Noot 1 (zie blz. 1955)

BIJVOEGSEL

Schriftelijke antwoorden van de minister en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op vragen gesteld in de eerste termijn van de behandeling van de begroting van VWS voor het jaar 2010 (32 123-XVI).

Antwoord op vraag van mevrouw Leijten (SP) over werkgelegenheid in de zorg

Uit gegevens van het CBS en Prismant blijkt dat zowel in 2007, 2008 als de eerste helft van 2009 de werkgelegenheid in de zorg is toegenomen, in 2½ jaar tijd met circa 6,5 procent. In de Arbeidsmarktbrief 2009 die in december naar de TK gestuurd wordt, wordt daar nader op ingegaan. In die brief wordt dan ook aandacht besteed aan de werkbeleving van de zorgmedewerkers, mede op basis van een grootschalig representatief onderzoek onder deze groep.

Antwoord op vraag van mevrouw Leijten (SP) over ZZP’s

Op mijn verzoek heeft de NZa een monitor uitgebracht over de invoering van de zorgzwaartebekostiging. Deze is onlangs als bijlage bij mijn brief van 5 november over de stand van zaken van de invoering zorgzwaartebekostiging naar de Tweede Kamer verzonden. De NZa heeft naar aanleiding van signalen uit het veld onderzocht of cliënten door zorgaanbieders zwaarder werden geïndiceerd en of zorgaanbieders bepaalde cliënten minder snel in zorg willen nemen. De NZa constateert op basis van de nu beschikbare informatie geen patroon van selectief beleid door zorgaanbieders. De NZa zal dit blijven monitoren.

Ook ik blijf monitoren of cliënten geweigerd worden door zorgaanbieders vanwege een lage zzp-indicatie. Hiertoe houd ik contact met zorgkantoren. Daarnaast heb ik met de partijen van de begeleidingscommissie invoering zorgzwaartebekostiging afgesproken dat partijen elkaar op de hoogte houden van knelpunten en indien nodig wordt actie ondernomen.

Het aanbieden van aanvullende diensten is al jarenlange praktijk. Instellingen vragen bijdragen voor aanvullende diensten- zoals een verzekeringspakket, een diner a la carte, of een tv op de kamer. Hiertoe zijn instellingen gerechtigd. Ik heb hier geen problemen mee. Het leven in een instelling wordt ook kleurrijker door deze aanvullende diensten.

Instellingen mogen echter geen bijdragen vragen voor diensten die tot de verzekerde zorg behoren. Wij hebben hier in eerdere debatten uitgebreid over gesproken. Ik ben in overleg met de sector over de vrijwillige eigen bijdragen. Ik ben van mening dat het van belang is dat instellingen transparant maken aan cliënten voor welke diensten de instelling extra bijdragen vraagt. Samen met de sector bespreek ik op welke wijze dit kan worden vormgegeven.

Een hulpmiddel bij het vaststellen van wat wel en wat niet bij de basiszorg behoort is de brochure «Daar hebt u recht op in een AWBZ-instelling» uitgebracht door het CVZ. Deze richtlijn omschrijft heel duidelijk voor welke producten en diensten de instelling moet zorgen en voor welke diensten een bijdrage gevraagd mag worden. Voor zowel cliënten, cliëntenraden en instellingen bevat deze brochure nuttige informatie. De brochure is tot stand gekomen in overleg met alle betrokken partijen. Het CVZ heeft de brochure aan alle instellingen toegestuurd. Daarnaast is de brochure in veelvoud aan het LOC verzonden, zodat de brochures uitgedeeld kunnen worden onder cliëntenraden.

Antwoord op vraag van mevrouw Leijten (SP) over toelatingseisen in de zorg

Aan het leveren van thuiszorg zijn wel degelijk voorwaarden verbonden: de Kwaliteitswet zorginstellingen is van toepassing op thuiszorginstellingen. Deze instellingen moeten een kwaliteitssysteem hebben en verantwoording afleggen over de geleverde kwaliteit. Dat geldt ook voor thuiszorginstellingen die (een deel van) de levering van zorg uitbesteden. De IGZ houdt toezicht op de kwaliteit van de zorg. De IGZ bezoekt thuiszorginstellingen in het eerste jaar na wtzi toelating. Thuiszorginstellingen moeten een toezichthoudend orgaan hebben, een klachtencommissie en een cliëntenraad. Over de behandeling van klachten en de omgang met de cliëntenraad moet verslag gedaan worden in het jaardocument maatschappelijke verantwoording.

Vraag van mevrouw Leijten (SP) over staken financiering door zorgkantoor

De rechter heeft onlangs uitgesproken dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het onaanvaardbaar is dat Achmea geen contract voor 2010 aangaat met thuiszorgaanbieder STN. Met het niet aanbieden van een nieuw contract zet Achmea meteen het zwaarste middel in, terwijl van haar verwacht kan worden dat zij eerst minder zware middelen inzet, indien zij van mening is dat de bedrijfsvoering van STN niet op orde is, aldus de rechter.

Het nog verder te ontwikkelen early warning systeem heeft als doel om vroegtijdig signalen af te kunnen geven. Early warning zorgt ervoor dat het zorgkantoor vroegtijdig op de hoogte is van financiële problemen bij zorgaanbieders, zodat eerst minder zware middelen kunnen worden ingezet. Early warning is echter geen systeem dat alle uitwassen kan tegen gaan.

Antwoord op vraag van mevrouw Leijten (SP) over inspraak en controlemogelijkheden bij wanbeheer

Werknemers van zorgaanbieders hebben een aantal mogelijkheden om misstanden bij zorginstellingen aan te kaarten.

Vakverenigingen van zorgaanbieders kunnen een enqueteverzoek bij het Gerechtshof Amsterdam indienen. Als er sprake is van een vermoeden van wanbeleid kan er een nader onderzoek plaatsvinden en kan het Gerechtshof maatregelen nemen zoals het ontslaan van bestuurders.

Daarnaast hebben de branche organisaties in de zorg (BOZ) het voornemen om in de nieuwe Zorgbrede governance code zorgaanbieders te verplichten om een klokkenluidersregeling te hebben. Deze nieuwe Zorgbrede governancecode zal – naar verwachting – volgend jaar in werking treden.

Het is een goede zaak dat de zorgsector op het punt van de klokkenluidersregeling zelf haar verantwoordelijkheid heeft genomen. Een wettelijke verplichting zal op zichzelf niet het klimaat scheppen om vrij en zonder angst voor represailles misstanden te melden. Zelfregulering verdient conform het kabinetsstandpunt klokkenluidersregeling 2004 de voorkeur.

Antwoord op vraag van mevrouw Leijten (SP) over nieuwe overschrijdingen in de ouderenzorg en de gehandicpatenzorg

In 2009 zijn er geen signalen over nieuwe overschrijdingen in de AWBZ. Zowel bij zorg in natura als bij pgb is de verwachting dat de huidige budgetten volstaan en meer dan voldoende middelen beschikbaar zijn om aan de zorgvraag te voldoen.

Wellicht wijst de SP op de extra uitgaven van € 91 mln. die in de begroting 2010 zijn genoemd. Deze extra uitgaven hangen samen met de gerealiseerde uitgaven in 2008, in verband met de extra capaciteit bij de gehandicapten- en ouderenzorg en structureel doorwerken in het uitgavenniveau van de AWBZ. Door middel van een verscherping van het inkoopbeleid van de zorgkantoren worden de extra uitgaven teruggedrongen.

Antwoord op vraag van mevrouw Leijten (SP) over eigen bijdrage begeleiding

In de brief van 9 oktober 2009 over de eigen bijdrage begeleiding is aangegeven waarom het advies van het CVZ uit 2004 nu niet meer relevant is. In 2004 was begeleiding als losse zorgfunctie net ingevoerd. De vraag naar deze losse zorgfunctie was toen nog niet zo groot als nu het geval is. Er gold een eigen bijdrage voor begeleiding voor zover er sprake was van een pgb. Een eigen bijdrage voor begeleiding in natura was nog niet ingevoerd. Het advies van het CVZ ging alleen over deze eigen bijdrage. Dit gegeven en de inmiddels veel grotere vraag naar begeleiding maakt dat de opbrengst versus uitvoeringskosten momenteel een heel andere is dan het CVZ in die tijd schatte.

Antwoord op vraag van mevrouw Leijten (SP) over eigen bijdrage AWBZ

Ik zal niet in plaats van de eigen bijdrage Begeleiding geld zoeken bij de topinkomens. Een belangrijk beoogd effect van de eigen bijdrage is namelijk het tegen gaan van al te makkelijk gebruik van begeleiding (remwerking). Laat onverlet dat ik de aanpak van de topinkomens in de zorg van groot belang vind.

Antwoord op vraag van mevrouw Leijten (SP) geld voor extra zorgzwaarte

Het CIBG heeft op 31 juli 2009 (met terugwerkende kracht tot 1 juli 2009) beslist op de aanvragen voor extra toelating van plaatsen voor SGLVG-verblijf. Zo ook op de aanvraag van Abrona. Op basis daarvan kunnen zorgkantoor en zorginstellingen afspraken maken over aanvullende bekostiging in 2009 en komt ook aanvullende bekostiging beschikbaar in 2009.

In 2009 zijn de oude bekostigingsparameters nog leidend voor de bekostiging van de instellingen. Voor 2010 en latere jaren geldt dat de zorg voor sterk gedragsgestoorde (licht en zwaar) verstandelijke gehandicapten wordt bekostigd op basis van zorgzwaartepakket VG7. Met de bekostiging van ZZP VG7 zijn ook structureel voldoende middelen beschikbaar voor de zorg aan deze zware cliëntengroep. In het geval dat zelfs ZZP VG7 onvoldoende is voor de zorg, staat een beroep op de regeling «extreme zorgzwaarte» open.

Antwoord op vraag van mevrouw Leijten (SP) over zorggelden

Het percentage van de zorguitgaven dat daadwerkelijk naar de zorg gaat, is niet exact aan te geven.

De zorg is grotendeels in handen van particuliere zorgverleners: vrije beroepsbeoefenaren en instellingen met een eigen verantwoordelijkheid voor de producten en diensten die zij leveren. De minister van VWS heeft dan ook geen directe zeggenschap over de zorgverlener, maar hij is verantwoordelijk voor het gezondheidszorgsysteem.

Zorginstellingen leggen elk jaar verantwoording af over de manier waarop zij het geld uit de AWBZ en Zorgverzekeringswet besteden. Die verantwoording leggen zij af in het Jaardocument zorginstellingen. Het Jaardocument bestaat uit drie onderdelen: het Maatschappelijk verslag, de Jaarrekening en DigiMV. De financiële verantwoording moet voorzien zijn van een reguliere accountantsverklaring. Bovendien verstrekken zorgaanbieders financiële informatie aan de NZa ten behoeve van de nacalculatie van hun budgetten. Ook verantwoorden zorgaanbieders zich tegenover verzekeraars, als uitvloeisels van hun onderhandelingen over de prestaties en het daarvoor benodigde budget.

Antwoord op vraag van mevrouw Leijten (SP) over hypothecaire leningen aan bestuurders van zorgverzekeraars

Ik ken de specifieke casus waar mevrouw Leijten aan refereert niet. Ik kan er alleen in zijn algemeenheid iets over zeggen. Zij koppelde deze vraag aan een soortgelijk geval bij de Stichting Aveleijn dat tot grote verontwaardiging leidde. De vraag naar wat bij verzekeraars speelt is dan ook begrijpelijk. De zaak ligt hier echter toch anders dan bij Aveleijn.

Aveleijn is een zorginstelling. Het verstrekken van hypothecaire leningen door werkgevers is in die sector niet gebruikelijk. De zorgverzekeraars zijn echter verzekeraars, grotendeels rechtsopvolgers van vroegere particuliere (zorg)verzekeraars. Bij verzekeraars is de secundaire arbeidsvoorwaarde van een goedkope hypothecaire lening al decennia een deel van het arbeidsvoorwaardenpakket. Als zodanig is het de uitkomst van onderhandelingen over de collectieve arbeidsvoorwaarden tussen de werkgevers en de vakbonden in die sector. Die arbeidsvoorwaarde geldt daar niet alleen voor bestuurders, maar ook voor het personeel.

Bovendien hebben verzekeraars vaak grote financiële reserves. Wanneer die deels belegd zijn in hypothecaire leningen, al dan niet bij het eigen personeel, dan zijn dat redelijk risicovrije, noodzakelijke beleggingen. Dat ligt dan in lijn met hun bedrijfsdoelstellingen.

Antwoord op vraag van mevrouw Leijten (SP) over het vergelijkend onderzoek naar de inzet van personeel in ouderenzorg

De vraag naar het vergelijkend onderzoek naar de inzet van personeel in ouderenzorg, in het Algemeen Overleg van 10 juni jl. beter bekend als het onderzoek kwaliteitsniveau van medewerkers in de zorg, is onderdeel van het werkprogramma 2010 van de IGZ.

Antwoord op vraag van mevrouw Leijten (SP) over het NIVEL-onderzoek onder patiëntenorganisaties naar tevredenheid over marktwerking

Het genoemde onderzoek naar tevredenheid over marktwerking onder patiëntenorganisaties is, zo bleek bij navraag bij het NIVEL, aldaar niet bekend. Wel doet het NIVEL in haar consumentpanel periodiek onderzoek naar het vertrouwen in de gezondheidszorg. In het laatste onderzoek in 2008 gaf ruim driekwart van de mensen (77%) een ruime voldoende voor hun vertrouwen in de huidige Nederlandse gezondheidszorg: een rapportcijfer zeven. Ten opzichte van 2005 is het vertrouwen nagenoeg gelijk gebleven.

Antwoord op vraag van de heer Van Gerven (SP) over bezuinigingen op tarieven in de ggz.

Met de tariefmaatregel verlaag ik níet het aantal cliënten dat behandeld kan worden in de ggz. Ik pas alleen het tarief aan dat daar als vergoeding tegenover staat. Er kunnen dus evenveel mensen geholpen, zij het dat de zorgaanbieder daar minder geld voor ontvangt. Aanbieders zullen doelmatiger moeten werken, niet minder. Ik verwacht daarom niet dat de maatregel zal leiden tot hogere wachtlijsten of clientenstops.

Antwoord op vraag van de heer Van Gerven (SP) over het budget voor preventie

Het budget van 2009 voor artikel 41 is incidenteel verhoogd met een reservering van € 262 mln voor uitgaven ter beheersing van de Mexicaanse griep. Als we deze uitgaven buiten beschouwing laten, neemt het totale budget voor artikel 41 in 2010 juist toe.

Overigens zijn de middelen voor preventieve activiteiten groter dan deze begrotingspost. Ook andere departementen en gemeenten doen uitgaven ten behoeve van preventie.

Antwoord op vraag van de heer Van Gerven (SP) over effecten van beleid op de gezondheid

Andere ministeries volgen de effecten van hun beleid op de gezondheid in toenemende mate.

Een voorbeeld hiervan is dat VenW in samenwerking met VROM de Gezondheidseffectscreening (GES) gaat toepassen in Plan-m.e.r. Hier is de kamer in juli dit jaar middels een brief over geïnformeerd.

De systematische aandacht voor intersectoraal gezondheidsbeleid heeft het kabinet al eerder opgepakt. Voor meer details hierover verwijs ik u naar de kabinetsreactie op het advies over de parallelle belangen bij gezondheid van verschillende Raden. Deze is op 19 oktober jl aan de Kamer gezonden ten behoeve van het AO Sociaal Economische Gezondheidsverschillen op 19 november.

Antwoord op vraag van de heer Van Gerven (SP) over de grieppandemie

Rond de grieppandemie wordt veel energie gestoken in voorlichting aan doelgroepen, zorgverleners en andere geïnteresseerden. Zo zijn er folders opgesteld voor de verschillende doelgroepen en zijn er handleidingen opgesteld voor zorgverleners. Daarnaast is er een speciale website ingericht (grieppandemie.nl) en een speciaal postbus 51 nummer geopend, dat nu ook in de weekenden open is en waar veel gebruik van wordt gemaakt.

Dat er desondanks verhalen circuleren op internet over bijvoorbeeld microchips in het vaccin, vind ik vervelend. Uiteraard staat het iedereen vrij om zijn mening te geven, maar ik roep mensen op om wel hun gezond verstand te blijven gebruiken. Overigens wordt er in opdracht van mij voortdurend onderzoek gedaan naar de activiteiten op internet en de effecten daarvan op de informatievoorziening en het vertrouwen van de bevolking in het beleid rond de griep en de vaccinatie, zodat waar nodig hierop kan worden ingespeeld.

Naast deze indianenverhalen speelt natuurlijk het feit dat er bij een dergelijke nieuwe infectieziekte sprake is van voortschrijdend inzicht naarmate de epidemie vordert en er dus meer ervaring is. Over bepaalde aspecten, die in het begin van de epidemie nog niet bekend waren, zoals de doelgroepen voor vaccinatie, zijn in de afgelopen maanden adviezen verschenen en heb ik dus pas gaande weg besluiten kunnen nemen. Dat is een lastig gegeven waar juist in de communicatie ook veel aandacht aan wordt geschonken.

Antwoord op vraag van de heer Van Gerven (SP) over vaccinatie

Over de doelgroepen die in aanmerkingen komen voor vaccinatie heb ik u meerdere malen geïnformeerd. Ik heb de Gezondheidsraad gevraagd wie er op basis van medische risico’s in aanmerking moet komen voor vaccinatie. Ik heb het advies van de Gezondheidsraad geheel overgenomen. De medische risico’s zijn dus leidend bij het vaststellen van de prioritaire groepen.

Er zijn recent verhalen in de media verschenen over voetbalclubs die hun spelers vaccineren. Dit is nadrukkelijk tegen mijn beleid in en hiervoor is door mijn departement geen vaccin beschikbaar gesteld. Ik heb de Inspectie voor de Gezondheidszorg gevraagd dit te onderzoeken.

Antwoord op vraag van de heer Van Gerven (SP) over de financiering van het Erfocentrum

Wij hebben recent overleg gevoerd met het Erfocentrum, onder andere over een mogelijke subsidie voor 2010. In dat overleg heeft VWS aangegeven in principe bereid te zijn om het Erfocentrum onder voorwaarden ook in het begrotingsjaar 2010 op tijdelijke basis subsidie te verlenen, gelet op de strekking van het amendement van Van Gerven. Het amendement van Van Gerven heeft weliswaar betrekking op het begrotingsjaar 2009, maar verbindt de subsidie van het Erfocentrum aan de resultaten van het advies van het RIVM over preconceptiezorg. Ik heb eerder aangegeven dat ik dat advies wil betrekken bij het brede advies van de Stuurgroep Zwangerschap, dat ik eind dit jaar verwacht. De uitkomst van het overleg was dat het Erfocentrum een subsidieverzoek zal indienen voor het begrotingsjaar 2010.

Antwoord op vraag van de heer De Vries (CDA) over dat bewindslieden publiek kader rondom concurrentie en samenwerking opstellen en niet de NMa.

Ik ben het met u eens dat concurrentie en samenwerking voorwaarden zijn voor goede en doelmatige zorg en dat concurrentie en samenwerking kunnen samengaan.

Ik vind het, net als u, van belang dat duidelijk is wat wel en niet mag ten aanzien van samenwerking. Daarom hebben de staatssecretaris en ik aan onder andere de NMa gevraagd om zoveel mogelijk te expliciteren wat wel en niet mag en om, waar mogelijk, onduidelijkheden voor het veld weg te nemen.

De Mededingingswet is het publieke kader voor concurrentie en samenwerking. Het is niet aan mij en de staatssecretaris om aan te geven hoe de wet moet worden toegepast. Het is aan de toezichthouder om op een onafhankelijke wijze de wet toe te passen en richting de sector helder te zijn over de wijze waarop de wet in de praktijk wordt toegepast.

De NMa is dan ook de aangewezen partij om die helderheid aan het zorgveld te verschaffen. Een belangrijk middel daarbij zijn de richtsnoeren voor de zorgsector, waarin de NMa – onder andere aan de hand van zorgspecifieke voorbeelden – aangeeft hoe de Mededingingswet in deze sector wordt toegepast.

De NMa herziet momenteel haar richtsnoeren voor de zorgsector en consulteert daarbij nadrukkelijk het zorgveld, andere toezichthouders en ook mijn departement.

De NMa streeft ernaar de richtsnoeren voor de zorgsector in januari af te ronden.

Antwoord op vraag van de heer De Vries (CDA) over innovaties

Ik deel uw mening dat innovatie belangrijk is om medewerkers uit te dagen om te blijven leren en innoveren. Daarnaast stelt de veranderende zorgvraag nieuwe eisen aan de expertise en competenties van professionals. Het is daarom belangrijk dat professionals leren omgaan met nieuwe toepassingen van ICT en technologie.

In de visie van het Zorginnovatieplatform is één van de hoofdthema’s het verbeteren van de positie van professionals. Dit houdt in de praktijk in dat de innovatiemiddelen van het ZIP beschikbaar zijn voor dit onderwerp. Het financieel instrumentarium, waarover ik u in augustus 2009 heb geïnformeerd, bestaat uit vouchers, zorginnovatieprestaties contracten en calls voor opschaling en experimenten.

Daarnaast zijn beroepsverenigingen van beide beroepsgroepen veelvuldig met mijn departement in gesprek over de bijdrage van mijn departement aan projecten die de competenties van professionals verder kunnen verhogen en richten op de toekomst.

Antwoord op vraag van de heer De Vries (CDA) over extramurale en intramurale zorg

Extramurale-intramurale zorg

De heer De Vries stelt dat extramurale zorg niet meer mag kosten dan intramurale zorg. Ik vraag mij in bredere zin af of er grenzen zijn aan de zorg die thuis wordt geleverd. Hierover ga ik graag met de Tweede Kamer het debat aan. Nog dit jaar zal ik u een brief sturen waarin ik de start geef voor dit debat en zal aangeven hoe ik mijn visie op de langdurige zorg ook verder wil vertalen in cliëntvolgende bekostiging. In mijn brief neem ik in ieder geval de volgende onderwerpen mee:

kwaliteit: kan iemand thuis de kwaliteit van zorg organiseren die in een intramurale setting geboden wordt? Is het reëel om te verwachten dat iemand thuis de infrastructuur van een verpleeghuis kan realiseren?

Arbeidsmarkt: wat zijn de gevolgen voor de arbeidsmarkt als veel mensen met een zware zorgvraag ervoor kiezen om thuis te blijven? Zal de komende jaren niet steeds meer blijken dat het aantal arbeidskrachten dat nodig is om in instellingen de benodigde zorg te leveren achter blijft bij het aantal beschikbare krachten?

Financieel: zullen de kosten voor thuis verblijven niet te hoog worden, gegeven de benodigde kwaliteit, infrastructuur en arbeidskrachten die nodig zijn om bij een cliënt thuis de zorg te verlenen? In een instelling kan immers synergie ontstaan doordat er meerdere cliënten bij elkaar verblijven, waardoor de kosten voor bepaalde collectieve voorzieningen gedeeld worden.

Ik zie de inbreng van het CDA als een ondersteuning van de noodzaak van het debat over de grenzen aan de zorg thuis. De stelling van de heer De Vries is helder, maar ik vraag mij af of hij met de aanvliegroute vanuit de intramurale zorg de juiste route kiest. Ik zal mijn zienswijze hierop in mijn brief nader toelichten.

Krimpregio’s

Onder coördinatie van de Ministers van VROM en BZK wordt gewerkt aan een Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling. Daarin is de sector zorg en welzijn meegenomen. Gebleken is, dat de bevolkingskrimp vooral gevolgen heeft voor de terreinen als wonen en onderwijs. Wat de zorg betreft zijn de effecten minder ingrijpend, niet in de laatste plaats omdat het door de vergrijzing vereiste extra arbeidsaanbod in de krimpregio’s relatief makkelijk beschikbaar is. Dat komt door een relatief hoge werkloosheid daar. Dit vereist wel dat vraag en aanbod op de regionale arbeidsmarkt goed op elkaar afgestemd worden. Daarom investeren we in regionale platforms waar zorginstellingen en onderwijsinstellingen samen afspraken maken over bijvoorbeeld opleidingsplaatsen en stageplaatsen.

Vanuit VWS lopen er bovendien reeds een aantal trajecten gericht op de beschikbaarheid van cruciale zorg. In het wetsvoorstel continuïteit van zorg zal bijvoorbeeld worden vastgelegd dat VWS zorgfuncties kan benoemen die VWS beschouwt als cruciaal. Cruciaal in die zin dat wanneer de zorg (tijdelijk) niet (voldoende dichtbij) beschikbaar is, cliënten ernstige gezondheidschade kunnen oplopen of, met name bij langdurige zorg, ernstig worden belemmerd in hun dagelijks leven.

Antwoord op vraag van mevrouw Smilde (CDA) over hoe een zorgketen integraal gefinancierd kan worden.

Het klopt dat de keten een totaalconcept moet zijn. Het klopt ook dat we op dit moment nog geconfronteerd worden met zorg die in de zorgstandaard wordt omschreven maar nog in de aanvullende verzekering valt. Het gaat hier m.n. om de Stoppen met Roken interventie, de Beweegkuur (ook wel de «gecombineerde leefstijl interventie») en podotherapie bij diabetes. Stoppen met Roken zal per januari 2011 onderdeel van het basispakket worden. Voor 1/1/2011 staat ook de Beweegkuur gepland om in het verzekerde pakket te worden opgenomen. Over podotherapie word ik komend voorjaar door het CVZ geadviseerd.

Deze situatie is overigens in de huidige experiment ketens niet anders: ook daar worden combinaties gemaakt van elementen uit het basispakket en het aanvullende pakket. Mijn voornemen is om, daar waar het CVZ daar positief over adviseert en het budgettair verantwoord is, zo veel mogelijk te streven naar overeenstemming tussen de (evidence-based) inhoud van de zorgstandaard, en de samenstelling van het basispakket.

Voor wat betreft het Eigen Risico heb ik u reeds eerder aangegeven dat het ongewenst is als de keten gedeeltelijk in of buiten het Eigen Risico valt. Dat levert onnodige complexiteit of en veroorzaakt ongewenste administratieve lasten.

Voor 2010 kan dit pragmatisch worden opgelost door de ketens geheel buiten het Eigen Risico te laten vallen. Omdat de betreffende chronische patiënten in verreweg de meeste, zo niet alle gevallen het eigen risico toch al vrijwel geheel vol maken vanwege hun chronisch geneesmiddelengebruik heeft dit geen budgettaire consequenties.

Tegelijkertijd ben ik voornemens in het komende jaar met het CVZ de positie van het eigen risico in het licht van de voorziene toekomstige ontwikkelingen rondom de integrale bekostiging nader te beschouwen. Ik zal u hierover in het voorjaar van 2010 nader informeren.

Antwoord op vraag van mevrouw Smilde (CDA) over het tijdstip waarop het gelijk speelveld tussen 1e en 2e lijn een feit is

Met ingang van het risicovereveningssysteem 2010 vindt geen nacalculatie plaats op zowel de kosten van B-dbc’s als op de kosten van overige prestaties, waaronder eerstelijnszorg. Hiermee is de financiële belemmering voor substitutie van tweedelijnszorg door de eerstelijn weggenomen. De ziekenhuiszorg die zich het beste leent voor deze substitutie zit namelijk in het B-segment. Door de nacalculatie op de kosten van B-dbc’s af te schaffen in 2010 ontstaat het gelijke speelveld tussen 1e en 2e lijn.

Antwoord op vraag van mevrouw Smilde (CDA) over PPS constructies

Jazeker, er zijn mogelijkheden voor PPS-constructies – overigens vooral in de cure. In de care is door de bank genomen de projectomvang niet groot genoeg (ter vergelijking: de Rgd hanteert als minimumomvang EUR 25 mln). In het AO PPS (11 februari 2009) zijn de minister van Financiën en ik ingegaan op de mogelijkheden van toepassing van PPS in de ziekenhuissector – in het bijzonder in de vorm van zgn. DBFMO-contracten (= Design Build Finance Maintain en Operate).

Ziekenhuizen zijn private instellingen die zelf beslissen over hun vastgoedinvesteringen. Indien een ziekenhuis PPS zou willen gebruiken voor hun bouwplannen, zijn daar geen belemmeringen toe: de mogelijkheden voor toepassing van PPS zijn aanwezig: er is voor de Rijksoverheid een standaardcontract ontwikkeld dat met enige aanpassing ook door ziekenhuizen te gebruiken is (te vinden op www.ppsbijhetrijk.nl). Daarnaast kunnen Financiën en VWS ziekenhuizen adviseren over PPS.

Momenteel vindt er echter nog geen toepassing plaats in Nederland. Hiervoor zijn ook redenen aan te wijzen. PPS constructies (DBFMO) zijn complex: het betreft een geïntegreerd contract waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende fases in de levenscyclus van een ziekenhuis. Belangrijker is dat de gehele zorgvastgoedmarkt door een moeilijke fase gaat. Los van de vraag pps versus traditionele aanbesteding is het voor ziekenhuizen uitdagend financiering rond te krijgen.

In het verleden hebben twee ziekenhuizen een PPC hebben uitgevoerd: een haalbaarheidsonderzoek naar de meerwaarde van PPS. In beide situatie werd in het onderzoek meerwaarde geconstateerd, maar is uiteindelijk -om verschillende redenen- gekozen niet door te gaan met PPS. De reden om niet voor pps te kiezen had daarbij niets te maken met het concept PPS.

Tijdens het AO PPS hebben de minister van Financiën en ik aangegeven het wenselijk te vinden een PPS-pilot op te zetten en hiervoor ook geld beschikbaar te stellen. Over de voortgang wordt de TK nader geïnformeerd (voorjaar 2010). Momenteel verricht TNO een opdracht naar de voor- en nadelen van PPS (DBFMO) en de randvoorwaarden om dit toe te passen. Begin 2010 zal het rapport door mij en mijn collega Bos aan zorginstellingen gepresenteerd worden.

Antwoord op vraag van mevrouw Smilde (CDA) over substitutie huisartsenbekosting.

Met betrekking tot de huisartsenzorg streef ik in toenemende mate naar loon naar prestatie. Dit betekent dat er naast een basaal aanbod van basis huisartsgeneeskundige zorg inderdaad verschillende aanvullende prestaties door huisartsen kunnen worden geleverd die direct een bijdrage leveren aan de zorg in ons land. Een belangrijk aspect hier zijn de bijdragen die huisartsen kunnen leveren aan het realiseren van meer substitutie. Deels zal dit via de integrale bekostiging (de keten DBCs) gaan plaatsvinden, zoals u zelf al aangeeft. Het gaat hier dan niet meer strikt om «huisartsenzorg», maar de huisarts zal hier ongetwijfeld een grote rol in gaan en blijven spelen. Maar ook voor andere zorgvormen (diagnostiek, therapeutische verrichtingen) bestaan mogelijkheden voor substitutie.

Hiervoor bestaan via de zogenaamde M&I modules twee typen mogelijkheden. Ten eerste bestaat er nog steeds een lijst met therapeutische verrichtingen die de huisarts kan declareren «per stuk». Ten tweede kunnen huisartsen met de zorgverzekeraar lokaal afspraken maken over substitutiemogelijkheden. Tijdens de werkbezoeken die ik de afgelopen periode heb afgelegd in het land, zag ik dat huisartsen zich ook steeds meer gaan specialiseren, bijvoorbeeld in het maken van ECGs en het doen van kleine chirurgische ingrepen. Door taakdifferentiatie binnen een groep huisartsen ontstaat dan de mogelijkheid als huisarts om voor grotere patiëntenbestanden bijvoorbeeld een echografie te doen en daarmee gespecialiseerde ervaring en kennis te behouden. Dit zijn prachtige ontwikkelingen die moeten worden ondersteund, ook door passende beloning.

Het steeds meer vervallen van de ex-post risicoverevening in de tweede lijn geeft de zorgverzekeraar ook steeds meer de juiste prikkel om de huisartsen hierin extra te stimuleren. Het is dan wel belangrijk dat er een duidelijke relatie ligt tussen de additionele prestaties die dan eventueel via deze modules worden bekostigd, en de substitutie die daardoor ontstaat. Op die manier hoeft de toenemende substitutie niet te wringen – in tegendeel. Op die manier kan de zorg plaatsvinden daar waar deze het meest verantwoord én het meest doelmatig kan worden verricht. Met positieve gevolgen voor de blijvende betaalbaarheid van de zorg.

Antwoord op vraag van mevrouw Wiegman-Van Meppelen Scheppink (CU) en mevrouw Smilde (CDA) over overschrijdingen in de ggz.

De overschrijding van het beschikbare kader in de geneeskundige ggz kent verschillende oorzaken. Het grootste deel is te herleiden tot een hogere dan beschikbare groei van het volume aan zorgconsumptie in tweedelijns ggz-instellingen. Nader preciseren kan ik die volume-overschrijding niet, want het kabinet hanteert geen aparte budgettaire deelkaders voor specifieke leeftijdsklassen, patiëntencategorieën of vormen van ggz-zorg.

Sommige ggz-aanbieders stellen echter dat, omdat de overschrijding is veroorzaakt door een sterke stijging van het volume, het niet gepast is om een tariefmaatregel te nemen, een maatregel op prijs. De aanbieders zijn van mening dat ik de overschrijding zou moeten opvangen door het nemen van pakketmaatregelen of het invoeren of verhogen van eigen betalingen. Ik deel hun mening niet. Ik wil de patiënt zo veel mogelijk ontzien. Verbeteringen in de doelmatigheid van de zorg hebben mijn voorkeur boven maatregelen die de patiënt raken.

Door de invoering van prestatiebekostiging zal inderdaad op termijn geen dubbele administratie meer nodig zijn. Ik acht het echter op dit moment nog niet verantwoord om prestatiebekostiging in de geneeskundige ggz in te voeren per 2010.

De belangrijkste argumenten hiervoor zijn tweeledig. Ten eerste is de productstructuur nog niet voldoende uitgekristalliseerd. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan gespecialiseerde zorgverlening met afwijkende opbouw van activiteiten en/of een afwijkend beroepenprofiel. Mede door de dubbele administratie beschik ik over essentiële informatie om in de productstructuur noodzakelijke verbeteringen door te voeren. Ook vormt deze informatie een extra controle of de nu gekozen productstructuur, met bijbehorende tarieven, inderdaad juist zijn.

Ten tweede heb ik besloten om geen prestatiebekostiging in te voeren wegens de financiele risico’s die daar aan verbonden zijn.

Ik ben in nauw overleg met het veld bezig om alle noodzakelijke randvoorwaarden in te vullen zodat we de stap naar prestatiebekostiging kunnen zetten. Ik ben voornemens de volgende stap te zetten in 2011. Hierover heb ik onlangs mijn beleidsvoornemens aan uw kamer gestuurd.

Antwoord op vraag van de heer Zijlstra (VVD) over of de heroverwegingsgroepen met het veld praten.

De werkzaamheden van de heroverwegings-werkgroepen vallen niet onder mijn verantwoordelijkheid. De werkgroepen kiezen binnen de gegeven procedurele richtlijnen hun eigen werkwijze. Ze zijn daarbij vrij om externe deskundigen te raadplegen en bij mijn weten doen zij dat ook.

Antwoord op vraag van de heer Zijlstra (VVD) over overheveling GGZ.

Extramuralisering is een proces dat al enige jaren loopt in de ggz. Steeds meer cliënten worden ambulant behandeld. Dit heeft echter niet geleid tot een onderschrijding van de ggz in de AWBZ; de intramurale behandeling langer dan een jaar. Ik herken het budgettaire beeld dat de heer Zijlstra schetst dus niet. In de geneeskundige ggz van Zvw gelden overigens geen vrije prijzen, wel maximumtarieven voor ambulante zorg. Volgens de huidige systematiek is een minder strikte scheiding tussen Zvw en AWBZ op dit moment niet mogelijk.

Antwoord op vraag van de heer Zijlstra (VVD) over kinderafdelingen GGZ.

Zoals ik heb aangegeven in mijn brief Beleidsvoornemens curatieve GGZ, die u onlangs is toegezonden, voorzie ik voor 2010 geen principiële wijziging in de huidige DBC GGZ-bekostigings-systematiek. Er wordt wel een aantal belangrijke ontwikkelpunten aangepakt, bijvoorbeeld de verankering van zorgzwaarte in de productstructuur, Het gaat hierbij om zorg met een andere opbouw van activiteiten danwel een ander beroepsprofiel. Hiervan kan dus ook een kinderafdeling profiteren, waar tijdens een behandeling meer geïnvesteerd wordt in contacten met ouders en school. De vraag of hiervoor ook een aanpassing van tarieven door de NZa noodzakelijk is, is mede afhankelijk van de uitkomst van de analyse die door DBC Onderhoud momenteel in gang is gezet. Ik ga er van uit dat zorgzwaarte budgettair neutraal is in te bouwen in de productstructuur.

Het toekomstperspectief voor de curatieve ggz is bekostiging op basis van DBC’s (prestatiebekostiging) en het invoeren van vrije prijzen daar waar dit verantwoord is (liberalisering). De besluitvorming hierover in 2010 is mede bepalend voor de stappen die in 2011 gezet kunnen worden.

Antwoord op vraag van de heer Zijlstra (VVD) over innovaties zoals de Mammaprint.

VWS en het Zorginnovatieplatform (ZIP) willen partijen aanjagen, verbinden en mobiliseren om bij te dragen aan de maatschappelijke uitdagingen in de zorg. Wij verwachten hierbij veel innovatiekracht vanuit netwerken en samenwerkingsverbanden waarin diverse doelgroepen – zoals patiënten, professionals, kennisinstellingen, opleidingen, overheden, etc – vertegenwoordigd zijn. Het zorginnovatieplatform (ZIP) organiseert diverse activiteiten om netwerken en samenwerkingsverbanden te ondersteunen en te versterken.

Het ZIP heeft daarnaast een financieel instrumentarium ontwikkeld om innovatie aan te jagen en te versnellen. Enerzijds wil het ZIP met dit instrumentarium kennisontwikkeling en samenwerking stimuleren en anderzijds met gerichte calls het veld stimuleren te experimenteren en innovaties verder op te schalen.

U haalt tot slot de specifieke casus van Mammaprint aan en schetst hierbij de belemmeringen voor toelating tot het verzekerde pakket. De casus van Mammaprint heeft duidelijk gemaakt welke moeilijkheden een startende organisatie heeft in de procedure voor toelating tot het verzekerde pakket. Daarbij komt ook dat het CVZ heeft geconstateerd dat het bij de Mammaprint ontbreekt aan prospectief onderzoek naar de klinische effectiviteit van het toepassen daarvan en aan voldoende zicht op de kosteneffectiviteit. Op deze beide punten is tot op heden sprake van discussie. De FDA in Amerika heeft zijn oordeel vooral op andere punten gebaseerd: kwaliteit en veiligheid. De gesprekken met het CVZ over de Mammaprint hebben er overigens wel toe bijgedragen aan de discussie over versoepeling van toelating van veelbelovende innovatieve producten. Wij hebben geconstateerd dat steun bij de introductie van veelbelovende innovaties nuttig en zinnig is. In dit verband is van belang dat het CVZ in december 2009 een rapport over innovaties en verantwoord pakketbeheer zal uitbrengen. Het CVZ zal hierbij ingaan op de vraag of in dat kader voor zorginnovaties een aanvullende (financiële) regeling gewenst is, zeker voor gevallen waarin nog niet voldoende bewijs voor handen is van de klinische effecten en de kosteneffectiviteit. Ik zeg toe dat ik zal bezien of dat rapport aanknopingspunten biedt op grond waarvan een innovatie als de Mammaprint in aanmerking kan komen voor zoiets als een voorlopige vergoeding.

Overigens zeg ik dat het voorbeeld van de Mammaprint niet exemplarisch is voor hoe wij in Nederland omgaan met innovaties in de zorg. Ik wijs daarbij bijvoorbeeld op de NZa-beleidsregels dure en weesgeneesmiddelen, die het mogelijk maken om nieuwe, vaak zeer specialistische geneesmiddelen heel snel toe te laten en waarvoor ziekenhuizen financieel gecompenseerd worden indien ze die innovatieve geneesmiddelen toepassen.

Verder noem ik als voorbeelden de Lokomat, een robotgeassisteerd loopbandtrainingsapparaat als revalidatietherapie voor mensen na een CVA of dwarslaesie, LITT (een geavanceerde methode om kankerweefsel te doden, waarbij gebruik gemaakt wordt van echotechnieken en lasersondes) en de KTP laserbehandeling bij prostaatvergroting. Allemaal technologische innovaties waarvan het CVZ heeft geoordeeld dat sprake is van zorg conform de stand van de wetenschap en de praktijk. Zorg die derhalve behoort tot de aanspraak. Tot slot wil ik opmerken dat ook instellingen zelf uiteraard beleidsvrijheid hebben bij het al dan niet toepassen van nieuwe technologieën. Zo is mij bekend dat verschillende ziekenhuizen de mammaprint wél toepassen, bijv. het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis. Ziekenhuismanagement mag wat mij betreft vaker gebruik maken van de mogelijkheden die er zijn om zelf te beslissen dat zij meer middelen aanwenden voor de in hun ogen best mogelijke behandeling van de patiënt.

Antwoord op vraag van de heer Zijlstra (VVD) over de verticale integratie.

Recent heb ik over het onderwerp verticale integratie tot tweemaal toe met de Kamer gediscussieerd naar aanleiding van de uitgebreide brief van de staatssecretaris en mij over ruimte en rekenschap.

Mede gebaseerd op het rapport van de Cie Baarsma heb ik daarin de hoofdlijn uiteengezet dat ik geen heil zie in het verbieden van het integreren van zorgverzekeraars en zorgaanbieders omdat daarmee:

– Het europees rechtelijk zeer moeilijk, zo niet onmogelijk is om de weg van het verbod te gaan.

– De potentiële voordelen die verticale integratie kan hebben, op voorhand buiten bereik blijven

Ik heb in diezelfde debatten ook aangegeven dat vormen van verticale integratie ook risico’s kunnen hebben; met name het risico van beperking van de keuzevrijheid en wellicht een aantasting van kwaliteit.

Het bestaande toezicht van IGZ, NMa en NZa acht ik een belangrijke verdedigingslinie tegen dit soort risico’s. Dit toezicht, aangevuld met mijn voorstellen in de governancebrief voor het versterken van de positie van het bestuur en het toezichthoudend orgaan alsmede verbetering van de maatschappelijke inbedding, een verplichte fusie-effectrapportage en een zorgspecifieke toets geven mij voldoende vertrouwen dat we de risico’s die kunnen kleven aan verticale integratie, kunnen afwenden.

Antwoord op vraag van mevrouw Van Miltenburg (VVD) over het document «gebruikelijke zorg».

Er is geen sprake van een aanpassing van 3 naar 4 uur. Beide grootheden zijn (en waren) nergens in de beleidsregel gebruikelijke zorg opgenomen.

In de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ is een bijlage opgenomen over gebruikelijke zorg. Gebruikelijke zorg is normale, dagelijkse zorg die partners elkaar en ouders (aan kinderen) geacht worden te bieden. De richtlijnen voor gebruikelijke zorg aan kinderen zijn per leeftijdscategorie nader uitgewerkt. Per 1 januari 2009 is in de beleidsregels bovengebruikelijke zorg bij kinderen nader omschreven. Van bovengebruikelijke zorg bij kinderen is sprake wanneer de omvang van de zorg substantieel meer is dan de zorg die een gezond kind van de dezelfde leeftijd nodig heeft. Bij substantieel meer wordt dan gedacht aan een omvang van op weekbasis gemiddeld meer dan een uur per etmaal. Alleen voor de omvang vanaf dit extra uur per etmaal kan voor het kind een aanspraak op AWBZ-zorg worden bepaald.

Antwoord op vraag van mevrouw Van Miltenburg (VVD) over het experiment hoe de patiënt naar de zorg kijkt vanuit verschillende domeinen.

Voor een patiënt met een enkelvoudige zorgvraag, is veelal geen sprake van domein-problematiek.Het wordt ingewikkelder als een patiënt een meervoudige en complexe zorgvraag heeft. Als voorbeeld: een alleenwonende patiënt van 87, met hartfalen en een mobiliteitsprobleem is aangewezen op de eerste lijn (huisarts en apotheek), op thuiszorg voor hulp met de medicatie, op huishoudelijke hulp en tot op slot tafeltje-dekje voor de warme maaltijd. De eerste lijn wordt betaald uit de Zvw, de thuiszorg komt ten laste van de AWBZ en de huishoudelijke hulp komt voor rekening van de Wmo.

In o.a. Friesland en Rotterdam lopen experimenten om een en ander beter op elkaar te laten aansluiten.

Antwoord op vraag van de heer Van der Veen (PvdA) over voldoende capaciteit bij de IGZ.

De IGZ vult het toezicht steeds meer proactief in en maakt daarbij gebruik van een risicogestuurde werkwijze. Hierdoor kan de IGZ haar capaciteit gerichter inzetten. Uitgangspunten bij deze werkwijze van de IGZ zijn meer transparantie over kwaliteit, heldere handhavingskaders en vervolgens steekproefsgewijs doortastend handhaven. Met de risicogestuurde werkwijze komt de IGZ bovendien tegemoet aan het gegeven dat de capaciteit altijd begrensd zal zijn.

Daarnaast hebben wij bij de aan de vernieuwing rijksdienst gekoppelde personele taakstelling de IGZ ontzien. In plaats van de 20% die binnen de rijksbrede taakstelling als richtsnoer geldt voor de inspectiefunctie, is de IGZ een beperkte taakstelling opgelegd van 6%. Ook hebben wij, gezien het grote belang van de rol van de inspectie rond transparantievergroting en patiëntveiligheid, de IGZ deels tijdelijk de ruimte gegeven om op die terreinen extra capaciteit aan te trekken. Per saldo zal het structurele budget en het aantal inspecteurs van de IGZ niet verminderen.

Ik ben mij er van bewust dat desalniettemin de werkdruk bij de IGZ hoog is.

Antwoord op de vraag van de heer Van der Veen (PvdA) over de huisartsenbekostiging.

Rondom de huisartsenbekostiging is de volgende lijn uiteengezet:

 Er vindt vanaf 2010 een structurele neerwaartse herijking plaats van het inschrijftarief van €60 miljoen.

 Zoals ik in de Tweede Kamer heb toegezegd op 30 september jl. zullen de huisartsen de ingehouden €60 miljoen uit 2010 in het jaar 2011 incidenteel terug ontvangen. Het inschrijftarief blijft wel structureel neerwaarts vastgesteld.

 Voor het jaar 2011 en de jaren daarna zal de bekostiging op basis van heldere prestaties langs de lijnen van kwaliteit, doelmatigheid en service (en volume) worden vormgegeven. Vanaf 2011 kan daarom de structurele neerwaartse vaststelling van €60 miljoen euro worden terugverdiend via de module M&I. Het gaat hier niet om meer doen voor hetzelfde geld, maar om het mogelijk te maken dat die huisartsen die bovengemiddelde inspanningen verrichten voor hun patiënten daarvoor ook extra betaald krijgen. Daarbij wil ik de mogelijkheid open houden om vanuit het perspectief van prestatiegerichte bekostiging een verdere variabilisering mogelijk te maken. Ik verwacht dat verzekeraars en aanbieders over de prestaties dan lokaal passende afspraken zullen gaan maken. Het met prestatiebekostiging gemoeide bedrag kent dan een inhoudelijke relatie met de prestaties die bekostigd worden. Daarbij zal zoveel mogelijk de aanpak van de keten-DBCs worden gevolgd en de Minimale Data Set die daarbij tot stand is gekomen. Indien in 2010 geen overeenstemming is over een beter inzichtelijke vorm van prestaties dan rest, gezien het eerder gewisselde, niet anders terug te vallen op een huisartsenkader dat is gebaseerd op een (geïndexeerd) norminkomen.

Met de LHV is uitgebreid gesproken over het doelmatig voorschrijven. Uitgesproken is dat het onwenselijk werd geacht via de overheid een directe financiële prikkel op doelmatig voorschrijven voor individuele huisartsen te organiseren. Dat doelmatig voorschrijven van groot belang is wordt echter door niemand ontkend; ook de LHV erkend het maatschappelijk belang hiervan. Ik heb nu uitgesproken aan de LHV dat ik verwacht dat de reeds aanwezige trend (van generiek voorschrijven waar mogelijk en kwalitatief verantwoord) met enige additionele inzet in 2010 en verdere jaren moet kunnen leiden tot een besparing van 127 miljoen Euro.

Indien de geraamde besparing op het geneesmiddelenkader van 127 miljoen Euro onverhoopt niet wordt waargemaakt, heb ik de LHV laten weten, ben ik alsnog genoodzaakt om mogelijk al vanaf 2010 maatregelen te treffen binnen het huisartsenkader. Mochten de resultaten slechts gedeeltelijk worden behaald, dan betekent dit uiteraard dat slechts het verschil tussen de gewenste opbrengst van 127 miljoen Euro en de wel gerealiseerde opbrengsten door het doelmatig voorschrijven bij aanvullende maatregelen worden betrokken. Ik ga er vanuit dat dit niet hoeft te gebeuren – de ontwikkelingen die wij nu reeds kunnen waarnemen zijn positief.

De medische specialisten zullen hierbij worden betrokken, als ook de zorgverzekeraars: het behalen van deze doelstelling is immers voor allen van belang. De genoemde 127 miljoen Euro heeft echter alleen betrekking op de geneesmiddelen die door de huisartsen zelf worden voorgeschreven (inclusief herhaalrecepten). Eventuele maatregelen met betrekking tot de medische specialisten staan hier los van.

Ten overvloede: ik ga er dus van uit dat er helemaal geen korting hoeft plaats te vinden, omdat de 127 Miljoen Euro zonder overmatige inspanningen realiseerbaar zijn, en de trend nu reeds de goede richting op wijst. Ik ben hierover continu met de betrokken veldpartijen in overleg.

Antwoord op vraag van de heer Van der Veen (PvdA) over de laatste stand van zaken met betrekking tot motie Van der Veen-Sap.

In deze motie, voorgesteld 16 december 2008, heeft u gevraagd om te onderzoeken of er M&I verrichtingen zijn welke feitelijk behoren tot de basiszorg, en welke terug gebracht zouden dienen te worden naar het inschrijftarief. Een en ander stond in verband met het al dan niet aanwezige substitutie-effect. In de aanwijzing welke ik de NZa d.d. 28 oktober jl. heb gegeven voor de huisartsen bekostiging 2010 heb ik de lijst met verrichtingen welke per stuk werden betaald in overleg met veldpartijen opgeschoond. Voortaan zullen alleen die verrichtingen met een therapeutisch karakter, waarvan een duidelijk substituerend effect uitgaat, separaat worden vergoed.

In aanvulling hierop blijft het natuurlijk vrij aan zorgverzekeraars en huisartsen om aanvullende afspraken te maken om substitutie te stimuleren.

Met deze aanwijzing heb ik mijns inziens dus uitvoering gegeven aan deze motie.

Antwoord op vraag van mevrouw Wolbert(PvdA) over de innovaties en zorginkoop door de zorgkantoren.

Het zorgkantoor richt de aandacht niet alleen op voldoende zorg in het komende of lopende jaar, maar kijkt tevens naar de beschikbaarheid van zorg op de langere termijn. Daarbij wil het zorgkantoor innovaties stimuleren. In de gezamenlijke inkoopleidraad van de zorgkantoren worden verschillende mogelijkheden genoemd die zorgkantoren gebruiken voor het stimuleren van innovaties in de zorg. Dit is geen vrijblijvend voornemen, maar een integraal onderdeel van de zorginkoop richting zorgaanbieders.

Het zorgkantoor kan binnen de contracteerruimte zelf ruimte creëren, door bijvoorbeeld via gunningscriteria een extra beloning te geven of meerjarige contracten af te sluiten.

Zorgkantoren kunnen extra middelen voor innovaties inzetten via verschillende NZa-beleidsregels, zoals:

– de NZa-beleidsregel «Innovatie ten behoeve van nieuwe zorgprestaties». Voor het jaar 2010 is macro een bedrag van €13 miljoen beschikbaar.

– Beleidsregels Ketenzorg dementie (€10 miljoen), Nationaal Programma ouderenzorg (€10 miljoen) en TPLZ-experimenten (€13 miljoen) (transitie-experimenten langdurige zorg).

Het zorgkantoor kan de geleverde zorg vanuit de AWBZ vergoeden en daarover «bijzondere» afspraken maken, afhankelijk van de innovatie, bijvoorbeeld tijdelijke afwijkende productiviteitspercentages of dat aanbieders besparingen mogen inzetten ten behoeve van groei.

Het zorgkantoor kan ook door inkoopafspraken met de gemeente nieuwe combinaties van zorg en ondersteuning mee mogelijk maken.

Ten slotte kan het zorgkantoor de zorgaanbieder helpen bij het vinden van alternatieve vormen van financiering, bijvoorbeeld benutten van provinciale subsidies, benaderen van fondsen (aanbevelingsbrieven), levering van financiële en inhoudelijke expertise, deelname aan stuurgroep, etc.

De NZa houdt toezicht op de uitvoering van de AWBZ. Voor het uitvoeringsjaar 2009 wordt voor het eerst de prestatie-indicator «zorginnovatie en kwaliteit dienstverlening» gehanteerd, waarbij zorgkantoren zullen worden beoordeeld op in hoeverre zij o.a. innovatie in het zorgaanbod en de zorgketen stimuleren.

Antwoord op vraag van mevrouw Wolbert (PvdA) over eenduidige afspraken over de financiering van casemanagement.

In het plan «Zorg voor mensen met dementie» dat ik u op 17 juni 2008 zond, formuleerde ik een aantal doelstellingen. De stand van zaken op deze doelstellingen is als volgt:

1. Een samenhangend zorgaanbod te creëren dat overeenkomt met de behoeften en wensen van de cliënt. \ {pg}a. Hiervoor wil ik dat uiterlijk in 2011 het aanbod van samenhangende dementiezorg en de bijbehorende AWBZ-inkoop praktijk is in heel Nederland.}

Stand van zaken: in ongeveer twee/derde van Nederland werken zorgaanbieders met ondersteuning vanuit het programma Ketenzorg Dementie aan het totstandbrengen van samenhangende dementiezorg en worden hierover afspraken gemaakt met de zorgkantoren in het kader van AWBZ-zorginkoop. \ {pg}b. uiterlijk eind 2009 zijn best practices van dementiezorg voor alle betrokken zorgverleners beschikbaar, zowel in boekvorm als via internet, bijvoorbeeld Zorg voor Beter.}

Stand van zaken: eind 2008 is heeft het Landelijk Dementie Programma een boekje met bijbehorende usb-stick uitgebracht met goede voorbeelden; vanaf juni 2009 is de websitehttp://www.zorgprogrammadementie.nl beschikbaar, waarop informatie over goede dementiezorg, inclusief de informatie en documentatie van het programma Ketenzorg Dementie, voor een ieder beschikbaar is. Na beëindiging van het programma zal de website voortgezet worden.

2. Voldoende begeleiding en ondersteuning voor de mens met dementie en zijn naasten te bieden.

Uiterlijk in 2011 maakt (een vorm van) casemanagement deel uit het totale aanbod van samenhangende dementiezorg.

Stand van zaken: alle regio’s die betrokken zijn bij het programma Ketenzorg Dementie hebben casemanagement als speerpunt in hun plannen. Dat betreft introductie van casemanagement, uitbreiding van het aantal casemanagers of verbreding van de taken van de casemanagers.

Het past niet in mijn beleid om casemanagement al vanaf de diagnose, wanneer nog geen beroep op AWBZ-zorg wordt gedaan, wel het casemanagement uit de AWBZ te financieren. De toelichting die in het kader van het Programma Ketenzorg Dementie op de website en in de leidraad aan de deelnemende regio’s wordt gegeven, biedt duidelijkheid over de financieringsmogelijkheden van casemanagement.

Antwoord op vraag van mevrouw Wolbert (PvdA) over het versnellen van goede basiskwaliteit.

De zorginstellingen hebben een eigen verantwoordelijkheid om kwalitatief goede zorg te verlenen. Zij kunnen gebruik maken van verbeterprogramma’s en deze toepassen op de werkvloer. Een aantal programma’s waarin ik investeer zijn Zorg voor Beter, Zorg Innovatie Platform, Nationaal Programma Ouderenzorg en In voor Zorg. Ik meen dat ik hiermee instellingen in staat stel en stimuleer hun verantwoordelijkheid optimaal vorm te geven.

Antwoord op vraag van mevrouw Agema (PVV) over ouderenzorg en gevangenissen.

Mevrouw Agema stelt het regime in gevangenissen te versoberen en dit ten goede te laten komen aan de zorg aan ouderen. In mijn beleving vergelijkt het geachte Kamerlid hiermee appels met peren. Dit kabinet vindt zowel een respectvolle zorg voor ouderen als een humane behandeling van gevangenen van belang. Het is de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie om de behandeling van gevangenen op een deugdelijke manier te regelen. Als u daar problemen mee heeft, dan moet u dat bij hem aankaarten. Mij kunt u aanspreken op het beleid dat ik ontwikkel om de zorg aan ouderen op een optimaal peil te brengen. Het beeld dat u schetst van hoe de zorg aan ouderen is, is een karikatuur waar ik mij niet in kan vinden.

Antwoord op vraag van mevrouw Agema (PVV) over geld naar management in de zorg.

Dit PVV voorstel ondersteunt in de kern mijn beleid. Mijn beleid is gericht op de zorg teruggeven aan de clienten en professionals. Professionals moeten de ruimte krijgen om aandacht te geven aan de cliënt, en hun werk zo vorm te geven dat de kwaliteit van de zorg optimaal is. Het wegnemen van bureaucratie, formulieren en onnodige managementlagen helpt daarbij in grote mate.

Ook bij de beste voorbeelden die ik in het veld van de langdurige zorg tegenkom, is enige ondersteuning van de proffesionals nodig en is een efficiënt werkende staf behulpzaam voor het primaire proces. Ik kies daarom voor andere methode.

De voorbeelden en kennis rond ontburecratisering en vermindering van managementlagen, maar ook met betrekking tot het optimaliseren van kwaliteit en bedrijfssvoering worden in «In Voor Zorg» samengebracht. Deze kennis wordt in samenhang aangeboden aan de instellingen in de langdurige zorg.

Deze kennis wordt laagdrempelig aangeboden zodat alle instellingen ervan kunnen profiteren. Daarenboven, de instellingen die dat willen worden actief geholpen bij de invoering daarvan. Dit voorkomt het wiel opnieuw moeten uitvinden, en gaat op relatief korte termijn vruchten afwerpen in de zorg, zodat proffesionals de ruimte krijgen om hun vak uit te oefenen, en het noodzakelijke management hen daarbij ondersteunt.

Antwoord op vraag van mevrouw Wiegman-Van Meppelen Scheppink (CU) over nieuwbouwprojecten in de gezondheidszorg.

De afschaffing van het bouwregime en inherent daaraan de beëindiging van de gegarandeerde kapitaallastenvergoeding aan instellingen die onder dit regime hebben gebouw, vormen een belangrijke stap in de richting van prestatiebekostiging. Prestatiebekostiging – in meer of minder gereguleerde vorm – is een belangrijk instrument om een belangrijke doelstelling van dit kabinet te realiseren namelijk ervoor te zorgen dat instellingen meer prikkels ervaren om kwaliteit en doelmatigheid te bieden. Dit is nodig om te kunnen inspelen op de komende vergrijzing, de stijging van het aantal mensen met een chronische ziekte en op het dreigende tekort aan goed gekwalificeerd personeel om de zorg toekomstbestendig te maken. De bekostiging van instellingen in de cure en care wordt meer afhankelijk van geleverde prestaties. Hierdoor gaan instellingen meer risico lopen over hun inkomsten. Banken zijn daarom kritischer ten aanzien van bouwplannen die hen worden voorgelegd en zullen een degelijk onderbouwde business case verlangen.

Wij kunnen ons voorstellen dat instellingen behoefte hebben aan duidelijkheid over de compensatie voor hun kapitaallastenproblematiek en de verdoeding die zij in de toekomst voor hun kapitaallasten zullen ontvangen als onderdeel van de integrale tarieven (hun toekomstige inkomstenstroom). Wij pakken uw vraag graag op als een aansporing om zo snel mogelijk met meer helderheid te komen over de hoogte van de tarieven en het invoeringstraject.

Care: de NZa ligt qua werkzaamheden voor de care nog steeds op schema om in de zomer van volgend jaar beleidsregels op te kunnen stellen.

Voor die tijd zijn zowel de tarieven en de manier waarop die worden ingevoerd bekend aan partijen en aan uw Kamer aangeboden. De brancheorganisaties in de care zijn bij de werkzaamheden van de NZa goed aangesloten. Of de tarieven dan de echte aanleiding zijn voor de vertraging in bouwplannen of dat er eigenlijk heel andere zaken een rol spelen als een tekortschietend plan van een instellingen, een gering vertrouwen van de bank in de uitvoerende capaciteit van de instelling blijft dan in het ongewisse. We zitten uiteindelijk niet bij de gesprekken tussen financier en instelling.

Een veel positiever geluid valt te melden ten aanzien van de bouwimpulsmiddelen. Die zet ik in de care in om boekwaardeproblemen van instellingen die bezig zijn hun privacy te verbeteren. De NZa heeft daarvoor een beleidsregel opgesteld. Daarvoor konden tot 1 november initiatieven worden aangemeld. Die moeten voorzien zijn van een principeakkoord van de financier. De eerste geluiden zijn dat er heel veel aanvragen zijn ontvangen. Dat levert dat andere beeld op.

Cure: Voor wat betreft de cure zal de reeds aangekondigde kapitaallastenbrief cure duidelijkheid geven over de compensatie voor de kapitaallastenproblematiek («ballast uit het verleden») en ook over hoe de € 160 miljoen voor de bouwimpuls hierbij zal worden betrokken. Om de bouw de stimuleren is onlangs ook de zogenaamde Garantieregeling ondernemingen (GO-regeling) voor instellingen voor medisch specialistische zorg opengesteld. Voor de toekomstige vergoeding voor de kapitaallasten als onderdeel van de integrale tarieven verwijs ik naar het kabinetsstandpunt op de uitvoeringstoets prestatiebekostiging dat u naar verwachting voor het kerstreces zult ontvangen.

Antwoord op vraag van mevrouw Wiegman – van Meppelen Scheppink (CU) over de certificering van zorginstellingen met borstvoedingsbeleid.

Certificering

De certificering van instellingen (kraamzorgorganisaties, ziekenhuizen, verloskundige praktijken en jeugdgezondheidszorg) met een goed borstvoedingsbeleid volgens het Baby Friendly Hospital Initiative wordt met subsidie vanuit VWS uitgevoerd door de Stichting Zorg voor Borstvoeding.

De subsidieverlening is gebaseerd op een projectplan van de Stichting Zorg voor Borstvoeding dat loopt van 2008 tot en met 2010. In dit projectplan staan onder andere ook in 2010 activiteiten gepland om instellingen te (her)certificeren uitgaande van de aflopende subsidie, zoals in 2007 is overeengekomen met de Stichting. De certificering loopt dus gewoon door in 2010. De Stichting heeft zelf aangegeven gebruik te willen maken van de mogelijkheden van de markt en als zelfstandige marktpartij te gaan opereren. Dit zal dan vanaf 2011 geschieden.

Vaststelling richtlijn of indicator borstvoeding

In de door u gerefereerde brief van 14 oktober 2009 aan de Tweede Kamer (VGP-2 956 823), staat vermeld dat er gesprekken hebben plaatsgevonden met Zorgverzekeraars Nederland en Zichtbare Zorg. Hieruit blijkt dat het verbeteren van de kwaliteit van zorg en daarmee ook borstvoeding het beste gegarandeerd en gemonitord wordt als borstvoeding in een richtlijn en als indicator (binnen de kraamzorg, eerste- en tweedelijns verloskunde en ziekenhuiszorg) is/wordt opgenomen en de veldpartijen er zelf mee aan de slag gaan. Samen met de veldpartijen (platform borstvoeding) werkt TNO Kwaliteit van Leven aan de multidisciplinaire richtlijn borstvoeding. Door aan te haken bij de Zichtbare Zorg projecten Verloskunde en Ziekenhuiszorg wordt samen gewerkt aan het vastleggen van borstvoeding als indicator voor kwaliteit van zorg. Certificering zou hier aan gekoppeld kunnen worden, maar het is aan de veldpartijen om hier invulling aan te geven.

Antwoord op vraag van mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) over de invoering van het nieuwe zorgstelsel op de BES-eilanden.

De Christen Unie vraagt oog te houden voor een juiste balans tussen medische voorzieningen op de eilanden zelf en behandelingen in het buitenland. Voorzien wordt dat in de zorgverzekering BES een betere zorginfrastructuur wordt gecreëerd dan thans het geval is. VWS is momenteel al bezig om – voorafgaand aan de transitiedatum – te werken aan die verbetering. Door de voorzieningen op de eilanden te verbeteren zal de noodzaak voor medische uitzendingen afnemen. Omdat de kleine schaal van de eilanden wellicht niet voldoende is om bepaalde medische specialismen permanent op de eilanden te vestigen worden ook de mogelijkheden onderzocht om periodiek specialisten in te vliegen naar de eilanden. Voor de voorbereiding van de invoering en de uitvoering van de zorgverzekering BES is inmiddels een kwartiermaker aangesteld. Deze heeft een plan van aanpak opgesteld aan de uitvoering waarvan inmiddels voluit wordt gewerkt. De voorlichting, niet alleen aan de bevolking maar ook aan de zorgaanbieders, verzekeraars en andere betrokken instanties, maakt deel uit van dit plan van aanpak.

Daarnaast treedt de BES-Zorgverzekering in werking per 1 januari 2011. Vanaf die datum voert het BES-Zorgkantoor de nieuwe BES-Zorgverzekering uit. Voor St. Eustatius en Saba heeft de Minister van VWS recentelijk door middel van het tekenen van een onderlinge regeling met de Antilliaanse Minister van Volksgezondheid afgesproken dat VWS vóór transitiedatum reeds de uitvoering van een aantal Antilliaanse Landstaken overneemt op het terrein van de Volksgezondheid. Voor wat betreft Bonaire is VWS nog in overleg over een vervroegde overname van de uitvoering van Landstaken in aanloop naar één BES-Zorgverzekering per 1 januari 2011.

Antwoord op vraag van mevrouw Wiegman – van Meppelen Scheppink (CU) over overleg met kankercentra en de Pink Ribbon-trekkers over hoe in de behoefte aan een digitaal kenniscentrum kan worden voorzien.

De minister kan heel goed begrijpen dat sommige vrouwen met borstkanker en hun familieleden er niet op zitten te wachten dat naar hun beleving hun ziektebeeld tot een emotionele en mediahype wordt gereduceerd.

Patiëntenorganisaties en KWF bieden daarnaast zowel via internet als via folders georganiseerde objectieve kennis aan. In kenniscentra is geobjectiveerde informatie te vinden over medische aspecten van de ziekte, maar ook over de beleving van en omgang met de ziekte. Ook kunnen mensen via internet vragen stellen aan bijvoorbeeld de KWF. In de behoefte die mevrouw Wiegman terecht constateert wordt op dit moment dus al voorzien.

Vraag van mevrouw Sap (GL) over topinkomens in de zorg

De cure en de care zijn geen publieke sectoren, maar semi-publieke sectoren. En daar zit nu juist de crux. Voor ingrijpen in de arbeidsvoorwaarden in de private sector heeft het kabinet op dit moment geen instrument anders dan een loonmaatregel op grond van de Loonwet. En dat is een onbruikbaar instrument voor het doel dat mevrouw Sap voor ogen staat. Het is dan ook niet voor niets dat het kabinet advies heeft gevraagd aan de commissie-Dijkstal over de complexe problematiek rond het aanpakken van de topinkomens in de semi-publieke sectoren.

Dat advies is er en het kabinetsstandpunt daarop ook. Daarover zijn vorig jaar enkele AO’s gehouden met de MBZK, maar zelf ben ik daar, samen met andere vakministers op dit terrein, ook nog bij aangeschoven. Op basis van die AO’s is inmiddels een wetsvoorstel uitgewerkt, de Wet normering topinkomens, de WNT. Die ligt op dit moment voor technische consultatie bij de betrokkenen. De MBZK heeft u aangekondigd dat het wetsvoorstel, na advies van de Raad van State, volgend voorjaar aan de Kamer kan worden aangeboden.

De MBZK is de coördinerend bewindspersoon en namens het kabinet treedt zij op als woordvoerster op dit dossier van de topinkomens. Daarom lijkt het mij het meest efficiënt om de discussie over het topnkomensbeleid van het kabinet niet zelf hier met de Kamer te voeren, maar dat ordelijk te laten doen door de MBZK.

Over de specialisten in loondienst verwijs ik naar het mondelinge antwoord.

Vraag van mevrouw Sap (GL) over klimaat neutrale zorginstellingen

Met het afschaffen van het bouwregime heb ik juist de verantwoordelijkheid voor het bouwen en het onderhoud van gebouwen bij de zorginstellingen gelegd. Dat betekent dat zorginstellingen zelf verantwoordelijk zijn voor de klimaataspecten van het gebouw en de daarmee gepaard gaande kosten.

Omdat ik het van belang vind dat de kennis van het College Bouw Zorginstellingen (CBZ) op het gebied van bouwen in de zorg niet verloren gaat, is het Centrum Zorg en Bouw bij TNO ondergebracht. Ongeveer 40 medewerkers van het CBZ zijn per 1 januari 2009 overgegaan naar TNO/Centrum Zorg en Bouw.

In het werkplan 2010 van TNO/Centrum Zorg en Bouw is opgenomen dat TNO in 2010 een praktijkboek «Duurzaam bouwen voor de verpleeghuiszorg» uitbrengt en een onderzoek zal doen naar energiebesparing in de zorg. De kennis die hieruit voortvloeit is kosteloos beschikbaar voor alle zorginstellingen, die daarmee hun voordeel kunnen doen.

Een extra actie van mijn kant acht ik vooralsnog niet opportuun.

Vraag van mevrouw Koşer Kaya (D66) over financiering patiëntenorganisaties

Het is mij bekend dat onder patiënten/cliënten-organisaties een breed gedeeld gevoel leeft dat gelijkwaardigheid met de andere zorgpartijen veronderstelt dat deze organisaties uit de premiemiddelen dienen te worden bekostigd, en niet uit de rijksbegroting. Ik ben daar geen voorstander van. Pas een jaar geleden is er een nieuwe subsidiesystematiek ingevoerd. De introductie van premiefinanciering leidt op zich niet tot meer geld. Ook zal er in dat scenario een verdelingsmechanisme nodig zijn, en een organisatie die daarvoor verantwoordelijk is. Maar vooral past het principe niet in de inrichting van ons zorgstelsel. Verzekerden betalen premie om verzekerd te zijn van levering van zorg of de vergoeding van de kosten daarvan. Die premie – zeker als het gaat om de premiemiddelen voor de basisverzekering – wordt door zorgverzekeraars aangewend om verplicht verzekerde zorg te vergoeden of zorg in te kopen bij zorgaanbieders. Uit de premiemiddelen wordt dus de levering van zorg gefinancierd. Financiering van patiënten/cliënten organisaties-beschouw ik toch als principieel iets anders.

Ik deel met de voorstanders van premiefinanciering dat een sterke positie van patiënten/cliëntenorganisaties ten opzichte van zorgaanbieders en zorgverzekeraars noodzakelijk is. Ik heb daarom met ingang van 2008 extra middelen (€ 10 miljoen per jaar) beschikbaar gemaakt voor de bovengenoemde subsidieregeling voor organisaties van patiënten, gehandicapten en ouderen (PGO).

Vraag van mevrouw Koşer Kaya (D66) over de CQ-indexen voor ziekenhuizen

Het veld maakt in de stuurgroep Zichtbare Zorg Ziekenhuizen afspraken over het ontwikkelen van indicatoren en het gebruik van CQ-indexen. De stuurgroep heeft besloten om in 2009 het uitvragen van de CQ-vragenlijsten niet op te nemen. Voor 2010 en verder staat de CQ-index opnieuw ter besluitvorming op de agenda. Ik zal het uitvragen van de CQ-indexen actief bevorderen.

Vraag van mevrouw Koşer Kaya (D66) over het Nza tarief voor internettherapieën.

Er is een verschil tussen anonieme en patiëntgebonden behandeling via het internet. Voor de patiëntgebonden behandeling kan gebruik gemaakt worden van de bestaande DBC’s. Het is aan de behandelaar hoe hij de behandeling vorm geeft. Anonieme internet therapie kan op dit moment nog niet via DBC-declaraties gefinancierd worden. Daarom wordt dit veelal bekostigd uit de budgetten van instellingen. Bij de invoering van prestatiebekostiging zal een oplossing moeten worden gezocht voor de financiering van het aanbod van anonieme internet therapie.

Vraag van mevrouw Koşer Kaya (D66) over de implementatie van telemedicine

Het financiële instrumentarium van het Zorginnovatieplatform dient er voor de opschaling van bewezen innovaties te bevorderen. Hierbij betreft het met name de call voor opschaling. Voor projecten die op lokaal niveau hebben aangetoond effectief te zijn kan een plan van aanpak voor verspreiding en opschaling worden ingediend bij SenterNovem. Op 26 oktober is de eerste call voor opschaling gesloten. In december worden door een deskundige jury de beste voorstellen voor opschaling geselecteerd en vervolgens gecontracteerd.

Daarnaast ben ik juni 2009 ingegaan op de uitnodiging van Achmea, Menzis, TNO, KPN, Philips en Rabobank om deel te nemen in het open platform EhealthNu. Dit initiatief heeft als doel het wegnemen van belemmeringen voor het opschalen van ehealth en telemedicine. Op 1 oktober 2009 is dit platform van start gegaan.

Antwoorden op vragen van mevrouw Ouwehand (PvdD) over alternatieven voor dierproeven

a. Vaccins worden net als andere geneesmiddelen beoordeeld op werkzaamheid, schadelijkheid en kwaliteit voordat ze een handelsvergunning krijgen. Na toelating tot de markt van het vaccin op zich zijn er daar bovenop nog extra controles. Dit is nodig omdat vaccins worden geproduceerd met gebruikmaking van biologisch uitgangsmateriaal en via een productieproces dat relatief variabel is en daardoor minder beheersbaar. Hierdoor is minder gewaarborgd dat het eindproduct van consistente kwaliteit is dan bij chemische geneesmiddelen. Om te voorkomen dat sommige batches van het eindproduct verminderde werkzaamheid vertonen of gecontamineerd zijn met virussen, bacteriën of toxinen moet elke geproduceerde partij onafhankelijk worden gecontroleerd. Sommige van de hiervoor benodigde testen kunnen uitsluitend op dieren worden uitgevoerd. Het aantal dieren dat hiervoor gebruikt wordt, is kleiner dan bij de initiële proeven ten behoeve van het verkrijgen van de handelsvergunning. Dit komt omdat de werkzaamheid van het vaccin op zich niet meer hoeft te worden aangetoond, alleen de vraag of de werkzaamheid van de batch overenkomt met die van het product waarmee het initiële ontwikkelingsprogramma is gedaan.

b. Ik zal nader schriftelijk terugkomen op de vraag over de door het NVI ontwikkelde alternatieve methode (de consistentiebeandering).

c. Als u bedoelt met actief monitoren van effecten van vaccins in de mens het actief monitoren van bijwerkingen van vaccins, dan gebeurt dit al. Ook de effecten van vaccinatieprogramma’s worden geëvalueerd. Als u bedoelt het testen op mensen van partijen vaccins die niet eerder op dieren zijn getest, dan lijkt mij dit geen wenselijke zaak gezien de kans die bestaat op verminderde werkzaamheid of contaminatie van het vaccin.

Vraag van mevrouw Ouwehand (PvdD) over het beleid rond vaccinatie

Vaccinatie werkt. In de ruim 50 jaar dat het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) nu bestaat zijn ziekten, die bij de start ervan belangrijke doodsoorzaken waren, nu geheel of gedeeltelijk uitgeroeid in Nederland. Een paar voorbeelden. Door de invoering van algemene vaccinatie verdween kinderverlamming goeddeels als doodsoorzaak. De sterfte door difterie kwam na invoering van DKT-vaccinatie in 1953 volledig tot stilstand. De sterfte door mazelen bedroeg aan het begin van de twintigste eeuw nog meer dan 2 500 per jaar, maar is na invoering van vaccinatie teruggebracht tot enkele per jaar.

De pneumokokkenvaccinatie, die in april 2006 onderdeel werd van het RVP, beschermt tegen 7 typen pneumokokken. Vaccinatie tegen pneumokokken kan naar verwachting jaarlijks 78 sterfgevallen, 85 gevallen van hersenvliesontsteking, 308 gevallen van bloedvergiftiging en 1800 gevallen van longontsteking en 52 000 gevallen van middenoorontsteking onder de totale bevolking voorkomen.

Vaccins worden in het RVP opgenomen wanneer ze aan de criteria van de Gezondheidsraad voldoen en de voordelen opwegen tegen de mogelijke nadelen.

Dit jaar zijn er kort na elkaar drie meldingen van overlijden van kinderen geweest die gevaccineerd waren met pneumokokkenvaccin van één partijnummer. Alle drie de kinderen waren al eerder gevaccineerd met een pneumokokkenvaccin, waarbij één kind ook zonder problemen gevaccineerd is met een vaccin met hetzelfde partijnummer. Er zijn zeker 10 000 kinderen die dit vaccin van dezelfde partij hebben gekregen. Bij deze kinderen heeft de vaccinatie geen problemen gegeven. Het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM onderzoekt of er mogelijk een causale relatie is tussen de vaccinatie en de sterfte. Tot nu toe zijn daarvoor geen aanwijzingen. Een klankbordcommissie van onafhankelijke deskundigen toetst de analyses van de gerapporteerde bijwerkingen door het CIb. Jaarlijks krijgen we gemiddeld 5 à 10 van dergelijke meldingen waarbij tot op heden geen oorzakelijk verband kon worden aangetoond. Of dat nu ook zo is kan pas worden vastgesteld als de volledige onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

Vraag van de heer Van der Vlies (SGP) over terugval in (garantie) budget

Een ZZP wordt zowel voor oude als voor nieuwe cliënten met behulp van een vertaaltabel omgezet in functies en klassen en aangevuld met een vergoeding voor tijdelijk verblijf. Op basis daarvan wordt het pgb vastgesteld. De nieuwe pgb houders ontvangen direct het budget dat hiermee berekend wordt. Let wel, deze cliënten hebben nog niet eerder een pgb ontvangen.

Voor oude cliënten geldt dat het budget dat hoort bij de ZZP-berekening wordt vergeleken met hun oude budget. Als het nieuwe lager is dan het bestaande pgb geldt de budgetgarantie. Deze geldt tot 1 januari 2012. Hiertoe is besloten omdat ik bestaande budgethouders -net als instellingen- de mogelijkheid wil geven te wennen aan de nieuwe financiering. Tevens wil ik zorgvuldig nadenken over de periode na de budgetgarantie en wat het effect van het wegvallen van deze garantie betekent voor de bestaande budgethouders.

Deze methode is voor nieuwe cliënten niet mogelijk en niet wenselijk, omdat daarvan immers geen oud pgb-budget bekend is en zij geen aanspraak in de oude situatie hebben.

Vraag van de heer Van der Vlies (SGP) over indicatiestelling voor palliatief terminale zorg

Hiervoor heb ik op 7 oktober 2009 een ministeriële regeling getroffen die per 1 januari 2010 in werking treedt. Bij de indicatiestelling voor palliatief terminale zorg houdt het CIZ niet alleen rekening met de (terminale) ziekte of aandoening, maar ook met de (geprognosticeerde) levensverwachting. De heer Van der Vlies vroeg terecfht naar beide aspecten. Het oordeel van de behandelend arts speelt daarbij een rol. Het gaat bij palliatief terminale zorg om zorg die noodzakelijk is in verband met een ziekte of aandoening die er toe leidt dat de levensverwachting van de verzekerde naar het oordeel van de behandelend arts korter is dan drie maanden de ziekte of aandoening an sich doet er niet toe (bv. hartfalen kan ook), de termijn waarbinnen iemand vermoedelijk overlijdt wel. ls er sprake is van een indicatie voor palliatief terminale zorg thuis dan is deze geldig tot de verzekerde is overleden (ook als overlijden plaats vindt na drie maanden).

Vraag van de heer Van der Vlies(SGP over de werkdruk bij de regionale toetsingscommissies Euthanasie.

Het aantal meldingen is door de meldingsbereidheid van de artsen bij de regionale toetsingscommissies euthanasie de laatste jaren toegenomen. De formatie van de commissies is stabiel gebleven. Door extra inspanningen en vaker vergaderen wordt getracht de meldingen zorgvuldig te verwerken. De kwaliteit van de afhandeling blijft dankzij deze inspanningen gewaarborgd. Het budget van de commissies is voldoende voor de huidige formatie.    

Bijlage 2 (blz. 1983)

BIJVOEGSEL

Schriftelijke antwoorden van de bewindslieden van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op vragen gesteld in de eerste termijn van de behandeling van de begroting van OCW voor het jaar 2010 (32 123-VIII).

Vraag van het lid Van Dijk (CDA): Het lijkt erop dat tegenwoordig jongens achterblijven op school. En niet meer de meisjes. Kan de ministerbijv. SLO vragen docenten te ondersteunen in het aanbieden van handreikingen om jongens een andere manier van begeleiding te geven?

Antwoord:

Meisjes zijn het wel beter gaan doen dan jongens, maar jongens doen het ook al beter dan vroeger, dus beide groepen doen het beter. Alleen meisjes doen het nóg beter.

– De voorsprong door meisjes wordt vooral opgebouwd in de onderbouw. In de bovenbouw zijn de prestaties weer gelijk. Daaruit kan geconcludeerd worden dat het niet aan de tweede fase ligt.

– Het is nog onduidelijk waaraan het verschil dan wél ligt. Het vermoeden is dat een belangrijke reden is dat jongens in de onderbouw in de puberteit komen waardoor ze gewoon even met héél andere dingen bezig zijn dan met school.

– Nederland is hierin niet uniek. «Onze» jongens doen het in vergelijking met jongens in het buitenland zelfs nog beter.

– Jongens komen (als het om banen gaat) in de praktijk in de maatschappij nog altijd beter terecht dan meisjes. De achterstand van jongens kan vanuit dat perspectief nog steeds geduid worden als een voorsprong. Dit komt met name door de keuze van het profiel: jongens meer bèta en economie, meisjes meer cultuur.

– Daarmee is de conclusie om extra in jongens te investeren te snel getrokken. Nader onderzoek is vereist over de oorzaken van het minder presteren van jongens in de onderbouw.

– Waar het om gaat is dat alle leerlingen – jongens én meisjes – zo goed mogelijk onderwijs moeten krijgen, onderwijs dat bij hen past.

– In zijn algemeenheid wordt door SLOA-instellingen zoals de SLO eraan gewerkt de kwaliteit van de aansluiting, doorstroming etc. te verbeteren, waardoor de prestaties van zowel jongens als meisjes omhooggaan.

Vraag van het lid Van Dijk (CDA): Kan de minister toezeggen dat er elk jaar dergelijk overzicht van alle subsidies en fondsen / potjes, voor de behandeling van de begroting komt?

Antwoord:

In lijn met het verzoek van de CDA-fractie zal het kabinet volgend jaar het overzicht van alle subsidies van het Rijk aan de Tweede Kamer toezenden. Dit heeft de Minister van Financiën ook reeds toegezegd bij de antwoorden op de Miljoenennota (antwoord 19). Dit Instrumentoverzicht Rijk geeft een integraal beeld van alle instrumenten van alle departementen. Graag wil ik daarbij aansluiten. In dit overzicht zijn dus ook opgenomen de subsidies waar het CDA om vraagt. Bij de behandeling van de begroting voor 2011 kunnen we vervolgens bezien in welke mate behoefte is aan een structureel overzicht.

Vraag van het lid Van Dijk (CDA): Recent hebben we een brief gehad over de manier waarop opleidingen in het ho en mbo gestart kunnen worden. We menen dat de huidige macrodoelmatigheidseisen in het ho tot problemen leiden. Kijk naar problemen in Apeldoorn en Den Haag. Kan de minister snel uitsluitsel geven?

Antwoord:

In het hbo is het beleid erop gericht te voorkomen dat er teveel versnippering van het onderwijsaanbod optreedt. Het is zeer de vraag of het wel zo efficiënt is dat instellingen met hetzelfde opleidingenaanbod met elkaar concurreren. Het overheidsbeleid wil instellingen juist stimuleren om zich meer op hun sterke punten te profileren.

In Den Haag gaat het om de vraag of er behoefte is aan nieuwe lerarenopleidingen. Een eventuele goedkeuring zou zodanige scherpe concurentie met andere instellingen kunnen veroorzaken dat het negatieve gevolgen zou hebben voor de doelmatigheid van het landelijke onderwijsaanbod. Ik zeg u toe op die vraag snel uitsluitsel te geven. In Apeldoorn speelt iets heel anders. Daar gaat het om nieuwe opleidingen die recent zijn goedgekeurd en van start zijn gegaan, maar nog geen studenten weten aan te trekken. Afgewacht moet worden of het komende collegejaar in deze situatie verandering zal optreden.

Vraag van het lid Biskop (CDA): CDA vroeg het budget uit de onderwijspoot te halen voor restauratie-opleidingsproject in plaats van uit de cultuurpoot. Het is mooi dat er 2 jaar extra subsidie wordt gegeven, maar waar komt het geld nu vandaan? Moet ik de motie weer indienen?

Antwoord:

In de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (Kamerstuk 2009–2010, 32 156, nr. 1, Tweede Kamer, 28 september 2009) is het punt van de restauratie-opleidingen expliciet opgenomen. Voor metselaars en timmerlieden zijn intussen de benodigde voorzieningen getroffen. Voor schilders en stucadoors zal dit naar het zich laat aanzien binnenkort ook het geval zijn. Voor enkele specifieke beroepen is wellicht een andere aanpak nodig. De Rijksadviseur voor het Cultureel Erfgoed zal in overleg met de branches, roc’s en andere betrokkenen nadere voorstellen formuleren voor een structurele oplossing van dit probleem binnen de daartoe vigerende (wettelijke) kaders. De tijdelijke regeling heb ik daarom inderdaad met twee jaar verleng. Daarover spreken wij met uw Kamer tijdens een notaoverleg op 16 november.

De motie hoeft wat ons betreft niet opnieuw te worden ingediend.

Vraag van het lid Biskop (CDA): Het betrekken van ondernemers uit de regio bij het onderwijs wordt steeds belangrijker om talent te ontwikkelen naar vakmanschap. Maar hoe staat het met die betrokkenheid van ondernemers? Zijn ze alleen in beeld als mogelijke stageplek of wordt er daadwerkelijk rekening gehouden met hun wensen en mogelijkheden? Bijvoorbeeld in het samen vormgeven van onderwijs. Bestaand talent kan nieuw talent immers ondersteunen. Ervaren beroepskrachten staan nog vaak aan de kant, terwijl jong talent het met weinig begeleiding moet stellen. Eerder heeft de CDA fractie al aandacht gevraagd voor een meester-gezel model. En er lijkt een tekort te zijn aan ervaren docenten. Welke mogelijkheden ziet het kabinet om oud talent in te zetten om nieuw talent te begeleiden. Daarbij denk ik ook aan het oplossingen zoals het «werkmaarje», waarbij oudere werknemers en beginnende vakkrachten als buddy’s elkaar versterken. Is dit ook een idee voor het onderwijs.

Antwoord:

Het doel van het competentiegericht leren is ook om ondernemers beter te betrekken bij het beroepsonderwijs. Leerlingen moeten namelijk in de echte praktijk hun vaardigheden kunnen oefenen. Zo zijn er op de «Dag van de stage» afspraken gemaakt tussen MBO-Raad, MKB-Nederland, VNO-NCW en Colo over een betere uitvoering van de beroepspraktijkvorming. Daarnaast heeft MKB-Nederland recent de publicatie «Samenwerking loont» uitgebracht met een aantal goede voorbeelden van nauwe samenwerking tussen ondernemers en het middelbaar beroepsonderwijs. Eén van de voorbeelden is de zogenaamde «Schoenacademie». Hierbij heeft ROC Aventus de opleiding Verkoopmedewerker detailhandel toegesneden op de vraag van diverse schoenhandelaren om hun personeel beter op te leiden.

Ook zijn er verschillende mogelijkheden voor «oud talent» om «nieuw talent» te begeleiden. Ervaren werknemers kunnen bijvoorbeeld binnen het bedrijf de rol van «praktijkleermeester» die stagairs begeleidt vervullen. Daarnaast kunnen mbo-instellingen ervaren beroepsbeoefenaars in dienst nemen als vakinstructeur. Tenslotte biedt de deeltijd-ww de mogelijkheid dat werkgevers binnen hun bedrijf werknemers aanwijzen om scholing te geven aan werknemers die korter dan een jaar in dienst zijn of die werken op basis van een stageovereenkomst.

Vraag van het lid Van Dijk (CDA): In het po kennen we een verplichte aansluiting bij het vervangingsfonds. Grote schoolbesturen hebben daar meer profijt van dan de kleine schoolbesturen, waarom houden we de verplichte aansluiting dan nog langer in stand?

Antwoord:

In het po komen veel meer kleine schoolbesturen voor dan in het vo. De besturenorganisaties en vakbonden hebben meer dan een jaar geleden afgesproken een pilot te starten. Besturen die zouden meedoen aan de pilot zouden niet meer verplicht verzekerd zijn. Het tevoren afgesproken aantal deelnemende kleine besturen werd niet gehaald. Daarom is begin dit jaar besloten dat de pilot niet doorgaat. Daarover bent u schriftelijk geïnformeerd (brief 27 maart TK 31 293 nr. 33).

Verder zijn de vakbonden tegen de opheffing van de verplichte verzekering en is ook de besturenorganisatie VBS (met veel kleine besturen) geen warm voorstander van opheffing van de verplichte verzekering.

Vraag van het lid Biskop (CDA): Wat kan staatssecretaris Van Bijsterveldt doen om samenwerking tussen onderwijs-bedrijfsleven op regionaal niveau te faciliteren?

Antwoord:

In aansluiting op de Strategische Agenda MBO (Werken aan Vakmanschap) heb ik in 4 pilot-regio’s (Twente, Leiden e.o., Zuid Limburg en Rotterdam Rijnmond) een analyse uitgevoerd van de aansluiting tussen de regionale arbeidsmarkt en het aanbod aan beroepsonderwijs. Doel daarvan: het in beeld krijgen van wat instellingen (kunnen) doen om die aansluiting te versterken.

Op basis van de uitkomsten heb ik besloten uit de extra middelen, die op grond van het aanvullend beleidsakkoord voor het mbo beschikbaar zijn, zowel in 2009 als in 2010 een bedrag van € 10 miljoen in te zetten voor het versterken van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt (zie tabel 4, p. 53, Tweede Kamer, 2009–2010, kamerstuk 32 123 VIII, nr. 2).

In samenhang daarmee ga ik, tesamen met de MBO-Raad, goede voorbeelden voor versterking van deze samenwerking onder alle mbo-instellingen verspreiden.

Vraag van het lid Biskop (CDA): Waar schort het aan bij loopbaanoriëntatie (LOB)? Het lijkt er namelijk in de praktijk nog niet echt van te komen. Een betere studiekeuze leidt immers tot minder school uitval?

Antwoord:

We zijn het ermee eens dat er verbeteringen mogelijk zijn op het vlak van loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB).

LOB bestaat in vele vormen en maten. Er zijn vele goede voorbeelden, zoals de Vmbo-carrousel, Kom in het leerbedrijf, Verbindend leren en On stage, maar ook talloze kleinere initiatieven op schoolniveau.

Het is echter belangrijk om te beseffen dat er geen ultieme vorm van LOB is. De wijze waarop LOB georganiseerd wordt hangt sterk af van de lokale en regionale partners.

Het is vooral zaak om op het belang van LOB te blijven hameren.

Gelukkig doen we dat niet alleen. Ook de sectororganisaties (VO-raad, MBO Raad, HBO Raad en VSNU) zijn doordrongen van het belang van goede LOB en zijn hiermee aan de slag gegaan. Zo is in 2009 het door de VO-raad ontwikkelde Stimuleringsplan LOB van start gegaan.

Vraag van het lid Biskop (CDA): Zijn er vm2-trajecten ook voor praktijkonderwijs mogelijk, waarbij leerlingen zonder overgaan een voor hen maximaal opleidingsniveau halen, in combinatie met werken in de praktijk. Hoe staat het met de mogelijkheden voor vakcertificaten voor praktijkschool leerlingen met een bekostiging via het onderwijs?

Antwoord:

Zijn er vm2-trajecten ook voor praktijkonderwijs mogelijk, waarbij leerlingen zonder overgaan een voor hen maximaal opleidingsniveau halen, in combinatie met werken in de praktijk?

– De VM2-aanpak wordt op dit moment op een beperkt aantal vmbo-scholen en mbo-instellingen uitgeprobeerd.

– De evaluatie van dit experiment vindt plaats in 2013. Het is in mijn ogen op dit moment dan ook voorbarig om de VM2-formule uit te rollen over andere onderwijssoorten.

– Het is goed om te beseffen dat het praktijkonderwijs in principe eindonderwijs is. De meeste leerlingen stromen na afloop van het praktijkonderwijs door naar de regionale arbeidsmarkt.

Hoe staat het met de mogelijkheden voor vakcertificaten voor praktijkschool leerlingen met een bekostiging via het onderwijs

– Ik heb bij het Landelijk Werkverband Praktijkonderwijs gevraagd naar de praktijk van het aanbieden van vakcertificaten.

– Verschillende praktijkonderwijsscholen bieden bovenop het basiscurriculum aanvullende vakcertificaten.

– In sommige gevallen betalen de scholen alle kosten zelf. In andere gevallen vragen de scholen een kleine vrijwillige bijdrage aan de ouders.

– Omdat het gaat om aanvullende certificaten bovenop het basiscurriculum vergoedt de overheid dergelijke opleidingen niet.

– Het is aan de leerlingen en hun ouders om te bepalen of ze van dit aanbod gebruik maken (en of ze een financiële bijdrage leveren).

Vraag van het lid Biskop (CDA): Zijn er andere mogelijkheden om stageplaatsen in het bedrijfsleven (bij kleine bedrijven) te garanderen?

Antwoord:

In het Belastingplan 2010 dat de minister van Financiën recentelijk aan uw Kamer heeft gestuurd is een verruiming van de WVA opgenomen die het mogelijk maakt dat een opvolgend leerbedrijf, dat dus een stagiaire overneemt van een ander bedrijf, alsnog in aanmerking kan komen voor deze fiscale voorziening.

Voor wat betreft de «verzilveringsproblematiek»: deze problematiek komt erop neer dat wanneer werkgevers maar weinig loonbelasting afdragen, ze ook maar weinig afdrachtvermindering kunnen genieten. Eerder heeft het kabinet reeds aangegeven dat het geen negatieve belastingheffing overweegt.

CDA

Dijk, J.J. van (CDA)

Vraag: De nadruk ligt nu vooral op rekenen, taal en wiskunde. Zeker in het voortgezet onderwijs is dit het geval. Het is wenselijk dat deze vakken ook worden geïntegreerd in andere vakken. Op welke manier kan dat gebeuren?

Antwoord:

Scholen zijn vrij om rekenen en taal in andere vakken te integreren en voor wat betreft de onderbouw ook vakoverstijgend te werken. Oók, of juist als het gaat om taal en rekenen is dat zinvol. Scholen zullen door de invoering van het referentiekader hun taal- en rekenbeleid moeten herzien. Daarmee is taal en rekenen niet alleen de verantwoordelijkheid van enkele leraren maar juist van een groot deel of zelfs van het gehele onderwijsteam van elke school.

Vragen van de leden Biskop (CDA) en Besselink(PvdA): Wanneer gaat u het idee oppakken van de MBO-Raad om tot een wijziging van de naamgeving van het mbo te komen? Funderen beroepsonderwijs voor de niveaus 1 en 2 en middelbaar beroepsonderwijs voor de niveaus 3 en 4?

Antwoord:

Binnenkort houd ik een consultatieronde met de betrokken partijen over naamgeving van het mbo. Zoals in het AO van 4 november jl. is toegezegd maak ik mijn standpunt hieromtrent begin 2010 via een brief kenbaar aan uw Kamer.

Vraag van het lid Biskop (CDA): De vorig jaar door de Kamer aanvaarde motie over dyslectie heeft wel een overzicht van de mogelijkheden opgeleverd, maar wat nog mist is een integrale aanpak. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Antwoord:

Naar aanleiding van de motie is een notitie opgesteld, die als bijlage bij de derde voortgangsrapportage Passend onderwijs in juni 2009 aan de Kamer is gezonden (Kamerstuk 2008–2009, 31 497 nr. 12). Deze notitie bevat een overzicht van het huidige beleid, de beschikbare hulpmiddelen en de knelpunten. Ook worden in een plan van aanpak vervolgacties aangekondigd. Het betreft deels acties die al eerder waren aangekondigd. Deze acties nemen belangrijke knelpunten weg. Een voorbeeld hiervan is het opbouwen van een collectie aangepast lesmateriaal speciaal voor dyslectici. Een aantal knelpunten is daarmee nog niet (volledig) opgelost. Bijvoorbeeld de lange levertijd van aangepaste leermiddelen in het mbo. Naar mogelijke verdere verbeteringen voor deze doelgroep is een onderzoek uitgezet. Hierin wordt onder andere gekeken naar slimme oplossingen in andere landen. De resultaten hiervan worden in maart 2010 verwacht.

De acties tezamen leiden tot een integrale aanpak voor scholen en kinderen.

Vraag van het lid Biskop (CDA): Komt het didactisch expertisecentrum voor blinden en slechtzienden er? Wat is het effect van het failissement van viziris?

Antwoord:

Over de voorstellen voor het inrichten van dit expertisecentrum wordt vanuit mijn ministerie overleg gevoerd met Dedicon en de Vivis-instellingen. Deze partijen hebben – na het recente faillissement van Viziris – aangegeven bereid te zijn door te gaan met het opzetten van dit expertisecentrum.

In de overleggen wordt nog kritisch bezien of een expertisecentrum wel de juiste oplossing is voor de gesignaleerde problemen van visueel gehandicapte leerlingen en studenten. Daarom wordt ook nagedacht over mogelijke alternatieven.

Vraag van het lid Biskop (CDA): Tot slot Wikiwijs. Nieuw, eigentijds talent op onderwijsgebied kan zich gaan uitleven binnen Wikiwijs. De CDA-fractie is, zo weet u, een warm voorstander van dit soort mogelijkheden voor leerkrachten om hun eigen onderwijs vorm te geven. Kan de minister de Kamer informeren over de stand van zaken, met name als het gaat om de ontvangst van Wikiwijs in de praktijk. Wat zijn de reacties. Er wordt in het onderwijs veel onderzoek gedaan naar verbetering van de onderwijspraktijk. Resultaten van dat onderzoek vinden niet altijd even gemakkelijk hun weg naar de praktijk van alledag. Zou het een idee zijn om binnen Wikiwijs een afdeling te maken, waarin voor docenten relevante onderzoeksresultaten vertaald naar de praktijk terug te vinden zijn.

Antwoord:

– Het programma Wikiwijs bevindt zich momenteel in de voorbereidingsfase, waarbij onder meer de bètaversie van het technisch platform ontwikkeld wordt. Dit platform wordt bij wijze van «soft launch» per 17 november 2009 in gebruik genomen door een select aantal gebruikers, die de stabiliteit en gebruiksvriendelijkheid van het proefplatform testen. Dit kan dan zo nodig nog bijgesteld of aangepast worden voor de grote publieke lancering.

– Op 14 december 2009 vindt de publieke lancering van Wikiwijs plaats in Breda. Geheel in lijn met de uitgangspunten van Wikiwijs zal dit een open en interactieve bijeenkomst voor de docenten en scholen zelf worden. Deze dag is de start van de proeffase waarbij iedereen gebruik kan gaan maken van Wikiwijs.

– In overleg met het onderwijsveld zijn de focusvakken gekozen waarop Wikiwijs zich in de proeffase zal richten. Voor het primair en voortgezet onderwijs zijn rekenen en taal (wiskunde en Nederlands) gekozen. Dit sluit goed aan bij de aandacht die er is voor rekenen en taal binnen het onderwijs. Voor het middelbaar beroepsonderwijs is gekozen voor de vakken «Leren, loopbaan en burgerschap» en «Handel».

– Stichting Kennisnet en de Open Universiteit Nederland hebben de afgelopen periode veel overleg gevoerd met vele partijen, waaruit blijkt dat er sprake is van een groeiend draagvlak en samenwerking met andere initiatieven in en rond het onderwijsveld voor Wikiwijs. Zo zijn goede afspraken gemaakt over de aansluiting met de open leermiddelenbank van het IP-VO, dit initiatief zal een leidende rol hebben in het ontsluiten van content voor het vo. Met veel partijen is al contact over het toegankelijk maken van door docenten en scholen ontwikkeld materiaal. Ik ben erg blij met deze grote bereidheid tot het delen van veel mooi materiaal.

Ten aanzien van verspreiding onderzoeksresultaten

– Het is een goede zaak dat er steeds meer onderzoek gedaan wordt naar de onderwijspraktijk. Op die manier kunnen scholen van elkaars goede ervaringen leren.

– Er zijn veel initiatieven in het veld om onderzoeksresultaten en kennis over wat wel en niet werkt in de praktijk te verspreiden. Via conferenties, websites, maar ook moderner: via communities. Uiteraard spelen professionele organisaties zoals de landelijke pedagogische centra hierin ook een rol. Ook TIER, het topinstitute for evidence based education research, werkt aan een «evidence based website» waar (inter)nationaal onderzoek verzameld en geclassificeerd wordt.

– Om te bepalen of het wenselijk is dat OCW een rol speelt in het integreren van al deze informatiebronnen,zijn wij deze initiatieven aan het inventariseren,.

– Het is een interessante suggestie om te bezien of dit aan Wikiwijs verbonden kan worden. Leraar24, een site waarop docenten hun ervaringen met lesgeven kunnen delen, zal ook aan Wikiwijs gekoppeld worden.

Vraag van het lid Biskop (CDA): Er blijkt gemakkelijk bij studentengegevens te komen via internet. Er zitten lekken in het systeem. Welke maatregelen gaat de minister treffen om dit op te lossen en er voor te zorgen dat de systemen worden ge-updatet?

Antwoord:

De beveiligingslekken die door Aob zijn opgespoord zijn door de instellingen gedicht. De beveiliging van de informatiesystemen is de verantwoordelijkheid van de instellingen voor hoger onderwijs. De reguliere voorschriften omtrent (de borging van) privacy-gegevens gelden onverkort voor deze instellingen. In die zin zijn de instellingen voor hoger onderwijs niet anders dan andere organisaties die werken met privacy-gevoelige informatie. Ik acht een goede naleving van de Wet bescherming persoonsgegevens dus de verantwoordelijkheid van de instellingen voor hoger onderwijs. Ik heb daarin geen bijzondere rol of bevoegdheid.

Bij een goede naleving past ook de verantwoordelijkheid van de instelling voor het treffen van passende, technische en andersoortige, voorzieningen om de privacy van de betrokkenen te beschermen. De instellingen pakken dat ook op.

Medewerkers zijn actief in het beveiligen van informatie die vanuit de instelling wordt verspreid. Verder wisselen de instellingen, in het kader van Stichting Surf, kennis en ervaringen over informatiebeveiliging uit. Overigens staan er soms ook gegevens op het internet die door de studenten zelf openbaar worden gemaakt. Deze vallen uiteraard niet onder de verantwoordelijkheid van de instelling.

Vraag van het lid Biskop (CDA): Waar een JJI kind automatisch een vso-indicatie krijgt kan die indicatie bij het verlaten van de JJI belemmerend werken. Graag een inventarisatie van de knelpunten en een plan van aanpak erbij om deze aan te pakken. In België is een schoolsoort die vso en praktijkonderwijs samenvoegt, dit is erg succesvol. Is dit ook iets voor Nederland?

Antwoord:

Al een aantal jaren bestaat de taakgroep JJI’s onder verantwoordelijkheid van de WEC-raad (WEC-Wet op de ExpertiseCentra). Deze taakgroep pakt knelpunten en mogelijke oplossingen voor het onderwijs in de JJI’s aan en werkt mogelijke oplossingen uit. Het Ministerie heeft regelmatig overleg met deze taakgroep over de verdere kwaliteitsverbetering van het onderwijs in de JJI’s. In overleg met de werkgroep zal een actueel overzicht van knelpunten en mogelijke oplossingen worden opgesteld en aan de Kamer worden toegestuurd. De ervaringen uit België zullen hierin meegenomen worden.

Vraag van het lid Biskop (CDA): Speciale aandacht vraagt de CDA-fractie voor het ondernemerschap. Heeft de minister voldoende zicht op de manier waarop dat in de verschillende onderwijstypen aan bod komt? Kan de minister aangeven hoe succesvol het beleid vanuit OCW en EZ tot nog toe is. Leidt dit tot meer ondernemerschap in het onderwijs? Wordt onze Nederlandse jeugd voldoende uitgedaagd en voorbereid op ondernemerschap in een ondernemende samenleving? Dat zou wel gunstig zijn, in het bijzonder in een tijd van crisis. En komen ook de ethische kanten van het ondernemernschap voldoende aan bod op school?

Antwoord:

Ja, ik heb een goed overzicht van wat er op dit moment binnen de verschillende sectoren aan ondernemerschap wordt gedaan.

Ik heb onlangs EIM een evaluatie laten uitvoeren onder de toegekende projecten in het kader van de regeling «Offensief voor ondernemerschap in het onderwijs 2007«en de effectiviteit daarvan. Conclusie is dat de regeling van 2007 werkt en er bij de betrokken onderwijsinstellingen meer aandacht wordt besteed aan ondernemerschapsonderwijs. Verder is er meer toestroom van studenten die ondernemerschapsonderwijs volgen en leidt de aanpak tot verbetering in ondernemend(e) houding en gedrag en uiteindelijk tot nieuwe bedrijvigheid.

Ten slotte merkt EIM op dat deze nieuwe vormen van ondernemerschapsonderwijs aanslaan bij de huidige generatie leerlingen en studenten. Duurzaamheid en ook de ethische kant van ondernemerschap krijgen aandacht in deze nieuwe vorm van ondernemerschapsonderwijs.

Om aan ondernemerschap een extra impuls te geven heb ik eind april 2009 de regeling «onderwijs netwerken ondernemen» uitgezet.

Vraag van het lid Biskop (CDA): Komt er een internaat voor vrede en veiligheid (van Defensie)? En hoe kan OCW hieraan bijdragen?

Antwoord:

We nemen aan dat de vraag doelt op de uitwerking van het internaat voor Veiligheid en Vakmanschap. De verantwoordelijkheid hiervoor berust bij de minister voor Jeugd en Gezin. Het is één van de maatregelen uit het Actieplan jeugdwerkloosheid en ook de financiering vindt vanuit dit kader plaats.

Vraag van het lid Biskop (CDA): Waarom is het fundamentele onderzoek niet bij de heroverwegingen in het hoger onderwijs betrokken? De universiteiten zijn immers onderwijs- en onderzoeksinstellingen: de een kan niet zonder de ander.

Antwoord:

De gehele gang van zaken met betrekking tot de heroverwegingen, de instelling van 19 werkgroepen en de taakopdrachten aan de werkgroepen is door de Minister-President en de minister van Financiën met uw Kamer besproken, en in een brief (van 4 oktober jongstleden) nader toegelicht. Ik zou willen volstaan met de verwijzing naar de motivatie die toen met de Kamer is besproken en door de Kamer akkoord is bevonden, en naar mijn nadere toelichting tijdens het Algemeen Overleg van 29 oktober jongstleden. Het toegepaste wetenschappelijk onderzoek is onderdeel van een aparte heroverweging, en een deel daarvan bevindt zich ook op het terrein van de OCW-begroting (zoals de GTI’s en TNO).

Vraag van het lid Anker (CU): Als ik het lijstje met subsidies uit de schriftelijke beantwoording zie, dan vermoed ik dat achter elk project een wereld van goede bedoelingen schuil gaat, maar wat komt er van die bedoelingen terecht. Wat betekenen al die projecten voor de administratieve lastendruk?

Antwoord:

Bij elke nieuwe subsidieregeling hoort een administratieve lastentoets. De administratieve lasten voor de instellingen zijn de afgelopen periode al aanzienlijk gereduceerd. Eind dit jaar ontvangt u hierover een voortgangsrapportage. Zie verder de mondelinge reactie op de vraag van dhr. Jan Jacob van Dijk over dit onderwerp.

Vraag van het lid Pechtold (D66): Concreet plan van de minister om de top 5 te bereiken (motie Hamer) wat is de ambitie van het kabinet. Hoe verhoudt zich dat tot de heroverweging en berekening innovatieplatform?

Antwoord:

– Met de begroting heb ik samen met de collega van Economische Zaken de brief «Naar een robuuste kenniseconomie» naar uw kamer verstuurd

– In die brief formuleerde het Kabinet de door D66 aangehaalde top 5-ambitie

– In dezelfde brief geef ik rode draden voor beleid aan, zoals ik denk dat die de komende periode gevoerd moeten worden.

– Voorbeelden van die beleidsrichtingen zijn het blijven verbeteren van de prestaties op rekenen en taal, het koesteren van vakmanschap en groei van studenten en excellentie in met name het Hoger Onderwijs. Nieuwe inspanningen zouden zich, in lijn hiermee, kunnen richten op extra onderwijstijd in het primair onderwijs, de beloning van docenten en de intensiteit van het beroeps- en hoger onderwijs.

Vraag van het lid Pechtold (D66): Gaat de functiemix leiden tot meer kwaliteit van leraren. hoe wordt dit beoordeeld. Komen die kwalitatief goede leraren ook in de achterstands wijken terecht?

Antwoord:

Dit aspect is in eerdere debatten met uw Kamer al uitvoerig aan bod gekomen. Kort en goed: aan de promotie naar hogere schalen worden een aantal eisen gesteld. Zo moet het gaan om leraren die overwegend voor de klas staan en worden dus managementtaken niet extra beloond. Ook hebben sociale partners zoals afgesproken een aantal een aantal criteria opgesteld waarin bijvoorbeeld (aanvullende) opleiding van docenten een belangrijke rol speelt. In de Randstadregio wordt extra geïnvesteerd in functiemix, daarin lopen scholen met veel leerlingen in de achterstandswijken mee. Halfjaarlijks wordt over de voortgang van de functiemix aan uw Kamer gerapporteerd. Daarnaast wordt elk jaar de ontwikkeling van het opleidingspeil van docenten gemeld.

Vraag van het lid Pechtold (D66): Hoeveel zwakke scholen zijn er in 2010 over. Kan het kabinet een resultaatverplichting formuleren?

Antwoord:

Wij hebben meermalen duidelijk aangegeven wat de kabinetsdoelstelling is voor het verminderen van het aantal zeer zwakke scholen. Voor het primair onderwijs is het doel om het aantal zeer zwakke scholen in 2011 ten opzichte van 2009 met de helft te verminderen. Voor het voortgezet onderwijs is de doelstelling om het percentage zeer zwakke scholen terug te brengen van 28 vestigingen in 2008 naar 17 vestigingen in 2012.

Vraag van het lid Pechtold (D66): Wat vindt de minister van een verplicht lerarenregister? Antwoord: De vraag om een publiekrechtelijk lerarenregister is niet nieuw. In het actieplan LeerKracht zijn we hier ook op ingegaan. Er zitten veel haken en ogen aan invoering van zo’n register. Een breed draagvlak, vooral ook bij leraren zelf, is onontbeerlijk. Dat draagvlak hopen we nu te verwerven door voorlopig uit te gaan van registratie op privaatrechtelijke basis, gericht op behoud en ontwikkeling van kwaliteit voor leraren die dat willen. Onder coördinatie van de Stichting beroepskwaliteit leraren en ander personeel wordt daar nu hard aan gewerkt. In het primair onderwijs zal nog dit jaar worden gestart met proefregistraties. Voor het VO en MBO zal dat in 2010 gebeuren. Laten we de resultaten daarvan afwachten voor we kunnen bezien of een volgende stap haalbaar en verstandig is.

Vraag van het lid Pechtold (D66): Worden de problemen rond het luchtklimaat ook uit de middelen voor de crisis echt gebruikt?

Antwoord:

Op dit moment zijn gemeenten en scholen hard bezig om aanvragen voor de regelingen binnenmilieu op te stellen. Ze moeten deze aanvragen uiterlijk 1 januari indienen. Er zijn enkele aanvragen binnen gekomen.

D66

Pechtold, A. Vraag: Wat gaat de minister doen om de accreditatietrajecten te verkorten? De Hogeschool Wageningen wacht al 1 1/2 jaar op het accreditatiebesluit.

Antwoord:

De heer Pechtold heeft over dit onderwerp ook schriftelijke vragen gesteld. Ik zal hier binnenkort op reageren. Vooruitlopend daarop kan ik alvast het volgende mededelen:

Bij de Hogeschool Wageningen gaat het niet om een reguliere accreditatieprocedure maar ook om het verwerven van een aanwijzing als hogeschool. Een instelling moet zijn «aangewezen» om geaccrediteerd onderwijs te kunnen verzorgen, waaraan erkende graden verbonden zijn. De Hogeschool Wageningen is geen aangewezen instelling, en moet die procedure doorlopen. Deze procedure is ter borging van de kwaliteit van het onderwijs en de graden. Overigens komt een instelling die start met het verzorgen van onderwijs pas in aanmerking voor aanwijzing als zij in een reeks van jaren onderwijs heeft verzorgd. Dit kan dus voor vertraging zorgen maar is bedoeld ter borging van de kwaliteit van het hoger onderwijs.

Vraag van het lid Van der Ham (D66): Is de minister bereid de «roze olifanten en «gsa» te continuëren. Waarom ligt het nu stil.?En is hij bereid om seksuele diversiteit te expliciteren in de kerndoelen?

Antwoord:

In het AO van 1 juli 2009 (kamerstuk 30 420, nr.140) heeft de minister een brief toegezegd.

Aanleiding hiervoor waren twee onderzoeken over seksualisering en het onderzoek «Weerbaar en Divers» van de Inspectie voor het Onderwijs.

Ten behoeve van deze toezegging hebben wij een veldraadpleginggehouden, met als kernvragen welke verantwoordelijkheid scholen hebben ten aanzien van de seksuele weerbaarheid van jongeren en in hoeverre het nodig en wenselijk is de kerndoelen op dit vlak aan te passen.

Over deze veldraadpleging hebben wij uw Kamer vandaag een brief gestuurd. De voornaamste conclusies van de veldraadplegingen zijn:

– Aanpassing van de kerndoelen isniet noodzakelijk omdat de kerndoelen al de kaders definiëren waarbinnen scholen aandacht besteden aan seksualiteit.

– Aanpassing van de kerndoelen is verder niet het geëigende instrument om de seksuele weerbaarheid en respect voor seksuele diversiteit bij leerlingen te verhogen. Het veld vroeg ook geen algemene maatregel voor scholen te nemen; met de meeste jongeren gaat het goed en scholen moeten hun eigen afweging kunnen maken gelet op de context en lokale situatie.

– De nadruk ligt hier op een sociaal veilig klimaat; het bespreekbaar maken van homoseksualiteit en seksuele dwang zijn daar onderdeel van. Deze relatie tussen goed onderwijs en een veilig schoolklimaat wordt door het veld sterk benadrukt en daarom zijn er veel initiatieven op het gebied van veiligheidsbeleid.

– Daarnaast gebeurt er in de preventieve sfeer al veel op het gebied van voorlichting.

Het meest van belang is, zo bleek uit de veldraadpleging, dat ergoede informatie beschikbaar is over dit onderwerp. Daarnaast is er behoefte aan effectieve «bottom-up» interventies.

Wij zullen samen met de koepelorganisaties, de PO-raad en VO-raad, er voor zorgen dat besturen van scholen zich committeren aan de urgentie van deze problematiek. Dit door:

– Bewustwording en cultuurverandering bij de schoolleiding;

– Deskundigheidsbevordering van docenten.

Naast de hierboven beschreven acties zal de Minister van OCW vanuit zijn verantwoordelijkheid voor Emancipatie het grote aantal beschikbare lesmethoden onder de aandacht brengen en scholen wijzen op het belang van beschikbaarheid van goede informatie en trainingsmogelijkheden.

Vraag van het lid Van der Ham (D66): Budget voor onderzoek scholen zit binnen de budgetten van de universiteiten, kan de minister aangeven of de onderzoeksscholen dat geld echt ontvangen? Is het niet veel beter dit geld te oormerken?

Antwoord:

Over de opleiding tot onderzoeker heb ik recent nog met uw Kamer gesproken bij het algemeen overleg Onderzoeksinfrastructuren. Daarbij heb ik aangegeven dat het aan de universiteiten is om ervoor te kiezen de opleiding tot onderzoeker onder te brengen in een landelijk functionerende onderzoekschool dan wel in een lokale graduate school. Van een geoormerkt budget voor onderzoekersopleidingen, zoals door het lid Van der Ham kennelijk wordt verondersteld, is geen sprake. De middelen voor de onderzoekersopleiding maken deel uit van de lumpsum van de universiteiten. Verder verwijs ik graag naar het verslag van het verzamel AO hoger onderwijs, van 29 oktober jongstleden.

Vraag van het lid Pechtold (D66): Heeft iedere school nu een conciërge? Hoeveel conciërges zijn er van de geïnvesteerde € 30 miljoen bijgekomen?

Antwoord:

Aan het eind van deze Kabinetsperiode zullen voor de genoemde € 30 miljoen ongeveer 2 500 conciërges in het primair onderwijs zijn aangenomen.

Vraag van het lid Van der Ham (D66): Waarom heeft de minister niet bedongen dat in de crisis- en herstelwet wordt geïnvesteerd in kennis en innovatie?

Antwoord:

De crisis- en herstelwet betreft versnellingen in procedures en niet beschikbaar stellen van middelen. Deze crisis- en herstelwet heeft dan ook geen betrekking op onderwijs. Het kabinet heeft het afgelopen voorjaar in het aanvullend beleidsakkoord een integraal pakket gepresenteerd om in 2009 en 2010 tijdelijk investeringen te doen in de kennis en innovatie. Aan de begroting van OCW zijn in 2009 en 2010 de volgende middelen toegevoegd:

Versterking MBO, zij-instromers, werkscholen en wijkscholen (250 mln)

Kennis, versterken kennisinfrastructuur, tijdelijke inzet kenniswerkers (140 mln)

Bouw en onderhoud scholen (155 mln)

Arbeidsmarkt: jeugdwerkloosheid (36 mln).

Verder verwijs ik u graag naar het plenaire debat over de crisis- en herstelwet dat morgenmiddag, 12 november, gepland staat.

Vraag van het lid Pechtold (D66): Het aantal uren voor maatschappelijke stages gaat omlaag. Heeft staatssecretaris Van Bijsterveldt onderzocht wat kinderen hebben geleerd tijdens deze stages? Wat was de opbrengst?

Antwoord:

Op 5 november hadden wij een Algemeen Overleg over de maatschappelijke stage.

Daarin kwam reeds aan bod dat de maatschappelijke stage aantoonbaar positieve effecten sorteert.

Zo blijken uit onderzoek onder docenten van de Universiteit van Utrecht over schooljaar 2008/9 de volgende effecten op leerlingen:

– persoonlijke ontwikkeling (95,3% van de docenten geeft dit aan)

– ontwikkeling van sociale vaardigheden (volgens 94,3% van de docenten)

– leerlingen krijgen meer respect voor anderen (volgens 81,4%)

– zij waarderen vrijwilligerswerk meer (75,7%), wat erop duidt dat de maatschappelijk stagiar van vandaag de vrijwilliger van morgen is.

Ik heb toegezegd uw Kamer komend voorjaar een evaluatie te zullen toezenden. Ik zal de effecten en de onderzoeksresultaten daarover in die evaluatie meenemen.

Vraag van het lid Van der Ham (D66): Wat doet de minister met de aanbevelingen van het KNAW in het kader van extra geld voor onderwijs en onderzoek vanuit de FES-gelden?

Antwoord:

De brief van de KNAW (samen met andere instellingen o.a. NWO, VSNU, TNO, NFU, AcTI) aan de fractievoorzitters waarnaar het lid Van der Ham verwijst, haakt in op het in de Kamer voorliggende voorstel voor wijziging van de wet FES. Centraal hierin staat de invoering van een vaste voedingssystematiek. Behandeling van de FES-wet valt onder de verantwoordelijkheid van de ministers van Economische Zaken en van Financiën. Het is daarom verstandig dat de vragen van de KNAW en andere instanties (ook een soortgelijke brief is door de AWT aan de TK gestuurd) over de financieringssystematiek in dat kader worden bezien. In de brieven van KNAW en AWT worden ook voorstellen gedaan die betrekking hebben op veranderingen van procedures bij de inzet van middelen voor kennis en innovatie. Hiervoor verwijs ik naar een externe evaluatie die binnenkort in opdracht van de Fes beheerders zal worden uitgevoerd. Hierover is de TK geinformeerd in de OESO brief die 15 september aan de kamer is gestuurd («naar een robuuste kenniseconomie»((TK 27 406, nr 153). De gezichtspunten die in de brieven van KNAW en AWT zijn verwoord zullen worden betrokken bij de evaluatie die volgend voorjaar gereed zal komen.

Vraag van het lid Pechtold (D66): Hoe zorgt de minister er voor dat universiteiten extra geld krijgen voor de grote toestroom studenten?

Antwoord:

De cijfers die nu gebruikt worden door de VSNU zijn nog maar een voorlopige raming. Begin januari is bekend hoeveel de studentenaantallen werkelijk zijn toegenomen.

Bij Voorjaarsnota 2010 wordt dan conform de gebruikelijke systematiek door het kabinet besloten of universiteiten meer geld in 2010 krijgen als er meer studenten zijn. Verder ontvangen de instellingen al dit jaar (2009) inkomsten uit collegegelden.

Vraag van het lid Pechtold (D66): Hoe gaat staatssecretaris Van Bijsterveldt het financieel beheer van de instellingen op orde brengen? Heeft de inspectie voldoende middelen om de instellingen te controleren?

Antwoord:

Ik volg het financieel beheer van de bve-instellingen nauwlettend. De Inspectie van het Onderwijs levert mij instellingsportretten en analyseert momenteel alle jaarrekeningen over 2008. Het toezicht is risicogericht: instellingen die wat betreft het financieel beheer in de gevarenzone dreigen te raken krijgen vaker bezoek van de inspectie.

Vraag van het lid Pechtold (D66): Welke regelgeving staat in de weg bij het stimuleren van de brede school? Hoeveel zijn er in 2010? Acht staatssecretaris Dijksma het haalbaar 1500 brede scholen te realiseren? In Rotterdam wordt erop bezuinigd. Wat vindt u daarvan?

Antwoord:

Het aantal brede scholen neemt nog steeds toe. Inmiddels staan er brede scholen in ongeveer negen van de tien gemeenten (88%). Het aantal brede scholen stijgt nog altijd: in 2009 zijn er 1200 brede scholen in het primair onderwijs en rond de 410 in het voortgezet onderwijs. Hiermee is voor het primair onderwijs de oorspronkelijke ambitie om met gemeenten te komen tot 1200 brede scholen in 2011 nu al gehaald en is die ambitie zelfs verhoogd naar 1500. Het landelijk steunpunt brede scholen heeft een belangrijke ondersteunende functie bij het realiseren van deze doelstelling.

Het steunpunt helpt ook bij het wegnemen van belemmeringen die ervaren worden in bijvoorbeeld de regelgeving.

Gemeenten hebben een eigen verantwoordelijkheid in de ondersteuning van brede scholen. Dat geldt ook voor de besluitvorming van de gemeente Rotterdam ten aanzien van deze ondersteuning.

Vraag van het lid Van der Ham (D66): Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat studentenorganisaties worden betrokken bij de uitwerking van het toekomstige studiefinanciëringsstelsel?

Antwoord:

De werkgroep heroverwegingen hoger onderwijs bepaalt zijn eigen werkwijze en de keuze van varianten. Het is mij bekend dat de werkgroep zich extern zal oriënteren. Het ligt dan voor de hand dat ook de studentenorganisaties zullen worden geraadpleegd.

Vraag van het lid Pechtold (D66): De economische crisis geeft kansen om het gat in beloningen tussen onderwijs en bedrijfsleven te verkleinen. Kan de miniser aangeven wat uw visie op de lerarensalarissen op de lange termijn is? Komt er een 0-lijn en wat is de consequentie van de 0-lijn voor kwaliteit van het onderwijs?

Antwoord:

Op de langere termijn moet de contractloonontwikkeling in het onderwijs en de markt gelijk opgaan. Zoals u weet streeft het Kabinet voor 2010 een nullijn voor zowel markt als overheid na. Daarnaast onvangt het onderwijs middelen in het kader van het convenant Leerkracht van Nederland. Dit leidt tot een aanmerkelijke verbetering van de relatieve beloningspositie van leraren en komt ten gunste van de wervingspositie van de sector en de kwaliteit van het onderwijs.

Vraag van het lid Pechtold (D66): Kan de Inspectie aangeven hoeveel van de onbevoegde leraren er in achterstandswijken staan? Dit staat niet op de website onbevoegd.nl. Hoe gaan de minister en staatssecretaris Dijksma juist die scholen versterken?

Antwoord:

Op dit moment zijn geen gegevens beschikbaar over (on)bevoegdheid op scholen in achterstandswijken. Deze gegevens zijn niet integraal bij Inspectie beschikbaar. Ik kan u toezeggen dat een analyse voor het Algemeen Overleg Leraren (dd.19 november) aan uw Kamer ter beschikking zal worden gesteld.Voor wat betreft de vraag of deze scholen versterking behoeven kan ik niet vooruitlopen op de uitkomst van deze analyse.

Vraag van het lid (D66): Innovatie ontstaat door samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven. Wat vindt de minister in dat verband van het artikel in FD van 30 oktober jl. «Universiteit blijf bij je leest»?

Antwoord:

Het hoger onderwijs speelt een belangrijke rol waar het gaat om innovatie. In het genoemde artikel wordt ingegaan op een aantal aspecten van deze rol, zoals het belang van R&D, het opleiden tot ondernemerschap, en het belang van voldoende bèta’s en technici. Samenwerking tussen kennisinstellingen, waaronder universiteiten en bedrijven is hierbij van groot belang. Binnen onze open Nederlandse cultuur speelt met name open innovatie een rol van betekenis.

Vraag van het lid Van der Ham (D66): Graag de reactie van de minister op: Het aantal promovendi ligt in Nederland onder het OESO-gemiddelde. Je zou promovendi kunnen laten aanmelden bij universiteiten als student in plaats lvan laten solliciteren als werknemer. Het aantal promovendi zou dan met 30% kunnen stijgen?

Antwoord:

Over de rechtspositie van promovendi heb ik bij verschillende gelegenheden met de Kamer gesproken. Het meest recent was het verzamel AO over het hoger onderwijs van 29 oktober jongstleden. De lijn die ik daarbij altijd heb gekozen is dat voor gelijke activiteiten een zelfde regime dient te gelden. Promovendi dienen dus in principe te worden betaald als a.i.o.. Recent is hierover door de rechter in Groningen een uitspraak gedaan, die de door mij gekozen lijn ondersteunt. Het voorstel van D66 om meer bursalen na te streven verbaast mij in deze context, aangezien van de zijde van de Kamer telkenmale in debatten is aangedrongen op de a.i.o.-status voor promovendi.

Vraag van het lid Van der Ham (D66): Kunnen hogere kosten voor buitenlandse masterstudies (die niet in Nederland worden geboden) meegenomen worden in de studiefinanciering?

Antwoord:

Dit is besproken bij het Algemeen Overleg over het hoger onderwijs op 29 oktober jongstleden. Voor wie dit precies wil weten, verwijs ik naar verslag. Bij de invoering van meeneembare studiefinanciering is budgettaire neutraliteit het uitgangspunt geweest. Dit betekent dat studenten die in het buitenland een masterstudie gaan doen in principe dezelfde studiefinancieringsrechten meekrijgen die ze in Nederland hebben. Als het collegegeld hoger is dan in Nederland kan een beroep worden gedaan op het collegegeldkrediet, tot maximaal 5 maal het wettelijk collegegeld (8100 euro). Dit biedt mijns inziens voldoende flexibiliteit. Overigens zal de Kamer voor het einde van het jaar een notitie ontvangen waarin is geïnventariseerd welke belemmeringen studenten ervaren bij het volgen van een studie in het buitenland.

Vraag van het lid Dibi (GL): Er zijn beloftes gedaan rond: 1 professioneel statuut 2 topinkomens aan banden 3 werkdruk verlaging van de leraren Kan de minister in het laatste jaar deze beloftes nog nakomen en zoja hoe?

Antwoord:

Wat betreft het professioneel statuut kan ik melden dat een wetsvoorstel dat handelt over de vergroting van de professionele ruimte op dit moment bij de Raad van State in behandeling is. Ik hoop dat voorstel spoedig bij uw Kamer te kunnen indienen. Als het gaat om de topinkomens weet u dat het Kabinet in 2010 met een Wet normering topinkomens zal komen. Tot die tijd maken de staatssecretarissen en ik maximaal gebruik van onze bevoegdheden om nieuwe topinkomens te voorkomen. Ik noem het voorbeeld van het hoger onderwijs, waar ik al vanaf mijn aantreden bestuurders in het hoger onderwijs aan de Balkenende-norm gehouden. Dit heeft geleid tot uitstekende bestuurders, zoals bij de Universiteit van Delft en de Universiteit van Groningen.

Vraag van het lid Dibi (GL): Wordt er € 400 miljoen bezuinigd op lerarensalarissen? En wanneer zou die bezuiniging worden ingezet?

Antwoord:

De besparing uit het aanvullend beleidsakkoord is afhankelijk van de loonontwikkeling in de marktsector in 2010. Daarover is op dit moment nog onvoldoende zekerheid. Overigens blijven de investeringen uit het Actieplan/Convenant LeerKracht van Nederland onverkort overeind.

Vraag van het lid Dibi (GL): Komen er maxima aan de reserves die scholen kunnen aanhouden. Dit naar aanleiding van het rapport van de Commissie Don. Antwoord:

– Er komen geen maxima of normen aan de reserves die scholen kunnen aanhouden. Er zijn wel signaleringsgrenzen die gebruikt worden om instellingen die (ver) hier boven uit komen, beter te bekijken.

– De commissie Don heeft uitgebreid onderzoek gedaan, waaruit blijkt dat maatwerk noodzakelijk is. Een school kan namelijk een goede reden hebben om een hoge signaleringswaarde te hebben. Een voorbeeld is een school die geld heeft gespaard voor een grote investering. Daarom werkt een eenduidige harde norm niet.

– Daarnaast kan het maximeren van overtollig budget gedrag veroorzaken waarbij ondoelmatige uitgaven worden gedaan om toch maar onder het maximum te blijven.

– Goed toezicht op lokaal niveau en financiële deskundigheid is daarom zo belangrijk. Verder zet ik de Inspectie van het Onderwijs in om de reserves te onderzoeken en in kaart te brengen, zodat de scholen weten welke middelen zij kunnen inzetten voor het onderwijs.

Vraag van het lid Bosma (PVV): Het invoeren van het competentiegericht onderwijs is geen goed idee. Is de staatssecretaris bereid dit besluit terug te draaien (en de rem er op te zetten)?

Antwoord:

Neen. Op 4 november jl. hebben wij tijdens een Algemeen Overleg gesproken over de doorontwikkeling van de kwalificatiestructuur en de invoeringsdatum van CGO. Het invoeren van CGO is wel degelijk een goed idee. CGO zal de aansluiting tussen arbeidsmarkt en onderwijs verbeteren en kan bij direct betrokkenen op draagvlak rekenen. Een goede implementatie is een randvoorwaarde. Mede daarom hecht ik zoveel belang aan aandacht voor de bedrijfsvoering. Voor alle opleidingen zijn inmiddels competentiegerichte kwalificatiedossiers opgesteld, die ook alle al één of meer verbeterslagen hebben ondergaan. Van die dossiers is 90 % inmiddels van voldoende kwaliteit. Dit studiejaar ligt de nadruk op het verbeteren van de overige dossiers. Op dit moment is een wijzigingsvoorstel op de WEB in voorbereiding waarmee een basis wordt gelegd voor de competentiegerichte kwalificatiestructuur.

Vraag van het lid Bosma (PVV): Deelt de staatssecretaris de mening van de PVV dat er hard moet worden ingegrepen op vakinhoud op de pabo’s?

Antwoord:

De opleidingen zijn druk bezig met betere borging van de kwaliteit van het curriculum. Dat doen ze onder meer door samen de vakinhoudelijke kennisbases en daarop aansluitende toetsing te ontwikkelen. En zij zullen een landelijke commissie voor de examens instellen. Voor de Pabo is nu eerst de kennisbasis voor taal en rekenen gereed gemaakt, volgend jaar zal de kennisbasis voor de andere vakken op de Pabo gereed zijn. In dat verband komt ook de vraag op of de student in vier jaar opleiding voldoende in de gelegenheid is zich al het kennen (het vakmanschap) en het kunnen (het meesterschap) eigen te maken.

Ook de NVAO noemt in haar systeembrede analyse de overladenheid van de opleidingen voor leraren basisonderwijs. De Pabo’s moeten een dermate breed programma bieden en aan zoveel eisen voldoen dat het welhaast moet leiden tot een opleidingsprogramma dat te kwalificeren is als «veel, maar niet diep».

Tenslotte: ik heb sociale partners gevraagd mij te adviseren of een meer flexibel kwalificatie- en opleidingsstelsel wenselijk en mogelijk is. Wat mij betreft zijn alle opties op dat punt open, zoals ik in het algemeen overleg van 28 oktober jl. in de Tweede Kamer heb aangegeven.

Ik ga het pabo curriculum dan ook kritisch bekijken. Ik zal het komend half jaar met grote zorgvuldigheid intensief de discussie aangaan met alle relevante groepen in het onderwijsveld. Nadrukkelijk hou ik daarbij de mogelijkheid op om toe te werken naar twee kwalificaties, namelijk één voor het jongere en één voor het oudere kind. Half juni ontvangt de Tweede Kamer mijn conclusies. Dat heb ik toegezegd aan de vaste commissie.

Vraag van het lid Kranenveldt-van der Veen (PvdA): Hoe kan volgens staatssecretaris Dijksma een algemeen toegankelijke kinderopvang vorm krijgen? Wat is daarvoor nodig?

Antwoord:

Een algemeen toegankelijke kinderopvang – dus ook voor kinderen van ouders die niet beiden arbeid en zorg combineren – is theoretisch wellicht een interessante gedachte, maar in de huidig budgettaire situatie niet reëel op de korte termijn. Wat we wel doen is de harmonisatie van kinderopvang en peuterspeelzaalwerk, de totstandkoming van brede scholen en het faciliteren van dagarrangementen door scholen en kinderopvang.

PvdA

Kraneveldt-van der Veen, M. Vraag: Gastouders moeten aan kwaliteitseisen gaan voldoen. We hebben hierover twee weken geleden uitgebreid met elkaar gesproken. Kan naar aanleiding van signalen uit het veld staatssecretaris Dijksma nu heel snel helder maken welke erkende organisaties en instellingen nu opleidingen en evc-trajecten mogen gaan aanbieden, zodat de cowboys echt geen kans maken om onder de regels uit te komen?

Antwoord:

Ik neem die signalen serieus. Daarom is er op dit moment druk overleg gaande met alle betrokken partijen, zowel met de aanbieders van de diploma- en EVC-route, als middels bestuurlijk overleg met het kinderopvangveld. Zo spoedig mogelijk zal ik de Tweede Kamer hierover nader informeren.

Vraag van het lid Kranenveldt-van der Veen (PvdA): De PvdA heeft in de wet een koppeling tussen gewerkte uren of dagdelen en het maximaal aan te vragen uren kinderopvangtoeslag mogelijk gemaakt. Nu moeten Stas Dijksma en stas De Jager dit nog gaan regelen. Nu hebben we in een brief van hen beiden kunnen lezen dat er een praktijktest gaat plaatsvinden met een koppeling tussen UWV en Belastingdienst, zodat fraudegevallen meteen boven komen drijven. Dat is mooi, maar: de uitkomsten daarvan komen pas in het najaar van 2010. Kan dat onderzoek niet voor de zomer?

Antwoord:

In het AO van 29 oktober jl. heeft staatssecretaris Dijksma aangegeven ook een urenkoppeling te willen, maar dat het ook de verantwoordelijkheid is van staatssecretaris De Jager. De Belastingdienst moet immers een koppeling daadwerkelijk kunnen uitvoeren. Daarom is in de brief – mede namens staatssecretaris De Jager – een ex-ante uitvoeringstoets aangekondigd die door de Belastingdienst zal worden uitgevoerd. Deze uitvoeringstoets naar de juridische betrouwbaarheid, hoe om te gaan met zelfstandigen en de kosten en baten van de koppeling dient zorgvuldig en gedegen plaats te vinden. Dat betekent dat het onderzoek de nodige tijd zal vergen.

Afhankelijk van de uitkomsten van de uitvoeringstoets van de Belastingdienst wordt besloten of en op welke wijze invulling zal worden gegeven aan de motie Linthorst c.s. betreft de koppeling uren (Kamerstukken I, Vergaderjaar 2008–2009, 31 874, letter H). Uiterlijk in het najaar 2010 wordt u hierover nader geïnformeerd. Mocht het onderzoek eerder beschikbaar zijn, dan zal ik u daarover informeren.

Vraag van het lid Besselink (PvdA): De PvdA wil bij de World Skills Competitie minimaal twee gouden medailles halen.Wat is de reactie van de minister hierop?

Antwoord:

Minimaal 2 gouden medailles bij de World Skills is een mooie ambitie! Ik zie met plezier hoe goed het Nederlands team doorgaans presteert. Maar het verschil tussen goud en een goede klassering naast het podium is soms erg klein en ook van toeval en geluk afhankelijk. Dat bleek dit jaar in Calgary ook weer. Het is dan ook niet alleen de absolute top die mij aanspreekt. Ik vind het bovenal heel belangrijk dat het mbo over de volle breedte goed presteert. Dat is de ambitie die ik het meest tot de mijne reken.

Vraag van het lid Besselink (PvdA): Het aantal functioneel analfabeten moet omlaag. De PvdA wil deze jaarlijks met 10% verminderen.Graag reactie.

Antwoord:

Het aanvalsplan laaggeletterdheid loopt nog tot en met 2010. Met alle betrokken partijen ben ik gestart met een inventarisatie van de vervolgstappen die nodig zijn na 2010. Ik zal u daarover medio 2010 nader informeren.

Vraag van het lid Besselink (PvdA): In het kader van gelijke kansen:

– Postcodes moeten veel minder bepalen of inderen doordringen tot havo en vwo.

– Meer kinderen van laagopgeleide ouders moeten doorstromen naar havo en vwo.

– Laatbloeiers moeten meer kansen krijgen om door te stromen. De PvdA wil dat bij de wijkaanpak de doorstroom naar havo en vwo net zo groot moet worden als het gemiddelde in de betreffende gemeente. Graag reactie.

Antwoord:

Ik wil zeker niet dat postcodes in het VO minder dan nu de inzet van leerplusmiddelen bepalen. Uit onderzoek blijkt immers dat de leerplusindicator de meest effectieve indicator is voor de inzet daarvan waar dat het hardst nodig is, hangende de komst van de Walvisbestanden. Alleen dan kan deze indicator nòg beter worden.

Eerder is aan uw Kamer gemeld dat het Leerplusarrangement in 2010 zal worden geëvalueerd. Ik kom dan heel graag hierop terug. Met de PvdA wil ook ik uiteraard dat de doorstroom naar havo en vwo in achterstandswijken even groot wordt als het Nederlandse gemiddelde. Gelukkig komt het Leerplusgeld voor het overgrote deel terecht bij scholen in achterstandswijken. Die scholen kunnen daar dus met dat geld goed naar streven. De centrale doelstelling van het leerplus is dat l+A scholen even goed gaan prestaren als de overige scholen.

Vraag van het lid Besselink (PvdA): Waarom is gekozen om een groot deel voor bèta techniek aan het wo te geven. Kan er niet tien miljoen naar het mbo en hbo?

Antwoord:

Het Deltaplan bèta/techniek loopt af in 2010. Het Kabinet heeft ervoor gekozen om het programma bèta/techniek voor 2011 en verder in afgeslankte vorm voort te zetten. Hierbij was het noodzakelijk nadere keuzes te maken. Daarbij is prioriteit gegeven aan de sectorplannen natuur- en scheikunde. Deze plannen zijn door het veld zelf ontwikkeld. Ze zijn robuust en hebben een breed draagvlak bij het bedrijfsleven. Daarnaast zal prioriteit worden gegeven aan nieuwe impulsen voor po en vo.

Vraag van het lid Besselink (PvdA): Jeugdwerkeloosheid: Deze leerlingen komen door de crisis moeilijk aan de bak. Daarom goed dat in crisispakket extra geld vrijgemaakt wordt om jongeren de kans te geven zich verder te scholen ipv thuis op de bank te zitten. Maar door de crisis dreigt er ook een tekort aan genoeg stageplekken. Ook daarvoor is in het crisispakket extra geld vrijgemaakt. Op korte termijn werpen die inspanningen van scholen en bedrijven en gemeenten hun vruchten af. Maar in de loop van 2010 dreigen er toch tekorten zo lezen wij in uw brief. Met name de positie van kwetsbare jongeren verslechtert. Welke extra inspanningen gaat u leveren zodat ook in 2010 alle jongeren een stageplek kunnen krijgen. Want de PvdA wil kost wat kost voorkomen dat de jeugdwerkeloosheid verder oploopt.

Antwoord: Het voornemen van staatssecretaris Van Bijsterveldt is om, samen met de bewindspersonen van SZW, WWI en J&G, door te gaan op de ingeslagen weg zoals aangegeven in het Actieplan jeugdwerkloosheid. Om te zorgen voor voldoende stageplaatsen wordt het Stageoffensief van de kenniscentra uitgevoerd. Hiervoor was in 2009 een bedrag van € 7 miljoen beschikbaar. In 2010 is dit een bedrag van € 13 miljoen en in 2011 een bedrag van € 3 miljoen. Maatregelen uit het Actieplan worden tussentijds geëvalueerd en indien nodig bijgesteld.

Vraag van het lid Besselink (PvdA): Ook verzoek ik de werkgroep heroverwegingen te kijken naar een immer blijvend gat tussen regelingen. Een student die op een administratief onhandige datum is geboren, bv. 5 augustus, krijgt in zijn eerste maand studie geen studiefinanciering omdat hij of zij dan nog kinderbijslag ontvangt. De regelingen van de kinderbijslag en de studiefinanciering sluiten daarin niet goed op elkaar aan. Kan de minister de werkgroep heroverwegingen vragen om bij de heroverwegingen van de kindregelingen en de studiefinanciering dit probleem gelijk op te lossen?

Antwoord:

Het probleem dat u schetst is mij bekend mede op uw verzoek heb ik onderzocht of het echt niet anders kan. In mijn brief van 29 mei jl. geef ik aan dat ik vier mogelijk varianten heb onderzocht. Ik heb echter moeten concluderen dat ik niet in staat ben om een OV-kaart voor de groep jonger dan 18 jaar te regelen, zonder dat dit extra kosten en uitvoeringslasten leidt.

Ik onderken dat het onderliggende probleem is dat de kwartaalsystematiek van de kinderbijslag (die uitkeert tot 1 oktober) niet aansluit bij de maandsystematiek van de studiefinanciering (die start vanaf 1 september).

Vraag van het lid Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Bij onderwijskundig leiderschap past ook dat we de schoolleider weer een formele rol bij het toezicht geven, als gesprekspartner van de inspectie naast het bevoegd gezag. Hoe denkt de minister hierover. Is hij bereid om dit alsnog te regelen in de wet.

Antwoord:

Het bestuur is verantwoordelijk voor het onderwijs op zijn school of scholen. Er is nu en straks voldoende ruimte de schoolleiding in het toezicht te betrekken. Als de inspectie een schoolbezoek doet, vindt altijd een afsluitend gesprek plaats met bestuur en de schoolleiding. De ervaring wijst uit dat de effectiviteit van het toezicht door de aanwezigheid van zowel bestuur als schoolleiding aanmerkelijk toeneemt. Uiteraard betrekt de inspectie de schoolleiding waar nodig in haar toezicht. Gezien de huidige praktijk lijkt een wetswijzing mij niet nodig.

Vraag van het lid Kraneveldt-van der Veen (PvdA): Parallel aan invoering passend onderwijs willen wij aan staatssecretaris Dijksma vragen te starten met goede registratie van zorgleerlingen en langjarig onderzoek naar effecten van beleid voor zorgleerlingen.

Antwoord:

In het najaar van 2010 wordt ook in het primair en (voortgezet) speciaal onderwijs het onderwijsnummer ingevoerd waardoor een sluitende registratie op leerlingniveau mogelijk wordt.

In het kader van passend onderwijs is een werkgroep ingericht waarin vanuit OCW ook wordt deelgenomen door DUO en de Inspectie. In de werkgroep participeren ook CBS en de evaluatiecommissie voor passend onderwijs (ECPO). Doel is om beter inzicht te krijgen in onder andere de schoolloopbanen van de leerlingen inclusief de overgang naar de arbeidsmarkt. De werkgroep ontwikkelt een vaste gegevensset ten behoeve van een jaarlijks te houden onderzoek. Daarnaast wordt ook een afspraak gemaakt over de registratie van kwaliteitsgegevens over de leerlingenzorg van scholen. Tot slot wordt het zogenaamde «cool-onderzoek» (longitudinaal onderzoek naar prestaties van leerlingen) uitgebreid met zorgleerlingen. Over de resultaten van de onderzoeken wordt u terzijnertijd geïnformeerd.

Vraag van het lid Van der Vlies (SGP): Is het kabinet van mening dat ze eerst het reguliere instrumentaria moeten optimaliseren voordat men overgaat tot alternatieve geneeswijze? Wat denkt de minister over het gebruik van onbevoegde docenten om lesuitval te voorkomen?

Antwoord:

De hoofdregel is dat alleen benoembare docenten met het geven van onderwijs worden belast. In het primair onderwijs is 99% van de leraren bevoegd. In het voortgezet onderwijs worden ten minste 82% van de lessen gegeven door benoembare docenten. In het middelbaar beroepsonderwijs beschikt 89% van de docenten over de vereiste onderwijskwalificatie.

Daarnaast is in het voortgezet onderwijs de mogelijkheid om in noodgevallen, vooral om lesuitval te voorkomen, leraren maximaal een jaar met het geven van onderwijs te belasten.

Vraag van het lid Van der Vlies (SGP): De toekenning van schalen LB in het basisonderwijs moet worden gedaan op basis van criteria die mondjesmaat moet voorhanden moeten zijn. Er zijn te weinig onderscheidende criteria. Hoe differentieer je bij gelijkwaardige docenten? Hoe denkt de minister dit op te lossen?

Antwoord:

De sociale partners hebben in het primair onderwijs voorbeeldfuncties opgesteld voor LA- en LB-docenten. Zoals u weet ligt daar ook de verantwoordlijkheid hiervoor. Daar kan en wil ik niet in treden. Overigens, de LB-docent kenmerkt zich door specialisme en andere, zwaardere taken en een grotere verantwoordelijkheid voor het onderwijskundigproces. Daarnaast hebben scholen ruimte om eigen accenten te geven voor het toekennen van hogere functies. Binnen de school (het bestuur) kunnen daar aanvullende afspraken over worden gemaakt.

Vraag van het lid Van Dijk (SP): Bent u het met ons eens om beter toe te zien dat onbevoegde leraren binnen 2 jaar bevoegd zijn?

Antwoord:

Het is nu zo dat een onbevoegde, maar benoembare docent ( denk aan een lio, zijinstromer) binnen 2 jaar en in uitzonderingsgevallen 4 jaar bevoegd dient te zijn. Daarnaast hebben besturen de mogelijkheid om als er sprake is van een onvervulbare vacature (op basis van artikel 33.3) telkens voor een jaar een onbevoegde docent aan te stellen. Deze aanpassing van de Wet Beroepen in het Onderwijs is destijds op verzoek van uw Kamer opgenomen. Ik heb de Inspectie van het Onderwijs gevraagd om verscherpt toezicht op bevoegdheid van docenten uit te oefenen. De site bevoegd.nl die ik onlangs heb geopend, is daarbij een hulpmiddel, ook voor de Inspectie. Meer transpantie brengt ook de medezeggenschapsraden en de onderwijsbonden in positie om het gesprek met werkgevers aan te gaan en het scholingsbeleid binnen de scholen voortvarend ter hand te nemen om on(der)bevoegdheid te bestrijden.

Vraag van het lid Van Dijk (SP): Kan staatssecretaris van Bijsterveldt het onzalige plan van de fusie tussen Horizon en jet Regio-college nog stoppen? Hoe verloopt het proces?

Antwoord:

Voor een fusie van instellingen moet bij mij een aanvraag worden ingediend. Die kan en zal ik vervolgens toetsen aan de regeling fusie en splitsingstoets die ik op 23 april 2009 met uw Kamer besproken heb en die op 20 mei jl. in werking is getreden.

Een besturenfusie kan ik nu niet tegenhouden. Daar kan ik pas wat aan doen als beide Kamers met het wetsvoorstel fusietoets hebben ingestemd. Dat is nu niet het geval.

Uit gesprekken op ambtelijk niveau blijkt dat de beide medezeggenschapsraden zeer recent tegengestelde adviezen hebben uitgebracht. Er zijn dus problemen met het draagvlak. Naar aanleiding daarvan beraden beide besturen zich nu op eventuele volgende stappen. Ik volg de lopende ontwikkelingen op de voet.

Vraag van het lid Van Dijk (SP): In het voortgezet onderwijs is er inmiddels een klokkenluidersregeling, maar wordt deze ook gebruikt? Is deze bekend en wat zijn de resultaten? Over de klokkenluidersregeling in het mbo gaat de staatssecretaris mij in dit debat informeren zoals zij vorige week heeft beloofd.

Antwoord:

Tijdens het verzamel AO mbo d.d. 4 november heeft Van Dijk (SP) vragen gesteld over de klokkenluidersregeling in de bve-sector.

U hebt toegezegd hier tijdens de begrotingsbehandeling op terug te komen. De klokkenluidersregeling maakt deel uit van de governance code bve die op 1 januari 2009 in werking is getreden.

De Raad van Toezicht draagt zorg voor een klokkenluidersregeling die het werknemers van de instelling mogelijk maakt zonder benadeling van hun belangen de Raad van Toezicht te informeren over vermeende onregelmatigheden binnen de instelling. Deze regeling is transparant en toegankelijk. De Raad van Toezicht draagt zorg voor een correctie afwikkeling.

Naast de klokkenluidersregeling kent het minister van OCW een signalenprocedure die waarborgt dat ernstige signalen die binnenkomen op het ministerie direct worden doorgespeeld aan de Inspectie. Deze beoordeelt of er een individueel onderzoek moet worden ingesteld.

Vraag van het lid Van Dijk (SP): In de grensregio vallen scholieren buiten de verzuimregistratie. Graag een reactie.

Antwoord:

Staatssecretaris van Bijsterveldt heeft uw Kamer hierover vorige week een brief toegezonden. Met deze brief wordt de motie Biskop (CDA) uitgevoerd, die de regering vraagt het toezicht op naleving van de leerplicht voor Nederlandse leerlingen die in buurlanden, zoals België, onderwijs genieten te regelen, zodat verzuim gemeld wordt. In schooljaar 2006/07 telde het Vlaams onderwijs ruim 25 000 Nederlandse inschrijvingen. Het grootste deel hiervan woont in Vlaanderen, een kleine 9 800 hiervan steekt de grens over om onderwijs te volgen. Hiervan zitten zo’n 1 800 leerlingen in het basisonderwijs en 3 600 leerlingen in het VO. Het gaat om zo’n 780 hogeschoolstudenten, ongeveer 1 170 universitaire studenten en voor permanente vorming (kunstonderwijs) ligt dit aantal op 2 400.

OCW heeft nu met Vlaanderen afspraken gemaakt om de handhaving van de leerplicht sluitend te maken. Vanaf schooljaar 2010/2011 zal het Vlaamse ministerie verzuim melden aan het digitale verzuimloket van de IB-Groep. Het gaat daarbij om zorgwekkende dossiers, waarbij de begeleiding is uitgeput. De IB-Groep leidt de melding door naar de woongemeente van de leerling. De leerplichtambtenaar spreekt dan de ouders aan. Als de ouders vervolgens niet zorgen dat de jongere de school gaat bezoeken, zendt de leerplichtambtenaar een proces-verbaal van zijn bevindingen aan de officier van justitie. Tot zover de brief van de staatssecretaris over de motie-Biskop.

Aan de Duitse grens speelt de omgekeerde problematiek: daar gaat het om zo’n 700 à 800 Nederlandse leerlingen die in Duitsland wonen en in Nederland naar school gaan. Wegens de lage huizenprijs wonen deze Nederlanders in Duitsland en volgen zij onderwijs in Nederland.

Het gaat dus weliswaar om een zeer kleine groep op een totaal van 2,8 miljoen Nederlandse leerplichtigen, maar ook dit heeft de aandacht.

Volgens de Duitse wet moeten in Duitsland wonende kinderen in Duitsland onderwijs volgen. Alleen met zwaarwegende redenen kan hiervan worden afgeweken.

Vraag van het lid Van Dijk (SP): In de Wet beroepen in het onderwijs staat dat er nu geen ontheffing aangevraagd hoeft te worden Inspectie van het Onderwijs. Ik stel voor deze regeling te schrappen, zodat ontheffing wel weer nodig is. De principele vraag is of er onbevoegde leraren voor de klas mogen staan?

Antwoord:

Vooraf is te stellen dat de genoemde 40% niet correct is. Bij de behandeling van het voorstel van Wet op de beroepen in het onderwijs is een breed gesteund amendement aangenomen. Dat amendement voorzag erin dat bevoegde gezagen niet langer vooraf toestemming aan de inspectie hoeven te vragen als zij op basis van artikel 33, derde lid van de WVO een leraar willen belasten met het verzorgen van onderwijs waarvoor hij niet bevoegd is. Toepassing van dat artikellid kan telkens voor ten hoogste een jaar en stelt het bevoegd gezag in staat om in noodgevallen (langdurige ziekte van een bevoegde docent dan wel onvervulbaarheid van een vacature) zodanig beleid te voeren dat ongewenste lesuitval wordt voorkomen. In datzelfde aangenomen amendement is verder geregeld dat het bevoegd gezag een geordend geheel van gegevens bijhoudt over de onbevoegd gegeven lessen. De inspectie van het onderwijs kan die gegevens inzien en daarover in gesprek gaan met de school als daartoe aanleiding is. Herintroductie van de verplichting ontheffing te vragen, beperkt de toen door uw Kamer gewenste ruimte voor het bevoegd gezag en zorgt voor additionele administratieve last. Overigens: in het VO is het percentage bevoegd gegeven lessen circa 82% en beschikt in het MBO circa 89% van de docenten over een voor het MBO vereiste onderwijskwalificatie.

Vraag van het lid Van Dijk (SP): Wat vindt staatssecretaris Dijksma van een bouwstop voor scholen die nieuwe lokalen bouwen, terwijl andere scholen in de omgeving leeg komen te staan?

Antwoord:

Gemeenten zijn aan zet waar het de scholenbouw betreft. Zij krijgen daarvoor de middelen via het gemeentefonds toebedeeld. Zij bepalen in overleg met de schoolbesturen waar en wanneer er nieuwe lokalen worden gebouwd. De gemeenten hebben daarbij een duidelijke financieel belang om geen nieuwe lokalen te bouwen, als er elders gebouwen leeg staan. De Lokale Educatieve Agenda (LEA) is het overleg waar over deze zaken afspraken gemaakt kunnen worden. In dit verband moeten ook afspraken worden gemaakt over het bestrijden van segregatie.

Vraag van het lid Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Hoeveel geld is er uitgegeven aan de pilots en experimenten voor passend onderwijs, tot nu toe?

Antwoord:

In het kader van passend onderwijs is tot nu toe één experiment van start gegaan. Voor dit experiment is met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks een bedrag van €20,- per leerling beschikbaar gesteld. Voor 2009 gaat het voor dit experiment om een bedrag van €880 000,-.

Daarnaast is voor de zogenaamde veldinitiatieven vanaf 2008 jaarlijks een bedrag van €15,- per leerling beschikbaar gesteld. Per 1 augustus 2008 zijn 6 veldinitiatieven van start gegaan. Per 1 januari 2009 zijn daar 4 veldinitiatieven bijgekomen. En per 1 augustus 2009 zijn er nog weer eens 13 initiatieven van start gegaan.

In het schooljaar 2008–2009 is een bedrag van € 5,7 miljoen betaald aan de veldinitiatieven. In schooljaar 2009–2010 wordt een bedrag van € 10,8 miljoen uitgekeerd voor de gestarte initiatieven.

In de brief over passend onderwijs (TK, vergaderjaar 2009–2010, 31 497 nr.17) die de Kamer onlangs heeft ontvangen, wordt voorgesteld om alle besturen in staat te stellen zich voor te bereiden op passend onderwijs. Daarvoor ontvangen zij dan een bedrag van €10 per leerling. Dit geldt ook voor de veldinitiatieven.

Het experiment en de veldinitiatieven leveren ervaringen en resultaten op voor wat betreft de invulling van passend onderwijs (geïntegreerde indicatiestelling, onderwijscontinuüm, tegengaan thuiszitten), die ook in de nieuwe koers passend onderwijs van landelijke betekenis zijn. Daarom blijft de evaluatiecommissie deze ontwikkelingen volgen.

Vraag van het lid Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Wat is de visie van staatssecretaris Dijksma op de gastouderopvang in relatie tot de arbeidsparticipatie?

Antwoord:

– Dit kabinet heeft de kinderopvang ondergebracht bij het ministerie van onderwijs, waarmee zij benadrukt dat kinderopvang niet alleen van belang is voor arbeidsparticipatie maar ook voor de ontwikkeling van kinderen.

– Kinderopvang draagt maximaal bij aan arbeidsparticipatie als zij van goede kwaliteit is, zodat ouders met vertrouwen hun kind naar de opvang brengen, financieel toegankelijk is en op langere termijn houdbaar is.

– Het beleid is daarom gericht op toegankelijke, kwalitatief hoogwaardige opvang en aansluiting van opvang en onderwijs.

– Dit blijkt uit de maatregelen gericht op harmonisatie van de opvangvoorzieningen (OKE-wetsvoorstel), kwaliteitsverbetering en professionalisering (BKK en professionalisering gastouderopvang) en aansluiting van opvang en onderwijs (nota dagarrangementen bereikt de Kamer nog dit jaar).

– Het wetsvoorstel tot wijziging van de gastouderopvang is noodzakelijk om de kinderopvang te versterken en financieel houdbaar te maken voor de toekomst. Dit wordt bereikt door te garanderen dat kinderopvang van goede kwaliteit is dankzij professionalisering.

– Het wetsvoorstel houdt de gastouderopvang in stand, en zal haar zelfs versterken door versterkt toezicht op de kwaliteit.

– Dat deel van de gastouderopvang dat is ontstaan door monetarisering van de informele opvang en daarom geen bijdrage leverde aan de arbeidsparticipatie, beoogt het wetsvoorstel terug te brengen in de familiaire kring.

Vraag van het lid Zijlstra (VVD): Er zijn hbo-instellingen die 1250–2000 euro van bedrijven vragen als vergoeding voor het plaatsen van een stagiair. Wat vindt de minister daarvan?

Antwoord:

Ik acht het van belang dat er geen onnodige belemmeringen zijn in het plaatsen van stagiaires. Studenten moeten praktijkervaring kunnen opdoen en dit is doorgaans in de vorm van een stage. Wij mogen van de opleidingen verwachten dat ze in deze praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening voorzien. Dit is ook verplicht in de WHW. Ik verwijs in dit verband naar de stagecode die de HBO-raad in 2006 samen met VNO-VCW en MKB-NL heeft opgesteld waarin onder andere staat dat de instelling geen vergoeding mag vragen voor het plaatsen van een stagiair. Als ik constateer dat deze praktijk zich toch voordoet dan zeg ik toe om de hbo-raad hier in een bestuurlijk overleg op aan te zullen spreken.

Vraag van het lid Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Een stevige visie op onderwijs is nodig. Het mbo heeft te maken met probleemjongeren. Door de crisis en de wet investeren jongeren blijven jongeren langer op school. Tienermoeders (met alle problemen van dien) zitten zij-aan-zij met leerlingen van 16 jaar. Welk effect heeft dit op het leerproces? Is er gedacht aan speciaal onderwijs?

Antwoord:

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft in zijn advies «Vertrouwen in de school, over de uitval van «overbelaste» jongeren aanbevelingen gedaan over de aanpak van probleemjongeren in onder andere het mbo. Het kabinet heeft op basis hiervan besloten tot het stimuleren van Plusvoorzieningen. Dit is geen nieuw schooltype, maar een uitbreiding van het bestaande aanbod op (v)mbo scholen. Het gaat om een totaalpakket van onderwijs en ondersteuning dat nodig is om jongeren met behulp van structuur en verbondenheid naar een plek in de samenleving te begeleiden. Er is dus niet gekozen voor «speciaal middelbaar beroepsonderwijs». Tot slot zijn bij de invoering van de Wet investeren in jongeren vanaf 2009 extra middelen aan het budget voor het mbo toegevoegd om meer jongeren onderwijs te kunnen aanbieden.

Naar boven