Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Instituut Mijnbouwschade Groningen | Staatscourant 2026, 8849 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Instituut Mijnbouwschade Groningen | Staatscourant 2026, 8849 | ander besluit van algemene strekking |
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen,
Gelet op artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen;
Besluit:
De Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 2.8, tweede lid, onderdeel f, komt te luiden:
f. de aanvrager nog niet voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt.
B
Artikel 2.8c, derde lid, onderdeel c, komt te luiden:
c. de aanvrager nog niet voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt;
C
Na artikel 2.8c wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Het Instituut kan een vaste herhaalvergoeding toekennen, indien:
a. de aanvraag betrekking heeft op:
i. een volledig object, zijnde een onroerende zaak met een eigen kadastrale aanduiding met ten minste één adres als bedoeld in de BAG; en
ii. indien van toepassing, de aangrenzende onroerende zaken met een eigen kadastrale aanduiding die aanhorig zijn aan het object;
b. de aanvrager:
i. een natuurlijk persoon is die de eigendom heeft van het object en, indien van toepassing, de aanhorige onroerende zaak, tenzij die eigendom is belast met een beklemrecht, een recht van opstal of een recht van erfpacht; of
ii. een natuurlijk persoon is die het beklemrecht, het recht van opstal of het recht van erfpacht op het object en, indien van toepassing, op de aanhorige onroerende zaken, heeft;
c. de aanvraag is ingediend namens alle natuurlijke personen die recht hebben op de vergoeding, als dat meerdere personen zijn;
d. fysieke schade aan het object eerder is behandeld door de NAM, het CVW, de burgerlijke rechter, de TCMG of het Instituut, ongeacht de wijze waarop de schade is afgehandeld;
e. door de aanvrager nieuwe schade als bedoeld in artikel 2.11 wordt gemeld;
f. de finaliteit, bedoeld in de artikelen 2.10 of 2.15 is doorbroken of, indien geen finaliteit is overeengekomen, zich na de laatste opname bij een keuze voor de individuele maatwerkprocedure dan wel na een eigendomsoverdracht in andere gevallen, een aardbeving heeft voorgedaan in het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk die op het adres van het object heeft geleid tot een trillingssnelheid van 2 mm/s, te berekenen met de methode van Bommer met 1% overschrijdingskans; en
g. de aanvrager nog niet voor drie andere objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers voor drie andere objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt.
2. De hoogte van de vaste herhaalvergoeding bedraagt per object € 5.000, dan wel € 2.500, indien het een object als bedoeld in artikel 2.8a betreft.
3. Het Instituut bepaalt of de schade dient te worden opgenomen overeenkomstig artikel 2.9.
4. Het Instituut kan de aanvrager een definitief aanbod voor een vaste herhaalvergoeding doen. Onderdeel van het aanbod is het bepaalde met betrekking tot de finaliteit in artikel 2.10. Als de aanvrager het aanbod accepteert, komt een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW tot stand.
5. Nadat de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in het vierde lid tot stand is gekomen, neemt het Instituut een besluit op de aanvraag en keert het de vaste herhaalvergoeding uit.
6. Het Instituut doet geen definitief aanbod als bedoeld in het vierde lid, of wijst een aanvraag voor een vaste herhaalvergoeding af, indien:
a. niet aan één of meer van de in het eerste lid genoemde voorwaarden is voldaan;
b. het Instituut heeft bepaald dat een opname van de schade plaats dient te vinden en deze opname door toedoen van de aanvrager niet heeft plaatsgevonden;
c. sinds de laatste aardbeving als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, de keuze voor de vaste herhaalvergoeding is aangeboden en hiervoor niet is gekozen, tenzij de aanvrager voor de opname van de schade alsnog aangeeft in aanmerking te willen komen voor de vaste herhaalvergoeding;
d. de aanvrager het definitieve aanbod als bedoeld in het vierde lid, niet heeft aanvaard; of
e. het vermoedt dat er sprake is van fraude of misbruik.
D
Artikel 2.10 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘een vaste vergoeding op grond van artikel 2.8, of een aanvullende vaste vergoeding op grond van artikel 2.8b,’ vervangen door ‘een vaste vergoeding op grond van artikel 2.8, een aanvullende vaste vergoeding op grond van artikel 2.8b, of een vaste herhaalvergoeding op grond van artikel 2.8d,’.
2. In het tweede en derde lid wordt telkens ‘een vaste vergoeding of een aanvullende vaste vergoeding’ vervangen door ‘een vaste vergoeding, een aanvullende vaste vergoeding of een vaste herhaalvergoeding’.
E
Artikel 2.13 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, aanhef, wordt ‘de onderdelen a tot en met m’ vervangen door ‘alle onderdelen hieronder’.
2. Het eerste lid, onderdelen f en g, komen te luiden:
f. de aanvrager nog niet voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt;
g. indien de aanvrager een rechtspersoon is, er nog geen drie keer van daadwerkelijk herstel gebruik is gemaakt, of, indien de rechtspersoon tevens een onderneming is, de rechtspersonen die onderdeel uitmaken van de onderneming, geen drie keer van daadwerkelijk herstel gebruik hebben gemaakt en natuurlijke personen die onderdeel uitmaken van de onderneming, geen drie keer van daadwerkelijk herstel of voor drie verschillende objecten van een vaste vergoeding gebruik hebben gemaakt;
3. Het derde lid komt te luiden:
3. Daadwerkelijk herstel is eveneens niet mogelijk, indien;
a. een gebouw geen woonfunctie heeft en het in de gegeven situatie naar het oordeel van het Instituut niet passend is daadwerkelijk herstel mogelijk te maken;
b. er een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon eigenaar of mede-eigenaar is geworden, dan wel houder van het beklemrecht, het recht van opstal of het recht van erfpacht, van het object waarop het recht op daadwerkelijk herstel ziet en er na verkrijging geen beving van 5 mm/s of hoger, te berekenen via de methode van Bommer, met een overschrijdingskans van 1%, heeft plaatsgevonden.
F
Artikel 2.15, vijfde lid komt te luiden:
5. Indien een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon eigenaar of mede-eigenaar is geworden, dan wel houder van het beklemrecht, het recht van opstal of het recht van erfpacht, van het object waarop het besluit tot daadwerkelijk herstel ziet en dit recht is overgegaan op de nieuwe rechthebbende, kan het Instituut het besluit op naam stellen van de rechthebbende, indien hij een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.13, eerste lid, onderdeel m, sluit voor het resterende deel van het recht op daadwerkelijk herstel. Artikel 2.13, eerste en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 16 maart 2026.
Deze wijziging zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Groningen, 19 februari 2026
H.C.D. Korvinus Voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
S.F.M. Wortmann Plaatsvervangend voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
B.J. Wierenga Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
W. van Gent Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
Met deze aanpassing van de Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022 (hierna: de Werkwijze) wordt de vaste herhaalvergoeding ingevoerd. Een van de aangekondigde maatregelen in de kabinetsreactie op de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen,1 is dat een vaste vergoeding ook beschikbaar moet komen voor bewoners met herhaalde schade (maatregel 5). Met deze wijziging geeft het Instituut invulling aan die maatregel. Het wordt daardoor mogelijk voor eigenaren, voor wier gebouw eerder aardbevingsschade is afgehandeld, om een vaste vergoeding aan te vragen als er een nieuwe aardbeving heeft plaatsgevonden. Het doel van deze regeling is om eigenaren die in aanraking komen met terugkerende schade ook een eenvoudig en snel forfaitair alternatief voor finale afhandeling van hun herhaalschade te kunnen bieden naast de maatwerkprocedure en daadwerkelijk herstel. Daarnaast vindt een aanpassing plaats in de regeling voor daadwerkelijk herstel. Een object waarvoor een recht op daadwerkelijk herstel is toegekend kan gedurende de looptijd verkocht worden of er kan een verandering plaatsvinden in de eigendomssituatie. Deze aanpassing van de Werkwijze regelt deze situatie wanneer er een nieuwe (mede-)eigenaar is van het object.
Als een eigenaar voldoet aan de voorwaarden voor een vaste herhaalvergoeding (VHV) biedt het Instituut hem een vast bedrag van € 5.000 (of € 2.500 als het een klein object als bedoeld in artikel 2.8a van de Werkwijze betreft, hierna aangeduid als ‘klein object’) om de schade finaal af te handelen. Deze voorwaarden zijn voor een belangrijk deel gelijk aan de voorwaarden die gelden voor de vaste vergoeding eerste schademelding van € 10.000 (VES) en de aanvullende vaste vergoeding tot € 10.000 (AVV). Zo moet een eigenaar, om in aanmerking te komen voor de vaste herhaalvergoeding – net als bij deze regelingen – een natuurlijk persoon zijn, instemming hebben van eventuele mede-eigenaren en meewerken aan een volledige schadeopname als het Instituut dat nodig acht. De aanvraag moet betrekking hebben op een volledig object, dat wil zeggen een onroerende zaak met eigen kadastrale aanduiding en ten minste één adres, inclusief naastgelegen aanhorige objecten zonder eigen adres. Op enkele punten wijken de voorwaarden voor een vaste herhaalvergoeding wel af van de VES- en AVV-regelingen.
De vaste herhaalvergoeding is bedoeld voor aanvragers die herhaaldelijk met schade zijn geconfronteerd na een nieuwe aardbeving. Als een aanvrager in aanmerking komt voor een vaste vergoeding eerste schademelding kan hij geen vaste herhaalvergoeding aanvragen. De vaste vergoeding eerste schademelding is bedoeld voor eerste meldingen en de vergoeding is tweemaal zo hoog als de VHV. Het zou daarom in het nadeel zijn van aanvragers die in aanmerking komen voor VES, om VHV aan te vragen.
Een eigenaar moet om in aanmerking te komen voor VHV nieuwe schade melden. Die nieuwe schade moet naar haar aard door aardbevingen kunnen zijn ontstaan. Daarnaast moet de finaliteit doorbroken zijn als gekozen is voor een forfaitaire vergoeding (VES, AVV of VHV) of herstel. Als het Instituut daarbij een vaststellingsovereenkomst met de eigenaar heeft gesloten om zijn schade af te handelen, moet het gaan om een beving met een trillingssnelheid van ten minste 5 mm/s gemeten na de datum waarop een vaststellingsovereenkomst met het Instituut is gesloten. In vaststellingsovereenkomsten voor daadwerkelijk herstel is daaraan toegevoegd dat die finaliteit pas na vijf jaar na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst doorbroken kan worden. Tot die tijd kan nieuwe schade volgens de voorwaarden van daadwerkelijk herstel worden hersteld. Dat volgt ook uit artikel 2.15 van de Werkwijze.
Als de huidige of de vorige eigenaar gekozen had voor een individuele maatwerkprocedure, dan dient er na de laatste schadeopname een beving met een trillingssnelheid van ten minste 2 mm/s te hebben plaatsgevonden. De reden hiervoor is dat het wettelijk bewijsvermoeden alleen geldt voor schade die is ontstaan na een beving vanaf 2 mm/s. Dit betekent dus dat na de individuele maatwerkprocedure gekozen kan worden voor de VHV, als na de laatste schadeopname een beving van 2 mm/s of hoger heeft plaatsgevonden, er nieuwe schade is en aan de overige voorwaarden is voldaan. Als gekozen is voor een forfaitaire vergoeding en het gebouw is daarna verkocht, dan dient de nieuwe eigenaar een beving van 2 mm/s of hoger ervaren te hebben en uiteraard nieuwe schade te hebben. Met de vorige eigenaar was immers afgesproken dat geen nieuwe aanvraag kon worden ingediend zolang er geen beving van 5 mm/s of hoger heeft plaatsgevonden of nieuwe schade als gevolg van indirecte effecten van diepe bodemdaling is opgetreden.
Voorwaarde voor VES en AVV is dat een eigenaar niet voor meer dan drie verschillende objecten een vaste vergoeding mag aanvragen. Anders dan bij de VES- en AVV-regelingen mag de vaste herhaalvergoeding wel worden aangevraagd voor een object dat eerder met een vaste vergoeding van € 10.000, AVV, VHV of daadwerkelijk herstel is afgedaan, mits de finaliteit is doorbroken. De reden is dat de vaste herhaalvergoeding juist is bedoeld voor herhaalde en nieuwe schade, ook nadat eerdere schade finaal is afgedaan en die finaliteit door een nieuwe beving is doorbroken. Een toegekende vaste herhaalvergoeding telt niet als een extra deelname als op hetzelfde object eerder VES, AVV of daadwerkelijk herstel is toegekend. Concreet betekent dit dat een eigenaar die al drie keer een vaste vergoeding heeft ontvangen, ook een vaste herhaalvergoeding kan aanvragen als de finaliteit op een van de objecten waarvoor hij een vaste vergoeding heeft ontvangen is doorbroken. Deze vaste herhaalvergoeding kan in dat geval alleen aangevraagd worden voor de drie objecten waarvoor eerder een vaste vergoeding was toegekend. Voor deze objecten is het aantal keren dat een vaste herhaalvergoeding kan worden aangevraagd onbeperkt, mits aan de overige voorwaarden – waaronder een nieuwe beving die schade heeft veroorzaakt – wordt voldaan. Indien een woning verkocht wordt door de aanvrager, dan telt die woning voor het maximum nog wel mee. In de onderstaande tabel wordt de situatie beschreven van een eigenaar die meer dan drie woningen heeft en verschillende keuzes heeft gemaakt voor de verschillende objecten. Illustratief wordt een aantal voorbeeldsituaties geduid.
|
Woning 1 |
Woning 2 |
Woning 3 |
Woning 4 |
|
|---|---|---|---|---|
|
Eerste melding |
Vaste vergoeding |
Individuele maatwerkprocedure |
Individuele maatwerkprocedure met schadebedrag van € 4.500 |
Individuele maatwerkprocedure |
|
Tweede melding |
VHV, na doorbreken finaliteit (beving vanaf 5 mm/s) |
Daadwerkelijk herstel |
Aanvullende vaste vergoeding van € 5.500 |
Individuele maatwerkprocedure |
|
Derde melding |
VHV, na doorbreken finaliteit (beving vanaf 5 mm/s) |
VHV, na doorbreken finaliteit (vijf jaarstermijn voor het melden van nieuwe schades onder daadwerkelijk herstel is verstreken en daarna beving vanaf 5 mm/s). |
VHV, na doorbreken finaliteit (beving vanaf 5 mm/s) |
Individuele maatwerkprocedure |
Met de woningen 1 tot en met 3 is het maximum bereikt van drie verschillende objecten waarvoor een forfaitaire vergoeding of herstel mogelijk is. Voor woning 4 kan alleen een aanvraag ingediend worden voor de individuele maatwerkprocedure.
Een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel kan voor maximaal drie verschillende objecten toegekend worden. De oude formulering was gekoppeld aan het aantal keer (deelnames) dat een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel toegekend kon worden per (mede-)eigenaar. Met de invoering van de vaste herhaalvergoeding verandert deze voorwaarde. De vaste herhaalvergoeding kan namelijk vaker dan één keer toegekend worden, mits er weer een nieuwe beving plaatsvindt met een berekende trillingssnelheid van 5 mm/s of hoger na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. De voorwaarde voor het aantal keer dat een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel toegekend kan worden aan een natuurlijk persoon wordt hiermee gewijzigd naar het aantal objecten en niet meer het aantal deelnames.
Artikel 2.8d bepaalt dat het voor het Instituut mogelijk is om een vaste herhaalvergoeding toe te kennen, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden zijn hierboven toegelicht. De regeling voor de vaste herhaalvergoeding sluit aan bij de bestaande VES- en AVV-regelingen.
Hierboven is ook toegelicht welke voorwaarden afwijken van de al bestaande VES- en AVV-regelingen en waarom deze voorwaarden afwijken. Voor een toelichting op de voorwaarden die overeenkomen met de VES- en AVV-regelingen verwijst het Instituut naar de eerdere toelichtingen die het heeft gepubliceerd bij de introductie van deze regelingen en daaropvolgende wijzigingen.2
Dit artikel legt de finaliteit vast die geldt nadat het Instituut een aanvraag heeft afgehandeld door middel van een forfaitaire vergoeding. Omdat de vaste herhaalvergoeding een forfaitaire vergoeding is, wordt ook deze vergoeding uitsluitend onder voorwaarde van finaliteit (dat wil zeggen een definitieve afhandeling van alle schade, inclusief overlast en overige bijkomende kosten) aangeboden. Het heeft daarom geen invloed op de hoogte van de vergoeding als er meer dan één beving is opgetreden voordat de vaststellingsovereenkomst wordt gesloten. Artikel 2.10 wordt gewijzigd zodat finaliteit ook geldt als een aanvraag door middel van een vaste herhaalvergoeding is afgehandeld.
In de vorige wijziging van de Werkwijze (Stcrt. 2025, 40209) is onderdeel n aan het eerste lid van artikel 2.13 toegevoegd. Deze voorwaarde is met deze wijziging nu ook in de aanhef opgenomen en geldt voor het moment dat het Instituut een besluit wil nemen en definitief een recht op daadwerkelijk herstel toekent.
In het derde lid was al geregeld dat daadwerkelijk herstel niet mogelijk is als een gebouw geen woonfunctie heeft en het in de gegeven situatie naar het oordeel van het Instituut niet passend is daadwerkelijk herstel mogelijk te maken. Met het nieuwe derde lid wordt tevens geregeld dat daadwerkelijk herstel ook niet mogelijk is als een gebouw verkocht is en de nieuwe eigenaren geen beving van 5 mm/s hebben ervaren (toen zij al eigenaar waren). De reden hiervoor is dat bij daadwerkelijk herstel finaliteit wordt afgesproken met de eigenaar. Bij verkoop zijn de nieuwe eigenaren niet gebonden aan die afspraak (vaststellingsovereenkomst). Zij kunnen een aanvraag indienen, indien er een beving van 2 mm/s of hoger heeft plaatsgevonden na het verkrijgen van de eigendom. Het is niet wenselijk dat nieuwe eigenaren gunstiger worden behandeld dan eigenaren die hun woning niet hebben verkocht. Daarom wordt geregeld dat nieuwe eigenaren ook een beving van 5 mm/s moeten ervaren hebben om daadwerkelijk herstel aan te kunnen vragen als er eerder een besluit tot daadwerkelijk herstel is genomen voor het object.
Dit geldt ook als de vorige eigenaar voor de VES, AVV of de vaste herhaalvergoeding heeft gekozen. Als geen beving van 5 mm/s of hoger heeft plaatsgevonden, kunnen zij wel het besluit tot daadwerkelijk herstel overnemen van de oude eigenaar (artikel 2.15, vijfde lid), een maatwerkaanvraag indienen of, indien aan alle eisen is voldaan, een vaste herhaalvergoeding aanvragen. Als het besluit tot daadwerkelijk herstel nog niet is uitgewerkt, is het overnemen van het besluit vaak gunstig. Bij een nieuwe aanvraag komen reeds opgenomen schades namelijk niet nogmaals voor een vergoeding in aanmerking. Gedurende de looptijd van het besluit tot daadwerkelijk herstel, kan niet nogmaals daadwerkelijk herstel worden toegekend. Pas na het verstrijken van de looptijd kan, indien een beving van 5 mm/s of hoger heeft plaatsgevonden, een nieuwe toekenning van daadwerkelijk herstel plaatsvinden. Indien de nieuwe eigenaar het besluit tot daadwerkelijk herstel ‘overneemt’ van de vorige eigenaar, dient de nieuwe eigenaar een vaststellingsovereenkomst met het Instituut te sluiten voor het resterende budget en de resterende looptijd van het aan de vorige eigenaar toegekende recht op daadwerkelijk herstel.
Groningen, 19 februari 2026
H.C.D. Korvinus Voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
S.F.M. Wortmann Plaatsvervangend voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
B.J. Wierenga Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
W. van Gent Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-8849.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.