Besluit van 18 december 2008, houdende herstel van technische gebreken in algemene maatregelen van bestuur op grond van de Wet op het financieel toezicht, het Besluit fondsen en spaarregelingen, het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2 en het Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Reparatiebesluit Wft)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 8 oktober 2008, nr. FM 2008-2324 M, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten;

Gelet op de artikelen 1:1, 1:10, aanhef en onderdelen a en b, 1:40, vijfde lid, 1:81, eerste en tweede lid,1:102, eerste lid, 2:45, tweede lid, 2:54f, tweede lid, 3:5, vierde lid, 3:36, vierde lid, 3:53, eerste lid, 3:54, eerste en vierde lid, 3:57, eerste en tweede lid, 3:59, tweede lid, 3:61, eerste en tweede lid, 3:62, tweede lid, 3:67, vierde lid, onderdeel a, 3:259, derde en vierde lid, 3:266, vijfde lid, 5:56, zesde lid, 5:59, vierde lid, 5:76, tweede lid, 5:80a, derde en vierde lid, 5:80b, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht;

De Raad van State gehoord (advies van 5 november 2008, nr. W06.08.0431/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 11 december 2008, nr. FM 2008-2815 U, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten;

Hebben goed gevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit bekostiging financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b komt te luiden:

  • b. een ontheffing als bedoeld in artikel 2:23, tweede lid, 2:26b, vijfde lid, 2:26e, derde lid, 2:54b, vierde lid, 2:54e, derde lid, 2:55, tweede lid, 2:60, tweede lid, 2:65, derde lid, 2:75, tweede lid, 2:80, tweede of derde lid, 2:86, tweede lid, 2:92, tweede lid, 2:96, tweede lid, 3:2, derde lid, 3:5, vierde lid, 3:6, vierde lid, 3:7, vierde lid, 4:3, vierde lid, en 5:26, derde lid, van de wet;

2. In het eerste lid, onderdeel f, wordt de zinsnede «5:23, eerste lid» vervangen door: 5:23, tweede lid.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De toezichthouder brengt de kosten die hij maakt ter advisering van Onze Minister ten behoeve van de behandeling van een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:97 van de wet of een vergunning als bedoeld in artikel 5:27 van de wet, in rekening bij de aanvrager.

B

Artikel 3, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De Autoriteit Financiële Markten brengt eenmalig een bedrag in rekening aan een bieder:

    • a. nadat het openbaar bod is aangekondigd op de wijze, voorzien in artikel 5, eerste, tweede of derde lid, van het Besluit openbare biedingen Wft;

    • b. nadat de bieder omtrent de gestanddoening van het openbaar bod een openbare mededeling als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van het Besluit openbare biedingen Wft heeft gedaan, en, voor zover zich dat voordoet, nadat de bieder een openbare mededeling als bedoeld in artikel 17, vierde lid, van voornoemd besluit heeft gedaan;

    • c. voor het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 5:81, derde lid, van de wet.

C

In artikel 12, eerste lid, wordt de zinsnede «op grond de artikelen» vervangen door: op grond van de artikelen.

ARTIKEL II

Artikel 3 van het Besluit definitiebepalingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Personen of vennootschappen van wie opvorderbare gelden worden aangetrokken, ter beschikking worden verkregen of ter beschikking worden gehouden, worden in hun rechtsverhouding tot degene die de opvorderbare gelden aantrekt, ter beschikking verkrijgt onderscheidenlijk ter beschikking heeft, aangewezen als professionele marktpartij in de zin van onderdeel c van de definitie van professionele marktpartij in artikel 1:1 van de wet, indien:

    • a. de nominale waarde van de eerste vordering dan wel van de eerste gezamenlijk verworven vorderingen tezamen, binnen deze rechtsverhouding ten minste € 50.000 bedraagt en dit bedrag ineens wordt verstrekt; of

    • b. de eerste vordering dan wel de eerste gezamenlijk verworven vorderingen tezamen, binnen deze rechtsverhouding slechts kunnen worden dan wel zijn verworven voor een bedrag van ten minste € 50.000 ineens.

ARTIKEL III

Het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2:5, eerste lid, 2:7, eerste lid, 2:12, eerste lid, 2:13, eerste lid, 2:17, eerste lid, 2:21, eerste lid, 2:22, eerste lid, 2:23, tweede lid, 2:26b, eerste lid, 2:26e, eerste lid, 2:31, eerste lid, 2:32, eerste lid, 2:33, eerste lid, 2:37, eerste lid, 2:41, eerste lid, 2:42, eerste lid, 2:43, eerste lid, 2:49, eerste lid, 2:51, eerste lid, 2:54b, eerste lid, 2:54e, eerste lid, 2:55, tweede lid, 2:58, eerste lid, 2:60, tweede lid, 2:63, eerste lid, 2:65, derde lid, 2:67, eerste en tweede lid, 2:68, eerste lid, 2:69, eerste lid, 2:75, tweede lid, 2:78, eerste lid, 2:80, tweede lid, 2:83, eerste lid, 2:86, tweede lid, 2:89, eerste lid, 2:92, tweede lid, 2:94, eerste lid, 2:96, tweede lid, 2:99, eerste lid, 4:3, vierde lid, van de wet, wordt gedaan met gebruikmaking van het daartoe door de toezichthouder vast te stellen formulier dat op verzoek aan de aanvrager ter beschikking wordt gesteld.

B

In het opschrift van paragraaf 2.2 wordt de zinsnede «2:12, derde lid, 2:17, tweede lid, 2:21, derde lid» vervangen door: 2:12, vijfde lid, 2:13, tweede lid, 2:17, tweede lid, 2:21, tweede lid.

C

In de aanhef van artikel 8, eerste lid, wordt de zinsnede «2:12, derde lid» vervangen door: 2:12, vijfde lid.

D.

In de aanhef van artikel 10, eerste lid, wordt de zinsnede «2:21, derde lid» vervangen door: 2:21, tweede lid.

E

In het opschrift van paragraaf 2.3 wordt de zinsnede «2:31, tweede lid» vervangen door «2:31, vierde lid», wordt de zinsnede «2:39, tweede lid» vervangen door «2:39, eerste lid» en wordt de zinsnede «2:41, eerste lid» vervangen door: 2:41, tweede lid.

F

Artikel 12, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt de zinsnede «2:31, tweede lid» vervangen door: 2:31, vierde lid.

2. Aan het slot van onderdeel m, onder 2°, vervalt de puntkomma.

G

In artikel 18, eerste lid, onderdeel n, wordt: «2:74» vervangen door: 3:47, eerste lid.

H

In artikel 21, tweede lid, wordt «1a:40» vervangen door: 2:43.

I

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel h, wordt «lidstaat» vervangen door: staat.

2. In het eerste lid wordt de punt aan het slot van onderdeel i vervangen door «; en», vervallen de onderdelen j en k en wordt onderdeel l geletterd j.

3. In het tweede lid, onderdeel b, vervalt aan het slot «en».

4. In het tweede lid, onderdeel c, wordt de zinsnede «iedere andere staat die geen lidstaat is,» vervangen door: iedere andere lidstaat.

5. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door «; en», een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. een opgave van de naam en het adres van de schade-afhandelaar, bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdeel e, van de wet.

6. Het vijfde lid vervalt.

J

Artikel 31e wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanduiding «1.» voor de tekst van het eerste lid vervalt.

2. Het tweede tot en met het vierde lid (oud) vervallen.

K

In de artikelen 32, 33, 36, 38, 39 en 40 wordt telkens in het eerste lid, onderdeel h, na de zinsnede «die het dagelijks beleid bepalen en» ingevoegd: met betrekking tot de vakbekwaamheid.

L

In het opschrift van paragraaf 2.11 wordt de zinsnede «gevolgmachtigde agent of ondergevolgmagtigde agent» vervangen door: gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent.

ARTIKEL IV

Het Besluit reikwijdtebepalingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan op grond van artikel 3 een verklaring is verleend, dient binnen de door artikel 58, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde termijnen de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, onderscheidenlijk 391, eerste lid, en 392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, bij de Nederlandsche Bank in.

B

In artikel 7, eerste lid, wordt de zinsnede «1:75, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en tweede lid» vervangen door: 1:75.

C

In artikel 8, eerste lid, wordt de zinsnede «1:75, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en tweede lid, 1:76, tweede tot en met zevende lid» vervangen door: 1:75, 1:76, eerste tot en met zevende lid.

D

In artikel 15 wordt «3:281» vervangen door: 3:282.

E

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, vervalt «of» aan het slot van onderdeel 2° en wordt na onderdeel 3° een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 4°. een onderneming die behoort tot een door de Nederlandsche Bank aan te wijzen categorie; of.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De houder van de ontheffing verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, onderscheidenlijk 391, eerste lid, en 392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

F

Artikel 31, eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. door de Landelijke Officier van Justitie verstrekte politiegegevens;.

G

In artikel 39, tweede lid, wordt de zinsnede «de Nederlandse Bank» vervangen door: de Nederlandsche Bank.

ARTIKEL V

Het Besluit prudentiële regels Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 komt de definitie van groep van verbonden wederpartijen te luiden:

groep van verbonden wederpartijen: ten minste twee personen die uit een oogpunt van de te lopen risico’s als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij:

  • a. met elkaar zijn verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur; of

  • b. zodanig onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen zou ondervinden, in elk geval een van de anderen waarschijnlijk in betalingsproblemen zou komen;.

B

Artikel 7, eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. door de Landelijke Officier van Justitie verstrekte politiegegevens;.

C

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «Een entiteit voor risico-acceptatie, kredietinstelling, levensverzekeraar» vervangen door: Een kredietinstelling, levensverzekeraar.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «kredietinstelling, natura-uitvaartverzekeraar, levensverzekeraar, schadeverzekeraar» vervangen door: kredietinstelling, levensverzekeraar.

D

In artikel 21, tweede lid, onderdeel a, wordt de zinsnede «verrichten beleggingsactiviteiten» vervangen door: verrichten van beleggingsactiviteiten.

E

In het opschrift van hoofdstuk 6 vervalt «3:41,» en wordt «3:48» vervangen door: 3:48, derde lid.

F

In artikel 33, eerste lid, aanhef, vervalt «3:41,».

G

Artikel 36, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «3:29, tweede lid» wordt vervangen door: 3:29, eerste lid.

2. «3:41,» vervalt.

3. De dubbele punt na «een wijziging van» vervalt.

H

In artikel 37, eerste, tweede en vierde lid, wordt de zinsnede «3:29, tweede lid» telkens vervangen door: 3:29, eerste lid.

I

Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «3:29» ingevoegd: , eerste lid,.

2. In het tweede lid, onderdeel b, vervalt de tweede punt aan het slot.

J

In artikel 39, eerste en tweede lid, wordt «3:48,» telkens vervangen door: 3:48, eerste lid,.

K

In artikel 41, eerste lid, wordt de zinsnede «3:36, tweede lid» vervangen door: 3:36, derde lid.

L

Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. € 2,5 miljoen voor een bank als bedoeld in artikel 2:13 van de wet die in hoofdzaak haar bedrijf maakt van het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten;.

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt de zinsnede «ten minste € 1.000.000» vervangen door «ten minste € 1.120.200» en wordt de zinsnede «ten minste € 1.500.000» vervangen door: ten minste € 1.680.300.

3. Het tweede lid, onderdeel b komt te luiden:

  • b. een combinatie van een bedrag aan eigen vermogen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen g of h en een beroepsaansprakelijkheidsverzekering als bedoeld in onderdeel a die resulteert in een dekking die ten minste gelijkwaardig is aan € 50.000 of onderdeel a..

M

In artikel 50, eerste lid, wordt de zinsnede «een kredietinstelling als bedoeld in artikel 2:13» vervangen door: een bank als bedoeld in artikel 2:13, eerste lid.

N

In artikel 52, eerste lid, wordt de zinsnede «voor zover dit lid niet de meerwaarden op grond van winstverwachtingen betreft» vervangen door: voor zover dit lid de meerwaarden in verband met onderwaardering van activa betreft.

O

Aan artikel 61 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 7. Op verzoek van een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerst lid, van de wet, kan de Nederlandsche Bank een risicogewicht van nul toestaan voor een actief of post buiten de balanstelling van de hiervoor bedoelde financiële ondernemingen indien het betreft vorderingen op hun moederondernemingen, dochterondernemingen, dochterondernemingen van hun moederondernemingen of ondernemingen waarmee zij verbonden zijn door een betrekking als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening, indien:

    • a. de vordering bestaat op een andere bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling, een financiële holding, een financiële instelling, of een onderneming die nevendiensten verricht, en deze ondernemingen betrokken zijn in het bedrijfseconomische toezicht;

    • b. de in onderdeel a bedoelde onderneming onderdeel uitmaakt van dezelfde volledige consolidatie;

    • c. de in onderdeel a bedoelde onderneming aan dezelfde risicobeoordeling, meet- en controleprocedures is onderworpen;

    • d. de in onderdeel a bedoelde onderneming haar zetel heeft in Nederland; en

    • e. de bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling aantoont dat geen feitelijke of juridische belemmeringen aanwezig of te voorzien zijn die een onmiddellijke overdracht van toetsingsvermogen of terugbetaling van schulden door de in onderdeel a bedoelde ondernemingen aan haar kan verhinderen.

  • 8. Het zevende lid is niet van toepassing op de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 91, tweede lid, en 92, tweede en derde lid.

P

In artikel 62a, eerste lid, wordt de zinsnede «artikel 48, aanhef en onderdeel h» vervangen door: artikel 48, aanhef en onderdeel g of h.

Q

In artikel 63, derde lid, wordt de zinsnede «vierde tot en met zesde» vervangen door: derde tot en met vijfde.

R

In artikel 66, eerste lid, onderdeel d, wordt de zinsnede «voor zover het verzekeringen met risicokapitaal betreft» vervangen door: voor alle verzekeringen.

S

Artikel 88, vijfde lid, vervalt.

T

In artikel 89, eerste lid, wordt na de zinsnede «95, tweede lid,» ingevoegd: alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan,.

U

In artikel 92, tweede lid, onderdeel b, onder 3°, wordt «voorzetten» vervangen door: voortzetten.

V

In het opschrift van paragraaf 10.8 wordt de zinsnede «artikel 3:57, zevende lid» vervangen door: artikel 3:57, zesde lid.

W

In de artikelen 102, eerste lid, 103, eerste lid, 104, eerste lid, 105, eerste lid, aanhef, en 130, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, wordt de zinsnede «artikel 3:57, zevende lid» telkens vervangen door: artikel 3:57, zesde lid.

X

In het opschrift van paragraaf 12.1. wordt de zinsnede «artikelen 3:67, vierde lid, onderdeel a» vervangen door: artikelen 3:57, tweede lid, en 3:67, vierde lid, onderdeel a.

Y

Artikel 114 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Een schadeverzekeraar als bedoeld in het eerste lid die zijn jaarrekening opstelt overeenkomstig de internationale jaarrekeningstandaarden houdt voor de branche Krediet, in plaats van een egalisatievoorziening, een egalisatiereserve aan. Voor de toepassing van dit besluit wordt de egalisatiereserve aangemerkt als technische voorziening.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Een entiteit voor risico-acceptatie of een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid kan afwijken van de indeling, bedoeld in artikel 435, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of van de berekening van de technische voorzieningen, bedoeld in de artikelen 115 tot en met 119, indien de internationale jaarrekeningstandaarden zulks voorschrijven.

ARTIKEL VI

Het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 10, eerste lid, onderdeel a, wordt de zinsnede «of door haar» vervangen door: en.

B

Artikel 11, zevende lid, tweede volzin, vervalt.

C

In artikel 12 wordt, onder vernummering van het tweede lid tot het derde lid, na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 11, zevende lid, heeft bepaald dat bijdragen beneden een door haar vast te stellen bedrag niet behoeven te worden voldaan, stelt zij vast, op basis van het omslagpercentage, bedoeld in het eerste lid, welke banken op grond van artikel 11, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen. Indien de Nederlandsche Bank vaststelt dat een of meer banken geen bijdrage behoeven te voldoen, en stelt zij een nieuw omslagpercentage vast, dat het omslagpercentage, bedoeld in het eerste lid, vervangt. Hiervoor herhaalt de Nederlandsche Bank de berekening, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de gegevens van de betalingsonmachtige bank en van de banken die op grond van artikel 11, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen, niet worden meegeteld.

D

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt de zinsnede «, onderdelen a en b».

2. In het derde lid, wordt de zinsnede «eerste lid, onderdelen b en c» vervangen door: eerste lid, aanhef en onderdeel b, en het tweede lid.

3. In het zevende lid vervalt de tweede volzin.

E

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt na de zinsnede «bedoeld in het tweede lid» ingevoegd: of, indien van toepassing, het derde lid.

2. Onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid, wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 13, zevende lid, heeft bepaald dat bijdragen beneden een door haar vast te stellen bedrag niet behoeven te worden voldaan, stelt de Nederlandsche Bank vast, op basis van het omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid, welke financiële ondernemingen op grond van artikel 13, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen. Indien de Nederlandsche Bank vaststelt dat een of meer financiële ondernemingen geen bijdrage behoeven te voldoen, stelt de Nederlandsche Bank een nieuw omslagpercentage vast, dat het omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid, vervangt. Hiervoor herhaalt de Nederlandsche Bank de berekening, bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat de gegevens van de betalingsonmachtige financiële onderneming en van de financiële ondernemingen die op grond van artikel 13, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen, niet worden meegeteld.

F

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «artikel 13, eerste lid, onderdeel c» telkens vervangen door: artikel 13, tweede lid.

2. In het eerste lid wordt na de zinsnede «bedoeld in het tweede lid» ingevoegd: of, indien van toepassing, het derde lid.

3. Onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid, wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 13, zevende lid, heeft bepaald dat bijdragen beneden een door haar vast te stellen bedrag niet behoeven te worden voldaan, stelt de Nederlandsche Bank vast, op basis van het omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid, welke financiële ondernemingen op grond van artikel 13, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen. Indien de Nederlandsche Bank vaststelt dat een of meer financiële ondernemingen geen bijdrage behoeven te voldoen, stelt de Nederlandsche Bank een nieuw omslagpercentage vast, dat het omslagpercentage, bedoeld in het tweede lid, vervangt. Hiervoor herhaalt de Nederlandsche Bank de berekening, bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat de gegevens van de betalingsonmachtige financiële onderneming en van de financiële ondernemingen die op grond van artikel 13, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen, niet worden meegeteld.

G

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «13, eerste lid, onderdeel c» vervangen door: 13, tweede lid.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «artikel 13, eerste lid» vervangen door: artikel 13, eerste en tweede lid.

H

Artikel 21, zevende lid, tweede volzin, vervalt.

I

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De Nederlandsche Bank stelt, ambtshalve of op verzoek van representatieve vertegenwoordigingen, na overleg met deze vertegenwoordigingen het voor elke bank geldende omslagpercentage vast aan de hand van de door elke bank aangehouden deposito’s voor zover zij voor voldoening ingevolge het depositogarantiestelsel in aanmerking zouden komen. In aanmerking worden genomen de deposito’s die worden aangehouden op de datum van de laatste door die bank aan de Nederlandsche Bank overgelegde balans voorafgaand aan het tijdstip waarop de Nederlandsche Bank tot de toepassing van het depositogarantiestelsel met betrekking tot de betalingsonmachtige bank heeft besloten. Na overleg met representatieve vertegenwoordigingen bepaalt de Nederlandsche Bank welke posten op deze overgelegde balans voor deze berekening in aanmerking worden genomen. Daarbij wordt het totaalbedrag van deze posten van elke bank gedeeld door het totaalbedrag van deze posten van alle banken gezamenlijk en het verkregen getal vermenigvuldigd met 100 procent. Hierbij worden de gegevens van de betalingsonmachtige bank niet meegeteld.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot het derde lid, wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 21, zevende lid, heeft bepaald dat bijdragen beneden een door haar vast te stellen bedrag niet behoeven te worden voldaan, stelt de Nederlandsche Bank bepaalt op basis van het omslagpercentage, bedoeld in het eerste lid, welke banken op grond van artikel 21, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen. Indien de Nederlandsche Bank vaststelt dat een of meer banken geen bijdrage behoeven te voldoen, stelt de Nederlandsche Bank een nieuw omslagpercentage vast, dat het omslagpercentage, bedoeld in het eerste lid, vervangt. Hiervoor herhaalt de Nederlandsche Bank de berekening, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de gegevens van de betalingsonmachtige bank en van de banken die op grond van artikel 21, zevende lid, geen bijdrage behoeven te voldoen, niet worden meegeteld.

J

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Bij het vaststellen van de waarde van een vastgestelde vordering houdt de Nederlandsche Bank rekening met mogelijke bevoegdheden om die vordering en andere vorderingen onderling op grond van de wet of overeenkomst te verrekenen.

2. In het vierde lid wordt «aanmerkingen» vervangen door: aanmerking.

K

Artikel 27, derde lid, komt te luiden:

  • 3. De betaling vindt slechts plaats indien de aanvrager eventuele rechten tot teruggave of terugbetaling van financiële instrumenten jegens derden tot de hoogte van het uitbetaalde bedrag overdraagt aan de Nederlandsche Bank.

L

In artikel 29, eerste lid, wordt de zinsnede «artikel 150, aanhef en sub d, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is gesubrogeerd» vervangen door: artikel 3:261, derde lid, van de wet is getreden.

M

Bijlage A, behorende bij artikel 9, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 7, vervalt de zinsnede «die financiële onderneming zijn».

2. Na onderdeel 7 wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 8. Personen, wier vorderingen voortvloeien uit beleggingsverrichtingen bij een bijkantoor, gelegen in een staat die geen lidstaat is.

N

Aan Bijlage B, behorende bij artikel 20, eerste lid, wordt na onderdeel 11 een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 12. Deposito’s, aangehouden bij een bijkantoor, gelegen in een staat die geen lidstaat is.

ARTIKEL VII

Het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 21, tweede lid, vervalt de zinsnede «6, tweede lid,» en wordt de zinsnede «13, derde lid» vervangen door: 13, tweede en derde lid.

B

In artikel 27, vijfde lid, wordt «intragroepovereenkomsten» vervangen door: intragroepsovereenkomsten.

ARTIKEL VIII

Het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, onderdeel d, onder 2, komt te luiden:

  • 2. recht van deelneming in een beleggingsinstelling dat niet verhandelbaar is of dat op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect wordt ingekocht of terugbetaald;.

B

Artikel 14, eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. door de Landelijke Officier van Justitie verstrekte politiegegevens;.

C

In artikel 25, tweede lid, wordt na de zinsnede «beoordeling van» ingevoegd: de betrouwbaarheid van.

D

In artikel 41 wordt na de zinsnede «Een beleggingsonderneming of financiële dienstverlener» ingevoegd: als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de wet.

E

In artikel 67, eerste lid, onderdeel a, wordt de zinsnede «vierde Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (richtlijn nr. 78/660/EEG van 25 juli 1978) (PbEG L 222)» vervangen door: richtlijn jaarrekening.

F

In het opschrift van paragraaf 10.3.2 wordt na de zinsnede «4:56, eerste lid,» ingevoegd: 4:60, eerste lid,.

G

Artikel 125a vervalt.

H

In artikel 130, onderdeel i, onder 4°, wordt de zinsnede «Vierde richtlijn nr. 78/660/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3 sub g) van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschappen (PbEG L 222)» vervangen door: richtlijn jaarrekening.

I

In artikel 167a, vierde lid, wordt de zinsnede «beheer van een belangenconflict, bedoeld» vervangen door: beheersen van een belangenconflict als bedoeld.

ARTIKEL IX

Het Besluit melding zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 8 vervalt voor de tekst de aanduiding «1.».

B

Hoofdstuk 6 vervalt.

C

In het opschrift van Hoofdstuk 7 wordt de zinsnede «Hoofdstuk 7» vervangen door: Hoofdstuk 6.

D

In artikel 14 wordt na «instellingen» ingevoegd: Wft.

ARTIKEL X

Het Besluit openbare biedingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 7, vijfde lid, wordt «vorige» telkens vervangen door: vierde.

B

In artikel 13, tweede lid, eerste volzin, wordt na «transactie» ingevoegd: is verricht onderscheidenlijk de overeenkomst.

C

In artikel 17, derde lid, wordt de zinsnede «Gedurende de in het eerste lid, onder b, bedoelde termijn» vervangen door: Vanaf het tijdstip waarop de openbare mededeling over de gestanddoening wordt gedaan tot en met het tijdstip waarop de in het eerste lid, onder b, bedoelde termijn eindigt.

D

Artikel 19 komt te luiden:

Artikel 19

De bieder betaalt, indien hij het volledig bod gestand doet, steeds voor alle ingevolge dat volledig bod aangemelde effecten de hoogste prijs die op grond van het biedingsbericht, al dan niet verhoogd op grond van artikel 15, vierde lid, is geboden of op grond van een transactie als bedoeld in artikel 5, vierde lid, of 13, eerste lid, met uitzondering van in regelmatig verkeer op markten in financiële instrumenten tot stand gekomen transacties, is betaald.

E

Bijlage A, paragraaf 1, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 4, wordt de zinsnede «artikel 17» vervangen door: artikel 15.

2. In onderdeel 6, wordt de zinsnede «artikel 8, vijfde lid» vervangen door: artikel 7, vierde lid.

ARTIKEL XI

Artikel 12, tweede lid, van het Besluit fondsen en spaarregelingen komt te luiden:

  • 2. Als instelling, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden aangewezen gemeentelijke spaarbanken en banken waaraan het ingevolge de Wet op het financieel toezicht is toegestaan in Nederland hun bedrijf uit te oefenen, niet zijnde banken als bedoeld in artikel 2:13 van die wet die in hoofdzaak hun bedrijf maken van het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten.

ARTIKEL XII

In artikel X, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2 wordt «emissievergunningen» vervangen door: emissierechten.

ARTIKEL XIII

In artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme wordt «artikel 3» vervangen door: artikel 6.

ARTIKEL XIV

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel V, onderdeel O, werkt terug tot en met 1 januari 2008. Artikel XI werkt terug tot en met 1 januari 2007.

ARTIKEL XV

Dit besluit wordt aangehaald als: Reparatiebesluit Wft.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 18 december 2008

Beatrix

De Minister van Financiën,

W. J. Bos

Uitgegeven de negenentwintigste december 2008

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

De Wet op het financieel toezicht (Wft) en diverse algemene maatregelen van bestuur die hun grondslag hebben in de Wft (Besluiten Wft), zijn op 1 januari 2007 in werking getreden. Zoals te verwachten bij een wetgevingsoperatie van deze omvang zijn zowel in de Wft als in de Besluiten Wft een aantal onjuiste verwijzingen, verschrijvingen en omissies geslopen. Deze konden tot mei 2007 worden gemeld bij het Meldpunt Wft op de website van het Ministerie van Financiën. De omissies in de Wft en de Besluiten Wft worden in twee fasen hersteld. Bij reparatiewet en dit reparatiebesluit zijn de verschrijvingen, onjuiste verwijzingen en technische omissies hersteld in de Wft en een aantal andere wetten, respectievelijk in de Besluiten Wft en enkele andere besluiten.

In een volgend traject zullen wijzigingen in de Wft en in de Besluiten Wft worden aangebracht die meer inhoudelijk van aard zijn. Het is de bedoeling dat de wijzigingswet en het wijzigingsbesluit in 2010 in werking treden.

Administratieve lasten

Dit besluit brengt geen wijziging in de administratieve lasten voor het bedrijfsleven of de burgers omdat de wijzigingen die worden aangebracht slechts technisch van aard zijn. Het besluit is ter informatie naar het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) gezonden en zij heeft aangegeven dat het wetsvoorstel niet aan haar voor advies hoeft te worden voorgelegd (ambtelijke afhandeling).

Consultatie

Het besluit is ter consultatie voorgelegd aan brancheorganisaties en een aantal advocatenkantoren. Met het ontvangen commentaar is rekening gehouden. Tevens is advies uitgebracht door de toezichthouders De Nederlandsche Bank NV en Stichting Autoriteit Financiële Markten.

Artikelsgewijs

Artikel I

A

De wijziging in dit onderdeel voegt enkele ontbrekende grondslagen toe aan artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit bekostiging financieel toezicht (Besluit bekostiging Wft). Toegevoegd zijn de artikelen 2:65, derde lid, 2:96, tweede lid, en 4:3, vierde lid, van de Wft, terwijl artikel 5:71, zesde en zevende lid, van de Wft is geschrapt. Tevens worden enkele onjuiste verwijzingen hersteld.

Het nieuwe vierde lid regelt de situatie waarin niet de toezichthouder maar de minister een verklaring van geen bezwaar of een vergunning verleent (zie artikel 3:97, respectievelijk artikel 5:27 van de Wft). In deze gevallen voorziet de toezichthouder de minister van advies en informatie. De kosten die hiermee gepaard gaan, dienen in rekening te worden gebracht bij de aanvrager van een verklaring van geen bezwaar of bij de aanvrager van een vergunning.

B

In artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit bekostiging Wft was het eerste heffingsmoment, het moment van het 4-weken persbericht («nadat de bieder omtrent de aanvraag tot goedkeuring van het biedingsbericht een openbare mededeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a of b, of tweede lid, van het Besluit openbare biedingen Wft heeft gedaan»). Het eerste heffingsmoment is nu de aankondiging van het bod, zoals dit ook onder de biedingregels op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 het geval was.

C

De wijziging in dit onderdeel is van redactionele aard.

Artikel II

In artikel 1:1 van de Wft is een definitie van professionele marktpartij opgenomen. In artikel 3 van het Besluit definitiebepalingen Wft zijn, op grond van onderdeel c van de definitie in artikel 1:1, overige categorieën professionele marktpartijen aangewezen. Voor inwerkingtreding van de Wft was het begrip professionele marktpartij gedefinieerd in artikel 1, onderdeel e, van de Vrijstellingsregeling Wtk 1992 en nader uitgewerkt in artikel 2 van de door de Nederlandsche Bank (DNB) opgestelde Beleidsregel 2005 kernbegrippen en markttoetreding en handhaving Wtk 1992 (Beleidsregel 2005).

In artikel 2, vijfde lid, van de Beleidsregel 2005 was, kort gezegd, vastgelegd dat, in het geval van het aantrekken van opvorderbare gelden door middel van de uitgifte van schuldtitels aan toonder of op naam, de geldnemer er vanuit mocht gaan dat hij gelden aantrok van een professionele marktpartij indien aan drie cumulatieve voorwaarden was voldaan. De voorwaarde in onderdeel c van dit vijfde lid, hield in dat de kleinst verhandelbare schuldtitels een coupuregrootte moesten hebben van ten minste € 100.000 of, indien de schuldtitels in pakketten werden verhandeld, deze pakketten een nominale waarde moesten vertegenwoordigen van ten minste € 100.000. Met inwerkingtreding van de Wft zijn de Vrijstellingsregeling Wtk 1992 en de Beleidsregel 2005 van DNB vervallen. In de Wft is geen vergelijkbare bepaling opgenomen. Artikel 3, tweede lid, van het Besluit definitiebepalingen Wft herstelt deze omissie.

In het tweede lid is bepaald waaraan moet worden voldaan om binnen een bepaalde rechtsverhouding ten opzichte van de desbetreffende geldnemer te worden aangewezen als professionele marktpartij. In onderdeel a is bepaald dat dit het geval is, indien door de geldnemer gelden worden aangetrokken, ter beschikking worden verkregen of ter beschikking worden gehouden, bijvoorbeeld door middel van het aanbieden van schuldinstrumenten of door middel van het aangaan van een overeenkomst en de nominale waarde van de eerste vordering dan wel van de eerste vorderingen tezamen ten minste € 50.000 bedraagt. Daarnaast is vereist dat dit bedrag ineens aan de geldnemer wordt verstrekt.

In onderdeel b is bepaald dat iemand ook als professionele marktpartij wordt aangewezen, indien de eerste vordering dan wel de eerste vorderingen tezamen slechts kunnen worden dan wel zijn verworven tegen betaling van een bedrag van € 50.000 ineens. De onderdelen a en b hebben zowel betrekking op een enkele vordering als op vorderingen die slechts in een pakket kunnen worden, dan wel zijn verworven. Hierbij wordt opgemerkt dat het tweede lid ook van toepassing is indien het gaat om een equivalent van € 50.000 in vreemde valuta.

Om vast te kunnen stellen of een geldgever in een bepaalde rechtsverhouding tot de desbetreffende geldnemer kan worden aangemerkt als professionele marktpartij is doorslaggevend of deze geldgever in staat is om een bedrag van ten minste € 50.000 ineens te betalen. Bij de toepassing van deze bepaling is de term «ineens» cruciaal. Uitdrukkelijk niet onder deze bepaling valt derhalve de situatie dat een vordering met een nominale waarde van € 50.000 wordt verworven, waarbij dit bedrag in delen, gespreid over een langere periode, wordt verstrekt.* Voorts verdragen constructies waarbij de facto een onderhandse lening voor minder dan € 50.000 wordt aangegaan, bijvoorbeeld omdat een gedeelte van deze lening vrijwel onmiddellijk wordt terugbetaald, zich niet met de ratio van deze bepaling.

Hierbij moet worden opgemerkt dat het op grond van deze bepaling mogelijk blijft om kortingen te geven op de nominale waarde van obligaties (zogeheten discounts).

In het nieuwe tweede lid van artikel 3 van het Besluit definitiebepalingen Wft is, onder andere om de voorheen geldende regeling in overeenstemming te brengen met de praktijk en hiermee ook de administratieve lasten te verlagen, een aantal wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van de Beleidsregel 2005. Ten eerste is voor de minimale nominale waarde aangesloten bij het in artikel 5:3 van de Wft genoemde bedrag van € 50.000. In de tekst wordt daarbij niet gesproken van coupuregrootte, zoals in de Beleidsregel 2005, maar over de nominale waarde. Hiermee is echter geen inhoudelijke wijziging beoogd, maar slechts aanpassing van de terminologie aan de terminologie van de Wft. Daarnaast is ook het aantrekken van opvorderbare gelden op grond van een overeenkomst, anders dan in verband met schuldinstrumenten, onder deze regeling gebracht. Aangezien het niet van belang is op welke wijze de opvorderbare gelden worden aangetrokken, wordt op deze wijze een gelijk speelveld voor de wijze van financiering gecreëerd. Ten slotte is de verplichting voor ondernemingen van artikel 2, vierde en vijfde lid, van de Beleidsregel 2005 («vergewisplicht») komen te vervallen.

Zoals uit de tekst van het tweede lid blijkt, geldt de geldgever slechts als professionele marktpartij in de verhouding tot de desbetreffende geldnemer. Iedere geldnemer die gelden aantrekt van deze geldgever moet opnieuw aan de hand van de criteria, zoals opgenomen in het tweede lid, beoordelen of deze geldgever kan worden aangemerkt als een professioneel marktpartij. Hierbij geldt onder omstandigheden een uitzondering voor groepsmaatschappijen (concern) zoals hieronder toegelicht. Bovendien geldt de professionaliteit slechts binnen de desbetreffende rechtsverhouding. Wanneer gelden worden aangetrokken op grond van een overeenkomst (of schuldinstrument) dan kan de geldnemer de geldgever binnen deze overeenkomst blijven beschouwen als een professionele marktpartij. Dit betekent dat additionele vorderingen die zijn ontstaan tijdens de looptijd van de eerste vordering dan wel van de gezamenlijk verworven vorderingen tezamen die een tegenwaarde hebben van ten minste € 50.000, lager mogen zijn dan € 50.000. Wordt daarentegen door de geldnemer en de geldgever na de looptijd van de «kwalificerende overeenkomst» een nieuwe overeenkomst aangegaan op grond waarvan opnieuw opvorderbare gelden worden aangetrokken, dan ontstaat een nieuwe rechtsverhouding en moet opnieuw worden vastgesteld of de geldgever, ten tijde van het aangaan van deze (nieuwe) overeenkomst, kan worden aangemerkt als een professionele marktpartij.

De inhoud van het tweede lid is mede van belang voor de verhouding tussen een geldgever en een aantal geldnemers dat gezamenlijk met deze geldgever een overeenkomst aangaat, bijvoorbeeld omdat zij tot een concern behoort. Als het eerste bedrag dat de geldgever aan (een of meer van) die geldnemers verstrekt ten minste € 50.000 ineens bedraagt, dan geldt deze geldgever als professionele marktpartij in de rechtsverhouding tot elk van deze geldnemers, die immers allen partij zijn bij dezelfde overeenkomst. Indien de desbetreffende geldgever onder dezelfde leningsfaciliteit vervolgens lagere bedragen aan (een van) de overige partijen bij de overeenkomst ter beschikking stelt, dan blijft hij onder deze leningsfaciliteit voor elk van deze geldnemers een professionele marktpartij.

Artikel III

A

Artikel 2, eerste lid, van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft (BMfo Wft) is gebaseerd op artikel 1:102, eerste lid, van de wet en bevat een opsomming van aanvragen voor vergunningen en ontheffingen van de vergunningverplichting die moeten worden gedaan met gebruikmaking van een door de toezichthouder vastgesteld formulier. In het oorspronkelijke artikel werd echter niet verwezen naar de artikelleden die betrekking hebben op de aanvraag, maar naar de artikelleden die bepalen dat de aanvraag van een vergunning dient te geschieden onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens. Deze omissie is hersteld. Voorts zijn de bepalingen die betrekking hebben op de aanvraag om instemming te krijgen van de toezichthouder vervallen, omdat een aanvraag voor instemming op grond van de wet niet met gebruikmaking van een door de toezichthouder vastgesteld formulier hoeft te worden gedaan. Ook voor aanvragen voor ontheffingen van een vergunningonderdeel hoeft geen formulier te worden gebruikt; de desbetreffende verwijzingen zijn geschrapt.

B tot en met E

De wijzigingen in deze onderdelen herstellen onjuiste verwijzingen.

F

De eerste wijziging in dit onderdeel herstelt een onjuiste verwijzing en de tweede is van redactionele aard.

G en H

De wijzigingen in deze onderdelen herstellen onjuiste verwijzingen.

I

In artikel 24, eerste lid, onderdeel h, van het BMfo Wft werd ten onrechte het woord «lidstaat» gebruikt. Nu artikel 2:45 van de Wft, waarop artikel 24 is gebaseerd, slechts betrekking heeft op «een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is», dient te worden verwezen naar «staat» en niet «lidstaat». Voorts werd in artikel 24, eerste lid, onderdelen j en k, van het BMfo Wft ten onrechte bepaald dat gegevens met betrekking tot de deskundigheid en betrouwbaarheid moesten worden overgelegd. Artikel 2:45 stelt evenwel geen deskundigheids- en betrouwbaarheidseisen aan degene met zetel in een staat die geen lidstaat is om het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar door middel van dienstverrichting naar Nederland uit te oefenen. Artikel 118 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 stelde deze eisen evenmin. Om deze redenen vervallen de onderdelen j en k.

Artikel 24, tweede lid, onderdeel c, van het BMfo Wft schreef voor dat degene met zetel in een staat die geen lidstaat is die het bedrijf van schadeverzekeraar in de branche Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen door middel van dienstverrichting naar Nederland uitoefent, opgave doet van de naam en het adres van de schaderegelaar die hij in iedere andere staat die geen lidstaat is, heeft aangesteld. Bedoeld was evenwel te bepalen dat hij opgave doet van de schaderegelaar die hij in iedere andere lidstaat heeft aangesteld. Bovendien hangt deze wijziging samen met artikel I, onderdeel XX, van de Reparatiewet Wft, waarbij het voorschrift met betrekking tot de schaderegelaar ook in het kader van de markttoegang wordt gegeven.

In verband met het vervallen van onderdeel k, vervalt artikel 24, vijfde lid, van het BMfo Wft dat naar onderdeel k verwijst.

J

Artikel 2:54f van de wet bevat niet het voorschrift dat gegevens over personen worden overgelegd. Het tweede tot en met het vierde lid had daar echter abusievelijk wel betrekking op. Om deze reden zijn deze leden vervallen.

K

De wijzigingen in dit onderdeel voeren de in de Reparatiewet aangebrachte wijzigingen in de artikelen 2:58, 2:63, 2:78, 2:83, 2:89 en 2:94 van de Wft (waarbij in verband met het in die artikelen genoemde artikel 4:9 van de Wft telkens de vakbekwaamheidseis wordt opgenomen)* consistent door in de bepalingen van het BMfo Wft die op de desbetreffende wetsartikelen zijn gebaseerd.

L

De wijziging in dit onderdeel is van redactionele aard.

Artikel IV

A

De wijziging in dit onderdeel is van redactionele aard.

B en C

In de artikelen 7 en 8 van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft worden ten aanzien van bepaalde categorieën onderlinge waarborgmaatschappijen bepalingen van de Wft van toepassing verklaard, waaronder artikel 1:75, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en tweede lid, van de Wft. Met de wijziging in dit onderdeel wordt het gehele artikel 1:75 van toepassing verklaard. Dit behelst twee wijzigingen. Ten eerste wordt de toepassing van artikel 1:75, eerste lid, van de Wft niet beperkt tot de onderdelen a en b. In artikel 1:75, eerste lid, worden in de onderdelen a tot en met f personen genoemd aan wie de toezichthouder een aanwijzing kan geven. Het gaat er niet zozeer om dat de onderdelen a en b (waarin de «financiële onderneming» en de «vertegenwoordiger van een verzekeraar» worden genoemd) van toepassing zouden zijn op de desbetreffende onderliggende waarborgmaatschappijen, maar dat de in artikel 1:75, eerste lid, aanhef, genoemde aanwijzing ook aan bedoelde onderliggende waarborgmaatschappijen kan worden gegeven. Dit wordt op een juistere manier bereikt door de verwijzing naar artikel 1:75 niet te beperken tot de onderdelen a en b.

In de tweede plaats wordt door de wijziging bereikt dat ook artikel 1:75, derde lid, van de Wft van toepassing is op de desbetreffende onderliggende waarborgmaatschappijen. In de huidige tekst ontbreekt onbedoeld een verwijzing naar artikel 1:75, derde lid. In bedoeld derde lid wordt bepaald dat een gegeven aanwijzing niet strekt tot aantasting van overeenkomsten tussen de persoon aan wie de aanwijzing is gegeven en derden.

In artikel 8 van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft wordt tevens een onjuiste verwijzing herstelt.

D

De wijziging in dit onderdeel herstelt een onjuiste verwijzing.

E

Op grond van artikel 27, eerste lid, van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft kan een ontheffing als bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, van de Wft worden verleend indien sprake is van een garantstelling door een van de in onderdeel a, onder 1° tot en met 3°, genoemde garantstellers. In afwijking van artikel 2, tweede lid, van het vervallen besluit van 13 augustus 2004, houdende vaststelling van het begrip liquide middelen, bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en houdende regels betreffende de verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, alsmede tot wijziging van artikel 5 van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 (Stb. 442) ontbrak de mogelijkheid voor DNB om andere ondernemingen aan te wijzen die ook een garantstelling kunnen verstrekken. De wijziging in dit onderdeel heeft deze mogelijkheid weer toegevoegd.

De tweede wijziging in dit onderdeel is van redactionele aard.

F en G

De wijzigingen in deze onderdelen zijn van redactionele aard.

Artikel V

A

De zinsnede «die uit een oogpunt van de te lopen risico’s als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij» was opgenomen in onderdeel b en had derhalve geen betrekking op onderdeel a. De zinsnede is verplaatst naar de aanhef, omdat deze ook betrekking dient te hebben op onderdeel a zoals blijkt uit artikel 4, onderdeel 45, van de herziene richtlijn banken.

B

De wijziging in dit onderdeel is van redactionele aard.

C

Dit onderdeel herstelt een kennelijke vergissing. Artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, dat op 1 augustus 2008 in werking is getreden, wijzigde onder andere artikel 14, eerste en tweede lid, van het Besluit prudentiële regels Wft (Bpr Wft) zodanig dat de tekst van die leden aansloot bij de reikwijdte van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Door het Besluit van 15 juli 2008, houdende wijziging van enkele besluiten Wft in verband met de uitvoering van Richtlijn nr. 2005/68 EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 november 2005 betreffende herverzekering en houdende wijziging van Richtlijnen 73/239/EEG en 92/49/EEG van de Raad en van Richtlijnen 98/78/EG en 2002/82/EG (PbEU L 323), en houdende enkele technische reparaties van deze besluiten (Stb. 334), werden deze wijzigingen echter ten onrechte ongedaan gemaakt.

D

De wijziging in dit onderdeel is van redactionele aard.

E

De wijziging in dit onderdeel preciseert een verwijzing (zie ook hierna onder E/F).

F

De verwijzing naar artikel 3:41 van de Wft vervalt, omdat dat artikel alleen betrekking heeft op de voorwaarden waaronder een wijziging met betrekking tot onderwerpen waarover DNB reeds eerder gegevens heeft ontvangen, ten uitvoer mogen worden gelegd.

G

De eerste en tweede wijziging in dit onderdeel herstellen onjuiste verwijzingen. De derde wijziging is van redactionele aard.

H

De wijziging in dit onderdeel herstelt onjuiste verwijzingen.

I

De eerste wijziging in dit onderdeel preciseert een verwijzing. De tweede wijziging is van redactionele aard.

J

De wijziging in dit onderdeel preciseert een verwijzing.

K

De wijziging in dit onderdeel herstelt een onjuiste verwijzing.

L

Artikel 48, eerste lid, onderdeel b, van het Bpr Wft bevat een bijzondere bepaling met betrekking tot het minimumbedrag aan eigen vermogen voor bepaalde banken die tevens werkzaam zijn als beleggingsonderneming. De bepaling is overgenomen uit de voor inwerkingtreding van de Wft geldende regeling van de Nederlandsche Bank van 5 maart 1993 ter uitvoering van artikel 11, tweede, derde en vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Stcrt. 50) zonder dat – blijkens de toelichting – een wijziging werd beoogd ten opzichte van het toen bestaande beleid. De formulering van artikel 48, eerste lid, onderdeel b, hield echter een onbedoelde reikwijdteverbreding in ten opzichte van de regeling uit 1993, waardoor ook andere ondernemingen dan ondernemingen die meer inkomsten uit provisie ontvangen dan uit rente hieronder zouden vallen. De wijziging in dit onderdeel maakt deze onbedoelde reikwijdteverbreding ongedaan.

Artikel 48, tweede lid, onderdeel a, betreft de implementatie van artikel 7 van de herziene richtlijn kapitaaltoereikendheid. De bedragen van dit laatste artikel worden aangepast aan de veranderingen in het door Eurostat bekendgemaakte Europees indexcijfer van de consumentenprijzen en moeten in lijn liggen van en tegelijkerrtijd plaatsvinden met die welke overeenkomstig artikel 4, zevende lid, van de richtlijn verzekeringsbemiddelen worden verricht*. De aanpassingen moeten in lijn liggen van en tegelijkertijd plaatsvinden met die welke overeenkomstig artikel 4, zevende lid, van de richtlijn verzekeringsbemiddeling worden verricht. Gelet hierop zijn de bedragen genoemd in artikel 48, tweede lid, onderdeel a, verhoogd met 12,02%.

Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om de formulering van artikel 48, tweede lid, onderdeel b, meer in overeenstemming te brengen met artikel 7 van de herziene richtlijn kapitaaltoereikendheid. In deze laatste bepaling is een regeling opgenomen op grond waarvan het is toegestaan om met een combinatie van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering enerzijds en aanvangskapitaal anderzijds een dekking te bereiken die gelijkwaardig is aan een eigen vermogen van € 50.000 of een beroepsaansprakelijkheidsverzekering als bedoeld in artikel 48, tweede lid, onderdeel a.

M

De wijziging in artikel 50, eerste lid, wordt in overeenstemming gebracht met de tekst van artikel 2:13, eerste lid, van de Wft (zie artikel I, onderdeel LL, van de Reparatiewet Wft).

N

Artikel 5 van het vervallen Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 is onjuist omgezet naar artikel 52, eerste lid, van het Bpr Wft. In de formulering van artikel 52, eerste lid, was het zinsdeel «voor zover dit lid niet de meerwaarden op grond van winstverwachtingen betreft, verminderd met de waarde van de posten» opgenomen. Hierdoor ontstond de onwenselijke situatie dat zowel het obligo als de overwaardering van de technische voorzieningen in aanmerking kwamen voor het garantiefonds. Deze fout is hersteld door uit te gaan van de formulering van artikel 5 van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994, waardoor nu wordt gesproken over «voor zover dit lid de meerwaarden in verband met onderwaardering van activa betreft, verminderd met de waarde van de posten».

O

In artikel 61 van het Bpr Wft is artikel 80, zevende lid, van de herziene richtlijn banken* alsnog geïmplementeerd. Gebleken is dat andere lidstaten, zoals Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk, deze optie wel hebben geïmplementeerd, waardoor banken met zetel in Nederland in een minder gunstige situatie verkeerden dan banken met zetel in genoemde lidstaten. Deze optie leidt namelijk tot een lagere solvabiliteitsratio, hetgeen betekent dat de individuele banken minder kapitaal behoeven aan te houden. De uitzondering geldt alleen voor groepsleden die zich binnen dezelfde lidstaat bevinden en wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan. Deze eisen komen erop neer dat de groepsleden en de toezichthouder in staat moeten zijn een goed beeld te krijgen van de risico’s die worden gelopen.

De voorwaarde opgenomen in onderdeel b heeft betrekking op de situatie dat de bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling enerzijds en de tegenpartij (als bedoeld in onderdeel a) anderzijds, beiden zijn opgenomen in de consolidatie van de Nederlandse moederkredietinstelling, Nederlandse moederbeleggingsonderneming of financiële Nederlandse moederholding. Het gaat hier om twee entiteiten die deel uitmaken van de groep (consolidatiekring) van de top moederonderneming die is gevestigd in dezelfde lidstaat.

Aan de voorwaarden in onderdeel c is bijvoorbeeld voldaan wanneer de bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling enerzijds en de tegenpartij als bedoeld in onderdeel a anderzijds zijn opgenomen in de pilaar 2 analyse* van de (top) moederonderneming in de lidstaat.

P en Q

De wijzigingen in deze onderdelen herstellen onjuiste verwijzingen.

R

Alle natura-uitvaartverzekeringen kennen risicokapitaal. Daarom is het eerste zinsdeel van onderdeel d vervangen door: voor alle verzekeringen.

S

De registratie van erkende kredietbeoordelingsbureaus in het Wft-register is reeds geregeld in artikel 1:107, tweede lid, onderdeel c, van de Wft.

T

Er zijn onduidelijkheden gerezen over de toepassing van artikel 89 van het Bpr Wft.

Artikel 89, eerste lid, is aangepast, zodat het artikel beter aansluit bij het doel van de richtlijnbepaling waaraan het artikellid is ontleend, in casu bij artikel 61, tweede alinea, van de herziene richtlijn banken*.

Artikel 89, eerste lid, strekt ertoe dat de desbetreffende financiële onderneming onmiddellijk en zonder beperkingen moet kunnen beschikken over de in dat lid bedoelde bestanddelen – zijnde de elementen van het kernkapitaal van beleggingsondernemingen en banken, respectievelijk de min of meer overeenkomstige elementen van de aanwezige solvabiliteitsmarge van verzekeraars – om risico’s of verliezen te dekken zodra deze zich voordoen. De eis van «onmiddellijk en zonder beperkingen» betekent in ieder geval dat de waarden zich in de feitelijke beschikkingsmacht van de financiële onderneming moeten bevinden. De laatste volzin van artikel 89, eerste lid, strekt ertoe dat het bedrag van de hier bedoelde vermogensbestanddelen wordt gecorrigeerd voor zover en in de mate waarin de financiële onderneming niet onmiddellijk en zonder beperkingen over die bestanddelen kan beschikken. Die correctie ziet op mogelijke statutaire of andere beklemmingen op eigen vermogensbestanddelen, als gevolg waarvan deze bestanddelen niet meer onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking staan als buffer voor financiële risico’s en verliezen van de financiële onderneming. In het artikellid wordt gerefereerd aan voorzienbare belastingverplichtingen, waarmee wordt bedoeld dat per afzonderlijke post van de onderscheiden vermogensbestanddelen rekening wordt gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen. Daarnaast ziet de correctie ook op specifieke, van materieel belang zijnde activa van de financiële onderneming die vanwege hun niet marktconforme karakter het onmiddellijk en zonder beperkingen aanwenden van bedoelde bestanddelen voor het dekken van financiële risico’s of verliezen in de weg staan. Een voorbeeld is de figuur van ongedekte leningen van een financiële onderneming aan ondernemingen waarmee de desbetreffende financiële onderneming in een groep verbonden is, aan aandeelhouders, of aan andere aan de financiële onderneming gelieerde personen. De aanpassing maakt duidelijk dat ook de activa aan genoemde eisen moeten voldoen. Alleen dan kan immers een goed beeld worden verkregen van de daadwerkelijk aan de financiële onderneming ter beschikking staande vermogensbestanddelen.

U

De wijziging in dit onderdeel is van redactionele aard.

V en W

De wijzigingen in deze onderdelen hangen samen met het gewijzigde artikel 3:57 van de Wft. Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel TTTT van de Reparatiewet Wft.

X

De reden voor de toevoeging van artikel 3:57, tweede lid, van de wet is het voorkomen van eventuele vragen over de grondslag van artikel 114, tweede lid, van het Bpr Wft. In het tweede lid van dit artikel is bepaald, dat een egalisatiereserve wordt aangehouden en een dergelijke reserve is geen technische voorziening, maar wordt in het algemeen gerekend tot de solvabiliteitsmarge. Daarom is gekozen voor invoeging van de grondslag voor de solvabiliteitsmarge.

Y

De formulering van artikel 114, tweede lid, van het Bpr Wft was enigszins verwarrend. De wijziging in dit onderdeel maakt duidelijk dat de bepaling met betrekking tot de egalisatiereserve alleen geldt voor schadeverzekeraars die hun bedrijf uitoefenen in de branche Krediet en in hun jaarrekening de internationale jaarrekeningstandaarden (IAS/IFRS) toepassen.

Ter wille van de duidelijkheid is de voormalige laatste volzin van het tweede lid ondergebracht in het derde lid, waarin is bepaald voor alle verzekeraars die de IAS/IFRS toepassen dat zij kunnen afwijken van onder andere de indeling in artikel 435 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel VI

A

Gelet op het bepaalde in artikel 2, tweede lid, derde gedachtestreepje, van richtlijn nr. 1997/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels. (PbEG L 84) is de zinsnede «of door haar» vervangen door het woord «en».

B en C

Voor een toelichting op deze onderdelen wordt verwezen naar de hier onderstaande toelichting op onderdeel E.

D

De eerste wijziging in dit onderdeel is van redactionele aard. De tweede wijziging herstelt een onjuiste verwijzing. Voor de toelichting op de derde wijziging wordt verwezen naar de hier onderstaande toelichting op onderdeel E.

E

Artikel 13, zevende lid, van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft (Bpmbd Wft), geeft DNB de bevoegdheid te bepalen dat bijdragen van financiële ondernemingen die geen bank zijn onder een bepaalde grens niet behoeven te worden voldaan. De som van deze bijdragen wordt over de bijdragende financiële ondernemingen die geen bank zijn omgeslagen. Voorheen diende deze som op basis van de omslagpercentages, bedoeld in de artikelen 14 en 15 van het Bpmbd Wft, te worden omgeslagen. Dit leidt er onbedoeld toe dat niet de gehele som over de bijdragende financiële ondernemingen wordt omgeslagen. Bijvoorbeeld: wanneer een aantal financiële ondernemingen, die in totaal 2% van de totale omslag voor hun rekening nemen, onder het vastgestelde bedrag komen, moet hun deel worden betaald door de overige financiële ondernemingen op basis van het vastgestelde omslagpercentage. Het totaal vastgestelde omslagpercentage voor de overige financiële ondernemingen is 98%. In totaal blijft dan 0,04% (2% x 2%) van de rekening onbetaald. De wijzigingen in de artikelen 13, zevende lid, 14, eerste en derde (nieuw) lid, en 15, eerste en derde (nieuw) lid, van het Bpmbd Wft repareren deze onbedoelde onvolledige omslag. De wijziging van artikel 13, zevende lid, van het Bpmbd Wft leidt ertoe dat de som van de bijdragen van de niet-bijdragende financiële ondernemingen niet meer volgens het vastgestelde omslagpercentage over de bijdragende financiële ondernemingen wordt omgeslagen. Aan de artikelen 14 en 15 van het Bpmbd Wft is een lid toegevoegd, dat ziet op het geval dat DNB gebruik maakt van de bevoegdheid te bepalen dat bijdragen beneden een door haar vast te stellen bedrag niet behoeven te worden voldaan. Indien DNB van die bevoegdheid gebruik maakt, dienst zij vast te stellen welke financiële ondernemingen geen bijdrage behoeven te voldoen. Vervolgens dient DNB nieuwe omslagpercentages te berekenen, waarbij noch de betalingsonmachtige financiële onderneming, noch de niet-bijdragende financiële ondernemingen wordt meegerekend. Hetgeen hiervoor ten aanzien van financiële ondernemingen die geen bank zijn is opgemerkt, geldt mutatis mutandis ook voor de artikelen 11, zevende lid, 12, eerste lid, 21, zevende lid, en artikel 22 van het Bpmbd Wft. De aanpassingen van de artikelen 14, eerste lid, en 15, eerste lid, van het Bpmbd Wft leiden ertoe dat, indien het toegevoegde lid van toepassing is, de nieuwe omslagpercentages in de berekening van de bijdragen worden meegenomen.

F

De eerste wijziging in dit onderdeel herstelt een onjuiste verwijzing. Voor de toelichting op de tweede en derde wijziging wordt verwezen naar de hier voorstaande toelichting op onderdeel C/E.

G

De eerste wijziging in dit onderdeel herstelt een onjuiste verwijzing. Voorheen bestond artikel 13, eerste lid, van het Bpmbd Wft uit de onderdelen a tot en met c. Daarna heeft er een wijziging plaatsgevonden waarbij artikel 13, eerste lid, onderdeel c, is verplaatst naar artikel 13, tweede lid. Artikel 17, tweede lid, van het Bpmbd Wft is hier echter onbedoeld niet op aangepast. De tweede wijziging herstelt deze omissie.

H

Voor de toelichting op de wijziging in dit onderdeel wordt verwezen naar de hiervoor staande toelichting op onderdeel C/E.

I

De eerste wijziging in dit onderdeel ziet op het volgende. De berekening van het omslagpercentage werd op grond van artikel 22 van het Bpmbd Wft gebaseerd op de door de deelnemende banken overgelegde, geconsolideerde bedrijfseconomische balansen. Het gebruik van geconsolideerde bedrijfseconomische balans leidt er onbedoeld toe dat het relatieve aandeel van deelnemende banken in de omslag mede wordt bepaald door de omvang van tegoeden die niet onder de dekking van het depositogarantiestelsel vallen, zoals deposito’s in derdelanden. Het doel van de omslag – de deelnemende banken dragen de kosten naar rato van de mate waarin zij baat hebben bij het depositogarantiestelsel – wordt daarmee onvoldoende gerealiseerd. Met de wijziging wordt dan ook bereikt dat de omslag wordt gebaseerd op de bij een bank aangehouden deposito’s die binnen Nederland of bij een bijkantoor in een andere lidstaat worden aangehouden en die voor voldoening ingevolge het depositogarantiestelsel in aanmerking komen. In de praktijk zal DNB in overleg met representatieve vertegenwoordigingen moeten bepalen welke posten gebruikt zullen worden om de omvang van de gedekte deposito’s bij elke bank te benaderen.

Voor de toelichting op de tweede wijziging wordt verwezen naar de toelichting op artikel VI, onderdeel C.

J

In artikel 26, derde lid, van het Bpmbd Wft is bepaald dat DNB bij het vaststellen van een vergoeding de vordering van de betalingsonmachtige financiële onderneming op de aanvrager verrekent. De cursieve woorden stonden niet in de voormalige collectieve garantieregeling (Stb. 1998, 556). Dat maakt verschil wanneer een failliete bank vorderingen op depositohouders heeft overgedragen aan een derde. Wanneer de depositohouder zijn vordering ook met die derde kan verrekenen, lijdt hij minder verlies, en is dus het beroep de vangnetregeling minder groot. Bij de omzetting van de collectieve garantieregeling in het Bpmbd Wft was geen inhoudelijke wijziging beoogd. Met de wijziging van artikel 26, derde lid, is teruggekeerd naar de oude situatie, en is de beperking dat alleen een vordering van de betalingsonmachtige financiële onderneming voor verrekening in aanmerking komt, vervallen. Met de term «bevoegdheid» wordt aangesloten bij de terminologie van artikel 127 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. De bevoegdheid tot verrekening kan zowel uit overeenkomst als uit de wet voortvloeien.

Voorbeeld:

Aanvangssituatie: bank B verstrekt hypothecaire lening aan A van 100.000, en A heeft deposito van 80.000 bij bank. Dus: Bank B heeft vordering op A, A heeft vordering op bank B.

Scenario 1: Bank B gaat failliet. A verrekent de vorderingen over en weer en behoeft per saldo slechts 20.000 aan bank te betalen.

Scenario 2: Bank B heeft hypotheekportefeuille overgedragen aan Bank C. Bank B gaat failliet. Er is in de boedel slechts genoeg om 5% van de vorderingen te betalen. Kan A met Bank C verrekenen?

In de huidige situatie:

A moet aan bank C 100.000 betalen. A heeft vordering op bank B van 80.000 waarvan hij maar 5% ontvangt, dus 4.000. Hij leidt een verlies van 72.000. Hij doet hiervoor een beroep op de CGR en ontvangt de maximale vergoeding van 38.000.

In de situatie onder de voormalige collectieve garantieregeling en onder het voorgestelde artikel 26, derde lid:

A verrekent zijn vordering op bank B met de vordering die bank C op hem heeft. Hij behoeft per saldo slechts 20.000 aan bank B te betalen. Hij lijdt geen verlies en doet dus geen beroep op de CGR.

De tweede wijziging is van redactionele aard.

K

In artikel 27, derde lid, onderdeel a, Bpmbd Wft wordt bepaald dat de betaling door DNB slechts plaatsvindt indien de aanvrager heeft verklaard kennis te hebben genomen van de subrogatie. In onderdeel b van dat artikel wordt bepaald dat DNB slechts betaalt indien aan DNB onvoorwaardelijk en onherroepelijk tot de hoogte van het uitbetaalde bedrag de rechten van de aanvrager jegens de betrokken betalingsonmachtige financiële onderneming zijn overgedragen. Vroeger was het nodig beide voorwaarden in een wettelijke bepaling op te nemen omdat DNB niet op grond van een wettelijke bepaling in de rechten van de aanvrager trad. Als gevolg van artikel 3:261, derde lid, van de wet is dit echter wel het geval. Beide onderdelen zijn daardoor overbodig geworden. Voor de goede wordt opgemerkt dat artikel 3:261, derde lid, niet leidt tot de overbodigheid van artikel 27, derde lid, onderdeel c, Bpmbd Wft. Dat onderdeel blijft dan ook gehandhaafd.

L

In artikel 29, eerste lid, Bpmbd Wft wordt bepaald dat DNB de vorderingen, waarin zij is gesubrogeerd, verhaalt op de betalingsonmachtige financiële onderneming. In artikel 29 wordt in verband met de subrogatie verwezen naar artikel 150, onderdeel d, Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. De subrogatie vindt echter plaats ingevolge artikel 3:261, derde lid, van de wet. Met deze wijziging wordt de verwijzing gecorrigeerd. Nu de woorden «subrogatie» of «gesubrogeerd» niet voorkomen in artikel 3:261, derde lid, van de wet, is de terminologie daaraan aangepast.

M

De eerste wijziging in dit onderdeel repareert een onbedoelde inperking van de categorie van personen, bedoeld in Bijlage A, onderdeel 7, van het Bpmbd Wft. Met de implementatie van het Beleggerscompensatiestelsel en de Collectieve Garantieregeling in het Bpmbd Wft is ten onrechte de zinsnede «die financiële onderneming zijn» in Bijlage A, onderdeel 7, ingevoegd. Het is echter niet de bedoeling geweest deze categorie van personen in te perken.

Voor een toelichting op de tweede wijziging wordt verwezen naar de onderstaande toelichting op onderdeel N.

N

Onder de voorganger van de depositogarantieregeling, de Collectieve Garantieregeling* (CGR), waren de deposito’s die onder de dekking vielen, beperkt tot deposito’s, aangehouden bij een – in de toenmalige terminologie – «vestiging in een lidstaat van een deelnemende instelling» (artikel 1, onderdeel 8, CGR). Deze beperking is niet uitdrukkelijk overgenomen in de Wft en het Besluit bpmbd Wft. In dit kader wordt ook opgemerkt dat artikel 4, eerste lid, van de richtlijn inzake depositogarantiestelsels op dit punt slechts de verplichting oplegt dat de depositogarantiestelsels de deposanten bij door kredietinstellingen in andere lidstaten opgerichte bijkantoren dekken. Bij de omzetting van de CGR in de depositogarantieregeling is geen inhoudelijke wijziging ten opzichte van de CGR beoogd, en dus evenmin om verder te gaan dan hetgeen waartoe de richtlijn verplicht.

Een en ander geldt ook voor de omzetting van het beleggerscompensatiestelsel* in de Wft.

Artikel VII

A

De wijziging in dit onderdeel herstelt een onjuiste verwijzing.

B

Deze wijziging in dit onderdeel is van redactionele aard.

Artikel VIII

A

De wijziging in dit onderdeel past de definitie van complex product in artikel 1, onderdeel d, onder 2, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo Wft) aan aan de definitie van effect in artikel 1:1 van de Wft. De definitie van effect in artikel 1:1 van de Wft is door de inwerkingtreding van de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten gewijzigd. Het gevolg hiervan is dat naast verhandelbare rechten van deelneming in een closed-end beleggingsinstelling tevens verhandelbare rechten van deelneming in een open-end beleggingsinstelling onder het begrip effect vallen. Deze wijziging heeft als onbedoeld gevolg dat verhandelbare rechten van deelneming in open-end beleggingsinstellingen niet langer onder de definitie van complex product in artikel 1, onderdeel d, onder 2, van het Bgfo Wft zouden vallen althans dat daar bij marktpartijen onduidelijkheid over zou kunnen bestaan.

De wijziging herstelt de onbedoelde inperking van de reikwijdtevan de definitie van complex product in het Bgfo Wft. Het eerste deel van de definitie «recht van deelneming dat niet verhandelbaar is» betreft de categorie van niet-verhandelbare rechten van deelneming in een beleggingsinstelling. Hieronder vallen de niet-verhandelbare rechten van deelneming in een closed-end beleggingsinstelling. Op grond van het tweede deel van de definitie «recht van deelneming in een beleggingsinstelling (...) dat op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect wordt ingekocht of terugbetaald» vallen rechten van deelneming in een open-end beleggingsinstelling onder de definitie van complex product. De oorspronkelijke reikwijdte van de definitie van complex product in het Bgfo Wft is hiermee hersteld.

B

De wijziging in dit onderdeel is van redactionele aard.

C

De wijziging in dit onderdeel brengt de formulering van artikel 25, tweede lid, van het Bgfo Wft in overeenstemming met de formulering van artikel 20, tweede lid, van het Bgfo Wft.

D

De wijziging in dit onderdeel is van redactionele aard.

E

In artikel 1:1 van de Wft is een definitie opgenomen van richtlijn jaarrekening. Daarom kan de volledige titel van deze richtlijn vervallen.

F

De wijziging in dit onderdeel hangt samen met de wijziging van artikel 4:60, eerste lid, van de Wft (zie artikel I, onderdeel CCCCCC, van de Reparatiewet Wft).

G

De wijziging in dit onderdeel hangt samen met artikel 4:37a van de Wft. Hetgeen geregeld was in artikel 125a van het Bgfo Wft, is nu geregeld in het artikel 4:37a van de Wft. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de toelichting op artikel I, onderdeel WWWWW1, van de Reparatiewet Wft.

H

Voor een toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar de toelichting op onderdeel E van dit artikel.

I

De wijziging in dit onderdeel voert de wijziging van artikel 4:88, eerste lid, van de Wft (zie artikel I, onderdeel FFFFFF, van de Reparatiewet Wft) consistent door in het op dat artikel gebaseerde artikel 167a, vierde lid, van het Bgfo Wft.

Artikel IX

A

De wijziging in dit onderdeel is van redactionele aard.

B

Artikel 12 bevatte een bepaling die ook is opgenomen in artikel 1:107 van de Wft. In het derde lid, onderdeel c, van dat artikel is immers bepaald dat adresgegevens van natuurlijke personen die op grond van hoofdstuk 5.3 van de Wft verplicht zijn een melding te doen, niet in het register worden opgenomen. Artikel 12, en daarmee dus het gehele hoofdstuk 6 van het besluit, kon derhalve vervallen.

C

Als gevolg van het vervallen van hoofdstuk 6 moest hoofdstuk 7 worden vernummerd.

D

Deze redactionele aanpassing brengt de citeertitel van het besluit op een lijn met die van de andere op de Wft gebaseerde besluiten.

Artikel X

A

De wijziging in dit onderdeel is van redactionele aard.

B

Artikel 13, eerste lid, van het Besluit openbare biedingen Wft (Bob Wft) regelt de verplichting tot het doen van een openbare mededeling over transacties in effecten waarop het bod betrekking heeft of die in ruil worden aangeboden en over de ingevolge die transacties gesloten overeenkomsten. In artikel 13, tweede lid, wordt alleen verwezen naar de betrokken transactie. Verzuimd was om tevens te verwijzen naar de betrokken overeenkomst, zoals wel het geval was in het vergelijkbare artikel 5, vijfde lid, van het Bob Wft dat de melding van dergelijke transacties en overeenkomsten aan de AFM regelt in de periode dat het aangekondigde openbaar bod nog niet is uitgebracht. De wijziging in dit onderdeel herstelt dit verzuim.

C

In de formulering van artikel 17, derde lid, van het Bob Wft wordt door deze wijziging tot uitdrukking gebracht dat reeds vanaf de gestanddoening en niet pas vanaf de aanvang van de eventuele na-aanmeldingstermijn een openbare mededeling moet worden gedaan over transacties in effecten waarop het bod betrekking heeft of die in ruil worden aangeboden en met betrekking tot die transacties gesloten overeenkomsten die worden verricht of tot stand komen in de desbetreffende periode.

D

Artikel 19 van het Bob Wft is zodanig gewijzigd dat de daarin ten onrechte gesuggereerde keuzemogelijkheid voor de bieder tussen verschillende te bieden prijzen voor de effecten, wordt hersteld. Geregeld wordt dat de bieder voor alle effecten verplicht is tot betaling van de hoogste in het vooruitzicht gestelde of bij eerdere transacties reeds betaalde prijs. Het zal in beginsel gaan om de prijs die genoemd is in het biedingsbericht en, voor zover aan de orde, is verhoogd op grond van artikel 15, vierde lid, van het Bob Wft. Zijn er echter voor een hogere prijs transacties in de effecten overeengekomen op grond waarvan ingevolge artikel 5, vierde lid, of artikel 13, eerste lid, van het Bob Wft een openbare mededeling moet zijn gedaan, dan dient die prijs voor alle aangemelde effecten betaalbaar te worden gesteld.

E

De wijziging in dit onderdeel herstelt enkele onjuiste verwijzingen.

Artikel XI

Artikel XIX van het Aanpassingsbesluit Wet op het financieel toezicht strekte tot wijziging van artikel 12, tweede lid, van het Besluit fondsen en spaarregelingen. De tekst van genoemd artikel is echter weggevallen in het Staatsblad. De wijziging in dit onderdeel voorziet hierin alsnog, waarbij tevens van de gelegenheid gebruik is gemaakt enkele onvolkomenheden in de tekst te verbeteren.

Artikel XII

De wijziging in dit onderdeel hangt samen met het vervangen van «emissievergunningen» door «emissierechten» in de definitie van financieel instrument in artikel 1:1 van de Wft (zie artikel I, onderdeel A, onder 5, subonderdeel 2, van de Reparatiewet Wft).

Artikel XIII

De wijziging in dit onderdeel herstelt een foutieve verwijzing.

Artikel XIV

Artikel V, onderdeel O, heeft terugwerkende kracht. De betrokken financiële ondernemingen gebruiken reeds vanaf 1 januari 2008 de in dit onderdeel geregelde lidstaat-optie, waardoor zij minder kapitaal behoeven aan te houden. Naar de letter van de wet waren zij echter in overtreding, reden waarom terugwerkende kracht gewenst is.

Om diezelfde reden heeft ook artikel XI terugwerkende kracht gekregen. Naar de letter van de voormalige tekst kon een spaarregeling bij geen enkele vergunninghoudende bank binnen of buiten Nederland worden ondergebracht. Dat kon uiteraard niet de bedoeling zijn en daarom is in de praktijk gehandeld naar de bedoeling van die tekst. Dit onderdeel verankert deze praktijk alsnog met terugwerkende kracht.

De Minister van Financiën,

W. J. Bos


XNoot
*

Zie hiervoor ook de uitleg van de AFM betreffende de toepassing van artikel 5:2 van de Wft; «Een schuldbrief van € 50.000 nominaal waar kan worden volstaan met een inleg van € 5.000 en een looptijd van 18 jaar zal in de regel geen markt usance zijn. Bovendien zal hier niet worden gehandeld in lijn met doel en strekking van de Prospectusrichtlijn.» (http://www.afm.nl/marktpartijen).

XNoot
*

Zie artikel I, onderdelen III, KKK, RRR, TTT, VVV en WWW van de Reparatiewet Wft.

XNoot
*

Overeenkomstig dit artikel voor de eerste maal vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de richtlijn, te weten 15 januari 2009.

XNoot
*

Richtlijn nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177).

XNoot
*

Zie Kamerstukken II 2005/06, 30 672, nr. 3, blz. 4.

XNoot
*

Zie noot 3.

XNoot
*

Besluit van 28 september 1998 tot algemeen verbindendverklaring van de Collectieve Garantieregeling van kredietinstellingen voor Terugbetaalbare Gelden en Beleggingen van 17 september 1998 op grond van artikel 84, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

XNoot
*

Besluit van 21 september 1998 tot algemeen verbindendverklaring van het beleggerscompensatiestelsel van 17 september 1998 op grond van artikel 28a, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en artikel 84, tweede lid, van de wet toezicht kredietwezen 1992.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Naar boven