Vragen van het lid Van Raak (SP) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de afhandeling van de zaak van een agent die door zijn eigen collega’s ten onrechte werd gearresteerd (ingezonden 19 juni 2020).

Antwoord van Minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 21 augustus 2020). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 3432.

Vraag 1

Hoe kan het dat het oordeel van het Openbaar Ministerie zonder consequenties blijft doordat een interne adviescommissie van de politie anders beslist?1

Antwoord 1

Omdat het een individuele casus betreft die nog onder de rechter is kan ik hier geen uitspraken over doen. Bovendien wordt ook binnen de politie nog nader onderzoek gedaan naar deze casus.2 Afronding van dit onderzoek wordt verwacht in het najaar van 2020.

Wel hecht ik eraan in zijn algemeenheid te benadrukken dat strafrechtelijke en disciplinaire procedures twee verschillende manieren zijn om gedragingen van politieagenten te onderzoeken. In het eerste geval gebeurt dit onder het gezag van het OM, dat volledig onafhankelijk is in haar afwegingen en beslissingen. In januari 2019 heb ik uw Kamer uitgebreid geïnformeerd over de manier waarop binnen de politie het proces van onderzoek en strafoplegging naar (vermeend) plichtsverzuim door ambtenaren van politie is georganiseerd.3

Vraag 2

Zijn er meer gevallen bekend van waar dit is gebeurd? Zo ja, hoeveel zijn dat er?

Antwoord 2

Dit wordt door politie en OM niet apart geregistreerd.

Vraag 3

Deelt u de mening dat dit wel erg lijkt op «de slager keurt zijn eigen vlees»?

Antwoord 3

De politie heeft eigen procedures en afdelingen Veiligheid Integriteit en Klachten (VIK) voor onderzoeken naar medewerkers. Deze procedures zijn in 2018 vastgelegd in het protocol «Onderzoek in disciplinaire zaken». Hierin zijn de diverse rechten, plichten en waarborgen vastgelegd. Als daar aanleiding toe is kan daarnaast extern (strafrechtelijk) onderzoek worden gedaan door de Rijksrecherche of de Inspectie Justitie en Veiligheid. De gronden voor strafrechtelijke onderzoeken zijn te vinden in het Wetboek van strafvordering.

Wanneer een politieambtenaar het niet eens is met het besluit tot strafoplegging kan hij of zij bezwaar maken. Het bezwaar wordt voorgelegd aan een Bezwaar Adviescommissie, die vervolgens advies uitbrengt aan het bevoegd gezag. Deze procedure heeft in deze casus ook plaatsgevonden. Het is een gebruikelijke procedure, conform het eerdergenoemde protocol en het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht en het ambtenarenrecht.

Vraag 4

Hoe kan het dat op het maken van excuses werd teruggekomen? Hoe beoordeelt u dit?

Antwoord 4

Dat is een afweging geweest binnen de politie. Het gaat hier voorts om een individuele casus die nog onder de rechter is en waar ook binnen de politie nog onderzoek naar wordt gedaan.

Vraag 5

Wat vindt u van het gangbare grapje onder agenten dat de integriteit ophoudt bij schaal 9 en de bijnaam «De gouden gang» voor de kantoren van de Amsterdamse korpsleiding? Deelt u de mening dat dit de kloof tussen werkvloer en top nog eens pijnlijk blootlegt?

Antwoord 5

Integriteit is een kernwaarde voor iedere ambtenaar die bij de politie werkt en houdt zeker niet op bij schaal 9. Het zijn immers juist leidinggevenden die een voorbeeldrol hebben naar de medewerkers toe, het leren van fouten moeten stimuleren en het goede gesprek over onderwerpen die de integriteit raken moeten faciliteren. Binnen de politie wordt aan deze onderwerpen veel aandacht besteed in het kader van de inclusieve en integere «Politie voor iedereen» die wordt nagestreefd. Het gaat hier echter om een cultuurverandering die niet van vandaag op morgen gerealiseerd is.

Vraag 6

Hoe staat het met de getroffen maatregelen zoals aangegeven in antwoorden op eerdere Kamervragen over deze zaak? Waarom duurt het volgens u zo lang voordat deze effect sorteren?4

Antwoord 6

Uw Kamer is geïnformeerd over de voortgang ten aanzien van de aanpak van etnisch profileren op 12 december jl.5 De aanpak die de politie heeft ontwikkeld voor professioneel controleren wordt in de komende periode verder geïmplementeerd en waar nodig aangescherpt. Zo vindt bredere invoering van de MEOS-app plaats en wordt de komende tijd extra aandacht besteed aan het geven van bekendheid aan het eerder opgestelde handelingskader «proactief controleren». In de genoemde brief ga ik ook in op het feit dat een antwoord op de vraag of de genomen maatregelen positief effect sorteren in de zin dat er sprake is van een afname in de oververtegenwoordiging van burgers met een migratieachtergrond (voor zo ver niet objectief te rechtvaardigen) niet zo eenvoudig is te geven. De politie registreert immers geen etniciteit. Ik heb daarom het CBS gevraagd om te verkennen of de data van het CBS en de data uit de MEOS-toepassing kwantitatief inzicht kunnen geven in het fenomeen etnisch profileren voor zo ver dat mogelijk is binnen de wettelijke kaders.

Daarnaast is in uw Kamer recent de motie-Azarkan aangenomen die oproept tot het monitoren van de bekendheid van politiefunctionarissen met maatregelen tegen etnisch profileren.6 Uw Kamer wordt voor het einde van 2020 geïnformeerd over de uitvoering van die motie.


X Noot
1

NRC, 17 juni 2020, «Anis Raiss: «Ik zie mijn zaak als een geschenk aan de politie»», https://www.nrc.nl/nieuws/2020/06/17/anis-raiss-ik-zie-mijn-zaak-als-een-geschenk-aan-de-politie-a4003204

X Noot
3

Kamerstukken II 2018–2019, 28 844, nr. 166.

X Noot
4

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 3464

X Noot
5

Kamerstukken II, 2019–2020, 30 950, nr. 183.

X Noot
6

Kamerstukken II, 2019–2020, 29 628, nr. 957.

Naar boven