Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Staatscourant 2026, 33148 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Staatscourant 2026, 33148 | advies Raad van State |
Afdeling Verdragen
BZ2629471
’s-Gravenhage, 22 juni 2026
Aan de Koning
Nader rapport inzake het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting, met Protocol; Brussel, 21 november 2025 (Trb. 2025, 94)
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 6 februari 2026, no. 2026000280, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 1 april 2026, nr. W02.26.00034/II/, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft U hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 6 februari 2026, no.2026000280, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane1 , bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting, met Protocol; Brussel, 21 november 2025 (Trb. 2025, 94), met toelichtende nota.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het verdrag en adviseert het verdrag te overleggen aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk
Th. C. de Graaf
Het verdrag geeft de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.
Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om in de toelichtende nota enkele redactionele verbeteringen door te voeren en enige verduidelijkingen aan te brengen. Zo is toegelicht dat de Wet minimumbelasting 2024 in artikel 2, derde lid, van het Verdrag ontbreekt, omdat deze wet nog niet van kracht was ten tijde van de afronding van de onderhandelingen. Verder is nader toegelicht dat Nederland heeft ingezet op een onbeperkte bronstaatheffing voor pensioenen, lijfrenten en socialezekerheidsuitkeringen om dubbele niet-belastingheffing te voorkomen. Tenslotte is nader toegelicht dat de Thaise privacywetgeving beschikt over voldoende afdwingbare rechten en doeltreffende rechtsmiddelen en dat een passend beschermingsniveau wordt gewaarborgd, zodat wordt voldaan aan de vereisten van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Ik verzoek U, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen.
No. W02.26.00034/II
's-Gravenhage, 1 april 2026
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 6 februari 2026, no.2026000280, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane2, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting, met Protocol; Brussel, 21 november 2025 (Trb. 2025, 94), met toelichtende nota.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het verdrag en adviseert het verdrag te overleggen aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk, Th.C. de Graaf.
Het onderhavige, op 21 november 2025 te Brussel ondertekende, Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting, met Protocol, (hierna: ‘het Verdrag’ en ‘het Protocol’) geeft regels die aanwijzen welke van de verdragsluitende staten bevoegd is om in overeenstemming met zijn nationale wetgeving belasting te heffen over het inkomen van inwoners van één of van beide staten. Het belangrijkste doel van deze regels is het vermijden van dubbele belasting. Daarnaast regelt het Verdrag, onder meer met het oog op het voorkomen van het ontduiken van belasting, de wederzijdse administratieve bijstand in de vorm van onderlinge uitwisseling van informatie over, en invordering van, belastingen en toeslagen. Als het Verdrag in werking treedt, komt het in de plaats van de op 11 september 1975 te Bangkok ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol, (Trb. 1975, 113) (hierna: ‘het Verdrag van 1975’) die op 9 juni 1976 voor het Europese deel van Nederland in werking is getreden (Trb. 1976, 96).
De economische betrekkingen tussen Nederland en Thailand zijn erbij gebaat dat dubbele belasting in grensoverschrijdende situaties wordt voorkomen. Het Verdrag verdeelt daarom bevoegdheden tussen Nederland en Thailand om belasting te mogen heffen over het inkomen van inwoners van één of van beide staten. Nederland en Thailand hebben daarnaast nieuwe afspraken gemaakt over wederzijdse bijstand in de vorm van uitwisseling van informatie over, en invordering van, belasting en toeslagen. Naast deze maatregelen hebben Nederland en Thailand overeenstemming bereikt over opname van bepalingen die zijn voorgesteld in het BEPS-project tegen grondslaguitholling en winstverschuiving (Base Erosion and Profit Shifting) dat is geïnitieerd door de G20/OESO. Het gaat om maatregelen op het gebied van verdragsmisbruik (BEPS-actie 6) en vaste inrichtingen (BEPS-actie 7).
In de periode van 2009-2014 heeft Nederland met Thailand gesprekken gevoerd over een beperkteaantal technische wijzigingen ten opzichte van het Verdrag van 1975. Thailand heeft vervolgens aangegeven het gehele Verdrag te willen heronderhandelen, vanwege de wens om het Verdrag te moderniseren en aan te passen aan het huidige Thaise verdragsbeleid. Nederland stemde in met de heronderhandelingen, vanuit de eigen wens om een bronstaatheffing voor pensioenen te kunnen effectueren en het artikel over uitwisseling van informatie te moderniseren. Ook was het voor Nederland van belang om het Verdrag in lijn te brengen met de actuele OESO-antimisbruikstandaarden. Dit heeft uiteindelijk geleid tot overeenstemming om begin 2020 een nieuwe onderhandelingsronde te houden.
Bij de onderhandelingen is zowel het OESO-modelverdrag als het VN-modelverdrag als uitgangspunt genomen, overeenkomstig de verdragspraktijk van Nederland en Thailand. Nederland en Thailand hebben verder de belangrijkste BEPS-maatregelen verwerkt in de tekst van dit Verdrag. Het gaat hierbij ten eerste om de voorstellen die tot de minimumstandaard van het BEPS-project behoren en die als noodzakelijk zijn beoordeeld om verdragsmisbruik te voorkomen (BEPS-actie 6). Daarnaast zijn optionele maatregelen opgenomen tegen grondslaguitholling en winstverschuiving via het kunstmatig omzeilen van een vaste inrichting.
De onderhandelingen zijn in één ronde voltooid in januari 2020. De tekst is in de maanden daarna technisch afgerond. Dit heeft geleid tot het Verdrag dat op 21 november 2025 te Brussel is ondertekend.
De Nederlandse inzet bij de onderhandelingen was gebaseerd op het verdragsbeleid dat is neergelegd in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 20111 (hierna: ‘NFV 2011’), waarbij voor het instrumentarium zoveel mogelijk is aangeknoopt bij de bepalingen van het OESO-modelverdrag zoals dat luidt na de actualisering per 21 november 2017 (hierna: ‘het OESO-modelverdrag’). In onderdeel I.8 van deze toelichtende nota is het Toetsschema Fiscaal Verdragsbeleid 2011 opgenomen.2
De inhoud van het Verdrag is het resultaat van de onderhandelingsinzet van Nederland en Thailand. Een belangrijk punt bij de Nederlandse inzet was het opnemen van een algehele bronstaatheffing voor particuliere pensioenen. De inzet van Thailand was om, ten opzichte van het Verdrag van 1975, eerder te kunnen heffen over economische activiteiten die in Thailand plaatsvinden, via een dienstverleningsvaste-inrichting en een zogenoemde ‘branch profits tax’. Bij de opname van de BEPS-maatregelen is aansluiting gezocht bij de keuzes die Nederland en Thailand hebben gemaakt bij het op 24 november 2016 te Parijs tot stand gekomen Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving (Trb. 2017, 86) (hierna: ‘het MLI’).3 De achtergrond van de BEPS-maatregelen is toegelicht in de BEPS-rapporten die zijn gepubliceerd in oktober 2015 en die zijn verwerkt in het huidige OESO-modelverdrag en het bijbehorende commentaar.4 In de artikelsgewijze toelichting wordt hier nader op ingegaan.
Hieronder volgt een korte samenvatting van de belangrijke wijzigingen ten opzichte van het Verdrag van 1975.
• Het vaste-inrichtingsbegrip is uitgebreid naar werkzaamheden buitengaats en een vaste inrichting voor diensten. Daarnaast is een regeling met het oog op de zogenoemde ‘branch profits tax’ opgenomen, waarmee de winstuitkeringen vanuit vaste inrichtingen voor de toepassing van het Verdrag behandeld worden als dividenden.
• Ook is een aantal optionele BEPS-conforme antimisbruikbepalingen opgenomen in het Verdrag met betrekking tot de vaste inrichting. Omdat in relatie tot Thailand een effectieve vorm van geschilbeslechting mogelijk niet verzekerd is5 (zo stemde Thailand bijvoorbeeld ook niet in met een arbitragebepaling) is besloten om af te zien van het opnemen van de ‘commissionair’- en onafhankelijkevertegenwoordigerbepalingen uit het MLI. 6
• Op verzoek van Nederland is een volledige bronstaatheffing opgenomen voor pensioenen en lijfrentes. Dit is een wijziging ten opzichte van het Verdrag van 1975, waarin tevens een bronstaatheffing was opgenomen, die echter in de praktijk (veelal) niet geëffectueerd kon worden. Hierdoor verschoof het heffingsrecht onder het oude Verdrag in de praktijk (veelal) naar het woonland. Ook voor socialezekerheidsuitkeringen is in het Verdrag een volledig heffingsrecht opgenomen voor de bronstaat. Onder het Verdrag van 1975 is er niets geregeld voor socialezekerheidsuitkeringen waardoor Nederland als bronstaat weliswaar het heffingsrecht heeft (gelet op de omstandigheid dat in dat verdrag een zogenoemd restartikel ontbreekt), maar er ook dubbele belasting kan ontstaan.
• Voor Nederland is verder van belang dat het aanmerkelijkbelangvoorbehoud (hierna: ‘AB-voorbehoud’) is uitgebreid. Met het AB-voorbehoud wordt aan Nederland het heffingsrecht toegewezen met betrekking tot de in de binnenlandse periode aangegroeide waarde van, onder meer, aandelen en winstbewijzen in een Nederlandse vennootschap die tot een aanmerkelijk belang behoren. De in het Verdrag van 1975 in dit kader opgenomen termijn van vijf jaar vervalt onder het Verdrag.
• Zowel Nederlandse als Thaise pensioenfondsen worden expliciet als inwoners in de zin van het Verdrag aangemerkt waardoor zij aanspraak kunnen maken op de bijbehorende verdragsvoordelen. Daarnaast geldt er voor pensioenfondsen een uitzondering op de (beperkte) bronstaatheffing op rentebetalingen.
• De bronheffingstarieven voor dividenden zijn geactualiseerd naar de huidige Thaise en Nederlandse tarieven. Dit heeft als gevolg dat op dividenden die worden betaald door een lichaam dat inwoner is van Thailand een bronheffing van maximaal 10% is afgesproken. Voor dividenden die worden betaald door een lichaam dat inwoner is van Nederland is een bronheffing van maximaal 15% afgesproken, wat aansluit bij het verdragstarief dat Nederland nastreeft voor portfoliodividenden.
• Ten slotte bevat het Verdrag gemoderniseerde bepalingen over uitwisseling van informatie en bijstand bij invordering. De bepaling over bijstand bij invordering zal ingaan zodra Thailand in de eigen wetgeving de benodigde wetswijzigingen heeft ingevoerd. Deze bepalingen hebben ook betrekking op toeslagen.
Inkomsten- en vennootschapsbelasting worden in Thailand geheven op basis van de ‘Revenue Code’. Natuurlijke personen zijn daaraan onderworpen voor inkomsten uit Thaise bronnen, ongeacht of zij inwoners zijn van Thailand. Inkomen van natuurlijke personen die inwoners zijn van Thailand dat buiten Thailand opkomt, wordt belast volgens een zogenoemde remittance-base-heffing, waarbij inkomen dat in een bepaald jaar opkomt alleen wordt belast in Thailand als het inkomen dat jaar naar Thailand is overgemaakt. Een natuurlijke persoon wordt als inwoner aangemerkt indien hij gedurende minimaal 180 dagen in een kalenderjaar in Thailand verblijft. Thailand kent een progressief tarievenstelsel.
Juridische vennootschappen en maatschappen zijn in Thailand belastingplichtig voor hun wereldwinst. Dividenden zijn er onderworpen aan een bronheffing van 10%. De vennootschapsbelasting kent een tarief van 20% met een tarief van 15% voor het midden- en kleinbedrijf. Daarnaast kent de Revenue Code de zogenaamde ‘Mutual Funds’, die alleen onderworpen zijn aan een bronbelasting van 15% over uitkeringen aan aandeelhouders. Thailand kent ook pensioenfondsen, maar dit zijn entiteiten die buiten de fiscale wetgeving vallen. Naast het pensioenfonds kent Thailand ook het ‘provident fund’, een soort pensioenfonds dat binnen de private sector wordt opgezet. Daarnaast kent Thailand een zogenoemde petroleum income tax (met een tarief van 50%) op oliebaten.
De aanpassing van het Verdrag van 1975 zal naar verwachting tot een extra belastingopbrengst voor Nederland van € 6 miljoen per jaar leiden. Het lagere tarief voor de bronheffing op royalty’s leidt naar verwachting tot € 3 miljoen minder verrekening in de vennootschapsbelasting en de bronstaatheffing met betrekking tot private pensioenen leidt naar verwachting tot € 3 miljoen meer loon-/inkomstenbelasting.
Het Ministerie van Financiën heeft via de gebruikelijke nieuwsberichten de onderhandelingen met Thailand onder de aandacht gebracht en belanghebbenden verzocht de voor hen van belang zijnde aangelegenheden kenbaar te maken. Daarop zijn geen inhoudelijke reacties ontvangen.
Naar het oordeel van de regering bevatten alle artikelen van het Verdrag en het Protocol, afgezien van de artikelen 26, 29, 30 en 31 van het Verdrag, een ieder verbindende bepalingen in de zin van de artikelen 93 en 94 Grondwet, die aan de burger rechtstreeks rechten toekennen of plichten opleggen.
Het Verdrag zal voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden alleen gelden voor het Europese deel van het land Nederland. Daarmee geldt het Verdrag dus niet voor het Caribische deel van Nederland (de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba) en ook niet voor de Caribische landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten). Wel bepaalt artikel 29 van het Verdrag dat het Verdrag onder voorwaarden kan worden uitgebreid tot de delen van het Koninkrijk die niet in Europa zijn gelegen. Indien tot uitbreiding wordt overgegaan, behoeft dit een afzonderlijk verdrag dat door het Koninkrijk met Thailand wordt aangegaan ten behoeve van het Caribische deel van Nederland (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba) of ten behoeve van het betreffende Caribische land van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao of Sint Maarten). De Caribische landen van het Koninkrijk, die fiscaal autonoom zijn, kunnen overigens ook zelfstandig besluiten om in onderhandeling te treden met Thailand over een belastingverdrag.
Het Toetsschema Fiscaal Verdragsbeleid 2020 is hierna opgenomen. In de rechterkolom van het toetsschema zijn de paragraafnummers uit deze toelichting opgenomen die corresponderen met de desbetreffende onderdelen van het schema.
|
NFV 2020 |
Ja |
Nee |
Deels |
N.v.t. |
Paragraaf toelichting |
||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
I |
Voorkoming dubbele heffing - bepalingen in afwijking of ter aanvulling op het OESO MV volgens het Nederlands verdragsbeleid |
||||||
|
Algemeen |
|||||||
|
4.2 |
Opname van een bepaling waarmee het inwonerschapscriterium nader wordt ingevuld |
X |
Par. II.1 |
||||
|
4.3 |
Opname van een bepaling waarmee VBI’s en entiteiten die vallen onder vergelijkbare speciale regimes voor (sommige) verdragsvoordelen worden uitgesloten |
X |
Par. II.1 |
||||
|
Vermogensinkomsten en -winsten |
|||||||
|
4.4 |
Opname van een bepaling op grond waarvan Nederland eerder een heffingsrecht heeft over de winst behaald met werkzaamheden buitengaats (offshore-vaste inrichting) |
X |
Par. II.5 |
||||
|
4.5 |
Opname uitsluitende woonstaatheffing voor deelnemingsdividenden, interest en royalty's |
X |
Par. II.1 + II.10 + II.11 + II.12 |
||||
|
Zo nee, het betreft de volgende percentages: |
5% op dividenden |
||||||
|
Zo nee, opname uitzondering pensioenfondsen |
X |
Par. II.10 |
|||||
|
4.3 |
Opname van het portfoliotarief van 15% voor dividenden uitgekeerd door of uitgekeerd aan een FBI of soortgelijke instellingen in het andere verdragsland |
X |
Par. II.1 + II.10 |
||||
|
4.6 |
Opname van een aanmerkelijkbelangvoorbehoud in het vermogenswinstartikel en het dividendartikel |
X |
Par. II.10 + II.13 |
||||
|
4.7 |
Opname van een bepaling waarin is vastgelegd dat inkomsten genoten bij de inkoop van aandelen of bij liquidatie worden beheerst door het dividendartikel |
X |
Par. II.10 |
||||
|
4.8 |
Opname van een woonstaatheffing voor vermogenswinsten behaald met de verkoop van aandelen in onroerendezaakvennootschappen, tenzij er sprake is van verdragsmisbruik |
X |
Par. II.13 |
||||
|
Arbeid |
|||||||
|
4.10 |
Opname van een bronstaatheffing voor gefacilieerd opgebouwde pensioenen en voor socialezekerheidsuitkeringen |
X |
Par. II.17 |
||||
|
4.9 |
Opname van een (beperkte) bronstaatheffing voor inkomsten van sporters- en artiesten |
X |
Par. II.16 |
||||
|
Overig |
|||||||
|
2.8 |
Toepassing van het verdrag ook richting de BES-eilanden |
X |
Par. I.6 + II.2 |
||||
|
2.6 |
Opname van een bepaling waarin is vastgelegd dat voor de uitleg van het verdrag aansluiting wordt gezocht bij het Commentaar van het OESO-Modelverdrag |
X |
Par. II.3 |
||||
|
3.3.10 |
Opname van een bepaling op basis waarvan bevoegde autoriteiten afspraken kunnen maken om belastingplichtigen bij onderlinge overlegprocedures geen interest, boetes en kosten in rekening te brengen |
X |
Par. II.25 |
||||
|
4.12 |
Opname van een bepaling op basis waarvan de bepalingen over de uitwisseling van informatie en bijstand bij de invordering van belastingen eveneens van toepassing zijn op de Nederlandse inkomensafhankelijke regelingen (toeslagen) |
X |
Par. II.26 |
||||
|
4.13 |
Opname van een bepaling waar in relevante verdragssituaties is vastgelegd dat ficties of fictieachtige regelingen in de nationale wet doorwerken naar het belastingverdrag |
X |
|||||
|
II |
Voorkoming dubbele heffing - bepalingen in overeenstemming met het OESO MV volgens het Nederlands verdragsbeleid |
||||||
|
4.1 |
Bepalingen die niet hierboven (in onderdeel I) zijn vermeld zijn in overeenstemming met het OESO-Modelverdrag |
X |
|||||
|
Zo nee, het betreft de volgende bepalingen |
Art. 5, art. 10, art.30 |
||||||
|
III |
Tegengaan verdragsmisbruik - bepalingen in overeenstemming met het BEPS-project |
||||||
|
Minimumstandaarden |
|||||||
|
3.2 |
Opname van de minimumstandaarden van het BEPS-project |
X |
|||||
|
Overige maatregelen BEPS-project |
|||||||
|
3.3 |
Opname van de overige aanvullende maatregelen van het BEPS-project |
X |
|||||
|
Zo ja, het betreft de volgende overige maatregelen van het BEPS-project: |
Art.4 MLI, Art.5 MLI, art. 13 MLI, art. 14 MLI, art. 15 MLI, art. 17 MLI |
||||||
|
IV |
Verdragen met specifieke categorieën landen |
||||||
|
Verdragen met buurlanden voor grensarbeiders |
|||||||
|
5.1 |
Opname bepalingen voor 'gelijkheid op de werkvloer' |
X |
|||||
|
5.1 |
Opname bepalingen voor 'gelijkheid in de straat' |
X |
|||||
|
Verdragen met ontwikkelingslanden |
|||||||
|
5.2 |
Opname van een bronstaatheffing op deelnemingsdividenden, interest en royalty's |
X |
|||||
|
Zo ja, het betreft de volgende percentages: |
|||||||
|
5.2 |
Opname van andere bepalingen van het VN-Modelverdrag ter ondersteuning van het beleid van ontwikkelingslanden |
X |
|||||
|
Zo ja, het betreft de volgende bepalingen uit het VN-Modelverdrag: |
|||||||
|
Verdragen met laagbelaste jurisdicties niet-coöperatieve en laagbelastende staten |
|||||||
|
5.3 |
Opname van een bronstaatheffing op deelnemingsdividenden, interest en royalty's |
X |
|||||
|
Zo ja, het betreft de volgende percentages: |
|||||||
|
Toelichting |
|||||||
|
In bovenstaand toetsschema met standaardcriteria voor het sluiten van belastingverdragen zijn de standaardcriteria opgenomen zoals geformuleerd en toegelicht in de NFV 2020. Dit schema biedt tevens uitvoering aan de motie-Van Vliet1 en wordt gevoegd bij elke toelichting bij nieuwe belastingverdragen. Per onderdeel wordt aangegeven of de inzet geconcretiseerd is in het Verdrag en wordt verwezen naar de relevante passage in de toelichting. |
|||||||
De titel en preambule van dit Verdrag zijn gebaseerd op het OESO-modelverdrag en sluiten daarmee aan bij de voorstellen op dit punt uit het rapport bij BEPS-actie 6 (Preventing the Granting of Treaty Benefits in Inapproriate Circumstances).7 De titel brengt tot uitdrukking dat het Verdrag bedoeld is voor het vermijden van dubbele belastingheffing met betrekking tot belastingen naar het inkomen, maar ook voor het voorkomen van het ontgaan en ontwijken van belasting. De preambule maakt expliciet dat het belastingverdrag bedoeld is om dubbele belasting te vermijden, zonder daarmee mogelijkheden te creëren voor dubbele niet-heffing of verlaagde heffing door belastingontduiking of belastingontwijking, waaronder door middel van treaty-shoppingstructuren. De preambule voldoet hiermee aan de minimumstandaard van BEPS-actie 6.
In de preambule is tevens tot uitdrukking gebracht dat het Verdrag bedoeld is om de economische relatie te ontwikkelen en om de samenwerking te versterken op het gebied van belastingen.
Het Verdrag geldt voor belastingen naar het inkomen en, anders dan het OESO-modelverdrag, niet voor belastingen naar het vermogen (zowel Nederland als Thailand heft geen vermogensbelasting). Het Verdrag beperkt zich echter niet volledig tot belastingen naar het inkomen; de bepalingen over informatie-uitwisseling en bijstand bij invordering gelden ook voor andere belastingen, en - ingevolge artikel IX van het Protocol - ook voor toeslagen (zie de toelichting op artikel 25 van het Verdrag). Verder zijn de bepalingen over non-discriminatie niet beperkt tot de belastingen naar het inkomen.
Artikel 1 van het Verdrag regelt dat het Verdrag van toepassing is op personen die inwoner zijn van een verdragsluitende staat (of van beide verdragsluitende staten). De uitdrukkingen ‘verdragsluitende staat’ en ‘persoon’ zijn omschreven in artikel 3, eerste lid, onderdelen a, respectievelijk d. De uitdrukking ‘inwoner van een verdragsluitende staat’ wordt omschreven in artikel 4, eerste lid. De toepassing van het Verdrag is overigens niet alleen beperkt tot situaties waarin sprake is van een inwoner van een verdragsluitende staat. Zo heeft het non-discriminatie-artikel (artikel 23) ook betrekking op personen die kwalificeren als onderdaan, zoals gedefinieerd in artikel 3, eerste lid, onderdeel g, van het Verdrag. Ook zijn de bepalingen over de informatie-uitwisseling (artikel 25) en de bijstand bij de invordering van belastingen (artikel 26) niet beperkt tot de belastingheffing (en toeslagen8) van inwoners van een verdragsluitende staat.
Op het uitgangspunt dat de bepalingen van het Verdrag in beginsel steeds van toepassing zijn op inwoners van één of van beide verdragsluitende staten worden in artikel I van het Protocol enkele beperkingen aangebracht.
Artikel I van het Protocol ziet op vrijgestelde beleggingsinstellingen (hierna: VBI) in de zin van artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969). In het eerste lid van artikel I van het Protocol wordt bevestigd dat een VBI niet als inwoner onder het Verdrag kan worden beschouwd en daarmee geen aanspraak kan maken op de verdragsvoordelen. Dit is in lijn met het Nederlandse verdragsbeleid zoals verwoord in onderdeel 4.3.2 van de NFV 2020 en hiermee is tevens uitvoering gegeven aan de motie-Omtzigt/Van Vliet.9
Ingevolge het tweede lid van artikel I van het Protocol behoudt Nederland een heffingsrecht bij (winst)uitkeringen van een VBI aan haar in Thailand woonachtige aandeelhouders. De belastingheffing mag hierbij niet meer bedragen dan 15% over het brutobedrag van het inkomen. Zonder deze bepaling zou dit heffingsrecht van Nederland tenietgaan, aangezien sprake is van winstuitkeringen van een lichaam dat voor verdragstoepassing geen inwoner van Nederland is en het heffingsrecht alsdan aan Thailand zou toekomen door de werking van artikel 21 van het Verdrag (Overig inkomen). Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de uitkeringen van een VBI worden behandeld in de in afdeling 7.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen bepalingen over de belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen met een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap.
In artikel 2 van het Verdrag is neergelegd op welke belastingen het Verdrag ziet. Het eerste, tweede en vierde lid van dit artikel zijn in overeenstemming gebracht met het eerste, tweede en vierde lid van artikel 2 van het OESO-modelverdrag, behoudens de daarin opgenomen verwijzingen naar de vermogensbelasting.
In het derde lid zijn de huidige belastingen opgesomd waarop de bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn. Voor Nederland zijn de (van natuurlijke personen en van lichamen geheven) belastingen naar het inkomen opgenomen die van toepassing zijn in Nederland.
Wat betreft de Thaise belastingen wordt opgemerkt dat de income tax zowel ziet op natuurlijke personen als op lichamen.
Het vierde lid bepaalt dat het Verdrag ook van toepassing is op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de in het derde lid opgesomde belastingen worden geheven, alsmede op andere toekomstige belastingen waarop het eerste en tweede lid van toepassing zijn. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten zijn gehouden om elkaar te informeren over alle wezenlijke wijzigingen in hun nationale belastingwetgeving.
Artikel 3 van het Verdrag bevat definities voor uitdrukkingen die in het Verdrag voorkomen.
Volgens het eerste lid, onderdeel a, wordt onder de uitdrukkingen ‘een verdragsluitende staat’ en ‘de andere verdragsluitende staat’ afhankelijk van de context Thailand of Nederland verstaan. Vervolgens worden in het eerste lid, onderdelen b en c, de uitdrukkingen ‘Thailand’ en ‘Nederland’ gedefinieerd. Voor de uitdrukking ‘Nederland’ is van belang dat daaronder slechts het Europese deel wordt verstaan.
Voor de algemene uitdrukkingen van het eerste lid is aangesloten bij de definities die zijn opgenomen in artikel 3, eerste lid, van het OESO-modelverdrag.
Ten opzichte van het Verdrag van 1975 is een aantal uitdrukkingen toegevoegd aan het eerste lid. Het betreft de uitdrukkingen ‘onderdaan’, ‘internationaal verkeer’ en ‘erkend pensioenfonds’. De uitdrukking ‘onderdaan’ was in het Verdrag van 1975 opgenomen in artikel 24 (non-discriminatie) en is nu opgenomen in het eerste lid, onderdeel g. Het opnemen in het eerste lid, onderdeel h, van de uitdrukking ‘internationaal verkeer’ is relevant voor de toepassing van de artikelen 8, 13 en 15. Het opnemen in het eerste lid, onderdeel j, van de uitdrukking ‘erkend pensioenfonds’ is relevant voor de toepassing van de artikelen 4, 11 en 13 van het Verdrag en ziet op pensioenfondsen uit beide verdragsluitende staten.
Het tweede lid bevat een algemene regel voor de uitleg van uitdrukkingen die niet in het Verdrag zijn omschreven. Aan die uitdrukkingen wordt de betekenis toegekend die zij hebben volgens de wetgeving van de verdragsluitende staat die het Verdrag toepast, tenzij de context van het Verdrag anders vereist of de bevoegde autoriteiten een andere uitleg overeenkomen ingevolge de bepalingen van artikel 24 van het Verdrag. Daarbij gaat de betekenis in de belastingwetgeving van een verdragsluitende staat voor op de betekenis in andere wetgeving.
Artikel II van het Protocol is toegevoegd op initiatief van Thailand en geeft aanvullende invulling van de definities van de begrippen ‘persoon’ en ‘erkend pensioenfonds’. Het eerste lid breidt voor Thailand het begrip persoon uit, zodat dat begrip overeenkomt met de omschrijving van dat begrip in de Thaise nationale wet en het tweede lid beperkt het begrip ‘pensioenfonds’ voor Thailand, omdat Thailand het zogenoemde ‘Retirement Mutual Fund’ niet onder het Verdrag wil laten vallen. Ook toekomstig op te richten Thaise fondsen met soortgelijke kenmerken worden uitgesloten van toegang tot het Verdrag (het tweede lid). Die bepaling is opgenomen omdat Thailand bezig is met het hervormen van het pensioenstelsel. Voorts geeft ook artikel VI invulling aan het begrip ‘erkend pensioenfonds’. Voor een nadere toelichting op dat artikel wordt verwezen naar de toelichting op artikel 4 van het Verdrag.
Artikel 4 van het Verdrag bevat bepalingen ter invulling van het begrip ‘inwoner’. Daarbij is artikel 4 van het OESO-modelverdrag als uitgangspunt genomen.
Het eerste lid omschrijft wie voor de toepassing van het Verdrag geacht wordt inwoner te zijn van een verdragsluitende staat. Een persoon is inwoner van een verdragsluitende staat indien hij daar onderworpen is aan belastingheffing op grond van woonplaats, verblijf, plaats van oprichting, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid. De plaats van oprichting is - in afwijking van artikel 4, eerste lid, van het OESO-modelverdrag - in de tekst opgenomen op verzoek van Thailand. In de nationale wetgeving van Thailand is dit namelijk een leidend beginsel. Nederland kon hiermee akkoord gaan, aangezien de plaats van oprichting ook zonder expliciete vermelding in de tekst onder de reikwijdte van de bepaling zou vallen, namelijk als ‘enige andere soortgelijke omstandigheid’. Op verzoek van Nederland is expliciet opgenomen dat erkende pensioenfondsen en charitatieve instellingen verdragsinwoners zijn. Met deze laatste categorie worden non-profitorganisaties bedoeld (kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instellingen). Conform het Nederlandse verdragsbeleid dienen dergelijke entiteiten in aanmerking te komen voor verdragstoepassing. Door dit expliciet in het Verdrag vast te leggen wordt wederkerige verdragstoepassing bewerkstelligd.10
De tweede zin van het eerste lid maakt duidelijk dat een persoon geen inwoner van een verdragsluitende staat is, wanneer hij in die staat slechts belastingplichtig is voor inkomsten verkregen uit bronnen in die staat. Deze bepaling komt overeen met artikel 4, eerste lid, tweede zin, van het OESO-modelverdrag.
Het tweede lid bevat regels om te beslissen van welke verdragsluitende staat een natuurlijke persoon geacht wordt inwoner te zijn voor de toepassing van het Verdrag wanneer die persoon op grond van het eerste lid wordt aangemerkt als inwoner van beide staten. Aangesloten wordt achtereenvolgens bij de beschikbaarheid van een duurzaam tehuis, het middelpunt van de levensbelangen, het gewoonlijk verblijf en de nationaliteit. Indien op grond van deze factoren de woonplaats niet kan worden vastgesteld, zullen de bevoegde autoriteiten in onderling overleg bepalen van welke verdragsluitende staat een persoon inwoner is.
Het derde lid bevat regels om vast te stellen van welke verdragsluitende staat een niet-natuurlijke persoon, die volgens de nationale wetgevingen van beide staten wordt aangemerkt als inwoner, geacht wordt inwoner te zijn voor de toepassing van het Verdrag. Anders dan in het Verdrag van 1975 is daarbij niet de plaats van werkelijke leiding doorslaggevend, maar kan de verdragswoonplaats bepaald worden via onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten. Hierbij zullen de plaats waar de werkelijke leiding van deze persoon is gelegen, de plaats waar deze persoon is opgericht of anderszins tot stand is gekomen en alle andere relevante factoren (waaronder het mogelijke fiscale motief voor het ontstaan van een dubbele verdragswoonplaats) in acht worden genomen. Zolang de bevoegde autoriteiten geen overeenstemming hebben bereikt over de verdragswoonplaats kan deze persoon geen aanspraak maken op de verdragsvoordelen, maar wordt niet verhinderd dat deze persoon als inwoner wordt beschouwd voor andere doeleinden. Voorts kan deze persoon ingevolge de tekst van de bepaling aanspraak maken op de verdragsvoordelen van andere artikelen zoals door de bevoegde autoriteiten in onderlinge overeenstemming kan worden bepaald. Het derde lid is gebaseerd op het derde lid van artikel 4 van het OESO-modelverdrag.
Artikel III van het Protocol bevestigt dat de fiscale beleggingsinstelling (hierna: FBI) in de zin van artikel 28 Wet Vpb 1969 een inwoner is voor de toepassing van het Verdrag. Hierdoor wordt duidelijk gemaakt dat uitkeringen van dividenden door een FBI onder artikel 10 van het Verdrag vallen en Nederland een bronbelasting (dividendbelasting) van 15% kan inhouden op de dividenden die uitgekeerd worden door een FBI aan een inwoner van Thailand.
Artikel VI van het Protocol bevat op verzoek van Thailand een invulling van het begrip ‘erkend pensioenfonds’. In de bepaling wordt concreet aangegeven op basis van de pensioenwetgeving van beide landen welke Nederlandse en Thaise pensioenfondsen als zodanig kunnen kwalificeren. Daarnaast is afgesproken dat er na inwerkingtreding van het Verdrag een briefwisseling zal plaatsvinden met Thailand waarin wordt verwezen naar het register van Nederlandse pensioenfondsen.11 Thailand heeft dit overzicht nodig om de afgesproken uitzondering op de bronbelasting op interest van artikel 11 van het Verdrag voor erkende pensioenfondsen uit te kunnen voeren.
Artikel 5 van het Verdrag definieert het begrip ‘vaste inrichting’. Daarbij is artikel 5 van het OESO-modelverdrag als uitgangspunt genomen. Op verzoek van Nederland is dit artikel aangevuld met bepalingen over de aanwezigheid van een vaste inrichting met betrekking tot zogenoemde werkzaamheden buitengaats (vierde, vijfde en zesde lid, onderdeel b).
Volgens het eerste lid betekent de uitdrukking ‘vaste inrichting’ voor de toepassing van het Verdrag een vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.
Het tweede lid bepaalt vervolgens dat de uitdrukking ‘vaste inrichting’ in het bijzonder een plaats omvat waar leiding wordt gegeven, een filiaal, een kantoor, een fabriek, een werkplaats, een mijn, olie- of gasbron, groeve of enige andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.
Het derde lid, onderdeel a, bepaalt dat bij uitvoering van een bouwwerk of van constructie-, montage- of installatiewerkzaamheden alleen dan van een vaste inrichting sprake is als deze werkzaamheden langer duren dan zes maanden. Met deze termijn van zes maanden en met het in de bepaling opnemen van toezichthoudende werkzaamheden en van montagewerkzaamheden is op verzoek van Thailand aangesloten bij het VN-modelverdrag. Het gevolg hiervan is dat eerder en met betrekking tot meer activiteiten sprake kan zijn van een vaste inrichting en dus van een heffingsrecht voor de staat waarin de vaste inrichting is gelegen dan het geval zou zijn als op dit punt zou zijn aangesloten bij het OESO-modelverdrag. Nederland is in de verdragen met Argentinië (Trb. 1997, 63), Ethiopië (Trb. 2012, 179 en Trb. 2014, 178), Hongkong (Trb. 2010, 198), Koeweit (Trb. 2001, 126), Malawi (Trb. 2015, 75), Nigeria (Trb. 1992, 12), Oeganda (Trb. 2004, 262), Panama (Trb. 2011, 11), Portugal (Trb. 1999, 180), Vietnam (Trb. 1995, 61) en Zambia (Trb. 2015, 113) eerder al een dergelijke termijn van zes maanden overeengekomen. Nederland heeft met de opname van montagewerkzaamheden en toezichthoudende werkzaamheden in deze bepaling eerder onder meer ingestemd in de verdragen met Ghana (Trb. 2008, 109), Zuid-Afrika (Trb. 2006, 6 en Trb. 2008, 147) en in de hierboven genoemde verdragen met Argentinië, Koeweit, Malawi, Oeganda, Vietnam en Zambia.
In onderdeel b van het derde lid is, eveneens op verzoek van Thailand, bepaald dat het verlenen van diensten door werknemers van een onderneming van de ene verdragsluitende staat in de andere verdragsluitende staat gedurende meer dan zes maanden (voor hetzelfde of een verbonden project) in enige periode van twaalf maanden bij wijze van fictie leidt tot een vaste inrichting. Met deze bepaling is aansluiting gezocht bij artikel 5, derde lid, onderdeel b, van het VN-modelverdrag (2011-versie). Soortgelijke bepalingen zijn door Nederland bijvoorbeeld ook overeengekomen met Argentinië (Trb. 1997, 63), China (Trb. 2013, 104), Koeweit (Trb. 2001, 126), Malawi (Trb. 2015, 75), Panama (Trb. 2011, 11), Portugal ( Trb. 1999, 180), Vietnam (Trb. 1995, 61) en Zambia (Trb. 2015, 113)
Ingevolge het zesde lid, onderdeel a, worden activiteiten (die langer duren dan dertig dagen) van nauw verbonden ondernemingen samengeteld om te bepalen of de tijdsdrempel van het derde lid, onderdeel a, is overschreden. Met deze bepaling wordt beoogd te voorkomen dat op kunstmatige wijze contracten worden opgesplitst om zo de kwalificatie als vaste inrichting op grond van het derde lid, onderdeel a, te voorkomen. Deze bepaling is gebaseerd op een voorstel uit het rapport bij BEPS-actie 7 en is opgenomen in artikel 14 van het MLI.
Het vierde, vijfde en zesde lid, onderdeel b, bevatten bepalingen, in aansluiting bij het in onderdeel 2.6.3 van de NFV 2011 uiteengezette beleid, die betrekking hebben op de aanwezigheid in een verdragsluitende staat van een vaste inrichting met betrekking tot zogenoemde ‘werkzaamheden buitengaats’ (offshore activities).
Ingevolge het vierde lid wordt een vaste inrichting aanwezig geacht wanneer gedurende een periode van ten minste dertig dagen (in een periode van twaalf maanden) werkzaamheden worden verricht in het gebied binnen en buiten en grenzend aan de territoriale zee van een verdragsluitende staat waarbinnen die staat krachtens internationaal recht rechtsmacht of soevereine rechten mag uitoefenen. In overeenstemming met hetgeen hierover is opgemerkt in onderdeel 4.4 van de NFV 2020 is overeengekomen dat deze uitbreiding van het vaste-inrichtingsbegrip ook geldt voor de toepassing van artikel 15 van het Verdrag (niet-zelfstandige arbeid). Daarom is in het vierde lid geen uitzondering opgenomen voor de toepassing van artikel 15, tweede lid, van het Verdrag. Hiermee wordt vooral beoogd de belastingheffing te waarborgen over het loon van werknemers die voor - in dit geval - Thaise ondernemingen op het Nederlandse continentale plat werken.
Ingevolge het vijfde lid wordt de uitdrukking ‘werkzaamheden buitengaats’ voor de toepassing van het vierde lid geacht niet te omvatten:
a. (een combinatie van) werkzaamheden als bedoeld in het zevende lid;
b. sleep- of ankerwerkzaamheden die worden verricht met schepen die in de eerste plaats hiervoor zijn ontworpen en andere activiteiten verricht door dergelijke schepen;
c. het vervoer van voorraden of personeel door schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer.
Ingevolge het zesde lid, onderdeel b, worden bij elkaar behorende werkzaamheden van verbonden ondernemingen samengeteld om te bepalen of de tijdsdrempel van het vierde lid, in verbinding met het vijfde lid, is overschreden.
Het zevende lid omschrijft een aantal situaties waarin geen vaste inrichting aanwezig wordt geacht. In overeenstemming met het rapport bij BEPS-actie 7 en artikel 5, vierde lid, van het OESO-modelverdrag is vereist dat deze werkzaamheden van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpactiviteit hebben.
Het achtste lid bevat een bepaling die bedoeld is om te voorkomen dat activiteiten op kunstmatige wijze worden verspreid over nauw verbonden ondernemingen om daarmee te bereiken dat deze activiteiten onder een van de uitzonderingen van het zevende lid vallen. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 5, lid 4.1, van het OESO-modelverdrag en het voorstel voor een dergelijke antifragmentatiebepaling in het rapport bij BEPS-actie 7.
Ingevolge het negende lid wordt een onderneming geacht over een vaste inrichting te beschikken als een voor die onderneming werkzame persoon, anders dan een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het tiende lid, gemachtigd is om namens die onderneming in een verdragsluitende staat overeenkomsten af te sluiten en dat recht gewoonlijk uitoefent. Werkzaamheden die beperkt blijven tot activiteiten die vallen onder de reikwijdte van het zevende lid zijn uitgezonderd.
De in het negende en tiende lid opgenomen bepalingen komen overeen met de bepalingen die waren opgenomen in artikel 5, vijfde en zesde lid, van het OESO-modelverdrag zoals dat luidde vóór de aanpassingen op 21 november 2017 naar aanleiding van het BEPS-project (dus de 2014-versie van het OESO-modelverdrag dus) en zijn opgenomen op verzoek van Nederland. Hiermee sluiten deze leden aan bij de voorbehouden die door Nederland zijn gemaakt bij artikel 12 van het MLI dat betrekking heeft op de aanpassingen van de bepalingen over de afhankelijke en de onafhankelijke vertegenwoordiger (zie ook het algemeen deel van de toelichting).
Het elfde lid bevat een definitie van ‘nauw met een onderneming verbonden persoon of onderneming’. Deze definitie is van belang bij de uitleg van het zesde en achtste lid van dit artikel.
Het twaalfde lid bepaalt dat de enkele omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een verdragsluitende staat, een lichaam beheerst dat in de andere verdragsluitende staat is gevestigd, dan wel in die andere staat door middel van een vaste inrichting of anderszins zaken doet, niet meebrengt dat een van deze lichamen een vaste inrichting vormt van het andere lichaam.
Artikel IV van het Protocol bepaalt dat exploratie- en exploitatierechten ter zake van natuurlijke rijkdommen buitengaats van een verdragsluitende staat, met inbegrip van een belang bij dergelijke rechten, worden aangemerkt als onroerende zaken die zijn gelegen in die staat en geacht worden te behoren tot de activa van een vaste inrichting in die staat. Hiermee wordt zeker gesteld dat inkomsten die uit dergelijke rechten worden verkregen en winst die wordt behaald met de vervreemding van dergelijke rechten, ter belastingheffing toekomen aan de staat waarin de natuurlijke rijkdommen zijn gelegen.
Artikel 6 van het Verdrag ziet op inkomen uit onroerende zaken. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 6 van het OESO-modelverdrag.
Het eerste lid bepaalt dat inkomen dat een inwoner van een verdragsluitende staat krijgt uit onroerende zaken (inkomsten uit landbouw- of bosbedrijven daaronder begrepen) gelegen in de andere verdragsluitende staat, in die andere staat mogen worden belast.
Ingevolge het tweede lid heeft de uitdrukking ‘onroerende zaken’ de betekenis onder het recht van de verdragsluitende staat waarin de onroerende zaken zijn gelegen. Het tweede lid bevat verder een opsomming van hetgeen in ieder geval tot de onroerende zaken behoort en enkele zaken die nadrukkelijk niet als onroerende zaken worden beschouwd. Op verzoek van Thailand is het woord ‘(binnen)schepen’ toegevoegd.
Ingevolge het derde lid zijn de bepalingen van het eerste lid van overeenkomstige toepassing op inkomen verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, het verhuren of elke andere vorm van exploitatie van onroerende zaken.
Ingevolge het vierde lid zijn de bepalingen van het eerste en derde lid ook van toepassing op inkomen uit onroerende zaken van een onderneming.
Voor de toelichting op artikel IV van het Protocol wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5 van het Verdrag.
Artikel 7 van het Verdrag betreft de verdeling van heffingsrechten over de winsten van een onderneming van een verdragsluitende staat. Het uitgangspunt hierbij is dat de winsten van een onderneming van een verdragsluitende staat slechts in de andere verdragsluitende staat mogen worden belast, voor zover die winsten aan een vaste inrichting in die andere staat zijn toe te rekenen. Tijdens de onderhandelingen heeft Nederland, in lijn met het verdragsbeleid, ingezet op de 2010-versie van artikel 7 van het OESO-modelverdrag (die overeenkomt met de 2017-versie). Thailand hanteert zelf nog de 2008-versie van het OESO-modelverdrag. In het kader van het onderhandelingsresultaat is Nederland akkoord gegaan met het overnemen van de 2008-versie van het OESO-modelverdrag in het eerste tot en met vierde lid en het zesde tot en met achtste lid.
Het vijfde lid is opgenomen op aandringen van Thailand. Thailand heeft dit lid nodig om de Thaise nationale wetgeving (meer in het bijzonder de zogenoemde Customary Method) te kunnen toepassen bij het bepalen van de kosten van de vaste inrichting in gevallen waarin de Thaise belastingdienst over onvoldoende informatie beschikt over die kosten. Thailand neemt hierbij wel het arm’s-length-beginsel (zie onderdeel II.9 van deze toelichtende nota) als uitgangspunt.
Voor een toelichting op artikel IV van het Protocol wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5 van het Verdrag.
Artikel 8 van het Verdrag bevat bepalingen voor de verdeling van heffingsrechten over winsten uit internationale scheep- en luchtvaartactiviteiten.
Op grond van het eerste lid wordt de winst behaald met de exploitatie van luchtvaartuigen in internationaal verkeer ter belastingheffing toegewezen aan de verdragsluitende staat waarvan de persoon die de desbetreffende onderneming drijft inwoner is. Deze bepaling sluit aan bij de actuele versie van het OESO-modelverdrag. Sinds de aanpassing op 21 november 2017 gaat het OESO-modelverdrag uit van de toedeling van de heffingsrechten aan de staat waarvan de vervoersondernemer inwoner is en niet langer aan de staat waarin een vervoersonderneming feitelijk wordt geleid. In het verlengde hiervan is er minder behoefte aan het opnemen in het Verdrag van een bijzondere bepaling over de positie van KLM N.V. die, zoals opgemerkt in onderdeel 2.6.5 van de NFV 2011, Nederland pleegt op te nemen indien voor de verdeling van heffingsrechten wordt uitgegaan van de plaats van werkelijke leiding van de vervoersonderneming.
In het tweede lid is, zoals ook in het Verdrag van 1975, op verzoek van Thailand een gedeeltelijke bronstaatheffing opgenomen voor wat betreft de winst behaald met de exploitatie van schepen in internationaal verkeer. Deze heffing moet wel worden verminderd met 50% ten opzichte van de heffing op basis van de nationale wet. Die vermindering is in zoverre in lijn met de regeling in het Verdrag van 1975. In het kader van het onderhandelingresultaat is hiermee ingestemd, maar op verzoek van Nederland is deze heffing ook nog beperkt tot 1,5% van het brutoinkomen dat wordt behaald in de bronstaat.
Op grond van het derde lid gelden het eerste en tweede lid tevens voor winst verkregen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer door middel van deelneming in een poolovereenkomst of deelname in een gemeenschappelijke onderneming of internationaal opererend agentschap. Het derde lid komt overeen met het tweede lid van artikel 8 van het OESO-modelverdrag.
Artikel 9 van het Verdrag bevat het zogenoemde arm’s-length-beginsel voor grensoverschrijdende transacties tussen gelieerde ondernemingen en komt geheel overeen met artikel 9 van het OESO-modelverdrag. Het arm’s-length-beginsel houdt in dat gelieerde ondernemingen voor fiscale doeleinden geacht worden transacties aan te gaan onder dezelfde voorwaarden als niet-gelieerde ondernemingen zouden zijn aangegaan. Bij de vaststelling of sprake is van zakelijke voorwaarden, gelden de door de OESO opgestelde ‘Transfer pricing guidelines for multinational enterprises and tax administrations’ als leidraad. Deze OESO-richtlijnen vormen een uitwerking van het arm’s-length-beginsel dat is neergelegd in artikel 9 van het OESO-modelverdrag en dat nader wordt toegelicht in het commentaar op dat artikel.
Het eerste lid bevat de hoofdregel. Ingeval tussen gelieerde ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden overeengekomen die afwijken van die welke tussen niet-gelieerde ondernemingen zouden worden overeengekomen, mag de winst die één van de gelieerde ondernemingen als gevolg van die afwijkende voorwaarden niet heeft behaald in de winst van die onderneming worden begrepen en dienovereenkomstig worden belast.
Op grond van het tweede lid dient een verdragsluitende staat, indien een transactie tussen verbonden ondernemingen leidt tot belastingheffing in de andere verdragsluitende staat over een winstcorrectie, in beginsel (dat wil zeggen als het de correctie gerechtvaardigd acht) op passende wijze de belastingheffing te herzien.
Artikel 10 van het Verdrag betreft de verdeling van heffingsrechten over dividenden. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 10 van het OESO-modelverdrag, maar wijkt op enkele onderdelen daarvan inhoudelijk af (dit betreft het tweede, achtste en negende lid).
Ingevolge het eerste lid mogen dividenden die worden betaald door een lichaam dat inwoner is van één van beide verdragsluitende staten aan een inwoner van de andere staat, in die andere staat worden belast.
Het tweede lid wijst echter ook een heffingsrecht toe aan de vestigingsstaat (de ‘bronstaat’) van het dividenduitkerende lichaam. Het heffingsrecht voor de bronstaat is beperkt tot 10% van het brutodividend in het geval van Thailand en tot 15% van het brutodividend in het geval van Nederland indien de uiteindelijk gerechtigde tot het dividend inwoner is van de andere verdragsluitende staat. Hiermee is aangesloten bij het Thaise dividendbelastingtarief van 10% en het Nederlandse dividendbelastingtarief (15%), conform onderdeel 4.5.1 van de NFV 2020.
Op grond van het derde lid kunnen de bevoegde autoriteiten onderling afspraken maken over de toepassing van het tweede lid. Indien die regeling wordt vastgelegd in een verdrag kan dit beschouwd worden als een uitvoeringsverdrag dat op grond van artikel 7, aanhef, onderdeel b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring behoeft, behoudens het bepaalde in artikel 8 van die rijkswet.
Ingevolge het vierde lid laten de bepalingen van het tweede lid de belastingheffing over de winst waaruit de dividenden worden betaald onverlet.
De in het vijfde lid opgenomen definitie van dividenden is gebaseerd op de in artikel 10, derde lid, van het OESO-modelverdrag opgenomen definitie.
Het zesde lid bepaalt dat niet de bepalingen van het eerste, tweede en negende lid, maar de bepalingen van de artikelen 7 of 14 van toepassing zijn op dividenden die worden betaald op aandelen en andere belangen die behoren tot het vermogen van een vaste inrichting of vast middelpunt, van de uiteindelijke gerechtigde tot dividenden, gelegen in de verdragsluitende staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is.
Het zevende lid bevat het verbod op extraterritoriale belastingheffing. Dit verbod houdt in dat een verdragsluitende staat geen belasting mag heffen over winsten uitgekeerd door een in de andere staat gevestigd lichaam, ook al bestaan deze winsten uit voordelen of inkomsten die uit de eerstbedoelde staat afkomstig zijn, behoudens als die dividenden zijn toe te rekenen aan een vaste inrichting of vast middelpunt in die staat of worden ontvangen door inwoners van die staat.
Het achtste lid bevat op verzoek van Thailand een bepaling met het oog op de al in onderdeel I.3.1 van deze toelichtende nota genoemde (Thaise) ‘branch profits tax’: een bronheffing op winstuitkeringen vanuit vaste inrichtingen naar de andere verdragsluitende staat. Deze bronheffing mag het percentage genoemd in het tweede lid niet te boven gaan. Deze bepaling is Thais verdragsbeleid waarvan Thailand niet kan afwijken. Deze bepaling is in elk ander Thais belastingverdrag opgenomen en was een van de nadrukkelijkste wensen van Thailand. Nederland heeft de bepaling geaccepteerd in het kader van het algehele onderhandelingsresultaat.
Het negende lid bevat op verzoek van Nederland een bepaling voor dividenden ontvangen door geëmigreerde aanmerkelijkbelanghouders. Conform het Nederlandse verdragsbeleid, zoals toegelicht in onderdeel 4.6 van de NFV 2020, zet Nederland erop in na emigratie van een aanmerkelijkbelanghouder het heffingsrecht te kunnen effectueren over dividenden, respectievelijk vermogenswinsten, uit aanmerkelijk belang die de belichaming vormen van de winstreserves (van het lichaam waarin het aanmerkelijk belang wordt gehouden) ter zake waarvan de conserverende aanslag is opgelegd (de zogenoemde ‘aanmerkelijkbelangclaim’). Op basis van deze wederkerig geformuleerde bepaling mag Nederland bij uitkering van een aanmerkelijkbelangdividend na emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder tot het bedrag dat openstaat op de conserverende aanslag die bij de emigratie is vastgesteld het nationale tarief voor inkomen uit aanmerkelijk belang (25%) toepassen, in plaats van het verdragstarief voor dividenden van 15%. Van belang hierbij is dat ingevolge het negende lid wordt uitgegaan van de vestigingsplaats van het lichaam dat de dividenden betaalt volgens de nationale wetgeving van, in dit geval, Nederland. De bepaling is dus ook van toepassing op dividenden die worden betaald door een lichaam dat, bijvoorbeeld bij gelegenheid van de emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder, volgens artikel 4 van het Verdrag inwoner is geworden van Thailand. Om dubbele Nederlandse heffing over dezelfde winstreserves te voorkomen, wordt de belasting die wordt geheven over het na emigratie uitgekeerde dividend afgeboekt op de bij emigratie opgelegde conserverende aanslag.
Artikel V van het Protocol bepaalt dat inkomen dat worden genoten uit de (gedeeltelijke) liquidatie van een lichaam, of uit de inkoop van eigen aandelen, voor de toepassing van het Verdrag worden aangemerkt als dividend en niet als vermogenswinst. Hiermee wordt aangesloten bij het in onderdeel 4.7 van de NFV 2020 uiteengezette beleid.
Artikel 11 van het Verdrag betreft de verdeling van heffingsrechten over interest. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 11 van het OESO-modelverdrag en bevat een beperkt heffingsrecht voor de staat waaruit betaalde interest afkomstig is (bronstaat). Voor een aantal in het derde lid omschreven situaties is echter een uitsluitende woonstaatheffing overeengekomen.
Ingevolge het eerste lid mag interest die opkomt in één van beide verdragsluitende staten en wordt betaald aan een inwoner van de andere staat, in die andere staat worden belast.
Het tweede lid wijst ook een heffingsrecht toe aan de verdragsluitende staat waaruit de interest afkomstig is, maar deze staat dient zijn heffing te beperken tot een maximum van 10% van de bruto-interest als de interest betaald wordt aan een financiële instelling (een verzekeringsmaatschappij daaronder begrepen) en een maximum van 15% in alle andere gevallen.
Op grond van het derde lid kunnen de bevoegde autoriteiten onderling afspraken maken over de toepassing van het tweede lid. Indien die regeling wordt vastgelegd in een verdrag kan dit beschouwd worden als een uitvoeringsverdrag dat op grond van artikel 7, aanhef, onderdeel b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring behoeft, behoudens het bepaalde in artikel 8 van die rijkswet.
Het vierde lid bevat op gezamenlijk initiatief en in aansluiting bij het commentaar op artikel 11 van het OESO-modelverdrag voor een aantal situaties een uitsluitende woonstaatheffing. Het gaat hier om rente die wordt betaald aan de overheid en erkende pensioenfondsen. Wat voor Thailand en Nederland in dat verband wordt verstaan onder overheid is uitgewerkt in de onderdelen a, respectievelijk b, van het vierde lid. Voor beide staten valt de centrale bank onder dit begrip, alsook ministeries en departementen, plaatselijke publiekrechtelijke lichamen en entiteiten die voor 100% eigendom zijn van, of geleid worden door, de overheid. Daarnaast vallen voor Thailand enkele met naam genoemde door de overheid geleide banken hieronder. Voorts is er een mogelijkheid om door middel van onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten de lijst uit de breiden met andere instellingen. Tot slot kunnen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten overeenkomen welke erkende pensioenfondsen onder deze bepaling vallen. Indien die overeenkomst wordt vastgelegd in een verdrag kan dit beschouwd worden als een uitvoeringsverdrag dat op grond van artikel 7, aanhef, onderdeel b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring behoeft, behoudens het bepaalde in artikel 8 van die rijkswet.
Het vijfde lid bevat een grotendeels OESO-conforme definitie van het begrip ‘interest’, met dien verstande dat op verzoek van Thailand een aanvullende definitie is toegevoegd die aansluit bij de nationale belastingwetgeving, omdat Thailand die nodig heeft om op grond van de nationale wet te kunnen heffen.
Het zesde lid bepaalt dat niet de bepalingen van het eerste lid maar de bepalingen van de artikelen 7 of 14 van toepassing zijn op interest die wordt betaald op schuldvorderingen die behoren tot het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting of vast middelpunt waarover de uiteindelijke gerechtigde (tot die interest) beschikt in de verdragsluitende staat van waaruit de interest afkomstig is.
Het zevende lid geeft aan uit welke verdragsluitende staat interest geacht wordt afkomstig te zijn. In beginsel is dat de verdragsluitende staat waarvan de betaler van de interest inwoner is. Voorts wordt de interest geacht afkomstig te zijn uit de verdragsluitende staat waarin een vaste inrichting of vast middelpunt is gelegen waaraan de geldlening waarover de interest wordt betaald, kan worden toegerekend, ongeacht of de persoon die de vaste inrichting of het vaste middelpunt heeft inwoner is van een verdragsluitende staat.
Ten slotte bepaalt het achtste lid dat de bepalingen van artikel 11 slechts van toepassing zijn voor zover de op een schuldvordering betaalde interest overeenkomt met de interest die tussen onafhankelijke partijen overeengekomen zou zijn, alsmede dat een bovenmatig gedeelte van die interest in het voorkomende geval, rekening houdende met de overige bepalingen van het Verdrag, belastbaar is overeenkomstig de nationale wetgeving van ieder van de verdragsluitende staten.
Voor een toelichting op de artikel VI van het Protocol wordt verwezen naar de toelichting op artikel 4 van het Verdrag.
Artikel 12 van het Verdrag betreft de verdeling van heffingsrechten over royalty’s. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 12 van het OESO-modelverdrag en bevat (in afwijking van het OESO-modelverdrag maar in overeenstemming met het Verdrag van 1975) een beperkt heffingsrecht voor de verdragsluitende staat waaruit betaalde royalty’s afkomstig zijn (bronstaat). Voor Thailand was het belangrijk om met betrekking tot royalty’s een heffingsrecht voor de bronstaat op te nemen. In het kader van het algehele onderhandelingsresultaat heeft Nederland hiermee ingestemd, waarbij ten opzichte van het Verdrag van 1975 een lager tarief is afgesproken voor bepaalde categorieën royalty’s.
Ingevolge het eerste lid mogen royalty’s die afkomstig zijn uit één van beide verdragsluitende staten en die worden betaald aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat, in die andere staat worden belast.
Het tweede lid wijst ook een heffingsrecht toe aan de verdragsluitende staat waaruit de royalty’s afkomstig zijn (bronstaat), maar deze staat dient zijn heffing te beperken tot een maximum van 5% van de brutoroyalty’s die worden betaald voor het gebruik, of het recht tot gebruik, van copyright of literair, kunstzinnig of wetenschappelijk werk en 10% van de brutoroyalty’s in alle andere gevallen, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty’s inwoner is van de andere verdragsluitende staat.
Op grond van het derde lid kunnen de bevoegde autoriteiten onderling afspraken maken over de toepassing van het tweede lid. Indien die regeling wordt vastgelegd in een verdrag kan dit beschouwd worden als een uitvoeringsverdrag dat op grond van artikel 7, aanhef, onderdeel b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring behoeft, behoudens het bepaalde in artikel 8 van die rijkswet.
In het vierde lid is een definitie opgenomen van het begrip ‘royalty’s’. Op verzoek van Thailand is een ruime definitie van het begrip royalty’s opgenomen ten opzichte van de OESO-definitie, gebaseerd op de omschrijving die in artikel 12, derde lid, van het VN-modelverdrag wordt gegeven. De definitie is ten opzichte van het Verdrag uit 1975 uitgebreid tot vergoedingen voor het gebruik van apparatuur. Tevens valt, in overeenstemming met het Verdrag van 1975 en het VN-modelverdrag, het recht van gebruik van bioscoopfilms of beeld- of geluidsbanden voor televisie of radio onder het begrip ‘royalty’s’. In het kader van het algehele onderhandelingsresultaat heeft Nederland met deze wensen van Thailand ingestemd.
Ingevolge het vijfde lid zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op betaalde royalty’s die verband houden met rechten of zaken die behoren tot het vermogen van een vaste inrichting of vast middelpunt waarover de uiteindelijk gerechtigde tot de royalty’s beschikt in de verdragsluitende staat waaruit de royalty’s afkomstig zijn. In dat geval zijn de bepalingen van de artikelen 7 of 14 van toepassing.
Het zesde lid geeft aan uit welke verdragsluitende staat royalty’s geacht worden afkomstig te zijn. In beginsel is dat de verdragsluitende staat waarvan de betaler van de royalty’s inwoner is. Als echter de betaler van de royalty’s, ongeacht of hij inwoner is van een verdragsluitende staat, een vaste inrichting heeft in een verdragsluitende staat waaraan het recht of de zaak, uit hoofde waarvan de royaltybetaling wordt gedaan, kan worden toegerekend, worden de royalty’s geacht afkomstig te zijn uit de verdragsluitende staat waarin de vaste inrichting of het vaste middelpunt is gelegen.
Ten slotte bepaalt het zevende lid dat de bepalingen van artikel 12 slechts van toepassing zijn voor zover de royaltybetaling overeenkomt met een royaltybetaling die tussen onafhankelijke partijen overeengekomen zou zijn, alsmede dat een bovenmatig gedeelte van een royaltybetaling in het voorkomende geval, rekening houdende met de overige bepalingen van het Verdrag, belastbaar is overeenkomstig de nationale wetgeving van elk van de verdragsluitende staten.
Artikel 13 van het Verdrag heeft betrekking op de verdeling van heffingsrechten over vervreemdingswinsten. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 13 van het OESO-modelverdrag maar bevat enkele uitzonderingen op de bronstaatheffing over vervreemdingswinsten ter zake van aandelen in zogenoemde onroerendezaakvennootschappen (tweede lid). Verder bevat het zesde lid, in afwijking van het OESO-modelverdrag maar in grote lijnen in aansluiting bij het Verdrag van 1975, een bepaling die ziet op vervreemdingswinsten van geëmigreerde aanmerkelijkbelanghouders.
Het eerste lid wijst het heffingsrecht over de voordelen die een inwoner van een verdragsluitende staat behaalt met de vervreemding van een onroerende zaak die is gelegen in de andere verdragsluitende staat, toe aan die andere staat. Voor het begrip ‘onroerende zaak’ is aangesloten bij de in artikel 6 van het Verdrag opgenomen omschrijving daarvan.
Het tweede lid bevat, op verzoek van Nederland, nadat Thailand eerst een algemene bronheffing wilde toevoegen op vervreemdingswinsten over aandelen, een met artikel 13, vierde lid, van het OESO-modelverdrag vergelijkbare bepaling. Op grond van deze bepaling geldt een bronstaatheffing voor winsten behaald, door een inwoner van een van de verdragsluitende staten, met de vervreemding van aandelen in zogenoemde onroerendezaakvennootschappen (vennootschappen die hun waarde voor meer dan 50% ontlenen aan in een verdragsluitende staat - de situsstaat- gelegen onroerende zaken). Zoals verwoord in onderdeel 4.8 van de NFV 2020 is het de inzet van Nederland voor het heffingsrecht over winsten behaald met de vervreemding van aandelen uit te gaan van een uitsluitende toewijzing aan de woonstaat van de vervreemder, ongeacht de aard van de vermogensbestanddelen van de vennootschap. In het kader van het algehele onderhandelingsresultaat was Nederland ertoe bereid om deze bepaling op te nemen met twee inperkingen van het heffingsrecht voor de situsstaat. Dit was voor Thailand aanvaardbaar. Bepaald is dat vervreemdingswinsten behaald met de vervreemding van aandelen - niet zijnde aandelen die zijn genoteerd aan een erkende effectenbeurs (eerste inperking van het heffingsrecht van de situsstaat) - ter heffing zijn toegewezen aan de situsstaat indien meer dan 50% van de waarde van de aandelen (direct of indirect) in een vennootschap wordt bepaald door in de situsstaat gelegen onroerende zaken (onroerendezaakvennootschap). Daarbij zijn de vervreemdingswinsten echter slechts belastbaar in de woonstaat indien de aandelen worden vervreemd door een erkend pensioenfonds (tweede inperking van het heffingsrecht van de situsstaat).
Het derde lid bepaalt dat voordelen die worden verkregen door een onderneming van de ene verdragsluitende staat uit de vervreemding van roerende zaken die behoren tot het vermogen van een vaste inrichting van die onderneming in de andere verdragsluitende staat, of van een vast middelpunt in die andere staat, mogen worden belast in de staat waarin de vaste inrichting, respectievelijk het vaste middelpunt, is gelegen.
Ingevolge het vierde lid zijn, in lijn met artikel 8 van het Verdrag (scheep- en luchtvaart), de voordelen van een onderneming van een verdragsluitende staat uit de vervreemding van schepen en luchtvaartuigen die in het internationale verkeer worden geëxploiteerd, en van roerende zaken die bij die exploitatie worden gebruikt, toegewezen aan de verdragsluitende staat waarvan de persoon die de desbetreffende onderneming drijft inwoner is.
Ingevolge het vijfde lid zijn de vervreemdingswinsten die niet zijn genoemd in het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel, ter heffing toegewezen aan de verdragsluitende staat waarvan de vervreemder inwoner is.
Ten slotte bevat het zesde lid op verzoek van Nederland een bepaling voor vervreemdingswinsten genoten door geëmigreerde aanmerkelijkbelanghouders, zoals toegelicht in de onderdelen 4.6.1 en 4.6.2 van de NFV 2020. Thailand kon niet instemmen met het in genoemd onderdeel 4.6.2 beschreven streven dat in het Verdrag wordt geregeld dat de immigratiestaat een zogenoemde ‘step-up’ verleent voor de waardeaangroei gedurende de binnenlandse periode tot het moment direct voorafgaande aan emigratie zodat Thailand de aan Nederland toerekenbare waardegroei niet in de belastingheffing betrekt; wel zal Thailand, in de positie van woonstaat, op het moment dat Nederland daadwerkelijk heft over na emigratie uitgekeerd dividend een verrekening verlenen.
Voor een toelichting op de artikelen IV, V en VI van het Protocol wordt verwezen naar de toelichting op de artikelen 5, 10, respectievelijk 4 van het Verdrag.
Artikel 14 van het Verdrag ziet op de verdeling van de heffingsrechten inzake voordelen uit de uitoefening van een vrij beroep of van andere werkzaamheden van zelfstandige aard. Nederland volgt in beginsel het OESO-modelverdrag, waarin deze bepaling in 2000 is komen te vervallen, met de overweging dat deze voordelen al vallen onder de reikwijdte van de artikelen 5 en 7 van het Verdrag. Thailand hechtte echter aan opname van deze bepaling die overeenkomt met de tekst van het VN-modelverdrag en Nederland heeft daarmee uiteindelijk ingestemd.
Ingevolge het eerste lid komt het heffingsrecht over het inkomen uit zelfstandige werkzaamheden toe aan de woonstaat van de belastingplichtige. Een exclusief heffingsrecht komt echter toe aan de verdragsluitende staat waar de zelfstandige werkzaamheden worden verricht (de bronstaat), ingeval aldaar over een vast middelpunt wordt beschikt en voor zover de winst daaraan kan worden toegerekend (onderdeel a) of ingeval aldaar meer dan 183 dagen in een tijdvak van twaalf maanden zelfstandige werkzaamheden worden verricht (onderdeel b). In het tweede lid is een definitie opgenomen van het begrip vrij beroep.
De verdeling van heffingsbevoegdheden met betrekking tot inkomen uit dienstbetrekking (niet-zelfstandige arbeid) is geregeld overeenkomstig de internationaal - en ook in het Nederlandse verdragsbeleid gehanteerde - gebruikelijke uitgangspunten. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15 van het OESO-modelverdrag.
Het eerste lid voorziet in een heffingsrecht over salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen voor de staat waar de niet-zelfstandige werkzaamheden worden verricht.
Het tweede lid voorziet daarentegen in een exclusief heffingsrecht voor de woonstaat van de werknemer als wordt voldaan aan drie (cumulatieve) voorwaarden:
a. het verblijf van de werknemer in de werkstaat is in totaal niet langer dan 183 dagen in een twaalfmaandsperiode die begint of eindigt in het betrokken belastingjaar;
b. de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner is van de werkstaat; en
c. de beloning komt niet ten laste van een vaste inrichting of vast middelpunt van de werkgever in de werkstaat.
Als aan één of meer van deze drie voorwaarden niet wordt voldaan, mag de werkstaat volgens de regels van het eerste lid belasting heffen over de salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen van de werknemer. Het doel van deze bepaling is om de fiscale positie van werknemers die voor een beperkte periode werkzaam zijn in een ander land dan het woonland niet te veranderen en de werknemer en werkgever extra administratieve lasten te besparen die zouden voortvloeien uit een belastingplicht in de werkstaat.
Op grond van het derde lid is de beloning van werknemers die hun dienstbetrekking uitoefenen aan boord van een schip of een luchtvaartuig ingezet in het internationale verkeer uitsluitend belastbaar in de woonstaat van de werknemer.
Artikel 16 van het Verdrag ziet op directeursbeloningen en is gebaseerd op artikel 16 van het OESO-modelverdrag.
Beloningen ontvangen door een inwoner van een verdragsluitende staat in zijn hoedanigheid van bestuurder van een lichaam mogen worden belast in de staat waarvan het lichaam inwoner is. Omdat Thailand en Nederland verschillende directeursbegrippen en beloningsbegrippen hanteren is ervoor gekozen om net zoals in het Verdrag van 1975 in het artikel een onderscheid te maken tussen twee situaties.
Het eerste lid bepaalt dat directeursbeloningen en andere soortgelijke betalingen ontvangen door een inwoner van Nederland in de hoedanigheid van bestuurder van een lichaam dat inwoner is van Thailand belast mogen worden in Thailand.
In het tweede lid heeft betrekking op de omgekeerde situatie. In afwijking van het eerste lid en het OESO-modelverdrag wordt daarbij de term ‘andere beloningen’ gehanteerd in plaats van ‘andere soortgelijke betalingen’. Hiermee wordt buiten twijfel gesteld dat ook beloningsvormen zoals vergoedingen in natura en aandelenopties onder deze bepaling vallen. Ook wordt in dit lid geregeld dat voor lichamen in Nederland het directeursbegrip naast de bestuurders ook de leden van de raad van commissarissen (ofwel degenen die zijn belast met het toezicht op de raad van bestuur) bevat.
Artikel 17 van het Verdrag ziet op de inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars en komt, behoudens het derde lid, inhoudelijk overeen met artikel 17 van het OESO-modelverdrag. Conform onderdeel 2.12 van de NFV 2011 heeft Nederland voorgesteld geen afzonderlijke bepaling voor artiesten en sportbeoefenaars op te nemen, maar voor hun inkomen aan te knopen bij de bepalingen voor inkomsten uit onderneming of uit dienstbetrekking. Thailand hechtte echter aan opname van deze specifieke bepaling en Nederland heeft daarmee ingestemd.
Het eerste lid wijst het heffingsrecht over het inkomen toe aan de verdragsluitende staat waarin de artiesten en sportbeoefenaars hun activiteiten ontplooien.
Het tweede lid ziet op de situatie waarin het inkomen voor de persoonlijke werkzaamheden van artiesten en sportbeoefenaars als zodanig niet aan henzelf toekomt maar aan een andere persoon. Het inkomen mag in dat geval ook worden belast door de verdragsluitende staat waarin de werkzaamheden worden verricht. Deze bepaling heeft betrekking op bijvoorbeeld betalingen aan management- of artiestenvennootschappen (zogenoemde ‘star-companies’) of aan gezelschappen.
Op het beginsel van belastingheffing in de werkstaat van het eerste en het tweede lid maakt het derde lid een uitzondering. Het inkomen mag slechts in de woonstaat van de artiest of sportbeoefenaar worden belast, als diens bezoek aan de andere verdragsluitende staat in belangrijke mate wordt gefinancierd uit overheidsfondsen van de verdragsluitende woonstaat van de artiest of sportbeoefenaar, of uit fondsen van een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.
In lijn met onderdeel 2.11.1 van de NFV 2011 heeft Nederland ingezet op een onbeperkte bronstaatheffing voor pensioenen, lijfrenten en socialezekerheidsuitkeringen.12 Thailand kon hier direct mee instemmen, omdat ook onder het Verdrag van 1975 een bronstaatheffing voor pensioenen en lijfrenten was beoogd. Deze was echter moeilijk te effectueren. Voor de nieuwe tekst is aangesloten bij het VN-modelverdrag. Ten opzichte van het Verdrag van 1975 is bovendien overeengekomen dat Nederland mag heffen over Nederlandse socialezekerheidsuitkeringen (en uiteraard, omgekeerd, Thailand over Thaise socialezekerheidsuitkeringen). Dit was in het Verdrag van 1975 niet bepaald waardoor dubbele belasting kon ontstaan in het geval dat in Nederland bijvoorbeeld loonheffing was ingehouden over een AOW-uitkering van een inwoner van Thailand en deze tevens door Thailand in de heffing werd betrokken. Hierbij moet worden bedacht dat in het Verdrag van 1975 geen restartikel is opgenomen.
Omdat een onbeperkte bronstaatheffing voor pensioenen is overeengekomen, wordt in het Verdrag geen onderscheid gemaakt wat betreft de toewijzing van het heffingsrecht tussen privaatrechtelijke pensioenen en overheidspensioenen.
Het eerste lid bepaalt dat pensioenen en andere soortgelijke beloningen, lijfrenten en andere uitkeringen betaald krachtens de bepalingen van de socialezekerheidswetgeving aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat slechts belastbaar zijn in de woonstaat.
Op grond van het tweede lid geldt echter dat pensioenen en andere soortgelijke beloningen, lijfrenten en uitkeringen betaald krachtens de bepalingen van desocialezekerheidswetgeving ook mogen worden belast in de bronstaat waaruit deze afkomstig zijn.
Het derde lid bevat de definitie van de uitdrukking ‘lijfrente’, namelijk: een vaste som, periodiek betaalbaar op vaste tijdstippen, hetzij gedurende het leven, hetzij gedurende een vastgesteld of voor vaststelling vatbaar tijdvak, ingevolge een verbintenis tot het doen van betalingen, die tegenover een voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde staat.
Artikel VII, eerste lid, van het Protocol regelt welke van de twee verdragsluitende staten kan worden aangemerkt als de bronstaat van een pensioen, andere soortgelijke beloning of van een lijfrente. De bronstaat is de verdragsluitende staat waar de opbouw van het desbetreffende pensioen, andere soortgelijke beloning of lijfrente in aanmerking is gekomen voor fiscale faciliteiten, dat wil zeggen een aftrek voor pensioen- of lijfrentepremies of een vrijstelling voor pensioenaanspraken. Deze bepaling verduidelijkt ook dat door de overdracht van pensioenkapitaal naar een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij in een andere staat het heffingsrecht van de verdragsluitende staat waar het pensioenkapitaal tot dan toe was ondergebracht, niet wordt aangetast.
Artikel VII, tweede lid, van het Protocol bevestigt dat ook afkoopsommen van pensioenen, andere soortgelijke beloningen of lijfrenten ook volgens de bepalingen van dit artikel mogen worden belast in de bronstaat.
Deze bepaling regelt de toewijzing van het heffingsrecht over salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen die worden ontvangen door een natuurlijk persoon vanwege werkzaamheden die (in dienstverband) voor de overheid zijn verricht. Volgens het eerste lid, onderdeel a, mogen deze inkomsten worden belast in de verdragsluitende staat die deze salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen betaalt (de zogenoemde kasstaat).
Het eerste lid, onderdeel b, maakt op deze kasstaatheffing een uitzondering. De verdragsluitende staat waarin de werkzaamheden daadwerkelijk worden verricht (werkstaat) heeft het heffingsrecht indien de werknemer inwoner is van de werkstaat en tevens de nationaliteit heeft van die staat, of niet alleen inwoner van die staat is geworden om daar werk te verrichten voor de overheid van de andere staat. Deze uitzondering strekt ertoe zogenoemde lokaal aangeworven medewerkers van bijvoorbeeld een ambassade enkel in hun woonstaat belastingplichtig te laten zijn in plaats van ook in de staat bij wiens ambassade zij werkzaam zijn.
Ingevolge het tweede lid geldt de in het eerste lid opgenomen heffingsrechtverdeling niet voor salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen die worden ontvangen voor werkzaamheden die worden verricht voor een door de overheid gedreven onderneming. In dat geval gelden andere artikelen van het Verdrag: artikel 15 (Niet-zelfstandige arbeid), artikel 16 (Directeursbeloningen), artikel 17 (Artiesten en sportbeoefenaars) of artikel 18 (Pensioenen, lijfrenten en socialezekerheidsuitkeringen).
Omdat een bronstaatheffing voor pensioenen, lijfrenten en socialezekerheidsuitkeringen is overeengekomen, is, in lijn met onderdeel 2.11.2 van de NFV 2011, in artikel 19 geen bepaling opgenomen voor overheidspensioenen.
Artikel 20 van het Verdrag ziet op vergoedingen aan studenten of stagiairs. Indien een student of een stagiair een opleiding volgt in de ene verdragsluitende staat en inwoner is (of direct voor zijn vertrek naar de eerstgenoemde staat inwoner was) van de andere verdragsluitende staat, dan mag de eerstgenoemde staat de vergoedingen die de student of stagiair ontvangt voor zijn onderhoud, studie of opleiding niet belasten als deze vergoedingen afkomstig zijn uit bronnen buiten die staat. De bepaling komt overeen met artikel 20 van het OESO-modelverdrag.
Artikel 21 van het Verdrag verdeelt het heffingsrecht over inkomsten ter zake waarvan het heffingsrecht niet in de voorgaande artikelen van het Verdrag is behandeld (‘overig inkomen’). In lijn met het OESO-modelverdrag bepaalt het eerste lid dat het heffingsrecht over deze inkomsten, ongeacht de herkomst ervan, exclusief toekomt aan de verdragsluitende staat waar de ontvanger van die inkomsten woont. Een dergelijk artikel - ook wel ‘restartikel’ genoemd - ontbreekt in het Verdrag van 1975.
Ingevolge het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing op inkomen dat voortvloeit uit rechten of zaken die behoren tot het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting of op inkomen uit zelfstandige arbeid verricht vanuit een vast middelpunt. De belastingheffing over dat inkomen volgt uit artikel 7 of artikel 14 van het Verdrag, tenzij het inkomen betreft uit onroerende zaken in de zin van artikel 6. In dat geval is artikel 6 van toepassing.
Artikel 22 van het Verdrag geeft aan op welke manier beide verdragsluitende staten dubbele belasting vermijden. Het eerste lid is een algemene bepaling. Het tweede lid bepaalt hoe Thailand voorziet in het vermijden van dubbele belasting voor inkomen of winst genoten door een inwoner van Nederland die volgens het Verdrag (ook) in Nederland mag worden belast. Het derde lid bepaalt hoe Nederland, in lijn met het verdragsbeleid, voorziet in het vermijden van dubbele belasting voor inkomsten genoten door een inwoner van Nederland die volgens het Verdrag (ook) in Thailand mogen worden belast.
Uit het eerste lid volgt dat wanneer inkomen of winst in beide verdragsluitende staten zijn onderworpen aan belastingheffing, vermindering ter vermijding van dubbele belasting zal worden verleend volgens de methoden uiteengezet in de daaropvolgende leden.
Het tweede lid geeft aan dat als een inwoner van Thailand inkomen of winst ontvangt dat volgens dit Verdrag mag worden belast in Nederland, Thailand vermindering ter vermijding van dubbele belasting verleent. Thailand hanteert hierbij de verrekeningsmethode op basis van de zogenoemde ordinary-credit-methode, waarbij Thailand niet meer aftrek verleent dan de Thaise belasting die toerekenbaar is aan het inkomen dat belast mag worden door Nederland.
Uit het derde lid, onderdeel a, volgt expliciet dat Nederland de inkomsten die ook in Thailand mogen worden belast in de grondslag mag betrekken waarnaar de Nederlandse belasting wordt geheven. Dit betreft het Nederlandse grondslagvoorbehoud.
Het derde lid, onderdeel b, bepaalt vervolgens dat voor de daar genoemde inkomsten belastingvermindering wordt verleend volgens de vrijstellingsmethode. Met betrekking tot de vennootschapsbelasting wordt daarbij het volgende opgemerkt. Met ingang van 1 januari 2012 is in afdeling 2.10a Wet Vpb 1969 de zogenoemde objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten opgenomen. Toegespitst op het onderhavige Verdrag wordt op basis van deze objectvrijstelling bij een belastingplichtige met winst uit Thailand de winst verminderd met de positieve en de negatieve bedragen van de winst uit Thailand die op basis van het Verdrag mede aan Thailand ter heffing is toegewezen en waarvoor Nederland op basis van de onderhavige bepaling voor positieve bedragen een vrijstelling dient te verlenen. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, houdt dit in dat door de objectvrijstelling de desbetreffende uit Thailand afkomstige (en aan Thailand ter heffing toegewezen) winsten per saldo geen deel meer uitmaken van de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde grondslag waarover de vennootschapsbelasting wordt geheven. Daarom behoeft de in het derde lid, onderdeel b, opgenomen vrijstellingsmethode hierop geen toepassing meer te vinden en wordt door de toepassing van de objectvrijstelling in feite voorzien in het vermijden van dubbele belastingheffing. Aangezien de objectvrijstelling niet geldt voor de inkomstenbelasting blijft de in het derde lid, onderdeel b, opgenomen vrijstellingsmethode onverkort van belang voor de in dit onderdeel bedoelde inkomsten van natuurlijke personen.
Het derde lid, onderdeel c, bevat een aanvulling op de vrijstellingsmethode. Op grond van deze bepaling is Nederland niet gehouden de vrijstellingsmethode toe te passen voor inkomen dat op basis van de bepalingen van het Verdrag door Thailand wordt vrijgesteld of tegen een lager tarief wordt belast op grond van artikel 10, tweede lid, artikel 11, tweede lid, of artikel 12, tweede lid. In dat geval zijn de bepalingen van het derde lid, onderdeel d, (verrekeningsmethode) van toepassing. Deze bepaling is gebaseerd op een voorstel uit het rapport bij BEPS-actie 2 en is in lijn met de keuze die Nederland op dit punt bij het MLI heeft gemaakt.
In het derde lid, onderdeel d, is neergelegd dat Nederland bij het vermijden van dubbele belasting over winst behaald met een in Thailand gelegen vaste inrichting de verrekeningsmethode hanteert in plaats van de vrijstellingsmethode, indien op grond van de vermijdingsregelingen in de Nederlandse regelgeving die methode toepassing vindt bij het vermijden van dubbele belasting over dat inkomen. Dit is de zogenoemde ‘zwartegatenbepaling’. Zo is bij de hiervoor beschreven objectvrijstelling bepaald dat de objectvrijstelling niet geldt voor winst uit een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 15g Wet Vpb 1969; in dat geval wordt voorzien in een verrekening van de op die winst drukkende buitenlandse belasting op grond van de in artikel 23d van die wet getroffen regeling. Door het opnemen van dit onderdeel kan Nederland deze in de Nederlandse wetgeving opgenomen regeling ter vermijding van dubbele belasting ook in relatie tot Thailand toepassen.
In het derde lid, onderdeel e, wordt ten slotte voor andere inkomsten waarover Thailand belasting mag heffen, uitgewerkt dat Nederland in die gevallen een aftrek ter vermijding van dubbele belasting verleent volgens de verrekeningsmethode met evenredigheidslimiet. Dit geldt, kort gezegd, voor passieve inkomsten, zoals dividenden, interest en royalty’s, maar ook voor bepaalde vervreemdingswinsten, bestuurdersinkomsten, inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars, afkoopsommen van pensioenen en dergelijke waarvoor een bronstaatheffing geldt. Voorts wordt in onderdeel f van dit derde lid expliciet vastgelegd dat het Verdrag niet afdoet aan de toepassing van de in de Nederlandse regelgeving vastgelegde ‘gezamenlijke methode’ en voortwentelingsmogelijkheden bij de verrekening van, in dit geval, Thaise belasting.
Artikel 23 van het Verdrag is gebaseerd op de in het OESO-modelverdrag opgenomen non-discriminatiebepaling.
Op aandringen van Thailand heeft Nederland afgezien van een bepaling, die onderdeel is van het Nederlandse verdragsbeleid, over, kort gezegd, de gelijke behandeling van pensioenpremies die worden betaald aan een pensioenfonds in de andere verdragsluitende staat. Voor Thailand was deze bepaling problematisch omdat een dergelijke gelijke behandeling praktisch lastig uitvoerbaar zou zijn.
Het eerste lid bevat het verbod op fiscale discriminatie naar nationaliteit.
In het tweede lid is een bepaling opgenomen voor zogenoemde staatloze personen.
Uit het derde lid volgt dat een verdragsluitende staat een vaste inrichting van een door een inwoner van de andere verdragsluitende staat gedreven onderneming niet ongunstiger mag behandelen dan de ondernemingen van de ‘eigen’ inwoners. Deze staat is evenwel niet verplicht persoonlijke aftrekken en dergelijke te verlenen.
In het vierde lid is vastgelegd dat voor de fiscale aftrekbaarheid van de daarin bedoelde vergoedingen geen onderscheid gemaakt mag worden naar de woonplaats van de crediteur.
Het vijfde lid verbiedt dat ondernemingen van een verdragsluitende staat, waarvan het kapitaal geheel of ten dele onmiddellijk of middellijk in bezit is van of wordt beheerst door één of meer inwoners van de andere verdragsluitende staat, in eerstbedoelde staat aan een andere of zwaardere belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting worden onderworpen dan waaraan andere soortgelijke ondernemingen van eerstbedoelde staat zijn of kunnen worden onderworpen.
Ingevolge het zesde lid is de toepassing van dit artikel niet beperkt tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is.
Artikel 24 van het Verdrag bevat de procedure voor onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten om moeilijkheden op te lossen die mochten rijzen bij de toepassing van het Verdrag. De bepaling volgt in grote lijnen artikel 25 van het OESO-modelverdrag en is in overeenstemming met de minimumstandaard uit het rapport bij BEPS-actie 14 (‘Making Dispute Resolution Mechanisms More Effective’). Een belangrijke afwijking van artikel 25 van het OESO-modelverdrag is dat in het onderhavige artikel een bepaling over arbitrage ontbreekt. Hierop wordt hierna nader ingegaan.
Het eerste lid bepaalt dat een belastingplichtige een verzoek kan indienen voor onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten indien volgens de belastingplichtige sprake is van een belastingheffing in strijd met het Verdrag. Een belastingplichtige kan dit verzoek indienen in de verdragsluitende staat waarvan hij inwoner is of, indien het geval ziet op de nationaliteitsclausule in het non-discriminatie-artikel, in de verdragsluitende staat waarvan hij de nationaliteit heeft. Nederland zal Thailand notificeren wanneer een verzoek tot onderlinge overlegprocedure wordt afgewezen. Dit is in overeenstemming met de minimumstandaard van het BEPS-project. Op grond van de tweede zin van het eerste lid moet het verzoek worden ingediend binnen drie jaar nadat de maatregel die mogelijk belastingheffing in strijd met het belastingverdrag tot gevolg heeft voor het eerst bekendgemaakt is aan de belastingplichtige.
Het tweede lid bevat een inspanningsverplichting voor de bevoegde autoriteiten om - indien het verzoek gegrond voorkomt - in onderling overleg eventuele belastingheffing die in strijd is met het belastingverdrag weg te nemen. In de tweede zin is de verplichting opgenomen voor verdragsluitende staten om niettegenstaande de termijnen in de nationale wetgeving de uitkomst van een procedure voor onderling overleg te implementeren.
Het derde lid bepaalt dat de bevoegde autoriteiten in onderling overleg moeilijkheden en twijfelpunten die ontstaan bij de uitleg en toepassing van een belastingverdrag weg kunnen nemen. In een voorkomend geval kan daarbij sprake zijn van een uitvoeringsverdrag dat op grond van artikel 7, aanhef, onderdeel b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring behoeft, behoudens het bepaalde in artikel 8 van die rijkswet. Uit de tweede zin volgt verder dat bevoegde autoriteiten ook in overleg kunnen treden bij situaties van dubbele belastingheffing die niet in het belastingverdrag zijn geregeld.
Het vierde lid bepaalt dat de bevoegde autoriteiten direct met elkaar kunnen communiceren om de in de voorgaande leden bedoelde overeenstemming te bereiken. Een niet-inhoudelijke afwijking van het OESO-modelverdrag betreft het achterwege laten van de verduidelijking dat bevoegde autoriteiten ook via een gezamenlijk comité met elkaar kunnen overleggen. Een dergelijke vorm van overleg is echter in de overeengekomen tekst niet uitgesloten.
Zoals hiervoor al is opgemerkt, bevat artikel 24 van het verdrag niet een arbitragebepaling, zoals opgenomen in artikel 24, vijfde lid, van het OESO-modelverdrag. Overeenkomstig het in onderdeel 2.17.1 van de NFV 2011 uiteengezette verdragsbeleid heeft Nederland tijdens de onderhandelingen uiteraard wel ingezet op verplichte en bindende arbitrage, maar Thailand was niet bereid om een dergelijke bepaling op te nemen.
Artikel 25 van het Verdrag biedt de verdragsluitende staten de mogelijkheid om op verzoek, automatisch of spontaan informatie uit te wisselen. Het artikel komt overeen met artikel 26 van het OESO-modelverdrag en is in lijn met het Nederlandse verdragsbeleid en de internationale standaard zoals die wordt gestimuleerd en gewaarborgd in het kader van het ‘Global Forum for Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes’.13
Het artikel is ingevolge artikel VII van het Protocol ook van toepassing op de Nederlandse inkomensafhankelijke regelingen (‘de toeslagen’).
Het eerste lid van artikel 25 bepaalt welke informatie de verdragsluitende staten dienen uit te wisselen. Met de verwijzing naar informatie die ‘voorzienbaar relevant’ is voor de toepassing van de bepalingen uit het Verdrag of de administratie of de handhaving van nationale wetgeving op het gebied van belasting van elke soort of omschrijving, is beoogd de uitwisseling van informatie een zo ruim mogelijk bereik te geven. Dit is ook zo verwoord in paragraaf 5 van het OESO-commentaar op artikel 26 van het OESO-modelverdrag. Doordat artikel 25 van het Verdrag door de uitbreiding in artikel IX van het Protocol ook betrekking heeft op de inkomensafhankelijke regelingen, heeft de informatie-uitwisselingsbepaling in de verdragsrelatie tussen Thailand en Nederland een nog ruimer bereik dan artikel 26 van het OESO-modelverdrag. Ook is in lijn met artikel 26 van het OESO-modelverdrag de uitwisseling van informatie niet beperkt tot informatie ten aanzien van inwoners van de verdragsluitende staten of tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is. Opgemerkt wordt dat de bepaling over de uitwisseling van informatie ook betrekking heeft op informatie van vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag, mits de uitwisseling plaatsvindt nadat de bepaling van toepassing wordt. Hierbij wordt gewezen op paragraaf 10.3 van het OESO-commentaar op artikel 26 van het OESO-modelverdrag.
Het tweede lid regelt hoe de verdragsluitende staat die informatie ontvangt van de andere verdragsluitende staat met deze informatie dient om te gaan. Ook is bepaald dat de informatie alleen mag worden vrijgegeven aan bepaalde personen of autoriteiten belast met specifieke taken. Het tweede lid bepaalt verder dat de informatie ook voor andere (niet fiscale) doeleinden mag worden gebruikt, mits dat wettelijk is toegestaan in beide landen en de bevoegde autoriteiten dit toestaan. In dit verband wordt opgemerkt dat voor Nederland Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119) (hierna: AVG) relevant is. De AVG kent twee basisprincipes in relatie tot internationale gegevensuitwisseling: er moet een juridische grondslag zijn voor de gegevensuitwisseling en de betrokken partijen zijn verplicht om passende waarborgen te bieden ter bescherming van persoonsgegevens. Uitgangspunt is dat persoonsgegevens slechts worden doorgegeven naar een land buiten de Europese Unie indien dat land een passend beschermingsniveau waarborgt.
In Thailand is het recht op gegevensbescherming verankerd in de Personal Data Protection Act B.E. 2562 die van toepassing is geworden in juni 2022. Deze wet wordt beschouwd als vergelijkbaar met de AVG en de belangrijkste beginselen die aan deze wet ten grondslag liggen zijn in hoge mate geïnspireerd door de AVG. Deze wet verplicht om toestemming te vragen bij het gebruik van persoonsgegevens en deze alleen te gebruiken voor de doeleinden waarvoor toestemming is gegeven. Deze wet verplicht daarnaast om te notificeren bij datalekken en regelt onder meer het recht op toegang tot data, recht op rectificatie, het recht op het wissen van gegevens en het recht op bezwaar tegen gegevensgebruik. Ongeacht het beschermingsniveau in Thailand is de uitwisseling van gegevens onder omstandigheden ook toegestaan indien deze uitwisseling noodzakelijk is vanwege gewichtige redenen van algemeen belang.
De uitwisseling van gegevens bij het ontbreken van een passend beschermingsniveau is ook toegestaan indien deze uitwisseling noodzakelijk is vanwege gewichtige redenen van algemeen belang waaronder de gegevensuitwisseling tussen belastingdiensten met het oog op de aanpak van belastingontduiking en -ontwijking. Relevant is ook dat Thailand zich heeft gecommitteerd aan de OESO-standaarden voor uitwisseling van informatie en gegevensbescherming doordat Thailand sinds 1 april 2022 partij is bij het op 25 januari 1988 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (Trb. 1991, 4) (hierna: WABB-verdrag). Voordat een staat partij kan worden bij het WABB-verdrag vindt er een beoordeling plaats door experts van de OESO en het Global Forum for Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes om te toetsen of die voldoet aan de internationale standaarden omtrent de dataprotectie. In deze toetsing wordt onder meer gekeken naar vertrouwelijkheid en het waarborgen van de rechten van belastingplichtigen. Pas indien een staat slaagt voor deze proef kan die staat partij worden bij het WABB-verdrag en zal er gegevensuitwisseling onder dat verdrag plaatsvinden.
Het derde lid geeft aan onder welke omstandigheden een verdragsluitende staat geen informatie hoeft te verstrekken aan de andere verdragsluitende staat. Een verdragsluitende staat is bij de inspanningen om de informatie te verschaffen allereerst niet gehouden om bestuurlijke maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving of bestuurlijke praktijk van die of van de andere verdragsluitende staat. Een verdragsluitende staat is ook niet gehouden informatie uit te wisselen die niet verkrijgbaar is volgens de wetgeving of in de normale bestuurlijke gang van zaken van die verdragsluitende staat of van de andere staat. Verder vallen bedrijfsgeheimen buiten de toepassing van de informatie-uitwisselingsbepaling en hoeft ook geen informatie uitgewisseld te worden als dat in strijd zou zijn met de openbare orde.
Het vierde lid brengt expliciet tot uitdrukking dat de aangezochte staat de gevraagde informatie niet kan weigeren op grond van het feit dat die staat deze informatie niet nodig heeft voor de eigen belastingheffing.
Tot slot bepaalt het vijfde lid dat het enkele feit dat informatie in het bezit is van bijvoorbeeld een bank, een andere financiële instelling of een zaakwaarnemer, of dat de informatie betrekking heeft op eigendomsverhoudingen, geen reden is voor de aangezochte staat om de gevraagde informatie niet te verstrekken aan de verzoekende staat.
In artikel VIII van het Protocol wordt bepaald dat de bevoegde autoriteiten met elkaar in overleg kunnen treden over de toepassing van artikel 25 van het Verdrag. Indien die regeling wordt vastgelegd in een verdrag kan dit beschouwd worden als een uitvoeringsverdrag dat op grond van artikel 7, aanhef, onderdeel b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring behoeft, behoudens het bepaalde in artikel 8 van die rijkswet.
In artikel IX van het Protocol wordt bepaald dat artikel 25 ook van toepassing is op de Nederlandse inkomensafhankelijke regelingen: de toeslagen. Dit geldt ook voor artikel 26.
Artikel 26 van het Verdrag bewerkstelligt dat beide verdragsluitende staten elkaar bijstand bij invordering van uitstaande belastingschulden verlenen. Het artikel is nieuw ten opzichte van het Verdrag van 1975 en komt overeen met artikel 27 van het OESO-modelverdrag. De bepaling geldt op grond van artikel IX van het Protocol ook voor de Nederlandse inkomensafhankelijke regelingen (‘de toeslagen’). Op het moment van onderhandelen was het voor Thailand nog niet mogelijk om uitvoering te geven aan dit artikel. Op initiatief van Nederland is de tekst toch alvast opgenomen in het Verdrag, waarbij in artikel 30, tweede lid, is geregeld dat het artikel toepassing vindt zodra Thailand de benodigde nationale wetgeving heeft ingevoerd om aan artikel 26 uitvoering te kunnen geven.
Het eerste lid bevat het principe dat een verdragsluitende staat verplicht is de andere verdragsluitende staat bij te staan bij invordering. Net als het geval is bij de uitwisseling van informatie, is de bijstand bij invordering niet beperkt tot belastingschulden van inwoners van de verdragsluitende staten en evenmin tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is. Ook is de bijstand in beginsel niet beperkt wat betreft de hoogte van de belastingschuld. In afwijking van onderdeel 2.16.2 van de NFV 2011 is namelijk geen doelmatigheidsgrens opgenomen. Hierbij is wel van belang dat in het achtste lid een algemene proportionaliteitstoets is opgenomen voor bijstand bij invordering, overeenkomstig het OESO-modelverdrag.
Het tweede lid bepaalt wat voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder een ‘belastingvordering’. Dit begrip kan betrekking hebben op vorderingen met betrekking tot belastingen van elke soort of omschrijving die zijn opgelegd door een verdragsluitende staat, of zijn staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen, mits de belastingheffing niet in strijd is met het Verdrag of een ander instrument waarbij de verdragsluitende staat partij is. Het begrip ‘belastingvordering’ is niet beperkt tot de belastingen genoemd in artikel 2 van het Verdrag, zoals volgt uit het eerste lid. Verder heeft het begrip betrekking op rente, bestuurlijke boetes en kosten voor de invordering met betrekking tot de belastingen waarop de invordering ziet.
De bepaling over de bijstand bij invordering heeft ook betrekking op belastingvorderingen of vorderingen met betrekking tot toeslagen die al bestaan voor de inwerkingtreding van dit Verdrag. Voorwaarde is wel dat de bijstand wordt verleend nadat de bepaling van toepassing wordt. Hierbij wordt gewezen op paragraaf 14 van het OESO-commentaar op artikel 27 van het OESO-modelverdrag.
Het derde lid beschrijft de voorwaarden waaronder een verzoek tot bijstand bij invordering dient te worden verleend; de belastingvordering dient invorderbaar te zijn in de verzoekende staat en dient verschuldigd te zijn door een persoon die dit op dat moment, onder het recht van de verzoekende staat, niet (juridisch) kan verhinderen.
Het vierde lid bevat regels om de belastingvordering te waarborgen. Het lid bepaalt dat een verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen van de bevoegde autoriteit van een verdragsluitende staat, die volgens zijn eigen recht conservatoire maatregelen mag nemen ter behoud van de belastingclaim, door de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat wordt geaccepteerd. Deze staat neemt vervolgens conservatoire maatregelen overeenkomstig de bepalingen van zijn eigen wetgeving. Dit geldt zelfs als de belastingclaim (nog) niet invorderbaar is.
Het vijfde lid bepaalt dat de tijdslimieten, zoals verjaringstermijnen, van de verdragsluitende staat die een verzoek om bijstand bij invordering heeft geaccepteerd, niet gelden voor de betreffende belastingvordering en dat de belastingschuld niet ingevorderd kan worden door middel van het in hechtenis nemen wegens schuld van de schuldenaar. Ook volgt uit het vijfde lid dat een verdragsluitende staat aan de belastingvorderingen van de andere verdragsluitende staat geen (lagere) prioritering mag geven ten opzichte van eigen belastingvorderingen.
Het zesde lid stelt zeker dat in de verdragsluitende staat die een verzoek om bijstand bij invordering heeft ontvangen niet geprocedeerd kan worden over het bestaan of de hoogte van de belastingvordering.
Het zevende lid bepaalt dat de verdragsluitende staat die een verzoek om bijstand bij invordering heeft ingediend, de andere verdragsluitende staat op de hoogte stelt als de belastingvordering niet meer invorderbaar is of dat conservatoire maatregelen niet meer mogelijk zijn volgens de nationale wetgeving van de eerstgenoemde staat.
Het achtste lid beschrijft situaties waarbij een verdragsluitende staat niet gehouden is bijstand bij invordering te verlenen. Als de bijstand desalniettemin wordt verleend, is dat overigens niet in strijd met artikel 26 van het Verdrag. In de eerste plaats beschrijft het achtste lid dat een verdragsluitende staat niet gehouden is maatregelen te nemen die verder gaan dan de eigen nationale wetgeving of administratieve praktijk, of de wetgeving of administratieve praktijk van de andere verdragsluitende staat. Dit doet niet af aan het vijfde lid, op grond waarvan nationale tijdslimieten van de verdragsluitende staat die een verzoek om bijstand bij invordering heeft ontvangen, niet van toepassing zijn. In de tweede plaats is een verdragsluitende staat niet gehouden maatregelen te nemen die in strijd zijn met de openbare orde. De bijstand bij invordering hoeft in de derde plaats ook niet verleend te worden als de verzoekende staat bij de invordering of zekerstelling niet alle redelijke maatregelen heeft genomen op grond van de wetgeving of administratieve praktijk van die staat. Tot slot is een verdragsluitende staat niet gehouden bijstand bij invordering te verlenen als het duidelijk is dat de administratieve last niet proportioneel is in verhouding tot het potentiële voordeel van de andere verdragsluitende staat.
In artikel IX van het Protocol wordt bepaald dat artikel 26, net als artikel 25, ook van toepassing is op de Nederlandse inkomensafhankelijke regelingen: de toeslagen.
Artikel 27 ziet op de toepassing van het Verdrag in relatie tot leden van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post. Het bepaalt, conform artikel 27 van het OESO-modelverdrag, dat fiscale voorrechten toegekend aan leden van een diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post op grond van internationaal recht of internationale overeenkomsten, niet worden aangetast door het onderhavige Verdrag.
In het rapport van BEPS-actie 6 (‘Preventing the Granting of Treaty Benefits in Inapproriate Circumstances’) is een minimumstandaard opgenomen om verdragsmisbruik tegen te gaan. Aan deze minimumstandaard kan worden voldaan door in een belastingverdrag een zogenoemde principal purposes test (hierna: PPT) op te nemen. Het rapport bij BEPS-actie 6 bevat ook een alternatieve wijze waarop aan de minimumstandaard kan worden voldaan, maar zoals aangegeven in de brief van 28 oktober 2016 over de Nederlandse positie bij het MLI, heeft Nederland een voorkeur voor de PPT. 14
In het eerste lid is de PPT opgenomen. Op grond van deze bepaling worden verdragsvoordelen niet toegekend indien het verkrijgen van een verdragsvoordeel één van de voornaamste redenen was voor een constructie of transactie die tot dat voordeel heeft geleid, tenzij wordt vastgesteld dat het toekennen van dat voordeel - rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden - in overeenstemming is met het doel en de strekking van de relevante bepalingen uit het Verdrag. De PPT richt zich dus op een specifieke transactie of constructie en niet zozeer op de persoon die bij een transactie of constructie betrokken is. De laatste zin betreft een consultatiebepaling die betrekking heeft op de toepassing van het eerste lid (PPT). Op grond van deze bepaling consulteert de bevoegde autoriteit die voornemens is een verdragsvoordeel te weigeren de bevoegde autoriteit van de andere verdragsluitende staat. Deze consultatieverplichting kan een bijdrage leveren aan een eenduidige toepassing door beide staten van de bepaling en waarborgen dat de relevante feiten en omstandigheden over een voorgelegde situatie voldoende kenbaar zijn.
Het tweede lid bevat een vangnetbepaling in lijn met het tekstvoorstel dat is opgenomen in paragaaf 184 van het Commentaar op artikel 29 van het OESO-modelverdrag (entitlement to benefits). De bevoegde autoriteit van de staat waarvan verdragsvoordelen worden gevraagd (veelal de bronstaat) kan - op verzoek van de belastingplichtige en rekening houdend met de relevante feiten en omstandigheden - toch verdragsvoordelen toekennen als de bevoegde autoriteit vaststelt dat deze verdragsvoordelen bij afwezigheid van de transactie of constructie bedoeld in het eerste lid ook gegeven zouden zijn.
Het derde lid bevat een beperking van de verdragsvoordelen met betrekking tot inkomensbestanddelen die niet overgemaakt zijn naar Thailand. Krachtens Thaise wetgeving worden inkomsten en vermogenswinsten van natuurlijke personen onder omstandigheden alleen in de Thaise belastingheffing betrokken als zij in het jaar dat ze opkomen zijn overgemaakt naar, of zijn ontvangen in Thailand. Dit is het zogeheten ’remittance’-principe. Om te voorkomen dat dergelijke inkomsten en vermogenswinsten in voorkomende gevallen op grond van het Verdrag ook in Nederland bij de belastingheffing buiten aanmerking zouden blijven, is overeengekomen dat Nederland slechts gehele of gedeeltelijke vermindering van belasting hoeft te verlenen voor dat deel van de inkomsten of vermogenswinsten dat feitelijk naar Thailand is overgemaakt of aldaar is ontvangen en slechts voor zover de inkomsten of vermogenswinsten zijn belast in Thailand. De laatste zin bewerkstelligt, dat ook wanneer een inkomensbestanddeel ná het jaar van opkomst naar Thailand wordt overgemaakt er geen voorkoming wordt gegeven indien dit inkomensbestanddeel in Thailand niet wordt belast. Een vergelijkbare bepaling was opgenomen in het Verdrag uit 1975 en is tevens terug te vinden in de Verdragen met het Verenigd Koninkrijk ( Trb. 2008, 201) Japan ( Trb. 1970, 67), Singapore ( Trb. 1971, 95), Israël ( Trb. 1974, 39), Maleisië (Trb. 1988, 27) en Ghana (Trb. 2008, 109).
Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat het Verdrag - mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan - kan worden uitgebreid tot elk van de Caribische delen van het Koninkrijk. Indien tot uitbreiding wordt overgegaan, behoeft dit een afzonderlijk verdrag dat door het Koninkrijk met Thailand wordt aangegaan ten behoeve van het betreffende Caribische land van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao of Sint Maarten) of het Caribisch deel van Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba). De Caribische landen van het Koninkrijk, die fiscaal autonoom zijn, kunnen overigens ook zelfstandig besluiten om in onderhandeling te treden met Thailand over een belastingverdrag.
Als het Verdrag in overeenstemming met het eerste lid is uitgebreid, dan wordt die uitbreiding op grond van het tweede lid niet automatisch beëindigd als het onderhavige Verdrag wordt beëindigd, tenzij anders overeengekomen.
Artikel 30 regelt de inwerkingtreding van het Verdrag. Als gevolg van het eerste lid zullen de verdragsluitende staten elkaar er schriftelijk van in kennis stellen dat de in hun staat vereiste wettelijke procedures voor de inwerkingtreding van het Verdrag zijn vervuld. Het Verdrag treedt dan in werking op de laatste dag van de maand die volgt op de maand waarin de laatste kennisgeving is ontvangen.
Het tweede lid bepaalt dat artikel 26 (bijstand bij invordering), in afwijking van de rest van het Verdrag, pas toepassing zal vinden nadat Thailand via diplomatieke kanalen Nederland ervan in kennis heeft gesteld dat de benodigde nationale wetgeving om aan dat artikel uitvoering te kunnen geven is ingevoerd.
Als gevolg van het derde lid vindt het Verdrag voor bronbelastingen toepassing op bedragen die worden betaald of ontvangen op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het Verdrag in werking treedt. Voor andere belastingen geldt dat het Verdrag wordt toegepast op belastingjaren en -tijdvakken die beginnen op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het Verdrag in werking treedt.
Het vierde lid bepaalt dat het Verdrag van 1975 niet langer van toepassing zal zijn vanaf het tijdstip dat het Verdrag van toepassing wordt ingevolge het derde lid.
Verzoeken tot onderlinge overlegprocedures die zien op betaalde of ontvangen bedragen (in geval van bronbelastingen) dan wel belastingjaren of -tijdvakken (in andere gevallen) waarop het Verdrag van 1975 nog toepassing vindt, kunnen onder de bepalingen voor onderling overleg van artikel 24 van het (onderhavige) Verdrag worden ingediend. Dit zijn de autoriteiten van Thailand en Nederland onderling overeengekomen tijdens de onderhandelingen.
Het Verdrag wordt in beginsel voor onbepaalde tijd aangegaan. Het Verdrag kan echter door elk van beide verdragsluitende staten, langs diplomatieke weg, worden beëindigd wanneer de kennisgeving van beëindiging is gegeven, kort gezegd, in de eerste helft van een kalenderjaar.
Het eerste lid bepaalt dat alsdan het Verdrag ophoudt van toepassing te zijn op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de kennisgeving van beëindiging is ontvangen, indien de kennisgeving voor 30 juni is ontvangen.
Het tweede lid, onderdeel a, bepaalt dat het Verdrag voor de bronbelastingen ophoudt van toepassing te zijn op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan. Voor andere belastingen geldt ingevolge het tweede lid, onderdeel b, dat het Verdrag ophoudt van toepassing te zijn met ingang van belastingjaren en -tijdvakken die beginnen op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.
Het derde lid bepaalt dat kennisgeving van beëindiging geacht wordt te zijn gedaan door een verdragsluitende staat op de datum van ontvangst van de kennisgeving door de andere verdragsluitende staat.
De Staatssecretaris van Financiën,
De Minister van Buitenlandse Zaken,
In verband met de kabinetswisseling wordt het advies mede namens gezonden aan de Staatssecretaris van Financiën.
In verband met de kabinetswisseling wordt het advies mede namens gezonden aan de Staatssecretaris van Financiën.
Bijlage bij Kamerstukken II 2010/11, 25 087, nr. 27, ter uitvoering van Kamerstukken II 2010/11, 25 087, nr. 8 (motie-Van Vliet).
De keuzes die Nederland en Thailand hebben gemaakt bij het MLI zijn vindbaar op de site van de OESO: https://www.oecd.org/tax/treaties/beps-mli-signatories-and-parties.pdf. Thailand was ten tijde van de onderhandelingen van het Verdrag nog geen partij bij het MLI, maar heeft destijds al de voorgenomen eigen keuzes bij het MLI kenbaar gemaakt zodat die konden worden meegenomen in de onderhandelingen. Thailand is net als Nederland lid van het ‘Inclusive Framework’ van landen dat zich heeft aangesloten bij de BEPS-maatregelen.
Zie ook het amendement-Lodders/Slootweg op de goedkeuringswet bij het MLI, Kamerstukken II 2018/19, 34 853, nr. 8.
OECD (2015), Preventing the Granting of Treaty Benefits in Inappropriate Circumstances, Action 6 Final Report, OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project, OECD Publishing, Paris.
Ingevolge artikel IX van het Protocol (zie onderdelen II.25 en II.26 van deze toelichtende nota).
Overigens hebben krachtens het Besluit van 18 juli 2008, nr. CPP2008/1527M, in verdragsstaten gevestigde, aldaar (subjectief) van belasting vrijgestelde pensioenfondsen en non-profit organisaties, alsmede overheidsinstellingen, op basis van wederkerigheid, ook recht op toekenning van de verdragsvoordelen indien het desbetreffende belastingverdrag geen uitdrukkelijke bepaling ter zake bevat.
Register van pensioenfondsen, raadpleegbaar via https://www.dnb.nl/openbaar-register/register-van-pensioenfondsen/
Een algemeen heffingsrecht voor de bronstaat is bijvoorbeeld ook overeengekomen in belastingverdragen van Nederland met Egypte (Trb. 1999, 188), Kroatië (Trb. 2000, 64), Indonesië (Trb. 2002, 33), Mongolië (Trb. 2002, 88), Zuid-Afrika (Trb. 2006, 6), Barbados (Trb. 2006, 269), Jordanië (Trb. 2007, 22), de Verenigde Arabische Emiraten (Trb. 2007, 107), Qatar (Trb. 2008, 112), Bahrein (Trb. 2008, 119), Oman (Trb. 2010, 181), Panama (Trb. 2011, 11) en Ethiopië (Trb. 2012, 179).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-33148.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.