Besluit van het Instituut Mijnbouwschade Groningen van 12 september 2024, tot wijziging van de Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022 om de invoering van de aanvullende vaste vergoeding mogelijk te maken

Het Instituut Mijnbouwschade Groningen,

Gelet op artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen;

Besluit:

ARTIKEL I

De Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.1 komt te luiden:

Artikel 2.1. Fysieke schade aan een gebouw of werk

Een aanvraag tot schadevergoeding in verband met fysieke schade wordt behandeld met toepassing van de individuele maatwerkbeoordeling, als bedoeld in hoofdstuk 2a, een vaste vergoeding als bedoeld in hoofdstuk 2b, of door toekenning van een recht op daadwerkelijk herstel als bedoeld in hoofdstuk 2c.

B

Artikel 2.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel d, subonderdeel (i) wordt ‘van meer dan 2 mm/s,’ vervangen door ‘van ten minste 2 mm/s,’.

2. Het tweede lid, onderdeel f, komt te luiden:

  • f. de aanvrager nog geen drie keer van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers drie keer van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, waarbij geldt dat bij de bepaling van dit maximum niet meetelt een aanvullende vaste vergoeding van € 5.000 voor een object waarvoor al de vaste vergoeding van € 5.000 is toegekend.

3. Het zesde lid, onderdelen b en c, komen te luiden:

  • b. de aanvrager of één van de gezamenlijke aanvragers inmiddels al drie keer van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, waarbij geldt dat bij de bepaling van dit maximum niet meetelt een aanvullende vaste vergoeding van € 5.000 voor een object waarvoor al de vaste vergoeding van € 5.000 is toegekend;

  • c. op 14 december 2023 of later de keuze voor een vaste vergoeding is aangeboden en niet voor een vaste vergoeding is gekozen, tenzij de aanvrager voor de opname van de schade alsnog aangeeft in aanmerking te willen komen voor de vaste vergoeding;

4. In het zesde lid vervalt onderdeel d, onder vernummering van de onderdelen e tot en met h tot d tot en met g.

C

Na artikel 2.8a worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 2.8b. Aanvullende vaste vergoeding

  • 1. Het Instituut kan een aanvullende vaste vergoeding toekennen, indien:

    • a. de aanvraag betrekking heeft op een volledig object, zijnde een onroerende zaak met een eigen kadastrale aanduiding met ten minste één adres als bedoeld in de BAG;

    • b. fysieke schade aan dat object eerder is behandeld door de NAM, het CVW, de burgerlijke rechter, de TCMG of het Instituut;

    • c. de vastgestelde vergoedingen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d van het derde lid, voor dat object gezamenlijk minder dan € 10.000 bedragen dan wel minder dan € 5.000, indien het een object als bedoeld in artikel 2.8a betreft;

    • d. door de aanvrager nieuwe schade als bedoeld in artikel 2.11 wordt gemeld in het geval de huidige rechthebbende niet eerder voor het object een melding voor fysieke schade heeft gedaan bij de NAM, CVW, burgerlijke rechter, TCMG of het Instituut;

    • e. voor het object een besluit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling Stuwmeer Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen is genomen, de aanvrager ermee instemt dat er geen nieuwe facturen worden ingediend;

    • f. aan het bepaalde in artikel 2.8, tweede lid, onderdelen b, c, d en f, is voldaan; en

    • g. het Instituut de eigenaar heeft benaderd om een aanvraag voor een aanvullende vaste vergoeding in te dienen of een object gelegen is in een postcodegebied waarvan het Instituut op zijn website heeft aangegeven dat een aanvraag voor de aanvullende vaste vergoeding kan worden ingediend.

  • 2. De hoogte van de aanvullende vaste vergoeding bedraagt per object ten hoogste € 10.000, dan wel ten hoogste € 5.000, indien het een object als bedoeld in artikel 2.8a betreft.

  • 3. Op de maximum bedragen, bedoeld in het tweede lid, wordt per object in mindering gebracht:

    • a. de vastgestelde vergoedingen voor fysieke schade door de NAM, het CVW en de burgerlijke rechter;

    • b. de bij besluit van de TCMG of het Instituut vastgestelde vergoedingen voor fysieke schade;

    • c. de vaste vergoeding van € 5.000, toegekend krachtens artikel 2.8 of artikel 3, eerste lid, van de Regeling Stuwmeer Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen; en

    • d. de vergoede facturen, indien voor het object een besluit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling Stuwmeer Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen is genomen.

  • 4. Zo nodig in afwijking van het derde lid, bedraagt de aanvullende vaste vergoeding minimaal € 5.000, dan wel minimaal € 2.500, indien het een object als bedoeld in artikel 2.8a betreft en zich een aardbeving heeft voorgedaan in het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk die op het adres van het object heeft geleid tot een trillingssnelheid van 5 mm/s, te berekenen met de methode van Bommer met 1% overschrijdingskans, sinds de laatste opname bij de individuele maatwerkprocedure of de datum van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst bij een vaste vergoeding.

  • 5. Het Instituut bepaalt of de schade dient te worden opgenomen overeenkomstig artikel 2.9.

Artikel 2.8c. Definitief aanbod aanvullende vaste vergoeding

  • 1. Het Instituut kan de aanvrager een definitief aanbod voor een aanvullende vaste vergoeding doen. Onderdeel van het aanbod is het bepaalde met betrekking tot de finaliteit in artikel 2.10. Als de aanvrager het aanbod accepteert, komt een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW tot stand.

  • 2. Nadat de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid tot stand is gekomen, neemt het Instituut een besluit op de aanvraag en keert het de aanvullende vaste vergoeding uit.

  • 3. Het Instituut doet geen definitief aanbod als bedoeld in het eerste lid, of wijst een aanvraag voor een aanvullende vaste vergoeding af, indien:

    • a. niet aan één van de in artikel 2.8b genoemde voorwaarden is voldaan;

    • b. het Instituut heeft bepaald dat een opname van de schade plaats dient te vinden en deze opname door toedoen van de aanvrager niet heeft plaatsgevonden;

    • c. de aanvrager of één van de gezamenlijke aanvragers inmiddels al drie keer van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, waarbij geldt dat bij de bepaling van dit maximum niet meetelt een aanvullende vaste vergoeding van € 5.000 voor een object waarvoor al de vaste vergoeding van € 5.000 is toegekend;

    • d. op 14 december 2023 of later de keuze voor een vaste vergoeding is aangeboden en niet voor een vaste vergoeding is gekozen, tenzij de aanvrager voor de opname van de schade alsnog aangeeft in aanmerking te willen komen voor de aanvullende vaste vergoeding;

    • e. de aanvrager het definitieve aanbod als bedoeld in het eerste lid, niet heeft aanvaard; of

    • f. het vermoedt dat er sprake is van fraude of misbruik.

D

1. In artikel 2.10, eerste lid, wordt na ‘op grond van artikel 2.8’ ingevoegd ‘, of een aanvullende vaste vergoeding op grond van artikel 2.8b,’.

2. In artikel 2.10, tweede lid, wordt ‘de vaste vergoeding’ vervangen door ‘een vaste vergoeding of een aanvullende vaste vergoeding’.

3. In artikel 2.10, derde lid, wordt na ‘een vaste vergoeding’ ingevoegd ‘of een aanvullende vaste vergoeding’.

E

Artikel 2.13, eerste lid, onderdelen f en g, komen te luiden:

  • f. indien de aanvrager een natuurlijk persoon is, er nog geen drie keer van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik is gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers drie keer van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, waarbij geldt dat bij de bepaling van dit maximum niet meetelt een aanvullende vaste vergoeding van € 5.000 voor een object waarvoor al de eenmalige vaste vergoeding van € 5.000 is toegekend;

  • g. indien de aanvrager een rechtspersoon is, er nog geen drie keer van daadwerkelijk herstel gebruik is gemaakt, of, indien de rechtspersoon tevens een onderneming is, de rechtspersonen en natuurlijke personen die onderdeel uitmaken van de onderneming, geen drie keer van daadwerkelijk herstel of een vaste vergoeding gebruik hebben gemaakt, waarbij geldt dat bij de bepaling van dit maximum niet meetelt een aanvullende vaste vergoeding van € 5.000 voor een object waarvoor al de eenmalige vaste vergoeding van € 5.000 is toegekend;

F

In artikel 2.14, eerste lid, wordt ‘ruimtes’ vervangen door ‘ruimte’.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2024.

Deze wijziging zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Groningen, 12 september 2024

H.C.D. Korvinus Voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

E.C.M. van Schie Plaatsvervangend voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

B.J. Wierenga Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

S.F.M. Wortmann Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Met deze aanpassing van de Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022 (hierna: Werkwijze) wordt de aanvullende vaste vergoeding ingevoerd. De aanvullende vaste vergoeding was door het Instituut al in 2022 aangekondigd. Hiermee komen bewoners in aanmerking voor een aanvulling op eerder toegekende vergoedingen tot de hoogte van de vaste vergoeding van toen € 5.000. Het doel van de aanvullende vaste vergoeding is om de eventuele ontstane verschillen in de schadeafhandeling te verkleinen. In de artikelen 4 en 5 van de Beleidsregel schadeafhandeling Tijdelijke wet Groningen wordt in lijn met de kamerbrief van 6 oktober 2023 (Kamerstukken II, 2023/24, 33 529, nr. 1175, p. 4) zowel de vaste vergoeding als de aanvullende vaste vergoeding verhoogd naar (ten hoogste) € 10.000. De hogere vaste vergoeding is al opgenomen in de Werkwijze. Met deze wijziging wordt ook de aanvullende vaste vergoeding geïmplementeerd in de Werkwijze.

2. Aanvullende vaste vergoeding

2.1. Aanvulling tot € 10.000 (of € 5.000)

De aanvullende vaste vergoeding is een aanvulling op de al vastgestelde vergoedingen voor fysieke schade voor het betreffende object tot de hoogte van het bedrag van de vaste vergoeding. Dit betekent dat aanvragers een aanvullende vaste vergoeding kunnen ontvangen tot ten hoogste € 10.000. Eventueel eerder vastgestelde vergoedingen door de Nederlandse Aardolie Maatschappij N.V., het Centrum Veilig Wonen, de burgerlijke rechter, de TCMG en het Instituut worden op het bedrag in mindering gebracht.

Het Instituut kijkt hierbij naar de bedragen die ter vergoeding van de schade zijn vastgesteld. Andere vergoedingen die in het kader van een individuele maatwerkprocedure zijn uitgekeerd, bijvoorbeeld de wettelijke rente, worden niet meegerekend. Vergoedingen voor waardedaling, als bedoeld in hoofdstuk 3 van deze Werkwijze, of immateriële schade als bedoeld in hoofdstuk 4 van deze Werkwijze worden ook niet meegerekend.

Voor aanvragers die in het verleden een vaste vergoeding van € 5.000 hebben ontvangen, geldt dat zij deze kunnen laten aanvullen tot € 10.000. Hetzelfde geldt voor aanvragers die in het verleden een vergoeding van € 5.000 hebben ontvangen op basis van de stuwmeerregeling. Bij een aanvullende vaste vergoeding ontvangen deze aanvragers dus € 5.000.

Bij de stuwmeerregeling was het ook mogelijk om een vergoeding tot € 10.000 te ontvangen door middel van het indienen van facturen voor gemaakte kosten voor herstel van fysieke schade. Voor deze groep aanvragers geldt dat zij het nog openstaande bedrag tot € 10.000 kunnen ontvangen als aanvullende vaste vergoeding. De vergoede facturen worden hierop in mindering gebracht.

Een uitzondering op de hoogte van het maximale bedrag van € 10.000 geldt voor kleine objecten, zoals een garagebox, berging, of schuur. Voor dit soort objecten geldt op grond van de Werkwijze een vaste vergoeding van € 5.000. In artikel 2.8a is aangegeven voor welke kleine objecten de vaste vergoeding van € 5.000 geldt. Voor die objecten geldt ook dat de aanvullende vaste vergoeding ten hoogste € 5.000 bedraagt.

In theorie is het mogelijk dat een aanvrager waarbij in totaal € 9.999,99 aan vergoedingen is vastgesteld, een aanvullende vaste vergoeding kan ontvangen van € 0,01. Na de start van de regeling aanvullende vaste vergoeding zal het Instituut de regeling monitoren en evalueren. Hierbij is er de mogelijkheid om in de Werkwijze een minimum bedrag in te voeren.

2.2. Vast bedrag van € 5.000 (of € 2.500) bij herhaalde schade

In artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel schadeafhandeling Tijdelijke wet Groningen is bepaald dat het Instituut een forfaitaire herhaalvergoeding ontwikkelt. Op dit moment is het Instituut bezig om hiervoor een regeling op te zetten. In de tussentijd is er een groep aanvragers bij het Instituut bekend die mogelijk in aanmerking komt voor een vaste herhaalvergoeding, maar op dit moment ook voor een aanvullende vaste vergoeding. Hierbij is er de kans dat deze aanvragers bij de aanvullende vaste vergoeding een lager bedrag ontvangen dan bij de vaste herhaalvergoeding. Het betreft aanvragers bij wie na de laatste schadeopname voor de individuele maatwerkprocedure, of het accepteren van het aanbod voor een vaste vergoeding (datum van het tekenen van de overeenkomst), er een beving heeft plaatsgevonden waarbij de berekende trillingssnelheid 5 mm/s of hoger is (te berekenen via de methode van Bommer, met een overschrijdingskans van 1%). Het Instituut kiest er daarom voor dat deze aanvragers al gebruik kunnen maken van de vaste herhaalvergoeding, onder de voorwaarden van de aanvullende vaste vergoeding. Dit geldt enkel voor aanvragers die ook los van de herhaalvergoeding in aanmerking komen voor een aanvullende vaste vergoeding en waar de aanvullende vaste vergoeding (zonder de herhaalvergoeding) lager is dan € 5.000. Deze keuze leidt er dus toe dat als de aanvullende vaste vergoeding lager is dan de herhaalvergoeding, de aanvrager het bedrag van de herhaalvergoeding krijgt. Is de aanvullende vaste vergoeding hoger dan de herhaalvergoeding, dan krijgt de aanvrager het bedrag van de aanvullende vaste vergoeding. Voor kleine objecten of objecten waarvoor het gebruik onbekend is, genoemd in artikel 2.8a, wordt van € 2.500 in plaats van € 5.000 uitgegaan als aanspraak gemaakt kan worden op de herhaalvergoeding.

Voorbeeld 1:

Een aanvrager heeft in totaal € 9.000 aan vergoedingen voor fysieke schade ontvangen. Indien deze vergoeding wordt aangevuld tot € 10.000, ontvangt deze aanvrager € 1.000. Er heeft echter sinds de laatste schadeopname een beving met een berekende trillingssnelheid van 5 mm/s of hoger (te berekenen via de methode van Bommer, met een overschrijdingskans van 1%) plaatsgevonden. Deze aanvrager komt mogelijk ook in aanmerking voor de toekomstige vaste herhaalvergoeding. Daarom wordt een verhoogde aanvullende vaste vergoeding van € 5.000 toegekend, vooruitlopend op de vaste herhaalvergoeding.

Voorbeeld 2:

Een aanvrager heeft in totaal € 4.900 aan vergoedingen voor fysieke schade ontvangen. Indien deze vergoeding wordt aangevuld tot € 10.000, ontvangt deze aanvrager € 5.100. Er heeft sinds de laatste schadeopname een beving met een berekende trillingssnelheid van 5 mm/s of hoger is (te berekenen via de methode van Bommer, met een overschrijdingskans van 1%) plaatsgevonden. Deze aanvrager komt mogelijk ook in aanmerking voor de toekomstige vaste herhaalvergoeding. De vaste herhaalvergoeding is € 5.000 en dus lager dan het bedrag van € 5.100 dat volgt uit de aanvullende vaste vergoeding. De aanvullende vergoeding bedraagt in dit voorbeeld dus € 5.100.

Overwogen is om ook bij de vaste vergoeding uit te gaan van de laatste opname in plaats van de datum waarop de vaststellingsovereenkomst tot stand komt. Hiervoor is niet gekozen omdat voor de vaste vergoeding niet altijd een opname heeft plaatsgevonden en bij de aanvullende vaste vergoeding niet altijd een opname plaatsvindt. Dit wordt in paragraaf 2.6 toegelicht.

2.3. Maximaal drie keer (aanvullende) vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel

Een aanvrager kan maximaal drie keer van de aanvullende vaste vergoeding, de vaste vergoeding dan wel daadwerkelijk herstel gebruik maken. De aanvullende vaste vergoeding kan net als de vaste vergoeding en daadwerkelijk herstel mogelijk tot overcompensatie leiden. Daarom is het proportioneel en redelijk een maximum te hanteren. Het maximum van drie gold al voor de vaste vergoeding en voor daadwerkelijk herstel. Ook voor de aanvullende vaste vergoeding wordt deze lijn doorgetrokken.

Uitzondering hierop is de aanvrager die in het verleden drie keer een vaste vergoeding van € 5.000 heeft ontvangen, maar onder het huidige beleid een vaste vergoeding van € 10.000 zou ontvangen. Deze aanvrager kan de eerdere drie ontvangen vaste vergoedingen wel aanvullen tot € 10.000. Dit wordt aan de hand van een voorbeeld verduidelijkt.

Stel een aanvrager heeft zes objecten. Voor drie objecten, niet zijnde een klein object als bedoeld in artikel 2.8, is een vaste vergoeding van € 5.000 toegekend en voor drie andere objecten is niks toegekend. De aanvrager heeft al drie keer gebruik gemaakt van een vaste vergoeding, en kan dus alleen de drie objecten aan laten vullen met de aanvullende vaste vergoeding tot € 10.000. Voor de drie overige objecten kan hij niet kiezen voor een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel, maar is enkel afhandeling via een individuele maatwerkbeoordeling mogelijk.

Op dit punt wordt ook artikel 2.13, eerste lid, onderdelen f en g, aangepast, omdat voor daadwerkelijk herstel uiteraard dezelfde voorwaarde geldt.

2.4. Natuurlijke personen

Net als bij de vaste vergoeding dient de aanvrager een natuurlijk persoon te zijn. Dit betekent dat rechtspersonen in het geheel niet voor een aanvullende vaste vergoeding in aanmerking komen.

2.5. Oud-eigenaren

Een voorwaarde voor de aanvullende vaste vergoeding is dat deze aangevraagd kan worden door een natuurlijk persoon die het eigendom heeft, onderscheidenlijk de houder van een beklemrecht, een recht van opstal of een recht van erfpacht op het object. Aanvragers die in het verleden het eigendom of één van de hiervoor genoemde zakelijke rechten bezaten, maar dit nu niet meer hebben – bijvoorbeeld omdat het object is verkocht – kunnen op dit moment niet een aanvullende vaste vergoeding aanvragen. Het Instituut kijkt of het voor deze groep aanvragers mogelijk is om een aanvullende vaste vergoeding aan te vragen. Indien dit mogelijk is, dan bericht het Instituut hierover op zijn website en wordt de Werkwijze hierop aangepast.

2.6. Vastlegging fysieke schade

Met de verhoging van de vaste vergoeding van € 5.000 naar € 10.000, is het ook voor de aanvullende vaste vergoeding belangrijk dat alle schade goed wordt vastgelegd. Daarnaast kent de aanvullende vaste vergoeding net zoals de vaste vergoeding finaliteit – alle aanwezige schade aan het object is hiermee vergoed en afgehandeld.

Als er een aanvraag voor een aanvullende vaste vergoeding is gedaan informeert het Instituut of er een schadeopname plaatsvindt. Het Instituut kan bijvoorbeeld afzien van een opname als er recent al een opname heeft plaatsgevonden en er geen nieuwe beving van minimaal 5 mm/s heeft plaatsgevonden. Het Instituut kan ook bepalen dat het aanleveren van informatie volstaat en op welke manier dit dient te gebeuren. Artikel 2.9 van de Werkwijze geldt ook voor de vaste aanvullende vergoeding, indien het Instituut besluit dat vastlegging van de schade nodig is.

2.7. Gefaseerde openstelling

De beschikbare uitvoeringscapaciteit van het Instituut is onvoldoende om alle (mogelijke) aanvragen voor een aanvullende vaste vergoeding na inwerkingtreding in behandeling te nemen. Het Instituut kiest daarom voor een gefaseerde openstelling. De mogelijkheid om een aanvraag voor een aanvullende vaste vergoeding in te dienen vindt plaats op postcodegebied, of als het Instituut een eigenaar benadert en meedeelt dat het mogelijk is om een aanvraag in te dienen. De precieze wijze van openstelling en de volgorde waarin dit gebeurt publiceert het Instituut op zijn website.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2.8b. Aanvullende vaste vergoeding

In het eerste lid is bepaald dat het voor het Instituut mogelijk is om een aanvullende vaste vergoeding toe te kennen, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden worden hieronder toegelicht.

In de eerste plaats (onderdeel a) dient de aanvraag betrekking te hebben op een volledig object, zijnde een onroerende zaak met een eigen kadastrale aanduiding met ten minste één adres als bedoeld in de BAG. Het is belangrijk dat het object waarop de aanvraag betrekking heeft helder is afgebakend. Daarom vereist het Instituut, overeenkomstig de voorwaarden van de vaste vergoeding, dat de aanvraag betrekking heeft op een te onderscheiden onroerende zaak met een eigen kadastrale aanduiding als bedoeld in artikel 2 van het Kadasterbesluit. Op dat object dient ten minste één adres aanwezig te zijn. Daarin ligt besloten dat op het object ook een gebouw of werk aanwezig dient te zijn. Onbebouwde grond komt niet voor een aanvullende vaste vergoeding in aanmerking. Dat geldt ook voor een gebouw of werk zonder adres. Als op een object meerdere gebouwen, werken of adressen aanwezig zijn, zal voor het gehele object een aanvullende vaste vergoeding worden toegekend.

In de tweede plaats (onderdeel b) geldt de voorwaarde dat fysieke schade aan dat object eerder is behandeld door de NAM, het CVW, de burgerlijke rechter, de TCMG of het Instituut. Heeft er in het verleden van een object nog geen beoordeling van fysieke schade plaatsgevonden, dan kan de aanvullende vaste vergoeding niet aangevraagd worden. Voor deze groep aanvragers is er de vaste vergoeding. Ook als de beoordeling in het verleden niet leidde tot een vergoeding of herstel in natura, kan een aanvullende vaste vergoeding worden aangevraagd. Dus als bijvoorbeeld het Instituut eerder besloten heeft dat een aanvrager geen vergoeding krijgt en dus € 0,00 is vastgesteld, kan ook een aanvullende vaste vergoeding aangevraagd worden.

In de derde plaats (onderdeel c) geldt de voorwaarde dat de vastgestelde vergoedingen voor dat object minder dan € 10.000 bedragen dan wel minder dan € 5.000, indien het een object als bedoeld in artikel 2.8a betreft.

In de vierde plaats (onderdeel d) geldt dat door een rechthebbende, die voor het object niet eerder een schadeprocedure voor fysieke schade heeft doorlopen bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij N.V., het Centrum Veilig Wonen, de burgerlijke rechter, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen of het Instituut, nieuwe schade gemeld moet worden. Wanneer het object van eigendom is gewisseld – bijvoorbeeld omdat het object is verkocht – is het mogelijk dat de oude eigenaar of eigenaren wel een schadeprocedure hebben doorlopen, maar de huidige eigenaar niet. Voor deze huidige eigenaar geldt de voorwaarde dat er nieuwe schade gemeld moet worden. Voor deze rechthebbende mist anders de grondslag, nu deze rechthebbende zelf niet eerder een schadeprocedure voor het betreffende object heeft doorlopen.

In de vijfde plaats (onderdeel e) gelden voorwaarden indien gebruik is gemaakt van de aannemersvariant in de Stuwmeerregeling. In 2019 is door de Minister van Economische Zaken en Klimaat een eenmalige maatregel aangekondigd waarmee de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen de schadeafhandeling kon versnellen om de hoge werkvoorraad aan schadeaanvragen af te handelen (Stcrt. 2019, 38034). De Stuwmeerregeling kende twee varianten. De eerste variant omvatte een vaste vergoeding van € 5.000. De tweede variant was een variabele vergoeding, waarbij voor herstel van fysieke schade gemaakte kosten, zoals de inzet van een aannemer, tot een bedrag van € 10.000 kon worden ontvangen. Bij de eerste variant is er € 5.000 ontvangen en kan het totaal aan ontvangen vergoedingen aangevuld worden tot € 10.000. Bij de tweede variant kijkt het Instituut naar het nog openstaande bedrag van de variabele vergoeding. Voor zover deze nog niet volledig benut is, kan deze aangevuld worden tot € 10.000. Als de aanvrager hiervoor kiest, stemt hij ermee in dat er geen nieuwe facturen meer kunnen worden ingediend.

In de zesde plaats (onderdeel f) gelden de onderdelen b, c, d en f van artikel 2.8 van de Werkwijze eveneens. Dit betreffen voorwaarden die ook gelden voor de eenmalige vaste vergoeding. Dit betekent onder andere dat de aanvrager een natuurlijke persoon dient te zijn, onderscheidenlijk de houder van een beklemrecht, een recht van opstal of een recht van erfpacht op het object. Rechtspersonen kunnen, net als bij de vaste vergoeding, niet de aanvullende vaste vergoeding aanvragen. De aanvraag dient bovendien namens alle eigenaren onderscheidenlijk houders van de zakelijke rechten te zijn ingediend. Daarnaast moet voor het object het bewijsvermoeden, bedoeld in artikel 6:177a BW, gelden. Indien voor een object gelegen buiten het effectgebied eerder een aanvraag is ingediend, komt die rechthebbende niet in aanmerking voor een aanvullende vaste vergoeding. Voor die objecten kan mijnbouw redelijkerwijs geen schade veroorzaken. Ook kan maximaal drie keer een vaste vergoeding, een aanvullende vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel aangevraagd worden. In het algemeen deel is dit voorschrift nader toegelicht.

Tot slot volgt uit onderdeel g een fasering in de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor een aanvullende vaste vergoeding. De beschikbare uitvoeringscapaciteit van het Instituut is onvoldoende om iedere aanvraag voor een aanvullende vaste vergoeding na inwerkingtreding van deze regeling in behandeling te nemen. Het Instituut kiest daarom voor een gefaseerde openstelling van deze regeling. Op zijn website maakt het Instituut kenbaar welke postcodegebieden opgesteld zijn voor het doen van een aanvraag. Daarnaast kan het Instituut de eigenaar van een object benaderen als het voor dat object mogelijk is om een aanvraag voor de aanvullende vaste vergoeding in te dienen. De wijze waarop openstelling plaatsvindt en in welke volgorde publiceert het Instituut op zijn website.

Het tweede lid bepaalt de hoogte van de aanvullende vaste vergoeding per object. Hierbij heeft aansluiting plaatsgevonden bij de bedragen van de vaste vergoeding, als bepaald in artikel 2.8. Het maximum bedrag van de aanvullende vaste vergoeding is € 10.000, gelijk aan de vaste vergoeding. Voor kleine objecten, of objecten waarvoor het gebruik onbekend is, als bedoeld in artikel 2.8a van de Werkwijze, bedraagt de aanvullende vaste vergoeding ten hoogste € 5.000. Het bedrag van € 10.000 is voor deze objecten gelet op de grootte of de waardering van het object niet proportioneel.

Indien er al vergoedingen voor schade zijn vastgesteld door de Nederlandse Aardolie Maatschappij N.V., het Centrum Veilig Wonen, de burgerlijke rechter, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen of het Instituut, dan worden deze vergoedingen op grond van het derde lid in mindering gebracht op het bedrag van € 10.000 dan wel € 5.000, indien het een klein object is. De verschillende soorten vergoedingen die in mindering worden gebracht zijn:

  • a. de vastgestelde vergoedingen voor fysieke schade door de NAM, het CVW en de burgerlijke rechter;

  • b. de bij besluit van de TCMG of het Instituut vastgestelde vergoedingen voor fysieke schade. Dit betreft de maatwerkprocedure. Hieronder vallen ook vergoedingen die in bezwaar, beroep of hoger beroep zijn toegekend. Een schikking valt hier ook onder;

  • c. de vaste vergoeding van € 5.000 die is toegekend krachtens artikel 2.8, of artikel 3, eerste lid, van de Regeling Stuwmeer Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen; en

  • d. de vergoede facturen, indien voor het object een besluit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling Stuwmeer Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen is genomen.

Dit betekent dat een aanvrager voor de aanvullende vaste vergoeding in aanmerking komt als het totaal aan vastgestelde vergoedingen voor fysieke schade lager is dan € 10.000. Dit geldt ook voor objecten waar de aanvraag is afgewezen en dus € 0,00 is vastgesteld.

In het vierde lid is bepaald dat, zo nodig in afwijking van het derde lid, de aanvullende vaste vergoeding minimaal € 5.000 bedraagt, of € 2.500 indien het een object als bedoeld in artikel 2.8a betreft. De voorwaarde hiervoor is dat er sinds de laatste schadeopname voor de maatwerkprocedure, of het accepteren van het aanbod voor een vaste vergoeding (datum van het tekenen van de overeenkomst), er een beving heeft plaatsgevonden waarbij de berekende trillingssnelheid 5 mm/s of hoger is (te berekenen via de methode van Bommer, met een overschrijdingskans van 1%). Dit is vooruitlopend op de vaste herhaalvergoeding en geldt alleen voor dossiers waarbij er onder de aanvullende vaste vergoeding ook een vergoeding toegekend kan worden.

In het vijfde lid is aangegeven dat het Instituut bepaalt of de schade al dan niet wordt opgenomen door het Instituut. In het algemeen deel van de toelichting is dit al nader toegelicht.

Artikel 2.8c. Definitief aanbod aanvullende vaste vergoeding

Dit artikel bepaalt de voorwaarden die gelden voor het definitieve aanbod voor een aanvullende vaste vergoeding door het Instituut.

Het eerste lid bepaalt de voorwaarde om een vaststellingsovereenkomst tussen de aanvrager en het Instituut (Staat der Nederlanden) te sluiten. Deze vaststellingsovereenkomst omvat ook het accepteren van finaliteit, zoals bepaald in artikel 2.10.

Uit het tweede lid volgt dat als het aanbod geaccepteerd is, het Instituut een besluit neemt op de aanvraag en het de aanvullende vaste vergoeding uitkeert.

In het derde lid is bepaald wanneer het Instituut geen definitief aanbod doet. Het Instituut doet ten eerste geen aanbod als er niet meer aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 2.8b is voldaan (onderdeel a). Daarnaast doet het Instituut geen aanbod als het Instituut van oordeel is dat er een schadeopname moet plaatsvinden en deze schadeopname heeft niet plaatsgevonden (onderdeel b) – bijvoorbeeld omdat dit door de aanvrager geweigerd is. Ook wordt getoetst of de aanvrager meer dan drie keer gebruik heeft gemaakt van een vaste vergoeding, aanvullende vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel (onderdeel c). Dit voorschrift is hierboven in het algemeen deel al toegelicht.

In onderdeel d is opgenomen dat een aanvullende vaste vergoeding niet mogelijk is als de aanvrager eerder een vaste vergoeding of aanvullende vaste vergoeding heeft geweigerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de invoering van de hogere vaste en aanvullende vergoeding van (ten hoogste) € 10.000. Vanaf 14 december 2023 is de vaste vergoeding verhoogd. Aanvragers die een eerste schademelding doen kunnen vanaf dit moment kunnen kiezen voor een vaste vergoeding van € 10.000, of € 5.000 als het een object betreft als bedoeld in artikel 2.8a. Als een aanvrager afziet van een vaste vergoeding en kiest voor de individuele maatwerkbeoordeling of voor daadwerkelijk herstel, en er een schadeopname heeft plaatsgevonden, kan later niet meer de aanvullende vaste vergoeding toegekend worden. Dit geldt eveneens voor de vaste vergoeding. De gedachte hierachter is dat de aanvullende vaste vergoeding, net als de vaste vergoeding, een snelle en kostenefficiënte manier van schadeafhandeling tot doel heeft. Wanneer er een schadeopname heeft plaatsgevonden, zijn er al kosten gemaakt voor de opname en worden er vervolgens kosten gemaakt voor het beoordelen van de schades en het opstellen van een deskundigenadvies. Hiermee is er niet meer sprake van een kostenefficiënte manier van schadeafhandeling als een dergelijke aanvraag wordt ingetrokken, of omgezet naar een vaste vergoeding. Daarnaast is het van belang dat wanneer een aanvrager het adviesrapport ontvangt, het ook bekend is welke vergoeding er voor de schade geadviseerd wordt. Hiermee wordt voorkomen dat een aanvrager eerst kiest voor een andere regeling, om vervolgens een aanvullende vaste vergoeding aan te vragen als het schadebedrag lager is dan de vaste vergoeding. Dit heeft als doel dat elke aanvrager dezelfde eerlijke kans heeft met het kiezen voor de vaste vergoeding en deze keuze vanuit dezelfde informatiepositie maakt.

Uit onderdeel e volgt dat het Instituut de aanvraag zal afwijzen als het definitieve aanbod, zoals genoemd in het eerste lid, niet wordt geaccepteerd of de vaststellingsovereenkomst niet getekend wordt door de eigenaren. Gedurende het aanvraagproces krijgt een aanvrager de schadehistorie ter kennisgeving en daaruit volgt ook welk bedrag met de aanvullende vaste vergoeding toegekend kan worden. Indien er gegevens onjuist zijn kan een aanvrager dit aangeven. Verder dient een aanvrager ook akkoord te gaan met de gegevens, en gaat daarbij dus ook akkoord met de hoogte van de daaruit volgende vergoeding. Uit onderdeel e volgt dat als een aanvrager niet akkoord gaat met het aanbod, de voorgestelde aanvullende vergoeding daaronder begrepen, het Instituut de aanvraag kan afwijzen.

Als laatste doet het Instituut geen aanbod en wijst het de aanvraag af als het vermoedt dat er sprake is van fraude of misbruik (onderdeel f). Bij fraude of andere strafbare feiten doet het Instituut aangifte.

Groningen, 12 september 2024

H.C.D. Korvinus Voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

E.C.M. van Schie Plaatsvervangend voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

B.J. Wierenga Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

S.F.M. Wortmann Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

Naar boven