Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 45335 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur | Staatscourant 2025, 45335 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Gelet op:
– Verordening (EU) 2026/PM van de Raad van PM tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden van toepassing in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee voor 2026;
– Verordening (EU) 2026/PM van de Raad van PM tot vaststelling voor 2026, 2027 en 2028 van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn;
– Verordening (EU) 2025/2454 van de Raad van 1 december 2025 tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee voor 2026 en tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202 wat betreft bepaalde vangstmogelijkheden in andere wateren;
– artikel 90, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PbEU 2009, L 343); en
– de artikelen 3 en 4 van het Reglement zee- en kustvisserij 1977, artikel 4, vierde lid, van het Besluit bestuurlijke boete Visserijwet 1963 en de artikelen 17 en 18 van de Landbouwwet;
Besluit:
De Uitvoeringsregeling zeevisserij wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt in de omschrijving van de begrippen ‘Europees quotum’ en ‘Nederlands quotum’ ‘bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2024, voor zover van toepassing voor 2025’ vervangen door ‘bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026’.
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. De omschrijving van het begrip ‘verordening vangstmogelijkheden’ komt te luiden:
Verordening (EU) 2026/PM van de Raad van PM tot vaststelling voor 2026, 2027 en 2028 van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn;.
b. Het begrip ‘verordening vangstmogelijkheden 2024’ en de bijbehorende omschrijving wordt vervangen door een begrip met bijbehorende omschrijving, luidende:
Verordening (EU) 2025/202 van de Raad van 30 januari 2025 tot vaststelling, voor 2025 en 2026, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2024/257 wat betreft vangstmogelijkheden voor 2025;.
c. De omschrijving van het begrip ‘verordening vangstmogelijkheden Oostzee’ komt te luiden:
Verordening (EU) 2025/2454 van de Raad van 1 december 2025 tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee voor 2026 en tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202 wat betreft bepaalde vangstmogelijkheden in andere wateren;.
d. De omschrijving van het begrip ‘verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee’ komt te luiden:
Verordening (EU) 2026/PM van de Raad van PM tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden van toepassing in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee voor 2026.
B
In de artikelen 8, zesde lid, 11, onderdeel e, 12, eerste lid, aanhef, en tweede lid, en 79, eerste lid, wordt ‘bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2024, voor zover van toepassing voor 2025’ vervangen door ‘bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026’.
C
Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2024, voor zover van toepassing voor 2025’ vervangen door ‘in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026’.
2. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel a wordt ‘artikel 14 van de verordening vangstmogelijkheden’ vervangen door ‘artikel 15 van de verordening vangstmogelijkheden’.
b. In de onderdelen c en d wordt ‘in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2024, voor zover van toepassing voor 2025’ vervangen door ‘in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026’.
D
Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In het eerste lid wordt ‘artikelen 7, eerste lid, 10, eerste lid, 13, derde lid, 12, eerste lid, 15, 16, tweede lid, 17, eerste tot en met derde en vijfde lid, 18, derde en vierde lid, 19, eerste lid, 20, 21, eerste en tweede lid, 25, 26, eerste tot en met vierde, zevende en achtste lid’ vervangen door ‘artikelen 10, eerste lid, 14, derde lid, 16, 17, tweede lid, 22, eerste lid, 23, eerste en tweede lid’.
b. Na ‘de verordening vangstmogelijkheden’ wordt ingevoegd ‘en de artikelen 19a, eerste lid, en 25 van de verordening vangstmogelijkheden 2025’.
c. Na ‘17, tweede lid,’ wordt ingevoegd ‘19, eerste tot en met derde en vijfde lid, 20, eerste en tweede lid,’.
d. ‘de artikelen 19a, eerste lid, en 25 van de verordening vangstmogelijkheden 2025’ wordt vervangen door ‘artikel 19a, eerste lid, van de verordening vangstmogelijkheden 2025’.
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt ‘artikel 13, derde lid, van de verordening vangstmogelijkheden’ vervangen door ‘artikel 13, derde lid, van de verordening vangstmogelijkheden 2025’.
b. In de aanhef wordt ‘artikel 13, derde lid, van de verordening vangstmogelijkheden 2025’ vervangen door ‘artikel 14, derde lid, van de verordening vangstmogelijkheden’.
3. In het derde lid wordt ‘artikelen 16, eerste lid, 23, eerste lid, 27’ vervangen door ‘artikelen 17, eerste lid’ en wordt ‘34, eerste en tweede lid, 36, eerste lid, 42, eerste lid, 43, vierde lid, 44, 45, 47’ vervangen door ‘36, eerste lid, 43, vierde lid, 45, 47, onderdelen b tot en met e’.
E
In artikel 15, eerste lid, wordt ‘artikel 4, onderdeel v, van de verordening vangstmogelijkheden’ vervangen door ‘artikel 4, onderdeel u, van de verordening vangstmogelijkheden’.
F
In artikel 16 wordt ‘artikel 7, eerste, derde en vijfde lid, artikel 8, eerste lid en artikel 11, eerste en tweede lid’ vervangen door ‘artikelen 7, eerste, derde en vijfde lid, 8, eerste lid, 9, eerste lid, en artikel 12, eerste en tweede lid’.
G
Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘artikelen 4, tweede en vierde lid, 22 en 23 van de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee’ vervangen door ‘artikelen 4, tweede en vierde lid, en 23 van de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee’.
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Het is verboden visserijactiviteiten uit te oefenen in strijd met de artikelen 18, tweede lid, en 19, vierde lid, van de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee.
H
Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:
1. ‘verordening vangstmogelijkheden’ wordt vervangen door ‘verordening vangstmogelijkheden 2025’.
2. ‘verordening vangstmogelijkheden 2025’ wordt vervangen door ‘verordening vangstmogelijkheden’.
I
Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid wordt ‘in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2024, voor zover van toepassing voor 2025’ vervangen door ‘in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026’.
2. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt ‘artikel 14 van de verordening vangstmogelijkheden’ vervangen door ‘artikel 15 van de verordening vangstmogelijkheden’.
J
Artikel 46c wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. In afwijking van het eerste lid wordt voor een aanlandcontingent voor horsmakreel gevangen in wateren van het Verenigd Koninkrijk en wateren van de Unie van de ICES-sectoren 4b, 4c en 7d, slechts het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, betaald, met dien verstande dat het verschuldigde bedrag voor een aanlandcontingent ten hoogste negentig procent van de gemiddelde prijs in het kwartaal van aanlanding in het voorgaande jaar, zoals vermeld op de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde website, van de hoeveelheid kilogrammen levend gewicht die is vermeld in de aangifte van de aanlanding, bedoeld in artikel 23 van de controleverordening, bedraagt. Dit lid is van toepassing tot het moment dat veertig procent van de aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden van het betreffende visbestand is opgevist.
2. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde lid tot derde lid.
K
In artikel 59 wordt ‘de artikelen 4 tot en met 9 van verordening nr. 2056/2001’ vervangen door ‘de artikelen 4 tot en met 8 van verordening nr. 2056/2001’.
L
In artikel 131, eerste lid, vervalt ‘38 ter, 38 quater, eerste en derde lid, 38 septies, tweede lid, en 38 nonies, eerste, tweede en vierde lid,’.
M
In artikel 140k wordt ‘5’ vervangen door ‘5, eerste tot en met vierde lid’.
N
Artikel 140p wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 10, vijfde lid, 11, vierde lid, 12, eerste lid, 13, tweede lid, 14, zevende lid, van de verordening vangstmogelijkheden, de artikelen 4, zesde lid, 6, vierde en vijfde lid, en 19, tweede en vijfde lid, van de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee, en de artikelen 10 en 11, eerste lid, van de verordening vangstmogelijkheden Oostzee.
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. Onder verlettering van de onderdelen d en e tot e en f wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
d. meer dan het in artikel 12, eerste lid, van de verordening vangstmogelijkheden bedoelde aantal witte koolvis voorhanden te hebben, gevangen in of vanaf de kust van een van de ICES-sectoren, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening vangstmogelijkheden;.
b. In onderdeel d wordt ‘artikel 12, tweede lid, onderdeel a, van de verordening vangstmogelijkheden’ vervangen door ‘artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de verordening vangstmogelijkheden’ en wordt ‘artikel 12, tweede lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden’ vervangen door ‘artikel 13, tweede lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden’.
c. In onderdeel e wordt ‘artikel 12, tweede lid, onderdeel b, van de verordening vangstmogelijkheden’ vervangen door ‘artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van de verordening vangstmogelijkheden’ en wordt ‘artikel 12, tweede lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden’ vervangen door ‘artikel 13, tweede lid, aanhef, van de verordening vangstmogelijkheden’.
3. In het derde lid wordt ‘overeenkomstig artikel 12, tweede lid, van de verordening vangstmogelijkheden gevangen witte koolvis’ vervangen door ‘overeenkomstig de artikelen 12, eerste lid, of 13, tweede lid, van de verordening vangstmogelijkheden gevangen witte koolvis’.
O
De bijlagen 8 respectievelijk 9 worden vervangen door de bij deze regeling gevoegde bijlagen A respectievelijk B.
P
In de aanhef en tabel in bijlage 11 wordt ‘2025’ steeds vervangen door ‘2026’.
Artikel 42 van de Uitvoeringsregeling visserij wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ’in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2024, voor zover van toepassing voor 2025, of deel 2 van de bijlage van verordening nr. 1367/2014, met uitzondering van schar en bot’ vervangen door ‘in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden 2025, voor zover van toepassing voor 2026’.
2. Het vijfde lid vervalt.
De Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1 vervallen de begripsbepalingen van ‘kerngegevens’ en ‘verordening nr. 1005/2008’.
B
De artikelen 4, 5 en 6 vervallen.
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel I, onderdelen D, onder 1, onder c en d, en onder 2, onder b, en H, onder 2, en artikel III.
2. Artikel III treedt in werking met ingang van 10 januari 2026.
3. Artikel I, onderdeel H, onder 2, treedt in werking met ingang van 1 februari 2026.
4. Artikel I, onderdeel D, onder 2, onder b, treedt in werking met ingang van 1 april 2026.
5. Artikel I, onderdeel D, onder 1, onder c, treedt in werking met ingang van 1 juni 2026.
6. Artikel I, onderdeel D, onder 1, onder d, treedt in werking met ingang van 1 juli 2026.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 23 december 2025
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie
De vissoorten, bedoeld in artikel 21, eerste lid, de vangstgebieden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, en de percentages, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij, voor het kalenderjaar 2026.
|
Vissoort |
Gebied |
Percentage |
|---|---|---|
|
Blauwe wijting |
Wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie en internationale wateren van deelsectoren 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8a, 8b, 8d, 8e, 12 en 14 |
58,88114% |
|
Grote Zilversmelt |
ICES-deelgebieden 6 en 7, wateren van het Verenigd Koninkrijk en internationale wateren van ICES-deelgebied 5 |
97,10264% |
|
Haring |
Wateren van het Verenigd Koninkrijk, van de Faeröer, van Noorwegen en de internationale wateren van de ICES gebieden 1 en 2 |
133,04207% |
|
Wateren van de Unie, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen van ICES-deelgebied 4 ten noorden van 53° 30' NB |
77,84435% |
|
|
ICES-sectoren 4c en 7d |
70,73733% |
|
|
ICES-sectoren 6b en 6a-Noord, wateren van het Verenigd Koninkrijk en internationale wateren van ICES-sector 5b |
186,76343% |
|
|
ICES-sectoren 6a-Zuid, 7b en 7c |
258,71468% |
|
|
ICES-sectoren 7a ten zuiden van 52° 30’NB, 7g, 7h, 7j en 7k |
100,00000% |
|
|
Horsmakreel |
Wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sectoren 2a en 4a; ICES-deelgebied 6, ICES-sectoren 7a-c, 7e-k, 8a-b 8d-e; wateren van het Verenigd Koninkrijk en internationale wateren van ICES-sector 5b; internationale wateren van de ICES-deelgebieden 12 en 14 |
98,21772% |
|
Wateren van het Verenigd Koninkrijk en wateren van de Unie van de ICES-sectoren 4b, 4c en 7d |
0,00000% |
|
|
Kabeljauw |
ICES-deelgebied 4; wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sector 2a; het gedeelte van ICES-sector 3a dat niet tot het Skagerrak en het Kattegat behoort |
54,93067% |
|
Makreel1 |
ICES-deelgebieden 6 en 7, ICES-sectoren 8a, 8b, 8d en 8e; wateren van het Verenigd Koninkrijk en internationale wateren van ICES-sector 5b; internationale wateren van ICES-sector 2a en de ICES-deelgebieden 12 en 14 |
30,47193% |
|
Schol |
ICES-deelgebied 4; wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sector 2a; het gedeelte van ICES-sector 3a dat niet tot het Skagerrak en het Kattegat behoort |
101,67025% |
|
Tong |
Wateren van het Verenigd Koninkrijk en wateren van de Unie van ICES-deelgebied 4; wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sector 2a |
121,55282% |
|
Wijting |
ICES-deelgebied 4; wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sector 2a |
123,86885% |
De hoeveelheden, bedoeld in artikel 24 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij, voor het kalenderjaar 2026
|
Artikel |
Vissoort |
Gebiedsomschrijving |
Hoeveelheid (per vaartuig) |
|---|---|---|---|
|
Artikel 24, eerste lid, onderdeel a |
Kabeljauw |
ICES-deelgebied 4; wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sector 2a; het gedeelte van ICES-sector 3a dat niet tot het Skagerrak en het Kattegat behoort |
34 kilogram per maand |
|
Wijting |
ICES-deelgebied 4; wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sector 2a |
270 kilogram per maand |
|
|
Makreel1 |
ICES-sector 3a; wateren van het Verenigd Koninkrijk en wateren van de Unie van ICES-sector 2a, 3b, 3c; ICES-sector 3d en ICES-deelgebied 4; Noorse wateren van ICES-sectoren 2a en 4a |
48 kilogram per maand |
|
|
Artikel 24, eerste lid, onderdeel c |
Kabeljauw |
ICES-deelgebied 4; wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sector 2a; het gedeelte van ICES-sector 3a dat niet tot het Skagerrak en het Kattegat behoort |
100 kilogram per jaar |
|
Wijting |
ICES-deelgebied 4; wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sector 2a |
376 kilogram per jaar |
|
|
Makreel1 |
ICES-sector 3a; wateren van het Verenigd Koninkrijk en wateren van de Unie van ICES-sector 2a, 3b, 3c; ICES-sector 3d en ICES-deelgebied 4; Noorse wateren van ICES-sectoren 2a en 4a |
10 kilogram per jaar |
|
|
Artikel 24, eerste lid, onderdeel d |
Horsmakreel |
Wateren van het Verenigd Koninkrijk en wateren van de Unie van de ICES-sectoren 4b, 4c en 7d |
0 kilogram per jaar |
In de Uitvoeringsregeling zeevisserij (hierna: Uitvoeringsregeling) staan voorschriften die nodig zijn voor de uitvoering van de Europese verordeningen op in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (hierna: GVB). Het gaat onder meer om de verordeningen met vangstmogelijkheden, alsmede de verordeningen waarin specifieke beheersmaatregelen voor bepaalde visbestanden voor meerdere jaren zijn vastgelegd, de meerjarenplannen. In de verordeningen met vangstmogelijkheden zijn onder meer de maximaal toegestane vangstmogelijkheden in de wateren van de Europese Unie voor vissersvaartuigen van de Europese Unie opgenomen, alsmede een aantal aanvullende voorschriften.
Door middel van deze wijzigingsregeling is een aantal aanpassingen in de Uitvoeringsregeling en de Uitvoeringsregeling visserij doorgevoerd die nodig zijn voor de uitvoering van een drietal verordeningen tot vaststelling, voor 2026, 2027 en 2028, van de vangstmogelijkheden. Dit betreft de verordening vangstmogelijkheden1, de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee2 en de verordening vangstmogelijkheden Oostzee.3 De meeste vangstmogelijkheden betreffen het jaar 2026.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om ook uitvoering te gegeven aan een deel van de herziening van de controleverordening4 door het laten vervallen van enkele artikelen uit de Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963.
De vangstmogelijkheden die zijn opgenomen in de verordening vangstmogelijkheden zijn onderverdeeld in vangstbeperkingen en inspanningsbeperkingen. Vangstbeperkingen zijn maatregelen waarin is vastgelegd hoeveel vis er totaal uit bepaalde gebieden mag worden gevangen, de zogenoemde TAC (Total Allowable Catch, ook wel totale toegestane vangst), onder welke voorwaarden dit is toegestaan en hoe die hoeveelheden zijn verdeeld over de lidstaten, de zogenoemde quota. In een aantal gevallen is een deel van de TAC niet aan individuele lidstaten toegekend en kunnen deze hoeveelheden worden opgevist door alle vissers uit de Europese Unie. Inspanningsbeperkingen betreffen de beperking van de omvang van uitvarende vissersvloot en het aantal dagen dat er gevist kan worden. De vangstmogelijkheden in de wateren van de Europese Unie en voor vaartuigen van de Europese Unie in andere wateren, worden tezamen met de daaraan gerelateerde aanvullende voorschriften jaarlijks door de Raad van de Europese Unie vastgesteld.
Een belangrijke verandering voor 2026 is onder andere de vaststelling van een voorlopige TAC voor makreel. Doordat er nog geen overeenkomst is over deze TAC en om te voorkomen dat vissers niet konden vissen per 1 januari 2026, zijn in de verordening vangstmogelijkheden voorlopige vangstmogelijkheden vastgesteld voor dit bestand. Deze bedragen 90% van het wetenschappelijk advies voor makreel voor de eerste zes maanden van 2026. Na vaststelling van de definitieve TAC zullen de bijlagen bij de Uitvoeringsregeling hierop worden aangepast.
Voor zeebaars is er een belangrijke verruiming van de vangstmogelijkheden. Zo is de baglimit voor de recreatieve visserij toegenomen van 2 naar 3 en zijn de vangstmogelijkheden ook verruimd voor de commerciële vloot.
Voor kabeljauw is voor de TAC in de Noordzee een voetnoot overeengekomen waarbij een maximale vangsthoeveelheid is vastgesteld voor ICES-gebieden 4b en 4c.
Voor Noordzee horsmakreel is in de verordening vangstmogelijkheden opnieuw een TAC vastgesteld die alleen bestemd is voor bijvangst. Dat betekent dat het percentage in bijlage 8 voor dit visbestand voor 2026 opnieuw op nul is gezet en er contingenten met een nul-hoeveelheid worden toegekend. Het beschikken over een contingent maakt immers gerichte visserij mogelijk en dat past niet bij een quotum voor bijvangst. Hetzelfde geldt voor de vangsthoeveelheden in bijlage 9. Aanlanding van Noordzee horsmakreel kan plaatsvinden door middel van het aanlandcontingent. Hiermee kunnen vissers zonder contingent (onbedoelde) vangsten van gequoteerde soorten aanlanden en hoeven zij die niet, in strijd met de aanlandplicht, overboord te gooien. Aan het aanlandcontingent zijn kosten verbonden die zien op leges en een percentage van de gemiddelde verkoopprijs in het desbetreffende kwartaal van het voorgaande jaar, vermenigvuldigd met de totale hoeveelheid die is vermeld in de aangifte van aanlanding. Hierbij mag het totaalbedrag niet meer dan negentig procent van die prijs bedragen.
In 2025 is voor aanlandcontingenten voor Noordzee horsmakreel een uitzondering gemaakt ten aanzien van de kosten die normaal gelden omdat het quotum voor de Noordzee horsmakreel op nul was gesteld zonder overgangsperiode. Voor de aanlandcontingenten voor dit bestand zijn de kosten lager. In 2026 bestaat deze situatie rond de vangst van dit bestand reeds een jaar, zodat deze situatie niet meer geheel nieuw is en een uitzondering minder voor de hand ligt. De uitzondering voor de kosten wordt daarom stapsgewijs afgebouwd. In 2026 zijn de kosten voor het aanlandcontingent voor Noordzee horsmakreel nog niet direct gelijk aan de kosten van aanlandcontingenten voor andere bestanden. Dit betekent concreet dat voor de eerste veertig procent van de TAC voor bijvangst de kosten alleen bestaan uit leges. Vanaf veertig procent zijn dezelfde kosten verschuldigd als voor andere aanlandcontingenten, namelijk leges en tachtig procent van de gemiddelde prijs van de vissoort, zoals vermeld op de website van de RVO. Voor het totaal verschuldigde bedrag geldt een maximum van 90 procent van de gemiddelde prijs zodat deze gelijkgetrokken wordt met andere aanlandcontingenten.
Op 10 januari 2026 treedt een groot deel van de herziening van de controleverordening in werking. Een onderdeel hiervan is dat in de controleverordening uitputtend is geregeld wanneer inbreuken op het GVB kwalificeren als ernstige inbreuk. Voor de herziening van de controleverordening konden lidstaten op grond van de controleverordening en de verordening over illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij5 zelf criteria hanteren bij de beoordeling of een overtreding van de regels van het GVB een ernstige inbreuk was. Hier was uitvoering aan gegeven in onder meer de Regeling bestuurlijke boete Visserijwet 1963. Aangezien de controleverordening nu uitputtend regelt wanneer inbreuken kwalificeren als ernstige inbreuken zijn enkele artikelen uit deze regeling waarin is bepaald welke inbreuken ernstig zijn geschrapt.
Deze wijziging van bovengenoemde regelingen leidt niet tot een wijziging van de regeldruk. Er volgen geen nieuwe of gewijzigde informatieverplichtingen uit deze regeling. Ook brengt deze wijzigingsregeling geen relevante nalevingskosten met zich mee.
Deze regeling is eind december 2025 gepubliceerd en treedt grotendeels in werking op 1 januari 2026. Hiermee wordt afgeweken van de uitgangspunten van het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten. Een van die uitgangspunten is immers dat regelgeving minimaal twee maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding daarvan wordt gepubliceerd. Deze afwijking van het kabinetsbeleid is te rechtvaardigen, nu deze wijzigingsregeling strekt tot uitvoering van bindende EU-regelgeving. Daarbij speelt mee dat over deze EU-regelgeving deels ook pas in december 2025 een akkoord is bereikt.
Voor artikel I, onderdelen D en H, en artikel III gelden afwijkende inwerkingtredingsdata. Hiervoor wordt verwezen naar het artikelsgewijze deel van deze toelichting.
In onderdeel A zijn de verwijzingen naar de verordening vangstmogelijkheden, de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee en de verordening vangstmogelijkheden Oostzee in artikel 1 aangepast naar de verordeningen voor 2026. Nu nog niet alle nieuwe verordeningen in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn gepubliceerd, bevatten de beschrijvingen van die verordeningen nog geen nummering.
Enkele bepalingen uit de verordening vangstmogelijkheden voor 20256 gelden ook in 2026. Om deze reden blijft het nodig om in de Uitvoeringsregeling een onderscheid te maken tussen de verordening vangstmogelijkheden voor 2025 en 2026. Hierin voorzien onder meer de onderdelen A, B en C. De overige wijzigingen in onderdeel C zijn het gevolg van vernummering van verwijzingen naar de nieuwe verordeningen. Inhoudelijk is er niets gewijzigd.
De wijzigingen in artikel 13 van de Uitvoeringsregeling zijn grotendeels het gevolg van vernummering in de nieuwe verordening vangstmogelijkheden. Artikel 14 van de verordening vangstmogelijkheden ziet op de gesloten periode voor aalvisserij. De regels hierover zijn inhoudelijk hetzelfde als in 2025.
In artikel 13, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling wordt verwezen naar de sluitingsperiode voor aal. De sluitingsperiode uit de verordening vangstmogelijkheden voor 2026 treedt pas op 1 april 2026 in werking. Daarom is in dit onderdeel in combinatie met artikel IV, vierde lid, van deze regeling opgenomen dat tot 1 april 2026 wordt verwezen naar de verordening vangstmogelijkheden voor 2025 en vanaf 1 april 2026 naar de verordening vangstmogelijkheden voor 2026.
In de nieuwe verordening vangstmogelijkheden zijn technische maatregelen voor zeebrasem in de ICES-deelgebieden 6, 7 en 8 en herstelmaatregelen voor kabeljauw in het Kattegat geschrapt (artikelen 18 en 19 van de verordening vangstmogelijkheden 2025). Daarnaast geldt er geen sluiting meer ter bescherming van paaiende tong in de ICES-deelsectoren 20 tot en met 24 (artikel 20). In plaats daarvan zijn er in artikel 22 maaswijdtevoorschriften opgenomen voor het vissen met op de bodem bevestigde kieuwnetten. Ook herstelmaatregelen voor kabeljauw in de NAFO-sectoren 2J3KL en beperkingen van visserijactiviteiten in de Irminger Zee ten aanzien van roodbaars zijn komen te vervallen (artikelen 25 en 26).
Vanaf 1 juni 2026 gelden er technische maatregelen in de Keltische Zee, de Ierse Zee en het gebied ten westen van Schotland voor vaartuigen die met otter trawls en zegens vissen. In 2025 golden deze maatregelen nog voor vaartuigen die met bodemtrawls of zegens vissen. De technische maatregelen in 2026 zijn ook gewijzigd ten opzichte van 2025. Zo zijn er nieuwe voorschriften over maaswijdten. Daarnaast worden er vanaf 1 juni 2026 nieuwe technische maatregelen in het Kanaal van kracht. Deze maatregelen gelden voor vaartuigen die vissen met otter trawls, zegens of boomkorren. Enkele maatregelen uit de verordening vangstmogelijkheden 2025 gelden ook in 2026. Nieuw zijn voorschriften over het gebruik van selectieve vistuigen bij het vissen met bodemtrawls en zegens in het Kattegat (artikel 19a). Daarnaast blijven herstelmaatregelen voor kabeljauw in de NAFO-sectoren 2J3KL uit artikel 25 van kracht tot 1 juli 2026 en zijn enkele vangstmogelijkheden uit de bijlagen bij de verordening vangstmogelijkheden voor 2025 nog van toepassing in 2026.
Ten slotte zijn enkele verboden die van toepassing zijn in gebieden van regionale visserijbeheerorganisaties aangepast. Het gaat om de volgende artikelen: artikel 33, derde lid, in het CCAMLR-gebied, artikel 35, tweede, derde en vierde lid, in het IOTC-gebied, artikel 37, eerste, vijfde en zesde lid, in het IOTTC-gebied en de artikelen 47 en 49 in het SIOFA-gebied.
In dit artikel is ook de verwijzing naar artikel 12, eerste lid, van de verordening vangstmogelijkheden 2025 geschrapt. Hoewel dit lid in de nieuwe verordening is vervangen door een gelijkluidende bepaling, is het niet nodig om naar dit lid te verwijzen omdat hierin een minimuminstandhoudingsreferentiegrootte is vastgesteld. Verwijzingen naar vergelijkbare artikelen zijn bij een eerdere wijziging van de Uitvoeringsregeling al vervallen.7 Zoals is toegelicht bij deze wijziging kunnen deze artikelen vervallen omdat hierin niet bepaalde handelingen verboden worden. De gevolgen van het overschrijden van de minimuminstandhoudingsferentiegrootte blijken al uit andere Europese regelgeving.
Daarnaast komen verwijzingen naar andere artikelen uit de verordening vangstmogelijkheden 2025 niet meer terug als verwijzing naar de nieuwe verordening vangstmogelijkheden. Het betreft bepalingen waar individuele vissers niet direct mee in strijd kunnen handelen. Het gaat om de artikelen 23, eerste lid, 27, 34, eerste en tweede lid, 42, eerste lid, 44 en 47, onderdeel a, van de verordening vangstmogelijkheden 2025, ondanks dat die dus wel in de nieuwe verordening vangstmogelijkheden staan. Deze artikelen regelen onder meer dat een maximum aantal vaartuigen in een bepaald gebied mag vissen of dat hier een maximum aantal dagen gevist mag worden. Er wordt pas mee in strijd gehandeld als het maximum voor een lidstaat is bereikt, waardoor individuele vissers hier niet direct mee in strijd kunnen handelen. In de praktijk kan aan deze artikelen uitvoering worden gegeven door het maximum als voorwaarde op te nemen in de vismachtiging die wordt uitgegeven op grond van artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, dan wel geen vismachtigingen meer te geven als het maximum is bereikt. Uit dit lid volgt dat vissers voor de desbetreffende visserijactiviteiten een vismachtiging nodig hebben, bijvoorbeeld omdat deze artikelen van toepassing zijn op specifieke visserijtakken of gelden in specifieke visserijzones, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening. Er kan worden gehandhaafd als er wordt gevist in strijd met de voorwaarden die aan de vismachtiging worden gesteld omdat de vismachtiging alleen geldig is als aan deze voorwaarden wordt voldaan.8
Ten slotte is de verwijzing naar artikel 7, eerste lid, van de verordening vangstmogelijkheden 2025 vervallen, ondanks dat ook deze bepaling wel terugkomt in de nieuwe verordening vangstmogelijkheden, omdat het op grond van artikel 10 van de Uitvoeringsregeling al verboden is om in strijd met dit artikel te handelen.
De wijzigingen in de artikelen 15, 29, 84a en 98 zijn niet inhoudelijk. In deze artikelen zijn verwijzingen naar de verordening vangstmogelijkheden geactualiseerd.
In de verordening vangstmogelijkheden Oostzee is ten opzichte van de verordening voor 2025 een artikel 8 ingevoegd over de sluiting van gebieden voor pelagische trawls ten behoeve van paaiende haring. De overige wijzigingen in artikel 16 zijn niet inhoudelijk maar het gevolg van een vernummering van de artikelen.
In artikel 17 zijn enkele verwijzingen naar de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee vernummerd. Ten opzichte van 2025 is aan deze verordening in artikel 10, derde lid, een verbod toegevoegd op het gebruik van de dubbelebordentrawl in bepaalde gebieden, ter bescherming van de heek en de Noorse kreeft. Daarnaast zijn verwijzingen naar artikelen waar individuele vissers niet mee in strijd kunnen handelen, vervallen. Hiervoor geldt wat reeds is toegelicht bij onderdeel D.
In artikel 20 wordt verwezen naar bijlage II bij de verordening vangstmogelijkheden voor 2025. Deze bijlage geldt tot en met 31 januari 2026. Vanaf 1 februari 2026 geldt bijlage II bij de verordening vangstmogelijkheden voor 2026. Daarom is in de wijziging van artikel 20 de tijdelijke werking geregeld van bijlage II bij de verordening vangstmogelijkheden voor 2025. Met ingang van 1 februari 2026 is voorzien in een verwijzing naar de verordening vangstmogelijkheden voor 2026.
In dit onderdeel is in artikel 46c, tweede lid, het percentage van de TAC voor bijvangst waarvoor enkel leges zijn verschuldigd aangepast van tachtig naar veertig procent. Dit is toegelicht in het algemene deel van de toelichting. Tevens is in het tweede lid verduidelijkt dat ook voor deze aanlandcontingenten geldt dat het totaal verschuldigde bedrag niet meer bedraagt dan negentig procent van de gemiddelde verkoopprijs in hetzelfde kwartaal in het voorgaande jaar van de aangelande hoeveelheid.
Daarnaast is het derde lid geschrapt. Zoals toegelicht in het algemene deel van de toelichting, zijn de kosten voor een aanlandcontingent voor Noordzee horsmakreel vanaf veertig procent van de TAC voor bijvangst gelijk aan de kosten voor andere aanlandcontingenten. Voor dit deel van de TAC is daarom het eerste lid van toepassing.
Er zijn ook enkele technische wijzigingen doorgevoerd in de Uitvoeringsregeling die niet samenhangen met vangstmogelijkheden. In onderdelen K en O zijn verwijzingen naar bepalingen uit verordeningen waarin een uitzondering staat op de hoofdregel vervallen. Handelen in strijd met deze uitzondering is een overtreding van de hoofdregel, waardoor het niet nodig is om afzonderlijk te verbieden om in strijd met de uitzondering te handelen. In onderdeel N zijn verwijzingen naar artikelen uit een Europese verordening vervallen, omdat die artikelen inmiddels niet meer bestaan.
De verordeningen over vangstmogelijkheden hebben ook gevolgen voor de recreatieve visserij. De meeste wijzigingen in artikel 140p zijn het gevolg van vernummering van deze verordeningen. Daarnaast is er in artikel 12 een nieuw verbod opgenomen over een maximum aantal witte koolvis dat mag worden gevangen door recreatieve vissers.
Aan het eerste lid van artikel 140p is een verwijzing toegevoegd naar de artikelen 6, vierde lid, en 19, tweede lid, van de verordening vangstmogelijkheden Middellandse Zee en Zwarte Zee. Deze artikelen gaan over maximumvangstniveaus, die voor zowel de recreatieve als de commerciële visserij gelden. Op grond van artikel 10 van de Uitvoeringsregeling is het voor de commerciële visserij al verboden om in strijd met deze artikelen te handelen. Omdat deze artikelen ook voor de recreatieve visserij gelden zijn ze in artikel 140p opgenomen.
In de gewijzigde bijlagen 8 en 9 bij de Uitvoeringsregeling is nationaal uitvoering gegeven aan de verordening vangstmogelijkheden. Dit in verband met de omstandigheid dat de aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden voor een aantal bestanden zijn verdeeld in individuele contingenten, met specifieke duiding van de wateren of gebieden waarvoor deze contingenten gelden. Zoals hiervoor in de toelichting opgemerkt, zijn vanwege het bijvangstquotum voor Noordzee horsmakreel voor dat bestand een percentage en hoeveelheid van 0 opgenomen.
Bijlage 11 bevat de drempelprijzen ten aanzien van garnalen in 2026. Deze zijn niet gewijzigd ten opzichte van 2025.
Ook in de Uitvoeringsregeling visserij zijn de verwijzingen naar de verordening vangstmogelijkheden aangepast. Daarnaast zijn in artikel 42 technische wijzigingen doorgevoerd omdat verordening nr. 1367/2014 niet meer van toepassing is, en schar en bot niet meer zijn opgenomen in bijlage I bij de verordening vangstmogelijkheden.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie
Verordening (EU) 2026/PM van de Raad van PM tot vaststelling voor 2026, 2027 en 2028 van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn.
Verordening (EU) 2026/PM van de Raad van PM tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden van toepassing in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee voor 2026.
Verordening (EU) 2025/2454 van de Raad van 1 december 2025 tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee voor 2026 en tot wijziging van Verordening (EU) 2025/202 wat betreft bepaalde vangstmogelijkheden in andere wateren.
Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PbEU 2009, L 343), herzien met Verordening (EU) 2023/2842 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad, en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1005/2008 van de Raad en Verordeningen (EU) 2016/1139, (EU) 2017/2403 en (EU) 2019/473 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft visserijcontrole.
Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PbEU 2008, L 286).
Verordening (EU) 2025/202 van de Raad van 30 januari 2025 tot vaststelling, voor 2025 en 2026, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2024/257 wat betreft vangstmogelijkheden voor 2025.
Artikel 5, tweede lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2196 van de Commissie van 17 oktober 2025 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad wat betreft de toegang tot de wateren en hulpbronnen, visserijcontrole, bewaking, inspectie en handhaving, verlaging van quota en visserijinspanningen, gegevens en informatie, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-45335.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.