Advies Raad van State inzake het voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2018/858 en andere besluiten van de Europese Unie betreffende de goedkeuring van en het marktoezicht op motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Uitvoeringswet verordening (EU) 2018/858)

Nader Rapport

26 maart 2020

IENW/BSK-2020/43770

Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken,

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Aan de Koning

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 18 oktober 2019, nr. 2019002205, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 6 februari 2020, nr. W17.19.0324/IV, bied ik U hierbij aan.

Hierna wordt per opmerking in cursief het advies integraal weergegeven, met daaronder mijn reactie.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de wijze waarop de uitvoering en handhaving van EU-verordeningen door de Dienst Wegverkeer (RDW) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) in de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de wet) wordt geregeld. In verband daarmee is aanpassing van het voorstel wenselijk.

1. Aanwijzing bevoegde nationale autoriteiten

Het wetsvoorstel voorziet in een verzameldefinitie van het begrip ‘EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen’.1 Deze verzameling bestaat uit de eveneens gedefinieerde ‘EU-kaderverordeningen’ en de op die verordeningen gebaseerde gedelegeerde- en uitvoeringshandelingen. Daaraan wordt vervolgens toegevoegd de algemene en open categorie van ‘andere EU-verordeningen’, die niet specifiek worden aangeduid.

Deze (bestaande en toekomstige) verordeningen kunnen betrekking hebben op een reeks van onderwerpen: ‘goedkeuring, op de markt aanbieden, in de handel brengen, registreren en in gebruik nemen van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang.’ Door deze laatste categorie is de aanwijzing van EU-verordeningen die met de wet worden uitgevoerd en gehandhaafd, onvoldoende bepaald en afgebakend.

De verzameldefinitie is in het licht van het voorgaande niet geschikt als basis voor de toekenning van taken en bevoegdheden aan de RDW en toezichthouders, werkzaam bij de ILT in artikel 4b, respectievelijk krachtens artikel 158 van de wet.

De Afdeling adviseert om in de wet zelf de (onderdelen van) EU-verordeningen, met inbegrip van de op die verordeningen gebaseerde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen, aan te wijzen ten aanzien waarvan de RDW of de ILT met de uitvoering of handhaving zullen worden belast, en zo nodig te voorzien in de (aanvullende) mogelijkheid tot aanwijzing bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

De door de Afdeling genoemde open categorie ‘andere EU-verordeningen’, zag op de op dit moment 23 EU-harmonisatieverordeningen die betrekking hebben op specifieke onderwerpen die relevant zijn in het kader van de goedkeuring van motorvoertuigen. Het gaat om verordeningen die bijvoorbeeld betrekking hebben op brandstofgebruik, emissies, technische eisen of veiligheidsvoorschriften. Al deze verordeningen worden genoemd in de bijlagen bij kaderverordening (EU) 2018/858. Bij EU-goedkeuringen als bedoeld in die verordening, zijn zij direct van toepassing en geschiedt de toekenning van taken en bevoegdheden aan de RDW en toezichthouders, werkzaam bij de ILT, via de genoemde kaderverordening. Dit is anders bij de nationale goedkeuringen van motorvoertuigen. Voor nationale goedkeuringen, waarbij die harmonisatieverordeningen ‘zonder tussenkomst’ van de kaderverordening, ook rechtstreekse werking hebben, is het zoals de Afdeling terecht stelt, ook nodig voldoende concreet taken en bevoegdheden aan de RDW en toezichthouders, werkzaam bij de ILT, toe te kennen. In reactie op het advies wordt in verband hiermee het volgende opgemerkt. Diverse van de op dit moment in de bijlagen van verordening (EU) 2018/858 genoemde harmonisatieverordeningen zullen de komende jaren door vereenvoudiging en herschikking vervallen en worden vervangen door nieuwe verordeningen. Daarnaast zullen, naar verwachting, in verband met bijvoorbeeld de ambities van de EU in verband met de reductie van brandstofgebruik en emissies en de transitie naar geautomatiseerde en autonome voertuigen, ook nieuwe harmonisatieverordeningen worden vastgesteld en aan de bijlage bij verordening (EU) 2018/858 worden toegevoegd. Om te voorkomen dat dergelijke wijzigingen steeds aanleiding geven tot het aanpassen van de wet of een algemene maatregel van bestuur, is e voor gekozen in een nieuw toegevoegde definitie van ‘EU-harmonisatieverordeningen in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen’ te verwijzen naar de in de bijlagen bij verordening (EU) 2018/858 genoemde verordeningen in plaats van naar de open categorie ‘andere EU-verordeningen’. Een wijziging in die bijlagen werkt zo direct door in de Wvw 1994. In verband hiermee is ook een toelichting bij dit artikelonderdeel toegevoegd. Aan de memorie van toelichting is ter informatie een nieuwe bijlage 3 toegevoegd waarin een overzicht is opgenomen van alle op dit moment relevante harmonisatieverordeningen met daaraan toegevoegd de mutaties voor zover ze op dit moment bekend zijn.

2. Strafbaarstelling van overtreding van voorschriften in EU-verordeningen

Het wetsvoorstel voorziet in de oplegging van boetes van een bepaalde categorie bij overtreding van verschillende bepalingen in de wet.2 In enkele van deze bepalingen wordt voorzien in verbodsbepalingen die normen uit de verschillende EU-verordeningen ‘spiegelen’. Zo zijn bijvoorbeeld in artikel 29, eerste tot en met vierde lid, volgens de toelichting ‘op hoofdlijnen de verbodsbepalingen uit verschillende verordeningen omschreven’. Het vijfde lid verbiedt overtreding van ‘andere dan de in het eerste tot en met vierde lid genoemde inbreuken op bepalingen van een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen’. Ten slotte voorziet het zesde lid in de aanwijzing bij ministeriële regeling van voor de toepassing van de voorgaande leden ‘relevante artikelen van de EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen’.

Bij deze benadering rijzen twee belangrijke bezwaren. In de eerste plaats leidt de bevoegdheid tot oplegging van een boete van een bepaalde categorie bij overtreding van artikelen waarin geen normatief voorschrift is opgenomen maar met gebruik van de verzameldefinitie wordt verwezen naar nader vast te stellen voorschriften in gedelegeerde handelingen of ‘andere EU‑verordeningen’3 tot strijdigheid met het lex certa-beginsel. Dit omdat er een situatie ontstaat waarin niet is voldaan aan de voorwaarde dat door straffen te handhaven bepalingen vooraf uit een oogpunt van rechtszekerheid voldoende kenbaar moeten zijn. De Afdeling merkt verder op dat de hoogte van een punitieve sanctie evenredig dient te zijn aan de aard en ernst van de overtreding. Een passende en proportionele sanctiebevoegdheid kan pas worden vastgesteld aan de hand van het concrete te handhaven voorschrift.

Ten tweede is het ‘overschrijven’ van normen uit EU-verordeningen in strijd met het Unierecht4, aangezien dit de rechtstreekse werking en uniforme toepassing van EU verordeningen in gevaar brengt.

In het licht van het voorgaande adviseert de Afdeling om bij de strafbaarstelling en het bepalen van de toepasselijke sanctie te verwijzen naar de concrete voorschriften in EU-verordeningen, hetzij in de wet, hetzij bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

Aan de bezwaren van de Afdeling wordt tegemoetgekomen doordat het voorgestelde artikel 29 van de Wvw 1994 nu zodanig is geredigeerd dat duidelijker wordt dat het hier gaat om overtredingen van bepalingen van nader aan te duiden artikelen van de verordeningen en niet, zoals de tekst van het artikel dat aan de Afdeling was voorgelegd ten onrechte suggereerde, overtreding van artikel 29. Wel is in artikel 29 nog steeds een korte duiding gegeven van de handeling die wordt verboden en mitsdien sanctionering behoeft. Op deze wijze wordt voorzien in een concretere wettelijke basis voor de aanwijzing van relevante artikelen uit de verordeningen en wordt duidelijk dat voor dezelfde overtredingen in verband met nationale goedkeuringen (in het nieuw voorgestelde artikel 30 van de Wvw 1994) onderscheidenlijk de aanwijzing als bijzondere bromfiets (in het nieuw voorgestelde artikel 20g van de Wvw 1994) dezelfde sancties van toepassing zullen zijn. De (lange) opsomming van artikelen van de EU-verordeningen waarvoor sanctionering noodzakelijk is, zal in de op artikel 29 van de Wvw 1994 gebaseerde Regeling voertuigen worden opgenomen. Het voorstel van de Afdeling om dit in de wet of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te doen past niet goed in de huidige systematiek van de Wvw 1994. Daarnaast zou deze opzet het lastig maken, gelet op de komende jaren te verwachten mutaties in de relevante verordeningen, om de wetgeving actueel te houden. Het advies van de Afdeling heeft niet alleen geleid tot aanpassing van het in artikel I van het wetsvoorstel nieuw voorgestelde artikel 29 van de Wvw 1994, maar tevens van de daarmee vergelijkbare artikelen 20g en 30 alsmede de voorgestelde artikelen 174a, 174b en 174c van de Wvw 1994. Ook is de artikelsgewijze toelichting op de genoemde artikelen deels herschreven.

De Afdeling maakt twee redactionele opmerkingen:

Vul de transponeringstabellen in de bijlagen aan met die artikelen uit de EU verordeningen waarin lidstaatopties zijn opgenomen – ook indien ervoor gekozen is deze niet te benutten, en licht in dat geval deze keuze toe.

In reactie op deze opmerking zijn de tabellen aangevuld.

Pas de voorgestelde artikelen 20e, tweede lid, en 26, tweede lid, zodanig aan dat de mogelijkheid van intrekking geen betrekking heeft op de situatie als bedoeld in de onderdelen c van die artikelleden.

Naar aanleiding van deze opmerking zijn de genoemde onderdelen steeds in een nieuw derde lid opgenomen.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt de wettekst en de memorie van toelichting ook nog op enkele andere punten aan te passen.

De passages in de memorie van toelichting die betrekking hadden op de uitvoering van verordening (EU) 2019/1020 en de daarbij behorende tabellen in bijlage 3 zijn komen te vervallen. De wijzigingen in de Wvw 1994 die nodig zijn in verband met de uitvoering van die verordening blijken ingrijpender te zijn dan in eerste instantie werd voorzien en zullen ook anders dan eerder voorzien was, in een separaat verzamelwetsvoorstel worden opgenomen. In de nieuwe bijlage 3 bij de memorie van toelichting is, zoals hierboven al werd aangegeven, nu een lijst met EU-harmonisatieverordeningen opgenomen.

Daarnaast is een aantal artikelleden en bijbehorende artikelsgewijze toelichting, die ten onrechte aan het voorstel ontbraken, toegevoegd en zijn enkele geconstateerde omissies gecorrigeerd. Het betreft in artikel I de nieuw voorgestelde artikelen 26, derde lid, 31, 32, tweede lid en artikel 48, lid 2b, van de Wvw 1994 en artikel III. Ook zijn enkele artikelen tekstueel aangepast om ze meer te laten aansluiten bij de tekst van de EU-verordeningen of ter bevordering van de leesbaarheid. Tot slot wordt nog opgemerkt dat ook in de memorie van toelichting enkele redactionele verbeteringen zijn doorgevoerd.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga.

Advies Raad van State

No. W17.19.0324/IV

’s-Gravenhage, 6 februari 2020

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 18 oktober 2019, no.2019002205, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2018/858 en andere besluiten van de Europese Unie betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen, aanhangers daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voortuigen zijn bestemd (Uitvoeringswet verordening (EU) 2018/858), met memorie van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de wijze waarop de uitvoering en handhaving van EU-verordeningen door de Dienst Wegverkeer (RDW) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) in de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de wet) wordt geregeld. In verband daarmee is aanpassing van het voorstel wenselijk.

1. Aanwijzing bevoegde nationale autoriteiten

Het wetsvoorstel voorziet in een verzameldefinitie van het begrip ‘EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen’.1 Deze verzameling bestaat uit de eveneens gedefinieerde ‘EU-kaderverordeningen’ en de op die verordeningen gebaseerde gedelegeerde- en uitvoeringshandelingen. Daaraan wordt vervolgens toegevoegd de algemene en open categorie van ‘andere EU-verordeningen’, die niet specifiek worden aangeduid.

Deze (bestaande en toekomstige) verordeningen kunnen betrekking hebben op een reeks van onderwerpen: ‘goedkeuring, op de markt aanbieden, in de handel brengen, registreren en in gebruik nemen van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang.’ Door deze laatste categorie is de aanwijzing van EU-verordeningen die met de wet worden uitgevoerd en gehandhaafd, onvoldoende bepaald en afgebakend.

De verzameldefinitie is in het licht van het voorgaande niet geschikt als basis voor de toekenning van taken en bevoegdheden aan de RDW en toezichthouders, werkzaam bij de ILT in artikel 4b, respectievelijk krachtens artikel 158 van de wet.

De Afdeling adviseert om in de wet zelf de (onderdelen van) EU-verordeningen, met inbegrip van de op die verordeningen gebaseerde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen, aan te wijzen ten aanzien waarvan de RDW of de ILT met de uitvoering of handhaving zullen worden belast, en zo nodig te voorzien in de (aanvullende) mogelijkheid tot aanwijzing bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

2. Strafbaarstelling van overtreding van voorschriften in EU-verordeningen

Het wetsvoorstel voorziet in de oplegging van boetes van een bepaalde categorie bij overtreding van verschillende bepalingen in de wet.2 In enkele van deze bepalingen wordt voorzien in verbodsbepalingen die normen uit de verschillende EU-verordeningen ‘spiegelen’. Zo zijn bijvoorbeeld in artikel 29, eerste tot en met vierde lid, volgens de toelichting ‘op hoofdlijnen de verbodsbepalingen uit verschillende verordeningen omschreven’. Het vijfde lid verbiedt overtreding van ‘andere dan de in het eerste tot en met vierde lid genoemde inbreuken op bepalingen van een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen’. Ten slotte voorziet het zesde lid in de aanwijzing bij ministeriële regeling van voor de toepassing van de voorgaande leden ‘relevante artikelen van de EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen’.

Bij deze benadering rijzen twee belangrijke bezwaren. In de eerste plaats

leidt de bevoegdheid tot oplegging van een boete van een bepaalde categorie bij overtreding van artikelen waarin geen normatief voorschrift is opgenomen maar met gebruik van de verzameldefinitie wordt verwezen naar nader vast te stellen voorschriften in gedelegeerde handelingen of ‘andere EU‑verordeningen’3 tot strijdigheid met het lex certa-beginsel. Dit omdat er een situatie ontstaat waarin niet is voldaan aan de voorwaarde dat door straffen te handhaven bepalingen vooraf uit een oogpunt van rechtszekerheid voldoende kenbaar moeten zijn. De Afdeling merkt verder op dat de hoogte van een punitieve sanctie evenredig dient te zijn aan de aard en ernst van de overtreding. Een passende en proportionele sanctiebevoegdheid kan pas worden vastgesteld aan de hand van het concrete te handhaven voorschrift.

Ten tweede is het ‘overschrijven’ van normen uit EU-verordeningen in strijd met het Unierecht4, aangezien dit de rechtstreekse werking en uniforme toepassing van EU verordeningen in gevaar brengt.

In het licht van het voorgaande adviseert de Afdeling om bij de strafbaarstelling en het bepalen van de toepasselijke sanctie te verwijzen naar de concrete voorschriften in EU-verordeningen, hetzij in de wet, hetzij bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

3. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.

De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W17.19.0324/IV

  • Vul de transponeringstabellen in de bijlagen aan met die artikelen uit de EU‑verordeningen waarin lidstaatopties zijn opgenomen – ook indien ervoor gekozen is deze niet te benutten, en licht in dat geval deze keuze toe.

  • Pas de voorgestelde artikelen 20e, tweede lid, en 26, tweede lid, zodanig aan dat de mogelijkheid van intrekking geen betrekking heeft op de situatie als bedoeld in de onderdelen c van die artikelleden.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2018/858 en andere besluiten van de Europese Unie betreffende de goedkeuring van en het marktoezicht op motorvoertuigen, aanhangers daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Uitvoeringswet verordening (EU) 2018/858)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de Wegenverkeerswet 1994 en enige andere wetten te wijzigen in verband met de uitvoering van verordening (EU) nr 2018/858 en andere bindende EU-rechtshandelingen die betrekking hebben op de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen, aanhangers daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I (WIJZIGING VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994)

De Wegenverkeerswet 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt ‘wordt verstaan onder’ vervangen door ‘wordt, tenzij anders blijkt, verstaan onder’.

b. Onderdeel f wordt vervangen door:

f. verordening (EU) 167/2013:

Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PbEU 2015, L 60) en de op die verordening gebaseerde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen;

fa. verordening (EU) 168/2013:

Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L 60) en de op die verordening gebaseerde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen;

fb. verordening (EU) 2018/858:

Verordening (EU) nr. 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L 151) en de op die verordening gebaseerde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen;

fc. EU-kaderverordeningen:

verordening (EU) 167/2013, verordening (EU) 168/2013 en verordening (EU) 2018/858;

fd. EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen:

EU-kaderverordeningen en andere EU-verordeningen die betrekking hebben op specifieke onderwerpen betreffende goedkeuring, op de markt aanbieden, in de handel brengen, registreren en in gebruik nemen van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang;

fe. Overeenkomst van 1958:

Overeenkomst betreffende de vaststelling van geharmoniseerde technische reglementen van de Verenigde Naties voor voertuigen op wielen en voor uitrustingsstukken en onderdelen die daarop kunnen worden gemonteerd en/of gebruikt, en betreffende de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen die krachtens die reglementen van de Verenigde Naties zijn verleend (Trb.  1959/83).

c. Onderdeel s komt te luiden:

s. nationale typegoedkeuring of -individuele typegoedkeuring:

goedkeuring als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel b;

d. Onderdeel t komt te luiden:

t. VN/ECE-goedkeuring:

goedkeuring als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel c;

2. Na het eerste lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 1a. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders blijkt, verstaan onder goedkeuring, typegoedkeuring, EU-typegoedkeuring, aanhangwagen, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdelen, uitrustingsstukken, markttoezicht, goedkeuringsinstantie, technische dienst, fabrikant, marktdeelnemer, in de handel brengen, op de markt aanbieden, in gebruik nemen, manipulatie-instrument en manipulatiestrategie hetgeen daaronder wordt verstaan in de desbetreffende EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen;

B

In artikel 2, vierde lid, wordt ‘op het terrein van typegoedkeuring van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, in verband met de toelating tot het verkeer op de weg of het gebruik buiten de weg’ vervangen door ‘op het terrein van goedkeuring, op de markt aanbieden, in de handel brengen, registreren en in gebruik nemen van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, in verband met de bescherming van de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang’.

C

Artikel 4b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen a, a1, a2, b en b1 worden vervangen door:

  • a. het verrichten van taken en handelingen en het nemen van besluiten die op grond van EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen worden verricht door een goedkeuringsinstantie en het verrichten van andere taken en handelingen en in verband hiermee te nemen besluiten voor zover deze taken, handelingen en besluiten onlosmakelijk verbonden zijn met het proces van goedkeuring van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd;

  • a1. de nakoming van overige, niet in onderdeel a bedoelde verplichtingen die op grond van EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen op een goedkeuringsinstantie rusten of daar onlosmakelijk mee zijn verbonden;

  • b. het verrichten van taken en handelingen en het nemen van besluiten in verband met de nationale typegoedkeuring en -individuele goedkeuring en VN/ECE-goedkeuring;

2. Onderdeel f komt te luiden:

  • f. het verlenen van een gewijzigde goedkeuring aan gekentekende motorrijtuigen en aanhangwagens waarvan de bouw of de inrichting zodanig is gewijzigd dat niet langer wordt voldaan aan de eerder verleende goedkeuring, dan wel waarvan het kentekenbewijs is ingevorderd;

3. Aan onderdeel j1 wordt toegevoegd: ‘voor zover deze taak niet voortvloeit uit de taak van goedkeuringsinstantie als bedoeld in onderdeel a’.

4. In onderdeel r wordt ‘en de verplichting tot het verzamelen van gegevens over nieuwe personenauto’s en het vaststellen van informatie voor de controle van de CO2-emissies en mededeling doen van die gegevens aan de Commissie op grond van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto’s, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (PbEU 2009, L140/1)’ vervangen door: ‘en de verplichting tot het verzamelen van gegevens over nieuwe personenauto’s en het vaststellen van informatie voor de controle van de CO2-emissies en mededeling doen van die gegevens aan de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (PbEU 2019, L111).

D

Na artikel 20b, worden zes artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 20c
  • 1. Een aanvraag voor een aanwijzing of een wijziging of intrekking daarvan wordt ingediend op de door Onze Minister te bepalen wijze.

  • 2. De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van een aanvraag voor een aanwijzing of een wijziging of intrekking daarvan worden door Onze Minister vastgesteld en komen ten laste van de aanvrager.

Artikel 20d

Degene aan wie een aanwijzing is verleend, is gehouden de voor het markttoezicht, bedoeld in artikel 158a, noodzakelijke medewerking te verlenen.

Artikel 20e
  • 1. Onze Minister trekt een aanwijzing in, indien:

    • a. degene aan wie de aanwijzing is verleend, daarom verzoekt; of

    • b. blijkt dat de aanwijzing ten onrechte is verleend.

  • 2. Onze Minister kan een aanwijzing schorsen of intrekken indien:

    • a. degene aan wie de aanwijzing is verleend een motorrijtuig als bedoeld in artikel 20b, eerste lid, aanhef, doet of laat doorgaan voor aangewezen, terwijl dat motorrijtuig niet overeenstemt met het type waarvoor de aanwijzing is verleend;

    • b. het motorrijtuig waarvoor een aanwijzing is verleend desalniettemin een ernstig gevaar vormt voor de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang;

    • c. de aanwijzing ten onrechte lijkt te zijn verleend;

    • d. degene aan wie de aanwijzing is verleend, de verplichtingen, bedoeld in artikel 20d niet nakomt; of

    • e. degene aan wie de aanwijzing is verleend, handelt in strijd met één of meer andere uit de aanwijzing voortvloeiende verplichtingen.

Artikel 20f
  • 1. Indien een fabrikant in de handel gebrachte motorrijtuigen als bedoeld in artikel 20b, eerste lid, aanhef, voorzien van een aanwijzing, uit de handel dient te nemen of dient terug te roepen, omdat ze een ernstig gevaar vormen voor de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang, of indien ze niet blijken te voldoen aan de daaraan voor aanwijzing gestelde eisen, stelt de fabrikant de Dienst Wegverkeer hiervan onmiddellijk in kennis.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld in verband met de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 20g
  • 1. Het is marktdeelnemers verboden motorrijtuigen als bedoeld in artikel 20b, eerste lid, aanhef, op de markt aan te bieden of in de handel te brengen:

    • a. zonder dat die motorrijtuigen zijn aangewezen;

    • b. indien niet aan de voor een dergelijke aanwijzing gestelde eisen wordt voldaan; of

    • c. die zijn voorzien van vervalste of onjuiste verklaringen van overeenstemming, platen of goedkeuringsmerken met het doel anderen te misleiden.

  • 2. Het is marktdeelnemers verboden gebruik te maken van manipulatie-instrumenten of -strategieën of testresultaten te vervalsen tijdens de aanwijzingsprocedure of het markttoezicht daarop.

  • 3. Het is marktdeelnemers verboden een motorrijtuig als bedoeld in artikel 20b, eerste lid, aanhef, op de markt aan te bieden of in de handel te brengen zonder de op grond van de artikel 20b, voorgeschreven verklaringen van overeenstemming of zonder de voorgeschreven platen of goedkeuringsmerken.

  • 4. Het is marktdeelnemers verboden:

    • a. valse verklaringen af te leggen tijdens een procedure tot aanvraag van een aanwijzing of procedures die tot terugroeping leiden of zouden kunnen leiden terwijl er corrigerende of beperkende maatregelen gelden op grond van deze wet;

    • b. gegevens of technische specificaties achter te houden die tot weigering of intrekking van de aanwijzing zouden kunnen leiden van motorrijtuigen als bedoeld in artikel 20b, eerste lid, aanhef;

    • c. gegevens of technische specificaties achter te houden die tot terugroeping van motorrijtuigen als bedoeld in artikel 20b, eerste lid, aanhef, zouden kunnen leiden;

    • d. toegang tot informatie te weigeren.

Artikel 20h

Het is verboden een motorrijtuig als bedoeld in artikel 20b, eerste lid, aanhef, dat niet is aangewezen, op de weg te gebruiken of te laten staan.

E

Hoofdstuk III komt te luiden:

Hoofdstuk III. Goedkeuring van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 21
  • 1. Voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, worden in verband met de bescherming van de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang, slechts op de markt aangeboden of in de handel gebracht nadat ze zijn goedgekeurd of nadat hiervoor een ontheffing of vergunning is verleend.

  • 2. De goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, wordt op aanvraag door de Dienst Wegverkeer verleend als:

    • a. EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring voor voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen, die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd, op grond van een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen indien wordt voldaan aan de daaraan in de desbetreffende EU-kaderverordening gestelde eisen;

    • b. nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring voor voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd indien dit bij ministeriële regeling is bepaald en wordt voldaan aan artikel 23, derde lid; of

    • c. VN/ECE-goedkeuring voor voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen, die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd of voor voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers indien wordt voldaan aan de geharmoniseerde technische reglementen als bedoeld in de Overeenkomst van 1958.

  • 3. Een ontheffing of vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden verleend als:

    • a. een ontheffing of vergunning in verband met EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring indien wordt voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden in de desbetreffende EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen; of

    • b. een ontheffing of vergunning in verband met een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring voor zover dit bij ministeriële regeling is bepaald.

  • 4. In afwijking van het eerste lid, worden voertuigen na wijziging van de voorwaarden voor goedkeuring, slechts op de markt aangeboden of in de handel gebracht:

    • a. indien het betreft een EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring, zolang wordt voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden op grond van de desbetreffende EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen; of

    • b. indien het betreft een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring, zolang wordt voldaan aan de daaraan bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden.

Artikel 22
  • 1. De Dienst Wegverkeer kan met het oog op het verlenen van een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring of een VN/ECE-goedkeuring op aanvraag een technische dienst aanwijzen om namens hem bepaalde voor goedkeuring noodzakelijke tests te verrichten.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden met betrekking tot de beoordeling, aanwijzing, aanmelding en monitoring van technische diensten nadere regels gesteld.

  • 3. Aan een aanwijzing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

  • 4. De Dienst Wegverkeer trekt de aanwijzing in indien degene aan wie de aanwijzing is verleend hierom verzoekt.

  • 5. De Dienst Wegverkeer schorst de aanwijzing of trekt deze in, indien de technische dienst niet voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het tweede en derde lid.

Artikel 23
  • 1. Bij ministeriële regeling worden in verband met nationale typegoedkeuringen en -individuele goedkeuring nadere regels gesteld.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:

    • a. de technische staat, specificaties, prestaties of de uitrusting van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd;

    • b. de aanwezigheid van certificaten van overeenstemming;

    • c. het aanbrengen van platen of goedkeuringsmerken;

    • d. de toegang tot informatie uit het boorddiagnosesysteem en de reparatie- en onderhoudsinformatie;

    • e. de wijze van keuren; en

    • f. de wijze waarop de conformiteit van de productie wordt geborgd, de controle hierop en de medewerking die daarvoor bij de noodzakelijke werkzaamheden wordt verlangd.

  • 3. De Dienst Wegverkeer verleent een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring indien een voertuig of systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel, uitrustingsstuk of voorziening voor een voertuig of aanhangwagen daarvan voldoet aan de op grond van het eerste lid gestelde eisen en aan de daaraan gestelde eisen in EU-verordeningen die betrekking hebben op specifieke onderwerpen betreffende de goedkeuring, het op de markt aanbieden, het in de handel brengen, registreren en het in gebruik nemen van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang.

Artikel 24
  • 1. Met een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring wordt gelijkgesteld een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring van een voertuig of systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel, uitrustingsstuk of voorziening voor een voertuig of aanhangwagen daarvan die is afgegeven door een goedkeuringsinstantie van een andere lidstaat van de Europese Unie tenzij deze andere nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring is afgegeven op grond van technische voorschriften die niet ten minste gelijkwaardig zijn aan de op grond van artikel 23, tweede lid, vastgestelde voorschriften.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring afgegeven door het bevoegd gezag van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of die is verleend door het daartoe bevoegde gezag in Zwitserland indien dit voortvloeit uit de op 21 juni 1999 te Luxemburg tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling (PbEG L 114).

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld om te bepalen of er sprake is van gelijkwaardige technische voorschriften als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Met een goedkeuring op grond van de Overeenkomst van 1958 wordt gelijkgesteld, een goedkeuring die is verleend door het daartoe bevoegde gezag in een Staat die partij is bij die Overeenkomst.

Artikel 25

Degene aan wie een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring of een VN/ECE-goedkeuring is verleend, is gehouden alle noodzakelijke medewerking te verlenen ten behoeve van controle op de conformiteit van de productie, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel f, en het markttoezicht, bedoeld in artikel 158a.

Artikel 26
  • 1. De Dienst Wegverkeer trekt een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring of VN/ECE-goedkeuring in, indien:

    • a. degene aan wie de goedkeuring is verleend, daarom verzoekt; of

    • b. blijkt dat de goedkeuring ten onrechte is verleend.

  • 2. De Dienst Wegverkeer kan een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring of VN/ECE-goedkeuring schorsen of intrekken indien:

    • a. degene aan wie de goedkeuring is verleend een voertuig of systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel, uitrustingsstuk of voorziening voor een voertuig of aanhangwagen daarvan of de voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, doet of laat doorgaan voor goedgekeurd, terwijl dit voertuig of systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel, uitrustingsstuk of voorziening voor een voertuig of aanhangwagen daarvan of de voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, niet overeenstemt met het type waarvoor de goedkeuring is verleend;

    • b. het voertuig of systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel, uitrustingsstuk of voorziening voor een voertuig of aanhangwagen daarvan of de voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers waarvoor de goedkeuring is verleend, desalniettemin een ernstig gevaar vormt voor de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang;

    • c. de goedkeuring ten onrechte lijkt te zijn verleend;

    • d. de verplichtingen, bedoeld in artikel 23, tweede lid, 25 of 28, tweede lid, niet worden nagekomen; of

    • e. degene aan wie de goedkeuring is verleend, handelt in strijd met een of meer andere uit de goedkeuring voortvloeiende verplichtingen.

Artikel 27
  • 1. Indien een fabrikant op de markt aangeboden of in de handel gebrachte voertuigen of systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd, voorzien van een nationale typegoedkeuring of VN/ECE-goedkeuring, of voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers voorzien van een VN/ECE-goedkeuring, uit de handel dient te nemen of dient terug te roepen omdat deze een ernstig gevaar vormen voor de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang, of indien deze niet blijkt te voldoen aan de daaraan voor goedkeuring gestelde eisen, stelt de fabrikant de Dienst Wegverkeer hiervan onmiddellijk in kennis .

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld in verband met de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 28
  • 1. Een aanvraag voor een goedkeuring, ontheffing, vergunning, aanwijzing of een intrekking hiervan bij de Dienst Wegverkeer op grond van een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen of als bedoeld in dit hoofdstuk wordt ingediend op de door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.

  • 2. De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van een aanvraag voor een goedkeuring, ontheffing, vergunning, aanwijzing of een intrekking daarvan door de Dienst Wegverkeer op grond van een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen of op grond van dit hoofdstuk, worden door de Dienst Wegverkeer vastgesteld en komen ten laste van de aanvrager.

§ 2. Verbodsbepalingen
Artikel 29
  • 1. Het is marktdeelnemers verboden voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan waarvoor een EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring is vereist, op de markt aan te bieden of in de handel te brengen:

    • a. zonder dat een dergelijke goedkeuring is verleend;

    • b. indien niet aan de voor een dergelijke goedkeuring gestelde eisen wordt voldaan;

    • c. zonder dat daarvoor door de Dienst Wegverkeer een ontheffing of vergunning op grond van een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen is verleend;

    • d. indien in strijd met de aan een ontheffing of vergunning als bedoeld in onderdeel c, verbonden voorschriften of beperkingen wordt gehandeld; of

    • e. die zijn voorzien van vervalste of onjuiste certificaten van overeenstemming, platen of goedkeuringsmerken met het doel anderen te misleiden.

  • 2. Het is marktdeelnemers verboden inbreuken te maken op een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen, door het gebruik van manipulatie-instrumenten of -strategieën dan wel door testresultaten te vervalsen voor typegoedkeuring of -individuele goedkeuring of markttoezicht.

  • 3. Het is marktdeelnemers verboden voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan op de markt aan te bieden of in de handel te brengen zonder de op grond van een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen bedoelde certificaten van overeenstemming of zonder de in de desbetreffende verordening voorgeschreven platen of goedkeuringsmerken.

  • 4. Het is marktdeelnemers verboden inbreuken te maken op een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen door:

    • a. valse verklaringen af te leggen tijdens goedkeuringsprocedures of procedures die tot terugroeping leiden of zouden kunnen leiden dan wel terwijl er corrigerende of beperkende maatregelen gelden op grond van een van de desbetreffende verordeningen;

    • b. het achterhouden van gegevens of technische specificaties die tot weigering of intrekking van de typegoedkeuring of -individuele goedkeuring zouden kunnen leiden van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan;

    • c. het achterhouden van gegevens of technische specificaties die tot terugroeping van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zouden kunnen leiden; of

    • d. toegang tot informatie te weigeren.

  • 5. Het is marktdeelnemers verboden andere dan de in het eerste tot en met vierde lid genoemde inbreuken op bepalingen van een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen te maken.

  • 6. Bij ministeriële regeling worden de voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid relevante artikelen van de EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen aangewezen.

Artikel 30
  • 1. Het is marktdeelnemers verboden voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan waarvoor een nationale typegoedkeuring, -individuele goedkeuring of VN/ECE-goedkeuring is vereist, of voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers waarvoor een VN/ECE-goedkeuring is vereist op de markt aan te bieden of in de handel te brengen:

    • a. zonder dat een dergelijke goedkeuring is verleend;

    • b. indien niet aan de voor een dergelijke goedkeuring gestelde eisen wordt voldaan;

    • c. zonder dat daarvoor door de Dienst Wegverkeer een ontheffing of vergunning op grond van een deze wet is verleend;

    • d. indien in strijd met de aan een ontheffing of vergunning als bedoeld in onderdeel c, verbonden voorschriften of beperkingen wordt gehandeld; of

    • e. die zijn voorzien van vervalste of onjuiste certificaten van overeenstemming, platen of goedkeuringsmerken met het doel anderen te misleiden.

  • 2. Het is marktdeelnemers verboden gebruik te maken van manipulatie-instrumenten of -strategieën of testresultaten te vervalsen tijdens de goedkeuringsprocedure ten behoeve van een goedkeuringen als bedoeld in het eerste lid of het markttoezicht daarop.

  • 3. Het is marktdeelnemers verboden voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan of voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers op de markt aan te bieden of in de handel te brengen zonder de op grond van deze wet voorgeschreven certificaten van overeenstemming of zonder de voorgeschreven platen of goedkeuringsmerken.

  • 4. Het is marktdeelnemers verboden:

    • a. valse verklaringen af te leggen tijdens goedkeuringsprocedures of procedures die tot terugroeping leiden of zouden kunnen leiden dan wel terwijl er corrigerende of beperkende maatregelen gelden op grond van deze wet;

    • b. gegevens of technische specificaties achter te houden die tot weigering of intrekking van een goedkeuring als bedoeld in het eerste lid, zouden kunnen leiden.;

    • c. gegevens of technische specificaties achter te houden die tot terugroeping van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan of van voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers zouden kunnen leiden; of

    • d. toegang tot informatie te weigeren.

Artikel 31

Het is een technische dienst verboden inbreuk te maken op een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen of op artikel 22 door het niet naleven van de vereisten voor de aanwijzing tot technische dienst.

Artikel 32

Het is verboden een voertuig dat niet is goedgekeurd te gebruiken of op de weg te laten staan tenzij daarvoor een ontheffing of vergunning is verleend als bedoeld in artikel 21, derde lid.

Artikel 33

Het is verboden bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen voorzieningen die zijn bestemd voor de opsporing van bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde misdrijven of overtredingen te belemmeren, te vervaardigen, in te voeren, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, af te leveren of te vervoeren.

F

Artikel 42a, tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. de voertuigcategorieën die worden onderscheiden in de EU-kaderverordeningen;

G

In artikel 48, tweede lid, wordt ‘overeenkomstig artikel 22 of 26 is goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg en, indien na die toelating’ vervangen door: ‘voorzien is van een goedkeuring als bedoeld in artikel 21, tweede lid, en, indien na die goedkeuring’.

H

In artikel 51a, derde lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. indien het ingeschreven voertuig niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet, met uitzondering van hoofdstuk III, vastgestelde eisen;

I

In artikel 60, eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. indien het ingeschreven voertuig niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet, met uitzondering van hoofdstuk III, vastgestelde eisen;

J

Artikel 71 wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

b. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Onverminderd het eerste lid voldoen voertuigen waarmee over de weg wordt gereden aan de bij ministeriële regeling aangeduide artikelen van EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen.

K

De titel van § 6a van hoofdstuk V komt als volgt te luiden:

§ 6a. Erkenningsregeling systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor voertuigen en aanhangwagens daarvan die op de markt mogen worden aangeboden, in de handel mogen worden gebracht of in gebruik mogen worden genomen zonder te zijn goedgekeurd

L

Artikel 92, eerste en tweede lid, komen als volgt te luiden:

  • 1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is om bij algemene maatregel van bestuur aangewezen systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang, die niet zijn goedgekeurd als bedoeld in artikel 21, eerste lid, in te bouwen in voertuigen.

  • 2. De erkenning geldt voor de in de erkenning aangegeven werkzaamheden ter zake van het in voertuigen inbouwen van in de erkenning aangewezen systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang. De erkenning kan gelden voor bepaalde of onbepaalde tijd.

M

Artikel 94, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De Dienst Wegverkeer onderwerpt een bij ministeriële regeling aangewezen aantal systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang, steekproefsgewijs aan een keuring met het oog op het toezicht op de juiste inbouw van het systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel, uitrustingsstuk of voorziening ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang.

N

De titel van § 7 van hoofdstuk V komt als volgt te luiden:

§ 7. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen

O

In artikel 98 wordt ‘dat ingevolge hoofdstuk III tot het verkeer op de weg is toegelaten, na die toelating’ vervangen door: ‘is goedgekeurd als bedoeld in artikel 21, eerste lid, en na die goedkeuring’.

P

In artikel 99, eerste lid, wordt ‘heeft voldaan aan de ingevolge hoofdstuk III en hoofdstuk V voor deze goedkeuring vastgestelde eisen’ vervangen door: ‘heeft voldaan aan de ingevolge een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen of de ingevolge hoofdstuk III en hoofdstuk V voor deze goedkeuring vastgestelde eisen’.

Q

De titel van § 8 van hoofdstuk V komt als volgt te luiden:

§ 8. Erkenningsregeling wijziging goedkeuring voertuigen

R

In artikel 100, eerste lid, wordt ‘voldoet aan de ingevolge hoofdstuk III en hoofdstuk V voor deze goedkeuring vastgestelde eisen’ vervangen door: ‘voldoet aan de ingevolge een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen of ingevolge de in hoofdstuk III en hoofdstuk V voor deze goedkeuring vastgestelde eisen’.

S

Artikel 158 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘hoofdstukken IA, IB en IC’ ingevoegd ‘en het bepaalde bij of krachtens EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen,’.

2. Het tweede lid vervalt.

3. In het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid.

3. In het tweede lid (nieuw) vervalt ‘of tweede lid’.

T

Na artikel 158 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 158a
  • 1. Onder toezicht bedoeld in artikel 158, eerste lid, wordt voor de toepassing van de artikelen 20g, 21, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, onderdeel b, 25, 27, de krachtens artikel 29, eerste tot en met vijfde lid, in verbinding met artikel 29, zesde lid, aangewezen artikelen van EU-verordeningen betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen, en 30 tevens verstaan markttoezicht.

  • 2. Voor de toepassing van het markttoezicht, op grond van de krachtens artikel 29, eerste tot en met vijfde lid, in verbinding met artikel 29, zesde lid, aangewezen artikelen van EU-verordeningen betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen is titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing voor zover dit noodzakelijk is voor een goede taakuitoefening in het kader van het markttoezicht.

U

Het opschrift van hoofdstuk X komt te luiden:

Hoofdstuk X Bestuurlijke handhaving

V

Voor artikel 169 wordt ingevoegd:

§ 1. Last onder bestuursdwang

W

In artikel 169, eerste lid, wordt ‘ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen’ vervangen door ‘ter handhaving van bij of krachtens deze wet of een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen gestelde verplichtingen en verboden’.

X

Na artikel 169 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 169a

Onverminderd artikel 169 is de Dienst Wegverkeer bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de artikelen 25, 27, 29, vierde en vijfde lid en 30, vierde lid, gestelde verplichtingen en verboden.

Y

Na artikel 174 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 2. Bestuurlijke boete
Artikel 174a
  • 1. Onze Minister kan in verband met de aanwijzing, bedoeld in artikel 20b, of een wijziging, schorsing of intrekking daarvan, aan degene die handelt in strijd met de in artikel 20g, tweede en vierde lid, bedoelde verboden een bestuurlijke boete opleggen die overeenkomt met een boete van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 2. De op te leggen bestuurlijke boete kan met maximaal 50% worden verhoogd, indien binnen een periode van 48 maanden tweemaal voor een zelfde feit, elk afzonderlijk in een periode van maximaal 24 maanden voorafgaand aan dat feit, een boete is opgelegd en onherroepelijk is geworden.

Artikel 174b
  • 1. De Dienst Wegverkeer kan in verband met een goedkeuring, bedoeld in artikel 21, tweede lid, of de schorsing of intrekking van een goedkeuring, aan degene die handelt in strijd met de artikelen 21, derde lid, onderdeel b, 25, 27, 29, tweede, vierde en vijfde lid, 30, tweede en vierde lid, en 31 bedoelde verplichtingen en verboden, een bestuurlijke boete opleggen.

  • 2. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 31 kan worden opgelegd, komt overeen met de boete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 21, derde lid, onderdeel b, 25, 27 en 29, tweede, vierde en vijfde lid, of artikel 30, tweede en vierde lid, kan worden opgelegd, komt overeen met de boete van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 4. De op te leggen bestuurlijke boete kan met maximaal 50% worden verhoogd, indien binnen een periode van 48 maanden tweemaal voor een zelfde feit, elk afzonderlijk in een periode van maximaal 24 maanden voorafgaand aan dat feit, een boete is opgelegd en onherroepelijk is geworden.

Artikel 174c
  • 1. Onverminderd artikel 174a en 174b kan onze Minister in verband met het markttoezicht, bedoeld in artikel 158a, aan degene die handelt in strijd met de in de artikelen 20g, 21, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, onderdeel b, 25, 27, 29 en 30 bedoelde verplichtingen en verboden, een bestuurlijke boete opleggen.

  • 2. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 29, derde lid, of artikel 30, derde lid, kan worden opgelegd, komt overeen met de boete van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 20g, eerste lid, artikel 29, eerste lid, of artikel 30, eerste lid, kan worden opgelegd, komt overeen met de boete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 4. De bestuurlijke boete die voor een overtreding van artikel 20g, tweede lid, artikel 21, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, onderdeel b, artikel 25, artikel 27, artikel 29, tweede, vierde en vijfde lid, of artikel 30, tweede en vierde lid, kan worden opgelegd, komt overeen met de boete van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 5. De op te leggen bestuurlijke boete kan met maximaal 50% worden verhoogd, indien binnen een periode van 48 maanden tweemaal voor een zelfde feit, elk afzonderlijk in een periode van maximaal 24 maanden voorafgaand aan dat feit, een boete is opgelegd en onherroepelijk is geworden.

Z

In artikel 177, tweede lid, onderdeel a, wordt ‘33’ vervangen door ‘20h, 32’ en wordt na ‘70i, eerste en tweede lid’ ingevoegd ‘71, eerste lid, en de op grond van het tweede lid van dat artikel genoemde artikelen van de in dat lid bedoelde EU-besluiten’.

ARTIKEL II (WIJZIGING VAN BOEK 7 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK)

In artikel 500, onderdeel a, onder iii) van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt ‘motorvoertuigen in de zin van artikel 3, punt 11, van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PbEU, L 263)’ vervangen door ‘motorvoertuigen in de zin van artikel 3, punt 16, van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L 151)’.

ARTIKEL III (WIJZIGING VAN DE WET BELASTING ZWARE MOTORRIJTUIGEN)

In artikel 3, onderdeel g, van de Wet belasting zware motorrijtuigen, wordt ‘bijlage I bij Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PbEG 2009, L 188), of een lagere emissiegrenswaarde (PbEU 2009, L 188)’ vervangen door ‘bijlage I bij Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6)’.

ARTIKEL IV (WIJZIGING VAN DE WET OP DE BELASTING VAN PERSONENAUTO’S EN MOTORRIJWIELEN 1992

In artikel 9, veertiende lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, wordt ‘alsmede een personenauto die een voertuig voor speciale doeleinden is zoals omschreven in Bijlage II, onderdeel A, punt 5, van Richtlijn 2007/46/EG’ vervangen door ‘alsmede een personenauto die een voertuig voor speciale doeleinden is zoals omschreven in Bijlage I, onderdeel A, punt 5, van Verordening (EU) 2018/858’

ARTIKEL V (WIJZIGING WET OP DE ECONOMISCHE DELICTEN)

De Wet op de economische delicten wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onder 4°, vervalt ‘de Wegenverkeerswet 1994, de artikelen 34, eerste tot en met vierde lid, en 35’.

B

In artikel 1a, onder 2°, wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd ‘de Wegenverkeerswet 1994, artikel 20g, artikel 29, eerste tot en met vijfde lid, in verbinding met artikel 29, zesde lid, en de artikelen 30, 31 en 33’.

ARTIKEL VI (WIJZIGING VAN DE WET WEDERZIJDSE ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VAN GELDELIJKE SANCTIES EN BESLISSINGEN TOT CONFISCATIE*)

In artikel 10, eerste lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. door de bevoegde autoriteiten bij beschikking opgelegde bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 174a, 174b of 174c van de Wegenverkeerswet 1994 voor zover het overtredingen betreft van de artikelen 20b, 29 en 30 van die wet.

    • * Tzt wordt nog een samenloopbepaling toegevoegd ivm de wijziging van deze wet ivm de Wet ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen.

ARTIKEL VII (WIJZIGING VAN DE INVOERINGSWET OMGEVINGSWET)

Indien het bij koninklijke boodschap van 29 juni 2018 ingediende voorstel van wet tot aanvulling en wijziging van de Omgevingswet, intrekking van enkele wetten over de fysieke leefomgeving, wijziging van andere wetten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringswet Omgevingswet) (34 986), tot wet is of wordt verheven, vervalt artikel 2.28 van die wet.

ARTIKEL VIII (OMHANGBEPALING TEN BEHOEVE VAN BESLUIT VOERTUIGEN)

Na inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit voertuigen in plaats van op artikel 34, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, mede op artikel 33 van de Wegenverkeerswet 1994.

ARTIKEL IX (INTREKKING BESLUIT TYPEKEURING MOTORRIJTUIGEN LUCHTVERONTREINIGING)

Het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging wordt ingetrokken.

ARTIKEL X (INWERKINGTREDING)

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 september 2020. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 september 2020, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Deze wetswijziging dient ter uitvoering van meer dan 131 door de Europese Unie (EU) vastgestelde verordeningen en richtlijnen die betrekking hebben op de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen, aanhangers daarvan en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen, die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (hierna: motorvoertuigen cs). In de voorgestelde wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) wordt in verband met de uitvoering van die EU-besluiten, de Dienst Wegverkeer (RDW) aangewezen als goedkeuringsinstantie, de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) als markttoezichthouder en wordt de strafrechtelijke- en bestuurlijke handhaving van overtredingen van deze verordeningen en richtlijnen geregeld. Daarnaast regelt dit wetsvoorstel dat nationale bepalingen over onderwerpen die in de EU-besluiten zijn geregeld zullen vervallen. De bestaande dan nog resterende nationale bepalingen op het gebied van de goedkeuring van motorvoertuigen cs worden opnieuw geredigeerd. Volgens vast kabinetsbeleid is er bij deze wetswijziging sprake van zuivere uitvoering van EU-wetgeving. De EU-besluiten laten de lidstaten geen keuzemogelijkheden die tot extra lasten kunnen leiden. De keuzemogelijkheid voor nationale regels die de verordeningen bieden, komen overeen met de tot op heden ook al bestaande mogelijkheden tot het treffen van nationale regels.

Deze wetswijziging strekt in eerste instantie tot uitvoering van de kaderverordening voor vierwielige motorvoertuigen2 (hierna: verordening (EU) 2018/858). Deze verordening is met ingang van 1 september 2020 van toepassing. Deze kaderverordening vervangt een richtlijn uit 20073, die met name in hoofdstuk III van de Wvw 1994 en de daarop gebaseerde Regeling voertuigen was geïmplementeerd.

Daarnaast dient dit wetsvoorstel tot aanvullende uitvoering van de kaderverordening voor landbouw en bosbouwvoertuigen4 (hierna: verordening (EU) 167/2013) en de kaderverordening voor twee- of driewielige voertuigen5 (hierna: verordening (EU) 168/2013) die al met ingang van 1 januari 2016 van toepassing zijn. De uitvoering van deze verordeningen is ook geregeld in hoofdstuk III van de Wvw 1994 en de daarop gebaseerde Regeling voertuigen.

Ook dient dit wetsvoorstel tot (hernieuwde) uitvoering van andere EU-besluiten die zien op specifieke onderwerpen die relevant zijn bij de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen cs. Twee EU-verordeningen die betrekking hebben op de emissies van motorvoertuigen, waarvan de uitvoering nu onder de Wet milieubeheer (Wm) valt, zullen onder de Wvw 1994 worden gebracht (zie punt 3.5). De recent tot stand gekomen EU-verordening betreffende markttoezicht en conformiteit6 (hierna: verordening (EU) 2019/1020), verlangt dat voor met name genoemde EU-harmonisatiewetgeving op het gebied van de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen cs (zie tabel 3.1), voor zover dat in de harmonisatiewetgeving niet is geregeld, door de lidstaten markttoezichthouders worden aangewezen en sanctiebepalingen worden vastgesteld. Verordening (EU) 2019/1020 is met ingang van 16 juli 2021 van toepassing.

Naast deze wetswijziging is ook een wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur en enkele ministeriële regelingen, zoals een wijziging van de Regeling voertuigen, noodzakelijk. Het zal hierbij met name gaan om het schrappen van overbodige bepalingen en het corrigeren van verwijzingen naar de gewijzigde of ingetrokken internationale- en EU-wetgeving.

Voor een goed begrip van de verordeningen en deze wetswijziging zal in hoofdstuk 2 van deze toelichting eerst een beschrijving worden gegeven van de hoofdlijnen van de Europese en nationale goedkeuringsprocedures van motorvoertuigen (punt 2.1). Daarna zal op de verschillende verordeningen nader worden ingegaan (punt 2.2 tot en met 2.4). Aansluitend zullen de hoofdlijnen van deze uitvoeringswet worden besproken (hoofdstuk 3). In hoofdstuk 4 zal worden ingegaan op de strafbaarstelling, het toezicht en de handhaving van de verschillende verordeningen en resterende nationale bepalingen met betrekking tot de typegoedkeuring van motorvoertuigen. In hoofdstuk 5 zal worden ingegaan op de gevolgen van dit wetsvoorstel en de ontvangen adviezen en reacties op consultaties. In hoofdstuk 6 tenslotte zal worden ingegaan op de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Bij deze memorie van toelichting zijn 3 bijlagen opgenomen met uitvoeringstabellen. Bijlage 1 heeft betrekking op de uitvoering van de drie kaderverordeningen, bijlage 2 op de uitvoering van de emissieverordeningen die onder de Wvw 1994 zullen worden gebracht. Bijlage 3 heeft betrekking op de voor dit wetsvoorstel relevante uitvoering van verordening (EU) 2019/1020.

2. Achtergronden
2.1. Beschrijving op hoofdlijnen goedkeuringsprocedure motorvoertuigen

Alvorens motorvoertuigen cs in de Europese Unie (EU) of in Nederland op de markt gebracht mogen worden, dienen zij te zijn goedgekeurd door een goedkeuringsinstantie. Fabrikanten die binnen en buiten de EU gevestigd zijn, hebben de keuze bij welke goedkeuringsinstantie in de EU zij de aanvraag voor goedkeuring indienen. In Nederland is de Dienst Wegverkeer (RDW) van oudsher als goedkeuringsinstantie aangewezen. Voordat een goedkeuring wordt afgegeven, test een door een goedkeuringsinstantie aangewezen technische dienst of het voertuig voldoet aan de voor de onderdelen van het voertuig geldende Europese-, Nederlandse- of gelijkwaardige eisen van de Verenigde Naties (VN). Een fabrikant kan ook zelf onder toezicht van een technische dienst testen laten doen op deze eisen, maar dan moet die fabrikant daarvoor zijn geaccrediteerd.

Voldoet het voertuig, gelet op de door de door de fabrikant aangeleverde testrapporten of certificaten, aan de (inter)nationaal vastgestelde eisen, dan wordt het voertuig goedgekeurd door de goedkeuringsinstantie. De goedkeuring voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen voor dergelijke voertuigen of aanhangwagens daarvan, kan door goedkeuringsinstanties van verschillende lidstaten zijn verleend. Een fabrikant van een motorvoertuig dat voorzien is van een zogenaamde EU-typegoedkeuring of EU-kleine serie typegoedkeuring, mag dat voertuig in alle EU-lidstaten en de staten die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte (EER), te weten Liechtenstein, Noorwegen en IJsland, op de markt aanbieden of in de handel brengen.

Van oudsher biedt de EU-regelgeving de lidstaten ruimte voor nadere regels met betrekking tot nationale typegoedkeuringen en -individuele goedkeuringen. Een motorvoertuig dat voorzien is van een nationale kleine serie typegoedkeuring of nationale individuele goedkeuring mag in Nederland op de markt worden gebracht. Een andere lidstaat, kan deze nationale goedkeuring erkennen.

Na de afgifte van de goedkeuring houdt de RDW toezicht op de conformiteit van de productie. Indien nadien blijkt dat een voertuig, systeem of onderdeel bijvoorbeeld niet voldoet omdat de testresultaten blijken te zijn vervalst, dan kan de RDW eisen dat het product weer in lijn wordt gebracht met de afgegeven (type)goedkeuring of kan de typegoedkeuring of individuele goedkeuring intrekken.

Met een goedkeuring kan het voertuig worden ingeschreven in het kentekenregister van de lidstaat en kan het, na de verkoop, op naam van de eigenaar worden gezet (tenaamstelling) en is het toegelaten tot het verkeer op de weg.

Daarnaast is in de (internationale) wetgeving voorzien in regels op basis waarvan een fabrikant aan wie een typegoedkeuring is verleend, voertuigen moet terugroepen indien zich een ernstig gevaar kan voordoen voor de verkeersveiligheid, het milieu of de volksgezondheid. De fabrikant moet er dan alles aan doen om de voertuigen te (laten) herstellen en het gevaar te neutraliseren.

Aan het voorgaande kan nog worden toegevoegd dat een groot deel van de besluitvorming op het terrein van de goedkeuring van motorvoertuigen cs ook plaatsvindt binnen de zogenaamde Europese Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, waarbij ook de Europese Commissie namens de lidstaten partij is7. Technische voorschriften die daar worden ontwikkeld vinden uiteindelijk meestal integraal hun voortzetting binnen de geharmoniseerde voertuigeisen van de Europese Unie of in de nationale voertuigeisen. Er zijn echter ook situaties waarbij die omzetting nog niet heeft plaatsgevonden of waarbij fabrikanten bij de RDW, bijvoorbeeld voor voertuigen die niet voor de Europese markt bestemd zijn, goedkeuring vragen op grond van de door de VN vastgestelde regels, in het spraakgebruik aangeduid als VN/ECE-goedkeuring op grond van Overeenkomst 1958 of ’58 Agreement 8. Op basis van deze overeenkomst wordt door de RDW ook goedkeuring verleend voor voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers (bijvoorbeeld voor motorhelmen).

In het geval de hierboven geschetste wetgeving niet volstaat, kan worden teruggevallen op de Warenwet, waarin de EU-richtlijn 2001/95/EG betreffende algemene productveiligheid is geïmplementeerd.

2.2 Verordening (EU) 2018/858: Kaderverordening vierwielige motorvoertuigen

Naast de wens de eerdere richtlijn uit 2007 te actualiseren en om te zetten naar een verordening, heeft de ontdekking van dieselfraude bij diverse autofabrikanten in september 2015 en het gebrek aan instrumenten om daarbij effectief in te grijpen, geleid tot het opstellen van deze nieuwe verordening. De verordening voorziet in een herziening van bepaalde onderdelen van het (type)goedkeuringssysteem en de introductie van markttoezicht op motorvoertuigen. Hierbij valt te denken aan duidelijkere terugroepings- en vrijwaringsprocedures en aan een duidelijkere afbakening van taken en verantwoordelijkheden van marktdeelnemers in de toeleveringsketen en van de bij de handhaving betrokken autoriteiten en partijen. Daarbij dient de onafhankelijkheid van die autoriteiten en partijen te worden gewaarborgd en dienen belangenconflicten te worden voorkomen.

Verordening (EU) 2018/858 is van toepassing op de voertuigen van de categorieën M (vervoer van passagiers), N (vervoer van goederen) en O (aanhangwagens bij deze voertuigen) en op systemen, onderdelen, technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd. In de bijlage bij de verordening wordt, net zoals dat bij de richtlijn uit 2007 het geval was, bepaald aan welke eisen uit andere EU-regelgevingshandelingen (met name verordeningen) of VN/ECE-eisen die betrekking hebben op specifieke onderwerpen (emissies, stuurvoorzieningen, remsystemen, toegestane geluidsniveaus, etc.) moet worden voldaan alvorens goedkeuring kan worden verleend.

Verordening (EU) 2018/858 bevat over diverse onderwerpen veel nieuwe regels ten opzichte van de richtlijn uit 2007. De meest in het oog springende zijn:

  • a. De verplichting voor de lidstaten om naast het aanwijzen van een (type)goedkeuringsinstantie9, die stringenter conformiteitstoezicht moet houden voor en na de verlening van een goedkeuring, een markttoezichtautoriteit aan te wijzen die met specifieke taken zal worden belast, zoals een minimum aantal af te nemen tests;

  • b. meer bevoegdheden voor de Europese Commissie, zoals de mogelijkheid voor de commissie om zelf tests en keuringen te doen;

  • c. de oprichting van een zogenaamd Forum voor de uitwisseling van informatie over handhavingsaspecten;

  • d. de verplichting om met ingang van juni 2026 online gegevens uit te wisselen tussen de lidstaten en de Commissie;

  • e. meer verplichtingen voor (vertegenwoordigers van) fabrikanten, importeurs en distributeurs zoals een verbod op het in de handel brengen van producten die niet aan de verordening voldoen, informatieplicht naar gebruikers en naar de goedkeuringsinstanties;

  • f. meer controle op goedkeuringsinstanties en technische diensten die betrokken zijn bij de goedkeuringen;

  • g. bepalingen over de wijze waarop door fabrikanten, goedkeuringsinstanties en markttoezichthouders gehandeld moet worden nadat is geconstateerd dat voertuigen een gevaar opleveren voor de verkeersveiligheid, het milieu of de volksgezondheid en de in verband daarmee te nemen maatregelen om het gevaar te neutraliseren; en

  • h. mogelijk maken dat voertuigen ook moeten worden teruggeroepen (recall) in geval het voertuig niet overeenstemt met de verleende goedkeuring.

Op basis van de verordening (EU) 2018/858 zullen meer dan 30 uitvoerings- en gedelegeerde handelingen worden vastgesteld. Naar verwachting zullen de kaderverordening, de bijlagen daarbij en de uitvoerings- en gedelegeerde handelingen, net zoals dat bij de richtlijn het geval was, frequent worden gewijzigd en aangepast aan de stand van de techniek.

Net als de richtlijn uit 2007, is deze verordening niet van toepassing op alle voertuigen van de genoemde categorieën. In bijvoorbeeld artikel 42 wordt ruimte voor de lidstaten gelaten om bepaalde voertuigtypen vrij te stellen van de verplichtingen uit de verordeningen, mits voor die voertuigen alternatieve voorschriften worden vastgesteld10.

2.3. Verordening (EU) 167/2013 en 168/2013: Kaderverordening landbouw en bosbouwvoertuigen en Kaderverordening twee- of driewielige voertuigen en vierwielers

Deze kaderverordeningen zijn van toepassing op de voertuigen van de categorieën T en C (trekkers), categorie R (aanhangwagens) en categorie S (verwisselbare getrokken uitrustingsstukken) en op diverse voertuigen van categorie L (voertuigen op twee, drie en vier wielen volgens de indeling in de betreffende verordening). De verplichtingen uit deze verordeningen voor fabrikanten, importeurs, distributeurs en de bepalingen ten behoeve van de (type)goedkeuringsinstantie en de markttoezichthouder, komen in grote lijnen overeen met de bepalingen uit de verordening (EU) 2018/858. In de bijlagen bij deze verordeningen wordt ook verwezen naar andere EU-regelgevingshandelingen zoals voorschriften inzake de functionele voertuigveiligheid, constructie-eisen of milieu- en aandrijfprestaties die in acht moeten worden genomen bij de goedkeuring van de betreffende voertuigen. Op basis van de genoemde kaderverordeningen zijn veel uitvoerings- en gedelegeerde handelingen vastgesteld. De kaderverordeningen, de bijlagen daarbij en de uitvoerings- en gedelegeerde handelingen, worden frequent gewijzigd en aangepast aan de stand van de techniek.

Bij de inwerkingtreding van de verordeningen (EU) 167/2013 en 168/2013 werden eerdere EU-richtlijnen over dit onderwerp ingetrokken. De voor de juiste uitvoering van deze verordeningen verlangde uitvoeringswetgeving is, na wijziging van de Regeling voertuigen11, (vooralsnog) opgenomen in hoofdstuk 3 van die regeling. In de toelichting bij die wijzigingsregeling is toen al aangegeven dat met betrekking tot de goedkeuring van en het markttoezicht op voertuigen het stelsel zoals vastgelegd in de Wvw 1994 en hoofdstuk 3 van de Regeling voertuigen, gehandhaafd diende te blijven tot het moment dat de eerder genoemde richtlijn uit 2007, zou worden vervangen door een kaderverordening. Ook de adequate handhaving van die verordeningen uit 2013 zou op een later moment geregeld worden. Nu verordening (EU) 2018/858 is vastgesteld, wordt nu ook het wettelijke stelsel en de adequate handhaving van deze verordeningen geregeld.

Net als de inmiddels ingetrokken richtlijnen, zijn deze verordeningen niet van toepassing op alle voertuigen van de genoemde categorieën. Zie bieden ruimte voor de lidstaten om bepaalde voertuigtypen vrij te stellen van de verplichtingen uit de verordeningen, mits voor die voertuigen alternatieve voorschriften worden vastgesteld12.

2.4 Andere relevante EU-verordeningen en richtlijnen

Zoals in de punten 2.2 en 2.3 al werd aangegeven wordt in de verschillende kaderverordeningen verwezen naar andere EU-regelgevingshandelingen zoals bijvoorbeeld in verband met de functionele voertuigveiligheid, constructie-eisen of milieu- en aandrijfprestaties die in acht moeten worden genomen bij de goedkeuring van voertuigen cs. In het geval van EU-typegoedkeuringen of individuele EU-goedkeuringen zijn die andere regelgevingshandelingen, via de kaderverordeningen van toepassing. In het geval van nationale goedkeuringen, zijn deze specifieke EU-besluiten, ondanks dat de kaderverordeningen ruimte bieden voor afwijkende, nationale regels in verband met deze goedkeuringen, direct van toepassing. Tot op heden is de uitvoering van deze verordeningen en richtlijnen in hoofdstuk 3 van de Regeling voertuigen geregeld.

Dit is echter anders voor twee door de Europese Unie vastgestelde emissieverordeningen uit 200713 (hierna: verordening (EG) 715/2007) en 200914 (hierna: verordening (EG) nr 595/2009). Deze verordeningen hebben betrekking op de voor goedkeuring van motorvoertuigen relevante emissies door respectievelijk lichte personen- en bedrijfsvoertuigen en zware bedrijfsvoertuigen (voertuig categorieën M en N). Deze verordeningen zijn met ingang van 3 januari 2009 respectievelijk 31 december 2012 van toepassing. In de verordeningen zijn diverse verplichtingen opgenomen waaraan een fabrikant moet voldoen om goedkeuring te kunnen krijgen, daarnaast zijn er enkele verplichtingen opgenomen voor bijvoorbeeld gebruikers van deze voertuigen (zogenoemde permanente eisen). De uitvoeringswetgeving ten behoeve van deze verordeningen (aanwijzing van de RDW als goedkeuringsinstantie en strafbaarstelling van inbreuken op die verordeningen) is opgenomen in het op de Wm gebaseerde Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging15.De aanwijzing van de ILT als toezichthouder volgt direct uit de Wm (artikel 19.2b, lid 1a). Voor zover het de permanente eisen betreft, is de uitvoeringswetgeving geregeld in de Regeling voertuigen. Een deel van de bepalingen uit deze emissieverordeningen wordt met ingang van de inwerkingtreding van verordening (EU) 2018/858 onder die kaderverordening gebracht16. Het betreft met name de verplichting voor fabrikanten om toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen te geven.

Verordening (EU) 2019/1020 heeft, voor zover het de goedkeuring van motorvoertuigen betreft, met name betrekking op het markttoezicht op de in bijlage I (lijst van harmonisatiewetgeving) genoemde richtlijnen en verordeningen die ook zijn opgenoemd in tabel 3.1 in de bijlage bij deze toelichting. Dit betreft kort samengevat, alle verordeningen en richtlijnen, die relevant zijn bij de goedkeuring van voertuigen cs op grond van de hierboven besproken drie kaderverordeningen. Artikel 2 van verordening (EU) 2019/1020 bepaalt dat voor zover in de genoemde richtlijnen en verordeningen niet is voorzien in markttoezicht die verordening daar alsnog in voorziet. Voor zover daar wel in is voorzien, geldt die verordening als aanvulling op het in de genoemde verordening geldende markttoezicht.

Daarnaast regelt verordening (EU) 2019/1020 dat, voor zover het betreft harmonisatiewetgeving zonder bepalingen inzake sancties, namelijk de in bijlage II genoemde richtlijnen en verordeningen (zie daarvoor ook tabel 3.1), de lidstaten sancties op de overtreding van die wetgeving moeten vaststellen (artikel 41 van verordening (EU) nr 2019/1020). De in bijlage II genoemde harmonisatiewetgeving komt overeen met die uit bijlage I en maakt dus ook deel uit van de kaderverordeningen.

Tot slot mag hier ook niet onvermeld blijven dat er ook nog verordeningen zijn ter aanvulling van een of meer van de hierboven bedoelde EU-verordeningen, maar waarbij het niet nodig is een markttoezichthouder aan te wijzen of sanctionering op inbreuken van de verordening te regelen17. Deze verordeningen zijn direct van toepassing.

3. Hoofdlijnen van deze uitvoeringswet
3.1 Inleiding

Alhoewel EU-verordeningen, anders dan richtlijnen, rechtstreeks doorwerken in de nationale rechtsorde van de lidstaten, zijn de lidstaten volgens het EU-recht wel verplicht de nodige uitvoeringsregelgeving vast te stellen om verordeningen te operationaliseren, zodat de verordeningen in een lidstaat daadwerkelijk kunnen worden toegepast en gehandhaafd. Voor de verordeningen waarop dit wetsvoorstel ziet, houdt dit in dat een goedkeuringsinstantie en een markttoezichtautoriteit moeten worden aangewezen. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van de nationale beleidsruimte die de verordeningen bieden om nadere of afwijkende regels te stellen. Tot slot dient te worden voorzien in afdoende sanctionering. Daarnaast moeten de lidstaten nationale regelgeving waarmee hetzelfde wordt beoogd, intrekken. Hoofdstuk III van de Wvw 1994 was met name bedoeld ter implementatie van de eerder aangehaalde ingetrokken richtlijnen. Dit wetsvoorstel voorziet daarom in het intrekken van het huidige hoofdstuk III van de Wvw 1994 voor zover de verordeningen daar al in voorzien.

3.2 Aanwijzen goedkeuringsinstantie (artikel I, onderdeel C (wijziging van artikel 4b van de Wvw 1994)).

Diverse verordeningen verplichten de lidstaten om een (type)goedkeuringsinstantie op te richten, aan te wijzen of gaan er van uit dat er van een goedkeuringsinstantie gebruik wordt gemaakt. Een goedkeuringsinstantie is belast met de verlening, intrekking en weigering van EU-en nationale typegoedkeuringen en individuele goedkeuringen, de aanwijzing van technische diensten die de keuringen feitelijk verrichten en de zorg voor de naleving door fabrikanten van hun verplichtingen inzake de overeenstemming van bijvoorbeeld de voertuigen, systemen, onderdelen, die zij produceren met het goedgekeurde type. De goedkeuringsinstantie die een goedkeuring heeft verleend, moet ook maatregelen nemen om te verifiëren of voldoende is gewaarborgd dat motorvoertuigen die in productie zijn, niet afwijken van het type waarvoor door de goedkeuringsinstantie een goedkeuring is verleend. Vervolgens moet een goedkeuringsinstantie ook de correcte toewijzing van identificatienummers van de motorvoertuigen controleren. De goedkeuringsinstantie die voor een voertuigtype goedkeuring heeft verleend, neemt ook de nodige maatregelen wanneer voertuigen niet met het goedgekeurde type in overeenstemming zijn en kan zo nodig de typegoedkeuring in trekken.

Op grond van artikel 4b Wvw 1994 is de RDW van oudsher belast met deze taak. De RDW is een zelfstandig bestuursorgaan dat onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat valt. Er is geen aanleiding om hier verandering in aan te brengen. Wel wordt de aanwijzing van de RDW meer dan tot nu toe het geval is, gekoppeld aan de taken die voor een goedkeuringsinstantie voortvloeien uit de verordeningen. Daarnaast blijft de RDW ook belast met de nationale- en VN/ECE-goedkeuringen die in hoofdstuk III van de Wvw 1994 geregeld blijven.

3.3 Aanwijzen markttoezichthouder (artikel I, onderdeel T (artikel 158 en 158a (nieuw) van de Wvw 1994))

De verordeningen verplichten de lidstaten om een markttoezichtautoriteit op te richten of aan te wijzen. Een markttoezichtautoriteit is de nationale instantie die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van het markttoezicht op de verordeningen in de lidstaat. Het markttoezicht omvat activiteiten en maatregelen om ervoor te zorgen dat voertuigen die op de markt worden aangeboden, voldoen aan de Europese- en Nederlandse regelgeving. De taken en verplichtingen van de markttoezichtautoriteit zijn omschreven in de verordeningen. De lidstaten dienen overeenkomstig de verordeningen markttoezicht en controles te organiseren en te verrichten met betrekking tot voertuigen cs die op de markt zijn. Op grond van het Besluit aanwijzing toezichthouders artikelen 34 en 35 Wegenverkeerswet 1994 is de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (lees: de ILT) aangewezen als toezichthouder op die artikelen van de Wvw 1994. Dit betekent dat het huidige ILT toezicht beperkt is tot het optreden bij overtreding van het handelsverbod voor niet goedgekeurde voertuigen en bij misleiding of de indruk wekken dat een voertuig is goedgekeurd. Dit toezicht is aanzienlijk beperkter, dan op grond van de verordeningen wordt verlangd. Daarom wordt in dit wetsvoorstel via artikel 158 en het nieuwe artikel 158a Wvw 1994 geregeld dat onder toezicht, tevens markttoezicht wordt verstaan en kan de ILT als markttoezichthouder worden aangewezen. Dit houdt in dat de ILT belast zal worden met alle taken die in de verordeningen aan de markttoezichtautoriteit worden toebedeeld. Voor de duidelijkheid zal in de aanwijzing van de ILT de EU-wetgeving worden genoemd waarop markttoezicht zal worden gehouden. Daarbij zal ook rekening worden gehouden met de verschillende inwerkingtredingsdata die de relevante verordeningen hebben.

Wat betreft het toezicht op de nationale goedkeuringen en VN/ECE-goedkeuringen kan daar nog aan worden toegevoegd dat tevens wordt voorgesteld de ILT ook als markttoezichthouder voor deze goedkeuringen aan te wijzen. Er zijn geen redenen het toezicht bij die goedkeuringen anders te regelen dan het toezicht op EU-goedkeuringen.

3.4 Nationale beleidsruimte in de kaderverordeningen

Het nieuw voorgestelde hoofdstuk III van de Wvw 1994 heeft met name betrekking op de nationale goedkeuringen en VN/ECE-goedkeuringen en waartoe met name de verordening (EU) 2018/858 en 167/2013 de ruimte bieden. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt met name verwezen naar de voetnoot bij de artikelsgewijze toelichting bij het nieuw voorgestelde artikel 21, tweede lid, van de Wvw 1994.

Wat betreft de nationale beleidsruimte van verordening (EU) 168/2013 wordt opgemerkt dat een gedeelte daarvan is opgenomen in het al langer bestaande artikel 20b van de Wvw 1994. Het gaat hier om de aanwijzing voor toelating tot het verkeer van de zogenaamde bijzondere bromfietsen. Bijzondere bromfietsen zijn motorrijtuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm3 of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig. Hiervoor geldt, zoals gezegd, een aanwijzing van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in plaats van een nationale goedkeuring door de RDW. Bij de beoordeling van een verzoek tot aanwijzing maakt de minister gebruik van de op artikel 20b van de Wvw 1994 gebaseerde Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de RDW als adviseur een belangrijke rol nu verplicht om advies van de RDW wordt gevraagd waarbij naar de technische aspecten wordt gekeken en de RDW toeziet op de conformiteit van de productie.

In de brief van 26 februari 2019 (Kamerstukken II 2018/19, 29 398, nr. 674) is aangekondigd dat op de lange termijn het toezicht op deze aanwijzing uitgebreid zou worden, zeker met het oog op de mogelijke toename van het aantal bijzondere bromfietsen. Gelet op de huidige wettekst kan de ILT nu nog geen volledig toezicht houden op het in de handel brengen van deze bijzondere bromfietsen die als zodanig zijn aangewezen. Wel heeft de ILT recent een onderzoekstaak gekregen. Dit betekent dat de ILT onder meer kan verifiëren of de juiste documentatie (zoals een certificaat van overeenstemming) aanwezig is bij een voertuig dat wordt gepresenteerd als bijzondere bromfiets. Hierover kan de ILT rapporteren aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. De ILT richt zich bij dit onderzoek op de distributeur, importeur, de fabrikant of anderszins een aanvrager van een aanwijzing voor een bijzondere bromfiets. Met eventuele bevindingen kan de RDW bij het risicogericht toezicht op de conformiteit van de productie nadat de aanwijzing is verleend, rekening houden. De politie kan op basis van de bevindingen van de ILT gerichter handhaven op het gebruik van bijzondere bromfietsen.

Omdat de aanwijzing als bijzondere bromfiets door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat goed vergelijkbaar is met de nationale goedkeuringen van motorvoertuigen cs door de RDW, wordt een en ander rond bijzondere bromfietsen zo veel mogelijk in lijn gebracht met hoe dit wordt geregeld voor voertuigen waarvoor een nationale goedkeuring wordt gegeven. Zo zijn in het voorstel bepalingen opgenomen over de aanvraag van een aanwijzing en de kosten die daarvoor in rekening worden gebracht, over de mogelijkheid om een aanwijzing te schorsen of in te trekken en over het organiseren van terugroepacties bij ernstige gevaren en het melden van non-conformiteit.

Ook wordt de ILT eenzelfde markttoezichttaak voor de categorie bijzondere bromfiets gegeven als in dit wetsvoorstel wordt voorgestaan voor de nationale- en EU-goedkeuringen. Enerzijds doordat een verbod wordt ingesteld op het aanbieden van niet-aangewezen motorrijtuigen als motorrijtuigen die op de weg mogen worden gebruikt en anderzijds omdat de ILT een passend handhavingsinstrumentarium krijgt. Dit betekent dat in de handelsfase de ILT naast het verrichten van onderzoek ook kan handhaven ten aanzien van motorrijtuigen die niet zijn aangewezen, maar wel als zodanig op de markt worden aangeboden, door middel van bestuurlijke boetes, lasten onder bestuursdwang en lasten onder dwangsom. De marktdeelnemers worden bovendien wettelijk verplicht om mee te werken aan het markttoezicht. De ILT kan hierdoor bijzondere bromfietsen van de markt van ‘toegelaten’ motorrijtuigen weren die niet zijn aangewezen of niet langer voldoen aan de aanwijzing en zodoende zorgen dat deze niet (langer) aangeboden worden aan de gebruiker.

Ook is in dit wetsvoorstel een expliciete verbodsbepaling opgenomen voor het gebruiken of laten staan van niet-aangewezen motorrijtuigen op de weg. Deze bepaling is van belang voor de politie en het OM, om een concrete grondslag te hebben voor het kunnen beboeten van personen die met een niet-aangewezen motorrijtuig rijden.

De in dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen in hoofdstuk IV van de Wegenverkeerswet 1994 zijn voor bijzondere bromfietsen niet van belang. Hoofdstuk IV gaat immers over de kentekening. Bijzondere bromfietsen zijn vooralsnog uitgezonderd van de kentekenplicht. Die keuze wordt echter, zoals in de al eerder aangehaalde kamerbrief al is opgemerkt, op dit moment heroverwogen.

3.5 Emissieverordeningen onder de Wvw 1994

Zoals hierboven onder punt 2.4 al werd opgemerkt zijn er enkele emissieverordeningen die relevant zijn bij de goedkeuring van motorvoertuigen, maar waarvan de uitvoering via het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging is geregeld dat onder de Wet milieubeheer valt. De herziening van hoofdstuk III van de Wvw 1994 biedt de gelegenheid, zoals al diverse malen sinds de laatste herziening van hoofdstuk III van de Wvw 1994 is aangekondigd18, ook deze wetgeving onder de Wvw 1994 te brengen. Als gevolg hiervan zal het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging worden ingetrokken; voor zover nodig zullen enkele nog resterende bepalingen uit de emissieverordeningen in de Regeling voertuigen worden opgenomen. Hierdoor zal alle voor de goedkeuring van voertuigen cs relevante wetgeving onder de Wvw 1994 en de daarbij behorende Regeling voertuigen komen te vallen. Hiermee zal ook het bestaande verschil in hoogte van de sanctiemaatregelen op inbreuken van de verschillende verordeningen (zie punt 4.2) worden opgeheven.

4. Strafbaarstelling, toezicht en handhaving
4.1 Inleiding

In de verschillende verordeningen wordt de lidstaten de verplichting opgelegd sancties vast te stellen bij overtreding van de betreffende verordening door marktdeelnemers, waaronder wordt verstaan fabrikanten, vertegenwoordigers van fabrikanten, importeurs en distributeurs. Het gaat daarbij met name om sancties bij overtredingen tijdens de goedkeuringsprocedure of in het kader van het markttoezicht. De lidstaten dienen alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat die sancties worden toegepast19. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten moeten de Commissie in kennis stellen van de desbetreffende bepalingen en van eventuele latere wijzigingen daarvan. Daarnaast wordt steeds een aantal overtredingen genoemd die in elk geval gesanctioneerd moeten worden. Alhoewel de sanctiebepalingen in de verschillende verordeningen (taalkundig) niet geheel identiek zijn en een nadere duiding hieromtrent zelfs ontbreekt in de in bijlage II van verordening (EU) 2019/1020 genoemde harmonisatiewetgeving, gaat het daarbij, samengevat, om:

  • a) het zonder goedkeuring op de markt aanbieden van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen door dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan waarvoor goedkeuring is vereist, of het met die intentie vervalsen van documenten, certificaten, platen of goedkeuringsmerken;

  • b) het vervalsen van testresultaten voor goedkeuring of conformiteit onder bedrijfsomstandigheden of in verband met markttoezicht;

  • c) het gebruiken van manipulatie-instrumenten;

  • d) het afleggen van onjuiste of valse verklaringen tijdens de goedkeuringsprocedures of de procedures die tot een terugroeping leiden of terwijl er corrigerende maatregelen van toepassing zijn;

  • e) het achterhouden van gegevens of technische specificaties die zouden kunnen leiden tot terugroeping van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden of tot het weigeren of intrekking van de goedkeuring; en het

  • f) het weigeren van toegang tot informatie.

Daarnaast dient er een sanctie te zijn voor het niet-naleven door technische diensten van de vereisten voor hun aanwijzing op grond van verordening (EU) 2018/858).

De sanctionering van de hierboven genoemde inbreuken op de verordeningen komt naast de mogelijkheid voor de goedkeuringsinstantie tot het intrekken van de goedkeuring of het intrekken van de aanwijzing als technische dienst.

4.2 Huidige sanctiestelsel: Wegenverkeerswet 1994 en Wet milieubeheer

Het huidige systeem van sanctionering van de goedkeuringswetgeving op basis van de Wvw 1994, (kort samengevat: die van toepassing is op de wetgeving met betrekking tot de voertuigcategorieën die worden bedoeld in de drie kaderverordeningen uit 2013 en 2018), voldoet aan de (toentertijd bestaande) verplichtingen die voortvloeiden uit de (inmiddels ingetrokken) richtlijnen. Daarin stond dat de lidstaten sancties dienen vast te stellen die van toepassing zijn in geval van overtreding van de bepalingen van de richtlijnen.

Op dit moment wordt de wetgeving inzake de goedkeuring van voertuigen op basis van de Wvw 1994 als volgt gesanctioneerd:

  • gebruik van een niet goedgekeurd voertuig op de weg (artikel 33) is gesanctioneerd met een hechtenis van maximaal 2 maanden of een boete 2e categorie (art 177 Wvw 1994);

  • overtreden van het handelsverbod voor niet goedgekeurde voertuigen en misleiding of de indruk wekken dat een voertuig is goedgekeurd (artikel 34 en 35) is een economisch delict en als overtreding gesanctioneerd via de Wet op de economische delicten (WED) met maximaal 6 maanden hechtenis of een boete van de vierde categorie (artikel 1, onder 4°, jo artikel 6, eerste lid, onder 5°, WED).

De sanctionering van de twee emissieverordeningen uit 2007 en 2009 op basis van de Wet milieubeheer, is als volgt geregeld. Het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging waarin de sanctionering van die verordeningen is geregeld, berust op de artikelen 9.5.1 en 9.5.6 van de Wet milieubeheer. Overtreding van deze voorschriften is een economisch delict (artikel 1a, onder 2°, van de WED). Opzettelijke overtreding is een misdrijf (zie artikel 2, eerste lid, van de WED); in de overige gevallen zijn het overtredingen. In geval van een misdrijf is de sanctionering een gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaar, taakstraf of geldboete van de vierde categorie (artikel 6, eerste lid, onder 2 ° van de WED). In geval van overtredingen kan een hechtenis van ten hoogste zes maanden, taakstraf of boete van de vierde categorie worden opgelegd (artikel 6, eerste lid, onder 5°, van de WED).

In beide wettelijke systemen bestaat daarnaast voor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (lees: ILT) de mogelijkheid van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de genoemde wetten.

4.3 Nieuw sanctiestelsel
4.3.1 Inleiding

Het opstellen van de voor de uitvoering van de verordeningen noodzakelijke uitvoeringswetgeving geeft aanleiding het huidige sanctiestelsel te heroverwegen. In verband hiermee is gekeken naar de discussie die in Nederland al enige jaren speelt over de wijze van sanctioneren (bestuurlijk, strafrechtelijk of duaal), de hoogte van de op te leggen sancties en de rechtsbescherming in dat kader. Hierbij is met name relevant het advies van de Raad van State uit 201520, en de reactie daarop van het kabinet in het uitgebrachte nader rapport21 en de documenten die in dat nader rapport worden genoemd, zoals met name de kabinetsnota over de uitgangspunten bij de keuze van een sanctiestelsel22.

Uit de hierboven aangehaalde documenten blijkt dat met betrekking tot de sanctionering van de verordeningen in beginsel alle modaliteiten (bestuurlijke-, strafrechtelijke of duale handhaving) mogelijk zijn.

4.3.2 Strafrechtelijke handhaving

Strafrechtelijke handhaving is aan de orde bij de naar hun aard meest ernstige normschendingen. In dat geval zal ook al snel behoefte bestaan aan (de dreiging van) meer dan financiële sanctionering om met de ernst van de normschending evenredige straf op te leggen zoals vrijheidsbeneming of stilleggen van de onderneming. Voordeel van het strafrecht is dat het vergaande opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen kent. Ook in het geval er sprake is van een noodzaak tot internationale samenwerking (grensoverschrijdende criminaliteit) kan het strafrecht een uitkomst bieden. Gelet op het doel en de inhoud van de verordeningen en met name het feit dat de dieselfraude bij diverse autofabrikanten een belangrijke reden is geweest voor het vaststellen van verordening (EU) 2018/858, ligt (ongewijzigde) handhaving van de strafrechtelijke handhaving via de WED, van overtredingen genoemd in punt 4.1, in de rede. Het betreft immers delicten van economische aard. Het betreft hier belangrijke verplichtingen voor fabrikanten, vertegenwoordigers, importeurs en distributeurs. Dit zijn vaak grote ondernemingen die aan het begin van de handelsketen staan. De detailhandel moet er op kunnen vertrouwen dat de producten die zij van hen inkopen of doorverkopen voldoen aan de wettelijke eisen. Zoals hierboven al bleek, is er op dit moment echter een verschil in sanctionering via de WED tussen de Wvw 1994 en de Wm, met name waar het betreft de hogere sanctie na het opzettelijk begaan van strafbare feiten. Voorgesteld wordt deze ongelijkheid tussen vergelijkbare delicten te corrigeren en daarmee overtreding van de goedkeuringswetgeving in de Wvw 1994 te sanctioneren zoals in het huidige stelsel van de Wm. Deze sanctionering zal naar verwachting meer doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn dan de huidige sanctionering op basis van de Wvw 1994, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen opzettelijk en niet opzettelijk begaan van strafbare feiten.

In aanvulling op het voorgaande wordt nog opgemerkt dat de huidige strafrechtelijke handhaving waar het betreft het ongekeurd op de weg laten staan of met een ongekeurd voertuig te rijden, ongewijzigd gehandhaafd blijft (nieuw artikel 32 (voorheen artikel 33) juncto artikel 177 van de Wvw 1994) of, in het geval van de bijzondere bromfiets, nieuw wordt toegevoegd (artikel 20h van de Wvw 1994).

4.3.3 Introductie bestuurlijke boete

Op dit moment bestaat noch in de Wvw 1994 noch in de Wm de mogelijkheid tot het opleggen door de ILT of RDW van een bestuurlijke boete bij overtredingen door marktdeelnemers van de (type)goedkeuringswetgeving. In verband daarmee hebben zowel de ILT als de RDW aangegeven dat door de hierboven geschetste handhavingssystematiek het toezicht op de goedkeuringswetgeving minder slagvaardig is dan gewenst.

De wens tot introductie van de bestuurlijke boete, naast strafrechtelijke handhaving, staat niet op zich. Ook op andere rechtsgebieden waar typegoedkeuring een rol speelt (en waarbij met name sprake is van extra eisen op het gebied van informatievoorziening en traceerbaarheid van producten) en waarbij het markttoezicht op fabrikanten, vertegenwoordigers van fabrikanten, importeurs en distributeurs wordt verbeterd en aangescherpt is de mogelijkheid van bestuurlijke boete geïntroduceerd. Dit is bijvoorbeeld het geval in verband met de EU-wetgeving in het kader van het sinds 2008 geïntroduceerde zogenaamde Nieuw Wettelijk Kader (NWK) van de Europese Unie23 (zie bijvoorbeeld de Wet pleziervaartuigen 2016 of Wet scheepsuitrusting 2016). De te sanctioneren inbreuken op basis van de EU-wetgeving met betrekking tot de goedkeuring in de zin van het NWK zijn tot op zekere hoogte vergelijkbaar met de te sanctioneren inbreuken die worden genoemd in de voor dit wetsvoorstel relevante EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen cs.

Voor de introductie van een bestuurlijke boetebevoegdheid zal, gelet op de in punt 4.3.1 genoemde documenten, moeten worden onderbouwd dat:

  • voldaan is of zal worden aan organisatorische randvoorwaarden, waaronder de aanwezigheid van een voldoende toegerust en professioneel bestuursorgaan en de beschikbaarheid van kwantitatief en kwalitatief voldoende capaciteit;

  • er sprake is van veelvoorkomende en betrekkelijk lichte overtredingen die eenvoudig zijn vast te stellen of waarbij verwacht mag worden dat in de praktijk doorgaans geen rechterlijk oordeel zal worden ingeroepen over de sanctie of de toegepaste bevoegdheden; en

  • het bestuursorgaan beschikt over bijzondere expertise terwijl die onvoldoende voor handen is bij het Openbaar Ministerie (OM) en politie, zeker in het geval de handhaving wel veel specifieke kennis en kunde vereist. Als bepaalde overtredingen niet vaak voorkomen is het voor OM en politie niet lonend om deze deskundigheid op te bouwen.

In het kader van de handhaving van de verordeningen lijken er gelet op het voorgaande geen belemmeringen te zijn om naast strafrechtelijke handhaving, bestuurlijke handhaving door de ILT en RDW in de Wvw 1994 te introduceren voor betrekkelijk lichte overtredingen die eenvoudig zullen zijn vast te stellen zoals bij overtredingen als genoemd in punt 4.1. Voorgesteld wordt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat deze mogelijkheid ook te bieden in het kader van de aanwijzing van de bijzondere bromfiets. Deze aanwijzing is, zoals al eerder gezegd, goed vergelijkbaar met de goedkeuring door de RDW.

De ILT heeft vanuit andere wetten, zoals bijvoorbeeld de al eerder aangehaalde scheepvaartwetten, al ervaring met het instrument van de bestuurlijke boete. De organisatorische randvoorwaarden zoals expertise met betrekking tot de Algemene wet bestuursrecht zijn daar aanwezig. Uit de beperkte ervaringen als toezichthouder op de goedkeuringswetgeving op basis van de Wvw 1994 en de Wm, blijkt dat er sprake is van veelvoorkomende en betrekkelijk lichte overtredingen (inbreuken op de verordeningen) die eenvoudig zijn vast te stellen en waarbij door de beboete (rechts)personen in de praktijk naar verwachting doorgaans geen rechterlijk oordeel zal worden ingeroepen over de sanctie of de toegepaste bevoegdheden, zoals het met onjuiste merktekenen of platen op de markt aanbieden van voertuigonderdelen.

Alhoewel de ILT voor de verordeningen uit 2013 en 2018 nog niet als markttoezichthouder is aangewezen, beschikt de ILT, omdat deze dienst al wel belast is met het toezicht op de artikelen 34 en 35 van de Wvw 1994 en de Wm, al wel over enige kennis en expertise op het gebied van de goedkeuringswetgeving. De verordeningen verlangen echter een intensiever markttoezicht dan tot nu toe het geval was. Ook het vastgestelde aantal af te nemen tests op grond van verordening (EU) 2018/858 is nieuw. Wat betreft het instrument van de bestuurlijke boete wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld in artikel 174c Wvw 1994 de ILT, voor een aantal met name genoemde inbreuken op de EU-verordeningen in het kader van het markttoezicht op EU-goedkeuringen en vergelijkbare nationale goedkeuringen de mogelijkheid te bieden tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

De RDW heeft tot op heden geen ervaring met het instrument van bestuurlijke boete. Bij de taakuitoefening als goedkeuringsinstanties kunnen zich echter situaties voordoen waarbij dit instrument de betere naleving van wetgeving te goede zal komen. De RDW heeft daarom aangegeven graag te willen gaan werken met het systeem van de bestuurlijke boete. Om deze reden wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld de RDW, voor inbreuken in het kader van de goedkeuringsprocedure, de mogelijkheid te bieden een bestuurlijke boete op te kunnen leggen (nieuw artikel 174b van de Wvw 1994). Alhoewel de RDW nog geen ervaring met het systeem van bestuurlijke boete heeft, heeft het als bestuursorgaan, wel kennis en expertise op het gebied van het bestuursrecht en met name de Algemene wet bestuursrecht. Bij relatief lichte overtredingen bestaat tot op heden slechts de mogelijkheid de goedkeuring in te trekken. Via dit wetsvoorstel wordt daar de mogelijkheid tot schorsing van de goedkeuring aan toegevoegd. Dit zijn echter in veel gevallen te zware middelen. Het informeren van het OM ten behoeve van strafrechtelijke sanctionering wordt in dergelijke gevallen eveneens als een te zwaar middel gezien. Om die reden wordt de bestuurlijke boete als meer passend beschouwd. De RDW heeft tot de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel de tijd zich voor te bereiden op de introductie van de bestuurlijke boete.

Naar verwachting zal de bestuurlijke boete bijdragen aan de bevordering van de naleving van de goedkeuringswetgeving nu de ILT en RDW de mogelijkheid krijgen een punitieve sanctie van financiële aard op te laten leggen (lik-op-stuk). De kans dat bijvoorbeeld onjuist verstrekte informatie door een fabrikant of andere marktdeelnemer ongestraft blijft zal aanzienlijk verminderen. Zeker nu wordt voorgesteld het mogelijk te maken om deze geldelijke sancties ter inning over te dragen aan een andere lidstaat van de Europese Unie (zie artikel VI-wijziging van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie). Het voorgaande neemt echter niet weg, dat, indien daar aanleiding toe bestaat, naast de bestuurlijke boete, ook schorsing of intrekking van de goedkeuring nog aan de orde kan zijn. Dit kan betekenen dat voor een vergelijkbare inbreuk, zoals bijvoorbeeld misleiding, zowel de ILT in het kader van het markttoezicht moet optreden als de RDW bij onderzoek of intrekking van de goedkeuring aan de orde is. De genoemde diensten zullen over de wijze van samenwerking in dergelijke samenloopsituaties met elkaar en met het OM afspraken maken. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in het kader van de aanwijzing van de bijzondere bromfiets.

5. Gevolgen, adviezen en consultaties
5.1 Regeldruk gevolgen en toetsing door Adviescollege toetsing regeldruk (ATR).

Deze wetswijziging beoogt alleen de verordeningen te operationaliseren voor zover zij dat nog niet waren, zodat zij op de door de Europese wetgever beoogde wijze in Nederland kunnen worden toegepast. Het gaat om de (verplichte) aanwijzing van een markttoezichthouder en een goedkeuringsinstantie en om de (verplichte) regeling van de handhaving. De keuzemogelijkheid voor nationale regels die de verordeningen bieden, komen overeen met de tot op heden ook al bestaande mogelijkheden tot het treffen van nationale regels. Dit betekent dat dit wetsvoorstel niet leidt tot nieuwe administratieve lasten of andere lasten voor bedrijven of burgers (regeldruk gevolgen). Zoals gebruikelijk is een concept van dit wetsvoorstel voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). De ATR heeft geen formeel advies uitgebracht over het voorstel van wet omdat het zich kan vinden in de analyse dat het in dit geval zuivere uitvoering van EU-wetgeving betreft.

Voor de volledigheid wordt hier nog aan toegevoegd dat wat betreft de lasten die voortvloeien uit verordening (EU) 2018/858, uit een door de Europese Commissie uitgevoerde impact assessment volgt dat de implementatie van die verordening als dusdanig een beperkte lastenverhoging als gevolg heeft. De lastenverhoging komt voort uit de toename van toezicht en bijbehorende documentatie. De geraamde kosten voor de uitvoering van verordening (EU) 2018/858 zijn echter, naar de mening van de Commissie, een orde van grootte lager dan de geraamde voordelen die onder andere ontstaan door het verminderen van de waarde van de markt voor non-conforme en onveilige automobielproducten. Ondanks het ontbreken van een uitsplitsing van deze kosten en baten per lidstaat in de impact assessment, ligt het in de lijn der verwachting dat ook in Nederland de voordelen van deze verordening hoger zijn dan de kosten.

5.2 Internetconsultatie

Een internetconsultatie over het ontwerp van dit wetsvoorstel heeft niet plaatsgevonden. Deze vindt niet plaats indien de consultatie niet in betekende mate kan leiden tot aanpassing van het voorstel, zoals bij implementatie- of uitvoeringsregelgeving waarbij, zoals hierboven al aangegeven, geen nationale beleidsruimte is.

5.3 Gevolgen voor de ILT
5.3.1 Inleiding

Omdat de verordeningen aanwijzing van een markttoezichthouder verlangen, waarvoor de ILT zal worden aangewezen, en de ILT in de praktijk nog weinig invulling heeft gegeven aan het toezicht op eerdere EU-verordeningen op het gebied van de (type)goedkeuring van motorvoertuigen, heeft de ILT op verzoek van de Minister van IenW een handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets (HUF-toets) uitgevoerd op zowel verordening (EU) 2018/858 als op de verordeningen (EU) 715/2007, 595/2009, 167/2013 en 168/2013. Tegelijkertijd met de HUF-toets op de laatstgenoemde vier verordeningen is ook is een HUF-toets uitgevoerd op een concept van het voorliggende wetsvoorstel. De integrale tekst van de HUF-toetsen wordt op de wetgevingskalender gepubliceerd. Hieronder zullen kort de belangrijkste punten worden besproken die in de toetsen naar voren zijn gebracht. In reactie daarop wordt opgemerkt dat de opmerkingen, gesignaleerde punten en – zorgen worden herkend. Over diverse onderwerpen zal de komende periode nog nader overleg met de ILT en tussen de RDW en de ILT nodig zijn. Bij het opstellen van het onderhavige wetsvoorstel is, voor zover mogelijk, rekening gehouden met de door de ILT gemaakte opmerkingen.

5.3.2 HUF-toets verordening (EU) 2018/858

In de op 15 mei 2019 uitgebrachte HUF-toets op verordening (EU) 2018/858, merkt de ILT op dat, mits over de juiste middelen kan worden beschikt en met inachtneming van de onderstaande punten, de verordening uitvoerbaar en handhaafbaar zal zijn. De ILT is echter wel van mening dat het toezicht en daarmee de handhaving niet sluitend is in te richten. Dit heeft te maken met het brede toepassingsgebied van de kaderverordening en de grote diversiteit aan producten en voertuigen die er onder vallen. Het is niet mogelijk en niet effectief om ieder jaar op elk product actief toezicht te houden. Daarbij komt dat toezichthouders uit de verschillende lidstaten ook verschillend kijken naar typegoedkeuringen. De grootste impact voor de ILT komt voort uit de verplichte aantallen testen die jaarlijks moeten worden uitgevoerd, mede omdat daarbij ook emissietesten gedaan zullen moeten worden, terwijl dergelijke testen nu nog niet door de ILT wordt gedaan.

Inhoudelijk wordt door de ILT opgemerkt dat zij voornemens is het toezicht op verordening (EU) 2018/858 op dezelfde wijze in te regelen als het al langer bestaande markttoezicht op verkeersproducten. Daarvoor heeft de ILT behoefte aan zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke instrumenten die nu (te) beperkt aanwezig zijn in de Wvw 1994. Daarnaast gaat de ILT in de HUF-toets in op de verschillende rapportageverplichtingen, informatie-uitwisseling en de risico’s in het toezicht op individuele goedkeuringen en het toekennen van ontheffingen in het kader van nieuwe technologieën en de rol van de Europese commissie daarbij. De ILT wil graag in een samenwerkingsovereenkomst met de RDW vastleggen hoe de verschillende rollen worden ingevuld en waar de verantwoordelijkheid van de één ophoudt en die van de ander begint. Deze punten zijn bijvoorbeeld relevant bij het toezicht op technische diensten en in situaties waarbij een product is goedgekeurd terwijl de ILT een inbreuk op de verordening constateert. Daarnaast wijst de ILT op de mogelijke gevolgen van de Brexit, waardoor voertuigen uit het Verenigd Koninkrijk niet langer onder de EU-wetgeving vallen. Ook merkt de ILT op dat nog geen uitspraak kan worden gedaan over de consequenties van de door de EU aangekondigde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen omdat deze nog niet zijn vastgesteld.

Tenslotte worden door de ILT de uitvoeringskosten en personele gevolgen van deze verordening in beeld gebracht.

5.3.3 HUF-toets op verordeningen (EU) 715/2007, 595/2009, 167/2013 en 168/2013

In de op 12 juli 2019 uitgebrachte HUF-toets op deze verordeningen gaat de ILT op dezelfde punten in als in punt 5.3.2 al besproken zijn in de HUF toets op verordening (EU) 2018/858. In aanvulling daarop merkt de ILT op dat de ILT op dit moment nog niet als markttoezichthouder voor de emissieverordeningen uit 2007 en 2009 is aangewezen. Dat wordt middels dit wetsvoorstel geregeld. Bij de ILT zal zowel voor deze verordeningen als voor verordening (EU) 167/2013 (land- en bosbouw voertuigen) kennis en expertise moeten worden opgebouwd.

5.3.4 HUF-toets op concept voorstel van wet

Wat betreft de concept-wettekst die voor een HUF-toets is voorgelegd wordt door de ILT opgemerkt dat het Besluit aanwijzing toezichthouders artikelen 34 en 35 Wegenverkeerswet, zal moeten worden aangepast in verband met de uitvoering van de verschillende verordeningen. Omdat hierin in de tekst die voor een HUF-toets voorlag niet was voorzien, vraagt de ILT zich af of de toezichtstaak van de ILT zal worden uitgebreid met het toezicht op artikel 20b van de Wvw 1994 (bijzondere bromfiets). Dit is het geval. Daarnaast maakt de ILT opmerkingen over het ten onrechte ontbreken van VN/ECE-goedkeuringen in het nieuw voorgestelde artikel 21, het onvoldoende duidelijke onderscheid tussen taken van de RDW en ILT in het kader van de artikelen 29 en 30, 169 en 169a, en 174a tot en met 174c. Ook wijst de ILT op een aantal onduidelijkheden en omissies in de toelichting. De opmerkingen van de ILT hebben geleid tot aanpassingen in de concept-wettekst en de memorie van toelichting.

5.3.5 Overige opmerkingen met betrekking tot andere EU-wetgeving

In de op 12 juli 2019 uitgebrachte HUF-toets, gaat de ILT ook nog in op enkele andere EU-richtlijnen en verordeningen die raken aan het toezicht op verkeersproducten en die niet zijn meegenomen in de HUF-toets. De ILT zou graag meer inzicht willen krijgen in EU-richtlijn 1994/94/EG en EU-verordening 1222/2009. In reactie daarop wordt opgemerkt dat de genoemde EU-wetgeving geen betrekking heeft op de typegoedkeuring van voertuigen, maar op de etikettering van (voertuig)onderdelen. Om deze reden is deze EU-wetgeving niet meegenomen bij het verzoek om een HUF-toets maar ook niet bij dit wetsvoorstel.

Daarnaast vraagt de ILT aandacht voor de richtlijnen en verordeningen die betrekking hebben op de typegoedkeuring van voertuigen die worden genoemd in bijlage 1 bij verordening (EU) 2019/1020. In reactie op deze vraag wordt opgemerkt dat het onderhavige wetsvoorstel de mogelijkheid biedt, ter uitvoering van die verordening, de ILT, met ingang van juli 2021, het moment van inwerkingtreding van die verordening, op grond van artikel 158 en het nieuwe artikel 158a van de Wvw 1994 ook aan de wijzen als markttoezichthouder voor alle betrokken EU-richtlijnen en verordeningen. Ook biedt dit wetsvoorstel, voor zover de richtlijnen en verordeningen waarvoor daarin in dit wetsvoorstel niet wordt voorzien, te voorzien van passende sanctionering. In verband daarmee zijn punt 2.4 en bijlage 3 aan deze memorie van toelichting toegevoegd.

Tenslotte vraagt de ILT aandacht voor nieuwe soorten voertuigen die op dit moment niet voorzien zijn van een goedkeuring maar ook niet onder de goedkeuringswetgeving van de Wvw 1994 vallen. In reactie daarop wordt opgemerkt dat de voorgestelde nieuwe redactie van artikel 21, tweede lid, onderdeel b, van de Wvw 1994 voor soorten voertuigen die niet onder de kaderverordeningen vallen, de lidstaten de mogelijkheid biedt hiervoor regels vast te stellen. Omdat deze nieuw op te stellen regels, buiten het kader van de onderhavige uitvoeringswetgeving vallen, zullen deze, zo nodig, wel op een later moment in de Regeling voertuigen kunnen worden opgenomen.

5.4 Gevolgen voor de RDW
5.4.1 Inleiding

Omdat de RDW als goedkeuringsinstantie al langer belast is met de uitvoering van EU-wetgeving is de RDW alleen gevraagd een uitvoeringstoets uit te voeren op verordening (EU) 2018/858. Daarnaast is de RDW gevraagd een uitvoeringstoets uit te voeren op het voorliggende wetsvoorstel. De integrale tekst van de uitvoeringstoetsen wordt op de wetgevingskalender gepubliceerd. Hieronder zullen kort de belangrijkste punten worden besproken die in de toetsen naar voren zijn gebracht. In reactie daarop wordt opgemerkt dat de opmerkingen en gesignaleerde punten worden herkend. Over diverse onderwerpen zal nog nader overleg met de RDW en tussen de RDW en de ILT nodig zijn. Bij het opstellen van het onderhavige wetsvoorstel is, voor zover mogelijk, rekening gehouden met de door de RDW gemaakte opmerkingen.

5.4.2 Uitvoeringstoets verordening (EU) 2018/858

Nadat in het najaar van 2018 door de RDW een concept-uitvoeringstoets is opgesteld, is op 15 augustus 2019 een definitieve uitvoeringstoets uitgebracht. Hierin merkt de RDW op dat uitvoering van de verordening per 1 september 2020 naar verwachting haalbaar zal zijn. Maar omdat er de komende jaren nog 32 uitvoeringshandelingen op basis van deze nieuwe verordening zullen worden vastgesteld, waarin diverse aspecten van de verordening nog nader zullen worden uitgewerkt, is het niet mogelijk een volledige impact-analyse te geven. Daaraan wordt door de RDW nog toegevoegd dat over diverse aspecten, zoals bijvoorbeeld terugroeping van voertuigen (recall), nog afstemming zal moeten plaatsvinden met de markttoezichthouder ILT.

Inhoudelijk wordt door de RDW opgemerkt dat als gevolg van deze nieuwe verordening de RDW er geen nieuwe taken bij krijgt. Alhoewel verordening (EU) 2018/858 de opvolger is van richtlijn 2007/46/EU, zijn met deze nieuwe verordening wel talloze aanpassingen en verbeteringen doorgevoerd. Deze kunnen worden geïmplementeerd door aanpassing van de bestaande RDW processen en ICT-systemen. Deze aanpassingen brengen wel aanzienlijke incidentele en structurele kosten met zich, die voor een gedeelte in de tarieven die de RDW in rekening brengt bij goedkeuringsprocedures, zullen doorwerken.

In de uitvoeringstoets gaat de RDW, aan de hand van verschillende bepalingen uit de verordening ook uitgebreid in op de juridische aspecten, de personele en organisatorische consequenties, gevolgen voor de informatievoorziening en automatisering, doorlooptijden, effecten op het interne beleid van de RDW, interne- en externe communicatie en risico’s en randvoorwaarden.

5.4.3 Uitvoeringstoets concept voorstel van wet

In de op 15 augustus 2019 uitgebrachte uitvoeringstoets op een concept van dit wetsvoorstel gaat de RDW in op de gevolgen van de nieuwe redactie van hoofdstuk III van de Wvw 1994. Alhoewel de noodzaak van deze nieuwe redactie, wordt onderschreven, betekent dit ook aanpassing van interne instructies van de RDW. Ook gaat de dienst in op de gevolgen voor de lagere regelgeving als gevolg van het voorstel om in artikel 1 de definities van aanhangwagen en bromfiets in lijn te brengen met de definities in de kaderverordeningen. In reactie daarop zijn de voorgestelde definities vervallen en is de aanhef van artikel 1, eerste lid, van de Wvw 1994 aangepast. Daarnaast wijst de RDW terecht op het verschil tussen de drie kaderverordeningen en de emissieverordeningen die in de wettekst en memorie van toelichting die ter toetsing voorlagen, onvoldoende duidelijk naar voren kwam. Ook wijst de RDW, net als de ILT, op het feit dat er voor verschillende bijzondere soorten voertuigen nog geen regels zijn. Hierdoor is voor die voertuigen bijvoorbeeld geen goedkeuring op grond van hoofdstuk III van de Wvw 1994 mogelijk. In dergelijke gevallen maken wegbeheerders gebruik van de vrijstellings- en ontheffingsmogelijkheden die hoofdstuk VII van de Wvw 1994 bieden en worden deze voertuigen toch toegelaten voor gebruik op de weg. Dit leidt in de praktijk tot onduidelijkheden. De door de RDW geuite zorgen op dit punt worden herkend, maar vallen buiten de reikwijdte van deze uitvoeringswet. Deze opmerkingen geven wel aanleiding hier op korte termijn nader onderzoek naar te doen. Alle overige door de RDW gemaakte (redactionele) opmerkingen en suggesties, die deels ook al werden opgemerkt door de ILT, zijn in de wettekst en deze memorie van toelichting verwerkt.

6. Inwerkingtreding

Dit wetsvoorstel zal met ingang van 1 september 2020, de datum waarop de kaderverordening vierwielige motorvoertuigen van toepassing wordt, in werking treden. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, later wordt uitgegeven, dan treedt de wet de dag na die plaatsing in werking. Omdat het uitvoering van EU-wetgeving betreft wordt zo nodig afgeweken van het voor de inwerkingtreding van wetgeving vastgestelde vaste verandermoment alsmede van de daarvoor vastgestelde publicatiedatum.

Overgangsrecht is niet nodig. Met uitzondering van verordening (EU) 2018/858 en verordening (EU) 2019/1020 zijn alle verordeningen al van kracht. Verordening (EU) 2018/858 voorziet zelf al in overgangsrecht voor voertuigen die al voor inwerkingtreding van de verordening zijn goedgekeurd, op grond van de implementatiewetgeving van de richtlijn uit 2007 die gelijktijdig wordt ingetrokken. Op basis van die richtlijn afgegeven goedkeuringen blijven van kracht. Technische diensten die al voor 4 juli 2018 (de datum van vaststelling van de kaderverordening vierwielige motorvoertuigen) waren aangewezen, worden uiterlijk op 5 juli 2022 aan de kaderverordening getoetst.

Artikelsgewijs deel

Artikel I (Wijziging van de Wvw 1994)
Onderdeel A (wijziging artikel 1 van de Wvw 1994)
Eerste lid:

Een aantal definities, zoals bijvoorbeeld de definitie van aanhangwagen en bromfiets, in het eerste lid van artikel 1 van de Wvw 1994 komen niet overeen met de definities die voor die voertuigen worden gehanteerd in de drie kaderverordeningen. Omdat deze definities ook voor andere onderwerpen uit de Wvw 1994 relevant zijn, waarbij van oudsher of op grond van andere rechtshandelingen van de EU een andere definitie wordt gebruikt, wordt voorgesteld de huidige definities ongewijzigd te handhaven, maar wel de mogelijkheid te bieden, zo nodig elders in de Wvw 1994 of de lagere regelgeving, afwijkende definities vast te stellen. De wijziging van de aanhef van het eerste lid, voorziet daar in (onderdeel a).

De begripsomschrijving van ‘typegoedkeuring’ in onderdeel f, van artikel 1, eerste lid, van de Wvw 1994, kan komen te vervallen omdat hiervoor de begripsomschrijving van toepassing wordt die in de EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen wordt gebruikt. Dit wordt geregeld in het nieuwe lid 1a van artikel 1 van de Wvw 1994 (zie hieronder). Hiervoor in de plaats komt een begripsomschrijving van drie EU-kaderverordeningen die in het kader van de Wvw 1994 relevant zijn voor de goedkeuring van motorvoertuigen en ten behoeve van de leesbaarheid van met name hoofdstuk III van de Wvw 1994, een (verzamel)definitie van kaderverordeningen en van EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen (onderdeel b. nieuwe onderdelen f, fa, fb, fc en fd, van artikel 1, eerste lid, van de Wvw 1994). Het gaat hier om de aangehaalde verordeningen, de daarbij behorende bijlagen, de wijzigingen van die verordeningen en de daarbij behorende bijlagen, alsmede de daarop gebaseerde regelgevingshandelingen zoals gedelegeerde- en uitvoeringshandelingen. Beoogd wordt hierbij te verwijzen naar met name alle andere EU-verordeningen die relevant zijn voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen cs en door de EU, ter aanvulling op een of meer kaderverordeningen of ten behoeve van specifieke onderwerpen, zoals emissies, zijn vastgesteld24.

Ten behoeve van de VN/ECE-goedkeuringen worden de nieuwe onderdelen fe en t toegevoegd. De huidige onderdelen s (goedkeuring van het productieproces) en t (fabrikant) van artikel 1, eerste lid, van de Wvw 1994 kunnen vervallen. De begripsomschrijving ‘goedkeuring van het productieproces’ komt niet meer in de Wvw 1994 voor. De begripsomschrijving van ‘fabrikant’ wordt vervangen door de begripsomschrijving die in de verschillende verordeningen gebruikt. Dit wordt geregeld in het nieuwe lid 1a van artikel 1 van de Wvw 1994.

Onderdeel B (wijziging artikel 2, vierde lid, van de Wvw 1994)

Artikel 2, vierde lid, van de Wvw 1994 biedt de mogelijkheid nadere regels te stellen ter uitvoering van besluiten van volkenrechtelijke organisaties en instellingen van de Europese Unie op het terrein van goedkeuring van voertuigen en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers. Het toepassingsgebied van de verschillende verordeningen die betrekking hebben op de goedkeuring van voertuigen is echter iets breder dan het bereik van de daaraan voorafgaande richtlijnen. Om die reden wordt de tekst van artikel 2, vierde lid, van de Wvw 1994 in overeenstemming gebracht met de tekst van de verschillende EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen. Dit betekent dat er op grond van de Wvw 1994 nadere regels kunnen worden gesteld in verband met het op de markt brengen, in de handel brengen, registreren en het in gebruik nemen van motorvoertuigen cs, waarvoor tot op heden vaak slechts de term typegoedkeuring, werd gebruikt. Om verwarring te voorkomen is er voor gekozen zowel de uitdrukking ‘op de markt aanbieden’ als ‘in de handel brengen’ te gebruiken. De verordeningen gebruiken ook beide termen. Ook wordt voorgesteld toe te voegen dat de regels dienen ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang. Hierdoor sluit dit artikel terminologisch beter aan bij de definitie van markttoezicht die in artikel 3, onderdeel 34, van verordening (EU) 2018/858 wordt gebruikt. De passage ‘voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers’ blijft gehandhaafd. Het gaat hierbij om voorzieningen die geen betrekking hebben op voertuigen zoals bijvoorbeeld motorhelmen of gevarendriehoeken. Hiervoor gelden ook VN/ECE-goedkeuringen (zie ook artikel 21 (nieuw) van de Wvw 1994).

Onderdeel C (wijziging van artikel 4b, eerste lid, van de Wvw 1994)

De nieuwe onderdelen a, en a1, van het eerste lid geven meer dan tot nu toe het geval was, specifiek aan welke taken van de Dienst Wegverkeer (RDW) in het kader van de uitvoering van de EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen worden verwacht. In het nieuwe onderdeel a wordt de RDW aangewezen als goedkeuringsinstantie. Gelet op de tekst van bijvoorbeeld de artikelen in hoofdstuk XV van verordening (EU) 2018/858 wordt er van uitgegaan dat daaronder tevens typegoedkeuringsinstantie wordt verstaan. Niet in alle artikelen van de verordeningen wordt steeds de term goedkeuringsinstantie expliciet genoemd, terwijl de taken die in een betreffend artikel worden genoemd, wel onlosmakelijk verbonden zijn aan het proces van goedkeuring zoals het gebruik van door de EU beschikbaar gestelde ict-systemen voor de uitwisseling van gegevens. In sommige gevallen wordt in de tekst van de verordeningen de bevoegdheid om goedkeuring te verlenen bij de lidstaat gelegd (zie bijvoorbeeld artikel 41, eerst lid van verordening (EU) 2018/858). Om deze reden worden alle taken die onlosmakelijk deel uitmaken van het goedkeuringsproces, ook al worden ze niet expliciet benoemd, tot de taken van de RDW gerekend.

Naast het uitvoeren van taken, worden er in de verordeningen ook nog andere verplichtingen aan een goedkeuringsinstantie opgelegd zoals het beschikbaar hebben van voldoende personeel. Ook de nakoming van deze verplichtingen is een taak van de RDW (onderdeel a1).

De verordeningen laten ook ruimte voor nationale typegoedkeuringen en -individuele goedkeuringen van voertuigen. Hiervoor worden in hoofdstuk III van de Wvw 1994 regels gesteld. De RDW wordt ook belast met de uitvoering van die regels (onderdeel b). Door de RDW worden van oudsher op grond van de Wvw 1994 ook VN/ECE-goedkeuringen verleend voor voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen en uitrustingsstukken die niet voor de Europese markt bestemd zijn. Door de toevoeging in onderdeel b, dat ook ter uitvoering van deze wetgeving taken mogen worden uitgevoerd, kan de RDW deze taak blijven uitvoeren.

De taak van de RDW die wordt genoemd in onderdeel f, is opnieuw geformuleerd (onderdeel twee). Het betreft de gewijzigde goedkeuring van al gekentekende motorrijtuigen, nadat er wijzigingen in dat voertuig zijn aangebracht. De wijzigingen hebben tegenwoordig niet alleen betrekking op wijzigingen in de constructie van een voertuig, maar hebben in de praktijk ook betrekking op de bouw en inrichting van een voertuig, zoals aanpassingen in de software.

De taak van de RDW genoemd in onderdeel j1 heeft betrekking op de aanwijzing van een technische dienst voor het uitvoeren van taken. De reikwijdte van dit onderdeel wordt beperkt tot het aanwijzen van een technische dienst voor zover daarin al niet is voorzien door de aanwijzing van goedkeuringsinstantie in onderdeel a (onderdeel drie). Een goedkeuringsinstantie is, bijvoorbeeld op grond van artikel 67 van verordening (EU) 2018/858, al belast met de aanwijzing van technische diensten.

Voor de volledigheid wordt hier nog op gemerkt dat een goedkeuringsinstantie ook als technische dienst kan worden aangewezen (zie bijvoorbeeld artikel 62, vierde lid, van verordening (EU) 167/2013 of artikel 73, zestiende lid van verordening (EU) 2018/858). Dit kan alleen nadat door de goedkeuringsinstantie wordt aangetoond dat aan de specifieke eisen die daaraan worden gesteld, wordt voldaan. Op grond van verordening (EU) 2018/858 kan een dergelijke aanwijzing steeds voor ten hoogste vijf jaar worden verleend (artikel 73, vijftiende lid, van verordening (EU) 2018/858). Om die reden wordt dit niet in artikel 4b, eerste lid, van de Wvw 1994 geregeld, maar zal de aanwijzing geschieden via de Regeling taken Dienst Wegverkeer op grond van het tweede lid, onderdeel b, van artikel 4b Wvw 1994.

De voorgestelde wijziging van onderdeel r, van artikel 4b van de Wvw 1994 is noodzakelijk in verband met de vervanging van de in dat lid genoemde verordening uit 2009. Deze nieuwe verordening heeft betrekking op de verplichting voor de RDW om gegevens te verzamelen over nieuwe personenauto’s en het vaststellen van informatie voor de controle van de CO2-emissies en hierover mededeling te doen aan de Europese Commissie.

Onderdeel D (nieuwe artikelen 20c tot en met 20h)

In dit onderdeel worden enkele artikelen toegevoegd aan hoofdstuk IIA van de Wvw 1994, het hoofdstuk dat betrekking heeft op de zogenaamde bijzondere bromfiets. In aanvulling op hetgeen hierover reeds is opgemerkt in punt 3.4 van het algemeen deel van deze toelichting, wordt hier nog opgemerkt dat de nieuw ingevoegde artikelen vergelijkbaar zijn met nieuwe artikelen in hoofdstuk III van de Wvw 1994 die betrekking hebben op de nationale goedkeuring van motorvoertuigen. Omdat de systematiek bij de aanwijzing van de bijzondere bromfiets net anders is dan die bij de goedkeuring van motorvoertuigen, is het niet mogelijk direct naar die artikelen te verwijzen. Kortheidshalve wordt hier wel naar de toelichting bij de vergelijkbare artikelen verwezen, te weten voor de toelichting bij onderdeel E, het nieuw voorgestelde artikel 20c (indienen aanvraag) naar het voorgestelde artikel 28, voor artikel 20d (meewerken aan markttoezicht) naar artikel 25, artikel 20e (intrekken en schorsen) naar artikel 26, artikel 20f (recall) naar artikel 27, artikel 20g (handelsverbod) naar artikel 29 en 30 en tenslotte artikel 20h (verbod ongekeurd gebruiken) naar artikel 32 van de Wvw 1994.

Onderdeel E (nieuw hoofdstuk III)

Inleiding:

Hoofdstuk III Wvw 1994, zoals dat tot op heden luidt, regelt dat aangewezen categorieën van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers dienen te zijn goedgekeurd voor de weg. Het regelt de verschillende soorten goedkeuring, zowel de EU-goedkeuringen als de nationale en VN/ECE-goedkeuringen, de wijze waarop deze kunnen worden verkregen en de rol van de RDW in dit kader. Het grootste deel van de bepalingen uit hoofdstuk III is, voor zover het betreft de EU-goedkeuringen (al dan niet gewijzigd en aangescherpt) opgenomen in de verschillende EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen. Voor zover de verordeningen daartoe de mogelijkheid bieden, zullen de artikelen die betrekking hebben op nationale goedkeuringen gehandhaafd blijven. Als gevolg hiervan dienen de meeste artikelen van dit hoofdstuk ngrijpend gewijzigd te worden of te worden ingetrokken. Ten behoeve van de leesbaarheid wordt voorgesteld dit hoofdstuk III opnieuw vast te stellen.

Artikel 21 (nieuw)

Het nieuwe eerste lid van artikel 21 is vergelijkbaar met artikel 21, eerste lid, Wvw 1994 zoals het tot nu toe luidt. Het regelt dat voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd alsmede voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers dienen te worden goedgekeurd. Met de nieuw voorgestelde tekst wordt meer aangesloten bij de tekst van de EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen. Artikel 21 beperkt zich tot goedkeuring voorafgaande aan het op de markt aanbieden of in de handel brengen, tenzij hiervan ontheffing of vergunning is verleend. Het verbod tot het in gebruik nemen van een voertuig dat niet is goedgekeurd wordt geregeld in het nieuw voorgestelde artikel 32 Wvw 1994. De registratie van het voertuig na de goedkeuring is geregeld in hoofdstuk IV van de Wvw 1994.

Voorgesteld wordt de tot op heden in artikel 21, eerste lid, opgenomen passage ‘goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg’ te laten vervallen. Deze toevoeging wekt ten onrechte de indruk dat voor toelating van voertuigen tot het verkeer alleen de goedkeuring van belang is. Echter voor toelating tot het verkeer is meestal ook noodzakelijk dat een voertuig staat geregistreerd en ten naam is gesteld.

In het tweede lid worden de te onderscheiden goedkeuringen genoemd, namelijk goedkeuringen die vrijwel uitputtend worden geregeld in een EU-verordening betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen, nationale typegoedkeuringen en -individuele goedkeuringen waarvoor de verordeningen ook ruimte bieden en VN/ECE-goedkeuringen. Het kan bij nationale goedkeuringen gaan om goedkeuring van voertuigen cs waarop de verordeningen niet van toepassing zijn of waarvoor de verordeningen de lidstaten expliciet de bevoegdheid geven alternatieve voorschriften vast te stellen25. In de Regeling voertuigen zullen de te onderscheiden nationale goedkeuringen, net zoals dat tot op heden ook al het geval is, worden aangewezen. Een fabrikant bepaalt zelf welke goedkeuring hij aanvraagt. Dit is bijvoorbeeld afhankelijk van het aantal voertuigen dat hij op de markt wil brengen en de landen waarin hij dit wenst te doen. In de situaties waarin de EU- of nationale goedkeuringen niet volstaan, bijvoorbeeld bij voertuigen die alleen buiten de EU op de markt zullen worden gebracht, kan door de RDW ook goedkeuring op grond van de Overeenkomst uit 1958 worden verleend.

In het derde lid wordt geregeld dat in enkele gevallen een goedkeuring niet is vereist en dat het voertuig cs toch op de markt mag worden aangeboden of in de handel mag worden gebracht. Dit kan nadat er ontheffing van de goedkeuring of een vergunning daarvoor is verleend. Artikel 39 van verordening (EU) 2018/858, voorziet bijvoorbeeld in de mogelijkheid van ontheffing voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten. De artikelen 3.5 en 3.8 van de Regeling voertuigen kennen op dit moment ook al een dergelijke ontheffingsmogelijkheid. Voor nationale goedkeuringen biedt dit artikellid de mogelijkheid deze ontheffingsbepalingen, zij het tekstueel meer in lijn gebracht met de tekst van de verordeningen, in die regeling te handhaven.

De artikelen 55 en 56 van verordening (EU) 2018/858 bieden de mogelijkheid in bepaalde situaties een vergunning af te geven om voertuigen cs in de handel te brengen of in gebruik te nemen, zonder goedkeuring.

In beginsel wordt de goedkeuring voor een motorvoertuig verleend voor onbepaalde tijd. Dit is anders in het geval de eisen voor goedkeuring worden aangepast aan de laatste stand van de techniek. Voertuigen worden immers steeds verder doorontwikkeld en nieuwe technieken leiden tot nieuwe inzichten. In verband daarmee mogen de restantvoorraden van voertuigen, nadat nieuwe eisen zijn vastgesteld, alleen nog in de handel worden gebracht als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen. Een van de voorwaarden is dat dit nog slechts voor een beperkte periode wordt toegestaan (vierde lid). In bijvoorbeeld de artikelen 48 en 49 van verordening (EU) 2018/858 zijn daarover regels gesteld. Voor nationale goedkeuringen biedt dit artikellid de mogelijkheid de bestaande bepalingen betreffende de restantvoorraad in artikel 4.27 van de Regeling voertuigen, zij het tekstueel meer in lijn gebracht met de tekst van de verordeningen, te handhaven.

Artikel 22 (nieuw)

Van oudsher worden er in het kader van de typegoedkeuring veel taken verricht door technische diensten (TD’s). In de EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen, bijvoorbeeld in hoofdstuk XVI van verordening (EU) 167/2013 en hoofdstuk XV van verordening (EU) 2018/858, zijn diverse bepalingen opgenomen betreffende de beoordeling, aanwijzing, aanmelding en monitoring van technische diensten. De artikelen van deze verordeningen hebben rechtstreekse werking. In dit artikel wordt de Dienst Wegverkeer de bevoegdheid gegeven technische diensten aan te wijzen ten behoeve van de nationale typegoedkeuringen en de typegoedkeuringen ter uitvoering van de Overeenkomst van 1958. In verband met deze aanwijzingsbevoegdheid zullen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld, zoals dat nu ook al het geval is, op grond van artikel 22b van de Wvw 1994. Deze regels zullen zoveel mogelijk overeenkomen met de bepalingen uit de EU-kaderverordeningen.

Artikel 23 (nieuw)

Op grond van dit artikel zullen, net zoals dat tot op heden het geval is op grond van artikel 22, eerste lid, of artikel 25a en volgenden van de Wvw 1994, in de Regeling voertuigen regels worden gesteld voor nationale goedkeuringen of -individuele goedkeuringen van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd. De verschillende EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen bieden hiervoor diverse mogelijkheden26. Dit betekent dat de huidige in de Regeling voertuigen opgenomen regels voor deze nationale typegoedkeuring en -individuele goedkeuring in elk geval gehandhaafd zullen kunnen blijven, maar dat er eventueel op termijn, ook regels voor bijvoorbeeld andere voertuigen aan kunnen worden toegevoegd. De bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden voor nationale goedkeuring zullen over het algemeen worden afgeleid van de eisen die aan vergelijkbare voertuigen cs worden gesteld in het kader van de EU-typegoedkeuringen of -individuele goedkeuringen.

Het derde lid regelt dat, indien aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan de nationale goedkeuring wordt verleend. Blijkt echter dat er desalniettemin een ernstig gevaar is voor gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang, dan kan de goedkeuring alsnog worden geweigerd. Een vergelijkbare bepaling is tot op heden opgenomen in artikel 22, tweede lid, van de Wegenverkeerswet. Een vergelijkbare bepaling ten behoeve van EU-typegoedkeuring is ook te vinden in bijvoorbeeld artikel 26, vijfde lid, van verordening (EU) 2018/858.

Artikel 24 (nieuw)

Dit artikel geeft invulling aan de mogelijkheid die bijvoorbeeld de artikelen 43, derde lid, en 46, derde lid van verordening (EU) 2018/858 bieden. Het is vergelijkbaar met hetgeen hierover tot op heden is geregeld in artikel 22, derde lid, van de Wvw 1994. Erkenning van in een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven nationale typegoedkeuring en -individuele goedkeuring hoeft in Nederland niet te worden aanvaard indien er redelijke gronden zijn om te concluderen dat de elders afgegeven goedkeuring niet gelijkwaardig is aan de Nederlandse, nationale, technische voorschriften. Voor die nationale voorschriften wordt verwezen naar de voorschriften die op grond van artikel 23, tweede lid, in de Regeling voertuigen zijn of nog worden vastgesteld. Het derde lid biedt de mogelijkheid om, ter bepaling van de gevallen waarin sprake is van gelijkwaardige technische voorschriften, bij ministeriële regeling nadere regels te stellen.

Net zoals nu ook al het geval is (zie artikel 22, derde lid, onderdelen a en b, van de Wvw 1994), geldt de gelijkstelling ook voor landen die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte (EER) of die partij zijn bij de Overeenkomst van 1958 (tweede en vierde lid).

Artikel 25 (nieuw)

Dit artikel regelt, net zoals dat in de verordeningen het geval is, dat degene aan wie een nationale goedkeuring of VN/ECE-goedkeuring is verleend, moet medewerken aan controles ten behoeve van de conformiteit van de productie door de RDW en medewerking moet verlenen aan het markttoezicht door de markttoezichthouder (ILT).

Artikel 26 (nieuw)

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 25 van de Wvw 1994 zoals dit artikel tot op heden luidt en regelt de gevallen waarin de Dienst Wegverkeer een nationale- of VN/ECE-goedkeuring intrekt of kan intrekken of schorsen. Tot op heden bestond de mogelijkheid tot het schorsen nog niet. Omdat ook de verordeningen voor EU-goedkeuringen daarin voorzien, is deze mogelijkheid ook hier toegevoegd. Schorsen zal, naar verwachting, met name aan de orde zijn, indien er wel sterke vermoedens zijn dat er redenen tot intrekking van de goedkeuring zijn, maar het onderzoek en de daarbij behorende conclusies, nog niet beschikbaar zijn.

Artikel 27 (nieuw)

Dit artikel, dat vergelijkbaar is met het huidige artikel 25e van de Wvw 1994, geeft regels indien een fabrikant op de markt aangeboden of in de handel gebrachte voertuigen of systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan, die zijn voorzien van een nationale typegoedkeuring of VN/ECE-goedkeuring of een voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers voorzien van een VN/ECE-goedkeuring, uit de handel dient te nemen of dient terug te roepen. In de op basis van het tweede lid vast te stellen regeling, waarin nadere regels in verband met die terugroeping kunnen worden opgenomen, zal zo veel mogelijk worden aangesloten bij de bepalingen van de EU-verordeningen betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen (bijvoorbeeld artikel 51 van verordening (EU) 2018/858).

Artikel 28 (nieuw)

Net zoals dat tot op heden het geval is (zie bijvoorbeeld artikel 22 van de Wvw 1994), regelt het eerste lid, dat de Dienst Wegverkeer kan bepalen op welke wijze bijvoorbeeld aanvragen voor een goedkeuring of een aanwijzing als technische dienst, dienen te geschieden. Hierbij moet gedacht worden aan het door de RDW vaststellen van een aanvraagformulier of een overzicht van documenten die door een fabrikant of andere marktdeelnemer moeten worden aangeleverd. De verordeningen geven hieromtrent geen regels.

Net zoals dat tot op heden het geval is, zullen de kosten die gemoeid zijn met een aanvraag voor een goedkeuring, ontheffing of vergunning en de aanwijzing als technische dienst, ten laste van de aanvrager komen (tweede lid). Anders dan bijvoorbeeld artikel 32 van verordening (EU) 2018/858 zijn niet alle verordeningen daarover even duidelijk. Om die reden wordt dit in dit artikel expliciet geregeld. Daarnaast kunnen ook kosten in verband met het toezien op de conformiteit in rekening worden gebracht. Artikel 4b, eerste lid, onderdelen n en q, van de Wvw 1994 bieden de Dienst Wegverkeer de mogelijkheid hiervoor een tarief vast te stellen. Deze onderdelen van artikel 4b, eerste lid, biedt de Dienst Wegverkeer ook de mogelijkheid tot het in rekening brengen van kosten die verbonden zijn aan onvrijwillige intrekking of -schorsing van eerder verleende goedkeuringen.

Artikel 29 (nieuw)

De verschillende EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen verlangen dat de lidstaten sanctiebepalingen op inbreuken op de verordeningen door marktdeelnemers en voor zover van toepassing op technische diensten, vaststellen (bijvoorbeeld artikel 84 van verordening (EU) 2018/858, artikel 72 van verordening (EU) 167/3013 of artikel 11 van verordening (EG) 595/2009). Het gaat hierbij om inbreuken in het kader van de goedkeuringsprocedure bij de RDW of in het kader van het markttoezicht door de ILT. Inbreuken op artikel 41 juncto de wetgevingshandelingen die betrekking hebben op de typegoedkeuring van motorvoertuigen genoemd in bijlage II bij verordening (EU) 2019/1020) hebben slechts betrekking op het markttoezicht. Deze sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend te zijn. De sanctiebepalingen in de verschillende verordeningen verschillen echter taalkundig en inhoudelijk van elkaar. In dit nieuw voorgestelde artikel zijn, in het eerste tot en met vierde lid, op hoofdlijnen de verbodsbepalingen uit de verschillende verordeningen omschreven. Deze verbodsbepalingen zijn daarmee redelijk vergelijkbaar met die in bijvoorbeeld de Wet pleziervaartuigen 2016. Daarnaast resteren er nog andere artikelen in de verordeningen die tot sanctionering aanleiding kunnen geven (vijfde lid). Te denken valt aan alle andere verplichtingen voor marktdeelnemers, dat wil zeggen fabrikant, de vertegenwoordiger van de fabrikant, de importeur of distributeur, die in de verordeningen worden genoemd bijvoorbeeld in de artikelen 13 tot en met 20 van verordening (EU) 2018/858 of artikelen 8 tot en met 16 van verordening (EU) 167/2013 of met betrekking tot producten bestemd voor de zogenaamde aftermarket als bedoeld in artikel 50 van verordening (EU) 2018/858. Het gaat hier om de verplichtingen die niet expliciet zijn gemaakt in de leden een tot en met vier, maar waarvoor wel sancties nodig zijn op inbreuken ervan. Omdat duidelijk dient te zijn welke verbodsbepalingen, strafrechtelijk of bestuursrechtelijk gehandhaafd kunnen worden en duidelijk moet zijn wat het verbod precies behelst, is het noodzakelijk naar concrete normen te verwijzen. In de Regeling voertuigen zullen de in de leden een tot en met vier van artikel 29, algemeen geformuleerde verboden op grond van het zesde lid, worden gekoppeld aan de relevante artikelen van de verordeningen.

Artikel 30 (nieuw)

Dit artikel regelt dat de in artikel 29 opgesomde inbreuken op de EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen, ook verboden zijn in het kader van de nationale typegoedkeuring en -individuele goedkeuring of VN/ECE-goedkeuring. Ook hier gaat het om overtredingen die zijn begaan tijdens de goedkeuringsprocedure bij de RDW of tijdens het markttoezicht door de ILT.

Artikel 31 (nieuw)

Artikel 84 van verordening (EU) 2018/858 regelt dat de lidstaten sanctiebepalingen vaststellen op inbreuken op de verordeningen door technische diensten. De andere EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen kennen een dergelijke verplichting vooralsnog niet. Dit artikel regelt het verbod voor technische diensten tot het maken van inbreuken op de genoemde verordening en op de voorwaarden voor de aanwijzing als technische dienst voor andere goedkeuringen op grond van artikel 22 van de Wvw 1994.

Artikel 32 (nieuw)

Dit artikel regelt, net als artikel 33 Wvw 1994 tot nu toe, dat het verboden is een niet goedgekeurd voertuig op de weg te laten staan of te gebruiken.

Artikel 33 (nieuw) en artikel VII

Dit nieuw voorgestelde artikel komt overeen met de tekst van artikel 34, eerste lid, tweede deel, van de Wvw 1994 zoals dat tot op heden luidt. Het vormt de wettelijke basis voor het verbod op radarontvangstinstallaties in motorvoertuigen. Het verbod hiervan is geregeld in het Besluit voertuigen. Dit besluit zal onder de werking van artikel 33 worden gebracht (artikel VII).

Onderdeel F (wijziging van artikel 42a van de Wvw 1994)

In het kentekenregister worden door de Dienst Wegverkeer onder andere gegevens omtrent motorrijtuigen en aanhangers waarvoor een kenteken is opgegeven verwerkt. Als een van de zogenaamde authentieke gegevens die in dat kentekenregister worden onderscheiden, worden in artikel 42a, tweede lid, onderdeel b, van de Wvw 1994, de verschillende voertuigcategorieën genoemd. In verband met de nieuwe redactie van artikel 21 van de Wvw 1994, waarin de term voertuigcategorie niet meer voorkomt, is het nodig dit artikel aan te passen. Voorgesteld wordt dit artikel zo te wijzigen dat verwezen wordt naar de verschillende voertuigcategorieën die in de relevante EU-kaderverordeningen worden onderscheiden.

Onderdeel G (wijziging van artikel 48, tweede lid, van de Wvw 1994)

Artikel 48 van de Wvw 1994 regelt dat inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling van het voertuig plaatsvinden, nadat het voertuig is goedgekeurd. Door de nieuwe redactie van hoofdstuk III, is het nodig de verwijzing naar de nieuwe relevante artikelen van hoofdstuk III aan te passen.

Onderdeel H (wijziging van artikel 51a, derde lid, van de Wvw 1994)

Artikel 51a, derde lid, regelt in welke gevallen de tenaamstelling in het kentekenregister vervalt. Een van de redenen, genoemd in onderdeel b, is indien het ingeschreven voertuig niet voldoet aan de eisen van de Wvw 1994. Een uitzondering hierop vormen de eisen van hoofdstuk III van die wet met betrekking tot de toelating tot het verkeer. Omdat het nieuw voorgestelde hoofdstuk III slechts ziet op het op het op de markt aanbieden of in de handel brengen van voertuigen, is de huidige tekst van dit artikel niet meer juist en wordt deze daarom aangepast.

Onderdeel I (wijziging van artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van de Wvw 1994)

Artikel 60 regelt in welke gevallen de houder van een kentekenbewijs verplicht is delen daarvan over te dragen. Een van de redenen, genoemd in onderdeel b, is, indien het ingeschreven voertuig niet voldoet aan de eisen van de Wvw 1994. Een uitzondering hierop vormen de eisen van hoofdstuk III van die wet met betrekking tot de toelating tot het verkeer. Omdat het nieuw voorgestelde hoofdstuk III, slechts ziet op het op het op de markt aanbieden of in de handel brengen van voertuigen, is de huidige tekst van dit artikel niet meer juist en wordt deze daarom aangepast.

Onderdeel J (wijziging artikel 71 van de Wvw 1994)

Hoofdstuk V van de Wvw 1994 geeft regels voor het gebruik van voertuigen op de weg, de zogenoemde permanente eisen. Bij ministeriële regeling zijn daarvoor eisen vastgesteld.

In bijvoorbeeld artikel 7 van verordening (EG) 595/2009 zijn verboden voor gebruikers opgenomen in verband met emissies door voertuigen. Deze eisen zijn rechtstreeks van toepassing in Nederland maar zijn nu ook vastgelegd in artikel 6.10 van de Regeling voertuigen. Echter met de huidige tekst van artikel 71 van de Wvw 1994, lijkt de door de EU gewenste sanctionering van deze emissiebepalingen, net als de overige in die regeling vastgelegde permanente eisen, onvoldoende gewaarborgd. Om deze reden wordt voorgesteld dit artikel aan te passen. De strafbaarstelling zal worden geregeld in artikel 177 van de Wvw 1994.

Onderdeel K (nieuwe titel van § 6a van hoofdstuk V)

De titel van deze paragraaf wordt aangepast in verband met de gewijzigde terminologie in hoofdstuk III.

Onderdelen L en M (wijziging artikel 92, eerste en tweede lid, en 94, eerste lid, van de Wvw 1994)

De genoemde artikelleden, die betrekking hebben op de gevallen waarin geen goedkeuring van systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen nodig is, worden aangepast in verband met de gewijzigde terminologie in hoofdstuk III. Van deze goedkeuring kan worden afgezien voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen. Voor de volledigheid wordt hier opgemerkt dat er tot op heden nog geen algemene maatregel van bestuur is opgesteld.

Onderdelen N en Q

De titel van de paragrafen 7 en 8 van hoofdstuk V wordt in lijn gebracht met de tekst van artikel 4b, eerste lid, onderdeel r en de artikelen in de genoemde paragrafen. Wijzigingen van voertuigen hebben niet alleen meer betrekking op de wijziging van de constructie, maar hebben in de praktijk ook betrekking op andere aspecten betreffende de bouw en inrichting van het voertuig, zoals aanpassingen in de software.

Onderdelen O, P en R (wijziging artikelen 98, 99, eerste lid, en 100, eerste lid, van de Wvw 1994)

De artikelen 98, 99 en 100 van de Wvw 1994 hebben betrekking op de wijziging van de bouw of inrichting van voertuigen en verwijzen naar het blijven voldoen aan de afgegeven goedkeuring als bedoeld in hoofdstuk III nadat de bouw of inrichting van een voertuig is gewijzigd. Deze verwijzing is, als gevolg van de inwerkingtreding van de EU-verordeningen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen niet meer afdoende omdat in dat geval het voertuig voorzien is van een EU-typgoedkeuring op grond van de verordeningen. Om die reden worden deze artikelen aangepast.

Voor de volledigheid wordt hier nog toegevoegd dat een voertuig waarvan de bouw of inrichting wordt gewijzigd, nadat het voertuig is geregistreerd, vaak niet meer zal voldoen aan de eisen van de typegoedkeuring. Dit betekent dat het voertuig dan weer opnieuw gekeurd moet worden.

Onderdeel S (wijziging artikel 158 van de Wvw 1994)

De wijziging van het eerste lid van artikel 158 regelt dat de ILT ook als toezichthouder voor de verordeningen betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen cs kan worden aangewezen. In artikel 158a van de Wvw 1994 wordt geregeld dat onder toezicht mede markttoezicht wordt verstaan.

Artikel 158, tweede lid, van de Wegenverkeerswet regelt de betrokkenheid van de Minister van Economische Zaken bij het toezicht op de artikelen 34 en 35 van de Wvw 1994. Op dit moment is er geen sprake meer van een dergelijke betrokkenheid. Om die reden wordt voorgesteld dit lid te laten vervallen en de verwijzing naar dat lid in het (voormalige) derde lid van artikel 158, aan te passen.

Voor een meer uitgebreide toelichting op de aanwijzing van de ILT als toezichthouder als bedoeld in dit artikel wordt verwezen naar punt 3.3 van het algemeen deel van deze toelichting.

Onderdeel T (nieuw artikel 158a van de Wvw 1994)

Voor een toelichting op het eerste lid wordt verwezen naar punt 3.3 van het algemeen deel van deze toelichting.

In het tweede lid wordt geregeld dat titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin de bevoegdheden en verplichtingen van toezichthouders zijn geregeld ter handhaving van de Nederlandse wetgeving, van overeenkomstige toepassing is op het markttoezicht als bedoeld in de verordeningen.

Onderdelen U en V (Wijziging opschrift Hoofdstuk X en invoegen nieuwe paragraaf)

De wijzigingen in deze onderdelen dragen bij aan een betere opbouw en leesbaarheid van hoofdstuk X van de Wvw 1994.

Onderdelen W en X (wijziging artikel 169 en nieuw artikel 169a van de Wvw 1994)

Artikel 169 van de Wvw 1994 biedt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in de praktijk de ILT, de mogelijkheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen. De last onder dwangsom is een reparatoire sanctie die als prikkel kan dienen voor een snellere naleving van wettelijke verplichtingen.

In verband met de effectieve uitvoering van markttoezicht op de verschillende verordeningen is het ook wenselijk dat de ILT, bij de handhaving van de verplichtingen en verboden uit de verschillende verordeningen door de marktdeelnemers, de mogelijkheid krijgt, ook in die gevallen een last onder dwangsom op te leggen. De voorgestelde wijziging van artikel 169 van de Wvw 1994 voorziet daarin.

In het nieuwe artikel 169a wordt voorgesteld de Dienst Wegverkeer ook deze mogelijkheid te bieden voor situaties die worden genoemd in de artikelen 25, 27, 29, vierde of vijfde lid en 30, vierde lid, zoals bijvoorbeeld in geval er gegevens of technische specificaties worden achtergehouden die tot intrekking zouden kunnen leiden of in het geval de toegang tot andere informatie wordt geweigerd, bijvoorbeeld informatie om toe te kunnen zien op de conformiteit van de productie. In de praktijk blijkt het voor de Dienst Wegverkeer lastig de informatie (tijdig) te verkrijgen die nodig is om te kunnen beoordelen of intrekking van een eerder verleende goedkeuring aan de orde is. Vaak moet lang op testrapporten en documenten naar aanleiding van een audit worden gewacht. De last onder bestuursdwang zou tot snellere medewerking van fabrikanten en andere marktdeelnemers moeten leiden.

Onderdeel Y (nieuw artikel 174a, 174b en 174c van de Wvw 1994)

Het nieuwe artikel 174a geeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de mogelijkheid om in het kader van de aanwijzing van de bijzondere bromfiets, een bestuurlijke boete (punitieve straf) op te leggen indien niet wordt voldaan aan de verplichting tijdens de procedure tot aanwijzing of de intrekking van een dergelijke aanwijzing. Deze bestuurlijke boetemogelijkheid is vergelijkbaar met boetebevoegdheid van de RDW met betrekking tot de goedkeuring van voertuigen cs op grond van artikel 174b.

Het nieuwe artikel 174c geeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in de praktijk de ILT de mogelijkheid in met name genoemde situaties in verband met het markttoezicht een bestuurlijke boete op te leggen. Deze bestuurlijke boete kan naast een boete als bedoeld in artikel 174a of 174b van de Wvw 1994 komen omdat het hier om een andere situatie gaat.

In aanvulling op hetgeen hierover al is opgemerkt in punt 4 van het algemeen deel van deze toelichting wordt hier verder nog het volgende opgemerkt. In de voorgestelde artikelen 174a, 174b en 174c van de Wvw 1994 is, conform artikel 5:46 van de Awb, de maximale hoogte van de op te leggen boete vastgelegd op een boete van respectievelijk de derde, vierde of vijfde categorie als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat in vrijwel alle gevallen om grote (buitenlandse) ondernemingen die aan het begin van de handelsketen staan. De detailhandel moet er op kunnen vertrouwen dat de producten die zij van hen inkopen of doorverkopen, voldoen. Deze sancties zijn vergelijkbaar met die op grond van andere wetten waarin eisen, op het punt van CE-markeringen, aan de veiligheid van producten worden gesteld die in de handel worden gebracht, zoals bijvoorbeeld in de Wet pleziervaartuigen 2016 of Wet scheepsuitrusting 2016. Net als in die wetten zal de op te leggen bestuurlijke boete kunnen worden verhoogd indien binnen korte termijn voor een tweede keer eenzelfde overtreding wordt begaan.

Bij overtreding van het verbod tot het zonder certificaten of merkplaten op de markt brengen (bijvoorbeeld als bedoeld in artikel 29, derde lid) door marktdeelnemers dat wil zeggen fabrikanten, vertegenwoordigers van fabrikanten, distributeurs of importeurs, wordt een boete van de derde categorie als voldoende doeltreffend en afschrikwekkend beschouwd.

Bij overtreding van het verbod producten zonder goedkeuring op de markt brengen of zonder dat daarvoor een ontheffing of vergunning is verleend (zoals bijvoorbeeld bedoeld in artikel 29, eerste lid), wordt een boete van de vierde categorie als voldoende doeltreffend en afschrikwekkend beschouwd.

Bij manipulatie (zoals bijvoorbeeld bedoeld in artikel 29, tweede lid) of nadat valse verklaringen zijn afgelegd, gegevens zijn achtergehouden of toegang tot informatie wordt geweigerd (zoals bijvoorbeeld bedoeld in 29, vierde lid of 20g) of overtreding van alle overige in de verordeningen genoemde verplichtingen voor marktdeelnemers of ingeval van een nationale- of VN/ECE-goedkeuring overtreding van de daarmee vergelijkbare artikelen 21, 25 en 27, wordt een boete van de vijfde categorie als voldoende doeltreffend en afschrikwekkend beschouwd (29, vijfde lid).

De procedure die moet worden gevolgd bij het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in afdeling 5.4.2 van de Awb. Uit het oogpunt van rechtsbescherming biedt de bestuurlijke boete als beschikking in de zin van de Awb de waarborgen in de vorm van de reguliere bezwaar- en beroepsmogelijkheden van die wet.

Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt, dat naast de hierboven beschreven sanctioneringsmogelijkheid ook nog de mogelijkheid blijft bestaan, dat een verleende aanwijzing door de minister of goedkeuring door de RDW kan wordt ingetrokken.

Onderdeel Z (wijziging artikel 177, tweede lid, Wvw 1994)

Artikel 177, tweede lid, van de Wvw 1994 regelt de strafbaarstelling van artikelen van deze wet. Als gevolg van het vervangen van artikel 33 door het nieuwe artikel 32, en het verbod op het ongekeurd gebruik van de bijzondere bromfiets, is het nodig ook artikel 177 aan te passen. Dit onderdeel voorziet daarin. Ook wordt hier de ontbrekende strafbaarstelling voor de zogenaamde permanente eisen voor het gebruik van voertuigen op de weg geregeld.

Voor de volledigheid wordt hierbij opgemerkt dat er bij de hier voorgestelde wijziging van uit is gegaan dat artikel I, onderdeel E (wijziging van artikel 177 van de Wegenverkeerswet 1994) van het bij koninklijke boodschap van 20 november 2018 ingediende voorstel van wet houdende Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en het Wetboek van Strafrecht in verband met strafbaarstelling van zeer gevaarlijk rijgedrag en verhoging van de strafmaxima van enkele ernstige verkeersdelicten met het oog op versterking van de verkeershandhaving (aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten) (35 086) op het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, in werking is getreden.

Artikel II (Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek)

Artikel 500 van Boek 7 van het Burgerlijk wetboek heeft betrekking op de bescherming van reizigers (consumenten) bij pakketreizen en zogenoemde gekoppelde reisarrangementen. Voor de definitie van verhuur van auto’s wordt onder andere verwezen naar motorvoertuigen in de zin van richtlijn 2007/46/EG. Omdat deze richtlijn vervalt op het moment van inwerkingtreding van verordening (EU) 2018/858, wordt nu verwezen naar de definitie van motorvoertuig in de genoemde verordening.

Artikel III (Wijziging van de Wet belasting zware motorrijtuigen)

In artikel 86, eerste lid, van verordening (EU) 2018/858 wordt de titel van verordening (EG) 715/2007 aangepast omdat de bepalingen uit hoofdstuk III van die laatste verordening, die betrekking hebben op toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig, in verordening (EU) 2018/858 zijn opgenomen. In verband hiermee wordt in artikel 3, onderdeel g, van de Wet belasting zware motorrijtuigen, de verwijzing naar de citeertitel van verordening (EG) 715/2007 aangepast.

Artikel IV (Wijziging van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992

Artikel 9, veertiende lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, verwijst naar voertuigen voor speciale doeleinden (zoals kampeerwagens, ambulances) die worden omschreven in bijlage II van de richtlijn 2007/46/EG. Bij de inwerkingtreding van verordening (EU) 2018/858 komt deze richtlijn te vervallen. In verband hiermee wordt dit artikel van de genoemde wet aangepast. De omschrijving van de bedoelde voertuigen is opgenomen in bijlage I van verordening (EU) 2018/858 (zie ook concordantietabel 3 in bijlage XI van verordening (EU) 2018/858).

Artikel V (wijziging Wet op de economische delicten)

Door de overgang van verordeningen (EG) 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 van de Wm naar de Wvw 1994 en de nieuwe redactie van hoofdstuk III van de Wvw 1994, is het nodig de Wet op de economische delicten aan te passen. Dit artikel voorziet daarin. Zoals in punt 4.3.2 van het algemeen deel van deze toelichting is beschreven, bestaat er in de WED tot op heden een verschil in sanctioneren voor vergelijkbare inbreuken op basis van de Wm en de Wvw 1994. Voorgesteld wordt dit verschil weg te nemen en daarbij de strafbaarstelling van de Wm als uitgangspunt te nemen.

Artikel VI (wijziging van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie)

De Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie maakt het mogelijk om een geldelijke sanctie ter inning over te dragen aan een andere lidstaat van de Europese Unie. De ontvangende lidstaat is in beginsel gehouden de geldelijke sanctie te erkennen en ten uitvoer te leggen. Bij de goedkeuringswetgeving van motorvoertuigen is er in de meeste gevallen sprake van buitenlandse fabrikanten die in Nederland een aanvraag om erkenning doen. Bestuurlijke boetes opgelegd na inbreuken op de betreffende wetgeving tijdens het goedkeuringsproces of bij het markttoezicht, zullen daarom in veel gevallen ten laste van niet in Nederland gevestigde fabrikanten komen. Om er zorg voor te dragen dat de opgelegde sancties ook daadwerkelijke kunnen worden uitgevoerd (zie ook bijvoorbeeld artikel 84, eerste lid, van VO (EU) 2018/858) wordt voorgesteld aan de lijst van beslissingen die vatbaar zijn voor erkenning en tenuitvoerlegging in een andere lidstaat van de EU toe te voegen de bij beschikking opgelegde bestuurlijke boetes als bedoeld in artikel 174a, 174b of 174c van de Wegenverkeerswet 1994 voor zover het overtredingen betreft van de artikelen 20b, 29 en 30 van die wet.

Artikel VII (wijziging van de Invoeringswet Omgevingswet)

Het huidige artikel 27 van de Wvw 1994 regelt dat bij de typegoedkeuring van voertuigen tevens dient te worden voldaan aan de eisen van de Wet inzake luchtverontreiniging en de Wet geluidshinder. De verwijzing naar die wetten in de Wvw 1994 is overbodig geworden, omdat hierin is voorzien in de internationale regelgeving of, voor zover het de nationale goedkeuringen betreft, in de Regeling voertuigen. Om die reden is ook de wijziging van artikel 27 van de Wvw 1994, in artikel 2.28 van de Invoeringswet Omgevingswet overbodig geworden. Deze wijziging kan daarom vervallen.

Artikel IX (Intrekking Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging)

Zoals aangekondigd in punt 3.5 kan het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging worden ingetrokken omdat dit wetsvoorstel daar deels al in voorziet. De resterende bepalingen zullen in de Regeling voertuigen worden opgenomen. Om verwarring te voorkomen wordt voorgesteld het genoemde besluit op het moment van de inwerkingtreding van deze wet in te trekken. Hierdoor is geen apart besluit meer nodig om dit te regelen.

Artikel X (Inwerkingtreding)

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar punt 6 van het algemeen deel van deze toelichting.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Bijlagen bij algemeen deel van deze toelichting

Bijlage 1

Tabel 1.1 Uitvoering verordening (EU) 2018/858

Bepaling verordening (EU) 2018/858

Bepaling in uitvoeringsregeling of bestaande regeling of aangeven dat bepaling naar zijn aard geen uitvoering behoeft

Omschrijving beleidsruimte of beschrijving in verband met nationale goedkeuringen

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte of toelichting in verband met nationale goedkeuringen

Alle artikelen van deze verordening met uitzondering van de artikelen of artikelleden die hieronder worden genoemd

Behoeven naar hun aard geen uitvoering omdat rechtstreekse werking volstaat.

Art 2, tweede lid, onderdeel c en d (verordening niet van toepassing op in dit lid genoemde voertuigen die niet vallen onder voertuigcategorieën M, N en O)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels te stellen voor in dit artikellid genoemde voertuigen waarop de verordening niet van toepassing is.

Art 21, tweede lid, onderdeel b, (nieuw) van de Wvw 1994, biedt de mogelijkheid om voor alle voertuigen cs die niet onder de verordening vallen, regels te kunnen stellen in de Regeling voertuigen. Hiervan zal in het kader van de huidige uitvoering van deze verordening geen gebruik worden gemaakt.

Art 2, derde lid (fabrikant mag ook goedkeuring aanvragen voor in dit lid genoemde voertuigen die niet vallen onder voertuigcategorieën M, N en O)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels te stellen tbv in dit lid bedoelde aanvragen door een fabrikant in het geval de verordening daar niet afdoende in voorziet.

Zie toelichting bij art 2, tweede lid.

Art 2, vierde lid (fabrikant mag ook goedkeuring aanvragen in dit lid genoemde voertuigen die niet vallen onder voertuigcategorieën M, N en O)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels te stellen tbv in dit lid bedoelde aanvragen door een fabrikant in het geval de verordening daar niet afdoende in voorziet.

Zie toelichting bij art 2, tweede lid.

Art 3, punt 16 (motorvoertuig max snelheid van meer dan 25 km/u)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels te stellen mbt voertuigen met een max snelheid van minder dan 25 km/u.

Zie toelichting bij art 2, tweede lid.

Art 3, punt 31 (voertuigen voor speciale doeleinden) juncto bijlage I, deel A, punt 5 (type voertuigen voor speciale doeleinden)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels te stellen mbt voertuigen voor speciale doeleinden die niet in de verordening worden genoemd.

Zie toelichting bij art 2, tweede lid.

Art 6, eerste lid (aanwijzing van goedkeuringsinstantie en markttoezicht autoriteiten)

Rechtstreekse werking en art 4b, onderdeel a (nieuw tbv goedkeuringsinstantie) resp art 158 en 158a (nieuw tbv markttoezicht) van de Wvw 1994 + Aanwijzing ILT

Aanwijzing van goedkeuringsinstantie en markttoezicht autoriteiten voor nationale goedkeuringen.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen.

Art 6, vijfde lid (in de handel brengen cs niet verbieden)

Rechtstreekse werking en:

– Handelsverbod: art 21, eerste lid, juncto 29, eerste lid, van de Wvw 1994 (huidig en nieuw);

– Registratie: hoofdstuk IV van de Wvw 1994;

– Gebruik: art 71 van de Wvw 1994 (huidig en nieuw) en hoofdstuk 5 Regeling voertuigen

Mogelijkheid om mbt nationale goedkeuringen regels over deze onderwerpen te stellen.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen.

Art 6, zevende lid (binnentreden door markttoezichthouder)

Art 158a, tweede lid, (nieuw) van de Wvw 1994.

Mogelijkheid recht op binnentreden voor markttoezichthouder tbv handhaving nationale goedkeuringen.

Wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek maken aan die voor EU-goedkeuringen.

Art 14 (verplichtingen fabrikant tot terugroeping indien producten niet conform zijn of een ernstig risico vormen (recall)

Rechtstreekse werking en verstrekkingenbeleid persoonsgegevens door RDW obv privacywetgeving

Mogelijkheid terugroeping na nationale goedkeuring.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen (art 27 (voorheen art 25e) Wvw 1994 en hoofdstuk 3 Regeling voertuigen).

Art 17, eerste lid (terugroepen (recall) voertuigen cs door importeurs)

Rechtstreekse werking en uitbreiding verstrekkingenbeleid persoonsgegevens door RDW obv privacywetgeving ten gunste van importeurs.

Mogelijkheid verstrekken persoonsgegevens aan importeurs in geval van nationale goedkeuringen.

Wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek maken aan die voor EU-goedkeuringen.

Art 32, eerste lid, eerste volzin (kosten EU-goedkeuring tlv fabrikant)

Rechtstreekse werking en

art 28 (voorheen art 22) van de Wvw 1994 en de Regeling tarieven RDW.

Mogelijkheid om mbt nationale goedkeuringen vergoeding ten laste van de fabrikant te vragen.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen.

Art 32, eerste lid, tweede volzin (kosten markttoezicht kunnen in rekening worden gebracht)

Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt.

Mogelijkheid om kosten marktoezicht in geval van nationale goedkeuringen in rekening te brengen.

Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt.

Art 32, tweede lid (kosten aanvraag tech dienst kunnen in rekening worden gebracht)

Rechtstreekse werking en art 28 (voorheen 23, tweede lid) van de Wvw 1994.

Mogelijkheid om mbt nationale goedkeuringen kosten in rekening te brengen aan aanvragende technische diensten.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen.

Art 39, vierde lid (voorlopige EU-goedkeuring tbv nw technologieën)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om mbt nationale goedkeuring voorlopige ontheffing te verlenen voor nieuwe technologieën.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen

(Art 21, derde lid (voorheen art 22, eerste lid), van de Wvw 1994 en hoofdstuk 3 Regeling voertuigen).

Art 42, tweede lid

(nationale goedkeuring kleine serie voor voertuigcategorieën M, N en O)

Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt.

Alternatieve voorschriften mogelijk voor nationale typegoedkeuring van in kleine serie geproduceerde voertuigen.

Art 21, tweede lid, onderdeel b, (nieuw) van de Wvw 1994, biedt de mogelijkheid om voor alle voertuigen cs die niet onder de verordening vallen, regels te kunnen stellen in de Regeling voertuigen. Voor deze goedkeuring handhaving van de huidige situatie

(Art 23 en 24 (voorheen art 21, tweede lid en 22, eerste en tweede lid, 24 en 25) van de Wvw 1994 en hoofdstuk 3 Regeling voertuigen).

Art 43, derde lid (beperken goedkeuring kleine serie voor voertuigcategorieën M, N en O afgegeven door een andere lidstaat)

Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt.

Mogelijkheid niet accepteren elders in EU afgegeven nationale goedkeuring.

Handhaving van de huidige situatie (art 24, derde lid, (voorheen 22, eerste tm derde lid) van de Wvw 1994).

Art 45, eerste lid

(nationale individuele goedkeuring voor voertuigcategorieën M, N en O)

Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt.

Alternatieve voorschriften mogelijk voor nationale individuele goedkeuring van voertuigen.

Art 21, tweede lid, onderdeel b, (nieuw) van de Wvw 1994, biedt de mogelijkheid om voor alle voertuigen cs die niet onder de verordening vallen, regels te kunnen stellen in de Regeling voertuigen. Voor deze goedkeuring handhaving van de huidige situatie: Art 23 en 24 (voorheen art 21, tweede lid, en 22, eerste en tweede lid, 24 en 25) van de Wvw 1994 en hoofdstuk 3 Regeling voertuigen.

Art 46, derde lid (beperking mbt individuele goedkeuring voor voertuigcategorieën M, N en O afgegeven door een andere lidstaat)

Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt

Mogelijkheid vaststellen van nationale regeling mbt het niet accepteren elders in EU afgegeven nationale goedkeuring.

Handhaving van de huidige situatie: Art 24 (voorheen 22, eerste tm derde lid) van de Wvw 1994.

Art 49, eerste lid (verkoop restant voorraad)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid dat lidstaat toestaat dat voertuigen waarvan de nationale goedkeuring niet meer geldig is, nog op de markt mogen worden gebracht.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen (art 21, vierde lid van de Wvw 1994 en hoofdstuk 3 van de Regeling voertuigen (voorheen hoofdstuk 3, afd 9, van de Regeling voertuigen).

Art 55 (in de handel brengen, in gebruik nemen en verbieden bij ernstig risico) en art 56 (bijkomende voorschriften)

Rechtstreekse werking en art 21, eerste en derde lid (voorheen artt 30–32) juncto art 29 (nieuw) van de Wvw 1994 en Regeling voertuigen.

Mogelijkheid in de handel brengen cs bij nationale goedkeuring alleen toegestaan in geval van vergunning.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen.

Art 65, tweede lid (intrekken goedkeuring bij niet nakomen informatieverplichting door fabrikant of andere wijze van sanctioneren)

– Rechtstreekse werking mbt intrekken EU-goedkeuringen; en

– Van de mogelijkheid tot sanctionering anderzijds wordt gebruikt gemaakt.

– Mogelijkheid tot intrekken bij niet nakomen informatieverplichting bij nationale goedkeuringen; en

– keuze sanctie bij zowel EU- als nationale goedkeuringen.

– Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen (art 26 (voorheen art 25) van de Wvw 1994);

– Lastenluwe uitvoering: sanctionering zowel in geval van EU-goedkeuringen als nationale goedkeuringen: art 169 (huidig) en 169a (nieuw) van de Wvw 1994: last onder bestuursdwang; alsmede sancties genoemd bij art 84.

Art 65, derde lid (klachtbehandeling bij goedkeuringsinstantie)

Rechtstreekse werking en klachtenregeling RDW.

Mogelijkheid klachtenregeling ivm nationale goedkeuringen.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen.

Hoofdstuk XV (artt 67-81) (beoordeling, aanwijzing etc van technische diensten)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om in het kader van nationale goedkeuringen technische diensten te beoordelen, aanwijzen etc.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen art 22 (voorheen art 22b) van de Wvw 1994 + hoofdstuk 3 Regeling voertuigen.

Art 84, eerste, tweede, onder a tot en met c, en derde lid (sancties op met name genoemde inbreuken door marktdeelnemers)

Rechtstreekse werking en artt 21 en 29 juncto artt 174b of 174c van de Wvw 1994 (nieuw: bestuurlijke boete) + hoofdstuk 3 Regeling voertuigen (nieuw) of art 29 van de Wvw 1994 jo Wet op de economische delicten (economisch delict).

– Mogelijkheid om in het kader van inbreuken bij nationale- en VN/ECE- goedkeuringen sancties vast te stellen; en

– keuze sanctiestelsel bij inbreuken op verordening en op Wvw 1994.

Sanctionering op identieke wijze (via art 30 van de Wvw 1994) bij inbreuken op verordening in het kader van EU-goedkeuringen als bij inbreuken ivm nationale goedkeuringen op grond van de Wvw 1994.

Art 84, eerste en tweede lid, onder d (sancties op inbreuken door technische diensten)

Rechtstreekse werking en artt. 31 juncto 174b van de Wvw 1994 (nieuw bestuurlijke boete) + hoofdstuk 3 Regeling voertuigen (nieuw).

– Mogelijkheid om in het kader van de aanwijzing van technische diensten bij nationale- en VN/ECE-goedkeuringen sancties vast te stellen; en

– keuze sanctiestelsel bij inbreuken op verordening en op Wvw 1994.

Sanctionering op identieke wijze bij inbreuken op verordening in het kader van EU-goedkeuringen als bij inbreuken ivm nationale goedkeuringen op grond van de Wvw 1994.

Art 84, eerste, tweede en derde lid jo art 6, vijfde lid (sancties ivm gebruik op de weg van niet goedgekeurd voertuig)

Rechtstreekse werking en art 32 juncto 177 van de Wvw 1994 (strafrechtelijke handhaving).

– Mogelijkheid sanctionering indien geen nationale- of VN/ECE-goedkeuring; en

– keuze sanctiestelsel bij inbreuken op verordening en op Wvw 1994.

Sanctionering op identieke wijze bij inbreuken op verordening in het kader van EU-goedkeuringen als bij inbreuken ivm nationale goedkeuringen op grond van de Wvw 1994.

Art 84, eerste tot en met derde lid (sanctionering overige inbreuken zoals bijv. niet nakoming van de verplichtingen door marktdeelnemers die worden genoemd in de artt 13 tm 20 of art 50)

Rechtstreekse werking en artt 21 en 29 of 30 juncto artt 174b of 174c van de Wvw 1994 (nieuw bestuurlijke boete) + hoofdstuk 3 (nieuw) Regeling voertuigen of art 29 of 30 van de Wvw 1994 jo Wet op de economische delicten (economisch delict).

– Mogelijkheid sanctionering in overige gevallen bij nationale- of VN/ECE-goedkeuring; en

– keuze sanctiestelsel bij inbreuken op verordening en op Wvw 1994.

Sanctionering op identieke wijze bij inbreuken op verordening in het kader van EU-goedkeuringen als bij inbreuken ivm nationale goedkeuringen op grond van de Wvw 1994.

Tabel 1.2 Uitvoering verordening (EU) 167/2013

Voorheen uitgevoerd in de Regeling voertuigen. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij de Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 4 december 2015, nr. IENM/BSK-2015/110814, tot wijziging van de Regeling voertuigen in verband met de uitvoering van de verordeningen (EU) 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen en 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L 60) (Stcrt 44282).

Bepaling verordening (EU) 167/2013

Bepaling in uitvoeringsregeling of bestaande regeling of aangeven dat bepaling naar zijn aard geen uitvoering behoeft

Omschrijving beleidsruimte of beschrijving in verband met nationale goedkeuringen

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte of toelichting in verband met nationale goedkeuringen

Alle artikelen van deze verordening met uitzondering van de artikelen of artikelleden die hieronder worden genoemd

Behoeven naar hun aard geen uitvoering omdat rechtstreekse werking volstaat.

Art 1, eerste lid, tweede volzin (verordening niet van toepassing op individuele goedkeuringen; aanvaarden individuele goedkeuring andere lidstaten)

Rechtstreekse werking en art 25 van de Wvw 1994.

Mogelijkheid om nationale regels te stellen voor individuele keuringen.

Art 21, tweede lid, onderdeel b, (nieuw) van de Wvw 1994, biedt de mogelijkheid om voor alle voertuigen cs die niet onder de verordening vallen, regels te kunnen stellen in de Regeling voertuigen. Voor deze goedkeuring handhaving van de huidige situatie: Art 23 en 24 (voorheen art 21, tweede lid, en 22, eerste en tweede lid, 24 en 25) van de Wvw 1994 en hoofdstuk 3 Regeling voertuigen.

Art 2, tweede lid (verordening niet van toepassing op genoemde machines)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels te stellen voor deze machines.

Art 21, tweede lid, onderdeel b, (nieuw) van de Wvw 1994, biedt de mogelijkheid om voor alle voertuigen cs die niet onder de verordening vallen, regels te kunnen stellen in de Regeling voertuigen. Hiervan zal in het kader van de huidige uitvoering van deze verordening geen gebruik worden gemaakt.

Art 2, derde lid (fabrikant mag goedkeuring aanvragen voor in dit lid genoemde voertuigen van cat R, S en O en trekkers voor speciale doeleinden)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels te stellen tbv in dit lid bedoelde aanvragen door een fabrikant in het geval de verordening daar niet afdoende in voorziet.

Zie toelichting bij art 2, tweede lid.

Art 3, onderdeel 8 (trekker max snelheid niet minder dan 6 km/u)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels te stellen voor trekker met een max snelheid van minder dan 6 km/u

Zie toelichting bij art 2, tweede lid.

Art 5, eerste lid (aanwijzen goedkeuringsinstantie en markttoezichtautoriteit)

Rechtstreekse werking en art 4b, onderdeel a (nieuw tbv goedkeuringsinstantie) resp art 158 en 158a (nieuw tbv markttoezicht) van de Wvw 1994 + Aanwijzing ILT

Aanwijzing van goedkeuringsinstantie en markttoezicht autoriteiten voor nationale goedkeuringen.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen.

Hoofdstuk III: Artt 17–19 (materiële voorschriften)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid materiële voorschriften tbv nationale goedkeuringen.

Handhaving van de huidige situatie: Art 23 en 24 (voorheen art 21, tweede lid en 22, eerste en tweede lid, 24 en 25) van de Wvw 1994 en hoofdstuk 3 Regeling voertuigen.

Art 32 (einde geldigheid EU-typegoedkeuring)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels te stellen mbt einde geldigheid nationale goedkeuringen.

art 21, derde en vierde lid van de Wvw 1994.

Art 37, eerste lid, tweede alinea en tweede lid (nationale typegoedkeuring kleine serie voertuigen cat T, C, R en S)

Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt.

Mogelijkheid om alternatieve voorschriften te stellen voor nationale typegoedkeuring van in kleine serie geproduceerde voertuigen.

Art 21, tweede lid, onderdeel b, (nieuw) van de Wvw 1994, biedt de mogelijkheid om voor alle voertuigen cs die niet onder de verordening vallen, regels te kunnen stellen in de Regeling voertuigen. Voor deze goedkeuring handhaving van de huidige situatie: Art 23 en 24 (voorheen art 21, tweede lid en 22, eerste en tweede lid, 24 en 25) van de Wvw 1994 en hoofdstuk 3 Regeling voertuigen.

Art 45 (in de handel brengen, registreren, of in verkeer gebracht bij ernstig risico) en 46 (bijkomende voorschriften)

Rechtstreekse werking en art 21, eerste en derde lid (voorheen artt 30–32) juncto art 29 (nieuw) van de Wvw 1994 en Regeling voertuigen.

Mogelijkheid om mbt nationale- en VN/ECE- goedkeuringen regels te stellen om het in de handel brengen cs alleen na vergunning toe te staan.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen.

Art 47 (verplichtingen fabrikant tot terugroeping van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden (recall)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels te stellen tbv terugroeping na nationale- of VN/ECE-goedkeuring.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen art 27 (voorheen art 25e) Wvw 1994 en hoofdstuk 3 Regeling voertuigen.

Hoofdstuk XVI (artt 57–67) (aanwijzing en aanmelding van technische diensten)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om in het kader van nationale- of VN/ECE-goedkeuringen technische diensten aan te wijzen etc.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen art 22 (voorheen art 22b) van de Wvw 1994 + hoofdstuk 3 Regeling voertuigen.

Art 72, eerste lid, jo art 5, tweede lid (sancties ivm gebruik op de weg van niet goedgekeurd voertuig)

Rechtstreekse werking en art 32 juncto 177 van de Wvw 1994 (strafrechtelijke handhaving).

– Mogelijkheid tot sanctionering indien er geen nationale- of NV/ECE-goedkeuring is; en

– keuze sanctiestelsel bij inbreuken op verordening en op Wvw 1994.

Sanctionering op identieke wijze bij inbreuken op verordening in het kader van EU-goedkeuringen als bij inbreuken ivm nationale goedkeuringen op grond van de Wvw 1994.

Art 72, eerste en tweede lid (sancties marktdeelnemers op met name genoemde inbreuken en overige inbreuken zoals bijv. niet nakoming van de verplichtingen door marktdeelnemers die worden genoemd in de artt 8 tm 16)

Rechtstreekse werking en artt 21 en 29 of 30 juncto artt 174b of 174c van de Wvw 1994 (nieuw: bestuurlijke boete) + hoofdstuk 3 Regeling voertuigen (nieuw) of art 29 of 30 van de Wvw 1994 jo Wet op de economische delicten (economisch delict).

– Mogelijkheid om in het kader van inbreuken bij nationale- of VN/ECE- goedkeuringen sancties vast te stellen; en

– keuze sanctiestelsel bij inbreuken op verordening en op Wvw 1994.

Sanctionering op identieke wijze (via art 30 van de Wvw 1994) bij inbreuken op verordening in het kader van EU-goedkeuringen als bij inbreuken ivm nationale goedkeuringen op grond van de Wvw 1994.

Tabel 1.3 Uitvoering verordening (EU) 168/2013

Voorheen uitgevoerd in de Regeling voertuigen. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij de Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 4 december 2015, nr. IENM/BSK-2015/110814, tot wijziging van de Regeling voertuigen in verband met de uitvoering van de verordeningen (EU) 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen en 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L 60) (Stcrt 44282).

Bepaling verordening (EU) 168/2013

Bepaling in uitvoeringsregeling of bestaande regeling of aangeven dat bepaling naar zijn aard geen uitvoering behoeft

Omschrijving beleidsruimte of beschrijving in verband met nationale goedkeuringen

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte of toelichting in verband met nationale goedkeuringen

Alle artikelen van deze verordening met uitzondering van de artikelen of artikelleden die hieronder worden genoemd

Behoeven naar hun aard geen uitvoering omdat rechtstreekse werking volstaat.

Art 1, eerste lid, tweede alinea (verordening niet van toepassing op individuele goedkeuringen; aanvaarden individuele goedkeuring andere lidstaten)

Rechtstreekse werking en art 25 van de Wvw 1994.

Mogelijkheid om nationale regels te stellen voor individuele keuringen.

Handhaving van de huidige situatie: artikel 20b van de Wvw 1994 en Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen;

en

Art 21, tweede lid, onderdeel b, (nieuw) van de Wvw 1994, biedt ook de mogelijkheid om voor alle voertuigen cs die niet onder de verordening vallen, regels te kunnen stellen in de Regeling voertuigen.

Art 2, tweede lid (verordening niet van toepassing op genoemde voertuigen en fietsen die niet behoren tot cat L)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels te stellen voor deze voertuigen en fietsen waarop de verordening geen betrekking heeft.

Handhaving van de huidige situatie: art. 20b van de Wvw 1994 en Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen;

en

Art 21, tweede lid, onderdeel b, (nieuw) van de Wvw 1994, biedt de mogelijkheid om voor alle voertuigen cs die niet onder de verordening vallen, regels te kunnen stellen in de Regeling voertuigen.

Art 7, eerste lid (aanwijzen goedkeuringsinstantie en markttoezichtautoriteit)

Rechtstreekse werking en art 4b, onderdeel a (nieuw tbv goedkeuringsinstantie) resp art 158 en 158a (nieuw tbv markttoezicht) van de Wvw 1994 + Aanwijzing ILT

Aanwijzing van goedkeuringsinstantie en markttoezicht autoriteiten voor nationale goedkeuringen.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen.

Hoofdstuk III: Artt 18–24 (materiële voorschriften)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om materiële voorschriften tbv nationale goedkeuringen te kunnen stellen.

Handhaving van de huidige situatie: art. 20b van de Wvw 1994 en Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen;

En

Art 23 en 24 (nieuw) van de Wvw 1994 en hoofdstuk 3 Regeling voertuigen.

Art 37 (einde geldigheid EU-typegoedkeuring)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels vast te stellen mbt einde geldigheid nationale goedkeuringen.

Artikel 21, derde en vierde lid, van de Wvw 1994.

Art 42, tweede lid, (nationale typegoedkeuring kleine serie voertuigen cat L)

Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt.

Mogelijkheid om alternatieve voorschriften vast te stellen voor nationale typegoedkeuring

van in kleine serie geproduceerde voertuigen.

Handhaving van de huidige situatie: artikel 20b van de Wvw 1994 en Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen;

En

Art 23 en 24 (nieuw) van de Wvw 1994 en hoofdstuk 3 Regeling voertuigen

Art 44 (verkoop restant voorraad)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om als lidstaat toe te staan dat voertuigen waarvan de nationale goedkeuring niet meer geldig is, nog op de markt mogen worden.

Art 21, vierde lid, van de Wvw 1994 en hoofdstuk 3 Regeling voertuigen

Art 50 (in de handel brengen, registreren, of in verkeer brengen bij ernstig risico) en 51 (bijkomende voorschriften)

Rechtstreekse werking en art 21, eerste en derde lid (voorheen artt 30–32) juncto art 29 (nieuw) van de Wvw 1994 en Regeling voertuigen.

Mogelijkheid in de handel brengen cs bij nationale goedkeuring alleen toegestaan in geval van vergunning.

Handhaving van de huidige situatie: artikel 20b van de Wvw 1994 en Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen; en

art 21, eerste en derde lid (voorheen artt 30–32) juncto art 29 (nieuw) van de Wvw 1994 en Regeling voertuigen.

Art 52 (verplichtingen fabrikant tot terugroeping van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden (recall)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om terugroeping na nationale- of VN/ECE- goedkeuring.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen (art 27 (voorheen art 25e) Wvw 1994 en hoofdstuk 3 Regeling voertuigen)

Hoofdstuk XVI (artt 61–71) (aanwijzing en aanmelding van technische diensten)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om in het kader van nationale of VN/ECE-goedkeuringen technische diensten aan te wijzen etc.

Handhaving van de huidige situatie: wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen identiek aan die voor EU-goedkeuringen art 22 (voorheen art 22b) van de Wvw 1994 + hoofdstuk 3 Regeling voertuigen.

Art 76, eerste lid, jo art 6, tweede lid (sancties ivm gebruik op de weg van niet goedgekeurd voertuig)

Rechtstreekse werking en art 32 juncto art 177 van de Wvw 1994 (strafrechtelijke handhaving).

– Mogelijkheid sanctionering indien geen nationale of VN/ECE-goedkeuring; en

– keuze sanctiestelsel bij inbreuken op verordening en op Wvw 1994.

Sanctionering op identieke wijze bij inbreuken op verordening in het kader van EU-goedkeuringen als bij inbreuken ivm nationale goedkeuringen op grond van de Wvw 1994.

Art 76, eerste en tweede lid (sancties marktdeelnemers op met name genoemde inbreuken en overige inbreuken zoals bijv. niet nakoming van de verplichtingen door marktdeelnemers die worden genoemd in de artt 9 tm 17)

Rechtstreekse werking en artt 21 en 29 of 30 juncto artt 174b en 174c van de Wvw 1994 (nieuw: bestuurlijke boete) + hoofdstuk 3 Regeling voertuigen (nieuw) of art 29 of 30 van de Wvw 1994 jo Wet op de economische delicten (economisch delict).

– Mogelijkheid om in het kader van inbreuken bij nationale- of VN/ECE- goedkeuringen sancties vast te stellen; en

– keuze sanctiestelsel bij inbreuken op verordening en op Wvw 1994.

Sanctionering op identieke wijze (via art 30 van de Wvw 1994) bij inbreuken op verordening in het kader van EU-goedkeuringen als bij inbreuken ivm nationale goedkeuringen op grond van de Wvw 1994. Bij inbreuken op aanwijzing art 20b van de Wvw 1994, ook art 174a van de Wvw 1994.

Bijlage 2

Tabel 2.1 Uitvoering verordening (EG) 715/2007

Voorheen uitgevoerd in Wvw 1994, Regeling voertuigen en het op de Wet milieubeheer gebaseerde Besluit typegoedkeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de transponeringstabel bij het Besluit van 1 maart 2014 tot wijziging en intrekking van diverse besluiten ter uitvoering van verordening (EG) 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEG 2007, L 171) en van verordening (EG) 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PbEG 2009, L 188) en tot een technische aanpassing van het Waterbesluit (Stb. 120).

Bepaling verordening (EG) 715/2007

Bepaling in uitvoeringsregeling of bestaande regeling of aangeven dat bepaling naar zijn aard geen uitvoering behoeft

Omschrijving beleidsruimte of beschrijving in verband met nationale goedkeuringen

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

of toelichting in verband met nationale goedkeuringen

Alle artikelen van deze verordening met uitzondering van de artikelen of artikelleden die hieronder worden genoemd

Nb. De artt 3, onderdeel 14 en 15 en artt 6 tot en met 9 vervallen bij de inwerkingtreding van verordening (EU) 2018/858.

Behoeven naar hun aard geen uitvoering omdat rechtstreekse werking volstaat.

Art 2 (verordening van toepassing op bep met name genoemde voertuigen van cat M en N)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels te stellen voor (categorieën) voertuigen waarop de verordening niet van toepassing is.

Art 21, tweede lid, onderdeel b, (nieuw) van de Wvw 1994, biedt de mogelijkheid om voor alle voertuigen cs die niet onder de verordening vallen, regels te kunnen stellen in de Regeling voertuigen. Hiervan zal in het kader van de huidige uitvoering van deze verordening geen gebruik worden gemaakt.

Art 13, eerste en tweede lid, in samenhang art 10 (sancties fabrikanten bij overtreding verordening)

Rechtstreekse werking en artt 21 en 29 of 30 jo 169 of 169a Wegenverkeerswet 1994 (last onder bestuursdwang) en Regeling voertuigen;

Artt 21, 29 jo 174b of 174c van de Wegenverkeerswet 1994 (bestuurlijke boete) en Regeling voertuigen; of

Artt 29 of 30 van de Wvw 1994 en Wet op de economische delicten (economisch delict).

– Mogelijkheid om in het kader van inbreuken bij nationale goedkeuringen sancties vast te stellen;

– keuze sanctiestelsel bij inbreuken op de verordening en op de Wvw 1994.

Sanctionering op identieke wijze (via art 30 van de Wvw 1994) bij inbreuken op verordening in het kader van EU-goedkeuringen als bij inbreuken ivm nationale goedkeuringen op grond van de Wvw 1994.

Art 13, eerste lid, in samenhang met art 11, eerste en derde lid (sancties reparateurs overtreding verordening)

Rechtstreekse werking en artt 71 en 177 Wegenverkeerswet 1994 jo hoofdstuk 6 Regeling voertuigen

– Mogelijkheid om in het kader van inbreuken bij nationale goedkeuringen sancties vast te stellen;

– keuze sanctiestelsel bij inbreuken op de verordening en op de Wvw 1994.

Sanctionering op identieke wijze (via art 30 van de Wvw 1994) bij inbreuken op verordening in het kader van EU-goedkeuringen als bij inbreuken ivm nationale goedkeuringen op grond van de Wvw 1994.

Tabel 2.2. Uitvoering verordening (EG) 595/2009

Voorheen uitgevoerd in Wvw 1994, Regeling voertuigen en het op de Wet milieubeheer gebaseerde Besluit typegoedkeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de transponeringstabel bij het Besluit van 1 maart 2014 tot wijziging en intrekking van diverse besluiten ter uitvoering van verordening (EG) 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEG 2007, L 171) en van verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PbEG 2009, L 188) en tot een technische aanpassing van het Waterbesluit (Stb. 120).

Bepaling verordening (EG) 595/2009

Bepaling in uitvoeringsregeling of bestaande regeling of aangeven dat bepaling naar zijn aard geen uitvoering behoeft

Omschrijving beleidsruimte of beschrijving in verband met nationale goedkeuringen

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

of toelichting in verband met nationale goedkeuringen

Alle artikelen van deze verordening met uitzondering van de artikelen of artikelleden die hieronder worden genoemd

Nb. De artt 3, onderdeel 11 en 13 en art 6 vervallen bij de inwerkingtreding van verordening (EU) 2018/858

Behoeven naar hun aard geen uitvoering omdat rechtstreekse werking volstaat.

Art 2 (verordening van toepassing op bep met name genoemde voertuigen van cat M en N)

Rechtstreekse werking

Mogelijkheid om nationale regels te stellen mbt (categorieën) voertuigen waarop de verordening niet van toepassing is.

Art 21, tweede lid, onderdeel b, (nieuw) van de Wvw 1994, biedt de mogelijkheid om voor alle voertuigen cs die niet onder de verordening vallen, regels te kunnen stellen in de Regeling voertuigen. Hiervan zal in het kader van de huidige uitvoering van deze verordening geen gebruik worden gemaakt.

Art 11, eerste en tweede lid, in samenhang met artt 7 of 8 (sancties fabrikant overtreding verordening)

Rechtstreekse werking en artt 21 en 29 of 30 jo 169 of 169a Wegenverkeerswet 1994 (last onder bestuursdwang) en Regeling voertuigen;

Artt 21, 29 jo 174a of 174b van de Wegenverkeerswet 1994 (bestuurlijke boete) en Regeling voertuigen; of

Artt 29 of 30 van de Wvw 1994 en Wet op de economische delicten (economisch delict).

– Mogelijkheid om in het kader van inbreuken bij nationale goedkeuringen sancties vast te stellen;

– keuze sanctiestelsel bij inbreuken op de verordening en op de Wvw 1994.

Sanctionering op identieke wijze (via art 30 van de Wvw 1994) bij inbreuken op verordening in het kader van EU-goedkeuringen als bij inbreuken ivm nationale goedkeuringen op grond van de Wvw 1994.

Art 11, tweede lid in samenhang met art 7 (sancties reparateurs en gebruikers bij manipulatie systemen) (permanente eisen)

Rechtstreekse werking en artt 71 en 177 Wegenverkeerswet 1994 jo hoofdstuk 6 Regeling voertuigen

– Mogelijkheid om in het kader van inbreuken bij nationale goedkeuringen sancties vast te stellen;

– keuze sanctiestelsel bij inbreuken op de verordening en op de Wvw 1994.

Sanctionering op identieke wijze (via art 30 van de Wvw 1994) bij inbreuken op verordening in het kader van EU-goedkeuringen als bij inbreuken ivm nationale goedkeuringen op grond van de Wvw 1994.

Bijlage 3- Tabellen voor verordening (EU) 2019/1020

Tabel 3.1:

Overzicht van harmonisatiewetgeving op het gebied van de (type)goedkeuring van motorvoertuigen, genoemd in bijlage I (lidstaten moeten markttoezichthouder aanwijzen) en II (lidstaten moeten voorzien in passende sanctionering bij inbreuken op harmonisatiewetgeving) van verordening (EU) 2019/1020 en de verhouding tussen die harmonisatiewetgeving en die verordening.

Bijl. I

VO (EU) 2019/1020

nr.

Bijl. II

VO (EU) 2019/1020 nr.

Naam harmonisatie-wetgeving

Markttoezicht ogv harmonisatie-wetgeving en/of nieuwe VO (EU) 2019/1020?

Sanctionering overtredingen door marktdeelnemers ogv specifieke harmonisatie-wetgeving of VO (EU) 2019/1020?

2

2

Richtlijn 70/157/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen (PB L 1970, 42)

Markttoezicht ogv verordening (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

Art 41 van VO (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

18

11

Richtlijn 2005/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen inzake herbruikbaarheid, recyclebaarheid en mogelijke nuttige toepassing, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PB L 2005, 310)

Markttoezicht ogv verordening (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

Art 41 van VO (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

20

12

Richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PB L 2006, 161)

Markttoezicht ogv verordening (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

Art 41 van VO (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

23

Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 2007, 171)

Markttoezicht ogv verordening (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

Art 13 verordening (EU) 715/2007 (Zie ook hierboven tabel 2.1)

26

Verordening (EG) nr. 78/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot de bescherming van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 2003/102/EG en Richtlijn 2005/66/EG (PB L 2009)

Markttoezicht ogv verordening (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

Zie art 13 van verordening (EU) 78/2009

27

Verordening (EG) nr. 79/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 2009, 35)

Markttoezicht ogv verordening (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

zie art 15 van verordening 79/2009

30

Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PB L 2009, 188)

Markttoezicht ogv verordening (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

Art. 11 verordening (EG) 595/2009 (Zie ook hierboven tabel 2.2)

31

Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (PB L 2009, 200)

Markttoezicht ogv verordening (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

Art 16 verordening (EG) 661/2009

43

Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 2013, 60)

Per 1 jan 2016 markttoezicht ogv verordening (EU) 167/2013 (zie ook tabel 1.2) en aanvullend markttoezicht ogv verordening (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

Art 72 verordening (EU) 167/2013 (Zie ook hierboven tabel 1.2)

44

Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PB L 2013, 60)

Per 1 jan 2016 markttoezicht ogv verordening (EU) 168/2013 (zie ook tabel 1.3) en aanvullend markttoezicht ogv verordening (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

Art 76 verordening (EU) 168/2013 (Zie ook hierboven tabel 1.3)

60

19

Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 70/157/EEG (PB L 2014, 158)

Markttoezicht ogv verordening (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

Art 41 van verordening (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

69

Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 2018, 151)

Per 1 sept 2020 markttoezicht ogv verordening (EU) 2018/858 (zie ook tabel 1.1) en aanvullend markttoezicht ogv verordening (EU) 2019/1020 per 16 juli 2021

Artikel 84 van verordening (EU) 2018/858 (Zie ook hierboven tabel 1.1)

Tabel 3.2 Uitvoering verordening (EU) 2019/1020 (voor zover van toepassing op de in tabel 3.1. genoemde harmonisatiewetgeving)

Bepaling verordening (EG) 2019/1020

Bepaling in uitvoeringsregeling of bestaande regeling of aangeven dat bepaling naar zijn aard geen uitvoering behoeft

Omschrijving beleidsruimte of beschrijving in verband met nationale goedkeuringen

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

of toelichting in verband met nationale goedkeuringen

Alle artikelen van deze verordening met uitzondering van de artikelen of artikelleden die hieronder worden genoemd

Behoeven naar hun aard geen uitvoering omdat rechtstreekse werking volstaat of omdat we niet van toepassing zijn op de hierboven genoemde

Art. 10, tweede lid (aanwijzen markttoezichthouder voor de in tabel 3.1 genoemde richtlijnen en verordeningen van bijlage I)

art 158 en 158a (nieuw) van de Wvw 1994 voor EU-goedkeuringen + daarop gebaseerde aanwijzing van de ILT

Aanwijzing markttoezicht autoriteiten voor nationale goedkeuringen

wettelijke regeling voor nationale goedkeuringen (art 158 en 158a van de Wvw 1994) identiek aan die voor EU-goedkeuringen.

Art. 41, eerste lid (sancties vaststellen op overtredingen van de tabel 3.1 genoemde richtlijnen en verordeningen van bijlage II)

Voor EU-goedkeuringen:

artt 21 en 29 of 30 jo 169 of 169a Wegenverkeerswet 1994 (last onder bestuursdwang) en Regeling voertuigen;

Artt 21, 29 jo 174b of 174c van de Wegenverkeerswet 1994 (bestuurlijke boete) en Regeling voertuigen; of

Artt 29 of 30 van de Wvw 1994 en Wet op de economische delicten (economisch delict).

– Mogelijkheid om in het kader van inbreuken bij nationale goedkeuringen sancties vast te stellen;

– keuze sanctiestelsel bij inbreuken op de verordening en op de Wvw 1994.

Sanctionering op identieke wijze (via art 30 van de Wvw 1994) bij inbreuken op verordening in het kader van EU-goedkeuringen als bij inbreuken ivm nationale goedkeuringen op grond van de Wvw 1994.


X Noot
1

In het nieuwe onderdeel fd van artikel 1, eerste lid, van de wet.

X Noot
2

In de voorgestelde artikelen 174a, 174b en 174c van de wet.

X Noot
3

Zie bijvoorbeeld artikel 29, vijfde lid, en artikel 31 van de wet.

X Noot
4

Arresten van het Hof van Justitie van de EU van 7 februari 1973, C-39/72, Slachtpremies, ECLI:EU:C:1973:13, en van 31 januari 1978, C-94/77, Fratelli Zerbone, ECLI:EU:C:1978:17.

X Noot
1

In het nieuwe onderdeel fd van artikel 1, eerste lid, van de wet.

X Noot
2

In de voorgestelde artikelen 174a, 174b en 174c van de wet.

X Noot
3

Zie bijvoorbeeld artikel 29, vijfde lid, en artikel 31 van de wet.

X Noot
4

Arresten van het Hof van Justitie van de EU van 7 februari 1973, C-39/72, Slachtpremies, ECLI:EU:C:1973:13, en van 31 januari 1978, C-94/77, Fratelli Zerbone, ECLI:EU:C:1978:17.

X Noot
1

Het betreft de richtlijnen en verordeningen die worden genoemd in bijlage 3.1 en in het nieuwe voorgestelde artikel 4b, eerste lid, onderdeel r, van de Wvw 1994.

X Noot
2

Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn nr. 2007/46/EG (PbEU 2018, L 151).

X Noot
3

Richtlijn 2007/46/EG van het Europese parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PbEG 2007, L 263).

X Noot
4

Verordening (EU) 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PbEU 2013, L 60).

X Noot
5

Verordening (EU) 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L 60).

X Noot
6

Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees parlement en de raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PbEU 2019, L169).

X Noot
7

Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen ("Herziene overeenkomst van 1958") (PbEU 1997, L346).

X Noot
8

Overeenkomst betreffende de vaststelling van geharmoniseerde technische reglementen van de Verenigde Naties voor voertuigen op wielen en voor uitrustingsstukken en onderdelen die daarop kunnen worden gemonteerd en/of gebruikt, en betreffende de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen die krachtens die reglementen van de Verenigde Naties zijn verleend (Trb.  1959/83).

X Noot
9

In verordening (EU) 2018/858, maar ook in andere verordeningen, wordt meestal de term ‘goedkeuringsinstantie’ gebruikt, maar de term ‘typegoedkeuringsinstantie’ komt ook voor (zie bijvoorbeeld artikel 67 tot en met 81 van verordening (EU) 2018/858).

X Noot
10

Voor een meer uitgebreide toelichting op dit punt wordt verwezen naar de toelichting bij het nieuw voorgestelde artikel 21 van de Wvw 1994 (artikel I, onderdeel E).

X Noot
11

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 4 december 2015, IENM/BSK-2015/110814, tot wijziging van de Regeling voertuigen in verband met de uitvoering van de verordening (EU) 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen en verordening (EU) 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L 60) (Stcrt 44282).

X Noot
12

Voor een meer uitgebreide toelichting op dit punt wordt verwezen naar de toelichting bij het nieuw voorgestelde artikel 21 van de Wvw 1994 (artikel I, onderdeel E).

X Noot
13

Verordening nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEG 2007, L 171).

X Noot
14

Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PbEG 2009, L 188).

X Noot
15

Besluit van 1 maart 2014 tot wijziging en intrekking van diverse besluiten ter uitvoering van verordening (EG) 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEG 2007, L 171) en van verordening (EG) 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PbEG 2009, L 188) en tot een technische aanpassing van het Waterbesluit (Stb. 120).

X Noot
16

Zie artikelen 86 en 87 van Verordening (EU) 2018/858.

X Noot
17

Bijvoorbeeld Verordening (EU) 2017/1151 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 1 juni 2017 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PbEU 2017, L175) of Verordening (EU) 2019/26 van het Europees Parlement en de Raad van 8 januari 2019 tot aanvulling van de typegoedkeuringswetgeving van de Unie in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie (PbEU 2019, L8).

X Noot
18

Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2007/08, 31 562, nr 3, pag 4–5 of pag 9 van het in voetnoot 13 genoemde besluit. Maar ook in het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State op het in voetnoot 13 genoemde besluit (advies W.14.13.0376/IV van 13 december 2013) is aangedrongen op deze aangekondigde overheveling.

X Noot
19

Zie artikel 84 van verordening (EU) 2018/858, artikel 76 van verordening (EU) 167/2013, artikel 72 van verordening (EU) 167/2013, artikel 11 van verordening (EG) 595/2009 en artikel 13 van verordening (EG) 715/2007.

X Noot
20

Stcrt 2015, 30280. Advies van 13 juli 2015, No. W03.15.0138/II

X Noot
21

Stcrt 2018, 31269. Nader rapport van 26 april 2018

X Noot
22

Kamerstukken I, 2008/09, nr 31 700 VI, D en brief 18 april 2019, Kamerstukken II 2018/19, 29 279, nr. 503.

X Noot
24

Zie punt 2.4 van het algemeen deel van deze toelichting.

X Noot
25

Verordening (EU) 167/2013 stelt dat die verordening niet van toepassing is op individuele goedkeuringen (artikel 1, eerste lid, tweede alinea), op voertuigen met een maximale snelheid van ten hoogste 6 km/h (definitie van trekker in artikel 3, onderdeel 8), op voertuigen genoemd in artikel 2, tweede lid, namelijk voertuigen waarvoor fabrikanten een typegoedkeuring of individuele goedkeuring kunnen aanvragen (artikel 2, derde lid) maar waarvoor geen afdoende specifieke regels zijn gesteld in de verordening en maakt het mogelijk voor een kleine serie nationale eisen te stellen (artikel 37). Verordening (EU) 168/2013 stelt dat die verordening niet van toepassing is op individuele keuringen (artikel 1, eerste lid, tweede alinea), op voertuigen met een maximale snelheid van ten hoogste 6 km/h (artikel 2, tweede lid), op voertuigen met een met name genoemde bestemming (artikel 2, tweede lid) en maakt het mogelijk voor een kleine serie mogelijk nationale eisen te stellen (artikel 42). Verordening (EU) 2018/858 stelt bijvoorbeeld dat de verordening niet van toepassing is op voertuigen met een maximum snelheid van ten hoogste 25 km/u (definitie motorvoertuig in artikel 3, punt 16) of op voertuigen voor strijdkrachten (artikel 2, tweede lid), of noemt voertuigen waarvoor fabrikanten een typegoedkeuring of individuele goedkeuring kunnen aanvragen (artikel 2, derde en vierde lid) maar waarvoor geen afdoende specifieke regels zijn gesteld in de verordening en biedt ruimte voor afwijkende nationale regels (artikel 42, tweede lid, en 45, eerste lid).

X Noot
26

Zie voor een meer uitgebreide toelichting op dit punt de toelichting bij nieuwe artikel 21, tweede lid, van de Wvw 1994.

Naar boven