Vragen van het lid Schouw (D66) aan de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over soevereiniteitsoverdracht (ingezonden 27 februari 2012).

Antwoord van staatssecretaris Knapen (Buitenlandse Zaken) (ontvangen 29 februari 2012).

Vraag 1, 2 en 7

Is het correct dat er onder de tekst van de laatste versie van het Verdrag inzake Stabiliteit, Coördinatie en Bestuur in de Economische en Monetaire Unie geen soevereiniteit zal worden overgedragen door Nederland?

Kunt u, wanneer er wel sprake is van soevereiniteitsoverdracht, aangeven hoe dat zich verhoudt tot de volgende frase uit het regeerakkoord: «Met het verdrag van Lissabon is voor de komende periode de grens bereikt van overdracht van nationale bevoegdheden aan de EU»?

Hoe verhouden volgens u inziens de nieuwe voorstellen zich tot de motie Slob c.s. van 17 februari jl.1 die de regering verzoekt «in de nu lopende procedure krachtig afstand te nemen van elke beweging naar een meer politieke unie»?

Antwoord 1, 2 en 7

In eerdere debatten met uw Kamer heb ik gesteld het begrip «soevereiniteit overdragen» minder goed werkbaar te vinden vanwege de vaak optredende begripsverwarring, en in deze context te willen interpreteren als «nationale bevoegdheden overdragen». Soevereiniteit is mijns inziens een erg weids begrip terwijl het hier om precisie gaat.

Het Verdrag inzake Stabiliteit, Coördinatie en Bestuur in de Economische en Monetaire Unie stelt cf. artikel 1 een aantal regels vast ter bevordering van begrotingsdiscipline, ter versterking van coördinatie van het economisch beleid en ter verbetering van het bestuur van de eurozone, om zo bij te dragen aan bestaande doelstellingen van de EU. Voor een gedetailleerde beschrijving van inhoud en totstandkoming van het Verdrag verwijs ik nu naar de brief terzake van 18 januari jl. (TK 21 501-20, nr. 603), het verslag van de informele Europese Raad van 30 januari (TK 21 501-20 nr. 611) en de geannoteerde agenda voor de komende Europese Raad.

Wanneer naar de inhoud van het Verdrag wordt gekeken is duidelijk dat het zwaartepunt ligt bij het deel over de begrotingsdiscipline. Hierin wordt een aantal afspraken gemaakt die ertoe strekken de naleving van de bestaande verplichtingen onder het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) te versterken. Deze procedureregels sluiten inhoudelijk aan bij de eisen van het SGP en verbeteren de waarborg op de naleving door de lidstaten, in het bijzonder zij die de euro als munt hebben, van de verplichting uit het EU-Werkingsverdrag om buitensporige overheidstekorten te vermijden.

De economische pijler van het Verdrag bevat feitelijk geen nieuwe initiatieven ten opzichte van het bestaande EU instrumentarium. De Verdragspartijen erkennen hiermee dat de bestaande Europese procedures ten volle dienen te worden benut om een adequate coördinatie van het economisch beleid en een convergentie van economische prestaties te realiseren, die noodzakelijk zijn voor een duurzaam stabiele EMU. De bestaande mogelijkheid om, waar noodzakelijk en gewenst, intensiever samen te werken (via nauwere samenwerking cf. artikel 20 EU en artikel 326–334 VWEU, of via specifieke maatregelen voor eurolanden cf. artikel 136 VWEU) wordt benadrukt. Het Verdrag is derhalve niet strijdig met de door u geciteerde motie Slob, noch met de tweede motie Slob (TK 21 501-20 nr. 516) omdat er geen verplichting ontstaat voor verdragspartijen om in te stemmen met aanvullende Europese afdwingbare afspraken op het niveau van te nemen maatregelen.

Het deel van het Verdrag dat zich richt op het versterken van het bestuur van de eurozone is louter organisatorisch van aard.

Gezien het bovenstaande is het kabinet van mening dat er met dit Verdrag geen nationale bevoegdheden worden overgedragen aan de EU, omdat de EU reeds bevoegd is op de genoemde terreinen. Dit is dan ook niet strijdig met de betreffende afspraak in het regeerakkoord.

Vraag 3 en 4

Kunt u, wanneer er wel sprake is van soevereiniteitsoverdracht, aangeven hoe dat zich verhoudt tot de volgende frase die u op 21 maart 2011 opnam in een brief aan de Kamer: «het Euro Pact is een politieke afspraak waarbij geen bevoegdheden overgaan»? Is deze uitspraak staand kabinetsbeleid?2

Kunt u, wanneer er wel sprake is van soevereiniteitsoverdracht, aangeven hoe dat zich verhoudt tot uitspraken van de minister-president op 1 april 2011, toen hij stelde dat het Europact «geen dwingende afspraken oplegt» en dat er «dus geen soevereiniteit (wordt) overgedragen»? Is dit staand kabinetsbeleid?

Antwoord 3 en 4

De uitspraken waaraan u refereert hadden betrekking op het Europluspact. Die politieke afspraak moet niet worden verward met het onderhavige Verdrag, dat ook wel Begrotingspact wordt genoemd.

Vraag 5 en 6

Is het correct dat alle maatregelen die in deze versie genomen worden binnen het Stabiliteit- en Groeipact vallen? Zo neen, hoe verhoudt zich dat tot de uitspraak van de minister-president op 17 juni 2011 dat hij «zo min mogelijk soevereiniteit» wil overdragen, «behalve als het gaat om de vraag of de landen zich houden aan de afspraken van het Stabiliteit- en Groeipact»? Is dit staand kabinetsbeleid?

Kunt u, wanneer de maatregelen niet allemaal vallen onder de afspraken van het Stabiliteit- en Groeipact, aangeven hoe dat zich verhoudt tot de volgende uitspraken van de minister-president op 16 augustus 2011: «Het is geen soevereiniteitoverdracht van Nederland naar Europa, want Nederland voldoet aan de financiële strikte voorwaarden.... Er mag in ieder geval geen sprake zijn van soevereiniteitsoverdracht van landen die zich wel aan de regels houden»? Is dit staand kabinetsbeleid?

Antwoord 5 en 6

Zoals hierboven betoogd vallen niet alle afspraken uit dit Verdrag binnen het SGP. Het Verdrag kent ook bepalingen over economische coördinatie en over bestuur van de eurozone. Voor het overige verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 1–2 en 8.

Vraag 8

Bent u bereid deze vragen voor de behandeling van de eerstvolgende Europese Top in de Kamer te beantwoorden?

Antwoord 8

Ja.


X Noot
1

Kamerstuk, 21 501-07, nr. 779.

X Noot
2

Kamerstuk, 21 501-20, nr. 524.

Naar boven