Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 29 november 2001 over het Gemeente- en het Provinciefonds.

De heer De Swart (VVD):

Mevrouw de voorzitter. Afgelopen week heeft het algemeen overleg plaatsgevonden over het Gemeente- en Provinciefonds. Een van de onderwerpen die daarin aan de orde is gekomen, betreft de geldstromen van het Rijk naar de 50 grootste gemeentes. Over dit onderwerp, dat al meerdere jaren op de agenda staat, komt naar de mening van de VVD-fractie onvoldoende klaarheid. Ik dien daarom de volgende motie in, die meeondertekend is door mevrouw Noorman.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er geen duidelijk inzicht bestaat in de diverse geldstromen van het Rijk naar de gemeenten met betrekking tot de inkomsten van de 50 grootste gemeenten;

constaterende dat een onderzoek hiernaar ruim twee jaar geleden door de minister van BZK is toegezegd en dat dit vooralsnog niet heeft geresulteerd in voor de Kamer afdoende informatieverstrekking;

verzoekt de regering, de nadere informatie over de geldstromen van het Rijk naar de gemeenten betreffende de inkomsten – zoals uitkeringen uit het Gemeentefonds, uitkeringen in het kader van het grotestedenbeleid, stedelijke vernieuwing en andere regelingen – van de 50 grootste gemeenten voor april 2002 aan de Kamer te doen toekomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden De Swart, Noorman-Den Uyl en Hoekema. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 9(28000 B,28000-C).

Mevrouw Noorman-Den Uyl (PvdA):

Mevrouw de voorzitter. De begroting van het gemeentefonds en zaken die betrekking hebben op de lokale lasten liggen mijn fractie na aan het hart. Twee jaar lang is bezien op welke wijze structureel een einde kan worden gemaakt aan de positie van de gemeente Gouda met betrekking tot artikel 12. Het gaat niet aan dat een gemeente 32 jaar lang tot artikel 12 is aangewezen vanwege factoren die niet te beïnvloeden zijn. De minister heeft een afkoopsom voorgesteld en mijn fractie stemt daarmee in. Daarbij zijn posten zoals Onderhoud groen betrokken, waarvoor onze waardering. Onlangs heeft de minister een brief naar de Kamer gestuurd in antwoord op vragen van mijn kant of er sprake is van twee maal de korting van 25%. Uit die brief blijkt dat daarvan geen sprake is. Ik erken dat de minister in dezen gelijk heeft en ik niet. Ik deel echter niet de mening van de minister dat van de gewenningsperiode van vijf jaar, drie jaar beïnvloedbaar terecht zijn verstreken voor Gouda. Het zou redelijk zijn aan Gouda een gewenningsperiode toe te kennen om de taakstellende bezuiniging, die impliciet besloten is in de afkoop van artikel 12, te realiseren. Het zou dan ook goed zijn om de periode van gewenning, waarmee 13,3 mln gulden per jaar gemoeid is, met drie jaar te verlengen. De afkoopsom komt daarmee op een eenmalig bedrag van 40 mln gulden meer. Wij hechten eraan dat die periode zo snel mogelijk ingaat. Om die reden is een amendement voorbereid waarmee wordt beoogd, de kosten van de eenmalige afkoopsom bovenop het bedrag dat de minister in gedachten heeft ten laste van de behoedzaamheidreserve te brengen. Dat is mogelijk door nu de begroting van het Gemeentefonds te verhogen en bij de voorjaarsnota de behoedzaamheidsreserve met hetzelfde bedrag te verlagen. Dit leidt ertoe dat alle gemeenten gelijkelijk meebetalen. Het amendement wordt gesteund door de fracties van de PvdA, D66, de VVD, het CDA en GroenLinks.

Vervolgens wil ik nog een motie indienen die betrekking heeft op de kwijtschelding van lokale lasten.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de armoedeval bij kwijtschelding van lokale lasten het hoogst is vanwege de progressieve afname van vrijlating, te weten 80%;

overwegende dat werk moet lonen en dat verzachting van de armoedeval vanwege kwijtschelding bij werkaanvaarding dringend is;

overwegende dat het de gemeente en provincies mogelijk is, met behulp van hun eigen instrumentarium de aanpassing van de kwijtschelding budgettair neutraal te laten verlopen;

van mening dat het maximeren van het kwijtscheldingsbedrag in samenhang met het verlagen van de progressie in de kwijtschelding de doelgroep niet onnodig vergroot;

verzoekt de regering, bij toename van draagkracht in het inkomen het vrijlatingspercentage in de kwijtschelding te verhogen naar 50% en in overleg met VNG, IPO en waterschappen de kwijtschelding lokale lasten aan een maximum te verbinden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Noorman-den Uyl en Hoekema. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11(28000 B,28000-C).

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

Mevrouw de voorzitter. De bewindslieden danken wij voor de nadere informatie die wij naar aanleiding van het algemeen overleg hebben ontvangen.

Wat de gemeente Gouda betreft is het de fractie van het CDA gebleken dat er nog verschil van interpretatie mogelijk blijft – ik onderstreep het woord "mogelijk" – met betrekking tot de toegepaste 25%-korting vanwege optimaal onderhoud en de kostencomponenten die daarbij in rekening kunnen worden gebracht. Nogmaals: er blijft verschil van interpretatie mogelijk. Derhalve blijft er discussie mogelijk over de vraag welk bedrag beschikbaar gesteld moet worden om de problemen van Gouda structureel op te lossen. Een dergelijke arbitraire kwestie kan – wanneer de wil daartoe aanwezig is en partijen bereid zijn om elkaar in hun opvattingen te respecteren – politiek-bestuurlijk worden opgelost. De fractie van het CDA heeft, om die politieke afweging te maken, geen uitspraak van de bestuursrechter nodig. Dat is dan ook de reden dat wij het amendement, zojuist aangekondigd door mevrouw Noorman, zullen steunen. De fractie van het CDA vindt de situatie in Gouda dermate ernstig en uniek, dat zij van mening is dat vanwege het Rijk een hogere bijdrage nodig is dan waar de minister in zijn beschikking van uitgaat.

Vervolgens richt ik mij op de herindeling van Den Haag en omgeving. Met inachtneming van de opmerkingen, gemaakt tijdens het algemeen overleg, en de brief van de minister, wil mijn fractie vooralsnog de motie-Van der Hoeven handhaven. Deze motie werd op 18 oktober ingediend en spreekt over duidelijkheid over knelpunten in het grensbeloop en financiële compensatie, gebaseerd op werkelijke kosten vóór 1 januari 2002. Mijn fractie hecht zeer aan een correcte afwikkeling van de in dit verband nog liggende kwesties. Dat betekent ook dat wij verwachten dat de gemeente Den Haag – wellicht kan de minister zijn invloed in die richting aanwenden – met haar nieuwe ingezetenen er maximaal aan bijdraagt dat de toegezegde informatie tijdig en correct wordt verstrekt.

De heer Hoekema (D66):

Voorzitter. Ik herhaal de dank van mijn fractie aan de minister van Binnenlandse Zaken voor de maatregelen die hij heeft genomen voor de gemeente Gouda, voor de beschikking die een aantal weken geleden tot stand is gebracht. Wij zijn van mening dat de bijdrage die in deze beschikking is vervat, toch nog net een beetje te laag is om Gouda in staat te stellen, over een aantal jaren op eigen benen te staan. Ik zie aan de mimiek van de minister dat hij deze wens begrijpt. Daarom hebben wij het amendement van mevrouw Noorman van harte ondersteund.

De minister heeft nog eens uitgelegd dat er in het verband van het Gemeentefonds al veel gestudeerd is op de factor bodemgesteldheid, onder andere door Cebeon. Wij denken dat wijsheid nooit geheel uitgeput kan zijn en daarom willen wij de minister met een motie de suggestie doen, de rol van de verdeelmaatstaf bodemgesteldheid in het Gemeentefonds nog eens te bekijken. Daarbij vragen wij speciaal aandacht voor de factor drooglegging.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

Hoekemaoverwegende dat thans de verdeelmaatstaf bodemgesteldheid in het Gemeentefonds alleen maar over bodemsoorten – zand, klei en veen – spreekt en niet over het aspect drooglegging;

overwegende dat door deze maatstaf de specifieke problematiek van de gemeente Gouda mogelijk te weinig tot uitdrukking komt in de toedeling van gelden aan Gouda op grond van de slechte bodemgesteldheid;

verzoekt de regering, zich op korte termijn, bij voorkeur voor medio 2002, te laten adviseren over een verfijning van de verdeelmaatstaf die recht doet aan het aspect drooglegging,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is ingediend door de leden Hoekema, Noorman-den Uyl, Pitstra, De Swart en De Pater-van der Meer.

Zij krijgt nr. 12(28000 B,28000-C).

De heer Hoekema (D66):

Voorzitter. Ten slotte dank ik de minister voor zijn toezegging om eens te bekijken of grenscorrecties die eigenlijk een soort herindeling zijn – Leidschendam, Rijswijk en Den Haag – geen aparte benadering vereisen. Dit zal de geldbuidel voor Leidschendam en Rijswijk niet meteen verder doen opengaan, zo heb ik begrepen. Ik dank hem er overigens wel voor dat hij hiervoor Vinex-gelden beschikbaar heeft gesteld, maar ik denk toch dat wij hierbij te maken hebben met een probleem waaraan nader aandacht zal moeten worden besteed. Op welke termijn kunnen wij de door de minister toegezegde nadere studie verwachten?

De heer Pitstra (GroenLinks):

Voorzitter. Het hoofdpunt bij dit debatje is Gouda, maar wat ons betreft dient er ook even over Leidschendam en Rijswijk gesproken te worden.

In het algemeen overleg was de minister nogal halsstarrig inzake Gouda. Hij vond zijn eigen oplossing van een compensatie voor Gouda voldoende. Deze halsstarrigheid begint een opvallende politieke eigenschap te worden; je kunt het dualistisch noemen, maar volgens mij is het in de omgang met het parlement niet erg handig om je steeds frontaal tegenover de Kamer op te stellen.

Minister De Vries:

Ik kan nog veel van u leren.

De heer Pitstra (GroenLinks):

Misschien.

Voorzitter. De minister zegt dat het niet rechtvaardig is, andere gemeenten te laten betalen voor het oplossen van de problemen van Gouda, maar daar was bij Den Haag toch ook sprake van. Ik zal niet alle argumenten herhalen, het komt er gewoon op neer dat er veel kritiek is op het resultaat van het onderzoek van Cebeon dat de minister aanhaalt. De kritiek is dat daarbij van verkeerde veronderstellingen is uitgegaan en ik vind de argumentatie van de minister op dit punt niet overtuigend.

Er zijn nu twee oplossingen voor Gouda: het amendement van mevrouw Noorman om drie keer 13 mln gulden beschikbaar te stellen, een amendement dat wij steunen, en een motie van D66, die ook wij hebben ondertekend, om het criterium bodemgesteldheid nader te verfijnen. Zo'n verfijning lijkt ons noodzakelijk voor de toekomst van Gouda.

Er is nog steeds een motie van het CDA over Leidschendam en Rijswijk. Daarin staat wel dat álle kosten moeten worden verrekend, wat meer is dan Leidschendam vraagt. Misschien kan de tekst van deze motie dus nog even gecorrigeerd worden, want de gemeente wil een gedeelte wel zelf betalen. Als de motie wordt aangepast, willen wij haar wel steunen.

De minister beklaagt zich erover dat deze gemeenten er niet eens dankbaar voor zijn dat zij 6 mln gulden hebben gekregen. Ik moet zeggen dat ik de situatie zo specifiek vind, dat het om zo'n herindeling gaat – het is een annexatie zonder precedent, terwijl nu allerlei politieke partijen zeggen dat zij zich er een beetje voor schamen dat zij ervóór gestemd hebben – dat ik het redelijk vind dat deze gemeenten meer compensatie krijgen dan wat de minister nu biedt.

De heer Hoekema (D66):

Betekenen de opmerkingen van de heer Pitstra over Leidschendam en Rijswijk dat hij de motie van het CDA overweegt te steunen, als daarin de woorden "alle kosten" worden vervangen door "een deel van de kosten"?

De heer Pitstra (GroenLinks):

Dat lijkt mij beter, gezien hetgeen Leidschendam zelf heeft gevraagd en aangeboden. In dat geval zou ik er, denk ik, voor stemmen.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

In de motie van collega Van der Hoeven gaat het om een financiële compensatie die gebaseerd is op alle kosten. Dat sluit dus niet uit dat het gebaar van de gemeente Leidschendam wordt aanvaard.

De heer Pitstra (GroenLinks):

Misschien kunnen wij nog even naar de formulering kijken.

Minister De Vries:

Voorzitter. U merkt dat het hele kabinet wat slecht bij stem is, maar ik hoop dat dit geen belemmering vormt voor een goede gedachtevorming.

De heer De Swart geeft aan veel belangstelling te hebben voor de geldstromen naar de 50 grootste gemeenten en heeft met mevrouw Noorman-den Uyl een motie ingediend om op korte termijn nadere informatie te krijgen. Ik zie die motie als een krachtige ondersteuning van hetgeen waarmee wij bezig zijn. In april 2000 is het kabinet begonnen met de zogenaamde plavat-operatie. Met deze operatie wordt niet alleen beoogd de inkomsten van de 50 grootste, maar van alle gemeenten in kaart te brengen. Dat is een enorm project, waarover wij vorige week al even hebben gesproken. Er wordt heel hard aan gewerkt. De komende week ontvangt de Kamer een nieuwe voortgangsrapportage. Degene die wij vorige week bespraken, is inmiddels een halfjaar oud. Wij hebben een plan van aanpak met de Kamer besproken. Ik kan niet beoordelen of deze motie daarmee strijdig is, maar de intenties zijn volstrekt hetzelfde.

Mevrouw Noorman geeft aan dat wij twee jaar bezig zijn geweest met Gouda. Dat geldt in ieder geval voor mij. Het ingewikkelde probleem dat al drie decennia bestond, moest worden opgelost. Wij hebben er alles aan gedaan om tot een definitieve regeling te komen. De spelregels ten aanzien van artikel 12 heb ik daarbij consciëntieus gevolgd. De inbreng van de gemeente en de provincie en de adviezen van de IFLO en de RFV zijn allemaal in de beschikking neergeslagen.

De heer Pitstra zei dat er nog steeds vragen onbeantwoord zijn, maar ik meen dat hij dat niet zo uit de losse pols kan melden. Hij had dan verleden week of deze week precies moeten aangeven waar volgens hem in de benadering fouten zijn gemaakt, maar dat heeft hij niet gedaan. Ik heb echter geconstateerd dat hij een scherpe motivatie van iemands handelwijze onder halsstarrigheid schaart.

Wij hebben zo goed mogelijk een oplossing gezocht en die aan de Kamer voorgelegd. Verleden week zei ik tijdens het overleg dat er bestuurlijk over het traject dat voor Gouda is uitgestippeld nog wel wat te zeggen is, maar dat het mijn sterke voorkeur heeft om eerst het finale oordeel hierover, indien Gouda daaraan behoefte heeft, aan de bestuursrechter te laten. Bij dit soort omvangrijke operaties is het van het grootste belang dat de juistheid van de gekozen procedure getoetst wordt. Tijdens het overleg heb ik ook opgemerkt dat ik graag bereid ben om, na ommekomst van een dergelijke uitspraak, met de commissie te overleggen om te bezien of op bestuurlijke wijze anders met het traject-Gouda moet worden omgegaan.

Mevrouw Noorman-den Uyl (PvdA):

Als Gouda de bestuursrechter om een oordeel vraagt, toetst deze alleen aan het juridische kader en of de minister binnen de wettelijke regels gebleven is. Hier gaat het echter niet om; het gaat om een politieke weging en daar blijft de rechter buiten. Dit voegt toch niet veel toe aan wat wij tot nu toe besproken hebben?

Minister De Vries:

Vandaar dat ik twee dingen gezegd heb. Ik heb gezegd dat ik het erg op prijs zou stellen als Gouda doet wat het heeft aangekondigd, namelijk eerst een beroep doen op de Kamer en vervolgens naar de bestuursrechter gaan. Ik heb erbij gezeten toen dat beroep op de Kamer werd gedaan. Dat naar de bestuursrechter gaan zou ik erg op prijs stellen omdat ik liever geen discussie heb over de juistheid van alles wat wij in deze procedure gedaan hebben. Het tweede wat ik heb gezegd, maar waaraan mevrouw Noorman niet refereert, is dat er altijd een bestuurlijke afweging mogelijk is van het traject dat moet worden afgegaan. Ik heb aangeboden, met de Kamer hierover te spreken als wij de uitspraak van de bestuursrechter hebben. Ik verwacht dat dit over enkele maanden het geval kan zijn.

Mevrouw Noorman-den Uyl (PvdA):

Ik heb geen enkele reden om te twijfelen aan de juridische juistheid van de wijze waarop de minister geopereerd heeft.

Minister De Vries:

De heer Pitstra zegt juist dat de redeneringen niet kloppen.

De heer Pitstra (GroenLinks):

Ik weet niet of financiële berekeningen hetzelfde zijn als de juridische grondslag. Er is debat mogelijk over de financiële berekeningen, met name over het onderzoek van Cebeon. Dit heeft niets te maken met de juridische grondslag; het is gewoon een beoordeling van een cijferopstelling. Hierover kun je politiek verschillend oordelen.

Minister De Vries:

Het is u toch bekend dat de bestuursrechter niet alleen kijkt naar de juridische grondslag? Die deugt wel. De bestuursrechter kijkt naar alles wat de minister heeft meegewogen voor zijn beschikking.

Kort en goed, ik begrijp dat er kamerbreed veel belangstelling voor is, Gouda op een andere manier tegemoet te komen dan ik in beginsel voor juist houd. Ik had de mogelijkheid overigens zelf opengelaten, zoals ik net heb uiteengezet. De Kamer zoekt het nu in de vorm van een amendement-Noorman-den Uyl, medeondertekend door vele anderen. Ik vraag mij af of dit amendement wel goed is. Het spreekt namelijk alleen over verhoging van artikel 5. Verder wordt er een bijlage bij de wet verhoogd, maar dit heeft naar mijn mening geen enkele betekenis voor het beschikbaar stellen van middelen. Er zal ook iets verlaagd moeten worden, willen wij geen dekkingsprobleem hebben, maar deze dekking is er niet bij.

Ik wil iets anders voorstellen. Ik kan langs bestuurlijke weg op veel eenvoudigere wijze dan nu in het amendement staat, bewerkstelligen dat de overgangstermijn voor Gouda drie jaar langer wordt. Gehoord de breed in de Kamer levende wens ben ik hiertoe bereid. Dan zien wij nog wel of Gouda naar de bestuursrechter gaat, wat mij nog steeds welkom is. Als ik mijn beschikking in die zin wijzig, is er materieel voldaan aan de wens van de Kamer. Als de Kamer het liever via een amendement regelt, moet ik sterk erop aandringen dat er wat technisch overleg over wordt gevoerd. Wij zullen een dekking moeten hebben. Ten laste van de generale staat kan er natuurlijk geen dekking worden geregeld. Als het amendement op tafel blijft, stel ik het op prijs als de verschillende deskundigen er voor dinsdag nog even naar kunnen kijken.

Mevrouw Noorman-den Uyl (PvdA):

Ik heb u zojuist horen zeggen dat u ertoe bereid bent, de inhoud van het amendement materieel over te nemen. Dit betekent dat u in uw beschikking een bedrag van 40 mln gulden wilt toevoegen aan de afkoopsom voor Gouda. Heb ik dit goed begrepen?

Minister De Vries:

Ja, dat hebt u goed begrepen.

Mevrouw Noorman-den Uyl (PvdA):

Dat vind ik gracieus. Als u het zegt, ga ik ervan uit dat u het inderdaad doet. Hiermee is mijn amendement in wezen overbodig. Gaat die herziene beschikking ook op 1 januari in?

Minister De Vries:

Ja, dat is de bedoeling.

Mevrouw Noorman-den Uyl (PvdA):

Mij past de intrekking van het zojuist ingediende amendement nu u toezegt dat de afkoopsom voor Gouda met 40 mln gulden is toegenomen. Ik kijk even naar mijn collega's en vraag of zij het als medeondertekenaars hiermee eens zijn.

De voorzitter:

Zij willen nu allemaal het woord voeren. Het lijkt mij met een eenvoudig ja of nee te beantwoorden.

De heer Hoekema (D66):

Soms moet er een vraag worden beantwoord voordat je ja of nee kunt zeggen. Mijn vraag aan de minister is of nu ook de termijnen veranderen die bij de beschikking horen. Ik vraag dit omdat het uitgangspunt van de beschikking was dat Gouda per 1 januari 2005 op eigen benen moest kunnen staan. Ik veronderstel dat deze termijn ongewijzigd blijft. Ik wil dus weten wat de minister overneemt van het ingediende amendement.

Minister De Vries:

Het amendement beoogt ervoor te zorgen dat Gouda drie jaar langer kan wennen aan de opgelegde taakstelling. Ik zeg u toe dat ik daarvoor bestuurlijk kan zorgen en dat zal doen.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

Het gaat mij om het financieel-technische gedeelte. Als wij het amendement handhaven, moet de minister overleggen hoe dat kan worden uitgevoerd. Hetzelfde kan gezegd worden bij dit genereuze gebaar van de minister. Hij wijzigt zijn beschikking. Ik zou het zeer op prijs stellen als wij dat voor dinsdag zien.

Minister De Vries:

Moet u horen, als u niet vertrouwt wat ik u hier zeg, mevrouw De Pater, stemt u maar voor een amendement. Dat zal mij een zorg zijn. Ik heb de Kamer toegezegd dat ik dat regel. Ik zal de Kamer natuurlijk inlichten over hoe dat geregeld wordt. Maar als u voor dinsdag nog briefjes van mij wilt hebben, dient u maar een amendement in.

Mevrouw Noorman-den Uyl (PvdA):

Als indiener van het amendement, trek ik het nu formeel in. Ik vraag wel aan de minister op welke termijn hij de aanpassing denkt af te ronden. Ik heb het niet over dinsdag.

Minister De Vries:

Dat weet ik nu niet. Dat is techniek, maar het komt voor elkaar.

De voorzitter:

Het amendement-Noorman-den Uyl c.s. (28000-B, nr. 10) is ingetrokken.

Minister De Vries:

Mevrouw De Pater zegt dat er verschil in interpretatie mogelijk is en dat er derhalve ook discussie mogelijk is. Er is altijd van alles mogelijk maar het is wel prettig als dat dan ook expliciet gemaakt wordt. Een discussie over wat mogelijk is, wint aan waarde als aangegeven wordt wat er precies bedoeld wordt. Ik geloof dat wij die discussie nu achterhaald hebben door te doen wat de Kamer inclusief mevrouw de Pater wilde.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

Dank u wel.

Minister De Vries:

Alstublieft, mevrouw de voorzitter.

De motie-Van der Hoeven blijft gehandhaafd. Mijn oordeel daarover ook. Dat is zeer afwijzend. Ik ben benieuwd of er nog wijzigingen komen. Ik heb al eerder gezegd dat hetgeen in de motie gevraagd wordt, helemaal niet kan.

De heer Hoekema (D66):

Zou het oordeel van de minister misschien een slagje anders kunnen worden als de motie wordt aangepast?

Minister De Vries:

Als de motie wordt aangepast in de zin die ik prettig vind, ben ik bereid haar te omhelzen.

De heer Hoekema heeft nog de factor bodemgesteldheid aan de orde gesteld en gezegd dat er eigenlijk ook op de factor drooglegging moet worden gestudeerd. Ik zeg hem dat toe. Ik weet dat het een dierbare wens van hem is. Wij zullen kijken hoe snel wij dat kunnen doen, want wij moeten eerst inventariseren wat wij al weten op dat gebied voordat wij nieuw geld uitgeven.

De heer Pitstra heeft gezegd dat de minister halsstarrig is, maar die opmerking trekt hij nu natuurlijk in. Politiek is soms ingewikkeld, mijnheer Pitstra, maar ook aan uw wens is tegemoetgekomen.

Staatssecretaris Bos:

Mevrouw de voorzitter. Mij rest een oordeel te geven over de motie van mevrouw Noorman-den Uyl en de heer Hoekema.

Tijdens het AO heb ik al gezegd dat wij zelf ook constateren dat er rondom lokale lasten en kwijtschelding nog wel enkele vraagstukken liggen. Ik heb toegezegd dat wij die met de collega's van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezamenlijk willen analyseren en daarbij ook de medeoverheden willen betrekken. Ik heb toen reeds aangegeven dat wij de suggestie die mevrouw Noorman – inderdaad reeds enige jaren, zo heb ik mij laten informeren – in onze richting gedaan heeft, daarbij nadrukkelijk zullen betrekken en de Kamer daarover zullen informeren. Ik zie de motie dan ook als een aansporing.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, over de ingediende moties te stemmen bij de stemmingen over de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.

Naar boven