34 725 VIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2016

Nr. 6 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 6 juni 2017

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het jaarverslag van 17 mei 2017 inzake het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2016 (Kamerstuk 34 725 VIII, nr. 1).

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft deze vragen beantwoord bij brief van 2 juni 2017. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie, Tellegen

Adjunct-griffier van de commissie, Arends

1

Hoe verhoudt het Nederlandse onderwijs zich ten opzichte van onderwijsstelsels in andere OESO-landen1, met betrekking tot werkdruk, klassengrootte en salarisniveau van leraren?

Dit is een complexe en veelomvattende vraag, waarop geen kort en eenduidig antwoord gegeven kan worden. Aspecten als werkdruk, klassengrootte en salarisniveau hangen in de praktijk met elkaar samen, zodat voorzichtigheid geboden is met het trekken van conclusies ten aanzien van deelonderwerpen. Verder moet worden aangetekend dat onderwijsstelsels slechts tot op zekere hoogte vergelijkbaar zijn, ook omdat landen verschillen (bijvoorbeeld qua demografische situatie) en omdat er (culturele) verschillen kunnen zijn ten aanzien van bijvoorbeeld werkdrukervaring. Ook is sprake van variatie binnen «het onderwijs»: in het (Nederlandse) voortgezet onderwijs komt bijvoorbeeld veel meer variatie voor in groepsgrootte dan in het primair onderwijs.

In haar publicatie Education at a Glance presenteert de OESO periodiek een schat aan informatie over talloze (deel)onderwerpen betreffende het onderwijs. Op 15 september 2016 heeft de regering haar reactie op Education at a Glance 2016 aan uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 157). De conclusie die daarin werd getrokken geldt nog steeds: Nederland neemt internationaal gezien een sterke onderwijspositie in, waarbij er ruimte is om nog beter te worden. Daar blijven we dan ook aan werken.

Als we wat dieper op de informatie ingaan zien we in de eerste grafiek hieronder uit het betreffende OESO-rapport, dat het salarispeil van Nederlandse leraren in het voortgezet onderwijs in 2014 gemiddeld iets hoger ligt dan het OESO-gemiddelde.

De tweede grafiek hieronder uit het betreffende OESO-rapport suggereert dat ook de gemiddelde groepsgrootte in 2014 in het Nederlandse primair onderwijs iets hoger is dan het OESO-gemiddelde.2

Voor werkdruk bestaat geen OESO tabel, hier is onvoldoende over te concluderen in vergelijking met andere (EU) landen. De OESO heeft wel indicatoren die iets zeggen over werktijden, aantal lesdagen en lesuren (tabellen D4.1 en D4.2) uit het betreffende OESO-rapport). Ook wordt inzicht gegeven in verplichte en vrijwillige taken over de landen heen (figuur D4.a en tabel D4.3). Er is echter geen indicator voor werkdruk.

2

Kunt u verklaren waarom er in het jaarverslag 2016 niet over doelstellingen ter bevordering van «bildung» onder studenten en docenten wordt gesproken, terwijl dit wel meermalen genoemd wordt in de begroting 2016? Hoe staat het met de doelstellingen ter bevordering van «bildung»?

In de begroting 2016 wordt gesproken over «Bildung» in het kader van de besteding van de extra middelen die vanaf 2018 vrijkomen dankzij het studievoorschot. Met deze middelen kunnen extra docenten aangenomen worden waardoor meer nadruk op Bildung mogelijk is. Hoewel de middelen uit het studievoorschot in 2016 nog niet beschikbaar zijn, worden door de instellingen in de periode 2015–2017 al wel voorinvesteringen gedaan die moeten leiden tot meer nadruk op Bildung. De stijging van het aantal docenten in 2016 in de jaarverslagen van de instellingen (zie vraag 29) bevestigt het beeld dat er meer geïnvesteerd wordt in onderwijskwaliteit en kleinschaliger en intensief onderwijs, dat zal bijdragen aan meer nadruk op Bildung.

3

Kunt u bevestigen dat bij een aantal indicatoren in het jaarverslag tussentijds de meetmethode is aangepast, waardoor de vergelijkbaarheid over de jaren niet goed mogelijk is? Hoe wordt dit in de toekomst verbeterd?

Bij het vormgeven van indicatoren wordt kritisch gekeken naar standaardkwaliteitseisen van de onderzoeksvraag en de bron, waarbij altijd getracht wordt om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande registratiesystemen van DUO. We proberen daarbij zoveel mogelijk robuuste indicatoren te kiezen waardoor metingen op lange termijn mogelijk zijn. Hier zal ook bij het vormgeven van toekomstige indicatoren de nadruk op liggen. Op die manier hopen we te voorkomen dat er indicatoren gewijzigd moeten worden. Het klopt echter dat voor een aantal indicatoren de meetmethode is gewijzigd. Soms is het noodzakelijk om door voortschrijdend inzicht of teruglopende respons een andere bron te kiezen. Zo liep de respons terug van het oorspronkelijke onderzoek «Onderwijs werkt!»(Regioplan), waardoor noodgedwongen is gekozen over te gaan op en andere betrouwbaardere meetmethode door aan te sluiten bij het tweejaarlijkse zogenaamde Personeels- en MobiliteitsOnderzoek (POMO, van het Ministerie van BZK). Deze overgang had ook een voordeel: Door aan te sluiten bij deze grotere uitvraag worden registratielasten voor het veld verminderd en de representativiteit van de steekproef voor de toekomst beter gewaarborgd.

4

Is met zekerheid te stellen dat de uitval van startende leraren te verhelpen is door betere begeleiding?

Het is met zekerheid te stellen dat de begeleiding van startende leraren een bijdrage kan leveren aan de vermindering van uitval van beginnende leraren. Dit blijkt uit onderzoek van Wim van der Grift en Michelle Helms-Lorenz (2014): De reductie van de voortijdige beroepsverlating in het VO.

Uit de Loopbaanmonitor Onderwijs 2012 (uitgevoerd onder startende leraren in po en vo) blijkt dat vooral die beginnende leraren uitstromen die aangeven dat ze minder goed zijn begeleid. De overgang van opleiding naar het werk voor de klas wordt als groot ervaren. Daarom zetten we al langer in op een betere aansluiting tussen opleiding en werk. Planmatige begeleiding van startende leraren draagt bij aan de doorlopende leerlijn.

5

Behalve de aanpak van regeldruk binnen de scholen, hoe wordt er ingezet op het aanpakken van regeldruk die buiten de directe invloedssfeer van de scholen ligt?

In de gesprekken over de Regeldrukagenda Onderwijs 2014–2017, die zijn gevoerd met vele betrokkenen uit het onderwijsveld, kwam naar voren dat ervaren regeldruk onder meer voortkomt uit verwarring rond sommige regels in de onderwijswetgeving. Een belangrijk deel van onze inspanningen om regeldruk weg te nemen is daarom gericht op het meer toegankelijk maken van de onderwijswetgeving. Met een algemene onderwijswet en met een modernisering van de Wet op het voortgezet onderwijs, gaan wij hier een bijdrage aan leveren. Daarnaast hebben wij de huidige deugdelijkheidseisen geëvalueerd op consistentie en actualiteit en hebben wij in het kader van de stofkamoperatie informatieverplichtingen in de sectorwetten doorgelicht. Naar aanleiding hiervan zien wij mogelijkheden een aantal informatieverplichtingen voor de school te schrappen of te vereenvoudigen. Zo hoeven scholen in de toekomst niet meer te worden verplicht om de schoolgids op papier beschikbaar te stellen, maar kan worden volstaan met het digitaal beschikbaar stellen van de schoolgids. Voor de zomer zal het wetsvoorstel, wanneer de ministerraad hiermee instemt, waarvan de evaluatie van de deugdelijkheidseisen en de stofkamoperatie deel uitmaakt gepubliceerd worden voor internetconsultatie. Daarnaast wordt er voor scholen een overzicht gemaakt van de grootste misverstanden omtrent registraties in het onderwijs.

6

Wat is de reden dat ondanks meer begeleiding, startende leraren nog te veel uitvallen? Hoeveel vallen uit? Is dat aantal gegroeid of gekrompen?

Er worden meer starters begeleid. Hoe deze begeleiding wordt vormgegeven verschilt per school. De kwaliteit en intensiteit van de begeleiding is nog niet overal optimaal ingevuld. Jaarlijks wordt hierover gerapporteerd in de voortgangsrapportage lerarenagenda (Kamerstuk 27 923, nr. 231). Over de jaren 2012–2014 is 23 procent van de startende leraren in het po na het eerste jaar uitgestroomd. In het vo gaat het om 20 procent. In het po was in het verleden duidelijk sprake van een stijging in uitval, die kon worden gekoppeld aan een moeilijke arbeidsmarkt voor startende leraren. In 2015 lijkt sprake te zijn van een trendbreuk in de uitval in het po. Zowel in de uitval na één, drie als vijf jaar is een duidelijke afvlakking van de eerdere stijging te zien. Bij de uitval in het vo zien we een stabiele, licht dalende ontwikkeling van de uitval na één, drie en vijf jaar.

7

Wat wordt bedoeld met: «In de wetenschap worden topprestaties bereikt met een gemiddeld niveau van publieke middelen»? Met welke landen is Nederland te vergelijken als het gaat om voldoende wetenschappelijke investeringen? Welke landen investeren meer?

De Nederlandse wetenschap levert topprestaties en speelt internationaal gezien een vooraanstaande rol. De Nederlandse universiteiten doen het in de verschillende internationale rankings onverminderd goed.

Nederland staat op de tweede plaats als het gaat om het percentage top 10 meest geciteerde publicaties, vlak achter Zwitserland.

Ook binnen Europa doen we het goed, in Horizon 2020 kent Nederland een retourpercentage van 7,7 procent, maar 5 landen kennen een hoger retourpercentage. Ook hebben Nederlandse deelnemers een bovengemiddeld honoreringspercentage van 15,7 procent (ten opzichte van 12,4 procent gemiddeld).

Uit de Rathenau publicatie »Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie 2015–2021» blijkt dat indien men kijkt naar de directe overheidssteun voor R&D (exclusief fiscale instrumenten) in Europa, Nederland zich op dit moment bevindt in de middenmoot van de landen.

Overheden in negen landen geven meer uit aan directe steun dan Nederland (onder andere Denemarken, Portugal, Noorwegen en Zwitserland). Wel heeft Nederland een positie boven die van het EU-28 gemiddelde (0,74 tegenover 0,64 procent).

8

Kunt u de discrepantie verklaren tussen het groeiend bewustzijn en brede draagvlak op scholen om regeldruk te agenderen en de resultaten van onderzoek van DUO Onderwijsonderzoek en De Monitor (KRO-NCRV), waaruit blijkt dat er een toename is van leraren die de administratieve druk als te hoog ervaren?

Regeldruk doet afbreuk aan het werkplezier en draagt bij aan de hoge werkdruk in het onderwijs. Daarom is er met sociale partners de Regeldrukagenda Onderwijs 2014–2017 (Kamerstuk 29 515, nr. 356) afgesproken. Daarin staan maatregelen om de regeldruk te verminderen. Uit onderzoek blijkt dat administratieve verplichtingen vooral ontstaan binnen scholen zelf, of vanuit het bestuur of samenwerkingsverband. Het tegengaan van de regeldruk begint daarom op de school zelf, door met elkaar in gesprek te gaan waarom en voor wie bepaalde zaken worden geregistreerd. Ook is de Operatie Regels Ruimen gestart waarbij scholen hulp krijgen om onnodige administratieve verplichtingen te schrappen. Ondanks deze maatregelen is regeldruk een hardnekkig probleem dat constante aandacht vraagt. Daarom is toegezegd om een vervolg te geven aan Operatie Regels Ruimen, met hierin specifieke aandacht voor de administratieve verplichtingen die scholen ervaren rondom Passend Onderwijs. Op 9 mei 2017 hebben we u geïnformeerd over werkdruk met de Kamerbrief werkdruk in het basisonderwijs (Kamerstuk 27 923, nr. 250).

9

Hoeveel mbo-studenten die recht hebben op een ov-kaart, hebben er daadwerkelijk een aangevraagd?

In het eerste kwartaal van 2017 hadden circa 100.000 minderjarige mbo-studenten een geactiveerd reisrecht. Er zijn geen exacte gegevens over hoeveel minderjarige mbo-studenten recht hebben op de reisvoorziening, omdat alleen gecontroleerd wordt of iemand er recht op heeft als hij of zij de reisvoorziening aanvraagt. Een schatting van het aantal rechthebbenden komt op circa 120.000.

10

Zijn er bij de lancering van de «Gelijke Kansen Alliantie» ook indicatoren opgesteld, waaraan de effectiviteit van deze maatregelen getoetst kan worden?

Er wordt momenteel gewerkt aan een monitor die met behulp van indicatoren inzicht geeft in de ontwikkeling van gelijke kansen in het onderwijs. Voor het meten van de effectiviteit van ingezette maatregelen is de monitor niet bedoeld: de trendontwikkeling wordt weliswaar zichtbaar, maar er kunnen geen conclusies getrokken worden over een eventuele causale relatie tussen ingezette maatregelen en de kwantitatieve ontwikkelingen in de monitor. Daarom hebben wij het NRO verzocht om een evaluatie uit te zetten op een aantal maatregelen die in de brief genoemd zijn. Dit betreft de maatregelen die gericht zijn op de overgangen po-vo, vmbo-mbo/havo en mbo-hbo, alsmede de pilot gericht op het vrij roosteren van docenten voor coaching en ondersteuning (zie: https://www.nro.nl/onderzoeksprojecten/gelijke-kansen/). De call for proposals is april jongstleden uitgezet en inmiddels gesloten. Naar verwachting geschiedt de gunning deze zomer. De evaluatie van deze maatregelen loopt van 2017 tot 2021. De overige maatregelen uit de brief zullen apart geëvalueerd worden.

11

Hoe groot is het aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod, die wel ingeschreven staan op een school zowel in percentages, als in absolute getallen in schooljaar 2014–2015 en 2015–2016?

In het schooljaar 2014–2015 duurde bij 2.232 (0,09 procent) leerlingen het langdurig relatief verzuim langer dan drie maanden. In het schooljaar 2015–2016 ging het om 2.592 leerlingen (0,1 procent). Oftewel, in het schooljaar 2014–2015 ging het om ongeveer 9 op de 10.000 leerlingen en het schooljaar erna op ongeveer 10 op de 10.000 leerlingen.

12

Hoe verklaart u de stijging van het aantal thuiszitters in het primair en voortgezet onderwijs?

Het aantal thuiszitters is niet gestegen maar licht gedaald. Zoals in de tiende voortgangsrapportage is te lezen (Kamerstuk 31 497, nr. 221), is het totale aantal thuiszitters, bestaande uit absoluut verzuim en langdurig relatief verzuim, het afgelopen jaar gedaald van 9.972 in het schooljaar 2014–2015 naar 9.388 in 2015–2016.

13

Hoe kan het dat het «percentage mbo-deelnemers dat met diploma de instelling verlaat» op alle niveaus verminderd is ten opzichte van 2015 (vergelijking realisatie 2016 en realisatie 2015)?

Gebleken is dat de cijfers over 2014 en 2015 verkeerd verwerkt zijn. De juiste cijfers staan hieronder vermeld en afgebeeld. In de figuur is ook het studiejaar 2012/2013 opgenomen. (realisatie 2015 betreft het schooljaar 2013/2014, realisatie 2016 betreft het schooljaar 2014/2015).

Niveau

2013/2014

2014/2015

1

78%

78%

2

73%

74%

3

72%

74%

4

74%

74%

Totaal

73%

74%

Op alle niveaus is dus het percentage mbo-deelnemers dat met diploma de instelling verlaat gelijk gebleven of gestegen in 2014/2015 ten opzichte van 2013/2014.

14

Hoe kan het dat nog steeds ruim een kwart van de studenten in het hoger onderwijs uitvalt in het eerste jaar?

De hogescholen stonden de afgelopen periode voor een ingewikkelde opgave: het eindniveau van de bachelor verhogen, meer studenten naar dat eindniveau te leiden terwijl de kwaliteit van de instroom van studenten soms nog onvoldoende was. Desalniettemin zijn de hogescholen erin geslaagd om het uitvalpercentage terug te dringen. Sinds studiejaar 2013/2014 is een daling in de uitval zichtbaar: steeds meer studenten, zowel hbo als wo, slagen erin om het eerstejaar met succes af te ronden. Inspanningen van de hogescholen en universiteiten en maatregelen zoals de invoering van de studiekeuzecheck hebben daar een belangrijke bijdrage aan geleverd. De komende jaren blijft het terugdringen van de uitval aandacht vragen: er wordt ingezet op het verbeteren van het studiesucces onder meer door de studiekeuzecheck verder te ontwikkelen en de samenwerking tussen onderwijssectoren in de regio te versterken.

15

Kunt u een segmentatie geven van het relatief lage bachelor studiesucces in het hoger beroepsonderwijs (landelijk 61% na n+1 jaar), bijvoorbeeld naar instelling, studie, man/vrouw, bevolkingsgroep?

In het achtergronddocument 1van de stelselrapportage 2016 staat in figuur 3 het rendement voor de verschillende universiteiten en hogescholen. In het Technisch Rapport van de Staat van het Onderwijs 2015/2016 staat het rendement gespecifieerd naar de verschillende achtergrondkenmerken.

16

Wat is de verklaring voor het feit dat het percentage thuiszittende leerlingen dat drie maanden thuiszit zonder passend onderwijsaanbod zowel in het primair als in het voortgezet onderwijs, ondanks de beleidsinzet, licht is gestegen in 2016? Zijn er inmiddels in 2017 al effecten meetbaar van het Thuiszitterspact?

Eind dit jaar komen de verzuimcijfers over het schooljaar 2016–2017 beschikbaar. Dat is het eerste schooljaar na de afspraken uit het landelijke Thuiszitterspact en dus het eerste moment dat eventuele effecten zichtbaar zullen zijn. Zie verder het antwoord op vraag 11 en 12.

17

Tot welke resultaten hebben de acties uit het «actieplan gelijke kansen» al concreet geleid?

Hoewel het actieplan relatief kort geleden is gepresenteerd, circa een half jaar, is er al veel in gang gezet. De uitvoering van de maatregelen in het actieplan is voorbereid. Zo zijn er regionale voorlichtingsbijeenkomsten gehouden over de doorstroomprogramma’s en hebben mbo- en hbo-studenten in het zogenaamde OCW Studentlab voorstellen ontwikkeld om de doorstroom mbo naar hbo te verbeteren. In het kader van de Gelijke Kansen Alliantie zijn er in heel Nederland veel gesprekken gevoerd met gemeenten over de regionale aanpak van gelijke kansen. De laatste week van januari was een «Gelijke Kansenweek», waarbij er veel aandacht was voor initiatieven die gelijke kansen van kinderen bevorderen. Het onderwerp staat hoog op de agenda in het onderwijs. U wordt voor het zomerreces nader geïnformeerd over de voortgang in de aanpak van gelijke kansen.

18

Wat bedoelt u met «Voor mbo-instellingen met veel stapelaars hebben we extra middelen beschikbaar gesteld (…)»? Om hoeveel geld gaat het? Waarom verwijst u in de link naar cijfers over «stapelen in het vo»? Kunt u aan de hand van enkele rekenvoorbeelden inzichtelijk maken hoe de Rijksbekostiging van een mbo-instelling verloopt als een leerling diploma’s stapelt (bijvoorbeeld als een student van niveau 1 naar niveau 2 wil doorstromen na behalen van het diploma)? In hoeverre zijn de «extra middelen» die ter beschikking zouden zijn gesteld een compensatie van de cascade-bekostiging»?

In het kader van het «actieplan gelijke kansen in het onderwijs» is er voor het mbo in de periode 2017 tot en met 2019 € 4 miljoen per jaar beschikbaar voor steun aan mbo-instellingen met veel stapelaars (Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 16). Met deze tijdelijke regeling wordt beoogd om mbo-instellingen te ondersteunen mbo-studenten die zonder diploma of met een lage opleiding instromen en (mede) als gevolg daarvan langer in het mbo verblijven, extra kansen te bieden om toch een diploma of een diploma van een hoger niveau te halen. In principe hebben alle mbo-instellingen in meer of mindere mate te maken met deze mbo-studenten en voorziet de reguliere rijksbijdrage erin ook deze mbo-studenten naar een (hoger) mbo-diploma te leiden. Echter is uit de gegevens van DUO gebleken dat een beperkt, ter indicatie 8 van de 67 instellingen, aantal mbo-instellingen met relatief veel lager opgeleide mbo-studenten te maken heeft. Daarom is met de MBO Raad en de mbo-instellingen besproken dat deze extra beschikbare € 4 miljoen, om naar een hoger niveau door te stromen, gericht zal worden ingezet bij deze mbo-instellingen.

De link naar «stapelen in het vo» is inderdaad hier niet op z’n plaats, en een vergelijkbare tabel wordt door OCW niet gepubliceerd voor het mbo.

In principe ziet de reguliere bekostiging die mbo-instellingen ontvangen ook op het verzorgen van onderwijs voor mbo-studenten die relatief lang in het mbo verblijven. Een rekenvoorbeeld is lastig te maken omdat de bekostiging van het mbo bestaat uit een verdeelmodel van het landelijk budget voor het mbo waarbij elke instelling haar aandeel ontvangt op basis van de ingeschreven mbo-studenten en de afgegeven diploma’s. Daarnaast krijgen de mbo-studenten een wegingsfactor voor de leerweg, opleiding en de verblijfsduur en het niveau van het afgegeven diploma. Deze bekostigingsparameters bepalen de hoogte van de lumpsum van de mbo-instellingen in het verdeelmodel.

Het doel van deze tijdelijke regeling is de mbo-instellingen die 20% of meer van dergelijke studenten hebben ingeschreven en daardoor minder bekostiging ontvangen financieel te ondersteunen. Het landelijk gemiddelde bedraagt ca. 17%. Hierdoor zouden er geen belemmeringen meer mogen zijn om deze mbo-studenten langer in het onderwijs te houden. Met deze extra middelen is het voor deze mbo-instellingen mogelijk deze mbo-studenten gelijke kansen te geven om het voor hen hoogst haalbare mbo-diploma te halen.

19

Wat bedoelt u concreet met «We zijn gestart met de voorbereiding van een extra ondersteuningsaanpak mbo-pabo in een grootstedelijke context voor studenten die we nu onvoldoende bereiken»?

Het ondersteuningsaanbod «Goed voorbereid naar de pabo» dat met de invoering van de bijzondere nadere vooropleidingseisen voor de pabo is ingericht, is in de praktijk toegespitst op studenten in een mbo-opleiding tot onderwijsassistent. Vanuit de grote steden is de behoefte kenbaar gemaakt om ook een aanbod te creëren voor studenten uit andere mbo-opleidingen. Deze studenten beslissen vaak pas aan het einde van de mbo-opleiding naar de pabo te gaan, terwijl het startmoment van het ondersteuningstraject al aan het begin van het laatste mbo-jaar ligt. Om ook deze groep te bereiken en succesvol naar de pabo te geleiden, hetgeen moet leiden tot een meer diverse instroom in de pabo, is de subsidieregeling «Stimulering doorstroom niet verwant mbo-pabo» opgesteld. Met deze regeling wordt een beperkte pilot in de steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag gesubsidieerd waarbij de ROC’s en pabo’s nauw samenwerken om de doelgroep te bereiken.

20

Hoeveel zomerscholen (of lentescholen) zijn er voor vmbo-leerlingen, die willen doorstromen naar het mbo? Om hoeveel leerlingen gaat het? Ontvangen deze scholen een bekostiging van het Rijk? Zo ja, om hoeveel middelen gaat het?

De subsidie die scholen in 2015, 2016 en 2017 op grond van de regeling lente- en zomerscholen vo konden aanvragen was uitsluitend bestemd voor lente- of zomerschoolprogramma’s gericht op het voorkomen van zittenblijven, niet voor andere doelen zoals doorstroom van vmbo naar mbo. Wel bieden diverse scholen nu op eigen initiatief zomerprogramma’s aan ten behoeve van de overstap vmbo-mbo. Vanaf komende zomer zal hiervoor subsidie beschikbaar zijn. Het beleidskader subsidies doorstroomprogramma’s vmbo-mbo en vmbo-havo (motie-Rog, Kamerstuk 31 289, nr. 316) zal één dezer dagen gepubliceerd worden.

21

Klopt het dat het ondersteuningstraject voor de pabo is geïntensiveerd om de instroom en diversiteit te stimuleren? In hoeverre is er in dit ondersteuningstraject ingezet op meer mannelijke docenten voor de klas?

De intensivering van het ondersteuningstraject «Goed voorbereid naar de pabo» kent drie actielijnen, gericht op extra inzet op het behalen van de toelatingstoetsen, scouting en werving van meer diverse studenten voor de pabo, en professionalisering van mbo-docenten die de vakken van de toelatingstoets (gaan) geven. Het ondersteuningstraject, en ook de intensivering hiervan, kent een regionale invulling. De exacte invulling van de intensivering verschilt dus per regio, omdat ook de behoefte c.q. uitdagingen niet overal dezelfde zijn. Waar in de meeste regio’s de stimulering van diversiteit in brede zin wordt benaderd (zoals etniciteit, sekse en vooropleiding), zijn er ook regio’s die zich hierbij specifiek richten op het bereiken van mannen.

22

Kan een overzicht gegeven worden van de beschikbare middelen voor «soepele overgangen» voor de komende jaren met een uitsplitsing naar maatregelen?

Voor soepele overgangen zijn de maatregelen in gang gezet en middelen beschikbaar gesteld.

Maatregel

2017

2018

2019

2020 ev

1. Schakelprogramma’s po – vo

5

9,5

9,5

9,5

2. Schakelprogramma’s vmbo – mbo en vmbo – havo

3,5

5

5

5

3. Verbeteren doorstroom mbo-hbo

4

7,5

7,5

7,5

  • 1. Schakelprogramma’s po – vo: er wordt voor de zomer een subsidieregeling gepubliceerd, waarmee doorstroomprogramma’s worden gefinancierd, die zijn gericht op het versoepelen van de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs. Deelnemers verkrijgen kennis en vaardigheden die van belang zijn bij de overgang naar het voortgezet onderwijs en binnen het voortgezet onderwijs. Het doel is dat hiermee circa 10.000 leerlingen worden bereikt. Een onderzoeksbureau monitort de resultaten.

  • 2. Schakelprogramma’s vmbo – mbo en vmbo – havo: Deze subsidieregeling wordt op 1 juni gepubliceerd. Het doel is dat circa 5.000-vmbo-leerlingen worden begeleid in hun overgang van het vmbo naar het vervolgonderwijs. Hiermee geven we laatbloeiers in het vmbo en onderpresteerders een extra duwtje in de rug. Een onderzoeksbureau monitort de resultaten.

  • 3. Verbeteren doorstroom mbo – hbo: Voor StudentLab kropen meer dan 250 studenten vier maanden lang in de huid van de Minister of schooldirecteur. Samen werkten ze aan plannen om de overstap van mbo naar het hbo te verbeteren. Onder begeleiding van coaches bedachten ze zelf verschillende oplossingen: van imagoverbetering van het mbo tot een betere voorbereiding op hbo-vakken. Dat resulteerde in 29 projecten. Deze projecten zijn door ResearchNed gecontroleerd op uitvoerbaarheid. Mbo- en hbo-instellingen kunnen voor 2017 en 2018 subsidie aanvragen om een of meerdere van de studentenvoorstellen uit te voeren.

23

Hoe wordt de peiling uitgevoerd naar het succes van het plan van aanpak toptalenten? Onder hoeveel scholen en leerlingen wordt een peiling gehouden en in hoeverre zijn deze een afspiegeling van de verschillende type scholen?

De peiling wordt uitgevoerd onder ouders, leerlingen, docenten en schoolleiders en bestuurders. Hierbij wordt gevraagd naar hun mening en beleving waarbij ingegaan wordt op de volgende elementen:

Draagvlak: welk belang hechten de doelgroepen aan het stimuleren van toptalenten en wat is het draagvlak voor het OCW-beleid?

Aanbod: wat is het huidige aanbod aan speciale lesprogramma’s aan toptalenten binnen het basis- en voortgezet onderwijs?

Beleving: hoe wordt het stimuleren van toptalenten door de verschillende doelgroepen in de praktijk ervaren?

Behoefte: welke behoeften hebben de verschillende doelgroepen en hoe staan zij tegenover nieuwe initiatieven op dit gebied?

Voor de peiling wordt gebruik gemaakt van de steekproefdatabase TNS NIPO. De resultaten wat betreft leerlingen en ouders worden herwogen op de leerlingpopulaties zoals die in het po en vo voorkomen. De peiling wordt uitgevoerd bij alle type scholen van vmbo tot vwo. Bij de vorige peiling zijn de volgende aantallen bevraagd: 799 leerlingen, 833 ouders, 437 docenten, 165 schoolleiders en 43 bestuurders. In 2017 wordt opnieuw een peiling uitgevoerd. Het streven is om deze peiling ten minste evenveel ouders, leerlingen en docenten te bevragen als bij de vorige peiling.

24

Welk percentage scholen geeft dankzij het plan van aanpak toptalenten extra aandacht aan toptalenten en hoe ontwikkelt dit percentage zich sinds de invoering?

Uit de laatste peiling in 2016 blijkt dat de aandacht voor toptalenten sinds de invoering van het plan van aanpak is toegenomen: In 2013 gaf 85 procent van de docenten in het basisonderwijs aan speciale aandacht te hebben voor toptalenten, in 2015 was dat 98 procent. Voor docenten in het voortgezet onderwijs is er ook sprake van een stijging van 52 procent in 2013 naar 76 procent in 2015.

Verder blijkt uit een monitor van het bestuursakkoord PO van Regioplan uit 2017 dat er een toename is van 45 procent naar 65 procent van basisscholen die specifieke en structurele projecten hebben waarmee leerlingen hun talenten kunnen herkennen, ontdekken en ontwikkelen.

25

Op welk percentage van de scholen zijn vakken op een hoger niveau te volgen? Op welk percentage van de scholen is versneld vwo te volgen? Zijn er gedeelde kenmerken/succesfactoren bij de scholen die deze mogelijkheden aanbieden? Wat maakt dat zij hierin slagen?

Het is niet bekend op hoeveel scholen vakken op een hoger niveau kunnen worden gevolgd. Zoals ook in de Examenmonitor 2016 is gemeld heeft een zeer beperkt aantal kandidaten eindexamen gedaan in een vak op een hoger niveau (bijlage bij Kamerstuk 31 289, nr. 341).

In het schooljaar 2015/2016 zijn enkele koplopers van start gegaan om op het vwo een versneld of verrijkt programma aan te bieden. Scholen kunnen zich tot uiterlijk 1 november 2020 aanmelden. In totaal doen nu 33 scholen mee aan de pilot voor deze maatregel en die vullen dat allemaal anders in. Scholen bieden veelal maatwerk voor leerlingen, en geen vaste programma’s of één keus: versneld óf verrijkt.

Op dit moment is het nog te vroeg om gedeelde succesfactoren te benoemen. Een evaluatieonderzoek naar het versneld/verrijkt vo is onlangs van start gegaan om te bezien of deze beleidsmaatregel scholen voldoende ondersteunt bij een effectieve uitvoering en waar eventuele aanpassing gewenst is. Hieruit kunnen we ook een beeld van de succesfactoren verkrijgen. Uw Kamer wordt begin 2018 geïnformeerd over dit onderzoek.

26

Wat waren de criteria voor de maatwerkbekostiging op aanvraag voor scholen? Hoeveel aanvragen zijn er gedaan? Welk percentage van de aanvragen is toegewezen/afgewezen en op welke gronden?

In het primair onderwijs zijn de volgende criteria gehanteerd bij de aanvragen:

  • Indien het aantal opgegeven asielzoekerskinderen en het aantal vreemdelingenkinderen op de peilmomenten kleiner was dan 4 of er geen toename van het aantal asielzoekerskinderen ten opzichte van 1.10.2014 was vastgesteld, werd de aanvraag voor de school afgewezen.

  • De bijzondere bekostiging op grond van artikel 123 WPO voor het schooljaar 2015–2016 was gebaseerd op een bekostiging van maximaal € 9.000,00 per leerling op jaarbasis. Hierbij werd rekening gehouden met de reeds ontvangen extra bekostiging in verband met deze instroom. Indien werd vastgesteld, dat de reeds toegekende extra bekostiging hoger werd dan de maximale bekostiging van € 9.000,00 per leerling op jaarbasis, werd de aanvraag afgewezen.

  • Voor de scholen waarvoor gold dat de reeds toegekende extra bekostiging lager was dan de maximale bekostiging van € 9.000,00 per leerling op jaarbasis, werd het toe te kennen bedrag opgenomen, exclusief de verrekening met de eventueel toegekende groeibekostiging. Deze verrekening werd apart vastgesteld op bestuursniveau op basis van de aantallen asielzoekerskinderen en in welke mate dezen hebben bijgedragen aan de toegekende groeibekostiging voor het bestuur. Dit bedrag werd vervolgens gekort op het toe te kennen bedrag.

Er zijn in het primair onderwijs door 155 verschillende schoolbesturen aanvragen ingediend voor in totaal 277 scholen. Uiteindelijk heeft circa 90 procent van de schoolbesturen maatwerkbekostiging ontvangen op basis van de bovengenoemde criteria.

In het voortgezet onderwijs konden de scholen op vier peildata het aantal daadwerkelijk schoolgaande leerlingen opgeven dat niet de Nederlandse nationaliteit had, op de peildatum korter dan twee jaar in Nederland was en op 1 oktober 2015 nog niet op deze school of een andere school binnen hetzelfde bevoegd gezag stond ingeschreven. De verstrekking van de maatwerkbekostiging vond plaats op basis van de per peildatum door het bevoegd gezag van de school aangeleverde gegevens en werd verstrekt voor een periode van drie maanden.

Voor het aantonen van juistheid van de verstrekte gegevens dienden de scholen ervoor te zorgen dat de gegevens over nationaliteit en verblijfsduur van de leerlingen opgenomen waren in de administratie van de school en dat er minstens een document aanwezig was waaruit deze gegevens bleken, wat overeenkomt met het aanvragen van aanvullende bekostiging voor het onderwijs aan nieuwkomers in eerdere jaren.

In 2016 zijn er voor het voortgezet onderwijs, verspreid over vier peildata, 538 aanvragen gedaan voor maatwerkbekostiging. Alle aanvragen zijn toegekend.

27

Hoe gaat u ervoor zorgen dat de beheersing van didactische en differentiatievaardigheden van docenten worden verbeterd in zowel primair als voortgezet onderwijs?

Het goed leren beheersen van de didactische vaardigheden, vooral de complexe, is iets wat leraren vooral in de werkpraktijk ontwikkelen. Het is daarom belangrijk dat zij hierin op school gefaciliteerd worden. Vanuit de sector en OCW zijn er diverse acties om hier een impuls aan te geven, op basis van afspraken in het NOA, cao-po en de sectorakkoorden. Bijvoorbeeld met de programma’s Professionele Schoolorganisatie, Begeleiding Startende Leraren, Toptalenten, de Lerarenagenda en de Leerlabs van het Doorbraakproject Onderwijs en ICT. De randvoorwaarden voor de ontwikkeling van differentiatievaardigheden zijn steeds beter aanwezig: steeds meer startende leraren krijgen begeleiding, meer dan negentig procent van de PO-scholen gebruikt een observatie-instrument bij de lesobservatie, leraren krijgen functioneringsgesprekken en doen aan peer review, waarbij steeds deze vaardigheden aan bod komen. De Onderwijscoöperatie start in samenwerking met de inspectie en de raden een pilot met een observatie-instrument om het gebruik daarvan nog verder te versterken in meerdere sectoren. Momenteel wordt door ResearchNed onderzocht hoe differentiatievaardigheden van leraren in het funderend onderwijs verder versterkt kunnen worden, wat succesfactoren zijn voor professionalisering op dit gebied en welk aandeel de verschillende partijen hieraan kunnen leveren. Goede voorbeelden die uit het onderzoek naar voren komen, zullen breed gedeeld worden, onder meer via de website Leraren.nl.

28

Hoe gaat u stimuleren dat meer docenten gaan deelnemen aan peer review in zowel primair als voortgezet onderwijs?

Er zijn aan de schoolbesturen in het po en vo handreikingen gedaan om werk te maken van diverse vormen van peer review. Er zijn faciliteiten vanuit de cao, projecten van de sectorraden, de Onderwijscoöperatie en organisaties als Stichting LeerKRACHT.

Samen met de VO-raad zet OCW in op peer review middels het programma stap 2. Door middel van regiocoördinatoren worden scholen in hun eigen regio geholpen en krijgen ze ondersteuning bij het komen tot een meer professionele organisatie. Daar horen goed personeelsbeleid en het voeren van functioneringsgesprekken van hoog niveau bij.

In de kwaliteitsbeoordeling van de opleidingsscholen wordt de peer review vergroot. Deze kwaliteitsbeoordeling wordt door de NVAO uitgevoerd.

29

Hoeveel geld was er in 2016 extra beschikbaar voor onderwijs op hogescholen en universiteiten als gevolg van investeringen naar aanleiding van de invoering van het leenstelsel? Welk deel van dit bedrag is afkomstig van de hogescholen en universiteiten zelf? Is er al een groei van docenten zichtbaar? Zo nee, waarom niet?

De opbrengsten van het studievoorschot komen beschikbaar vanaf 2018. Vooruitlopend op de investeringen die met deze middelen mogelijk zijn is voor de jaren 2015 tot en met 2017 afgesproken met de universiteiten en hogescholen dat zij zelf jaarlijks een voorinvestering doen van in totaal € 200 miljoen. Uit de jaarverslagen van de instellingen over 2015 blijkt dat er in het hbo in 2015 circa 900 fte aan docenten (onderwijzend personeel) is bijgekomen ten opzichte van 2014. In het wo is er in 2015 circa 400 fte extra wetenschappelijk personeel aangesteld, vergeleken met 2014. Tevens blijkt dat de instellingen ook voor 2016 een stijging van het personeelsbestand verwachten. In het hbo gaat het om een stijging van circa 700 fte onderwijzend personeel. In het wo wordt een stijging van 1.000 fte wetenschappelijk en primair personeel verwacht. In het wo hangt deze stijging ook deels samen met de verwachte stijging van de studentaantallen. De verwachte stijging van het aantal docenten in 2016 in de jaarverslagen van de instellingen bevestigt het beeld dat er meer geïnvesteerd wordt in onderwijskwaliteit en kleinschaliger en intensief onderwijs. In de jaarverslagen over 2016, die de universiteiten en hogescholen medio 2017 publiceren, zullen de feitelijk gerealiseerde cijfers over extra docenten zichtbaar worden.

30

Kunt u bevestigen dat in de voortgangsrapportage sectorakkoorden funderend onderwijs in 2016 positieve resultaten te zien zijn op een aantal onderdelen: meer startende leraren worden begeleid, het aandeel onbevoegd gegeven lessen is lager en meer schoolleiders zijn geregistreerd in het Schoolleidersregister? Kunt u per onderdeel aangeven wat de positieve resultaten zijn?

In de voortgangsrapportage van de sectorakkoorden funderend onderwijs (2016) zijn inderdaad positieve resultaten gemeld. De begeleiding van starters in het po is toegenomen van 72 procent naar 79 procent. In het vo zien we een lichte toename van 88 procent naar 89 procent.

Het aantal onbevoegd gegeven lessen is 5,6 procent (peildatum 1 oktober 2014). Hoewel het hier een andere meetmethode betreft dan in de vorige meting, is preciezer in beeld gebracht waar het probleem zit en zijn scholen zich meer bewust geworden van het probleem van onbevoegd gegeven lessen. Op 1 januari 2017 hadden 7.833 schoolleiders in het primair onderwijs zich ingeschreven in het Schoolleidersregister PO. Van deze groep hebben 4.514 schoolleiders het registratieproces afgerond. Op 1 januari 2016 waren dat er 3.262, een positief verschil van 1.252 geregistreerde schoolleiders.

Het Schoolleidersregister VO (SRVO) is sinds 1 april 2016 in de lucht. Op 1 januari 2017 hadden reeds 966 schoolleiders in het voortgezet onderwijs zich in het SRVO ingeschreven.

31

Kunt u bevestigen dat de nieuwe cijfers over het aandeel leraren dat de algemeen didactische vaardigheden beheerst vanwege onnauwkeurigheid en onvergelijkbaarheid op op aanraden van de inspectie niet zijn gebruikt in de tabel? Hoe wordt gezorgd dat de komende jaren toch inzicht verkregen kan worden in de ontwikkeling van deze indicator?

De manier waarop de beheersing van de algemeen didactische vaardigheden van leraren gemeten wordt, is in 2015/2016 enigszins veranderd. Hierdoor is een vergelijking over de tijd niet goed meer mogelijk. Op aanraden van de Inspectie worden de nieuwe cijfers over de algemeen didactische vaardigheden van leraren in het po niet vergeleken met de oudere cijfers.

Momenteel wordt een verdiepend onderzoek naar de differentiatievaardigheden uitgevoerd. Op basis van deze uitkomsten wordt gekeken naar een mogelijke vervanging van de indicator.

32

Is bij de indicatoren in de tabel in paragraaf 1.2 overwogen toe te voegen: «het aantal scholen waar alle docenten de genoemde vaardigheden beheersen en deelnemen aan peer review»? Zo ja, wanneer wordt dit toegevoegd? Zo nee, waarom niet?

Dit is niet overwogen. Het is belangrijk dat alle leraren over deze vaardigheden beschikken. Schoolniveau is hier niet relevant en wordt daarom niet gemeten.

33

Waarom is in paragraaf 1.2 over vakkundig onderwijspersoneel geen stand van zaken aangaande het lerarentekort opgenomen?

Het jaarverslag 2016 kijkt specifiek terug op 2016 en de indicatoren van de begroting (en beleidsagenda) van 2016. Daarin stond het lerarentekort niet als zodanig benoemd. In de Kamerbrief van 29 november 2016 bent u geïnformeerd over de stand van zaken aangaande het lerarentekort (Kamerstuk 27 923, nr. 232). U heeft toen ook het rapport met de laatste ramingen van CentERdata ontvangen. Op 24 februari jongstleden heeft u het plan van aanpak Lerarentekort (Kamerstuk 27 923, nr. 245) ontvangen. In het najaar van 2017 wordt u geïnformeerd over de voortgang van activiteiten die in het plan van aanpak lerarentekort zijn aangekondigd.

34

Wat is de reden dat de doelstelling dat 40% van de leraren in het basisonderwijs in salarisschaal LB moeten zitten nog steeds niet behaald is? Welke stappen gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat de doelstelling in 2017 wel behaald wordt?

De redenen voor het niet behalen van de landelijke doelstelling lopen uiteen. Een deel van de besturen haalt de doelstelling van 40 procent. Bij sommige besturen haalt de ene school de doelstelling wel, de andere niet. De redenen voor het niet behalen van de doelstelling verschillen per school en per bestuur. In het eind 2016 verschenen onderzoek «Carrièreperspectieven van leraren in het kader van de functiemix primair en voortgezet onderwijs» noemden schoolleiders bijvoorbeeld financiën, formatieruimte, dalende leerlingaantallen, animo onder leraren om voor promotie in aanmerking te komen, aanbod van personeel, kwaliteit van het huidige personeel, cultuur op school of keuzes die besturen maken ten aanzien van het personeelsbeleid.

In 2016 is samen met de vakbonden en de PO-Raad een traject gestart om schoolbesturen in het primair onderwijs te ondersteunen om de functiemix op een beleidsrijke manier te versterken via het verbeteren van het HRM-beleid. In het najaar van 2016 zijn in diverse regio’s in Nederland bijeenkomsten georganiseerd om schoolbesturen van elkaar te laten leren en elkaar te stimuleren om de functiemix in te zetten als instrument binnen het HRM-beleid. Ook zijn scholen gefaciliteerd met individuele maatwerkbegeleiding. De eerste concrete resultaten van dit traject zullen naar verwachting pas in de cijfers vanaf 2017 zichtbaar worden.

35

Hoe verklaart u het achterblijvende percentage van een zichzelf verbeterende zwakke afdeling, gezien de stijging van het aandeel zwakke scholen dat zich binnen een jaar verbetert?

Er lijkt een verband te zijn tussen de daling van het aantal zwakke en zeer zwakke afdelingen in het voortgezet onderwijs en het terugdringen van de verbetertermijn naar één jaar voor zeer zwakke afdelingen. Blijkbaar stimuleert een kortere verbetertermijn sterk het verbeteren van de kwaliteit. Daarnaast geeft de inspectie aan dat de problematiek van de overgebleven (zeer) zwakke afdelingen ernstiger en complexer is. Door deze complexiteit is het voor deze afdelingen moeilijker om zich binnen de verbetertermijn te verbeteren, wat een verklaring is voor het achterblijvende percentage.

Het verder van belang te melden dat de cijfers een samengesteld percentage weergeeft. Door het gering aantal zeer zwakke afdelingen (<10) kan een kleine verandering echter grote verschillen geven in de cijfers ten opzichte van voorgaande jaren.

36

Als uit de voortgangsrapportage blijkt dat de studenttevredenheid bij alle lerarenopleidingen toeneemt, wordt daarbij ook de tevredenheid van oud-studenten gemeten, na enkele jaren werkervaring in het onderwijs?

De constatering in de voortgangsrapportage dat de studenttevredenheid bij alle lerarenopleidingen toeneemt, is gebaseerd op de Nationale Studenten Enquête (NSE). Deze enquête wordt afgenomen onder zittende studenten. In de inspectierapporten Beginnende leraren kijken terug (deel 1, deel 2, deel 3 en deel 4) is de tevredenheid van alumni opgenomen.

37

Worden de afspraken met betrekking tot de functiemix primair en voortgezet onderwijs door schoolbesturen volledig nagekomen? Zo nee, waarom niet?

Nee, niet volledig. Voor de afspraken met betrekking tot de functiemix in het primair onderwijs, zie vraag 34. Voor het voortgezet onderwijs zijn de doelstellingen LD voor de Randstad (29 procent) en niet-Randstad (27 procent) bijna gehaald. Ook de doelstelling LC (27 procent) voor de niet-Randstad gaat in de goede richting. De doelstelling LC voor de Randstad (55 procent) blijft met 39 procent in 2016 nog achter.

De reden hiervoor kunnen verschillen per school en per bestuur. Zie antwoord van vraag 34. Specifiek voor vo noemden schoolleiders in het onderzoek «Carrièreperspectieven van leraren in het kader van de functiemix primair en voortgezet onderwijs» het (inmiddels afgeschafte) entreerecht en de koppeling van het LD-profiel aan een eerstegraads bevoegdheid of mastertitel als een belemmering voor meer promoties.

38

Waarom is het «aantal zeer zwakke afdelingen VO dat zich binnen de termijn verbetert» in 2016 afgenomen ten opzichte van 2105?

Zie het antwoord op vraag 35.

39

Hoeveel scholen mogen zich «goed» noemen en is iets te zeggen over de ontwikkeling daarvan? Wordt hier voor de komende begroting ook een streefcijfer aan verbonden?

De inspectie heeft in het schooljaar 2015/2016 in de pilots met het vernieuwde toezicht op basis van het voorlopige onderzoekskader in een aantal gevallen de waardering «goed» uitgesproken. Het gaat in het primair onderwijs om een percentage van 8 procent van een representatieve groep van scholen (zie figuur 2.4a op pagina 70 van de Staat van het Onderwijs 2015/2016). Het vernieuwde toezicht treedt per 1 augustus 2017 in werking. Vanaf dat moment kan een bestuur een school/opleiding bij de inspectie voordragen voor de waardering «goed». Onderzoek naar de waardering «goed» zal de inspectie vooral op verzoek doen. Het is nog niet te zeggen hoe het aantal scholen met de waardering «goed» zich zal ontwikkelen. Er is hier voor de komende begroting ook geen streefcijfer aan verbonden.

40

Wat is het laatste voorstel dat in het kader van de verkennende fase aan het veld is voorgelegd voor de modernisering van bekostiging in het primair onderwijs?

Het streven van de modernisering van de bekostiging is om naar één bedrag per leerling over te gaan. Deze verandering brengt grote herverdeeleffecten met zich mee. In overleg met de PO-Raad is er de afgelopen maanden gewerkt aan een alternatief voorstel waarbij de modernisering gefaseerd wordt doorgevoerd. Dit voorstel bevat de volgende vier maatregelen, waarvan de herverdeeleffecten beperkter zijn.

  • Het afschaffen van de gemiddelde gewogen leeftijd (GGL) in de bekostigingssystematiek.

  • Het afschaffen van het verschil in het bedrag per leerling afhankelijk van de leeftijd van de leerling, waardoor er geen verschil meer bestaat tussen het bedrag voor een leerling in de onderbouw en bovenbouw.

  • Het groepsafhankelijke gedeelte van de materiële bekostiging omvormen tot één bedrag per leerling plus één vast bedrag per school.

De personele bekostiging vaststellen op kalenderjaarbasis in plaats van per schooljaar.

41

Welke 25–64 jarigen krijgen de kans om deel te nemen aan «een leeractiviteit mbo/ho (Leven Lang Leren)»? Welke 25–64 jarigen krijgen deze kans niet?

De indicator voor het volgen van de deelname aan een leeractiviteit mbo/ho (Leven Lang Leren) is gebaseerd op de Labour Forcesurvey (LFS), een representatieve steekproef onder alle 25 tot 64 jarigen.

Deze indicator maakt onderscheid tussen wel of geen deelname aan leeractiviteiten maar biedt geen inzicht in subgroepen die meer of minder kans hebben om deel te nemen aan een leeractiviteit mbo/ho.

42

Welke kwantitatieve resultaten ten aanzien van de economische zelfstandigheid en financiële zelfredzaamheid van vrouwen heeft u bereikt?

Tussen 2005 en 2015 steeg het aandeel economisch zelfstandige vrouwen van 46 procent naar 54 procent. Tijdens de economische crisis was er sprake van zeer beperkte groei, terwijl het percentage economisch zelfstandige mannen daalde. Inmiddels is er weer sprake van een (nog bescheiden) stijging van het aandeel economisch zelfstandige vrouwen.

Het emancipatiebeleid heeft uiteraard effect op deze cijfers. Het is echter niet een-op-een aan te geven wat de kwantitatieve resultaten van het beleid zijn; de arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid worden ook beïnvloed door andere economische en culturele factoren.

Wel zijn er gegevens over het bereik van projecten, bijvoorbeeld het project Eigen Kracht, gericht op vrouwen met een afstand tot de arbeidsmarkt. In 2015–2016 hebben 24 centrumgemeenten hiervoor een decentralisatieuitkering ontvangen. Uit de resultaten van een deel van deze gemeenten blijkt dat een grote meerderheid van de vrouwen daadwerkelijke stappen heeft gezet, bijvoorbeeld in de vorm van een betaalde baan, vrijwilligerswerk, een opleiding, of een eigen bedrijf.

43

Waaruit blijkt dat onder andere de aanpak vrouwen naar de top effectief is gebleken?

De voortgang van het aandeel vrouwen aan de top wordt gevolgd door de Monitoring Commissie die daarover jaarlijks rapport over uitbrengt. Uit het onderzoek van de Commissie blijkt dat dat het aandeel vrouwen in raden van bestuur en raden van commissarissen licht toeneemt maar dat de groei traag is. De Commissie stelt vast dat betere resultaten worden geboekt door de top 200 waarop de aanpak Vrouwen naar de Top van de Minister van Emancipatie en Hans de Boer zich met name richt. De Commissie schrijft de relatief hoge percentages vrouwen in de raden van commissarissen in 2015 bij de top 200 toe aan deze aanpak en pleit voor voortzetten en intensivering. De bevindingen en het pleidooi van de Monitoring Commissie vormen een belangrijk en positief signaal dat de aanpak werkt. Tegelijk blijven zorgen over de trage groei van het aandeel vrouwen aan de top.

44

Klopt het dat het percentage «sociale acceptatie homoseksualiteit onder de bevolking» in 2016 op 93% ligt en de streefwaarde op boven de 90%? Deelt u de mening dat het tijd is om de streefwaarde te verhogen, bijvoorbeeld naar 100%?

Het klopt dat het aandeel van de Nederlandse bevolking met een positieve houding ten opzichte van homoseksualiteit sinds 2006 onverminderd blijft toenemen. In vergelijking met andere landen behoort Nederland tot de groep landen waar de bevolking het meest positief over homoseksualiteit denkt: 93 procent van de Nederlandse bevolking staat neutraal tot positief tegenover homoseksualiteit, 7 procent is negatief. Alle inspanningen zijn er uiteraard op gericht het percentage zo hoog mogelijk te krijgen en te houden, een streefwaarde van 100 procent lijkt desondanks onrealistisch.

45

Kunt u aangeven wat de plannen zijn om de acceptatie van LHBTI’s3 te vergroten?

Uw Kamer heeft op 20 januari 2017 een brief ontvangen met een overzicht van de opbrengsten emancipatiebeleid 2013–2017 (Kamerstuk 30 420, nr. 258). Hierin zijn ook de speerpunten van beleid terug te lezen. Speerpunten zijn onder meer jongeren en groepen waar de sociale acceptatie achter blijft, in het bijzonder bepaalde levensbeschouwelijke en biculturele gemeenschappen. Gezien demissionaire status blijft het kabinet inzetten op de maatregelen zoals die in gang zijn gezet en waarvan de voortgang is beschreven in bovengenoemde brief.

46

Wanneer kan de Kamer de beleidsdoorlichting «tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten» verwachten?

Deze beleidsdoorlichting zal uiterlijk december 2017 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

47

Kan de lijst met verstrekte subsidies worden verstrekt?

Op de site www.opendata.rijksbegroting.nl vindt u onder «dataset 2: subsidieoverzichten» per departement het overzicht van de in 2016 verstrekte subsidies.

48

Welke stappen worden door u gezet om een causaal verband te kunnen leggen tussen specifieke projecten en cijfermatige ontwikkelingen?

Regelmatig geeft OCW ten behoeve van de evaluatie van specifieke beleidstrajecten opdrachten aan onderzoeksbureaus. Hierdoor wordt inzicht verkregen in doeltreffendheid en doelmatigheid van betreffend beleid. Een overzicht hiervan vindt u terug in de bijlage «evaluaties en onderzoek» van de OCW begroting (Kamerstuk 34 550 VIII, nr. 2).

Om – waar mogelijk – een causaal effect van beleid vast te stellen werkt OCW samen met het CPB en het SCP. Die samenwerking bestaat enerzijds uit methodische ondersteuning bij het opstellen van een onderzoeksopzet die het vinden van een causaal effect mogelijk maakt, maar waarbij het evaluatieonderzoek door andere onderzoeksinstituten wordt uitgevoerd. Het CPB en SCP spelen dan vaak nog wel een rol in de begeleiding van dit onderzoek. In andere gevallen voeren het CPB en het SCP zelf het onderzoek naar causale beleidseffecten uit.

49

Worden er bij nieuwe subsidieaanvragen cijfermatige doelstellingen gekoppeld op basis waarvan de subsidie bij het al dan niet behalen ervan wordt verstrekt?

Een subsidie betreft een eenzijdige rechtshandeling van subsidieverstrekker aan subsidieontvanger. In de basis vormt een subsidie een bijdrage aan een bepaalde activiteit of doelstelling, waarmee de verwezenlijking daarvan wordt gestimuleerd of mogelijk wordt gemaakt. Dit betekent dat de aard en omvang van activiteiten grotendeels door de subsidieontvanger wordt ingevuld. Er worden afspraken gemaakt over welke activiteiten met het subsidiebedrag worden verricht. Het stellen van cijfermatige doelstellingen als voorwaarde om subsidie te verstrekken past echter niet direct bij het karakter van subsidies, zoals dat in de toelichting bij de Algemene Wet Bestuursrecht wordt beschreven. In de toelichting wordt aangegeven dat de aard en omvang van omvang vaak nog onzeker is bij het aangaan van subsidies.

Subsidieaanvragen variëren in aard en karakter van doelstelling en activiteiten. Het koppelen van cijfermatige doelstellingen is lang niet altijd relevant. Ondanks dat het koppelen van de uitbetaling van subsidies aan cijfermatige doelstellingen niet direct past bij het karakter van subsidieverstrekking, worden waar mogelijk en relevant wel degelijk afspraken gemaakt met subsidieontvangers over aantallen en cijfers. Deze cijfermatige doelstellingen dienen voornamelijk om de voortgang van subsidies te kunnen bepalen. Indien doelstellingen (deels) niet gehaald worden, vertraging oplopen of een budgetoverschrijding of -onderschrijving laten zien, kunnen meerjarige subsidies gaandeweg bijgesteld worden.

Naast het instrument subsidies kan ook gebruik worden gemaakt van het verstrekken van opdrachten, waarbij een dergelijke koppeling wel van toepassing is. Dit omdat bij deze opdrachten de aard en omvang van het gewenste eindresultaat/-product wel concreet is gemaakt door de opdrachtverstrekker. Bij opdrachten wordt een wederzijdse overeenkomst aangegaan. Opleveren van het afgesproken resultaat vormt bij opdrachten de basis voor uitbetaling van het gezamenlijk overeengekomen bedrag.

50

Klopt het dat dat twee van de vier doelstellingen uit de prestatieovereenkomst van de NPO4 in de onderzoeksperiode niet zijn gehaald? Kunt u per doelstelling aangeven waarom dit het geval is?

Ja, het klopt dat twee van de 24 afspraken (die zijn verdeeld over vier doelstellingen) uit de prestatieovereenkomst van de NPO in de onderzoeksperiode niet zijn gehaald: het gestelde doel om wekelijks minimaal de helft van alle Nederlanders te bereiken met het audio-aanbod (radio) en het vergroten van het bereik onder jongeren (20–34 jaar).

Wat betreft het audio-aanbod, heeft een (methodische) aanpassing in het luisteronderzoek ervoor gezorgd dat de uitkomsten rond het bereik en luistertijd van audio-aanbod niet vergelijkbaar zijn met eerdere jaren en niet te relateren aan het streefdoel ten opzichte van eerdere jaren.

Over het bereik onder jongeren heeft de NPO twee redenen gegeven voor het niet halen van deze afspraak. Ten eerste blijft de populariteit van non-lineair kijken (uitgesteld kijken) onder 20- tot 34 jarigen toenemen. Ook kijkt een toenemend deel van deze groep op andere apparaten dan televisie (met name tablets, smartphones en laptops). Beide punten vielen in de onderzoeksperiode buiten het kijkonderzoek. Ten tweede noemt de NPO de stijgende populariteit van zogenaamde «overige zenders» als reden voor het nog niet halen van deze afspraak. Het gaat hier om zenders anders dan die van NPO, RTL of SBS.

Inmiddels heeft de NPO, samen met de Stichting Kijkonderzoek (SKO, verantwoordelijk voor de genoemde bereikcijfers), maatregelen genomen om ook bereik onder bovengenoemde groepen kijkers te kunnen meten en kan zo een beter beeld van het bereik worden verkregen.

51

Kunt u aangeven waarom de emancipatieprojecten van OCW geen landelijk bereik hebben?

Het overgrote deel van het gendergelijkheidsbeleid van OCW heeft een landelijk bereik, bijvoorbeeld het beleid rond topvrouwen, voor sociale veiligheid. Daarnaast richt OCW zich op samenwerking met andere ministeries, als het gaat om kabinetsbeleid dat (mede) effect heeft op de arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van vrouwen. Ook dat beleid heeft uiteraard een landelijk bereik.

Daarnaast zijn er ook emancipatieprojecten die lokaal worden uitgevoerd. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de re-integratie, en kunnen ook het beste maatwerk leveren. Vandaar dat OCW bij emancipatieprojecten rond arbeidsmarkttoeleiding en economische zelfstandigheid van vrouwen samenwerkt met gemeenten. Dit gebeurt over het algemeen in de vorm van cofinanciering door middel van decentralisatieuitkeringen. Deze regelingen hebben in zoverre een landelijk bereik, dat alle 35 centrumgemeenten cofinanciering kunnen aanvragen.

52

Hebben de lessen die geleerd zijn over de kwaliteit van beleidsdoorlichtingen nog effect op de planning en opzet van beleidsdoorlichtingen in 2017 of 2018?

De beleidsdoorlichtingen in 2017 en 2018 worden uitgevoerd op artikelniveau en niet zoals de beleidsdoorlichtingen in 2014 en 2015 artikel-overschrijdend gebaseerd op de beleidsdoelstellingen. Daarnaast stimuleren we medewerkers die de beleidsdoorlichting uitvoeren deel te nemen aan een opleiding via het Ministerie van Financiën.

53

Kunt u bevestigen dat vanwege het faillissement van Ibn Ghaldoun in 2013 het zich garant stellende Ministerie van OCW in 2016 een bedrag moest storten bij het Ministerie van Financiën voor de roodstandfaciliteit voor schatkistbankieren? Kunt u een toelichting geven op dit mechanisme? Hoe verhoudt dit zich tot de aansprakelijkheid van het schoolbestuur? Worden de kosten in de toekomst daar verhaald of staat bij faillissement van een school die aan schatkistbankieren doet altijd OCW aan de lat vanwege de garantstelling? Heeft u het beleid voor garantstellingen naar aanleiding van deze kwestie aangescherpt?

Ibn Ghaldoun had een rekening courantkrediet bij de schatkist en vanwege het faillissement van Ibn Ghaldoun heeft OCW, vanwege de garantstelling richting het Ministerie van Financiën, het tekort op dit rekening-courantkrediet aangezuiverd. Instellingen betalen bij gebruik van een rekening-courantkrediet een opslagpercentage van 0,25 procent en voor een (hypothecaire) lening een opslag van 0,1 procent. Deze opslag dient als dekking voor OCW voor het geval een instelling failliet gaat en er een restschuld ontstaat. In het interdepartementaal beleidsonderzoek risicobeheer en risicobeheersing schatkistbankieren OCW is uitgebreid toegelicht hoe OCW met deze risico’s om gaat (Kamerstuk 33 495, nr. 101).

In de onderwijswetgeving is de aansprakelijkheid van het schoolbestuur niet geregeld. In beginsel wordt de restschuld van een instelling die bij de schatkist leent, in het geval van faillissement, verhaald bij OCW. Wanneer er sprake is van een lening met een gemeentegarantie, worden de resterende betalingsverplichtingen vervolgens bij de betreffende gemeente verhaald. Bij een hypothecaire lening wordt de restschuld vereffend met de opbrengst van het betreffende onderpand bij executoriale verkoop. De evtuele restschuld na executoriale verkoop bij een hypothecaire lening wordt gefinancierd via de reserve die is ontstaan door de in rekening gebrachte opslag op rekening-courantkredieten en leningen.

Bij het eerder genoemde interdepartementale beleidsonderzoek is uitgebreid onderzoek gedaan naar de garantstelling van OCW, waarbij ook de casus Ibn Galdoun is betrokken. Zoals ook uit de kabinetsreactie bij dit onderzoek is gemeld, is er vooralsnog geen aanleiding geweest om het beleid voor garantstellingen op dit vlak bij het schatkistbankieren aan te passen.

54

Wat is de reden dat het aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod is gestegen in schooljaar 2015–2016 ten opzichte van schooljaar 2014–2015 in het primair onderwijs?

Zie het antwoord op vraag 12.

55

Kunt u de precieze definitie aangeven van het aandeel leraren dat deelneemt aan peer review?

Zie vraag 170.

56

Gezien de geringe stijging, wat gaat u doen om het percentage «aantal leraren met een afgeronden wo-bachelor of hbo-/wo masteropleiding» de komende tijd te doen stijgen?

Dat het aandeel leraren met een afgeronde hbo of wo masteropleiding van 66,2 procent in 2011 is gestegen naar 80 procent in 2016 is mooi. Zeker tegen de achtergrond dat op hogescholen ook veel praktijkdocenten les geven. Ook uit het eindoordeel van de prestatieafspraken is gebleken dat veel hogescholen hun ambities ten aanzien van docentkwaliteit (master + PhD) hebben behaald (Stelselrapportage 2016, Reviewcommissie). In de strategische agenda «De waarde(n) van weten» is docentkwaliteit en verdere professionalisering ook een belangrijk thema. In de investeringsagenda van de strategische agenda vormt docentkwaliteit een onderdeel van de bestedingsrichting «kleinschalig en intensief onderwijs» waarover kwaliteitsafspraken gemaakt gaan worden. Ook in de gemeenschappelijke Agenda van de LSVb, ISO, VSNU en VH is docentkwaliteit en verdere professionalisering eveneens een belangrijk thema. Daarmee blijft docentkwaliteit, waaronder het opleidingsniveau, een belangrijk thema voor de komende jaren.

57

Wat gaat u doen om het percentage van het «aandeel leraren dat de algemene didactische vaardigheden beheerst» de komende tijd te doen stijgen?

Zie vraag 27.

58

Wat gaat u doen om het percentage van het «aandeel leraren dat de differentiatie vaardigheden beheerst» de komende tijd te doen stijgen?

Zie vraag 27.

59

Hoe ziet u de haalbaarheid van de sprong van het aandeel leraren met een afgeronde wo-bachelor of hbo/wo masteropleiding van 21% nu, naar 30% in 2020? Wat gaat u hiervoor doen?

Met het tempo waarop het nu gaat, zullen we dit niet halen. Daarom zijn er extra stappen gezet (zie antwoord 56). Daarnaast blijven schoolbesturen verantwoordelijk om binnen hun personeelsbeleid de professionele ontwikkeling te stimuleren. Daarom is in 2016 samen met de vakbonden en de PO-Raad een traject gestart om schoolbesturen in het primair onderwijs te ondersteunen bij het verbeteren van het HRM-beleid in relatie tot de functiemix (zie antwoord vraag 34).

60

Hoe ziet u de haalbaarheid van de sprong van het aandeel scholen dat Vensters volledig heeft ingevuld van 21% in 2016 naar 100% in het huidige verslagjaar 2017?

Voor het primair onderwijs gedeelte van scholen op de kaart hebben inmiddels 1.755 scholen (25 procent) hun profiel gevuld. Verder hebben 4.120 scholen (56 procent) een start gemaakt met het vullen van hun profiel. Wel is de basisinformatie van alle scholen beschikbaar. In de sectorakkoorden is afgesproken dat alle scholen de website aanvullen met schoolspecifieke informatie. Alhoewel er een structurele groei te zien is in het aantal actieve scholen, blijft de vulling een punt van aandacht in de gesprekken met de PO-Raad.

Het grootste deel van de besturen maakt actief gebruik van de informatie op scholenopdekaart.nl (meer dan 80 procent van de besturen in het PO en meer dan 90 procent van de besturen in het VO). (zie ook antwoord op vraag 62)

61

Waarom is er geen streefwaarde voor het aandeel leerlingen dat het referentieniveau voor rekenen behaalt en dat het referentieniveau voor lezen en taalverzorging behaalt?

Er zijn geen streefwaarden bepaald omdat het percentage leerlingen dat referentieniveaus haalt geen beleidsdoelstelling is. De referentieniveaus zijn primair bedoeld om het inzicht in de beheersing van taal en rekenen voor de leerling, leraar en de school te verbeteren, in het bijzonder met het oog op de overgang van de leerling naar het voortgezet onderwijs. Wel wordt er na elke eindtoetsafname aan uw Kamer gerapporteerd over de beheersing van de referentieniveaus en de ontwikkeling op deze indicator.

62

Het aandeel scholen dat Vensters volledig invult is 21% in 2016 terwijl de streefwaarde voor 2017 100% is, hoe gaat dit bereikt worden?

Om de vulling van de site te vergroten wordt de komende tijd gewerkt om het voor scholen eenvoudiger en aantrekkelijker te maken om hun profiel op scholenopdekaart.nl in te vullen en de bekendheid en relevantie voor ouders en leerlingen te vergroten. Om de administratieve last voor scholen terug te dringen, kunnen basisscholen de informatie die zij invullen en publiceren op de site eenvoudig gebruiken om de schoolgids te vullen. De website wordt aangepast, zodat deze nog beter aansluit op de informatiebehoefte van ouders en leerlingen en deze de meerwaarde voor scholen vergroot. De bekendheid van scholenopdekaart.nl bij ouders, leerlingen en scholen wordt door PO-Raad verhoogd, onder andere door een mediacampagne. Ook worden besturen benaderd door de PO-Raad om het belang van het vullen van de website door hun scholen te benadrukken. (zie ook antwoord op vraag 60)

63

Hoe is de toename in de deelname van docenten aan peer review te verklaren?

Uit de huidige cijfers blijkt dat 74% van de leraren in het po en 68 procent van de leraren in het vo aangeeft dat zij deelnemen aan enige vorm van peer review. Omdat er sprake is van een nieuwe bron kan er geen betrouwbare vergelijking worden gemaakt met de vorige meting. Bij de volgende meting in 2018 kunnen we zien welke beweging er zichtbaar is.

64

Is er ook een oordeel van leraren ten aanzien van ouderbetrokkenheid? Zo ja, welke ontwikkeling is hier te zien? Zo nee, waarom niet?

In 2014 is Ouders & Onderwijs als dé landelijke ouderorganisatie in het leven geroepen. Een van de functies van Ouders & Onderwijs is om signalen van ouders in kaart te brengen en op basis hiervan OCW en de Tweede Kamer te informeren. Ouders en Onderwijs heeft dat dit jaar onder andere gedaan in de publicatie de Staat van de Ouder, waarvoor ouders uitgebreid zijn bevraagd. Daarin wordt geen oordeel van leraren ten aanzien van ouderbetrokkenheid gespecificeerd, maar is er wel uitdrukkelijk ook aandacht voor de relatie tussen de leerkracht en de ouder. Op deze wijze wordt de ouderbetrokkenheid gevolgd.

65

Waarom is er geen meting gedaan naar ouderbetrokkenheid in 2016, waar het voorheen in 2012 en 2014 iedere twee jaar wel het geval was?

Zie vraag 64.

66

Welk deel van de lumpsumbekostiging in het primair onderwijs is uitgegeven aan personeelskosten en welk deel aan kosten voor materieel en dergelijke?

In 2015 is ongeveer 81 procent van de totale lasten uitgegeven aan personeelslasten en 19 procent aan materieel en dergelijke (bron: Financiële staat van het Onderwijs 2015, Inspectie van het onderwijs, december 2016). De gegevens over 2016 zijn nog niet beschikbaar. Deze jaarrekeningen over 2016 worden begin juli 2017 bij DUO ingediend.

67

Waaruit bestaat de overschrijding van € 13,1 miljoen die onder «overig» staat?

De realisatie op de aanvullende bekostiging is € 13,1 miljoen hoger dan begroot. Dit betreft grotendeels uitgaven voor de regeling procesbegeleiders krimp en de regeling lerarenontwikkelfonds (€ 1,8 miljoen respectievelijk € 4,5 miljoen) die beide eerder begroot waren onder het instrument «opdrachten», en uitgaven voor georganiseerd overleg- en vakbondsfaciliteiten (GOVAK) ter grootte van € 4,9 miljoen die eerder waren begroot onder het instrument «hoofdbekostiging».

68

Klopt het dat het loonakkoord 2016 tot een overschrijdingop de OCW-begroting heeft geleid van de gebudgetteerde lumpsum in zowel po als vo van in totaal meer dan € 480 miljoen? Hoe wordt dit opgevangen?

Dit klopt niet. De benodigde middelen voor het loonakkoord, zowel voor het po als het vo, zijn toegevoegd aan de begroting vanuit de algemene middelen. Dit leidde ertoe dat de begroting verhoogd werd en er middelen beschikbaar kwamen ten behoeve van het loonakkoord.

69

Hoe groot was de toename van het loon van docenten als gevolg van de loonbijstelling, gespecificeerd naar basis- en voortgezet onderwijs?

Loonontwikkeling kan op meerdere manieren worden weergegeven. Een goede indicatie van de ontwikkeling van beloning is de contractloonontwikkeling. Tot het contractloon behoren naast generieke salarismaatregelen (zoals loonbijstelling) ook andere onderdelen, zoals eenmalige uitkeringen en de stijging van de eindejaarsuitkering.

Vanaf 2010 tot en met 2017 is er in het po en vo een contractloonstijging van ieder ongeveer 7,5 procent.

70

Wat is de procentuele loonontwikkeling wanneer 2010 als basisjaar wordt genomen tot en met 2017, gespecifieerd naar het basis- en voortgezet onderwijs?

Zie antwoord op vraag 69.

71

Wat is uw verklaring voor het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie in 2016 van min € 300.000 bij «Ondersteuning G86»?

Dit verschil wordt verklaard doordat de middelen ten behoeve van implementatie van de kwaliteitsverbetering van voorschoolse educatie in alle gemeenten via het instrument subsidies zijn uitgeput.

72

Kunt u in een tabel weergeven hoeveel er sinds 2010 per jaar is uitgegeven aan onderwijsachterstandenbeleid?

Onderstaande tabel laat de uitgaven zien aan het onderwijsachterstandenbeleid door OCW die via de lumpsum aan basisscholen worden uitgekeerd en aan het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid die door OCW aan de gemeenten worden verstrekt.

Uitgaven onderwijsachterstandenbeleid

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Gewichten- en impulsregeling

425

425

410

385

358

326

312

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

240

261

331

361

361

361

361

De uitgaven voor de gewichten- en impulsregeling in het basisonderwijs dalen als gevolg van daling van het aantal gewichtenleerlingen doordat er minder kinderen zijn in de basisschoolleeftijd en door het gestegen opleidingsniveau van ouders. Vanaf 2010 is er circa € 240 miljoen oplopend naar € 361 miljoen per jaar uitgegeven aan het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Als gevolg van investeringen vanuit kabinet Rutte I is het budget met € 100 miljoen opgehoogd, bedoeld voor verhoging van de kwaliteit en uitbreiding van voorschoolse educatie en zomerscholen en schakelklassen in de grotere gemeenten (bestuursafspraken G37 en taalniveau 3F in de G86).

73

Kunt u in een tabel het onderscheid weergeven tussen bezuinigingen en verevening op het gebied van onderwijsachterstanden beleid per jaar vanaf 2010?

Onderstaande tabel laat de verlaging zien van het budget voor het onderwijsachterstandenbeleid op basisscholen. Deze verlaging hangt samen met de daling van het aantal gewichtenleerlingen. De prijs per schoolgewicht isgelijk gebleven. Ook heeft er geen verevening plaatsgevonden binnen het budget voor onderwijsachterstanden.

 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Gewichten- en impulsregeling

   

-10

-30

-40

-50

-60

Op het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid hebben er geen bezuinigingen plaatsgevonden in de afgelopen jaren. Zie hiervoor ook de tabel en toelichting bij het antwoord op vraag 72.

74

Hoe kan het hogere aantal leerlingen verklaard worden dan oorspronkelijk geraamd was?

De raming van het aantal leerlingen in het po en vo geschiedt op basis van de bevolkingsprognose. Kinderen op deze leeftijd zijn immers nagenoeg allemaal leerplichtig. Doordat het migratiesaldo in 2016 iets hoger was dan geraamd (door instroom van asielzoekers, meer immigratie en minder emigratie) is de realisatie van het aantal leerlingen in het po iets hoger uitgevallen. Bij het mbo en ho bepaalt onder meer de keuze van de studenten de instroom, de doorstroom, de uitval en de verblijfsduur in het onderwijs. Dit kan leiden tot kleine verschillen met soms meevallers en soms tegenvallers. Ook beleidswijzigingen kunnen gevolgen hebben voor de toestroom naar het mbo en ho. Bijvoorbeeld de invoering van het studievoorschot maar ook de cascade bekostiging in het mbo hebben geleid tot wijzigingen ten opzichte van de autonome raming. Vanwege de grote volumes van leerlingen en studenten kan een naar boven relatief kleine bijgestelde raming op lange termijn toch tot een flinke budgettaire tegenvaller leiden.

75

Hoe komt het budgettair effect van een hoger aantal leerlingen dan geraamd precies tot stand? Wordt hier een vaste prijs per leerling voor gebruikt?

Voor het doorrekenen van het budgettaire effect wordt een vast bedrag per leerling gebruikt, gebaseerd op de constante prijzen 2016. Dit vaste bedrag per leerling wordt vermenigvuldigd met het hogere aantal leerlingen. De uitkomst resulteert in het budgettaire effect op de begroting.

76

Waardoor is de bekostiging van het primair onderwijs in Caribisch Nederland met € 4 miljoen hoger uitgevallen dan begroot, waarvan € 3 miljoen verklaard kan worden door de duurdere dollar? Hoe is de andere € 1 miljoen extra te verklaren?

Naast de duurdere dollar waren er ook meer uitgaven als gevolg van eerder gemaakte cao-afspraken.

77

Hoe is de € 16,5 miljoen lumpsum en subsidietaakstelling ingevuld? Op welke subsidies heeft dit effect gehad of is er geen sprake van een materieel effect omdat het budget voor de lumpsum uiteindelijk is overschreden?

De lumpsum en subsidietaakstelling als gevolg van de OCW-brede problematiek is voor het PO ingeboekt op de lumpsum en niet op subsidies. Dit was mogelijk omdat bij het invullen van de taakstelling de reguliere bekostiging van scholen kon worden ontzien. Binnen de lumpsum waren er mogelijkheden vanwege de autonome daling van het aantal leerlingen waardoor de prijzen in de bekostiging niet verlaagd hoefden te worden en er minder scholen zijn om te bekostigen. Ook is een deel van het niet verplichte deel van de ontvangen loon- en prijsbijstelling niet toegevoegd. Daardoor heeft de lumpsum en subsidietaakstelling geen effect gehad op de subsidies in het PO.

78

Hoe wordt inzichtelijk gemaakt of middelen uit de prestatiebox daadwerkelijk leiden tot de afgesproken doelen?

De doelstellingen die zijn afgesproken in het bestuursakkoord voor de sector primair onderwijs zijn vertaald in indicatoren met streefwaarden. Bij het sluiten van het bestuursakkoord is afgesproken periodiek te monitoren. Daarvoor wordt in een dashboard per doel de voortgang in beeld gebracht en toegelicht aan de hand van realisatiecijfers op de indicatoren en andere relevante monitoringsgegevens. Uw Kamer ontvangt jaarlijks een voortgangsrapportage met in de bijlage het dashboard (tweede voortgangsrapportage 2016; dashboard bestuursakkoord po). In 2015 was de nulmeting.

79

Hoe wordt verklaard dat schoolbesturen ten onrechte hoge werkeloosheidskosten hebben gedeclareerd?

Schoolbesturen declareren zelf niet rechtstreeks werkloosheidskosten bij het Participatiefonds. Het proces loopt iets anders. Een gewezen medewerker van een schoolbestuur meldt zich bij het UWV voor een uitkering. Het UWV beoordeelt de aanvraag en gaat over tot het uitkeren van de werkloosheidsuitkering. Die kosten worden één op één door Participatiefonds aan het UWV betaald. Daarop vindt een «instroomtoets» door het participatiefonds plaats om te bepalen of een schoolbestuur reglementair in aanmerking komt voor vergoeding van deze kosten. Indien dat het geval is, gebeurt er verder niets, aangezien het Participatiefonds reeds de kosten heeft betaald. Wordt er negatief getoetst dan worden de uitkeringslasten door DUO verrekend met de rijksvergoeding van het betreffende bestuur. OCW maakt vervolgens op basis van deze inhouding het verrekende bedrag over aan het Participatiefonds. De toetsing wordt in opdracht van het Participatiefonds uitgevoerd door DUO. Vanwege knelpunten bij de invoering van een nieuw systeem, heeft deze toetsing beperkt plaatsgevonden in de periode 2012–2015. Hierdoor is een achterstand ontstaan in de verrekening. Deze achterstand is ontstaan door toedoen van de vertraging in de beoordeling van de instroomtoets door DUO. De schoolbesturen kunnen daar niets aan doen. Dit neemt niet weg dat achteraf waar nodig een correctie plaatsvindt. Het Participatiefonds verwacht dat deze achterstand eind 2017 is weggewerkt.

80

Is de bijdrage voor brede scholen en sport en cultuur (combinatiefuncties) die is overgeheveld naar het gemeentefonds geoormerkt? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

De middelen voor de Brede impuls combinatiefuncties worden in de huidige situatie overgeheveld naar gemeenten via een decentralisatie uitkering in het gemeentefonds. Hiermee worden de middelen verdeeld volgens criteria die de ministeries van OCW en VWS samen met de stakeholders hebben bepaald op basis van inhoudelijke doelstellingen. Decentralisatie-uitkeringen zijn apart zichtbaar binnen het gemeentefonds. Een gemeente ziet hoeveel geld er via decentralisatie-uitkeringen beschikbaar is gesteld. En kan hiermee geld reserveren voor specifieke doelen/thema’s. Gemeenten dienen een intentieverklaring in waarin ze aangeven voor hoeveel fte zij in een jaar middelen willen ontvangen.

81

Klopt het dat scholen voor € 23,7 miljoen aan werkloosheidskosten hebben gedeclareerd, die onterecht bleken? Kunt u toelichten hoe dit kan gebeuren?

Zie het antwoord op vraag 79. De planning van het Participatiefonds is om in samenwerking met DUO alle achterstallige toetsingen in 2017 uit te voeren en aan te bieden voor verrekening.

82

Wat is de reden dat het aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod is gestegen in schooljaar 2015–2016 ten opzichte van schooljaar 2014–2015 in het voortgezet onderwijs?

Zie het antwoord op vraag 12.

83

Bent u van plan een nieuwe doelstelling op te stellen om het aantal vsv’ers5 nog verder te laten dalen? Zo ja, welke acties gaat u uitvoeren om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?

De huidige vsv-doelstelling luidt dat er in 2021 maximaal 20.000 nieuwe vsv’ers per jaar mogen zijn (gemeten over schooljaar 2019–2020) (Kamerstuk 26 695, nr. 118). Het is voorbarig om deze doelstelling op dit moment al aan te scherpen.

84

Hoe ziet u de haalbaarheid van de sprong van het aandeel leraren met een afgeronde wo masteropleiding in de bovenbouw van het vwo van 63% nu naar 80–85% in 2020? Wat gaat u hiervoor doen?

Zoals in de voortgangsrapportage Lerarenagenda 2016 is aangegeven, wordt door OCW op verschillende manieren geïnvesteerd in ruimte voor docenten om een masteropleiding te behalen. Zo bestaan er bijvoorbeeld de Lerarenbeurs, de functiemix, de Tegemoetkoming studiekosten Onderwijsmasters en de subsidieregeling zij-instroom.

Het is voor het realiseren van deze ambitie nu vooral van belang dat schoolbesturen gericht hrm beleid voeren om docenten de kans te geven een master te behalen. En om hen daarna een uitdagende functie te bieden, zodat ze in het onderwijs blijven werken. Hier ondersteunt de VO-raad schoolbesturen in met het programma stap 2 en leergangen en handreikingen over strategisch hrm-beleid. Ook zijn schoolbesturen in positie om het gesprek te voeren met lerarenopleidingen over bijvoorbeeld een flexibeler aanbod van post-initiële masters.

Het realiseren van deze ambitie is geen sinecure, zeker gezien het lerarentekort. Masteropgeleide docenten kunnen bijdragen aan beter onderwijs en goed hrm beleid is van belang voor zowel het welzijn van de docenten als de prestaties op scholen. Daarom vind ik het van belang onze gezamenlijke inzet hierin door te zetten.

85

Hoe kan verklaard worden dat het aandeel leraren dat de differentiatievaardigheden beheerst, is afgenomen van 34% naar 33%?

Het verschil tussen de percentages in 2015 en 2016 is niet significant, ook niet wanneer wordt gekeken naar achterliggende indicatoren «de leraar stemt de instructie af op verschillen tussen leerlingen» en «de leraar stemt verwerking af op verschillen tussen leerlingen». Uit de cijfers kan geconcludeerd worden dat het aandeel leraren dat de differentiatievaardigheden toepast in de les, niet is gedaald en niet is gestegen. Momenteel onderzoekt ResearchNed hoe differentiatievaardigheden van leraren in het po en het vo versterkt kunnen worden.

86

Het aandeel leraren dat is ingeschreven in het lerarenregister is 28% en moet in 2019 100% zijn. Hoe gaat dat gehaald worden?

Op 27 februari van dit jaar heeft de Eerste Kamer ingestemd met de wet Beroep leraar en het lerarenregister(Kamerstuk 34 458). Deze wet stelt de registratie van alle leraren in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs verplicht. Om leraren voldoende tijd te geven om zich te registreren, is voor een extra voorbereidingsjaar gekozen. Dat betekent dat leraren zich uiterlijk op 1 augustus 2019 moeten hebben geregistreerd. Vanaf deze datum is registratie een voorwaarde om les te mogen geven. Om dit proces zo eenvoudig mogelijk te maken, zijn de basisgegevens van de leraar vooraf ingevuld. Verder is voor de invoering van het register een gezamenlijk uitvoeringsprogramma met de Onderwijscoöperatie ingericht. Na het aannemen van de wet is medio april een brede campagne gestart voor leraren en schoolbesturen. De campagne bestaat onder meer uit algemene communicatie op websites, artikelen in vakbladen en bladen van aangesloten partijen, een brief aan schoolbesturen en een netwerk van contactpersonen per schoolbestuur.

87

Hoe komt het dat in het po een veel kleiner aandeel van de scholen Vensters heeft ingevuld dan in het vo? Wat kan het po van het vo leren?

In de gesprekken met de sectorraden worden de wederzijdse ervaringen met elkaar uitgewisseld. Het voortgezet onderwijs is enkele jaren eerder begonnen met «Vensters», waardoor er al meer scholen «scholen op de kaart» gevuld hebben. In het primair onderwijs speelt volume een rol, er zijn meer dan 7.000 scholen. Deze scholen zijn bovendien veel kleinschaliger dan vo-scholen. De PO-Raad ondersteunt scholen en besturen intensief met het invullen van hun profiel op scholenopdekaart.nl. Daarnaast is «scholen op de kaart» een belangrijk instrument bij de oriëntatie op vervolgonderwijs. Het keuzemoment voor voortgezet onderwijs valt voor alle leerlingen gelijktijdig, in het po vindt de instroom het gehele jaar plaats. Hierdoor is het voor het voortgezet onderwijs mogelijk in korte tijd gerichte campagnes voor vergroten bekendheid van «Vensters» te houden. Het is daarom voor vo-scholen belangrijk om in deze keuzeperiode hun meest recente informatie op scholen op de kaart te hebben.

88

Hoe kan het dat het aandeel zeer zwakke afdelingen, dat binnen de gestelde termijn verbetert, is afgenomen?

Zie het antwoord op vraag 35.

89

Waarom is er geen nieuw streefcijfer voor het aantal voortijdig schoolverlaters vanaf 2016/2017?

Het streefcijfer voor het aantal voortijdig schoolverlaters vanaf het schooljaar 2016/2017 is om in schooljaar 2019/2020 maximaal 20.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters te hebben. Voor meer informatie wordt u verwezen naar «Succesvolle aanpak voortijdig schoolverlaten krijgt een krachtig vervolg».

90

Als 36% van de scholen niet adequaat fase 1 van meten en analyseren van behaalde resultaten van leerlingen doorloopt, hoe worden zij ertoe bewogen dat alsnog te doen?

In de voortgangsrapportage Lerarenagenda 2016 is benoemd op welke manier de beweging naar meer formatieve evaluatie en feedback wordt gestimuleerd en gefaciliteerd. Zo worden goede praktijkvoorbeelden gedeeld, voorlopers en startende scholen ondersteund in leernetwerken, en vraag en aanbod van scholing en instrumenten bij elkaar gebracht.

In het dashboard sectorakkoord VO is voor opbrengstgericht werken aangegeven dat het leren over opbrengst gericht werken in netwerken met andere scholen kansrijk is. In het dashboard zijn ook enkele netwerken genoemd die de afgelopen jaren zijn opgezet.

Op dit moment zien wij dat steeds meer leraren en scholen starten met formatief evalueren: het verzamelen en interpreteren van (toets)informatie die doelbewust gebruikt wordt door leraren en leerlingen, om zelfstandig of in interactie, tot beslissingen te komen met een positieve invloed op het onderwijs en het leren. Het is een cyclisch proces waarin het steeds gaat om het stellen van doelen, feedback geven op geleverde prestaties en handvatten bieden voor verder leren. Dit leidt bij leerlingen tot een hogere motivatie en meer eigenaarschap voor hun leerproces, wat kan leiden tot betere leerprestaties.

91

Wat is het gemiddeld aantal leerlingen per locatie in de jaren tussen 2012 en 2016?

 

Totaal

Aantal

Gem. aantal

Jaar

aantal leerlingen

vestigingen

leerlingen per vestiging

2012

937.200

1.364

687

2013

946.500

1.413

670

2014

956.600

1.420

674

2015

966.200

1.432

675

2016

966.700

1.457

663

92

Welke conclusie trekt u uit uw constatering dat differentiatievaardigheden in de praktijk ontwikkeld worden voor uw voorgenomen beleid?

De randvoorwaarden voor de ontwikkeling van differentiatievaardigheden zijn steeds beter aanwezig: steeds meer startende leraren krijgen begeleiding, meer dan negentig procent van de PO-scholen gebruikt een observatie-instrument bij de lesobservatie, leraren krijgen functioneringsgesprekken en doen aan peer review, waarbij deze vaardigheden aan bod komen. De Onderwijscoöperatie start in samenwerking met de inspectie en de raden een pilot met een observatie-instrument. Vanuit de sector en OCW zijn er al diverse acties om hier een impuls aan te geven, op basis van afspraken in het NOA, cao-po en de sectorakkoorden. Bijvoorbeeld met de programma’s «Professionele Schoolorganisatie», «Begeleiding Startende Leraren», «Toptalenten», «de Lerarenagenda» en de «Leerlabs van het Doorbraakproject Onderwijs» en ICT.

Toch is de gewenste stijging nog niet zichtbaar in de cijfers. Momenteel wordt door ResearchNed onderzocht wat succesfactoren zijn voor professionalisering op dit gebied en hoe differentiatievaardigheden van leraren in het funderend onderwijs verder versterkt kunnen worden. Hieruit kunnen nieuwe bijsturingsopties volgen. Goede voorbeelden die uit het onderzoek naar voren komen, zullen breed gedeeld worden, onder meer via de website Leraren.nl.

93

Als scholen per leerling meer middelen hebben ontvangen, is inzichtelijk waar dit extra bedrag per leerling aan is uitgegeven?

Scholen kunnen op verschillende manieren extra middelen per leerling ontvangen: via de lumpsumbekostiging, via de prestatiebox, maar ook via subsidies en aanvullende bekostigingsregelingen (zoals bijvoorbeeld maatwerkbekostiging). Meer algemeen geldt uiteraard dat besturen verantwoording afleggen over de besteding van middelen in hun jaarverslag. Ook de Raad van Toezicht en de medezeggenschapsraad hebben een eigen verantwoordelijkheid in het kader van de verantwoording over middelen. De inspectie houdt financieel toezicht op schoolbesturen. Er is in het huidige stelsel dus zowel sprake van verticale, als van horizontale verantwoording door schoolbesturen.

Aan de verschillende financieringsstromen zijn wel verschillende verantwoordingsverplichtingen gekoppeld. Voor sommige stromen wordt vrij precies inzichtelijk waar het extra geld per leerling aan is uitgegeven (bijvoorbeeld voor subsidies). Voor wat betreft de lumpsum is niet precies inzichtelijk waar het extra bedrag per leerling aan is uitgegeven. Scholen in het vo krijgen via de lumpsumsystematiek een genormeerd bedrag. Binnen de wettelijke kaders kunnen schoolbesturen zelf prioriteren en besluiten waaraan zij dit bedrag besteden. Dit betekent tegelijkertijd ook dat de besteding van elke extra euro per leerling niet specifiek kan worden gevolgd. Daarom wordt beleidsmatig ingezet op een verdere verbetering van de verantwoording op hoofdlijnen en op het bereik van doelen (zie ook de reactie op het verzoek van de commissie inzake nadere reactie op motie van het lid Duisenberg c.s. over alternatieven voor of naast de lumpsum, Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 143). Daarnaast wordt via landelijk onderzoek een beeld gegeven van de besteding door schoolbesturen (zie bijvoorbeeld het onderzoek «Leergeld» (SCP, 2014) en «Bekostiging voortgezet onderwijs» (ARK, 2014)).

94

Welk deel van de lumpsumbekostiging in het voortgezet onderwijs is uitgegeven aan personeelskosten en welk deel aan kosten voor materieel en dergelijke?

In 2015 is ongeveer 79 procent van de totale lasten uitgegeven aan personeelslasten en 21 procent aan materieel en dergelijke (bron: Financiële staat van het Onderwijs 2015, Inspectie van het onderwijs, december 2016). De gegevens over 2016 zijn nog niet beschikbaar. Deze jaarrekeningen over 2016 worden begin juli 2017 bij DUO ingediend.

95

Wat is de verklaring voor het feit dat onder de post subsidies € 3,2 miljoen meer is uitgegeven aan ICT-projecten dan begroot?

Dit betreft een technische boeking. Het budget voor ICT-projecten stond in de begroting 2016 nog geboekt onder overige projecten.

96

Wat was in het jaar 2016 het gemiddelde bruto loon van docenten in het voortgezet onderwijs, uitgesplitst naar docenten met een eerste- of tweedegraads bevoegdheid?

De gemiddelde beloning van docenten in het vo is in 2015 (de cijfers over 2016 zijn nog niet beschikbaar) ongeveer € 4.800 per maand (€ 57.600 op jaarbasis). Een uitsplitsing naar 1e of 2e-graads bevoegdheid is op dit moment niet mogelijk. Wij verkennen de mogelijkheden naar een uitsplitsing naar 1e of 2e graads bevoegdheid.

97

Is de regeling functiemix vo Randstadregio een succesvolle regeling? Zo ja, kunt u dit toelichten?

Op grond van deze regeling ontvangen bevoegde gezagsorganen met hoofd- of nevenvestigingen in de Randstadregio’s aanvullende personele bekostiging waarmee ze conform afspraken in het convenant meer leraren in bezoldigingsschaal LC kunnen plaatsen. De regeling draagt bij aan het aantrekkelijker maken van het beroep van leraar in de Randstad. Dit is van veel meer factoren afhankelijk en de regeling functiemix vo Randstadregio’s is een van de instrumenten die hierbij helpt.

Na invoering van de regeling op 1 januari 2009 blijkt dat het aandeel LC functies in de Randstad aanmerkelijk harder is gestegen dan het aandeel LC functies landelijk.

Overzicht in percentages van salarisschaal LC

Salarisschaal

LC

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

landelijk

19,0

22,1

26,0

31,1

31,6

32,3

30,5

31,0

30,7

Randstad

19,6

26,0

33,7

42,9

43,0

43,5

40,2

40,1

40,6

(peildatum jaarlijks 1 oktober, bron: functiemix.nl)

98

Kunt u nader toelichten waarom er minder middelen zijn besteed aan de resultaatafhankelijke bekostiging voortijdig schoolverlaters vo?

De realisatie van de regeling Resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo is € 4,0 miljoen lager door een verschuiving van de beschikbare budgetten voor de vaste en resultaatafhankelijke delen. Het vaste deel wordt verlaagd en het resultaatafhankelijke deel van de vsv-bekostiging wordt verhoogd. Het vaste deel van de bekostiging wordt altijd vooruit betaald in het jaar voorafgaand aan het vsv-jaar. Het resultaatafhankelijke deel volgt in het jaar na het vsv-jaar, omdat de uitkering afhankelijk is van de behaalde resultaten. Dit leidt tot een incidenteel lagere realisatie. Op 16 februari 2016 is er een brief naar uw Kamer gestuurd over het vervolg van de vsv-aanpak, waarin onder andere de nieuwe resultaatafhankelijke systematiek voor het vo wordt uitgelegd.

99

Door welke wijzigingen in de regeling voor resultaatafhankelijke bekostiging vroegtijdig schoolverlaters is de realisatie € 4,0 miljoen lager dan de oorspronkelijke vastgestelde begroting?

Zie het antwoord op vraag 98.

100

Welke doelstellingen hanteert u voor alle indicatoren genoemd in tabel 4.1?

De algemene doelstelling bij de indicatoren in tabel 4.1 is steeds: hoger of verbetering. Specifiek ziet u dat terug in de kolom streefwaarde.

101

Wat is volgens u de oorzaak van de daling van het percentage mbo’ers dat met een diploma de instelling verlaat over alle niveau?

Zie het antwoord bij vraag 13.

102

Kunt u de ontwikkeling van het aantal bbl'ers en bol'ers6 jaarlijks uitsplitsen naar sectoren over de periode 2012–2016?

Zie hieronder in grafiek de ontwikkeling van het aantal bbl'ers en bol'ers7 jaarlijks uitgesplitst naar sectoren over de periode 2012–2016.

103

Hoe verklaart u, nu de economische crisis achter ons is, dat het aantal bbl-studenten niet in de buurt is van de aantallen uit 2012?

De crisis lijkt inderdaad achter ons. De werkgelegenheid in de ene sector trekt daarop uiteraard eerder aan dan in de andere. We zien de vraag naar bbl-studenten aantrekken in de conjunctuurgevoelige sectoren zoals de bouw, de logistiek en het transport. Bbl-sectoren reageren doorgaans niet direct, omdat er een langduriger relatie met de student wordt aangegaan, waarvoor ook scholingsmiddelen bij de werkgever aanwezig moeten zijn. Door de crisis zijn de financiële buffers van de bedrijven geslonken, ook die van de scholingsmiddelen. Daarnaast is er sprake van een statistisch effect (de totaalcijfers reflecteren deels nog de lage instroomcijfers van het verleden).

Neemt niet weg, dat niet uit te sluiten valt dat er ook een aantal structurele oorzaken kan zijn waarom het herstel nu mogelijk minder groot is dan in het verleden. Denk daarbij aan vraag-gerelateerde factoren als sectorale ontwikkelingen (een verschuiving naar sectoren met minder traditie in het praktijkleren) en verdringing door zzp-ers, maar ook door buitenlandse werknemers en studenten met kort lopende dienstverbanden. Echter ook aanbodfactoren kunnen een rol spelen, zoals het feit dat steeds meer leerlingen kiezen voor opleidingen waar men minder gericht is op bbl. Verder kan de cultuur van het praktijkopleiden in een langdurige crisis, zowel aan de kant van de student als van het bedrijfsleven eroderen. Dit is iets wat ook over onze grenzen heen door bijvoorbeeld onze collega’s van het Duitse ministerie wordt geconstateerd ten aanzien van het leerlingwezen aldaar.

Om de structurele neergaande trend in de ontwikkeling van de BBL te keren is, mede op advies van de SER, is de Minister gestart met een BBL-offensief, waarin de SBB een belangrijke rol speelt. Zo worden met een wervingscampagne bedrijven – met name in sectoren waar BBL geen vanzelfsprekendheid is – gestimuleerd om BBL-plekken aan te bieden. Ook wordt geïnvesteerd in het verbeteren van de matchingsfunctie tussen de studenten die op zoek zijn naar een BBL-plek en de betreffende leerbedrijven.

104

Heeft u inzichtelijk wat de inkomsten (uit bijvoorbeeld de subsidieregeling praktijkleren) en uitgaven (bijvoorbeeld loon en begeleiding) zijn voor een bedrijf dat een mbo-student op zich neemt, uitgeplitst naar een bo- en bbl-student?

De bedrijven krijgen momenteel circa € 2.700, per bbl-student als tegemoetkoming in de kosten die een bedrijf maakt voor begeleiding van een bbl-student (subsidie praktijkleren). De exacte hoogte van dat bedrag is afhankelijk van het aantal ingeschreven bbl-studenten met een werk-leerovereenkomst (er is sprake van een vast budget van in totaal € 196,5 miljoen). De bedrijven worden ook geacht wat tijd te investeren in de begeleiding door een leermeester/begeleider van de student. Daar staat tegenover dat de bbl-studenten veelal productieve arbeid verricht. De bbl-studenten ontvangt daarvoor loon, waaruit blijkt dat het bedrijf ook inkomsten genereert uit de activiteiten van de bbl-studenten. Onderzoek van het CBS en CPB wijst uit dat een bbl-student veelal wat meer verdient dan het geldende minimum (jeugd)loon. Bol-studenten doen een stage meestal van een veel beperktere duur en ontvangen veelal een stagevergoeding.

105

Als in het jaarverslag wordt gesteld dat de «Focus op Vakmanschap» zijn vruchten afwerpt, welke maatregelen zorgen voor dit positieve resultaat?

De maatregelen uit «Focus op Vakmanschap» zijn geïmplementeerd in verschillende wetten waarbij de belangrijkste bijdrage aan de kwaliteitsverbeteringen voortvloeien uit de wet doelmatige leerwegen en de herziening van de kwalificatiestructuur. Met de wet doelmatige leerwegen werden onder andere de opleidingen geïntensiveerd en de entreeopleiding geïntroduceerd. Bij de herziening van de kwalificatiestructuur zijn in nauw overleg tussen bedrijfsleven en onderwijs de kwalificatiedossiers en kwalificaties geactualiseerd en op hoofdlijnen opgesteld. Ze zijn voldoende specifiek om richting te geven aan het onderwijs, maar bieden voldoende ruimte voor regionale partijen om het onderwijs samen vorm te geven. Dit heeft ook voor een flinke reductie van kwalificatiedossiers en kwalificaties gezorgd. Met de kwaliteitsafspraken – geen onderdeel van Focus op vakmanschap- kreeg de ingezette koers naar kwaliteitsverbetering ook een financiële impuls in de vorm van afspraken met individuele onderwijsinstellingen.

106

Kunt u de genoemde belangrijke stappen die zijn gezet om toe te werken naar toekomstgericht en responsief beroepsonderwijs nader toelichten alsook het effect van deze stappen?

Het belang van goed onderwijs dat aansluit bij de vraag vanuit de arbeidsmarkt, neemt door snelle veranderingen (die worden veroorzaakt door robotisering en digitalisering) de komende jaren toe. Dit vraag om nauwe samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en andere regionale stakeholders. Daar waar deze partijen elkaar goed kunnen vinden, zijn zij beter in staat om snel in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en maatschappelijke opgaven. In de brief responsief mbo (Kamerstuk 31 524, nr. 250) zijn er onder andere maatregelen aangekondigd om de responsiviteit van het mbo te verhogen. De kwalificatiestructuur is herzien, waardoor er meer ruimte is ontstaan voor vernieuwing. Onder andere door de introductie van keuzedelen en de start van het experiment cross-overs hebben scholen nu meer ruimte om aan de actuele behoefte van de regionale arbeidsmarkt te voldoen. Daarnaast is er een Regionaal investeringsfonds mbo ingesteld, waarmee vanuit de rijksoverheid circa € 25 miljoen per jaar wordt geïnvesteerd in innovatieve publiek-private samenwerking in het mbo. Voor werkenden is met een samenhangend pakket van maatregelen een impuls gegeven aan een Leven Lang Leren. Over de voortgang van deze maatregelen heeft Uw Kamer op 20 september 2016 een voortgangsrapportage leven lang leren ontvangen (Kamerstuk 30 012, nr. 72). Veel van de maatregelen zullen de komende jaren de condities voor het versterken van de leercultuur, de scholingsdeelname en een adequaat en flexibel aanbod voor volwassenen verbeteren. Voor effectmetingen zijn de maatregelen te recent geïmplementeerd.

107

Kunt u een overzicht geven van alle experimenten bol-bbl en cross-over die er op dit moment lopen?

Er zijn op dit moment negen cross-over kwalificaties goedgekeurd. Toestemming voor het verzorgen van onderwijs op grond van een of meer cross-over kwalificaties is verleend aan in totaal acht mbo-instellingen. De eerste cross-over opleidingen starten in schooljaar 2017/2018. Instellingen kunnen tot uiterlijk 15 september 2017 aanvragen indienen voor cross-over opleidingen die starten in schooljaar 2018/2019.

Voor het experiment beroepsopleiding gecombineerde leerwegen bol-bbl zijn vanaf de schooljaren 2015/2016 t/m 2017/2018 46 experimenten goedgekeurd. Dit betreft in totaal 16 mbo-instellingen.

Onderstaande tabel bevat de lijst van goedgekeurde cross-over kwalificaties en goedgekeurde experimenten beroepsopleiding leerwegen bol-bbl met daarbij de instelling aan wie toestemming is verleend om onderwijs op grond hiervan te verzorgen.

108

Klopt het dat van de subsidies die zijn verstrekt onder het beleid van artikel 4 Beroeps en volwasseneneducatie aan de «overige subsidies», circa € 9 miljoen meer is besteed dan begroot? Kunt u een overzicht geven van de gedetailleerde uitsplitsing van deze post «overige subsidies» van circa € 20,9 miljoen?

De realisatie is ruim € 9 miljoen hoger dan de vastgestelde begroting 2016. De hogere realisatie wordt grotendeels veroorzaakt doordat bij de ontwerpbegroting 2016 op de gehele OCW-begroting vanaf 2016 structureel een ramingsbijstelling van € 20 miljoen is ingeboekt die deels was ingevuld op het onderdeel overige subsidies. De taakstelling op overige subsidies is ongedaan gemaakt en uiteindelijk ingevuld op de subsidie van de regeling praktijkleren. Voor een verdere uitsplitsing van het subsidieartikel wordt u verwezen naar dataset 2 (subsidieoverzichten) in de opendata sets van de Rijksbegroting 2016.

109

Kunt u bevestigen dat ter ondersteuning van de aanpak van laaggeletterdheid in 2016 circa € 11,7 miljoen beschikbaar is gesteld als bijdrage voor «het actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met Taal 2016–2018» dat door de ministeries van OCW, SZW en VWS wordt uitgevoerd en gefinancierd? Kunt u bevestigen dat hiermee in de eerste negen maanden van 2016 circa 18.000 cursisten zijn bereikt via Stichting Lezen & Schrijven? Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van de producten waarmee deze cursisten zijn bereikt en in welke zin, met welk doel en met welke opbrengst deze cursisten zijn bereikt?

Op artikel 4 van de begroting van OCW is inderdaad € 11,7 miljoen beschikbaar gesteld als bijdrage aan de uitvoering van het interdepartementale actieplan tegen laaggeletterdheid, «Tel mee met Taal». Omdat ook andere departementen en directies uitgaven hebben gedaan in het kader van dit programma, bedragen de totale uitgaven in 2016, conform de Kamerbrief Actieprogramma tel mee met taal die u op 6 maart 2015 ontving (Kamerstuk 28 760, nr. 39), ongeveer € 18 miljoen. In de eerste 9 maanden van 2016 zijn inderdaad circa 18.000 cursisten bereikt via Stichting Lezen & Schrijven. Voor heel 2016 gaat het om ongeveer 25.000 cursisten. Op dit moment wordt gewerkt aan een tussenrapportage waarmee het bereik en de opbrengsten in kaart worden gebracht van alle activiteiten die vanuit «Tel mee met Taal» zijn uitgevoerd in de periode januari 2016 – juni 2017. Uw Kamer ontvangt deze tussenrapportage in het najaar van 2017.

110

Bent u voornemens om het resultaatafhankelijk budget voor het mbo uit te breiden om de menselijke maat te waarborgen, zoals verzocht werd in de motie van de leden Jadnanansing en Lucas over de menselijke maat in het mbo (Kamerstuk 31 524, nr. 277)?

De motie vraagt om het thema van de menselijke maat op te nemen binnen de kwaliteitsafspraken. Destijds is al aangegeven dat het dictum van de motie op een meer brede wijze geïnterpreteerd zou worden. Dit is gedaan door instellingen te stimuleren het onderwijs kleinschalig te organiseren. Ook zijn mbo-instellingen vanaf 2017 verplicht om in hun geïntegreerd jaardocument aan te geven hoe zij hun op de menselijke maat geënt onderwijs vormgeven, met het doel de herkenbaarheid in het onderwijs te versterken. Tevens is er binnen de JOB-monitor meer nadrukkelijk aandacht voor dit thema. Een derde maatregel is de voorgenomen introductie van de (algemene) zorgplicht menselijke maat, zoals deze is aangekondigd in de brief Fusietoets in het onderwijs (Kamerstuk 32 040, nr. 26). Met bovenstaande maatregelen wordt de menselijke maat in het mbo verder gewaarborgd, in lijn met de genoemde motie.

111

Wat gebeurt er met de € 17 miljoen die instellingen niet ontvangen omdat ze de vsv-norm niet hebben gehaald?

Als mbo-instellingen de vsv-normen niet halen, ontvangen zij inderdaad geen resultaatafhankelijke vsv-bekostiging. De € 17 miljoen die hierdoor niet aan mbo-instellingen wordt uitgekeerd, is in 2016 gebruikt om de OCW-begroting sluitend te krijgen. Deze manier van bekostiging is ook nog van toepassing op het begrotingsjaar 2017. Vanaf het studiejaar 2016/2017 geldt een nieuwe systematiek voor de resultaatafhankelijke vsv-bekostiging. Dat betekent dat vanaf het begrotingsjaar 2018 het volledige bedrag (€ 36,5 miljoen) dat hiervoor beschikbaar is wordt uitgekeerd aan mbo-instellingen.

112

Hoe reflecteert u op de invulling die scholen hebben gegeven aan de kwaliteitsafspraken in 2016?

In 2015 hebben alle bekostigde mbo-scholen kwaliteitsplannen opgesteld waarin ze hebben beschreven wat hun inzet is voor de verbetering van de kwaliteit in de periode 2015 tot en met 2018. In 2015 zijn de scholen gestart met de uitvoering van deze plannen. Om de eerste ervaringen met de kwaliteitsafspraken, waaronder de uitvoering ervan, in het mbo inzichtelijk te maken, is aan ResearchNed gevraagd om een tussenevaluatie uit te voeren. De verwachting is dat deze tussenevaluatie in de zomer 2017 naar uw Kamer te sturen.

113

Kunt u nader toelichten hoe de aangevraagde gelden vanuit het Regionaal investeringsfonds mbo ook daadwerkelijk hebben bijgedragen aan een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt?

In de briefvan 10 februari 2017, is uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van de tussenevaluatie van het regionaal investeringsfonds mbo (Kamerstuk 31 524, nr. 310). Uit de evaluatie is gebleken dat het fonds als katalysator werkt om de totstandkoming van publiek private samenwerkingsverbanden te stimuleren zodat de aansluiting van het beroepsonderwijs op de behoefte vanuit de arbeidsmarkt beter wordt. Het fonds heeft gezorgd voor dynamiek en nieuwe energie en een betere samenwerking tussen onderwijs, overheid en bedrijfsleven. De evaluatie laat ook zien dat zonder het fonds de vorm, intensiteit en snelheid van projectactiviteiten niet uitvoerbaar zouden zijn geweest. Veel projecten zijn erop gericht om kwantitatieve en kwalitatieve personele tekorten in de regio aan te pakken.

114

Waarom geldt de Tijdelijke regeling voorziening leermiddelen voor deelnemers uit minimagezinnen alleen voor bol-studenten?

Als gevolg van de Wet hervorming kindregelingen is met ingang van het schooljaar 2015–2016 de inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS) voor 16- en 17-jarige bol-studenten afgeschaft en in plaats daarvan het kindgebonden budget verhoogd. Hierdoor ontstond een financieel probleem voor een deel van de groep 16- en 17-jarige bol-studenten die hiervoor eerder een tegemoetkoming kreeg via de WTOS. Met de tijdelijke regeling voorziening leermiddelen en de introductie van het studentenreisproduct voor minderjarige bol-student per 1 januari 2017 is dit probleem zoveel mogelijk weggenomen. Bbl-studenten kwamen niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de schoolkosten via de WTOS en hebben geen recht op het studentenreisproduct. De reden hiervoor is dat de nadruk binnen bbl-opleidingen ligt op werken en er meestal sprake is van een arbeidsovereenkomst en loon waarmee de schoolkosten betaald kunnen worden.

115

Waardoor was de liquiditeitsbehoefte van het ROC Leiden hoger dan verwacht?

ROC Leiden krijgt een financiële bijdrage van (maximaal) € 40 miljoen. In eerste instantie was er een inschatting gemaakt dat deze financiële bijdrage € 20 miljoen in 2016 en € 20 miljoen in 2017 uitbetaald zou worden. Door de afgesproken versnelling bij de kwaliteitsimpuls was het gevolg dat er ook een versnelling noodzakelijk was in de liquiditeitsbehoefte bij ROC Leiden. Hierdoor heeft ROC Leiden in 2016 € 32,5 miljoen gekregen in plaats van de geplande € 20 miljoen.

Zie voor meer informatie ook de eerste suppletoirebegroting 2016. De rest van de (maximaal) € 40 miljoen zal ROC Leiden in 2017 en 2018 krijgen. Zie voor meer informatie en het huidige betaalritme per jaar (2016–2018) ook de begroting 2017.

116

Blijft de maximale bijdrage aan de problematiek van het ROC Leiden beperkt tot maximaal € 40 miljoen?

Ja, de maximale bijdrage aan de problematiek van het ROC Leiden blijft maximaal € 40 miljoen.

117

Wat wordt exact bedoeld met «deze verhoging van € 12,5 miljoen wordt verklaard doordat door een verandering in liquiditeitsbehoefte bij ROC Leiden»?

Zie het antwoord bij vraag 115.

118

Wat is de reden dat er minder aanvragen zijn gedaan door werkgevers vanuit de subsidieregeling praktijkleren en wat betekent dit voor de beschikbare middelen voor 2017?

Het aantal leerplaatsen waarvoor subsidie is toegekend, is met 980 leerplaatsen toegenomen. In studiejaar 2015/2016 is voor 86.820 leerplaatsen subsidie toegekend terwijl dat voor het studiejaar 2014/2015 85.840 leerplaatsen betrof.

Het aantal aanvragen voor studiejaar 2015/2016 is afgenomen doordat er meer gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om voor meerdere leerplaatsen tegelijkertijd subsidie aan te vragen. Een aanvrager kan namelijk met één aanvraagformulier voor maximaal 250 leerplaatsen tegelijkertijd aanvragen.

Gezien de cijfers van het SBB omtrent het aantal beschikbare leerplaatsen wordt verwacht dat het aantal MBO-leerplaatsen verder zal toenemen en daarmee ook de uitputting van middelen.

119

Kunt u het volgende bevestigen: «In het kader van de problematiek rondom ROC Leiden zal in totaal een (maximale) financiële bijdrage van € 40 miljoen beschikbaar worden gesteld. Dit bedrag zal in tranches in 2016 tot en met 2018 worden verstrekt. Deze verhoging van € 12,5 miljoen wordt verklaard door een verandering in de liquiditeitsbehoefte van ROC Leiden. De verwachting was dat in 2016 € 20 miljoen verstrekt zou worden, terwijl dat nu € 32,5 miljoen is geworden»? Kunt u deze verandering in liquiditeitsbehoefte zo gedetailleerd mogelijk toelichten?

Zie het antwoord bij vraag 115.

120

Kunt u bevestigen dat bij DUO8 de realisatie circa € 10 miljoen hoger is dan de vastgestelde begroting? Klopt het dat de hogere realisatie met name wordt veroorzaakt door het uitvoeren van (grote) projecten zoals de doorontwikkeling van BRON en het digitale verzuimloket? Welk deel van deze € 10 miljoen is gegaan naar personeelskosten en waarom zijn deze projectkosten bij de begroting over 2016 niet voorzien?

Ja, ik kan bevestigen dat de realisatie circa € 10 miljoen hoger is dan de vastgestelde begroting en dat de hogere realisatie met name wordt veroorzaakt door het uitvoeren van (grote) projecten zoals de doorontwikkeling van BRON en het digitaal verzuimloket. Om de daarmee te realiseren beleidsmatige en politiek-bestuurlijke prioriteiten tijdig uitvoering te kunnen geven was er in aanvulling op het bij DUO beschikbare budget voor vernieuwing, incidenteel extra budget nodig voor modernisering gegevensuitwisseling met instellingen en registratie bij DUO. De projectkosten zijn steeds op jaarbasis in de begroting verwerkt. Inmiddels zijn in de eerste suppletoire begroting 2017 voor de projectkosten voor doorontwikkeling BRON meerjarig aangepast. Het grootste deel van de kosten betreft personeelskosten, aangezien de ontwikkeling van de software in eigen beheer bij DUO wordt uitgevoerd. Dat is ook de reden dat het aanpassen van de begroting in samenspraak met het Ministerie van Wonen en Rijksdienst (WenR) plaatsvindt.

121

Hoe verklaart u het verschil tussen de trend dat het percentage studenten dat tevreden is over uitdagend onderwijs nagenoeg gelijk of zelfs is gedaald en de studenten-tevredenheid, die juist een stijging liet zien?

De mate waarin studenten de opleiding voldoende uitdagend vinden is een onderdeel van studenttevredenheid. De studententevredenheid is echter opgebouwd uit meerderde aspecten van de opleiding waarover de tevredenheid van studenten in beeld wordt gebracht. Zodoende kan de algehele studenttevredenheid positiever zijn dan het percentage dat aangeeft de opleiding voldoende uitdagend te vinden.

122

Hoe kan het dat het percentage studenten dat «tevreden is over uitdagend onderwijs» in het hbo slechts 55% is en in het wo 67%?

Wo-studenten zijn al jaren meer tevreden over het onderwijs dan hbo-studenten en dat blijkt nog steeds het geval te zijn. Studenten in het hoger onderwijs zijn in 2015 over vrijwel alle onderwerpen positiever dan in 2014. Opvallend is dat hbo-studenten een sterkere stijging laten zien dan wo-studenten. Zo zijn zij beduidend meer tevreden geworden over het leren van wetenschappelijke vaardigheden, informatievoorziening en hun studie in het algemeen. De professionaliseringsslag die de hogescholen de afgelopen jaren hebben ingezet, lijkt dus terug te zien in een hogere beoordeling van de opleidingen.

123

Kunt u een segmentatie geven van het percentage studenten dat tevreden is over uitdagend onderwijs specifiek in het hbo (landelijk 55%), bijvoorbeeld naar instelling, opleiding en achtergrond van student?

Hieronder is een uitsplitsing gegeven naar sector en etniciteit. Deze informatie is openbaar toegankelijk via http://www.studentenmonitor.nl/tabellen. Op deze site zijn onder «kwaliteit en studeerbaarheid/Beoordeling deelaspecten studie» nog meer uitsplitsingen te vinden.

Percentage studenten dat tevreden is over: uitdagend onderwijs

2011

2012

2013

2014

2015

 

hbo

Landbouw

62

56

56

59

53

Natuur

1

1

2

2

2

Techniek

60

60

59

58

57

Gezondheidszorg

57

58

59

57

58

Economie

56

52

54

49

49

Recht

1

1

2

2

2

Gedrag & maatschappij

58

59

56

54

52

Taal & cultuur

72

67

65

60

60

Onderwijs

59

56

58

55

59

Sectoroverstijgend

47

1

2

2

2

Totaal

58

57

57

54

54

wo

Landbouw

74

78

73

73

75

Natuur

74

74

72

72

70

Techniek

76

75

70

76

72

Gezondheidszorg

73

70

67

66

65

Economie

66

64

61

58

63

Recht

62

66

64

63

61

Gedrag & maatschappij

62

63

61

58

59

Taal & cultuur

65

67

66

62

67

Onderwijs

1

1

48

64

67

Sectoroverstijgend

80

79

76

76

75

Totaal

68

68

65

65

66

Totaal

Landbouw

66

66

64

66

64

Natuur

74

74

71

70

69

Techniek

65

65

63

64

62

Gezondheidszorg

64

63

63

61

61

Economie

58

55

56

51

52

Recht

62

66

64

63

60

Gedrag & maatschappij

60

61

58

56

55

Taal & cultuur

68

67

65

62

65

Onderwijs

59

56

58

56

59

Sectoroverstijgend

75

79

75

76

73

Totaal

62

62

60

58

58

X Noot
1

Vraag is niet in dit jaar gesteld.

X Noot
2

(n < 20).

Percentage studenten dat tevreden is over: uitdagend onderwijs

2011

2012

2013

2014

2015

 

Hbo

Autochtoon

60

59

58

55

55

Allochtoon

57

50

53

48

47

Totaal

59

58

57

54

54

Wo

Autochtoon

69

69

66

65

67

Allochtoon

65

64

59

63

60

Totaal

69

69

66

65

66

Totaal

Autochtoon

63

63

61

59

59

Allochtoon

61

56

55

54

52

Totaal

63

62

60

58

59

Bron: OCW Studentenmonitor hoger onderwijs 2001–2015.

124

Hoe kan het dat de «uitval in het eerste jaar» op het hbo ruim 26% is?

Zie antwoord bij vraag 14.

125

Kunt u een segmentatie geven van het percentage uitval van studenten specifiek in het hbo (landelijk 26,7%), bijvoorbeeld naar instelling, opleiding en achtergrond van student?

In het achtergronddocument 1van de stelselrapportage 2016 staat in figuur 1 de uitval in de verschillende universiteiten en hogescholen. In het Technisch Rapport van de Staat van het Onderwijs 2015/2016 staat de uitval gespecifieerd naar de verschillende achtergrondkenmerken. Opgemerkt moet worden dat de inspectie een andere definitie van uitval hanteert dan in de Prestatieafspraken gebruikt werd, de data zijn daarom niet vergelijkbaar. Bij de prestatieafspraken is voor uitval (hbo) de volgende definitie gekozen: het aandeel van het totaal aantal voltijd bachelorstudenten (eerstejaars HO) dat na één jaar niet meer bij dezelfde instelling in het hoger onderwijs staat ingeschreven (bron 1 cijfer HO) (of een door de instelling beargumenteerde en te valideren alternatieve definitie). Volgens de definitie die de inspectie hanteert gaat het bij uitval om uitval uit het stelsel. Dit betekent dat een student na een jaar na aanvang van de opleiding geen inschrijving meer heeft in BRON HO. Oftewel, de student verlaat na één jaar (tijdelijk) het hoger onderwijs of volgt een niet-bekostigde opleiding.

126

Kunt u verklaren waarom het percentage student-tevredenheid in het hbo sterk is toegenomen (landelijk 75,4%) terwijl tegelijkertijd de uitval ongewijzigd hoog is (landelijk 26,7%), het bachelor studiesucces is gedaald (landelijk 61%) en slechts iets meer dan de helft van de studenten (landelijk 55%) tevreden is over uitdagend onderwijs?

Zie antwoord bij vraag 121. Dat de student-tevredenheid wordt gemeten middels een enquête, waar slechts 42 procent van de ho-studenten aan meedoet, en dat de uitval en bachelor studiesucces gemeten wordt aan de hand van statistische data van alle studenten, kan voor een deel de discrepantie tussen beiden verklaren. Daarnaast is er niet altijd een stevig verband tussen studenttevredenheid en studiesucces. Een student die tevreden is over de opleiding die hij volgt kan desondanks om andere redenen toch uitvallen.

127

Hoe kan het dat het percentage gediplomeerden dat aangaf dat de «opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt» is gedaald naar 47%?

Bij de behandeling van de OCW-begroting 2017 is toegezegd deze daling te onderzoeken. Dit onderzoek zal worden meegenomen in de eerstvolgende Nationale Alumni Enquête, die in het najaar van 2017 plaatsvindt. Over de uitkomsten van dit onderzoek wordt de Kamer uiterlijk juli 2018 geïnformeerd.

128

Hoe ontwikkelt het wettelijk collegegeld zich in de komende drie collegejaren?

Het wettelijk collegegeld ontwikkelt zich als volgt:

  • 2017/2018: € 2.006

  • 2018/2019: € 2.060. Dit bedrag wordt in juni 2017 per ministeriële regeling vastgesteld op basis van de voorlopige consumentenprijsindex van april 2017 zoals bepaald door het CBS. Het is mogelijk dat de hoogte van het wettelijk collegegeld nog bijgesteld wordt indien de definitieve consumentenprijsindex van april 2017 afwijkt van het voorlopige cijfer.

  • 2019/2020: Het bedrag is nog niet bekend. Dit bedrag wordt in juni 2018 per ministeriële regeling vastgesteld op basis van de voorlopige consumentenprijsindex van april 2018 zoals vastgesteld door het CBS.

De vaststelling vindt jaarlijks plaats conform artikel 2.2, vierde lid van het Uitvoeringsbesluit WHW. De jaarlijkse verhoging met € 22, conform artikel 2.2, derde lid van het Uitvoeringsbesluit WHW, stopt na collegejaar 2018/2019.

129

Hoe verklaart u dat het aantal «hbo deeltijd bachelor» laag blijft?

Het aantal hbo deeltijdstudenten in de bachelor is ongeveer stabiel gebleven afgelopen jaar, na een jarenlange sterke daling. Om het deeltijdonderwijs aantrekkelijker te maken voor werkenden, zijn experimenten met meer flexibel deeltijdonderwijs van start gegaan. Veel hogescholen kiezen bovendien de laatste tijd expliciet voor het versterken van het deeltijdonderwijs. In september 2016 zijn de eerste opleidingen gestart met een curriculum dat is gebaseerd op leeruitkomsten, waarbij meer maatwerk geleverd kan worden. In 2018 kunnen er binnen de pilots in totaal zo’n 500 deeltijdopleidingen bij 20 hogescholen met een flexibele aanpak werken. De verwachting is dat als gevolg van deze grotere aandacht voor maatwerk en flexibilisering het deeltijdonderwijs de komende jaren steeds aantrekkelijker zal worden.

130

Kunt u de berekening geven van «Onderwijsuitgaven per student»?

De indicator «Onderwijsuitgaven per student» geeft de ontwikkeling van de onderwijsuitgaven in de loop van de jaren en de toekomstige ontwikkeling weer. Zie voor de berekeningswijze de brief aan de Tweede Kamer van 1 september 2009 over de berekening(swijze) van de onderwijsuitgaven per student (Kamerstuk 31 288, nr. 61).

131

Kunt u aangeven hoe de onderwijsuitgaven per student zich verhouden tot internationaal vergelijkbare landen?

In Education at a Glance (EaG) publiceert de OESO ieder jaar gegevens over de onderwijsstelsels in de 35 lidstaten van de OESO en een aantal partnerlanden. Deze data zijn internationaal vergelijkbaar doordat landen volgens dezelfde definities, classificaties en met overeenkomende dekking rapporteren. De gegevens uit EaG zijn daardoor niet 1-op-1 te vergelijken met de gegevens in de OCW-begroting.

Uit EaG blijkt dat zowel voor wat betreft de publieke en private uitgaven per student aan onderwijsinstellingen als het percentage van het bbp – het deel van de welvaart dat een land uitgeeft aan onderwijsinstellingen – de positie van Nederland net boven het OESO-gemiddelde ligt. Zie ook de aanbiedingsbrief bij het OESO-rapport Education at a Glance 2016 (Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 157) en Trends in Beeld voor meer internationale indicatoren.

132

Hoe verloopt het aannemen van extra docenten zoals de bedoeling was in de strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek?

Zie het antwoord op vraag 29.

133

Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de vaste voet bij de bekostiging van het hoger onderwijs? Waarom is deze regeling zo vormgegeven als nu het geval is?

In 2011 is het huidige bekostigingsmodel ingevoerd in samenspraak met de Vereniging Hogescholen, de VSNU en studentenbonden. Er is in het bekostigingsmodel van het hoger onderwijs gekozen voor een combinatie van variabele bedragen (op basis van het aantal inschrijvingen, graden en promoties) en vaste bedragen. De combinatie van een variabel en een vast deel zorgt voor zowel flexibiliteit als stabiliteit. De variabele bedragen worden via verdeelindicatoren zoals inschrijvingen en graden, verdeeld over de instellingen. De vaste voet brengt stabiliteit en voorspelbaarheid in de omvang van de rijksbijdrage van een instelling. Dit stelt een instelling in staat om vaste kosten voor bijvoorbeeld personeel, huisvesting en onderzoeksinfrastructuur te dekken en lange termijn beslissingen te nemen.

134

Waarom is er zo’n groot verschil tussen de realisatie en de begroting bij de «Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (Leven Lang Leren)»?

Waarom is er zo’n groot verschil tussen de realisatie en de begroting bij de «Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (Leven Lang Leren)»?

De begroting voor de projecten onder dit kopje betreft de pilots met flexibilisering en de experimenten vraagfinanciering. Bij het maken van de begroting was nog niet duidelijk in welke omvang de experimenten vraagfinanciering van start zouden gaan in september 2016. Het experiment is uiteindelijk relatief kleinschalig begonnen, alleen met opleidingen in de sector techniek en ict omdat er in de sector zorg en welzijn te weinig publieke hogescholen hadden ingeschreven. Bij een tweede inschrijfronde in februari 2017 waren wel voldoende inschrijvers, zodat vanaf september 2017 ook in de zorg en welzijn met vraagfinanciering geëxperimenteerd gaat worden. Het aantal studenten in het experiment en daarmee de benodigde bekostiging zal daardoor de komende jaren toenemen. Om de beschikbare budgetten voor de bekostiging van Flexibel hoger onderwijs voor volwassenen over de jaren heen in overeenstemming te brengen met de beoogde uitgaven zijn de middelen daarom naar achteren geschoven.

135

Heeft het besluit omtrent de financiële consequenties van de prestatieafspraken effect op het verslagjaar 2016? Zo ja, waar is dit effect zichtbaar?

De financiële consequenties die verbonden zijn aan de oordelen over de realisatie van de afgesproken prestaties ten aanzien van de onderwijskwaliteit en studiesucces worden toegepast in 2017. De korting voor de zes hogescholen bedraagt in totaal circa € 7 miljoen. Deze korting wordt toegepast in 2017. Omdat de opbrengst van de korting naar de hogescholen die op alle drie de te beoordelen aspecten van onderwijskwaliteit en studiesucces een positief advies hebben gekregen gaat, is het effect hiervan niet zichtbaar op het totaal niveau. Zie ook de kamerbrief over de eindbeoordeling van de prestatieafspraken hoger onderwijs (Kamerstuk 31 288, nr. 562).

136

Wat is het bereik en de effectiviteit geweest van de uitbestede opdrachten aan communicatie rondom het studievoorschot in 2016?

Bij de uitvoering van de voorlichtingscampagne laat ik mij adviseren door de Dienst Publiek en Communicatie (DPC) die als agentschap van het Ministerie van Algemene Zaken ondersteuning biedt aan departementen bij grote communicatietrajecten. Daar hoort ook een jaarlijkse effectevaluatie bij, die wordt uitgevoerd door TNS NIPO. Deze evaluatie is hier te vinden. Ik volsta hier met de belangrijkste conclusies uit dit rapport.

De campagne Studeer met een plan heeft een hoog bereik gerealiseerd. Er is gemeten na campagnefase 3 (over tijdig aanmelden) en fase 4 (over studiefinanciering en financiële voorbereiding), tussen april en juni. In beide flights zijn de mbo-studenten en scholieren goed bereikt (tussen 55% en 64%). Het bereik ligt met een relatief laag budget (per fase) hoger dan de benchmark voor overheidscampagnes zonder tv-zendtijd. Na fase 4 verschilt het bereik per doelgroep. Het bereik ligt onder mbo-studenten en scholieren (ruim) boven de benchmark, maar onder ouders met 43% onder de benchmark. De radiospots hebben het sterkste aandeel in het hoge bereik. In beide flights heeft circa of ruim vier tiende van de doelgroepen de radiospot gehoord. De percentages liggen hoger dan, of op hetzelfde niveau als de benchmark. Ruim een derde van de mbo-studenten heeft de voor hen bedoelde poster in fase 3 gezien.

Er is in betreffende periode over twee onderwerpen gecommuniceerd: het belang van tijdig aanmelden en het belang van een goede financiële voorbereiding. Beide flights worden door de doelgroepen gemiddeld gewaardeerd, met een cijfer rond de 7,0. De waardering op aspecten is ook redelijk in lijn met de benchmark. Opvallend is dat scholieren fase 3 (tijdig aanmelden) vaker duidelijk, geloofwaardig en informatief vinden. De mbo-studenten vinden fase 4 (financiën) vaker informatief, mooi en nieuwe informatie gevend dan de andere groepen.

De boodschapoverdracht is wisselend: de belangrijkste boodschappen worden goed overgebracht (bijvoorbeeld dat men zich voor 1 mei moet aanmelden), de overige boodschappen minder goed (bijvoorbeeld de boodschappen die refereren naar de website voor meer informatie). Als het gaat om het (inhoudelijk) voorbereiden op een vervolgstudie, zien we verschillen tussen mbo-studenten en scholieren. Scholieren oriënteren zich meer en vaker en hebben betere kennis van de uiterste aanmelddatum dan mbo-studenten. Qua financiële voorbereidingen zijn er echter weinig verschillen tussen mbo-studenten en scholieren. De doelgroep ouders heeft op meerdere vlakken minder kennis van de voorbereidingen dan de jongeren.

137

Kunt u per onderdeel aangeven hoe hoog de Rijksbijdrage voor universiteiten en hogescholen «vanwege onderwijs» is?

Het onderwijsdeel wo bedroeg in 2016 € 1.731 miljoen en bestaat uit:

  • studentgebonden deel: € 1.137 miljoen

  • onderwijsopslag in bedragen: € 90 miljoen.

  • onderwijsopslag in percentages: € 504 miljoen.

Het onderwijsdeel hbo bedroeg in 2016 € 2.505 miljoen en bestaat uit:

  • studentgebonden deel: € 2.214 miljoen.

  • onderwijsopslag in bedragen: € 17 miljoen.

onderwijsopslag in percentages: € 274 miljoen.

138

Kunt u per onderdeel aangeven hoe hoog de Rijksbijdrage «ontwerp en ontwikkeling (hbo) en Onderzoeksdeel (wo) is?

Het deel ontwerp en ontwikkeling hbo bedroeg in 2016 € 71 miljoen en bestaat uit:

  • bedragen ontwerp en ontwikkeling: € 3 miljoen.

  • resterend deel: € 68 miljoen.

Het onderzoekdeel wo bedroeg in 2016 € 1.769 miljoen en bestaat uit:

  • graden: € 274 miljoen.

  • promoties en ontwerperscertificaten: € 439 miljoen.

  • voorziening onderzoek in bedragen: € 85 miljoen

  • voorziening onderzoek in percentages: € 971 miljoen.

139

Kunt u een overzicht geven van het gebruik van en het beschikbare budget voor de lerarenbeurs sinds deze is opgezet?

Jaartal

Budget

Realisatie

2008

€ 18.000.000

€ 18.000.000

2009

€ 23.000.000

€ 49.000.000

2010

€ 37.000.000

€ 61.000.000

2011

€ 34.000.000

€ 78.000.000

2012

€ 40.000.000

€ 68.000.000

2013

€ 61.000.000

€ 80.000.000

2014

€ 86.500.000

€ 75.000.000

2015

€ 137.350.000

€ 104.000.000

2016

€ 119.500.000

€ 107.000.000

In bovenstaand overzicht geldt dat tot en met 2014 de doorloop niet is meegenomen in het budget, waardoor er een vertekend beeld ontstaat tussen de realisatie en het budget. In de jaren tot en met 2014 werd de lerarenbeurs voor een periode van maximaal 3 jaar toegekend. Hierbij is het mogelijk dat de beurs dus doorloopt in het tweede en derde jaar na de aanvraag, maar deze kosten zijn niet meegenomen in het budget terwijl deze wel in de realisatiecijfers zijn meegenomen. Daarnaast is in dit overzicht ook het bewegingsonderwijs meegenomen in de jaren 2015 en 2016.

140

Hoe verklaart u het feit dat het beschikbare budget voor de lerarenbeurs niet volledig is gebruikt?

In 2016 is het aantal toekenningen gestegen ten opzichte van 2015. In totaal hebben ruim 10.000 leraren een Lerarenbeurs ontvangen. In de sectoren vo en mbo is sprake van een toename ten opzichte van 2015 (vo: 209, mbo:77). In het po is het aantal toekenningen ongeveer gelijk gebleven, in het hbo is sprake van een lichte daling.

In het overzicht (zie vraag 139) is te zien dat het budget van de Lerarenbeurs de afgelopen jaren sterk is toegenomen, maar niet volledig wordt uitgeput ondanks de stijging van het aantal toekenningen. Hieruit blijkt dat het budget dat geraamd is voor de Lerarenbeurs hoger is dan het aantal leraren dat van de beurs gebruik wil maken om een bachelor- of masteropleiding te volgen

141

Kunt u verklaren waarom de gelden die gereserveerd zijn voor professionalisering van leraren niet volledig aan dit doel gespendeerd zijn?

De gelden zijn niet volledig aan dit doel gespendeerd vanwege de lagere realisatie dan begroot voor Impuls leraren tekortvakken vo en wetenschap en techniek pabo. Het beleid om leraren te stimuleren en zich te blijven professionaliseren heeft, getuige het grote beroep op de lerarenbeurs, zeker effect gehad, maar het blijft een persoonlijke afweging van leraren voor welke opleiding men zich aanmeldt. De interesse voor tekortvakken en wetenschap en techniek voor de pabo, is blijkbaar minder groot.

142

Wordt er rekening gehouden met het totaal aantal leerlingen dat een eindexamen haalt evenals het aantal studenten dat van studie wisselt, wanneer de instroomcijfers in het hoger onderwijs worden geanalyseerd? Zo ja, op welke wijze gebeurt dit?

Van het aantal gediplomeerden vo wordt per jaar de fractie berekend die instroomt in het vervolgonderwijs. Ook het aantal studenten dat van studie wisselt is een fractie voor de instroom. Evenals de instroom van buiten het onderwijs en overig onderwijs. De lineaire lijn door twaalf jaar historie van deze fracties is de lijn die wordt gehanteerd voor de raming. De totaalsom van deze lijnen van instroom door het laatst gerealiseerde jaar vormt de uiteindelijke raming voor een instroom in een opleiding. Deze raming wordt nog gecorrigeerd voor de bevolkingsprognose van het CBS.

143

Wordt bij de studenten die fraude hebben gepleegd met de studiebeurs, behalve een invordering ook een extra boete opgelegd?

Wanneer er sprake is van misbruik met de uitwonendenbeurs vordert DUO het ten onrechte verkregen bedrag terug en legt daarnaast in de regel een bestuurlijke boete op ter hoogte van 50 procent van dit bedrag. Bij de overige onderdelen van de studiefinanciering heeft DUO niet de wettelijke bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen. DUO vordert de ten onrechte verkregen bedragen terug op studenten of verrekent ze met nog te ontvangen studiefinanciering.

144

Wat is het uitstaande, achterstallige bedrag van terug te betalen studiefinanciering door (ex-) studenten die in het buitenland verblijven?

Het achterstallige bedrag dat uitstaat bij studenten die in het buitenland verblijven was eind 2016 € 240 miljoen. Het terugbetalen heeft de volle aandacht. In de invordering in het buitenland heeft de regering de afgelopen jaren extra geïnvesteerd. DUO weet zoekgeraakte mensen in het buitenland steeds beter en sneller te vinden, in 2016 zijn er 17.000 getraceerd. Daarvoor werken we ook samen met andere landen, zoals België en Curaçao. DUO heeft in 2016 € 3 miljoen geïnvesteerd en daarmee € 32 miljoen extra geïnd.

145

Wordt de minder ontvangen rente (€ 71 miljoen) veroorzaakt door een lagere rente, zo ja, wat is het verschil tussen de begrotingsrente en de gerealiseerde rente?

Ja, de lagere rente is de voornaamste reden van de lagere renteontvangsten. Elk afstudeercohort heeft zijn eigen rentepercentage en deze staat voor hen voor vijf jaar vast. Hierdoor zijn er elk jaar vijf verschillende rentepercentages in omloop. In de begroting 2016 was het rentepercentage van 2016 nog niet bekend. Dit bleek 0,01 procent te zijn. Het rentepercentage uit 2011 dat in 2016 niet meer meetelde was 1,5 procent.

146

Op welke manier drukken de lagere rente ontvangsten op de OCW-begroting, aangezien er ook lagere rente uitgaven tegenover zouden moeten staan?

Deze drukken niet op de OCW-begroting, maar komen tot uitdrukking in het generale beeld, evenals de rente uitgaven.

147

Hoe verklaart u het feit dat er een groter deel van de toegekende basisbeurs wordt omgezet in een gift, met name in het hbo, studeerden studenten eerder af?

Het ramen van omzettingen in gift gaat met onzekerheden gepaard. Jaar-op-jaar fluctueren de omgezette bedragen. Deze hangen af van het jaar van afstuderen, maar ook van hoeveel jaar prestatiebeurs de afgestudeerden gemiddeld hebben ontvangen. Het hogere bedrag aan omzettingen in gift in het hbo is onderdeel van de ramingsonzekerheid. Er kan niet uit geconcludeerd worden dat studenten eerder afstuderen.

148

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de acties die voortvloeien uit het rapport van de taskforce beter benutten?

In de brief van 15 september 2016 die mede namens de staatsecretaris van IenM, aan uw Kamer is gestuurd, is een reactie gegeven op het rapport van de Taskforce «Beter benutten onderwijs en openbaar vervoer» (onder leiding van mevrouw Jeannette Baljeu). In die reactie is onder meer aangegeven dat ingezet wordt op een regionale aanpak, waarbij per regio gekeken wordt wat er gedaan kan worden om knelpunten rondom de mobiliteit van studenten op te lossen en een besparing te realiseren op het OV-contract tussen OCW en de openbaarvervoersbedrijven. Daarbij is tevens aangegeven dat dhr. Maarten van Poelgeest vanaf 1 oktober 2016 de rol van landelijk coördinator van deze aanpak vervult. In de beleidsreactie op de monitor beleidsmaatregelen is nader ingegaan op de stand van zaken op dit onderwerp. (Kamerstuk 24 724, nr. 164)

149

Hoeveel studieschulden werden er in 2016 kwijtgescholden?

In 2016 werd voor ongeveer € 91 miljoen studiefinanciering kwijtgescholden. Voor een aanzienlijk deel betreft het echter het kwijtschelden van schulden die niet daadwerkelijk door de studenten zijn gemaakt. Dit is bijvoorbeeld het geval als studenten besluiten de reisvoorziening niet aan te vragen of niet te activeren. Er wordt in het dossier van deze studenten wel een schuld opgebouwd, maar deze wordt kwijtgescholden als de student stopt met studeren of afstudeert.

150

Wat is de reden dat het verschil tussen begroting en realisatie 2016 bij de TS18+9 regeling min € 0,5 miljoen is?

Binnen de TS18+ doen de lagere uitgaven zich voornamelijk voor bij de Tegemoetkoming lerarenopleiding. Er zijn minder studenten die gebruik hebben gemaakt van deze tegemoetkoming dan aanvankelijk geraamd.

151

Wat is de reden dat het verschil tussen begroting en realisatie 2016 bij de VO18+ regeling min € 0,9 miljoen is?

Het aantal studenten dat gebruik heeft gemaakt van de tegemoetkomingen die vallen onder VO18+ was iets lager dan aanvankelijk geraamd.

152

Wanneer wordt bekend wat het percentage BIS instellingen is dat aan de eigen inkomstennorm voldeed in 2016?

Dit zal in het najaar van 2017 bekend zijn. De verantwoordingen over het jaar 2016 worden momenteel gecontroleerd en op basis hiervan vinden er gesprekken met instellingen plaats.

In het najaar is dit proces afgerond. De gegevens over de jaren 2013 tot en met 2016 worden in Cultuur in Beeld gepubliceerd.

153

Kunt u de gemiddelde eigen inkomstenpercentages uitsplitsen naar sector en over de verlooptijd van de afgelopen BIS-periode?

Zie mijn antwoord op vraag 152.

154

Welke stappen is het ministerie nu aan het zetten richting de volgende BIS periode na 2020?

Op 30 januari 2017 heeft de Minister de Raad voor Cultuur de verkenningsaanvraag cultuurbeleid 2021 en verder gestuurd. Hierin vraagt de Minister de Raad voor Cultuur een verkenning te doen naar de mogelijkheden van een sterkere en evenwichtigere samenwerking tussen overheden onderling en overheden en de cultuursector. Daarnaast vraagt de Minister om sectoradviezen, waarin per thema of discipline trends en ontwikkelingen worden geduid. Het gaat om de sectoren podiumkunsten, beeldende kunst, architectuur en stedenbouw, creatieve industrie, musea, letteren en bibliotheken en de audiovisuele sector.

Het ministerie benut deze periode om knelpunten en kansen van het huidige cultuurbeleid in beeld te brengen. Het ministerie is daarover in gesprek met vertegenwoordigers van de cultuursector, steden en provincies. Ook de cultuurfondsen van het Rijk zijn met hun expertise en ervaring belangrijke partners in de voorbereiding op de periode na 2020. Daarbij heeft het ministerie aandacht voor de positie van makers die vaak minder institutioneel verankerd en vertegenwoordigd zijn, en de beleving en behoeften van het (potentiële) publiek.

155

Kan de totale garantiestellingen voor de indemniteitsregeling toenemen nu door de aanpassing van de regeling deze minder blijkt te drukken op de begroting? Graag een toelichting.

Voor de indemniteitsregeling is een plafond afgesproken van € 300 miljoen. Dit is het maximale bedrag van het uitstaande risico aan garanties op enig moment gedurende het jaar. Door de aanpassingen van de regeling per 2016 kunnen meer aanvragen per jaar worden gehonoreerd bij een gelijk gebleven plafond van

€ 300 miljoen.

156

Zijn er de komende tijd verdere wijzigingen van Europese richtlijnen over audiovisuele mediadiensten?

De Audiovisuele Mediadiensten Richtlijn wordt momenteel herzien. De Europese Commissie heeft hiertoe in mei 2016 een voorstel gepubliceerd. Vervolgens hebben zowel het Europees Parlement als de Raad van de Europese Unie een standpunt over dit voorstel bepaald. Nederland heeft, met enkele andere lidstaten, tegen het standpunt van de Raad gestemd. Hierover is op 18 mei met uw Kamer gedebatteerd. Op de moties naar aanleiding van het debat op 18 mei wordt in het verslag van de OJCS-Raad, dat u zo spoedig mogelijk ontvangt, nader ingegaan. Nederland kon niet instemmen met de vergaande uitbreiding van de reikwijdte van richtlijn, met de verhoging van de quota voor Europese werken en de mogelijkheid om een heffing over de grens op te leggen. Er waren echter genoeg stemmen voor om een gekwalificeerde meerderheid te behalen. Hiermee ligt het standpunt van de Raad, en daarmee het onderhandelingsmandaat, vast. Op korte termijn zal de zogenoemde triloog starten. In de triloog onderhandelen de drie instellingen over de tekst tot herziening van de richtlijn. Het voorzitterschap van de Raad zal tijdens de onderhandelingen terugkoppelen naar de lidstaten, de ruimte voor lidstaten om nog invloed uit te oefenen tijdens de onderhandelingen is echter zeer beperkt. Zodra er overeenstemming over een gemeenschappelijke tekst is bereikt zal deze tekst ter goedkeuring worden voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad. Zodra de herziening van de richtlijn is aangenomen krijgen lidstaten een in de tekst opgenomen periode (naar alle waarschijnlijkheid twee jaar) de tijd om deze om te zetten in nationaal recht.

157

Waarom wordt de waardering van de NPO niet afgezet tegen de lokale en regionale omroepen of andere commerciële mediabedrijven die content verspreiden?

De waardering van de NPO wordt vergeleken met die van de commerciële omroepen, omdat zij vergelijkbare diensten bieden aan het publiek. Andere commerciële mediabedrijven, zoals Netflix en YouTube, bieden andersoortige diensten en ander soort aanbod. Ook het aanbod van lokale omroepen is onvergelijkbaar met dat van de NPO. Er is een groot verschil in budget en professionaliteit van de organisaties. Een vergelijking met de waardering van de regionale omroepen is in de toekomst wellicht wel mogelijk. Naar aanleiding van het concessiebeleidsplan van de Regionale Publieke Omroep (RPO) dat in juni 2017 verschijnt, wordt gekeken of een vergelijking mogelijk is.

158

Kunt u de waardering van de NPO uitsplitsen naar leeftijdscategorieën?

Ja, zie onderstaande tabel. Dit betreft de waarderingscijfers van 2016. Deze zijn zeer recentelijk bekend geworden.

 

Leeftijd

13–34 jaar

35–49 jaar

50+ jaar

Totaal (13+ jaar)

NPO

6,9

7,1

7,0

7,0

Commerciële omroepen

6,9

6,8

6,6

6,8

Bron: Ipsos, 2016

159

Kunt u de waardering van de NPO afzetten tegen de waardering van andere commerciële mediakanalen?

Er zijn geen vergelijkbare gegevens over andere commerciële mediakanalen, zoals Netflix en YouTube. De diensten en het media-aanbod van deze bedrijven zijn ook niet vergelijkbaar met die van de NPO.

160

Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overeenkomen van een prestatieovereenkomst met de NPO? Wordt de Kamer hierover geïnformeerd?

Het overleg met de NPO en het Commissariaat voor de Media over de prestatieovereenkomst loopt nog. Uiteraard wordt uw Kamer geïnformeerd op het moment dat de overeenkomst is afgesloten.

161

Wordt bij de prestatieovereenkomst ook overeengekomen dat de NPO per programmering proactief de totale kosten inzichtelijk maakt?

Nee, in de prestatieovereenkomst komen geen afspraken over kosten van de programmering. Wel is in de onlangs overeengekomen Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen en de NPO [http://wetten.overheid.nl/BWBR0039192/2017-02-11] vastgelegd dat de NPO moet rapporteren over de kosten van de programmering per net en zender op het niveau van genres.

162

Klopt het dat de realisatie van de uitgaven, verplichtingen en ontvangsten afwijkt van de ramingen? Kunt u dit toelichten, bijvoorbeeld aan de hand van de wijze van ramen?

Ja, in het Departementaal Jaarverslag is zowel per instrument als per onderliggende begrotingspost aangegeven, waar de verschillen tussen de ramingen en de uiteindelijke realisaties door ontstaan. De ramingen van de uitgaven zijn in de regel gelijk aan de uitgavenrealisaties van het voorgaande jaar. Gedurende het begrotingsjaar wordt dit verhoogd met de prijsindex en kunnen er om beleidsmatige redenen verschuivingen plaatsvinden tussen de begrotingsposten.

163

Wat is er door Nederland bijgedragen aan Erasmus+ en Horizon 2020? Hoeveel is er door Nederlandse instellingen en onderzoekers aan gelden uit Erasmus en Horizon ontvangen?

Nederland levert geen rechtstreekse bijdragen aan Horizon2020 en Erasmus+. De financiering gaat via de EU-begroting waarvan Nederland 4,9 procent financiert. Het totale budget voor Horizon 2020 (2014–2020) is € 74 miljard en voor Erasmus+ (2014–2020) € 14,7 miljard. Sinds de start van Horizon 2020 is € 1.851 miljoen (7,7 procent van het totaal beschikbare budget voor Horizon 2020) toegekend aan deelnemers in Nederland.

De verantwoordelijkheid voor Erasmus+ ligt gezamenlijk bij OCW (onderwijs en training) én VWS (jeugd en sport). Nederland draagt middels cofinanciering bij aan de uitvoering van het Erasmus+ programma. In 2016 heeft OCW € 1.963.000,- bijgedragen en VWS € 572.935,-. Voor Erasmus+ is sinds de start € 139,2 miljoen toegekend aan deelnemers en organisaties uit Nederland voor decentrale acties. Daarnaast ontvangen Nederlandse onderwijsinstellingen incidenteel financiële middelen voor grensoverschrijdende projecten. Sinds de start van Erasmus+ ging het om ongeveer € 17,7 miljoen. Hierbij is het lastig om het exacte bedrag toe te schrijven aan een Nederlandse instelling vanwege het gezamenlijke karakter van de projectaanvragen.

164

Is de indicator «sociale acceptatie» een indicator die afdoende is om te monitoren of de emancipatie van homoseksuele mannen, lesbische vrouwen, biseksuelen en transgenders gewaarborgd is?

Sociale acceptatie wordt als parapluterm gebruikt. Houdingen ten aanzien van homoseksualiteit en genderdiversiteit zijn complex van aard, zowel in vorm, gradatie als inhoud en bevolkingsopvattingen kunnen een ander beeld geven dan ervaringen van LHBT’s zelf. Daarom wordt op basis van verschillende meetmethoden vastgesteld hoe het is gesteld met de opvattingen over seksuele diversiteit en genderdiversiteit in Nederland en met de ervaringen van de groep:

  • Het SCP hanteert een samengestelde maat waarmee het sinds 2006 de sociale acceptatie van homoseksualiteit monitort. Resultaten hiervan worden vaak gebruikt wanneer er wordt gesproken over sociale acceptatie. Het SCP stelt 13 vragen over homoseksualiteit, bijvoorbeeld over aanvaarbaarheid, gelijke rechten en zichtbare homoseksualiteit.

  • Daarnaast heeft het SCP een aparte maat ontwikkeld waarmee de acceptatie van transgenders wordt gemeten. Deze maat kent 7 items.

  • SCP monitort ook de ervaringen van de LHBT’s zelf, bijvoorbeeld via de Veiligheidsmonitor.

165

Hoe verhouden zich de positieve resultaten ten aanzien van de indicator «sociale acceptatie» met de vele geweldsincidenten tegen homoseksuele mannen, lesbische vrouwen, biseksuelen en transgenders?

De verhouding tussen de positieve resultaten ten aanzien van de indicator «sociale acceptatie» met geweldsincidenten tegen LHBT’s is lastig te duiden. Het SCP legt geen relatie tussen opvattingen van mensen en de acties die mensen wel of niet ondernemen. Het is daarom ook moeilijk te zeggen of positieve opvattingen van mensen worden weerspiegeld in een toe- of afname van geweldsincidenten. Ook geven aangiftecijfers geen beeld van de daadwerkelijke omvang van anti-LHB-gedrag. Slechts een minderheid doet aangifte van (gewelds)incidenten en een stijging van het aantal aangiften kan weliswaar duiden op een stijgend aantal incidenten, maar ook op een toenemende aangiftebereidheid. Het SCP gebruikt naast de aangiftecijfers twee andere bronnen: onderzoeken naar ervaringen van LHB’s zelf en algemene slachtofferenquêtes. Uit deze gegevens blijkt niet dat het geweld tegen LHBT’s de laatste jaren sterk is toegenomen.

166

Kunt u de hogere personele uitgaven verklaren ten opzichte van begroting (€ 18 miljoen, 11%)? Is hier sprake van een nog in te vullen personeelsreductie? Zo ja, wat is de omvang hiervan in absolute aantallen en in percentage van het totale personeelsbestand?

Deze hogere personele uitgaven hangen niet samen met een nog in te vullen personeelsreductie. Op basis van gewijzigde rijksbrede voorschriften van de begrotingsinstrumenten zijn de personele en materiële uitgaven nu anders ingedeeld, waardoor de personele uitgaven vanaf 2016 hoger uitvallen.

167

Wat was het foutenpercentage dat de Inspectie constateerde bij de controle van het aantal gewichtenleerlingen?

De steekproefcontrole van de leerling gegevens op teldatum 1 oktober 2015 leverde een geëxtrapoleerde. fout van circa € 80 miljoen op. Dat is 0,80 procent van de begroting van het primair onderwijs. Hiervan werd 0,68 procent veroorzaakt door geconstateerde fouten bij de toekenning van gewichten aan leerlingen.

168

Hoe waarderen de afgestudeerden met een studieschuld, die in het buitenland verblijven, de communicatie en aanpak van DUO bij het terugbetalen in vergelijking met afgestudeerden die in Nederland verblijven? Kunt u een toelichting hierop geven?

DUO meet de tevredenheid van oud-studenten met de invordering en maakt daarbij op dit moment geen onderscheid tussen binnen- en buitenland.

169

Wat zijn de verwachte (bandbreedte) uitgaven voor een meerjarig nieuw budget voor onderhoud en proactieve vervanging en vernieuwing van het ICT landschap?

Op basis van het huidige ICT-landschap van DUO is via de zogenaamde Life Cycle Management methodiek (o.a. gebaseerd op functiepunten en de huidige verwachte levensduur van een systeem) berekend welke aanvullende kosten benodigd zijn om het systeemlandschap voor de huidige taken up to date te houden. Zie onderstaande tabel.

Het gaat hier dus om bestaande taken en systemen en niet om nieuwe taken gericht op verdere ontzorging van het departement of (onderwijs)instellingen.

x mln.

Kosten DUO

2018

2019

2020

2021

2022 e.v.j.

onderhoud, vervanging, compliance

12

16

19

23

27

Zoals ook in het beleidsverslag benoemd is deze problematiek in de voorjaarsbesluitvorming 2017 meegewogen. Met WenR zal nog verder worden gesproken.

De bandbreedte van de noodzakelijke middelen wordt bepaald door onzekerheden in de toekomst. Zo wordt in deze berekening uitgegaan van een gemiddelde levensduur van systemen van ~12 jaar.

170

Kunt u toelichten wat de precieze definitie is van peer review?

De definitie van Peer review als genoemd in ons Jaarverslag en in de Begroting staat omschreven in onze metadata. In de metadata behorende bij het Jaarverslag 2016 staat de volgende definitie (p. 19):

«Definitie peer review

Percentage leraren dat aangeeft het afgelopen jaar via peer review feedback te hebben gehad. Peer review (of collegiale toetsing) is een methode om de kwaliteit te verbeteren door het werk te onderwerpen aan de kritische blik van vakgenoten of collega's.»

Zie ook het antwoord op vraag 172 voor een nadere toelichting.

171

Kunt u aangeven hoe deze indicator (peer review) wordt gemeten?

Zie antwoord op vraag 170.

172

Kunt u de vermeende discrepantie verklaren tussen 8% van de docenten die leert in de vorm van professionele leergemeenschappen (PLG’s) en 68% van de leraren dat aan peer-review deed in 2016? Kunt u een toelichting hierop geven?

Uit het beleidsverslag 2016 blijkt dat 74 procent van de leraren in po en 68 procent van de leraren in het vo aangeeft deel te hebben genomen aan enige vorm van peer review (intervisie, coaching, lesbezoeken of vergelijkbare activiteiten). Dat is goed nieuws. In de praktijk is te merken dat peer review in de sector «leeft». De cijfers komen uit het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek 2016 (POMO), een enquête van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In de Staat van de Leraar 2016 staat dat 8 procent van de leraren aangeeft deel te nemen in professionele leergemeenschappen. Dit is een onderzoek dat is uitgevoerd door leraren ondersteund door de Onderwijscoöperatie, aan de hand van een literatuurstudie en een enquête onder een niet-representatieve steekproef van 754 leraren. Door de andere wijze van meten en door gebruik van verschillende termen, zijn deze cijfers niet met elkaar te vergelijken. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een leraar deelneemt aan peer review, maar in deze enquête aangeeft niet deel te nemen aan een professionele leergemeenschap. Het percentage leraren dat in deze enquête aangaf bereid te zijn om te participeren in professionele verbanden was overigens opmerkelijk hoger in het vo (29,8 procent), mbo (32,6 procent) en po (22,3 procent). Hier is veel potentie onbenut en valt nog veel winst te behalen.

173

Kunt u de vermeende discrepantie verklaren tussen 8% van de docenten dat leert in de vorm van professionele leergemeenschappen (PLG’s) en de doelstelling van 100% van de docenten dat in 2020 aan peer review moet doen? Kunt u een toelichting hierop geven?

Zie antwoord op vraag 172; er zitten verschillen tussen de beide indicatoren die worden genoemd in vraag 173.

174

Kunt u aangeven welke concrete maatregelen er liggen om de door u genoemde streefwaarde van 100% van het aantal docenten dat in 2020 aan peer review doet te behalen?

Zie het antwoord op vraag 28.

175

Waarom is het lerarenregister de enige geformuleerde indicator voor de kwaliteit en professionaliteit van leraren en schoolleiders op het mbo?

De kwaliteit van de docent is de meest bepalende factor voor de kwaliteit van onderwijs. De indicator over het lerarenregister is daarmee een belangrijke, omdat deze aangeeft dat docenten actief werk maken van hun professionele ontwikkeling. Via het lerarenregister laten docenten namelijk zien dat zij bekwaam zijn en hun bekwaamheid onderhouden. Om in het Jaarverslag een hanteerbaar overzicht van de geleverde prestaties te kunnen geven, moeten noodzakelijke keuzes worden gemaakt ten aanzien van het aantal indicatoren. Er is uiteraard veel meer publiek toegankelijke informatie beschikbaar dan opgenomen in het Jaarverslag over de kwaliteit van leraren in het mbo. Zo hebben we een dashboard lerarenagenda waarin meer informatie staat opgenomen over mbo-leraren, en uiteraard rapporteert ook de inspectie uitgebreid over de kwaliteit van de leraren in het mbo middels diverse indicatoren. Momenteel zijn wij intern aan het verkennen of we meer informatie kunnen verkrijgen over deze lerarenpopulatie.


X Noot
1

OESO: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

X Noot
2

OECD (2016), Education at a Glance 2016: OECD Indicators, OECD Publishing, Paris. DOI: http://dx.doi.org/10.1787/eag-2016-en. De grafiek over salarissen staat op p.411: Figure D3.2. Lower secondary teachers» salaries at different points in teachers» careers (2014); de grafiek over groepsgrootte op p.394: Figure D2.1. Average class size, by level of education (2014).

X Noot
3

LHBTI: lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgenders en intersekse personen

X Noot
4

NPO: Nederlandse Publieke Omroep

X Noot
5

vsv: voortijdig schoolverlater

X Noot
6

bbl: beroepsbegeleidende leerweg

bol: beroepsopleidende leerweg

X Noot
7

bbl: beroepsbegeleidende leerweg

bol: beroepsopleidende leerweg

X Noot
8

DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs

X Noot
9

TS: tegemoetkoming schoolkosten

Naar boven