Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2026, 22854 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2026, 22854 | advies Raad van State |
9 juni 2026
2026-0000194735
Aan de Koning
Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met de implementatie van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars (Implementatiewet herstel en afwikkeling verzekeraars)
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 19 maart 2026, nr. 2026000605, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 29 april 2026, nr. W06.26.00072/III, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft U hieronder aan.
Bij Kabinetsmissive van 19 maart 2026, no.2026000605, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met de implementatie van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars (Implementatiewet herstel en afwikkeling verzekeraars), met memorie van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.
De waarnemend vice-president van de Raad van State,
G.J.J. Heerma van Vos
Het advies heeft niet geleid tot aanpassingen van het wetsvoorstel. Wel is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een wijziging van artikel 3A:14, zesde lid, Wft aan het wetsvoorstel te voegen. Het betreft een technische correctie van een onvolledige verwijzing binnen het wetsartikel. Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zijn daarop aangepast.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde voorstel van wet en de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Financiën, E. Heinen.
No. W06.26.00072/III
’s-Gravenhage, 29 april 2026
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 19 maart 2026, no.2026000605, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met de implementatie van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars (Implementatiewet herstel en afwikkeling verzekeraars), met memorie van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.
De waarnemend vice-president van de Raad van State, G.J.J. Heerma van Vos.
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter implementatie van Richtlijn (EU) 2025/1 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 en de Verordeningen (EU) nr. 1094/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2017/1129;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten‑Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De Wet op het financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1:1 wordt in de alfabetische volgorde de volgende definitie ingevoegd:
Richtlijn (EU) 2025/1 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 en de Verordeningen (EU) nr. 1094/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2017/1129;
B
In artikel 1:25d, derde lid, onderdeel h, wordt na ‘artikel 3A:50a’ ingevoegd ‘en 3A:121a’.
C
In artikel 1:51, eerste lid, wordt ‘een afwikkelingsautoriteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen’ vervangen door ‘een afwikkelingsautoriteit aangewezen overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen of artikel 3, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars’.
D
Artikel 1:51e komt te luiden:
Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de samenwerking tussen de toezichthouder en de toezichthoudende instanties van andere lidstaten of afwikkelingsautoriteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, en artikel 3, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars en de verstrekking van gegevens of inlichtingen door de toezichthouder aan die toezichthoudende instanties en afwikkelingsautoriteiten.
E
In de titel van afdeling 1.3.3 wordt na ‘toezichthoudende instanties’ ingevoegd ‘en bij afwikkeling betrokken autoriteiten’.
F
In artikel 1:90, eerste lid, aanhef, wordt na ‘richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen’ ingevoegd ‘of een persoon of instantie als bedoeld in artikel 65, tweede lid, onderdeel j, en artikel 66, vierde en vijfde lid, onderdeel c, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars,’.
G
Na artikel 3:57b wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. De Nederlandsche Bank bepaalt op grond van de criteria opgenomen in artikel 5, eerste, tweede, derde lid, eerste alinea, en twaalfde lid, onderdelen a en b, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars of een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, een voorbereidend crisisplan als bedoeld in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, moet opstellen dat actueel wordt gehouden en maatregelen bevat die de verzekeraar in staat moet stellen zijn financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen.
2. Kleine en niet-complexe ondernemingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars worden niet aan de vereisten inzake voorbereidende crisisplanning onderworpen, tenzij de Nederlandsche Bank van oordeel is dat de onderneming een bijzonder risico op nationaal of regionaal niveau vormt.
3. De Nederlandsche Bank bepaalt in overeenstemming met artikel 4, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars of ten aanzien van een verzekeraar de verplichtingen met betrekking tot het voorbereidend crisisplan op vereenvoudigde wijze kunnen worden toegepast.
H
§ 3.6.3.3.a. komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank bepaalt op grond van de criteria opgenomen in artikel 5, tweede lid, derde lid en twaalfde lid, onderdelen (a) en (b), van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, of een uiteindelijke moederonderneming als bedoeld in artikel 3A:77 met zetel in Nederland, een voorbereidend groepscrisisplan als bedoeld in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, moet opstellen. Dit voorbereidend crisisplan bevat corrigerende maatregelen die mogelijk op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming en op het niveau van haar afzonderlijke dochterondernemingen moeten worden uitgevoerd om hun financiële positie te herstellen indien die positie aanzienlijk is verslechterd.
2. Indien de Nederlandsche Bank oordeelt dat een dochteronderneming met zetel in Nederland, gelet op het belang van deze dochteronderneming in Nederland en op de verplichtingen waaraan vergelijkbare ondernemingen in Nederland onderworpen zijn, onvoldoende in aanmerking wordt genomen in het voorbereidend groepscrisisplan bedoeld in het eerste lid, dan kan de Nederlandsche Bank de betreffende groepstoezichthouder op basis van een met redenen omkleed advies verzoeken om van de uiteindelijke moederonderneming te verlangen een herzien voorbereidend groepscrisisplan op te stellen, waarin de bezwaren van de Nederlandsche Bank in aanmerking worden genomen.
3. Indien de Nederlandsche Bank beoordeelt dat het herziene voorbereidend groepscrisisplan, bedoeld in het tweede lid onvoldoende haar bezwaren wegneemt of indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, kan zij van de betrokken dochteronderneming of een entiteit in de zin van artikel 3A:78, onderdelen b en c, verlangen dat deze een voorbereidend crisisplan opstelt als bedoeld in artikel 3:57c, eerste lid, en dat indient. De Nederlandsche Bank verstrekt aan de groepstoezichthouder, bedoeld in het tweede lid, een met redenen omkleed advies ten behoeve van haar beoordeling en vervolgens het voorbereidend crisisplan.
4. De Nederlandsche Bank bepaalt in overeenstemming met artikel 4, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars of ten aanzien van een uiteindelijke moederonderneming met zetel in Nederland de verplichtingen met betrekking tot het voorbereidend groepscrisisplan op vereenvoudigde wijze kunnen worden toegepast.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot voorbereidende groepscrisisplanning.
I
Artikel 3A:77 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de definitie van ‘afwikkelingsinstrument’ wordt na onderdeel c het woord ‘en’ verwijderd, wordt na de puntkomma na onderdeel d het woord ‘en’ toegevoegd en wordt een onderdeel aan de definitie toegevoegd, luidende:
e. het instrument van solvabele run-off, bedoeld in artikel 3A:119a;
2. De definities ‘afwikkelingsmaatregel’, ‘eigendomsinstrumenten’, ‘groep’ en ‘schuldinstrumenten’ komen te luiden:
een besluit om een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78 af te wikkelen ingevolge de artikelen 3A:85, 3A:86 of 3A:87, de toepassing van een afwikkelingsinstrument of het uitoefenen van een bevoegdheid ingevolge hoofdstuk 3A.2;
aandelen, rechten op aandelen, certificaten van aandelen, rechten op certificaten van aandelen, andere deelnemingsrechten of participaties in het kapitaal of certificaten van die rechten en participaties, lidmaatschapsrechten of hiermee vergelijkbare rechten, claims, opties, conversierechten of hiermee vergelijkbare rechten die bij uitoefening omgezet kunnen worden in of recht geven op de verwerving van aandelen, certificaten van aandelen of daarmee vergelijkbare rechten die aanspraken geven op het kapitaal of het vermogen van de desbetreffende entiteit;
een groep als bedoeld in artikel 212, eerste lid, onderdeel c, van de richtlijn solvabiliteit II;
schuldinstrumenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 39, van de richtlijn herstel en afwikkeling verzekeraars;
3. In de alfabetische volgorde worden de volgende definities ingevoegd:
een aanbieder van essentiële diensten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
bevoegdheden als bedoeld in artikel 2, onderdeel 56, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
de Nederlandsche Bank of een door een lidstaat overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars aangewezen autoriteit;
een afwikkelingscollege dat overeenkomstig artikel 70 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars is opgericht;
een afwikkelingsplan als bedoeld in artikel 2, onderdeel 30, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
afwikkelingsprocedures van een derde land als bedoeld in artikel 2, onderdeel 72, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een beëindigingsrecht als bedoeld in artikel 2, onderdeel 68, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan als bedoeld in artikel 2, onderdeel 90, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een betrokken autoriteit van een staat die geen lidstaat is als bedoeld in artikel 2, onderdeel 74, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
buitengewone openbare financiële steun in de zin van artikel 2, onderdeel 19, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een door zekerheid gedekte verplichting als bedoeld in artikel 2, onderdeel 57, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een onderneming in afwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 69, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een vehikel voor activa en passiva beheer als bedoeld in artikel 2, onderdeel 45, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
groepsafwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 31, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een afwikkelingsautoriteit op groepsniveau als bedoeld in artikel 2, onderdeel 33, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een groepsafwikkelingsplan als bedoeld in artikel 2, onderdeel 32, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
kritieke functies als bedoeld in artikel 2, onderdeel 25, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een overbruggingsonderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 48, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
relevante kapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 63, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
significante grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 152 bis bis, lid 1, van de richtlijn solvabiliteit II;
kernvermogensbestanddelen die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 94, lid 1, van de richtlijn solvabiliteit II;
een uiteindelijke moederonderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 70, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een Uniebijkantoor van een onderneming van een derde land als bedoeld in artikel 2, onderdeel 73, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een verzekeraar met zetel in Nederland die een dochteronderneming is van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van een derde land of moederonderneming van een derde land als bedoeld in artikel 2, onderdeel 88, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een ontvanger als bedoeld in artikel 2, onderdeel 66, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
een verzekeringsgarantiestelsel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 62, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars;
J
Artikel 3A:78 komt te luiden:
Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende entiteiten, met zetel in Nederland, tenzij anders is bepaald:
a. verzekeraars die onder toezicht van de Nederlandsche Bank staan;
b. verzekeringsholdings;
c. gemengde financiële holdings;
d. aanbieders van essentiële diensten;
e. Uniebijkantoren in Nederland.
K
Na artikel 3A:79 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
1. Een besluit van een afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat inhoudende de overgang van eigendomsinstrumenten, activa of passiva die zich in Nederland bevinden of waarop Nederlands recht van toepassing is, dan wel inhoudende de omzetting of afschrijving van passiva waarop Nederlands recht van toepassing is, wordt van rechtswege erkend en alhier ten uitvoer gelegd.
2. Tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid kan niet in Nederland in rechte worden opgekomen.
1. De Nederlandsche Bank besluit over de erkenning en handhaving van afwikkelingsmaatregelen van een staat die geen lidstaat is met betrekking tot een Uniedochteronderneming of een Uniebijkantoor in Nederland of een moederonderneming. Daarbij neemt de Nederlandsche Bank de elementen genoemd in artikel 76, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars in acht.
2. Voor zover noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van een besluit als bedoeld in het eerste lid, beschikt de Nederlandsche Bank over de bevoegdheden in de afdelingen 3A.2.3 tot en met 3A.2.6. en kan DNB besluiten dat artikel 3A:80c van toepassing is.
3. Het eerste en tweede lid laten toepassing van de titels I en II van de Faillissementswet onverlet.
4. De Nederlandsche Bank kan weigeren om afwikkelingsmaatregelen van een staat die geen lidstaat is te erkennen of te handhaven indien zij van oordeel is dat sprake is van een of meer situaties als genoemd in artikel 77 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
L
Artikel 3A:80 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na ‘enig instemmingsvereiste’ ingevoegd ‘ingevolge de wet, de statuten of een overeenkomst’.
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Een besluit ingevolge dit hoofdstuk alsmede de voorbereiding en uitvoering ervan, met uitzondering van afdeling 3A.2.2., is niet onderworpen aan enig kennisgevingsvereiste of procedureel voorschrift ingevolge de wet, de statuten of een overeenkomst, onverminderd de artikelen 63 en 65 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
M
Na artikel 3A:80 worden vijf artikelen ingevoegd, luidende:
1. Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen a tot en met d, neemt ten behoeve van de mogelijkheid tot effectieve toepassing van afwikkelingsmaatregelen, contractuele bepalingen als bedoeld in artikel 47, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars op in overeenkomsten ten aanzien van activa die zich bevinden in een staat die geen lidstaat is, dan wel eigendomsinstrumenten, rechten of passiva die vallen onder het recht van een staat die geen lidstaat is.
2. De Nederlandsche Bank kan van de entiteiten bedoeld in het eerste lid een met redenen omkleed juridisch advies van een onafhankelijke juridische deskundige verlangen, waarin de juridische afdwingbaarheid en de rechtsgeldigheid van de contractuele bepalingen bedoeld in het eerste lid worden bevestigd.
1. Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen a tot en met d, neemt in iedere door haar gesloten financiële overeenkomst waarop het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is, een bepaling op waarbij de partijen erkennen dat de financiële overeenkomst onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit bedoeld in artikel 52, eerste en vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, en ermee instemmen dat zij gebonden zijn aan de vereisten van artikel 48 van die richtlijn.
2. De Nederlandsche Bank kan eisen dat een uiteindelijke moederonderneming met zetel in Nederland ervoor zorgt dat een of meer van haar dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is, een bepaling opnemen in hun financiële overeenkomsten bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
3. Indien een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78 onderdelen a tot en met d, niet de contractuele bepalingen bedoeld in het eerste of tweede lid opneemt, belet dit de Nederlandsche Bank niet om de bevoegdheden, bedoeld in artikel 52, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, toe te passen.
4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op financiële overeenkomsten die zijn aangegaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, tenzij na de inwerkingtreding van dit artikel daarin een nieuwe verplichting wordt gecreëerd of een daarin opgenomen verplichting wezenlijk wordt gewijzigd.
1. Een ten aanzien van een entiteit getroffen maatregel als bedoeld in artikel 1:75, eerste lid of artikel 1:76, eerste lid, met betrekking tot een in de artikelen 3:57c en 3:288i1 bedoeld voorbereidend crisisplan, of de uitoefening van een bevoegdheid op grond van dit hoofdstuk, of een gebeurtenis die daarmee rechtstreeks verband houdt, is voor de toepassing van een overeenkomst waarbij die entiteit partij is, indien deze voortgaat met zowel de voldoening aan de verplichtingen die voortvloeien uit de bedingen in de overeenkomst die de kern van de prestaties weergeven, als het verschaffen van zekerheden, geen:
a. afdwingingsgrond als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel l, van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten;
b. grond voor uitoefening van:
1°. een recht om een overeenkomst te beëindigen;
2°. een recht om de nakoming van verplichtingen te versnellen, voortijdig te beëindigen of te verrekenen;
3°. een recht om een verplichting van een partij bij de overeenkomst op te schorten, te wijzigen, te salderen, te vernietigen of nietig te verklaren; of
4°. een recht dat het ontstaan belet van een verplichting uit hoofde van de overeenkomst die anders zou zijn ontstaan;
c. grond voor verwerving van het bezit van, uitoefening van de zeggenschap over of uitoefening of vestiging van een zekerheidsrecht op een goed in eigendom van de entiteit;
d. grond voor afbreuk aan de rechten van de entiteit uit de overeenkomst; of
e. insolventieprocedure als bedoeld in Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een overeenkomst die is aangegaan door een entiteit in de groep waarvan de entiteit bedoeld in het eerste lid deel uitmaakt en die kruiselingse tekortkomingsbepalingen bevat.
3. Het eerste lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op een overeenkomst die is aangegaan door een dochteronderneming van de entiteit bedoeld in het eerste lid en die verplichtingen omvat die door een andere entiteit in de groep waarvan de entiteit bedoeld in het eerste lid deel uitmaakt, zijn gegarandeerd of anderszins worden gewaarborgd.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een besluit van een afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat tot toepassing van een crisisbeheersingsmaatregel of crisispreventiemaatregel als bedoeld in artikel 2, onderdelen 80 en 79, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars of een afwikkelingsmaatregel van een staat die geen lidstaat is, die erkend is ingevolge artikel 3A:79b, of een gebeurtenis die daarmee rechtstreeks verband houdt.
5. Een maatregel of een gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid laat onverlet:
a. een overboekingsopdracht die is gegeven aan een systeem of systeemexploitant als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel p, van de Faillissementswet, een centrale tegenpartij of centrale bank;
b. een aan een aangewezen systeem of systeemexploitant gegeven opdracht tot verrekening, of een uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren; of
c. rechten en verplichtingen die voor de entiteit zijn ontstaan in verband met zijn deelname aan het systeem;
d. dat een persoon het recht heeft tot de in het eerste lid bedoelde handelingen over te gaan, indien dit recht ontstaat uit hoofde van een andere gebeurtenis dan de in het eerste lid genoemde maatregelen en bevoegdheden of uit hoofde van een gebeurtenis die rechtstreeks verband houdt met de toepassing van een dergelijke maatregel.
6. Dit artikel is een bepaling van bijzonder dwingend recht als bedoeld in artikel 9 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.
Afdeling 13 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek is niet van toepassing op de volgende rechtspersonen:
a. een overbruggingsinstelling als bedoeld in artikel 3A:112, voor zover deze overbruggingsinstelling houder is van eigendomsinstrumenten in een andere overbruggingsinstelling of in de entiteit in afwikkeling;
b. een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3A:113, die tot taak heeft de eigendom te houden in een overbruggingsinstelling als bedoeld in artikel 3A:112;
c. een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3A:118, die tot taak heeft de eigendom in een entiteit voor activa- en passivabeheer als bedoeld in artikel 3A:117 te houden;
d. een bijzonder bestuurder als bedoeld in artikel 3A:120 voor zover deze zeggenschap uitoefent over een entiteit in afwikkeling, overbruggingsinstelling of een entiteit voor activa- en passivabeheer;
e. een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:121a.
1. Met de voorbereiding en uitvoering van besluiten ingevolge dit hoofdstuk zijn belast de bij besluit van de Nederlandsche Bank aangewezen personen. De artikelen 5:12 tot en met 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De Nederlandsche Bank is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde voorbereiding en uitvoering van besluiten.
3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
N
Afdeling 3A.2.2. komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank stelt in overeenstemming met artikel 9 en artikel 15, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars een afwikkelingsplan op voor verzekeraars met zetel in Nederland, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, die zij in overeenstemming met artikel 9, eerste en tweede lid, van die richtlijn, selecteert.
2. De Nederlandsche Bank kan een afwikkelingsplan opstellen voor de entiteiten genoemd in artikel 10, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, met zetel in Nederland, indien een situatie bedoeld in dat lid zich voordoet.
3. De Nederlandsche Bank stelt een afwikkelingsplan op voor de entiteiten genoemd in artikel 17, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, met zetel in Nederland, indien een situatie als bedoeld in dat lid zich voordoet.
4. De Nederlandsche Bank evalueert periodiek het afwikkelingsplan en werkt het indien nodig bij in overeenstemming met artikel 9, vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
5. Een verzekeraar of een entiteit als bedoeld in het tweede of derde lid brengt de Nederlandsche Bank onverwijld op de hoogte van elke gebeurtenis bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars die een evaluatie of bijwerking van het afwikkelingsplan noodzakelijk maakt.
1. Indien de Nederlandsche Bank de groepsafwikkelingsautoriteit is voor een groep waarop onder de voorwaarden genoemd in artikel 9, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars afwikkelingsplanning van toepassing is, stelt zij daarvoor een groepsafwikkelingsplan op overeenkomstig de artikelen 10, 11, 15, tweede lid, en 17 van die richtlijn.
2. Een uiteindelijke moederonderneming met zetel in Nederland van een groep als bedoeld in het eerste lid, brengt de Nederlandsche Bank onverwijld op de hoogte van elke gebeurtenis bedoeld in artikel 11, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars die een evaluatie of bijwerking van het groepsafwikkelingsplan noodzakelijk maakt.
1. De Nederlandsche Bank beoordeelt bij het opstellen van een afwikkelingsplan als bedoeld in artikel 3A:81, overeenkomstig de procedure en de criteria in artikel 13 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, de mate waarin de betrokken verzekeraar afwikkelbaar is.
2. Bij het maken van de beoordeling bedoeld in het eerste lid onderzoekt de Nederlandsche Bank, in overeenstemming met artikel 41, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, tevens of een entiteit waarop in het kader van afwikkeling het instrument van bail-in kan worden toegepast, te allen tijde voldoende maatschappelijk kapitaal of andere tier 1-instrumenten aanhoudt zodat een maatregel op grond van de artikelen 3A:93, eerste lid, onderdeel b, en 3A:96 daadwerkelijk kan worden toegepast.
De Nederlandsche Bank beoordeelt bij het opstellen van een groepsafwikkelingsplan als bedoeld in artikel 3A:81a, overeenkomstig de procedure en de criteria in de artikelen 14 en 41, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, de mate waarin de betrokken groep afwikkelbaar is.
1. Indien de Nederlandsche Bank bij de beoordeling bedoeld in artikel 3A:82, eerste lid, vaststelt dat er wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de verzekeraar bestaan, brengt zij deze schriftelijk ter kennis aan de betrokken verzekeraar.
2. Een verzekeraar stelt binnen vier maanden na de datum van ontvangst van de overeenkomstig het eerste lid verrichte kennisgeving, mogelijke maatregelen voor aan de Nederlandsche Bank om de in de kennisgeving genoemde wezenlijke belemmeringen te verminderen of weg te nemen. Daarbij houdt de verzekeraar bij de planning van de implementatie van voorgestelde maatregelen rekening met de redenen voor de wezenlijke belemmeringen.
3. De Nederlandsche Bank beoordeelt of de volgens het tweede lid voorgestelde maatregelen de wezenlijke belemmeringen daadwerkelijk verminderen of wegnemen. Indien zij oordeelt dat dit niet het geval is, legt zij een aanwijzing op om alternatieve maatregelen te nemen overeenkomstig artikel 15, vierde tot en met achtste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling verzekeraars.
4. Een verzekeraar of entiteit legt binnen een maand na ontvangst van de aanwijzing bedoeld in het derde lid, een plan over aan de Nederlandsche Bank om aan deze aanwijzing te voldoen.
1. Indien de Nederlandsche Bank de groepsafwikkelingsautoriteit is, stelt zij bij de beoordeling bedoeld in artikel 3A:82a, eerste lid, overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars vast of maatregelen als bedoeld in artikel 15, vierde en vijfde lid, van die richtlijn nodig zijn om wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van een groep weg te nemen. Indien dit het geval is, stelt de Nederlandsche Bank daartoe een verslag op overeenkomstig de procedure in artikel 16, tweede lid, van die richtlijn.
2. De uiteindelijke moederonderneming kan binnen vier maanden na de datum van ontvangst van het verslag bij de Nederlandsche Bank opmerkingen indienen en maatregelen voorstellen om de in het verslag geïdentificeerde wezenlijke belemmeringen te verminderen of weg te nemen.
3. De Nederlandsche Bank kan invulling geven aan een gezamenlijk besluit als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling verzekeraars door een aanwijzing met alternatieve maatregelen te geven.
De Nederlandsche Bank bepaalt in overeenstemming met artikel 4, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars of ten aanzien van de afwikkelingsplannen bedoeld in de artikelen 3A:81 en 3A:81a, en de beoordeling van de afwikkelbaarheid in de artikelen 3A:82, eerste lid, en 3A:82a, vereenvoudigde verplichtingen kunnen worden toegepast.
O
De artikelen 3A:84 en 3A:85 komen te luiden:
De Nederlandsche Bank neemt de afwikkelingsmaatregelen met inachtneming van de afwikkelingsdoelstellingen genoemd in artikel 18, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, overeenkomstig het eerste en derde lid van dat artikel.
1. De Nederlandsche Bank neemt afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3A:78, onderdeel a, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de Nederlandsche Bank heeft vastgesteld dat de verzekeraar faalt of waarschijnlijk zal falen;
b. het valt redelijkerwijs niet te verwachten dat alternatieve maatregelen van de particuliere sector of van een toezichthouder, met inbegrip van preventieve en corrigerende maatregelen, binnen een redelijk tijdsbestek het falen kunnen voorkomen; en
c. een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het algemeen belang.
2. Een verzekeraar wordt geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen indien:
a. de verzekeraar inbreuk of waarschijnlijk inbreuk maakt op het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 3:53, vierde lid, en er geen redelijk vooruitzicht is op herstel van de naleving;
b. de verzekeraar op een zodanige wijze inbreuk maakt op de wettelijke eisen, de vergunningsvereisten of de aan de vergunning verbonden voorwaarden, of er objectieve aanwijzingen bestaan voor de veronderstelling dat de verzekeraar in de nabije toekomst op een zodanige wijze daarop inbreuk zal maken dat intrekking van de vergunning gerechtvaardigd is;
c. de waarde van de activa van de verzekeraar geringer is dan de waarde van de passiva, of er objectieve aanwijzingen zijn dat de activa van de verzekeraar in de nabije toekomst geringer zullen zijn dan zijn passiva;
d. de verzekeraar niet in staat is of er objectieve aanwijzingen zijn voor de vaststelling dat de verzekeraar in de nabije toekomst niet in staat zal zijn om schulden of andere passiva waaronder betalingen aan verzekeringnemers of begunstigden, te betalen wanneer deze opeisbaar worden; of
e. buitengewone openbare financiële steun noodzakelijk is.
3. Een afwikkelingsmaatregel is noodzakelijk in het algemeen belang indien die maatregel noodzakelijk is om een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen genoemd in artikel 3A:84 te verwezenlijken en daarmee ook evenredig is, en deze doelstellingen niet in dezelfde mate verwezenlijkt zouden worden indien de verzekeraar in faillissement zou worden geliquideerd, ook met gebruikmaking van een op die verzekeraar toepasselijk verzekeringsgarantiestelsel.
P
Na artikel 3A:85 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen a tot en met e, stelt de Nederlandsche Bank in kennis indien deze organen van oordeel zijn dat de bedoelde entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen als bedoeld in artikel 3A:85, tweede lid.
Q
De artikelen 3A:86 tot en met 3A:89 komen te luiden:
1. De Nederlandsche Bank kan afwikkelingsmaatregelen nemen ten aanzien van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, indien die entiteit op overeenkomstige wijze voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid.
2. De Nederlandsche Bank kan afwikkelingsmaatregelen nemen ten aanzien van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78 onderdelen b tot en met d, ook indien die niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid, indien aan alle voorwaarden genoemd in artikel 20, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars wordt voldaan.
De Nederlandse Bank kan een of meer afwikkelingsmaatregelen nemen ten aanzien van een Uniebijkantoor in Nederland overeenkomstig artikel 78, eerste en derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in het tweede lid van dat artikel.
Indien de Nederlandsche Bank een afwikkelingsmaatregel neemt, lijden de houders van eigendomsinstrumenten, verzekeringsnemers, begunstigden, indieners van vorderingen en andere schuldeisers van de entiteit in afwikkeling geen grotere verliezen dan zij zouden hebben geleden indien de entiteit op het moment van het besluit tot afwikkeling van de entiteit in een faillissement zou zijn geliquideerd.
1. De Nederlandsche Bank draagt er zorg voor dat afwikkelingsmaatregelen worden genomen op basis van waarderingen in overeenstemming met de artikelen 23, eerste tot en met vierde lid, 24 en 25, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
2. Tegen een waardering als bedoeld in het eerste lid kan alleen beroep worden ingesteld tegelijk met een beroep tegen het nemen van een afwikkelingsmaatregel.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de waarderingen bedoeld in het eerste lid.
R
Artikel 3A:90 vervalt.
S
De artikelen 3A:91 en 3A:92 komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk na de uitvoering van de afwikkelingsmaatregel of afwikkelingsmaatregelen een waardering wordt verricht overeenkomstig artikel 56 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
2. Indien uit de waardering, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat een houder van eigendomsinstrumenten, verzekeringsnemer, begunstigde, indiener van vorderingen of andere schuldeiser of, waar van toepassing, verzekeringsgarantiestelsels op grond van het toepasselijk nationaal recht, grotere verliezen heeft geleden dan hij zou hebben geleden in faillissement, kent de Nederlandsche Bank een vergoeding toe ter grootte van het verschil, ten laste van de financieringsregeling, bedoeld in artikel 3A:138.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de methodologie voor het uitvoeren van de waardering bedoeld in het eerste lid.
1. Deze afdeling is van toepassing indien een besluit tot afwikkeling wordt genomen op grond van de artikelen 3A:85, 3A:86 of 3A:87.
2. De Nederlandsche Bank kan de afwikkelingsinstrumenten uit deze afdeling individueel of gecombineerd toepassen, tenzij de wet anders bepaalt. Ook kunnen de afwikkelingsinstrumenten meermaals worden toegepast tijdens afwikkeling indien dat nodig is om de afwikkelingsdoelstellingen genoemd in artikel 3A:84 te verwezenlijken.
3. Indien de toepassing van een afwikkelingsinstrument tot gevolg heeft dat houders van eigendomsinstrumenten, verzekeringsnemers, begunstigden, indieners van vorderingen en andere schuldeisers van de entiteit, verliezen lijden of dat hun vorderingen zouden worden geherstructureerd of omgezet, dan past de Nederlandsche Bank het instrument van bail-in toe gelijktijdig met of onmiddellijk voorafgaand aan de toepassing van dat afwikkelingsinstrument.
4. De Nederlandsche Bank past het instrument van bail-in niet toe op vorderingen uit hoofde van verzekering, tenzij zij aantoont dat:
a. de afwikkelingsdoelstellingen genoemd in artikel 3A:84, eerste lid, niet door toepassing van andere afwikkelingsinstrumenten kunnen worden verwezenlijkt; of
b. de toepassing van het instrument van bail-in leidt tot een betere bescherming van de verzekeringnemers dan de toepassing van andere afwikkelingsinstrumenten.
T
Artikel 3A:93 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. Onderdeel a komt te luiden:
a. de hoofdsom van de door of met medewerking van een entiteit uitgegeven tier 1-instrumenten of eigendomsinstrumenten verminderen, of deze instrumenten intrekken;
b. In onderdeel b wordt ‘in rechten op nieuw uit te geven eigendomsinstrumenten van die entiteit’ vervangen door ‘in rechten op eigendomsinstrumenten of tier-1-instrumenten van die entiteit’.
c. Onder vervanging van een punt door een puntkomma aan het einde van onderdeel b, wordt er een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. de door of met medewerking van een entiteit uitgegeven tier 1-instrumenten of eigendomsinstrumenten doen overgaan op houders van de rechten, bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b, waarbij de instemming van de verkrijger ingevolge artikel 3A:80, eerste lid, niet benodigd is, of op de stichting administratiekantoor afwikkeling genoemd in artikel 3A:121a.
2. In het tweede lid wordt ‘op een overbrugginginstelling’ vervangen door ‘op een overbruggingsinstelling’.
3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
3. De Nederlandsche Bank oefent de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, uit overeenkomstig het bepaalde ingevolge de artikelen 26, tweede lid, derde alinea, 35, eerste lid, tweede lid, negende lid, 36, eerste lid, laatste zin, en 37 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
U
Artikel 3A:94 komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank past het instrument van bail-in niet toe op de volgende verplichtingen, ongeacht of deze vallen onder het recht van een lidstaat of van een staat die geen lidstaat is:
a. door zekerheid gedekte verplichtingen, met dien verstande dat het instrument van bail-in kan worden toegepast op het deel van de door zekerheid gedekte verplichting dat de waarde van het zekerheidsrecht overschrijdt;
b. verplichtingen uit hoofde van een verzekering als bedoeld in artikel 2 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
c. verplichtingen ten aanzien van banken, beleggingsondernemingen of verzekeraars als bedoeld in artikel 35, lid 5, onderdeel b, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, met uitzondering van entiteiten die tot dezelfde groep behoren, met een oorspronkelijke looptijd van minder dan zeven dagen;
d. verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zeven dagen jegens systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen overeenkomstig richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen of hun deelnemers die uit de deelname aan een dergelijk systeem voortvloeien, of jegens een centrale tegenpartij met een vergunning op grond van artikel 14 van de EMIR-verordening of een centrale tegenpartij uit een staat die geen lidstaat is die erkend is op grond van artikel 25 van de EMIR-verordening;
e. verplichtingen jegens werknemers, met betrekking tot hun loon, pensioenuitkeringen of andere vaste vergoedingen, met uitzondering van de niet bij collectieve arbeidsovereenkomst geregelde variabele component van de beloning, tenzij de werknemer recht heeft op uitkering ingevolge artikel 61 van de Werkloosheidswet;
f. verplichtingen welke voortvloeien uit de levering van goederen of diensten aan de entiteit die nodig zijn voor de dagelijkse bedrijfsactiviteiten ervan of om de continuïteit van de verzekeringsdekking te waarborgen;
g. verplichtingen uit hoofde van een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet;
h. verplichtingen jegens belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties die preferent zijn voor zover deze verplichtingen in faillissement een hogere rang zouden hebben dan vorderingen uit hoofde van verzekering als bedoeld in artikel 213, onderdeel o, van de Faillissementswet;
i. verplichtingen ten aanzien van verzekeringsgarantiestelsels die voortvloeien uit bijdragen die verschuldigd zijn uit hoofde van de nationale wetgeving.
2. De Nederlandsche Bank kan in uitzonderlijke omstandigheden besluiten het instrument van bail-in geheel of gedeeltelijk niet toe te passen op verplichtingen indien een of meerdere van de situaties genoemd in artikel 35, achtste lid, onderdelen a tot en met e, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars zich voordoen ten aanzien van die verplichtingen.
V
Na artikel 3A:95 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Onverminderd artikel 3A:95, past de Nederlandsche Bank het instrument van bail-in op zodanige wijze toe dat het de resultaten genoemd in artikel 38, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, oplevert.
2. Indien de Nederlandsche Bank beslist of passiva moeten worden afgeschreven of in eigendomsinstrumenten moeten worden omgezet, mag zij niet een categorie passiva omzetten terwijl een categorie passiva die achtergesteld is daaraan, niet in eigendomsinstrumenten wordt omgezet of niet wordt afgeschreven.
W
Artikel 3A:96 komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank kan voorschrijven dat een entiteit eigendomsinstrumenten of tier 1-instrumenten uitgeeft, of medewerking verleent aan de uitgifte daarvan, aan de houders van de rechten bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b.
2. Teneinde gevolg te geven aan de in het eerste lid bedoelde uitgifte, kan de Nederlandsche Bank voorschrijven dat een entiteit tier 1-instrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft aan:
a. een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:121a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b, en hun rechtsopvolgers; of,
b. een rechtspersoon met als statutaire doelstelling het tegen toekenning van certificaten ten titel van beheer verwerven en administreren van aandelen.
3. Teneinde gevolg te geven aan de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde uitgifte kan de Nederlandsche Bank de in dat lid bedoelde rechtspersoon instrueren om certificaten van aandelen uit te geven en toe te kennen aan een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:121a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b, en hun rechtsopvolgers.
4. Bij de uitgifte bedoeld in het eerste tot en met derde lid kunnen geen andere rechten worden uitgeoefend dan die bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b.
5. De voorwaarden en de bevoegdheid bedoeld in artikel 38, derde en vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, zijn van toepassing op de uitgifte bedoeld in het eerste lid, al dan niet in samenhang met een uitgifte als bedoeld in het tweede of derde lid.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
X
Artikel 3A:97 vervalt.
Y
Artikel 3A:98 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank bepaalt in haar besluiten op grond van artikel 3A:93 of 3A:96 nader:
a. op welke wijze en onder welke voorwaarden de afschrijving, uitgifte of omzetting plaatsvindt;
b. de gevolgen van deze besluiten voor zover nodig;
c. de nominale waarde van nieuw uit te geven eigendomsinstrumenten of de bestaande eigendomsinstrumenten bij overgang op de houders van de rechten bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b.
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel c, wordt na ‘nieuwe’ ingevoegd ‘tier 1-instrumenten of’.
b. In onderdeel e, wordt ‘vermindering’ vervangen door ‘aanpassing’.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Bij de toepassing van het tweede lid, onderdelen c en d, is artikel 3, eerste en tweede lid, van de prospectusverordening niet van toepassing.
Z
Artikel 3A:99 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel b, wordt na ‘is afgeschreven’ ingevoegd ‘, met uitzondering van elke reeds opeisbare verplichting en elke schadevergoedingsverplichting die kan ontstaan als gevolg van een beroep waarbij de rechtmatigheid van de uitoefening van de afschrijvingsbevoegdheid wordt betwist’.
2. In onderdeel c vervalt de zinsnede ‘nieuw uit te geven’.
AA
In artikel 3A:100, eerste lid, wordt na ‘uitgeoefend’ toegevoegd ‘en kunnen zij niet worden ingebracht in het kader van eventuele latere procedures met betrekking tot de entiteit in afwikkeling of een eventuele opvolgende entiteit bij een latere liquidatie’.
BB
Artikel 3A:101 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Indien na toepassing van het instrument van bail-in op basis van een voorlopige waardering, uit de definitieve waardering, bedoeld in de artikelen 23, 24 en 25 van de richtlijn herstel en afwikkeling verzekeraars, blijkt dat met een beperktere vermindering van de hoofdsom van tier 1-instrumenten, of eigendomsinstrumenten of het bedrag van in aanmerking komende passiva, bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, had kunnen worden volstaan, kan de Nederlandsche Bank de hoofdsom of dit bedrag verhogen in overeenstemming met de definitieve waardering.
2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.
3. In het tweede lid (nieuw) vervalt ‘of tweede’.
CC
Aan artikel 3A:102 wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. De waarde van uit derivaten voortvloeiende passiva wordt bepaald op basis van methoden en beginselen genoemd in artikel 40, derde en vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
DD
Artikel 3A:103 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt na ‘verricht’ ingevoegd ‘tijdig’.
b. Onderdeel a komt te luiden:
a. de uitoefening van een ingevolge artikel 3A:93, eerste lid, verworven recht op tier 1-instrumenten of eigendomsinstrumenten;
2. In het derde lid, onderdeel a, wordt na ‘uitgeoefend’ toegevoegd ‘, zonder dat zij daarvoor aansprakelijk is’.
3. Aan het vierde lid wordt na ‘bekendgemaakt’ toegevoegd ‘, tenzij anders bepaald’.
4. In het vijfde lid wordt ‘Het tweede lid’ vervangen door ‘Het derde lid, onderdelen a en b,’.
EE
In artikel 3A:104, onderdeel b, wordt ‘activa of passiva’ vervangen door ‘activa, rechten of passiva’.
FF
De artikelen 3A:105 tot en met 3A:109 komen te luiden:
1. Bij toepassing van het instrument van overgang van de onderneming wordt een overgang verricht onder commerciële voorwaarden, rekening houdend met de omstandigheden. Daarbij neemt de Nederlandsche Bank alle redelijke stappen om commerciële voorwaarden te bedingen die consistent zijn met de waardering ingevolge artikel 3A:89.
2. De Nederlandsche Bank past het instrument van overgang van de onderneming toe overeenkomstig de procedurevoorschriften genoemd in artikel 29, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
3. Het tweede lid laat onverlet dat de Nederlandsche Bank specifieke potentiële kopers kan benaderen.
4. De Nederlandsche Bank kan middels een met redenen omkleed besluit afwijken van de voorschriften bedoeld in het tweede lid, indien zij constateert dat naleving van die voorschriften waarschijnlijk een of meer van de afwikkelingsdoelstellingen genoemd in artikel 3A:84 zou ondermijnen.
Indien de Nederlandsche Bank besluit tot overgang van gedeelten van de activa, rechten of passiva van een entiteit in afwikkeling, verzoekt zij de rechtbank Amsterdam binnen een redelijke termijn het faillissement van de entiteit uit te spreken, tenzij het voortbestaan van het overgebleven deel van de entiteit nodig is om de afwikkelingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 3A:84, te verwezenlijken of om aan de beginselen, bedoeld in artikel 22 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, te voldoen.
Onverminderd de artikelen 3A:101 en 3A:133, komt een door de verkrijger te betalen overgangsprijs toe aan de oorspronkelijke eigenaren overeenkomstig artikel 28, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
De Nederlandsche Bank kan met toestemming van de verkrijger ten aanzien van eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die zijn overgegaan, besluiten dat deze terug overgaan op de entiteit in afwikkeling of de oorspronkelijke eigenaren. De entiteit in afwikkeling of de oorspronkelijke eigenaren zijn verplicht de overgedragen eigendomsinstrumenten, activa of passiva, terug te nemen.
1. De Nederlandsche Bank beoordeelt een aanvraag door een verkrijger van activa, rechten of passiva voor een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:26a, 2:26d, 2:27, 2:36, 2:40 of 2:48 tijdig en in samenhang met de beoogde overgang van activa, rechten of passiva.
2. Indien een overgang van eigendomsinstrumenten zou leiden tot verwerving of vergroting van een gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar, is artikel 3A:103 van overeenkomstige toepassing.
GG
In artikel 3A:110 wordt ‘activa of passiva’ vervangen door ‘activa, rechten of passiva’.
HH
In artikel 3A:111, eerste lid, wordt na ‘clearing- en afwikkelingssystemen,’ ingevoegd ‘verzekeringsgarantiestelsels,’.
II
Na artikel 3A:111 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. De Nederlandsche Bank kan de entiteit in afwikkeling, de rechtspersonen die met de entiteit een groep vormen als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de verkrijger verplichten tot het aan elkaar verstrekken van informatie en verlenen van bijstand.
2. De Nederlandsche Bank kan de entiteit in afwikkeling en de rechtspersonen die met de entiteit een groep vormen als bedoeld in artikel 3A:77 verplichten tot het verschaffen van operationele diensten en faciliteiten die nodig zijn om de verkrijger in staat te stellen de op hem overgegane bedrijfsactiviteiten effectief uit te oefenen, ook indien de entiteit in afwikkeling of de desbetreffende groepsentiteit in staat van faillissement verkeert. De voorwaarden genoemd in artikel 45, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars zijn van toepassing op de verschaffing van deze operationele diensten en faciliteiten.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van in Nederland gezetelde groepsentiteiten van een in een andere lidstaat gevestigde entiteit in afwikkeling, waarop een afwikkelingsautoriteit haar bevoegdheden ingevolge artikel 45, eerste lid, heeft toegepast.
4. Indien voldaan is aan een van de voorwaarden genoemd in artikel 45, tweede lid, onderdelen a en b, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, kan de Nederlandsche Bank een aanbieder van essentiële diensten die direct of indirect goederen of diensten levert aan de entiteit in afwikkeling, door middel van een aanwijzing verplichten die levering voort te zetten nadat een afwikkelingsmaatregel is genomen.
JJ
In artikel 3A:112, onderdeel b, wordt ‘activa of passiva’ vervangen door ‘activa, rechten of passiva’.
KK
Artikel 3A:113 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘of van een rechtspersoon die tot taak heeft de eigendom in een overbruggingsinstelling te houden.’ vervangen door ‘, waaronder is begrepen een overbruggingsonderneming en een rechtspersoon die tot taak heeft het eigendom in een overbruggingsonderneming te houden en de eigendomsinstrumenten als genoemd in artikel 3A:112, onderdeel a, te verkrijgen en te houden.’
2. In het tweede lid vervalt ‘of rechtspersoon’.
3. Het derde lid komt te luiden:
3. Bij de toepassing van het instrument van de overbruggingsinstelling zorgt de Nederlandsche Bank ervoor dat de totale waarde van de passiva die overgaan op de overbruggingsinstelling de totale waarde van de rechten en activa die op de overbruggingsinstelling overgaan niet overschrijdt.
LL
De artikelen 3A:114 en 3A:115 komen te luiden:
1. De Nederlandsche Bank kan ten aanzien van eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die zijn overgegaan op of aanwezig zijn in een overbruggingsinstelling, besluiten tot overgang op een derde.
2. De Nederlandsche Bank kan ten aanzien van eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die zijn overgegaan, besluiten tot overgang op de oorspronkelijke eigenaren in de situaties genoemd in artikel 32, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars en indien wordt voldaan aan de daarin genoemde voorwaarden.
3. De overgang op de oorspronkelijke eigenaren vindt plaats binnen de termijn die wordt genoemd in het besluit tot overgang en voldoet aan de in dat besluit opgenomen voorwaarden.
MM
In artikel 3A:116, tweede lid, wordt ‘tijdelijk’ vervangen door ‘voor een periode van maximaal 24 maanden’.
NN
Artikel 3A:117 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘activa en passiva’ vervangen door ‘activa, rechten en passiva’.
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel a, wordt na ‘desbetreffende activa’ ‘, rechten’ ingevoegd;
b. In onderdeel b, wordt na ‘activa’ ‘, rechten’ ingevoegd en wordt na ‘overbruggingsinstelling’ ingevoegd ‘of om toepassing van het instrument van solvabele run-off bedoeld in artikel 3A:119a mogelijk te maken’;
c. In onderdeel c, wordt na ‘activa’ ‘, rechten’ ingevoegd.
OO
Na artikel 3A:118 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
1. Bij de overgang van activa, rechten en passiva van een entiteit in afwikkeling of overbruggingsinstelling naar een entiteit voor beheer van activa en passiva bepaalt de Nederlandsche Bank de te betalen vergoeding voor overgang, in overeenstemming met de waardering ingevolge artikel 3A:89. De vergoeding kan een nominale of negatieve waarde hebben.
2. Onverminderd de artikelen 3A:101 en 3A:133, komt een door een entiteit voor activa- en passivabeheer betaalde vergoeding voor rechtstreeks van de entiteit in afwikkeling verworven activa, rechten of passiva toe aan de entiteit in afwikkeling. Vergoedingen kunnen worden betaald in de vorm van door de entiteit voor activa- en passivabeheer uitgegeven schuldpapier.
PP
Artikel 3A:119 komt te luiden:
Na § 3a.2.4.4 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
1. De Nederlandsche Bank kan besluiten tot toepassing van het instrument van solvabele run-off, waarbij de vergunning van de entiteit in afwikkeling wordt gewijzigd of ingetrokken zodat zij geen nieuwe verzekerings- of herverzekeringscontracten kan afsluiten.
2. De Nederlandsche Bank zorgt ervoor dat de verzekeraar in een solvabele run-off onmiddellijk na toepassing van dat instrument tenminste voldoet aan het minimaal aan te houden vermogen bedoeld in artikel 3:53. Indien de vergunning is ingetrokken, zijn de artikelen 3:53 en 3:57 niet van toepassing gedurende de looptijd van de solvabele run-off.
3. Indien de Nederlandsche Bank het instrument van solvabele run-off gebruikt, is artikel 27, vierde tot en met zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling verzekeraars van overeenkomstige toepassing.
4. Bij de toepassing van het instrument van solvabele run-off kan de Nederlandsche Bank het uitkeren van vergoedingen voor eigen vermogen en als eigen vermogen behandelde instrumenten, met inbegrip van dividenduitkeringen, en betalingen van variabele vergoedingen en discretionaire pensioenuitkeringen beperken of verbieden.
1. De Nederlandsche Bank besluit dat een verzekeraar ten aanzien waarvan het instrument van solvabele run-off is toegepast, wordt geliquideerd indien, al naargelang welke situatie zich het eerst voordoet:
a. alle of vrijwel alle activa, rechten of passiva van de entiteit in afwikkeling in een solvabele run-off zijn overgedragen of overgegaan aan een derde-verkrijger; of
b. de activa van de entiteit in afwikkeling in een solvabele run-off volledig te gelde zijn gemaakt en haar passiva volledig zijn voldaan.
2. Indien het eigen vermogen van een verzekeraar in solvabele run-off berekend overeenkomstig de regels vastgesteld op grond van artikel 3:53, derde lid, negatief is geworden, beoordeelt de Nederlandsche Bank of zij de rechtbank Amsterdam verzoekt om het faillissement van de verzekeraar uit te spreken dan wel of het nodig is een ander afwikkelingsinstrument toe te passen om de verzekeraar af te wikkelen.
RR
De artikelen 3A:120 en 3A:120a komen te luiden:
1. De Nederlandsche Bank kan een of meer bijzondere bestuurders bij een entiteit in afwikkeling aanstellen of de zeggenschap over die entiteit overnemen. De bijzonder bestuurder beschikt over de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis om zijn of haar functies uit te oefenen.
2. De Nederlandsche Bank maakt de benoeming van een bijzonder bestuurder openbaar. De Nederlandsche Bank benoemt een bijzonder bestuurder voor ten hoogste een jaar. De termijn kan bij wijze van uitzondering worden verlengd als de Nederlandsche Bank van oordeel is dat nog steeds aan de voorwaarden voor de aanstelling van een bijzonder bestuurder wordt voldaan. De Nederlandsche Bank kan de bijzonder bestuurder op elk moment uit zijn of haar functie ontheffen.
3. Een bijzonder bestuurder als bedoeld in het eerste lid treedt in de rechten en bevoegdheden van de organen van de entiteit in afwikkeling en haar aandeelhouders, certificaathouders of leden.
4. De bijzonder bestuurder neemt alle noodzakelijke maatregelen om de in artikel 3A:84 genoemde afwikkelingsdoelstellingen te bewerkstelligen en afwikkelingsmaatregelen uit te voeren overeenkomstig het besluit van de Nederlandsche Bank. Het verwezenlijken van de voornoemde afwikkelingsdoelstellingen en het uitvoeren van besluiten van de Nederlandsche Bank gaat boven elke andere bestuurstaak op grond van de wet of de statuten van de entiteit in afwikkeling ingeval deze niet consistent zijn.
5. De bijzonder bestuurder oefent de rechten en bevoegdheden uit onder toezicht van de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank kan grenzen stellen aan het optreden van de bijzonder bestuurder of eisen dat voor bepaalde handelingen van de bijzonder bestuurder voorafgaande toestemming van de Nederlandsche Bank vereist is. Indien van toepassing stelt de Nederlandsche Bank de bevoegdheidsverdeling tussen de bijzonder bestuurder en de organen van de entiteit in afwikkeling vast.
6. Na de benoeming van een bijzonder bestuurder:
a. verlenen de organen en de vertegenwoordigers van de entiteit in afwikkeling de bijzonder bestuurder alle medewerking;
b. is voor schade ten gevolge van handelingen die zijn verricht in strijd met de aanstelling van de bijzonder bestuurder of de besluiten van de bijzonder bestuurder die daarmee verband houden, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van de entiteit dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover de entiteit in afwikkeling, tenzij het verrichten van deze handelingen niet aan hem is te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden;
c. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel b, voorzover deze rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist of behoorde te weten dat de handeling is verricht in strijd met de aanstelling van de bijzonder bestuurder of de besluiten van de bijzonder bestuurder die daarmee verband houden.
7. De bijzonder bestuurder stelt in elk geval aan het begin en einde van zijn benoemingstermijn een verslag op over de economische en financiële positie van de entiteit in afwikkeling en over de handelingen die hij bij de uitoefening van zijn taken heeft verricht. De Nederlandsche Bank stelt vast met welke frequentie de bijzonder bestuurder tijdens zijn aanstelling verslag doet.
8. Tegen een besluit van een bijzonder bestuurder kan administratief beroep worden ingesteld bij de Nederlandsche Bank.
9. Het tweede lid, eerste zin, derde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op overname van de zeggenschap door de Nederlandsche Bank als bedoeld in het eerste lid.
De Nederlandsche Bank kan bij een entiteit in afwikkeling leden van het bestuur en het bestuur als geheel, alsook leden van de raad van commissarissen of leden van een orgaan dat een met die van de raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft, leden van het hoger management en de raad van commissarissen als geheel, of een orgaan als geheel dat een met die van de raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft, ontslaan, benoemen of aanstellen.
SS
Artikel 3A:121, eerste lid, komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank kan bij de toepassing van het instrument van bail-in of bij de toepassing van een andere afwikkelingsmaatregel, indien nodig, bij besluit de rechtsvorm van de betrokken entiteit omzetten.
TT
Na artikel 3A:121 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. De Nederlandsche Bank kan, indien dit bijdraagt aan de uitvoering van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting, bedoeld in artikel 3A:93 een stichting administratiekantoor afwikkeling oprichten.
2. De Nederlandsche Bank kan de stichting een aanwijzing geven met betrekking tot de taakuitoefening.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de oprichting en beëindiging, de taak, de financiering, de inrichting, het bestuur en de werkwijze van een stichting administratiekantoor afwikkeling.
4. Een stichting administratiekantoor afwikkeling kan in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen eigendomsinstrumenten verkopen en gelden consigneren waarop rechthebbenden geen aanspraak hebben gemaakt.
UU
Na artikel 3A:122 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. De Nederlandsche Bank kan een terugbetalingsrecht van verzekeringnemers ingevolge een levensverzekeringsovereenkomst waarbij een entiteit in afwikkeling partij is tijdelijk beperken of opschorten voor de periode zoals genoemd in het besluit tot opschorting, mits aan de uit de overeenkomst voortvloeiende materiële verplichtingen wordt voldaan.
2. De Nederlandsche Bank past de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uitsluitend toe indien dit nodig is om de toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten te vergemakkelijken.
VV
Artikel 3A:123, vierde lid, komt te luiden:
4. Het eerste lid is niet van toepassing op betalingsverplichtingen en leveringsverplichtingen van een entiteit die reeds hebben geleid tot een gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren, of tot rechten en verplichtingen die voor de entiteit in afwikkeling als deelnemer ingevolge of in verband met zijn deelname aan het systeem zijn ontstaan, welke betalingsverplichtingen of leveringsverplichtingen bestaan jegens een:
a. systeem of systeemexploitant als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel p, van de Faillissementswet;
b. centrale tegenpartij waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van de EMIR-verordening;
c. centrale tegenpartij uit een staat die geen lidstaat is die door de Europese Autoriteit voor effecten en markten is erkend overeenkomstig artikel 25 van de EMIR-verordening.
WW
Artikel 3A:124, tweede lid, komt te luiden:
2. De Nederlandsche Bank oefent de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid niet uit met betrekking tot een zekerheidsrecht dat is gevestigd ten behoeve van een:
a. systeem of systeemexploitant als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel p, van de Faillissementswet;
b. centrale tegenpartij waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van de EMIR-verordening;
c. centrale tegenpartij uit een staat die geen lidstaat is die door de Europese Autoriteit voor effecten en markten is erkend overeenkomstig artikel 25 van de EMIR-verordening;
XX
Artikel 3A:125 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het vierde lid komt te luiden:
4. De opschorting werkt niet ten aanzien van een:
a. systeem of systeemexploitant als bedoeld in artikel 212a onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel p, van de Faillissementswet;
b. centrale tegenpartij waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van de EMIR-verordening;
c. centrale tegenpartij uit een staat die geen lidstaat is die door de Europese Autoriteit voor effecten en markten is erkend overeenkomstig artikel 25 van de EMIR-verordening.
2. Onder vernummering van het vijfde tot zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
5. De beëindigingsrechten overeenkomstig de voorwaarden van die overeenkomst mogen voor het verstrijken van de opschortingstermijn, bedoeld in het derde lid, worden uitgeoefend indien de wederpartij bericht krijgt van de Nederlandsche Bank dat de onder de overeenkomst vallende rechten en verplichtingen niet:
a. aan een andere entiteit worden overgedragen; of
b. zijn onderworpen aan afschrijving of omzetting overeenkomstig artikel 3A:93.
YY
In artikel 3A:126 wordt na ‘de artikelen’ ingevoegd ‘3A:80c,’.
ZZ
Na artikel 3A:127 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Onverminderd artikel 3A:124, kan de Nederlandsche Bank indien nodig voor de doeltreffendheid van een of meer afwikkelingsmaatregelen een rechterlijke instantie verzoeken een of meer gerechtelijke maatregelen of procedures waaraan een entiteit in afwikkeling onderworpen is, op te schorten gedurende een in het licht van de nagestreefde doelstelling passende termijn.
AAA
Artikel 3A:128 vervalt.
BBB
Artikel 3A:131 vervalt.
CCC
Artikel 3A:132 komt te luiden:
1. Indien de Nederlandsche Bank een besluit neemt tot overgang van activa of passiva of een besluit als bedoeld in artikel 3A:130, eerste lid, onderdeel b, strekt dat besluit ten aanzien van een financiëlezekerheidsovereenkomst, salderingsovereenkomst, verrekeningsovereenkomst, of herverzekeringsovereenkomst, niet tot:
a. overgang van slechts een gedeelte van de activa of passiva die onder de overeenkomst worden beschermd; of
b. wijziging of beëindiging van rechten of verplichtingen die worden beschermd door de overeenkomst.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden activa, passiva, rechten en verplichtingen geacht te zijn beschermd door een financiëlezekerheidsovereenkomst, een verrekeningsovereenkomst, een salderingsovereenkomst of een herverzekeringsovereenkomst, indien de partijen bij de overeenkomst recht hebben op de verrekening of saldering van die activa, passiva, rechten en verplichtingen.
3. Indien de Nederlandsche Bank een besluit neemt als bedoeld in het eerste lid, strekt dat besluit ten aanzien van een zekerheidsregeling, of de activa of passiva die onder een zekerheidsregeling vallen, niet tot:
a. overgang van activa waarmee de verplichting is gedekt, tenzij ook wordt besloten tot overgang van de verplichting en het voordeel van de zekerheid;
b. overgang van een gedekte verplichting, tenzij ook wordt besloten tot overgang van het voordeel van de zekerheid;
c. overgang van het voordeel van de zekerheid, tenzij ook wordt besloten tot overgang van de gedekte verplichting; of
d. wijziging of beëindiging van de zekerheidsregeling, indien door die wijziging de verplichtingen niet langer zouden worden gedekt.
4. Indien de Nederlandsche Bank een besluit neemt als bedoeld in het eerste lid, strekt dat besluit ten aanzien van een gestructureerde financieringsregeling, beleggingsverzekeringen of andere geoormerkte portefeuilles, met inbegrip van regelingen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onderdelen e en g, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, waarbij de entiteit in afwikkeling partij is, niet tot:
a. overgang van slechts een gedeelte van de activa, passiva, rechten of verplichtingen die de regeling vormen of onderdeel daarvan uitmaken; of
b. wijziging of beëindiging van de activa, passiva, rechten of verplichtingen die de regeling vormen of onderdeel daarvan uitmaken.
5. Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid worden onder activa of passiva mede begrepen transacties, tegen de entiteit in afwikkeling uit te oefenen nevenrechten, alsmede in verband met de overeenkomst gevestigde rechten tot zekerheid op aan de entiteit in afwikkeling of derden toebehorende activa, andere rechten tot zekerheid en voorrechten op die activa.
6. Het eerste lid is niet van toepassing op een besluit tot overgang, beëindiging of wijziging in overeenstemming met artikel 59, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, het tweede lid is niet van toepassing op een besluit tot overgang, beëindiging of wijziging in overeenstemming met artikel 60, tweede lid, van die richtlijn, en het derde lid is niet van toepassing op een besluit tot overgang, beëindiging of wijziging in overeenstemming met artikel 61, tweede lid, van die richtlijn.
7. Een overgang, beëindiging of wijziging in strijd met het eerste, tweede of derde lid, is niet nietig of vernietigbaar. Rechten die worden beschermd door die leden, worden door een dergelijke overgang, beëindiging of wijziging niet aangetast.
DDD
Artikel 3A:133 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt ‘kosten’ vervangen door ‘redelijke kosten’.
b. In onderdeel c, wordt ‘of een’ vervangen door een komma en wordt na ‘passivabeheer’ toegevoegd ‘of van de entiteit in een solvabele run-off’.
2. In het derde lid wordt na ‘artikel 3A:93, eerste lid,’ toegevoegd ‘of een overgang als bedoeld in de artikelen 3A:104, 3A:112, 3A:114, eerste lid, en 3A:117, eerste lid,’.
EEE
Na artikel 3A:133 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Onverminderd de artikelen 3A:88, 3A:91 en 3A:138 en paragraaf 3a.2.4.7, hebben aandeelhouders of schuldeisers van de entiteit in afwikkeling en andere derden wier activa, rechten of passiva niet met behulp van het instrument van overgang van de onderneming bedoeld in artikel 3A:104, het instrument van de overbruggingsinstelling bedoeld in artikel 3A:112, of het instrument van afsplitsing van activa en passiva bedoeld in artikel 3A:117 worden overgedragen, geen rechten of vorderingen op overgedragen activa, rechten of passiva of jegens het bestuur en de raad van commissarissen, hun individuele leden en leden van het hoger management van de overbruggingsinstelling of de entiteit voor activa- en passivabeheer.
FFF
Aan artikel 3A:135 wordt een lid toegevoegd, luidende:
7. De bestuursrechter baseert zijn toetsing op de economische beoordeling van de feiten zoals uitgevoerd door de Nederlandsche Bank.
GGG
Artikel 3A:138 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Ten behoeve van de financiering van de afwikkeling van entiteiten als bedoeld in artikel 3A:78 kunnen bijdragen worden geheven van verzekeraars met zetel in Nederland, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, en Uniebijkantoren in Nederland.
2. Het derde lid, onderdeel a, wordt als volgt gewijzigd:
a. ‘of schuldeiser’ wordt telkens vervangen door ‘, de verzekeringnemer, de begunstigde, de indiener van vorderingen of andere schuldeiser of, waar van toepassing, een verzekeringsgarantiestelsel op grond van het toepasselijk nationaal recht,’;
b. ‘onmiddellijk voorafgaand aan dat besluit’ wordt vervangen door ‘op het moment van het besluit tot afwikkeling van de entiteit’.
3. Aan het einde van het derde lid, onderdeel c, wordt onder vervanging van een punt door een komma toegevoegd ‘voor zover dit noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.’
4. Onder vernummering van het vijfde tot zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
5. Onverminderd het derde lid, wordt de financieringsregeling toegepast in overeenstemming met de beginselen genoemd in artikel 22 van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars.
HHH
De Bijlage bij artikel 1:79 Wet op het financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder ‘Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen’ worden in de numerieke volgorde ingevoegd ‘3:57c’ en ‘3:288i1’.
2. Onder ‘Deel Bijzondere maatregelen en voorzieningen betreffende financiële ondernemingen’ worden in de numerieke volgorde ingevoegd ‘3A:80a’, ‘3A:80b’, ‘3A:83, tweede en vierde lid’, 3A:83a’, en ‘3A:111a’.
III
De Bijlage bij artikel 1:80 Wet op het financieel toezicht wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder ‘Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen’ worden in de numerieke volgorde ingevoegd ‘3:57c’ en ‘3:288i1’.
2. Onder ‘Deel Bijzondere maatregelen en voorzieningen betreffende financiële ondernemingen’ worden in de numerieke volgorde ingevoegd ‘3A:80a’, 3A:80b’, ‘3A:83, tweede en vierde lid’, ‘3A:83a’, ‘3A:85a’, ‘3A:111a’ en ‘3A:119a, derde en vierde lid’.
De Faillissementswet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 213 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt na ‘schadeverzekeraar’ een komma ingevoegd en wordt ‘of levensverzekeraar’ vervangen door ‘levensverzekeraar of herverzekeraar’.
2. In onderdeel g wordt ‘moedermaatschappij van een verzekeraar’ vervangen door ‘entiteit als bedoeld in artikel 3a:78, onderdelen b tot en met d van de Wet op het financieel toezicht’ en wordt ‘die moedermaatschappij’ vervangen door ‘die entiteit’.
3. Onderdeel r komt te luiden:
Richtlijn (EU) 2025/1 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 en de Verordeningen (EU) nr. 1094/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2017/1129.
B
Artikel 213abis komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank N.V. verzoekt binnen redelijke termijn de rechtbank Amsterdam ten aanzien van een verzekeraar met zetel in Nederland het faillissement uit te spreken indien De Nederlandsche Bank N.V. oordeelt dat ten aanzien van die verzekeraar is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het financieel toezicht, maar dat een afwikkelingsmaatregel niet in het algemeen belang is als bedoeld in onderdeel c van dat lid.
2. De omstandigheid dat De Nederlandsche Bank N.V. de vergunning van een verzekeraar heeft ingetrokken, staat er niet aan in de weg dat ten aanzien van die verzekeraar toepassing wordt gegeven aan deze afdeling.
3. Onverminderd het vierde lid, kan een ander dan De Nederlandsche Bank N.V. niet het faillissement aanvragen van een verzekeraar die een door De Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning heeft of heeft gehad.
4. Een verzekeraar die een door De Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning heeft of heeft gehad kan aangifte doen van haar eigen faillissement. In dat geval stelt de rechtbank De Nederlandsche Bank N.V. onverwijld in kennis van deze aangifte.
5. De rechtbank beslist niet op de aangifte, bedoeld in het vierde lid, voordat:
a. De Nederlandsche Bank N.V. de rechtbank in kennis heeft gesteld dat zij niet voornemens is een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:77 van de Wet op het financieel toezicht te nemen met betrekking tot de verzekeraar; of
b. een termijn van zeven dagen na dagtekening van de kennisgeving bedoeld in het vierde lid is verstreken.
6. Indien De Nederlandsche Bank N.V. de rechtbank in kennis heeft gesteld dat zij met betrekking tot de verzekeraar voornemens is een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:77 van de Wet op het financieel toezicht te nemen of een besluit tot afwikkeling heeft genomen op grond van artikel 3A:85, eerste lid, van die wet, dan wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring op eigen aangifte af.
7. De Nederlandsche Bank N.V. kan bij het verzoek, bedoeld in het eerste of tweede lid, of naar aanleiding van de aangifte, bedoeld in het vierde lid een advies overleggen over de uitvoering van het faillissement door de curator.
C
In artikel 213af, eerste lid, wordt ‘dat zich een situatie als bedoeld in artikel 213a bis voordoet.’ vervangen door ‘dat is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het financieel toezicht.’
D
Artikel 213ag wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Onverminderd artikel 213abis, zesde lid, spreekt de rechtbank het faillissement uit indien summierlijk blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het financieel toezicht.
2. In het derde lid wordt ‘Indien het verzoek wordt toegewezen’ vervangen door ‘Indien op het verzoek of de aangifte het faillissement wordt uitgesproken’.
E
Artikel 213ar vervalt.
F
Na artikel 213mk wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Voor zover dat niet reeds uit de wet volgt, worden vorderingen die voortvloeien uit bestanddelen van het eigen vermogen, bedoeld in artikel 2, onderdeel 28, van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, op de boedel verhaald na de vorderingen die niet voortvloeien uit een bestanddeel van het eigen vermogen, bedoeld in dat artikel, in de volgende volgorde:
a. vorderingen uit hoofde van kernvermogens- of aanvullendvermogensbestanddelen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 94, derde lid, van de richtlijn solvabiliteit II;
b. vorderingen uit hoofde van kernvermogens- of aanvullendvermogensbestanddelen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 94, tweede lid, van de richtlijn solvabiliteit II;
c. vorderingen uit hoofde van kernvermogensbestanddelen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 94, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor zover een instrument slechts gedeeltelijk als een bestanddeel van het eigen vermogen wordt erkend, het gehele instrument behandeld als een uit een bestanddeel van het eigen vermogen voortvloeiende vordering met een lagere rang dan vorderingen die niet voortvloeien uit een bestanddeel van het eigen vermogen.
3. Vorderingen die niet langer voortvloeien uit bestanddelen van het eigen vermogen bedoeld in het eerste lid worden op de boedel verhaald onmiddellijk voor de vorderingen, bedoeld in het eerste lid, tenzij een andere wijziging in de achterstelling is overeengekomen die in overeenstemming is met de richtlijn solvabiliteit II.
4. Indien een achterstelling van een vordering volgt uit een verwijzing naar een andere achtergestelde vordering en de achterstelling van een van die twee vorderingen wordt gewijzigd doordat zij niet langer voortvloeit uit bestanddelen van het eigen vermogen is die wijziging niet van invloed op de achterstelling van de andere vordering.
G
Artikel 213gg komt te luiden:
1. De Nederlandsche Bank N.V. kan de rechtbank Amsterdam verzoeken ten aanzien van een verzekeraar met beperkte risico-omvang het faillissement uit te spreken indien De Nederlandsche Bank N.V. oordeelt dat ten aanzien van die verzekeraar met beperkte risico-omvang is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het financieel toezicht.
2. De artikelen 213a, eerste lid, 213abis, derde tot en met zevende lid, 213ad1, 213ae, 213af, 213ag, 213aga, 213agb, 213agc, 213ah, 213b, 213d, 213i, 213j en 213k, eerste lid, 213ka, 213kaa, 213l, 213ma tot en met 213ml, alsmede paragraaf 3 van deze afdeling zijn van overeenkomstige toepassing op verzekeraars met beperkte risico-omvang.
H
Artikel 213kka vervalt.
I
Na afdeling 11B wordt een nieuwe afdeling ingevoegd, luidende:
1. De Nederlandsche Bank N.V. kan de rechtbank Amsterdam verzoeken ten aanzien van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht, met zetel in Nederland, het faillissement uit te spreken indien De Nederlandsche Bank N.V. oordeelt dat ten aanzien van die entiteit is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet op het financieel toezicht, maar dat een afwikkelingsmaatregel niet in het algemeen belang is als bedoeld in onderdeel c van dat lid.
2. Onverminderd het vierde lid en behoudens het recht van deze entiteiten om aangifte te doen van hun eigen faillissement, kan een ander dan De Nederlandsche Bank N.V. niet het faillissement aanvragen van entiteiten als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b en c, van de Wet op het financieel toezicht.
3. In afwijking van artikel 2, eerste lid, geschiedt de faillietverklaring van een entiteit als bedoeld in het eerste lid door de rechtbank Amsterdam.
4. Indien een ander dan De Nederlandsche Bank N.V. het faillissement aanvraagt van een entiteit als bedoeld in het eerste lid, stelt de rechtbank De Nederlandsche Bank N.V. onverwijld in kennis van dit verzoek of de eigen aangifte.
5. De rechtbank beslist niet op het verzoek of de eigen aangifte bedoeld in het vierde lid voordat:
a. De Nederlandsche Bank N.V. de rechtbank in kennis heeft gesteld dat zij niet voornemens is een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:77 van de Wet op het financieel toezicht te nemen met betrekking tot de entiteit; of
b. een termijn van zeven dagen na dagtekening van de kennisgeving bedoeld in het vierde lid is verstreken.
6. Indien De Nederlandsche Bank N.V. de rechtbank in kennis heeft gesteld dat zij met betrekking tot de entiteit voornemens is een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:77 van de Wet op het financieel toezicht te nemen of een besluit tot afwikkeling heeft genomen op grond van artikel 3A:86 van die wet, dan wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring op eigen aangifte af.
1. De artikelen 213ad1, 213ae, 213af, 213ag, 213b, 213i, 213j, 213k en 213ml, zijn van overeenkomstige toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 213kkb, eerste lid.
2. Artikel 213g, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 213kkb, eerste lid, met dien verstande dat het bepaalde ten aanzien van de in dat artikel genoemde machtigingen niet van toepassing zijn.
3. De artikelen 213af, 213ag, eerste lid, en 213b zijn niet van toepassing op entiteiten als bedoeld in artikel 213kkb, eerste lid, indien een ander dan de Nederlandsche Bank N.V. het faillissement aanvraagt.
J
In artikel 215 wordt telkens ‘moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar met een vergunning als bedoeld in artikel 2:26a, 2:27 of 2:54a van de Wet op het financieel toezicht is’ vervangen door ‘verzekeraar met beperkte risico-omvang of een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht is’.
K
Artikel 218 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het zesde lid komt te luiden:
6. Indien een aanvraag tot faillietverklaring, niet zijnde een verzoek of aangifte als bedoeld in artikel 213gg of artikel 213kkb, en een verzoek tot surseance gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst het verzoek tot surseance in behandeling. Indien een verzoek tot faillietverklaring of een aangifte als bedoeld in artikel 213gg of artikel 213kkb en een verzoek tot surseance gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst de aanvraag tot faillietverklaring in behandeling.
2. In het achtste lid wordt ‘moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar als bedoeld in artikel 213abis, eerste lid,’ vervangen door ‘verzekeraar met beperkte risico-omvang of een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht,’.
L
In artikel 242, vijfde lid, wordt ‘moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar als bedoeld in artikel 213abis, eerste lid.’ vervangen door ‘verzekeraar met beperkte risico-omvang of een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht.’
M
In artikel 248, eerste lid, wordt ‘artikel 213ar’ vervangen door ‘artikel 213gg of artikel 213kkb’.
N
In artikel 272, vijfde lid, wordt ‘moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar als bedoeld in artikel 213abis, eerste lid,’ vervangen door ‘verzekeraar met beperkte risico-omvang of een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht,’.
O
In artikel 277 wordt ‘moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar als bedoeld in artikel 213abis, eerste lid,’ vervangen door ‘verzekeraar met beperkte risico-omvang of een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht,’.
P
In artikel 280, derde lid, wordt ‘moedermaatschappij met zetel in Nederland van een verzekeraar als bedoeld in artikel 213abis, eerste lid,’ vervangen door ‘verzekeraar met beperkte risico-omvang of een entiteit als bedoeld in artikel 3A:78, onderdelen b tot en met d, van de Wet op het financieel toezicht,’.
De Bankwet 1998 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 4a, tweede zin, wordt ‘of’ vervangen door een komma en wordt na ‘centrale tegenpartijen’ ingevoegd ‘of artikel 3A:84 van de Wet op het financieel toezicht’.
B
In artikel 12b, derde lid, wordt ‘3A:81 tot en met 3A:83 van de Wet op het financieel toezicht’ vervangen door ‘Afdeling 3A.2.2. van de Wet op het financieel toezicht’.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De Minister van Financiën,
|
ALGEMEEN |
||
|
§ 1. |
Inleiding |
|
|
§ 2. |
Inhoud richtlijn |
|
|
2.1 |
Inleiding en achtergrond IRRD |
|
|
2.2 |
Minimumharmonisatie |
|
|
2.3 |
Afwikkelingsautoriteit |
|
|
2.4 |
Herstelplanning en voorbereiding van afwikkeling |
|
|
2.5 |
Afwikkelingsinstrumentarium |
|
|
2.6 |
Technische standaarden EIOPA |
|
|
§ 3. |
Wijze van implementatie en hoofdlijnen van het voorstel |
|
|
3.1 |
Wijze van implementatie |
|
|
3.2 |
Hoofdlijnen implementatiewetsvoorstel |
|
|
§ 4. |
Verhouding tot hoger Europees recht |
|
|
§ 5. |
Verhouding tot nationaal recht |
|
|
§ 6. |
Gevolgen |
|
|
§ 7. |
Uitvoering |
|
|
§ 8. |
Toezicht en handhaving |
|
|
§ 9. |
Advies en consultatie |
|
|
§ 10. |
Overgangsrecht en inwerkingtreding |
|
|
ARTIKELSGEWIJS |
||
|
Bijlage. Transponeringstabel |
||
Het voorliggende wetsvoorstel strekt tot implementatie van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars (Insurance recovery and resolution directive, hierna: ‘IRRD’).1 Deze richtlijn bevat een kader voor het herstel en afwikkelen van verzekeraars en herverzekeraars die zich in een noodlijdende situatie bevinden, bijna falen of falen. De IRRD dient op 29 januari 2027 in nationale wet- en regelgeving te zijn geïmplementeerd en de bepalingen dienen uiterlijk van toepassing te zijn op 30 januari 2027. Naast dit wetsvoorstel zal met een algemene maatregel van bestuur en een ministeriële regeling worden voorzien in de implementatie van de IRRD. Het voorliggende wetsvoorstel en bijbehorende toelichting zijn in overeenstemming met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid opgesteld.
In paragraaf 2 wordt stilgestaan bij de totstandkoming en inhoud van de richtlijn, waarna in paragraaf 3 de samenhang met het bestaande nationale raamwerk, de hoofdlijnen van dit wetsvoorstel en de wijze van implementatie worden beschreven. In paragraaf 4 wordt aandacht besteed aan de verhouding tot Unierecht en in paragraaf 5 de verhouding tot overig nationaal recht. In paragraaf 6 wordt ingegaan op de gevolgen van het wetsvoorstel, met uitzondering van de financiële gevolgen. Paragraaf 7 betreft de uitvoering van het kader en het toezicht door De Nederlandsche Bank (hierna: ‘DNB’) als nationale afwikkelingsautoriteit maar ook in haar rol als toezichthoudende autoriteit. Paragraaf 6 betreft de gevolgen van het wetsvoorstel en daarin wordt ook stilgestaan bij de regeldrukeffecten. Paragraaf 7 en 8 zien op de uitvoeringstoetsen met betrekking tot dit wetsvoorstel en op toezicht en handhaving. Paragraaf 9 bespreekt de openbare consultatie en opvolging daarvan. In paragraaf 10 wordt ingegaan op het overgangsrecht en de inwerkingtreding. Na het algemene deel van deze toelichting is een artikelsgewijze toelichting opgenomen. Aan het slot van deze toelichting is een transponeringstabel opgenomen.
Als verzekeringsondernemingen in financiële problemen verkeren of omvallen, dan kan dit een aanzienlijke impact hebben op de economie en het maatschappelijk welzijn in de lidstaten van de Europese Unie. Na de financiële crisis van 2008, waarin kwetsbaarheden van de financiële sector en de risico’s van onderlinge verwevenheid zijn gebleken, zijn er regels opgesteld om het financiële stelsel in de EU en de weerbaarheid van verzekeringsondernemingen te versterken. Hoewel verzekeraars onder toezicht staan en de richtlijn solvabiliteit II2 het risico op falen van een verzekeraar heeft verminderd, kan de mogelijkheid dat zich financiële problemen voordoen niet volledig worden uitgesloten. Polishouders en andere begunstigden onder verzekeringscontracten hebben dan baat bij kordaat en effectief optreden van de verzekeraar zelf en de betrokken autoriteiten, om eventuele schade zoveel mogelijk te beperken. Continuïteit van een verzekeringsonderneming en haar activiteiten kan in gevallen de voorkeur hebben, bijvoorbeeld als de falende verzekeraar een kritieke functie vervult binnen het financiële stelsel in een lidstaat en de financiële stabiliteit in het geding komt als de verzekeringsonderneming failliet zou worden verklaard. Het is daarom belangrijk dat er adequate instrumenten beschikbaar zijn om falen te voorkomen of de negatieve gevolgen van falen te beperken en de continuïteit van bepaalde functies te waarborgen.
De Europese wetgevers hebben het waarborgen van een doeltreffende afwikkeling van falende verzekeringsondernemingen gezien als een belangrijk onderdeel van de voltooiing van de interne markt en de bescherming van de reële economie en financiële stabiliteit van de markten waarop die verzekeringsondernemingen actief zijn. Veel verzekeraars beperken hun activiteiten niet tot één lidstaat, zeker niet in deze tijd waarin veel verzekeringsproducten online worden verstrekt. Het ontbrak binnen de EU aan gemeenschappelijke voorwaarden, bevoegdheden en procedures voor het herstel en de afwikkeling van verzekeringsondernemingen.3 Dat kan een belemmering vormen voor het soepele functioneren van de interne markt en voor de samenwerking tussen nationale autoriteiten bij het omgaan met in financiële moeilijkheden verkerende of falende grensoverschrijdende groepen van (verzekerings)ondernemingen. Dat geldt in het bijzonder in gevallen waarin nationale autoriteiten als gevolg van verschillende manieren van aanpak niet over dezelfde mate van controle of dezelfde mogelijkheden beschikken om ondernemingen af te wikkelen. Deze verschillen in herstel- en afwikkelingsregelingen kunnen ook van invloed zijn op het gelijke speelveld voor polishouderbescherming. Een geharmoniseerd kader voor een gecoördineerde afwikkeling van deze verzekeringsondernemingen zorgt ervoor dat de verschillen in polishouderbescherming, instrumentarium en procedures per lidstaat kleiner worden.
Het kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars volgt op een reeds bestaand Europees herstel- en afwikkelkader voor banken en bepaalde beleggingsondernemingen. Met invoering van de regels uit de IRRD zullen zowel de verzekeringsafwikkelingsautoriteiten als de bankenafwikkelingsautoriteiten elk over een eigen afwikkelingskader beschikken dat is aangepast aan de specifieke kenmerken van de verzekeringssector respectievelijk de bankensector, hoewel beide kaders – waar opportuun – ook vergelijkbare regels en procedures kennen. Voor centrale tegenpartijen bestaat ook een dergelijk Europees resolutie raamwerk. Afwikkelingen in een verzekeringscontext enerzijds en die in een bancaire context anderzijds zullen naar verwachting veelal een verschillend tijdsverloop en daarmee andere dynamiek kennen. Bij banken moeten de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad en de nationale bankenafwikkelingsautoriteiten doorgaans snel optreden om een bankrun te voorkomen. Bij de afwikkeling van verzekeraars hebben de autoriteiten vaak meer tijd om naar de juiste oplossingen te zoeken die het gunstigst zijn voor verzekeringnemers en gezamenlijke schuldeisers. Een met een bankrun vergelijkbare gebeurtenis is minder waarschijnlijk in de verzekeringssector door de aard van het verzekeringsbedrijf en de verzekeringsproducten, maar kan evenmin op voorhand uitgesloten worden. Omdat er ook financiële conglomeraten bestaan waar verzekeringsondernemingen en banken deel van uitmaken, is het van belang dat er ook processen voor effectieve informatie-uitwisseling bestaan tussen de verschillende toezichthoudende en afwikkelingsautoriteiten. Daarin voorziet de IRRD.
De IRRD biedt een minimaal geharmoniseerd wettelijk kader voor het herstel en de afwikkeling van verzekeraars voor de gehele Unie. Dit betekent dat lidstaten regels mogen vaststellen of handhaven die aanvullend zijn aan de regels zoals vastgesteld in de richtlijn, indien deze regels van algemene strekking zijn en niet in strijd zijn met de richtlijn.4 Daarnaast biedt de richtlijn ook ruimte voor lidstaten om op concrete punten door de richtlijn gegeven optionele regels te implementeren, zie hiervoor paragraaf 3.2.6.
Ter uitvoering en handhaving van het wettelijk kader vereist de richtlijn dat de lidstaten een nationale afwikkelingsautoriteit aanwijzen. Het merendeel van de bepalingen uit de richtlijn is erop gericht om de afwikkelingsautoriteit te voorzien van wettelijke taken, instrumenten en bevoegdheden op basis waarvan zij op doeltreffende wijze kan ingrijpen bij een falende verzekeringsonderneming en herstel(planning) door de verzekeringsonderneming zelf kan bevorderen. Als gevolg van een gemeenschappelijk Europees kader en gegeven de grensoverschrijdende aard van het bedrijf van sommige verzekeraars, regelt de IRRD ook de samenwerking tussen verschillende betrokken toezichthoudende autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten, bijvoorbeeld door de introductie van zogeheten afwikkelingscolleges.
De IRRD beoogt een adequate mate van paraatheid voor crisissituaties te verzorgen. Daarbij geldt dat de geschiktheid en doeltreffendheid van het herstel- en afwikkelingskader moeten worden gewaarborgd en tegelijkertijd onnodige administratieve lasten en kosten voor ondernemingen en autoriteiten moeten worden vermeden. De uitvoering van het door de IRRD geboden herstel- en afwikkelingskader moet in verhouding staan tot de aard, de omvang en de complexiteit van de betrokken onderneming en haar activiteiten en diensten. Daarom voorziet de IRRD in een risicogebaseerde reikwijdte van herstel- en afwikkelingsplanning. Doordat de IRRD grensoverschrijdende samenwerking vereist, moeten nationale toezichthouders in het kader van herstel- en afwikkelingsplanning ook met afwikkelingsautoriteiten uit andere lidstaten en soms uit derde landen samenwerken bij het beoordelen van voorbereidende crisisplannen en de afwikkelingsplanning.
Een voorbereidend crisisplan5 (hierna: ‘VCP’) is een plan dat wordt opgesteld door de verzekeringsonderneming en dat moet worden ingediend bij de toezichthoudende autoriteit. In dit plan worden maatregelen omschreven die de verzekeringsonderneming kan nemen om haar (financiële) positie te verbeteren indien deze verslechtert of snel dreigt te verslechteren. Daarnaast stelt de nationale afwikkelingsautoriteit in het kader van haar afwikkelingsplanning afwikkelingsplannen voor een selectie van verzekeringsondernemingen op. Een afwikkelingsplan beschrijft onder meer welke afwikkelingsmaatregelen genomen kunnen worden in een afwikkelingsscenario.
Op basis van een aantal criteria bepaalt de nationale toezichthouder welke verzekeringsondernemingen een VCP moeten opstellen om voorbereid te zijn op verslechtering van de financiële positie of andere tegenslagen. De afwikkelingsautoriteit stelt afwikkelingsplannen op voor ondernemingen die zij selecteert op basis van de waarschijnlijkheid dat de toepassing van een afwikkelingsmaatregel in het algemeen belang zou zijn, in geval van falen van de betreffende onderneming, of voor ondernemingen waarvan zij oordeelt dat deze een kritieke functie vervullen. De afwikkelingsautoriteit houdt hierbij rekening met de noodzaak om afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken en met de omvang, het bedrijfsmodel, het risicoprofiel, de verwevenheid, de vervangbaarheid en met name de grensoverschrijdende activiteiten van de betreffende verzekeringsonderneming. Zowel met betrekking tot VCPs als afwikkelingsplanning kunnen de autoriteiten ook vereenvoudigde verplichtingen toepassen op een onderneming. Daarnaast zijn kleine, niet-complexe ondernemingen uitgezonderd van de verplichting om een VCP op te stellen en worden zij ook niet onderworpen aan afwikkelingsplanning door de afwikkelingsautoriteit, tenzij de toezichthouder of afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat de onderneming een bijzonder risico vormt. Tot slot moet een onderneming die door de afwikkelingsautoriteit is onderworpen aan afwikkelingsplanning in ieder geval altijd een VCP opstellen. Om te anticiperen op de mogelijke interactie tussen afwikkelingsmaatregelen en het belang van andere ondernemingen in de groep dan alleen verzekeraars en om de crisisparaatheid en de afwikkelbaarheid van groepen te verbeteren, voorziet de IRRD ook in herstel- en afwikkelingsplanning voor bepaalde groepen.
Onderdeel van de voorbereiding van afwikkeling is het op voorhand beoordelen van de afwikkelbaarheid van verzekeraars en groepen, het in kaart brengen van wezenlijke belemmeringen daarvoor en het (laten) wegnemen van die belemmeringen.
Indien een verzekeraar faalt of waarschijnlijk zal falen, het redelijkerwijs niet valt te verwachten dat er alternatieve maatregelen zijn die het falen binnen een redelijk tijdsbestek kunnen voorkomen en indien afwikkeling in het algemeen belang is, dan kan de verzekeraar in afwikkeling worden genomen. Afwikkeling wordt geacht in het algemeen belang te zijn indien het nodig is om één of meer afwikkelingsdoelstellingen te bereiken. De afwikkelingsdoelstellingen geformuleerd in IRRD zijn: a) de bescherming van de collectieve belangen van verzekeringnemers, begunstigden en indieners van vorderingen; b) de instandhouding van financiële stabiliteit, met name door voorkoming van besmetting en handhaving van de tucht van de markt; c) de waarborging van de continuïteit van kritieke functies; d) de bescherming van overheidsmiddelen door het beroep op buitengewone openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken. Er wordt alleen voor afwikkeling gekozen indien deze doelstellingen niet via de weg van de nationale insolventieprocedure kunnen worden bereikt. Bij afwikkeling gelden onder de IRRD verschillende beginselen en waarborgen die in acht moeten worden genomen, zoals het ‘no creditor worse off’-beginsel (hierna: ‘NCWO-beginsel’), dat inhoudt dat aandeelhouders en schuldeisers, inclusief polishouders, als gevolg van afwikkeling door de afwikkelingsautoriteit niet slechter af mogen zijn dan zij zouden geweest wanneer de onderneming in faillissement zou zijn afgewikkeld.
Indien de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat afwikkeling van een verzekeringsonderneming in het algemeen belang is, dan kan zij deze onderneming in afwikkeling nemen en verschillende instrumenten en bevoegdheden inzetten om een ordentelijke afwikkeling te bewerkstelligen en de nadelige gevolgen van het (dreigende) falen van de onderneming te beperken. De IRRD bevat vijf afwikkelingsinstrumenten: (i) het instrument van solvabele run-off; (ii) het instrument van overgang van de onderneming; (iii) het instrument van de overbruggingsonderneming; (iv) het instrument van afsplitsing van activa en passiva; en (v) het afschrijvings- of omzettingsinstrument (hierna ook wel bail-in genoemd). Afwikkelingsautoriteiten mogen de afwikkelingsinstrumenten ofwel afzonderlijk, ofwel in combinatie toepassen, met uitzondering van het instrument van afsplitsing van activa en passiva, dat alleen in combinatie met een ander afwikkelingsinstrument wordt toegepast. Het instrumentarium onder de IRRD en onder de richtlijn herstel en afwikkeling van banken6 (hierna: ‘BRRD’) vertoont veel overlap, maar de IRRD kent als aanvullend instrument de solvabele run-off. Wanneer de afwikkelingsautoriteit afwikkelingsmaatregelen treft, verlangt de IRRD dat zij in beginsel rekening houdt met en gevolg geeft aan de in de afwikkelingsplannen opgenomen maatregelen. In het geval van afwikkeling van een groep met grensoverschrijdende activiteiten moet bij alle afwikkelingsmaatregelen rekening worden gehouden met de mogelijke gevolgen ervan voor de verzekeringnemers, de reële economie en de financiële stabiliteit in de lidstaten waar de groep actief is.
Ter bescherming van de rechten van aandeelhouders en schuldeisers bevat de IRRD verplichtingen betreffende de waardering van de activa en de passiva van de entiteit in afwikkeling, die zowel voorafgaand aan de toepassing van afwikkelingsmaatregelen, als na afloop wordt verricht (zie artikelen 23 tot en met 25 en 56 IRRD). Indien achteraf uit de waardering blijkt dat aandeelhouders en schuldeisers meer schade hebben geleden dan zij zouden hebben geleden in het geval dat de onderneming in faillissement zou zijn afgewikkeld, dan dienen deze schuldeisers daarvoor gecompenseerd te worden door middel van een financieringsregeling (zie artikelen 55, 57 en 81 IRRD).
Om een doeltreffende uitvoering van de afwikkeling te garanderen, bepaalt de IRRD dat de afwikkelingsautoriteiten van de lidstaten beschikken over bevoegdheden die, in diverse combinaties, bij het inzetten van de afwikkelingsinstrumenten kunnen worden uitgeoefend, waarbij zij niet worden gehinderd door statuten of andere wettelijke voorschriften. Tot die bevoegdheden behoren bijvoorbeeld de bevoegdheid om aandelen, activa, rechten of passiva van een verzekeraar over te laten gaan op een andere entiteit (zoals een private partij als verkrijger of een overbruggingsinstelling), de bevoegdheid om aandelen van een falende verzekeraar af te schrijven of in te trekken of passiva van een falende verzekeraar af te schrijven of om te zetten, de bevoegdheid om het bestuur te vervangen of een bijzondere bestuurder te benoemen, de bevoegdheid de zeggenschap van een onderneming in afwikkeling over te nemen en de bevoegdheid om de betaling van schuldvorderingen tijdelijk op te schorten. Daarbij vereist de IRRD aanvullende bevoegdheden, zoals de bevoegdheid om van andere onderdelen van de groep te eisen dat zij de verlening van essentiële diensten voortzetten.
Door middel van harmonisatie beoogt de IRRD ervoor te zorgen dat afwikkelingsautoriteiten van verschillende lidstaten ten minste over een aantal dezelfde afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden beschikken. Daarmee wordt gecoördineerd optreden bij het falen van een grensoverschrijdende groep gemakkelijker gemaakt. Om de samenwerking te bevorderen, gefragmenteerde nationale reacties te voorkomen en bij de afwikkeling van groepsentiteiten overeenstemming over een groepsafwikkelingsregeling te bereiken, verlangt de IRRD dat afwikkelingsautoriteiten worden verplicht elkaar te raadplegen en samen te werken in afwikkelingscolleges.
De IRRD geeft de European Insurance and Occupational Pensions Authority (hierna: ‘EIOPA’) de bevoegdheid om technische normen te ontwikkelen, die vervolgens door de Europese Commissie in gedelegeerde handelingen kunnen worden vastgesteld (ex artikel 290 VWEU). Deze vaststelling vindt plaats door middel van Europese verordeningen die niet geïmplementeerd hoeven te worden, maar rechtstreekse werking hebben. Deze bevoegdheid ziet op de volgende onderwerpen: nadere specificaties van de informatie die in VCPs moet worden opgenomen (artikel 5, twaalfde lid); specificatie van de inhoud van (groeps)afwikkelingsplannen (artikel 9, achtste lid, en artikel 10, zesde lid); specificatie van de aangelegenheden en criteria voor de beoordeling van de afwikkelbaarheid (artikel 13, vijfde lid); specificatie van de methodieken van verschillende waarderingselementen, te weten marktwaardewaarderingen (artikel 24, zesde lid, en artikel 25, vierde lid) en NCWO-waarderingen (artikel 56, vierde lid) bij afwikkeling; specificatie van de inhoud van contractuele bepalingen die krachtens het voorstel moeten worden opgenomen in financiële overeenkomsten die onder het recht van een derde land vallen (artikel 52, vijfde lid); en specificatie van de operationele werking van afwikkelingscolleges voor de uitvoering van de taken die in het voorstel aan afwikkelingscolleges zijn toebedeeld (artikel 70, zevende lid).
Hiernaast kunnen in EIOPA-verband richtsnoeren worden opgesteld die niet bindend zijn, maar meer context en richting geven aan sommige verplichtingen die volgen uit de IRRD.
Op 1 januari 2019 trad in Nederland de Wet herstel en afwikkeling van verzekeraars7 (hierna: ‘Whav’) in werking. Deze wet introduceerde een nieuw nationaal herstel- en afwikkelingskader voor verzekeraars, dat geïnspireerd was op – maar niet gelijk was aan – het kader volgend uit de BRRD. Het kader is met de Whav opgenomen in de Wet op het financieel toezicht (hierna: ‘Wft’) en de Faillissementswet en verder uitgewerkt in het Besluit prudentiële regels Wft (hierna: ‘Bpr’) en het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft (hierna: ‘Bbpm’).
Onder het bestaande Nederlandse kader treedt DNB op als nationale afwikkelingsautoriteit voor verzekeraars. Ten behoeve van die taak heeft zij binnen de divisie Resolutie aangewezen personen die zich bezig houden met afwikkelingsplanning voor verzekeraars en afwikkelingsvoorbereiding. Verzekeraars met zetel in Nederland, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, zijn onder het huidige kader in beginsel verplicht om een VCP op te stellen, dat door de toezichthouder wordt bekeken. DNB onderwerpt verzekeraars waarvan zij verwacht dat afwikkeling in resolutie (in plaats van faillissement) in het algemeen belang is aan afwikkelingsplanning. Indien een verzekeraar faalt of dreigt te falen, dan toetst DNB (opnieuw) of daadwerkelijk voldaan wordt aan de voorwaarden voor afwikkeling. Zo ja, dan kan zij de verzekeraar en, onder voorwaarden, een of meer bepaalde groepsentiteiten in afwikkeling nemen in plaats van het faillissement aan te vragen bij de rechtbank, en één of meer afwikkelingsmaatregelen nemen. De vier afwikkelingsinstrumenten in het huidige kader zijn: het instrument van bail-in (artikel 3A:93), het instrument van overgang van de onderneming (artikel 3A:104), het instrument van de overbruggingsinstelling (artikel 3A:112); en het instrument van afsplitsing van activa en passiva (artikel 3A:117). Daarnaast gelden verschillende aanvullende bevoegdheden om een ordentelijke afwikkeling mogelijk te maken, zoals het wijzigen van lopende contracten of vervanging van het bestuur van de onderneming. Gezien de verstrekkende bevoegdheden in een afwikkelingsregime, zijn enkele waarborgen ingebouwd in het regime, bijvoorbeeld het NCWO-beginsel. Voor verdere achtergrond en inhoudelijke toelichting bij het bestaande nationale kader, wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de Whav.8
Het bestaande nationale kader komt in grote mate overeen met hetgeen is opgenomen in de IRRD. De richtlijn onderkent, net als het bestaande nationale kader, het belang van een ordentelijke afwikkeling van verzekeraars, gericht op continuering van de verzekeringsportefeuille. De regels omtrent het opstellen van een VCP, het nemen van herstelmaatregelen, het opstellen van afwikkelingsplannen, de toepassing van het afwikkelingsinstrumentarium zijn grotendeels gelijk of vergelijkbaar aan het huidige nationale kader. Op een aantal onderdelen wijkt de IRRD daarvan af, waaronder een andere reikwijdte van de verplichting tot het opstellen van VCPs en afwikkelingsplannen, een lagere drempel voor het toepassen van resolutie en een aanvullend afwikkelingsinstrument.
Met de IRRD wordt het bestaande nationale kader daarom aangevuld en, waar nodig, aangepast. Het aantal fundamentele wijzigingen is echter beperkt, aangezien de structuur van de IRRD en het nationale kader in grote mate overeenkomt. De IRRD leidt niet tot een integrale vervanging van het bestaande kader in de Wft. De belangrijkste wijzigingen aan het bestaande kader worden in paragraaf 3.2 uitgelicht. Bij de implementatie van de IRRD wordt aansluiting gezocht bij de huidige opbouw van de Wft en uitwerking in gedelegeerde regelgeving. Implementatie van de IRRD leidt daarmee ook tot aanpassing van het Bpr, het Bbpm en de Regeling taakuitoefening en grensoverschrijdende samenwerking financiële toezichthouders Wft (hierna: ‘Rtt Wft’). Verder bevat dit wetsvoorstel enkele aanpassingen aan de Faillissementswet en de Bankwet 1998, die nodig zijn om de kaders goed op elkaar af te stemmen.
Dit wetsvoorstel beoogt een lastenluwe implementatie van de IRRD. Waar mogelijk en opportuun zal het bestaande nationale kader in stand worden gelaten. Daarmee zullen de praktische en financiële gevolgen van de implementatie voor de sector naar verwachting beperkt zijn (zie ook paragraaf 5).
Met dit wetsvoorstel wordt, waar dat opportuun wordt geacht in het licht van consistentie binnen de Wft en voor de uitvoering, aansluiting gezocht bij vergelijkbare bepalingen in deel 3A.1 van de Wft, zoals ook wordt geactualiseerd met het voorstel voor de Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie (hierna: ‘Wet NUB’).9 Het hoofddoel van dit wetsvoorstel is echter de lastenluwe implementatie van de IRRD in het bestaande kader van de Whav. Aansluiting bij het nationale kader in 3A.1 Wft is geen doel op zich. Beide sectoren hebben immers hun eigen kenmerken, rollen en historie. Daarom zal op punten het wettelijk raamwerk en de toelichting daarbij voor banken en verzekeraars anders luiden.
Met het wetsvoorstel worden ter implementatie van de IRRD aanvullingen en aanpassingen gedaan aan het bestaande kader. De belangrijkste inhoudelijke wijzigingen zien op de volgende onderwerpen:
– de kring van entiteiten die onderworpen worden aan de verplichtingen ten aanzien van een VCP en de inhoudelijke voorschriften voor VCPs;
– de kring van entiteiten die onderworpen worden aan afwikkelingsplanning;
– aanpassing van de afwikkelingsdoelstellingen en algemeen-belang-toets;
– de toevoeging van een nieuw afwikkelingsinstrument: het instrument van de solvabele run-off;
– grensoverschrijdende samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten, waaronder in afwikkelingscolleges, ten aanzien van groepen en andere grensoverschrijdende activiteiten;
– aanpassingen van de Faillissementswet.
De IRRD regelt de voorbereidende crisisplanning voor zowel individuele verzekeraars als groepen. Voorbereidende crisisplanning is een bestaande verplichting voor verzekeraars(groepen) op basis van de Whav en maakt samen met de door DNB uitgevoerde afwikkelingsplanning onderdeel uit van de voorbereidende fase. Met de implementatie van de IRRD worden in dit wetsvoorstel een aantal aanpassingen aan deze bestaande verplichtingen gedaan. Dit geldt met name ten aanzien van de reikwijdte van de verplichtingen en de inhoud van de verplichtingen van een VCP. Een VCP is een ander type plan dan een herstelplan10, dat voornamelijk ziet op het voldoen aan de kapitaalsvereisten.
De reikwijdte ten aanzien van de verplichting tot het opstellen van een VCP wordt met name bepaald op basis van een door de IRRD voorgeschreven beoordeling door DNB. Door de IRRD wordt ten eerste voorgeschreven dat voor zowel voorbereidende crisisplanning door individuele verzekeraars als groepen, DNB op basis van zeven bepaalde criteria beoordeelt welke partijen onder de reikwijdte van een van de verplichtingen vallen. Daarbij moet DNB in ieder geval waarborgen dat de uitkomst van de beoordeling ertoe leidt dat de partijen die een (groeps-)VCP op moeten stellen, gezamenlijk in ieder geval 60% van de markt – gescheiden in leven en schade – vertegenwoordigen. Ten tweede geldt dat kleine en niet-complexe ondernemingen – (zie de herziene richtlijn solvabiliteit II) niet onder de reikwijdte vallen van deze verplichting, tenzij DNB beoordeelt dat een dergelijke verzekeraar een bijzonder risico op nationaal of regionaal niveau vormt. Verder zijn verzekeraars die DNB als afwikkelingsautoriteit onderwerpt aan afwikkelingsplanning hoe dan ook verplicht om een VCP op te stellen. Ten slotte wordt geregeld dat indien een verzekeraar al is meegenomen in de VCP van een groep, deze uitgezonderd is van de verplichting tot het opstellen van een individueel VCP. Echter, indien DNB beoordeelt dat in de VCP van een groep een in Nederland gevestigde dochteronderneming onvoldoende is meegenomen en DNB dit gelet op het belang van die dochteronderneming in Nederland nodig acht, kan DNB vragen of de VCP van de groep aangepast wordt. Indien dit niet leidt tot verbetering, kan de dochteronderneming verplicht worden alsnog zelf een VCP op te stellen.
De inhoudelijke verplichtingen die gelden ten aanzien van een VCP zijn via een verwijzing naar de IRRD meegenomen. In de IRRD wordt verwezen naar het mandaat van EIOPA om richtsnoeren en technische reguleringsnormen op te stellen voor zowel de verzekeraars, ten aanzien waarvan een verplichting geldt, als voor de toezichthouder. Daarnaast is ten aanzien van de inhoud van de verplichtingen geregeld dat DNB kan oordelen dat verzekeraars(-groepen) de verplichtingen op vereenvoudigde wijze kunnen toepassen. Hierbij moet DNB rekening houden met de criteria genoemd in de IRRD, zoals de aard van de bedrijfsactiviteiten, de aandeelhoudersstructuur, de rechtsvorm, het risicoprofiel, de omvang en juridische status.
Vanwege de veranderingen in reikwijdte van deze verplichting ten opzichte van de Whav, is de verwachting dat het aantal verzekeraars dat een VCP moet opstellen, zal afnemen. Verzekeraars die als gevolg hiervan buiten de reikwijdte vallen, mede naar aanleiding van de risico-afweging van de toezichthouder, genieten een lastenverlichting, terwijl zij nog steeds op basis van de richtlijn solvabiliteit II regels omtrent risicobeheer moeten naleven. Hierdoor zal de Nederlandse verzekeringssector stabiel blijven en het hoge niveau van polishouderbescherming gelijk blijven.
In de voorbereidingsfase geldt parallel aan de verplichting voor verzekeraars om een VCP op te stellen, de verplichting voor DNB om afwikkelingsplannen op te stellen voor verzekeraars en verzekeraarsgroepen. Het doel van een afwikkelingsplan is om tot een doeltreffende afwikkeling te kunnen komen in een afwikkelingsscenario door van tevoren (in het plan) onder andere te identificeren welke afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden toegepast kunnen worden op de betreffende verzekeraar in verschillende relevante scenario’s, om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken. Ook bevat het plan een beschrijving van de beoordeling van de afwikkelbaarheid van de verzekeraar of groep, eventuele wezenlijke belemmeringen daarvoor en de benodigde maatregelen om die belemmeringen weg te nemen.
De verplichting om voor bepaalde verzekeraars en verzekeraarsgroepen afwikkelingsplannen op te stellen bestaat al op grond van de Whav (artikel 3A:81 Wft, zie hiervoor ook de toelichting van de Whav11). Het uitgangspunt daarbij is dat DNB een afwikkelingsplan opstelt, maar dat zij daarvan kan afzien indien, kort gezegd, voorzienbaar is dat afwikkeling ten aanzien van die verzekeraar of groep niet in het algemeen belang zou zijn. Dat laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn als de omvang en activiteiten van een verzekeraar of groep zodanig beperkt zijn dat voorzienbaar is dat een faillissement niet in strijd zou zijn met het algemeen belang (i.e. de afwikkelingsdoelstellingen voldoende verwezenlijkt zouden worden). Ook is mogelijk dat in een faillissement de resolutiedoelstellingen weliswaar niet (voldoende) verwezenlijkt worden, maar dat voorzienbaar is dat om bepaalde redenen resolutie niet tot een betere uitkomst zou leiden.
Onder de IRRD verandert deze systematiek. De selectie van verzekeraars waarvoor een afwikkelingsplan wordt opgesteld moet DNB primair baseren op haar beoordeling van (i) of het nemen van een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van die verzekeraars meer in het algemeen belang is dan voor andere verzekeraars die onder haar afwikkelingsbevoegdheid vallen en (ii) of die verzekeraar een kritieke functie vervult, waarbij DNB rekening houdt met de nadere criteria genoemd in artikel 9 IRRD. De afwikkelingsplanning door DNB voor verzekeraars, die op grond van de eerder genoemde beoordeling wordt gemaakt, behoort op basis van de IRRD ten minste 40% van de Nederlandse levensverzekerings- en levensherverzekeringsmarkt en 40% van de Nederlandse schadeverzekerings- en schadeherverzekeringsmarkt te vertegenwoordigen.
De afwikkelingsautoriteit kan een verzekeraar die faalt of dreigt te falen in afwikkeling nemen indien aan de afwikkelingsvoorwaarden is voldaan. Eén van de drie voorwaarden (onder het bestaande kader en onder de IRRD) is dat afwikkeling in het algemeen belang is (zie artikel 3A:84 Wft). Onder het bestaande afwikkelingskader is afwikkeling in het algemeen belang als dit noodzakelijk is om de in artikel 3A:84, onderdeel a, Wft tezamen met onderdeel b, c of d van dat artikel, of een van de in onderdeel b, c, of d van dat artikel vermelde doelstellingen te verwezenlijken en deze doelstellingen niet in dezelfde mate verwezenlijkt zouden worden indien de verzekeraar in faillissement zou worden geliquideerd. De afwikkelingsdoelstelling in onderdeel a betreft de bescherming van de belangen van gerechtigden op vorderingen krachtens directe verzekering. Dat is dus onder het huidige stelsel geen zelfstandige afwikkelingsdoelstelling, maar een die alleen in combinatie met een andere afwikkelingsdoelstelling voldoende kan zijn om aan de afwikkelingsvoorwaarde van algemeen belang te kunnen voldoen.
De afwikkelingsdoelstellingen geformuleerd in de IRRD vertonen veel overlap, maar luiden op punten anders dan de huidige afwikkelingsdoelstellingen in de Wft. Onder de IRRD is een van de afwikkelingsdoelstellingen het waarborgen van de continuïteit van kritieke functies. Deze doelstelling als zodanig bestaat nog niet in de Wft en wordt met de implementatie van de IRRD toegevoegd. Voor de definitie van kritieke functies wordt aangesloten bij de definitie in de IRRD. Bij de lezing en toepassing daarvan is het echter wel belangrijk dat de focus ligt op typische verzekeringsactiviteiten, met bijzondere aandacht voor het belang van de continuïteit van verzekeringsdekking.12 Het waarborgen van kritieke functies gaat voornamelijk over de vervangbaarheid van de verzekeringsovereenkomst op de markt. Vervangbaarheid kan beperkt zijn doordat het een nichemarkt betreft, maar ook bij meer gangbare verzekeringsproducten kan vervangbaarheid in het geding zijn omdat het voor groepen van polishouders onmogelijk of zeer kostbaar kan zijn om een vervangende verzekering af te sluiten vanwege bijvoorbeeld veranderingen in leeftijd of gezondheidssituatie. Beperkte vervangbaarheid kan daarbij significante gevolgen hebben voor het financiële stelsel of de reële economie, bijvoorbeeld door het effect op het sociale welzijn van een groot aantal verzekeringnemers, begunstigden of benadeelden of door een systeemcrisis of verlies van het algemene vertrouwen in het verrichten van verzekeringsdiensten. Andere rollen die verzekeraars in het stelsel kunnen vervullen die ook door andere type financiële ondernemingen worden vervuld (denk vooral aan het vervullen van de rol van institutionele belegger), moeten niet te snel worden aangemerkt als kritieke functie, zodat deze afwikkelingsdoelstelling niet disproportioneel breed wordt aangewend. Dat zou zich ook niet verhouden tot een lastenluwe implementatie en interpretatie van de IRRD.
Daarnaast is één van de vier doelstellingen in de IRRD het waarborgen van de financiële stabiliteit, met name door het voorkomen van besmetting en behoud van marktdiscipline. Deze IRRD-doelstelling heeft overeenkomsten met het bestaande artikel 3A:84, eerste lid, onderdeel c, maar ook een aantal verschillen. Meest opvallende verschil is dat de IRRD, in afwijking van het bestaande artikel 3A:84, eerste lid, onderdeel c, niet spreekt over het voorkomen van effecten op de reële economie. Opgemerkt wordt dat dit inbegrepen is in de definitie van ‘kritieke functies’ in de IRRD (zie artikel 2, onderdeel 25, IRRD). Daarom wordt voorgesteld om voor de nieuw voorgestelde formulering van artikel 3A:84 middels een dynamische verwijzing direct aan te sluiten bij de tekst van artikel 18, tweede lid, onderdeel b, van de IRRD. Andere elementen van de afwikkelingsdoelstellingen in het huidige artikel 3A:84 komen terug in de IRRD-doelstellingen van polishouderbescherming (zie ook hierna) en het waarborgen van de continuïteit van kritieke functies, zoals eerder benoemd. Omwille van consistentie met de IRRD wordt daarom voorgesteld om ‘het voorkomen van grote maatschappelijke gevolgen’ niet als separate vijfde doelstelling te behouden.
De kwantitatieve drempels die in de memorie van toelichting bij de Whav gegeven zijn als vuistregel voor wanneer afwikkeling van een verzekeraar in de rede ligt (>1 miljoen polishouders of > € 1 miljard aan technische voorzieningen)13, zijn in de context van de IRRD niet meer bepalend. De IRRD schrijft deze niet voor in het kader van harmonisatie en een indicatieve kwantitatieve grens kan afhankelijk van het tijdsgewricht variëren en doet niet altijd voldoende recht aan de omstandigheden van het geval.
Een laatste verschil in de formulering van de doelstellingen dat relevant is om hier te noemen, is dat de Wft voor de komst van de IRRD in doelstelling a omschrijft dat het moet gaan om bescherming van belangen van gerechtigden op vorderingen krachtens directe verzekering. De formulering in de IRRD – waarnaar in het aangepaste artikel 3A:84 direct wordt verwezen – spreekt van bescherming van de collectieve belangen van verzekeringnemers, begunstigden en indieners van vorderingen. In praktijk wordt met de implementatie van de IRRD op dit punt geen inhoudelijke koerswijziging beoogd. Overigens wordt in de memorie van toelichting ten behoeve van de leesbaarheid deze groep aangeduid als ‘polishouders’. Het ligt in de rede dat het bij afwikkelingsdoelstellingen gaat om de bescherming van polishouders onder een directe verzekering, en in mindere mate om bescherming onder een herverzekering. In de context van herverzekeringen zijn andere afwikkelingsdoelstellingen relevanter en zou eerder een andere doelstelling aan de orde zijn (bijvoorbeeld het waarborgen van de financiële stabiliteit). Uiteraard kunnen herverzekeringen en herverzekeraars wel indirect van belang zijn voor bescherming van verzekeringnemers, begunstigden en indieners van vorderingen onder een directe verzekering.
Verder bepaalt de IRRD dat de afwikkelingsdoelstellingen alle even relevant zijn, en dat het gewicht dat de afwikkelingsautoriteiten eraan toekennen, recht moet doen aan de aard en de omstandigheden van elke zaak. Dit heeft tot gevolg dat de huidige systematiek komt te vervallen waarbij op grond van artikel 3A:85, derde lid, polishouderbescherming op zichzelf onvoldoende is om afwikkeling te rechtvaardigen. Deze uitkomst is in lijn met een van de aanbevelingen die de Evaluatiecommissie Conservatrix in haar rapport uit 2022 doet.14 Een andere keuze zou niet conform de richtlijn zijn. Wel wordt opgemerkt dat uiteraard nog steeds geldt dat de keuze voor afwikkeling noodzakelijk en evenredig moet zijn in het licht van de afwikkelingsdoelstellingen. Daarnaast wordt opgemerkt dat de IRRD spreekt over de ‘collectieve belangen van polishouders’. Dit alles betekent dat polishouderbescherming weliswaar een zelfstandige resolutiedoelstelling wordt, maar dit betekent niet dat de beoordeling in een concreet geval ook per definitie anders zal uitvallen. Vanzelfsprekend zal DNB dit in haar interne toetsingskader, en in eventuele toekomstige concrete gevallen, zorgvuldig moeten afwegen.
Er zijn twee belangrijke verschillen tussen het instrumentarium onder het bestaande nationale kader voor afwikkeling van verzekeraars en het instrumentarium dat de IRRD biedt. Ten eerste bevat de IRRD een aanvullend afwikkelingsinstrument: het instrument van de solvabele run-off. Dit instrument wordt met dit wetsvoorstel toegevoegd aan de Wft. Dit wetsvoorstel blijft omwille van een lastenluwe implementatie zo dicht mogelijk bij de inhoud van artikel 27 van de IRRD, waarin het instrument is uitgewerkt. Ten tweede kent het instrument van bail-in (waarbij de afwikkelingsautoriteit vorderingsrechten, bijvoorbeeld van aandeelhouders en bepaalde achtergestelde schuldeisers, kan afschrijven of omzetten) een ander toepassingsbereik onder de IRRD dan momenteel onder de Wft. De intentie van dit wetsvoorstel is om het huidige niveau van de inzetbaarheid van het instrument van bail-in te behouden, zoals hierna verder zal worden toegelicht.
De toevoeging van het instrument van de solvabele run-off geeft de afwikkelingsautoriteit extra mogelijkheden voor het realiseren van de afwikkelingsdoelstellingen. Het biedt DNB de flexibiliteit om een falende verzekeraar die kritieke verzekeringsdiensten aanbiedt in een passend tempo af te wikkelen, met het oog op de marktomstandigheden van dat moment. Dit instrument kan uitkomst bieden indien de omstandigheden zodanig zijn dat het wenselijk en in het algemeen belang is om de continuïteit van verzekeringsdekking te waarborgen, maar de overgangsinstrumenten op dat moment geen uitkomst bieden daarvoor, bijvoorbeeld omdat geen geschikte verkrijger klaarstaat. Het resolutie-instrument van solvabele run-off dient te worden onderscheiden van de mogelijkheid die DNB als toezichthouder reeds heeft om de vergunning van een falende verzekeraar in te trekken en daarbij op grond van artikel 1:104, derde lid, Wft te bepalen dat de verzekeraar het bedrijf binnen een bepaalde termijn afwikkelt. Dit kan voor een falende verzekeraar, waarbij niet wordt voldaan aan de algemeen-belang-test als bedoeld in artikel 3A:85, eerste lid, onderdeel c, uitkomst bieden om er voor te zorgen dat een portefeuille met bijvoorbeeld kortlopende verzekeringen op ordelijke wijze beëindigd wordt.
Indien een verzekeraar in solvabele run-off wordt geplaatst, dan mag zij geen nieuwe producten meer verkopen en zal haar vergunning daartoe worden aangepast of ingetrokken. De bedoeling van het instrument is nadrukkelijk niet om nieuwe activiteiten te ontplooien en marktaandeel te vergroten, maar om ordentelijke uitfasering van een of meer portefeuilles op een zo veilig mogelijke wijze te bewerkstelligen. Met dit nieuwe instrument kan DNB een verzekeringsportefeuille laten uitlopen. Indien DNB bij toepassing van de solvabele run-off tool ook de vergunning intrekt, kan deze uitfasering gebeuren zonder dat aan de normaal geldende kapitaaleisen (d.w.z. Solvency Capital Requirement, hierna ‘SCR’) hoeft te worden voldaan. Hiermee kan de continuïteit van verzekeringsdekking geborgd worden, wat bijdraagt aan het realiseren van de resolutiedoelstellingen, in het bijzonder de continuïteit van kritieke functies. Door de beschikbaarheid van dit nieuwe instrument hoeft de afwikkelingsautoriteit naar verwachting minder snel een korting in het nadeel van polishouders en andere schuldeisers te accepteren bij het te gelde maken van de activa of bij overgang van (een deel van) de onderneming in afwikkeling. Indien DNB ervoor kiest om de vergunning niet in te trekken, dan blijven de kapitaalsvereisten op basis van artikel 3:53 en 3:57 Wft van toepassing op de verzekeraar. De vergunning zal de beperking moeten bevatten dat de verzekeraar geen nieuwe producten meer ontwikkelt en/of verkoopt.
Het is mogelijk om de solvabele run-off gecombineerd in te zetten met een overgangsinstrument of bail-in. DNB kan bijvoorbeeld een gedeelte van de portefeuilles van de verzekeraar of de groep laten overgaan en de rest van het bedrijf in solvabele run-off plaatsen. Uiteraard wordt bij een afwikkelingsstrategie rekening gehouden met de geldende waarborgen, waaronder het NCWO-beginsel. Verder dient DNB onder meer de impact op de eigendomsstructuur, de governance en de kans dat ordentelijke voortzetting van de verzekeraar in run-off in praktijk daadwerkelijk gerealiseerd kan worden, mee te nemen in het bepalen van haar strategie. Tijdens de solvabele run-off houdt DNB doorlopend toezicht op een wijze die past bij de activiteiten en risico’s van een verzekeraar in run-off.
Het is aan DNB om te bepalen of de solvabele run-off plaatsvindt met of zonder vergunning. De IRRD staat beide vormen toe, zoals ook weergegeven in artikel 3A:119a, eerste lid. De keuze is van invloed op de kapitaalsvereisten die gelden tijdens de solvabele run-off. De keuze wordt met name ingegeven door de stand van zaken bij de verzekeraar op het moment van bijna-falen of falen. De IRRD introduceert namelijk geen nieuwe criteria voor de beoordeling of en wanneer een vergunning moet worden ingetrokken. Daarvoor gelden de reguliere criteria zoals opgenomen in de Wft. De toepassing van een resolutiemaatregel zoals de solvabele run-off tool en het intrekken van de vergunning zijn twee verschillende besluiten, die wel gelijktijdig kunnen worden genomen. Het al dan niet intrekken van de vergunning is een kwestie voor DNB in haar rol als de toezichthouder. DNB kan in haar rol als toezichthouder echter niet overgaan tot het intrekken van de vergunning gedurende de uitoefening van een resolutiemaatregel, dus ook niet gedurende de solvabele run-off, zonder dat DNB in haar hoedanigheid als resolutieautoriteit daarmee instemt. Dit is voorgeschreven in artikel 19, tweede lid, IRRD. Binnen DNB zullen de verschillende functies nauw moeten samenwerkingen ten aanzien van de vraag of een (bijna) falende verzekeraar haar vergunning kan behouden.
Bij toepassing van de solvabele run-off waarbij de vergunning wordt ingetrokken, geldt dat onmiddellijk bij aanvang van de solvabele run-off slechts geherkapitaliseerd hoeft te worden tot het niveau van de Minimum Capital Requirement (hierna: ‘MCR’). Daarnaast kan DNB op grond van artikel 3:57b een verzekeraar wiens vergunning wordt ingetrokken wel een aangepaste minimum solvabiliteitseis opleggen.
Onder de richtlijn solvabiliteit II geldt normaliter de hogere SCR en is de MCR slechts 25% tot 45% van de SCR. Een lagere kapitaaleis biedt als voordeel dat mogelijk volstaan kan worden met een minder vergaande bail-in om tot het vereiste niveau van (her)kapitalisatie te komen bij aanvang van toepassing van het instrument van de solvabele run-off, of dat het instrument zelfs toegepast kan worden zonder dat bail-in nodig is. Bail-in van crediteuren zal bij grotere tekorten ook polishouders raken die dan in hun rechten gekort worden. Het voorkomen of beperken van kortingen van polishouders draagt eveneens bij aan het realiseren van de afwikkelingsdoelstellingen. Daarmee kan de inzet van de solvabele run-off in bepaalde situaties betekenen dat meer afwikkelingsdoelstellingen of de verschillende afwikkelingsdoelstellingen beter verwezenlijkt kunnen worden.
Er zit echter ook een keerzijde aan een lagere kapitaaleis. Het is vanzelfsprekend dat met een lagere kapitaaleis een kleinere buffer aanwezig is om eventuele additionele verliezen gedurende de toepassing van het instrument van solvabele run-off op te vangen. Daarbij dient bedacht te worden dat de reguliere kapitaaleis in de vorm van de SCR onder het kader van de richtlijn solvabiliteit II wordt berekend op basis van alle risico’s in de huidige verzekeringsportefeuille en alle andere risico’s op de balans van de verzekeraars, waaronder het marktrisico. Het is dus niet zo dat het feit dat een verzekeraar in de toekomst geen nieuwe verzekeringen meer verkoopt op zich zelf een lagere kapitaaleis rechtvaardigt. De MCR onder de richtlijn solvabiliteit II daarentegen wordt niet risicogebaseerd berekend, maar (kort gezegd) berekend als percentage van de technische voorzieningen. Dit betekent dat de MCR niet de daadwerkelijke risico’s in de verzekeringsportefeuille reflecteert en dus geen rekening houdt met bijvoorbeeld marktrisico’s. Bovenstaande betekent dat ten minste de MCR geldt en DNB vervolgens zorgvuldig moet afwegen of toepassing van het instrument van solvabele run-off zonder vergunning, met de MCR als niveau van (her)kapitalisatie, verantwoord wordt geacht of dat bij aanvang een hoger niveau van (her)kapitalisatie gehanteerd moet worden.
Hierbij dient DNB het risico te betrekken dat de MCR gedurende de looptijd onvoldoende kan blijken en dat als gevolg daarvan de toepassing van het instrument mogelijk vroegtijdig beëindigd moet worden of een ander afwikkelingsinstrument moet worden overwogen (conform artikel 27(9) IRRD en artikel 3A:119b Wft). Bij vroegtijdige beëindiging zal DNB het faillissement van de verzekeraar moeten aanvragen op grond van artikel 213abis Fw, wat uiteindelijk kan leiden tot een beëindiging van de verzekeringen. Bij de toepassing van een ander resolutie-instrument zal vooral gedacht moeten worden aan het (opnieuw) toepassen van bail-in. Indien bij aanvang van het instrument van solvabele run-off reeds bail-in is toegepast, inclusief het korten van polishouders, kan een nieuwe bail-in betekenen dat polishouders met langer lopende verzekeringen zwaarder worden getroffen. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een belangrijk deel van verzekeringen met een korte looptijd al uit de portefeuille zijn, of dat een deel van de polishouders hun polis hebben opgezegd of overgesloten. Bij de afweging of de MCR naar verwachting voldoende is, zal DNB ook de voor- en nadelen moeten betrekken van de inzet van andere afwikkelingsinstrumenten, zoals het instrument van overgang van onderneming (artikel 3A:104 Wft), waarbij de verzekeringsportefeuille wel zal worden gecontinueerd op basis van de reguliere kapitaaleisen.
Hierna wordt verder ingegaan op een aantal afwegingen (genummerd i. tot en met v.) die DNB zou moeten betrekken in de afweging of een solvabele run-off zonder vergunning en alleen de MCR verantwoord wordt geacht of dat verdere kapitalisatie nodig is, mede om zoveel als mogelijk te beperken dat DNB opnieuw moet ingrijpen tijdens de looptijd van de solvabele run-off, zoals hierboven geschetst. Bij dit vraagstuk zijn parallellen te trekken met zowel het lopend toezicht, als met de toepassing van andere afwikkelingsinstrumenten, waarbij beoordeeld moet worden welke SCR-ratio verantwoord is om het risico van een toekomstige SCR-onderschrijding en daarmee noodzaak tot opnieuw ingrijpen tot een acceptabel niveau te beperken. Belangrijk verschil is echter dat de MCR-eis, zoals gezegd, per definitie niet risico gebaseerd is en dat specifieke overwegingen kunnen gelden ten aanzien van de solvabele run-off. In een concrete resolutiecasus kan DNB inzichten betrekken vanuit het lopend toezicht en het hersteltraject voorafgaand aan resolutie, maar zal in het bijzonder de waardering van de activa, passiva, rechten en verplichtingen die in het kader van afwikkeling op grond van artikel 23 IRRD (artikel 3A:89 Wft) uitgevoerd moet worden, belangrijke inzichten bieden met betrekking tot onderstaande overwegingen.
i. Verhouding MCR tot de SCR
De SCR voor een verzekeraar is opgebouwd uit verschillende SCR-modules. Voor veel verzekeraars, in het bijzonder levensverzekeraars, zijn de SCR-module voor verzekeringstechnische risico’s en de SCR-module voor marktrisico’s de belangrijkste modules waar deze kapitaalseis op gebaseerd wordt. Voor marktrisico’s geldt in principe dat deze kunnen worden afgebouwd (zie hieronder), terwijl dit voor verzekeringstechnische risico’s in beginsel niet mogelijk is. Voor een typische levensverzekeraar ligt de SCR voor verzekeringstechnische risico’s 1,5 tot 2 keer hoger dan de MCR, maar in specifieke gevallen is deze factor aanzienlijk hoger. Dit hangt af van de aard van de verzekeringsverplichtingen, maar wordt primair veroorzaakt door de lange duur van de verplichtingen en het inherent onzekere karakter. Mede afhankelijk van de opbouw van de SCR voor verzekeringstechnische risico’s zal DNB moeten beoordelen in hoeverre de MCR verantwoord wordt geacht in een specifieke resolutiecasus.
ii. Mate waarin marktrisico’s afgebouwd kunnen worden
Indien een verzekeraar in solvabele run-off wordt geplaatst, ligt het voor de hand om de marktrisico’s bij aanvang van toepassing van het instrument zoveel mogelijk af te bouwen. Dit kan door een verandering in beleggingsmix of door hedging van bepaalde risico’s. Er kunnen echter redenen zijn waarom dit niet wenselijk of mogelijk is. Zo is het bij zeer langlopende verzekeringsverplichtingen niet goed mogelijk om het renterisico volledig en perfect af te dekken. Er kan ook sprake zijn van illiquide beleggingen die moeilijk, of alleen tegen onaantrekkelijke prijzen, op korte termijn te vervreemden zijn.
iii. Onzekerheden rondom de kostenvoorziening
In het kader van een solvabele run-off is kostenbeheersing een belangrijk aspect. De IRRD draagt de afwikkelingsautoriteit om die reden op, om in nauwe samenwerking met de toezichthouder, de kosten en uitgaven van de verzekeraar in solvabele run-off te monitoren (zie artikel 3A:119a, derde lid, juncto artikel 27, vijfde lid, IRRD). Naarmate de portefeuille gedurende de solvabele run-off kleiner wordt, kunnen de vaste kosten meer gaan knellen, mede afhankelijk van de mogelijkheid om werkzaamheden uit te besteden. De verwachte toekomstige kosten worden onder het raamwerk van de richtlijn solvabiliteit II meegenomen in de berekening van de technische voorzieningen. In het kader van de verplichte waardering ligt het voor de hand dat een externe waardeerder kritisch kijkt naar de passendheid van de kostenvoorziening ter onderbouwing van het wel of niet toepassen van het instrument van solvabele run-off. Dit kan leiden tot een aanpassing van de kostenvoorziening, of tonen dat er belangrijke onzekerheden zijn wat betreft de gebruikte aannames voor de berekening van de kostenvoorziening. Het ligt voor de hand dat DNB deze onzekerheden betrekt in de afweging of toepassing van het instrument van solvabele run-off met een MCR verantwoord wordt geacht.
iv. Onzekerheden in de waardering van de beleggingen en de technische voorzieningen
De resolutiewaardering kan ook fundamentele onzekerheden aan het licht brengen wat betreft de waardering van de beleggingen en andere onderdelen van de technische voorzieningen. Wat betreft de beleggingen kunnen er belangrijke onzekerheden zijn in de aannames voor de waardering van illiquide beleggingen. Bij de waardering van de technische voorzieningen kunnen fundamentele onzekerheden aan het licht komen met betrekking tot de actuariële aannames ten aanzien van bijvoorbeeld de sterftecijfers en arbeidsongeschiktheidscijfers, of bijvoorbeeld met betrekking tot de aannames van de mate waarin polishouders hun polissen zullen beëindigen. Verder kan de onzekerheid ook betrekking hebben op de uitgangspunten die gebruikt worden bij het verdisconteren van de toekomstige verplichtingen die gebruikt worden in raamwerk onder de richtlijn solvabiliteit II, waaronder de Ultimate Forward Rate (UFR) voor verplichtingen met een zeer lange looptijd.
v. Impact van dividendverbod op toekomstige financiële weerbaarheid
Op grond van artikel 27, zevende lid, IRRD (artikel 3A:119a, vierde lid, Wft) kan DNB dividenduitkeringen door de entiteit in solvabele run-off verbieden. Indien de verzekeringsportefeuille uitloopt conform de gehanteerde aannames in de technische voorzieningen, en zich dus geen additionele tegenvallers voordoen, zal de kapitaalspositie van de verzekeraar in solvabele run-off zich bij een dividendverbod geleidelijk verbeteren als gevolg van de vrijval van de risicomarge. Indien DNB, mede op basis van de onafhankelijke waardering, voldoende comfortabel is wat betreft de eerder geschetste overwegingen, dan ligt het voor de hand dat DNB ook dit aspect betrekt in haar oordeel over de vraag of toepassing van het instrument van solvabele run-off met de MCR als niveau van (her)kapitalisatie voldoende verantwoord wordt geacht. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het toepassen van het dividendverbod in de context van de solvabele run-off een bevoegdheid van DNB is. Dit betekent dat het in beginsel denkbaar is dat het dividendverbod naar verloop van tijd wordt opgeheven indien de financiële situatie dit zou toelaten.
Een van de instrumenten die DNB ter beschikking staat, is het instrument van bail-in. Met behulp van dit instrument kan DNB verliezen van de entiteit in afwikkeling bij de houders van bail-inbare passiva (zoals aandeelhouders of houders van bepaalde achtergestelde obligaties) neerleggen door deze passiva (geheel of gedeeltelijk) af te schrijven of (geheel of gedeeltelijk) te converteren in eigendomsinstrumenten of tier 1-instrumenten, en daarmee de falende instelling te herkapitaliseren. Onder de Whav is het instrument van bail-in een zelfstandig toepasbaar afwikkelingsinstrument, dat ook kan worden gebruikt om een verzekeraar te herkapitaliseren en een doorstart te laten maken, met behoud van de vergunning, indien dit een of meer afwikkelingsdoelstellingen dient. Immers, door de toepassing van het instrument kunnen de kapitaalratio’s weer op het vereiste niveau worden gebracht. Onder de IRRD ligt dit genuanceerder. Artikel 26, tweede lid, IRRD stelt geen beperking aan de toepassing van het instrument van bail-in. Voor het instrument van afsplitsing van activa of passiva geldt dit wel; dat instrument kan namelijk alleen worden ingezet in combinatie met een ander afwikkelingsinstrument (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:92 hierna). De nadere uitwerking van het instrument van bail-in in artikel 35, eerste lid, IRRD kan echter zo worden geïnterpreteerd dat het instrument van bail-in slechts kan worden toegepast voor, kort gezegd, (i) herkapitalisatie bij toepassing van de solvabele run-off of, (ii) omzetting in eigen vermogen of vermindering van de hoofdsom van bepaalde vorderingen in combinatie met bepaalde andere instrumenten. Artikel 26, zevende lid, biedt lidstaten de mogelijkheid om aanvullende instrumenten te bieden aan de afwikkelingsautoriteit, naast het geharmoniseerde instrumentarium van de IRRD. Met dit wetsvoorstel wordt ervoor gekozen om het bestaande kader zoveel mogelijk intact te houden, en daarom zal – vanuit het oogpunt van juridische zuiverheid – gebruik worden gemaakt van de ruimte die artikel 26, zevende lid, IRRD biedt. In artikel 3A:92, tweede lid, Wft wordt geen algemene beperking op de inzet van het instrument van bail-in opgenomen, zoals artikel 35, eerste lid, IRRD dat mogelijk wel doet. Een zelfstandige doorstart kan bijvoorbeeld wenselijk zijn als er geen verkrijgers voor een overgang van onderneming kunnen worden gevonden of het wegvallen van productie ertoe zou leiden dat bepaalde polissen niet meer of in onvoldoende mate kunnen worden afgesloten. Dat kan spelen bij niche verzekeraars die een kritieke functie vervullen, of als de omvang van de falende verzekeraar dusdanig groot is dat andere verzekeraars onvoldoende in staat zijn om dit gat op te vullen.
Verder wordt met dit wetsvoorstel ten behoeve van de concrete toepassing van het instrument van bail-in in de praktijk een mogelijkheid tot het gebruik van een stichting administratiekantoor afwikkeling (hierna: ‘SAA’) opgenomen in deel 3A.2. DNB kan deze SAA inzetten ten behoeve van de praktische uitvoering van haar eigen resolutietaken. Een dergelijk vehikel is ten behoeve van de afwikkeling van banken met het voorstel voor de Wet NUB opgenomen in artikel 3A:50a, en wordt nu ook voor de afwikkeling van verzekeraars toegevoegd. Voor een algemene toelichting over de werking en het nut van een SAA voor het toepassen van bail-in wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wet NUB.15
In de IRRD wordt aan de afwikkelingsautoriteit ook de bevoegdheid verleend om, bij de toepassing van het instrument van bail-in, de voorwaarden van verzekeringsovereenkomsten bij het afschrijven of omzetten van schuldvorderingen uit hoofde van verzekering te herstructureren.16 De bevoegdheid hiertoe voor DNB is voor een deel geregeld met het bestaande artikel 3A:122 Wft, op basis waarvan zij de bevoegdheid heeft om overeenkomsten waarbij de entiteit in afwikkeling partij is te wijzigen. Echter wordt dit onderdeel van de IRRD ook toegevoegd aan de Rtt Wft om er zeker van te zijn dat herstructurering onderdeel uit maakt van de tool box van DNB. De reden hiervoor is dat de IRRD deze bevoegdheid verleent binnen de toepassing van het instrument van bail-in en meer specifiek ziet op het herstructureren van de voorwaarden van verzekeringsovereenkomsten bij het afschrijven of omzetten van schuldvorderingen uit hoofde van verzekering, terwijl artikel 3A:122 Wft ziet op een breder begrip van overeenkomsten waarbij de entiteit partij is. Artikel 3A:122 Wft geeft mogelijk voldoende waarborg dat DNB een overeenkomst kan herstructureren of wijzigen, maar door toevoeging van het artikel aan de Rtt Wft is in ieder geval verduidelijkt dat herstructurering onderdeel is van de bevoegdheden van DNB. De bevoegdheid tot herstructurering van voorwaarden kan bijvoorbeeld van meerwaarde zijn bij een overgang van onderneming waarbij vorderingen uit hoofde van verzekering worden gekort en bepaalde onderdelen van polisvoorwaarden worden aangepast om de overgang mogelijk te maken.
De Faillissementswet wordt op een aantal punten gewijzigd. Sommige van deze punten worden vereist door de IRRD, enkele andere punten hangen daar nauw mee samen. De belangrijkste wijzigingen hangen samen met de artikelen 21 en 68 IRRD die zien op de bevoegdheden, voorwaarden en procedures ten aanzien van de aanvraag van het faillissement van verzekeraars en andere groepsentiteiten die binnen het mogelijke toepassingsbereik van resolutie vallen. Indien een verzekeraar of groepsentiteit daarvan die ook onder de reikwijdte van het kader valt, voldoet aan de afwikkelingsvoorwaarden, maar afwikkeling niet in het algemeen belang is, dan schrijft de IRRD voor dat deze in faillissement wordt afgewikkeld. Daarnaast wordt ter implementatie van artikel 38 IRRD (dat de volgorde van afschrijving en omzetting van vorderingen beschrijft) een nieuw artikel ingevoegd dat ziet op de rangorde van vorderingen die voortvloeien uit eigenvermogensbestanddelen ten opzichte van andere vorderingen. Daarmee wordt gewaarborgd dat duidelijk is in zowel faillissement als bij afwikkeling in resolutie, waarin een spiegelbeeldige volgorde van afschrijving wordt gehanteerd in geval van toepassing van bail-in, welke behandeling houders van bepaalde eigenvermogensbestanddelen kunnen verwachten.
Ten aanzien van verzekeraars met zetel in Nederland wordt het huidige stelsel voor faillissement op basis van Afdeling 11B gehandhaafd en op een aantal onderdelen aangevuld middels een wijziging van artikel 213abis. Zo wordt ten aanzien van verzekeraars, met uitzondering van verzekeraars met beperkte risico-omvang, een verplichting voor DNB geïntroduceerd om onder bepaalde voorwaarden het faillissement actief aan te vragen. Zo verandert de optie voor DNB om een faillissement aan te vragen, indien is voldaan aan de eerste twee resolutievoorwaarden uit artikel 3A:85 Wft, in een verplichting voor DNB om tot een aanvraag over te gaan. Daarmee wordt invulling gegeven aan de regel in artikel 21 van de IRRD. Het gevolg is dat DNB niet de vrijheid heeft om in een situatie dat de eerste twee voorwaarden voor afwikkeling zijn vervuld, het ‘nog even aan te kijken’. Dit bevordert de rechtszekerheid en een doortastend optreden in geval van falen. Daarnaast wordt de mogelijkheid geregeld dat een verzekeraar haar eigen faillissement kan aanvragen. Dit is een nationale keuze, los van de voorschriften in de richtlijn. Met deze wijziging wordt beoogd op een evenwichtige wijze rekening te houden met de verantwoordelijkheden van de verzekeraar zelf. Zij is immers niet meer volledig afhankelijk van het initiatief van DNB tot het doen van een faillissementsaanvraag, maar kan ook zelf actie ondernemen ten behoeve van alle belanghebbenden (waaronder polishouders). Het wetsvoorstel regelt de waarborgen die daarbij gelden, zoals dat DNB door de rechtbank gehoord moet worden over de vraag of zij voornemens is afwikkelingsmaatregelen te nemen omdat afwikkeling in het voorliggende geval in het algemeen belang is. Deze waarborgen worden voorgeschreven in artikel 68 IRRD.
Verder wordt een nieuwe afdeling ten aanzien van verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings en aanbieders van essentiële diensten toegevoegd aan de Faillissementswet, te weten Afdeling 11BA. Dit zijn de entiteiten die onder dit wetsvoorstel in de afwikkeling kunnen worden betrokken, maar geen verzekeraars zijn.17 Aangezien groepsentiteiten van onder toezicht staande verzekeraars ook onder de reikwijdte van hoofdstuk 3A.2 Wft vallen, is het nodig om in het faillissementsrecht specifieke procedureregels vergelijkbaar met die voor verzekeraars op te nemen. Gelet op de andere aard van deze ondernemingen ten opzichte van verzekeraars, worden de hiervoor geldende regels in een separate afdeling opgenomen. Deze afdeling bevat twee artikelen. Met artikel 213kkb wordt met delen hetzelfde geregeld als in artikel 213abis. Artikel 213kkc verklaart een aantal artikelen uit Afdeling 11B van overeenkomstige toepassing op de eerder genoemde entiteiten.
Ten slotte wordt een nieuw artikel ingevoegd dat een crediteurenhiërarchie vaststelt voor eigenvermogensbestanddelen. Artikel 38 IRRD verplicht bij de toepassing van bail-in een bepaalde volgorde van omzetten en afschrijven waarbij eerst bepaalde vorderingen uit hoofde van eigenvermogensbestanddelen aan de beurt zijn (eerste lid, onderdelen a tot en met c) en daarna pas andere vorderingen (onderdeel d). De IRRD brengt ook mee dat vorderingen uit hoofde van eigenvermogensbestanddelen in faillissement een lagere rang moeten hebben dan andere vorderingen. Het komt er in praktische zin op neer dat daarbij dezelfde volgorde aangehouden moet worden als de volgorde die is opgenomen in artikel 38, eerste lid, IRRD, met dien verstande dat de volgorde van uitkering in faillissement omgekeerd is aan de volgorde van toepassing van bail-in. Om deze reden wordt ook in de Faillissementswet een bepaling opgenomen over de rangorde van de vorderingen die voortvloeien uit de verschillende categorieën kapitaalinstrumenten.
De IRRD bevat verschillende lidstaatopties. Met dit wetsvoorstel wordt de IRRD zoveel mogelijk lastenluw geïmplementeerd, maar wordt tegelijkertijd beoogd het niveau van polishoudersbescherming gelijk te houden ten opzichte van de Whav en de nieuwe regels goed in te passen in het bestaande wettelijke kader.
Hieronder is een overzicht opgenomen waarin per lidstaatoptie is aangegeven en wordt uitgelegd of wel of niet gebruik wordt gemaakt van die lidstaatoptie. Elders in dit algemene deel en in het artikelsgewijze deel van deze toelichting wordt nader uitgelegd waarom het gebruik van de betreffende lidstaatopties opportuun is.
|
Lidstaatoptie artikel IRRD |
Artikel Wft waarin deze lidstaatoptie is geïmplementeerd |
Toelichting |
|---|---|---|
|
3 (9) |
Niet gebruikt |
Er wordt aangesloten bij het bestaande systeem waarin DNB de resolutieautoriteit is en er niet meerdere autoriteiten worden benoemd. |
|
3 (11) |
1:25d, lid 1 en 3, sub h, Wft |
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op de aansprakelijkheidsbeperking van de afwikkelingsautoriteit en toezichthouder. Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd. |
|
26 (7) |
3A:92 (2), 3A:93 (1)(a) Wft |
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op de bredere inzetbaarheid van het bestaande instrument van bail-in. Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd. |
|
30 (9), tweede alinea |
1:25d, derde lid, onderdeel e |
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op aanvullende aansprakelijkheidsbeperking van entiteiten voor beheer van activa en passiva. Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd. |
|
32 (7), tweede alinea |
1:25d, derde lid, onderdeel c en d |
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op aanvullende aansprakelijkheidsbeperking van overbruggingsinstellingen. Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd. |
|
34 |
Niet gebruikt |
Er is geen sprake van de instelling van een nationaal verzekeringsgarantiestelsel.1 |
|
35 (6) |
3A:94 (1) (g) |
Lidstaatoptie wordt gedeeltelijk gebruikt (onderdeel b), waardoor verplichtingen van de verzekeraar uit hoofde van bepaalde zorgverzekeringen niet onderworpen mogen worden aan bail-in door DNB. Hiermee wordt bestaand recht gehandhaafd. |
|
44 (1) |
3A:120 |
Lidstaatoptie wordt gebruikt om bestaand situatie met curator na te bootsen, waardoor benoeming van meerdere bijzondere bestuurders per entiteit is hierdoor nu mogelijk. |
|
52 (2) |
3A:80b (2) |
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Er is discretie voor DNB om de overweging te maken bepaalde contractuele verplichting op te leggen aan een uiteindelijke moederonderneming. |
|
66 (5), onderdeel a |
1:89 (1) en (4) Wft |
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op uitwisseling van vertrouwelijke informatie. Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd. |
|
66 (5), onderdeel b |
1:93d en 1:93e Wft |
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op uitwisseling van vertrouwelijke informatie. Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd. |
|
66 (5), onderdeel c |
1:90 (1) Wft |
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op uitwisseling van vertrouwelijke informatie. Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd. |
|
67 (1) |
Lidstaatoptie niet gebruikt. |
DNB heeft geen ex ante goedkeuring van de rechter nodig voor het nemen van afwikkelingsmaatregelen, conform bestaand recht |
|
81 (1), tweede alinea |
3A:138, lid 3, sub c, Wft |
Lidstaatoptie wordt gebruikt. Ziet op de dekking van andere kosten die voortvloeien uit het gebruik van afwikkelingsinstrumenten. Hiermee wordt het bestaand recht gehandhaafd. |
|
81 (1), derde alinea |
Lidstaatoptie niet gebruikt |
Lidstaatoptie wordt niet gebruikt. Ziet op de financieringsstructuur van verzekeringsgarantiestelsels. Het nationale recht kent geen algemeen verzekeringsgarantiestelsel.1 |
Nederland kent wel een nationaal garantiefonds uit hoofde van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, waartoe de Europese Richtlijn 2009/103/EG verplicht.
Ten aanzien van verzekeringsgarantiestelsels (in het licht van de lidstaatopties in artikel 34 en 81 IRRD), wordt nog het volgende opgemerkt. Nederland kent momenteel geen algemeen verzekeringsgarantiestelsel. Nederland heeft alleen een Waarborgfonds Motorverkeer uit hoofde van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: de WAM) met een specifiek, afgebakend doel. Op verzoek van de Eerste Kamer is de afgelopen jaren ook onderzoek gedaan naar de vraag of de introductie van een verzekeringsgarantiestelsel in Nederland van toegevoegde waarde is en wenselijk en werkbaar zou zijn.18 De conclusies naar aanleiding van het onderzoek waren dat een verzekeringsgarantiestelsel waarschijnlijk kostbaar en complex zou zijn voor de Nederlandse markt en dat een verzekeringsgarantiestelsel beter in de context van Europese minimumharmonisatie zou kunnen worden geïntroduceerd.19 De minimumharmonisatie van verzekeringsgarantiestelsels is uiteindelijk geen onderdeel geworden van de IRRD. IRRD bevat wel een opdracht aan de Europese Commissie om voor 29 januari 2027 een rapport te presenteren waarin de noodzaak en minimumcondities van een geharmoniseerd kader voor verzekeringsgarantiestelsels worden besproken.20 In het licht van voorgaande, is een introductie van een verzekeringsgarantiestelsel met dit wetsvoorstel niet opportuun.
In deze paragraaf wordt kort ingegaan op de verhoudingen van dit wetsvoorstel tot hoger recht en ander Europees recht.
Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie behoort onder het primaire recht van de Europese Unie. Dit betekent dat secundair recht, zoals richtlijnen, zich altijd tot dit primaire recht moeten verhouden. De IRRD raakt voornamelijk aan het Handvest ten aanzien van het recht op eigendom op basis van artikel 17 van het Handvest én het algemene beginsel van gelijke behandeling, artikel 20 van het Handvest. Ten aanzien van het recht op eigendom moeten eventuele ingrepen op eigendomsrechten, als gevolg van de toepassing van afwikkelingsbevoegdheden, niet onevenredig zijn. Dit houdt in dat aandeelhouders, verzekeringnemers, begunstigden en eisers, alsmede andere schuldeisers van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen derhalve geen grotere verliezen mogen lijden dan de verliezen die zij geleden zouden hebben indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming was geliquideerd in faillissement op het moment waarop het afwikkelingsbesluit werd genomen.21 Ongelijke behandeling tussen schuldeisers van dezelfde categorie kan alleen in het algemeen belang gerechtvaardigd worden en moet daarnaast evenredig zijn aan de risico’s die worden aangepakt.22 Ten slotte vereist artikel 47 van het Handvest dat eenieder wier door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte. Dit houdt in dat de besluiten van een afwikkelingsautoriteit vatbaar moeten zijn voor beroep. Hierover wordt in paragraaf 5 meer toelichting gegeven.
In het voorgaande kwam al de relatie tot het bestaande kader uit de Whav aan bod. Naast de Whav verhoudt de IRRD zich nog tot andere regelgeving. Twee andere wetten worden ook met dit wetsvoorstel gewijzigd. Ten eerste, grenst het herstel en afwikkelingskader op vele punten aan het faillissementsrechtelijk kader. Dit komt omdat de afweging tussen afwikkeling of faillissement onderdeel is van deze richtlijn en dus ook van de implementatie. Zie voor een verdere toelichting paragraaf 3.2.5. Ten tweede wordt de Bankwet 1998 aangepast. De Bankwet 1998 regelt kort gezegd de taakstelling en takenscheiding van DNB. Met de Whav is de Bankwet 1998 al gewijzigd om de afwikkelingstaak voor verzekeraars hieraan toe te voegen. Met dit wetsvoorstel zijn er daarom beperkte aanpassingen aan deze wet nodig en is de taakstelling en takenscheiding al voldoende geborgd.
Verder verhoudt dit wetsvoorstel zich op een aantal aspecten tot de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het voorgestelde artikel 3A:80e Wft bevat een vergelijkbare bepaling als het equivalent voor banken, opgenomen in artikel 3A:8 Wft, en verwijst naar een aantal artikelen uit de Awb. Het gaat bijvoorbeeld om artikelen die bevoegdheden van toezichthouders regelen, zodat expliciet is dat personen die belast zijn met afwikkeling, deze ook kunnen aanwenden. Ook geldt onder de Awb een algemene medewerkingsplicht voor eenieder, welke met deze schakelbepaling wordt benadrukt. Daarnaast vereist de IRRD dat tegen besluiten van afwikkelingsautoriteiten beroep open moet staan. Dit wordt niet expliciet geïmplementeerd maar volgt uit de systematiek van de Awb: hoofdstuk 6 over administratief beroep en artikel 1 van bijlage 2 van de Awb waarin uitsluiting van beroep is opgesomd (waar besluiten van afwikkelingsautoriteiten geen onderdeel van uitmaken). In artikel 3A:89, tweede lid, wordt expliciet geregeld wanneer beroep tegen een waardering kan worden ingesteld.
Het wetsvoorstel heeft naar verwachting geen gevolgen voor de Rijksbegroting. De voorgestelde wijzigingen harmoniseren bestaande wettelijke verplichtingen, zonder directe financiële impact op de overheidsbegroting.
De implementatie van de IRRD in Nederland en andere lidstaten leidt tot een gelijker speelveld voor Nederlandse verzekeraars op de Europese verzekeringsmarkt. De reden hiervoor is dat Nederland als een van de weinige lidstaten reeds een kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars heeft. Als gevolg van de Europese harmonisatie, worden andere Europese verzekeraars ook onderworpen aan regelgeving op het gebied van herstel en afwikkeling, waardoor enerzijds het niveau van compliance(kosten) dat met deze regelgeving gepaard gaat, en anderzijds het niveau van polishouderbescherming meer gelijk worden getrokken tussen de verschillende lidstaten. Vanwege het bestaande nationale herstel en afwikkelingskader, zijn Nederlandse verzekeraars bovendien in zekere mate meer voorbereid op de uit de IRRD volgende wet- en regelgeving dan verzekeraars in het merendeel van de andere lidstaten.
Overeenkomstig het regeerprogramma wordt deze richtlijn zo lastenluw mogelijk geïmplementeerd. Dat wil zeggen dat zoveel als mogelijk wordt aangesloten op het bestaande systeem. Lidstaatopties worden gebruikt als deze nodig zijn om aan te sluiten bij het bestaande wettelijke kader en een efficiënte uitvoering bevorderen. Verzekeraars, zowel kleine als grote, hebben kennis kunnen nemen van de voorstellen tijdens internetconsultatie. Het Verbond van Verzekeraars heeft een reactie ingediend namens de sector, zie paragraaf 9.2 hierna. Ook hebben gesprekken plaatsgevonden met vertegenwoordigers van het Verbond van Verzekeraars over dit wetsvoorstel.
Dit wetsvoorstel vormt een lastenluwe implementatie van een Europees geharmoniseerd kader. Doordat na implementatie sprake is van geharmoniseerde wet- en regelgeving voor verzekeraars ten aanzien van hun herstelmogelijkheden en afwikkelbaarheid, zal er een level playing field gelden en kunnen verzekeraars in algemene zin daardoor makkelijker concurreren in Europa, waaronder op innovatie. De regels hebben echter geen betrekking op productontwikkeling en hebben daarom geen specifieke beperkende of stimulerende effecten op de innovatie.
Een Europees breed herstel- en afwikkelingskader voor verzekeraars en de daaruit volgende wettelijke instrumenten voor de afwikkelingsautoriteiten zal waarschijnlijk leiden tot een betere bescherming van Nederlandse polishouders die klant zijn bij een grensoverschrijdende verzekeraar met zetel in een andere lidstaat, ten opzichte van de situatie vóór de inwerkingtreding van de IRRD. De reden hiervoor is dat verzekeraars met een zetel in een andere lidstaat nu ook aan dezelfde regelgeving ten aanzien van herstel en afwikkeling zijn onderworpen. Tevens dienen andere lidstaten ook een afwikkelingsautoriteit op te richten. Deze harmonisatie bevordert herstelmogelijkheden en een ordentelijke afwikkeling van een (bijna) falende verzekeraar. Een van de doelstellingen van ordentelijke afwikkeling door de afwikkelingsautoriteit is polishouderbescherming. Na de inwerkingtreding van de IRRD zal bij het omvallen van een verzekeraar met een zetel in een andere lidstaat, en die werkzaam is op de Nederlandse markt, polishouderbescherming beter gewaarborgd worden. De gevolgen voor de rechten van polishouders zijn verder in praktijk beperkt ten opzichte van het al bestaande wettelijke kader, deze implementatiewet heeft daarom beperkt tot geen effect op het doenvermogen van burgers in het algemeen of polishouders.
In deze paragraaf wordt ingegaan op de regeldrukeffecten als gevolg van de implementatie van de richtlijn. Regeldrukeffecten zijn de investeringen en inspanningen die bedrijven moeten verrichten om zich aan wet- en regelgeving van de overheid te houden. De regeldrukeffecten worden in kaart gebracht op basis van de systematiek uit het Handboek meting regeldrukkosten (verder: handboek).23 De kosten worden bepaald op basis van het Standaard Kosten Model (SKM).24 Dat model komt er in essentie op neer dat wordt nagegaan welke handelingen door de bedrijven moeten worden verricht om aan de nieuwe regelgeving te voldoen. Vervolgens wordt per handeling bepaald hoeveel tijd het kost om die handeling te verrichten en op welk niveau (door welk type personeel) de handeling wordt uitgevoerd, zodat de kosten van de handeling kunnen worden berekend. Alle regeldrukeffecten die voortvloeien uit de richtlijn worden hieronder in kaart gebracht. Dit geldt niet alleen voor deze implementatiewet, maar tevens voor hetgeen op niveau van algemene maatregel van bestuur nader wordt geregeld, nu die nadere invulling voortvloeit uit de in deze wet opgenomen bepalingen. De regeldrukeffecten van de gedelegeerde verordeningen worden niet meegenomen in deze toelichting, omdat de verordening rechtstreeks werkt en niet omgezet wordt in Nederlandse wetgeving (zie ook de bijlagen bij het Handboek Meting Regeldrukkosten, toelichting onderdeel 7). De inhoud van gedelegeerde verordeningen, die op grond van de richtlijn worden opgesteld, bestaan uit de door EIOPA opgestelde technische standaarden.
De groep entiteiten die onder de reikwijdte van deze implementatiewet valt, verschilt niet van de groep entiteiten die onder het systeem van de Whav viel. De gevolgen voor de regeldruk voor die groep verzekeraars zullen naar verwachting beperkt zijn. Dit komt omdat de uit het voorstel voortvloeiende verplichtingen in overwegende mate al onderdeel uitmaken van het bestaande nationale kader. Voor deze groep zullen eventuele kosten als gevolg van de implementatie van de richtlijn met name samenhangen met het opstellen, aanpassen en bijhouden van de VCPs. Deze regeldruk- en financiële gevolgen worden hieronder nader uitgewerkt. Omdat DNB per instelling de afwikkelbaarheid beoordeelt en de afwikkelingsstrategie bepaalt, zijn de eventuele gevolgen per instelling verschillend en is het gevolg niet in algemene zin op voorhand te kwalificeren en kwantificeren. Het is daarnaast nog onzeker hoe groot de groep verzekeraars wordt die onder afwikkelingsplanning zal vallen. Dit hangt samen met de aanpassing van het kader voor de algemeen-belang-toets door DNB onder de IRRD. Deze toets speelt een rol bij het bepalen van de reikwijdte en intensiteit van resolutieplanning per instelling, en de verplichting volgend uit de IRRD om resolutieplanning uit te voeren voor instellingen met kritieke functies ongeacht of zij aan de algemeen-belang-toets voldoen. Zodra een verzekeraar onderworpen zou worden aan afwikkelingsplanning, dan kan de verzekeraar geconfronteerd worden met rapportage- en informatieverplichtingen en mogelijk met instructies van DNB om bepaalde belemmeringen voor afwikkeling in haar bedrijfsvoering of organisatiestructuur te verhelpen.
De groep entiteiten die op basis van de implementatie een VCP moet opstellen is naar verwachting kleiner dan op basis van de Whav. Dit komt omdat de richtlijn vereist dat de toezichthoudende autoriteit een beoordeling maakt van de te selecteren verzekeraars, waarbij de autoriteit in ieder geval moet waarborgen dat de uitkomst van de beoordeling ertoe leidt dat de partijen gezamenlijk in ieder geval 60% van de markt – gescheiden in leven en schade – betreffen. Een exacte inschatting van het uiteindelijke percentage partijen is nog niet te maken; de criteria op basis waarvan de selectie wordt gemaakt maken onderdeel uit van de technische standaarden die EIOPA opstelt. Daarnaast zal EIOPA ook technische standaarden en richtsnoeren opstellen ten aanzien van de vereiste inhoud van VCPs.
Een regeldruk veroorzakende factor is de frequentie waarmee een VCP moet worden bijgewerkt. Op basis van het bestaande artikel 26.5 van het Bpr moet een VCP ten minste elke drie jaar geëvalueerd worden en ook na elke significante verandering in de juridische structuur, de feitelijke bedrijfsuitoefening of de financiële positie van de verzekeraar. Op basis van de richtlijn verandert deze frequentie naar ten minste om de twee jaar, en in elk geval na wijzigingen in de juridische of organisatiestructuur van de onderneming, haar bedrijfsactiviteiten of haar financiële positie. Dit betekent dat structureel de frequentie van de evaluatie van een VCP omhoog gaat. Het bijwerken en evalueren van een VCP houdt grofweg in de praktijk in dat crisisscenario’s bijgewerkt en opnieuw doorberekend worden. Op basis daarvan worden te nemen herstelmaatregelen doorberekend, die daarna gelijk blijven of worden bijgewerkt. Ten slotte worden ook de belemmeringen voor de implementatie van de geïdentificeerde maatregelen geëvalueerd en eventueel bijgewerkt. Andere aspecten van een VCP zullen mogelijk op grond van de huidige regelgeving geen wijziging behoeven op basis van de IRRD. Denk hierbij aan de statistische informatie van het bedrijf en het algemene crisisbeleid. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de handelingen die nodig zijn om te voldoen aan nieuwe verplichtingen die als gevolg van de aanpassing van de richtlijn worden geïmplementeerd in de Wft en lagere regelgeving. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen de eenmalige en structurele kosten. In algemene zin wordt het tot zich nemen van de nieuwe wet- en regelgeving door een bedrijf meegenomen als eenmalige regeldruk.
De berekening van de eenmalige en structurele regeldrukkosten is een grove schatting gebaseerd op het Handboek meting regeldrukkosten. De tarieven die hierbij worden gehanteerd dateren uit 2020. Geschat wordt dat in het jaar waarin een VCP moet worden geëvalueerd en bijgewerkt dit een proces is dat ongeveer een tijdspanne van twee maanden betreft voor 1,5e fulltime medewerker (fte). Het interne uurtarief op basis van het handboek voor een hoogopgeleide medewerker is € 54,–. Het aantal werkuren gedurende twee maanden voor 1,5 fte betreft ongeveer 540 uur. 540 uur x € 54,– = € 29.160,– jaarlijkse kosten. Voor de implementatie van de IRRD worden deze kosten driejaarlijks gemaakt, echter met de implementatie van de IRRD tweejaarlijks. De gemiddelde regeldrukkosten betreffen dan het verschil tussen de drie- en tweejaarlijkse kosten. Voor de eenmalige regeldrukkosten worden hetzelfde aantal fte en uurloon gerekend. Er is gekozen voor een gemiddelde tijdsbesteding van 60 minuten.25 De regeldrukkosten zijn uitgewerkt in tabel 1. In tabel 2 is een schatting van de doelgroep, die onderworpen is aan de verplichting tot het opstellen van een VCP, gemaakt en is de omvang van de doelgroep in tabel 3 vermenigvuldigd met de cijfers uit tabel 1.
|
Overzicht handelingen en tijd artikelen in richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars, per entiteit |
||
|---|---|---|
|
Handeling |
Eenmalig |
Structureel – jaarlijks |
|
Voorbereidend crisisplan evalueren en bijwerken |
n.v.t. |
€ 4860 |
|
Nieuwe wet- en regelgeving |
€ 81 |
n.v.t. |
|
Doelgroep |
Aantal1 |
|---|---|
|
Groep VCP (3:288i1 Wft) |
15 |
|
Solo VCP (3:57c Wft) |
73 |
Het is mogelijk dat de omvang van de groep verzekeraars die een VCP moet opstellen, aanpassen en bijhouden kleiner wordt op basis van de technische standaarden vanuit EIOPA, waardoor de structurele kosten van de gehele sector lager liggen.
|
Overzicht totale regeldrukkosten artikelen in richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars |
||
|---|---|---|
|
Handeling |
Eenmalig (sector) |
Structureel – jaarlijks (sector) |
|
Nieuwe wet- en regelgeving |
€ 7.128 |
n.v.t. |
|
Voorbereidend crisisplan evalueren en bijwerken |
n.v.t. |
€ 427.680,00 |
DNB is de afwikkelingsautoriteit onder het huidige nationale kader. De implementatie van de IRRD brengt hier geen verandering in. Waar veel andere lidstaten een nieuwe organisatie moeten inrichten, is dat in Nederland niet het geval. DNB is nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel, gezien haar rol en praktische ervaring met afwikkelingsplanning en -voorbereiding.
DNB heeft een uitvoerings- en handhavingstoets uitgevoerd en bij brief van 16 november 2025 haar bevindingen met het ministerie van Financiën gedeeld.26 DNB is van oordeel dat het wetsvoorstel in algemene zin uitvoerbaar en handhaafbaar is. Ook concludeert DNB dat de toename van de uitvoeringslasten reeds is voorzien in het kostenkader 2025-2028. DNB maakt daarnaast een aantal opmerkingen bij het wetsvoorstel die kunnen bijdragen aan verdere verbetering van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid in de Nederlandse praktijk.
Ten eerste signaleert DNB dat er in een concrete casus NCWO-problemen kunnen ontstaan, doordat vorderingen uit hoofde van de verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen voor motorrijtuigen (volgend uit de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, WAM)27 worden uitgesloten van bail-in (omzetting en afschrijving). Deze NCWO-problematiek kan in een voorkomend geval de afwikkeling bemoeilijken.
De huidige situatie is als volgt. Op grond van de WAM is een Waarborgfonds Motorverkeer ingericht. Indien een verzekeraar failliet gaat en er nog openstaande verplichtingen zijn of er ontstaan nieuwe verplichtingen op grond van de lopende aansprakelijkheidsverzekeringen voor motorrijtuigen, dan kan het Waarborgfonds Motorverkeer op grond van artikel 26a WAM en op verzoek van de benadeelden de verplichtingen voldoen en zich vervolgens verhalen op de failliete boedel. De (regres)vordering van het Waarborgfonds Motorverkeer op de verzekeraar is in faillissement niet superpreferent, maar volgt de rang van de oorspronkelijke verzekeringsvorderingen conform de rangorde zoals bepaald in artikel 213m, tweede lid, Faillissementswet. In artikel 26a, eerste lid, onderdeel c, van de WAM is geregeld dat wanneer DNB de betreffende verzekeraar in resolutie neemt en de benadeelden (die gecompenseerd worden door de verzekeraar in resolutie onder de aansprakelijkheidsverzekering) minder zouden ontvangen dan zij ontvangen zouden hebben gekregen als DNB niet tot resolutie zou zijn overgegaan, benadeelden een recht op schadevergoeding tegen het Waarborgfonds Motorverkeer geldend kunnen maken. Claims uit hoofde van de verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen dienen in beginsel gewoon te worden voldaan door de verzekeraar in resolutie. Op het Waarborgfonds Motorverkeer rust de verplichting om eventuele kortingen op de vergoedingen betaald door de verzekeraar in resolutie (dus verliezen als gevolg van afwikkeling in resolutie) zelfstandig te compenseren op grond van dat artikel. Daarmee kan artikel 26a, tweede lid, onderdeel c, worden gezien als een soort aanvulling op de financieringsregeling opgenomen artikel 3A:138, tweede lid, onderdeel a, Wft.
Onder de IRRD worden vorderingen van benadeelden uit hoofde van verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen uitgesloten van bail-in. Dat wil zeggen dat DNB die vorderingen niet kan afschrijven of omzetten om de entiteit in resolutie te herkapitaliseren.28
DNB stelt dat, doordat in resolutie de claims uit hoofde van de verplichte aansprakelijkheidsverzekering zijn uitgesloten van bail-in en dus onaangetast blijven, andere schuldeisers/polishouders op wie het instrument van bail-in wel wordt toegepast, onder bepaalde omstandigheden geconfronteerd kunnen worden met hogere kortingen op hun vorderingen (zij kunnen dus meer schade lijden).29 Doordat benadeelden onder een WAM-polis in faillissement terecht kunnen bij het Waarborgfonds Motorverkeer en het Waarborgfonds een vordering heeft die een gelijke rang (pari passu) heeft als andere vorderingen uit hoofde van schadeverzekeringen (rekening houdend met de verschillende rangen genoemd in artikel 213m, tweede lid, Faillissementswet), ontstaat er een verschil in de positie van die andere schuldeisers in beide scenario’s, hetgeen kan leiden tot een negatieve uitkomst van de NCWO-toets die moet worden verricht op het moment dat DNB besluit tot toepassing van een resolutiemaatregel. DNB roept op om dit verschil op voorhand op te lossen in het wetsvoorstel, bij voorkeur door de middelen van het Waarborgfonds Motorverkeer in een resolutiescenario ook ter beschikking te stellen voor betaling van de gehele claims van benadeelden uit hoofde van verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen, in plaats van dat alleen toe te staan in een faillissementsscenario zoals nu het geval is.
De IRRD laat echter geen ruimte voor een andere keuze dan het uitsluiten van verplichtingen uit hoofde van verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen voor de toepassing van het instrument van bail-in. Het voorliggende wetsvoorstel volgt, gelet op het uitgangspunt van zuivere implementatie, de IRRD. De signalering van DNB leidt niet tot aanpassing van het voorgestelde artikel 3A:94 Wft, dat opsomt welke vorderingen zijn uitgesloten van toepassing van bail-in. Een oplossing waarbij middelen uit het Waarborgfonds Motorverkeer in resolutie beschikbaar worden gesteld, zou een nieuwe functie voor het Waarborgfonds Motorverkeer betekenen.30 Het zou ook een nationale toevoeging zijn die niet vereist is onder het Europees recht en zou zich daarom op dit moment ook niet goed verhouden tot een lastenluwe implementatie van de IRRD en tot bevordering van een gelijk speelveld ten aanzien van waarborgfondsen onder de richtlijn 2009/103/EG. Dit vergt een nadere beleidsafweging, die raakt aan de verantwoordelijkheden van de staatssecretaris van Justitie & Veiligheid en vergt zorgvuldige afstemming met het Waarborgfonds Motorverkeer en de verzekeraars die het fonds financieren. Daarvoor is in dit implementatietraject onvoldoende ruimte. Bovendien dienen er minder ingrijpende maatregelen te worden onderzocht. Het ministerie van Financiën blijft met DNB in gesprek over dit onderwerp ten behoeve van de nadere beleidsvorming.
Het staat op dit moment overigens niet vast dat in alle gevallen de hiervoor omschreven NCWO-problemen zich zouden voordoen. DNB heeft nog andere instrumenten tot haar beschikking die zij mogelijk kan inzetten voor deze portefeuilles of claims. Het is aan DNB om het NCWO-probleem dat mogelijk ontstaat bij een schadeverzekeraar met een grote portefeuille verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen vooraf mee te wegen in haar keuze voor een bepaalde afwikkelingsstrategie en de daarbij inzetbare afwikkelingsinstrumenten. DNB kan ten behoeve van de nadere beleidsvorming inzichtelijk maken in hoeverre de andere instrumenten toereikend zijn. De toets of schuldeisers niet slechter af zijn dan in faillissement, dient het grondrecht op het ongestoord genot van eigendom te beschermen. Het NCWO-beginsel dient daarom zwaar te wegen, ook als dat negatief uitpakt voor de NCWO-toets en daardoor leidt tot een aanpassing in de afwikkelingsstrategie.
Ten tweede noemt DNB dat het resolutiekader slechts beperkt toepasbaar is op zorgverzekeraars. Dit komt volgens DNB onder meer door de uitsluiting van verplichtingen uit hoofde van zorgverzekeringen van bail-in en de specifieke karakteristieken van het Nederlandse zorgstelsel. Dit is een terecht en ook bekend punt. De IRRD biedt echter geen ruimte om af te wijken van de verplichting om voor zorgverzekeraars die een kritieke functie vervullen in het stelsel een afwikkelingsplan op te stellen. Het ligt op de weg van DNB om pragmatisch om te gaan met afwikkelingsplanning voor deze categorie verzekeraars. Indien de conclusie zou zijn dat toepassing van het resolutieraamwerk niet zal of kan leiden tot een betere uitkomst dan een regulier faillissement, dan dient dit ook tot uitdrukking te komen in de algemeen-belang-toets, in het afwikkelingsplan en de mate van planning. Een afgeslankt proces volstaat dan waarschijnlijk, hetgeen meebrengt dat het minder intensief en kostbaar zou moeten zijn voor zowel DNB, als de betreffende verzekeraars.
De derde kwestie die DNB opwerpt, ziet op de verplichting om in financiële contracten die vallen onder het recht van een land buiten de EU een opschortingserkenningsclausule op te nemen. Daarmee erkennen partijen dat DNB bevoegd is om in het kader van resolutie rechten en verplichtingen tijdelijk op te schorten of te beperken, en dat bepaalde contractuele voorwaarden van rechtswege uitgesloten kunnen zijn. Herverzekeringscontracten vallen niet onder deze verplichting, aangezien zij geen ‘financiële contracten’ zijn als bedoeld in de IRRD. Dergelijke opschortingserkenningsclausules als voorgeschreven in artikel 52 IRRD zijn bedoeld om risico’s ten aanzien van automatische vroegtijdige beëindiging op grond van clausules in financiële contracten te voorkomen. DNB verzoekt om de verplichting uit te breiden naar herverzekeringsovereenkomsten. De reden die zij aanvoert is dat herverzekeringsovereenkomsten – net als financiële contracten – een relevante rol kunnen spelen bij afwikkelbaarheid in resolutie. Duidelijk is echter dat artikel 52 IRRD niet bedoeld is voor herverzekeringscontracten. Omdat een lastenluwe implementatie beoogd wordt, is ervoor gekozen om het voorstel van DNB niet over te nemen. Indien de verwachting van DNB juist is dat vergelijkbare clausules in de praktijk vaak toch wel worden opgenomen in herverzekeringscontracten en het wetsvoorstel reeds voorziet in een algemene verplichting tot opname van bail-in erkenningsclausules in overeenkomsten onder niet-EU-recht, is bovendien geen sprake van voldoende noodzaak voor aanwending van het wettelijk instrumentarium en het opleggen van een extra wettelijke verplichtingen bovenop de verplichtingen die al gelden voor de sector op grond van de IRRD.
Op grond van de IRRD moeten preferente verplichtingen aan belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties worden uitgesloten van bail-in. Dit is ook opgenomen in het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel gaat uit van een beperkte interpretatie van deze uitsluitingsgrond, waarbij dergelijke verplichtingen alleen dan worden uitgesloten van bail-in indien zij in faillissement tevens een hogere rang hebben dan verplichtingen uit hoofde van verzekering. DNB wijst in haar brief op het risico dat gepaard gaat met een andere uitleg dan de uitleg die nu is gehanteerd in het wetsvoorstel. Dit wordt ter kennisgeving aangenomen. Omdat de signalering van DNB geen betrekking heeft op het huidige wetsvoorstel, leidt zij ook niet tot aanpassingen.
Ten slotte merkt DNB op dat gevolgen voor de sector op dit moment nog lastig te kwantificeren zijn. De uiteindelijke impact zal in belangrijke mate afhangen van de nadere uitwerking van technische standaarden en richtsnoeren door EIOPA, en de wijze waarop deze worden vertaald naar het beleidskader van DNB en de praktische toepassing daarvan. Op basis van haar huidige inzichten voorziet DNB een beperkte toename van de regeldruk, waarbij het precieze effect afhankelijk blijft van verdere Europese en nationale invulling. In dit kader wordt opgemerkt dat DNB nauw betrokken zal zijn bij de nadere invulling van deze regelgeving en daarbij niet alleen kan inzetten op effectiviteit, maar ook op het beperken van de regeldruk als gevolg van nadere uitwerking door EIOPA.
Bij brief van 17 december 2025 heeft de Raad voor de rechtspraak (hierna: de Raad) haar advies ten aanzien van dit wetsvoorstel met het ministerie van Financiën gedeeld.31 Het wetsvoorstel leidt volgens de Raad niet tot substantiële werklastgevolgen voor de rechtspraak. De Raad heeft geen zwaarwegende bezwaren tegen het wetsvoorstel, maar geeft in overweging het wetsvoorstel te verduidelijken op het onderdeel waar haar advies op ziet.
Haar advies heeft betrekking op het onderdeel dat aanbieders van essentiële diensten onder de reikwijdte van het raamwerk vallen en dat het faillissement van een dergelijke entiteit alleen bij de rechtbank Amsterdam kan worden ingediend door een schuldeiser, DNB of de entiteit zelf. Het is volgens de Raad niet goed in te schatten hoeveel en welke bedrijven kwalificeren als aanbieders van essentiële diensten’. Hierdoor is het moeilijk om in te schatten, indien een faillissementsaanvraag van een dergelijke entiteit bij een andere rechtbank wordt ingediend, of bekend is bij zowel de aanvrager als de betreffende rechtbank dat dit verzoek moet worden doorverwezen naar de rechtbank Amsterdam. De Raad verzoekt hier aandacht aan te besteden in het voorstel. Naar aanleiding van dit advies zijn in de artikelsgewijze toelichting bij Artikel II, onderdeel I, wijzigingen aangebracht om dit te verduidelijken. Verder wordt opgemerkt dat een schuldeiser niet altijd op de hoogte zal zijn van het feit dat zijn schuldenaar kwalificeert als aanbieder van essentiële diensten onder de IRRD. Het is daarom van belang dat de betreffende entiteiten, de rechtbank en DNB (voor zover DNB op de hoogte is van een dergelijke aanvraag) zelf ook scherp zijn op dit forumvereiste.
DNB is reeds op grond van de Whav aangewezen als afwikkelingsautoriteit, deze rol is vastgesteld in de Bankwet 1998 (zie hiervoor ook de toelichting bij Artikel III). Op grond van de IRRD heeft DNB een rol als toezichthouder en afwikkelingsautoriteit en wordt zij ook geacht in die hoedanigheden samen te werken. Haar rol als toezichthouder speelt voornamelijk bij de aanlevering door entiteiten van de voorbereidend (groeps)crisisplannen en bij de aanvraag van faillissement volgend uit de Faillissementswet. Daarnaast krijgt DNB nieuwe bevoegdheden doordat de IRRD een nieuw afwikkelingsinstrument introduceert: het instrument van de solvabele run-off. Op grond van dit instrument kan DNB een falende verzekeraar die kritieke verzekeringsdiensten aanbiedt in een passend tempo afwikkelen, met het oog op de marktomstandigheden van dat moment (zie voor een verdere toelichting paragraaf 3.2.4 van deze toelichting). Een nieuw aspect volgend uit de implementatie van de IRRD is de samenwerking met toezichthoudende autoriteiten in andere lidstaten en binnen afwikkelingscolleges met afwikkelingsautoriteiten uit andere lidstaten. Veel van deze samenwerking wordt geregeld in de Rtt Wft. Ook zullen de technische standaarden van EIOPA invloed hebben op het werk van DNB.
DNB kan op grond van de artikelen 1:79 en 1:80 Wft en de daarbij behorende bijlagen middels een last onder dwangsom of bestuurlijke boete handhavend optreden.
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft op 19 januari 2026 een positief advies uitgebracht.32 De ATR adviseert om het wetsvoorstel in te dienen bij de Raad van State na inachtneming van het door haar gegeven adviespunt.
In algemene zin constateert de ATR dat de verplichtingen in dit wetsvoorstel volgen uit de implementatieverplichting die op Nederland rust op grond van de richtlijn. Binnen deze implementatieverplichting is er ruimte voor Nederland om sommige verplichtingen al dan niet te implementeren, zogeheten lidstaatopties. Het gebruik van lidstaatopties in dit wetsvoorstel acht de ATR lastenluw, omdat er geen gebruik wordt gemaakt van lidstaatopties die tot meer regeldruk leiden of lidstaatopties onbenut worden gelaten die tot minder regeldruk leiden. De ATR merkt op dat ten aanzien van de werkbaarheid van de VCPs, het aantal verzekeraars dat wordt onderworpen aan een (groeps-) VCP op grond van een beoordeling van DNB wordt vastgesteld, die vervolgens hoort te leiden tot een minimale dekkingsgraad van de markt van 60 procent. De criteria voor deze beoordeling worden uitgewerkt door EIOPA. Hierin stelt de ATR dat DNB een dubbele rol vervult als toezichthouder, afwikkelingsautoriteit en regelgever in EIOPA verband. Door haar rol zou het risico kunnen ontstaan dat de VCP-verplichting wordt verruimd, wat potentiële regeldruk gevolgen heeft. De ATR geeft daarom ter overweging mee dat het ministerie jaarlijks monitort hoe groot het percentage van de markt is dat een VCP moet opstellen. Zoals de ATR stelt, volgt de discretionaire ruimte voor DNB uit de richtlijn, om die reden leidt haar suggestie niet tot wijziging van dit wetsvoorstel. De suggestie van de ATR zal worden meegenomen in nadere beleidsvorming van het ministerie van Financiën en doorlopende gesprekken met DNB. Verder merkt de ATR op dat de regeldrukeffecten van de gedelegeerde verordeningen niet zijn meegenomen in de toelichting bij het implementatievoorstel omdat deze rechtstreeks werking hebben en niet worden omgezet in Nederlandse wetgeving. De ATR verwacht dat juist deze standaarden tot veel regeldruk zullen leiden vanwege de omvang en mate van detail van de regels. Zij constateert dat met dit wetsvoorstel een lastenluwe implementatie wordt nagestreefd en adviseert de minister van Financiën tijdig inzicht te krijgen in de regeldrukgevolgen van de voorgestelde inbreng van Nederland (via DNB) in het kader van de nog op te stellen gedelegeerde verordeningen door EIOPA. Dit advies vraagt niet om aanpassing van het wetsvoorstel. Het ministerie van Financiën neemt het adviespunt mee in haar beleidsvorming en reguliere contacten met zowel DNB, als EIOPA.
Dit wetsvoorstel is openbaar geconsulteerd van 21 oktober tot 18 november 2025. Er zijn twee consultatiereacties ontvangen: een van het Verbond van Verzekeraars (hierna: het Verbond) en een van een particulier.
De consultatiereactie van het Verbond gaat in op diverse onderwerpen, die hierna ieder aan bod komen. In algemene zin roept het Verbond het ministerie van Financiën op om aandacht te vragen op Europees niveau, bij DNB en bij EIOPA, voor een proportioneel raamwerk bij de uitwerking van de verschillende mandaten die zij hebben gekregen. Het ministerie neemt dit signaal ter harte, aangezien het past bij de tijdsgeest en de voorgenomen simplificatie op zowel nationaal als Europees niveau.
Ten eerste bepleit het Verbond, in lijn met dit voorstel, een beperkte uitleg van het begrip ‘kritieke functies’, dat met name relevant is voor de algemeen-belang-toets op basis waarvan wordt besloten of een verzekeraar in afwikkeling kan worden genomen wanneer zij (bijna) faalt. Het Verbond omarmt de uitleg zoals gegeven in deze toelichting bij het wetsvoorstel, namelijk dat bij de invulling van kritieke functies de nadruk moet liggen op het bieden van verzekeringsdekking.
Ten tweede merkt het Verbond op dat de regeldruk ten aanzien van afwikkeling onder het huidige wettelijk kader al als aanzienlijk wordt ervaren en dat dit, naast de identificatie van eventuele belemmeringen, vooral ziet op de informatievoorziening aan DNB ten behoeve van afwikkeling (de zogenaamde ‘ReRap’). Het Verbond wijst erop dat de feitelijke regeldruk van de IRRD afhankelijk is van de wijze waarop de planningsvereisten nader worden uitgewerkt op Europees niveau. In de paragraaf 6.2. van deze toelichting is uitgelegd wat de verwachte regeldruk is. Mede naar aanleiding van de opmerking van het Verbond, is deze paragraaf aangevuld ten aanzien van de regeldruk voortvloeiend uit mandaten verstrekt aan EIOPA. Volledigheidshalve wordt ook verwezen naar paragraaf 7.1 van deze toelichting.
Het Verbond heeft specifieke aandacht voor de draaiboeken die DNB vraagt van een aantal grote verzekeraars en die zien op de uitvoering van afwikkelingsplannen. DNB vraagt de verzekeraars deze draaiboeken te maken in het kader van het operationaliseren van afwikkelingsplanning. Het Verbond benadrukt dat de ontwikkeling van en eisen omtrent deze draaiboeken wel proportioneel moet blijven. De IRRD en dit wetsvoorstel bevatten geen expliciete verplichting om draaiboeken voor een resolutiescenario op te stellen. Wel rust op DNB de verplichting om de afwikkelbaarheid van de verzekeraar te beoordelen en ingeval van wezenlijke belemmeringen deze te laten wegnemen. Het is aan DNB om ervoor te zorgen dat de wijze waarop zij invulling geeft aan haar taak als afwikkelingsautoriteit, in verhouding staat tot de kans dat de instelling bij falen in resolutie afgewikkeld wordt en wat er redelijkerwijs op voorhand en op doorlopende basis al aan paraatheid van de onderneming kan worden verwacht. DNB dient bij deze beoordeling rekening te houden met de lasten die de toepassing van dit raamwerk voor een onderneming met zich meebrengt.
Het Verbond vraagt ook om voldoende inzicht voor verzekeraars in de afwikkelingsstrategie voor hun onderneming en de mogelijke inzet van afwikkelingsinstrumenten daarbij. Artikel 9, zesde lid, IRRD en artikel 3A:81, eerste lid, van dit wetsvoorstel (via een dynamische verwijzing) bevatten de verplichting voor de afwikkelingsautoriteit om de samenvatting van de belangrijkste onderdelen van het afwikkelingsplan te delen met de verzekeraar op wie het plan betrekking heeft. Deze samenvatting noemt ten minste welke afwikkelingsinstrumenten mogelijk zullen worden ingezet. Dit is meer dan redelijk als de verzekeraar daarvoor aanpassingen in haar bedrijfsvoering moet doorvoeren in het kader van afwikkelbaarheid.
Het Verbond uit de zorg dat de afwikkelingsautoriteit op basis van dit wetsvoorstel een verdergaande bail-in zou toepassen dan het NCWO-beginsel onder IRRD zou toelaten en het verschil zou afwentelen op de verzekeringssector via de financieringsregeling van artikel 3A:138 Wft. Zoals uiteengezet in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:88 Wft, is het NCWO-beginsel een belangrijk beginsel dat in acht genomen moet worden bij de keuzes die DNB als afwikkelingsautoriteit maakt om de afwikkelingsdoelstellingen te realiseren. De door artikel 3A:91, tweede lid, Wft vereiste compensatie van achteraf gebleken NCWO-schendingen uit de financieringsregeling, is daarom geen vrijbrief om het instrument van bail-in of een ander instrument onbeperkt in te zetten. Een scenario waarin de afwikkelingsautoriteit op voorhand de keuze maakt om een bij aanvang bekend NCWO-verschil of een herkapitalisatie te financieren met bijdrages uit de verzekeringssector via de financieringsregeling is niet mogelijk, omdat dit feitelijk neerkomt op aanwending voor herkapitalisatie. Dat is niet de bedoeling, zoals blijkt uit artikel 3A:138, vierde lid, Wft.
Wat wel denkbaar is, is dat DNB bij aanvang van afwikkeling in resolutie een totaalpakket van verschillende afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden inzet, dat als geheel de NCWO-toets doorstaat, maar waarbij een klein deel van de schuldeisers niet even goed af zouden zijn als in faillissement. Als dat verschil niet te dekken is uit opbrengsten uit de afwikkeling en andere oplossingen niet tot een beter resultaat leiden, kan het verschil achteraf worden afgedekt via bijdrages uit de sector aan de financieringsregeling. Dat is een ander uitgangspunt dan op voorhand besluiten om een NCWO-probleem ‘maar’ te accepteren en te besluiten dat het gat moet worden gedicht met de financieringsregeling. Indien gedurende de afwikkeling het initiële pakket aan afwikkelingsmaatregelen niet toereikend blijkt en DNB opnieuw moet overgaan tot inzet van instrumenten en bevoegdheden, dan dient voorafgaand aan het besluit daartoe opnieuw een NCWO-toets plaats te vinden.
Het Verbond merkt op dat het wetsvoorstel en de toelichting daarbij nog niet voldoende duidelijkheid bieden over de kapitaalvereisten die gelden bij toepassing van het instrument van solvabele run-off. Naar aanleiding van gesprekken met de Europese Commissie en DNB over de lezing van artikel 27 IRRD, is besloten om het wetsvoorstel en de bijbehorende toelichting te verbeteren. Voor een aangepaste toelichting over de kapitaaleisen die gelden bij de toepassing van de solvabele run-off, wordt verwezen naar paragraaf 3.2.4. hierboven en de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel RR hierna.
Het is niet vereist dat bail-in wordt toegepast bij aanvang van een solvabele run-off, maar de kans is wel groot dat dit nodig is om een verzekeraar weer te kapitaliseren op het niveau van de MCR of andere niveaus indien de verzekeraar haar vergunning nog heeft. In de meeste gevallen zal sprake zijn van een beperking of verbod op beloningen en dividend als bedoeld in artikel 27, zevende lid, IRRD. Het is aan DNB als afwikkelingsautoriteit om een dergelijke maatregel op te leggen en te beoordelen of en wanneer de beperking of het verbod weer kan worden opgeheven tijdens de solvabele run-off. Uiteindelijk gaat het erom dat het instrument van solvabele run-off effectief kan worden toegepast. Het zou kunnen dat er een punt komt tijdens de solvabele run-off, waarop de verzekeraar voldoende gekapitaliseerd is en de beperking of het verbod kan worden opgegeven. Daarbij wordt wel gewezen op artikel 26, tweede lid, tweede alinea, IRRD (dat zal worden geïmplementeerd via de Rtt Wft), dat voorschrijft dat opbrengsten uit resolutie eerst moeten worden gebruikt om polishouders en andere schuldeisers terug te betalen wier claims onderworpen zijn geweest aan bail-in en die geconfronteerd zijn met kortingen (verliezen), alvorens men toekomt aan vergoedingen aan aandeelhouders.
Het Verbond vraagt nadere verduidelijking ten aanzien van de beoordeling of de afwikkeling van de groep als geheel in het algemeen belang is en hoe zich dit verhoudt met de criteria die gelden voor de algemeen-belang-toets op het niveau van een individuele verzekeraar of een de verzekeraar in combinatie met enkele groepsentiteiten, ook met het oog op het feit dat het begrip kritieke functies in de algemeen belangtoets met name ziet op verzekeringsactiviteiten. Dit wetsvoorstel gaat uit van afwikkeling van de verzekeraar (solo) of de verzekeraar in combinatie met (een aantal) relevante groepsentiteiten (groepsafwikkeling). De wet schrijft niet voor dat ook afwikkeling van de groep als geheel moet plaatsvinden. Het zal veelal de verzekeraar zijn die een kritieke functie vervult, niet de groep als zodanig. In praktijk komt het erop neer dat het aanknopingspunt van de algemeen-belang-toets de individuele verzekeraar is en dat de algemeen-belang-toets vooral op de individuele verzekeraar betrekking zal hebben, maar dat daarbij de groepsdynamiek en mogelijke grensoverschrijdende gevolgen moeten worden meegewogen. Vervolgens kunnen deze grensoverschrijdende effecten van belang zijn voor de planning en de keuzes voor de instrumenten die door de afwikkelingsautoriteit worden ingezet. Deze vraag van het Verbond heeft niet geleid tot aanpassing van dit wetsvoorstel.
Het Verbond gaat in op twee lidstaatopties uit de IRRD. In de eerste plaats roept het Verbond DNB op om terughoudend te zijn in het toepassen van haar bevoegdheden op grond van artikel 52, tweede lid, en aanwending daarvan deugdelijk te onderbouwen. Volgens het Verbond leidt het opschorten en beperken van de rechten bedoeld in artikel 52 onnodig beperkend werken voor dochtermaatschappijen die niet onderdeel zijn van de afwikkelingsstrategie. Verwezen wordt naar paragraaf 7.1 hierboven.
Daarnaast vraagt het Verbond nadere duidelijkheid over de ratio achter de keuze die is gemaakt in dit wetsvoorstel om geen ex ante judiciële toetsing van de inzet van resolutiemaatregelen in te voeren. Ons huidige stelsel kent een dergelijke ex ante rechterlijke goedkeuring niet. Omwille van de snelheid van handelen die waarschijnlijk is vereist bij een (bijna) falen van een verzekeraar en de mogelijkheid om achteraf beroep aan te tekenen bij de rechter, is reden om niet voor een toetsing vooraf te kiezen. In de context van een lastenluwe implementatie is dit alternatieve model ook niet verder onderzocht.
Het Verbond sluit af met de opmerking dat zij het eens is met de keuzes in dit wetsvoorstel om de financieringsregeling niet significant te wijzigen en de beperkte toepassing en ex post financiering ervan in stand te laten. Het Verbond doet de uitnodiging om in gesprek te blijven over de ontwikkelingen ten aanzien van een mogelijk Europees geharmoniseerd kader voor verzekeringsgarantiestelsels en de samenhang met de financieringsregeling. Het ministerie van Financiën zal in de context van die discussie met belanghebbenden spreken, waaronder uiteraard ook het Verbond, om tot een gebalanceerd standpunt te komen en de belangen van de Nederlandse polishouders en verzekeringssector goed te kunnen behartigen in Europa.
Verder is naar aanleiding van de internetconsultatie van onderhavig wetsvoorstel door een particulier gevraagd of een gepensioneerde die zijn pensioen heeft ondergebracht bij een verzekeraar die vervolgens failliet gaat, bij DNB terecht kan voor schadevergoeding, en hoe het werkt als een nieuwe investeerder de verzekeraar of de polis heeft overgenomen met goedkeuring van DNB.
Indien een verzekeraar failliet gaat, dan is de curator degene die de failliete verzekeraar afwikkelt. In dat geval is het aan de curator, gecontroleerd door de rechter, om te proberen de verplichtingen aan de polishouders (incl. personen die een levensverzekering hebben als onderdeel van hun pensioen) zoveel mogelijk te voldoen. Deze vraagt leidt niet tot aanpassing van het wetsvoorstel.
De IRRD voorziet niet in overgangsrecht. De verdere wijzigingen uit dit wetsvoorstel worden van kracht bij inwerkingtreding van de wet.
Dit wetsvoorstel bevat wel een aantal voorschriften die tijdige aandacht vergen van de entiteiten die onder de reikwijdte van hoofdstuk 3A.2 Wft vallen. Er worden enkele artikelen ingevoegd over contractuele bedingen in overeenkomsten die deze entiteiten aangaan of zijn aangegaan. Ten aanzien van verplichte contractuele bedingen als bedoeld in artikel 47, tweede lid, IRRD waarvan artikel 3A:80a Wft een implementatie vormt, geldt dat deze bepalingen in alle overeenkomsten waarbij de betreffende passiva tot stand komen, moeten worden opgenomen. Voor de verplichte contractuele bedingen bedoeld 52, eerste en tweede lid, IRRD, waarvan artikel 3A:80b, eerste en tweede lid, een implementatie vormen, geldt dat deze bepalingen moeten worden opgenomen in overeenkomsten die zijn aangegaan na de inwerkingtredingsdatum van deze implementatiewet. Ook voor bestaande overeenkomsten kan dit van toepassing zijn als na de inwerkingtreding daarin een nieuwe verbintenis wordt gecreëerd of een daarin opgenomen verbintenis wezenlijk wordt gewijzigd.
De IRRD schrijft uiterlijke toepassing voor op 30 januari 2027. Deze implementatiewet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip met als streefdatum 1 januari 2027, conform de vaste verandermomenten voor wet- en regelgeving.
Met dit onderdeel wordt de definitie opgenomen voor de IRRD in artikel 1:1 Wft. Andere relevante definities worden toegevoegd aan artikel 3A:77 Wft (zie onderdeel I).
Artikel 1:25d Wft bevat een aansprakelijkheidsbeperking voor DNB, AFM en specifieke andere entiteiten en personen. Aan onderdeel h van artikel 1:25d, derde lid, wordt een verwijzing naar het artikel dat de Stichting administratiekantoor afwikkeling (SAA) regelt, opgenomen. De SAA kan essentieel zijn voor de uitoefening van de bail-in bevoegdheid door DNB (zie het algemene deel van deze toelichting en hierna bij onderdeel UU (3A:121a)). Evenals bij andere vehikels die in afwikkeling gebruikt kunnen worden (zoals een overbruggingsinstelling, een entiteit voor activa- en passivabeheer of een SAA voor banken) wordt ook de SAA voor verzekeraars toegevoegd aan artikel 1:25d, derde lid, Wft.
Artikel 1:51 vormt de juridische basis voor samenwerking tussen DNB in haar hoedanigheid van toezichthoudende autoriteit en afwikkelingsautoriteit en haar collega-autoriteiten in andere lidstaten. Er was daarin reeds een verwijzing opgenomen naar afwikkelingsautoriteiten aangewezen overeenkomstig artikel 3 BRRD, maar voor de correcte implementatie van de IRRD is ook een verwijzing naar afwikkelingsautoriteiten aangewezen overeenkomstig artikel 3 van de IRRD nodig. Zoals aangegeven in het algemene deel van deze toelichting, zal een aantal bepalingen uit de IRRD die zien op samenwerking tussen DNB en autoriteiten uit verschillende lidstaten geïmplementeerd worden in de Rtt Wft, die mede stoelt op dit artikel 1:51 Wft.
Met dit onderdeel wordt om dezelfde reden als toegelicht in onderdeel C (artikel 1:51 Wft) een referentie opgenomen naar de afwikkelingsautoriteiten aangewezen overeenkomstig BRRD of IRRD. Daarmee vormt dit artikel, samen met enkele andere grondslagen, een sluitende grondslag voor implementatie van een aantal onderdelen van de IRRD in de Rtt Wft.
In de titel van Afdeling 1.3.3 wordt voor de volledigheid en de consistentie met de inhoud van artikel 1:65 Wft na ‘toezichthoudende instanties’ ingevoegd ‘en bij afwikkeling betrokken autoriteiten’.
In artikel 1:90 zijn al regels opgenomen voor omgang met vertrouwelijke gegevens en inlichtingen en verstrekking daarvan in de context van herstel- en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen. Met dit onderdeel wordt ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het kader voor verzekeraars een verwijzing naar personen en instanties als bedoeld in artikel 65, tweede lid, onderdeel j, en artikel 66, vierde lid en vijfde lid, onderdeel c, IRRD opgenomen, om te zorgen dat DNB ook vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van haar taak op grond van deze wet, mag verstrekken aan deze personen of instanties. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om andere bevoegde ministeries en afwikkelingsautoriteiten of bijzondere bestuurders en adviseurs. Met de voorgestelde aanpassing wordt dus het kader voor verzekeraars ingepast in het bestaande raamwerk. Er wordt gebruik gemaakt van de lidstaatoptie in artikel 66, vijfde lid, IRRD, dat lidstaten de mogelijkheid biedt om uitwisseling van informatie toe te staan met bijvoorbeeld andere nationale entiteiten, rechters, parlementaire enquêtecommissies. Door de ruime formulering van artikel 1:90, eerste lid, aanhef, kan de informatie met alle in artikel 66, vijfde lid, IRRD genoemde instanties (voor zover in Nederland aanwezig) worden uitgewisseld, mits aan de in het eerste lid opgesomde waarborgen is voldaan. Daarmee wordt het bestaande recht gehandhaafd en kan DNB effectief opereren in de Nederlandse context.
Artikel 3:57c (nieuw) regelt de verplichtingen ten aanzien van het VCP. In de richtlijn wordt de term ‘preventief herstelplan’ gebruikt. In dit wetsvoorstel is echter gekozen om de huidige bewoording voor een dergelijk plan uit de Wft aan te houden en te spreken van een ‘voorbereidend crisisplan’. Hoewel de algemene verplichting tot het opstellen van een VCP al volgt uit artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, is ervoor gekozen om een separaat artikel toe te voegen, waarin de reikwijdte van de verplichting om een VCP op te stellen nader wordt uitgewerkt. Kort gezegd, zal DNB op basis van de criteria in artikel 5 IRRD beoordelen of een verzekeraar een VCP moet opstellen. DNB komt dus op basis van de gegeven criteria tot een selectie van ondernemingen die onder het nieuwe kader verplicht herstelplanning moeten doen. Daarbij zijn kleine en niet-complexe ondernemingen in beginsel uitgezonderd van de verplichting, tenzij DNB van oordeel is dat een individuele onderneming nationaal of regionaal een bijzonder risico vormt. DNB kan daarnaast op grond van artikel 4, eerste lid, IRRD, dat wordt geïmplementeerd in artikel 3:57c, derde lid, besluiten dat vereenvoudigde verplichtingen ten aanzien van voorbereidende crisisplanning gelden voor een verzekeraar. Artikel 3:57c, eerste lid, verwijst naar het eerste lid van artikel 5 IRRD, waardoor geregeld wordt dat een verzekeraar die deel uitmaakt van een groep die al is onderworpen aan de verplichting om een voorbereidend groepscrisisplan op te stellen, niet nog een apart eigen VCP hoeft op te stellen, tenzij DNB op grond van artikel 3:288i1, tweede en derde lid, anders oordeelt.
Via de bestaande delegatiegrondslag in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, kunnen materiële voorschriften voor dit VCP worden voorgeschreven bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. In paragraaf 4.3a van het Bpr zal nadere uitwerking worden gegeven aan de regels omtrent een VCP.
Met dit onderdeel wordt geregeld dat DNB van een uiteindelijke moederonderneming kan vereisen dat zij een voorbereidend groepscrisisplan opstelt, waarin maatregelen staan beschreven op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming en de afzonderlijke dochterondernemingen. De algemene verplichting om een voorbereidend groepscrisisplan te hebben volgt voor alle groepen onder toezicht van DNB ook al uit artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder 4, gelezen in samenhang met artikel 3:288h, eerste lid. DNB beoordeelt voor alle groepen onder haar toezicht of een voorbereidend groepscrisisplan nodig is. Dit artikel noemt tevens dat samenwerking tussen DNB en de groepstoezichthouder plaatsvindt voor Nederlandse rechtspersonen die binnen een groep vallen die gevestigd is in de Europese Unie, zodat DNB erop kan toezien dat de belangen van Nederlandse polishouders beschermd zijn. Verdere details over de samenwerking worden geregeld met de Rtt Wft.
Ten aanzien van een voorbereidend groepscrisisplan geldt ook dat DNB kan toestaan dat vereenvoudigde verplichtingen van toepassing zijn, zoals beschreven in artikel 4 IRRD. In paragraaf 4.3a van het Bpr zal nadere uitwerking worden gegeven aan de regels omtrent een voorbereidend groepscrisisplan. Daartoe is een delegatiegrondslag opgenomen in artikel 3:288i1, vijfde lid.
Met dit onderdeel wordt een aantal definities toegevoegd aan artikel 3A:77 en worden enkele daarin reeds opgenomen definities gewijzigd. De toegevoegde definities worden vaker gebruikt in hoofdstuk 3A.2 over de afwikkeling van verzekeraars. Zij worden niet toegevoegd aan artikel 1:1, omdat onderscheid tussen vergelijkbare definities in de context van herstel en afwikkeling van banken in hoofdstuk 3A.1, die voortvloeien uit de richtlijn herstel en afwikkeling van banken, dient te worden gemaakt of omdat zij om andere redenen in artikel 1:1 niet nodig of passend zijn. De toegevoegde en gewijzigde definities bevatten vaak dynamische verwijzingen naar de IRRD of naar de richtlijn solvabiliteit II33 om zo nauw mogelijk daarbij aan te sluiten. Enkele definities worden hieronder uitgelicht en besproken.
Eigendomsinstrumenten: deze definitie wordt anders geformuleerd dan in de IRRD en daarom wordt niet gekozen voor een dynamische verwijzing. De reden hiervoor is dat de definitie van eigendomsinstrument ook van toepassing moet zijn op alle type rechtsvormen van verzekeraars die Nederland kent. Zo zijn onder andere ‘participaties’ en ‘lidmaatschapsrechten’ toegevoegd aan de definitie. De bestaande definitie van eigendomsinstrumenten in artikel 3A:77 Wft wordt met dit wetsvoorstel uitgebreid door rechten op certificaten van aandelen of rechten op deelnemingsrechten en participaties toe te voegen aan de opsomming. De artikelsgewijze toelichting van de Wet NUB bij artikel 3A:1 biedt hier ook verdere verduidelijking.34
Entiteit voor activa en passiva beheer: deze definitie wordt nieuw toegevoegd en bevat een dynamische verwijzing. Bij de terminologie is aansluiting gezocht bij de bestaande tekst van de Wft, die is vastgesteld met de inwerkingtreding van de Whav. Om die reden wordt ‘entiteit voor activa en passiva beheer’ gebruikt daar waar in de IRRD ‘vehikel voor activa en passiva beheer’ wordt genoemd.
Afwikkelingsmaatregel: met de wijziging van het begrip afwikkelingsmaatregel wordt nu ook de bevoegdheid tot het nemen van een besluit tot afwikkeling op basis van de artikelen 3A:85, 3A:86 of 3a:87 toegevoegd, naast de al bestaande verwijzing naar een afwikkelingsinstrument en -bevoegdheid als bedoeld in hoofdstuk 3A.2.
Entiteit in afwikkeling: deze definitie verwijst naar de term opgenomen in de IRRD. Met de aanduiding ‘entiteit in afwikkeling’ in een artikel van dit wetsvoorstel wordt de entiteit bedoeld die door DNB in resolutie wordt genomen en de entiteiten die in die afwikkeling betrokken worden. Dat kunnen de entiteiten zoals opgesomd in artikel 3A:78 Wft betreffen. Welke exacte entiteiten worden bedoeld hangt af van de context van het artikel waarin het wordt gebruikt.
Groep: de term ‘groep’ betekent op basis van de huidige definitie in artikel 3A:77 een richtlijngroep (als gedefinieerd in artikel 1:1) waarvan een verzekeraar met zetel in Nederland onder toezicht van DNB onderdeel uitmaakt. In lijn met de IRRD, wordt deze definitie gewijzigd zodat deze verwijst naar het groepsbegrip van artikel 212, eerste lid, onderdeel c), van de richtlijn solvabiliteit II. Dat begrip is ruimer dan de huidige definitie en ziet op, kort gezegd, entiteiten die op een bepaalde wijze met elkaar verbonden zijn, ongeacht of daarvan een verzekeraar deel uitmaakt en ongeacht of daarop groepstoezicht van toepassing is in overeenstemming met artikel 213 van de richtlijn solvabiliteit II. De term groep kan conform haar betekenis in de richtlijn solvabiliteit II ook betrekking hebben op een kleinere groep (ook wel genoemd subgroep) die onderdeel is van een ruimere groep. Waar de term groep gebruikt wordt, hangt het van de context af of daaronder ook subgroepen begrepen dienen te worden.
Kritieke functies: zoals al vermeld in het algemene deel van deze toelichting, wordt hiervoor omwille van harmonisatie aangesloten bij de definitie in de IRRD, maar is terughoudendheid geboden met een brede interpretatie van dit begrip en dient de focus te liggen op het bieden van verzekeringsdekking.
Verkrijger: er is aansluiting gezocht bij de bestaande tekst van de Wft, die is vastgesteld met de inwerkingtreding van de Whav. Om die reden wordt ‘verkrijger’ gebruikt in de Wft daar waar ‘ontvanger’ in de IRRD wordt genoemd.
Artikel 3A:78 bepaalt de reikwijdte van hoofdstuk 3A.2. De bevoegdheden die aan DNB worden toegekend in dit hoofdstuk, kunnen worden toegepast op hoofdzakelijk de entiteiten genoemd in artikel 3A:78. Dat betekent overigens niet dat de werking van de bepalingen in dit hoofdstuk overal beperkt is tot deze soorten entiteiten. Zo beschikt DNB op grond van artikel 3A:79b ook over afwikkelingsbevoegdheden ten aanzien van andere moederondernemingen dan die genoemd in 3A:78 en gelden de uitsluiting van bepaalde contractuele voorwaarden op grond van artikel 3A:80c (voorheen artikel 3A:128) en bevoegdheden van DNB op grond van artikel 3A:111a tot het verplichten van bepaalde samenwerking ook voor andere entiteiten in de groep.
Met de implementatie van de IRRD wordt de formulering van het bestaande artikel 3A:78 aangepast, om de reikwijdte in lijn te brengen met wat vereist wordt door artikel 1, eerste lid, van de IRRD en om gewijzigde of toegevoegde definities te reflecteren. Hieronder worden de nieuwe reikwijdte en belangrijkste verschillen met de oude reikwijdte toegelicht.
Onder het bestaande onderdeel a vallen alle verzekeraars met zetel in Nederland die onder toezicht van DNB staan. Daaronder vallen ook verzekeraars van beperkte risico-omvang. Dat zijn verzekeraars die ingevolge artikel 4, 7 of 10 van de richtlijn solvabiliteit II zijn uitgesloten van het toepassingsgebied daarvan en geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om een vergunning aan te vragen of te behouden.35 Onder artikel 1, eerste lid, onderdeel a, IRRD vallen echter alleen verzekeraars met een vergunning onder artikel 14 van de richtlijn solvabiliteit II die in de Unie zijn gevestigd en binnen het toepassingsgebied van artikel 2 van die richtlijn vallen (hierna: ‘SII-verzekeraars’). Ten behoeve van flexibiliteit in onvoorziene situaties, is gekozen om de huidige reikwijdte te behouden, dus inclusief verzekeraars met beperkte risico-omvang. Praktisch leidt dit nagenoeg niet tot verschillen, omdat voor deze categorie verzekeraars het antwoord op de vraag of afwikkeling daarvan in het algemeen belang is (zoals bedoeld in artikel 3A:85) doorgaans negatief zal zijn. Bovendien worden verzekeraars met beperkte risico-omvang, in lijn met het bestaande kader, uitgezonderd van doorlopende lasten zoals het opstellen van voorbereidende crisisplannen en afwikkelingsplanning. Daarbij worden van verzekeraars met beperkte risico-omvang geen bijdragen geheven ten behoeve van de financieringsregeling in artikel 3A:138 Wft.
Moederondernemingen van SII-verzekeraars bestaan uit drie soorten entiteiten die elkaar niet overlappen: verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings en gemengde verzekeringsholdings, elk zoals nader gedefinieerd in de richtlijn solvabiliteit II.36 Onder het bestaande artikel 3A:78 vallen alle drie de soorten moederondernemingen (zie onderdelen b, c en d). Onder artikel 1, eerste lid, IRRD vallen de verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings wel onder de reikwijdte, maar valt de categorie gemengde verzekeringsholdings in beginsel niet onder de reikwijdte.37 Voorgesteld wordt om de reikwijdte van artikel 3A:78 op dit punt aan te passen aan artikel 1 IRRD, waardoor gemengde verzekeringsholdings niet meer onder de reikwijdte vallen. Het bestaande onderdeel d, ‘gemengde financiële holdings die deel uitmaken van een groep’, komt daarom niet meer terug in het nieuwe artikel 3A:78. Dit heeft naar verwachting geen noemenswaardige gevolgen voor de afwikkelingsplanningspraktijk.
Onder het bestaande artikel 3A:78 vallen alleen de genoemde moederondernemingen voor zover zij deel uitmaken van een groep waarvan ook een verzekeraar met zetel in Nederland onder toezicht van DNB deel uitmaakt. Deze beperking vervalt als gevolg van de implementatie van IRRD. Op grond van IRRD moeten immers ook Nederlandse verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings in resolutie genomen kunnen worden die geen moederonderneming zijn van een Nederlandse SII-verzekeraar, maar van een SII-verzekeraar in een andere lidstaat.
In de IRRD wordt de term aanbieders van essentiële diensten gebruikt voor groepsentiteiten die goederen of diensten aanbieden aan de verzekeringsonderneming en die nodig zijn om de continue verrichtingen van de onderneming in stand te houden of om de continuïteit van de verzekeringsdekking te waarborgen.38 Op basis van artikel 45, tweede lid, IRRD horen afwikkelingsautoriteiten over de nodige bevoegdheden te beschikken om een dergelijke aanbieder in staat te stellen de diensten voort te zetten nadat er een afwikkelingsmaatregel is genomen. Blijkens recital 46 van de IRRD kan de voortzetting van deze diensten gewaarborgd worden door DNB de mogelijkheid te geven om afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen jegens deze entiteiten, zoals dat onder de Whav kon ten aanzien van ondernemingen die diensten van kritiek belang verrichten (bestaande tekst onderdeel e). Daarom is ervoor gekozen om de aanbieders van essentiële diensten onder de reikwijdte van 3A:78 te brengen in onderdeel d.
Zoals reeds beschreven in het bestaande onderdeel f van artikel 3A:78 Wft, vallen in Nederland gelegen bijkantoren van verzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is (niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang) onder de reikwijdte van Hoofdstuk 3A.2. Artikel 1, lid 1, onderdeel f, IRRD bevat ook dergelijke entiteiten. Er is voor gekozen om de omschrijving van ‘Uniebijkantoren in Nederland’ te gebruiken voor deze entiteiten in 3A:78, onderdeel e. De reden hiervoor is dat in de definitie omschrijving in de IRRD, artikel 2, onderdeel 73, ‘Uniebijkantoor van een onderneming van een derde land’ luidt, waarbij vereist is dat deze is gevestigd in een lidstaat. Ten behoeve van dit wetsvoorstel maakt daarom ‘Uniebijkantoren in Nederland’ onderdeel uit van 3A:78, onderdeel e.
Naast de hierboven besproken moederondernemingen, bevat de reikwijdtebepaling van artikel 1, eerste lid, IRRD, ook nog de in de Unie gevestigde moederverzekerings- en herverzekeringsondernemingen (onderdeel b), moederverzekeringsholdings in een lidstaat en gemengde financiële moederholdings in een lidstaat (onderdeel d) en Uniemoederverzekeringsholdings in een lidstaat en gemengde financiële Uniemoederholdings (onderdeel e). Hoewel een definitie en nadere duiding van de term moederverzekerings- en herverzekeringsonderneming (onderdeel b) ontbreekt, lijkt het te gaan om SII-verzekeraars die ook een moederonderneming zijn. Nu deze verzekeraars al vervat zijn in de verzekeraars bedoeld in artikel 3A:78, onderdeel a, behoeft deze categorie (onderdeel b van artikel 1, eerste lid, IRRD) geen separate implementatie. Hetzelfde geldt voor de andere genoemde soorten entiteiten (onderdelen d en e). Uit hun definities in artikel 2 IRRD blijkt dat die entiteiten altijd een verzekeringsholding of gemengde financiële holding zijn, die al vervat zijn in artikel 3A:78, onderdelen b en c, zoals gewijzigd. Daarom behoeven ook onderdelen d en e van artikel 1, eerste lid, IRRD geen separate implementatie.
Artikel 3A:78 ziet op de reikwijdte van hoofdstuk 3A.2. Dit artikel bevat een andere indeling en formulering dan artikel 1, eerste lid, IRRD. In dit wetsvoorstel wordt vaak dynamisch verwezen naar artikelen in de IRRD. Die artikelen verwijzen weer naar artikel 1, eerste lid, IRRD of onderdelen daarvan. Wanneer in een artikel, dat zal landen in de Wft, dynamisch wordt verwezen naar een artikel uit de IRRD, dan is de reikwijdte van het artikel uit de IRRD leidend. Echter, wanneer met dit wetsvoorstel een bredere reikwijdte wordt beoogd dan het betreffende artikel uit de IRRD, dan zal er in dat artikel verwezen worden naar artikel 3A:78 en de specifieke onderdelen daarvan. Blijft een verwijzing naar 3A:78 in combinatie met een dynamische verwijzing uit, dan is dus de reikwijdte bedoeld in het artikel uit de IRRD leidend. Deze uitleg wordt van belang geacht, omdat artikel 3A:78 op twee onderdelen een ruimere reikwijdte heeft dan de IRRD: i) verzekeraars met beperkte risico-omvang vallen binnen de reikwijdte omdat zij ook vallen onder artikel 3A:78, onderdeel a (zie toelichting onder ‘Verzekeraars’ in dit onderdeel); en ii) aanbieders van essentiële diensten zijn toegevoegd als onderdeel d, ter implementatie van artikel 45 IRRD.
Met dit onderdeel worden twee artikelen ingevoegd, die de uitwerking van afwikkelingsmaatregelen in andere landen in Nederland regelen.
Artikel 3A:79a vormt een uitwerking van artikel 46 IRRD. Het is van gelijke strekking als het equivalente artikel in deel 3A.1, namelijk artikel 3A:4 Wft. Artikel 46, eerste lid, IRRD regelt de erkenning en tenuitvoerlegging van een besluit tot overgang. Artikel 46, vierde lid, IRRD regelt de erkenning en tenuitvoerlegging van een besluit tot bail-in. Een nationale wetgever heeft het niet in zijn macht te bepalen dat een in zijn eigen land genomen besluit tot overgang moet worden erkend en ten uitvoer moet worden gelegd in een ander land. Hij kan slechts bepalen dat een in een ander land genomen besluit in zijn eigen land wordt erkend en ten uitvoer gelegd. Dat is dan ook wat wordt geregeld in artikel 3A:79a. Voor een toelichting bij het tweede lid, wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de Implementatiewet Europees kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.39
Dit nieuwe artikel voorziet in de erkenning, handhaving en tenuitvoerlegging door DNB van afwikkelingsmaatregelen van afwikkelingsautoriteiten van landen buiten de Europese Unie, of de mogelijkheid daartoe juist niet over te gaan. Artikel 3A:79b vormt een implementatie van de artikelen 76 en 77 IRRD. Ingevolge het voorgestelde eerste en tweede lid van artikel 3A:79b kan DNB een afwikkelingsmaatregel van een autoriteit van een derde land met betrekking tot een verzekeraar met een zetel in Nederland die een dochteronderneming is van een onderneming van een derde land, een Uniebijkantoor in Nederland of een moederonderneming zo nodig uitvoeren en handhaven als ware het besluiten van DNB zelf. Voor wat betreft de eerste categorie genoemde entiteiten in artikel 3A:79b, wordt de definitie van Uniedochteronderneming toegevoegd aan artikel 3A:77 om aan te sluiten bij de IRRD. In het derde lid wordt gevolg gegeven aan artikel 76, vijfde lid, van de richtlijn, waarin is bepaald dat erkenning en handhaving van afwikkelingsprocedures van een autoriteit in een derde land geen afbreuk doen aan nationale insolventieprocedures. Dat wil zeggen dat ongeacht erkenning van afwikkelingsmaatregelen van afwikkelingsautoriteiten van landen buiten de Europese Unie, DNB ook zelf faillissement kan aanvragen. Het spreekt voor zich dat een dergelijke erkenning en handhaving evenmin afbreuk doen aan de bevoegdheden van de minister van Financiën opgenomen in Deel 6.
DNB kan op basis van het voorgestelde artikel 3A:79b, vierde lid, weigeren om over te gaan tot erkenning en tenuitvoerlegging van een afwikkelingsmaatregel van een afwikkelingsautoriteit van een derde land, indien zij van oordeel is dat sprake is van één of meer van de situaties genoemd in artikel 77 IRRD. Het gaat dan bijvoorbeeld om de situatie dat de gevolgen van een dergelijke afwikkelingsmaatregel een bedreiging vormen voor de financiële stabiliteit in Nederland of een andere lidstaat, of dat de erkenning en tenuitvoerlegging in strijd zou zijn met het Nederlands recht.
Met dit onderdeel worden enkele aanpassingen gedaan aan artikel 3A:80. Artikel 3A:80 Wft heeft in algemene zin tot doel om te voorkomen dat afwikkelingsbesluiten zomaar verhinderd of belemmerd kunnen worden. Daarmee regelt het artikel het toepassingsgebied van een afwikkelingsbesluit ten opzichte van andere wet- en regelgeving. De leden 1 en 2 van artikel 3A:80 worden aangepast om beter aan te sluiten bij de formulering van artikel 42, derde lid, van de IRRD. De wijzigingen aan dit artikel zijn summier en om die reden wordt voor een verdere achtergrond van dit artikel verwezen naar de MvT van de Whav.40
Artikel 3A:80a wordt als nieuw artikel ingevoegd en dient ter implementatie van artikel 47, tweede lid IRRD. De bepaling betreft de verplichting van de entiteiten genoemd in artikel 3A:78, onderdelen a tot en met d, Wft om in bepaalde overeenkomsten contractuele bepalingen op te nemen waarin partijen de werking van het instrument van bail-in erkennen. De verplichting geldt ten aanzien van overeenkomsten ten aanzien van eigendomsinstrumenten, rechten of passiva die onder het recht van een staat die geen lidstaat is vallen of activa die zich in bevinden in een staat die geen lidstaat is. DNB kan verlangen dat de juridische afdwingbaarheid en de rechtsgeldigheid van deze contractuele bepalingen op basis van een juridisch advies wordt bevestigd door een onafhankelijke juridische deskundige. Er is voor gekozen deze verplichting wel voor verzekeraars met beperkte risico-omvang en aanbieders van essentiële diensten met een zetel in Nederland te laten gelden, maar niet voor Uniebijkantoren in Nederland (onderdeel e van 3A:78). Als deze laatste categorie er ook onder zou vallen, zou dat tot aanvullende regeldruk leiden voor buitenlandse partijen die in Nederland actief willen zijn. DNB heeft op grond van artikel 3A:87 de mogelijkheid om maatregelen te nemen tegen Uniebijkantoren in Nederland.
Uit de preambule bij de IRRD (overweging 62) volgt dat de contractuele bepalingen bedoeld in artikel 47 IRRD niet vereist zijn voor passiva die zijn vrijgesteld van de toepassing van het afschrijvings- of omzettingsinstrument, of wanneer het recht van het derde land of een met dat derde land gesloten bindende overeenkomst de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat in staat stelt haar afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden uit te oefenen. Dit is logisch, aangezien de contractuele bepalingen bedoeld zijn om ervoor te zorgen dat passiva in derde landen kunnen worden afgeschreven of omgezet en dat deze mogelijkheid wordt erkend. DNB dient hiermee rekening te houden in de handhaving van dit artikel en kan een dergelijke contractuele bepaling (of bijbehorende juridische opinie) niet vereisen voor contracten die zien op instrumenten die uitgezonderd zijn van afschrijving of omzetting waarbij het toepasselijke recht of een gesloten bindende overeenkomst DNB in staat stelt het instrument van bail-in toe te passen.
Artikel 3A:80b Wft wordt als nieuw artikel ingevoegd ter implementatie van artikel 52, eerste tot en met vierde lid IRRD. Dit artikel regelt dat bij het afsluiten van een financiële overeenkomst waarop het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is door entiteiten als bedoeld in artikel 3A:78 onderdelen a tot en met d Wft, contractuele bepalingen moeten worden opgenomen waarbij de partijen erkennen dat de financiële overeenkomst onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden door de Nederlandsche Bank op basis van de artikelen 3A:123 tot en met 3A:125 Wft en ermee instemmen dat zij gebonden zijn aan de vereisten van artikel 3A:80c Wft, welke artikelen dienen ter implementatie van de artikelen 48, 49, 50 en 51 IRRD. Omwille van lastenluwe implementatie, is ervoor gekozen om Uniebijkantoren niet onder de reikwijdte van dit artikel te brengen (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:80a hierboven).
Het tweede lid, op basis van artikel 52, tweede lid, IRRD, regelt dat DNB kan eisen dat een uiteindelijke moederonderneming met zetel in Nederland ervoor zorgt dat haar dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is contractuele bepalingen in financiële overeenkomsten opnemen waarin staat dat de uitoefening van de bevoegdheid door DNB tot opschorting of beperking van rechten niet leidt tot enige wijzigingen, opschorting of beëindiging, verrekening, uitoefening van rechten op saldering of uitwinnen van zekerheidsrechten met betrekking tot of van het contract. Het tweede lid van artikel 52 IRRD betreft een lidstaatoptie, die met het tweede lid van 3A:80b wordt geïmplementeerd. Van deze lidstaatoptie wordt gebruik gemaakt om de ordentelijke afwikkeling van een entiteit met een dochteronderneming buiten de Europese Unie niet te bemoeilijken. Aangezien de dochterondernemingen in derde landen niet onder de bevoegdheid van DNB vallen, kan DNB het opnemen van een dergelijke bepaling slechts bewerkstelligen door te eisen van de moederonderneming die wel onder haar bevoegdheid valt dat deze ervoor zorgt dat bedoelde bepaling in de door haar dochter gesloten overeenkomsten opneemt. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de dochter dus in de overeenkomst moet bedingen dat de uitoefening van een bevoegdheid van DNB jegens de moederonderneming geen grond is voor de wederpartij van een dochter om vroegtijdige beëindiging, opschorting, wijziging, verrekening, uitoefening van rechten op saldering of uitwinning van zekerheidsrechten met betrekking tot die contracten jegens de dochter te claimen. DNB heeft immers geen bevoegdheden jegens de dochter. Er wordt in dit lid ruimte gegeven aan DNB om de beoordeling te maken welke moederondernemingen dergelijke verplichtingen aan hun dochterondernemingen kunnen opleggen.
Het vierde lid bevat een overgangsregeling ten aanzien van de verplichtingen volgend uit artikel 3A:80b.
De inhoud van artikel 3A:128 Wft wordt verplaatst naar afdeling 3A.2.1. en wordt tevens gewijzigd ter implementatie van artikel 48 IRRD. Artikel 3A:80c, voorheen 3A:128 op basis van de Whav, komt inhoudelijk grotendeels overeen met de IRRD. Voor een algemene toelichting op dit artikel wordt dan ook verwezen naar de MvT van de Whav.41 In verband met het verplaatsen van het artikel en de te maken wijzigingen, is het gehele artikel herschreven als artikel 3A:80c Wft. Ten opzichte van het vervallen artikel 3A:128 Wft wordt de inhoud op een aantal punten gewijzigd. Hieronder worden de verschillen ten opzichte van het vervallen artikel 3A:128 Wft uiteengezet. Met de verplaatsing van het huidige artikel 3A:128 naar Afdeling 3A.2.1 wordt verduidelijkt dat de regels uit dit artikel ook van toepassing zijn als er geen sprake is van afwikkeling.
Op grond van artikel 48 IRRD moet worden bepaald dat crisispreventiemaatregelen, crisisbeheersingsmaatregelen en gebeurtenissen die rechtstreeks verband houden met de toepassing van voornoemde maatregelen, niet kwalificeren als zogeheten ‘trigger events’, een afdwingingsgrond in de zin van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten of een insolventieprocedure in de zin van de richtlijn 98/26/EG.
Het eerste lid ziet op crisispreventiemaatregelen en crisisbeheersingsmaatregelen, zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel 79 respectievelijk 80, IRRD, genomen door de Nederlandse toezichthouder of afwikkelingsautoriteit. Met betrekking tot dit eerste lid geldt dat een verwijzing naar artikel 3:57c Wft wordt opgenomen om de verwijzing naar het voorbereidend crisisplan volledig te maken.
Ter implementatie van artikel 48, derde lid, onderdeel a, IRRD, wordt ‘te salderen’ toegevoegd in onderdeel b, sub 3 en wordt ‘insolventieprocedure als bedoeld in de richtlijn 98/26/EG van het Europees parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen’ als nieuw onderdeel e toegevoegd aan de opsomming van het eerste lid ter implementatie van artikel 48, eerste lid, IRRD.
Voorts wordt er een vierde lid ingevoegd dat ter implementatie dient van het tweede lid van artikel 48 IRRD, waarmee wordt geborgd dat een erkende afwikkelingsmaatregel van een staat die geen lidstaat is ook wordt beschouwd als een crisisbeheersingsmaatregel zoals uit het eerste lid volgt. Daarnaast wordt in dit vierde lid bepaald dat de regels uit dit artikel van overeenkomstige toepassing zijn op crisispreventiemaatregelen en crisisbeheersingsmaatregelen van de toezichthouder of afwikkelingsautoriteit van een lidstaat. Daarmee is gewaarborgd dat ook dergelijke maatregelen niet kwalificeren als hierboven genoemde ‘trigger events’, afdwingingsgronden of insolventieprocedures.
Daarnaast wordt verduidelijkt in onderdeel d van het vijfde lid, in lijn met artikel 48, vierde lid, IRRD, dat een persoon het recht heeft wel over te gaan tot de handelingen genoemd in het eerste lid, zoals het recht om een overeenkomst te beëindigen, wanneer dit recht ontstaat als gevolg van een gebeurtenis die losstaat van de crisisbeheersingsmaatregel zelf die is genomen door de Nederlandsche Bank of een andere relevante afwikkelingsautoriteit. Dit blijkt ook al uit het huidige artikel 3A:128, eerste lid. Voor de toelichting daarbij wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de Whav.42
Met onderdeel YY wordt een verwijzing naar artikel 3A:80c opgenomen in artikel 3A:126, ter implementatie van artikel 48, vijfde lid, IRRD. Daardoor wordt een opschorting of beperking uit hoofde van dit artikel niet beschouwd als het niet nakomen van een overeenkomst.
Artikel 3A:80d vormt geen directe implementatie van een IRRD-bepaling, maar is nodig om het kader voor afwikkeling te laten aansluiten bij het Nederlandse vennootschapsrecht. Vanwege de zeggenschap die DNB bij inzet van afwikkelingsmaatregelen kan uitoefenen over een entiteit in afwikkeling, bestaat er behoefte aan duidelijkheid dat op DNB geen consolidatieplicht onder het Nederlandse jaarrekeningenrecht rust voor een entiteit in afwikkeling. Met dit nieuwe artikel wordt geregeld dat afdeling 13 van titel 9 van Boek 2 Burgerlijk Wetboek, met betrekking tot de geconsolideerde jaarrekening, niet van toepassing is op een entiteit die wordt ingezet voor de afwikkeling van een instelling.43 Dit betreft de rechtspersonen die tot taak hebben om de eigendomsinstrumenten in een andere overbruggingsinstelling, de entiteit in afwikkeling of een entiteit voor activa- en passivabeer te houden, een bijzondere bestuurder-rechtspersoon als bedoeld in artikel 3A:120 Wft en een SAA als bedoeld in artikel 3A:121a Wft. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.2 van de memorie van toelichting bij de Wet NUB44, waarmee een vergelijkbare bepaling in hoofdstuk 3A.1 Wft is geïntroduceerd.
De beschreven vrijstelling van de consolidatieplicht is niet van toepassing op de overbruggingsonderneming en de entiteit voor activa- en passivabeheer. Tot de activa van de entiteit in afwikkeling die met de inzet van een afwikkelingsinstrument op de in de voorgaande zin genoemde entiteiten overgaan, kunnen ook deelnemingen van de entiteit in afwikkeling behoren. Economische verbondenheid tussen deze overbruggingsinstelling of de entiteit voor activa- en passivabeheer en de rechtspersonen waarin zij deelnemingen verkrijgen, kan niet worden uitgesloten. Het is dan ook mogelijk dat een overbruggingsonderneming of de entiteit voor activa- en passivabeheer fungeert als groepshoofd van een nieuwe groep. Voor deze gevallen dient een consolidatieplicht niet bij voorbaat te worden uitgesloten.
Met het oog op consistentie met hoofdstuk 3A.1 Wft wordt, gelijkluidend aan artikel 3A:8 Wft ook in hoofdstuk 3A.2 voor verzekeraars een artikel ingevoegd dat de bevoegdheden ten aanzien van toezicht op de naleving volgend uit de Awb, van overeenkomstige toepassing verklaart op met afwikkeling belaste personen.
Dit onderdeel wijzigt Afdeling 3A.2.2. dat de artikelen over afwikkelingsplanning, de beoordeling van afwikkelbaarheid en maatregelen tegen wezenlijke belemmeringen voor afwikkeling bevat. Vanwege het aantal wijzigingen aan deze artikelen en de uitbreiding van de regels over groepsafwikkeling en introductie van vereenvoudigde verplichtingen, wordt deze afdeling integraal vervangen door een nieuwe tekst.
Artikel 3A:81 regelt de afwikkelingsplanning door DNB voor individuele verzekeraars en eventuele bepaalde andere entiteiten (in tegenstelling tot groepsafwikkelingsplanning, geregeld in artikel 3A:81a). De IRRD bevat nieuwe regels in artikel 9, eerste en tweede lid, die DNB moet toepassen om tot een selectie van verzekeraars te komen die zij onderwerpt aan afwikkelingsplanning. Deze regels worden niet individueel opgesomd in de Wft, maar worden in het eerste lid van artikel 3A:81 van toepassing verklaard via een dynamische verwijzing naar artikel 9, eerste en tweede lid van de IRRD. Zie de toelichting van deze regels in paragraaf 3.2.2. van het algemene deel.
Artikel 3A:81a dient ter implementatie van artikelen 10 en 11 IRRD over groepsafwikkelingsplannen. Voor groepen gelden vergelijkbare reikwijdtecriteria als voor de individuele verzekeraars (zie artikel 10, eerste lid, IRRD dat verwijst naar de regels uit artikel 9, tweede lid, IRRD, hierboven besproken). Indien DNB de groepsafwikkelingsautoriteit is, heeft zij de leiding bij het opstellen van het groepsafwikkelingsplan gezamenlijk optredend met de andere afwikkelingsautoriteiten die lid van zijn het afwikkelingscollege. Indien DNB geen groepsafwikkelingsautoriteit is, maar wel als afwikkelingsautoriteit lid is van het afwikkelingscollege voor een groep, neemt zij deel aan het opstellen van het groepsafwikkelingsplan, gezamenlijk optredend met de buitenlandse groepsafwikkelingsautoriteit en eventuele andere afwikkelingsautoriteiten die lid zijn van het afwikkelingscollege. Indien sprake is van een Nederlandse verzekeraar die onderdeel is van een groep waarvoor niet op basis van artikel 10 IRRD een groepsafwikkelingsplan is opgesteld door de relevante groepsafwikkelingsautoriteit, of nog niet een groepsafwikkelingsplan is vastgesteld conform artikel 17 IRRD, dan kan respectievelijk moet DNB op basis van het voorgestelde artikel 3A:81, derde lid, zelf een afwikkelingsplan voor deze Nederlandse verzekeraar en/of andere relevante groepsentiteiten, genoemd in 3A:78 Wft, opstellen.
De huidige systematiek van de Wft en gedelegeerde regelgeving is dat de bepalingen ten aanzien van inhoudelijke vereisten voor (groeps)afwikkelingsplannen, de frequentie en gronden voor herziening van de plannen op het niveau van de algemene maatregel van bestuur worden geregeld, namelijk het Bbpm. De delegatiegrondslag in artikel 3A:81 vervalt omdat de inhoud van hetgeen voorheen in het Bbpm werd geregeld al middels een dynamische verwijzing naar specifieke artikelen van de IRRD wordt geregeld. Er worden wel onderdelen in de Rtt Wft geïmplementeerd. Het betreft onder meer nadere (procedurele) vereisten voor taakuitoefening door DNB en de samenwerking met andere afwikkelingsautoriteiten (waaronder het nemen van gezamenlijke besluiten, artikel 17 IRRD).
De voorgestelde artikelen 3A:82 en 3A:82a vormen een implementatie van de artikelen 13 en 14 IRRD. Op grond van deze artikelen moet DNB de afwikkelbaarheid van een verzekeraar of groep beoordelen en brengt zij mogelijke belemmeringen voor afwikkelbaarheid in kaart. Voor de te doorlopen stappen en in acht te nemen beoordelingscriteria, wordt direct verwezen naar artikel 13 van de IRRD. Artikel 13 IRRD verwijst ook naar een bijlage bij de IRRD, waarin afwikkelbaarheidsdimensies zijn opgesomd die DNB dient te onderzoeken in het kader van haar beoordeling. Daarbij houdt zij rekening met de aard, omvang en complexiteit van de entiteit in kwestie.
Een verzekeraar of groep wordt geacht afwikkelbaar te zijn als het haalbaar en geloofwaardig is dat de verzekeraar of groepsentiteiten volgens de normale insolventieprocedure zullen worden geliquideerd of dat DNB de verzekeraar of groepsentiteiten (indien deze gemakkelijk en tijdig kunnen worden gescheiden) zal afwikkelen door toepassing van afwikkelingsinstrumenten en uitoefening van afwikkelingsbevoegdheden. De beoordeling door DNB of een afwikkelinstrument toegepast kan worden, dient in fasen te gebeuren. Kort samengevat, dient zij eerst een preferente maatregel te selecteren en deze vervolgens op haalbaarheid en geloofwaardigheid te beoordelen. DNB komt alleen toe aan deze stappen als de inzet van een afwikkelingsmaatregel noodzakelijk kan zijn in het algemeen belang, omdat een of meer afwikkelingsdoelstellingen die in het geding zijn via de normale insolventieprocedure niet in dezelfde mate bereikt kunnen worden.
Artikel 41, eerste lid, IRRD schrijft voor dat de relevante entiteiten waarop in het kader van afwikkeling het instrument van bail-in kan worden toegepast te allen tijde voldoende maatschappelijk kapitaal of andere tier 1-instrumenten aanhouden zodat die ondernemingen en entiteiten er niet van worden weerhouden voldoende nieuwe aandelen of eigendomsinstrumenten uit te geven om ervoor te zorgen dat de omzetting van passiva in aandelen of andere eigendomsinstrumenten daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit voorschrift om te allen tijde voldoende maatschappelijk kapitaal of andere tier 1-instrumenten aan te houden, moet niet worden geïnterpreteerd als de introductie van een (verkapt) nieuwe kapitaalsvereiste. Indien de entiteit voldoet aan de op haar van toepassing zijnde wettelijke verplichtingen (vennootschappelijke vereisten en kapitaalsvereisten uit hoofde van de richtlijn solvabiliteit II en deel 3 van de Wft) dan zou er sprake moeten zijn van ‘voldoende’ kapitaal als bedoeld in artikel 41, eerst lid IRRD.
Uit de beoordeling van de afwikkelbaarheid die DNB maakt op grond van de artikelen 3A:82 en 3A:82a kan voortvloeien dat er wezenlijke belemmeringen zijn voor de afwikkelbaarheid. In de artikelen 3A:83 en 3A:83a wordt een aantal verplichtingen voor de entiteiten in kwestie of de afwikkelingsautoriteit geregeld ten behoeve van het wegnemen van belemmeringen voor afwikkelbaarheid.
De voorgestelde aanpassingen aan artikel 3A:83 dienen de bestaande tekst meer in lijn te brengen met de IRRD. Er wordt een dynamische verwijzing naar de relevante bepalingen in de IRRD opgenomen ten aanzien van de maatregelen die kunnen worden genomen om belemmeringen weg te nemen of te verminderen en de procedures die gevolgd moeten worden. DNB kan bij dit proces gebruik maken van haar bestuursrechtelijke instrument van de formele aanwijzing om wezenlijke belemmeringen weg te nemen. Daarnaast kan zij voor de artikelen 3A:83 en 3A:83a Wft een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete opleggen. Zie hiervoor de wijzigingen aan de bijlagen bij de artikelen 1:79 en 1:80 Wft.
Er wordt een nieuw artikel 3A:83a voorgesteld ten aanzien van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van groepen, ter implementatie van artikel 16 IRRD. Dit proces rondom het wegnemen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van een groep wordt gedeeltelijk geregeld met dit wetsvoorstel, maar zal ook voor een groot deel worden uitgewerkt in de Rtt Wft, daar waar het de regels ten aanzien van grensoverschrijdende samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten betreft. De maatregelen en verplichtingen die op grond van artikel 15 IRRD ter beschikking staan om belemmeringen weg te nemen, zijn (conform de IRRD) ook beschikbaar ten aanzien van een moederonderneming of groepsentiteit onder toezicht van DNB.
Ter implementatie van artikel 4 IRRD wordt een artikel toegevoegd aan Afdeling 3A.2.2. Dit artikel verlangt dat DNB bepaalt of specifieke onderdelen uit de IRRD ten aanzien van onder meer afwikkelingsplanning en de beoordeling van afwikkelbaarheid op een vereenvoudigde wijze kunnen worden toegepast ten aanzien van een specifieke verzekeraar of groep. Daarvoor zijn een aantal factoren van belang, bijvoorbeeld haar bedrijfsactiviteiten, -bedrijfsstructuur, risicoprofiel en verwevenheid met andere gereguleerde ondernemingen of het financiële stelsel. Alle relevante factoren voor de beoordeling door DNB worden genoemd in artikel 4, eerste lid, IRRD. Ten aanzien van VCPs wordt artikel 4 IRRD al geïmplementeerd in artikelen 3:57c en 3:288i1. Dit artikel 3A:83b regelt de vereenvoudigde verplichtingen ten aanzien van de overige onderdelen van IRRD, waar artikel 4 IRRD op ziet.
DNB kan afwikkelingsmaatregelen nemen wanneer dat nodig is om de afwikkelingsdoelen geformuleerd in het aangepaste artikel 3A:84 te behalen. DNB neemt een entiteit in afwikkeling en past de instrumenten en bevoegdheden toe ter verwezenlijking van één of meer van die doelstellingen en kiest daarbij de maatregelen waarmee de doelstellingen die gezien de omstandigheden van het geval relevant zijn, het beste kunnen worden verwezenlijkt. DNB heeft daarbij de flexibiliteit, maar ook de verplichting om in een concreet geval te beoordelen welk gewicht iedere doelstelling gezien de aard en omstandigheden van dat geval dient te krijgen en op basis daarvan te besluiten welke bevoegdheden of instrumenten het meest geschikt zijn om die doelstelling(en) in dat concrete geval te verwezenlijken. Met dit artikel wordt nu dynamisch verwezen naar artikel 18 IRRD. In paragraaf 3.2.3 van het algemene deel van deze toelichting zijn de verschillen die hebben geleid tot aanpassingen met dit onderdeel al besproken.
De implementatie van artikel 19 IRRD leidt tot een aantal wijzigingen in het bestaande wettelijk kader. Artikel 19 IRRD en artikel 3A:85 bevatten de voorwaarden voor afwikkeling van een verzekeraar. Op basis van dit artikel moet DNB tot afwikkeling overgaan, in plaats van het faillissement van een verzekeraar aan te vragen, indien: (i) de verzekeraar faalt of waarschijnlijk zal falen, (ii) het redelijkerwijs niet valt te verwachten dat met betrekking tot de verzekeraar te nemen alternatieve maatregelen binnen een afzienbaar tijdsbestek het falen zouden voorkomen, en (iii) afwikkeling in het algemeen belang is. Er worden alleen wijzigingen aangebracht om de formulering dichter bij de IRRD te brengen, maar inhoudelijk vindt er geen koerswijziging plaats. Zo wordt ‘besluit tot afwikkeling’ vervangen door ‘neemt afwikkelingsmaatregelen’, wat door de wijziging van de definitie van afwikkelingsmaatregel in artikel 3A:77 echter dezelfde lading heeft. Door de gewijzigde definitie, waaraan een besluit tot afwikkeling als separaat element wordt toegevoegd, blijkt uit artikel 3A:85 duidelijker dat DNB ook eerst alleen tot afwikkeling zou kunnen besluiten, om pas later tot de daadwerkelijke inzet van afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden over te gaan.
Zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij de Whav, heeft deze bepaling een imperatief karakter. Indien aan de drie genoemde voorwaarden voor afwikkeling wordt voldaan, zal DNB een besluit tot afwikkeling moeten nemen. Als alleen de eerste twee voorwaarden voldaan zijn, dan moet DNB het faillissement aanvragen. Het staat DNB dus niet vrij de situatie nog even aan te kijken.
Voor de criteria die DNB dient te gebruiken om vast te stellen of een verzekeraar faalt of waarschijnlijk zal falen, wordt een extra onderdeel toegevoegd met dit wetsvoorstel. De IRRD schrijft voor dat ook sprake is van falen of waarschijnlijk zullen falen wanneer de verzekeraar inbreuk of waarschijnlijk inbreuk maakt op het in titel I, hoofdstuk VI, afdeling 5, van de richtlijn solvabiliteit II bedoelde minimumkapitaalvereiste, en er geen redelijk vooruitzicht is op herstel van de naleving. Dit criterium wordt ingevoegd als het eerste criterium voor de toets, zodat de volgorde van de criteria in artikel 3A:85, tweede lid, aansluit op die van artikel 19, vierde lid, IRRD. Ten aanzien van de andere criteria komen artikel 3A:85, tweede lid, en IRRD reeds grotendeels overeen en zijn slechts enkele kleine aanpassingen voorgesteld in lijn met de tekst van de IRRD.
Zoals ook toegelicht in paragraaf 3.2.3 van het algemeen deel van deze toelichting, leidt de implementatie van IRRD ertoe dat het collectieve belang van verzekeringnemers, begunstigden onder verzekering en indieners van vorderingen onder verzekering wel kan worden aangemerkt als een zelfstandige afwikkelingsdoelstelling, hetgeen onder het huidige kader niet het geval is. De IRRD laat de lidstaten hier geen ruimte om een eigen rangschikking te maken. In het kader van minimum harmonisatie wordt in artikel 18, derde lid, IRRD voorgeschreven dat alle vier de doelstellingen uit artikel 18, tweede lid, IRRD even belangrijk zijn. Dit komt tot uiting in artikel 3A:84 en in het derde lid van 3A:85 in dit wetsvoorstel. Zoals ook beschreven in de memorie van toelichting bij de Whav en in paragraaf 3.2.3 van het algemeen deel van deze toelichting, kan alleen worden overgegaan tot afwikkeling in resolutie als deze vorm van afwikkeling in het algemeen belang is. Dat is het geval als het ingrijpen noodzakelijk en evenredig is, gelet op de doelstellingen van afwikkeling vervat in artikel 3A:84, en of resolutie tot betere resultaten zou leiden dan een normale faillissementsprocedure. In de praktijk leidt dit tot een toets in twee stappen. Ten eerste moet ingeschat worden wat er zou gebeuren als er geen afwikkelingsmaatregelen worden genomen (een faillissementsscenario) en of dat in strijd zou zijn met het algemeen belang (i.e. dat een of meer afwikkelingsdoelstellingen niet verwezenlijkt zouden worden). Als ook in faillissement de afwikkelingsdoelstellingen voldoende verwezenlijkt zouden worden, is resolutie immers per definitie niet noodzakelijk om deze doelstellingen te verwezenlijken. Ten tweede, alleen als zonder afwikkelingsmaatregelen de afwikkelingsdoelstellingen onvoldoende verwezenlijkt zouden worden, moet ingeschat worden in hoeverre een of meer afwikkelingsmaatregelen de afwikkelingsdoelstellingen wél zouden kunnen verwezenlijken en daarmee evenredig zouden zijn. Voorheen gold dat het doel van bescherming van polishouders in samenhang diende te worden bezien met een ander doel genoemd in artikel 3A:84. Met de implementatie van de IRRD verandert dit en wordt de bescherming van de collectieve belangen van polishouders een zelfstandige doelstelling.
Artikel 19, vijfde lid, IRRD verwijst naar nationale verzekeringsgarantiestelsels. In Nederland is geen algemeen verzekeringsgarantiestelsel ingericht, maar in sommige andere lidstaten mogelijk wel. De IRRD voorziet ook niet in een geharmoniseerd kader voor (de oprichting van) verzekeringsgarantiestelsels.45 Indien sprake zou zijn van een concrete casus waarin een verzekeringsgarantiestelsel dekking biedt ten aanzien van polishouders van de falende verzekeraar, dan dient DNB die dekking mee te wegen bij haar beoordeling of afwikkeling in het algemeen belang is. Het zal dan tot de inrichting van een algemeen verzekeringsgarantiestelsel vooral relevant zijn als een groepsentiteit is aangesloten bij een verzekeringsgarantiestelsel in een ander land. Nederland kent wel het Waarborgfonds Motorverkeer, conform de richtlijn betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid bij motorrijtuigen. Dit geldt strikt genomen ook als een verzekeringsgarantiestelsel onder de IRRD. De aanwending ervan is echter beperkt tot specifieke situaties.
Het in dit voorgestelde artikel 3A:85a vormt de implementatie van artikel 63, eerste lid, IRRD. Daarin is een meldingsplicht opgenomen voor de bestuurlijke, beleidsbepalende of toezichthoudende organen van de entiteiten die onder de reikwijdte vallen. Zodra een van deze organen constateert dat sprake is van falen of waarschijnlijk falen van de onderneming, dan dient zij dit te melden aan DNB. Een dergelijke melding is alleen zinvol als deze DNB zo snel mogelijk bereikt. Het ligt daarom in de rede dat deze melding onverwijld geschiedt nadat het betreffende orgaan constateert dat sprake is van falen of waarschijnlijk falen. DNB zal vervolgens ook zelf vaststellen of sprake is van falen of waarschijnlijk falen op basis van artikel 3A:85, tweede lid. Deze meldplicht is aanvullend op bestaande meld- en kennisgevingsverplichtingen uit de Wft, zoals die in artikel 3:29 Wft. Gelet op de bevoegdheid van DNB opgenomen in het voorgestelde artikel 3A:87, wordt in het voorgestelde artikel 3A:85a ook verwezen naar Uniebijkantoren (sub e van artikel 3A:78). Deze meldplicht waarborgt dat DNB op de hoogte is van het falen of bijna falen, waarna ze kan beoordelen of aan de voorwaarden genoemd in artikel 3A:87 en artikel 78 IRRD is voldaan.
Met de voorgestelde wijziging van dit artikel 3A:86 wordt artikel 20 IRRD geïmplementeerd, waarmee groepsafwikkeling door DNB wordt geregeld. In de context van artikel 3A:86 wordt daarmee bedoeld het nemen van afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van (ook) andere entiteiten als bedoeld in 3A:78 Wft dan verzekeraars.
Het bestaande artikel 3A:86 ziet op ‘afwikkeling van de groep’. Een groep betreft een verzameling entiteiten die niet als zodanig als geheel in resolutie kan worden genomen. Afwikkeling van de groep betekent dus dat DNB resolutiemaatregelen neemt ten aanzien een verzekeraar en een of meer andere groepsentiteiten genoemd in artikel 3A:78. Artikel 20 IRRD richt zich accurater op afwikkeling van (soorten) entiteiten als genoemd in artikel 1, eerste lid, IRRD, maar komt daarmee grofweg op hetzelfde neer. Zoals toegelicht bij artikel 3A:78 betreffen die entiteiten verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings en – ter implementatie van artikel 45, tweede lid, IRRD – aanbieders van essentiële diensten.
Evenals het bestaande artikel 3A:86, bevat artikel 20 IRRD twee grondslagen voor groepsafwikkeling. Implementatie van artikel 20 IRRD in artikel 3A:86, leidt tot enkele wijzigingen in de bestaande grondslagen maar laat de systematiek daarvan grotendeels in stand.
De eerste grondslag voor groepsafwikkeling, vervat in artikel 3A:86, eerste lid, wordt gewijzigd om deze meer in lijn te brengen met artikel 20, eerste lid, IRRD. Niet langer is vereist dat zowel een verzekeraar als een moederonderneming van de verzekeraar aan de drie afwikkelingsvoorwaarden bedoeld in artikel 3A:85 eerste lid, voldoet, voor afwikkeling van een of meer van de in artikel 3A:78 bedoeld groepsentiteiten. Onder de gewijzigde grondslag kan DNB afwikkelingsmaatregelen nemen ten aanzien van een dergelijke entiteit indien deze zélf op overeenkomstige wijze aan de drie afwikkelingsvoorwaarden van artikel 3A:85, eerste lid, voldoet. Dat betekent dat voor groepsafwikkeling op deze grondslag strikt genomen niet langer is vereist dat een verzekeraar aan de afwikkelingsvoorwaarden voldoet. Aangenomen mag echter worden dat dat doorgaans wel het geval zal zijn. Het algemeen belang van afwikkeling van de groepsentiteit zal immers vaak gelegen zijn in de meerwaarde die dat heeft voor afwikkeling van een falende of waarschijnlijk falen zullende verzekeraar. Door implementatie van de IRRD, kan het hierbij ook gaan om een verzekeraar in een andere lidstaat.
De drie afwikkelingsvoorwaarden vervat in artikel 19 IRRD en geïmplementeerd in artikel 3A:85, zijn geschreven voor verzekeraars. Overeenkomstige toepassing daarvan op andere entiteiten is niet altijd eenvoudig. Daarom over de eerste en derde voorwaarde hieronder nog een opmerking.
De eerste afwikkelingsvoorwaarde is dat is vastgesteld dat de verzekeraar faalt of waarschijnlijk zal falen, waarvoor vijf alternatieve criteria zijn opgenomen in artikel 3A:85, tweede lid (deels toegelicht bij artikel 3A:85). Waar voor een verzekeraar naar verwachting vooral het eerste of tweede criterium van belang is (artikel 3a:85, tweede lid, onderdelen a en b), zullen voor andere entiteiten, die doorgaans geen vergunning en kapitaalseis hebben, naar verwachting vooral het derde en vierde criterium van belang zijn.46 Voor aanbieders van essentiële diensten volgen deze criteria tevens uit artikel 45, tweede lid, IRRD.
De derde afwikkelingsvoorwaarde betreft de algemeen-belang-toets, zoals ingevuld in artikel 3A:85, derde lid, en nader toegelicht in paragraaf 3.2.3 van het algemene deel van deze toelichting en in de artikelsgewijze toelichting op artikel 3A:85 hierboven. Indien mogelijk groepsafwikkeling aan de orde is, kan deze toets verricht moeten worden ten aanzien van meerdere verzekeraars of andere entiteiten als bedoeld in artikel 3A:78. Het ligt dan in de rede om de meerwaarde van mogelijke afwikkelingsmaatregelen op die entiteiten in samenhang te beschouwen, niet voor elke entiteit individueel. Het doel van groepsafwikkeling is immers juist mede gelegen in een gecoördineerde inzet van afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van meerdere entiteiten.
Het tweede lid bevat een tweede, alternatieve, grondslag voor groepsafwikkeling. Deze wordt omwille van de harmonisatie en een gelijk speelveld gewijzigd om dynamisch te verwijzen naar de voorwaarden van artikel 20, derde lid, IRRD. Ook onder die voorwaarden moet er ten eerste sprake zijn van een verzekeraar die aan de drie afwikkelingsvoorwaarden voldoet. In tegenstelling tot de bestaande grondslag in artikel 3A:86, tweede lid, kan het hierbij ook gaan om een verzekeraar in een andere lidstaat dan Nederland. De term ‘verzekerings- of herverzekeringsdochterondernemingen’ in artikel 20, derde lid, onderdeel a, impliceert dat het moet gaan om een verzekeraar die ook een dochteronderneming is. Dat is te begrijpen doordat de overige entiteiten genoemd in artikel 1, eerste lid, IRRD allen moederondernemingen zijn. Via artikel 3A:78 vallen binnen de reikwijdte van artikel 3A:86, tweede lid, echter ook aanbieders van essentiële diensten. Die zouden ook een dochteronderneming kunnen zijn van een falende verzekeraar die zelf geen dochteronderneming is. Aan dit mogelijke vereiste van artikel 20, derde lid, IRRD, moet daarom in artikel 3A:86, tweede lid, geen betekenis worden toegekend.
Ten tweede moet, evenals onder het bestaande artikel 3A:86, tweede lid, het falen van deze verzekeraar een bepaalde bedreiging vormen voor een andere verzekeraar in de groep (ook in een andere lidstaat) of de ‘groep als geheel’. De in artikel 20, derde lid, onderdeel b, ook genoemde mogelijkheid dat ‘in het kader van het insolventierecht van de lidstaat een verplichting bestaat om de groep te behandelen als een geheel’, is voor Nederland niet relevant. Artikel 20 IRRD voegt aan de vereiste ‘bedreiging’ toe dat deze moet voortvloeien uit de (aard van de) activa en passiva van de verzekeraar. Dat staat niet in het bestaande 3A:86, tweede lid, en gezien het doel van groepsafwikkeling ligt het in de rede die toevoeging niet als beperkend te interpreteren. Ook in IRRD wordt niet verduidelijkt hoe een groep ‘als geheel’ moet worden gezien. Gezien de definitie van het begrip groep, hierboven toegelicht bij artikel 3A:77, en het doel van groepsresolutie, ligt het in de rede daaronder ook groepen te begrijpen die een subgroep zijn.
Ten derde moet een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van de relevante groepsentiteit noodzakelijk zijn voor de afwikkeling van de verzekeraar of de groep als geheel. Het bestaande artikel 3A:86, tweede lid, bevat deze voorwaarde niet, hoewel uiteraard het algemene bestuursrechtelijke evenredigheidsbeginsel ook daarop van toepassing is. Het ligt in de rede deze nieuwe voorwaarde te zien als een alternatieve vorm van de algemeen-belang-toets en in lijn daarmee ruim uit te leggen.
Ten slotte geven de woorden ‘ook indien’ aan dat op deze tweede grondslag een beroep kan worden gedaan ongeacht de vraag of de relevante entiteit aan de drie afwikkelingsvoorwaarden voldoet, zoals vereist voor de eerste grondslag voor groepsafwikkeling vervat in artikel 3A:86, eerste lid. Nu het resultaat hetzelfde is, zou het immers weinig praktische meerwaarde hebben om te vereisen dat eerst aangetoond wordt dat een entiteit niet aan de drie afwikkelingsvoorwaarden voldoet, voordat een beroep op deze tweede grondslag voor groepsafwikkeling kan worden gedaan.
Het bestaande artikel 3A:87, dat de afwikkeling van bijkantoren van verzekeraars uit derde landen betreft, wordt met dit wetsvoorstel aangepast om de formulering beter te laten aansluiten bij de IRRD. Deze bijkantoren bieden verzekeringen aan in Nederland onder een vergunning verleend door DNB en staan ook onder toezicht van DNB. Zoals genoemd in de memorie van toelichting bij de Whav, is vermogensscheiding voorgeschreven voor dergelijke bijkantoren. Daardoor is het mogelijk dat DNB bepaalde bevoegdheden jegens de activa of passiva van dat bijkantoor uitoefent.47 Door middel van een dynamische verwijzing wordt bereikt dat DNB hiertoe overgaat in de gevallen genoemd in artikelen 78 IRRD en conform de voorwaarden genoemd in dat artikel.
In artikel 3A:88 is het no creditor worse off-beginsel wettelijk verankerd. Dit beginsel houdt in dat geen enkele aandeelhouder of schuldeiser grotere verliezen lijdt dan hij zou hebben geleden indien de entiteit in een normale faillissementsprocedure zou zijn geliquideerd. Met dit onderdeel Q worden de algemene beginselen van NCWO zoals neergelegd in artikel 22(1)(g) en 55 IRRD geïmplementeerd. De voorgestelde formulering van artikel 3A:88 codificeert duidelijker het algemene beginsel van NCWO.
In de uitwerking van het NCWO-beginsel in artikelen 55 en 57 IRRD, lijkt de minimumharmonisatie alleen te gelden voor aandeelhouders en schuldeisers die verliezen lijden in het kader van het afschrijven en omzetten van kapitaalinstrumenten of van gedeeltelijke overgang van activa en passiva. Uit artikel 22 en artikel 56 volgt echter een bredere toepassing, namelijk dat het NCWO-beginsel geldt voor alle schuldeisers en aandeelhouders. Dit sluit ook aan bij de memorie van toelichting bij de Whav48 en bij de inhoud van artikel 3A:91, vierde lid, en artikel 3A:138, derde lid, onderdeel a. Met dit wetsvoorstel wordt de bestaande inhoudelijke lijn gehonoreerd. Gezien de vergaande impact van afwikkelingsmaatregelen in het licht van het recht op ongestoord genot van eigendom zoals vastgelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 17 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, is een brede codificatie van het NCWO-beginsel ook passend.49 Het NCWO-beginsel dient conform artikel 22 IRRD gedurende het hele afwikkelingsproces in acht te worden genomen, en geldt als uitgangspunt bij de inzet van ieder individueel afwikkelingsinstrument. Voorafgaand aan het besluit om een entiteit in afwikkeling te nemen en de eerste afwikkelingsinstrumenten daarop toe te passen, zal DNB een NCWO-toets moeten verrichten. Indien gedurende de afwikkeling in resolutie op een later moment opnieuw een instrument moet worden ingezet, dan is dat een separaat besluit, waarvoor een nieuwe NCWO-toets moet worden gedaan.
Met ‘op het moment van het besluit tot afwikkeling’ wordt in dit artikel bedoeld het moment waarop het initiële besluit wordt genomen om de entiteit in resolutie te nemen. Dat initiële besluit is immers grofweg het moment waarop een faillissement zou zijn begonnen, indien DNB niet tot resolutie besloten had. Dat is dus de meest logische startdatum van het hypothetische faillissement waarmee resolutie moet worden vergeleken ten behoeve van het NCWO-beginsel.
Het NCWO-beginsel zal zoveel mogelijk in acht genomen moeten worden bij de keuzes die DNB als afwikkelingsautoriteit maakt om de afwikkelingsdoelstellingen te realiseren. Het kan echter voorkomen dat toch voor een bepaalde afwikkelingsmaatregel of pakket aan maatregelen wordt gekozen, hoewel een deel van de schuldeisers en aandeelhouders hierdoor meer verliezen lijdt dan in faillissement het geval zou zijn geweest. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als dit grotere verlies nodig was om de uiteindelijke doelstellingen van afwikkeling beter te kunnen verwezenlijken. Indien sprake is van een schending van het NCWO-beginsel en aandeelhouders en schuldeisers onverhoopt grotere verliezen lijden dan zij zouden hebben geleden in faillissement, dan past DNB de financieringsregeling uit artikel 3A:138 toe en krijgen zij het verschil gecompenseerd. Een dergelijke conclusie over NCWO wordt getrokken op basis van de waardering op grond van artikel 3A:91 Wft. Deze compensatiemogelijkheid is een waarborg, niet een instrument dat op voorhand kan worden aangewend. Het is dus geen vrijbrief om het instrument van bail-in of een ander instrument in het licht van genoemde grondrechten sneller te kunnen inzetten.
De wijzigingen aan artikel 3A:89 worden toegelicht bij het volgende onderdelen (R tot en met S) in verband met de inhoudelijke samenhang met artikel 3A:90 en 3A:91.
De Whav maakt onderscheid tussen een ex ante waardering (artikel 3A:89), een periodieke herwaardering (artikel 3A:90) en een ex post waardering (artikel 3A:91). Zie voor de achtergrond hierbij de memorie van toelichting bij de Whav.50
Met deze onderdelen worden de genoemde artikelen over waardering van passiva en activa van de entiteit in afwikkeling aangepast, ter implementatie van de artikelen 23 tot en met 25 en artikel 56 van de IRRD. Met het opnemen van dynamische verwijzingen in artikel 3A:89, eerste lid, van dit wetsvoorstel, wordt nauwer aangesloten bij de IRRD, om te waarborgen dat DNB als afwikkelingsautoriteit eenzelfde benadering en berekeningswijze volgt als afwikkelingsautoriteiten van andere lidstaten en zoals deze is uitgewerkt door EIOPA.
Het tweede lid van artikel 3A:89 vormt een uitwerking van artikel 23, vijfde lid. Daarin wordt bepaald dat beroep overeenkomstig artikel 67 IRRD tegen de in artikel 23, tweede en derde lid, IRRD bedoelde waarderingen uitsluitend mogelijk is samen met het besluit om een afwikkelingsinstrument toe te passen of een afwikkelingsbevoegdheid uit te oefenen.
De IRRD schrijft geen periodieke waardering als zodanig voor, waardoor artikel 3A:90 komt te vervallen. Het ligt echter nog steeds in de rede dat artikel 3A:89 zo wordt toegepast dat DNB bij toepassing van iedere afwikkelingsmaatregel haar besluit baseert op een voldoende actuele en daarmee realistische waardering.
Een waardering ten behoeve van het toepassen van afwikkelingsmaatregelen wordt voorgeschreven in artikel 3A:89, eerste lid. Daarnaast vindt ook een ex post waardering plaats na toepassing van de afwikkelingsmaatregel(en), op basis waarvan wordt gekeken of aandeelhouders en schuldeisers beter zouden zijn behandeld in faillissement. Deze waardering is en blijft geregeld in artikel 3A:91.
Aansluiting bij de IRRD-methodiek verdient de voorkeur omdat de IRRD ook voorwaarden stelt aan de ex post waardering en EIOPA technische standaarden zal ontwikkelen voor verdere uitwerking daarvan. Via een dynamische verwijzing in artikel 3A:91, eerste lid, wordt gewaarborgd dat door DNB deze voorwaarden en technische standaarden worden toegepast. Het voorgestelde tweede lid in 3A:91 komt inhoudelijk overeen met het oude vierde lid, maar sluit nauwer aan bij de formulering in de IRRD.
Onder het huidige kader is een deel van de waarderingsregels nader uitgewerkt in het Bbpm. Aangezien deze nadere regels vervangen worden door geharmoniseerde Europese standaarden, zal het Bbpm op dit punt aangepast worden. De delegatiegrondslagen in artikelen 3A:89 en 3A:91 blijven met dit wetsvoorstel wel behouden voor de toekomst.
Met dit onderdeel wordt artikel 3A:92 uitgebreid en worden een aantal algemene regels over de toepassing van afwikkelingsinstrumenten uit artikel 26, eerste, tweede en derde lid, IRRD geïmplementeerd. Los van de introductie van het nieuwe instrument van de solvabele run-off, leidt het nieuwe artikel 3A:92 niet tot noemenswaardige veranderingen. De bestaande bevoegdheden worden op een meer uitgebreide wijze opgenomen in de Wft.
DNB krijgt de expliciete bevoegdheid om de instrumenten uit Afdeling 3A.2.4. toe te passen. DNB kan zoals voorheen kiezen voor een combinatie van afwikkelingsinstrumenten, maar zij kan ook ieder afwikkelingsinstrument zelfstandig toepassen op een entiteit in afwikkeling, behalve het instrument van afsplitsing van activa of passiva, dat gecombineerd moet worden ingezet met een ander afwikkelingsinstrument. Dit volgt uit het voorgestelde artikel 3A:92, tweede lid, eerste zin, (in samenhang met artikel 3A:117, tweede lid) dat een implementatie vormt van artikel 26, derde lid, laatste alinea, IRRD. Het afwikkelingsinstrument van afsplitsing van activa of passiva moet altijd in combinatie met een ander instrument worden ingezet om een onterecht concurrentievoordeel voor de falende entiteit te vermijden. De uitwerking van het instrument van bail-in in artikel 35, eerste lid, IRRD suggereert dat bail-in niet zelfstandig kan worden toegepast met het doel de onderneming te herkapitaliseren om de vergunning te behouden. Om wetstechnische redenen zal de bepaling van artikel 3A:92, tweede lid, daarom mede moeten zijn gebaseerd op artikel 26, zevende lid, IRRD. Voor nadere uitleg wordt verwezen naar paragraaf 3.2.4 van het algemene deel van deze toelichting.
In de tweede zin van het voorgestelde artikel 3A:92, tweede lid, wordt bepaald dat DNB alle instrumenten meermaals kan toepassen op dezelfde onderneming in afwikkeling. Dit is mogelijk onder het huidige kader van de Whav. Artikel 28, vijfde lid, IRRD geeft deze mogelijkheid alleen voor de instrumenten van overgang van onderneming, de overbruggingsinstelling en afsplitsing van activa of passiva. Er wordt gekozen voor een ruimere toepassing, om de huidige mogelijkheden te behouden. Het kan immers voorkomen dat in een afwikkelingsscenario op verschillende momenten gedurende de afwikkeling toepassing van bail-in nodig wordt geacht. Zie hiervoor ook paragraaf 3.2.4 van het algemene deel van deze toelichting.
Met het derde lid wordt artikel 26, tweede lid, eerste alinea geïmplementeerd. Daarin wordt – kort gezegd – bepaald dat DNB ook vorderingen van aandeelhouders of andere schuldeisers moet afschrijven of omzetten indien met name verzekeringnemers gekort worden op hun rechten bij afwikkeling. Dit is in lijn met de benadering dat aandeelhouders de eerste verliezen lijden en dat de rangorde van schuldeisers in faillissement in omgekeerde volgorde moet worden toegepast. Bij de afwikkeling van een onderneming is bescherming van de collectieve belangen van verzekeringnemers en begunstigden een van de voornaamste doelstellingen. Schuldvorderingen uit hoofde van (her)verzekering mogen daarom alleen als ultiem redmiddel aan de toepassing van het afschrijvings- of omzettingsinstrument worden onderworpen, en afwikkelingsautoriteiten moeten zorgvuldig rekening houden met de gevolgen van een mogelijke afschrijving. Dit komt ook tot uiting in artikel 26, tweede lid, derde alinea, dat wordt geïmplementeerd in artikel 3A:92, vierde lid. Onder het kader uit de Whav was het al mogelijk om verzekeringnemers te onderwerpen aan bail-in, dus daarin verandert niets. De eisen die het nieuwe artikel 3A:92, vierde lid, daaraan stelt, liggen voor de hand indachtig de afwikkelingsdoelstellingen en leiden naar verwachting in praktijk ook niet tot andere keuzes van DNB in de afwikkelingsplanning.
In artikel 3A:93 wordt het instrument van bail-in als afwikkelingsinstrument voor DNB uiteengezet en wordt uitgelegd hoe dit instrument kan worden toegepast. Met dit onderdeel wordt de formulering van het artikel aangepast, om dit in lijn te brengen met de inhoud van artikel 35 IRRD. Daarmee wordt duidelijker dat met de komst van de IRRD het instrument kan worden ingezet voor de doeleinden (i) herkapitalisering van een entiteit als bedoeld in artikel artikel 3A:78 onderdelen a tot en met e, die aan de afwikkelingsvoorwaarden voldoet; en (ii) omzetting in eigen vermogen of verlaging van de hoofdsom van eigendomsinstrumenten of in aanmerking komende passiva, met inbegrip van schuldvorderingen uit hoofde van verzekering en schuldinstrumenten, inclusief in aanmerking komende passiva die zijn overgegaan op een overbruggingsinstelling of met het instrument van afsplitsing van activa of passiva of het instrument van overgang van de onderneming. De ontstane rechten of de bestaande rechten gaan door het besluit van DNB tot afwikkeling van rechtswege over op de nieuwe houder. Dit betreft een wettelijke wijze van rechtsverkrijging waarvoor geen leveringshandelingen door DNB of de verkrijger vereist zijn.
De formulering van onderdeel a in 3A:93, eerste lid, van het wetsvoorstel, is breder dan wat artikel 35, eerste lid, onderdeel a, IRRD voorschrijft, omdat herkapitalisering niet alleen ten behoeve van de solvabele run-off hoeft te geschieden, maar ook als zelfstandige doelstelling kan gelden bij het toepassen van dit instrument. Hier wijkt het wetsvoorstel bewust af van de IRRD en wordt gebruik gemaakt van de lidstaatoptie uit artikel 26, zevende lid, IRRD, met als doel om het bestaande instrumentarium te handhaven en – net als onder de Whav – een zelfstandige doorstart door middel van alleen herkapitalisatie na resolutie mogelijk te maken. Zie ook paragraaf 3.2.4 van het algemene deel van deze toelichting.
Onder het voorgestelde artikel 3A:93, eerste lid, kan het instrument van bail-in worden toegepast op alle kapitaalinstrumenten en alle passiva van een entiteit, tenzij deze zijn uitgesloten onder artikel 3A:94 (artikel 35, vijfde tot en met achtste lid, IRRD). Met dit wetsvoorstel wordt geen gebruik gemaakt van de lidstaatoptie in artikel 35, zesde lid, onderdeel a, IRRD. Het is dus in beginsel ook mogelijk om vorderingen uit hoofde van (her)verzekering te onderwerpen aan bail-in, behalve als deze expliciet zijn uitgesloten. Daarbij wordt het volgende opgemerkt. Bij de afwikkeling van een onderneming is bescherming van de collectieve belangen van verzekeringnemers, begunstigden en benadeelden een van de voornaamste doelstellingen. Schuldvorderingen uit hoofde van (her)verzekering mogen daarom alleen als ultieme redmiddel aan de toepassing van het afschrijvings- of omzettingsinstrument worden onderworpen, en DNB moet zorgvuldig rekening houden met de gevolgen daarvan.51
Net als onder het bestaande kader van de Whav, zal onder het aangepaste artikel 3A:93, eerste lid, de mogelijkheid bestaan om bij de overgang van passiva naar een overbruggingsinstelling door de toepassing van het instrument van bail-in, kapitaal aan die overbruggingsinstelling te verschaffen. Ditzelfde geldt voor een entiteit voor beheer van activa en passiva na toepassing van het instrument van afsplitsing van activa, of bij toepassing van het instrument van overgang van de onderneming op delen (passiva) van de entiteit in afwikkeling die zijn overgegaan naar een andere partij.52 Dit is immers één van de doelstellingen omschreven in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, IRRD. Opgemerkt wordt dat bail-in in combinatie met deze instrumenten ook kan plaatsvinden vóór het moment van overgang op de derde-verkrijger, overbruggingsinstelling of entiteit voor activa- en passivabeheer, hetgeen de hoofdregel van artikel 3A:93, eerste lid, Wft is. De passiva bevinden zich dan immers nog bij de entiteit in resolutie.
In het eerste lid, onderdeel b, van artikel 3A:93, Wft wordt opgenomen dat er omzetting in rechten op nieuw uit te geven eigendomsinstrumenten en tier 1-instrumenten kan plaatsvinden. Maar het is tevens mogelijk dat de bestaande aandelen op de houders van de rechten bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, onderdeel b, Wft (claimrechten) overgaan. De ontstane rechten geven in dat geval recht op de bestaande eigendomsinstrumenten en niet alleen op nieuw uit te geven eigendomsinstrumenten. Er is daarom gekozen om ‘nieuw uit te geven’ te schrappen uit onderdeel b ter verduidelijking dat DNB ook de bevoegdheid heeft om bestaande eigendomsinstrumenten te doen overgaan. Al naar gelang van toepassing van de bevoegdheid van artikel 3A:93, eerste lid, Wft kunnen de rechten waarin is omgezet ofwel recht geven op nieuw uit te geven dan wel bestaande tier 1-instrumenten of eigendomsinstrumenten.
Overigens geldt voor verzekeraars, net zoals bij banken, dat het ook mogelijk is dat DNB besluit dat de claimrechten meteen na hun totstandkoming worden omgezet in eigendomsinstrumenten of tier 1-instrumenten, op grond van artikel 3A:93 Wft. Ook gelden voor verzekeraars bij het besluit van DNB tot verlagen van de hoofdsom van eigendomsinstrumenten, door de toepassing van het instrument van bail-in, dezelfde vereisten als bij banken. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de MvT van de Wet NUB.53
Voor een toelichting op het doel en de werking van de stichting administratiekantoor afwikkeling (SAA) wordt verwezen naar het artikelsgewijs commentaar bij de artikelen 3A:96 en 3A:121a, Wft.
Het derde lid verklaart de artikelen 26, tweede lid, derde alinea, 35, eerste lid, tweede lid en negende lid, 36, eerste lid, laatste zin, en 37, IRRD van overeenkomstige toepassing. In deze artikelen wordt geregeld hoe de afwikkelingsautoriteiten de bevoegdheden met betrekking tot dit instrument moeten inzetten en bijvoorbeeld hoe aandeelhouders moeten worden behandeld. Door dynamische verwijzingen op te nemen, wordt zo dicht mogelijk aangesloten bij de IRRD omwille van zo veel mogelijk gelijke toepassing in Nederland als in andere lidstaten.
Artikel 3A:94 regelt welke vorderingen van bail-in worden of kunnen worden uitgesloten. Met dit onderdeel wordt artikel 3A:94 aangepast om artikel 35, vijfde tot en met achtste lid, IRRD nader te implementeren. Hoewel er al veel overlap is tussen artikel 3A:94 en de genoemde IRRD-bepalingen, is een aantal wijzigingen nodig. Omwille van de leesbaarheid wordt het nieuwe eerste lid van artikel 3A:94 integraal opgenomen in dit wetsvoorstel. Aan dat eerste lid wordt het volgende gewijzigd.
In het eerste lid wordt in de aanhef toegevoegd dat het niet uitmaakt of de uitgesloten vorderingen onder het recht van een lidstaat vallen of onder het recht van een staat die geen lidstaat is. Uitsluitingen ten aanzien van passiva, onder meer voor betalings- en afwikkelingssystemen, werknemers of handelscrediteuren, of preferente vorderingen, moeten niet alleen in de Unie, maar ook in derde landen van toepassing zijn. Artikel 3A:80a, dat een implementatie vormt van artikel 47, tweede lid, IRRD, zorgt ervoor dat voor passiva in derde landen die wel kunnen worden afgeschreven of omgezet door DNB of een andere afwikkelingsautoriteit, moet worden vastgelegd dat contractuele bepalingen die onder het recht van derde landen vallen, deze mogelijkheid erkennen. Dergelijke contractuele bepalingen zijn niet nodig voor passiva die zijn vrijgesteld van de toepassing van het instrument van bail-in.54
In het eerste lid wordt onderdeel b vervangen door een nieuw item. Waar onder de Whav elke verplichting die ontstaat doordat de entiteit activa of tegoeden van cliënten aanhoudt, was uitgesloten, wordt deze uitsluitingsgrond niet genoemd in artikel 35 IRRD. In de memorie van toelichting bij de Whav is niet toegelicht waarom deze specifieke verplichtingen zijn uitgesloten van bail-in onder de Whav. Bij gebrek aan duidelijkheid over de noodzaak van het bestaande onderdeel b en gelet op de inhoud van de IRRD, komt met dit wetsvoorstel het bestaande onderdeel b te vervallen. Daarvoor in de plaats wordt in onderdeel b de uitzondering van artikel 35, vijfde lid, onderdeel e, geïmplementeerd. Dat onderdeel strekt ertoe dat verplichtingen die voortvloeien uit de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven overeenkomstig Richtlijn 2009/103/EG, worden uitgesloten. Ten aanzien van het nieuwe onderdeel b wordt ook verwezen naar paragraaf 7.1 van deze toelichting.
Verder worden in het eerste lid, onderdelen c, d en f, aanpassingen gedaan om deze onderdelen nauwer te laten aansluiten bij de IRRD.
Voorts wordt nog een nieuw onderdeel h toegevoegd aan het eerste lid. Daarmee wordt artikel 35, vijfde lid, onderdeel d, subonderdeel iii), geïmplementeerd. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat in faillissement vorderingen van de fiscus en socialezekerheidsinstanties in beginsel een lagere rang innemen dan vorderingen uit hoofde van verzekering.55 Met het nieuwe onderdeel h wordt bewerkstelligd dat alleen preferente belastingverplichtingen en preferente verplichtingen jegens socialezekerheidsinstanties die in faillissement een hogere rang hebben dan vorderingen uit hoofde van verzekering worden uitgesloten van bail-in.
Ten slotte wordt nog een nieuw onderdeel i toegevoegd aan het eerste lid, artikel 35, vijfde lid, onderdeel d, subonderdeel iv), wordt geïmplementeerd. Met deze toevoeging worden verplichtingen aan verzekeringsgarantiestelsels die voortvloeien uit bijdragen die verschuldigd zijn uit hoofde van de nationale wetgeving uitgesloten van bail-in. In de Nederlandse context is het Waarborgfonds Motorverkeer aan te merken als verzekeringsgarantiestelsel. Indien de verzekeraar nog verplichtingen heeft jegens dit Waarborgfonds Motorverkeer in verband met wettelijk voorgeschreven bijdragen aan dat fonds, dan kan DNB deze verplichtingen niet onderwerpen aan bail-in (afschrijven of omzetten). Zie ten aanzien van dit onderdeel ook de bespreking van de mogelijke NCWO-problemen die DNB voorziet in paragraaf 7.1 van deze toelichting.
Het tweede lid vormt een implementatie van artikel 35, achtste lid, IRRD. Dit lid sluit niet zozeer vorderingen naar hun aard uit van toepassing van bail-in, maar beschrijft verschillende situaties waarin DNB bepaalde passiva geheel of gedeeltelijk van de toepassing van het afschrijvings- of omzettingsinstrument kan uitsluiten. In feite kan DNB op basis van dit lid in een concreet geval besluiten dat zij bepaalde passiva niet kan onderwerpen aan bail-in, bijvoorbeeld omdat deze niet tijdig zouden kunnen worden omgezet of omdat de uitsluiting noodzakelijk en evenredig is met het bereiken van de afwikkelingsdoelstelling(en) in kwestie. Wanneer deze uitsluitingen worden toegepast, kan het niveau van afschrijving of omzetting van andere in aanmerking komende passiva worden verhoogd om met die uitsluitingen rekening te houden. Daarbij geldt nog steeds de voorwaarde dat het NCWO-beginsel in acht wordt genomen.56
In beginsel moet DNB het instrument van bail-in op zodanige wijze toepassen dat de gelijke behandeling van schuldeisers en de wettelijke rangorde van vorderingen volgens het toepasselijke insolventierecht worden gerespecteerd. Dat is reeds opgenomen in artikel 3A:95, dat ongewijzigd blijft. Artikel 38, eerste lid, IRRD beschrijft (naast het voorgaande) ook een bepaalde volgorde waarin de omzetting of afschrijving dient te geschieden. Deze volgorde moet tevens in omgekeerde volgorde tot uiting komen in het nationale faillissementsrecht om het beoogde resultaat te bereiken. Daarom wordt in Artikel II, onderdeel C, van dit wetsvoorstel de rangorde in faillissement nader gespecificeerd. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij dat onderdeel.
Verder schrijft artikel 38, eerste lid, derde alinea, voor dat de afwikkelingsautoriteiten bij het afschrijven van passiva of omzetting in aandelen niet een categorie passiva mogen omzetten terwijl een categorie passiva die achtergesteld is aan die categorie passiva, niet in aandelen wordt omgezet of niet wordt afgeschreven. Dit voorschrift wordt geïmplementeerd in artikel 3A:95a, tweede lid. Het voorgaande geldt niet indien de categorie passiva die niet in aandelen wordt omgezet of niet wordt afgeschreven is uitgesloten van bail-in op de voet van artikel 3A:94.
Met dit onderdeel wordt artikel 3A:96 gewijzigd, dat de uitgifte regelt van nieuwe eigendomsinstrumenten en tier 1-instrumenten door, of met medewerking van, een entiteit die daartoe geïnstrueerd is door DNB in de context van toepassing van het instrument van bail-in. Voor meer informatie hierover, wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de Whav.57 De aanpassingen worden gedaan enerzijds om het artikel meer in lijn te brengen met de IRRD en anderzijds om het aan te vullen met specifieke bepalingen die toepassing ervan in het Nederlandse stelsel mogelijk maken, bijvoorbeeld met inzet van een stichting administratiekantoor (STAK) of SAA in de zin van artikel 3A:121a. Een STAK is een entiteit die niet onder zeggenschap van DNB staat in een afwikkelingsscenario, maar die wel moet meewerken om de uitgifte van eigendomsinstrumenten aan de van ingevolge artikel 3A:93, eerste lid, omgezette kapitaalinstrumenten, schuldinstrumenten of andere in aanmerking komende passiva, of hun rechtsopvolgers, mogelijk te maken.
De eerste zin van artikel 3A:96 wordt in aangepaste vorm opgenomen in het voorgestelde eerste lid. Het voorschrift dat bij de uitgifte geen andere rechten kunnen worden uitgeoefend dan de rechten, bedoeld in artikel 3A:93, eerste lid, wordt opgenomen in het vijfde lid. De expliciete mogelijkheid om hier een termijn aan te verbinden, komt te vervallen in verband met het voorstel voor de wijzigingen aan artikel 3A:98.
Het tweede lid verklaart artikel 38, vierde lid, IRRD van overeenkomstige toepassing. Daarin wordt geregeld dat de afwikkelingsautoriteit ten behoeve van een toekomstige uitgifte als bedoeld in artikel 38, derde lid, te allen tijde kan voorschrijven dat de betreffende entiteit beschikt over de benodigde toestemming van de voor de uitgifte van het relevante tier-1 instrumenten.
In het eerste lid is reeds voorzien dat DNB kan voorschrijven dat de entiteit eigendomsinstrumenten en tier 1-instrumenten uitgeeft en/of haar medewerking verleent aan de uitgifte daarvan. DNB kan derhalve voorschrijven dat de entiteit medewerking verleent aan de uitgifte van certificaten van aandelen, bijvoorbeeld als de entiteit een certificeringsstructuur kent of als DNB besluit dat uitgifte van aandelen in het kader van bail-in passend is. In het nieuwe derde lid wordt uitdrukkelijk bepaald dat DNB hiertoe kan voorschrijven dat de entiteit aandelen uitgeeft aan een STAK. Hiertoe wordt een instructierecht opgenomen voor DNB om een STAK te instrueren een bepaalde handeling, namelijk het uitgeven van certificaten van aandelen te verrichten. De instructie kan ook zijn dat de certificaten moeten worden uitgegeven aan de SAA die deze zal houden voor de voornoemde houders. Dit instructie-recht wordt opgenomen in het vierde lid.
De voorschriften uit artikel 37 IRRD hebben een gelijkenis met de huidige bepaling in artikel 3A:97. Met de toevoeging van de dynamische verwijzing naar artikel 37 IRRD in artikel 3A:93 lid 2 kan het bestaande artikel 3A:97 komen te vervallen. Op grond van deze dynamische verwijzing kan DNB een verschillende omzettingskoers toepassen op verschillende categorieën passiva overeenkomstig één of beide beginselen zoals genoemd in artikel 37 IRRD.
Artikel 3A:98 gaat over de gevolgen van de toepassing van het instrument van bail-in en geeft DNB de bevoegdheid tot het verrichten of laten verrichten van hetgeen noodzakelijk is om het instrument goed te kunnen inzetten.
Teneinde de omzetting van passiva in eigendomsinstrumenten en tier 1-instrumenten goed te kunnen uitvoeren, zal het nodig zijn om te bepalen door welke voorwaarden deze claimrechten worden beheerst. Deze voorwaarden kunnen worden vastgelegd in de in de praktijk gebruikelijke voorwaarden, zogeheten Terms and Conditions. De Nederlandse entiteiten hebben allen hun eigen specifieke bijzonderheden die hun oorsprong vinden in de rechtsvorm of de kapitaalstructuur van de entiteit. Gezien het belang om de specifieke toegesneden voorwaarden te kunnen stellen om hiermee een goede toepassing van de conversiebevoegdheid te kunnen bewerkstelligen door DNB, is het noodzakelijk om te verduidelijken dat DNB dergelijke voorwaarden kan verbinden aan de afschrijving, uitgifte of omzetting als bedoeld in de artikelen 3A:93 en 3A:96 Wft. Hierom wordt het eerste lid aangepast. Het voorgestelde eerste lid schrijft voor dat DNB in haar besluiten op grond van artikel 3A:93 en 3A:96 Wft nader bepaalt; a) op welke wijze en onder welke voorwaarden de afschrijving, uitgifte of omzetting van kapitaalinstrumenten en eigendomsinstrumenten plaatsvindt, b) wat de gevolgen zijn van deze besluiten voor zover nodig, en c) wat de nominale waarde is van de nieuw uit te geven dan wel bestaande eigendomsinstrumenten bij overgang van de bestaande eigendomsinstrumenten op de houders van de rechten ingevolge artikel 3A:93, eerste lid. Hierdoor is DNB in staat om de modaliteit van de inzet van haar instrumentarium ten volle te bepalen en voor te schrijven.
Verder worden aan het tweede lid enkele wijzigingen aangebracht om vollediger aan te sluiten bij de formulering van artikel 39, tweede lid, IRRD.
De artikelen 3A:99 en 3A:100 vormen een uitwerking van de toepassing van het instrument van bail-in en gaan over de vermindering van het verschuldigde bedrag van een verplichting van een entiteit in afwikkeling en gehele of gedeeltelijke afschrijving. Met deze wijzigingsonderdelen worden in artikel 3A:99, onderdeel b en c, en artikel 3A:100, eerste lid, enkele aanpassingen gedaan om dichter aan te sluiten bij de formulering van artikel 38, tweede lid, onderdelen b en c, respectievelijk artikel 39, derde lid, IRRD.
In de wijziging van artikel 3A:100, eerste lid, ziet het woord ‘zij’ op zowel de verplichting, als eventuele verplichtingen of vorderingen die die uit die verplichting voortvloeien.
Artikel 3A:101 Wft wordt gewijzigd om de verwijzingen die daarin zijn opgenomen, in lijn te brengen met wijzigingen opgenomen in dit wetsvoorstel. Het gewijzigde artikel 3A:89 bevat een dynamische verwijzing naar de relevante artikelen uit de IRRD. De Wft maakt met dit wetsvoorstel geen onderscheid meer tussen een voorlopige en een periodieke herwaardering en artikel 3A:90 komt te vervallen. Daarom wordt de verwijzing naar 3A:90 en de periodieke waardering uit artikel 3A:101 gehaald.
Artikel 40 IRRD regelt de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden met betrekking tot een passief dat uit een derivaat ontstaat. Het eerste en tweede lid van dit artikel behoeven geen nadere implementatie, omdat deze reeds voldoende gedekt zijn door het huidige artikel 3A:102, eerste en tweede lid. Voor de methoden en beginselen om de waarde van uit derivaten voortvloeiende passiva vast te stellen, wordt met dit wetsvoorstel aansluiting gezocht bij het derde en vierde lid van artikel 40 IRRD, waartoe artikel 3A:102 wordt uitgebreid met een derde lid. Het is belangrijk dat DNB hier eenzelfde berekeningswijze toepast als andere afwikkelingsautoriteiten binnen de Unie.
Een afwikkelingsmaatregel van DNB kan gevolgen hebben voor de deelneming die (rechts)personen houdt in een verzekeraar. De mogelijkheid bestaat dat na toepassing van het instrument van bail-in en de uitoefening van het alsdan verkregen recht op eigendomsinstrumenten resulteert in een verwerving of vergroting van een gekwalificeerde deelneming in de betreffende verzekeraar. Artikel 3A:103 Wft regelt de beoordeling van de verklaring van geen bezwaar (vvgb) door DNB in dat geval. Zie voor meer informatie de memorie van toelichting bij de Whav.58
In het eerste lid wordt het woord ‘tijdig’ toegevoegd aan de opdracht aan DNB. DNB dient tijdig de beoordeling van de vvgb te verrichten. Daaronder moet worden verstaan: zodanig dat de omzetting van kapitaalinstrumenten niet wordt vertraagd of niet wordt verhinderd dat met de afwikkelingsmaatregel de relevante afwikkelingsdoelstellingen worden verwezenlijkt. Dit volgt uit artikel 36, derde lid, IRRD.
Aan het derde en vierde lid worden kleine wijzigingen aangebracht. Daarmee sluit artikel 3A:103 beter aan bij de inhoud van artikel 31, zesde lid, IRRD (dat ingevolge artikel 36, vierde lid, van toepassing is indien DNB in haar rol als toezichthouder op de datum van omzetting de vvgb nog niet heeft verleend), en bovendien ook bij het equivalente artikel 3A:26 dat een vergelijkbare bepaling bevat voor afwikkeling van banken.
In het vijfde lid wordt een verbetering aangebracht door een juiste verwijzing naar het derde lid, onderdelen a en b, in te voegen. Het vijfde lid regelt inhoudelijk hetzelfde als artikel 31, zesde lid, onderdeel f, IRRD. Bij afwijzing van een aanvraag houdt DNB bij het vaststellen van de afstotingsperiode rekening met de heersende marktomstandigheden.
Artikel 3A:104 regelt de toepassing van het instrument van overgang van de onderneming. Aan artikel 3A:104, onderdeel b, wordt alleen het woord ‘rechten’ toegevoegd omwille van de consistentie.
Artikel 3A:105 over de voorwaarden waaronder een overgang van de onderneming kan plaatsvinden, wordt aangepast aan de formulering van artikel 31, tweede lid, IRRD. De bestaande tekst van het artikel wordt opgenomen in het voorgestelde eerste lid en daarbij wordt bepaald dat DNB alle redelijke stappen moet zetten om commerciële voorwaarden te bedingen die ook overeenkomen met de waardering die is uitgevoerd op grond van artikel 3A:89.
Daarnaast wordt artikel 3A:105 uitgebreid met drie nieuwe leden om artikel 29 IRRD te implementeren. Wanneer in het kader van de inzet van het instrument van overgang van de onderneming de entiteit of een gedeelte van de activa, rechten en passiva, aandelen of andere eigendomsinstrumenten overgaan, dan worden de voorschriften uit artikel 29 gevolgd. DNB dient te zorgen dat de overgang volgens een open, transparante en niet-discriminerende procedure geschiedt, en moet tegelijkertijd zo veel mogelijk naar een maximale overgangsprijs streven.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien niet eigendomsinstrumenten in de entiteit in afwikkeling maar de eigendomsinstrumenten in de overbruggingsinstelling of een deel van haar activa, rechten en passiva worden vervreemd aan een commerciële partij (zie de artikelen 3A:114, eerste lid, en 3A:115). De procedurevoorschriften en de commerciële voorwaarden zijn niet relevant in het geval dat activa, rechten of passiva van de entiteit in afwikkeling overgaan op een entiteit voor activa- en passivabeheer In dat geval geldt artikel 3A:118a.
Artikel 3A:106 regelt, kort gezegd, dat DNB na toepassing van een besluit tot overgang van gedeelten van de activa of passiva van een entiteit in afwikkeling de rechtbank Amsterdam moet verzoeken om het overgebleven gedeelte van de entiteit in afwikkeling failliet te verklaren. Met dit onderdeel worden meerdere kleinere aanpassingen gedaan aan artikel 3A:106. Het betreft tekstuele verduidelijkingen en aanpassingen om dichter aan te sluiten bij de tekst van artikel 26, vierde lid, dat hier geïmplementeerd wordt (voor zover nodig). Het doel en inhoudelijke strekking van dit artikel blijven hetzelfde. Voor nadere toelichting bij artikel 3A:106 wordt daarom verwezen naar de memorie van toelichting bij de Whav.59
Met dit onderdeel wordt artikel 28, tweede lid, IRRD geïmplementeerd. Dat artikellid regelt aan wie de overgangsprijs toekomt die wordt betaald bij toepassing van de instrumenten overgang van de onderneming, de overbruggingsinstelling of de afsplitsing van activa en passiva. Een vergelijkbare bepaling staat al in de Wft, maar wordt met dit wetsvoorstel verder in lijn gebracht met de IRRD. Het artikel in de IRRD maakt onderscheid tussen oorspronkelijke eigenaren van eigendomsinstrumenten en de entiteit in afwikkeling die de oorspronkelijke eigenaar was van de activa, rechten en passiva die overgaan naar de verkrijger of de overbruggingsinstelling. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:133.
Met dit onderdeel worden enkele aanpassingen gedaan aan het bestaande artikel 3A:108, dat regelt dat een overgang van onderneming (gedeeltelijk) kan worden teruggedraaid. Zie voor de achtergrond de Memorie van Toelichting bij de Whav.60 Met de voorgestelde wijziging wordt de formulering van dit artikel meer in lijn gebracht met artikel 31, derde lid, IRRD. De IRRD schrijft in artikel 31, derde lid, nog voor dat deze overgang op de oorspronkelijke eigenaren alleen kan plaatsvinden indien de omstandigheden dat rechtvaardigen. Die toets is al onderdeel van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. DNB zal daarom, ondanks dat het niet expliciet wordt opgenomen in artikel 3A:108, deze toets moeten toepassen en motiveren in haar besluit.
Artikel 31, vierde lid, IRRD vereist dat de verkrijgende partij beschikt over de juiste vergunningen om het bedrijf dat of de bedrijfsonderdelen die zij verkrijgen in het kader van de toepassing van het instrument van overgang van de onderneming, te kunnen uitoefenen. Dit volgt al uit het stelsel van de regels omtrent markttoegang zoals neergelegd in deel 2 van de Wft. Met dit onderdeel wordt echter geregeld dat indien de toepassing van dit instrument gepaard gaat met een nieuwe of aanvullende vergunningaanvraag van de verkrijgende partij, DNB deze aanvraag tijdig beoordeelt en dat doet in samenhang met de beoogde overgang. Dat laatste houdt in dat DNB logischerwijs het besluit tot toepassing van het instrument van overgang van onderneming en het besluit tot verlening van de benodigde vergunning voor zover mogelijk gelijktijdig neemt. De bestaande tekst van artikel 3A:109 wordt opgenomen in het tweede lid van het herziene artikel. Deze bepaling, inclusief de verwijzing naar artikel 3A:103, voorziet in het bepaalde in artikel 31, vijfde en zesde lid, IRRD.
Artikel 3A:110 gaat over rechtsopvolging door een verkrijger in een derde land. Met dit onderdeel wordt alleen een kleine aanpassing gedaan aan artikel 3A:110 omwille van consistente formulering binnen deel 3A.2 en met de IRRD.
In lijn met artikel 28, zesde lid, IRRD dient ook een verzekeringsgarantiestelsel toegevoegd te worden aan de opsomming van toegangsrechten. Ondanks dat Nederland nu geen algemeen verzekeringsgarantiestelsel kent, kan het zo zijn dat bijvoorbeeld een buitenlands stelsel dekking biedt in een concrete casus.
Met dit onderdeel worden de artikel 43, eerste lid, onderdeel e, artikel 45, eerste, tweede en vierde lid, IRRD geïmplementeerd in de Wft. In dit artikel wordt DNB de bevoegdheid verleend om in het geval van overgang van de onderneming (i) de entiteit in afwikkeling, diens groepsentiteiten en de verkrijger van de onderneming te verplichten om elkaar informatie te verstrekken en bijstand te verlenen en (ii) de entiteit in afwikkeling en diens groepsentiteiten te verplichten operationele diensten en faciliteiten te verschaffen. Het artikel is van toepassing op overgangen met toepassing van het instrument van overgang van onderneming, het instrument van de overbruggingsinstelling op grond van artikel 3A:115 en het instrument van afsplitsing van activa en passiva op grond van artikel 3A:119. Deze instrumenten worden tezamen ook wel de overgangsinstrumenten genoemd.
Met het voorgestelde artikel 3A:111a, eerste lid, kan DNB de entiteit in afwikkeling en de overnemende partij in geval van toepassing van overgangsinstrumenten, verplichten elkaar informatie te verstrekken en bijstand te verlenen. Deze bevoegdheid geldt ook ten aanzien van de rechtspersonen die met de entiteit in afwikkeling een groep vormen als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze categorie entiteiten wordt niet genoemd in artikel 43, eerste lid, onderdeel e, IRRD.
Het is evenwel wenselijk dat ook aan deze entiteiten bedoelde verplichting kan worden opgelegd.
Het tweede lid ziet op de bevoegdheid om de entiteit in afwikkeling en groepsentiteiten te verplichten om alle operationele diensten en faciliteiten te verschaffen die nodig zijn om de verkrijger in staat te stellen de aan hem overgedragen bedrijfsactiviteiten effectief uit te oefenen. Daaraan wordt toegevoegd, in lijn met artikel 45, eerste lid, laatste zin, IRRD, dat dit ook geldt indien de entiteit in afwikkeling of de desbetreffende groepsentiteit in staat van faillissement verkeert. Voor zover de entiteit die in staat van faillissement verkeert niet een groepsentiteit, maar de ‘entiteit in afwikkeling’ betreft, ziet deze toevoeging op het scenario waarin de entiteit in afwikkeling is genomen, onderworpen is aan een afwikkelingsmaatregel waarbij de onderneming (gedeeltelijk) is overgegaan en een resterend deel van de onderneming na afloop daarvan verder in faillissement wordt afgewikkeld.
Met het derde lid wordt invulling gegeven aan artikel 45, derde lid, IRRD, zodat in Nederland gezetelde groepsentiteiten van een in een andere lidstaat gevestigde entiteit in afwikkeling, waarop een afwikkelingsautoriteit in die lidstaat haar bevoegdheden ingevolge artikel 45, eerste lid, IRRD heeft toegepast, ook verplicht kunnen worden tot het verschaffen van operationele diensten en faciliteiten die nodig zijn om de verkrijger in staat te stellen de op hem overgegane bedrijfsactiviteiten effectief uit te oefenen, ook indien de entiteit in afwikkeling of de desbetreffende groepsentiteit in staat van faillissement verkeert.
Het vierde lid regelt de bevoegdheid van DNB om een aanwijzing op te leggen aan aanbieders van essentiële diensten die, kort gezegd, insolvent zijn of in de nabije toekomst waarschijnlijk insolvent zijn. Wanneer daarvan sprake is, is uitgewerkt in artikel 45, tweede lid IRRD. In dit vierde lid wordt daarnaar verwezen.
Aan artikel 3A:112, onderdeel b, wordt alleen het woord ‘rechten’ toegevoegd omwille van de consistentie in formulering binnen hoofdstuk 3A.2 Wft en met de IRRD.
Artikel 3A:113 gaat over het instrument van de overbruggingsinstelling. In het eerste en tweede lid worden een aantal aanpassingen gedaan om ook de rechtspersoon die tot taak heeft het eigendom in een overbruggingsonderneming te houden en de eigendomsinstrumenten als genoemd in artikel 3A:112, onderdeel a, te verkrijgen en te houden onder de definitie de overbruggingsinstelling te brengen. Op grond van het Bbpm is de overbruggingsinstelling in Nederland zo gestructureerd dat een overbruggingsstichting aandelen in een of meer overbruggingsondernemingen of entiteiten voor activa- en passivabeheer houdt en eigendomsinstrumenten kan houden die zijn uitgegeven door of met medewerking van een entiteit in afwikkeling. Een dergelijke stichting zal nu ook op grond van artikel 3A:113 kwalificeren als overbruggingsinstelling.
Het derde lid van artikel 3A:113 wordt vervangen. Met de voorgestelde wijziging van 3A:113, derde lid, sluit de bepaling beter aan bij de IRRD. Het doel blijft hetzelfde, namelijk dat de verplichtingen van de overbruggingsinstelling niet toenemen.61
Op basis van artikel 32, vijfde lid, IRRD, kan DNB de eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva overdragen aan een derde-verkrijger na toepassing van het instrument van de overbruggingsinstelling of nieuwe rechten die in een overbruggingsinstelling aanwezig zijn (bijvoorbeeld wanneer de overbruggingsinstelling nieuwe eigendomsinstrumenten heeft uitgegeven). Dit zal het geval zijn als DNB besluit, als onderdeel van de afwikkelingsstrategie, om op enig moment over te gaan tot een gehele of gedeeltelijke ‘exit’ en eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva door te verkopen aan een commerciële partij. Dit wordt nu opgenomen in het eerste lid van artikel 3A:114. Bij een dergelijke overdracht aan een commerciële partij gelden de procedurele voorschriften genoemd in artikel 3A:105, zoals ook blijkt uit de schakelbepaling in artikel 3A:115.
Het is mogelijk om eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva terug te laten overgaan op de oorspronkelijke eigenaren. De mogelijkheid van retourovergang bij een overbruggingsinstelling is vergelijkbaar met artikel 3A:108, met dien verstande dat in de context van dit instrument voor een retourovergang geen instemming van de overbruggingsinstelling is vereist. Met dit onderdeel wordt artikel 3A:114 uitgebreid en in lijn gebracht met artikel 32, vierde lid, IRRD.
Met dit onderdeel wordt de verwijzing naar artikel 3A:105 geactualiseerd en worden verwijzingen naar de artikelen 3A:101, eerste lid, en 3A:111a toegevoegd, waarmee die artikelen van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op overbruggingsinstellingen.
De verwijzing naar artikel 3A:101, eerste lid, dient ter implementatie van artikel 25, derde lid, onderdeel b, IRRD. Mutatis mutandis geldt voor de overbruggingsinstelling dat als de prijs die is betaald voor de eigendomsinstrumenten, activa, rechten of passiva die zijn overgegaan op de overbruggingsinstelling op basis van de definitieve waardering te laag blijkt, DNB kan bepalen dat dit bedrag wordt verhoogd.
De procedurele voorwaarden bedoeld in artikel 3A:105 gelden ook bij toepassing van het instrument van de overbruggingsinstelling. Er wordt niet verwezen naar het eerste lid van artikel 3A:105 omdat de IRRD niet expliciet voorschrijft dat de overgang naar een overbruggingsinstelling onder commerciële voorwaarden dient te geschieden.
Artikel 3A:111a vormt een implementatie van de artikelen 43, eerste lid, onderdeel e, en 45 IRRD, dat zowel geldt ten behoeve van commerciële verkrijgers van (onderdelen van) de entiteit in afwikkeling als op overbruggingsinstellingen en entiteiten voor het beheer van activa en passiva. Het regelt de bevoegdheid van DNB om een entiteit in afwikkeling, of groepsentiteiten daarvan, ertoe te verplichten alle operationele diensten en faciliteiten te verschaffen die nodig zijn om de ontvanger in staat te stellen de aan hem overgedragen bedrijfsactiviteiten uit te oefenen en de nodige informatie te delen. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:111a hierboven.
Artikel 3A:116, tweede lid, regelt de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen aan een overbruggingsinstelling voor bepaalde vergunningvereisten. Die ontheffing is beperkt in de tijd. In het tweede lid van artikel 3A:116 wordt ‘tijdelijk’ vervangen door ‘voor een periode van maximaal 24 maanden’ omdat artikel 33, eerste lid, laatste alinea, deze specifieke maximale periode voorschrijft. Ten behoeve van de harmonisatie wordt daarbij aangesloten.
Met dit onderdeel worden enkele aanpassingen gedaan aan artikel 3A:117, dat ziet op toepassing van het instrument van afsplitsing van activa of passiva. De wijziging aan het eerste lid wordt gedaan omwille van consistentie binnen deel 3A.2 Wft en met de IRRD. In het tweede lid wordt aan onderdeel b het nieuwe instrument van de solvabele run-off toegevoegd. Het afwikkelingsinstrument van afsplitsing van activa of passiva moet altijd in combinatie met een ander instrument worden ingezet om een onterecht concurrentievoordeel voor de falende entiteit te vermijden. Het kan zijn dat de omstandigheden verlangen om het instrument van afsplitsing van activa of passiva gecombineerd in te zetten met het instrument van solvabele run-off, om het resterende deel van de entiteit in afwikkeling in solvabele run-off te kunnen plaatsen en de afwikkelingsdoelstellingen te bereiken. Het is mogelijk om activa en passiva die gerelateerd zijn aan een verzekeringsportefeuille of een (deel van een) verzekeringsportefeuille af te splitsen naar een entiteit voor activa- en passivabeheer. Afhankelijk van de betreffende activa en passiva die worden overgedragen, dient de entiteit voor activa- en passivabeheer over een vergunning te beschikken.
Met dit onderdeel wordt een nieuw artikel 3A:118a ingevoegd. Het eerste lid van dit nieuwe artikel vormt de implementatie van artikel 30, zesde lid, IRRD. Voor de overgang aan een entiteit voor activa- en passivabeheer geldt een andere overgangsprocedure en andere regeling voor de overgangsprijs dan voor overgang van een (deel van) de entiteit in afwikkeling aan een commerciële verkrijger. In een concrete afwikkelingscasus zal DNB als afwikkelingsautoriteit op basis van de waardering uitgevoerd op grond van artikel 3A:89 een minimumprijs moeten vaststellen voor de overgang van activa, rechten en passiva aan een entiteit voor activa- en passivabeheer. Het kan ook voorkomen dat de overgangsprijs een nominale of negatieve waarde heeft.
Het tweede lid vormt een implementatie van artikel 28, derde lid, IRRD. Daarin wordt voorgeschreven dat een ontvangen overgangsprijs voor afgesplitste activa, rechten en passiva toekomt aan de entiteit in afwikkeling en dat deze vergoedingen betaald kunnen worden in de vorm van schuldpapier. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:133.
Met dit onderdeel wordt artikel 30, achtste lid, IRRD geïmplementeerd. Het betreft de regeling ten aanzien van overgang van overgegane activa, rechten en passiva terug naar de oorspronkelijke eigenaren. Onder het kader van de Whav werd artikel 3A:114 ten aanzien van overbruggingsinstellingen door artikel 3A:119 van overeenkomstige toepassing verklaard op het instrument van afsplitsing van activa en passiva. Met de implementatie van de IRRD wordt geen schakelbepaling gebruikt, maar met dit wetsvoorstel wordt de regeling voor overgang op de oorspronkelijke eigenaren na toepassing van het instrument van afsplitsing van activa of passiva uitgeschreven. Voor het instrument van afsplitsing van activa en passiva geldt dat meermaals (en over en weer) overgang kan plaatsvinden tussen de entiteit in afwikkeling en één of meerdere entiteiten voor activa- en passivabeheer. Om zo dicht mogelijk aan te sluiten bij de bepaling in de IRRD, wordt gewerkt met een dynamische verwijzing.
Artikel 3A:119, waarin een schakelbepaling wordt opgenomen en verschillende artikelen van overeenkomstige toepassing worden verklaard op het instrument van afsplitsing van activa of passiva, wordt met dit onderdeel aangepast. Doordat de overgangsprijs en de overgang op de oorspronkelijke eigenaren separaat worden geregeld in artikelen 3A:118a en 3A:118b, dient de verwijzing naar artikel 3A:114 te worden verwijderd en de verwijzing naar 3A:105 te worden aangepast naar de leden twee tot en met vier. De referentie naar 3A:111 is conform artikel 28, zesde lid, IRRD en artikel 3A:111a is van overeenkomstige toepassing in verband met de implementatie van artikel 43, eerste lid, onderdeel e, en 45 IRRD. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:111a hierboven.
Dit onderdeel regelt de invoeging van de nieuwe paragraaf § 3a.2.4.4.a., waarmee het afwikkelingsinstrument van de solvabele run-off wordt toegevoegd aan het wettelijke instrumentarium van DNB als afwikkelingsautoriteit (zie ook paragraaf 3.2.4 hierboven). Dit instrument kan zelfstandig of in combinatie met andere afwikkelingsinstrumenten worden toegepast (zie ook artikel 3A:92). In praktijk kan de solvabele run-off ook een tijdelijke situatie zijn, tot het moment dat een verkrijger gevonden wordt of de entiteit verder wordt afgewikkeld via faillissement.
De IRRD laat lidstaten de ruimte om bij de implementatie van dit afwikkelingsinstrument voor te schrijven of de vergunning al dan niet dient te worden ingetrokken. In artikel 3A:119a, eerste lid, wordt voor Nederland geregeld dat de entiteit in afwikkeling op wie de solvabele run-off wordt toegepast, in beginsel een beperkte vergunning behoudt om haar bestaande activiteiten te kunnen blijven uitoefenen tijdens de afbouwfase en tot beëindiging van de laatste polis of overgang aan een derde partij. Het zal de entiteit in afwikkeling verboden worden nieuwe verzekerings- en herverzekeringscontracten af te sluiten. DNB zal hiertoe de vergunning dus moeten aanpassen.
Uit artikel 27, tweede, derde en negende lid, van IRRD blijkt dat het toezicht in de basis moet kunnen worden voortgezet en het minimumkapitaalvereiste nog steeds relevant is. Door in de Wft voor te schrijven dat DNB de vergunning aanpast door deze te beperken tot het administreren en laten uitlopen van bestaande verzekeringsportefeuilles, wordt gewaarborgd dat DNB met voldoende slagkracht toezicht kan blijven houden en haar wettelijke bevoegdheden in te zetten om ordentelijke run-off te bewaken. De entiteit in afwikkeling blijft dus onder toezicht staan en moet in beginsel ook aan doorlopende vereisten voldoen die passen bij de aangepaste vergunning.
In artikel 3A:119a, tweede lid, wordt geregeld dat indien gebruik wordt gemaakt van de solvabele run-off, dat conform de IRRD gepaard zal moeten gaan met herkapitalisatie tot tenminste het niveau van de MCR. Het ligt in de rede dat dit in de praktijk wordt bewerkstelligd door gelijktijdige toepassing van het instrument van bail-in. Verwezen wordt naar de algemene toelichting over herkapitalisatie bij de solvabele run-off in paragraaf 3.2.4 hierboven.
In het derde lid van artikel 3A:119a worden een aantal bepalingen uit artikel 27 IRRD van overeenkomstige toepassing verklaard. Het betreft factoren en elementen die DNB doorlopend moet monitoren tijdens de looptijd van de solvabele run-off. Ter implementatie van artikel 27, zevende lid, regelt het vierde lid van artikel 3A:119a dat DNB bepaalde vergoedingen en uitkeringen, zoals dividenduitkeringen en bonussen, kan beperken of verbieden. Zie hiervoor ook de algemene toelichting in paragraaf 3.2.4 hierboven, waarin wordt beschreven hoe het niet-uitkeren van dividend kan bijdragen aan afwikkeling via de solvabele run-off.
In artikel 3A:119b wordt geregeld hoe en wanneer een solvabele run-off beëindigd wordt. Het eerste lid geeft twee scenario’s die zich kunnen voordoen aan het einde van een solvabele run-off en die een voltooiing van de toepassing van het instrument behelzen. In het tweede lid wordt voorzien in twee toets momenten, namelijk de situatie dat niet langer wordt voldaan aan de MCR en de situatie dat de nettowaarde van de activa van de verzekeraar negatief wordt. De situatie dat de nettowaarde van de activa negatief wordt kan zich per definitie alleen voordoen wanneer al eerder niet langer voldaan is aan de MCR. Dit roept de vraag op hoe deze twee toets momenten zich tot elkaar verhouden. Hierover zijn vragen gesteld aan de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft verhelderd dat het om twee toets momenten gaat waarbij de afwikkelingsautoriteit moet beoordelen of (i) ingrijpen door middel van aanvraag faillissement of door middel van toepassing van een resolutie-instrument nodig is of, (ii) de solvabele run-off ondanks de verslechterde situatie op verantwoorde wijze kan worden voortgezet. Indien bijvoorbeeld naar het oordeel van DNB sprake is van een tijdelijke verslechtering van de financiële situatie, kan DNB er ook voor kiezen om de solvabele run-off te laten voortbestaan indien dit in het belang wordt geacht van het zo goed als mogelijk realiseren van de resolutiedoelstellingen. Vanzelfsprekend zal bij een negatieve nettowaarde van de activa minder snel tot dit oordeel gekomen kunnen worden dan bij een onderschrijding van de MCR. Tot slot wordt opgemerkt dat de richtlijn spreekt over een negatieve nettowaarde van de activa, zonder dat verhelderd wordt op basis van welke grondslagen dit berekend zou moeten worden. Bij de implementatie is er voor gekozen om hierbij aan te sluiten bij de berekeningswijze volgens Solvency II, zoals geïmplementeerd in artikel 3:53 Wft. Dit betekent dat zodra het eigen vermogen negatief wordt, overeenkomstig de berekeningswijze ingevolge artikel 3:53 Wft, is er sprake van een negatieve nettowaarde van de activa als bedoeld in artikel 27 IRRD.
Artikel 3A:120 Wft regelt de bevoegdheid voor DNB om in te grijpen in de rechten en bevoegdheden van de organen van de af te wikkelen entiteit. De wijzigingen aan artikel 3A:120 Wft dienen ter implementatie van artikelen 42, 44 en 54 IRRD. In het eerste lid van artikel 44 IRRD is sprake van de lidstaatoptie om een of meerdere bijzondere bestuurders aan te wijzen. Van deze lidstaatoptie is gebruik gemaakt, omdat dit kan bijdragen aan het in de hand werken van de afwikkelingsdoelstellingen. Het zesde lid betreft geen implementatie van IRRD, maar is consistent met de inhoud van artikel 1:76, achtste lid, Wft, dat voorheen in artikel 3A:120 Wft van overeenkomstige toepassing werd verklaard. Er is daarom geen sprake van de introductie van een nieuw aansprakelijkheidsregime in de context van afwikkeling van verzekeraars door dit artikellid. Het gaat in deze bepaling om de plicht voor organen en vertegenwoordigers van de entiteit in afwikkeling om alle medewerking te verlenen aan de bijzonder bestuurder en anderzijds de hoofdelijke aansprakelijkheid van de leden van de organen tegenover de instelling voor schade door handelingen die door dat orgaan zijn verricht in strijd met het besluit tot benoeming van een bijzonder bestuurder en de besluiten van de bijzonder bestuurder die daarmee verband houden. Dit artikellid is alleen relevant voor zover bestuurders en commissarissen in functie blijven naast een aangestelde bijzonder bestuurder en het benoemingsbesluit een taakverdeling tussen de bijzonder bestuurder en deze organen bevat. Voor banken geldt een vergelijkbare bepaling. Voor verdere achtergrond wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij artikel 3A:49 van de Wet NUB.62
Artikel 3A:120a Wft geeft DNB de bevoegdheid om zowel het gehele bestuur en de raad van commissarissen, als bestuurders en commissarissen van de entiteit in afwikkeling te ontslaan en nieuwe leden voor die organen te benoemen. Met dit onderdeel wordt artikel 3A:120a herschreven ter implementatie van twee onderdelen uit de IRRD. De originele tekst wordt inhoudelijk summier veranderd. In zowel de titel van het artikel als in het nieuwe eerste lid, wordt de term ‘hoger management’ ingevoegd. Deze bewoording volgt uit de artikelen 22, eerste lid, onderdeel c, en 42, eerste lid, onderdeel n, IRRD. De uitzondering die volgt uit artikel 22, eerste lid, onderdeel c, IRRD zal worden geïmplementeerd via de Rtt Wft. Het ligt overigens voor de hand dat DNB de toetsing van de beoogde nieuwe bestuurders en commissarissen spoedig verricht indien de omstandigheden dat vergen, net als de vvgb-toets in het kader van artikel 3A:103 (zie onderdeel EE), om onnodige vertraging in het afwikkelingsproces te voorkomen.
In artikel 3A:121, eerste lid, wordt het woord ‘noodzakelijk’ vervangen door het woord ‘nodig’ om beter aan te sluiten bij formulering van IRRD 35, derde lid, IRRD. Hoewel DNB de noodzaak tot het aanpassen van de rechtsvorm altijd zal moeten onderbouwen conform de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, blijkt uit de expliciete vermelding in het derde lid dat niet lichtvaardig moet worden besloten tot een dergelijke aanpassing. Dit is immers een ingrijpende maatregel. Verwezen wordt naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:121 in de memorie van toelichting bij de Whav.63
In het voorgestelde artikel 3A:121a Wft wordt de mogelijkheid opgenomen dat DNB een SAA opricht om in praktijk een goede toepassing van het instrument van bail-in (artikel 3A:93) te waarborgen. Op grond van het eerste lid kan DNB overgaan tot oprichting van een SAA. Hierbij dient opgemerkt te worden dat DNB ook al een SAA kan oprichten ter voorbereiding op de toepassing van het instrument van bail-in.
In het tweede lid wordt opgenomen dat DNB de SAA een aanwijzing kan geven met betrekking tot de taakuitoefening. Hoewel DNB de SAA opricht en mogelijk DNB-medewerkers plaatsnemen in het bestuur van de stichting, is het niettemin wenselijk om de mogelijkheid te creëren dat DNB een expliciete opdracht geeft aan de SAA wat betreft de taakuitoefening. De taken van de SAA zijn immers onlosmakelijk verbonden met de bevoegdheden die DNB zijn toebedeeld op grond van de wet, en zijn slechts bedoeld om daaraan praktische uitvoering te geven. De aanwijzing kan zich richten op elk onderdeel van het proces, van het initiële aanvaarden van bijvoorbeeld certificaten van een STAK, toedeling van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten aan houders van de claimrechten, tot aan de uiteindelijk afwikkeling van de SAA na voltooiing van haar taken. Evenals hetgeen is overwogen bij de SAA voor banken, geldt voor het geven van deze aanwijzing dat niet is vereist dat door de SAA een overtreding van de Wft is begaan.64
Het derde lid bevat een delegatiegrondslag, zodat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld kunnen worden over de SAA met betrekking tot de oprichting en ontmanteling, taak, financiering, inrichting, bestuur en werkwijze. De SAA heeft als taak om slechts tijdelijk eigendomsinstrumenten te houden voor de houders van bepaalde rechten. Het moet mogelijk blijven om de SAA te ontmantelen. Als in dit verband het – na gedane inspanning – niet mogelijk is gebleken om de eigendomsinstrumenten toe te bedelen aan de rechthebbenden, zou de SAA de mogelijkheid moeten hebben om deze te vervreemden. Het bestuur van de SAA zal doorgaans bestaan uit medewerkers van DNB. Ook kunnen werkzaamheden worden verricht voor de SAA door medewerkers van DNB die onderdeel uitmaken van het organisatieonderdeel van DNB dat belast is met de afwikkelingstaak op grond van artikel 4a, eerste lid, onderdeel e, van de Bankwet 1998. Kosten die worden gemaakt bij de oprichting en werking van de SAA zouden kunnen bestaan uit notariële kosten bij de oprichting en personeelskosten voor de uren die medewerkers besteden aan de toepassing van een SAA. Doorlopende kosten ter voorbereiding in de context van afwikkelingsplanning en paraatheid kunnen worden meegenomen onder de categorie van ‘Resolutie: Verzekeraars’ uit bijlage 2, toezichtcategorie 7, in het Besluit bekostiging financiële sector 2019. In een concrete casus zullen redelijke kosten van afwikkeling, inclusief kosten voor het daadwerkelijk aanwenden van een SAA om rechten tijdelijk te houden, zoveel mogelijk worden verhaald op basis van artikel 3A:133 Wft. Mocht dat niet toereikend zijn, dan kan (onder voorwaarden) een beroep worden gedaan op de financieringsregeling van artikel 3A:138 Wft. Onder die regeling worden incidentele bijdrages gevraagd van de sector. De SAA kan zelf geen heffingen vragen van de sector en de SAA wordt niet gefinancierd met publieke middelen.
In het vierde lid wordt de mogelijkheid opgenomen dat indien houders van de rechten hun recht op een eigendomsinstrument niet claimen en de SAA de resterende eigendomsinstrumenten (aandelen) vervreemdt, de opbrengsten worden geconsigneerd in de Consignatiekas van het ministerie van Financiën, waar overgebleven rechthebbenden deze nog twintig jaar kunnen claimen. Bij algemene maatregel van bestuur kan nader worden bepaald onder welke omstandigheden consignatie kan plaatsvinden.
Ter implementatie van artikel 53 IRRD wordt een nieuw artikel toegevoegd aan paragraaf 3a.2.4.5. dat de bijzondere bevoegdheden van DNB regelt. Aan deze bijzondere bevoegdheden wordt nu toegevoegd dat DNB de terugbetalingsrechten van verzekeringnemers ingevolge een levensverzekeringsovereenkomst tijdelijk kan beperken of opschorten indien en zolang dat nodig is om de toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten te vergemakkelijken. De duur van de opschorting wordt opgenomen in het te publiceren besluit tot opschorting van DNB.
DNB dient het besluit bekend te maken op de in artikel 65, derde lid, IRRD voorgeschreven wijze. Dit komt neer op publicatie op de websites van DNB, Eiopa en de entiteit in afwikkeling.
De wijzigingen van de artikelen 3A:123, vierde lid, 3A:124, tweede lid, en 3A:125, vierde lid, Wft, betreffen een verduidelijking van de opsomming van partijen ten aanzien van wie de bevoegdheid geregeld in dat artikel niet kan worden uitgeoefend. Deze verduidelijking heeft mede als doel om de opsomming gelijkluidend te maken met de vergelijkbare artikelen in Hoofdstuk 3A.1 Wft en volgt uit de IRRD.
Naast een wijziging aan het vierde lid van artikel 3A:125 Wft wordt tevens een nieuw vijfde lid ingevoegd. In algemene zin kan DNB op basis van artikel 3A:125 de bevoegdheid opschorten van een derde tot het beëindigen van een overeenkomst met de entiteit in afwikkeling. Artikel 51 IRRD en artikel 3A:125 zijn vrijwel gelijk, echter verduidelijkt de IRRD de situatie waarin een derde partij de overeenkomst toch kan beëindigen tijdens de periode waarin DNB de bevoegdheid van de derde heeft opgeschort. Dit betreffen de twee situaties waarin DNB de derde partij heeft geïnformeerd dat de onder het contract vallende rechten en verplichtingen (i) niet aan een andere entiteit worden overgedragen, of (ii) onderworpen zijn aan bail-in.
DNB dient besluiten ingevolge de artikelen 3A:123 tot en met 3A:125 bekend te maken op de in artikel 65, derde lid, IRRD voorgeschreven wijze. Voor een verdere toelichting van de artikelen 3A:123 tot en met 3A:125 wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de Whav.65
Ter vervanging van de verwijzing naar 3A:128 wordt een verwijzing naar 3A:80c opgenomen.
Ook wordt een nieuw artikel 3A:127a ingevoegd, dat zorgt voor een implementatie van artikel 68, derde lid, IRRD. Het artikel schrijft voor dat DNB bij een rechterlijke instantie de opschorting kan verzoeken van maatregelen of procedures indien dit noodzakelijk is voor de toepassing van afwikkelingsmaatregelen. De bevoegdheid moet worden gezien als een hulpmiddel om te zorgen dat het afwikkelingsraamwerk effectief kan worden toegepast en niet onnodig wordt gefrustreerd door andere lopende procedures. De bevoegdheid tot opschorting ziet op maatregelen of procedures die de doeltreffende toepassing van afwikkelingsmaatregelen kunnen belemmeren. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan handhavingsprocedures die lopen ten aanzien van de entiteit in afwikkeling en die (tijdelijk) niet nodig zijn als DNB bezig is met de afwikkeling. Deze opschorting duurt voor zolang het noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te bereiken.
Artikel 3A:128 Wft vervalt omdat de inhoud ervan nu wordt opgenomen in artikel 3A:80c Wft.
Artikel 58 IRRD is een zogenaamd kapstokartikel op basis waarvan geen zelfstandige bescherming voor contractspartijen van de entiteit in afwikkeling bij bepaalde overeenkomsten wordt gecreëerd. Dit artikel hoeft daarom niet in een separaat artikel te worden geïmplementeerd. Om die reden wordt voorgesteld om artikel 3A:131 Wft te laten vervallen. De bescherming van de in artikel 58 IRRD opgesomde overeenkomsten, type verzekeringen en portefeuilles volgt uit de artikelen 59 tot en met 61 IRRD. Deze beschermingsartikelen zijn geïmplementeerd in artikel 3A:132 Wft.
Uit de memorie van toelichting bij de Whav66 volgt dat artikel 3A:131 Wft als hoofdregel werd gezien waarop kon worden teruggevallen indien 3A:132 Wft geen bescherming bood. Volgens de memorie van toelichting kwam dit er op neer dat een overgang in strijd met de eerste drie leden weliswaar niet nietig of vernietigbaar was, maar wel beschermd werd door 3A:131 Wft. Uit deze beschermingssystematiek blijkt dat een terugvalmogelijkheid nodig is, omdat strijdigheid met de eerste drie leden niet nietigheid of vernietigbaarheid als rechtsgevolg kan hebben. Daarom wordt ter implementatie van de artikelen 59 – 62 IRRD een zin aan artikel 3A:132 (nieuw) lid 6 Wft toegevoegd.
Artikel 3A:132 Wft bevat beperkingen waaraan DNB is gebonden bij een besluit tot overgang van een gedeelte van de activa of passiva of het beëindigen of wijzigen van een overeenkomst. Voor een algemene toelichting wordt verwezen naar de MvT van de Whav.67 De voorgestelde wijzigingen van artikel 3A:132 Wft dienen ter implementatie van de artikelen 59 tot en met 61 van de IRRD. Vanwege meerdere aanpassingen aan het bestaande artikel 3A:132, wordt het artikel opnieuw vastgesteld.
Artikel 59, eerste lid, tweede alinea, IRRD wordt geïmplementeerd door toevoeging van een nieuw tweede lid. De voorgestelde toevoeging geldt als extra waarborg ter bescherming van de rechten die voortvloeien uit de overeenkomsten bedoeld in het eerste lid van artikel 3A:132 Wft. Onderdeel c van 3A:132, eerste lid, vervalt omdat de daarin opgenomen beperking niet voortvloeit uit artikel 59, eerste lid,IRRD. Daarnaast zou het behouden van onderdeel c tot ongewenste gevolgen kunnen leiden, zoals bij het overdragen van herverzekeringsovereenkomsten met de onderliggende (herverzekerde) portefeuille.
Het bestaande derde lid wordt herschreven om meer aan te sluiten bij de tekst van artikel 61, eerste lid, IRRD, en wordt hernummerd tot het vierde lid. Met dit lid worden de rechten gewaarborgd die voortvloeien uit een gestructureerde financieringsregeling, beleggingsverzekering (wat een accuratere vertaling is van ‘unit-linked policy’ dan ‘fractieverzekering) of andere geoormerkte portefeuilles met inbegrip van regelingen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onderdelen e en g IRRD, door te regelen dat (i) de overgang van activa, rechten of passiva gezamenlijk gebeurt en niet gedeeltelijk (de oorspronkelijke tekst is positief geformuleerd ten opzichte van de gewijzigde tekst), en (ii) een besluit door DNB tot overgang van activa en passiva niet leidt tot wijziging of beëindiging van de overeenkomsten genoemd in dit lid. Dit laatste onderdeel wordt toegevoegd ter implementatie van artikel 61, eerste lid, onderdeel b, IRRD.
In het voorstel wordt nog een nieuw lid ingevoegd (het zesde lid) ter implementatie van de artikelen 59, tweede lid, 60, tweede lid, en 61, tweede lid, IRRD. In algemene zin wordt met dit lid geregeld dat DNB, in afwijking van de waarborgen uit artikel 3A:132 Wft delen van activa, rechten of passiva kan overdragen dan wel portefeuilles of overeenkomsten kan wijzigen of beëindigen. Tussen de genoemde IRRD artikelen zit echter verschil. Zo hebben de artikelen 59, tweede lid, en 60, tweede lid, als doel het beschermen van verzekeringsnemers en strekken deze leden voornamelijk tot het waarborgen van de rechten die voortvloeien uit overgedragen verzekeringspolissen. Artikel 61, tweede lid, heeft een bredere reikwijdte en regelt dat DNB een uitzondering kan maken indien dit nodig is om de afwikkelingsdoelstellingen beter te kunnen verwezenlijken.
Aan het zevende lid (voorheen vijfde lid) wordt, in lijn met de hiervoor beschreven beschermingssystematiek, een zin toegevoegd.
Aan artikel 3A:133, eerste lid, aanhef en onderdeel c, worden kleine toevoegingen gedaan om het artikel in lijn te brengen met artikel 26, vijfde lid, IRRD. Aangezien het nieuwe instrument van de solvabele run-off wordt geïntroduceerd met dit wetsvoorstel, wordt dat instrument toegevoegd aan onderdeel c. De IRRD schrijft verder voor dat ‘redelijke’ uitgaven in verband met de toepassing van afwikkelingsinstrumenten kunnen worden verhaald op de opbrengsten. Dat is een inperking van de huidige ruimere formulering.
Alle netto-opbrengsten van een overgang van activa of passiva van de entiteit in afwikkeling moeten bij toepassing van het instrument van overgang van de onderneming, toevallen aan de onderneming die in de liquidatieprocedure is verwikkeld. Alle netto-opbrengsten uit de overgang van aandelen of andere bij de toepassing van het instrument van overgang van de onderneming door de entiteit in afwikkeling uitgegeven eigendomsinstrumenten, moeten toevallen aan de eigenaren van die aandelen of andere eigendomsinstrumenten. Bij de berekening dienen de uit het falen van de verzekeraar en uit het afwikkelingsproces voortvloeiende kosten te worden afgetrokken van de opbrengsten.
Met dit onderdeel wordt artikel 28, zevende lid, IRRD geïmplementeerd. Daarin wordt opgenomen dat aandeelhouders of schuldeisers van de entiteit in afwikkeling en andere derden wier activa, rechten of passiva niet worden overgedragen, geen rechten of vorderingen hebben op of in activa, rechten of passiva die wel zijn overgedragen of jegens het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan of het hoger management van de overbruggingsonderneming of het vehikel voor activa- en passivabeheer die deze activa, rechten of passiva heeft verkregen.
De voorschriften uit artikel 67 IRRD vloeien in Nederland voort uit artikel 8:1 van de Awb en artikel 3A:135 Wft. Zie voor een toelichting bij het kader voor rechtsbescherming ten aanzien van dit hoofdstuk de MvT bij de Whav.68 Volledigheidshalve wordt nog een zevende lid toegevoegd, waarmee nadere invulling wordt gegeven aan artikel 67, derde lid, tweede alinea. Dit lid schrijft voor dat rechterlijke instanties zich bij hun eigen toetsing baseren op de economische beoordeling van de feiten zoals uitgevoerd door DNB. Dat biedt duidelijkheid ten aanzien van de grondslag voor de rechterlijke toets.
Artikel 3A:138 betreft de financieringsregeling. Wijzigingen aan dit artikel dienen ter implementatie van artikel 81 IRRD. De IRRD biedt de lidstaten veel ruimte ten aanzien van de manier waarop zij de financieringsregeling nationaal inrichten. Met de komst van de Whav is er in Nederland al een financieringsregeling geïntroduceerd. Met deze implementatie van de IRRD wordt vastgehouden aan het bestaande kader. De doelstellingen waarvoor de financieringsregeling kan worden ingezet komen vrijwel overeen met de doelstellingen waarvoor de financieringsregeling op grond van de IRRD tenminste aangewend moet kunnen worden. Zie de memorie van toelichting bij de Whav voor uitleg hierover en een beschrijving van de doelen waarvoor deze financieringsregeling kan worden aangewend.69
Het eerste lid wordt aangepast aan de nieuwe definitie van Uniebijkantoor en meer in lijn gebracht met de reikwijdtebepaling van 3A:78. Door het eerste lid in lijn te brengen met de reikwijdtebepaling van 3A:78, wordt ook aansluiting gezocht bij artikel 81 lid 3 IRRD dat regelt dat bij de financieringsregeling uit wordt gegaan van het home state perspectief. Dat betekent dat de vergunning het aanknopingspunt voor het recht op compensatie ingevolge artikel 3A:138, derde lid, onderdelen a en b, is en dat het recht op compensatie kan gelden ongeacht de verblijfplaats van de gerechtigde. Met andere woorden, de financieringsregeling geldt niet alleen ten gunste van bijvoorbeeld polishouders woonachtig in Nederland.
De wijzigingen van onderdelen a en c van het derde lid dienen ertoe om nauwer aan te sluiten bij de IRRD. De wijziging aan onderdeel a betreft het peilmoment voor de waardering van het bedrag aan compensatie dat kan worden betaald in het geval dat een houder van eigendomsinstrumenten, verzekeringnemer, begunstigde, indiener van vorderingen of andere schuldeiser of, waar van toepassing, verzekeringsgarantiestelsels op grond van het toepasselijk nationaal recht, grotere verliezen heeft geleden dan hij zou hebben geleden indien de betreffende entiteit op het moment van het besluit tot afwikkeling van de entiteit in faillissement zou zijn geliquideerd. De wijziging aan onderdeel c bakent de kosten die kunnen worden gefinancierd vanuit de financieringsregeling (en dus uit ex post bijdrages van de sector) verder af tot operationele kosten die aan twee voorwaarden voldoen: (i) ze zijn gemaakt ten behoeve van een effectieve toepassing van de afwikkelingsinstrumenten; en (ii) het vergoeden van deze kosten vanuit de financieringsregeling is noodzakelijk om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken. Het praktische gevolg van deze wijziging kan zijn dat de drempel om de financieringsregeling toe te passen, hoger wordt. Immers, DNB moet niet alleen kijken of de kosten gemaakt zijn in het kader van effectieve toepassing van afwikkelingsinstrumenten, maar moet daarnaast ook kijken of het aanwenden van de financieringsregeling ook zelfstandig bijdraagt aan het verwezenlijken van een of meer afwikkelingsdoelstellingen in kwestie en die doelen niet in gelijke mate zouden kunnen worden bereikt zonder de bijdrage uit de financieringsregeling.
Er wordt met dit onderdeel ook een nieuw lid toegevoegd aan artikel 3A:138. Het nieuwe vijfde lid vormt een implementatie van artikel 81, tweede lid, IRRD. Daarin is voorgeschreven dat de financieringsregeling in overeenstemming dient te zijn met de algemene beginselen voor afwikkeling, opgenomen in artikel 22 IRRD. Voor de volledigheid en consistentie wordt dat ook opgenomen in artikel 3A:138.
Ten behoeve van de financieringsregeling worden bijdragen geheven van verzekeraars met zetel in Nederland, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, en Uniebijkantoren in Nederland. Het betreft een ‘ex post’ bijdrage. DNB zal de hoogte van de bijdrage aan de financieringsregeling vaststellen en de heffing verzorgen. De grondslag voor de heffing is geregeld in het Bbpm. De bijdragen worden berekend op basis van de omvang van de technische voorzieningen van een verzekeraar. Aan deze heffingssystematiek wordt met deze implementatie van de IRRD niks gewijzigd. Net als voorheen – en anders dan voor banken – zal met de implementatie van de IRRD met dit wetsvoorstel dus geen ‘ex ante’ fonds worden gevormd. De Europese Commissie onderzoekt ten tijde van dit wetsvoorstel of er een geharmoniseerd Europees kader voor verzekeringsgarantiestelsels moet worden opgesteld en zal haar bevindingen daarover begin 2027 presenteren. Met dit wetsvoorstel wordt niet vooruit gelopen op de mogelijke uitkomsten van deze evaluatie.70
Aan de bijlagen bij de artikelen 1:79 en 1:80 Wft worden een aantal artikelen toegevoegd. Op grond van artikel 82 IRRD heeft de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid om administratieve sancties en maatregelen op te leggen. De IRRD schrijft in artikel 83, eerste lid, voor dat tenminste bij een aantal artikelen een administratieve sanctie of een maatregel opgelegd kan worden opgelegd indien niet aan de verplichting wordt voldaan. Dit betreft de artikelen 5 (3:57c Wft), 7 (3:288i1 Wft) en 63, lid 1 (3A:85a Wft). De implementatie van artikel 12 IRRD, dat ook genoemd wordt in artikel 83, eerste lid, geschiet niet op wetsniveau en wordt om die reden niet in de lijst van bijlagen bij 1:79 en 1:80 Wft meegenomen.
De artikelen die in de lijst van bijlage bij 1:79 Wft staan kunnen gehandhaafd worden op grond van een last onder dwangsom, in de vorm van een herstel sanctie. Dit geldt voor de artikelen 3:57c, 3:288i1, 3A:80a, 3A:80b, 3A:83, 3A:83a, tweede lid, en 3A:111a Wft. De hier opgesomde artikelen uit Deel 3a Wft, zijn niet op grond van de IRRD toegevoegd, maar zijn toegevoegd aan de bijlage bij 1:79 Wft om nakoming van deze verplichtingen te bevorderen en te verbeteren en om DNB de bevoegdheid te geven hier op te kunnen handhaven.
Artikel 1:80 Wft betreft punitieve sancties in de vorm van een bestuurlijke boete. De verplichtingen die volgen uit de artikelen die in de bijlage van 1:80 Wft zijn opgesomd kunnen bij niet nakoming dus leiden tot sancties ter ondersteuning van het bewaren van marktdiscipline. De lijst aan artikelen die wordt toegevoegd aan de bijlage bij 1:80 Wft is gelijk aan de lijst bij bijlage 1:79 Wft, met dien verstande dat ook artikel 3A:85a en 3A:119a, derde en vierde lid, Wft worden toegevoegd. Artikel 3A:85a betreft een meldingsplicht bij FOLTF-scenario van een entiteit. Om te voorkomen dat deze meldingsplicht niet wordt nageleefd, leent een bestuurlijke boete zich hier beter voor dan een herstelsanctie. Ook voor overtredingen van regels of beperkingen opgelegd door DNB bij een solvabele run-off is een boete een beter handhavingsinstrument dan een herstelsanctie.
Artikel 213 wordt op drie onderdelen gewijzigd.
Ten eerste wordt in de definitie van verzekeraar aan de opsomming nu ook expliciet ‘herverzekeraar’ toegevoegd. Dit is geen inhoudelijke wijziging. Op 1 januari 2024 is Afdeling 11B van de Faillissementswet reeds gaan gelden voor herverzekeraars.71 Met dat doel is toen aan artikel 213 een definitie van herverzekeraar ingevoegd als onderdeel f en is aan de definitie van verzekeraar in onderdeel a een verwijzing naar dat nieuwe onderdeel f toegevoegd. Daarbij is echter vergeten het begrip herverzekeraar toe te voegen. Dat wordt nu hersteld.
Ten tweede wordt in onderdeel g de definitie van zetel aangepast en komt de definitie van moedermaatschappij in onderdeel r te vervallen. Deze wijzigingen houden verband met het voorstel tot verval van artikel 213ar, dat ziet op moedermaatschappijen van verzekeraars, en het voorstel tot invoegen van een nieuwe regeling in de artikelen 213kkb en 213kkc die zien op entiteiten als bedoeld in onderdelen b tot en met d van artikel 3A:78 Wft, zijnde verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings en aanbieders van essentiële diensten. Zie voor een verdere toelichting hiervan onderdelen E en J van artikel II.
Ten derde wordt in onderdeel r de IRRD toegevoegd aan de lijst van definities in deze titel van de Faillissementswet.
Met dit onderdeel wordt artikel 213abis integraal gewijzigd onder andere om aan te sluiten bij de wijzigingen aan de Wft als gevolg van de implementatie van de IRRD en om bepaalde artikelen uit de IRRD te implementeren in de Fw.
Het eerste lid van dit artikel geeft DNB momenteel de bevoegdheid om het faillissement van een verzekeraar aan te vragen indien deze voldoet aan de eerste twee afwikkelingsvoorwaarden, zoals opgenomen in artikel 3A:85, eerste lid, onderdelen a en b, Wft. Ter implementatie van artikel 21 IRRD, en in lijn met de door de Wet NUB beoogde aanpassingen van artikel 212ha Wft, wordt nu voorgesteld om DNB in dat geval te verplichten om binnen een redelijke termijn van deze bevoegdheid gebruik te maken. Daartoe moet ook aan de voorwaarden worden toegevoegd dat afwikkeling van de verzekeraar niet in het algemeen belang is, om onbedoelde samenloop te voorkomen tussen deze verplichting tot aanvraag van het faillissement en de uit artikel 3A:85 Wft volgende verplichting tot het nemen van resolutiemaatregelen.
Het nieuwe tweede en derde lid zijn inhoudelijk gelijk aan het tweede en derde lid van het huidige artikel 213abis. Met deze leden wordt geregeld dat ongeacht of DNB de vergunning van een verzekeraar heeft ingetrokken, Afdeling 11B van de Fw nog steeds van toepassing is op deze entiteit. Daarnaast wordt geregeld dat alleen DNB het faillissement van een verzekeraar, die een vergunning heeft of heeft gehad, kan aanvragen. In het derde lid wordt een verwijzing naar het vierde lid opgenomen om tot uitdrukking te brengen dat de ‘exclusieve’ bevoegdheid van DNB om het faillissement van de verzekeraar aan te vragen geen afbreuk doet aan de in het vierde lid geïntroduceerde bevoegdheid van de verzekeraar om aangifte te doen van haar eigen faillissement.
Het vierde tot en met het zevende lid bieden de mogelijkheid tot en de waarborgen rondom een eigen faillissementsaanvraag bij de rechtbank door een verzekeraar. De mogelijkheid voor een eigen faillissementsaanvraag door de verzekeraar is een nationale keuze bovenop voorschriften in de richtlijn. Met deze wijziging wordt beoogd op een evenwichtige wijze rekening te houden met de verantwoordelijkheden van de verzekeraar zelf. Zij is immers niet meer volledig afhankelijk van het initiatief van DNB tot het doen van een faillissementsaanvraag, maar kan ook zelf actie ondernemen ten behoeve van alle belanghebbenden (waaronder polishouders). Conform artikel 68 IRRD dient DNB gehoord te worden door de faillissementsrechter. Door het opnemen van de mogelijkheid om een eigen faillissement aan te vragen, wordt bovendien aangesloten bij het kader voor banken. Uit de artikelen 213a en 213ag Fw volgt overigens ook dat voor de eigen aangifte de rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd is en het criterium van 213ag (failing or likely to fail en geen alternatieve maatregelen) geldt.
Het vierde tot en met zesde lid betreffen gezamenlijk de implementatie van artikel 68, tweede lid, IRRD. De procedure volgend uit het vijfde lid houdt in dat DNB in kennis wordt gesteld van de eigen aangifte en dat vanaf dat moment een termijn van zeven dagen gaat lopen. De rechtbank mag pas op de eigen aangifte beslissen of het faillissement pas uitspreken als die termijn voorbij is, tenzij DNB eerder binnen die zeven dagen aangeeft niet voornemens te zijn een afwikkelingsmaatregel te nemen. Deze kennisgeving stelt DNB in de gelegenheid de rechtbank te informeren over een eventueel voornemen om de entiteit in afwikkeling te nemen en om te worden gehoord over haar oordeel ten aanzien van het voldoen aan de eerste twee afwikkelingsvoorwaarden. Deze procedure betreft een nuancering binnen de systematiek van artikel 213ag, eerste lid, Fw, op basis waarvan de rechter wordt geacht het faillissement uit te spreken indien summierlijk blijkt dat zich een situatie, als bedoeld in artikel 213a bis, eerste lid, voordoet. Het zesde lid bepaalt dat indien DNB aangeeft een afwikkelingsbesluit te hebben genomen of voornemens is een afwikkelingsmaatregel te nemen, de rechtbank het faillissement afwijst. Ook indien de verzekeraar zelf een verzoek indient tot faillietverklaring (eigen aangifte), geldt de procedure uit de leden vier tot en met zes, en zal de rechter de termijn en voorwaarden uit deze leden in acht moeten nemen.
Ten slotte wordt in het zevende lid de advisering van DNB aan de curator optioneel gemaakt. Onder het huidige vierde lid dient DNB standaard een advies aan de curator te overleggen. Na de voorgestelde wijziging is het aan DNB om te bepalen of zij een dergelijk advies overlegt, zodat er ruimte is voor afweging of een advies in het specifieke geval meerwaarde heeft.
Het huidige artikel 213af, eerste lid, verwijst, net als artikel 213ag, eerste lid, naar ‘een situatie als bedoeld in artikel 213abis’. Onder deze situatie vallen alleen de gevallen waarin de eerste twee resolutievoorwaarden zijn vervult, maar niet de derde voorwaarde (dat afwikkeling in het algemeen belang is). Met de toevoeging van een referentie aan de negatieve ‘algemeen-belang-toets’ in artikel 213abis in dit wetsvoorstel, moet ook de redactie van de artikelen 213af en 213ag worden aangepast. Het oordeel van DNB ten aanzien van de negatieve algemeen-belang-toets dient immers niet vatbaar te zijn voor verweer door de verzekeraar en maakt geen deel uit van het faillissementscriterium waaraan de rechter dient te toetsen. Het aan artikel 213af equivalente 212hf Fw voor banken wordt in soortgelijke zin aangepast in de Wet NUB. Daarnaast wordt in de tekst van artikel 213ag, eerste lid, duidelijk gemaakt dat artikel 213abis, zesde lid, onverminderd van toepassing is. De rechtbank dient het verzoek op eigen aangifte daarmee af te wijzen als wel aan de eerste twee resolutievoorwaarden is voldaan, maar DNB laat weten afwikkelingsmaatregelen te (zullen) nemen. Zie ook de toelichting op artikel 213abis, zesde lid. Het derde lid van artikel 213ag wordt aangepast om de tekst kloppend te maken met voorgaande artikelen.
Artikel 213ar vervalt vanwege overlap met de nieuwe Afdeling 11BA. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting van onderdeel I van artikel II.
Om een schending van het NCWO-beginsel te voorkomen is gewenst dat de instrumenten die onderworpen kunnen worden aan het instrument van bail-in in afwikkeling, in de nationale faillissementsrechtelijke rangorde worden gespecificeerd. Bij de beoordeling of een schuldeiser in afwikkeling al dan niet slechter af is dan in faillissement, dient immers uit te worden gegaan van de rang die de vordering van de betreffende crediteur zou hebben gehad in een hypothetisch faillissement. Om volledigheid te waarborgen en om te voorkomen dat er in faillissement een andere rangorde is dan bij de toepassing van bail-in in een afwikkelingscenario, wordt dus de rangorde van eigenvermogensbestanddelen vastgelegd met het nieuwe artikel 213ml. De IRRD vereist in artikel 38, eerste lid, laatste alinea, dat de vorderingen die voortvloeien uit eigenvermogensbestanddelen een lagere rang hebben in de faillissementsprocedure dan vorderingen die niet voortvloeien uit eigenvermogensbestanddelen, oftewel andere typen vorderingen. Hoewel dit in de regel reeds het geval zal zijn, is nieuw aan deze regel bijvoorbeeld dat bij een gelijke mate van achterstelling, vorderingen uit hoofde van eigenvermogensbestanddelen een lagere rang innemen dan vorderingen die niet of niet langer voortvloeien uit eigenvermogensbestanddelen. Binnen de vorderingen uit hoofde van eigenvermogensbestanddelen geldt dat eerst de vorderingen uit hoofde van tier 3 vermogen op de boedel kunnen worden verhaald, gevolgd door die uit hoofde van tier 2- respectievelijk tier 1 vermogen.
Onder de richtlijn solvabiliteit II worden eigenvermogensbestanddelen ingedeeld in drie ‘tiers’. De indeling is onder meer afhankelijk van de vraag of het vermogensbestanddeel deel uitmaakt van het kernvermogen of van het aanvullend vermogen en de mate van permanente beschikbaarheid en achterstelling. Hierbij geeft tier 1 het meest ‘hoogwaardig’ vermogen weer, bezien vanuit het perspectief van verliesabsorptie, gevolgd door tier 2 en tier 3.
Hoe verder een vordering voortvloeiend uit een eigenvermogensbestanddeel is achtergesteld, hoe lager de rang van de crediteur van een dergelijke vordering is in faillissement. Tier 1 vermogen, waaronder het gestorte aandelenkapitaal, is het diepst achtergesteld en moet in faillissement dan ook als laatste in rang in aanmerking komen voor uitkering. Daarbij wordt voor de goede orde opgemerkt dat aandeelhouders van de failliete entiteit in het faillissement van die entiteit in hun hoedanigheid van aandeelhouder in het geheel geen vordering ter verificatie kunnen indienen en dus geen aanspraak kunnen maken op een uitkering in het faillissement. Zij kunnen hooguit aanspraak maken op een eventueel surplus dat resteert na afwikkeling van het faillissement.
Voor een toelichting bij het tweede, derde en vierde lid, wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel K, over artikel 212rf Faillissementswet dat leden van gelijke strekking bevat, in de memorie van toelichting bij de Implementatiewet verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van banken en beleggingsondernemingen.72
In het eerste lid wordt explicieter de bevoegdheid opgenomen van DNB om het faillissement van een verzekeraar met beperkte risico-omvang aan te vragen. Deze bevoegdheid bestaat al op basis van de verwijzing naar artikel 213abis lid 3 in het bestaande artikel 213gg. Er blijft sprake van een bevoegdheid in plaats van een verplichting voor DNB, omdat de IRRD de verplichting niet bevat. Zoals toegelicht bij onderdeel K (artikel 3A:78) hierboven, is ervoor gekozen om in Nederland deze categorie verzekeraars ook onder de reikwijdte van hoofdstuk 3A.2 te scharen.
In het nieuwe tweede lid wordt de opsomming opgenomen van artikelen die van overeenkomstige toepassing zijn op verzekeraars met beperkte risico-omvang. In verband met de wijzigingen aan artikel 213abis en het nieuwe artikel 213ml moet deze opsomming gewijzigd worden. Daarnaast wordt de opsomming gewijzigd om tot een completere regeling ten aanzien van verzekeraars met beperkte risico-omvang te komen die nauwer aansluit bij de regeling voor verzekeraars in de zin van artikel 213. Zo worden de regels van internationaal privaatrecht uit paragraaf 3 van Afdeling 11B expliciet van overeenkomstige toepassing verklaard, aangezien ook verzekeraars met beperkte risico-omvang van het toepassingsgebied van de Europese Insolventieverordening zijn uitgesloten.73 Ook zijn de artikelen die op grond van het huidige artikel 213kka van overeenkomstige toepassing worden verklaard op verzekeraars met beperkte risico-omvang opgenomen in de deze opsomming, waardoor dat artikel kan komen te vervallen.
Dit artikel kan komen te vervallen zoals toegelicht onder onderdeel G.
Afdeling 11B van de Faillissementswet ziet op verzekeraars en bepaalde bijkantoren van verzekeraars. De IRRD en de in dit wetsvoorstel voorgestelde implementatie daarvan in hoofdstuk 3A.2 Wft zien daarnaast echter ook op verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings en aanbieders van essentiële diensten. Deze nieuwe afdeling 11BA geeft speciale regels voor faillissementsaanvragen en faillissementsprocedures ten aanzien van die entiteiten. Die regels worden deels vereist door artikel 68 van de IRRD en hangen daar voor het overige nauw mee samen. Het huidige artikel 213ar, op grond waarvan DNB het faillissement van bepaalde moedermaatschappijen van verzekeraars kan aanvragen, sluit minder goed aan op de reikwijdte, vereisten en voorwaarden van de IRRD en wordt door deze nieuwe afdeling vervangen. Dat is tevens in lijn met de door de Wet NUB beoogde toevoeging van een nieuw artikel 212pp aan afdeling 11AB van de faillissementswet, ten aanzien van bepaalde groepsentiteiten van banken en beleggingsondernemingen.
Om efficiënte afwikkeling te bevorderen en bevoegdheidsconflicten te voorkomen, vereist artikel 68 IRRD bepaalde beperkingen op normale insolventieprocedures ten aanzien van de verzekeraars, verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings die onder IRRD vallen, zoals opgesomd in artikel 1, eerste lid, onderdelen a tot en met e, IRRD. In het eerste lid van artikel 68 IRRD wordt vereist dat ten aanzien van een dergelijke entiteit die in afwikkeling is of waarvan is vastgesteld dat deze voldoet aan de afwikkelingsvoorwaarden volgend uit artikel 19, eerste lid, IRRD, zoals geïmplementeerd in artikel 3A:85 van de Wft, geen faillissementsprocedure wordt gestart behalve als dit op initiatief van de afwikkelingsautoriteit wordt gedaan en dat een dergelijke entiteit ook in andere gevallen niet failliet wordt verklaard zonder toestemming van de afwikkelingsautoriteit. In praktijk betekent dit hetgeen is uitgewerkt in het tweede lid van artikel 68 IRRD, namelijk dat de toezichthoudende autoriteit en afwikkelingsautoriteit onverwijld in kennis worden gesteld van een faillissementsaanvraag ten aanzien van een dergelijke entiteit en dat een gerechtelijke beslissing op de aanvraag vervolgens niet eerder mag worden genomen dan zeven dagen na de kennisgeving, tenzij de afwikkelingsautoriteit al sneller dan die zeven dagen heeft aangegeven dat zij niet voornemens is een afwikkelingsmaatregel te nemen.
Artikel 68 IRRD brengt dus mee dat DNB onder voorwaarden bevoegd moet zijn het faillissement van een dergelijke entiteit aan te vragen en dat ten aanzien van aanvragen door anderen dan DNB de vereiste procedurele beperkingen in acht moeten worden genomen. Deze vereisten worden voor verzekeraars al geregeld in artikel 213abis. Ten aanzien van verzekeringsholdings en gemengde financiële holdings worden deze vereisten geïmplementeerd in het voorgestelde nieuwe artikel 213kkb.74 Voor een verdere uitleg wordt verwezen naar de toelichting van artikel 213abis, vierde tot en met zesde lid.
Door artikel 3A:78 Wft worden ter implementatie van artikel 45 van de IRRD ook aanbieders van essentiële diensten binnen het toepassingsbereik van afwikkeling gebracht. Daarom wordt voorgesteld om ook aanbieders van essentiële diensten in de reikwijdte van artikel 213kkb mee te nemen. Het door artikel 68 IRRD gediende belang van efficiënte afwikkeling en het voorkomen van bevoegdheidsconflicten tussen afwikkeling en faillissement die afwikkeling zouden kunnen doorkruisen, geldt immers evenzeer voor hen.
Het huidige artikel 213ar ziet op alle moedermaatschappijen met zetel in Nederland van bepaalde verzekeraars, inclusief gemengde verzekeringsholdings. Gemengde verzekeringsholdings vallen echter buiten de reikwijdte van IRRD en dit wetsvoorstel stelt op basis daarvan voor deze entiteiten uit de reikwijdte van artikel 3A:78 te verwijderen. Om die reden en omwille van consistentie wordt voorgesteld om deze entiteiten ook buiten de reikwijdte van dit nieuwe artikel 213kkb te houden. DNB zal derhalve niet langer het faillissement van gemengde verzekeringsholdings kunnen aanvragen.
Het eerste lid geeft, onverminderd de hoofdregel in artikel 1 Fw, DNB de bevoegdheid het faillissement aan te vragen van verzekerholdings, gemengde financiële holdings en aanbieders van essentiële diensten. Deze bevoegdheid en de voorwaarden daarvan zijn vrijwel gelijk aan de in dit wetsvoorstel gewijzigde bevoegdheid van DNB op grond van artikel 213abis, eerste lid, het faillissement van een verzekeraar aan te vragen. In tegenstelling tot artikel 213abis, eerste lid, geeft het nieuwe artikel 213kkb, eerste lid, echter niet een imperatieve bevoegdheid, op grond waarvan DNB het faillissement van de entiteit moet aanvragen, maar een discretionaire bevoegdheid, op grond waarvan DNB het faillissement kan aanvragen. De reden daarvoor is dat – anders dan voor verzekeraars en herverzekeraars – artikel 21 van de IRRD ten aanzien van verzekerholdings, gemengde financiële holdings en aanbieders van essentiële diensten niet voorschrijft dat indien ten aanzien van dergelijk entiteiten de eerste twee voorwaarden voor afwikkeling zijn vervuld, maar niet de derde, een liquidatieprocedure wordt geopend. Gelet daarop is het niet nodig DNB een vergelijkbare imperatieve bevoegdheid op te leggen ten aanzien van het indienen van een faillissementsverzoek. Voor de overige elementen wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 213abis, eerste lid.
Het tweede lid waarborgt dat een schuldeiser niet het faillissement kan aanvragen van een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding, maar dat de bevoegdheid daartoe alleen bij DNB of de entiteit zelf ligt. Dit is dus een afwijking van artikel 1 Fw, waarin de hoofdregel is opgenomen dat alle schuldeisers het faillissement van de schuldenaar kunnen aanvragen. Hiermee wordt voorkomen dat door een aanvraag van een schuldeiser deze type entiteiten volgens het reguliere faillissementsproces failliet zouden kunnen gaan zonder betrokkenheid van de afwikkelingsautoriteit en hierdoor de correcte afwikkeling van een groep verstoord zou kunnen worden. In lijn met het huidige artikel 213ar, blijft voor het overige artikel 1 Fw, onverkort van toepassing. Bij een aanvraag van een faillissement door de entiteit zelf of (in geval van aanbieders van essentiële diensten als bedoeld in artikel 3A:78, onderdeel d) door een schuldeiser gelden derhalve niet de eerste twee resolutievoorwaarden, zoals bij een aanvraag door DNB op grond van het eerste lid, maar geldt de algemene toets van artikel 1 Fw of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Omdat in die gevallen niet aannemelijk is dat de entiteit zelf onder toezicht staat en afwikkeling van die ene entiteit in het algemeen belang zal zijn, is afwijking van de hoofdbeginselen van het faillissementsrecht niet altijd nodig. Indien de entiteit betrokken is in een groepsafwikkelingsplan, heeft DNB op basis van dit hoofdstuk de mogelijkheid om de regie te nemen.
Het tweede lid verwijst niet naar aanbieders van essentiële diensten, onderdeel d van artikel 3A:78 Wft. De reden hiervoor is dat het type entiteiten dat onder deze definitie vallen, bijvoorbeeld entiteiten die goederen of diensten aanbieden zoals IT-diensten, nutsvoorzieningen en de verhuur, exploitatie en onderhoud van gebouwen, ook buiten het verzekeringswezen werkzaam kunnen zijn. Op grond van de IRRD kunnen alleen entiteiten die deel uitmaken van dezelfde groep als een verzekeraar kwalificeren als ‘aanbieder van essentiële diensten’. Deze informatie zal vaak ook uit openbare gegevens over die entiteit blijken. Het gegeven dat een aanbieder van essentiële diensten ook buiten het verzekeringswezen werkzaam zou kunnen zijn neemt echter niet met zich mee dat dit in veel van de gevallen ook zo is, echter is het toch van belang ook het reguliere regime deels van toepassing te laten zijn en andere schuldeisers de mogelijkheid te geven het faillissement aan te kunnen vragen. Er is geen rechtvaardiging dat alleen DNB het faillissement zou moeten kunnen aanvragen. Het is daarentegen wel belangrijk dat het forum voor de faillissementsaanvraag gecentraliseerd is bij de rechtbank Amsterdam. Op die manier wordt de continuïteit van de dienstverlening aan de onder toezicht staande instelling bevorderd als DNB op de hoogte is van het faillissement. Een schuldeiser zal niet altijd op de hoogte zijn van het feit dat zijn schuldenaar kwalificeert als aanbieder van essentiële diensten onder de IRRD. Het is daarom van belang dat de betreffende entiteiten, de rechtbank en DNB (voor zover DNB op de hoogte is van een dergelijke aanvraag) zelf ook scherp zijn op dit forumvereiste.
Het derde lid regelt dat voor alle entiteiten genoemd in het eerste lid (verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings en aanbieders van essentiële diensten), de aanvraag van het faillissement bij de rechtbank Amsterdam geschiedt, in afwijking van artikel 2 van de Faillissementswet. Door deze forumkeuze in de wet, wordt overzicht bevorderd en centreren de mogelijke casus met betrekking tot falende verzekeraars zich bij één gerecht.
Het vierde en vijfde lid regelen voor verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings en aanbieders van essentiële diensten, overeenkomstig het vierde en vijfde lid van artikel 213abis, de hierboven toegelichte procedurele voorschriften voortvloeiend uit artikel 68, tweede lid, IRRD. De toelichting bij artikel 213abis, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
In artikel 213kkc, eerste lid, worden een aantal artikelen uit paragraaf 2 van Afdeling 11B ten aanzien van verzekeraars van overeenkomstige toepassing verklaard op faillissementsaanvragen en -procedures ten aanzien van verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings en aanbieders van essentiële diensten. Artikelen 213ad1, 213ae, 213af en 213ag, 213b, 213g, eerste lid, 213i, 213j en 213k zien op het proces van de faillissementsaanvraag en de faillietverklaring en bevatten regels die ook ten aanzien van andere entiteiten nuttig zijn. Artikel 213ml implementeert het eerste lid van artikel 38 IRRD, dat ziet op de rangorde van vorderingen die voortvloeien uit eigenvermogensbestanddelen. De werking van artikel 38 IRRD is niet beperkt tot verzekeraars en kan ook relevant zijn voor andere entiteiten die in aanmerking kunnen komen van bail-in. Daarom dient ook dit artikel hier van overeenkomstige toepassing te worden verklaard.
Het tweede lid verduidelijkt dat de overeenkomstige toepassing op grond van het eerste lid niet geldt voor de verwijzing in artikel 213g, eerste lid, naar de machtigingen bedoeld in artikel 213aga, eerste lid, en artikel 213agb, eerste lid. Die machtigingen voor overgang en wijziging van rechten en verplichtingen krachtens overeenkomsten van verzekering gelden immers alleen voor verzekeraars.
Het derde lid bepaalt dat een aantal artikelen alleen van overeenkomstige toepassing zijn als DNB het faillissement verzoekt. Artikelen 213af en 213b Fw zien naar hun aard alleen op verzoeken door DNB. Artikel 213ag, eerste lid, ziet op de door de rechtbank te verrichten toets. Als een ander dan DNB het faillissement aanvraagt, wordt daarvoor in lijn met het huidige artikel 213ar de algemene insolventietoets (of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen) uit artikel 1 gebruikt en behoeft niet te worden getoetst aan de specifieke voorwaarden genoemd in artikel 213abis. Voor verdere uitleg wordt verwezen naar de toelichting van artikel 213abis, tweede lid.
In Titel II, betreffende de surseance van betaling, worden een aantal wijzigingen doorgevoerd in de artikelen 215, 218, 242, 248, 272, 277 en 280. Deze wijzigingen hangen samen met de introductie van de nieuwe Afdeling 11BA over het faillissement van verzekeringsholdings, gemengde financiële holdings en aanbieders van essentiële diensten en de wens om de rol van DNB in een surseance van verzekeraars met beperkte risico-omvang beter vast te leggen en de samenloop met een faillissementsaanvraag te regelen.
Surseance van betaling is momenteel beschikbaar voor moedermaatschappijen met zetel in Nederland van verzekeraars met een vergunning als bedoeld in artikel 2:26a, 2:27 of 2:54a van de Wet op het financieel toezicht. Titel II bevat verschillende bijzondere regels die rekening houden met de rol van DNB ten aanzien van dergelijke moedermaatschappijen. Vanwege het komen te vervallen van de regeling uit artikel 213ar en de introductie van Afdeling 11BA Fw, moeten verwijzingen in deze bijzondere regels naar voornoemde moedermaatschappijen en artikel 213ar worden vervangen door verwijzingen naar alle in Afdeling 11BA genoemde entiteiten.
Verzekeraars met beperkte risico-omvang zijn naar de letter van artikel 214, vierde lid, niet uitgesloten van het toepassingsbereik van de regeling van surseance van betaling, omdat zij geen verzekeraar zijn in de zin van artikel 213. Dit is het geval sinds de wijziging van de definitie van ‘verzekeraar’ in artikel 213 met ingangsdatum van 1 januari 2016. Uit de toelichting bij die wetswijziging volgt niet dat is voorzien of beoogd dat daarmee (naar de letter) de procedure van surseance van betaling open werd gesteld voor verzekeraars met beperkte risico-omvang.75 Titel II bevat echter momenteel geen bijzondere regels ten aanzien van verzekeraars met beperkte risico-omvang. Met de voorgestelde wijzigingen komen er ook bijzondere regels voor verzekeraars met beperkte risico-omvang te gelden, vergelijkbaar met die ten aanzien van de in Afdeling 11BA bedoelde entiteiten.
Met de Whav is de Bankwet 1998 gewijzigd, met als doel om de afwikkeling van verzekeraars toe te voegen aan de taakstelling van DNB. Het taakstellingsartikel (artikel 4, eerste lid) is daarbij verbreed van alleen de afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen naar tevens verzekeraars, door de taak te formuleren als ‘e. het uitoefenen van afwikkelingstaken met betrekking tot bepaalde financiële ondernemingen’. Daarnaast is de formulering op gelijke wijze verbreed naar verzekeraars in artikel 12b, dat in samenhang met de andere artikelen in Hoofdstuk III., waarin de taken en de scheiding van taken en verantwoordelijkheden van de directie van DNB zijn vastgelegd.
Artikel 3, eerste en derde lid, IRRD verplicht de aanstelling van een nationale afwikkelingsautoriteit en het voorkomen van belangenconflicten tussen de verschillende functies van de autoriteit, zoals toezicht en resolutie. Een groot deel hiervan is al geregeld in de bovengenoemde artikelen in de Bankwet. Met dit wetsvoorstel worden vooral wetstechnische wijzigingen voorgesteld. Waar nodig, wordt voor de volledigheid een verwijzing naar het afwikkelingskader voor verzekeraars toegevoegd of geactualiseerd, in lijn met de door dit wetsvoorstel gemaakte wijzigingen in de Wft. De wijziging leidt niet tot de toevoeging van een nieuwe taak onder de Bankwet 1998.
In artikel 4a wordt een verwijzing naar artikel 3A:84 Wft ingevoegd, omdat een verwijzing naar de afwikkelingsdoelstellingen ten aanzien van verzekeraars nog ontbrak in dit artikel.
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 100 IRRD schrijft voor dat de IRRD uiterlijk op 29 januari 2027 moet zijn omgezet in nationaal recht.
De Minister van Financiën,
|
Bepaling EU-regeling |
Bepaling in implementatieregeling (waar van toepassing) en bestaande regeling (Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft) |
Omschrijving beleidsruimte |
Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte |
|---|---|---|---|
|
1 (1) |
Artikel I, onderdeel K, IHAV1 Het bestaande artikel 3A:78 Wet op het financieel toezicht (Wft) is aangepast aan de IRRD. |
Minimum harmonisatie, op basis van artikel 1, lid 2, IRRD |
Verzekeraars met beperkte risico-omvang en aanbieders van essentiële diensten (AED’s) vallen onder de reikwijdte van het hoofdstuk 3A.2 Wft. Dit was op basis van het nationale kader al zo en wordt met dit wetsvoorstel gehandhaafd. |
|
1 (2) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
2 |
Artikel I, onderdeel I, IHAV 3A:77 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
3 (1) |
Reeds onderdeel van bestaand recht in 4, lid 1, sub e, Bankwet 1998 |
Vrijheid keuze aan te wijzen afwikkelingsautoriteit. |
Dit betrof al De Nederlandsche Bank, de bestaande situatie wordt hiermee gehandhaafd. |
|
3 (2) |
Reeds onderdeel van bestaand recht in 4, lid 1, sub e, Bankwet 1998 |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
3 (3) |
Reeds onderdeel van bestaand recht in 12b en 12c, Bankwet 1998 |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
3 (4) |
Reeds onderdeel van bestaand recht in 12b en 12c, Bankwet 1998 |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
3 (5) |
Implementatieregeling Reeds onderdeel van bestaand recht in 1:24 Wft en toevoeging van bijlage [PM] in Regeling taakuitoefening toezichthouders Wft (Rtt Wft). |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
3 (6) |
Implementatieregeling Reeds onderdeel van bestaand recht in 1:24 Wft en toevoeging van bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
3 (7) |
Reeds aangewezen als ‘Onze Minister’ in 1:1 Wft |
Vrijheid keuze aan te wijzen ministerie. |
Dit betrof al het Ministerie van Financiën, door de Wft op dit punt ongewijzigd te laten wordt de bestaande situatie gehandhaafd. |
|
3 (8) |
Reeds onderdeel van bestaand recht in 1:24 en 1:90, lid 5 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
3 (9) |
Behoeft geen implementatie. |
Lidstaatoptie |
Wordt niet toegepast waarmee het bestaande systeem van een afwikkelingsautoriteit wordt gehandhaafd. |
|
3 (10) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
Gericht aan EIOPA. |
|
|
3 (11) |
Reeds onderdeel van bestaand recht, artikel 1:25d, lid 1 en 3, sub h, Wft gewijzigd. |
Lidstaatoptie |
Optie wordt gebruikt om het bestaande recht te handhaven. |
|
4 (1) |
Artikel I, onderdelen G, H en N, IHAV 3:57c, lid 3, 3:288i1 lid 4, 3A:83b Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
4 (2) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
4 (3) |
Implementatieregeling Reeds onderdeel van 1:69, lid 2, Wft en toevoeging bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
4 (4) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
Gericht aan EIOPA. |
|
5 (1) |
Artikel I, onderdeel G, IHAV. Reeds onderdeel van bestaand recht in 3:17, lid 2, sub c, nr 4, Wft ter nadere implementatie nu ook in 3:57c, lid 1, Wft, wijziging artikel 26.5 Besluit prudentiële regels (Bpr). |
N.v.t. |
Bestaande wetgeving betrof een algemene grondslag, nieuw artikel werkt de reikwijdte verder uit. |
|
5 (2) |
Artikel I, onderdeel G, IHAV. 3:57c, lid 1, Wft |
Discretionaire bevoegdheid voor DNB om marktdekkingsniveau te bepalen. |
Via een dynamische verwijzing gericht aan DNB geïmplementeerd. |
|
5 (3) |
Artikel I, onderdeel G, IHAV. 3:57c, lid 1 en 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
5 (4) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.5, lid 2, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
5 (5) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.5, lid 4, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
5 (6) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.5, lid 4, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
5 (7) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.5, lid 4, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
5 (8), eerste alinea |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.5, lid 4, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
5 (8), tweede alinea |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.5, lid 3, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
5 (8), derde alinea |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.5, lid 4, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
5 (9) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.8, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
5 (10) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.5, lid 1, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
5 (11) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
5 (12) (a) en (b) |
Artikel I, onderdeel G 3:57c, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
5 (12) (c) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.5 Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
6 (1) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.7, lid 1, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
6 (2) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
6 (3) |
Implementatieregeling 1:51 en 1:69 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
6 (4) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.7, lid 2 en 3, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
6 (5) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.7, lid 4 en 5, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
7 (1), eerste alinea |
Artikel I, onderdeel H, IHAV. Artikel 3:288i1, lid 1, Wft aangepast ter verwijzing naar de richtlijn artikelen. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
7 (1), tweede alinea |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.6, lid 2, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
7 (2) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.6, lid 2, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
7 (3) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.6, lid 2, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
7 (4) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 3:288i1, lid 3, Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
7 (5) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 3:288i1, lid 2 en 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
7 (6) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
7 (7) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.6, lid 1, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
7 (8) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.6 Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
8 (1) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.7, lid 1, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
8 (2) |
Implementatiebesluit Gewijzigd artikel 26.7, lid 1, Bpr |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
9 (1) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in: 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
9 (2) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in: 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
9 (3) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
9 (4) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in: 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
9 (5) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Gewijzigd artikel 3A:81, lid 4 en 5, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
9 (6) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in: 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
9 (7) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in: 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
9 (8) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in: 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
9 (9) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in: 3A:81, lid 1, Wft, artikel gewijzigd |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
10 (1) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:81a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van groepsafwikkelingsplannen |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
10 (2) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:81a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van groepsafwikkelingsplannen |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
10 (3) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
10 (4) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Gewijzigd artikel 3A:81, lid 2, Wft, invoeging afwikkelingsplannen voor de daarin bedoelde entiteiten |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
10 (5) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:81a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van groepsafwikkelingsplannen |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
10 (6) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:81a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van groepsafwikkelingsplannen |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
11 (1), eerste alinea |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:80e Wft, verwijzing naar 5:20, eerste lid, Awb. Toegevoegd aan bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
11 (1), tweede alinea |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
11 (2) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:81a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van groepsafwikkelingsplannen en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
11 (3) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:81a, lid 2, Wft ingevoegd ter implementatie van groepsafwikkelingsplannen Toegevoegd aan bijlage [PM] in Rtt Wft. |
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD |
Verplichting toegevoegd voor een uiteindelijke moederonderneming om DNB in te lichten bij een situatie in het geval van artikel 11, lid 3, IRRD. Deze informatieplicht geldt voor verzekeraars op grond van artikel 9, lid 5, tweede alinea, IRRD. Dit is overgenomen voor uiteindelijke moederondernemingen. |
|
11 (4) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
12 (1) |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in 5:16, 5:20 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en 1:74 Wft, nieuwe schakelbepaling 3A:80e, lid 1 en 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
12 (2) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
12 (3) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft |
N.v.t. |
Gericht aan EIOPA, maar de hieruit voortvloeiende technische uitvoeringsnormen worden onderdeel van de Rtt Wft |
|
13 (1) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:82, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om te verwijzen naar de richtlijn artikelen. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
13 (2) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:82, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om te verwijzen naar de richtlijn artikelen. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
13 (3) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:82, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om te verwijzen naar de richtlijn artikelen. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
13 (4) |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in 5:16, 5:20 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en 1:74 Wft, nieuwe schakelbepaling 3A:80e, lid 1 en 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
13 (5) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:82, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om te verwijzen naar de richtlijn artikelen. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
14 (1) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:82a Wft ingevoegd. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
14 (2) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:82a Wft ingevoegd. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
14 (3) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:82a Wft ingevoegd. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
14 (4) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:82a Wft ingevoegd. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
14 (5) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:82a Wft ingevoegd. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
15 (1) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:83, lid 1, Wft, artikel gewijzigd ter nadere implementatie. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
15 (2) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:81a, lid 1 Wft ingevoegd ter implementatie van de belemmeringen afwikkelbaarheid groep. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
15 (3) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:83, lid 2, Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
15 (4), eerste alinea |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht, maar ter implementatie artikel 3A:83, lid 3 Wft gewijzigd en een nieuw artikel 3A:83a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van de belemmeringen afwikkelbaarheid groep. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
15 (4), tweede alinea |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
15 (5) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht, maar ter implementatie artikel 3A:83, lid 3 Wft gewijzigd en een nieuw artikel 3A:83a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van de belemmeringen afwikkelbaarheid groep. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
15 (6) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatieregeling Artikel 3A:83, lid 3 Wft gewijzigd en Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
15 (7), eerste alinea |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Artikel 3A:83, lid 3 Wft gewijzigd. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
15 (7), tweede alinea |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft en volgt reeds uit het systeem van de Awb. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
15 (8) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Artikel 3A:83, lid 3 Wft gewijzigd. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
16 (1) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatieregeling Nieuw artikel 3A:83a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van de belemmeringen afwikkelbaarheid groep en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
16 (2) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatieregeling Nieuw artikel 3A:83a, lid 1, Wft ingevoegd ter implementatie van de belemmeringen afwikkelbaarheid groep en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
16 (3), eerste alinea |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Nieuw artikel 3A:83a, lid 2, Wft ingevoegd ter implementatie van de belemmeringen afwikkelbaarheid groep. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
16 (3), tweede alinea |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
16 (4) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatieregeling Nieuw artikel 3A:83a, lid 3, Wft, ingevoegd ter implementatie van de belemmeringen afwikkelbaarheid groep en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
17 (1) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatieregeling Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
17 (2) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatieregeling Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
17 (3) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatieregeling Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t |
|
17 (4) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatieregeling Toegevoegd aan artikel 3A:81, lid 3, het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
17 (5) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatieregeling Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
17 (6) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatieregeling Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
17 (7) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatieregeling Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
17 (8) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatieregeling Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
17 (9) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatieregeling Toegevoegd aan het nieuwe artikel 3A:81a, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
18 (1) |
Artikel I, onderdeel O, IHAV Onderdeel van bestaande regelgeving in gewijzigd 3A:84 Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
18 (2), eerste alinea |
Artikel I, onderdeel O, IHAV. Onderdeel van bestaande regelgeving in gewijzigd 3A:84 Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
18 (2), tweede t/m vierde alinea |
Implementatieregeling Onderdeel van de taakuitoefening van op grond van 1:24 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
18 (3) |
Artikel I, onderdeel O, IHAV. Toegevoegd in gewijzigd 3A:84 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
19 (1) |
Artikel I, onderdeel O, IHAV. Onderdeel van bestaand recht in 3A:85, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
19 (2) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van de taakuitoefening (binnen) de Nederlandsche Bank |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
19 (3) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van de taakuitoefening |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
19 (4) |
Artikel I, onderdeel O, IHAV. Onderdeel van bestaand recht in 3A:85, lid 2, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
19 (5) |
Artikel I, onderdeel O, IHAV Implementatieregeling Onderdeel van bestaand recht in 3A:85, lid 3, Wft, artikel wordt gewijzigd om aan te sluiten bij de IRRD en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
20 (1) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Onderdeel van bestaand recht in 3A:86, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
20 (2) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
20 (3) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:86, lid 2, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
21 |
Artikel II, onderdeel F, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in 213abis, lid 1, Faillissementswet (Fw), artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
Inrichting procedure door lidstaat waarbij ordelijke uitstap uit de markt wordt gewaarborgd |
Bestaand kader voor insolventieprocedures voor verzekeraars, wordt hiermee gehandhaafd, waarbij DNB nu de verplichting heeft het faillissement aan te vragen. |
|
22 (1), a |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van de taakuitoefening |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
22 (1), b |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van de taakuitoefening |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
22 (1), c |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van de taakuitoefening |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
22 (1), d |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in 1:74 Wft en 5:20 Awb en de schakelbepaling 3A:80e Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
22 (1), e |
Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 9 en 248 van het Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1, sub 2, van de Wet op de economische delicten, vermelding naar de artikelen 3:57 (solvabiliteit) en 3:63 (liquiditeit) Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
22 (1), f |
Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 277 en 278, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
22 (1), g |
Artikel I, onderdelen Q en S, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:88 en 3A:91, Wft artikelen gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
22 (1), h |
Artikel I, onderdelen Q, S en GGG, IHAV Volgt uit de samenhang tussen de artikelen 3A:88, 3A:91, 3A:138 en § 3A.2.4.7. Waarborgen Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
22 (2) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
22 (3) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
22 (4) |
Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 666, lid 2, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
22 (5) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
22 (6) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
23 (1) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Onderdeel van bestaand recht in 3A:89, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
23 (2) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Onderdeel van bestaand recht in 3A:89, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
23 (3) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
23 (4) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
23 (5) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Geïmplementeerd in artikel 3A:89, tweede lid, Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
24 (1) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Onderdeel van bestaand recht in 3A:89, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
24 (2) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Onderdeel van bestaand recht in 3A:89, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
24 (3) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
24 (4) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
24 (5) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Onderdeel van bestaand recht in 3A:89, nu toegevoegd aan lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
24 (6) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV 3A:89, lid 1, Wft |
N.v.t. |
Gericht aan EIOPA, maar meegenomen in de wet wanneer deze informatie is vastgesteld door EIOPA. |
|
25 (1) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
25 (2) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
25 (3) |
Artikel I, onderdelen Q, BB en LL, IHAV Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, 3A:101, eerste lid, en 3A:115 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
25 (4) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Toegevoegd aan 3A:89, lid 1, Wft |
N.v.t. |
Gericht aan EIOPA, maar meegenomen in de wet wanneer deze informatie is vastgesteld door EIOPA. |
|
26 (1) |
Artikel I, onderdeel S, IHAV Onderdeel van bestaand recht in 3A:92, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
26 (2), eerste alinea |
Artikel I, onderdeel S, IHAV Toegevoegd aan 3A:92, lid 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
26 (2), tweede alinea |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
26 (2), derde alinea |
Artikel I, onderdeel S, IHAV Toegevoegd aan 3A:92, lid 4, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
26 (3), eerste alinea |
Artikel I, onderdeel I, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in de definitie van afwikkelingsinstrument in 3A:77, instrument van de solvabele run-off wordt toegevoegd. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
26 (3), tweede alinea |
Artikel I, onderdeel S, IHAV Toegevoegd aan 3A:92, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
26 (4) |
Artikel I, onderdelen FF en LL, IHAV Onderdeel van bestaand recht in 3A:106 en 3A:115 Wft, artikelen gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
26 (5) |
Artikel I, onderdeel DDD, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:133, lid 1 en lid 2, Wft, artikelen aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
Discretie aan DNB. |
N.v.t. |
|
26 (6) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:129 Wft, behoeft geen nadere aanpassing. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
26 (7) |
Artikel I, onderdelen S en T, IHAV 3A:92 (2), 3A:93 (1)(a) Wft |
Lidstaatoptie |
Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht te kunnen handhaven t.a.v. de inzetbaarheid van het instrument van bail-in. |
|
26 (8) |
Behoeft geen implementatie. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
27 (1) |
Artikel I, onderdeel QQ, IHAV Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
27 (2) |
Artikel I, onderdeel QQ, IHAV Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 1 en lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
27 (3) |
Artikel I, onderdeel QQ, IHAV Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
27 (4) |
Artikel I, onderdeel QQ, IHAV Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
27 (5) |
Artikel I, onderdeel QQ, IHAV Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
27 (6) |
Artikel I, onderdeel QQ, IHAV Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
27 (7) |
Artikel I, onderdeel QQ, IHAV Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119a, lid 4, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
27 (8) |
Artikel I, onderdeel QQ, IHAV Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119b, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
27 (9) |
Artikel I, onderdeel QQ, IHAV Geïmplementeerd in nieuw artikel 3A:119b, lid 2, Wft |
Discretie aan DNB. |
N.v.t. |
|
28 (1) |
Artikel I, onderdelen L, DD, FF en FFF, IHAV. Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:80, lid 1 t/m lid 3, Wft, op onderdelen aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:103, 3A:109 en 3A:135, Wft, artikelen worden aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
28 (2) |
Artikel I, onderdeel FF en MM, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:107 en 3A:115, Wft, artikelen aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
28 (3) |
Artikel I, onderdeel OO, IHAV Nieuw artikel 3A:118a, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
28 (4) |
Artikel I, onderdelen Q, S en GGG, IHAV Volgt uit 3A:88, 3A:91, 3A:138 en § 3A.2.4.7. Waarborgen Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
28 (5) |
Artikel I, onderdeel S, IHAV Toevoeging aan 3A:92, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
28 (6) |
Artikel I, onderdelen HH, LL en PP, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:111, 3A:115 en 3A:119 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
28 (7) |
Artikel I, onderdeel EEE, IHAV Nieuw artikel toegevoegd 3A:133a Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
29 (1) |
Artikel I, onderdelen FF, LL en PP, IHAV Geïmplementeerd door aanpassing aan 3A:105, lid 2, 3A:115 en 3A:119, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
29 (2) |
Artikel I, onderdelen FF, LL en PP, IHAV Geïmplementeerd door aanpassing aan 3A:105, lid 2 en 3, 3A:115 en 3A:119, Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
29 (3) |
Artikel I, onderdelen FF, LL en PP, IHAV Aangepast artikel 3A:105, lid 4, 3A:115 en 3A:119, Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
30 (1) |
Artikel I, onderdeel NN, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:117, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
30 (2) a & b |
Implementatiebesluit Volgt reeds uit 3A:118 Wft (behoeft geen aanpassing) en 7d Bbpm. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
30 (3) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:117, lid 3, Wft, behoeft geen aanpassing. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
30 (4) |
Implementatiebesluit Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:118, lid 1, Wft (behoeft geen aanpassing) en gewijzigd artikel 7d, lid 3, Bbpm |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
30 (5) |
Artikel I, onderdeel NN, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:117, lid 2, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
30 (6) |
Artikel I, onderdeel OO, IHAV Geïmplementeerd via nieuw artikel 3A:118a, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
30 (7) |
Artikel I, onderdeel NN, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:117, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
30 (8) |
Artikel I, onderdeel OO, IHAV Geïmplementeerd via een nieuw artikel 3A:118b, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
30 (9), eerste alinea |
Implementatiebesluit Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:118, lid 1, Wft (behoeft geen aanpassing) en gewijzigd artikel 7d, lid 4, Bbpm |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
30 (9), tweede alinea |
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:25d, lid 3, onderdeel e |
Lidstaatoptie |
Lidstaatoptie wordt gebruikt om bestaand recht te handhaven. |
|
31 (1) |
Artikel I, onderdeel EE, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:104, onderdeel b, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
31 (2) |
Artikel I, onderdeel EE, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:105, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
31 (3) |
Artikel I, onderdeel FF, IHAV Geïmplementeerd in gewijzigd artikel 3A:108, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
31 (4) |
Artikel I, onderdeel FF, IHAV Geïmplementeerd in gewijzigd artikel 3A:109, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
31 (5) |
Artikel I, onderdelen DD en FF, IHAV Geïmplementeerd in gewijzigd artikel 3A:103 en 3A:109, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
31 (6) |
Artikel I, onderdelen DD en FF, IHAV Geïmplementeerd in gewijzigd artikel 3A:103 en 3A:109 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
31 (7) |
Artikel I, onderdeel GG, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 3A:110 Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
32 (1) |
Artikel I, onderdeel JJ, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 3A:112, onderdeel b, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
32 (2) |
Artikel I, onderdeel KK, IHAV Implementatiebesluit Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 3A:113, lid 1, Wft en 7b en 7c Bbpm |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
32 (3) |
Artikel I, onderdeel KK, IHAV Geïmplementeerd in gewijzigd artikel 3A:113, lid 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
32 (4) |
Artikel I, onderdeel LL, IHAV Geïmplementeerd in gewijzigd artikel 3A:114, lid 2 en 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
32 (5) |
Artikel I, onderdeel LL, IHAV Toegevoegd aan artikel 3A:114, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
32 (6) |
Artikel I, onderdelen GG, HH en LL, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:110, 3A:111, 3A:115 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
32 (7), eerste alinea |
Artikel I, onderdeel KK, IHAV Implementatiebesluit Volgt uit artikel 3A:113, lid 1, Wft en aangepast artikel 7b, lid 4, Bbpm. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
32 (7), tweede alinea |
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:25d, lid 3, onderdeel c en d |
Lidstaatoptie |
Lidstaatoptie wordt gebruikt om bestaand recht te handhaven. |
|
33 (1) a |
Implementatiebesluit Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 7b en 7c Bbpm |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
33 (1) b |
Implementatiebesluit Aangepast paragraaf 5a.1 Bbpm. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
33 (1) c |
Implementatiebesluit Aangepast paragraaf 5a.1 Bbpm. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
33 (1) d |
Implementatiebesluit Aangepast paragraaf 5a.1 Bbpm. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
33 (1) e |
Artikel I, onderdeel LL, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:116, lid 1, Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
33 (1) f |
Implementatiebesluit Aangepast paragraaf 5a.1 Bbpm. |
N.v.t |
N.v.t. |
|
33 (1) g |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
33 (1), tweede alinea |
Artikel I, onderdeel LL, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:116, lid 2, Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
33 (2) |
Implementatiebesluit Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 3A:113, Wft, aangepast paragraaf 5a.1 Bbpm. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
33 (3) |
Implementatiebesluit Volgt op onderdelen reeds uit bestaand recht in artikel 3A:113, Wft, artikel 7f, lid 1, Bbpm wordt aangepast. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
33 (4) |
Artikel I, onderdelen FF en LL, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in artikel 3A:107 en 3A:115, Wft, gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
34 |
Wordt niet geïmplementeerd. |
Lidstaatoptie |
Geen instelling van een verzekeringsgarantiestelsel. |
|
35 (1), eerste alinea |
Artikel I, onderdeel T, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:93, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
35 (1), tweede alinea |
Implementatieregeling Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:122 Wft en de richtlijn wordt toegevoegd bijlage [PM] in Rtt Wft als onderdeel van de taakuitoefening van DNB. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
35 (2) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:93, lid 3, en 3A:101 Wft, wordt niet nader aangepast ter implementatie. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
35 (3) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:121, lid 1, Wft, wordt niet nader aangepast ter implementatie. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
35 (4) |
Artikel I, onderdeel U, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:94, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
35 (5) |
Artikel I, onderdeel U, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:94, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
35 (6) |
Artikel I, onderdeel U, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:94, lid 1, sub g, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
35 (7) |
Artikel I, onderdeel U, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:94, lid 1, sub a, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
35 (8) |
Artikel I, onderdeel U, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:94, lid 2, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
35 (9) |
Artikel I, onderdeel T, IHAV Ter implementatie toegevoegd aan 3A:93, lid 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
36 (1) |
Artikel I, onderdeel T, IHAV Ter implementatie toegevoegd aan 3A:93, lid 1 en 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
36 (2), sub a |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:89, lid 1, Wft |
N.v.t |
N.v.t. |
|
36 (2), sub b |
Artikel I, onderdelen Q en V, IHAV Volgt uit 3A:89, lid 1, 3A:95 en geïmplementeerd in 3A:95a, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
36 (3) |
Artikel I, onderdeel DD, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:103, lid 1 en 2, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
36 (4) |
Artikel I, onderdeel DD, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:103, lid 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
37 |
Artikel I, onderdelen T en X, IHAV Toegevoegd aan 3A:93, lid 3, Wft, ter implementatie artikel 3A:97 Wft vervallen |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
38 (1) aanhef |
Artikel II, onderdeel E, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:95 Wft en geïmplementeerd in 213ml Fw. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
38 (1) a t/m d |
Artikel I, onderdeel V, IHAV Geïmplementeerd met een nieuw artikel 3A:95a, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
38 (1), tweede alinea |
Artikel I, onderdeel BB, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:101, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
38 (1), derde alinea |
Artikel I, onderdeel V, IHAV Geïmplementeerd met een nieuw artikel 3A:95a, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
38 (1), vierde alinea |
Artikel II, onderdeel F, IHAV Geïmplementeerd met een nieuw artikel 213ml Fw |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
38 (2) |
Artikel I, onderdeel Z, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:99 Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
38 (3), eerste alinea |
Artikel I, onderdeel W, IHAV Geïmplementeerd in artikel 3A:96, lid 1, Wft |
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD |
Stichting administratiekantoor als entiteit ten behoeve van houder van rechten toegevoegd aan 3A:96, lid 2. |
|
38 (3), tweede alinea |
Artikel I, onderdeel W, IHAV Geïmplementeerd in artikel 3A:96, lid 5, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
38 (4) |
Artikel I, onderdeel W, IHAV Geïmplementeerd in artikel 3A:96, lid 2 en 5, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
39 (1) |
Artikel I, onderdeel L, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:80, lid 3 en 4, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
39 (2) |
Artikel I, onderdeel Y, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:98, lid 2, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
39 (3) |
Artikel I, onderdeel AA, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:100, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
39 (4) |
Artikel I, onderdeel AA, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:100, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
40 (1) |
Artikel I, onderdeel CC, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:102, lid 1 en 2, Wft, behoeft geen nadere aanpassing |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
40 (2) |
Artikel I, onderdeel CC, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:102, lid 3, Wft, behoeft geen nadere aanpassing |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
40 (3) |
Artikel I, onderdeel CC, IHAV Toegevoegd ter implementatie aan 3A:102, lid 4, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
40 (4) |
Artikel I, onderdeel CC, IHAV Toegevoegd ter implementatie aan 3A:102, lid 4, Wft |
N.v.t. |
Gericht aan EIOPA, echter zo worden de technische regulerings-normen meegenomen in de verplichting |
|
41 (1) |
Artikel I, onderdeel N, IHAV Implementatiebesluit Geïmplementeerd in 3A:82, lid 1, en 3A:82a, lid 1, Wft en 5, lid 2 en wijziging Bbpm |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
41 (2) |
Artikel I, onderdeel L, IHAV Reeds onderdeel van bestaand recht in 3A:80, lid 1 t/m 3, Wft, artikelen aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (1), a |
Volgt reeds uit bestaand recht in 5:16 en 5:17 Awb, 1:74 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (1), b |
Artikel I, onderdeel TT, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:120 Wft |
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD |
Artikel aangepast om aan te sluiten bij het nationaal wetgevend kader voor banken resolutie. |
|
42 (1), c |
Artikel I, onderdeel QQ, IHAV Geïmplementeerd in 3A:119a, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (1), d |
Artikel I, onderdeel MM, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:116, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (1), e |
Artikel I, onderdelen EE en JJ, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:104, onderdeel a, 3A:112, onderdeel a, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (1), f |
Artikel I, onderdelen EE, JJ en LL, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:104, 3A:112, Wft en 3A:114 Wft gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de richtlijn. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (1), g |
Artikel I, onderdeel T, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:93, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de richtlijn |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (1), h |
Artikel I, onderdeel T, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:93, lid 1, sub b, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de richtlijn |
N.v.t |
N.v.t. |
|
42 (1), i |
Artikel I, onderdeel T, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:93, lid 1, sub a, en uit samenhang met 3A:94, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (1), j |
Artikel I, onderdelen T, Z en AA, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:93, 3A:99 en 3A:100, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (1), k |
Artikel I, onderdeel W, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:96, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (1), l |
Artikel I, onderdeel VV, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:122, lid 2, en 3A:123, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (1), m |
Artikel I, onderdeel CC, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:102, lid 2, en 3A:122, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (1), n |
Artikel I, onderdeel RR, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:120a Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (1), o |
Artikel I, onderdelen DD en FF, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:103, lid 1 t/m 3 en 3A:109, Wft, artikelen gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (2) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van taakuitoefening |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (3) |
Artikel I, onderdeel L, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:80, lid 1 t/m 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (4) |
Artikel I, onderdeel SS, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht, 3A:121, lid 1, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
42 (5) |
Artikel I, onderdelen Q, S en GGG. IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in en samenhang tussen 3A:88, 3A:91 en 3A:138 en § 3A.2.4.7. Waarborgen Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
43 (1), a |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:122 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
43 (1), b |
Artikel I, onderdeel L, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:80, lid 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
43 (1), c |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:127, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
43 (1), d |
Artikel I, onderdelen HH en LL, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:111, lid 1 en 2 en 3A:115 |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
43 (1), e |
Artikel I, onderdeel HH, IHAV Geïmplementeerd in 3A:111, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
43 (1), f |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:122, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
43 (1), g |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:122, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
43 (2) |
Artikel I, onderdeel O, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:85, lid 3, Wft, artikel gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
43 (3) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:111, lid 1, 3a:122, lid 1, Wft en 3:80 BW |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
43 (4), sub a |
Behoeft geen implementatie, mogelijkheid opzeggen arbeidsovereenkomst wordt niet uitgesloten in hoofdstuk 3A Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
43 (4), sub b |
Behoeft geen implementatie, de in die artikelen genoemde artikelen sluiten sub b, niet uit. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
44 (1) |
Artikel I, onderdeel RR, IHAV 3A:120, lid 1, Wft |
Lidstaatoptie |
Optie om meerdere bijzondere bestuurders te benoemen |
|
44 (2) |
Artikel I, onderdeel RR, IHAV Geïmplementeerd in 3A:120, lid 3, 5 en 6, Wft |
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD |
Artikel aangepast om aan te sluiten bij het nationaal wetgevend kader voor banken resolutie. |
|
44 (3) |
Artikel I, onderdeel RR, IHAV Geïmplementeerd in 3A:120, lid 4, Wft |
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD |
Artikel aangepast om aan te sluiten bij het nationaal wetgevend kader voor banken resolutie. |
|
44 (4) |
Artikel I, onderdeel RR, IHAV Geïmplementeerd in 3A:120, lid 7 |
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD |
Artikel aangepast om aan te sluiten bij het nationaal wetgevend kader voor banken resolutie en |
|
44 (5) |
Artikel I, onderdeel RR, IHAV Geïmplementeerd in 3A:120, lid 2, Wft en |
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD |
Artikel aangepast om aan te sluiten bij het nationaal wetgevend kader voor banken resolutie. |
|
44 (6) |
Artikel I, onderdeel RR, IHAV Geïmplementeerd in 3A:120, lid 2, Wft |
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD |
Artikel aangepast om aan te sluiten bij het nationaal wetgevend kader voor banken resolutie. |
|
45 (1) |
Artikel I, onderdeel II, IHAV Geïmplementeerd in 3A:111a, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
45 (2) |
Artikel I, onderdelen J en II, IHAV 3A:78, sub e, 3A:111a, lid 4, Wft |
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD |
Afwikkelingsautoriteit een AED in staat te stellen diensten te blijven leveren door ook in afwikkeling te kunnen nemen. |
|
45 (3) |
Artikel I, onderdeel II, IHAV Geïmplementeerd in 3A:111a, lid 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
45 (4) |
Artikel I, onderdeel II, IHAV Geïmplementeerd in 3A:111a, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
46 (1) |
Artikel I, onderdeel K, IHAV Geïmplementeerd in 3A:79a, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
46 (2) |
Behoeft geen implementatie, volgt uit samenwerking ‘Onze Minister’ en DNB |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
46 (3) |
Artikel I, onderdeel K, IHAV Geïmplementeerd in 3A:79a, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
46 (4) |
Artikel I, onderdeel K, IHAV Geïmplementeerd in 3A:79a, lid 1, en volgt reeds uit 1:24 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
46 (5) |
Artikel I, onderdeel K, IHAV Geïmplementeerd in 3A:79a, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
46 (6) |
Artikel I, onderdeel FFF, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht uit de algemene regels Hoofdstuk 6 Awb en 3A:135 Wft op basis waarvan beroep mogelijk is. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
47 (1) aanhef |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:79, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
47 (1) sub a en b |
Artikel I, onderdeel RR, IHAV Geïmplementeerd in 3A:120, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
47 (1) sub c |
Artikel I, onderdelen DDD en GGG, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:133 en 3A:138, lid 3, sub c, Wft, artikelen aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
47 (2) |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Implementatieregeling Geïmplementeerd in 3A:80a Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD |
Geldt ook voor AED’s en verzekeraars met beperkte risico-omvang |
|
47 (3) |
Implementatieregeling Volgt reeds uit bestaand recht in 1:24 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van taakuitoefening DNB. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
48 (1) |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Geïmplementeerd in 3A:80c, lid 1 tot en met 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
48 (2) |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Geïmplementeerd in 3A:80c, lid 4, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
48 (3) |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Geïmplementeerd in 3A:80c, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
48 (4) |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Geïmplementeerd in 3A:80c, lid 5, sub d, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
48 (5) |
Artikel I, onderdeel YY, IHAV Geïmplementeerd in 3A:126 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
48 (6) |
Artikel I, onderdeel MM, IHAV Geïmplementeerd in 3A:80c, lid 6, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
49 (1) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:123, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
49 (2) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:123, lid 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
49 (3) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:123, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
49 (4) |
Artikel I, onderdeel VV, IHAV Geïmplementeerd in 3A:123, lid 4, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
49 (5) |
Implementatieregeling Volgt reeds uit bestaand recht in 1:24, Wft en richtlijn toegevoegd aan Bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
50 (1) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:124, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
50 (2) |
Artikel I, onderdeel WW, IHAV Geïmplementeerd in 3A:124, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
50 (3) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van taakuitoefening DNB. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
51 (1) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:125, lid 1 en 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
51 (2) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:125, lid 2 en 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
51 (3) |
Artikel I, onderdeel XX, IHAV Geïmplementeerd in 3A:125, lid 4, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
51 (4) |
Artikel I, onderdeel XX, IHAV Geïmplementeerd in 3A:125, lid 5, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
51 (5) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:125, (nieuw) lid 6, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
52 (1) |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Geïmplementeerd in 3A:80b, lid 1, Wft |
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD |
Geldt ook voor AED’s en verzekeraars met beperkte risico-omvang. |
|
52 (2) |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Geïmplementeerd in 3A:80b, lid 2, Wft |
Lidstaatoptie |
Discretie aan DNB om overweging te maken verplichting op te leggen aan een uiteindelijke moederonderneming. |
|
52 (3) |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Geïmplementeerd in 3A:80b, lid 4, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
52 (4) |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Geïmplementeerd in 3A:80b, lid 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
52 (5) |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Geïmplementeerd in 3A:80b, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
53 (1) |
Artikel I, onderdeel UU, IHAV Geïmplementeerd in 3A:122a Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
53 (2) |
Artikel I, onderdeel UU, IHAV Geïmplementeerd in 3A:122a Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
54 (1) |
Artikel I, onderdeel RR, IHAV Geïmplementeerd in 3A:120, lid 1 en 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
54 (2) |
Volgt reeds uit bestaand recht in Hoofdstuk 1.4 Wft, afdeling 3A.2.3 en 3A.2.4 Wft zijn van toepassing |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
54 (3) |
Artikel I, onderdeel RR, IHAV Implementatieregeling Geïmplementeerd in 3A:120, lid 1, en 1:24 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
54 (4) |
Behoeft geen implementatie. |
N.v.t. |
Niet van toepassing in het nationaal recht. |
|
55 (1) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht 3A:88 Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
55 (2) |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht 3A:88 Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
56 (1) |
Artikel I, onderdeel S, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht 3A:91, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
56 (2) |
Artikel I, onderdeel S, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht 3A:91, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
56 (3) |
Artikel I, onderdeel S, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht 3A:91, lid 1, Wft, artikel aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
56 (4) |
Artikel H, onderdeel T, IHAV Geïmplementeerd in artikel 3A:91, eerste lid, Wft. |
N.v.t. |
Gericht aan EIOPA. |
|
57 |
Artikel I, onderdelen S en GGG, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht 3A:91, lid 2, en 3A:138, lid 3, Wft, artikelen aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
58 (1) |
Behoeft geen separate implementatie omdat de vereiste bescherming is uitgewerkt in 59-62 IRRD die geïmplementeerd worden in 3A:130 en 3A:132 Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
58 (2) |
Behoeft geen separate implementatie omdat de vereiste bescherming is uitgewerkt in 59-62 IRRD die geïmplementeerd worden in 3A:130 en 3A:132 Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
58 (3) |
Behoeft geen implementatie, het nationaal wettelijk kader maakt geen onderscheid tussen een ‘hoeveelheid’ van partijen en andere genoemde factoren. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
59 (1) |
Artikel I, onderdeel CCC, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:132, lid 1, Wft, artikel is gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
59 (2) |
Artikel I, onderdeel CCC, IHAV Geïmplementeerd in 3A:132, lid 5, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
60 (1) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:132, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
60 (2) |
Artikel I, onderdeel CCC, IHAV Geïmplementeerd in 3A:132, lid 5, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
61 (1) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:132, lid 3, Wft, artikel is gewijzigd om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
61 (2) |
Artikel I, onderdeel CCC, IHAV Geïmplementeerd in 3A:132, lid 5, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
62 (1) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:130, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
62 (2) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:130, lid 2, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
63 (1) |
Artikel I, onderdeel P, IHAV Nieuw artikel ter implementatie ingevoegd, 3A:85a, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
63 (2) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van informatie uitwisseling. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
63 (3) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van informatie uitwisseling. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
64 (1) |
Artikel I, onderdeel O, IHAV Implementatieregeling Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:85, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van grensoverschrijdende samenwerking. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
64 (2) |
Implementatieregeling Volgt reeds uit bestaand recht in 3:46 Awb en 1:24 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve vaan informatie uitwisseling |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
65 |
Artikel I, onderdeel F, IHAV Implementatieregeling Volgt reeds uit bestaand recht in 3:41, lid 2, Awb, 1:24 en toevoeging van de richtlijn aan 1:90, lid 1, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
66 (1) |
Artikel I, onderdeel F, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 1:89, lid 1, en toevoeging van de richtlijn aan 1:90 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
66 (2) |
Implementatieregeling Volgt reeds uit bestaand recht in 1:89, lid 2 en 4, en 1:24 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van taakuitoefening van DNB |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
66 (3) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:24 en 1:93d Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
66 (4) |
Artikel I, onderdeel F, IHAV Toevoeging richtlijn aan 1:90, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
66 (5), onderdeel a |
Volgt reeds uit 1:89 (1) en (4) Wft |
Lidstaatoptie |
Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht te kunnen handhaven. |
|
66 (5), onderdeel b |
Volgt reeds uit 1:93d en 1:93e Wft |
Lidstaatoptie |
Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht te kunnen handhaven. |
|
66 (5), onderdeel c |
Artikel I, onderdeel F, IHAV Richtlijn toegevoegd aan 1:90 (1) Wft |
Lidstaatoptie |
Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht te kunnen handhaven. |
|
66 (6) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
66 (7) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
Gericht aan EIOPA. |
|
67 (1) |
Wordt niet geïmplementeerd. |
Lidstaatoptie |
N.v.t. |
|
67 (2) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:135 Wft en 8:1 Awb |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
67 (3) |
Artikel I, onderdeel FFF, IHAV Toegevoegd aan 3A:135, zevende lid, Wft en volgt reeds uit bestaand recht in 8:1 Awb |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
67 (4) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:136 en 3A:137 Wft en 6:16 Awb |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
68 (1) |
Artikel II, onderdelen B en I, IHAV Geïmplementeerd in artikel 213abis en 213kkb Fw |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
68 (2) |
Artikel II, onderdelen B en I, IHAV Geïmplementeerd in artikel 213abis en 213kkb Fw |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
68 (3) |
Artikel I, onderdeel ZZ, IHAV Geïmplementeerd in 3A:127a Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
69 |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van taakuitoefening DNB |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
70 |
Artikel I, onderdeel D, IHAV Implementatieregeling Richtlijn toegevoegd aan 1:51e, Wft volgt reeds uit bestaand recht in 1:65, lid 6, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van grensoverschrijdende samenwerking. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
71 |
Artikel I, onderdeel D, IHAV Implementatieregeling Richtlijn toegevoegd aan 1:51e, en volgt reeds uit bestaand recht in 1:65, lid 6, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van grensoverschrijdende samenwerking |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
72 (1) |
Artikel I, onderdelen D en F, IHAV Implementatieregeling Richtlijn toegevoegd aan 1:51 en 1:90 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van grensoverschrijdende samenwerking en informatie uitwisseling |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
72 (2) |
Artikel I, onderdeel D, IHAV Implementatieregeling Richtlijn toegevoegd aan 1:51e Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van grensoverschrijdende samenwerking en informatie uitwisseling |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
72 (3) |
Artikel I, onderdeel F, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 1:65 en richtlijn toegevoegd aan 1:90 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
73 |
Implementatieregeling Volgt reeds uit bestaand recht in 1:24, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
74 |
Artikel I, onderdeel D, IHAV Implementatieregeling Richtlijn toegevoegd aan 1:51e en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van grensoverschrijdende samenwerking |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
75 (1) & (2) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
Gericht aan de Europese Commissie |
|
75 (3) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
Is aan de discretie van een lidstaat. |
|
76 (1) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
Uitleg van de andere leden. |
|
76 (2) |
Artikel I, onderdeel K, IHAV Nieuw artikel 3A:79b, lid 1, Wft ter implementatie |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
76 (3) |
Artikel I, onderdeel K, IHAV Nieuw artikel 3A:79b, lid 2, Wft ter implementatie |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
76 (4) |
Artikel I, onderdeel K, IHAV Nieuw artikel 3A:79b, lid 2, Wft ter implementatie |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
76 (5) |
Artikel I, onderdeel K, IHAV Nieuw artikel 3A:79b, lid 3, Wft ter implementatie |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
77 |
Artikel I, onderdeel K, IHAV Nieuw artikel 3A:79b, lid 4, Wft ter implementatie |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
78 |
Artikel I, onderdeel Q, IHAV Artikel 3A:87 gewijzigd ten behoeve van implementatie |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
79 |
Implementatieregeling Bijlage [PM] bij Rtt Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
80 (1) |
Artikel I, onderdeel F, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 1:51, lid 3, Wft en richtlijn toegevoegd aan 1:90, lid 1, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
80 (2) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:90, lid 2 en 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
81 (1), eerste alinea |
Artikel I, onderdelen S en GGG, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht 3A:91 lid, 3A:138 lid 1, 3 en 4 Wft, artikelen aangepast om aan te sluiten bij de tekst van de IRRD |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
81 (1), tweede alinea |
Artikel I, onderdeel GGG, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:138, lid 3, sub c, Wft |
Lidstaatoptie |
Er is gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie om het bestaande recht te kunnen handhaven. |
|
81 (1), derde alinea |
Behoeft geen implementatie. |
Lidstaatoptie |
Er wordt geen gebruik gemaakt van deze lidstaatoptie, omdat het nationale recht geen algemeen verzekerings-garantiestelsel kent. |
|
81 (2) |
Artikel I, onderdeel GGG, IHAV Nieuw lid ingevoegd ten behoeve van implementatie in 3A:138, lid 5, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
81 (3) |
Artikel I, onderdeel GGG, IHAV Implementatiebesluit Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:138, lid 1, Wft en 7jd Bbpm |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
81 (4) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie |
N.v.t. |
Gericht aan de Europese Commissie. |
|
82 (1) |
Volgt reeds uit bestaand recht 1:75, 1:79 en 1:80 Wft. Artikelen IRRD toegevoegd aan bijlagen bij de bij 1:79 en 1:80 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
82 (2) |
Artikel I, onderdelen HHH en III, IHAV Volgt reeds uit bestaand recht in 5:1, lid 3, Awb |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
82 (3) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:46, 1:51, 1:74 Wft en Titel 5.2 Awb |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
82 (4) |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van taakuitoefening DNB |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
82 (5) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 3A:135 Wft en 8:5 en bijlage 1 en 2 Awb |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
83 (1) |
Artikel I, onderdelen HHH en III, IHAV Implementatiebesluit Volgt reeds uit bestaand recht in 1:79 en 1:80 en toevoeging richtlijn artikelen in de bijlagen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbf) |
Minimum harmonisatie, artikel 1, lid 2, IRRD |
Ook handhaving 3A:138, tweede lid, hiermee wordt het bestaande kader gehandhaafd. |
|
83 (2), a |
Implementatieregeling Volgt reeds uit bestaand recht in 1:94, lid 1, sub i, Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van taakuitoefening DNB |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
83 (2), b |
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:75 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
83 (2), c |
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:87 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
83 (2), d |
Implementatiebesluit Volgt reeds uit bestaand recht in 1:81, lid 3 en 1:82, lid 1, Wft en Bbbf |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
83 (2), e |
Implementatiebesluit Volgt reeds uit bestaand recht in 1:81, lid 2 en 3 Wft en Bbbf |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
83 (2), f |
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:83 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
83, laatste alinea |
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:82, lid 3, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
84 (1) |
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:97 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
84 (2) |
Implementatieregeling Volgt reeds uit bestaand recht in 1:98 Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van grensoverschrijdende samenwerking |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
85 (1), eerste alinea |
Artikel I, onderdeel D, IHAV Implementatieregeling Richtlijn toegevoegd aan 1:51e Wft en bijlage [PM] in Rtt Wft ten behoeve van informatie uitwisseling. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
85 (1), tweede en derde alinea |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
Gericht aan EIOPA. |
|
85 (2) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
Gericht aan EIOPA. |
|
86 |
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:88a Wft, 5:1, lid 3, en 5:46 Awb en Bbbf |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
87 |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Ter implementatie toegevoegd aan 3A:80c, lid 1, sub a, Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
88 |
Artikel I, onderdeel M, IHAV Nieuw artikel 3A:80e, Wft en volgt reeds uit bestaand recht in 5:70-71 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
90 |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft |
||
|
91 |
Implementatieregeling Bijlage [PM] in Rtt Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
92 |
Artikel I, onderdeel L, IHAV Artikel 3A:80 Wft |
||
|
93 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
Rechtstreekse werking |
|
94 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
Rechtstreekse werking |
|
95 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
Rechtstreekse werking |
|
96 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
Rechtstreekse werking |
|
97 |
Volgt reeds uit bestaand recht in 1:69 Wft |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
98 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
Gericht aan de Europese Commissie |
|
99 |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
Gericht aan de Europese Commissie |
|
100 (1) |
Artikel V IHAV |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
100 (2) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
101 (1) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
101 (2) |
Behoeft naar zijn aard geen implementatie. |
N.v.t. |
N.v.t. |
Richtlijn (EU) 2025/1 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 en de Verordeningen (EU) nr. 1094/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2017/1129.
Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II).
Herstelmaatregelen worden getroffen door de onderneming zelf als de onderneming in (financiële) moeilijkheden verkeert of dreigt te komen. Afwikkeling geschiedt door de nationale afwikkelingsautoriteit indien (voorzien wordt dat) herstelmaatregelen niet meer toereikend zullen zijn en de onderneming faalt of dreigt te falen (en aan bepaalde andere voorwaarden wordt voldaan). Beide vinden plaats buiten faillissement.
Het equivalent voor banken en bepaalde beleggingsondernemingen wordt in de Wet op het financieel toezicht en Europese regelgeving aangeduid met de term ‘herstelplan’. In de IRRD wordt het herstelplan of VCP aangeduid met de term ‘preventief herstelplan’.
Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad.
Aanbeveling 6 uit het rapport van de Evaluatiecommissie Conservatrix 2021, R. Konterman en P.F.M. van der Meer Mohr, Kamerstukken II 2021/22, 29 507, nr. 157, p. 143–144.
Kamerstukken II 2025-2016, 36 822, nr. 3, paragraaf 4.1 van het algemene deel van de toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:25d en 3A:50a.
Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:78 voor een nadere toelichting van de soorten entiteiten die in resolutie kunnen worden genomen.
De uitvoerings- en handhavingstoets van DNB is te raadplegen op de wetgevingskalender: https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK027580
Immers, omdat DNB de verplichtingen uit hoofde van WAM-verzekeringen niet kan korten of afschrijven, zal DNB wellicht vorderingen van andere schuldeisers verdergaand moeten korten of afschrijven om hetzelfde effect te bereiken met de inzet van het instrument van bail-in.
Immers, de Wft en artikel 26a WAM bieden geen grondslag voor het ter beschikking stellen van de middelen van het Waarborgfonds aan een ander dan de benadeelde(n) in kwestie. Het Waarborgfonds kan door benadeelden worden aangesproken op grond van artikel 26a WAM en het bestuur van het Waarborgfonds besluit tot het uitkeren van tekorten die benadeelden hebben geleden door resolutie, die zij niet zouden hebben geleden in een ander scenario dan resolutie.
Het advies van de Raad voor de Rechtspraak is te raadplegen op de wetgevingskalender: https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK027580
Het advies van de ATR is te raadplegen op de wetgevingskalender: https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK027580
Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking).
Hieronder vallen bijvoorbeeld natura-uitvaartverzekeraars (ongeacht hun omvang) en bepaalde andere verzekeraars die de omvanggrenzen van artikel 4 van de richtlijn solvabiliteit II niet overstijgen.
Ten aanzien van de definities van verzekeringsholding en gemengde verzekeringsholding wordt deze gewijzigd in artikel 1:1 Wft met de implementatie van de herziene richtlijn solvabiliteit II.
Artikel 20, tweede lid, IRRD lijkt wel bedoeld voor de mogelijkheid dat gemengde verzekeringsholdings alsnog onder de reikwijdte worden gebracht.
Dit laat onverlet hetgeen in artikel 2:360 lid 3 Burgerlijk Wetboek is bepaald ten aanzien van de toepassing van Titel 9 van Boek 2 Burgerlijk Wetboek door stichtingen en verenigingen die geen onderneming in stand houden.
De Europese Commissie onderzoekt tijdens de implementatieperiode van de IRRD op basis van artikel 98 IRRD of een geharmoniseerd kader voor nationale verzekeringsgarantiestelsels moet worden ingevoerd en komt mogelijk met een wetsvoorstel. Bij brief van 16 april 2024 zijn de Eerste en Tweede Kamer geïnformeerd over de Nederlandse positie ten aanzien van verzekeringsgarantiestelsels, Kamerstukken II 2023–2024, 29 507, nr. 161.
Zie ook voetnoot 48 over de Kamerbrief d.d. 16 april 2024 met betrekking tot een Nederlands verzekeringsgarantiestelsel, Kamerstukken II 2023–2024, 29 507, nr. 161.
Wet van 25 augustus 2023 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Algemene wet bestuursrecht en de Faillissementswet in verband met de rechtsbescherming bij de afwikkeling van verzekeraars en enige andere verbeteringen in het kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars (Wijzigingswet herstel en afwikkeling van verzekeraars).
Zie artikel 1, tweede lid, onder a van de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking), waarin ‘verzekeringsondernemingen’ worden uitgesloten.
Ter vollediger implementatie van artikel 86 van de BRRD ziet ook het door de Wet NUB nieuw voorgestelde artikel 212pp van de faillissementswet op gemengde financiële holdings. Dat leidt ten aanzien van die holdings tot samenloop tussen de regeling van dat artikel 212pp en de regeling van Afdeling 11BA voorgesteld in dit wetsvoorstel. Gezien de samenloop en verschillen tussen de regels die BRRD en IRRD geven ten aanzien van gemengde financiële holdings en de noodzaak beide te implementeren, lijkt samenloop in de faillissementswet niet te vermijden. Het is de bevoegdheid van DNB om de beoordeling te maken of de toezichthouder voor de bank of de verzekeraar het faillissement aanvraagt.
Zie Memorie van Toelichting bij de Wet implementatie Omnibus II-richtlijn, Kamerstukken II 2014–2015, 34 100, nr. 3, p. 23.
Richtlijn (EU) 2025/1 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 en de Verordeningen (EU) nr. 1094/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2017/1129.
Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II).
Herstelmaatregelen worden getroffen door de onderneming zelf als de onderneming in (financiële) moeilijkheden verkeert of dreigt te komen. Afwikkeling geschiedt door de nationale afwikkelingsautoriteit indien (voorzien wordt dat) herstelmaatregelen niet meer toereikend zullen zijn en de onderneming faalt of dreigt te falen (en aan bepaalde andere voorwaarden wordt voldaan). Beide vinden plaats buiten faillissement.
Het equivalent voor banken en bepaalde beleggingsondernemingen wordt in de Wet op het financieel toezicht en Europese regelgeving aangeduid met de term ‘herstelplan’. In de IRRD wordt het herstelplan of VCP aangeduid met de term ‘preventief herstelplan’.
Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad.
Aanbeveling 6 uit het rapport van de Evaluatiecommissie Conservatrix 2021, R. Konterman en P.F.M. van der Meer Mohr, Kamerstukken II 2021/22, 29 507, nr. 157, p. 143–144.
Kamerstukken II 2025-2016, 36 822, nr. 3, paragraaf 4.1 van het algemene deel van de toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:25d en 3A:50a.
Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3A:78 voor een nadere toelichting van de soorten entiteiten die in resolutie kunnen worden genomen.
De uitvoerings- en handhavingstoets van DNB is te raadplegen op de wetgevingskalender: https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK027580
Immers, omdat DNB de verplichtingen uit hoofde van WAM-verzekeringen niet kan korten of afschrijven, zal DNB wellicht vorderingen van andere schuldeisers verdergaand moeten korten of afschrijven om hetzelfde effect te bereiken met de inzet van het instrument van bail-in.
Immers, de Wft en artikel 26a WAM bieden geen grondslag voor het ter beschikking stellen van de middelen van het Waarborgfonds aan een ander dan de benadeelde(n) in kwestie. Het Waarborgfonds kan door benadeelden worden aangesproken op grond van artikel 26a WAM en het bestuur van het Waarborgfonds besluit tot het uitkeren van tekorten die benadeelden hebben geleden door resolutie, die zij niet zouden hebben geleden in een ander scenario dan resolutie.
Het advies van de Raad voor de Rechtspraak is te raadplegen op de wetgevingskalender: https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK027580
Het advies van de ATR is te raadplegen op de wetgevingskalender: https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK027580
Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking).
Hieronder vallen bijvoorbeeld natura-uitvaartverzekeraars (ongeacht hun omvang) en bepaalde andere verzekeraars die de omvanggrenzen van artikel 4 van de richtlijn solvabiliteit II niet overstijgen.
Ten aanzien van de definities van verzekeringsholding en gemengde verzekeringsholding wordt deze gewijzigd in artikel 1:1 Wft met de implementatie van de herziene richtlijn solvabiliteit II.
Artikel 20, tweede lid, IRRD lijkt wel bedoeld voor de mogelijkheid dat gemengde verzekeringsholdings alsnog onder de reikwijdte worden gebracht.
Dit laat onverlet hetgeen in artikel 2:360 lid 3 Burgerlijk Wetboek is bepaald ten aanzien van de toepassing van Titel 9 van Boek 2 Burgerlijk Wetboek door stichtingen en verenigingen die geen onderneming in stand houden.
De Europese Commissie onderzoekt tijdens de implementatieperiode van de IRRD op basis van artikel 98 IRRD of een geharmoniseerd kader voor nationale verzekeringsgarantiestelsels moet worden ingevoerd en komt mogelijk met een wetsvoorstel. Bij brief van 16 april 2024 zijn de Eerste en Tweede Kamer geïnformeerd over de Nederlandse positie ten aanzien van verzekeringsgarantiestelsels, Kamerstukken II 2023–2024, 29 507, nr. 161.
Zie ook voetnoot 48 over de Kamerbrief d.d. 16 april 2024 met betrekking tot een Nederlands verzekeringsgarantiestelsel, Kamerstukken II 2023–2024, 29 507, nr. 161.
Wet van 25 augustus 2023 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Algemene wet bestuursrecht en de Faillissementswet in verband met de rechtsbescherming bij de afwikkeling van verzekeraars en enige andere verbeteringen in het kader voor herstel en afwikkeling van verzekeraars (Wijzigingswet herstel en afwikkeling van verzekeraars).
Zie artikel 1, tweede lid, onder a van de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking), waarin ‘verzekeringsondernemingen’ worden uitgesloten.
Ter vollediger implementatie van artikel 86 van de BRRD ziet ook het door de Wet NUB nieuw voorgestelde artikel 212pp van de faillissementswet op gemengde financiële holdings. Dat leidt ten aanzien van die holdings tot samenloop tussen de regeling van dat artikel 212pp en de regeling van Afdeling 11BA voorgesteld in dit wetsvoorstel. Gezien de samenloop en verschillen tussen de regels die BRRD en IRRD geven ten aanzien van gemengde financiële holdings en de noodzaak beide te implementeren, lijkt samenloop in de faillissementswet niet te vermijden. Het is de bevoegdheid van DNB om de beoordeling te maken of de toezichthouder voor de bank of de verzekeraar het faillissement aanvraagt.
Zie Memorie van Toelichting bij de Wet implementatie Omnibus II-richtlijn, Kamerstukken II 2014–2015, 34 100, nr. 3, p. 23.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-22854.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.