Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2026, 27767 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2026, 27767 | ander besluit van algemene strekking |
De Staatssecretaris van Financiën,
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 67fa van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 11 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, de artikelen 13.3 en 14.3 van de Wet minimumbelasting 2024 en artikel 15a van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968;
Besluit:
Het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst wordt als volgt gewijzigd:
A
Aan paragraaf 1, zesde lid, wordt een alinea toegevoegd, luidende:
Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 30 juli 2026, nr. 2026-14582, (Stcrt. 2026, 27767). De wijzigingen betroffen de paragrafen 22, 23, 28e, 28f en 36 en de toevoeging van de nieuwe paragrafen 28i en 28j. De wijzigingen hielden verband met de implementatie van DAC8 en DAC9, de invoering van beleid voor nieuwe bestuurlijke vergrijpboeten en een tijdelijke regeling voor de eerste aangifteperiode onder de Wet minimumbelasting 2024. Voor het overige zijn enkele actualisaties en redactionele verbeteringen aangebracht.
B
Aan § 22 wordt een zesde lid toegevoegd, luidende:
6. Voor aangifteverzuimen die betrekking hebben op de aangifteplicht, bedoeld in artikel 14.3, van de Wet minimumbelasting 2024, wordt tot en met 31 oktober 2026 geen verzuimboete opgelegd.
C
Aan § 23 wordt een zevende lid toegevoegd, luidende:
7. Voor betaalverzuimen die betrekking hebben op de verplichting om op aangifte te betalen, bedoeld in artikel 14.3, van de Wet minimumbelasting 2024, wordt tot en met 31 oktober 2026 geen verzuimboete opgelegd.
D
§ 28e wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt ‘artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968’ vervangen door ‘artikel 15a van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968’.
2. In het eerste lid wordt ‘artikel 15, vierde lid, van het UBOB 1968’ vervangen door ‘artikel 15a, eerste lid, van het UBOB 1968’.
E
§ 28f wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘artikel 11, eerste, tweede of derde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB)’ vervangen door ‘artikel 11, eerste, tweede, derde of vierde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB)’ en vervalt ‘(artikel 11, eerste, tweede en derde lid, van de WIB)’.
2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.
3. In het tweede lid (nieuw) wordt ‘artikel 11, tweede of derde lid, van de WIB’ vervangen door ‘artikel 11 van de WIB’.
4. Het vierde lid vervalt.
F
Aan hoofdstuk 3 worden twee paragrafen toegevoegd, luidende:
1. Indien het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende is te wijten dat de verplichtingen, bedoeld in artikel 67fa, eerste lid, AWR niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig zijn of worden nagekomen, legt de inspecteur een vergrijpboete op.
2. De hoogte van de vergrijpboete wordt, onverminderd de toepassing van § 6 tot en met 8, in overleg met de vaktechnisch coördinator formeel recht bepaald.
1. Indien het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende is te wijten dat een verplichting als bedoeld in artikel 13.3 van de Wet minimumbelasting 2024 niet, niet tijdig, niet volledig of niet juist is of wordt nagekomen, legt de inspecteur een vergrijpboete op.
2. De hoogte van de vergrijpboete wordt, onverminderd de toepassing van § 6 tot en met 8, in overleg met de vaktechnisch coördinator formeel recht bepaald.
G
§ 36 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid vervalt: ‘Als geen aangifte is gedaan voorafgaand aan het weggebruik, is het vorige lid van toepassing.’.
2. In het vierde lid wordt ‘het voorgaande lid’ vervangen door ‘het tweede lid’.
H
§ 22, zesde lid, vervalt.
I
§ 23, zevende lid, vervalt.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 30 juli 2026
De Staatssecretaris van Financiën, namens deze, M.C. de Graaf Waarnemend hoofddirecteur Fiscale en Juridische zaken
In artikel I, onderdeel A, wordt aan paragraaf 1, zesde lid, een passage toegevoegd ter toelichting op de wijzigingen in dit besluit. Dit besluit wijzigt het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) in verband met de implementatie van de EU-richtlijnen (EU) 2022/25231 (EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing), (EU) 2023/22262 (Directive on Administrative Cooperation; DAC8) en (EU) 2025/8723 (DAC9). Deze richtlijnen verplichten lidstaten tot de automatische uitwisseling van gegevens over cryptoactiva-transacties (DAC8) en de automatische uitwisseling van gegevens uit de zogenoemde bijheffing-informatieaangifte (ten behoeve van een wereldwijde minimumbelasting) (DAC9). De nationale implementatie van deze richtlijnen heeft geleid tot wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB) en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) alsmede tot de invoering (en wijziging) van de Wet minimumbelasting 2024 (WMB 2024).
Nu deze wetten nieuwe informatieverplichtingen en bijbehorende boetegrondslagen bevatten, wordt het BBBB aangepast en aangevuld.
De eerste aangifteperiode onder de WMB 2024 gaat gepaard met internationale implementatie- en systeemtechnische opstartproblemen. Voor het tijdig kunnen doen van de aangifte en het tijdig kunnen betalen op die aangifte zijn groepsentiteiten mede afhankelijk van de tijdige beschikbaarheid van gegevens uit de bijheffing-informatieaangifte.
Artikel I, onderdeel B, voegt een zesde lid toe aan § 22 BBBB. Op grond van dit lid wordt voor aangifteverzuimen die betrekking hebben op de aangifteplicht, bedoeld in artikel 14.3 WMB 2024, tot en met 31 oktober 2026 geen verzuimboete opgelegd.
Artikel I, onderdeel C, voegt een zevende lid toe aan § 23 BBBB. Op grond van dit lid wordt voor betaalverzuimen die betrekking hebben op de betaalplicht, bedoeld in artikel 14.3 WMB 2024, tot en met 31 oktober 2026 geen verzuimboete opgelegd.
Het is niet nodig voor de hiervoor genoemde periode een wijziging in § 28 BBBB door te voeren met betrekking tot het opleggen van een vergrijpboete wegens te late voldoening van de bijheffing. De hiervoor bedoelde internationale implementatie- en systeemtechnische opstartproblemen brengen immers mee dat de belastingplichtige redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, zodat een vergrijpboete reeds om die reden niet aan de orde is.
Artikel I, onderdeel D, wijzigt § 28e. In het opschrift en het eerste lid van § 28e BBBB worden enkele achterhaalde verwijzingen naar artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UBOB 1968) vervangen door verwijzingen naar artikel 15a UBOB 1968.
Met ingang van 1 januari 2025 is artikel 15 UBOB 1968 gewijzigd (zie Stb. 2024, 441). De vergrijpboete die kan worden opgelegd als niet aan de suppletieverplichting is voldaan (voorheen geregeld in artikel 15, vierde en vijfde lid, UBOB 1968), is sindsdien te vinden in artikel 15a UBOB 1968.
De verwijzing in § 28e, eerste lid, BBBB naar artikel 15, eerste lid, UBOB 1968 is, ook na de wijzigingen per 1 januari 2025, juist en wordt daarom niet gewijzigd.
Artikel I, onderdeel E, wijzigt § 28f BBBB.
Voor het niet nakomen van de in artikel 11, eerste lid, WIB bedoelde verplichtingen kon tot 1 januari 2026 een vergrijpboete worden opgelegd van ten hoogste het bedrag van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht (2026: € 27.500). Met ingang van 1 januari 2026 is dit verhoogd naar het bedrag van de zesde categorie (2026: € 1.100.000). Deze verhoging volgt uit de implementatie van DAC8. Alle boetegrondslagen in artikel 11 WIB komen daarmee op hetzelfde niveau.
Artikel 11, vierde lid, WIB voorziet sinds 1 januari 2026 in een boetegrondslag ten aanzien van de informatieverplichtingen uit DAC8. Deze vergrijpboete bedraagt ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht (2026: € 1.100.000). Deze nieuwe boetegrondslag leidt tot aanpassingen in § 28f, eerste en tweede lid (nieuw). De hoogte van de vergrijpboete wordt voor alle in artikel 11 WIB bedoelde vergrijpboeten in overleg met de vaktechnisch coördinator formeel recht bepaald. Dit sluit aan op het boetebeleid voor artikel 11, tweede en derde lid, WIB.
§ 28f, vierde lid, BBBB komt te vervallen. De daarin opgenomen mededeling over een terughoudende toepassing van de vergrijpboete (artikel 11, tweede en derde lid, WIB) heeft door tijdsverloop haar betekenis verloren. Voor het kunnen opleggen van de vergrijpboete moet de inspecteur overtuigend aantonen dat sprake is van opzet of grove schuld. Belanghebbenden hoeven dus niet te vrezen dat de inspecteur hier lichtvaardig zal besluiten tot het opleggen van een vergrijpboete.
Artikel I, onderdeel F voegt aan hoofdstuk 3 BBBB twee nieuwe paragrafen toe. § 28i geeft beleidsregels voor de uitvoering van artikel 67fa AWR waarin, met ingang van 1 januari 2026, de wettelijke bestuurlijke beboeting ter zake van de informatieverplichtingen voor binnenlandse situaties (in het kader van DAC7 en DAC8) is geregeld. Aangezien de WIB enkel ziet op grensoverschrijdende situaties (waarvoor artikel 11 WIB de boetebevoegdheid bevat), is deze nieuwe paragraaf in het BBBB noodzakelijk om te voorzien in beleidsregels voor de handhaving van de parallelle binnenlandse verplichtingen op grond van de AWR. Op grond van artikel 67fa AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
§ 28j geeft uitvoering aan de vergrijpen genoemd in artikel 13.3 WMB 2024, waarin bestuurlijke beboeting ter zake van de in artikel 13.1 WMB 2024 genoemde verplichtingen is geregeld op grond waarvan groepsentiteiten gegevens over de minimumbelasting moeten rapporteren. Tot die verplichtingen behoort de met implementatie van DAC9 ingevoerde verplichting om aan te geven welke delen van de bijheffing-informatieaangifte aan welke andere staten moeten worden verstrekt (artikel 13.1, achtste lid, WMB 2024). Op grond van artikel 13.3 WMB 2024 kan een vergrijpboete worden opgelegd van ten hoogste het bedrag van de zesde onderscheidenlijk vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel I, onderdeel G, wijzigt § 36. In het derde lid van § 36 BBBB vervalt de zin ‘Als geen aangifte is gedaan voorafgaand aan het weggebruik, is het vorige lid van toepassing.’ Deze zin heeft geen zelfstandige betekenis en wordt daarom geschrapt.
In het vierde lid van § 36 BBBB wordt een onjuiste verwijzing hersteld. Het vierde lid bevat een verwijzing naar ‘het voorgaande lid’. Tot en met 31 december 2013 was dit correct. Met ingang van 1 januari 2014 zijn het tweede en derde lid omgewisseld, maar is verzuimd de verwijzing in het vierde lid hierop aan te passen (zie Stcrt. 2013, 35876). Dit wordt nu hersteld.
Artikel I, onderdeel H, laat § 22, zesde lid, BBBB vervallen. Deze wijziging zorgt ervoor dat de periode waarin aangifteverzuimen met betrekking tot de aangifteplicht als bedoeld in artikel 14.3 WMB 2024 niet worden beboet, beperkt blijft tot en met 31 oktober 2026. De toevoeging van § 22, zesde lid, BBBB geeft rekenschap van de internationale implementatie- en systeemtechnische opstartproblemen, maar beoogt van tijdelijke aard te zijn.
Met dit onderdeel wordt die tijdelijkheid bewerkstelligd. Een en ander betekent dus ook dat aangiften die na 31 oktober 2026 worden ingediend, te laat zijn en daarom weer als verzuim kunnen worden beboet.
Artikel I, onderdeel I, laat § 23, zevende lid, BBBB vervallen. Deze wijziging zorgt ervoor dat de periode waarin betaalverzuimen met betrekking tot de betaalplicht als bedoeld in artikel 14.3 WMB 2024 niet worden beboet, beperkt blijft tot en met 31 oktober 2026. De toevoeging van § 23, zevende lid, BBBB geeft rekenschap van de internationale implementatie- en systeemtechnische opstartproblemen, maar beoogt van tijdelijke aard te zijn.
Met dit artikel wordt die tijdelijkheid bewerkstelligd. Een en ander betekent dus ook dat betalingen die na 31 oktober 2026 worden gedaan, te laat zijn en daarom weer als verzuim kunnen worden beboet.
Artikel II regelt de gefaseerde inwerkingtreding van dit besluit. Artikel I, onderdelen A tot en met G, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst. Artikel I, onderdelen H en I, treden in werking met ingang van 1 november 2026, zodat de in § 22, zesde lid, en § 23, zevende lid, BBBB opgenomen tijdelijke bepalingen van rechtswege eindigen.
Vanwege deze gefaseerde inwerkingtreding behoudt het wijzigingsbesluit zijn werking totdat alle onderdelen in werking zijn getreden. Na de volledige inwerkingtreding blijft het besluit materiële rechtsgevolgen houden doordat de wijzigingen blijvend deel uitmaken van het BBBB. Om die reden is geen vervalbepaling opgenomen.
De Staatssecretaris van Financiën, namens deze, M.C. de Graaf Waarnemend hoofddirecteur Fiscale en Juridische zaken
Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022, tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie.
Richtlijn (EU) 2023/2226 van de Raad van 17 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU
Richtlijn (EU) 2025/872 van de Raad van 14 april 2025 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU
Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022, tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie.
Richtlijn (EU) 2023/2226 van de Raad van 17 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU
Richtlijn (EU) 2025/872 van de Raad van 14 april 2025 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-27767.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.