fractie niet aarzelt om van harte met de voorstellen in te stemmen en de bewindslieden te complimenteren met deze nog nergens toegepaste oplossing. Ik heb geen correspondent in Burundi, dus ik wist dit niet zeker.

Alvorens over te stappen op de behandeling van een aantal concrete voorstellen, wijd ik nog enige woorden aan de fiscale behandeling van het eigen huis. Als de wens van D66 tot invoering van een tax-creditsysteem gerealiseerd wordt, zal uiteraard ook de hypotheekrente niet volledig aftrekbaar kunnen blijven. Het is nog niet zover; er wordt nu slechts een eerste stap gezet. De aanpak van het kabinet juichen wij toe als evenwichtig daar waar de aftrek van de hypotheekrente op het tweede huis wordt afgeschaft, de termijn van dertig jaar voor aflossing wordt aangehouden en bij verhuizing aftrek van een nieuwe hypotheekrente alleen mogelijk is indien de hypotheeksom hoger uitvalt en dan slechts over het verschilbedrag. De uitwassen worden zo wel degelijk aangepakt. De verlaging van de belastingtarieven en de historisch lage rente dragen daar verder toe bij. Niettemin is deze evenwichtige aanpak van het kabinet gestoeld op de huidige politieke realiteit. Zij die daar geen rekening mee wensen te houden, kunnen tot andere voorstellen komen.

Voor D66 is bespreking van de hypotheekrente geen taboe, maar wij wensen wel dat rekening gehouden wordt met relevante parameters zoals de steun van de huursector via de huursubsidie, de overdrachtsbelasting die een huiseigenaar drie à vier keer in zijn leven betaalt, het gegeven dat in alle West-Europese landen een vorm van steun bestaat om een eigen woning te kunnen bezitten, en de hypotheekrenteaftrek zelf. Zonder te ontkennen dat wij een royaal systeem hebben, wordt toch vaak het beeld geschapen dat deze steun exorbitant is. Dit beeld nu staat ter discussie. D66 juicht daarom de toezegging van de staatssecretaris toe, dat hij in de zomermaanden met een nota komt over alternatieve fiscale structuren voor de eigen woning. Er zal dan voldoende gelegenheid zijn om daar verder over te spreken.

Wij verwachten dat daarin ook serieus ingegaan wordt op de voorstellen van de heer Palm, die ons per brief van 17 maart jongstleden bereikten en die bij het kabinet bekend zijn. Het voorstel om ten behoeve van de eigen woning een aparte box te creëren (box IV) is interessant. Ter zijde merk ik op dat ik bij box denk aan een box voor kinderen. Ik had dus helemaal niet de neiging om daar een Engels woord in te zien. De suggestie van de heer Palm doet recht aan de constatering van de Raad van State dat de eigen woning niet thuishoort in box I, alsook aan de repliek van de regering dat het eigen huis evenmin thuishoort in box III, omdat het geen beleggingsproduct is. Lees ik de voorstellen van de heer Palm goed, dan is de hoofdgedachte dat het voordeel dat de huiseigenaar ontvangt door afschaffing van het gedrochtelijk huurwaardeforfait, ook door D66 meer dan eens zo betiteld, een begrenzing van de maximumhypotheekrenteaftrek rechtvaardigt, en per saldo ook voor vrijwel iedereen neutraal zal uitwerken. Bovendien wordt het dan mogelijk de vierde box aan een apart belastingtarief te onderwerpen zodat voor iedereen, ongeacht het inkomen, eenzelfde percentage geldt. Een soortgelijk voorstel is ook al gedaan in 1991 door de commissie-Stevens in de nota "Graag of niet". Wij hebben dat voorstel toen gesteund.

In de brief van de heer Palm wordt ook een voorstel gedaan dat zowel door het CDA bij monde van de heer Reitsma als door de minister min of meer is overgenomen. In ieder geval heeft de minister serieuze bestudering toegezegd. Ik doel op het idee dat degenen die de hypotheek op de eigen woning hebben afgelost, worden vrijgesteld van de bijtelling van het huurwaardeforfait, in de nieuwe voorstellen eufemistisch "eigenwoningforfait" genoemd. Via de zogenoemde veegwet moet het nog mogelijk zijn dit voorstel in de huidige wetsvoorstellen op te nemen. Mijn fractie staat daar welwillend tegenover en vraagt de minister of zijn opmerkingen ook zó kunnen worden verstaan, dat hij dit voorstel zal overnemen en nog vóór de invoering van de wet zal effectueren. Wij willen nog wel opmerken dat wij in de interessante voorstellen van de heer Palm het aspect van de afschaffing van de overdrachtsbelasting op de eigen woning geheel missen. Het is niet moeilijk om dit in het voorstel op te nemen.

Voorzitter! Bij de schriftelijke behandeling hebben wij de vraag gesteld of de bewindslieden zelf nog een nieuwe vraag zouden kunnen verzinnen na alles wat er over deze voorstellen is gezegd. Er zijn 3000 vragen gesteld. Ik had trouwens een wat humoristischer antwoord verwacht dan een duidelijk "nee". Dat geldt echter ook voor mijn fractie. Vandaar dat wij ons beperken tot hetgeen ons heeft bereikt na aanvaarding van het voorstel van wet aan de overzijde. In zijn algemeenheid stellen wij dat we nu eerst maar eens moeten beginnen en vooral bereid moeten zijn om snel te repareren, als blijkt dat zaken toch anders lopen dan gedacht. Er is echter een aantal punten dat nu reeds tot actie lijkt te nopen. Mijn voorgangers hebben er al vele genoemd.

Zo zijn er problemen gesignaleerd rondom het groen beleggen. Het Kamerlid Bos heeft daar al vragen over gesteld, maar het antwoord van staatssecretaris Bos laat nog heel veel in het midden. Ik heb echter begrepen dat het kabinet vorige week heeft beslist dat groen beleggen attractief moet blijven. Mijn fractie wil nu graag weten hoe dat dan gestalte krijgt, want vergroening van het belastingstelsel is voor ons een belangrijk uitgangspunt. Daarom willen wij ook snel helderheid over de oplossing van de gesignaleerde problemen, die duidelijk zijn verwoord in de brief van de Nederlandse vereniging van banken. Wij hebben er begrip voor dat de gesuggereerde oplossingen – mevrouw Ter Veld wees daar ook al op – door het kabinet niet gelijk worden overgenomen. Aan de andere kant is het ons niet duidelijk hoe de maatregelen in het ondernemerspakket, die het kabinet blijkens de schriftelijke behandeling voor ogen staan, het voordeel van groen beleggen voor de kleine belegger kunnen garanderen. De pers heeft bericht dat het kabinet een besluit heeft genomen over het aantrekkelijk houden van groen beleggen. Het zou dus mogelijk moeten zijn om nu enige duidelijkheid te geven over de manier waarop men dit probleem wil aanpakken. Ik heb net als mevrouw Ter Veld vernomen dat men denkt aan een korting ergens in box I. Ik begrijp dat wel en zij natuurlijk ook, ook al zei ze van niet. Ik kan hier echter niet erg enthousiast over worden. Er komen straks trouwens nog een paar opmerkingen over het steeds opnieuw toch weer sleutelen aan de doorboring van de schotten. Is het niet mogelijk – ik vraag dit met veel aarzeling – om dit toch niet te doen en te overwegen om aan groenbeleggers van rijkswege een premie te geven van gelijke hoogte voor iedereen? Anders zou het wel gekoppeld kunnen zijn. Men zou kunnen uitrekenen wat de belastingheffing die men voor ogen heeft, kost. Dat bedrag zou men dan over participaties kunnen variëren. Wellicht is dit een mogelijkheid.

Het gaat hierbij ook om een vorm van overgangsrecht voor de bestaande participaties. Ter verduidelijking: D66 wil vooral aandacht – dat is iets anders dan wat in de brief van de banken staat – voor de 80% van de deelnemers die met een omvang van minder dan ƒ 50.000 in de groenfondsen participeren. Die groep heeft weinig aan de beschouwing van de bewindslieden in de schriftelijke beantwoording, dat door de tariefsverlaging vrijstellingen uiteraard minder waard worden. Waar het om gaat, is dat witte beleggingen meer waard worden zonder in het bijzonder te speculeren, terwijl groene beleggingen door de keuze van het systeem achterblijven. D66 wil er geen twijfel over laten bestaan dat een en ander voor de invoering van de wet een oplossing zal moeten hebben. Vergroening is een van de pijlers van de voorstellen en dat wordt gelukkig ook door de bewindslieden erkend. Wij vertrouwen er daarom ook op dat de nieuwe staatssecretaris met een heel inventieve oplossing zal komen. We hopen dat hij daar morgen al enige helderheid over kan geven. Misschien kan dan ook worden ingegaan op de vraag of het wel zo verstandig is om het groen beleggen, dat nu ongelimiteerd kan, in het nieuwe stelsel te verbinden met andere manieren van beleggen. Dan gaan immers limieten gelden. In ieder geval zou mijn fractie er prijs op stellen, als nog eens kritisch overwogen wordt of het nu wel zo verstandig is om het groen beleggen te laten concurreren met de studiekostenverzekering voor de kinderen. Met name die verbinding maakt het voor groenfondsen namelijk buitengewoon lastig om die concurrentie aan te gaan.

Een ander punt waarover ons veel opmerkingen hebben bereikt, is de uitwerking in bepaalde gevallen van de meesleep- en meetrekregeling. Ik kan hierover kort zijn, omdat collega Rensema dit punt uitvoerig aan de orde heeft gesteld. Anderen hebben dit ook aan de orde gesteld, maar wij onderschrijven zijn betoog geheel. Het gaat om hetgeen via de vierde nota van wijziging in het wetsontwerp is opgenomen en wat vooral de opvolging bij familieondernemingen raakt. Vrijwel algemeen wordt het verhuren aan de opvolger van onroerend goed waarin de onderneming zich bevindt, gebruikt als een oudedagvoorziening. Daar is jarenlang op gerekend en de nu in het wetsvoorstel geslopen wijziging grijpt daarom naar onze smaak te diep in. De wijziging is ongetwijfeld bedoeld om oneigenlijk gebruik te voorkomen, maar kan zelf gemakkelijk oneigenlijk gebruik oproepen. Het verhuren via zogenaamde strolieden met het recht op doorverhuur is toch echt niet zo vreselijk moeilijk te regelen. In de schriftelijke beantwoording van de vragen betreffende deze aangelegenheid redeneert het kabinet uitsluitend vanuit de gezichtshoek van de beoogde opvolger. Maar het gaat hier natuurlijk om de benodigde zekerheid voor degene die de activiteit staakt. In 1991 heb ik al eens gesteld dat de overheid zelf, door regelgeving vast te stellen die in brede kring als onredelijk wordt ervaren, misbruik gaat uitlokken. De onderhavige wijziging kan daarvan een heel mooi voorbeeld worden. Wij zouden het kabinet daarom nadrukkelijk willen aanbevelen, de vierde nota van wijziging op dit punt te heroverwegen, temeer, voorzitter, daar het midden- en kleinbedrijf bij deze belastingherziening er tot nu toe toch enigszins bekaaid lijkt af te komen.

Voorzitter! Een vraag terzijde is, of het niet verstandig zou zijn om het ondernemersbegrip voor de gehele belastingwetgeving te stroomlijnen. In een vraag onzerzijds bij de schriftelijke behandeling is aangetoond dat bijvoorbeeld het ondernemersbegrip bij de Wet op de inkomstenbelasting een andere is dan bij de Wet op de omzetbelasting. Dat schept ook verwarring.

Voorzitter! Ik kom nu te spreken over het lastige onderwerp van de fiscale begeleiding van de oudedagsvoorziening. Mevrouw Ter Veld heeft daarover behartigenswaardige woorden gezegd. In de schriftelijke behandeling van dit onderwerp schrijven de bewindslieden: "Overigens zouden alternatieven om ook tot een formele gelijkheid te komen, meer moeten worden gezocht in de richting van een beperking van de mogelijkheden in de tweede pijler dan een verdere oprekking van de mogelijkheden in de derde pijler tot het niveau van dat van de tweede pijler." Een dergelijke zin kan alleen maar geschreven worden als men erkent, dat voor pensioenen verschillende normeringen gaan gelden. En dat is precies de kern van de principiële kritiek van de Stichting van de arbeid en het Verbond van verzekeraars. Het kabinet gebruikt budgettaire argumenten om aan deze kritiek niet tegemoet te komen. Dat is op zichzelf natuurlijk niet oneigenlijk, wil ik nadrukkelijk zeggen. Is daar bij benadering een bedrag bij te noemen? Mijn fractie is in ieder geval niet overtuigd van de noodzaak om de reparatie van pensioengaten uit het verleden te begrenzen, in tijd tot zeven jaar en in geld tot ƒ 12.149 of ƒ 24.001 voor 55-plussers.

Bij de schriftelijke behandeling heb ik een vraag gesteld die bij de beantwoording niet is meegenomen. Stel: een minister van Financiën verlaat na twaalf jaar het publieke domein en heeft voor die twaalf jaar heel andere werkzaamheden gedaan, buiten het publieke domein. Hij gaat bij een bankinstelling werken. Hij komt vervolgens tot de ontdekking dat hij een pensioengat heeft. Waarom zou hij de eerste vijf jaar, toen hij druiven ging plukken in Frankrijk, niet meer mogen meenemen ten behoeve van de reparatie, als vaststaat dat alleen voor een bedrag kan worden gerepareerd dat gebaseerd is op het in die jaren genoten salaris? Het gaat immers om onvoldoende pensioenopbouw uit het verleden en niet om die op basis van het actuele loon. Dan zou inderdaad een begrenzing gerechtvaardigd kunnen zijn. Het budgettaire argument moet beperkt zijn. Overigens is de wetgever er niet in geslaagd om ook op het gebied van de pensioenregelingen een inzichtelijk systeem te ontwerpen. Gevreesd moet worden, dat velen op het terrein van de pensioenregelingen het spoor volstrekt bijster raken. Juist daarom willen wij de staatssecretaris ernstig in overweging geven om de termijn van zeven jaar nog eens te bezien, want dan kan een later komend inzicht in de eigen pensioensituatie tenminste nog enigszins worden aangepakt.

Voorzitter! De vragen over de onvoldoende AOW-opbouw vanwege te kort verblijf in ons land – men weet dat de AOW wordt opgebouwd door een verblijf in ons land, en niet door inkomen – worden door de bewindslieden vooral beantwoord met een verwijzing naar de Bijstandswet. Dit komt ons oneigenlijk voor en is bovendien voor de schatkist ook niet bepaald voordelig. Waarom niet de mogelijkheid geschapen om jaren in te kopen? Staatssecretaris Hoogervorst heeft in een debat in deze Kamer toegezegd, de mogelijkheid daartoe te onderzoe ken. Willen de bewindslieden eens uitleggen, wat nu toch precies hun bezwaar is? Het is voor mensen toch veel prettiger om jaren in te kopen dan te zijner tijd een beroep op de bijstand te moeten doen? En voor de schatkist kan dit toch onmogelijk per saldo veel uitmaken als men bereid is de verkokering op dit punt in de beschouwingen mee te nemen? Je kan het wel via een levensverzekering regelen, maar met name onze allochtone medelanders hebben vaak helemaal niet in de gaten hoe dat gaat, terwijl ze wel een verbinding hebben met het afdragen van AOW en ze daar gemakkelijk op gewezen kunnen worden. Ik pleit er echt voor om die weg te openen.

Voorzitter! Er bestaat bij mijn fractie begrip voor het feit, dat het kabinet op een drietal punten extra waakzaam is: het handhaven van de schotten tussen de boxen, het voorkomen van bijzondere tarieven en het tot het uiterste beperken van aftrekposten. Maar een enkele keer kan dit wellicht toch te stringent in acht worden genomen. Het komt ons voor dat dit het geval is bij het vervallen van het bijzonder tarief bij invaliditeit of overlijden van een werknemer; misbruik is hier vrijwel uitgesloten en de financiële consequenties voor de schatkist zijn te overzien. Men kan toch moeilijk vrede hebben met het antwoord van de bewindslieden bij de schriftelijke behandeling, dat er op neerkomt dat de werkgever ook de verschuldigde belasting kan meeverzekeren bij het aan de werknemer uit te keren bedrag? Wij zouden de bewindslieden willen vragen, dit nog eens te heroverwegen. Misschien is het mogelijk om uitkeringen vrij te stellen van successie; dan is handhaving van een bijzonder tarief wellicht niet nodig. Ik denk namelijk wel mee in de sfeer van dat als het niet nodig is, je het absoluut niet moet doen. We zouden dit berekend willen zien. Overigens vreest mijn fractie dat de overheid zelf aftrekposten mogelijk maakt die het systeem ondermijnen. De op het laatste moment in de wet gebrachte fiscale aftrek voor fietsers naar het werk en de aangekondigde belastingfaciliteit ten behoeve van computeraanschaf en internetaansluitingen zijn daar voorbeelden van. De doelen zijn uitstekend, maar het was toch de bedoeling om het belastingregime te stroomlijnen ten gunste van tariefverlaging? Laten wij toch proberen om ten minste te starten en niet al vier of vijf wijzigingen op dat punt aanbrengen, want dan gaat het mis.

Voorzitter! Het hoofdstuk kapitaalverzekeringen, al dan niet gekoppeld aan de eigen woning, al dan niet gekoppeld aan een pensioenclausule, al dan niet in de vorm van een levensverzekering, is zo complex, dat het haast niet anders kan of er komen juridische procedures van. Wij zijn het wat betreft de gedachten achter dit geheel van regels niet met het kabinet oneens, maar wij vragen ons af of het niet wat eenvoudiger had gekund. Wij beperken ons tot enkele vragen, in de stellige verwachting dat er de komende tijd meer zullen volgen en er wellicht duidelijkheid voor de burgers zal ontstaan. In ieder geval dringen wij aan op een intensieve voorlichting over deze materie. Als bij een samenlevingsvorm van twee mensen op ieders leven een verzekering is gesloten, geldt dan voor beiden het bedrag van de eerbiedigende werking van ƒ 272.000? Is of wordt dit bedrag geïndexeerd? Ik zou daarvoor pleiten. Maakt het verschil of men in deze situatie één- of tweeverdiener is? En als deze levensverzekering nu gekoppeld is aan de eigen woning zonder dat men deze koppeling effectueert, blijft dan de vrijstelling van ƒ 272.000 gelden? Hoe wordt het meerdere eigenlijk precies belast als de levensverzekeringspremie nooit is afgetrokken van het inkomen? Maakt het verschil of men de uitgekeerde bedragen te zijner tijd aanwendt voor een periodieke uitkering op het pensioen? Treedt in die situatie de 70%-norm in werking? Welke situatie ontstaat er wanneer de hypotheek er geheel of gedeeltelijk mee wordt afgelost en het meerdere te vrijer besteding wordt aangewend? Een briefschrijver suggereert dat bij een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule "oude stijl" er altijd verplicht een lijfrente gekocht moet worden en dat de mogelijkheid om de uitkering ineens te ontvangen waarbij gewoon met de fiscus wordt afgerekend door het betalen van de inkomstenbelasting volgens het hoogste tarief wordt uitgesloten. Dit lijkt ons een onjuiste interpretatie maar wij willen dat ook van de staatssecretaris horen. Voorzitter! Wij hebben er geen moeite mee als deze technische vragen schriftelijk worden beantwoord. We willen alleen aangeven dat bij deze materie zeer veel onduidelijkheid heerst – mevrouw Ter Veld gaf hier ook een aantal voorbeelden van – en dat deze moet worden opgelost.

Voorzitter! Bij de schriftelijk behandeling is er voor mijn fractie duidelijkheid verschaft over de positie van kunstenaars. Velen van hen hebben nevenwerkzaamheden en kunnen zodoende dus recht op aftrek van beroepskosten claimen die het forfait overstijgt. Alleen kan de hoogte een probleem zijn als rekening gehouden moet worden met het gebruik via het hoofdberoep. Wij menen dat hier reden is voor een royale behandeling en zouden dat nog graag bevestigd willen zien door de staatssecretaris. Op de valreep bereikte ons nog een brief van de heer Moolenaar, belastingadviseur voor artiesten, die toch nog veel vragen open laat. Ook mevrouw Ter Veld heeft hierover gesproken. Is het juist dat er voor freelancers een stevig gat in de sociale zekerheid ontstaat? En is er geen aftrek meer mogelijk van "algemene kosten" op de loonverdelingsverklaring? Als dat inderdaad zo is, heeft dat volgens de heer Moolenaar grote gevolgen voor de amateursector. Er is blijkbaar toch reden voor ongerustheid in de kring van de artiesten en de amateurs. Het zou goed zijn als dat na dit debat niet meer zo is. Ik ontvang dus graag een uitvoerige reactie van de staatssecretaris. Ook niet geheel duidelijk is voor ons de zelfstandigenaftrek voor de meewerkende partner van vrije beroepsbeoefenaren, bijvoorbeeld de huisarts. Ik ben geneigd met de PvdA-fractie te menen dat het begrip "gebruikelijkheid" geen goed criterium is. Het antwoord van de bewindslieden bestrijdt dit op voor mij niet volstrekt duidelijke gronden. Blijft de zelf- standigenaftrek voor de meerwerkende partner wel gehandhaafd, wanneer aangetoond kan worden dat het urencriterium wordt gehaald met werkzaamheden van administratieve aard, achterwachttaken, vervanging van doktersassistentes en dergelijke activiteiten?

Mijn fractie heeft ook nog een vraag inzake buitengewone lasten die kinderen maken ten behoeve van hun ouders. Tot nu toe zijn deze kosten onder bepaalde omstandigheden aftrekbaar. Ut een schrijven van de Nederlandse vereniging van particuliere woonzorgvoorzieningen maken wij op dat dit in het nieuwe systeem niet meer zo is. Kan de staatssecretaris daar duidelijkheid over geven? Bij het hoofdstuk van de wat kleinere onderwerpen behoort ook de problematiek van de opleiding tot verkeersvlieger. Er bestaat bij mijn fractie wel begrip voor de beperking van de aftrek van studiekosten en ook voor het schrappen van studierente. Vrijwel altijd gaat het hierbij om aanvullende opleidingen en nascholing. Maar bij de verkeersvliegers gaat het om de primaire opleiding, en dan ook nog een particuliere opleiding waaraan de overheid geen enkele bijdrage levert, noch in rechtstreekse zin noch via studiefinanciering. Zou het toch niet mogelijk zijn om voor de primaire beroepsopleiding nog eens te kijken of er een andere regeling mogelijk is? Te denken valt bijvoorbeeld aan de afschaffing of vermindering van de 30%-regeling ten behoeve van de buitenlandse vliegers. Daarmee zou gemakkelijk de primaire opleiding van de vliegers gefaciliteerd kunnen worden. Ik ontvang graag een reactie van de staatssecretaris op dit punt.

Voorzitter! Een ander punt dat in de schriftelijke behandeling veel aandacht van alle fracties heeft gehad, is de kwestie van de eerbiedigende werking en uitspraken van een vroegere bewindspersoon dat geen wijziging van de wet – gedoeld is op een passage uit de brede herwaardering – zou plaatsvinden. Dat is indertijd afgesproken in een soort convenant tussen het ministerie van Financiën en het Verbond van verzekeraars. In ruil voor die toezegging van de toenmalige staatssecretaris zouden de verzekeraars afzien van een laatste intensieve campagne gericht op extra aftrekmogelijkheden. Vooral de CDA-fractie heeft zich in de schriftelijke behandeling van deze kwestie geweerd. Ik heb, voorzitter, de uitvoerige beantwoording door het kabinet met verwondering gelezen. Er worden heel veel woorden gewijd aan de vraag of de overheid gerechtigd is, af te wijken van eerder gedane toezeggingen in juridische zin. En het antwoord is duidelijk: dat mag. Niemand zal dat formele standpunt bestrijden. De wetgever kan zelfs de wet wijzigen, zoals in de beantwoording geheel ten overvloede wordt meegedeeld.

Waar het uiteraard om gaat, is de vraag naar het morele recht bij deze kwestie. Het antwoord van de regering had zich daartoe kunnen beperken. Het is niet de eerste keer dat de vraag aan de orde is en het zal ook zeker de laatste keer niet zijn. Zoals bekend, is de Senaat traditiegetrouw extra attent op kwesties betreffende eerbiedigende werking. Ik denk – en geef hier een persoonlijke opvatting weer – dat de kijk op zulke kwesties sterk wordt beïnvloed door iemands opvoeding. Als je je hele leven bent geïnstrueerd dat de overheid amoreel is en dat je nooit, noch in positieve noch in negatieve zin, rekening moet houden met wat zij allemaal toezegt te zullen doen, ben je minder verbaasd als de overheid een toezegging weer eens niet nakomt. Maar als je onderdeel bent van het besluitvormingsproces, kom je met die constatering alleen natuurlijk niet weg. Hoewel ik mij kan voorstellen dat de regering, alles afwegende, een andere beslissing zou hebben genomen – temeer omdat door onze vraag duidelijk werd dat het budgettair belang gering bleek te zijn – kan ik met de opstelling van het kabinet wel vrede hebben. De stelling dat degenen die dit voordeel nu inleveren, tenslotte toch ook profiteren van de aanzienlijke voordelen bij deze belastingherziening, onder meer door de aanmerkelijk lagere tarieven, overtuigt tot op zekere hoogte. Dat is in andere situaties, bijvoorbeeld bij de Algemene nabestaandenwet en indertijd bij de brede herwaardering zelf, ook wel anders geweest. Maar fraai is het ook hier niet. Het zou beter zijn als de regering dat nou gewoon toegaf. De samenleving, in het bijzonder het Verbond van verzekeraars, ziet zich weer eens bevestigd in de overtuiging dat je maar beter geen convenanten met de overheid moet sluiten. Je weet in zo'n situatie altijd wel wat je plichten, maar nooit precies wat je rechten zijn of worden.

Alles afwegende zou mijn voorkeur toch zijn uitgegaan naar een andere opstelling van het kabinet. Op de valreep bereikte ons een uitvoerige notitie van Loyens en Loeff, die de juridische houdbaarheid van de wet ook op dit punt in twijfel trekt. De heer Stevens wees er al op. Dat vind ik moeilijk te beoordelen, maar een juridisch gevecht over dit aspect is in ieder geval geen goede start. Daarom doe ik met enige voorzichtigheid een suggestie aan de bewindslieden. Als amateur op dit terrein moet ik daarmee oppassen. Zou het niet beter zijn wanneer men nu de eerbiedigende werking geeft tot 31 december 2000 voor de lopende kapitaalverzekering en men de looptijd daarna onder het nieuwe regime brengt? Concreet betekent dit dat het opgebouwde kapitaal tot het eind van dit jaar onder de eerbiedigende werking valt, maar het toekomstig opgebouwde niet. De vrijstelling van ƒ 272.000 per persoon moet dan uiteraard in verhouding met de nog resterende looptijd worden gebracht. Men moet namelijk sowieso altijd die 15 jaar doen. Wij stellen een reactie op prijs.

Tot slot maak ik twee opmerkingen over kwesties die nog geregeld moeten worden. Het eerste punt is de zesde BTW-richtlijn, die heffing van omzetbelasting op transacties via internet veilig moet stellen. De bewindslieden gaan daar in de beantwoording op de schriftelijke vragen slechts summier op in. Op zichzelf is dat wel te begrijpen, want veel is natuurlijk nog onduidelijk. Wij willen wel iets nader weten met welke inzet Nederland aan de besprekingen begint op Europees niveau.

Het tweede punt is de successiewet. De heer Rensema sprak er ook over. In het antwoord op de schriftelijke vragen geven de bewindslieden aan, niet te verwachten de modernisering nog dit jaar aan het parlement te kunnen aanbieden. Dat begrijpen we, maar mogen wij verwachten dat het nog wel deze kabinetsperiode plaatsvindt? Er is steeds gesteld, ook in de schriftelijke behandeling, dat de modernisering budgettair neutraal zal moeten zijn. Bij de aanmerkelijke stijging van de vermogens die vererfd gaan worden, is dat echter ook zonder aanpassing van de tarieven te realiseren. Vinden de bewindslieden dit bespreekbaar? Zoals bekend hecht mijn fractie zeer aan herziening van de successiewetgeving. Nu met de herziening van het belastingstelsel getracht wordt kapitaalvlucht naar het buitenland te voorkomen, moet de inspanning niet teniet worden gedaan door een successiewetgeving die daarop niet is aangepast.

Bij de schriftelijke behandeling van de voorstellen die wij thans bespreken, spraken wij reeds onze bewondering uit voor de prestatie die is geleverd door het kabinet en deze bewindslieden. Wij willen dat tot slot ook nu gezegd hebben. Bij die lof betrekken wij graag de medewerkers van het departement. Toen de overzijde 2500 vragen had ingediend, hebben zij avonden en weekenden moeten doorwerken om op tijd de memorie van antwoord gereed te hebben. Op een zaterdag liep een man in spijkerbroek en trui door het departement. Hij vroeg hoe het vorderde. Dat bleek de minister zelf te zijn. Dat motiveerde extra, zeiden enkele medewerkers. Kortom: er is voorbeeldig samengewerkt. Dit departement kan menig collega-departement tot voorbeeld strekken op dat punt.

Voorzitter: De Boer

De heer Platvoet (GroenLinks):

Dit is een bijzonder moment. Onder voorzitterschap van de heer De Boer zal ik de bijdrage van GroenLinks met plezier via de voorzitter in de richting van de bewindslieden naar voren brengen.

Even wat inleidende opmerkingen. GroenLinks heeft het ook vaak gezegd. Paars II is metaalmoeheid en futloosheid verweten, maar dat kan moeilijk worden gezegd van de wijze waarop Zalm en Vermeend het belastingplan aan de man en de vrouw hebben gebracht. Soms was er te veel snelheid. De kritiek van de gehele oppositie van de Tweede Kamer kan toch niet alleen zijn ingegeven door voorspelbare oppositionele reflexen? De enorme hoeveelheid informatie, niet alleen van de zijde van het kabinet, en de vele reacties die uit vele hoeken en gaten van de samenleving op het belastingplan zijn losgelaten, vergen nu eenmaal een fors tijdsbeslag. Waar de minister en zijn staatssecretaris met ondersteuning van tientallen ambtenaren jaren mee bezig zijn geweest, vraagt om een zorgvuldige en ook tijdrovende parlementaire behandeling.

Ook was er soms sprake van een zekere korzeligheid, in de trant van: alles is goed doordacht, alles is goed doorberekend, alle effecten zijn bekeken, kritiek snijdt geen hout. Toch zijn er een aantal nota's van wijziging gevolgd op de wetsvoorstellen, dus die korzeligheid was niet op z'n plaats.

GroenLinks wil zeker niet verhelen dat er positieve elementen aan het belastingplan zitten, zoals het boxensysteem en de harde scheiding tussen de boxen, waardoor het onmogelijk wordt zo creatief met inkomsten en uitgaven om te gaan dat het belastbaar inkomen onwaarschijnlijk laag wordt. Ook de sanering van de wildgroei aan aftrekposten en de vervanging van de belastingvrije som door de heffingskorting vinden wij een goede zaak. Deze laatste vormt, met enkele andere voorstellen, de weerslag van de individualisering en emancipatie die sinds enkele decennia kenmerkend zijn voor de Nederlandse samenleving. Zelfs in de sfeer van de hypotheekrenteaftrek valt voor de echte optimisten in deze meimaand een bloemetje te plukken, want de hypotheekrenteaftrek voor het tweede eigen huis is niet langer mogelijk en voor het eerste huis zijn onwezenlijke hypotheekconstructies onmogelijk gemaakt. En niet te vergeten: de inderhaast erin gefietste fietsaftrek.

Tot zover de positieve kanten van het plan. De rest van mijn spreektijd zal opgaan aan kritische kanttekeningen, fundamentele kritiek en een aantal vragen, want wij blijven overstroomd worden met berichten uit de samenleving waaruit blijkt dat de wereld van de whizzkid achter de computer er toch anders uitziet dan de alledaagse praktijk.

Nu eerst wat algemene opmerkingen over belastingpolitiek. Over belastingen wordt verschillend gedacht. Natuurlijk leven er onder belastingbetalers allerlei opvattingen en vooroordelen, maar ook in de politiek zijn er verschillende benaderingen, die nauw samenhangen met de visie op de taken van de overheid. Er is een lange weg afgelegd tussen de middeleeuwse praktijk, waarin er geen verschil bestond tussen de particuliere kas van de vorst en de staatskas, en het huidige systeem, hoewel een enkele, inmiddels voormalige dienaar van de Kroon nog steeds moeite lijkt te hebben met het verschil tussen particuliere kas en staatskas. Hierin heeft belastingheffing en dus ook belastingpolitiek een aantal functies: financiering van rijksuitgaven, herverdeling van inkomens, terugdringen van het gebruik van schadelijke producten, bescherming van binnenlandse industrie, enz.

Als de overheid hoeder van belangen van zwakken is, komt dat ook in de belastingpolitiek tot uitdrukking. Als de overheid vooral moet zorgdragen voor de ontwikkeling van de economie door ondernemers in de fiscale watten te leggen, leidt dat tot andere keuzen. Als belasting wordt gezien als een noodzakelijk kwaad, geeft dat een andere moraal te zien dan het als een voorrecht te beschouwen om in een verzorgingsstaat te wonen en daar ook fiscaal aan bij te dragen. In de ene visie staat de lastenverlichting centraal, in de andere het oplossen van maatschappelijke noden.

Het moge duidelijk zijn waar GroenLinks staat. Voor ons is een actieve, interveniërende en waar nodig beschermende overheid verre te verkiezen boven de staat als nachtwaker, de staat als bouwer van infrastructuur voor ongebreidelde economische expansie, of de staat als vangnet voor economische activiteiten die in de vrije markt niet renderen.

Tegen die achtergrond beoordelen wij het belastingplan. Is het budgettair verantwoord, gelet op de doelen die een overheid zich heeft te stellen? Dragen de sterkste schouders de zwaarste lasten? Zit er een dynamiek van rechtvaardige inkomensnivellering in? Stimuleert het ecologisch verantwoorde economische activiteiten? Bevordert het emancipatie en economische zelfstandigheid? Dat zijn onze criteria.

Van het "fiscaal stelsel van de 21ste eeuw", waar het regeerakkoord van sprak, naar "de Belastingherziening 2001" is een stap terug in ambitieus taalgebruik. Is dat ook een oefening in bescheidenheid? Het belastingplan was nog niet door de Tweede Kamer heen of de toenmalige staatssecretaris zat alweer achter zijn laptop om met zijn muis aan het volgende plan te werken, maar muizen baren geen olifanten: de werktitel luidt "Jaws II". Zijn opvolger mag daar nu de tanden op stukbijten.

Uit de antwoorden op vragen blijkt dat volgend jaar een discussienotitie komt waarin relevante maatschappelijke, economische en internationale ontwikkelingen worden verkend, zoals vergrijzing, Europa en digitalisering. Deze ontwikkelingen zijn weliswaar actueel, maar zij zijn toch niet nieuw? Welk ander licht wil de regering werpen op het belastingplan? Zijn deze ontwikkelingen nu dan niet meegenomen?

De aankondiging van deze discussienota zet ook vraagtekens bij de houdbaarheidsdatum van de deze belastingherziening. Wat is het scenario van deze minister en zijn nog verse staatssecretaris? Zijn de thans voorliggende belastingvoorstellen een tussenstation op weg naar een veel drastischere herziening, waarin de aftrekbaarheid van allerlei posten, inclusief de hypotheekrente, niet meer mogelijk is, in ruil voor een nog verdere verlaging van belastingtarieven? Welke rol ziet de minister weggelegd voor de Eerste Kamer bij de bespreking van de toegezegde discussienota?

Ik heb ook enkele opmerkingen over het regeerakkoord, want wij willen het belastingplan ook tegen dat licht houden. De herziening van het belastingstelsel vormt een belangrijk onderdeel van het huidige regeerakkoord: er worden zeven bladzijden aan gewijd, waarop de hoofdlijnen worden geschetst. Daarmee zijn ook de stringente kaders aangegeven waarbinnen de discussie en besluitvorming zich volgens de wetten van de coalitiepolitiek dienen af te spelen. De doelstellingen van de belastingherziening worden in het regeerakkoord genoemd. Het valt op dat geen doelstelling gewijd is aan inkomensbeleid c.q. aan het streven naar een rechtvaardige inkomensverdeling, waarvoor het belastingbeleid een bruikbaar instrument kan zijn. De fractie van GroenLinks heeft in de schriftelijke voorbereiding gevraagd of het kabinet eigenlijk wel een inkomensbeleid heeft, waarbij de zelfstandige, dynamische componenten "rechtvaardigheid" en "herverdeling" ijkpunt zijn. De antwoorden daarop zijn nogal teleurstellend. Hoe "evenwichtig" en "rechtvaardig" een belastingdruk is, moet mede beoordeeld worden aan de hand van de verdeling van inkomens en vermogens die na belastingheffing overblijven, aldus de regering. Weliswaar wordt erop gewezen dat minder "constructies" kunnen plaatsvinden en dat een stelsel van heffingskortingen is ingevoerd, maar het gaat niet alleen daarom. Grote groepen verrijken zich razendsnel. Het aantal miljonairs is tussen 1993 en 1997 gestegen van 95.000 maar 158.000. Het is in om zo snel mogelijk te "cashen" om financieel onafhankelijk te worden. Dat is de nieuwe ideologie, die bij velen de oude vormen en gedachten heeft verdrongen. Als de hoogste schijf in ruim 10 jaar van 72% via 60% naar 52% wordt teruggebracht en tegelijkertijd het forfaitair rendement op slechts 4% wordt gesteld, zit daar natuurlijk de potentiële groei van de inkomensongelijkheid. Daar tikt de bom van een grote sociale onrechtvaardigheid.

Hiermee hangt een ander belangrijk uitgangspunt – ik zou haast zeggen: een ander belangrijk VVD-uitgangspunt – van het belastingplan samen: de nettolastenverlichting. In het regeerakkoord was die lastenverlichting op 5 mld. gesteld, maar zij komt nu uit op ruim 6 mld. "Een feest voor de rijken" is de belastingherziening wel genoemd, omdat vooral de hoge inkomens erop vooruit zullen gaan. Dat is bestreden, maar de door de minister zelf gepresenteerde inkomenseffecten kunnen tot geen andere conclusie leiden.

Uitkeringsgerechtigden en AOW'ers worden verder op afstand gezet van werknemers met een minimum of modaal inkomen. Oudere echtparen met alleen AOW gaan er minder op vooruit dan ouderen met een aanvullend pensioen. Een alleenstaande met een minimumloon gaat er weliswaar 6% op vooruit en een alleenstaande met 3 maal modaal slechts 2,6%, maar in guldens uitgedrukt is dat ƒ 1860 respectievelijk ƒ 4212. Om eens een heel andere categorie te noemen: ook studenten met een studieschuld gaan erop achteruit, omdat de rente over studieleningen niet langer fiscaal aftrekbaar is en de compenserende verlaging van 1,15% van de rente onvoldoende is.

Een ander punt: de staatjes stoppen bij een topinkomen van ƒ 162.000. De bovenbouw van het loon- en vermogensgebouw is een statistische schemerzone. Het is onthutsend om te zien hoe weinig statistisch materiaal er is. Hopelijk brengt de in de Tweede Kamer aangenomen GroenLinks-motie, bedoeld om meer inzicht in de aard en de ontwikkeling van de vermogensverhoudingen te brengen, licht in de duisternis. Maar dan nog blijft de vraag overeind: wat zijn de effecten voor de echt hoge inkomens? De FNV heeft nog op andere effecten gewezen. Niet-werkenden profiteren te weinig van het nieuwe stelsel. Voor vutters, vervroegd gepensioneerden en mensen met gedeeltelijke WAO-uitkering worden negatieve inkomenseffecten gevreesd. Onze conclusie luidt dat de lastenverlichting geen inkomensnivellerende werking heeft, integendeel.

Een andere doelstelling die in het regeerakkoord wordt genoemd, is het bevorderen van de werkgelegenheid en van de economische structuur. De minister van Financiën laat ook niet na te benadrukken dat hij meer waarde hecht aan economische dan aan fiscale effecten van het belastingplan. Zo wordt de 6 mld. lastenverlichting gezien als een stimulator van werkgelegenheid. Nu vindt er de laatste jaren een forse stijging van werkgelegenheid plaats, nog onder het regime van het huidige belastingsysteem. In vele sectoren is sprake van krapte op de arbeidsmarkt en worden plannen gesmeed om uit alle delen van de wereld arbeid te importeren. Uit de reële maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste jaren – daling van de werkloosheid, stijging van de werkgelegenheid, forse economische groei – die dus plaatsvinden onder het vigerende belastingstelsel, kan worden geconcludeerd dat de wijze waarop het belastingsysteem in elkaar zit er blijkbaar niet zoveel toe doet en dat er gans andere factoren en actoren zijn die de door het kabinet gewenste economische ontwikkelingen beïnvloeden. De genoemde doelstelling uit het regeerakkoord lijkt eerder ideologisch getint. Daar is op zich weinig mis mee, zij het dat het wel de harde kern van de liberale dogmatiek is: generieke maatregelen, zoals algemene lastenverlichting en lage loonkosten, leiden tot hogere winsten en dus tot meer werk. Tegen deze achtergrond is de reactie van de VVD-fractievoorzitter in de Tweede Kamer, de heer Dijkstal, erg begrijpelijk: daags na de aanvaarding van het belastingplan door de Tweede Kamer, met steun van het CDA, nodigde hij de christen-democraten onmiddellijk uit voor de volgende coalitie. De PvdA werd bedankt: deze partij had zonder veel slag of stoot meegewerkt aan de belangrijkste opdracht van Paars, namelijk de liberalisering van het belastingstelsel. Hoewel, laat ik de nuance bewaren en het Tweede-Kamerlid Van Beek van de VVD citeren, die in Trouw zei: "als aanjager van de economie is lastenverlichting bij de huidige groei natuurlijk niet meer nodig".

Het regeerakkoord ging uit van een behoedzaam, om niet te zeggen somber, scenario: een economische groei van 2% was niet realistisch, maar pessimistisch. Zo organiseert de regering haar eigen meevallers. Ondanks het feit dat de financiële constellatie van het regeerakkoord dank zij de economische voorspoed is achterhaald, blijft de forse lastenverlichting intact. Als het regeerakkoord dicteert, stokt kennelijk het verstand. Als de Zalmnorm in stand blijft – dus inkomensmeevallers voor 50% naar financieringstekort, inmiddels -overschot, en 50% naar lastenverlichting – dendert de lastenverlichtingstrein voort. Van 1995 tot 1998 werd in totaal voor 17 mld. aan lastenverlaging doorgevoerd. De prijs die werd betaald was 12 mld. bezuinigingen in de collectieve sector: onderbetaalde verpleegkundigen, overwerkte leraren. Weliswaar stegen de beursindexen, maar de wachtlijsten groeiden ook. De publieke gulden wordt geprivatiseerd. De collectieve gulden wordt omgeruild tegen de consumptieve gulden. Het is collectieve armoede tegenover private rijkdom.

Want 6 miljard aan lastenverlichting betekent natuurlijk dat er geen extra 6 miljard beschikbaar is om wachtlijsten weg te werken, de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, noodzakelijke milieumaatregelen te financieren of het budget van ontwikkelingssamenwerking te verhogen. Het is een fiscale variant van het trendy "cashen", dat gepaard gaat met een aantasting van het draagkrachtbeginsel en een vergroting van inkomensverschillen. En dat zijn voor ons de donkere schaduwen die over het belastingplan worden geworpen.

Ik maak nu wat opmerkingen over emancipatie. Ook dat is een belangrijke doelstelling van het regeerakkoord met betrekking tot deze belastingherziening. Het omzetten van de belastingvrije voet in een geïndividualiseerde heffingskorting en het afschaffen van de overdraagbaarheid worden terecht gezien als een cruciale stap. De regering citeert met plezier dit compliment uit de 178 bladzijden tellende Emancipatie-effectenrapportage over de het nieuwe belastingstelsel. Maar deze rapportage kraakt ook een aantal harde noten, zoals de focus op de alleenverdiener en de gebrekkige mogelijkheden van aftrek voor kinderopvang. En in verband met de beperkte toepassing van de arbeidskorting (50% van het wettelijk minimum loon) wordt in de rapportage bepleit, deze juist ook in te zetten op kleine deeltijdbanen om zo de participatie van vrouwen aan de onderkant van de arbeidsmarkt te stimuleren. De armoedeval van vrouwen als minstverdienende partners is buiten beschouwing gelaten, zo concludeert de rapportage treffend. Wij stellen dan ook voor om de individualisering, de emancipatie en de economische zelfstandigheid als voortdurend te herijken punten bij de nog op te stellen discussienota te betrekken.

De vergroening is ook een belangrijke doelstelling van het regeerakkoord. Dit is natuurlijk ook een belangrijke doelstelling van GroenLinks. De reikwijdte van de doelstelling van de regering wordt belemmerd door het stringente principe dat vergroening niet tot lastenverzwaring mag leiden, maar volledig moet worden teruggesluisd. Waar het gaat om het bestrijden van negatieve inkomenseffecten bij mensen met een laag inkomen: akkoord. Maar als het gaat om bijvoorbeeld het bekostigen van massaal aan te brengen waterbesparingstechnieken in woningen, zien wij niet in waarom een deel van groenebelastingopbrengsten hiervoor niet gebruikt zou kunnen worden. Dit geldt temeer daar bij de rapportage over de regulerende energiebelastingen bleek dat een deel van de terugsluizing in de verkeerde zakken terechtkwam, dat wil zeggen dat een forse groep bedrijven meer terugkregen dan zij betaald hadden.

Fiscale vergroening betekent ook dat grootverbruikers van energie milieuheffingen gaan betalen. De regering heeft de opbrengst hiervan berekend op 2,2 miljard. De opbrengst van BTW op vliegtickets wordt berekend op 225 miljoen in 2000. Als de prijs van de kerosine verhoogd wordt met accijns is de opbrengst daarvan 4 miljard. Kortom, er ligt nog 6,5 mld. tot 7 mld. aan vergroening in het verschiet.

Een heel ander onderwerp gaat over de verhouding tussen directe en indirecte belastingen. Het belastingplan impliceert een verschuiving van directe naar indirecte belastingen. Ook dat is een ondergraving van de doelstelling "rechtvaardige belastingdruk", aangezien indirecte belastingen op ieder inkomen, ongeacht de hoogte, gelijk drukt, terwijl de inkomstenbelasting, zij het in afnemende mate, een progressief tarief kent. Bovendien is BTW aanmerkelijk fraudegevoeliger, zodat een verschuiving van directe naar indirecte belasting het risico in zich draagt dat opbrengsten niet onderling uitwisselbaar zijn.

Hoe beoordeelt het kabinet mede in dit kader de razendsnelle ontwikkelingen op het gebied van teleshopping, waarbij via internet makkelijk al dan niet virtuele goederen van buiten de Europese Unie (EU), vrij van BTW-tarief, aangeschaft kunnen worden? Wanneer is een EU-aanpak effectief? Hoe is dit aan de orde gesteld in de Ecofln-Raad van vandaag onder het agendapunt "nieuwe BTW-strategie"? Ik neem aan dat een van de bewindslieden die vergadering in Brussel vandaag heeft bijgewoond of anders een van hun ambtenaren en dat daarover zinnige verhalen verteld kunnen worden. Veel discussie is gewijd aan de forfaitaire vermogensrendementsheffing die de huidige vermogensbelasting en inkomstenbelasting op rente en dividend vervangt. Blijkens de schriftelijke inbreng van de VVD-fractie – de heer Rensema sprak dit zojuist ook uit – was een beter idee om vermogens te belasten niet voorhanden. Dat was een reden temeer voor GroenLinks om de voelsprieten op scherp te zetten. Hoe de cijfers ook mogen verschillen, steevast blijkt dat de werkelijke rendementen op vermogen gemiddeld hoger liggen dan het voorgestelde forfaitaire rendement van 4%. Volgens de minister van Financiën zijn het geen fiscale maar economische motieven geweest om het forfaitaire principe in te voeren, want de economie mag niet worden verstoord. Echter, in een aantal andere Europese landen zoals Denemarken, Finland, Noorwegen, Zweden, Ierland, Groot-Brittannië, Frankrijk, Luxemburg, Portugal en Spanje en ook in de Verenigde Staten is er wel een belasting op de werkelijke vermogenswinsten. In hoeverre verstoren deze de nationale economieën? De regering antwoordt dat deze vraag niet is te beantwoorden vanwege het ontbreken van empirisch materiaal. Maar daarmee kan de kous natuurlijk niet af zijn. Graag zien wij in de toegezegde discussienota onder het kopje "Europa" de verschillende behandelingen van vermogens uitgediept. De redenering van de regering, dat door het invoeren van deze heffing neutraliteit wordt geïntroduceerd omdat elke beleggingsvorm fiscaal gelijk behandeld wordt, is slechts voor de helft waar want het rendement van de beleggingsvorm kan wel degelijk verschillen en, zoals de aloude leerstelling terecht stelt: gelijke behandeling in ongelijke situaties continueert ongelijke verhoudingen. De voorgestelde rendementsheffing benadeelt kleine beleggers, aangezien kleine beleggers de neiging hebben veiliger – met minder rendement – te beleggen en bevoordeelt grote beleggers, die meer mogelijkheden hebben om forse vermogenswinsten te realiseren.

Belastingheffing op basis van werkelijk behaald rendement komt tegemoet aan vele bezwaren die zijn geuit door mensen die een lager rendement hebben, zoals spaarders die genoegen nemen met minder dan 4%. Ik geef een tweetal citaten uit een brief die wij allemaal hebben ontvangen. "Ik denk aan mijn schoonmoeder van 89 jaar en aan mijzelf als 70-plusser. Zo zijn er meer gepensioneerden, die hun aandacht niet primair op het materiële hebben gevestigd." "Wij wensen u veel sterkte toe bij het bestuderen van deze ingewikkelde materie." Dat laatste moeten wij ons allen aantrekken.

Ook uit geheel andere velden uit de Nederlandse samenleving zijn berichten gekomen, zoals van de onroerendgoedbeleggers, de Vereniging van opstalhouders in de Haarlemmermeer, de Nederlandse Vereniging van beleggers en eigenaren en de Federatie particulier grondbezit. Allen stellen, dat het onroerend goed dat zij beheren vaak lager scoort dan 4%. Zo stelt de federatie, dat de pachtopbrengst wettelijk is vastgesteld op 2% van de waarde in het economisch verkeer, terwijl nu wordt uitgegaan van fictief rendement van 4%. Ook de tegemoetkoming dat er wordt uitgegaan van "verpachte waarde" geeft nog een percentage van 2 tot 2,4 te zien, terwijl uit onderzoek blijkt, dat de pachtprijs gemiddeld 1,4% van de vrije waarde is. Ik vraag mij dan af waar daarin de rechtvaardigheid zit, ook als je deze categorie beleggers als voorbeeld stelt. Of zie ik het verkeerd en is de voorgestelde forfaitaire rendementsheffing een opstap naar een "eerlijker belasting op vermogenswinsten", zoals prof. Stevens in de Volkskrant van 22 januari jongstleden stelde? Stevens acht het binnen het voorgestelde stelsel "zeer wel mogelijk", dat we in de toekomst uitkomen bij een vermogenswinstbelasting. Nu is prof. Stevens een welkome gast op de broodjeslunches die regelmatig op het ministerie werden gehouden om de voortgang van de belastingherziening te bespreken. Daarom vraag ik hem of zijn verwachting is gebaseerd op de blik die hij heeft kunnen werpen in de keuken van de plannenmakers?

Waarom heeft het kabinet er eigenlijk voor gekozen om het forfaitair inkomen uit vermogen lager te belasten dan inkomen uit arbeid? Hoe verhoudt zich dat tot de in het regeerakkoord genoemde doelstelling van rechtvaardige belastingdruk? Het antwoord dat de regering in de memorie van antwoord heeft gegeven, overtuigt niet. Verwezen wordt naar ontduiking van belastingheffing over vermogensinkomsten onder het huidige systeem, maar de vraag, ook door andere fracties gesteld, had betrekking op inkomen uit arbeid en inkomen uit vermogen en het verschil in belastingheffing. Het is goed in dit verband nog eens het advies van de Raad van State in herinnering te roepen, dat uitspreekt dat elke gulden inkomen per definitie gelijk is en dus vanuit draagkrachtoogpunt ook onder hetzelfde belastingregime zou moeten vallen.

Een voorbeeld, aangereikt door de uit de Raad van Kerken voortgekomen stichting Beleggers voor belasting, probeert dit te verduidelijken. Er wordt een vergelijking getroffen tussen iemand die in 1983 eenmalig ƒ 50.000 heeft belegd in fondsen die deel uitmaken van de AEX-index en iemand die elk jaar ƒ 50.000 verdient en belasting betaalt. Wij hebben deze kwestie schriftelijk aan de regering voorgelegd en uit haar antwoord blijkt, dat de stichting fouten met haar aannames heeft gemaakt. Dat neem ik dan aan. Echter, ook in het gecorrigeerde beeld wordt door de loontrekker vijf keer zoveel belasting betaald als door iemand die eenmalig ƒ 50.000 heeft belegd. Dit voorbeeld kan met andere aangevuld worden.

Waarom is niet uitgegaan van het werkelijk genoten inkomen uit vermogen? Waarom is niet gekozen voor belasting op vermogensaanwas? Waarom zijn niet binnen het gesloten boxensysteem voor box III de tarieven uit box I gehanteerd, voor mijn part ook nog op basis van een forfaitair rendement van 4%? Dit zijn natuurlijk drie verschillende vragen vanuit drie verschillende percepties, maar met dezelfde achtergrond en die is door de vier hoogleraren belastingrecht van de Katholieke Universiteit Brabant treffend verwoord: "Feitelijk wordt (het draagkrachtbeginsel bij de voorgestelde vermogensrendementsheffing) begraven en zijn we qua fiscale beschaving terug in de 19de eeuw."

Voorzitter! Ik dacht dat wij met deze opvatting alleen stonden, maar een deel van het betoog van de heer Rensema deed bij mij de mening postvatten, dat ook de VVD niet voor de forfaitaire rendementsheffing is. De heer Rensema noemde als ultiem argument, dat het onmogelijk is om te heffen over niet-gerealiseerde vermogenswinsten. Hij zei: dit brengt mensen tot razernij. Maar, mijnheer Rensema, dit gebeurt natuurlijk ook met dit voorstel. Ik gaf al het voorbeeld van mensen die met een rendement onder de 4% scoren. Ook hier wordt belasting geheven op rendement dat niet is geïncasseerd. Ik verwacht in tweede termijn de fractie van de VVD dan ook geheel aan mijn zijde.

De heer Rensema (VVD):

Voorzitter! Iedereen kan kiezen voor een belegging die op zijn minst 4% oplevert. Op grond van dat rendement wordt hij belast. Die beleggingen zijn bij de heer Zalm volop te krijgen. De heer Platvoet sprak over die geweldige winsten. Soms denk ik: emotioneel heeft hij gelijk.

De heer Platvoet (GroenLinks):

Ik heb hierbij geen enkele emotie, mijnheer Rensema.

De heer Rensema (VVD):

Ter illustratie wijs ik op de beleggingsprofielen van de ABN Amro-bank. Er wordt begonnen met een voorzichtige belegging, gedeeltelijk in obligaties en gedeeltelijk in spaargeld en misschien wordt nog een beetje in onroerend goed belegd. En er wordt ook in aandelen belegd. Wat is dan de prognose van de ABN Amro-bank? Dat die belegging 7% à 8% kan opleveren. Je moet echter ook rekening houden met risico en kosten en misschien ook nog met inflatie. Dan komt men met een percentage van 4 redelijk in de richting. Voor razernij is helemaal geen reden. Iedereen kan voor zo'n simpele belegging kiezen. Ik ben het op dit punt dus niet met u eens.

De heer Platvoet (GroenLinks):

Uit uw woorden maak ik op, dat het in ieder geval geen probleem is om te heffen op basis van het werkelijk genoten rendement. U schudt de percentages zo uit uw mouw. Mijn punt is echter, en dat heb ik aangetoond met een voorbeeld, dat er beleggingen zijn die lager renderen en dat er dus mensen aangeslagen worden voor een rendement dat ze niet hebben behaald. Dat kaartte u aan en u vond dat mensen dit tot razernij zou brengen. Dat geldt hier ook.

Voorzitter! Ik wil wat opmerkingen maken over de eigen woning. Met de monarchie behoorde de hypotheekrenteaftrek tot een politiek heilig huisje waar je maar beter niet over kon beginnen. Dat zou alleen maar stemmen kosten, zo luidde het credo van de angsthazen in de politiek. Maar het kan snel gaan. De discussie over de positie van de koningin lijkt niet te stuiten en ook van de hypotheekrenteaftrek is de politieke onschuld afgestroopt, echter nog niet in dit belastingplan. De PvdA, toch sterk in dit kabinet vertegenwoordigd, leek wel soms te willen, maar niet te durven, want Kok wilde er niet aan. Maar blijkbaar heeft de premier, net als in de monarchiediscussie, nog eens in het mandje met de afgeschudde ideologische veren gekeken en zich bedacht dat voor linkse kiezers een kale, naakte kip toch wel heel onaantrekkelijk is. Dus heeft het kabinet een nota toegezegd over de fiscale behandeling van de eigen woning. Waarom kon de discussie niet in het kader van dit plan worden gevoerd? Nu verwijst de regering in antwoorden alleen naar de tekst uit het regeerakkoord dat vasthoudt aan de ooit onder gans andere omstandigheden ingeslagen weg. De hamvraag luidt natuurlijk of deze nota het regeerakkoord op dit punt ter discussie gaat stellen. Bij de financiële beschouwingen over de begroting 2000 heb ik een aantal elementen genoemd die in een nota aan de orde zouden moeten komen. Daarop is toen positief door de minister gereageerd en wij zien dan ook reikhalzend uit naar de nota. Komt het kabinet met voorstellen of draagt de nota een inventariserend karakter?

Ik heb de verleiding weerstaan om het betoog van het Kamerlid Bos bij de belastingherziening door te lezen en alle punten eruit te halen die ik zou kunnen gebruiken, op een uitzondering na. Zet staatssecretaris Bos zich in om eerder ingenomen standpunten, toen nog als Kamerlid, nu eenmaal op het regeringspluche gezeten te effectueren, zoals beperking van de hypotheekrenteaftrek tot 70% of het onderbrengen van de eigen woning onder de vermogensrendementsheffing? De eigen woning zit in het belastingplan in box I en niet in box III, waar de vermogensbestanddelen in thuishoren. Op zichzelf is dat een onlogische keuze, want niet te bestrijden is dat het hebben van een eigen woning een vorm van vermogensvorming is. Omwille van politieke, praktische of opportunistische redenen is de eigen woning in box I terechtgekomen en blijft de hypotheekrenteaftrek volledig in stand met het huurwaardeforfait. Waarom heeft het kabinet er in het thans voorliggende belastingplan niet voor gekozen om, behalve het handhaven van de aftrek van de hypotheekrenteaftrek – dat is een opdracht uit het regeerakkoord – de eigen woning conform de realiteit ook als vermogen te beschouwen en als vermogensbestanddeel in box III onder te brengen? Zijn deze beide vormen van fiscale benadering van de eigen woning ten principale strijdig?

Kort na de behandeling in de Tweede Kamer heeft de minister van Financiën zich laten ontvallen dat het huurwaardeforfait wat hem betreft verlaagd kan worden als de hypotheek is afgelost. Dat is een goede manier om het aflossen te stimuleren, aldus de minister. Nu zijn er ook andere manieren te bedenken om het aflossen te stimuleren, zoals een nog kortere periode waarin de hypotheekrente aftrekbaar is c.q. een staffeling in de tijd. Ook het huurwaardeforfait komt aan de orde in de nota over de eigen woning. Hoe verhouden de aankondiging van deze nota en de "proefballonnen" die de minister zelf heeft opgelaten inzake het huurwaardeforfait zich tot de houdbaarheid van de thans voorliggende wetsvoorstellen?

Het kabinet doet een poging, in antwoord op vragen van GroenLinks, de logica uit te leggen die er zou bestaan van het gegeven dat het huurwaardeforfait wordt afgetopt en de aftrekbaarheid van de hypotheekrente niet, maar overtuigend is dat niet. Het huurwaardeforfait is een saldobedrag. Gemiddeld jaarlijkse kosten kunnen in mindering worden gebracht, terwijl een verhuurder al zijn kosten bij de huurder in rekening brengt. Zijn deze kosten geen investeringen die de waarde doen vermeerderen? De markthuurprijzen van dure huurwoningen zijn natuurlijk juist lager vanwege de concurrentie met dure koophuizen, waarvoor nou net het concurrentievervalsende element van de hypotheekrenteaftrek geldt. Het huurwaardeforfait wordt dus kunstmatig laag gehouden, zo is mijn stelling.

Een van de argumenten voor de belastingstelselherziening was de Europese factor. Nederland zou uit de pas lopen en er moest geharmoniseerd worden. De tarieven waren erg hoog in vergelijking met andere landen. Aan de andere kant wordt echter juist betoogd dat door de wildgroei aan constructies in effectieve belastingdruk gemeten het oude systeem niet zou voldoen. De hypotheekrenteaftrek en de forfaitaire rendementsheffing zijn vreemde eenden in de Europese bijt. Harmoniseren dus? Nee, want de omstandigheden verschillen zo per land. Gaat het om het elimineren van belastingfaciliteiten voor ondernemingen die schadelijke gevolgen hebben voor andere lidstaten? Uit het onderzoek van de EU blijkt dat Nederland nogal uit de Europese band springt, maar ook hier is harmonisatie, mede vanwege de assertieve opstelling van Nederland, ver weg. Het Europese argument wordt naar ons oordeel nogal willekeurig ingezet. Zijn de Europese buitenbeentjes, zoals het invoeren van een forfaitaire rendementsheffing en het handhaven van de hypotheekrenteaftrek nu achterhoedegevechten of slimme strategische keuzen die ons verder helpen in de harmonisatie van het Europese belastingstelsel?

Een punt dat op Europees niveau ook om harmonisatie vraagt is de problematiek van de grensoverschrijdende arbeid. De Belgische en Nederlandse vakcentrales hebben een onderzoek laten verrichten naar de effecten van het belastingplan op de inkomenspositie van grensarbeiders en vragen om een grenseffectrapportage van het nieuwe belastingstelsel. In de antwoorden lijkt de regering aannemelijk te maken dat er weinig aan de hand is en dat er met het in werking treden van een nieuw belastingverdrag met België in 2003 geen verschillen meer zijn. Maar tussen 2001 en 2003 liggen twee jaar en bovendien geldt dat verdrag niet voor Nederlands-Duitse grensarbeid. Daarnaast worden er uiteraard ook verschillen in het hypotheekrenteaftrekregime gemeld. Dit alles lijkt ons voldoende aanleiding voor een overleg tussen de minister of staatssecretaris met vertegenwoordigers van deze vakcentrales, waaruit wellicht ook argumenten ontleend kunnen worden voor het zegenrijke harmonisatiewerk op Europees niveau. Is de regering tot dit overleg bereid?

Anderen hebben al gesproken over het groen beleggen. Bij de behandeling in de Tweede Kamer heeft het kabinet toegezegd te zullen onderzoeken of het beleggen in groenfondsen gestimuleerd kan blijven door te sleutelen aan de maximale inleg van ƒ 100.000, waaronder begrepen de Agaathregeling en de kapitaalverzekering voor studiekosten van kinderen. Door deze limiet en het feit dat in het nieuwe belastingstelsel inkomsten uit rente en dividend minder zwaar worden belast, dreigen veel groene fondsen in gevaar te komen. Volgens de banken ligt de financiering van nieuwe groenprojecten stil.

De aanvullende tegemoetkoming waar de regering in het ondernemerspakket mee komt, lijkt echter onvoldoende soelaas te bieden. De stichting Natuur en milieu vreest dat dit neerkomt op het aanbieden van een dooie mus en dat willen wij niet. Ook de groenfondsen van de banken zijn niet tevreden. De aftrekpost van 2,5% in box I doet weliswaar het groene rendement verbeteren, maar het grootste bezwaar is dat er individuele en collectieve plafonds in stand blijven, waardoor de groei van deze vorm van beleggen sterk wordt geremd c.q. onmogelijk wordt gemaakt. Het lijkt mij ook niet in overeenstemming met de door de Tweede Kamer aangenomen motie waarin de regering wordt gevraagd om het groen beleggen uit te zonderen van de grens of een aparte vrijstellingsruimte te geven. Het is niet aan mij als Eerste-Kamerlid om de uitvoering van een Tweede-Kamermotie te controleren, maar ik zou hierop toch graag de visie van de regering willen vernemen.

GroenLinks vindt groen beleggen een effectieve positieve prikkel voor investeringen in duurzame ontwikkelingen. Het invoeren van een plafond van ƒ 100.000, dat ook nog gedeeld moet worden met andere vormen van maatschappelijk beleggen, is een onbegrijpelijke verslechtering ten opzichte van de huidige ongelimiteerde mogelijkheid om groen te beleggen. Hoe dit te rijmen is met het in het regeerakkoord vermelde uitgangspunt van vergroening is ons een raadsel. Het is juist een verslechtering. Wat is hiervoor de verklaring? Wanneer kan overigens de algemene maatregel van bestuur tegemoet worden gezien waarin nadere regels worden gesteld voor sociaal-ethisch beleggen?

Waarom is de kapitaalverzekering voor studerende kinderen onder de vrijgestelde maatschappelijke beleggingen ondergebracht? Het rendement komt immers niet ten goede aan de beleggende ouders en het beperkt de ruimte om daadwerkelijk maatschappelijk te beleggen. Een ander kritiekpunt betreft het feit dat er niet per kind, maar per belastingplichtige een vrijgesteld maximum van ƒ 50.000 geldt. Getrouwde tweeverdieners mogen voor hun enig kind ƒ 100.000 zonder rendementsheffing sparen en een gescheiden moeder met drie kinderen slechts ƒ 17.000 per kind. Hoe goed doordacht is dit? Schuilt hierin geen rechtsongelijkheid? De regering antwoordt dat een andere keuze mogelijk zou zijn geweest. Welke heeft de regering daarbij voor ogen? Is dit geen weeffout die in het wetsvoorstel met technische aanpassingen gecorrigeerd moet worden? GroenLinks bepleit een vrijgesteld maximumbedrag per kind dat bovendien buiten het plafond van het maatschappelijk beleggen wordt gehouden. Is de regering bereid om een dergelijke tekst op te nemen in de nog op te stellen veegwet?

Het is stil gebleven over de AOW-premie. Veel 65-plussers zijn heel rijk. In deze groep zitten de meeste vermogenden. Waarom is er geen premieheffing overwogen op de AOW van mensen die daarnaast een goed pensioen hebben? Vergrijzing is een van de nieuwe ontwikkelingen die meegenomen worden in de nieuwe discussienota. Ik neem aan dat daarbij ook het rapport van de WRR, Generatiebewust beleid, zal worden betrokken. Verder neem ik aan dat de regering daarbij zal betrekken het AOW-fonds dat jaarlijks met 5,5 mld. wordt gevuld en dat over 25 jaar zo'n 300 mld. zal bevatten. Wat is de opvatting van het kabinet over de in het oog springende inkomensverschillen tussen ouderen en de voor allen geldende instrumenten in de inkomens- en belastingsfeer?

Ik kom op de niet-aftrekbaarheid van arbeidskosten. Tegen het schrappen van de aftrekbaarheid van arbeidskosten is door velen geageerd, niet alleen de vakbeweging, maar ook individuen. Dit staat natuurlijk wel in relatie met de verlaging van de schijventarieven en het in te voeren systeem van vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen. Desalniettemin lijkt het een reëel argument dat sommige kleine groepen, zoals musici, artiesten en amateursporters, die weinig verdienen en hoge kosten hebben, hiervan de dupe zijn. Dat geldt ook voor mensen die in buitenland werken en een dure woning moeten huren, en werknemers die met hun werkgever in een procedure zijn verwikkeld en daarvan de kosten dragen. De regering heeft erg veel vertrouwen in de werking van de arbeidsmarkt op dit punt en het vermogen van werknemers c.q. hun vakbond om dit aan de orde te stellen. Wat het laatste betreft: de FNV stelt voor om een drempel in te voeren van ƒ 5000 waarboven reële arbeidskosten kunnen worden afgetrokken. Komt dit tegemoet aan het door de regering beoogde creatieve vermogen?

Een van de laatste punten die ik aan de orde wil stellen, is het co-ouderschap. Het belastingplan lijkt niet toegesneden te zijn op het co-ouderschap, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de kinderbijslag die 50/50 wordt verdeeld over co-ouders. Om in aanmerking te komen voor alleenstaande-ouderkorting, moeten kinderen op het adres van de betreffende ouder zijn ingeschreven. Bij co-ouderschap valt de andere ouder dus buiten de boot. Ons voorstel is om dit in de veegwet te repareren opdat bij erkend co-ouderschap de alleenstaande-ouderkorting ook over beide ouders wordt verdeeld.

De PvdA heeft al het een en ander gezegd over de artiestenregeling. Ik zal dat niet allemaal herhalen, maar ik wil er toch wel iets over zeggen. Het is duidelijk dat de artiestenregeling bij derde nota van wijziging op 25 januari gelijktijdig met de aanvang van het debat in de Tweede Kamer aan de wet is toegevoegd. Uiteraard is dat gebeurd zonder advies van de Raad van State en ook zonder een mogelijkheid voor het veld om hierop te reageren. Er zijn nu wel talloze brieven van het veld bij de Eerste Kamer binnengekomen. De goede bedoeling van de toevoeging van dit artikel wordt onderkend, maar het pakt verkeerd uit. Zo worden, anders dan de commissie-Habbema adviseerde, de rechten op sociale zekerheid niet zeker gesteld. Er wordt loonbelasting geheven over onkostenvergoedingen en loon in natura moet tegen de economische waarde worden opgevoerd in plaats van tegen de besparingswaarde. Terecht wordt er door het veld op aangedrongen om deze haastige wetgeving in te trekken en maar even op de oude voet voort te gaan. Is dit onderhand ook niet de conclusie van de bewindslieden?

Voorzitter! De stap van het inkomen van de artiest naar het product van de beeldende kunstenaars is niet zo groot. In de kunstwereld is onduidelijkheid gerezen over de vraag, in hoeverre kunstvoorwerpen als vermogen worden beschouwd en dus in aanmerking kunnen komen voor de forfaitaire vermogensrendementsheffing. Naar aanleiding hiervan zijn er wijzigingen in de wet aangebracht, maar deze laten nog vragen open. Zo zijn ook die voorwerpen van kunst en wetenschap vrijgesteld, als zij ter beschikking aan derden zijn gesteld voor culturele en wetenschappelijke doeleinden. Betekent dit dat iedere andere terbeschikkingstelling wel voor belastingheffing in aanmerking komt, bijvoorbeeld aan kinderen? Ook de vraag wanneer een kunstverzameling als belegging moet worden beschouwd, is niet duidelijk. De wettekst is vrij algemeen, al wordt de bewijslast na een tekstwijziging wel bij de belastingdienst gelegd. Maar de criteria waarop getoetst wordt, zijn onduidelijk. Daar zal toch een nader omschreven regeling door de staatssecretaris op losgelaten moeten worden. Is hij daartoe bereid?

Voorzitter! Er zijn behoorlijke verschillen van inzicht, maar de discussie gaat verder, ook na deze parlementaire behandeling. Onder erkenning van het politieke primaat van de Tweede Kamer dringt GroenLinks er bij de regering op aan om bij de veegwet op drie punten terug te komen:

  • - de gedeelde alleenstaande-ouderkorting voor co-ouders;

  • - vrij te stellen kapitaalverzekering voor studerende kinderen relateren aan een bedrag per kind en deze buiten het bedrag voor vrijgestelde maatschappelijke beleggingen te brengen;

  • - de artiestenregeling even buiten werking te stellen om zo ruimte te scheppen om met een betere wettelijke regeling te komen.

Voorzitter! In 2005 komt er een evaluatie van de belastingwetten dankzij een amendement van het Kamerlid Bos. GroenLinks zou het toejuichen als ook de effecten van het belastingplan op het draagkrachtbeginsel en de inkomensverdeling onderdeel van deze evaluatie vormen. Ik verwacht op dit punt een coulante toezegging van de regering.

De heer De Vries (RPF/GPV):

Mijnheer de voorzitter! Hoe zou het ideale belastingstelsel eruitzien? Dat zou zowel volstrekt rechtvaardig als ten volle doelmatig moeten zijn. Aan deze kwalificaties voldoen de ons voorgelegde voorstellen niet. Maar dat zal ik de bewindslieden niet euvel duiden. Want zo'n ideaal belastingstelsel veronderstelt ook ideale burgers, die gewillig en met vreugde aan de overheid afdragen waartoe de wet hen verplicht, naar de bijbelse regel: betaalt aan allen het verschuldigde: belasting aan wie belasting, tol aan wie tol toekomt (Romeinen 13:7). Maar zo werkt het in onze samenleving helaas niet. De burger calculeert in eigen voordeel, benut alle mazen in de wet en als er onvoldoende controle is, zullen velen zelfs de belasting ontduiken. Het gevolg hiervan is dat er spanning bestaat tussen de eisen van rechtvaardigheid en doelmatigheid. Er zal naar een evenwicht tussen beide vereisten gezocht moeten worden.

De maatstaf die wij – ik spreek in dit debat mede namens de fractie van de SGP – aan deze voorstellen willen aanleggen, is of dit evenwicht voldoende is gevonden. Want we hebben weinig aan uiterst rechtvaardige regels waar de burgers gemakkelijk onderuit kunnen. Maar het dusdanig najagen van doelmatigheid dat van rechtsbeginselen weinig overblijft, tast de billijkheid en de geloofwaardigheid van de belastingheffing aan. Dan denk ik aan een andere bijbeltekst, die in de jaren vijftig op het bankbiljet van 10 gulden stond: Er zijn er die meer inhouden dan recht is en toch gebrek lijden (Spreuken 11:24).

Bij die rechtsbeginselen op belastinggebied denk ik in de eerste plaats aan het afwijzen van privileges en aan een billijke verdeling van de lasten naar draagkracht. Wanneer ik over doelmatigheid spreek, bedoel ik het bereiken van de eigenlijke doelstelling van belastingheffing: dat de overheid voorzien wordt van de benodigde middelen voor haar taak en dat het ontwijken van de beoogde belastingdruk zo moeilijk mogelijk wordt gemaakt. Ik weet dat de belastingwetgeving ook gebruikt wordt als instrument voor andere beleidsdoelen. Dat wijzen we niet principieel af, maar het moet wel ondergeschikt blijven aan die eerder gestelde vereisten van rechtvaardigheid en doelmatigheid: voordelen voor deelbelangen moeten te rechtvaardigen zijn en de heffing moet er niet steeds ingewikkelder door worden. Daaraan gaat eigenlijk nog vooraf, dat het gediende deelbelang zelf min of meer onomstreden behoort te zijn. Alle burgers worden immers langs deze weg beïnvloed in hun gedragingen. Op dit punt wil ik de vinger leggen bij de steeds verder doorgevoerde individualisering in de belastingheffing. Die zal in veel gevallen niet stroken met de reële situatie in een huishouden, waar men leeft uit één pot, ongeacht wie de geldmiddelen heeft ingebracht. In de memorie van antwoord voert de regering ter motivering aan: het belang dat de regering hecht aan bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid. Met deze keuze grijpt zij diep in in de levenssfeer van gezinnen. Onbetaalde zorgarbeid in het eigen gezin of daarbuiten wordt op deze manier ontmoedigd ten bate van deelneming aan het economisch proces. Afgelopen zaterdag zei minister Zalm bij de SGP-jongeren dat hij op dit punt neutraal ingesteld was; ik merk dat niet in zijn voorgestelde wet.

Onze voorkeur gaat uit naar een belastingstelsel dat op dit punt zo neutraal mogelijk is. Dat betekent een gelijke behandeling van gezinsinkomens, ongeacht of het door één of door twee gezinsleden verdiend is. Ik besef overigens dat het materiële belang van dit verschil in uitgangspunt afneemt door de verlaging van de tarieven. Binnen een geïndividualiseerd stelsel is bovendien de uitbetaling van de heffingskorting aan de niet-verdienende partner een belangrijke verbetering vergeleken met de pogingen van sommige fracties aan de overzijde om binnen het huidige stelsel de overdracht van de heffingsvrije som door de niet-verdienende partner aan de kostwinner onmogelijk te maken.

Een geforceerde individualisering leidt ook tot ongewenste effecten. Zo maakt het in het kader van de zogenaamde meesleepregeling uit, of je de echtgenoot bent van een kind van de directeur-grootaandeelhouder of slechts met dat kind samenwoont. Samenwoners zijn hierbij beter af. Een van de oogmerken van deze herziening, namelijk dat de wet zoveel mogelijk neutraal zou zijn ten aanzien van persoonlijke keuzen, wordt hier niet bereikt. Omgekeerd vind ik het ook merkwaardig dat in de veel voorkomende situatie van een welgesteld bejaard echtpaar, van wie het pensioen op naam van de man staat en de vrouw alleen haar AOW-inkomen heeft, de vrouw toch gebruik kan maken van een regeling die voor minder gegoeden bedoeld is. Ik geef beide voorbeelden om duidelijk te maken dat het mij hier niet gaat om een deelbelang, maar om de rechtvaardigheid. Dan is ook niet van belang dat het in het laatstbedoelde geval maar om een beperkt financieel effect gaat, zoals de regering antwoordde op mijn opmerkingen terzake in het voorlopig verslag.

Voordat ik nu verder ga met de toetsing van de voorstellen aan deze uitgangspunten, wil ik nog een relativerende opmerking maken. Het gaat er namelijk niet alleen om, in welke mate de voorstellen het ideaal benaderen; van belang is ook of dat ideaal beter benaderd wordt dan in de bestaande wetgeving. Dat laatste is naar onze mening overwegend het geval en dat leidt ons tot een positieve houding jegens de hoofdlijn van deze voorstellen. Het voornaamste winstpunt van deze herziening vind ik dat een dam wordt opgeworpen tegen de uitholling van de belastingplicht. Het belastbaar inkomen heeft zich steeds verder verwijderd van het reëel besteedbare inkomen. Ik schrik als ik lees dat slechts 5% van de belastingplichtigen valt in de 60%-schijf van de inkomstenbelasting, dankzij een creatief gebruik van de vele mogelijkheden om aftrekposten op te voeren. Het ogenschijnlijk forse tarief en de beoogde progressie in de druk worden daarmee steeds meer een fictie. In de vermogenssfeer is het heel gemakkelijk inkomsten uit vermogen, die onder een hoog belastingtarief in de inkomstenbelasting vallen, om te zetten in vermogensgroei die belastingvrij is. Of men leent zelfs geld tegen aftrekbare rente om daarmee belastingvrije vermogenswinsten te bewerkstelligen. Steeds meer financiële beslissingen van gegoede burgers worden vooral bepaald door de fiscale effecten ervan en de aanbieders van financiële diensten spelen daar slim op in. Het is goed dat daaraan een eind wordt gemaakt. Wij hopen dat dit langs deze weg inderdaad zal lukken. Het doel van deze wetsvoorstellen om de belastinggrondslag te verbreden, de mogelijkheden om door aftrekposten de belasting te ontgaan in te perken en de belastingwet neutraal te laten uitwerken op financiële keuzen van burgers, heeft dan ook onze steun. Ik zie dus in deze voorstellen een winst aan doelmatigheid, met als effect dat de werkelijke belastingbetaling ook rechtvaardiger verdeeld zal zijn. Dat daardoor de letters en cijfers van de nieuwe wet wat minder rechtvaardig ogen, nemen we daarbij graag voor lief. Het is beter dat mensen met een inkomen van boven een ton werkelijk 52% over de top van hun inkomen betalen dan dat ze 60% ontwijken. Wel zal natuurlijk de praktijk nog moeten leren of deze doelstellingen daadwerkelijk bereikt zullen worden. We verwachten dat de regering hier de vinger aan de pols zal houden.

Mijnheer de voorzitter! Deze positieve punten nemen niet weg dat naar de mening van onze fracties aan het voorgestelde nieuwe belastingstelsel nog wel wat te verbeteren valt. Het evenwicht tussen rechtvaardigheid en doelmatigheid kan hier en daar nog wel scherper gesteld worden. Gelukkig is een belastingwet nooit een rustig bezit. In de praktijk wordt er elk jaar weer aan gesleuteld. Zelfs vóór de inwerkingtreding van deze wet zullen nog aanpassingen volgen. We hopen dat de regering dan ook aandacht wil schenken aan de punten van kritiek die we nu naar voren brengen.

Ik noem in de eerste plaats de abrupte totale afschaffing van de aftrek van arbeidskosten. De gedachte van de opheffing van de parallel tussen bij de werkgever onbelaste vergoedingen en bij de werknemer aftrekbare kosten is iets waaraan ik even moest wennen, maar ik wil er wel van uitgaan dat dit verdedigbaar is. Indien de werkgevers nu meer kosten gaan vergoeden, zit er voor de werknemers zelfs een voordeel in: een aftrekpost levert immers slechts teruggave van een deel van de kosten op.

Maar er zijn ook kosten die werkelijk verband houden met het verwerven van het arbeidsinkomen waarvan niet te verwachten is dat die door een werkgever worden vergoed, en soms gaat het daarbij over grote bedragen. In brieven van burgers zijn ons daarvan diverse voorbeelden voorgelegd en ik neem aan dat het departement zulke brieven ook heeft ontvangen. Ik vraag me af, of het rechtvaardig genoemd kan worden dat zulke kosten volledig ten laste van het inkomen gedragen moeten worden. Ziet de regering nog mogelijkheden om voor gevallen waar deze kosten buitensporig hoog zijn in verhouding tot het inkomen, toch een aftrek op het inkomen mogelijk te maken, bijvoorbeeld als buitengewone lasten? Bovendien is het denkbaar dat de mate waarin de werkgever bereid is kosten te vergoeden bovenop het overeengekomen loon, zal schommelen met de stand op de arbeidsmarkt. Nu staan de werknemers sterk om wensen op dit punt ingewilligd te krijgen, maar dat kan ook wel weer eens anders worden. Het gaat hier echt niet altijd om mensen die zulke kosten best zelf kunnen dragen. In de sector van de kunst, waar hoge én lage inkomens verdiend worden, kunnen zulke kosten iemand zelfs netto onder het sociaal minimum brengen. Het kabinet heeft goede voornemens aangekondigd om de armoedeval aan te pakken. Deze maatregel lijkt mij daar in sommige gevallen haaks op te staan.

Een ander punt waarvoor ik – in navolging van eerdere sprekers – aandacht wil vragen, is de fiscale behandeling van het eigen huis. De regering heeft daarover een aparte notitie in het vooruitzicht gesteld, maar dat lijkt me geen reden om er nu over te zwijgen. Wel begrijp ik dat de regering hierover nu niet tot op de bodem zal antwoorden, maar wellicht kan de gedachtewisseling hier betrokken worden bij de opstelling van die notitie. Wie op dit punt geen enkele voorkennis heeft, zal zich erover verbazen dat de eerste box van de nieuwe inkomstenbelasting wordt aangeduid als "inkomen uit werk en woning". Inkomen uit werk is voor iedereen duidelijk, maar wat is "inkomen uit woning"? Kun je daarmee je rekeningen betalen? In de huidige wet wordt gesproken over de huurwaarde. Dat is dus het bedrag dat je uitspaart door geen huis te huren. Maar waarom dan geen taxiforfait voor bezitters van een eigen auto? In de nieuwe wet is het woord huurwaarde vermeden. Wat is daarvan de reden? Moet de rechtsgrond voor het toerekenen van een fictief inkomen wat bemanteld worden? Zit ik er ver naast, als ik vermoed dat de werkelijke reden voor deze inkomenspost een andere is, namelijk dat er een financieel tegenwicht moet zijn tegen het voordeel van de hypotheekrenteaftrek? Deze benadering is onzes inziens niet zonder bezwaar. Er gaat een element van willekeur in sluipen. De hoogte van de post huurwaarde of thans eigenwoningforfait wordt niet meer objectief bepaald door de huurontwikkeling, maar eerder door het voordeel van de renteaftrek en dus de rentestand. Omdat de hypotheekrenteaftrek politiek onaantastbaar lijkt, moet het forfait maar worden verhoogd om de schatkist toch nog enigermate aan haar trekken te laten komen. Daarvan worden wel de burgers de dupe die de fiscale mogelijkheden niet of niet maximaal benutten en hun huis normaal of zelfs versneld aflossen. Er zijn mensen met een hypotheekvrije eigen woning en enkel de AOW als inkomen. Hypotheekadviseurs ontraden het versneld aflossen ten stelligste en adviseren mensen met een eigen vermogen om toch een maximale hypotheek op hun eigen huis te nemen omdat men dan meer overhoudt voor andere bestedingen. Tijdens de voorbereiding van dit debat kwam een krant in mijn bus van een adviesgroep, waarin deze adviezen uitvoerig aan de woningbezitters worden voorgelegd met als enig motief de aftrekpost. Daarmee is deze regeling een voorbeeld waaruit blijkt dat fiscale regels kunnen leiden tot financiële beslissingen die men anders niet zo zou nemen. Daar willen wij toch juist van af?

De hypotheekrenteaftrek is een voorbeeld van een regeling waarbij met fiscale middelen een maatschappelijk doel werd nagestreefd, namelijk de bevordering van het eigenwoningbezit. In dat opzicht is de regeling zeker geslaagd te noemen. De laatste tijd schiet zij echter haar doel voorbij. Omdat kopers en hun adviseurs uitgaan van de nettohypotheeklast die je op grond van je inkomen kunt opbrengen en van daaruit redeneren naar een aanvaardbare hypotheekhoogte – en dus de koopprijs – heeft de regeling de koopprijzen van eigen woningen zwaar opgedreven. Het gevolg is dat een eigen huis voor starters, zelfs met de hypotheekrenteaftrek, welhaast onbetaalbaar is geworden. De hond bijt hier dus in zijn eigen staart.

Deze starters, die veelal in het laagste belastingtarief vallen, profiteren immers veel minder van de aftrek dan mensen die onder het hoogste tarief vallen. Inkomensongelijkheid, die wij via de belastingen juist wat willen mitigeren, wordt hier vergroot, in dit geval door de hoogte van de prijs die men zich voor een woning kan veroorloven. En dan worden de rijksten ook nog eens bevoordeeld doordat de hypotheekrenteaftrek onbeperkt is, terwijl het eigenwoningforfait een maximum kent.

Uitgaande van een blanco situatie zou het veel meer voor de hand liggen om aan een eigen huis twee aspecten te onderscheiden: een voorziening in de primaire levensbehoefte – dat is dus een bestedingsaspect – en een vermogenswaarde. Vanwege het laatste aspect past het eigen huis uitstekend in de derde box, waar toch al wordt gewerkt met een fictief vermogensrendement na aftrek van schulden. Wellicht zou er vanwege het andere aspect een aparte heffingsvrije voet voor de eigen woning bij moeten komen. Naar onze mening moet in die richting gewerkt worden. Wij vragen de regering in elk geval alles te vermijden wat de overgang naar zo'n stelsel moeilijker zou maken. Wij hebben waardering voor enkele maatregelen die in deze richting al zijn voorgesteld, zoals de afschaffing van de aftrek voor de tweede woning en de maximering van de aftrek tot 30 jaar.

Ik begrijp dat een heel ander systeem niet zomaar op lopende hypotheken kan worden toegepast zonder mensen in ernstige problemen te brengen. Er zal dus een ruime overgangstijd in acht moeten worden genomen, waarin geleidelijk naar zo'n nieuw systeem toe wordt gewerkt. Hypotheekrenteaftrek vervangen door een heffingskorting tegen een voor ieder gelijk percentage kan zo'n tussenstap zijn. Daarmee blijft in elk geval de doelstelling van de bevordering van het eigenwoningbezit voor de lagere inkomensgroepen overeind.

Ik ga over naar box III. De nieuwe vermogensrendementsheffing roept bij ons twee vragen op: over het forfaitaire karakter van de bepaling van het inkomen uit vermogen en over de hoogte van het tarief. Dat er op dit terrein iets moest veranderen, is ons duidelijk. Wij zijn het met veel critici eens dat een belasting op vermogensgroei, vermogenswinst, rechtvaardiger zou zijn, maar wij onderkennen de problemen in de sfeer van de doelmatigheid die de regering aanvoert. Daarom willen wij het voorshands maar zo proberen. Wel is het onze vraag of het veronderstelde rendement zo hard in de wet moet worden vastgelegd, zonder enige relatie tot de rentestand op de kapitaalmarkt. De regering geeft in de memorie van antwoord als argument dat zij dan vooraf precies weet waar zij aan toe is. Maar dan heb ik nog wel een suggestie: druk de vennootschapsbelasting, die ook sterk fluctueert met de economie, voortaan uit in een percentage van het bedrijfsvermogen! Dit kan toch geen argument zijn voor een rechtvaardige heffing?

Tegenover deze flexibiliteit, die ik bepleit, zou het tarief wel iets omhoog kunnen, en bijvoorbeeld gelijk gesteld kunnen worden aan dat van de vennootschapsbelasting: 35%. Beleggers vinden dat tarief momenteel aantrekkelijk genoeg om in vermogensgroeifondsen te beleggen en zo de hoge heffing op hun dividenden te ontgaan. Het voorgestelde tarief is zelfs nog lager dan wat de zogezegd allerarmsten in box I moeten betalen en dat lijkt mij toch niet erg rechtvaardig.

De regering heeft alle maatschappelijke beleggingen waarvoor een vrijstelling geldt, in één groep samengebracht met een gemeenschappelijk maximum. Doet dat wel recht aan de verscheidenheid van deze doelstellingen? Wie meer kinderen heeft die hij later wil laten studeren, zit aan hetzelfde maximum vast als de ouders van één kind. Zulke ouders kunnen bovendien minder deelnemen in groene beleggingen. Waarom zo strak?

Bij de groene beleggingen hebben ons inmiddels persberichten bereikt over gewijzigd inzicht bij de regering, maar een officieel stuk heb ik nog niet gezien. Is de regering bereid alsnog te komen met aparte maxima voor normaal renderende beleggingen met een maatschappelijk doel en beleggingen waarbij het rendement vanwege het goede doel bewust achterblijft?

Mijnheer de voorzitter! Uit de mer à boire aan fiscale veranderingen die de bewindslieden ons hebben voorgelegd, zou nog veel meer te noemen zijn, maar het is onmogelijk alle interessante details te bespreken. Veel collega's hebben al punten aangeroerd waar ik het mee eens was. Ik wil nog enkele punten noemen, zoals de kring van verwanten die betrokken wordt bij de meesleepregeling, de onrust onder artiesten over de loonbelastingregeling die voor hen gaat gelden, of de eerbiedigende werking voor de langlopende kapitaalverzekeringen van voor de brede herwaardering.

Volgens een briefschrijver zou een staatssecretaris van Financiën in het verleden zelfs gezegd hebben, maar ik heb het niet in de Handelingen gecontroleerd, dat deze rechten voor de eeuwigheid zouden worden geëerbiedigd. Afgezien van het feit dat wij de hybris die uit dit woordgebruik spreekt, niet kunnen bewonderen, blijkt de eeuwigheid nu te duren tot 2001. Hij heeft misschien de eeuw bedoeld... Kan de staatssecretaris toelichten hoe dit te rechtvaardigen valt? Zal deze herziening standhouden bij een rechterlijke toetsing, vraag ik met anderen. Ik besef dat de regering hierop niet "nee" zal antwoorden, maar ik leg de vraag toch maar even op tafel.

Een andere vraag van een briefschrijver is hoe het staat met de heffing van BTW over nog niet opgeleverde nieuwbouwwoningen in verregaande staat van voltooiing per 1 januari 2001.

Verder vind ik het vreemd dat belastingplichtigen die geen inkomen uit werk of woning hebben, geheel vrijgesteld zijn van het meebetalen aan de volksverzekeringen. Ik besef dat die groep groter wordt, als mijn voorstel wordt overgenomen om de woning naar box III te verplaatsen. Ook al gaat het slechts om een beperkt aantal, hier heeft de rechtvaardigheid het moeten afleggen tegen de doelmatigheid.

Wanneer ik de punten van mijn kritiek overzie, valt op dat er nogal wat bij zijn die pas in de loop van de behandeling aan de overzijde in het wetsvoorstel zijn ingebracht: de totale afschaffing van de arbeidskostenaftrek, de meesleepregeling, de artiestenregeling en de maatschappelijke beleggingen. De bewindslieden hebben kritiek op de overhaaste behandeling van deze voorstellen altijd afgewimpeld met een verwijzing naar de voorbereiding. In de verkenningen en het regeerakkoord stond deze herziening al uitvoerig aangekondigd, maar dat geldt niet voor deze nogal ingrijpende wijzigingen, die zelfs zonder advies van de Raad van State in de wet terechtkwamen, terwijl de discussie in de vakpers pas op gang kwam toen de Tweede Kamer haar fiat al had gegeven. Dientengevolge hebben wij de volle laag van de bezwaren gekregen, maar wij kunnen niet anders doen dan er aandacht voor te vragen, voorzover ze ons aanspreken. De voorganger van staatssecretaris Bos is te waarderen om zijn grote inventiviteit, maar is deze wetgevingsacrobatiek nog wel verantwoord? Het spijt me dat ik het hem zelf niet meer kan vragen, maar misschien willen deze bewindslieden hierop reageren.

Ik noteer overigens met waardering dat de regering in de nota naar aanleiding van het eindverslag bij verschillende punten heeft opgemerkt open te staan voor een gedachtewisseling met de Kamer om nog tot bijstellingen te komen.

Dan kom ik op mijn laatste onderdeel: de budgettaire en koopkrachtaspecten. In de loop van de behandeling van dit voorstel zijn de WW-premies opeens een rol gaan spelen. Alsof de heer Vermeend toen al even minister van Sociale Zaken was, voerde hij een verlaging van deze premies op om het koopkrachteffect van deze belastingherziening voor een bepaalde inkomensgroep te verbeteren. Ik begrijp dat dit goed uitkwam, maar vind dit toch een oneigenlijke gang van zaken. De regering zegt hierover dat het overschot in de WW-fondsen nodig was om het overheidstekort binnen de perken te houden, maar daar betalen wij toch geen sociale premies voor? Die premies zijn bestemd voor uitkeringen aan werklozen en kunnen dus omlaag als er minder werkloosheid is. Ietwat onwelwillend kun je zeggen dat mensen die de laatste tijd te veel betaalden, nu worden tevredengesteld met een sigaar uit eigen doos. Voor het beperken van het overheidstekort is de belastingheffing het aangewezen instrument. Anders kunnen wij alles wel in één pot gooien.

Deze voorstellen hebben een lastenverlichting tot gevolg van ongeveer 6 mld. Ik wil niet verhelen dat onze fracties hier aanvankelijk bedenkingen bij hadden: zijn er geen dringender noden in onze samenleving om zo'n bedrag aan te besteden dan verhoging van de particuliere koopkracht over de hele linie? Inmiddels is duidelijk dat de overheid dankzij de economische voorspoed nog grote bedragen beschikbaar heeft voor zulke noden. Daarom hebben wij onze reserves op dit punt laten varen. Wel willen wij van de minister van Financiën horen of hij denkt dat onze economie deze impuls aankan zonder oververhit te worden. Hoe denkt hij te voorkomen dat de BTW-verhoging effect zal hebben op de looneisen? Het zal in de voorlichting goed duidelijk gemaakt moeten worden dat deze prijsstijging al meer dan gecompenseerd wordt door de verhoging van het nettoloon.

Ik zie met belangstelling uit naar de reactie van de regering op de vragen en de punten van kritiek die ik naar voren heb gebracht.

De heer Ruers (SP):

Mijnheer de voorzitter! Ik zal als laatste een korte bijdrage leveren, ook omdat de voorgaande sprekers al zeer veel vragen aan de bewindslieden hebben gesteld, ondanks de uitvoerige schriftelijke gedachtewisseling.

Ik begin met een korte historische inleiding. Net als de heer Schuyer ben ik daarvoor te rade gegaan bij de heer Grapperhaus, die mooie dingen heeft geschreven over de achtergrond en de historische grondslag van belastingen. Ongeveer 3000 voor Christus schijnen de Soemeriërs in Mesopotamië de eerste steden ter wereld te hebben gebouwd. De eerste tafel van het Gilgamesj-epos vertelt ons hoe de bewoners van de stad Uruk, in het tegenwoordige Irak, een stadsmuur aanlegden om zich te beschermen tegen de barbaarse buitenwereld. Alle mannen van de stad waren verplicht om hieraan mee te werken. Door middel van hun onbetaalde arbeid betaalden zij belasting ten behoeve van een gemeenschappelijk belang, de veiligheid. Zonder belastinginkomsten is een overheid niet in staat om belangrijke voorzieningen op te bouwen en in stand te houden. Onze voorouders hadden dat, althans in Mesopotamië, vijf millennia geleden al door. Anders gezegd: de menselijke beschaving komt niet tot stand door marktwerking en deregulering, maar juist door samenwerking van mensen, onder andere door middel van het heffen en betalen van belasting. Belastingheffing was vooral toen, maar ook nu nodig ter bescherming tegen de barbaren, de "barbaroi", hoewel ik mij kan voorstellen dat de Mesopotamiërs toen het Grieks nog niet beheersten.

De Soemerische mannen waren natuurlijk niet allemaal even sterk; sommige mannen waren ziek of oud en konden daardoor minder stenen voor de muur dragen dan de meeste jonge mannen, zo luidt het verhaal. Van de wijze Soemerische bouwmeesters hoefden zij ook niet evenveel stenen te dragen: de jonge en sterke mannen deden iets meer, de oudere en ziekere mannen iets minder. Deze belastingheffing in natura werd in haar meest letterlijke vorm naar draagkracht geheven. Misschien hebben de Soemeriërs ons met het sjouwen van die stenen het begrip "draagkracht in natura" geleverd als begin van de belastingheffing. Nogmaals: ik dank de heer Grapperhaus, die hier mooie verhalen over kan schrijven.

Nu kom ik bij de wereld van heden. Een belastingstelsel moet voor de overheid genoeg middelen genereren om onze maatschappelijke voorzieningen in stand te houden, maar er moet naar draagkracht geheven worden. Dat zijn naar de mening van de SP-fractie nog steeds de twee belangrijkste beginselen voor de fiscaliteit. De afgelopen twintig jaar hebben wij gezien dat onze collectieve voorzieningen gestaag zijn afgebroken: het tafelzilver is verkocht en uitgeleverd aan de willekeur van de markt; het marktfundamentalisme viert hoogtij. Tegelijk zijn de sociale voorzieningen afgebroken. Volgens het CBS gingen de mensen met een uitkering er in de periode tussen 1977 en 1994 reëel bijna een kwart in inkomen op achteruit, terwijl het rijkste kwart van de bevolking 50% rijker werd. De SP vindt dat juist in deze tijd van economische voorspoed alles op alles moet worden gezet voor sociale wederopbouw na 20 jaar neoliberale kaalslag.

Op basis van deze beginselen heeft mijn fractie een aantal alternatieve plannen ontwikkeld voor een socialistische belastingpolitiek. Een van de kwesties daarbij is de armoedeval. Ons uitgangspunt was altijd dat werken moet lonen. In de praktijk komt het echter nog vaak voor dat mensen er bij de aanvaarding van een baan met een laag uurloon netto niet op vooruitgaan, maar er zelfs op achteruit gaan. Om die reden hebben wij voorgesteld om er door middel van een "terugtaks" voor te zorgen dat werken echt loont: een terugtaks van ƒ 250 per maand kan op een sociale manier een eind maken aan de armoedeval en kan worden gefinancierd door de afschaffing van de specifieke afdrachtkorting, de SPAK. De berekeningen van het SCP leren bovendien dat de terugtaks per saldo 20.000 mensen aan het werk helpt, onafhankelijk van de effectiviteit van de SPAK. Dat is een mooi resultaat. Maar in plaats van mensen die gaan werken voldoende te belonen, kiest de regering ervoor om mensen te belonen die van het werk van andere mensen leven. De voorgestelde vermogensrendementsheffing belast vermogensinkomsten tegen een tarief van 30%, wat minder is dan het laagste tarief voor de inkomsten uit arbeid, terwijl arbeid nog steeds de enige bron van rijkdom is; daaraan is nog niets veranderd. Een belangrijk bezwaar tegen de vermogensrendementsheffing is dat zij alle vermogensinkomsten belast tegen het forfaitaire rendement van 4%, terwijl in de praktijk veel hogere rendementen worden gerealiseerd; andere sprekers wezen daar al op. Ik heb het hierbij overigens niet eens over de beurs, waar men al 20 jaar lang 15% rendement haalt. De voorgestelde heffing werkt heel anders, zelfs denivellerend: de grote winsten worden te laag belast en lage rendementen, bijvoorbeeld van een spaarrekening, worden te hoog belast. Met de vermogenswinstbelasting die de SP voorstelt, worden echte winsten belast met een tarief van minimaal 35%. Zoiets heeft onze voorkeur; dan is pas sprake van een sociale en niet van een asociale ontwikkeling in de belastingen.

Het tweede onderwerp is de hypotheekrenteaftrek. De onbeperkte of nagenoeg onbeperkte hypotheekrenteaftrek is ondanks de discussies van de laatste tijd een heilig huisje gebleven. Overal is daarover gediscussieerd, maar de regering heeft zich erg stil gehouden. Als ik het goed begrijp, heeft het kabinet hierover een notitie beloofd. Deze is echter nog niet beschikbaar. Wanneer kan de Kamer deze notitie verwachten? Alle discussies hebben in de afgelopen periode de nodige onrust gewekt. Naar onze mening doet het kabinet er verstandig aan om deze kwestie eens duidelijk op de agenda te zetten en de hypotheekrenteaftrek voor de toekomst veilig te stellen door een eind te maken aan alle excessen. Op zich is de stimulering van het eigenwoningbezit een nobel doel, maar die hoeft niet zo genereus te zijn dat ook het eigenvillabezit door de overheid wordt gesubsidieerd. Wij hebben voorgesteld om de aftrek te maximeren tot een hypotheekschuld van ƒ 350.000. Het CPB heeft berekend dat dit voor minder dan 5% van de woningbezitters tot een kleinere aftrek leidt en 1,25 mld. oplevert.

In het voorstel is van deze discussie dus weinig terug te vinden, maar de discussie zal ook na dit wetsvoorstel doorgaan. Ik begrijp niet goed waarom andere partijen hier zo over angstig doen; misschien vanwege de electorale gevoeligheid van dit onderwerp. Toch lijkt dit mij overbodig, want uit een peiling van het NIPO in opdracht van de SP blijkt dat 59% van de bevolking voorstander is van een maximum aan de hypotheekrenteaftrek. Jawel, zelfs onder de liberalen gaat het bijna om een meerderheid: 46%. Je zou zeggen dat er voldoende draagvlak is om op dit gebied met vergaande voorstellen te komen. Maar mocht de regering dat niet doen en mocht dat nog steeds te moeilijk zijn, dan is er nog een achterdeur, en wel de verhoging van het huurwaardeforfait. Wij hebben een dergelijk voorstel ontwikkeld waarmee ongeveer dezelfde resultaten worden bereikt. Dat is om het huurwaardeforfait voor duurdere huizen flink te verhogen, zodat de facto de hypotheekrenteaftrek wordt gemaximeerd. Bovendien zijn er door verschillende partijen, ook door mijn fractie, alternatieven op tafel gelegd. Wij zijn dan ook zeer benieuwd naar wat de regering daarvan vindt. Ik denk dat de regering er voorlopig niet veel van vindt, gezien de gevoeligheid van dit onderwerp bij het kabinet en de regeringspartijen. Ik stel voorlopig wel vast dat de maatschappelijke discussie hierover doorgaat. De geest is al lang uit de fles en die zal er nooit meer in terugkeren. Wij zullen ongetwijfeld de discussie krijgen over het beëindigen van de onbeperkte en asociale aftrek van hypotheekrente.

Ik kom nog over een detail te spreken. Overigens laat ik verdere detailvragen achterwege. In de schriftelijke inbreng hebben wij er tot tweemaal toe op gewezen dat de afschaffing van de vermogensbelasting gepaard gaat met een eenmalig voordeel van zeker 1,3 mld. voor vermogenden. Deze enigszins ingewikkelde redenering hebben wij in een aantal schema's verwerkt. Het kabinet heeft daarop gereageerd met schema's. Dat vond ik aardig; dat maakte het iets gemakkelijker. Toch blijkt het nog steeds erg moeilijk te zijn, zo heb ik geconstateerd. Het is ook geen eenvoudige materie, zeker niet voor een leek als ik. Formeel sluit het nieuwe stelsel weliswaar aan op het oude stelsel, maar materieel is er in 2001 sprake van een heffing die op dit punt te kort schiet. De minister argumenteert dat er in 2001 wél sprake is van een adequate heffing, omdat er voorlopige aanslagen worden opgelegd. Die argumentatie is naar mijn mening onvoldoende. Er blijft mijns inziens sprake van een tekort doordat er in 2001 nog wel belasting wordt betaald over vermogensresultaten (rente en dividend) via de definitieve IB-aanslag 2000 volgens het oude belastingstelsel, maar geen vermogensbelasting meer. Immers, die wordt per 1 januari aanstaande opgeheven dan wel afgeschaft. Daar veranderen de voorlopige aanslagen van de VRH niets aan. Ik vraag het kabinet dan ook om dit te corrigeren door de afschaffing van de vermogensbelasting één jaar uit te stellen. Op die manier kan een en ander worden opgeheven. Dit is formeel geen dubbele heffing, zoals de minister ook in de nota naar aanleiding van het verslag toegeeft. Materieel betekent dit het recht trekken van de heffing over het vermogen bij de invoering van het nieuwe stelsel. Het gaat dus om een eenmalige uitzondering, een verlenging met één jaar. Zo is het probleem opgelost. De overheid zal daardoor 1,3 mld. rijker zijn.

Te vaak is het debat over belastingherziening vooral een aangelegenheid van specialisten en technocraten. Dat is wel te begrijpen, maar het is toch jammer. Met name de onderhavige belastingherziening is namelijk een ingrijpende aangelegenheid voor bijna elke burger in ons land. Dit belastingplan is een neo-liberaal belastingplan dat, zoals de minister van Financiën het zo treffend uitdrukt, de prijs van het fatsoen verlaagt. De rijken gaan minder betalen aan onze publieke voorzieningen, terwijl de budgettaire anorexia, ondanks de meevallers van vele miljarden, voortwoekert. Daarom is het ook na dit debat nodig dat Nederland blijft nadenken over een sociale en progressieve belastingpolitiek. Ik zie dan ook graag de reactie van de bewindslieden tegemoet.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

De regering zal morgenochtend om 10.00 uur antwoorden.

Sluiting 22.24 uur