Advies Raad van State betreffende voorstel van wet ter invoering van een verhuurderheffing over 2014 en volgende jaren alsmede wijziging van enige wetten met betrekking tot de nadere herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning (Wet maatregelen woningmarkt 2014)

Nader Rapport

’s-Gravenhage, 11 september 2013

Nr. 2013-0000525772

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 28 augustus 2013, nr. 13.001768, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen en een afschrift daarvan te zenden aan de Staatssecretaris van Financiën. Dit advies, gedateerd 4 september 2013, nr. W04.13.0291/I, bied ik U hierbij mede namens de Staatssecretaris van Financiën aan.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met de opmerkingen van de Afdeling rekening zal zijn gehouden.

  • 1. In de memorie van toelichting was al aangegeven dat de samenhang zowel een thematische als een uitvoeringstechnische betreft. Terecht wordt in het advies van de Afdeling opgemerkt dat er binnen dit thema meer voorstellen in voorbereiding zijn. De uitvoeringstechnische samenhang, namelijk het feit dat het voorstellen binnen de fiscale uitvoeringspraktijk betreft, heeft voor zover nu is te voorzien enkel nog betrekking op de voorliggende elementen. Dit geeft de memorie van toelichting voldoende aan met de zinsnede dat het vanwege de zowel thematische als uitvoeringtechnische samenhang van de voorstellen naar de mening van de regering dan ook past dat beide onderwerpen in het gezamenlijke wetsvoorstel worden opgenomen.

  • 2.1. Ik volg het advies van de Afdeling om een aparte financiële regeling te treffen in plaats van het opnemen van een heffingsvermindering in de wet niet. Ik verkies de thans gekozen constructie. De heffingsvermindering is een investeringsfaciliteit voor verhuurders die investeringen in problematische gebieden op zich nemen. Deze vermindering wordt toegepast om die investeringen binnen die heffing veilig te stellen. Er is dus een directe relatie met de heffing. De Afdeling stelt verder terecht dat de problematiek op deze thema’s (in het bijzonder Rotterdam-Zuid en de krimpgebieden) een veel breder beleidskader en instrumentarium vraagt. Dit is ook het geval. Voor Rotterdam Zuid is sprake van een Nationaal Programma Rotterdam Zuid en voor de krimpgebieden wordt uitvoering gegeven aan het Interbestuurlijk Programma Bevolkingsdaling. In deze programma’s wordt een breed pakket aan instrumenten ingezet. De heffingsvermindering maakt hier deel van uit.

  • 2.2. Ik volg het advies van de Afdeling om in de memorie van toelichting in te gaan op de verscheidene EU-aspecten. Het advies geeft mij tevens aanleiding om het wetsvoorstel op dit punt aan te vullen. De maatregel wordt vormgegeven als compensatie voor de kosten die worden gemaakt voor specifiek aangegeven activiteiten. Het uitvoeren van deze activiteiten wordt als een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) opgedragen aan alle verhuurders conform de randvoorwaarden van het Vrijstellingsbesluit DAEB (het besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen). Daartoe is het wetsvoorstel aangevuld met een definitie van de DAEB en voorts een artikel over deze DAEB opgenomen, dat deze opdracht bevat. De belastingplichtige komt uitsluitend compensatie toe voor de desbetreffende activiteiten. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent de berekening, monitoring en herziening van de compensatie, de regeling om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen, en de te voeren administratie (inclusief de parameters voor de toerekening van de kosten en inkomsten die betrekking hebben op de DAEB) in relatie tot de indiening van de aanvraag voor de heffingsvermindering. Voorts wordt nog de duur van deze activiteiten vermeld en het Vrijstellingsbesluit DAEB aangehaald. De memorie van toelichting is dienovereenkomstig aangepast. In dit licht acht ik het niet nodig om in overleg te treden met de Europese Commissie, dan wel het voornemen bij de Europese Commissie aan te melden.

  • 2.3. Ik volg het advies van de Afdeling om het onderscheid tussen grootschalige en kleinschalige verbouw te laten vervallen niet, omdat ik een verschil in behandeling wenselijk acht. Wel zal bij of krachtens een nader uit te werken algemene maatregel van bestuur op grond van het voorgestelde artikel 1.11, vierde lid, waarin nadere regels gesteld worden over het toepassingsbereik van de verschillende onderdelen zowel een grensbedrag als een limitatieve lijst van investeringscategorieën voor respectievelijk kleinschalige en grootschalige verbouw worden opgenomen. Hiermee wordt het onderscheid tussen grootschalige en kleinschalige verbouw nauwkeurig afgebakend.

  • 2.4a. Naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling waar het gaat om de rol van de inkomensafhankelijke huurverhogingen als financieringsbron van de heffing merk ik op dat de mogelijke extra opbrengst uit de inkomensafhankelijke huurverhogingen niet de enige financieringsbron van verhuurders is om de verhuurderheffing te financieren. De extra ruimte van 1,5% boven inflatie die als maximale huurverhoging geldt voor huishoudens met een inkomen onder de laagste inkomensgrens voor de inkomensafhankelijke huurverhoging is een belangrijke financieringsbron, naast de opbrengsten uit woningverkopen en opbrengsten van efficiencymaatregelen in de bedrijfsvoering. In de memorie van toelichting is dan ook aangegeven dat de verschuldigde verhuurderheffing is op te brengen uit de extra huuropbrengsten, zo nodig aangevuld met inkomsten uit woningverkopen en besparingen ten gevolge van efficiencymaatregelen.

    Wat betreft het advies om in de memorie van toelichting aandacht te besteden aan de stand van zaken met betrekking tot het aanleveren van de relevante inkomensgegevens meld ik dat de problemen bij de aanlevering van de relevante inkomensgegevens voor het doorvoeren van de inkomensafhankelijke huurverhogingen zich maar in een beperkt aantal gevallen hebben voorgedaan en bovendien tijdelijk van aard waren. In verreweg de meeste gevallen hebben deze problemen het tijdig doorvoeren van de inkomensafhankelijke huurverhoging niet in de weg hoeven staan. In een aan de Tweede Kamer toegezegde evaluatie zal nader worden ingegaan op onder andere deze uitvoeringsaspecten van de inkomensafhankelijke huurverhogingen. Deze evaluatie is nog niet voltooid en zal in de herfst aan de Tweede Kamer worden gezonden. Het nu al in de memorie van toelichting ingaan op deze uitvoeringsaspecten zou te zeer vooruitlopen op de uitkomsten van deze evaluatie.

  • 2.4b. Aan de opmerkingen van de Afdeling inzake de formeelrechtelijke bepalingen is gevolg gegeven door een bepaling over de toepasselijkheid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen te schrappen en de bepaling inzake het belasten met het toezicht op de naleving te harmoniseren met de equivalente bepaling artikel 3.52a van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit houdt in dat de rijksbelastingdienst belast is met het toezicht op de naleving van de belastingwet. Voor het proces rond de definitieve investeringsverklaring zijn de ambtenaren die de Minister voor Wonen en Rijksdienst daarvoor aanwijst belast met het toezicht op de naleving.

  • 3. Met de in het regeerakkoord van het kabinet Rutte II ‘Bruggen slaan’1 voorziene tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning wordt bereikt dat uiteindelijk de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning maximaal kunnen worden vergolden tegen het tarief in de derde schijf. Gelijktijdig worden stapsgewijs het gecombineerde tarief in de tweede schijf en het tarief in de derde schijf verlaagd van 42% naar 38%. Hiervoor wordt vanaf 2018 de opbrengst van de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning ingezet. Pas op 1 januari 2041, gelijktijdig met de achtentwintigste verlaging met 0,5%-punt van het aftrektarief in de vierde schijf, is de opbrengst van die wet voldoende om zowel het gecombineerde tarief in de tweede schijf en het tarief in de derde schijf te verlagen naar 38%.2

    Belastingplichtigen zijn met de aankoop en financiering van hun eigen woning een langlopende financiële verplichting aangegaan. Bij het aangaan van die financiering, en dus ook de aankoopbeslissing, heeft de fiscale behandeling van eigenwoningrente veelal een bepalende rol gespeeld. Een verandering op enig moment van de fiscale behandeling van eigenwoningrente kan verstrekkende gevolgen hebben voor belastingplichtigen die op dat moment al een eigen woning hebben. In het kader van de (annuïtaire) aflossingseis die is ingevoerd als gevolg van de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning is juist die overweging de belangrijkste reden geweest om de belangen van belastingplichtigen met een – kort gezegd – op 31 december 2012 bestaande eigenwoningschuld (hierna: bestaande gevallen) zwaar mee te laten wegen en te voorzien in een volledig eerbiedigende werking.3 Ik sta nog steeds volledig achter die afweging. Dat betekent overigens niet dat ik hoe dan ook op voorhand afwijzend sta tegenover iedere maatregel in de sfeer van de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning die ook bestaande gevallen raakt. Echter, daarbij geldt wel dat om voornoemde reden een zeer geleidelijke invoering van een dergelijke maatregel voor mij van evident belang is. Vandaar dat de tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning in stappen van 0,5%-punt wordt ingevoerd. Ik acht dat, zeker in combinatie met de voorgestelde terugsluis in de vorm van de verlenging van de derde schijf, verantwoord.

    Indien de Staten-Generaal met dit wetsvoorstel kunnen instemmen, geldt dat ook voor de tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning. Een volgend kabinet zal bij toekomstige besluitvorming de gevolgen van het eventueel wijzigen van de al doorgevoerde of nog door te voeren stappen van de tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning noch die van de terugsluis kunnen negeren. De maatregelen vormen als het ware een onderdeel van een basispad. Het voorgaande neemt echter niet weg dat dit kabinet zich er sterk voor maakt dat de voorgestelde tariefsmaatregel kosten aftrek eigen woning het sluitstuk van de hervormingen op de koopwoningmarkt zal zijn. Door de tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning, de daarmee samenhangende terugsluis en de terugsluis als gevolg van de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning voor de gehele periode tot aan het bereiken van de structurele situatie wettelijk vast te leggen, beoog ik de praktijk langjarige duidelijkheid te bieden over de te nemen stappen. Het voorgaande kan ook mede in het licht worden gezien van de tijdens de behandeling van de begrotingsstaten van Wonen en Rijksdienst voor het jaar 2013 aangenomen motie Knops.4 Meer zekerheid kan dit kabinet, of welk ander kabinet dan ook, niet bieden.

  • 4. De redactionele opmerking van de Afdeling onder punt 1 is niet overgenomen. Ik hecht aan de aanduiding ‘verhuurderheffing’. Dat deze heffing voor de toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 als een rijksbelasting in aanmerking dient te worden genomen, is reeds tot uitdrukking gebracht in de wettekst. Het is naar mijn oordeel niet nodig om dit ook in de naam van deze heffing tot uitdrukking te brengen.

    De overige redactionele opmerkingen van de Afdeling zijn overgenomen. Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zijn daarmee in overeenstemming gebracht.

  • 5. Tot slot is het wetsvoorstel wetstechnisch en redactioneel gewijzigd. De memorie van toelichting is redactioneel gewijzigd.

Ik moge U, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, verzoeken het hierbij gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok.

Advies Raad van State

’s-Gravenhage, 4 september 2013

No. W04.13.0291/I

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 28 augustus 2013, no. 13.001768, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Wonen en Rijksdienst, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet ter invoering van een verhuurderheffing over 2014 en volgende jaren alsmede wijziging van enige wetten met betrekking tot de nadere herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning (Wet maatregelen woningmarkt 2014), met memorie van toelichting

Als onderdeel van de maatregelen om de woningmarkt in zowel het huur- als het koopsegment beter te laten functioneren, bevat het voorstel drie onderdelen:

  • 1. de introductie van een heffing voor verhuurders van woningen in de gereguleerde sector (een verhuurderheffing voor 2014 en volgende jaren, als vervolg op de thans al geldende verhuurderheffing voor alleen het jaar 2013),

  • 2. een tariefaanpassing voor de aftrek van kosten voor de eigen woning (kort gezegd een beperking van de aftrekbaarheid van hypotheekrente), en

  • 3. het herstellen van enkele onduidelijkheden, onbedoelde gevolgen, en omissies die het gevolg zijn van de invoering van de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning (invoering aflossingseis voor aftrekbaarheid hypotheekrente).

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt opmerkingen over de samenhang van de onderdelen van het voorstel, de verhuurderheffing en de tariefaanpassing aftrek kosten eigen woning. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.

1. Samenhang onderdelen voorstel

Het onderhavige wetsvoorstel bestaat uit drie onderdelen, te weten (1) een verhuurderheffing voor 2014 en volgende jaren, (2) een beperking van de hypotheekrenteaftrek, en (3) het herstellen van enkele onduidelijkheden, onbedoelde gevolgen, en omissies die het gevolg zijn van de invoering van de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning.

De toelichting vermeldt dat het naar de mening van de regering past de onderdelen 1 en 2 vanwege zowel de thematische als de uitvoeringstechnische samenhang in het voorliggende gezamenlijke wetsvoorstel op te nemen ‘en zodoende in samenhang te beoordelen’5, zodat een integrale besluitvorming plaatsvindt over alle onderdelen van het voorliggende pakket.6 Daaraan wordt nog toegevoegd dat de in het wetsvoorstel opgenomen lastenverzwaring voor de huurmarkt (onderdeel 1) niet los kan worden gezien van de in het wetsvoorstel opgenomen tariefaanpassing aftrek kosten eigen woning (onderdeel 2).

Daarnaast, zo vervolgt de toelichting7, wordt onderdeel 3 in dit wetsvoorstel opgenomen (dit deel heeft het karakter van een ‘veegwet’8).

Volgens de toelichting wordt met dit pakket aan maatregelen voorzien in een samenhangend geheel aan maatregelen voor zowel de huur- als de koopsector. Tezamen met de al getroffen maatregelen beoogt het wetsvoorstel te leiden tot een toekomstbestendige woningmarkt voor zowel de huur- als de koopsector.9 Daarnaast geeft de toelichting aan dat de regering de tariefaanpassing aftrek kosten eigen woning beschouwt als het sluitstuk van de hervorming van de eigenwoningregeling in het algemeen en de hypotheekrenteaftrek in het bijzonder.10

De Afdeling wijst erop dat het wetsvoorstel weliswaar kan bijdragen aan een toekomstbestendige woningmarkt, maar dat er op de woningmarkt meer vraagstukken zijn die in de toekomst aandacht vragen. De Afdeling noemt bij wijze van voorbeeld het in het najaar van 2013 afzonderlijk te presenteren wetsvoorstel over het woningwaarderingsstelsel als instrument voor huurprijsregulering. Daarmee rijst de vraag waarom de onderhavige voorstellen wel in één wetsvoorstel in samenhang zouden moeten worden beoordeeld, hoewel de onderwerpen uiteenlopend van aard zijn, maar niet in samenhang met een of meer op korte termijn nog te verwachten voorstellen.11

De Afdeling adviseert in de memorie van toelichting op het vorenstaande in te gaan.

2. Verhuurderheffing

Op 16 mei 2013 heeft de Afdeling advies uitgebracht over een voorstel van Wet verhuurderheffing 2014 zonder de thans voorgestelde heffingsvermindering.12 Dit voorstel zal niet bij de Tweede Kamer worden ingediend.

Het thans voorliggende voorstel betreft de invoering van een verhuurderheffing voor de jaren 2014 en volgende jaren, maar nu met een heffingsvermindering. De Afdeling merkt op dat het voorliggende voorstel, afgezien van de heffingsvermindering, van de hoogte van het tarief en van enkele formeelrechtelijke bepalingen, bijna volledig overeenkomt met het niet in te dienen voorstel en met de thans al geldende verhuurderheffing voor het jaar 2013.

Paragraaf 2.5 van de toelichting gaat in op de heffingsvermindering ten behoeve van maatschappelijk gewenste investeringen. Via de heffingsvermindering wordt rekening gehouden met de positie van verhuurders die met omvangrijke maatschappelijk gewenste investeringsopgaven worden geconfronteerd. Ter stimulering van investeringen in het kader van maatschappelijk urgente opgaven, zoals (1) de aanpak van de woningvoorraad in Rotterdam Zuid, (2) de sloop van woningen in krimpgebieden, en (3) de transformatie van vastgoed met niet-woonfunctie naar woonfunctie, wordt voorgesteld om voor vier jaren een heffingsvermindering van € 70 miljoen per jaar beschikbaar te stellen voor heffingsplichtige verhuurders. Bij ministeriële regeling kan de hoogte van de tegemoetkoming worden verlaagd of verhoogd in geval van over- of onderschrijden van genoemd bedrag.13

De Afdeling maakt de volgende opmerkingen bij het voorstel voor een heffingsvermindering.

2.1. Effectiviteit heffingsvermindering

De Afdeling merkt op dat de verhuurderheffing zonder heffingsvermindering een objectieve heffing is. Daarbij wordt geen rekening gehouden met subjectieve elementen als verschil in vermogenspositie en/of omvangrijke maatschappelijk gewenste investeringsopgaven. Dit heeft een bepaalde mate van ruwheid tot gevolg, maar daar staat tegenover dat de heffing eenvoudig en robuust is. Met de heffingsvermindering worden subjectieve elementen geïntroduceerd die slechts voor een beperkte groep belastingplichtigen de ruwheid enigszins kunnen wegnemen, maar die aanzienlijk afbreuk doen aan de eenvoud. De Afdeling is van oordeel dat dit haaks staat op het voorgenomen beleid om het belastingstelsel te vereenvoudigen, zoals verwoord in de Fiscale Agenda.14 In dit verband wijst de Afdeling op het verre van eenvoudige onderscheid tussen grootschalige en kleinschalige verbouw van huurwoningen (zie nader de opmerking daarover onder punt 2.3 hierna) en op het op te zetten systeem voor beoordelingen van voorgenomen en gerealiseerde investeringen met bijbehorende voorlopige en definitieve verklaringen.

Voorts wijst de Afdeling erop dat hier sprake is van een belastinguitgave. Zoals de Afdeling al meermalen heeft opgemerkt, past terughoudendheid bij dergelijke belastinguitgaven, omdat de praktijk leert dat fiscale subsidies zelden het beoogde effect hebben. Ook in dit geval plaatst de Afdeling vraagtekens bij de effectiviteit, omdat het jaarlijks beschikbare bedrag (€ 70 miljoen) in vergelijking tot de beoogde opbrengst van de verhuurderheffing (vanaf 2017 structureel € 1,7 miljard) zeer beperkt is, de regeling geen rekening houdt met de verschillen in vermogensposities, een beperkte groep belastingplichtigen treft en slechts voor vier jaar geldt. Verder is het beoogde doel van de heffingsvermindering onder andere een aantal maatschappelijk urgente investeringen te stimuleren in aangewezen deelgemeenten van de gemeente Rotterdam en aangewezen krimpgebieden. Naar het oordeel van de Afdeling is dit doel met een fiscale maatregel nauwelijks te bereiken omdat de daar voorkomende problematiek slechts kan worden opgelost binnen een veel breder eigen beleidskader met daarbij behorend instrumentarium.

Gelet op de hiervoor genoemde bezwaren tegen de heffingsvermindering is de Afdeling van oordeel dat het, gegeven de wens om bepaalde investeringen te stimuleren, de voorkeur verdient een aparte financiële regeling te treffen voor bepaalde maatschappelijk gewenste investeringen die voor zover nodig rekening houdt met de vermogenspositie van de belastingplichtige en los staat van de verhuurderheffing, zodat het robuuste karakter van de verhuurderheffing overeind kan blijven.

De Afdeling adviseert het invoeren van een heffingsvermindering opnieuw te bezien.

Onverminderd het vorenstaande merkt de Afdeling nog het volgende op.

2.2. Europeesrechtelijke aspecten heffingsvermindering

De heffingsvermindering is een voordeel voor bepaalde woningbouwcorporaties dat direct uit staatsmiddelen wordt toegekend. Niet valt uit te sluiten dat dit voordeel kwalificeert als een steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU.

In de Beschikking van de Europese Commissie van 15 december 2009, C(2009)9963 final, werd door de Commissie een oordeel gegeven over de steunmaatregelen in de Nederlandse sociale huursector. Hieruit volgt dat de Nederlandse autoriteiten de Commissie op de hoogte moeten stellen van wetgeving in deze context. Meer algemeen volgt uit artikel 108, eerste lid, VWEU, in samenhang met artikel 17 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag, dat de Commissie tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunmaatregelen onderwerpt aan een voortdurend onderzoek. Indien de voorgestelde heffingsvermindering niet in dat kader beoordeeld zou worden, dan gaat het om een fiscaal voordeel dat mogelijk moet worden aangemerkt als nieuwe steunmaatregel die valt onder de werking van artikel 107, eerste lid VWEU. In dit geval dient het voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen, op grond van artikel 108, derde lid VWEU, bij de Europese Commissie aangemeld te worden. Bij deze aanmelding kan dan vervolgens de vraag aan de orde komen of het bij de verstrekking van het fiscaal voordeel gaat om diensten van algemeen economisch belang (DEAB) in de zin van artikel 106, tweede lid, VWEU.

In dit verband merkt de Afdeling voorts op dat de toelichting op nog te concipiëren lagere regelgeving – anders dan waar de toelichting op het onderhavige voorstel van uitgaat15 – niet het geëigende kader is om in te gaan op de Europeesrechtelijke aspecten van de heffingsvermindering.

De Afdeling adviseert om in de memorie van toelichting op het vorenstaande in te gaan en om parallel aan de indiening van het wetsvoorstel, voor zover het betrekking heeft op de heffingsvermindering, in overleg te treden met de Europese Commissie, dan wel het voornemen bij de Europese Commissie aan te melden.

2.3. Onderscheid grootschalige en kleinschalige verbouw

Het voorstel maakt een onderscheid tussen grootschalige en kleinschalige verbouw van huurwoningen.16 Voor grootschalige verbouw geldt een heffingsvermindering van € 15.000 per verbouwde huurwoning en voor kleinschalige verbouw geldt een heffingsvermindering van € 10.000 per verbouwde huurwoning.

De Afdeling is van oordeel dat het onderscheid tussen grootschalige en kleinschalige verbouw in de praktijk moeilijk te maken zal zijn. Dat geldt ook voor de vraag wanneer er sprake is van kleinschalige verbouw en wanneer nog (net) niet.

De Afdeling adviseert daarom het onderscheid tussen grootschalige en kleinschalige verbouw te laten vervallen.

2.4. Overige opmerkingen

De Afdeling plaatst voorts nog de volgende kanttekeningen bij het voorstel voor een verhuurderheffing.

a. Aanleveren inkomensgegevens

De Afdeling herhaalt de adviesopmerking17 die zij heeft gemaakt bij het eerder aan haar voorgelegde, maar niet bij de Tweede Kamer in te dienen voorstel van Wet verhuurderheffing 2014. De Afdeling vroeg daarin aandacht voor de uitvoering van de inkomensafhankelijke verhoging van de huren. Omdat het metterdaad kunnen doorvoeren van deze extra huurverhogingen de belangrijkste financieringsbron is van de verhuurderheffing, adviseert de Afdeling in de memorie van toelichting aandacht te besteden aan de stand van zaken met betrekking tot het aanleveren van de relevante inkomensgegevens aan de corporaties.

b. Formeelrechtelijke bepalingen

De Afdeling maakt twee opmerkingen over de voor de verhuurderheffing voorgestelde dwang- en strafbepalingen.18

1°. Algemene wet inzake rijksbelastingen

De toelichting op het voorstel vermeldt dat de verhuurderheffing een rijksbelasting is die van rijkswege door de rijksbelastingdienst wordt geheven.19 Voor de heffing en inning daarvan gelden daarom tevens de toepasselijke artikelen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, alsmede de op die artikelen berustende bepalingen, zo vervolgt de toelichting.

De Afdeling merkt op dat met het aanmerken van de verhuurderheffing als een rijksbelasting20 wordt bereikt dat de AWR en de andere genoemde wetten en daarop gebaseerde regelingen van toepassing zijn.21 De toelichting op het voorstel sluit dan ook terecht aan bij deze systematiek. Niettemin, zo merkt de Afdeling op, worden in het voorgestelde artikel 1.15 enkele artikelen van de AWR, overigens zonder een toelichting daarop, van overeenkomstige toepassing verklaard. Gelet op de beschreven systematiek is het naar het oordeel van de Afdeling niet noodzakelijk om artikelen van de AWR van overeenkomstige toepassing te verklaren.

De Afdeling adviseert het voorgestelde artikel 1.15 te schrappen.

2°. Toezicht op de naleving

De Afdeling merkt op dat het voorgestelde artikel 1.10 van afdeling 6 regelt dat een belastingplichtige met een op zijn naam afgegeven definitieve investeringsverklaring, het bedrag van de verhuurderheffing kan verminderen met het in die beschikking opgenomen bedrag van de heffingsvermindering. Naar het de Afdeling voorkomt, komt het toezicht op de naleving van artikel 1.10 toe aan de bevoegde inspecteur van de rijksbelastingdienst, en niet – zoals artikel 1.14 bepaalt – aan de bij besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst aangewezen ambtenaren.

Daarnaast constateert de Afdeling dat het in de overige artikelen van genoemde afdeling 622 gaat om het vaststellen van voorlopige en definitieve investeringsverklaringen. Die vaststelling vindt volgens die artikelen plaats door bij besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst aangewezen ambtenaren (Agentschap.nl). Mede vanwege het ontbreken van een toelichting op het voorgestelde artikel 1.14 is het niet helder of het de bedoeling is dat de ingevolge dit artikel aan te wijzen ambtenaren toezicht gaan houden op het Agentschap. In dit kader merkt de Afdeling op dat deze regels over het toezicht op de naleving van de heffingsvermindering verschillen van de systematiek bij de vergelijkbare procedure voor het aanvragen en afgeven van beschikkingen RDA (Research en Development Aftrek).23

De Afdeling adviseert in het licht van het vorenstaande het voorgestelde artikel 1.14 opnieuw te bezien.

3. Tariefaanpassing aftrek kosten eigen woning

De Afdeling kan zich vinden in inperking van de hypotheekrenteaftrek en de vastlegging ervan in de wet. Dit laatste betekent onder andere dat niet anders dan bij wet in formele zin wijzigingen in de voorgestelde beperking van de hypotheekrenteaftrek kunnen worden aangebracht. Dat biedt in zoverre meer zekerheid op de koopwoningmarkt. De Afdeling tekent daarbij evenwel het volgende aan.

De inperking van de hypotheekrenteaftrek strekt zich uit over een periode van 28 jaar.

Volgens de toelichting wordt het onderhavige wetsvoorstel beschouwd als het sluitstuk van de hervorming van de eigenwoningregeling in het algemeen en de hypotheekrenteaftrek in het bijzonder, en wordt ermee beoogd eigenwoningbezitters (doorstromers) en toekomstige toetreders tot de koopwoningmarkt (starters) een langjarig perspectief te bieden om daarmee duidelijkheid en meer rust op de koopwoningmarkt te creëren.24 De Afdeling is van oordeel dat de bedoelde periode zo lang is dat de geboden zekerheid maar schijn is, omdat niet voorzienbaar is of de omstandigheden gedurende deze periode gelijk blijven. Zij kunnen zodanig wijzigen dat nadere wijzigingen nodig zullen zijn. Voor de benodigde duidelijkheid en rust op de koopwoningmarkt is het daarom wenselijk van een kortere, beter overzienbare periode uit te gaan.

De Afdeling adviseert in de memorie van toelichting op het vorenstaande in te gaan.

4. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State, J.P.H. Donner.

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no. W04.13.0291/I

  • Gelet op het feit dat de verhuurderheffing een rijksbelasting is, in hoofdstuk 1 van het voorstel de term ‘verhuurderheffing’ telkens wijzigen in ‘verhuurderbelasting’ en in de considerans van het voorstel ‘heffing’ wijzigen in ‘belasting’.

  • In artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, aanhef, van het voorstel ‘activiteit die is’ vervangen door: activiteit die betreft.

  • Het in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel d, van het voorstel opgenomen begrip ‘investering’ wijzigen in ‘gerealiseerde investering’, ter verduidelijking ten opzichte van het in onderdeel b van dit tweede lid opgenomen begrip ‘voorgenomen investering’. In overeenstemming daarmee ook de artikelen aanpassen waarvoor dit begrip is gedefinieerd.

  • Het in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel e, van het voorstel opgenomen begrip ‘investeringsverklaring’ wijzigen in ‘definitieve investeringsverklaring’, ter verduidelijking ten opzichte van het in onderdeel c van dit tweede lid opgenomen begrip ‘voorlopige investeringsverklaring’. In overeenstemming daarmee ook de artikelen aanpassen waarvoor dit begrip is gedefinieerd.

  • In artikel 1.11, eerste lid, onderdeel f, van het voorstel ‘samenvoeging van huurwoningen’ wijzigen in ‘samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen’, in overeenstemming met de in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 6°, van het voorstel opgenomen formulering.

  • In artikel 1.12, vierde lid, onderdelen a en b, van het voorstel ‘als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b’ wijzigen in: als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b.

  • In het in artikel 3.1, onderdeel A, vijfde lid, van het voorstel opgenomen artikel 3.119a, zevende lid, eerste volzin, (nieuw), van de Wet IB 2001 ‘afgerond in hele kalendermaanden’ wijzigen in: afgerond op hele kalendermaanden.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Invoering van een verhuurderheffing over 2014 en volgende jaren alsmede wijziging van enige wetten met betrekking tot de nadere herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning (Wet maatregelen woningmarkt 2014)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om vanaf 2014, als onderdeel van de maatregelen om de woningmarkt in zowel het huur- als het koopsegment beter te laten functioneren, een heffing in te voeren voor verhuurders van woningen in de gereguleerde sector, een tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning in te voeren waardoor het fiscale voordeel ter zake van de aftrek van dergelijke kosten voor zover deze tegen het tarief in de vierde schijf worden vergolden stapsgewijs wordt verkleind, alsmede enkele onduidelijkheden, onbedoelde gevolgen en omissies als gevolg van de invoering van de aflossingseis te herstellen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. VERHUURDERHEFFING OVER 2014 EN VOLGENDE JAREN

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1

Onder de naam verhuurderheffing wordt een belasting geheven van de in artikel 1.4 bedoelde belastingplichtigen.

Artikel 1.2
  • 1. In hoofdstuk 1 van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. heffingsjaar:

    kalenderjaar waarover de verhuurderheffing is verschuldigd;

    b. huurwoning:

    in Nederland gelegen voor verhuur bestemde woning die ingevolge artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken als één onroerende zaak wordt aangemerkt en waarvan de huurprijs niet hoger is dan het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, met uitzondering van een woning die wordt verhuurd in het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die in die woning voor een korte periode verblijf houden;

    c. Onze Minister:

    Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst;

    d. WOZ-waarde:

    volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor een kalenderjaar vastgestelde waarde.

  • 2. In hoofdstuk 1 van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder:

    • a. heffingsvermindering: vermindering van de verhuurderheffing op grond van een investeringsverklaring;

    • b. voorgenomen investering: op of na 1 januari 2014 te verrichten activiteit die is:

      • 1°. bouw van huurwoningen;

      • 2°. grootschalige verbouw van huurwoningen;

      • 3°. verbouw van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen;

      • 4°. sloop van huurwoningen;

      • 5°. kleinschalige verbouw van huurwoningen of

      • 6°. samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen;

    • c. voorlopige investeringsverklaring: schriftelijke kennisgeving van Onze Minister aan de aanvrager, met gegevens over:

      • 1°. de voorgenomen investering en

      • 2°. het voorlopige bedrag aan heffingsvermindering met een berekening van dat bedrag;

    • d. investering: activiteit die door de belastingplichtige is gerealiseerd ter uitvoering van een voorgenomen investering;

    • e. investeringsverklaring: schriftelijke kennisgeving van Onze Minister aan de belastingplichtige met gegevens over:

      • 1°. de investering en

      • 2°. het bedrag aan heffingsvermindering met een berekening van dat bedrag.

Artikel 1.3

Indien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van die wet is bekendgemaakt.

AFDELING 2. BELASTINGPLICHT
Artikel 1.4

Belastingplichtig voor de verhuurderheffing is degene die bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan tien huurwoningen.

AFDELING 3. GRONDSLAG
Artikel 1.5

De verhuurderheffing wordt geheven naar het belastbare bedrag.

Artikel 1.6

Het belastbare bedrag is de som van de WOZ-waarden van de huurwoningen waarvan de belastingplichtige bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft, verminderd met tien maal de gemiddelde WOZ-waarde van die huurwoningen.

AFDELING 4. TARIEF
Artikel 1.7

De verhuurderheffing bedraagt 0,381% van het belastbare bedrag.

AFDELING 5. WIJZE VAN HEFFING
Artikel 1.8

De verhuurderheffing wordt verschuldigd op 1 januari van het kalenderjaar.

Artikel 1.9
  • 1. De verhuurderheffing wordt op aangifte voldaan.

  • 2. In afwijking van artikel 10, tweede lid, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen stelt de inspecteur de termijn voor het doen van aangifte zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan negen maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

  • 3. In afwijking van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is de belastingplichtige gehouden de verhuurderheffing aan de ontvanger overeenkomstig de aangifte te betalen binnen negen maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

AFDELING 6. HEFFINGSVERMINDERING
Artikel 1.10
  • 1. De belastingplichtige die beschikt over een op zijn naam afgegeven investeringsverklaring met een dagtekening in een kalenderjaar dat ten hoogste drie jaren voor het heffingsjaar ligt of voor 1 oktober in het heffingsjaar zelf, kan het bedrag van de verhuurderheffing verminderen met het bedrag van de heffingsvermindering; in dat geval dient de belastingplichtige het volledige in de investeringsverklaring genoemde bedrag van de heffingsvermindering in mindering te brengen voor zover dit niet hoger is dan het bedrag van de verhuurderheffing.

  • 2. Indien het bedrag van de heffingsvermindering hoger is dan het bedrag van de verhuurderheffing, kan de belastingplichtige het deel van het bedrag van de heffingsvermindering in mindering brengen dat gelijk is aan de verhuurderheffing. De belastingplichtige kan het deel van het bedrag van heffingsvermindering, dat hij in enig heffingsjaar niet op het bedrag van de verhuurderheffing in mindering heeft kunnen brengen, in mindering brengen op een over een volgend heffingsjaar verschuldigde verhuurderheffing, doch niet later dan in het heffingsjaar dat ten hoogste drie jaren ligt na het jaar van de dagtekening van de investeringsverklaring.

Artikel 1.11
  • 1. De heffingsvermindering bedraagt in geval van:

    • a. bouw van huurwoningen: € 15.000 per gebouwde huurwoning;

    • b. grootschalige verbouw van huurwoningen: € 15.000 per verbouwde huurwoning;

    • c. verbouw van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen: € 10.000 per gerealiseerde huurwoning;

    • d. sloop van huurwoningen: € 15.000 per gesloopte huurwoning;

    • e. kleinschalige verbouw van huurwoningen: € 10.000 per verbouwde huurwoning en

    • f. samenvoeging van huurwoningen: € 15.000 per huurwoning waarmee het aantal huurwoningen door die samenvoeging is verminderd.

  • 2. De heffingsvermindering is:

    • a. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en e, uitsluitend van toepassing in de deelgemeenten Charlois, Feijenoord en IJsselmonde van de gemeente Rotterdam, en

    • b. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en f, uitsluitend van toepassing in de in onderdeel a genoemde deelgemeenten en in de gemeenten Appingedam, Beek, Bellingwedde, Brunssum, De Marne, Delfzijl, Eemsmond, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Hulst, Kerkrade, Landgraaf, Loppersum, Maastricht, Meerssen, Menterwolde, Nuth, Oldambt, Onderbanken, Pekela, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Sluis, Stadskanaal, Stein, Terneuzen, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Veendam, Vlagtwedde en Voerendaal.

  • 3. Indien naar het oordeel van Onze Minister op enig tijdstip onvoldoende evenwicht bestaat of komt te bestaan tussen de heffingsverminderingen en het daarvoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, kunnen bij ministeriële regeling met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober van enig jaar de in het eerste lid genoemde bedragen worden verhoogd, verlaagd, dan wel op nihil gesteld. De nieuwe bedragen gelden voor voorlopige investeringsverklaringen waarvan de voorgenomen investering is aangemeld na het tijdstip waarop de ministeriële regeling in werking treedt.

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het toepassingsbereik van de verschillende onderdelen van het eerste lid. Bij ministeriële regeling kan de begrenzing van de deelgemeenten, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, nader worden aangeduid.

Artikel 1.12
  • 1. Een voorgenomen investering wordt uiterlijk op 31 december 2017 langs elektronische weg aangemeld bij Onze Minister.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanmelding, welke gegevens daarbij op welke wijze worden verstrekt en de wijze waarop zij wordt gedaan.

  • 3. Onze Minister geeft met betrekking tot de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een voorlopige investeringsverklaring af indien:

    • a. de voorgenomen investering voldoet aan het daarover bij of krachtens deze wet bepaalde en

    • b. niet aannemelijk is dat ter verkrijging van die verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanmelding een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend zouden zijn geweest.

  • 4. De voorlopige investeringsverklaring vervalt indien:

    • a. een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, onder 1°, 2° of 3°, niet binnen vijf jaar nadat deze overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens het eerste en tweede lid is aangemeld, als investering is aangemeld, of

    • b. een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, onder 4°, 5° of 6°, niet binnen drie jaar nadat deze overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens het eerste en tweede lid is aangemeld, als investering is aangemeld.

  • 5. Onze Minister kan een voorlopige investeringsverklaring intrekken indien:

    • a. de voorgenomen investering niet voldoet aan het daarover bij of krachtens deze wet bepaalde of

    • b. aannemelijk is dat ter verkrijging van die verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanmelding een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend zouden zijn geweest.

  • 6. De voorlopige investeringsverklaring is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1.13
  • 1. Een investering wordt langs elektronische weg aangemeld door de belastingplichtige bij Onze Minister. Artikel 1.12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Onze Minister geeft met betrekking tot de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een investeringsverklaring af indien:

    • a. met betrekking tot de daarin opgenomen investering een voorlopige investeringsverklaring is afgegeven en deze niet is vervallen of ingetrokken;

    • b. de investering voldoet aan het daarover bij of krachtens deze wet bepaalde;

    • c. niet aannemelijk is dat ter verkrijging van die verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanmelding een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend zouden zijn geweest en

    • d. in geval sprake is van een investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2° of 5°: voor dezelfde huurwoning niet eerder een investeringsverklaring met betrekking tot een zodanige investering is afgegeven.

  • 3. Het in een investeringsverklaring opgenomen bedrag aan heffingsvermindering is niet hoger dan het bedrag dat ten aanzien van de voorgenomen investering is opgenomen in de voorlopige investeringsverklaring.

  • 4. Artikel 1.12, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 7. DWANG- EN STRAFBEPALINGEN
Artikel 1.14

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens afdeling 6 bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

Artikel 1.15

De artikelen 68, 69 en 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 2. WIJZIGINGEN IN HOOFDSTUK 1

Artikel 2.1

Met ingang van 1 januari 2015 wordt in artikel 1.7 ‘0,381%’ vervangen door: 0,449%.

Artikel 2.2

Met ingang van 1 januari 2016 wordt in artikel 1.7 ‘0,449%’ vervangen door: 0,491%.

Artikel 2.3

Met ingang van 1 januari 2017 wordt in artikel 1.7 ‘0,491%’ vervangen door: 0,536%.

HOOFDSTUK 3. WIJZIGINGEN IN DE WET INKOMSTENBELASTING 2001

Artikel 3.1

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 3.119a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘kosten van verbetering, of onderhoud van de woning of ter afkoop van de rechten van erfpacht opstal of beklemming’ vervangen door: kosten van verbetering of onderhoud van de woning of ter afkoop van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming.

2. In het derde lid wordt in de aanhef ‘bedoeld in onderdeel a’ vervangen door ‘bedoeld in het tweede lid, onderdeel a’ en wordt ‘het bedrag van de verbetering’ vervangen door ‘het bedrag van de kosten van verbetering’. Voorts wordt in de aanhef ‘bedoeld in onderdeel b’ vervangen door ‘bedoeld in het tweede lid, onderdeel b’ en wordt onder 1° ‘voorafgaande’ telkens vervangen door ‘voorafgaand’. Ten slotte wordt de aanduiding van de onderdelen 1° en 2° vervangen door de aanduiding ‘a.’, onderscheidenlijk de aanduiding ‘b.’.

3. Na het vierde lid wordt, onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Op een schuld bij een aannemer of projectontwikkelaar die is ontstaan door het sluiten van een koop- of aannemingsovereenkomst, zijn de voorwaarden van het eerste lid, onderdelen b, c en d, niet van toepassing tot het moment van aflossen van die schuld dan wel, indien dat eerder is, het moment van levering van de onroerende zaak. Artikel 3.119c, derde lid, vindt geen toepassing voor zover de in dat lid bedoelde schuld die laatstelijk heeft bestaan een schuld als bedoeld in de eerste volzin betrof.

4. In het zesde lid (nieuw), onderdelen a en b, wordt ‘de schulden die zijn aangegaan’ vervangen door ‘schulden die zijn aangegaan’. Voorts wordt aan het zesde lid, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. schulden waarvan de maximale looptijd van 360 maanden is verstreken.

5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel e, geldt dat voor een schuld die behoorde tot de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid, of voor een schuld die behoorde tot de eigenwoningschuld in de periode van 2001 tot en met 2012, als verstreken looptijd wordt beschouwd de periode die voor die schuld in mindering is gekomen op de periode van 30 jaar op het moment van het in aanmerking nemen van de rente op die schuld, naar beneden afgerond in hele kalendermaanden. Artikel 3.119c, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

B. Artikel 3.119aa wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘een eigenwoningreserve’ vervangen door: de eigenwoningreserve.

2. In het tweede lid wordt ‘Een eigenwoningreserve neemt af’ vervangen door: De eigenwoningreserve neemt af.

3. Het vierde lid, tweede volzin, komt te luiden:

Als verwerving of vervreemding wordt niet aangemerkt die krachtens boedelmenging door voltrekking van een huwelijk, die krachtens wijziging van huwelijkse voorwaarden of die krachtens erfrecht tussen partners.

4. Na het vijfde lid wordt, onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 6. De eigenwoningreserve wordt aan elk van de partners toegerekend naar rato van hun gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap. Bij het overlijden van een belastingplichtige die een partner heeft, gaat de eigenwoningreserve van de overledene over op de langstlevende partner.

C. Artikel 3.119c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘n: de totale looptijd van de schuld in maanden, gerekend vanaf het moment van aangaan van de schuld tot de maand waarin de schuld geheel moet zijn afgelost, doch ten hoogste 360 maanden’ vervangen door: n: de maximale looptijd van 360 maanden.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Voor zover een of meerdere schulden die behoorden tot de eigenwoningschuld laatstelijk hebben bestaan en voor een bedrag overeenstemmend met of lager dan de laatste omvang van die schuld, onderscheidenlijk schulden, een of meer nieuwe schulden als bedoeld in artikel 3.119a, eerste lid, worden aangegaan, wordt de formule in het eerste lid per schuld als volgt toegepast:

    • a. onder B0 wordt verstaan: de laatste omvang van de voorgaande schuld, dan wel indien het bedrag van de nieuwe schuld lager is, dit lagere bedrag;

    • b. onder im wordt verstaan: de maandelijkse rentevoet op het moment van aangaan van de nieuwe schuld;

    • c. onder x wordt verstaan: het aantal verstreken gehele kalendermaanden van de looptijd vanaf het moment direct voorafgaand aan het aangaan van de nieuwe schuld, en

    • d. onder n wordt verstaan: de nog resterende maximale looptijd van de oorspronkelijke maximale looptijd van 360 maanden van de voorgaande schuld in maanden op het laatste moment dat deze schuld bestond.

3. Na het derde lid worden, onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot zesde tot en met negende lid, twee leden ingevoegd, luidende:

  • 4. Het derde lid vindt geen toepassing voor zover de in het derde lid bedoelde schuld of schulden die laatstelijk hebben bestaan:

    • a. behoorden tot de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid, of

    • b. in de jaren 2001 tot en met 2012 behoorden tot de eigenwoningschuld.

  • 5. Indien bij de toepassing van het derde lid meerdere schulden laatstelijk hebben bestaan waarvan de resterende maximale looptijd verschilt en voor een bedrag lager dan de gezamenlijke omvang van die schulden een of meerdere nieuwe schulden als bedoeld in artikel 3.119a, eerste lid, worden aangegaan, wordt voor de toepassing van het derde lid van die meerdere schulden die laatstelijk hebben bestaan eerst de schuld met de kortste resterende maximale looptijd in aanmerking genomen.

4. Het zesde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 6. Voor zover de nieuwe eigenwoningschuld, verminderd met de eigenwoningschuld waarop de aflossingsstand, bedoeld in artikel 3.119d, is toegepast, de laatste omvang van de voorgaande eigenwoningschuld, uiterlijk op het moment direct voorafgaand aan het aangaan van de nieuwe schuld of schulden, overtreft, geldt voor de nieuwe schuld, onderscheidenlijk schulden, de formule van het eerste lid, waarbij onder n wordt verstaan: de maximale looptijd van 360 maanden.

5. Het achtste lid (nieuw) komt te luiden:

  • 8. Voor zover krachtens boedelmenging door voltrekking van een huwelijk, krachtens wijziging van huwelijkse voorwaarden, of krachtens erfrecht een tot de eigenwoningschuld behorende schuld van een van de partners overgaat op de andere partner gaat ook het aflossingsschema over op die andere partner.

D. Artikel 3.119d wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de eigenwoningschuld onderscheidenlijk’ vervangen door: de eigenwoningschuld, onderscheidenlijk.

2. In het tweede lid wordt ‘de eigenwoningschuld onderscheidenlijk’ vervangen door ‘de eigenwoningschuld, onderscheidenlijk’ en wordt ‘eigenwoningschuld als volgt’ vervangen door: eigenwoningschuld, als volgt.

3. In het derde lid wordt ‘vervalt, dan wel de beschikking aflossingsstand vervalt,’ vervangen door ‘en de beschikking aflossingsstand vervallen’ en wordt ‘afname’ telkens vervangen door: gedeeltelijke toepassing.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. De aflossingsstand komt aan elk van de partners toe naar rato van hun gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap. Bij het overlijden van een van de partners gaat de aflossingsstand van de overledene over op de langstlevende partner.

E. Artikel 3.119e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikel 3.119c, vijfde lid, onderdeel a’ vervangen door: artikel 3.119c, zevende lid, onderdeel a.

2. In het vierde lid wordt ‘leiden’ vervangen door: leidt.

3. In het zesde lid wordt ‘artikel 3.119c, vijfde lid, onderdelen b tot en met d’ vervangen door: artikel 3.119c, zevende lid, onderdelen b tot en met d.

F. In artikel 3.119f, derde lid, wordt ‘artikel 3.119a, eerste en tweede lid’ vervangen door ‘artikel 3.119a, tweede lid, onderdelen a en c, en derde lid’ en wordt ‘artikel 3.119aa, vijfde lid’ vervangen door ‘artikel 3.119a, vierde lid’. Voorts wordt ‘artikel 3.119a, tweede lid, onderdeel b’ vervangen door ‘artikel 3.119a, tweede lid, onderdeel b, en derde lid’ en vervalt de vijfde volzin.

G. Aan artikel 3.119g, tweede lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien de wijziging zich voordoet in het kalenderjaar van aangaan van de schuld geldt, in afwijking van de eerste volzin, de termijn, genoemd in het eerste lid.

H. In artikel 3.120, vijfde lid, wordt ‘voldane renten’ vervangen door: voldane renten van schulden en kosten van geldleningen.

I. Artikel 10bis.1 komt te luiden:

Artikel 10bis.1 Bestaande eigenwoningschuld
  • 1. Onder bestaande eigenwoningschuld van de belastingplichtige wordt verstaan: de eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 3.119a, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, van de belastingplichtige op 31 december 2012.

  • 2. Onder bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: de tot de eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 3.119a, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, behorende schuld die:

    • a. de belastingplichtige, die op 31 december 2012 niet een zodanige eigenwoningschuld had, in 2012 had op het moment direct voorafgaand aan de vervreemding van een eigen woning, voor zover de belastingplichtige in 2013 weer een zodanige eigenwoningschuld heeft;

    • b. in 2013 ontstaat ten gevolge van een op 31 december 2012 bestaande onherroepelijke, schriftelijke overeenkomst van de belastingplichtige tot verwerving van een eigen woning;

    • c. in 2013 ontstaat ten gevolge van een op 31 december 2012 bestaande onherroepelijke, schriftelijke overeenkomst van de belastingplichtige tot het verrichten van onderhoud aan of tot verbetering van de woning, voor zover het onderhoud of de verbetering in 2013 voltooid is;

    • d. de belastingplichtige, die op 31 december 2012 niet een zodanige eigenwoningschuld had, op enig moment vóór 31 december 2012 direct voorafgaand aan de vervreemding van een eigen woning had, indien die vervreemding het gevolg is van verhuur van de voormalige eigen woning, voor zover de belastingplichtige vóór 1 januari 2021 ter zake van diezelfde woning weer een zodanige eigenwoningschuld heeft;

    • e. de belastingplichtige na 31 december 2012 heeft in verband met een woning die op 31 december 2012 een woning was als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, of

    • f. de belastingplichtige in 2013, 2014, 2015 of 2016 als starterslening aangaat bij de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten.

  • 3. Indien na 31 december 2012 op de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in het eerste lid, van de belastingplichtige wordt afgelost, wordt het bedrag van die bestaande eigenwoningschuld verminderd met die aflossing. Onder aflossing wordt voor de toepassing van dit lid niet verstaan het in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk aflossen van een tot de bestaande eigenwoningschuld behorende schuld voor zover tot ten hoogste het afgeloste bedrag uiterlijk het daaropvolgende kalenderjaar opnieuw een schuld in verband met een eigen woning bestaat (oversluiten).

  • 4. Indien ten aanzien van de belastingplichtige op enig moment na 31 december 2012 twee woningen gelijktijdig als eigen woning worden aangemerkt, wordt de schuld in verband met de tweede eigen woning mede aangemerkt als bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid, voor zover de schuld ten behoeve van die tweede eigen woning de bestaande eigenwoningschuld in verband met de eerste eigen woning niet overtreft.

  • 5. Indien ten aanzien van de belastingplichtige op of na 31 december 2012 twee woningen gelijktijdig als eigen woning worden aangemerkt en vervolgens een van die woningen niet langer als eigen woning wordt aangemerkt, wordt de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in het eerste lid, van de belastingplichtige verminderd met de tot de eigenwoningschuld behorende schuld die de belastingplichtige had in verband met de woning die niet langer als eigen woning wordt aangemerkt.

  • 6. Voor zover krachtens boedelmenging door voltrekking van een huwelijk, krachtens wijziging van huwelijkse voorwaarden, of krachtens erfrecht een bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid van een van de partners overgaat op de andere partner, is deze schuld tot uiterlijk het tijdstip waarop de 30-jaarstermijn bij die ene partner zou verstrijken, bij die andere partner een bestaande eigenwoningschuld. Indien, op een bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid is afgelost, en vervolgens boedelmenging door voltrekking van een huwelijk, of wijziging van huwelijkse voorwaarden heeft plaatsgevonden, wordt, voor zover binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, door de partners opnieuw een schuld wordt aangegaan in verband met een eigen woning, deze schuld, in afwijking in zoverre van het derde lid, tot ten hoogste het afgeloste bedrag naar rato van de gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap bij hen aangemerkt als bestaande eigenwoningschuld. Indien, op een bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid is afgelost, en een van de partners overlijdt, wordt voor zover de langstlevende partner binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, opnieuw een schuld aangaat in verband met een eigen woning, deze schuld, in afwijking in zoverre van het derde lid, tot ten hoogste het afgeloste bedrag aangemerkt als bestaande eigenwoningschuld.

  • 7. Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de artikelen 3.111, 3.119a, tweede lid, en 3.119aa, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 8. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat wordt verstaan onder een starterslening als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f.

J. Artikel 10bis.2 komt te luiden:

Artikel 10bis.2 Kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning
  • 1. Een kapitaalverzekering eigen woning, een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning is een op 31 december 2012 bestaande kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, een op 31 december 2012 bestaande spaarrekening eigen woning als bedoeld in artikel 3.116a, tweede lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, onderscheidenlijk een op 31 december 2012 bestaand beleggingsrecht eigen woning als bedoeld in artikel 3.116a, derde lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, indien het ter zake van het betreffende product overeengekomen gegarandeerde kapitaal op 31 december 2012, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst, zoals die luidde op 31 december 2012, te betalen bedrag, nadien niet is verhoogd en de looptijd na 31 december 2012 niet is verlengd.

  • 2. Onder kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de kapitaalverzekering eigen woning, bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, die:

    • a. de belastingplichtige, die op 31 december 2012 niet een zodanige kapitaalverzekering eigen woning had, in 2012 had op het moment direct voorafgaand aan de vervreemding van een eigen woning, voor zover de belastingplichtige in 2013 weer een zodanige kapitaalverzekering eigen woning heeft, waarvan het ter zake overeengekomen gegarandeerde kapitaal, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst te betalen bedrag, niet hoger is dan dat op het moment direct voorafgaand aan de vervreemding van de eigen woning;

    • b. in 2013 wordt overeengekomen ten gevolge van een op 31 december 2012 bestaande onherroepelijke, schriftelijke overeenkomst van de belastingplichtige tot verwerving van een eigen woning;

    • c. in 2013 wordt overeengekomen ten gevolge van een op 31 december 2012 bestaande onherroepelijke, schriftelijke overeenkomst van de belastingplichtige tot het verrichten van onderhoud aan of tot verbetering van de woning, voor zover het onderhoud of de verbetering in 2013 voltooid is, of

    • d. de belastingplichtige, die op 31 december 2012 niet een zodanige kapitaalverzekering had, op enig moment vóór 31 december 2012 direct voorafgaand aan de vervreemding van een eigen woning had, indien die vervreemding het gevolg is van verhuur van de voormalige eigen woning of van het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtige te zijn en diezelfde kapitaalverzekering vóór 1 januari 2021 ter zake van diezelfde woning weer is aan te merken als zodanige kapitaalverzekering eigen woning.

  • 3. Indien een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in het eerste lid geacht wordt tot uitkering te zijn gekomen en diezelfde kapitaalverzekering uiterlijk het daaropvolgende kalenderjaar weer voldoet aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning, wordt de laatstgenoemde verzekering geacht een kapitaalverzekering eigen woning te zijn.

  • 4. Bij toepassing van het derde lid vindt de aldaar opgenomen beperking in de tijd tot uiterlijk het daaropvolgende kalenderjaar geen toepassing indien de uitkering, bedoeld in het derde lid, het gevolg is van het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn of van verhuur van de voormalige eigen woning en de belastingplichtige de voormalige eigen woning weer bewoont waardoor die woning weer een eigen woning is.

  • 5. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, het derde lid en het vierde lid wordt de in de periode dat de kapitaalverzekering geen kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, was aangegroeide rente, in de betreffende periode aangemerkt als premie.

K. Na artikel 10bis.2 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 10bis.2a Verlenging termijn kapitaalverzekering eigen woning
  • 1. Onder een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 10bis.2, eerste lid, wordt mede verstaan een op 31 maart 2013 bestaande kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, mits het ter zake van die verzekering overeengekomen gegarandeerde kapitaal, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst te bereiken doelvermogen niet hoger is dan de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 10bis.1 eerste lid, op het moment van aangaan van de kapitaalverzekering.

  • 2. Onder een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 10bis.2, eerste lid, wordt mede verstaan een op 31 december 2013 bestaande kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, mits het ter zake van die verzekering overeengekomen gegarandeerde kapitaal, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst te bereiken doelvermogen niet hoger is dan de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid, op het moment van aangaan van de kapitaalverzekering en de verzekeraar, financiële instelling, tussenpersoon of bemiddelaar uiterlijk op 31 maart 2013 ter zake van het verlengen van de looptijd, het aangaan of het verhogen van de kapitaalverzekering van de belastingplichtige:

    • a. een schriftelijk verzoek heeft ontvangen;

    • b. een mondeling verzoek heeft ontvangen en de belastingplichtige uiterlijk op 31 maart 2013 een schriftelijke ontvangstbevestiging van dat verzoek heeft ontvangen;

    • c. een mondeling verzoek heeft ontvangen en de belastingplichtige uiterlijk op 31 maart 2013 een schriftelijke afwijzing van dat verzoek heeft ontvangen;

    • d. de aanvaarding heeft ontvangen in reactie op een daartoe strekkend aanbod.

  • 3. Indien de belastingplichtige een bestaande eigenwoningschuld heeft als bedoeld in artikel 10bis.1 en daarnaast een kapitaalverzekering heeft die slechts als gevolg van het in de overeenkomst ontbreken van de bepaling dat de begunstigde de uitkering zal aanwenden ter aflossing van de eigenwoningschuld, niet kwalificeert als kapitaalverzekering eigen woning en de belastingplichtige de genoemde bepaling voor 1 april 2013 alsnog opneemt in de overeenkomst, kwalificeert de genoemde kapitaalverzekering vanaf dat moment als kapitaalverzekering eigen woning, mits het ter zake van de kapitaalverzekering overeengekomen gegarandeerde kapitaal op 31 december 2012, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst, zoals die luidde op 31 december 2012, te betalen bedrag, nadien niet is verhoogd en de looptijd na 31 december 2012 niet is verlengd.

Artikel 10bis.2b Overeenkomstige toepassing

Artikel 10bis.2, tweede tot en met vijfde lid, en artikel 10bis.2a zijn van overeenkomstige toepassing op de spaarrekening eigen woning en op het beleggingsrecht eigen woning. Daarbij wordt gelezen voor:

  • a. de premie: het naar de rekening, onderscheidenlijk naar de beheerder, overgemaakte bedrag;

  • b. tot uitkering komen: deblokkeren.

L. In artikel 10bis.6 wordt na het vijfde lid, onder vernummering van het zesde tot en met achtste lid tot zevende tot en met negende lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 6. Bij toepassing van het vijfde lid vindt de aldaar genoemde termijn van drie jaren geen toepassing indien het niet langer voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het vijfde lid, het gevolg is van het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn of van verhuur van de voormalige eigen woning. Indien de binnenlandse belastingplicht is beëindigd of de verhuur is aangevangen voor 1 januari 2013, geldt de in het vijfde lid genoemde termijn van drie jaren niet, mits de belastingplichtige voor 1 januari 2021 de voormalige eigen woning weer bewoont waardoor die woning weer een eigen woning is.

M. In artikel 10bis.7 wordt ‘het zevende en achtste lid van dat artikel’ vervangen door: het achtste en negende lid van dat artikel.

N. In artikel 10bis.9, eerste lid, wordt ‘als bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid’ vervangen door: , bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid.

O. Artikel 10bis.10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘als bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid’ vervangen door: , bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid.

2. In het tweede lid wordt ‘in afwijking in zoverre van het tweede lid’ vervangen door: in afwijking in zoverre van het eerste lid.

P. Artikel 10bis.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt ‘kapitaalverzekering, spaarrekening of beleggingsrecht eigen woning’ vervangen door: kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning.

2. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Bij toepassing van het tweede lid vindt de aldaar genoemde termijn van drie jaren geen toepassing indien artikel 10bis.6, zesde lid, van toepassing is.

Artikel 3.2

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A. De artikelen 2.10 en 2.10a worden als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. In de in het eerste lid opgenomen tabel wordt het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 540.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Indien bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.120 in aftrek zijn gebracht, bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning het op basis van het eerste lid bepaalde bedrag vermeerderd met 0,5% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen uit werk en woning en de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning, het in de eerste kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel laatstvermelde bedrag te boven gaat, doch ten hoogste met 0,5% van de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning.

B. Artikel 3.154 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt ‘vóór toepassing van de heffingskorting’ vervangen door: vóór toepassing van artikel 2.10, tweede lid, artikel 2.10a, tweede lid, en de heffingskorting.

2. In het vijfde lid wordt ‘zonder rekening te houden met de heffingskorting’ vervangen door: zonder rekening te houden met artikel 2.10, tweede lid, artikel 2.10a, tweede lid, en de heffingskorting.

C. In artikel 6.19, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, wordt ‘artikel 2.10a’ vervangen door: artikel 2.10a, eerste lid.

D. In artikel 8.1, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘artikel 2.10’ vervangen door: artikel 2.10, eerste lid,.

E. In artikel 8.10, tweede lid, wordt ‘artikel 2.10’ vervangen door: artikel 2.10, eerste lid,.

F. In artikel 10.1, tweede lid, wordt ‘artikel 2.10’ vervangen door: artikel 2.10, eerste lid.

Artikel 3.3

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 10bis.1 wordt na het derde lid, onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot vijfde tot en met achtste lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Indien na een verrekening op grond van artikel 3:265d van de Wet op het financieel toezicht van een spaarrekening eigen woning met een eigenwoningschuld, uiterlijk het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verrekening heeft plaatsgevonden opnieuw een schuld wordt aangegaan, wordt deze opnieuw aangegane schuld tot het beloop van die verrekening geacht te zijn aangegaan in verband met een eigen woning. De eerste volzin vindt alleen toepassing voor zover in samenhang met de opnieuw aangegane schuld weer een spaarrekening eigen woning wordt geopend als bedoeld in artikel 10bis.2, zesde lid.

B. Aan artikel 10bis.2 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. In geval van verrekening op grond van artikel 3:265d van de Wet op het financieel toezicht van een spaarrekening eigen woning met een eigenwoningschuld wordt, indien uiterlijk het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verrekening heeft plaatsgevonden een vervangende spaarrekening wordt aangegaan, deze nieuwe spaarrekening tot het beloop van die verrekening aangemerkt als voortzetting van de voorgaande spaarrekening eigen woning, mits in samenhang met die spaarrekening weer een schuld wordt aangegaan als bedoeld in artikel 10bis.1, vierde lid.

C. Artikel 10bis.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘artikel 10bis.6, zevende en achtste lid’ vervangen door: artikel 10bis.6, achtste en negende lid.

2. Het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervallen.

D. Aan artikel 10bis.9 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien na verrekening op grond van artikel 3:265d van de Wet op het financieel toezicht van een spaarrekening eigen woning met een eigenwoningschuld uiterlijk het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verrekening heeft plaatsgehad opnieuw een schuld is aangegaan als bedoeld in artikel 10bis.1, vierde lid, wordt in de tussenliggende periode voor de toepassing van artikel 3.119aa tot het beloop van de verrekening geacht geen sprake te zijn van een vervreemding.

Artikel 3.4

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2015 als volgt gewijzigd:

A. In de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel wordt het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 540.

B. Na artikel 10.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10.2a Jaarlijkse verhoging correctie tarief aftrekbare kosten eigen woning
  • 1. Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 2.10, tweede lid, en artikel 2.10a, tweede lid, vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt berekend door het te vervangen percentage te verhogen met 0,5%-punt.

  • 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt het percentage in artikel 2.10, tweede lid, ten hoogste gesteld op het verschil tussen de in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel als derde en vierde vermelde percentages.

  • 3. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt het percentage in artikel 2.10a, tweede lid, ten hoogste gesteld op het verschil tussen de in de laatste kolom van de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel als derde en vierde vermelde percentages.

Artikel 3.5

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2016 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 540.

Artikel 3.6

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2017 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 540.

Artikel 3.7

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2018 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 535 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.

Artikel 3.8

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2019 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 530 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.

Artikel 3.9

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2020 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 525 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.

Artikel 3.10

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2021 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 520 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.

Artikel 3.11

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2022 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 515 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.

Artikel 3.12

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2023 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 510 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,1%-punt.

Artikel 3.13

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2024 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 505 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,1%-punt.

Artikel 3.14

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2025 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 495 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,1%-punt.

Artikel 3.15

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2026 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 480 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,1%-punt.

Artikel 3.16

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2027 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 460 en worden de in de laatste kolom als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,15%-punt.

Artikel 3.17

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2028 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 440 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,15%-punt.

Artikel 3.18

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2029 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 400 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,15%-punt.

Artikel 3.19

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2030 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 360 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,15%-punt.

Artikel 3.20

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2031 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 320 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,2%-punt.

Artikel 3.21

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2032 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 280 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,2%-punt.

Artikel 3.22

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2033 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 240 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,2%-punt.

Artikel 3.23

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2034 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 200 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,25%-punt.

Artikel 3.24

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2035 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 140 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,25%-punt.

Artikel 3.25

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2036 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 80 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,25%-punt.

Artikel 3.26

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2037 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 10 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,3%-punt.

Artikel 3.27

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2038 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 10 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,3%-punt.

Artikel 3.28

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2039 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 435 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,3%-punt.

Artikel 3.29

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2040 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 490 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,3%-punt.

Artikel 3.30

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2041 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 1.830 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,2%-punt.

Artikel 3.31

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2042 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 11.700.

Artikel 3.32

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2044 na artikel 10a.11 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10a.12 Overgangsrecht startersleningen

Voor leningen als bedoeld in artikel 10bis.1, tweede lid, onderdeel f, zoals dat luidde op 31 december 2043, blijft hoofdstuk 10bis, zoals dat luidde op 31 december 2043, van toepassing.

Artikel 3.33

In de Wet inkomstenbelasting 2001 vervalt artikel 10a.12 met ingang van 1 januari 2047.

HOOFDSTUK 4. WIJZIGINGEN IN DE INVOERINGSWET WET INKOMSTENBELASTING 2001

Artikel 4.1

In de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 wordt in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AKb, ‘artikel 10bis.10, tweede lid’ vervangen door: artikel 10bis.10, eerste lid.

HOOFDSTUK 5. WIJZIGINGEN IN DE WET OP DE LOONBELASTING 1964

Artikel 5.1

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 20a wordt als volgt gewijzigd:

1. In de in het eerste lid opgenomen tabel wordt het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 540.

2. In het tweede lid wordt ‘artikel 2.10’ vervangen door: artikel 2.10, eerste lid,.

B. Artikel 20b wordt als volgt gewijzigd:

1. In de in het eerste lid opgenomen tabel wordt het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 540.

2. In het tweede lid wordt ‘artikel 2.10a’ vervangen door: artikel 2.10a, eerste lid,.

Artikel 5.2

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2015 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 540.

Artikel 5.3

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2016 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 540.

Artikel 5.4

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2017 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 540.

Artikel 5.5

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2018 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 535 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.

Artikel 5.6

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2019 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 530 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.

Artikel 5.7

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2020 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 525 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.

Artikel 5.8

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2021 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 520 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.

Artikel 5.9

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2022 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 515 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.

Artikel 5.10

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2023 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 510 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,1%-punt.

Artikel 5.11

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2024 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 505 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,1%-punt.

Artikel 5.12

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2025 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 495 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,1%-punt.

Artikel 5.13

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2026 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 480en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,1%-punt.

Artikel 5.14

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2027 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 460 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,15%-punt.

Artikel 5.15

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2028 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 440 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,15%-punt.

Artikel 5.16

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2029 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 400 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,15%-punt.

Artikel 5.17

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2030 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 360 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,15%-punt.

Artikel 5.18

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2031 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 320 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,2%-punt.

Artikel 5.19

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2032 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 280 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,2%-punt.

Artikel 5.20

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2033 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 240 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,2%-punt.

Artikel 5.21

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2034 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 200 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,25%-punt.

Artikel 5.22

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2035 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 140 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,25%-punt.

Artikel 5.23

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2036 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 80 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,25%-punt.

Artikel 5.24

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2037 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 10 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,3%-punt.

Artikel 5.25

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2038 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 10 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,3%-punt.

Artikel 5.26

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2039 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 435 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,3%-punt.

Artikel 5.27

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2040 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 490 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,3%-punt.

Artikel 5.28

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2041 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 1.830 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede en derde vermelde percentages verlaagd met 0,2%-punt.

Artikel 5.29

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2042 in de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 11.700.

HOOFDSTUK 6 WIJZIGINGEN IN DE WET FINANCIERING SOCIALE VERZEKERINGEN

Artikel 6.1

In de Wet financiering sociale verzekeringen wordt in artikel 8, derde lid ‘artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001’ vervangen door ‘artikel 2.10, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001’ en wordt ‘artikel 2.10a van de Wet inkomstenbelasting 2001’ vervangen door: artikel 2.10a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

HOOFDSTUK 7 WIJZIGINGEN IN DE WET VERGOEDINGEN LEDEN EERSTE KAMER

Artikel 7.1

In de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer wordt in artikel 19a, onderdeel a ‘artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001’ vervangen door: artikel 2.10, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

HOOFDSTUK 8 WIJZIGINGEN IN DE WET BEVORDERING EIGENWONINGBEZIT

Artikel 8.1

In de Wet bevordering eigenwoningbezit wordt in artikel 27, eerste lid, onderdelen a tot en met d, ‘artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001’ vervangen door: artikel 2.10, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN

Artikel 9.1

Indien artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt toegepast, worden met overeenkomstige toepassing van dat artikel bij ministeriële regeling gewijzigd:

  • a. bij het begin van het kalenderjaar 2015: de in de artikelen 3.5 tot en met 3.31 en de artikelen 5.3 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • b. bij het begin van het kalenderjaar 2016: de in de artikelen 3.6 tot en met 3.31 en de artikelen 5.4 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • c. bij het begin van het kalenderjaar 2017: de in de artikelen 3.7 tot en met 3.31 en de artikelen 5.5 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • d. bij het begin van het kalenderjaar 2018: de in de artikelen 3.8 tot en met 3.31 en de artikelen 5.6 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • e. bij het begin van het kalenderjaar 2019: de in de artikelen 3.9 tot en met 3.31 en de artikelen 5.7 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • f. bij het begin van het kalenderjaar 2020: de in de artikelen 3.10 tot en met 3.31 en de artikelen 5.8 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • g. bij het begin van het kalenderjaar 2021: de in de artikelen 3.11 tot en met 3.31 en de artikelen 5.9 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • h. bij het begin van het kalenderjaar 2022: de in de artikelen 3.12 tot en met 3.31 en de artikelen 5.10 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • i. bij het begin van het kalenderjaar 2023: de in de artikelen 3.13 tot en met 3.31 en de artikelen 5.11 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • j. bij het begin van het kalenderjaar 2024: de in de artikelen 3.14 tot en met 3.31 en de artikelen 5.12 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • k. bij het begin van het kalenderjaar 2025: de in de artikelen 3.15 tot en met 3.31 en de artikelen 5.13 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • l. bij het begin van het kalenderjaar 2026: de in de artikelen 3.16 tot en met 3.31 en de artikelen 5.14 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • m. bij het begin van het kalenderjaar 2027: de in de artikelen 3.17 tot en met 3.31 en de artikelen 5.15 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • n. bij het begin van het kalenderjaar 2028: de in de artikelen 3.18 tot en met 3.31 en de artikelen 5.16 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • o. bij het begin van het kalenderjaar 2029: de in de artikelen 3.19 tot en met 3.31 en de artikelen 5.17 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • p. bij het begin van het kalenderjaar 2030: de in de artikelen 3.20 tot en met 3.31 en de artikelen 5.18 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • q. bij het begin van het kalenderjaar 2031: de in de artikelen 3.21 tot en met 3.31 en de artikelen 5.19 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • r. bij het begin van het kalenderjaar 2032: de in de artikelen 3.22 tot en met 3.31 en de artikelen 5.20 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • s. bij het begin van het kalenderjaar 2033: de in de artikelen 3.23 tot en met 3.31 en de artikelen 5.21 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • t. bij het begin van het kalenderjaar 2034: de in de artikelen 3.24 tot en met 3.31 en de artikelen 5.22 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • u. bij het begin van het kalenderjaar 2035: de in de artikelen 3.25 tot en met 3.31 en de artikelen 5.23 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • v. bij het begin van het kalenderjaar 2036: de in de artikelen 3.26 tot en met 3.31 en de artikelen 5.24 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • w. bij het begin van het kalenderjaar 2037: de in de artikelen 3.27 tot en met 3.31 en de artikelen 5.25 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • x. bij het begin van het kalenderjaar 2038: de in de artikelen 3.28 tot en met 3.31 en de artikelen 5.26 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • y. bij het begin van het kalenderjaar 2039: de in de artikelen 3.29 tot en met 3.31 en de artikelen 5.27 tot en met 5.29 vermelde bedragen;

  • z. bij het begin van het kalenderjaar 2040: de in de artikelen 3.30, 3.31, 5.28 en 5.29 vermelde bedragen;

  • aa. bij het begin van het kalenderjaar 2041: het in de artikelen 3.31 en 5.29 vermelde bedrag.

Artikel 9.2
  • 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2014, met dien verstande dat:

    • a. de artikelen 3.1 en 4.1 terugwerken tot en met 1 januari 2013;

    • b. artikel 3.2, onderdeel A, eerst toepassing vindt nadat artikel I van het Belastingplan 2014 is toegepast.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel 3.3 in werking op het tijdstip waarop, nadat het bij koninklijke boodschap van 14 mei 2013 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten (Wijzigingswet financiële markten 2014) (Kamerstukken 33 632) tot wet is verheven, die wet in werking treedt.

Artikel 9.3

Deze wet wordt aangehaald als: Wet maatregelen woningmarkt 2014.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst,

De Staatssecretaris van Financiën,


X Noot
1

Bijlage bij het eindverslag van de informateurs van 29 oktober 2012 (Kamerstukken II 2012/13, 33 410, nr. 15, blz. 6 e.v.).

X Noot
2

De aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning worden in de structurele situatie in de tweede, derde en vierde schijf tegen 38% vergolden. Alleen in de eerste schijf wordt het tarief tegen een ander tarief vergolden. Dat tarief is in 2013 overigens 37%.

X Noot
3

Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet herziening fiscale behandeling eigen woning (Kamerstukken II 2012/13, 33 405, nr. 3, blz. 10, 11 en 12).

X Noot
4

Kamerstukken II 2012/13, 33 400 VII, nr. 39.

X Noot
5

Paragraaf 1, voorlaatste tekstblok.

X Noot
6

Paragraaf 1, laatste tekstblok.

X Noot
7

Paragraaf 1, slotzin.

X Noot
8

Paragraaf 3.2, eerste tekstblok.

X Noot
9

Paragraaf 1, laatste tekstblok.

X Noot
10

Paragraaf 3.2, voorlaatste tekstblok.

X Noot
11

Zie in dit verband ook de notitie verzamelwetgeving, Kamerstukken I 2010/11, 32 500 VI, M.

X Noot
12

Advies van 16 mei 2013, no. W04.13.0101/I.

X Noot
13

Artikel 1.11, derde lid, van het voorstel.

X Noot
14

Kamerstukken II 2010/11, 32 740, nr. 1 herdruk.

X Noot
15

Paragraaf 5 (EU-aspecten), tweede volzin, van de toelichting.

X Noot
16

Artikel 1.11, eerste lid, onderdeel b, respectievelijk artikel 1.11, eerste lid, onderdeel e.

X Noot
17

Adviesopmerking 2, onder c.

X Noot
18

De in hoofdstuk 1, afdeling 7, van het voorstel opgenomen artikelen 1.14 en 1.15.

X Noot
19

Zie de toelichting op artikel 1.2, eerste lid, van het voorstel. Zie overigens ook paragraaf 6, eerste tekstblok, van de toelichting.

X Noot
20

Zie ook artikel 1.1 van het voorstel.

X Noot
21

Zie bijvoorbeeld artikel 1, eerste en tweede lid, van de AWR.

X Noot
22

De artikelen 1.11, 1.12 en 1.13, van het voorstel.

X Noot
23

Zie artikel 3.52a, derde alsmede zesde en volgende leden, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

X Noot
24

Paragraaf 3.2, voorlaatste tekstblok.

Naar boven