Advies Raad van State inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende wijziging van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963 in verband met de implementatie van Verordening (EU) 2023/2842 over visserijcontrole met betrekking tot de op te leggen administratieve financiële sancties bij ernstige inbreuken

Nader Rapport

’s-Gravenhage, 31 augustus 2026

Nr. WJZ / 107720638

Aan de Koning

Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende wijziging van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963 in verband met de implementatie van Verordening (EU) 2023/2842 over visserijcontrole met betrekking tot de op te leggen administratieve financiële sancties bij ernstige inbreuken

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 10 juni 2026, nr. 2026001216, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 15 juli 2026, nr. W11.26.00159/IV, bied ik U hierbij aan.

De tekst van het advies treft u hieronder cursief aan.

Bij Kabinetsmissive van 10 juni 2026, no. 2026001216, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963 in verband met de implementatie van Verordening (EU) 2023/2842 over visserijcontrole met betrekking tot de op te leggen administratieve financiële sancties bij ernstige inbreuken, met nota van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.

De waarnemend vice-president van de Raad van State

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State bevat geen opmerkingen. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het ontwerpbesluit en de nota van toelichting op de volgende punten aan te passen:

  • 1. In het besluit wordt ter verduidelijking in de definitie van ernstige inbreuk direct verwezen naar artikel 90, eerste en tweede lid, van de controleverordening. In dat artikel is een uitputtende lijst opgenomen van overtredingen die onder omstandigheden als ernstige inbreuk worden beschouwd.

  • 2. In het besluit wordt de defintitie van illegale visserij aangevuld. Het vissen zonder de rechthebbene op het visrecht in de binnenvisserij te zijn, wordt eveneens aangemerkt als illegale visserij. Op sommige wateren wordt het visrecht niet gereguleerd middels vergunningen maar via huurovereenkomsten en schriftelijke toestemmingen. Het vissen zonder huurovereenkomst is abusievelijk niet eerder opgenomen in de definitie van illegale visserij en dat wordt hiermee ondervangen. Voor de formulering is aangesloten bij de definitie van rechthebbende op het visrecht als bedoeld in de Visserijwet 1963, houders van huurovereenkomsten vallen onder die definitie.

  • 3. In het besluit en in de nota van toelichting is de datum van inwerkingtreding aangepast van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad naar 1 januari 2027. Om de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zorgvuldig uitvoering te laten geven aan de nieuwe bepalingen uit het besluit wordt afgezien van directe inwerkingtreding de dag na publicatie.

  • 4. In de nota van toelichting is in paragrafen 2.1 en 2.2 verduidelijkt dat het boetemaximum voor de bestuurlijke boete, zoals opgenomen in de Visserijwet 1963, onverkort geldt.

  • 5. In de nota van toelichting is in paragrafen 2.4 en 2.5 de tekst opnieuw gestructureerd ter verduidelijking van de gemaakte beleidskeuzes en om de leesbaarheid te bevorderen.

  • 6. Er zijn enkele redactionele wijzgingen in het ontwerpbesluit en de nota van toelichting doorgevoerd.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens.

Advies Raad van State

No. W11.26.00159/IV

’s-Gravenhage, 15 juli 2026

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 10 juni 2026, no.2026001216, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963 in verband met de implementatie van Verordening (EU) 2023/2842 over visserijcontrole met betrekking tot de op te leggen administratieve financiële sancties bij ernstige inbreuken, met nota van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.

De waarnemend vice-president van de Raad van State, G.J.J. Heerma van Voss.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit van .........., houdende wijziging van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963 in verband met de implementatie van Verordening (EU) 2023/2842 over visserijcontrole met betrekking tot de op te leggen administratieve financiële sancties bij ernstige inbreuken (ontwerptekst zoals aangeboden aan de afdeling advisering van de Raad van State) [Keten ID WGK 26381]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 5 juni 2026, nr. WJZ/104325822;

Gelet op Verordening (EU) 2023/2842 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1005/2008 van de Raad en Verordeningen (EU) 2016/1139, (EU) 2017/2403 en (EU) 2019/473 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft visserijcontrole en artikel 54c, tweede lid, van de Visserijwet 1963;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van .........., nr. ..........);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van .........., nr. WJZ/..........;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de begripsbepaling ‘ernstige inbreuk’ vervalt de zinsnede ‘en die op grond van artikel 4, vierde lid, als ernstige inbreuk wordt beschouwd’.

2. In de begripsbepaling ‘illegale visserij’ wordt na ‘verboden soort’ toegevoegd ‘, het voorhanden of aan boord hebben van een verboden soort of van ondermaatse vis, tenzij het gaat om de uitvoering van de aanlandplicht, bedoeld in artikel 15, eerste lid, in samenhang met het vijfde, zesde en zevende lid, van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PbEU L, 354), of het niet naleven van de verplichting om vis terug te zetten’.

B

Aan artikel 2 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het boetebedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt gedeeld door vijf, voor overtredingen van bij ministeriële regeling aangewezen wettelijke voorschriften die afhankelijk zijn van registratie en melding van gegevens met betrekking tot visserijactiviteiten door de overtreder.

C

Artikel 3, onderdeel b, komt te luiden:

  • b.

    • 1°. de eigenaar van een vissersvaartuig of een kapitein onder wiens gezag de overtreding is begaan indien het vissersvaartuig waarmee de overtreding is begaan een lengte over alles heeft van minder dan 12 meter;

    • 2°. de houder van een schriftelijke toestemming als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet; of

    • 3°. de rechthebbende op het visrecht in de binnenvisserij;.

D

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdelen a, b en c, wordt ‘feiten’ vervangen door ‘wettelijke voorschriften’.

2. Het vierde lid vervalt.

E

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Onze Minister stelt de bestuurlijke boete vast op ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel k, indien de hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, wordt overschreden door de waarde van de visserij- of aquacultuurproducten, die zijn verkregen met het plegen van een ernstige inbreuk. Onze Minister neemt hierbij artikel 91bis, eerste lid, van de controleverordening in acht.

  • 3. Onze Minister kan de bestuurlijke boete vaststellen op ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel k, indien de hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, wordt overschreden door het met de overtreding behaalde economisch voordeel. Onze Minister neemt hierbij artikel 89bis, tweede lid, van de controleverordening in acht.

F

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt onder vernummering van het tweede, derde en vierde lid tot eerste, tweede en derde lid.

2. Aan het eerste lid (nieuw) wordt een zin toegevoegd, luidende: ‘Indien van toepassing wordt het boetebedrag, in afwijking van het voorgaande, vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 91bis, tweede lid, van de controleverordening.’.

3. In het tweede lid (nieuw) wordt ‘tweede lid’ vervangen door ‘eerste lid’, wordt na ‘artikel 5’ ingevoegd ‘, eerste lid,’ en wordt een zin toegevoegd, luidende: ‘Het in de voorgaande zin bedoelde maximum geldt niet wanneer de bestuurlijke boete wordt opgelegd op grond van artikel 5, tweede of derde lid.’

4. In het derde lid (nieuw) wordt ‘tweede lid’ vervangen door ‘eerste lid’.

G

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het opschrift wordt ‘, eerste lid’ toegevoegd.

2. De kolom bij categorie overtreder ‘Artikel 3, onderdeel a’ wordt als volgt gewijzigd:

a. In de rij bij categorie overtreding ‘Artikel 4, eerste lid, onderdeel b’ wordt ‘Niet van toepassing’ vervangen door ‘Boetebedrag 2, als bedoeld in artikel 2, eerste lid’.

b. In de rij bij categorie overtreding ‘Artikel 4, eerste lid, onderdeel e’ wordt ‘Niet van toepassing’ vervangen door ‘Boetebedrag 4, als bedoeld in artikel 2, eerste lid’.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

NOTA VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Aanleiding en doel

Onderhavige algemene maatregel van bestuur strekt tot wijziging van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963 (hierna: het besluit). In artikel 54c, tweede lid, van de Visserijwet 1963 (hierna: de wet) is vastgelegd dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd. Hierbij is de hoogte van de boete afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid, de ernst van de overtreding en het daarmee behaalde voordeel. Met het besluit is invulling gegeven aan die bepaling. In de Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963 (hierna: de regeling) is per overtreding bepaald in welke categorie van overtredingen die valt. Op 1 april 2024 is het besluit in werking getreden tezamen met de regeling.

De wijziging van het besluit heeft meerdere aanleidingen. Ten eerste was een wijziging van het besluit noodzakelijk omdat de herziene Europese controleverordening1 op 10 januari 2024 gedeeltelijk en op 10 januari 2026 grotendeels in werking is getreden.2 Het is een van de verordeningen die maatregelen voorschrijft om de naleving van de Europese visserijregelgeving te waarborgen. De lidstaten moeten op grond van de (herziene) controleverordening erop toezien dat doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve sancties worden opgelegd aan de verantwoordelijke die een inbreuk heeft gepleegd op de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). De herziene controleverordening scherpt de voorwaarden aan voor de sancties bij ernstige inbreuken, waarvoor in Nederland (mede) de bestuurlijke boete wordt toegepast. Ernstige inbreuken betreffen overtredingen van het GVB die een aantasting betekenen van het visserijbeheer gericht op duurzame visserij en zijn overtredingen die ernstige schade voor de visbestanden en de natuur tot gevolg hebben. Vanaf 10 januari 2026 moeten de verantwoordelijken van die ernstige inbreuken op het GVB een administratieve financiële sanctie krijgen van minimaal de waarde van de visserij- of aquacultuurproducten die verkregen zijn als gevolg van het plegen van de ernstige inbreuk. Een wijziging van het besluit was nodig om hier ruimte voor te creëren.

Ten tweede was een wijziging van het besluit noodzakelijk omdat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), als toezichthouder op de visserijregelgeving, gebruik maakt van permanent digitaal administratief toezicht op onder andere de verplichte (vangst)rapportage door kapiteins, eigenaren van vissersvaartuigen en houders van schriftelijke toestemmingen. Bij de totstandkoming van het besluit zoals dat in werking is getreden op 1 april 2024 was nog geen zicht op de volledige omvang die het permanente toezicht heeft onder de herziene Europese controleverordening. Inmiddels is dit volledig in beeld en geeft dat reden tot aanpassing van het besluit om disproportioneel hoge boetebedragen bij bepaalde overtredingen te voorkomen.

Het besluit is daarnaast aangepast om overtreders in het kader van de binnenvisserij beter in te bedden in de overtrederscategorieën. Een nieuwe subcategorie overtreders is geïntroduceerd om te voorkomen dat deze overtreders onevenredig bestraft worden.

Tot slot zijn er enkele technische aanpassingen gedaan aan het besluit.

2. Hoofdlijnen van het besluit
2.1 Waarde van visserijproducten die verkregen zijn door het plegen van een ernstige inbreuk

De lidstaten moeten op grond van de controleverordening erop toezien dat doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve sancties worden opgelegd aan de verantwoordelijke die een inbreuk heeft gepleegd op de regels van het GVB (artikel 89bis, eerste lid, controleverordening). De herziene controleverordening scherpt voorschriften die zien op het verhalen van verkregen voordeel aan, waardoor een wijziging van de artikelen 5 en 6 van het besluit nodig was.

Het uitgangspunt voor het boetesysteem in het besluit is artikel 54c, tweede lid, van de wet, waarin is opgenomen dat de hoogte van de boete afhankelijk is van de mate van verwijtbaarheid, de ernst van de overtreding en het behaalde voordeel. Vanaf 10 januari 2026 moeten verantwoordelijken van ernstige inbreuken op het GVB een administratieve financiële sanctie krijgen van minimaal de waarde van de visserij- of aquacultuurproducten die verkregen zijn als gevolg van het plegen van de ernstige inbreuk (artikel 91bis, eerste lid, van de controleverordening). Hetgeen was bepaald over het verhogen van de bestuurlijke boete als die wordt overstegen door het behaalde economisch voordeel, is in stand gebleven.

De nieuwe bepaling is van toepassing op alle ernstige inbreuken waarbij de waarde van de visserij- en aquacultuurproducten die verkregen zijn als gevolg van het plegen van de ernstige inbreuk het gefixeerde boetebedrag overschrijdt. Voor het berekenen van de waarde van die visserij- en aquacultuurproducten kan een lidstaat op grond van artikel 91bis, vijfde lid, van de controleverordening aansluiten bij de nationale prijzen bij de eerste verkoop, de prijzen die op de voor de betrokken soort en het betrokken visserijgebied voornaamste internationale markten worden gehanteerd, of de prijzen van het platform van de Waarnemingspost voor de EU-markt voor visserij- en aquacultuurproducten (Eumofa) op het tijdstip waarop de inbreuk werd gepleegd.

2.2 Uitzonderingen op de recidivebepalingen

In het besluit waren al voorschriften opgenomen voor recidive, een boeteverhogende omstandigheid. Het boetebedrag wordt verdubbeld als een overtreder binnen drie jaar nadat voor een overtreding een bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, opnieuw eenzelfde (soort) overtreding begaat. Het plafond is gezet op zevenmaal de gefixeerde ‘standaard’ boete die kan worden opgelegd. Dat plafond is voor de opeenstapeling van recidive ingebouwd om te voorkomen dat de boete disproportioneel hoog wordt bij een betrekkelijk lichte overtreding. Ter uitvoering van de herziene controleverordening zijn er in dit besluit twee uitzonderingen gemaakt op die regel.

Artikel 91bis, tweede lid, van de herziene controleverordening is op 10 januari 2026 in werking getreden en bepaalt dat bij herhaling van ernstige inbreuken op het GVB een administratieve financiële sanctie wordt opgelegd met een minimum van tweemaal de waarde van de visserij- of aquacultuurproducten die bij het plegen van de ernstige inbreuk zijn verkregen. Met de som die oorspronkelijk ingevolge het besluit zou worden opgelegd bij recidive (de eerder opgelegde boete plus de boete die voor de nieuwe overtreding zou worden opgelegd), kon niet worden gewaarborgd dat die waarde van de visserij- of aquacultuurproducten tweemaal wordt verhaald. Er is daarom aanvullend bepaald dat bij ernstige inbreuken de bestuurlijke boete wordt vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 91bis, tweede lid, van de herziene controleverordening.

Om uitvoering te geven aan artikel 91bis, tweede lid, van de herziene controleverordening, was het daarnaast nodig om ernstige inbreuken uit te zonderen van het hiervoor genoemde plafond. Het kan namelijk voorkomen dat tweemaal de verkregen waarde van de visserij- of aquacultuurproducten op een hoger bedrag uitkomt dan zevenmaal de gefixeerde ‘standaard’ boete. Het plafond staat in die gevallen in de weg aan het verhalen van tweemaal de verkregen waarde. Er is daarom in dit besluit bepaald dat het plafond niet van toepassing is op recidive bij ernstige inbreuken.

2.3 Technische wijzigingen met betrekking tot ernstige inbreuken

Voor 10 januari 2026 werd een ernstige inbreuk gedefinieerd als een inbreuk die als zodanig is omschreven in het toepasselijke Unierecht, waaronder in artikel 42, eerste lid, van de IOO-verordening3 en in artikel 90, eerste lid, van de controleverordening.4 In laatstgenoemde bepalingen waren categorieën van activiteiten op GVB-terrein beschreven die ‘naargelang de ernst van de inbreuk’ de kwalificatie ‘ernstige inbreuk’ konden krijgen. De bevoegde autoriteit van een lidstaat moest steeds per geval de daadwerkelijke ernst van deze inbreuken beoordelen. In de regeling en de Beleidsregel ernstige inbreuken GVB 2020 was hier invulling aan gegeven. Sinds 10 januari 2026 zijn de Europese bepalingen waarop die invulling berustte gewijzigd. In de herziene controleverordening is een uitputtende lijst opgenomen van inbreuken die onder alle omstandigheden als ernstige inbreuk moeten worden beschouwd (artikel 90, tweede lid, herziene controleverordening). Daarnaast zijn er inbreuken op het GVB die als ernstig moeten worden beschouwd als aan bepaalde voorwaarden is voldaan (artikel 90, derde lid, herziene controleverordening). In het nationale recht kan dus niet meer worden bepaald wat een ernstige inbreuk is en daarom zijn de betrokken artikelen uit de regeling vervallen en is de Beleidsregel ernstige inbreuken GVB 2020 ingetrokken.5 Ook behoefde het besluit aanpassingen.

2.4 Lagere boetebedragen voor overtredingen in relatie tot vangstrapportage

In het permanent digitaal administratief toezicht worden alle ingevoerde data rond de (vangst)rapportage door de kapitein, eigenaar van het vissersvaartuig en houder van de schriftelijke toestemming met elkaar vergeleken. Wanneer hier een omissie in wordt aangetroffen is dit een (ernstige) inbreuk op het GVB en wordt in beginsel als punitieve sanctie een bestuurlijke boete opgelegd. Daarnaast is aan ernstige inbreuken een puntenstelsel gekoppeld in artikel 92 en bijlage III van de controleverordening. Het opleggen van punten wordt gezien als herstelsanctie. Het Europese puntenstelsel beoogt de naleving te verhogen en de kans op ernstige inbreuken te verkleinen door het afschrikwekkende effect van het puntenstelsel. Overtreders krijgen de mogelijkheid om een dergelijke overtreding binnen drie jaar niet nogmaals te begaan zonder directe grote gevolgen voor de bedrijfsvoering, maar vanaf 18 punten kan een visvergunning worden geschorst (voor een bepaald aantal maanden afhankelijk van het aantal punten) of worden ingetrokken (als in totaal 90 punten zijn opgelegd). Dit systeem is vergelijkbaar met het puntensysteem voor beginnende bestuurders.

Voor overtredingen die afhankelijk zijn van registratie of melding door de overtreder zelf zijn met dit besluit verlaagde boetes geïntroduceerd. Het betreft overtredingen van wettelijke voorschriften die direct samenhangen met een registratiehandeling waarbij het initiatief bij de overtreder ligt. Denk onder meer aan de registratie van vangsten, registratie van aanlanding en het opgeven van het vangstgebied. Het gaat zowel om het onjuist of niet registreren van gegevens als om het niet tijdig registreren. De werkzaamheden op zee zijn uiterst arbeidsintensief waardoor fouten met betrekking tot (vangst)registratie met enige regelmaat onbedoeld voorkomen. Door het permanent digitaal administratief toezicht wordt elke overtreding opgemerkt met als gevolg dat de ‘standaard’ boetes buitenproportioneel kunnen accumuleren en door de recidiveregeling tot zeer hoge bedragen kunnen oplopen. Bij dit type overtredingen past evenwel een lik-op-stukbeleid met evenredige boetebedragen omdat er veel belang is gemoeid bij een correcte en tijdige registratie van de vangstgegevens. Lidstaten moeten ervoor zorgen dat vissersvaartuigen onder de vlag van die lidstaat niet meer opvissen dan de toegekende quota, en zijn voor die gegevens afhankelijk van de door de visser geregistreerde gegevens. De vangstgegevens worden daarnaast gebruikt voor de waarborging van de naleving van andere beheer- en instandhoudingsmaatregelen en de monitoring van visserijactiviteiten. De Europese Commissie gebruikt de verstrekte vangstgegevens om te kunnen voldoen aan internationale (visserij)overeenkomsten. Met een nauwkeurige (vangst)registratie is daarom veel belang gemoeid.

Bij het bepalen van de boetebedragen in het kader van de (vangst)registratie is gekeken naar de ernst, verwijtbaarheid en het behaalde voordeel van deze specifieke overtredingen en is de proportionaliteit van de maatregel meegewogen. Hierbij is de opbouw van de boetebedragen uit het bestuurlijke boetesysteem voor de visserijwetgeving zoals geïntroduceerd per 1 april 2024 gevolgd, en is het verlaagde bedrag vastgesteld op een vijfde deel van het oorspronkelijke bedrag. Hierdoor sluiten de boetebedragen aan op de boetes die vanuit het strafrecht voor deze overtredingen worden opgelegd. Dit zorgt voor continuïteit en uniformiteit in sanctionering; een overtreder wordt door de nieuwe boetebedragen niet plotseling geconfronteerd met afwijkende sanctionering. Hiermee sluit Nederland ook aan bij de (administratieve) boetebedragen voor dergelijke overtredingen in de andere landen rond de Noordzee, waardoor het speelveld gelijker is.

De wettelijke voorschriften waarvoor bij overtreding de verlaagde boetebedragen gelden worden in de regeling aangewezen. Uitgangspunt daarbij is dat de naleving van de wettelijke voorschriften afhankelijk is van registratie en melding van gegevens met betrekking tot visserijactiviteiten door de overtreder. Een voorbeeld daarvan is artikel 15, eerste lid, van de herziene controleverordening, waarin de kapitein van elk Unievangstvaartuig verplicht wordt het logboek elektronisch in te dienen bij de bevoegde autoriteit van zijn vlaggenlidstaat. Dit moet minstens eenmaal per dag gebeuren, na de laatste visserijverrichting en vóór het binnenlopen in een haven of aanlandingsplaats. Het logboek bevat gegevens met betrekking tot de visserijactiviteiten. De kapitein moet dat logboek digitaal invullen en tijdig elektronisch verzenden. Die verzending moet handmatig door de kapitein worden verricht en is dus afhankelijk van een handeling van de kapitein. Een overtreding van dit voorschrift kwalificeert daarom als overtreding die afhankelijk is van de melding van gegevens met betrekking tot de visserijactiviteiten door de overtreder.

Met de introductie van nieuwe boetebedragen in het kader van (vangst)registratie wordt recht gedaan aan het zware controlemiddel, wordt de kans op fraude verkleind, blijven de boetes voldoende afschrikwekkend en blijft het maatschappelijk draagvlak voor bestuurlijke boetes bij dergelijke overtredingen bestaan. In de toekomst kunnen de overtredingen die via het permanent digitaal toezicht worden gedetecteerd, worden uitgebreid. Die relevante wettelijke voorschriften worden in dat geval eveneens aangewezen in de regeling voor zover naleving ervan afhankelijk is van registratie en melding van gegevens met betrekking tot visserijactiviteiten door overtreders.

In onderstaande tabel wordt inzichtelijk gemaakt wat de verlaagde boetebedragen zijn:

 

Standaardboete

Verlaagde boetehoogte bij (vangst)registratie

Boetebedrag 1

€ 150

€ 30

Boetebedrag 2

€ 350

€ 70

Boetebedrag 3

€ 450

€ 90

Boetebedrag 4

€ 750

€ 150

Boetebedrag 5

€ 1.500

€ 300

Boetebedrag 6

€ 3.000

€ 600

Boetebedrag 7

€ 4.500

€ 900

Boetebedrag 8

€ 6.000

€ 1.200

Boetebedrag 9

€ 7.000

€ 1.400

Boetebedrag 10

€ 8.500

€ 1.700

Boetebedrag 11

€ 10.000 of, indien dat meer is, 10% van de jaaromzet, onverminderd artikel 54c, derde lid, van de wet

€ 2.000 of, indien dat meer is, 2% van de jaaromzet, onverminderd artikel 54c, derde lid, van de wet

2.5 Categorieën overtreders

In het besluit wordt onderscheid gemaakt tussen vier categorieën overtreders (artikel 3). Een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat de verwijtbaarheid van een overtreding geacht wordt hoger te zijn naarmate de overtreder professioneler is. Daarnaast zal het behaald voordeel groter zijn naarmate de overtreder een grotere onderneming is. Een groter vissersvaartuig vangt meer (extra) kilo’s vis dan een kleiner vaartuig. Bovendien heeft een grotere onderneming over het algemeen meer draagkracht, waardoor een relatief lage boete minder afschrikwekkend is. Dit algemene principe – met de controleverordening als basis – is minder goed toepasbaar op de binnenvisserij. Daar geeft de lengte van een vaartuig in mindere mate een indicatie van de vangsthoeveelheden. In de binnenvisserij worden ook niet altijd vaartuigen gebruikt en worden alleen vaartuigen die zijn uitgerust voor de commerciële exploitatie van vis in het IJsselmeer geregistreerd in het register van vissersvaartuigen, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998. Daarom is de lengte van het vaartuig ook niet in alle gevallen te verifiëren. Verder ligt bij deze visserij niet vast wie de eigenaar en kapitein is van het vaartuig. Zonder de toevoeging van een specifieke subcategorie voor de binnenvisserij valt deze overtrederscategorie tussen wal en schip. Voor de binnenvisserij is daarom een subcategorie toegevoegd waardoor alle overtreders in de binnenvisserij onder dezelfde categorie (artikel 3, onderdeel b, van het besluit) vallen en evenredig kunnen worden bestraft.

Door de toevoeging van de subcategorie wordt ook een categorie overtreders op het IJsselmeer ondervangen waarin niet was voorzien. Een vergunninghouder op het IJsselmeer kan naast een eigen vaartuig één ander vaartuig doorgeven aan RVO waarop hij zijn vergunning kan gebruiken, ook wel ‘samen vissen’ genoemd. Een vergunninghouder op het IJsselmeer kan dus een overtreding begaan op een vaartuig dat niet zijn eigendom is en waarop hij ook niet de kapitein is (of waarbij dat niet is vast te stellen). Als gevolg daarvan vielen deze overtreders onder de lichtste categorie (artikel 3, onderdeel a, van het besluit) terwijl zij eigenlijk onder de categorie daaropvolgend (artikel 3, onderdeel b, van het besluit) horen te vallen. Door de toevoeging van de nieuwe specifieke subcategorie vallen deze overtreders ook onder artikel 3, onderdeel b, van het besluit, en kan aan die categorie overtreders de bijbehorende boete worden opgelegd.

2.6 Verdere invulling boetecategorieën

In de bijlage bij het besluit, die hoort bij artikel 5 van het besluit, was in de eerste kolom (betreffende natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van hun beroep of bedrijf) enkel een boetebedrag opgenomen voor de overtredingscategorieën, genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en c, van het besluit. Er werd namelijk vanuit gegaan dat ten aanzien van natuurlijke personen geen sprake kon zijn van een ernstige inbreuk met oplegging van een aantal punten. Aan ernstige inbreuken is een puntenstelsel gekoppeld in artikel 92 en bijlage III van de controleverordening. Het puntenstelsel is niet van toepassing op natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Bij de indeling van de categorieën overtredingen in artikel 4, eerste lid, van het besluit is aangesloten bij het puntenstelsel.

Inmiddels schrijft de herziene controleverordening in artikel 90, derde lid, onderdeel h, expliciet voor dat het verrichten van visserijactiviteiten of het verkopen van visserijproducten afkomstig van de recreatievisserij een ernstige inbreuk kan vormen (als wordt voldaan aan de criteria in bijlage IV van de herziene controleverordening). Dat betekent dat een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf (overtrederscategorie artikel 3, onderdeel a, van het besluit) volgens de herziene controleverordening een ernstige inbreuk kan begaan. Als die overtrederscategorie een ernstige inbreuk begaat, is de overtredingscategorie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van toepassing. Het gaat in dat geval om een overtreding zijnde een ernstige inbreuk waarop het puntensysteem in artikel 92 van de controleverordening niet van toepassing is. Wanneer het overtreden van een wettelijk voorschrift wel als ernstige inbreuk kan kwalificeren, maar waarbij de overtreding in het concrete geval niet als zodanig kwalificeert, omdat niet wordt voldaan aan de criteria in bijlage IV van de controleverordening, dan is de overtrederscategorie van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het besluit van toepassing. De matrix in de bijlage bij het besluit is daarom nader ingevuld om die combinaties van overtreders en overtredingen van een boetebedrag te voorzien.

De overige overtredingscategorieën betreffende natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van hun beroep of bedrijf (onderdelen d en f van artikel 4, eerste lid, van het besluit) zijn niet ingevuld, omdat deze overtredingscategorieën gekoppeld zijn aan ernstige inbreuken waarvoor punten kunnen worden opgelegd. Hoewel natuurlijke personen (die niet handelen in de uitoefening van hun beroep of bedrijf) ernstige inbreuken kunnen begaan, is het Europese puntenstelsel niet van toepassing op hen, waardoor overtredingscategorieën, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen d en f, niet van toepassing kunnen zijn.

2.7 Uitbreiding van de definitie illegale visserij

Voor twee overtredingscategorieën wordt in artikel 4, eerste lid, aangesloten bij het begrip illegale visserij. Wanneer overtredingen van wettelijke voorschriften geen ernstige inbreuken op het GVB vormen en ook nooit als zodanig kunnen kwalificeren, valt de overtreding in overtredingscategorie a of c, afhankelijk van de vraag of er sprake is van illegale visserij. Het gaat om vissen dat direct in strijd is met de doelstellingen van de visserijregelgeving: het beschermen van de visbestanden, de natuurbelangen en het eigendomsrecht. De begripsbepaling is uitgebreid omdat bij de invoering van het besluit het voorhanden hebben van verboden soorten, ondermaatse vis en het in strijd met de voorschriften (niet) terugzetten van vis, abusievelijk niet is aangemerkt als illegale visserij.

Verbodsbepalingen die zien op het voorhanden hebben of het aan boord houden van verboden vissoorten of ondermaatse vis en terugzetverplichtingen zijn maatregelen die worden ingevoerd voor de instandhouding van visbestanden. De verbodsbepalingen worden opgenomen als maatregel ter bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen, soorten die wegens lage visbestanden worden beschermd of als onderdeel van een meerjarenplan. Het gaat veelal om specifieke beheermaatregelen voor bepaalde visbestanden. Het overtreden van die maatregelen is direct in strijd met de doelstellingen van de visserijregelgeving en is daarom aangemerkt als illegale visserij.

Het voorhanden hebben van verboden soorten wordt alleen aangemerkt als illegale visserij voor zover het gaat om soorten waarop het (in een bepaalde periode) verboden is te vissen. Dit ter onderscheiding van bepalingen die verbieden om meer dan een bepaalde hoeveelheid van een soort vis voorhanden te hebben, zonder dat het verboden is om op die soort te vissen. Een voorbeeld van een dergelijke bepaling is artikel 85, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij. Overtredingen van die bepalingen kwalificeren niet als illegale visserij omdat het niet verboden is om op die soort te vissen. In het kader van de aanlandingsverplichting kan het immers juist verplicht zijn om de vis mee te nemen en aan te landen.

2.8 Voorbeeldtabel boetebedragen

Hieronder is ten behoeve van de overzichtelijkheid in één tabel het gewijzigde stelsel van bestuurlijke boetes onder de wet samengevat. De hoogte van het boetebedrag ingeval de verlaging als beschreven in paragraaf 2.4 van toepassing is, is opgenomen tussen haakjes.

 

natuurlijk persoon niet in uitoefening van beroep of bedrijf

eigenaar of kapitein van vissersvaartuig met een lengte van minder dan 12 meter, de houder van een schriftelijke toestemming voor de binnenvisserij of de rechthebbende op het visrecht in de binnenvisserij

eigenaar of kapitein van vissersvaartuig met een lengte van 12–59 meter en max. 1.200 BT of eigenaar van onderneming met minder dan 50 mensen in dienst of kapitein van een vissersvaartuig met een lengte van meer dan 59 meter

eigenaar van vissersvaartuig met een lengte langer dan 59 meter of meer dan 1.200 BT en eigenaar van onderneming met meer dan 50 mensen in dienst

overtreding niet zijnde illegale visserij die tevens overtreding is van een wettelijk voorschrift dat niet kan kwalificeren als een ernstige inbreuk

€ 150

(€ 30)

boetebedrag 1

€ 350

(€ 70)

boetebedrag 2

€ 450

(€ 90)

boetebedrag 3

€ 750

(€ 150)

boetebedrag 4

overtreding die kan kwalificeren als een ernstige inbreuk maar in concrete geval niet als zodanig wordt gekwalificeerd

€ 350

(€ 70)

boetebedrag 2

€ 450

(€ 90)

boetebedrag 3

€ 1.500

(€ 300)

boetebedrag 5

€ 3.000

(€ 600)

boetebedrag 6

overtreding zijnde illegale visserij, maar niet zijnde overtredingen van wettelijk voorschriften die kunnen kwalificeren als een ernstige inbreuk

€ 450

(€ 90)

boetebedrag 3

€ 1.500

(€ 300)

boetebedrag 5

€ 3.000

(€ 600)

boetebedrag 6

€ 4.500

(€ 900) boetebedrag 7

overtreding zijnde een ernstige inbreuk met 3 punten

n.v.t.

€ 4.500

(€ 900)

boetebedrag 7

€ 6.000

(€ 1.200)

boetebedrag 8

€ 7.000

(€ 1.400)

boetebedrag 9

overtreding zijnde een ernstige inbreuk met 0 of 4–5 punten

€ 750

(€ 150)

boetebedrag 4

€ 6.000

(€ 1.200)

boetebedrag 8

€ 7.000

(€ 1.400)

boetebedrag 9

€ 8.500

(€ 1.700)

boetebedrag 10

overtreding zijnde een ernstige inbreuk met 6–7 punten

n.v.t.

€ 7.000

(€ 1.400)

boetebedrag 9

€ 8.500

(€ 1.700)

boetebedrag 10

€ 10.000

(€ 2.000)

boetebedrag 11, of, indien dat meer is, 10% (2%) van de jaaromzet, onverminderd artikel 54c, derde lid, van de wet

3. Wetsvoorstel tot wijziging van de Visserijwet 1963

Bij de Tweede Kamer is op 20 februari 2026 het wetsvoorstel tot wijziging van de Visserijwet 1963 in verband met de implementatie van Verordening (EU) 2023/2842 over visserijcontrole met betrekking tot de maximaal op te leggen bestuurlijke boete aanhangig gemaakt.6 Het wetsvoorstel voorziet in een aanpassing van de maximale hoogte van een bestuurlijke boete bij een overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens die wet. De herziene controleverordening is een van de aanleidingen voor het wijzigingsvoorstel. Het wetsvoorstel verduidelijkt wat de maximaal op te leggen bestuurlijke boete is.

Dit besluit is niet afhankelijk van het aanhangig gemaakte wetsvoorstel en dit besluit kan ook in werking treden als het wetsvoorstel nog niet is verheven tot wet.

4. Regeldruk

Dit besluit leidt niet tot een wijziging van de regeldruk. Er volgen geen nieuwe of gewijzigde verplichtingen uit dit besluit. Ook brengt dit besluit geen relevante (aanvullende) nalevingskosten met zich mee. Een ontwerp van het onderhavige besluit is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Daaruit heeft het ATR geconcludeerd dat de regeldruk voldoende in kaart is gebracht. ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen significante gevolgen voorziet voor de regeldruk.

5. Uitvoering

Het besluit is voorgelegd aan de NVWA voor een uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets. De toets is op 17 september 2025 opgeleverd en concludeert dat het ontwerpbesluit handhaafbaar en uitvoerbaar is. Daarbij is als voorwaarde gesteld dat het ministerie van LVVN de open normen in artikel 5, tweede en derde lid (nieuw), en de aanvulling van artikel 6, eerste lid (nieuw), invult. In die artikelen wordt voor specifieke gevallen bepaald dat de bestuurlijke boete hoger is dan de boete uit het gefixeerde boetestelsel. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt in die gevallen berekend op basis van de waarde van de visserij- of aquacultuurproducten die zijn verkregen met het plegen van een ernstige inbreuk of behaald economisch voordeel, op een wijze die nader wordt vastgelegd in een beleidsregel.

Op basis van de interventies in de jaren 2016 en 2017 werd bij volledige invoering van het stelsel van bestuurlijke boetes in de visserij verwacht dat jaarlijks 800 overtredingen zouden worden geconstateerd waarvoor het opportuun is een bestuurlijke boete op te leggen. Uitgaande van de ervaringen bij onder meer de Wet dieren, was de verwachting dat de eerste jaren een groot deel (circa 45 procent) van de opgelegde bestuurlijke boetes zou leiden tot een bezwaarprocedure en daarvan weer de helft tot een beroepsprocedure en daarvan 20 procent tot een hoger beroep. Naar verwachting zou dit de eerste jaren na invoering aanhouden. Recente analyses en ervaringen bij de NVWA hebben geleid tot een neerwaartse bijstelling van het verwachte aantal rapporten en op de werklast per rapport. Op basis van de interventiegegevens over de jaren 2018–2023 wordt nu rekening gehouden met 200 tot 300 rapporten per jaar. Hoewel het aantal rapporten lager is, tonen recente praktijkcijfers van de Wet dieren aan dat de behandeling per zaak naar verwachting aanzienlijk intensiever is dan gedacht.

Gelet hierop lijkt het realistisch om het te verwachten aantal bestuurlijke boetes naar beneden bij te stellen ten opzichte van de uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets van de NVWA uit 2020, die voor de introductie van het bestuurlijke boetestelsel in de Visserijwet 1963 is uitgevoerd.7 Daarnaast dragen drie aanvullende factoren bij aan de verlaging van het aantal verwachte rapporten:

  • • Krimp van de vissersvloot: Door saneringen in de afgelopen jaren is de vloot in omvang afgenomen, wat logischerwijs tot minder overtredingen leidt.

  • • Verwacht preventief effect: De invoering van een directer ‘lik-op-stuk’-beleid met bestuurlijke boetes zal naar verwachting het naleefgedrag van vissers verbeteren.

  • • Strafrecht blijft bestaan: Niet alle overtredingen vallen onder het nieuwe stelsel; een deel zal altijd via het strafrecht worden afgehandeld of pas in een latere fase onder de bestuurlijke boete vallen.

Om de uitvoeringskosten te beperken wordt er gewerkt met een financieel ingroeimodel. Dit houdt in dat de invoering van de bestuurlijke boete is verspreid over een periode van vijf jaar. In lagere regelgeving zal stapsgewijs worden uitgebreid voor welke overtredingen een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Hierdoor zijn de kosten gemoeid met invoering in de eerste jaren lager; te weten circa € 300.000 in het eerste jaar, € 450.000 in het tweede jaar en € 636.000 in het derde jaar. Daarna wordt op basis van de dan bekende aantallen opgelegde bestuurlijke boetes besloten over de middelen voor de volgende jaren. Hierbij is geen rekening gehouden met een besparing op herstelsancties. Deze zijn naar verwachting van bescheiden omvang en afhankelijk van de in de lagere regelgeving te maken keuzes. De verwachting is dat de totale uitgave aan middelen vergelijkbaar blijft met de inschatting zoals die in 2020 is gemaakt. Indien de inkomsten uit de opgelegde boetes lager uitvallen, dan zal dit tekort opgevangen worden binnen de LVVN-begroting.

6. Internetconsultatie

Het ontwerpbesluit is van 11 november 2025 tot en met 22 december 2025 gepubliceerd geweest op www.internetconsultatie.nl. Daarop zijn geen reacties ontvangen.

7. Notificatie

Notificatie van technische voorschriften als bedoeld in Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241) en Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376) is niet aan de orde omdat geen sprake is van technische voorschriften of een beperking van diensten van de informatiemaatschappij.

8. Inwerkingtreding

De inwerkintreding van dit besluit was wenselijk met ingang van 10 januari 2026, omdat op die datum ook de herziening van de controleverordening ten aanzien van sanctionering van toepassing werd. Aangezien dit besluit niet voor die datum kon worden vastgesteld, treedt het besluit in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in het Staatsblad.

De boeteverhogingen bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid (nieuw), en artikel 6, eerste lid (nieuw), van het besluit gelden alleen voor feiten die na de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn begaan. Omdat de boete wordt verhoogd en voor de overtreder ongunstiger is, wordt de boeteverhoging op grond van artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht niet toegepast voor overtredingen die voor die datum zijn begaan. Daarvoor geldt dus de oude boete of, indien van toepassing, het oude artikel 6, eerste lid, van het besluit.

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdelen A en D, onder 2 (artikel 1 en 4, vierde lid (oud))

Artikel 4, vierde lid, vervalt met dit besluit omdat er geen ruimte meer is om bij ministeriële regeling inbreuken aan te wijzen die onder omstandigheden als ‘ernstig’ kunnen kwalificeren. Voor een nadere toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar paragraaf 2.3 van het algemene deel van deze nota van toelichting. Daarom is ook de verwijzing naar dat lid in de definitiebepaling ‘ernstige inbreuken’ in artikel 1 vervallen.

Voor een nadere toelichting op de wijziging van de definitiebepaling ‘illegale visserij’ wordt verwezen naar paragraaf 2.7 van het algemene deel van deze nota van toelichting. Daarin is de term terugzetten aangehouden omdat dit een bestaande term is in de nationale regelgeving. In Europese verband wordt de term teruggooien aangehouden.8 Beide termen betekenen hetzelfde, namelijk het terugzetten van vangsten in de wateren waarin ze gevangen zijn.

Artikel I, onderdeel B (artikel 2, derde lid (nieuw))

In artikel 2, derde lid (nieuw), van het besluit is een verlaging van de boetebedragen geïntroduceerd voor zover die overtredingen afhankelijk zijn van registratie door de overtreder zelf. Bij ministeriële regeling worden de wettelijke voorschriften aangewezen waarop de boeteverlaging uit dit artikel van toepassing is.

Wanneer het om een overtreding gaat van een wettelijk voorschrift dat is aangewezen bij ministeriële regeling, wordt het gefixeerde boetebedrag uit het eerste lid gedeeld door vijf. Voor deze overtredingen geldt ook dat het bedrag van een bestuurlijke boete die wordt opgelegd nooit hoger kan zijn dan het wettelijk maximum dat is opgenomen in artikel 54c, derde lid, van de wet en dat het derde lid gevolgd wordt voor de wijze van vaststellen van de jaaromzet wanneer boetebedrag 11 van toepassing is. Indien boetebedrag 11 van toepassing is, wordt zowel het maximumbedrag als het percentage van de jaaromzet dat als boete kan worden opgelegd door vijf gedeeld. Zie de tabel in paragraaf 2.4 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Artikel I, onderdeel C (artikel 3)

Artikel 3 bepaalt welke categorieën van overtreders er worden onderscheiden. In de tweede categorie (onderdeel b) zijn twee onderdelen toegevoegd om een passende aansluiting te vinden op de situatie van de vissers op de binnenwateren, waaronder het IJsselmeer.

Onder het toegevoegde tweede onderdeel valt de houder van een schriftelijke toestemming als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet. Dat gaat feitelijk over de IJsselmeervissers en vissers op de overige binnenwateren die een schriftelijke toestemming hebben. Artikel 21 van de wet ziet uitsluitend op de binnenwateren, waardoor de houders van een schriftelijke toestemming in de kustwateren niet onder deze categorie vallen. Zij vallen reeds onder artikel 3, onderdeel b, onder 1°, of onderdeel c, van het besluit.

De rechthebbende op het visrecht is het nieuwe derde onderdeel en is gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de wet als de gerechtigde tot vissen uit welken hoofde ook, behalve de houder van een schriftelijke toestemming, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, of van een schriftelijke toestemming, als bedoeld in artikel 21, tweede lid. Door ‘de rechthebbende op het visrecht in de binnenvisserij’ toe te voegen wordt geborgd dat ook vissers op de binnenwateren die geen schriftelijke toestemming maar een huurovereenkomst op grond van paragraaf 5 van de wet hebben onder deze categorie vallen.

Artikel I, onderdeel D (artikel 4, eerste lid)

De wijziging is voornamelijk gericht op het verduidelijken van onderdeel b. Sommige overtredingen van het GVB kwalificeren slechts onder bepaalde omstandigheden als ernstige inbreuk. Namelijk de activiteiten genoemd in artikel 90, derde lid, van de herziene controleverordening voor zover er aan één van de in bijlage IV van voornoemde verordening vastgestelde criteria is voldaan. Voldoet een overtreding daar niet aan, dan is het geen ernstige inbreuk maar wel een inbreuk op het GVB. Het voorschrift kán dus kwalificeren als ernstige inbreuk, maar omdat de feiten in de betreffende concrete casus niet voldoen aan één van de criteria in bijlage IV bij de controleverordening, is het in het concrete geval geen ernstige inbreuk. De overtreding valt in dat geval onder onderdeel b.

Artikel I, onderdeel E (artikel 5, tweede en derde lid)

Het nieuwe tweede lid van artikel 5 van het besluit geeft de minister de mogelijkheid een hogere boete op te leggen indien de waarde van de visserij- of aquacultuurproducten die verkregen zijn als gevolg van het plegen van een ernstige inbreuk de hoogte van de bestuurlijke boete overschrijdt. De herziene controleverordening verplicht dat de administratieve financiële sanctie bij ernstige inbreuken minimaal bestaat uit de waarde van de visserij- of aquacultuurproducten die met de ernstige inbreuk verkregen zijn. Het nieuwe tweede lid is alleen van toepassing bij ernstige inbreuken op het GVB en kan dus niet zien op illegale visserij in de binnenwateren.

In het nieuwe derde lid van artikel 5 is aangesloten bij de mogelijkheid die het oude artikel 6, eerste lid, reeds bood. Daarin is bepaald dat de minister de bevoegdheid heeft om in bepaalde gevallen een hogere boete op te leggen dan het boetebedrag dat volgt uit artikel 5, eerste lid. Een hoger boetebedrag is mogelijk in het geval het economisch voordeel het boetebedrag overschrijdt. De toevoeging ‘aanmerkelijk’ is vervallen omdat artikel 89bis, tweede lid, van de herziene controleverordening verplicht dat lidstaten erop toezien dat het economisch voordeel dat aan de inbreuk op het GVB te danken is, afgenomen wordt. Ook los van die verplichting is het echter wenselijk dat er een dergelijke mogelijkheid is voor overtredingen waarbij een economisch voordeel wordt behaald, ook als dat geen inbreuk op het GVB is. Met de nieuwe formulering wordt geborgd dat de bestuurlijke boete die wordt opgelegd, daadwerkelijk het behaalde voordeel teniet doet.

Voor beide leden geldt dat een boete van ten hoogste categorie 11 (artikel 2, eerste lid, onderdeel k) kan worden opgelegd.

Artikel I, onderdeel F (artikel 6)

Aan het eerste lid van artikel 6 (nieuw) wordt een zin toegevoegd om te voldoen aan een nieuwe eis uit de herziene controleverordening. Wanneer er bij een ernstige inbreuk sprake is van recidive, verplicht de herziene controleverordening dat de administratieve financiële sanctie minimaal tweemaal de waarde van de visserij- of aquacultuurproducten die verkregen zijn als gevolg van het plegen van de ernstige inbreuk bedraagt (artikel 91bis, tweede lid, van de herziene controleverordening). Indien de overtreding een ernstige inbreuk betreft en het om recidive gaat, wordt het boetebedrag op basis van dat principe bepaald. Voor alle overtredingen die geen ernstige inbreuken vormen blijft de ‘oude’ recidiveregel uit artikel 6, eerste lid, gelden. Het boetebedrag wordt verdubbeld als een overtreder binnen drie jaar nadat voor een overtreding een bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, opnieuw eenzelfde (soort) overtreding begaat.

Naar aanleiding van de verplaatsing van het oude eerste lid van artikel 6 naar artikel 5, zijn ook de verwijzingen naar het oude eerste lid in het nieuwe eerste, tweede en derde lid van artikel 6 van het besluit aangepast.

Aan het tweede lid van artikel 6 (nieuw) is een zin toegevoegd waardoor de bepaling buiten toepassing blijft wanneer er sprake is van recidive en een bestuurlijke boete verhoogd wordt op grond van artikel 5, tweede of derde lid. Het gaat dan om overtredingen waarbij de verkregen waarde van de visserij- of aquacultuurproducten of het behaalde economisch voordeel de hoogte van de bestuurlijke boete overschrijdt. Om aan de Europese bepalingen te kunnen voldoen die ten grondslag liggen aan artikel 5, tweede en derde lid (nieuw), is mogelijk meer ruimte nodig om hogere boetes op te leggen dan het ingestelde plafond in artikel 6, tweede lid.

Artikel I, onderdeel G (bijlage)

Voor een toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar paragraaf 2.6 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,


X Noot
1

Verordening (EU) 2023/2842 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1005/2008 van de Raad en Verordeningen (EU) 2016/1139, (EU) 2017/2403 en (EU) 2019/473 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft visserijcontrole.

X Noot
2

Een transponeringstabel wordt opgenomen bij de wijziging van de Uitvoeringsregeling zeevisserij. In de Uitvoeringsregeling zeevisserij wordt uitvoering gegeven aan de overige bepalingen van de wijzigingsverordening.

X Noot
3

Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PbEU 2008, L 286).

X Noot
4

Artikel 4, onderdeel 31, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PbEU 2013, L 354).

X Noot
5

Regeling van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 23 december 2025, nr. WJZ/102888623, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling zeevisserij en de Uitvoeringsregeling visserij in verband met de vaststelling van diverse vangstrechten voor 2026, 2027 en 2028 en de Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963 in verband met de herziening van de controleverordening visserij (Stcrt. 2025, 45335).

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/26, 36 899, nr. 2.

X Noot
7

Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 35 998, nr. 3.

X Noot
8

Artikel 4, eerste lid, onderdeel 10, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad.

Naar boven