Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het rapport van de tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden (26269) (debat met de commissie).

(Zie vergadering van 23 juni 1999.)

De beraadslaging wordt hervat.

De heer Schutte (GPV):

Mevrouw de voorzitter! Ik wil de commissie en haar voorzitter hartelijk danken voor de grondige beantwoording van de bijdragen uit de Kamer in eerste termijn. De 250 gesprekken die de commissie heeft gevoerd, hebben hun sporen duidelijk nagelaten. In het algemeen vond ik de beantwoording inhoudelijk sterk. Dat wil niet zeggen dat over alle aanbevelingen nu ook het laatste woord is gezegd. Dat kan pas na het debat met de regering.

De commissie heeft haar conclusie dat de crisis in de opsporing is omgezet in een veelheid aan veranderingsprocessen, voldoende aannemelijk gemaakt. Eigen aan een veranderingsproces is dat men er nog niet is. Echter, het gezag is hersteld en de weerbaarheid van politie en justitie is goed. Daaraan is en wordt op alle niveaus meege werkt en daaraan doen de ernstige bevindingen die in het vijfde hoofdstuk zijn verwoord, niet wezenlijk af. Na alles wat er in de afgelopen jaren rond de opsporing te doen is geweest, is het goed om dit als Kamer met instemming te noteren.

Voorts is het goed dat de voorzitter van de commissie nog eens uitvoerig is ingegaan op de belangrijkste aanbevelingen, in het bijzonder die betreffende de normering. Wat de commissie hierover heeft gezegd, zal zwaar moeten wegen bij de verdere discussies over dit onderwerp. Echter, zaken als het onderscheid tussen informant en infiltrant en tussen pseudo-koper en infiltrant, doorlaten, gecontroleerde aflevering, deals, predeals en andere afspraken met criminelen, luisteren zó nauw dat ik hierover niet nu al tot conclusies wil komen. Zo is duidelijk dat met aanbeveling 12 terecht wordt gevraagd om een nadere afbakening van de begrippen "informant" en "infiltrant". Ook de commissie zelf staat open voor een andere, wellicht betere afbakening dan zij heeft voorgesteld. Zo zou ik mij kunnen voorstellen dat binnen de fracties namens welke ik spreek, nog herinneringen leven aan discussies over een concrete invulling van de figuur van de burgerinfiltrant. Misschien zouden wij daar nog eens naar kunnen kijken, met de kennis van nu.

De voorzitter van de commissie heeft binnen de grenzen van het mogelijke de hardheid van de feiten die in het vijfde hoofdstuk staan, onderbouwd. Zij heeft mij ervan overtuigd dat er goede argumenten waren om deze bijzondere bevindingen in het rapport op te nemen. Er was immers wel een heel directe relatie met de taak van de commissie om te kijken naar de praktijk van de opsporing na Van Traa. Minder overtuigend vond ik de argumenten om ook te spreken over aanwijzingen voor een voortdurende betrokkenheid van overheidsfunctionarissen bij parallelimporten na 1994. Ik ga ervan uit dat die aanwijzingen er zijn, voorzitter, maar het zijn niet méér dan aanwijzingen. Ik weet bovendien niet of ik het de voorzitter van de commissie zou nazeggen dat een commissie die zoiets aan het papier toevertrouwt, niet ook verantwoordelijk is voor wat er daarna mee gebeurt. Echter, ik begrijp dat de commissie hier voor een dilemma stond en wil haar over haar afweging niet hard vallen.

Over een deal met een topcrimineel valt nog veel te zeggen, voorzitter, maar dat lijkt mij een onderwerp voor de volgende week. Mijn conclusie is dat – hoe je het ook noemt – er sprake was van een overeenkomst met een crimineel waardoor deze in een niet te begrijpen sterke positie tegenover de overheid kwam te staan. In de debatten met de regering zal verder gesproken moeten worden over de rol van de ministers en het college van PG's in de afgelopen jaren. Met de huidige kennis lijkt de inzet op deze centrale niveaus niet te passen bij de evidente noodzaak, na de duidelijke boodschap van de commissie-Van Traa.

Het hoofdstuk over de bijzondere bevindingen sluit af met twee aanbevelingen, namelijk een integraal onderzoek onder de directe verantwoordelijkheid van de minister en een speciale commissie ad hoc voor de parlementaire controle. Ik voel wel voor deze aanbevelingen. In het debat van volgende week zullen wij over de modaliteiten van het onderzoek moeten spreken en het is goed dat de voorzitter van de commissie al duidelijke aanknopingspunten heeft gegeven ter bepaling van de reikwijdte van dit onderzoek. Als bekend is hoe het onderzoek zal plaatsvinden, kan ook definitief worden beslist over de vorm van de parlementaire controle. Deze zal, dunkt mij, zoveel mogelijk via de normale kanalen moeten plaatsvinden. Waar de vertrouwelijkheid daartoe noopt, kan wellicht een commissie ad hoc een rol spelen, maar dan wel als aanvulling op en versterking van de normale vormen van controle via de vaste commissie en de Kamer als geheel.

Parlementaire onderzoeken als deze plegen te worden afgerond met een Kamerbrede motie. Het kostte deze keer weinig moeite om overeenstemming te bereiken over de inhoud daarvan. Alle woordvoerders vinden het rapport waardevol en hebben er grote waardering voor. Allen hebben er ook behoefte aan expliciet in te stemmen met de constatering van de commissie dat de crisis in de opsporing is omgezet in een veelheid aan veranderingsprocessen. Daar was het uiteindelijk de commissie-Van Traa om begonnen. Deze uitdrukkelijke constatering kan mede dienen ter ondersteuning van degenen die bij deze veranderingsprocessen waren en zijn betrokken. De motie die is ondertekend door alle woordvoerders luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

kennisgenomen hebbende van het rapport van de tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden;

met instemming constaterende, dat de crisis in de opsporing, zoals geanalyseerd door de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden, is omgezet in een veelheid aan veranderingsprocessen;

van oordeel, dat de tijdelijke commissie waardevol materiaal heeft aangedragen voor het debat met de regering;

spreekt daarvoor haar waardering uit;

spreekt uit dat de Kamer voldoende is voorbereid voor het debat met de regering,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Schutte, Van Oven, Nicolaï, Van de Camp, Scheltema-de Nie, Halsema, De Wit, Van der Staaij en Van Dijke.

Zij krijgt nr. 9 (26269).

De heer Van de Camp (CDA):

Voorzitter! Ik sluit mij aan bij de inleidende woorden van de heer Schutte over het antwoord van de commissie op opmerkingen en vragen van de Kamer. Ook onze fractie heeft het antwoord van de voorzitter van de commissie als bijzonder gedegen en uitgebreid ervaren. Op dat punt was het gisteren een buitengewoon verhelderende dag.

Ik maak eerst een opmerking over aanbeveling 7, de notificatieplicht. Op zich staat onze fractie sympathiek tegenover deze aanbeveling, temeer daar zij vraagtekens blijft zetten bij de notificatie. Om een interruptie van de voorzitter van de commissie te voorkomen, merk ik op dat ik mij terdege realiseer dat dit onderwerp bij de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden is geregeld. De stelling is dat de notificatieplicht voortvloeit uit artikel 13 van het EVRM. Ik wil graag dat de strekking van dit artikel in relatie tot de notificatieplicht verduidelijkt wordt. Volgt de notificatieplicht uit de tekst, rechtstreeks uit de jurisprudentie van het Hof in Straatsburg of uit de jurisprudentie van de Nederlandse rechter?

De commissie is op bladzijde 204 van het rapport helemaal niet zo stellig. Er staat: hoewel een mededelingsplicht niet zonder meer uit artikel 13 EVRM voortvloeit, kan zij als een geëigende invulling daarvan worden gezien. Door wie wordt dit zo gezien?

Aanbeveling 12 gaat over de afbakening van de begrippen infiltrant en informant. Dat een afbakening van deze begrippen wenselijk is, onderschrijft de fractie van het CDA, maar de vraag hoe dit moet gebeuren, is veel moeilijker te beantwoorden. De praktijk kent geen strikte afbakening. Ik vind het dan ook nog te vroeg om de keuze die de commissie maakt, het al dan niet onder regie van politie en justitie plegen van strafbare feiten, als onderscheid over te nemen. Ook wat wel en wat niet in een overeenkomst moet en vooral kan staan – wat is namelijk te voorzien – kan ik nu nog niet beslissen. Ik hoor graag ook de minister over dit punt. De voorzitter van de commissie erkende in eerste termijn deze problemen en gaf aan dat bekeken moet worden of de praktijk met dit onderscheid kan werken. Ik wil toch waken voor al te veel experimenteerregelgeving. Laten wij goed bekijken wat er in de praktijk kan en wat niet, voordat wij met nieuwe regelgeving komen.

Aanbeveling 20 gaat over het opvatten van pseudo-koop als infiltratie. Ook hierin blijft mijn fractie terughoudend. Gooien wij het kind niet met het badwater weg wanneer wij aan pseudo-koop dezelfde zware eisen gaan stellen als aan infiltratie? Ik kom even terug op het voorbeeld van de installateur die opmerkt dat hij voor de verlichting van een zolder wel heel sterke lampen moet ophangen. Hij stapt met zijn informatie naar de politie en spreekt af dat hij doorgaat met het aanleggen van de lampen. Dit is pseudo-dienstverlening, maar is het infiltratie, met alle zware processuele eisen van dien? Ik denk dat de behulpzame installateur zich wel drie keer zal bedenken voordat hij dan verdergaat.

Aanbeveling 21 gaat over doorlaten. Doorlaten zal omstreden blijven, hoe mooi wij het ook regelen. Toch weten wij dat een rigoureus nee niet kan, maar ook het muizengaatje is niet de ultieme oplossing, want de vraag is hoe groot dat is. Als de Kamer er geen getal opplakt, zal de jurisprudentie het wel doen. Hoe voorkomen wij dat criminelen kunnen testen of zij worden gevolgd, door net iets meer dan het muizengaatje te verzenden, zodat die hoeveelheid in het beslag genomen moet worden? Graag krijg ik hierop een antwoord van de commissie.

In aanbeveling 23 adviseert de commissie de verschillen tussen de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden en de wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten, althans in ontwerp, tegen het licht te houden. Wat wil de commissie precies aan de orde stellen? Vindt zij de bevoegdheden in de wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten te ver gaan, of moet de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden juist verruimd worden? Ik vind dat wij ervoor moeten waken vanuit ons stramien van opsporing en justitie te adviseren tot wijzigingen in de wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarbij spelen soms dezelfde, maar heel vaak ook andere belangen een rol. Ik ben er niet voor om via de U-bocht van de BOB de IVD te wijzigen.

De aanbevelingen 46 en 47 betreffen de internationale samenwerking. In een Europa zonder grenzen zullen opsporingsdiensten steeds vaker op elkaars grondgebied moeten opereren: Nederland in het buitenland en het buitenland in Nederland. Dit moet in Europees verband geregeld worden. Ik weet niet of het wijs is als Nederland eenzijdig allerlei in de ogen van het buitenland puriteinse afspraken maakt. Dit onderwerp moet in het kader van de JBZ-raad worden besproken. Er is niets op tegen als Nederland een dergelijk onderwerp entameert.

Ik kom toe aan hoofdstuk 5, bijzondere bevindingen. De onthullingen van de commissie roepen bij de fractie van het CDA nog de volgende vragen op. Wij weten inmiddels dat het college van procureurs-generaal in februari 1997 voor de eerste maal en in november 1997 voor de tweede maal werd geïnformeerd. Gisteren in het debat zei de commissievoorzitter vrij precies wat daar gezegd werd. "Er is een "regeling" tussen criminelen, inclusief dubbelinformanten, en overheidsfunctionarissen. De regie berust bij de Colombianen, dus niet bij politie of justitie. Er is sprake van parallelle import. Corruptie is voor deze methode noodzakelijk. Er is sprake van betrokkenheid van medewerkers van FIOD, douane en politie. De 15.000 kilo is toen nog niet genoemd, maar wel het patroon waarin zou worden gewerkt." Op 6 oktober 1998 informeerde het college van PG's de huidige minister op hoofdlijnen. Op 26 maart informeerde de commissie de minister volledig.

Maar wat zijn nu de hoofdlijnen die een politieke weging in de Kamer nodig maken? Allereerst is er natuurlijk de schok van de 15.000 kilo. Waarom is de commissie-Van Traa dat niet te weten gekomen? Meent de commissie dat personen van justitie en/of politie die door de commissie-Van Traa werden gehoord, toen al op de hoogte moeten zijn geweest van deze feiten? Zo nee, wanneer kwam het OM deze feiten op het spoor? Feit is dat het onderzoek is gestokt en dat is meer nog dan de 15.000 kilo een feit van betekenis. Hoort dat feit, het stokkende onderzoek, bij hetgeen de top van het OM tweemaal hoorde in 1997? Zo ja, wat is daar toen mee gedaan?

Mevrouw de voorzitter! Dezelfde vraag kan gesteld worden over de informatie op hoofdlijnen aan de minister in oktober 1998. Wat waren de hoofdlijnen? Hoe weet de commissie eigenlijk dat de minister de hoofdlijnen hoorde? Onder informeren op hoofdlijnen versta ik het in grove pennenstreken tekenen van de ernst van de situatie. Naar mijn mening zijn er drie hoofdlijnen. Het feit van de parallelimport zelf. Het feit dat het wellicht nog steeds plaatsvindt. Het feit dat het onderzoek ernaar stokt. Eigenlijk is dat laatste het ergste. Kan de commissie antwoord geven op de vraag wie in oktober 1998 wisten dat het onderzoek stokte? De minister schrijft in zijn brief aan de Kamer over de informatieverstrekking op 6 oktober: "Ook is kort stilgestaan bij een aantal kritische succesfactoren van het onderzoek." Betekent dit dat ook gezegd is dat het onderzoek stagneerde? Als het college van PG's en de minister dat toen wisten, waarom is er dan niet gecoördineerd? Het kan toch niet zo zijn dat de minister de melding over een stagnerend onderzoek naar parallelimporten voor kennisgeving aannam? Of hoorde de minister het niet en vernam hij pas op 26 maart voor het eerst over het stagneren van de onderzoeken? In dat geval is er op 6 oktober toch zeker geen sprake geweest van informeren op hoofdlijnen.

Voorzitter! Ik heb tot slot nog twee punten alvorens ik bij hoofdstuk 5 en de aanbevelingen kom. De archieven van het Fort-team zijn tot staatsgeheim verklaard om te voorkomen dat ze op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, openbaar gemaakt zouden moeten worden. Deelt de commissie de opvatting dat het tot staatsgeheim verklaren nodig was om openbaarmaking op grond van de WOB te voorkomen? Ik betwijfel dat. Openbaarmaking kan immers achterwege blijven op grond van de uitzondering van artikel 10, sub c, van de WOB, namelijk de opsporing en vervolging van strafbare feiten, en eventueel op grond van sub g van de WOB, namelijk het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van de bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden. Ik zou dit soort teksten nooit zelf bedenken maar zo luidt dat artikel sub g nu eenmaal. Tot staatsgeheim verklaren was dus niet nodig bij een regulier gebruik van de WOB.

Dan de afspraken met de crimineel. Wel of niet een deal, dat is de vraag. Vertaal ik de commissievoorzitter goed wanneer ik zeg dat er formeel níét maar materieel wél sprake is van een deal? Meent de commissie dat het wel degelijk de bedoeling van het OM is geweest een deal te sluiten, maar zodanig dat dit formeel niet zo hoefde te heten?

De commissie schrijft in het rapport dat de verstrekte informatie in geen verhouding staat tot de tegenprestatie. Maar dan begrijp ik werkelijk niet waarom deze deal gemaakt werd! Wat is de achterliggende reden? Zeker als ook de top van het OM en het ministerie van Justitie toestemming gaven. Was bij hen ieder gevoel van verhoudingen zoek? Of acht de commissie het denkbaar dat er méér in het spel is waarvan zij de achtergrond niet kent? En waarom, ik herhaal die vraag, is de minister niet op de hoogte gesteld?

Tot slot aanbeveling 65 over het integrale onderzoek. Ik heb daarbij nog een paar vragen net zoals de heer Schutte. Ik kan mij vinden in de gedachte dat dezelfde officieren door moeten gaan met het strafrechtelijk onderzoek naar de parallelimporten. Maar hoe zit dat met het onderzoek naar de stagnatie van dat opsporingsonderzoek? De reden waarom tot nog toe te weinig gebeurd is, kan toch niet door dezelfde personen worden onderzocht? Of acht de commissie nader onderzoek daarnaar niet nodig? Dezelfde vraag geldt voor het tot staatsgeheim verklaren van het Fort-dossier en de overeenkomst met de crimineel. Zijn die wat de commissie betreft onderwerp van nader onderzoek?

Voorzitter! Collega Schutte heeft de achtergronden van de motie en de ondertekening daarvan toegelicht. Behoudens te zeggen dat ik gewoon Van dé Camp heet, sluit ik mij daarbij aan.

De voorzitter:

Wij hebben dat nog net kunnen wijzigen alvorens de motie werd rondgedeeld.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66):

Mevrouw de voorzitter! Ook ik wil de commissievoorzitter en met haar de commissie bedanken voor de indringende, gedegen en uitvoerige beantwoording. Maar in navolging van de commissievoorzitter wil ik ook iets anders doen, namelijk namens de fractie van D66 expliciet onze grote waardering uitspreken voor de medewerkers van de commissie. Hun inbreng moet voor de commissie van grote waarde zijn geweest. In ieder geval kan ik getuigen van hun enorme inzet, want mijn werkplek gaf daarop het volle zicht!

Mevrouw de voorzitter! Een tweede termijn is er voor de nog overgebleven losse einden en voor een afgerond oordeel over de resultaten van de werkzaamheden van de commissie, de aanbevelingen en het vervolgtraject. Wat dat laatste betreft, heb ik reeds in eerste termijn onze grote waardering voor de werkzaamheden van de commissie uitgesproken. Wij kunnen ons in grote lijnen verenigen met de door de commissie geformuleerde aanbevelingen, ook met de stellingname van de commissie dat de crisis in de opsporing heeft plaatsgemaakt voor een reeks van veranderingsprocessen binnen politie en justitie. De forse smet die de bijzondere bevindingen van de commissie daarop werpen, is naar ons oordeel niet maatgevend voor het werk van politie en justitie in het algemeen. De aanbevelingen bieden een gedegen basis voor verder overleg tussen regering en parlement. Daarom steunen wij ook van harte de motie-Schutte. Op een enkel concreet punt zal ik straks nog kort ingaan. Dat betreft allereerst het onderscheid informant-infiltrant, de deals met criminelen, de toetsing door de toetsingscommissie en het expertisecentrum.

Maar nu eerst hoofdstuk 5: de bijzondere bevindingen van de commissie. De fractie van D66 acht de feiten en de bevindingen van de commissie ten aanzien van de parallelimporten in de periode 1991-1994, waarbij ten minste 15.000 kilo coke ons land is binnengevoerd, dusdanig overtuigend en tegelijkertijd zorgwekkend dat ook wat haar betreft een integraal onderzoek op zo kort mogelijke termijn geboden is. Wij sluiten niet uit, integendeel, wij achten het mét de commissie zeer waarschijnlijk dat deze parallelimporten niet anders konden plaatsvinden dan met medewerking van één of meer medewerkers van FIOD, douane en politie. Daarbij is nog niet geheel duidelijk of het hier chantage, corruptie dan wel misleiding betreft. Ook dat moet in het onderzoek terdege worden uitgezocht. Voorts moet worden onderzocht of de parallelimporten en de steun daarbij van overheidsfunctionarissen sinds 1994 nog zijn voorgekomen. D66 vindt dat er reële aanwijzingen zijn dat dat ten minste een aantal keren, ook na 1994, heeft plaatsgevonden, en wellicht zelfs ook nu nog plaatsvindt. Veel meer helderheid moet er komen in de selectieve informatievoorziening, of liever non-informatie, van het college van procureurs-generaal respectievelijk hoge ambtenaren van het ministerie van Justitie aan de betrokken ministers over hetgeen hen over deze praktijken al sinds 1997 bekend was. De commissie is hierover naar ons oordeel voldoende duidelijk geweest, binnen de grenzen van het mogelijke. Met de minister willen wij hierover in de komende week indringend doorspreken. Het is toch niet acceptabel als over dit soort belangrijke zaken niet, te laat en dan nog mondjesmaat wordt gecommuniceerd door college en departementen met de politiek verantwoordelijke ministers? Hadden wij nu juist niet voor verbeterde communicatie en aansturing een college van procureurs-generaal in het leven geroepen? Wat hebben de minister en zijn voorganger nu precies wanneer gehoord? Wat zijn de hoofdlijnen waarover werd geïnformeerd, en waarom heeft het tot nu geduurd voordat stappen werden ondernomen? Van de commissie wil ik graag weten wat zij nu precies onder hoofdlijnen verstaat. Over de gewenste meer actieve rol van het college van procureurs-generaal in het algemeen is overigens het laatste woord bepaald niet gezegd, zoals bijvoorbeeld bij de normering en de implementatie, en over de rol van het college bij de toetsing van opsporingsmethoden.

Voorzitter! Ik kom toe aan het onderzoek waarop de commissie aandringt. Gezien de ingewikkeldheid van de materie zou het goed zijn als de officieren van justitie die zich reeds diepgaand in de materie hebben ingewerkt, ook het vervolg gaan dragen. Wij zijn dat volledig met de commissie eens, maar heeft zij redenen om eraan te twijfelen dát dit zal gebeuren? Bij dat onderzoek is ook wat D66 betreft een belangrijke rol voor de minister weggelegd. Hij zal zich heel concreet met de voortgang moeten inlaten, opdat niet wederom stagnatie gaat optreden, zoals helaas bij de onderzoeken die na Van Traa werden ingesteld het geval was.

Voorzitter! Waar wij na de toelichting van de commissie sterk over twijfelen, is de specifieke rol die de commissie bij dit onderzoek voor de Kamer weglegt. Het heeft er iets van weg dat de commissie een soort parlementaire schaduwcommissie in het leven wil roepen, die de minister van zeer nabij op de hielen zit, of wellicht zelfs parallel begeleidt, een commissie die nauwgezet van al het reilen en zeilen vertrouwelijk op de hoogte wordt gehouden. Maar daarmee komt de commissie als een soort buffer tussen de minister en de normale openbare controle in de Kamer te staan. Dat maakt naar ons oordeel de controleverhoudingen heel ondoorzichtig. In mijn eerste termijn zei ik al dat D66 geen behoefte heeft aan een soort permanente commissie speurneuzen, ook niet als deze slechts voor de termijn van dit onderzoek functioneert. Evenmin hebben wij behoefte aan een soort parlementaire onderzoeksbegeleidingscommissie. Zou het niet beter zijn te kiezen voor intensivering van de bestaande formule: controle bij de Kamer, met het voortouw bij de justitiewoordvoerders, aan wie zo nodig en wellicht ook iets meer dan normaal vertrouwelijke informatie wordt verstrekt? In bijzondere gevallen kan altijd worden teruggevallen op een bijzondere voorziening, bijvoorbeeld de fractievoorzitters.

De heer Schutte (GPV):

Ik kan een heel eind meegaan met uw betoog op dit punt, behalve op dat van justitiewoordvoerders die eventueel vertrouwelijk geïnformeerd worden. Ben je dan toch niet feitelijk bezig, maar dan op een niet gestructureerde manier, te doen wat de commissie vraagt? Als je ziet aankomen dat aan zoiets behoefte zou kunnen bestaan, breng dat dan ordelijk in kaart. Laat het geen zaak zijn van de justitiewoordvoerders, wie dat ook mogen zijn op een bepaald moment, want die zouden dan een andere rol krijgen, als het gaat om de informatie, dan de rest van de commissie.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66):

Het is in ons parlementaire systeem gebruikelijk dat commissies in bijzondere gevallen vertrouwelijk kunnen worden ingelicht. Het betreft eigenlijk altijd de woordvoerders die dat raakt. Dat is heel normaal. Dat kan ook hier het geval zijn. Misschien dat het hierbij iets meer het geval is. Dat sluit ik niet uit. Het gaat mij op dit moment echter te ver om te spreken van een vaste commissie, tussen de minister en de Kamer in, die een bufferfunctie gaat vervullen. Dat lijkt mij onwenselijk. Ik vind dat je het normale proces zijn gang moet laten gaan. Als er tussentijds vertrouwelijke informatie nodig is, dan moet je dat natuurlijk laten plaatsvinden.

De heer Schutte (GPV):

Voorzitter! Ik ben het eens met het laatste. Daar heb ik ook opmerkingen over gemaakt. De normale kanalen gaan voor. Tot die normale kanalen behoort naar mijn gevoel wel de vaste commissie, maar niet de woordvoerders in die vaste commissie. Wat mevrouw Scheltema wat dat betreft als normaal beschouwt, zou ik toch niet willen institutionaliseren. Dan geef ik de voorkeur aan een ad-hoccommissie uit de vaste commissie met een heel begrensde specifieke taak, als de noodzaak daartoe aanwezig is.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66):

Voorzitter! Ik ben blij dat de heer Schutte dit zegt, want het is niet mijn bedoeling om de woordvoerders uit de vaste commissie een vaste positie te geven. Ik gaf slechts aan wat gebruikelijk is. De vaste commissie heeft wat mij betreft hierbij het voortouw.

De heer Van Oven (PvdA):

Voorzitter! Had de Kamer niet alerter moet zijn op deze ontwikkeling, gelet op de voorzichtige mededeling in het rapport-Van Traa en gelet op het uitblijven van antwoorden op de 26 vraagpunten die zijn geformuleerd naar aanleiding van het onderzoek inzake het Fort-team? Hebben wij met zijn allen geen kansen gemist? Moet daar geen lering uit worden getrokken voor de toekomst, in die zin dat een bijzondere controle noodzakelijk is en dat wij het met de dagelijkse controle door de woordvoerders niet aan kunnen, niet alleen vanwege de kwestie van vertrouwelijkheid, maar ook doordat telkens andere onderwerpen onze aandacht vragen?

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66):

Ik ben het eens met de eerste stellingname. Ik vind dat de Kamer, net als ieder ander, lering uit de gang van zaken moet trekken. De Kamerleden hebben de verantwoordelijkheid alert te zijn. Als toegezegde informatie niet komt, dan moeten wij op het vinkentouw zitten. Ik vind niet dat een ondoorzichtige tussencommissie moet worden gevormd.

De heer Van Oven (PvdA):

Voorzitter! Wat is het verschil tussen de suggestie van mevrouw Scheltema om woordvoerders met geheimhouding te laten opereren en het voorstel van de commissie om een permanente groep te laten doorgaan die ook vertrouwelijk wordt geïnformeerd?

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66):

Ik heb geprobeerd dat te omschrijven met: een vaste commissie speurneuzen. Ik ben een beetje bang dat dit gaat lijken op een collegiale schaduwminister. Dat dreigt het te worden. Het kan de openbare controle in deze Kamer ook in de weg staan. Dat is mijn grote angst. Daarom geef ik de voorkeur aan een modaliteit, met behulp waarvan voor voldoende informatie kan worden gezorgd. Ik ben niet voor een tussencommissie, want in de Kamer gaan wij bij onze controle ook al heel moeilijk om met de vaste commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter! Ik kan mij wel iets voorstellen bij het bezwaar van mevrouw Scheltema dat de openbaarheid misschien in het gedrang kan komen. Vindt mevrouw Scheltema dat het initiatief tot parlementaire controle, op welke manier dan ook vormgegeven, bij de Kamer moet liggen of bij het ministerie? Met andere woorden, zou er sprake moeten zijn van vaste rapportages waar de Kamer op kan wachten en die elke keer komen, of hangt het ervan af wanneer het ministerie besluit de Kamer te informeren?

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66):

Ik vind dat het aan de Kamer is om eigen procedures en informatieverzoeken te formuleren. De Kamer moet alert zijn en het ministerie zoveel mogelijk op de hielen zitten. Het moet echter ook niet helemaal overgelaten worden aan de minister. Het moet natuurlijk aan het departement worden overgelaten om datgene aan de Kamer te geven wat men wil geven. De Kamer heeft echter haar eigen verantwoordelijkheid. Zij kan zeggen dat de informatie niet voldoende is of dat zij eerder, bijvoorbeeld om de maand of de twee maanden, een rapportage wil ontvangen. Dat is aan de Kamer. De Kamer moet zich daar terdege op beraden.

Voorzitter! Nog een enkel aandachtspunt. Er is gisteren over het grijze gebied tussen informant en infiltrant iets meer duidelijkheid gekomen, maar geheel tevreden ben ik nog niet. Het is goed om vast te stellen dat ook de commissie naar enige oprekking van het begrip "informant" toe wil ten koste van het begrip "infiltrant". Dat zou via een overeenkomst, al dan niet standaard, kunnen gebeuren. Die overeenkomst lijkt ons op zich een redelijke oplossing. De uiterst gedetailleerde vastlegging waarvoor de commissie lijkt te pleiten, bijvoorbeeld van wat onder hand- en spandiensten in een concreet geval moet worden verstaan, gaat onzes inziens erg ver. Er moet enige ruimte zijn. Er zou met een iets algemenere formulering gewerkt moeten kunnen worden, opdat de informant inderdaad zijn werk kan doen. Ik hoor graag een nader antwoord van de commissie op dit punt.

Voorzitter! Nu in Nederland niet mag worden gewerkt met criminele burgerinfiltranten, rest soms slechts de deal met criminelen. Dat is een uiterst kwetsbare aangelegenheid, zoals alleen al blijkt uit de bijzondere bevindingen van de commissie zelf ten aanzien van de vergaande deal met een topcrimineel. De overheid komt daarmee op een zeer hellend vlak. D66 vindt dat een deal alleen is toegestaan, als deze volgens de vastgestelde regels verloopt. Wij kennen geen predeals. Mevrouw Kalsbeek zegt dat deze dan dus vormvrij zijn. Zolang wij in ons land de predeal niet hebben geregeld, bestaat deze echter niet. Naar ons oordeel kan er dus geen sprake zijn van een predeal of een informele voorfase. Ik hoop dat de commissie dit oordeel deelt. Overigens wil ook ik graag weten waarom die regels niet zijn gevolgd en waarom de minister niet op de hoogte is gesteld. Ik hoop dat de commissie iets meer kan zeggen. Wij zullen hier in het overleg met de minister ook terdege op ingaan, omdat dit rechtstreeks de afspraak met de topcrimineel betreft, die door de minister als een predeal wordt behandeld.

Het komen tot een bundeling van de jurisprudentie van de Centrale toetsingscommissie spreekt ons aan, maar wij hebben wel enige zorgen, zeker nu uit het onderzoek van de commissie op pagina 174 blijkt hoe wisselvallig het toetsingsproces nog is. Er wordt niet volgens een vast stramien gewerkt noch aan duidelijke criteria getoetst. Ook lijkt nauwelijks te worden gekeken hoe in vergelijkbare zaken eerder werd getoetst. Het college van procureurs-generaal neemt de adviezen vrijwel zonder nadere discussie over. Kortom, daar is nog wel het een en ander aan te verbeteren voordat er echt van een soort jurisprudentie gesproken kan worden. Vindt de commissie ook niet dat hier een actievere rol van de PG's gewenst zou zijn?

Tot slot het expertisecentrum. Sanering van de wirwar aan overleggen en beraden spreekt ons aan. Maar het onafhankelijke expertisecentrum waartoe de commissie zich heeft bekeerd, roept ook na de beantwoording nog dusdanig veel vragen op dat wij daar nu niet vol voor willen gaan. Zaken als initiëren, de opsporingsmethode verbeteren en verfijnen zijn allemaal mooi en moeten zeker gebeuren, maar zo'n centrum moet zich niet te veel kunnen loszingen van de opsporingspraktijk. Ook de inbedding en verantwoordelijkheden blijven ons nog te duister. Wie bepaalt nu welke methodes de moeite van verspreiding waard zijn? Kortom, hier nog geen onverkort "ja" van onze kant.

Mijn vrees voor een nieuwe besteldiscussie, geëntameerd door de commissie, bleek gelukkig ongegrond. Ook de commissie wil dat niet. Wij beoordelen de voorstellen van de commissie op het terrein van de politieorganisatie dan ook tegen die achtergrond, dus vanuit de huidige structuur.

Tot slot sluit ik mij volledig aan bij de opmerkingen die de heer Van de Camp heeft gemaakt over de contacten met buitenlandse opsporingsdiensten. Dat moet nader worden onderzocht.

De heer Van Oven (PvdA):

Voorzitter! Ook de PvdA-fractie heeft veel waardering voor het antwoord dat de commissie gisteren gaf. Het was een uitgebreid antwoord dat naar mijn mening ook de discussie over opsporingsmiddelen in zijn algemeenheid verder heeft geholpen. Het biedt een goede basis om daarover door te procederen, zowel op het gebied van wetgeving als op het gebied van de praktijk. Mijn fractie ondersteunt dan ook van harte de motie van de heer Schutte, daarbij heel goed beseffend dat wij vandaag nog absoluut nog geen moment van decharge van de commissie meemaken, omdat wij natuurlijk eerst de discussie met de minister moeten afwachten voordat dat gebeurt. De motie is een soort ondersteuning van de rest van het werk van de commissie.

Voorzitter! Ik zal nog wat opmerkingen maken over enkele aanbevelingen omdat de discussie daartoe prikkelt, zonder dat dit tot finale besluitvorming hoeft te leiden. Ik zal besluiten, zoals andere sprekers deden, met een beschouwing over datgene wat in hoofdstuk 5 staat, ook omdat dit de opmaat is tot het debat dat wij volgende week met de minister van Justitie zullen hebben.

Ik maak een technische opmerking over de notificatie, waarbij ik mijn verontschuldigingen maak, omdat dit gezichtspunt mij ook pas onlangs heeft bereikt. Het gaat over het verband tussen notificatie en mini-instructie, waarbij ook nog het doorlaten kan worden betrokken. Als er genotificeerd moet worden, brengt dit eventuele medebetrokkenen, dus personen die bij een bepaald complex aan gedragingen zijn betrokken naast degene aan wie wordt genotificeerd, op het spoor van de activiteiten van de overheid. Voorts is de praktijk van het wegtippen ontstaan nu wij het doorlaten heel streng hebben gereguleerd. Ook dat kan medebetrokkenen op het spoor brengen van opsporingsactiviteiten van de overheid. Is het niet zo dat de mini-instructie, die wij juist in het kader van de herziening van het gerechtelijk vooronderzoek hebben geïntroduceerd, de medebetrokkene er makkelijk toe kan aanzetten om op eigen initiatief de rechter-commissaris te vragen om een mini-instructie, waarna de betrokkene in het kader daarvan kan vragen of er opsporingsactiviteiten tegen hem of haar aanhangig zijn gemaakt? Als dit zo is, brengt dit de betrokken rechter-commissaris dan niet in een lastig parket? Heeft de commissie aandacht aan dat vraagpunt geschonken?

Mijn volgende opmerking geldt de informant-infiltrantsituatie, waarover uitgebreid is gesproken. Mijn fractie deelt het standpunt dat hier een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt en deelt nu ook het standpunt dat dit nader moet worden uitgewerkt, maar plaatst vraagtekens bij de manier waarop dat zou moeten gaan, met name bij de overeenkomst die van tevoren zou moeten worden gesloten. Wij kunnen ons voorstellen dat daarin bij wijze van standaard de woorden "hand- en spandiensten" worden opgenomen en zelfs ook dat deze in relatie moeten staan met de ernst van het delict waarover informatie moet worden geboden. Het gaat ons vooralsnog te ver om ook expliciete strafbare feiten in een dergelijke overeenkomst te regelen, zoals gisteren door de voorzitter van de commissie is gesuggereerd, maar wij kunnen hier later op terugkomen.

Mijn fractie gaat in grote lijnen akkoord met datgene wat is voorgesteld over het doorlaten. Een praktisch punt blijft de bezetting van het college van PG's, dat er 24 uur zou moeten zijn. De commissie heeft aangegeven dat deze dienst werkelijk door leden van het college zelf zou moeten worden verricht en niet door een assistent. De commissie zegt daarbij dat het slechts gaat om een muizengaatje, maar ook al is een muizengaatje klein, er pleegt toch nog wel eens een grote hoeveelheid muizen doorheen te kruipen. Dat zou kunnen betekenen dat er sprake is van een zodanige werklast dat het college geneigd zal zijn om die praktijk te standaardiseren en dan ontstaan weer de automatismen die wij eigenlijk niet willen.

Vervolgens maak ik een opmerking over de internationale opsporing. Mijn fractie concludeert dat er nog steeds drie belangrijke vragen liggen.

  • 1. Wat mogen buitenlandse opsporingsambtenaren in Nederland precies en wat doen zij in de praktijk?

  • 2. Worden verplichtingen uit internationale verdragen in de praktijk van de opsporing in Nederland als obstakels ervaren en, zo ja, wat gebeurt er met die wetenschap?

  • 3. Hoe kan de ontwikkeling van de Nederlandse opsporingsmethode, waarmee wij ons in deze zaal en daarbuiten bezighouden, worden gerelateerd aan de internationale studies daarnaar?

Wellicht is dit een onderwerp dat als een pakket nader bestudeerd moet worden. Wij zullen dat in het debat met de minister volgende week zeker aan de orde stellen, maar wij zijn nu al geïnteresseerd in het standpunt van de commissie.

In aanbeveling 54 wordt gesteld dat het college van PG's actiever moet zijn bij de doorwerking van de richtlijnen en regels over opsporingsmethoden. Mijn fractie heeft eergisteren op dit punt gevraagd of het gebrek aan optreden van dit college in het verleden te wijten is aan de minimale bezetting of aan iets anders. Van OvenNaar ik meen, is die vraag nog niet expliciet beantwoord.

Dan heb ik nog een vraag over aanbeveling 56, die handelt over de toegankelijkheid van de jurisprudentie van de Centrale toetsingscommissie voor alle betrokken. Wij hebben al schriftelijk gevraagd wie die betrokkenen nu precies zijn. Wij veronderstellen dat dat justitie en politie is. Het is dan echter de vraag of een dergelijk onderscheid houdbaar is in verband met de Wet openbaarheid bestuur en artikel 99 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Met andere woorden: kan de verdediging op dit gebied eigenlijk wel buiten de deur worden gehouden?

Ik maak een enkele opmerking over hoofdstuk 5. Ik stel voorop dat wij tevreden zijn met de behandeling van dit hoofdstuk. Volgende week praten wij hierover met de minister. Het is ook verstandig om dit uit elkaar te halen, omdat het hoofdstuk te veel brandbaar materiaal bevat om het lang te laten smeulen. De fractie van de Partij van de Arbeid vindt het juist dat de commissie voorzover mogelijk voor openbaarheid heeft gekozen. Dat heeft bezwaren, maar dat is toch mijlenver te verkiezen boven het weglaten van het hoofdstuk of het hoofdstuk ter vertrouwelijke kennisneming aan de Kamer doen toekomen. Ook het vragen om enquêtebevoegdheden lag volgens mijn fractie niet voor de hand. De commissie kwam er nu wel met de mogelijkheden die zij had en kon de benodigde gegevens op deze manier boven water krijgen.

Mijn eerste opmerking gaat over de voorgeschiedenis. De heer Van de Camp heeft daar ook al enige aandacht aan besteed. In het rapport-Van Traa wordt gezegd dat er enige aanwijzingen waren voor parallelimporten. De vraag is nog steeds of de commissie-Kalsbeek precies weet wat die aanwijzingen precies inhielden. Gezien de samenstelling van deze commissie, ligt het voor de hand dat zij het weet. Die vraag laat zich misschien nog het eenvoudigst beantwoorden. De voorzitter van de commissie-Kalsbeek zegt: "De parlementaire enquêtecommissie kon overigens niet meer weten dan zij destijds heeft opgeschreven. Dat hebben wij wel kunnen vaststellen." Even later zegt zij: "Die onderzoeken" – die naar aanleiding van het Fort-team zijn verricht – "hebben steeds meer informatie opgeleverd en anderhalf jaar geleden is het beeld ontstaan dat wij in ons rapport hebben geschetst." Nu gaat het mij om de zin "kon niet meer weten dan". Betekent dit "op grond van wat haar was verteld", dus in de zin van "kon niet meer weten dan zij nu eenmaal wist"? Of betekent dit "kon niet meer weten op grond van wat toen ergens bij de overheid bekend was"? "Kon niet meer weten" is dan "had niet meer kunnen weten, omdat het haar niet kon worden verteld". Op dat punt is het natuurlijk van belang dat de 26 vraagpunten die naar aanleiding van het rapport Fort zijn geformuleerd, terugslaan op het onderzoek inzake het Fort-team. Als ik het goed heb, was dat al begonnen toen de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa nog werkzaam was. Dan moeten of kunnen er dus toen al resultaten zijn geweest. Als dat zo was, had het voor de hand gelegen dat hierover met de commissie-Van Traa was gecommuniceerd. Met andere woorden: is de commissie er absoluut zeker van dat het verschijnsel van de parallelimporten niet al voor februari 1997, of misschien zelfs al voor de afronding van het rapport-Van Traa, bij de politie en/of het OM en/of het ministerie bekend was?

Mevrouw Kalsbeek-Jasperse:

Zou u de vraag kunnen herhalen, zodat wij deze goed kunnen beantwoorden? U zegt dat de parlementaire enquêtecommissie niet meer kon weten om twee redenen, maar die kon ik niet goed onderscheiden.

De heer Van Oven (PvdA):

Ik heb geprobeerd twee interpretaties ervan te geven. De eerste is dat zij niet meer kon weten, omdat zij niet meer wist, dus op grond van wat haar was verteld. De tweede reden is dat zij niet meer kon weten, omdat die kennis überhaupt niet bestond bij de overheid. Dat maakt nogal wat uit.

De fractie van de Partij van de Arbeid is tevreden met de uitleg van corruptie, die erop neerkomt dat de vastgestelde parallelimporten niet konden gebeuren zonder medewerking van verschillende ambtenaren, maar dat de aard daarvan niet precies kon worden vastgesteld, hoewel corruptie of chantage het meest waarschijnlijk zijn. Voor de periode na 1994 zijn er wel aanwijzingen, maar geen harde feiten. Daarbij gaat het niet om aanwijzingen die tot personen te herleiden zijn, maar om het verschijnsel als zodanig. Dat doet niet af aan de ernst van het feit of aan de noodzaak tot strafrechtelijk onderzoek, waarover wij nog spreken met de minister. Ook geldt dat bepaald niet gesproken kan worden van een platte douanedienst of een platte politiedienst in het algemeen. Het is goed om dat hier vast te stellen.

Bij de parallelimporten is van belang dat de commissie heeft verduidelijkt dat zij met haar terminologie "harde feiten" de waarheidsvinding op het oog heeft gehad en niet de juridische bewijstechnologie, waarvan de minister zich in zijn brief bedient. Nu de Tweede Kamer de commissie geen opdracht had gegeven tot het verzamelen van strafrechtelijk bewijs, maar wel tot waarheidsvinding, kan de discussie over de strafrechtelijke of juridische waarde van dit woordgebruik achterwege blijven. De minister lijkt zich ook op dit standpunt te stellen. Dat is alvast een verheldering voor het debat van volgende week.

In arren moede kom ik nog even terug op het XTC-traject. De voorzitter van de commissie heeft gisteren gezegd dat zij niet heeft doorgevraagd of de regering iets heeft verricht in de richting van de Engelse autoriteiten. Dat is toch wel een beetje verrassend, omdat dit traject uitgebreid is genoemd in het rapport-Van Traa. Daarin is ook aan de orde gesteld de bedreiging van de territorialiteit van het Britse koninkrijk door het gebruik van onze opsporingsmethoden. Het lag voor de hand dat de commissie daarop doorging. Graag hoor ik een uitleg.

De voorzitter van de commissie is nagelopen op welke manier de beschreven predeal met een topcrimineel kan worden gekarakteriseerd. Zij komt naar het oordeel van de fractie van de Partij van de Arbeid tot de juiste conclusie, dat het een deal is met een crimineel die niet voldoet aan enige voorwaarde die daaraan in de bekend zijnde regelingen of toekomstige regelingen kan worden gesteld. Het betreft een overeenkomst met kennelijk een topman uit een criminele organisatie, waarbij de van de overheid te verwachten tegenprestatie moeilijk te begroten is. Mijn fractie vindt zo'n soort overeenkomst ongewenst. Daarbij past de vraag of deze deal nog terug te draaien is. Of is deze nu in zoverre in werking dat dit niet meer kan zonder dat wij moeten vrezen voor een actie van de topcrimineel tot schadevergoeding?

Mijn fractie deelt niet de stelligheid waarmee de commissie die tegenprestatie in kaart brengt. De vraag of ondanks de overeenkomst naderhand toch tot vervolging van eerder gepleegde strafbare feiten kan worden overgegaan, is zozeer afhankelijk van onzekere factoren (om ook enig verhullend taalgebruik te hanteren) dat mijns inziens niet zonder meer gesteld kan worden dat de overeenkomst de facto betekent dat de betrokkene niet meer kan worden vervolgd.

Na datgene wat de commissievoorzitter gisteren heeft gezegd over het niet ten uitvoer brengen van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaar bij een persoon die een lopend vonnis heeft, kan de indruk blijven bestaan dat het op vrije voeten stellen van de betrokkene te maken heeft met de door betrokkene af te leggen verklaringen. Dat komt met name door de vergelijking met de verkrachter met de hond. Maar daar zijn geen aanwijzingen voor. Ook in de discussie is daarop gewezen. Het gaat hierbij om een kennelijk in Amsterdam bestaande praktijk die erop neerkomt dat als iemand om welke reden dan ook gedurende het proces op vrije voeten is gesteld, niet alsnog wordt aangehouden wanneer een beroep volgt bij het Europese Hof voor de rechten van de mens. Dan zou nog wel de vraag gesteld kunnen worden of die invrijheidstelling op zuivere gronden heeft plaatsgevonden. Die vraag is ook gesteld. De commissie heeft daarover gezegd geen aanwijzingen te hebben dat dit op een onjuiste manier is gebeurd.

Over het staatsgeheim heeft collega Van de Camp al vragen gesteld, waarbij ik mij wil aansluiten. De voorzitter van de commissie heeft gisteren gezegd dat het motief dat er mogelijk beroep op de Wet openbaarheid van bestuur kan worden gedaan, als vanzelfsprekend werd genoemd. Dat maakt het des te ernstiger, omdat daardoor nog eens duidelijker naar voren komt dat men zich aan de eigenlijke hantering van de WOB weinig gelegen zou laten liggen.

Ik kom ten slotte toe aan de informatie-uitwisseling over het onderzoek en over de ontwikkelingen met betrekking tot die parallelimporten. Dat levert het beeld op dat collega Van de Camp al heeft geschetst met het tijdschema februari 1997, oktober 1998 en vervolgens maart 1999 als belangrijke ijkingsmomenten.

De toenmalige super-PG Docters van Leeuwen heeft het bericht over februari 1997 gisteren in de Volkskrant bevestigd. Hij heeft daaraan toegevoegd de minister toen wel volledig op de hoogte te hebben gesteld. De voorzitter van de commissie zegt daarover, ook na doorvragen van onze kant, dat de minister niet op de hoogte was van de portee en de urgentie die daaraan gegeven zou moeten worden. Mijn fractie vindt die gang van zaken onbevredigend. Het is begrijpelijk dat een commissie met dit karakter vertrouwelijke gesprekken voert en de verslagen van die gesprekken niet ter inzage geeft aan andere Kamerleden dan degenen die lid zijn van de commissie. Ik ben er overigens van uitgegaan dat daarbij met name operationele redenen een rol spelen. Maar wanneer zo'n gesprekspartner zich tijdens de ontknoping van het drama zelf op het toneel begeeft en een lezing geeft die in ieder geval op één punt, namelijk de mate waarin de minister van Justitie werd ingelicht, afwijkt van die van de commissie, dan kunnen wij alleen de handen ten hemel heffen. De betrokkene is op die manier in staat de discussie eenzijdig te kleuren, ook omdat hemzelf door ons geen vragen kunnen worden gesteld. Zo ontbreekt bijvoorbeeld in het betreffende krantenstuk opvallend het antwoord op de vraag wat Docters van Leeuwen dan zelf heeft verricht om dat onderzoek na februari 1997 tot een goed einde te brengen. Mag ik daarover het standpunt van de commissie vernemen?

Hoe moeten wij dit nu verstaan? Natuurlijk is het van belang dat toen nog niet de hoeveelheid van 15.000 kilo werd genoemd. Maar wanneer sprake was van voorlichting door het college aan de minister over de essentie van de parallelimporten, dan veroorzaakt dat toch een schok, of het nu om 15.000, 1500 of zelfs 15 kilo gaat. Dus wat heeft minister Sorgdrager op basis van de informatie door Docters van Leeuwen moeten en kunnen begrijpen? Wat is haar actie naar aanleiding daarvan geweest?

Wij hebben al gesproken over oktober 1998. Toen werd hetzelfde patroon gepresenteerd aan het college plus het getal van 15.000 kilo. Dat zou toen nog steeds niet aan de minister zijn gecommuniceerd. Ten slotte is er dan de bijeenkomst van 26 maart. Wij begrijpen van de commissie dat de minister toen pas echt geïnformeerd werd en dat hij verbaasd was over wat hij hoorde. De vraag is dan weer: verbaasd over alles, over een gedeelte of over een bepaald verband? Wij kunnen dat beter volgende week aan de minister zelf vragen. Er bestaat echter wel spanning met de brief van de minister waarin hij zegt al in oktober van het onderzoek op de hoogte te zijn gesteld.

Het tweede vraagpunt dat overblijft, is dat de commissie zegt de minister van alles op de hoogte te hebben gesteld, terwijl de minister zegt dat het om een aantal aspecten ging, waarbij de minister misschien heeft gedoeld op het punt dat een en ander nog moest worden geverifieerd. Van belang is natuurlijk ook nog het overdrachtsdossier, waarin de problematiek kennelijk niet is gemeld. Collega Van de Camp is met dat punt gekomen. Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat dit niet gebeurd is met een dergelijk belangrijk onderwerp. Is daar nog op doorgevraagd tijdens het gesprek op 18 mei? Is daarbij ook de verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie ter sprake gekomen? De secretaris-generaal is immers de hoogste ambtenaar die de overgang van de ene minister naar de andere bewaakt. Een finale beoordeling van al deze informatiegeschillen kan mijn fractie nog niet geven. Daarvoor gaan wij eerst met de minister praten, maar de indruk vestigt zich wel dat er tussen college van PG's en minister op verschillende tijdstippen volstrekt onvoldoende is gecommuniceerd.

De PvdA-fractie beschouwt de discussie van deze week als een geschikte opmaat voor het debat met de regering. Het rapport zal daarnaast ook zijn eigen weg gaan. Na het reces zullen wij spreken over de aanbevelingen 1 t/m 64, volgende week over hoofdstuk 5. Wij zijn geneigd om het overgrote deel van de aanbevelingen te volgen, behoudens een enkele uitwerking en een enkele technische aanbeveling. Dat geldt ook voor de aanbevelingen met betrekking tot hoofdstuk 5, in die zin dat er snel zekerheid moet ontstaan over inhoud, reikwijdte en snelheid van het integrale onderzoek. Wat ons betreft, wordt dat direct aangestuurd door het college van PG's onder directe en zeer intensieve controle van de minister van Justitie. Ik merk nog wel op dat mijn fractie er geen behoefte aan heeft om al te specifiek te zijn over de samenstelling van het onderzoeksteam dat onder het gezag van het college van PG's zal functioneren. Dat vinden wij een uitwerking die aan die organen moet worden overgelaten, hoewel wij ons heel goed kunnen voorstellen dat er praktische bezwaren bestaan tegen het uitschakelen van goed geïnformeerde opsporingsambtenaren. Er zal een afwegingsproces moeten plaatsvinden dat ook andere aspecten bevat die wij moeilijk kunnen meewegen.

Hetgeen de commissie in hoofdstuk 5 heeft vastgesteld, is ook gezien de voorgeschiedenis zo ernstig dat het parlement dat intensiever zal moeten volgen dan door middel van de gebruikelijke dagelijkse controlemiddelen. De PvdA-fractie voelt dus voor een bijzondere commissie uit de Kamer, zoals in aanbeveling 66 wordt gesuggereerd. Over de samenstelling van, de opdracht aan en het werkterrein voor die commissie zal na het debat met de minister, zodra duidelijkheid bestaat over de inhoud van het integraal onderzoek, nader moeten worden beslist. Dat brengt mee dat wij kiezen voor een uitzondering die ook wat ons betreft in tijd en reikwijdte beperkt moet worden. Wij moeten er geen gewoonte van maken om telkens dit soort commissies in te stellen, maar die uitzondering beantwoordt naar de mening van de PvdA-fractie bepaald aan het unieke karakter dat het onderzoek van deze commissie het afgelopen halfjaar heeft gehad. Daarmee willen wij haar nogmaals complimenteren.

De heer Nicolaï (VVD):

Voorzitter! Ik begin met de commissie te bedanken voor de heldere beantwoording die veel onduidelijkheid en een aantal twijfels heeft weggenomen. Dat betekent dat het positieve beeld dat wij al hadden van het rapport in zijn geheel en de teneur van de aanbevelingen en dat ik in de eerste termijn al schetste, na de beantwoording van de commissie nog wat positiever is geworden. Dat is iets anders dan een specifieke uitspraak over de afzonderlijke aanbevelingen, alleen al omdat wij helaas nog geen enkel inzicht hebben in de financiële consequenties, maar vooral omdat wij er eerst verder over praten met het kabinet en dan tot ons uiteindelijke oordeel over de concrete aanbevelingen komen.

Ik begin ook mijn tweede termijn met het bespreken van de bijzondere bevindingen van hoofdstuk 5. Wat mij betreft, heeft dat voorrang. Wij geven het tenslotte ook voorrang in het debat met het kabinet volgende week. Het lijkt mij tijd dat wij tot een voorlopige inschatting komen van aannemelijkheid en ernst van die bevindingen. Het kan niet méér zijn dan een voorlopige inschatting. Wij spreken de volgende week met de minister en mijn fractie neemt het rapport serieus, maar óók de minister. Bovendien is het ook daarna niet aan de Kamer om te bepalen wat waar is en wat niet, wat vaststaat en wat niet vaststaat, althans waar het gaat om wat juridisch vaststaat. De Kamer is per slot van rekening geen rechter.

De commissie stelt dat grootschalige doorlevering van cocaïne heeft plaatsgevonden tussen 1991 en 1994, met medewerking van ambtenaren. Voorzitter! Ook gelet op de vertrouwelijke informatie hierover acht mijn fractie dit aannemelijk gemaakt door de commissie. Aannemend dat hiervan sprake is geweest, vinden wij dit een zeer ernstige zaak. Wat ons betreft dient de minister alles in het werk te stellen om hierover opheldering te krijgen.

Een tweede bevinding betreft de suggestie dat hierbij sprake is geweest van corruptie. Voorzitter! Dit zou de zaak nog ernstiger maken. De hardheid van deze uitspraak is echter een ander verhaal, zoals ook de commissie zelf stelt. Zij heeft aannemelijk gemaakt dat er medewerking nodig was en stelt vervolgens dat het waarschijnlijk om corruptie gaat; het kon eigenlijk niet goed zonder corruptie. Echter, de commissie erkent dat er ook andere vormen van medewerking mogelijk waren, waaronder chantage. Juist in de periode 1991 tot 1994 kan heel goed een motief zijn geweest dat men dacht mee te werken aan een bijzondere opsporingsmethode. De commissie heeft gisteren gezegd dat er voor corruptie geen aanwijzingen waren. Zo heb ik het gisteren de voorzitter van de commissie horen zeggen.

Voorzitter! Ik wil niet de indruk wekken dat ik denk dat er géén corruptie heeft plaatsgevonden. Natuurlijk sluit ik dat niet uit en dat zou wel degelijk schokkend zijn, absoluut een zaak voor de minister, maar het beeld dat ik na deze discussie heb gekregen, is toch wat lichter dan het rapport suggereert, zeker als ik het ten geleide lees.

De derde bevinding heeft betrekking op de mogelijkheid dat ook na 1994 doorlevering plaatsvond. Voorzitter! Dat zou de ernstigste van de verschillende bevindingen zijn. Hier wreekt zich het sterkst dat de commissie in haar rapport bepaalde beweringen doet, die in het openbaar maar zeer beperkt onderbouwd kunnen worden; het gaat om vertrouwelijke informatie. Wat dit betreft kies ik andere woorden dan de heer Van Oven heeft gedaan. Hij heeft tevredenheid uitgesproken over de behandeling van hoofdstuk 5. De commissie kon wellicht niet anders handelen dan zij heeft gedaan, maar ik vond die behandeling onbevredigend. Het is jammer dat wij het juist ten aanzien van dit belangrijke onderdeel moeten doen met vertrouwelijke informatie. Niettemin moet ik mij daarop baseren.

De heer Van Oven (PvdA):

Voor een goed begrip wijs ik er even op dat het mij ging om de keuze die door de commissie is gemaakt om het hoofdstuk te publiceren. Men heeft er dus niet voor gekozen om het weg te laten of geheel vertrouwelijk ter kennis van de Kamer te brengen. Ik hoop dat u met mij van oordeel bent dat die keuze tot tevredenheid stemt.

De heer Nicolaï (VVD):

Voorzitter! Ik ben blij met deze verheldering maar daarmee is ons verschil van inzicht niet weggenomen. Ik denk er een nuance anders over; ik kom er later nog op terug.

Voorzitter! Ik denk dat de aanwijzingen inzake het voortzetten van de doorleveringen na 1994, licht zijn. Dat is toch wat anders dan de suggestie in het rapport en zeker anders dan datgene wat in de beeldvormende discussie na het verschijnen van het rapport aan de orde is geweest.

Ik herhaal nadrukkelijk wat ik eerder heb gezegd. De commissie is naar het oordeel van de VVD-fractie niet over één nacht ijs gegaan. Deze opmerking slaat ook op alle aanbevelingen in het rapport.

De heer Schutte (GPV):

De gekozen formuleringen luisteren nauw. De heer Nicolaï spreekt in dit verband over "lichte" aanwijzingen. Dit is zo'n lichte kwalificatie dat ik me kan voorstellen dat men zich daar niet druk over hoeft te maken. Het is wellicht een probleem dat je, hoewel er sterke aanwijzingen zijn, daarover niet kunt discussiëren zonder een beeld van een sterk verwijt zonder harde onderbouwing op te roepen. Als u echter over "licht" spreekt, is het uw taak om de commissie te vertellen dat zij er ten onrechte een te zwaar accent aan gegeven heeft.

De heer Nicolaï (VVD):

U legt mij nu woorden in de mond. De discussie wordt nu echter te mistig. Ik baseer mijn oordeel op vertrouwelijke informatie die u ook gekregen hebt en die wij niet aan de openbaarheid kunnen prijsgeven. Mijn inschatting van die vertrouwelijke informatie is dat ik dit geen harde aanwijzing vind. Iets anders is dat ook lichte aanwijzingen over mogelijke jarenlange doorleveringen wel degelijk heel ernstige zaken kunnen bevatten die tot de bodem uitgezocht moeten worden.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

De minister schrijft in zijn brief dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor dit almaar doorgaan. Bedoelt u dit met "licht"?

De heer Nicolaï (VVD):

Neen, dat vind ik een negatievere formulering dan "lichte aanwijzingen".

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dus is het meer dan "geen duidelijke aanwijzing"? Dat kan betekenen dat er toch enigszins duidelijke aanwijzingen zijn.

De heer Nicolaï (VVD):

Ik houd me bij mijn eigen formulering en dat betreft die lichte aanwijzing hetgeen iets anders is dan de minister op dit moment formuleert. Hierbij merk ik wel op dat wij spreken over een voorlopige inschatting, omdat wij de minister daarover nog helemaal niet hebben gesproken.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dan wil ik nog een vraag stellen over de mogelijke betrokkenheid van ambtenaren als er lichte aanwijzingen zijn voor het doorgaan van de parallelle importen. De minister zegt dat hij geen aanwijzingen heeft dat er overheidsambtenaren bij betrokken zijn. Tegelijkertijd merkt hij op dat er strafrechtelijk onderzoek naar wordt verricht. De commissie concludeert op basis daarvan dat er dan toch een aanwijzing zou zijn voor corruptie. Bent u dat met de commissie eens?

De heer Nicolaï (VVD):

Ik vind dat er aanwijzingen zijn en dat is mijn voorlopige inschatting en ik kwalificeer ze als licht.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dus ook voor corruptie?

De heer Nicolaï (VVD):

Ik had het nu over aanwijzing voor doorlevering na 1994.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

De commissie stelt dat, als er doorgeleverd is, dit gepaard zou moeten zijn gegaan met corruptie na 1994. De minister bevestigt dit min of meer in zijn brief omdat hij schrijft dat er strafrechtelijk onderzoek wordt verricht. Bent u dat met de commissie eens?

De heer Nicolaï (VVD):

Daarvoor geldt de formulering die ik bij mijn vorige punt gebruikte. Die aanwijzingen zijn er. Er is wellicht, en ik verwijs naar het ten geleide, een wat sterkere suggestie gewekt dan zoals ik de aanwijzingen voor de corruptie nu inschat.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66):

Je kunt discussiëren over het verschil tussen het gewicht van de aanwijzingen en datgene waarvan wij nu kennis hebben genomen, maar dit is een schimmige discussie. Ik wil graag weten of de heer Nicolaï vindt dat nu het onderzoek in gang moet worden gezet of dat hij eerst de reactie van de minister wil afwachten.

De heer Nicolaï (VVD):

Ik heb deze vraag al duidelijk beantwoord. Een lichte aanwijzing dat structureel, of meer dan incidenteel, doorgeleverd zou worden met medewerking van ambtenaren is zo ernstig dat die tot op de bodem moet worden uitgezocht.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66):

Los van wat de minister volgende week zal zeggen?

De heer Nicolaï (VVD):

Als de minister ons kan aantonen dat het niet zo is, wordt het een ander verhaal.

De heer Van Oven (PvdA):

Wij hebben nu met een derde variant te maken. De minister spreekt over "geen duidelijke of geen concrete aanwijzing". De commissie spreekt over "aanwijzingen" en het voorlopige oordeel van de VVD spreekt van "lichte aanwijzingen", kennelijk weer in afwijking van de aanwijzingen van de commissie. De commissie is een halfjaar bezig geweest om tot met belangrijk bewijsmateriaal tot die conclusie te komen. Op welke manier heeft de VVD-fractie kunnen beoordelen dat er sprake is van lichte aanwijzingen en niet van aanwijzingen?

De heer Nicolaï (VVD):

Het lijkt mij interessant om van de commissie te horen hoe zij haar eigen oordeel over de aanwijzingen kwalificeert. In ieder geval heeft zij bij mijn weten zelf nooit van harde aanwijzingen gesproken. Het verschil tussen mijn kwalificatie en die van de commissie is misschien dus niet erg groot. Ik vind het wel belangrijk dat wij als Kamer op dit moment tot een voorlopig oordeel komen, op basis waarvan wij het gesprek met de minister kunnen aangaan. Ik vind het ook belangrijk dat wij een oordeel geven om niet langer dan nodig de grote verdenkingen in de lucht te laten hangen die in de discussie naar aanleiding van het rapport zijn geuit in de media.

De heer Van Oven (PvdA):

Ik begrijp dat de lichte aanwijzingen van de VVD kunnen overeenkomen met de aanwijzingen van de commissie.

De heer Nicolaï (VVD):

Het zou een nadere kwalificatie kunnen zijn, maar dat kan de commissie zelf wel bepalen.

Ik eindigde met de opmerking dat ik bij alle beweringen vind dat de commissie niet over één nacht ijs is gegaan. Wat dit betreft vindt de fractie van de VVD dat de commissie integer en zorgvuldig heeft geopereerd en in redelijkheid tot haar conclusies heeft kunnen komen. Ook ik heb begrip voor het dilemma van de commissie toen zij op de bedoelde informatie stuitte en zich afvroeg wat zij ermee moest doen. Alles afwegend weet ik echter niet of het verstandig is geweest om dit als commissie van het parlement op deze wijze en zo stellig naar buiten te brengen. De commissie tekent hierbij aan dat zij zich niet verantwoordelijk acht voor de dynamiek die na de presentatie van het rapport ontstond. Hierover kun je verschillend denken, want ik vind dat de commissie wel enige verantwoordelijkheid heeft voor de voorspelbare commotie die is ontstaan.

De vierde bevinding betreft de deal met de crimineel. Als ik de brief van de minister goed begrijp – ook dit bespreken wij volgende week – is er geen sprake van een deal, maar van een predeal en is er daarom eigenlijk niets aan de hand. Dit is voor mij niet afdoende. Ik vind dat de commissie wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat het om een afspraak gaat, die uiterst curieus is. In deze zin deel ik voorlopig het oordeel van de commissie en wat ons betreft zal de minister volgende week nadere uitleg moeten geven.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

U zei dat de commissie wel enige verantwoordelijkheid draagt voor de commotie die na afloop is ontstaan. Wat bedoelt u daar precies mee?

De heer Nicolaï (VVD):

Ik neem aan dat de commissie goed beseft heeft dat er heel veel commotie over zal ontstaan als je zulke beweringen in een rapport zet, al is het op zeven pagina's van de tweehonderdzoveel.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Vindt u dat dit tot een ander besluit had moeten leiden?

De heer Nicolaï (VVD):

Ik vraag mij af of het verstandig is geweest om het op deze manier, inclusief de stelligheid waarover ik heb gesproken, naar buiten te brengen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Had het dan in beslotenheid aan de minister voorgelegd moeten worden? Is dat wat u suggereert?

De heer Nicolaï (VVD):

Ik heb in eerste termijn wat suggesties gedaan die de commissie ongetwijfeld ook heeft overwogen. Voor het informeren van de betrokken ministers en het informeren van de voorzitter van de Kamer en de fractievoorzitters hadden andere wegen erbij bewandeld kunnen worden. Er had ook gekozen kunnen worden voor andere bewoordingen in het rapport.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik neem aan dat u het er met mij over eens bent dat informatie die politiek zo gevoelig is als deze, uiteindelijk thuishoort in het parlement en niet in een besloten overleg.

De heer Nicolaï (VVD):

Absoluut.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dan bent u het er ook met mij over eens dat het een juiste keuze van de commissie is geweest om het naar buiten te brengen.

De heer Nicolaï (VVD):

Ik sluit mij aan bij uw formulering dat het uiteindelijk een openbare zaak is, die in het openbaar aan de orde moet komen.

De heer De Wit (SP):

Uit het relaas van de commissie is duidelijk gebleken dat zij tot twee keer toe de minister heeft geïnformeerd en zelfs over meer heeft geïnformeerd dan er in het rapport is vastgelegd. Hierover kunt u de commissie dus geen licht of sterk verwijt meer maken.

De heer Nicolaï (VVD):

Misschien kan ik nu weer de draad oppakken, want dit brengt mij precies bij het volgende punt van mijn betoog, namelijk de vraag wie wat wist en wanneer. Als ik daarmee uw vraag niet voldoende beantwoord, hoor ik het vanzelf wel.

Ik heb er nog steeds geen eenduidig beeld van wat de commissie in het cruciale gesprek op 26 maart met de minister aan de orde heeft gesteld en met welke bedoeling. Enerzijds verklaart de commissie dat alles is gemeld en zo staat het ook in de schriftelijke antwoorden. Deze formulering leidt wellicht tot de gedachte dat de minister dus alles wist. Vanmorgen konden wij die mening ook al in de kranten lezen. Voor mij loopt die formulering nog steeds niet voldoende synchroon met de formulering die de commissie gisteren anderzijds gebruikte, namelijk dat het ging om de contouren van het feitencomplex waarbij niet de 15.000 kilo is genoemd. Ik verwijs in dit verband ook naar de schriftelijke beantwoording van vraag 213, waarin de commissie zegt dat bij dat gesprek nog geen oordeel is gegeven over de feitelijke grondslag van de diverse aanwijzingen. Ik vind het belangrijk om hier meer helderheid over te krijgen. Dat geldt ook voor mijn vraag wat nu eigenlijk de aard en de bedoeling van dat gesprek was. Het ging zowel om de bevindingen alsook, zoals door de commissie is aangegeven, om een mogelijke bedreiging van commissieleden, waarna de afspraken met de BVD zijn gemaakt.

Het tweede gedeelte van mijn vraag naar wie wat wist en wanneer, betreft het college van PG's. Het college zou in november 1997 al een behoorlijk beeld hebben gekregen van de doorleveringsproblematiek waarover wij het nu hebben. Daarover heeft de minister volgende week wel iets uit te leggen. Wat heeft het college na dat moment gedaan, zowel aan onderzoeken als aan het informeren van de minister?

Tot slot kom ik bij de aanbeveling van integraal onderzoek onder directe verantwoordelijkheid van de minister. De VVD-fractie is het hiermee hartgrondig eens en dat zullen wij de minister volgende week voorhouden.

Voorzitter! Tot zover de zeven pagina's van hoofdstuk 5. De andere 200 zal ik beperkt behandelen, maar ik wil er toch een paar opmerkingen over maken omdat wij zeker recht moeten doen aan dit goede rapport.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66):

Voordat de heer Nicolaï op de meer specifieke onderwerpen ingaat, wil ik hem de volgende vraag stellen. De commissie doet ook een aanbeveling over hoe de Kamer een eventueel vervolgonderzoek zou moeten organiseren en opstellen. Graag hoor ik van hem hoe de VVD-fractie daarover denkt.

De heer Nicolaï (VVD):

Wanneer u helemaal tot het einde had gewacht, had u dat wel gehoord. Maar ik kan er best nu al wat over zeggen.

De fractie van de VVD voelt niet voor een vaste voorziening voor de Kamer voor het vervolg op hoofdstuk 5. De fractie voelt op dit moment dus niet voor een commissie met een meer vaste status. Alles wat maar enigszins in de openbaarheid mogelijk is, zoals het rapporteren over het vervolg op de bevindingen van hoofdstuk 5, moet ook in het openbaar gebeuren. Wanneer de minister te kennen geeft dat hij om een goed beeld te geven van de vervolgstappen die hij heeft genomen, een deel vertrouwelijk moet melden, zou men ermee kunnen volstaan wanneer op dat moment een voorziening werd getroffen zodat die informatie vertrouwelijk aan de Kamer kan worden gegeven.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66):

Ik neem toch aan dat u niet uitsluit dat ook de Kamer daar eventueel om kan vragen?

De heer Nicolaï (VVD):

Dat kan ook door de Kamer worden gevraagd, zij het dat de Kamer niet zozeer hoeft te vragen om vertrouwelijke informatie maar vooral om een goede rapportage. Indien de minister dan zegt dat hij alleen maar goed kan rapporteren als hij ook een stuk vertrouwelijk mag zeggen, dan is dat in zekere zin aan hem.

De heer Van Oven (PvdA):

Ik wilde nog een vraag stellen over de informatiemomenten. Ik hoor de heer Nicolaï de nadruk leggen op november 1997. Maar in oktober 1998 is er een volledige presentatie gegeven aan het college, waarbij ook die 15.000 kilo is genoemd. Dat is toen kennelijk niet doorgegeven aan de minister. Wat is zijn waardering van die situatie?

De heer Nicolaï (VVD):

Dit onderstreept mijn vraag die ik daarover stelde. Ik vind dat de minister daarover iets heeft uit te leggen. Het college is eerder al behoorlijk op de hoogte gebracht van de problemen waarover wij het hebben en het is nog zeer onduidelijk wat zij er vervolgens mee gedaan hebben, zowel naar beneden toe – dat wil zeggen de onderzoeken die liepen – als naar boven toe, het informeren van de minister. Laat de minister daar maar uitleg over geven volgende week.

Voorzitter! De algemene lijn van mijn eerste termijn van de hele opsporingsproblematiek die ook weer met dit rapport aan de orde wordt gesteld en die ik in een paar woorden heb geprobeerd aan te geven, was dat het volgens de VVD zo langzamerhand tijd wordt om de aandacht te gaan verleggen. Daarbij kunnen twee uitgangspunten gehanteerd worden: van over de schreef naar onder de schreef en van normering naar verantwoording. Bij het bestrijden van zware criminaliteit is niet alleen van belang dat er niet over de schreef wordt gegaan, het is ook belangrijk dat wel tot aan de schreef wordt gegaan. Wij hebben wel degelijk nog enige zorg over de praktijk. Bovendien zijn er signalen dat vanwege de nog steeds bestaande onzekerheid politie en justitie onder die schreef blijven zitten. Het is nu aan de politiek om die kaders zo duidelijk te maken dat dit tot een minimum wordt beperkt.

Een duidelijke normering is iets anders dan een steeds verfijnder wordende normering. Hoe zorgvuldig wij in dit huis ook proberen alles tevoren te voorzien, er ontstaan natuurlijk altijd situaties die wij niet kunnen voorzien. Bovendien moet elke norm weer geïnterpreteerd worden. Een steeds verfijnder wordende normering kan leiden tot onnodige bureaucratisering en inflexibiliteit. Wij hechten juist aan een opsporingsorganisatie die binnen de aangegeven kaders verantwoord weet om te gaan met de inzet van opsporingsmethoden. Dat vereist die transparantie waarover in het rapport gesproken wordt en een cultuur van verantwoording afleggen achteraf.

Het is goed dat de commissie constateert dat een cultuuromslag heeft plaatsgevonden en dat de crisis in de opsporing is omgezet in een veelheid van veranderingsprocessen. De VVD onderschrijft de opvatting van de commissie dat, waar dit proces zich doorzet, je opnieuw kunt zoeken naar vereenvoudigingen en lichtere toetsingen. Ik betwijfel echter of alle aanbevelingen wel in deze lijn liggen. Ik noem als voorbeeld de pseudo-koop die weer een wat zwaardere status zou krijgen als die als infiltratie wordt aangemerkt. Daartegenover staat dat een groot aantal aanbevelingen ons wel aanspreken. Ik noem de verruiming van inzetbaarheid van informanten, de standaardcontracten die meer een checklist dan een model zijn, en gelukkig zijn zij het allemaal erover eens dat bij het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden het vastleggen door de politie van het wisselen van batterijen van een videocamera de zaak niet dient.

Het internationale aspect is zowel in het rapport als in de discussie onvoldoende belicht. Dat blijft voor de VVD-fractie een groot gemis. Ik wil daarover nu geen nadere vragen stellen. Wij weten allemaal dat de zware criminaliteit zich absoluut niet aan landsgrenzen houdt. Afstemming is misschien vreselijk ingewikkeld, zoals de commissie aangeeft, maar daarom niet minder belangrijk. Wij willen daarover doorspreken, maar dat zal dan met de regering zijn.

Nu we op weg zijn naar een normering die duidelijk is en een organisatie die op orde raakt, wordt het tijd dat iedereen zich concentreert op zijn eigenlijke taak. Dat geldt voor politie en justitie die voor de opsporing zorgen en dat geldt voor de Kamer die, zoals ik in het begin van mijn betoog zei, geen rechter is maar ook geen opsporingsinstantie. De regering regeert en de Kamer controleert. Daarbij geldt ook de opmerking die ik per interruptie tegen mevrouw Scheltema heb gemaakt over het volgen van de vervolgstappen van hoofdstuk 5: niet méér vertrouwelijk of op bijzondere wijze dan strikt noodzakelijk is.

Het werk van de commissie heeft ons veel waardevol materiaal opgeleverd. Dat zal de regering ter harte moeten nemen!

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter! Een uitgebreid en gedegen rapport verdient een gedegen behandeling in de Kamer. De Kamer heeft zich van haar taak gekweten. Met genoegen heb ik gisteren geluisterd naar de gloedvolle en weloverwogen verantwoording door de commissie, in de persoon van voorzitter Kalsbeek, zeker als daarbij in aanmerking wordt genomen dat de commissie zich soms in een enigszins benarde positie bevindt. De commissie heeft er welbewust voor gekozen om gegevens die niet per se tot het domein van haar onderzoek behoorden, maar die zij eenmaal erop gestuit niet terzijde kon of wilde schuiven, in de openbaarheid te brengen. Zij heeft er niet voor gekozen om deze, zoals door enkele woordvoerders geopperd, in beslotenheid aan de minister mee te delen, maar het noodzakelijk gevonden dat daarover een politiek oordeel wordt geveld. Tegelijkertijd heeft zij willen voorkomen dat door het openbaar maken van gevoelige gegevens mensen onnodig worden gekwetst of in gevaar gebracht, of dat strafrechtelijke onderzoeken worden gehinderd. De spanning tussen openbaarheid en discretie leverde gisteren een soms zichtbare worsteling op.

Voorzitter! Mijn fractie waardeert de zuivere wijze waarop de commissie met deze spanning is omgegaan. Mijn fractie waardeert eens temeer dat de commissie de moed heeft gehad politiek en maatschappelijk zo gevoelige informatie die haar door de gedeeltelijke geheimhoudingsafspraken zo kwetsbaar maakt, voor te leggen aan het parlement, de plaats waar het thuishoort. Inmiddels delen wij als woordvoerders in de informatie die discretie verdient. De eenzame kennisvoorsprong van de commissie is daarmee enigszins verkleind. Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om hier nog eens met nadruk te stellen dat ik ervan overtuigd ben dat de commissie haar bijzondere bevindingen – daarover praten wij hier – zeer grondig heeft gecheckt. De informatie waarop zij zich baseert, is hard en betrouwbaar en in tegenstelling tot wat maandag in een avondblad werd gesuggereerd, afkomstig van meerdere en boven elke twijfel verheven bronnen.

Voorzitter! De steun van mijn fractie voor de commissie komt allereerst voort uit de nadere richtlijnen die zij voorstelt voor een deel van de normering van de opsporingsmethoden. Bij de behandeling van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden hebben wij er geen geheim van gemaakt dat wij voorstander zijn van wat meer precieze en stringente normering van de opsporingsmethoden. Wij delen dus ook de mening van de commissie dat het noodzakelijk is nadere richtlijnen te formuleren voor die situaties waar bijvoorbeeld doorlating in beperkte mate is toegestaan. Wij stemmen ook in met de aanbeveling voor pseudo-koop. Wij onderschrijven de stelling van de commissie, dat hiervoor altijd een zekere mate van infiltratie noodzakelijk is, en dat het daarom logisch is om pseudo-koop en infiltratie aan dezelfde normen en procedures te binden.

Voorzitter! Het onderzoek van de commissie heeft ook aan het licht gebracht dat de afbakening van de begrippen "informant" en "infiltrant" veel vragen oproept. Het is nu nog afhankelijk van de individuele officier van justitie of iemand als informant of infiltrant wordt beschouwd. Vooropgesteld zij dat ik het moeilijk te bevatten vind dat drie jaar na Van Traa nog steeds verwarring bestaat over deze indeling, maar dat terzijde. Over aanbeveling 12 over informatie en infiltratie heb ik nog een verduidelijkende vraag. De commissie stelt hier als criterium "het onder regie van politie en justitie plegen van strafbare feiten voor". Dat geldt in principe ook voor de uitzondering op het uitgangspunt dat de informant geen strafbare feiten mag plegen, namelijk waar het gaat om hand- en spandiensten van geringe importantie in relatie tot het delict waarover de informant informatie geeft. Van de commissie wil ik graag weten of zij het met mij eens is dat in deze gevallen enige absolute normering wordt aangebracht ten aanzien van de zwaarte van de feiten. Anders kan het bijvoorbeeld naar mijn idee zo zijn dat het tijdelijk bewaken van een gijzelaar van geringe importantie is in relatie tot bijvoorbeeld een drugssmokkelende criminele organisatie. Daarnaast vinden wij dat de ruimte die de informant met deze uitzondering wordt geboden, niet mag leiden tot uitbreiding van het begrip infiltrant, zoals mevrouw Scheltema al zei. Het gaat hier om communicerende vaten, en het mag dus niet zo zijn dat onder infiltratie vervolgens altijd het plegen van strafbare feiten begrepen zou moeten worden. Ik hoor nog graag van de commissie of zij dit het doel van haar aanbevelingen vindt en of zij dit zo heeft willen formuleren.

Ik heb nog een vraag over de normering. Deze heeft betrekking op aanbeveling 18 over de geheimhouders. In het rapport staat dat het beroepsgeheim ook de geheimhouders zelf in gevaar kan brengen. Dat zou mede aanleiding zijn tot het verrichten van nadere studie. Een nadere studie kan nog alle kanten uitgaan. Naar mijn weten mogen geheimhouders – in elk geval in de medische wereld, maar ik vermoed dat dit ook geldt voor notarissen en advocaten – hun beroepsgeheim schenden als dat noodzakelijk is ter afwending van gevaar voor een bepaalde persoon of meerdere personen. Dan rijst de vraag welke situaties de commissies daarna nog op het oog heeft om toch nog een studie te wensen over de geheimhoudingsplicht.

Voordat ik overga tot een algemene beoordeling van het rapport, maak ik eerst enkele meer specifieke opmerkingen over hoofdstuk 5. De vraag die ons op dit moment bezighoudt als het gaat om de parallelle importen is: wie heeft wat op welk moment geweten? Het lijkt er de schijn van te hebben dat bij de groep die het wist en die almaar uitdijt niet de minister van Justitie hoort. Of toch wel? Op welk moment heeft hij dan wat geweten? Daarover blijft onduidelijkheid bestaan. Evenals D66 en de PvdA vinden wij dat er voldoende feitelijk materiaal is aangeleverd voor het bestaan van de parallelle importen tussen 1991 en 1994 en mogelijk ook nog daarna. De revelaties van de heer Doctors van Leeuwen de afgelopen dagen maken het nog urgenter om te weten wie wat op welk moment heeft geweten. Wat mij met name bezighoudt is de vraag: als de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie veel eerder op de hoogte was, hoe kan het dan dat de minister van Justitie niet op de hoogte is gebracht? Het is dit jaar niet de eerste keer dat wij worstelen met de ministeriële verantwoordelijkheid en de reikwijdte daarvan. In dit geval, als het om het ministerie van Justitie gaat – wij hebben het over de leeuw onder de departementen, al is dit departement de afgelopen jaren beschadigd door talloze affaires – lijkt mij de eerste stelregel dat de nieuwe minister van Justitie zijn hele departement omkeert als hij binnenkomt om alle politiek gevoelige informatie te achterhalen. Hij haalt ambtenaren door de wringer. Hij ploegt alle dossiers door om te voorkomen dat ook hem steeds de oren van het hoofd moeten vallen, zeker nadat hij in de herfst van vorig jaar al eens is overvallen door een criminele burgerinfiltrant. Ik moet zeggen dat ik in hoge mate verbaasd ben over de ontspannenheid, misschien de laksheid – de commissie noemt het liever een niet voldoende actieve houding – van deze minister tot nu toe op dit zo moeilijke onderwerp. Volgens de VVD heeft de minister het een en ander uit te leggen. Voor deze keer sluit ik mij graag bij de VVD aan.

De heer Biesheuvel (CDA):

Nu ga ik er eens goed voor zitten.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Daar laat ik het meteen weer bij.

Voor de corruptie gelden ongeveer dezelfde vragen. Was er werkelijk sprake van corruptie? Zo ja, op welke schaal was dat dan? Wat mijn fractie vooral bezighoudt, is deze vraag. Als er sprake was van corruptie, of dat nu tussen 1991 en 1994 was of nog daarna, tot op welk hiërarchisch niveau heeft dat plaatsgevonden? Ook hierover heeft de minister het een en ander te verduidelijken. Ik deel de scherpzinnige analyse van de commissie over de brief van de minister dat, als er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor parallelle importen na 1994 en als het er niet op lijkt dat daarbij ambtenaren zijn betrokken, het op zijn minst erg verwonderlijk is dat de minister daar op dit moment wel strafrechtelijk onderzoek naar laat verrichten. Daarmee lijkt de minister zich enigszins tegen te spreken.

De deal met de crimineel vindt mijn fractie zeer zorgelijk. Het gaat ons er met name om dat het erop lijkt dat het toezicht op de opsporing, het college van PG's en het ministerie van Justitie, een afspraak met een topcrimineel heeft gemaakt die indruist tegen de richtlijnen en tegen de wetgeving die wij binnenkort behandelen. Het is mij daarbij echter onduidelijk op welke wijze en welk moment de minister hierover is geïnformeerd. Ik hoop daar nog enige verduidelijking van de commissie over te krijgen. Heeft dat hetzelfde verloop gekend als bij de parallelle importen? Heeft de minister inmiddels expliciet ingestemd met de overeenkomst die er ligt? Ik ben ook erg nieuwsgierig naar het antwoord op de vraag die de heer Van Oven stelde, namelijk of deze afspraak, deal, overeenkomst nog ongedaan kan worden gemaakt.

De betrokkenheid van de justitiële top bij deze afspraak die indruist tegen de regels en de wet, brengt mij ook op het voortduren van de gezagsproblemen. Ik heb in eerste termijn al gezegd dat ik de commissie daar iets te optimistisch over vind, optimistischer dan ikzelf ben. Ik vind het zorgwekkend dat het als het gaat om de normering en de implementatie van de normering, niet aan het college van PG's of het ministerie heeft gelegen dat er toch een redelijk goede verankering heeft plaatsgevonden in de praktijk. Het is meer ondanks dan dankzij het ministerie van Justitie en het college van PG's dat het tot op heden redelijk goed is gegaan. Ik vind dat zeer zorgelijk.

Voorzitter! Wij komen nog te spreken met het kabinet over de waarde van de talrijke aanbevelingen. Ik wil nog even stilstaan bij de aanbevelingen 65 en 66, zeker in het licht van de gezagsproblemen. Er blijken met name in de justitiële top problemen te bestaan bij het houden van toezicht en soms ook het houden van toezicht op regels. Tegelijkertijd blijkt dat deze regels door diezelfde justitiële top worden geschonden door het maken van afspraken met een crimineel. Ik vind het dan moeilijk te aanvaarden dat datzelfde ministerie, ook al ligt de uiteindelijke verantwoordelijkheid bij de minister, belast wordt met een integraal onderzoek naar de bijzondere bevindingen. Tegelijkertijd zie ik de problemen van de commissie om hiervoor een goede vorm te vinden. Mijn fractie deelt de bezwaren van de commissie tegen het houden van een parlementaire enquête. Het lijkt mij slecht om dit dossier opnieuw te belasten met zo'n zwaar onderzoek. Wij erkennen tegelijkertijd dat de alternatieve onderzoeksmethoden enigszins beperkt zijn. Het lijkt dan inderdaad logisch om de minister als hoogste justitiële gezagsdrager te belasten met een integraal onderzoek naar de bijzondere bevindingen, al maakt de recente geschiedenis dat natuurlijk een stuk minder logisch. De vraag die je je daarbij mag stellen, is of de minister van Justitie en zijn departement als instituut de afgelopen jaren voldoende vertrouwen hebben ingeboezemd om zo'n onderzoek opnieuw te mogen doen. Zoals ook de commissie al aangaf, zijn onderzoeken gestagneerd onder leiding van het ministerie. De commissie heeft zelf ook enige twijfel ten aanzien van het doen van zo'n onderzoek, zoals gisteren uit de verdediging is gebleken en zoals ook uit aanbeveling 66 blijkt. De commissie overweegt daarom om het integrale onderzoek onder leiding van de minister van Justitie te binden aan een zwaardere parlementaire controle dan gebruikelijk is. Ik ben het met mevrouw Scheltema eens dat dit zich weer moeizaam verhoudt tot de eis van openbaarheid. Zoals men weet, heeft mijn fractie traditioneel en nog steeds moeite met het bestaan van een BVD-commissie. Zij acht het dan ook niet wenselijk om dat arsenaal uit te breiden en daarmee ook het aantal parlementariërs dat gebonden is aan geheimhoudingsplicht en belast met informatie waaraan zij geen politieke oordelen kan verbinden, opnieuw uit te breiden. De commissie zal dat als eerste moeten toegeven, omdat zij daar de afgelopen maanden zelf mee belast is.

Ik erken dus de noodzaak van controle op een onderzoek, maar ik houd mijn twijfels of de minister van Justitie hiermee belast moet worden. Ik weet niet precies welke vorm je daarvoor zou moeten zoeken. Ik hoop dat wij daar de volgende week nog eens uitgebreid over kunnen praten met de minister en dat wij het hierover na het reces – want ik geloof dat wij dit pas na het reces bespreken – nog eens uitgebreid kunnen hebben bij de bespreking van het hele rapport.

Voorzitter! Ik wil nog een laatste punt onder de aandacht brengen. Ik kom dan weer bij de gezagsproblemen. Waar de commissie sterk de nadruk legt op een weinig actieve houding van het college van PG's en het ministerie van Justitie, heeft het mij verbaasd dat zij op dat punt vervolgens geen concrete aanbevelingen doet. De suggestie die ik de commissie wil meegeven, is om tegelijk met het integrale onderzoek en de versterkte parlementaire controle daarop, in welke vorm dan ook, eens na te denken over bijvoorbeeld een onafhankelijk onderzoek door een extern bureau naar en advies over de chronische afstemmings- en communicatieproblemen tussen het ministerie van Justitie, het college van PG's, het korpsbeheerdersberaad en het openbaar ministerie. Ik weet niet precies welke vorm daarbij gekozen zou moeten worden, maar het lijkt mij wel van groot belang, omdat uiteindelijk voor een goed verloop van de opsporing en vervolging van de georganiseerde misdaad allereerst duidelijk moet zijn wie de leiding heeft en uitoefent.

De heer De Wit (SP):

Mevrouw de voorzitter! De heldere beantwoording gisteren van alle vragen die door de Kamer zijn gesteld, leidt ertoe dat ik op dit moment slechts op een aantal punten nadere vragen aan de commissie wil stellen. Overigens ook mijn complimenten voor de volledigheid en de helderheid van het antwoord.

Het eerste punt waarbij ik wil stilstaan, is de implementatie van de richtlijnen, waarover gisteren de nodige vragen zijn gesteld. De commissie kwalificeert dat als het onvoldoende leiding geven door de minister respectievelijk het college van procureurs-generaal bij de implementatie van de richtlijnen. Is dat een verwijt dat de commissie beide in dezelfde mate maakt, of is daarbij sprake van enig onderscheid? Treft het verwijt bijvoorbeeld meer de minister of het college? Graag op dit punt enige opheldering.

Voorts heb ik een vraag over de regelgeving met betrekking tot de CID's. De commissie heeft in het rapport gezegd dat het desbetreffende proces onvoldoende voortgang heeft ondervonden. Moeten wij daaruit afleiden dat de commissie ook in dat opzicht deze minister respectievelijk zijn voorganger verwijten maakt omtrent de onvoldoende voortgang op dit punt?

Het derde probleem dat ik aan de commissie voorleg, betreft de buitenlandse opsporingsdiensten. De vraag die ik hierover gisteren stelde, is onbeantwoord gebleven. Ik heb de commissie voorgehouden dat Bovenkerk heel uitdrukkelijk een relatie legt tussen de ontsporingen in de opsporing en de druk die door buitenlandse opsporingsdiensten wellicht wordt gelegd op opsporingsambtenaren. Heeft de commissie daar een oordeel over of niet? Zo ja, welk oordeel is dat dan?

Voorzitter! Ik kom nu op hoofdstuk 5, de bijzondere bevindingen ofwel de doorlevering van 15.000 kilo cocaïne en het vermoeden dat ook op dit moment dit soort praktijken plaatsvindt. Ik vat het als volgt samen. De commissie heeft over de periode 1991-1994 gesteld dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat er parallelimporten hebben plaatsgevonden en zij concludeert dat dit alleen maar kan dankzij de medewerking van politie, FIOD of douane. Ik begrijp uit de uitlatingen van de commissie dat die medewerking, als die verklaard moet worden, te maken heeft met corruptie of met chantage, maar de commissie maakt hierin op dit moment geen duidelijke keuze. Ik heb voorts geconstateerd dat de commissie over aanwijzingen beschikt voor doorleveringen na 1994. Ook hierover zegt zij dat dit eigenlijk alleen maar kan dankzij medewerking van diezelfde politie, FIOD of douane.

Nu is de vraag wat er in de loop der jaren eigenlijk aan informatie is geweest bij de verantwoordelijke personen in deze kwestie. Ook ik begin bij 1997. Tot tweemaal toe is er in dat jaar al de nodige informatie beschikbaar gekomen, althans de voormalige procureur-generaal Docters van Leeuwen zegt dat er in 1997 zeer serieuze aanwijzingen waren voor de praktijken waarover wij nu spreken. Hij zegt ook dat de toenmalige minister volledig op de hoogte moet zijn geweest. De minister zelf, zei de commissie, weet dat niet, betwist althans dat er sprake is van volledige kennis op dit punt. De minister zegt de ernst van het probleem niet in die mate begrepen te hebben. Maar dan komen wij bij 1998 en dan constateer ik dat het college van procureurs-generaal op 6 oktober 1998 volledig is geïnformeerd over de gehele zaak, inclusief de omvang van de doorleveringen, namelijk 15.000 kilo. Vervolgens is de minister op hoofdlijnen geïnformeerd. Wat zijn die hoofdlijnen geweest? Was die 15.000 kilo daarvan een onderdeel? Kan de commissie op dit punt nader aangeven wat wij onder die hoofdlijnen moeten verstaan?

De commissie heeft een- en andermaal uitdrukkelijk aangegeven dat de minister door de commissie op 26 maart en op 18 mei van dit jaar volledig is geïnformeerd. Zoals ik zojuist al bij interruptie heb gezegd: gisteren zei de commissie dat aan de minister meer is verteld dan in het rapport is vastgelegd. De commissie zegt dat de minister dus van alles op de hoogte was. De minister was ook duidelijk geschrokken, zo heb ik de voorzitter van de commissie horen zeggen, van de informatie die de commissie hem ten gehore bracht.

Hierover heb ik een aantal vragen. De eerste gaat over de informatievoorziening. Verwijt de commissie het college van procureurs-generaal dat de minister onvoldoende in detail geïnformeerd is? Verwijt de commissie ook de top van het ministerie de minister onvoldoende te hebben ingelicht over de ernst en de omvang van de zaak waar wij nu over spreken? Welke conclusie verbindt de commissie, gelet op de momenten waarop de minister is geïnformeerd – in oktober 1998 en in maart en mei 1999 – aan de minister zelf? Concludeert de commissie dat de minister naar aanleiding van die informatie op passende wijze heeft opgetreden, voldoende sturing heeft gegeven aan het onderzoek en daar de nodige versnelling en diepgang aan heeft gegeven? Of verwijt de commissie de minister op dit punt niet voldoende passend te hebben opgetreden, of te hebben nagelaten op de juiste wijze maatregelen te nemen? Op deze punten wil ik graag een antwoord van de commissie.

Dan ga ik in op de aanbevelingen. Ik heb niet alle aanbevelingen doorgenomen. Daarvoor heeft mijn fractie onvoldoende tijd. Ik merk wel uitdrukkelijk op dat ik de aanbevelingen van de commissie op hoofdlijnen ondersteun. Daarom geef ik mijn volledige steun aan de motie die de heer Schutte heeft ingediend. Op een punt wil ik nog een opmerking maken en dat betreft het ad-hoconderzoek. De SP-fractie vindt het een groot goed dat de discussie ook over dit soort gevoelige problemen, als dat mogelijk is, in de openbaarheid plaatsvindt. Ik kan mij echter voorstellen dat je in bepaalde situaties speciale maatregelen moet nemen om informatie af te schermen. In eerste instantie ben ik er niet voor om een ad-hoccommissie met vertrouwelijkheid te belasten. Ik kies veeleer voor het informeren van de vaste commissie voor Justitie door een deugdelijke en regelmatige rapportage. Aan de hand daarvan kan de commissie voor Justitie besluiten of voor een andere vorm gekozen moet worden. Mijn voorkeur gaat in eerste instantie uit naar de vaste commissie voor Justitie.

De heer Van Oven (PvdA):

Doelt de heer De Wit nu op openbare informatie?

De heer De Wit (SP):

Ja. Hier koppel ik onmiddellijk aan vast dat als dat niet kan, verdere maatregelen genomen moeten worden. In eerste instantie kan dit naar mijn mening gebeuren door middel van rapportages aan de vaste commissie. De commissie kan dan beoordelen of nadere informatie moet worden ingewonnen en, zo ja, op welke wijze dat moet gebeuren en hoe die vervolgens moet worden behandeld.

De heer Van Oven (PvdA):

Vindt u dat, gezien de ervaringen in het verleden en hetgeen allemaal heeft plaatsgevonden na 1996, de Kamer er blijk van heeft gegeven dat ook adequaat te kunnen volgen in de openbaarheid?

De heer De Wit (SP):

De heer Van Oven heeft zelf naar voren gebracht dat vragen nog steeds niet beantwoord zijn. Dat kan naar mijn mening ondervangen worden doordat regelmatiger dan nu rapportage aan de commissie plaatsvindt. Vervolgens hebben de leden van de commissie de verantwoordelijkheid om stappen te ondernemen als de informatie onvoldoende of niet volledig gegeven kan worden. Dan kun je kiezen voor een andere vorm. Je moet niet op voorhand opnieuw kiezen voor een tussenvorm, voor een vertrouwelijke commissie. Die kan in de problemen komen inzake het openbaar debat.

De heer Van Oven (PvdA):

Heeft de omstandigheid dat de commissie in beslotenheid haar werk heeft kunnen doen, niet juist de conclusies opgeleverd waar wij met z'n allen zo perplex van staan? Leert dat niet voor de toekomst dat wij voor dit complex van zaken nog enige tijd vertrouwelijkheid nodig hebben?

De heer De Wit (SP):

Dat kan ik niet helemaal beoordelen. Wij hebben het hier over het belangrijke werk van een commissie die met een speciale taak is belast. Voor het vervolg ga ik er niet op voorhand van uit dat het dezelfde vorm moet zijn. Het werk dat is gedaan, is belangrijk geweest en heeft heel belangrijke resultaten opgeleverd, maar dat betekent naar mijn idee niet dat wij per se met deze vorm moeten doorgaan.

De heer Van Oven (PvdA):

Wij zullen er volgende week wel over moeten besluiten.

De heer De Wit (SP):

Ja, dat ben ik met u eens.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter! Graag dank ik de voorzitter van de commissie hartelijk voor de heldere en bondige beantwoording van de gestelde vragen. Wij hebben ons achter de motie van collega Schutte gesteld, waarin de waardering voor de waarde van het werk van de commissie nog eens expliciet wordt uitgesproken. Tegen de achtergrond van de zorgwekkende onthullingen van hoofdstuk 5 is het goed dat de voorzitter van de commissie nog eens gemotiveerd heeft uiteengezet dat die bijzondere bevindingen niet representatief zijn voor het algemene beeld van de opsporing. Dat algemene beeld mag gelukkig heel wat positiever uitvallen. Er zijn positieve veranderingen ingezet en zichtbaar geworden. Dat is het bemoedigende signaal van "Opsporing in uitvoering" dat in de discussie goed overeind is gebleven.

In het debat over de aanbevelingen is tegelijkertijd onderstreept dat er nog veel inspanningen nodig zijn om de opsporing verder bij de tijd te brengen. Ook op nieuwe technische wegen moet voldoende opsporingswerk in uitvoering zijn. Met instemming noteer ik de aansporing van de commissievoorzitter om meer mensen en middelen in te zetten voor het digitaal rechercheren. Ook aanbeveling 11 heeft betrekking op vragen die door de voortdurende technische ontwikkelingen worden gesteld, zoals het gebruik van mobiele telefonie. Op korte termijn moeten technische voorzieningen voor de praktijk ter beschikking komen, wordt gesteld in de aanbeveling. Mijn vraag blijft of er niet ook juridische en financiële voorzieningen nodig zijn om de problemen te ondervangen. Kan de commissie nader concretiseren hoe zij zich de uitvoering van aanbeveling 11 voorstelt?

De commissie heeft in het hoofdstuk over gezag over en toezicht op de opsporing aangegeven dat zij geen cultuur van angst en terughoudendheid bij politie en OM heeft aangetroffen. De commissievoorzitter heeft dit gisteren bevestigd. De vraag blijft hoe het kan dat het rapport "Rekkelijk of precies" een somberder beeld schetste en in oktober 1998 nog veel herkenning opriep. Was dit een onjuist beeld of is er in korte tijd veel veranderd? Graag een nadere reactie.

In eerste termijn heb ik ook een vraag gesteld over artikel 126o van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden. Er was verwarring over de invulling van het begrip "betrokkenheid". De commissievoorzitter zei dat deze in de gesprekken niet was gebleken. Ik stel vast dat in het debat in de Eerste Kamer op 25 mei is gebleken dat dit begrip verschillend wordt ingevuld. De ongerustheid daarover is bij de SGP-fractie nog niet geheel weggenomen.

Over de bijzondere bevindingen kan ik kort zijn, omdat de meeste vragen die hierover nu nog leven, vooral zijn gericht op de minister. Wij hebben kunnen vaststellen dat deze vragen Kamerbreed leven. Er zijn vragen over stagnerend onderzoek, communicatie tussen de minister en de PG's en zo zijn er nog meer op te sommen. Duidelijk is dat er op een aantal onderdelen, zoals de inhoud van de informatieverstrekking aan de minister op 26 maart, nogal wat licht blijft tussen de zienswijze in de brief van de minister en de visie van de commissie.

Andere ogenschijnlijke tegenstellingen konden soms worden verklaard door een nadere precisering door de commissie, bijvoorbeeld wat betreft de toezeggingen aan de crimineel dat strafbare feiten uit het verleden niet worden vervolgd. De vaststelling van de minister dat van zo'n toezegging geen sprake is, is strikt genomen niet in strijd met de verduidelijking die de commissie heeft gegeven, dat de gemaakte afspraken naar haar inschatting tot effect zullen hebben dat die strafbare feiten moeilijk te vervolgen zijn. Collega Van Oven is hier al op ingegaan.

Ik wil nog twee vragen stellen over de bijzondere bevindingen. De eerste vraag betreft de deal. Wijkt de vorm van de overeenkomst die de commissie onder ogen heeft gehad duidelijk af van hetgeen de minister de formalisering noemt van afspraken die gewoonlijk aan iedere deal voorafgaat? Mijn tweede vraag betreft de parallelimporten. Veel woordvoerders hebben aandacht besteed aan de vraag in hoeverre zij na 1994 nog zijn doorgegaan. Het is mij opgevallen dat als je probeert te traceren wat in het rapport daarover precies gezegd wordt, dit niet gemakkelijk is terug te vinden. Welke bewoordingen kiest de commissie om aan te geven wat haar bevindingen zijn over het doorgaan van de parallelimporten na 1994?

Voorzitter! De gedachtewisseling met de commissie heeft de SGP-fractie gesterkt in de overtuiging dat het belang van een samenhangend, grondig en voortvarend onderzoek naar deze bijzondere bevindingen zeer sterk aanwezig is. Duidelijk is dat hoe dan ook indringende parlementaire controle geboden is. Ook de SGP-fractie is van oordeel dat de gewone controle via Kamer en Kamercommissie voorop moet staan en dat alleen indien en voorzover de reguliere weg onvoldoende controlemogelijkheden biedt er een rol weggelegd is voor een commissie ad hoc.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 12.16 uur tot 13.30 uur geschorst.

De voorzitter:

De ingekomen stukken staan op een lijst die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

Naar boven