Regeling van de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 31 mei 2026, kenmerk 2026-0000226567, directie Financiële Markten, tot vaststelling van de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor het jaar 2026 en tot indexatie van de tarieven voor eenmalige handelingen bij De Nederlandsche Bank (Regeling bekostiging financieel toezicht 2026)

De Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 14, tweede lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 en artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019;

BESLUITEN:

ARTIKEL I

In deze regeling wordt verstaan onder geconsolideerde jaarrekening: jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van personen die een groep of groepsdeel vormen en andere in de consolidatie meegenomen personen, als één geheel zijn opgenomen.

ARTIKEL II

1. Voor het kalenderjaar 2026 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor de personen die onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten vallen, bedoeld in bijlage 1, onderdeel B, van dat besluit, als volgt vastgesteld:

Toezichtcategorie

Maatstaf

Bandbreedtes

Tarieven

1. Aanbieders van krediet

Particuliere cliënten (PC):

Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet

 

€ 3.094 vermeerderd met:

0 tot en met 5.000 PC

€ 9,36 per PC

>5.000 tot en met 10.000 PC

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 6,55 per PC

>10.000 tot en met 100.000 PC

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,93 per PC

>100.000 PC

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,50 per PC

2. Accountantsorganisaties

Omzet:

Omzet uit wettelijke controles bij organisaties van openbaar belang (OOB-controles) en bij controlecliënten die geen organisaties van openbaar belang zijn (niet OOB-controles)

 

€ 2.570 in voorkomend geval vermeerderd met:

Omzet uit OOB-controles:

 

€ 0 tot en met € 10 miljoen

€ 53.113 per € miljoen omzet

>€ 10 miljoen tot en met € 20 miljoen

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 25.453 per € miljoen omzet

>€ 20 miljoen

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 13.722 per € miljoen omzet

Omzet uit niet OOB-controles:

 

€ 0 tot en met € 20 miljoen

€ 16.464 per € miljoen omzet

>€ 20 miljoen tot en met € 100 miljoen

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 9.248 per € miljoen omzet

>€ 100 miljoen

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 3.384 per € miljoen omzet

3. Adviseurs, bemiddelaars en crowdfundingdienstverleners

Omzet:

Omzet gerelateerd aan de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend

 

€ 697 vermeerderd met:

€ 0 tot en met € 2,5 miljoen

€ 2,81 per € 1.000 omzet

>€ 2,5 miljoen tot en met € 25 miljoen

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 1,97 per € 1.000 omzet

>€ 25 miljoen tot en met € 50 miljoen

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 1,40 per € 1.000 omzet

>€ 50 miljoen

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,56 per € 1.000 omzet

4. Afwikkelondernemingen, betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen

Provisie-inkomsten (PI)

Betaaldienstverleners waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:3.0b, 2:3.0g, 2:3.0l, 2:3a, eerste lid en 2:10a, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht

Personen met PI in het bereik van:

 

€ 0 tot en met € 0,2 miljoen

€ 1.535

>€ 0,2 miljoen tot en met € 0,5 miljoen

€ 3.341

>€ 0,5 miljoen tot en met € 1 miljoen

€ 5.445

>€ 1 miljoen tot en met € 5 miljoen

€ 7.433

>€ 5 miljoen

€ 9.536

5. Banken en clearinginstellingen

Minimum omvang toetsingsvermogen (MTV):

Minimum omvang toetsingsvermogen berekend conform de regels die op grond van artikel 3:57 van de Wet op het financieel toezicht worden bepaald

 

€ 11.120 vermeerderd met:

€ 0 tot en met € 80 miljoen MTV

€ 1.770 per € miljoen MTV

>€ 80 miljoen tot en met € 400 miljoen MTV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 766 per € miljoen MTV

>€ 400 miljoen tot en met € 4 miljard MTV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 398 per € miljoen MTV

>€ 4 miljard MTV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 117 per € miljoen MTV

6. Beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s, bewaarders, aanbieders van beleggingsobjecten en beleggingsondernemingen die beleggingsdiensten verlenen

Vergunning en type beleggingsdienst of -activiteit in combinatie met vermogen:

a.

– het op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2:3g Wft uitoefenen van het bedrijf van bewaarder;

– het op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2:55 Wft aanbieden van beleggingsobjecten;

– het op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2:65 Wft beheren van een beleggingsinstelling in een voorkomend geval verhoogd met een bedrag per type dienst of activiteit genoemd in artikel 2:67a, tweede lid, onderdeel a, b of d, Wft of artikel 2:97, vierde lid, Wft;

– het op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2:69b Wft beheren van een icbe, in een voorkomend geval verhoogd met een bedrag per type dienst genoemd in artikel 2:97, derde lid, Wft;

– het op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 Wft verlenen van een van de beleggingsdiensten genoemd in de onderdelen a tot en met f van het in artikel 1:1 Wft gedefinieerde begrip ‘het verlenen van een beleggingsdienst’;

– het op grond van een vergunning overeenkomstig artikel 18, tweede lid, verordening (EU) nr. 1031/2010 aanbieden van broeikasgasemissierechten

b. de omvang van het totaal van:

– het balanstotaal van de aanbieder van beleggingsobjecten;

– het balanstotaal van de beheerde beleggingsinstelling(en);

– het balanstotaal van de beheerde icbe(’s);

– het beheerd individueel vermogen zoals omschreven in het in artikel 1:1 Wft gedefinieerde begrip ‘het beheren van individueel vermogen’, welk begrip wordt gebruikt in onderdeel c van het in artikel 1:1 Wft gedefinieerde begrip ‘het verlenen van een beleggingsdienst’, in artikel 2:67a, tweede lid, onderdeel a, Wft en in artikel 2:97, derde of vierde lid, Wft;

– het vermogen waarover wordt geadviseerd bij het ‘adviseren over financiële instrumenten’ zoals genoemd in onderdeel d van het in artikel 1:1 Wft gedefinieerde begrip ‘het verlenen van een beleggingsdienst’, in artikel 2:67a, tweede lid, onderdeel b, Wft en in artikel 2:97, derde of vierde lid, Wft.

Vergunning als bedoeld in:

 

Art. 2:3g, 2:55, 2:65, 2:69b van de Wet op het financieel toezicht of artikel 18, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1031/2010

€ 9.720

Art. 2:96 van de Wet op het financieel toezicht

€ 0

In combinatie met type beleggingsdienst of -activiteit

 

Ontvangen en doorgeven van orders als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 3.335

Uitvoeren van orders voor rekening van cliënten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 10.001

Vermogensbeheer als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 13.337

Beleggingsadvies als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 10.001

Begeleiden of overnemen van emissies met plaatsingsgaranties als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 3.335

Begeleiden van emissies zonder plaatsingsgarantie als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 3.335

In combinatie met vermogen

Balanstotaal (BT)

 

€ 0 tot en met € 5 miljard

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 84,16 per miljoen BT

> € 5 miljard tot en met € 10 miljard

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 46,87 per miljoen BT

> € 10 miljard tot en met € 12 miljard

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 3,74 per miljoen BT

> € 12 miljard

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,24 per miljoen BT

Beheerd individueel vermogen (BV) in voorkomend geval vermeerderd met het vermogen waarover wordt geadviseerd (AV)

 

€ 0 tot en met € 1 miljard

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 13,94 per miljoen BV + AV

> € 1 miljard tot en met € 5 miljard

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 6,97 per miljoen BV + AV

> € 5 miljard tot en met € 20 miljard

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 2,29 per miljoen BV + AV

> € 20 miljard

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 1,75 per miljoen BV + AV

7. Beleggingsondernemingen uitsluitend voor eigen rekening

De jaarlijkse bijdrage aan de kosten voor het doorlopend toezicht bestaat uit drie delen:

1. Basisbedrag;

2. Een variabel deel dat berekend wordt aan de hand van 100 maal het minimum aan te houden toetsingsvermogen (uitkomst wordt voor 50% meegeteld);

3. Een variabel deel dat berekend wordt aan de hand van het aantal transacties (uitkomst wordt voor 50% meegeteld).

Toetsingsvermogen (TV):

Honderdmaal het minimaal aan te houden toetsingsvermogen dat door DNB is vastgesteld ten aanzien van degene die handelt voor eigen rekening zoals genoemd in onderdeel a van het in artikel 1:1 Wft gedefinieerde begrip ‘verrichten van een beleggingsactiviteit’

 

€ 4.626 vermeerderd met:

€ 0 tot en met € 1 miljard TV

€ 56,04 per € 1 miljoen TV

>€ 1 tot en met € 10 miljard TV

in voorkomend geval vermeerderd met: € 33,62 per € 1 miljoen TV

>€10 tot en met € 20 miljard TV

in voorkomend geval vermeerderd met € 5,60 per € 1 miljoen TV

>€ 20 miljard TV

in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,56 per € 1 miljoen TV

Transacties:

Aantal transacties

0 tot en met 1 miljoen transacties

€ 33,62 per 1.000 transacties

>1 tot en met 5 miljoen transacties

In voorkomend geval vermeerderd met: € 11,22 per 1.000 transacties

>5 tot en met 50 miljoen transacties

In voorkomend geval vermeerderd met: € 2,25 per 1.000 transacties

>50 miljoen transacties

In voorkomend geval vermeerderd met: € 0,56 per 1.000 transacties

8. Cryptoactivadienstverleners

Omzet: omzet gerelateerd aan de aangeboden cryptoactivadiensten.

Aangeboden cryptoactivadiensten: aangeboden cryptoactivadiensten als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel 16, van Verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR).

Personen als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder a, van Verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR) of artikel 60, eerste tot en met zesde lid, van Verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR).

€ 8.000 vermeerderd met:

€ 0 tot en met 1 miljoen

€ 38,25 per € 1.000 omzet

>€ 1 miljoen tot en met € 20 miljoen

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 25,50 per € 1.000 omzet

>€ 20 miljoen tot en met € 50 miljoen

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 17,00 per € 1.000 omzet

>€ 50 miljoen

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 4,25 per € 1.000 omzet

In combinatie met aangeboden cryptoactivadiensten:

 

a. bewaren en beheren van cryptoactiva namens cliënten

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 4.250

b. exploiteren van een cryptoactivahandelsplatform

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 4.250

c. omwisselen van cryptoactiva voor geldmiddelen

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 2.125

d. omwisselen van cryptoactiva voor andere cryptoactiva

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 2.125

e. uitvoeren van cryptoactivaorders namens cliënten

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 4.250

f. plaatsen van cryptoactiva

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 2.125

g. ontvangen en doorgeven van cryptoactivaorders namens cliënten

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 2.125

h. verlenen van advies over cryptoactiva

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 4.250

i. verzorgen van portefeuillebeheer voor cryptoactiva

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 6.375

j. verlenen van cryptoactivaoverdrachtdiensten namens cliënten

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 4.250

9. Effectenuitgevende instellingen: markt

Marktkapitalisatie:

De gemiddelde marktkapitalisatie (GMK) van de instelling.

Personen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 21, van verordening (EU) nr. 596/2014 of artikel 5:33, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht voor zover het aandelen uitgevende personen betreft niet zijnde beleggingsmaatschappijen:

€ 15.410 vermeerderd met:

€ 0 tot en met € 500 miljoen GMK

€ 64,26 per € miljoen GMK

>€ 500 miljoen tot en met € 1 miljard GMK

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 39,14 per € miljoen GMK

>€ 1 miljard tot en met € 5 miljard GMK

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 18,21 per € miljoen GMK

>€ 5 miljard GMK

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 1,10 per € miljoen GMK

Personen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 21, van verordening (EU) nr. 596/2014 of artikel 5:33, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht voor zover het aandelen uitgevende personen betreft zijnde beleggingsmaatschappijen

€ 2.120

Personen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 21, van verordening (EU) nr. 596/2014 of artikel 5:33, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht voor zover het schuldpapier uitgevende personen betreft

€ 1.580

10. Effectenuitgevende instellingen: verslaggeving

Marktkapitalisatie terwijl voor partijen die geen marktkapitalisatie kennen het eigen vermogen relevant is:

Marktkapitalisatie:

De gemiddelde marktkapitalisatie (GMK) van de instelling.

Eigen vermogen:

Eigen vermogen (EV).

Personen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet toezicht financiële verslaggeving voor zover zij een geconsolideerde jaarrekening opstellen:

€ 7.540 vermeerderd met:

€ 0 tot en met € 500 miljoen GMK of EV

€ 28,33 per € miljoen GMK of EV

>€ 500 miljoen tot en met € 1 miljard GMK of EV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 17,21 per € miljoen GMK of EV

>€ 1 miljard tot en met € 5 miljard GMK of EV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 8,62 per € miljoen GMK of EV

>€ 5 miljard GMK of EV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,51 per € miljoen GMK of EV

Personen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet toezicht financiële verslaggeving voor zover zij geen geconsolideerde jaarrekening opstellen

€ 3.540

11. Financiële infrastructuur

Omzet:

Omzet gerelateerd aan de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend

Marktkapitalisatie Nederlandse noteringen:

Marktkapitalisatie van Nederlandse genoteerde aandelen die ten eerste zijn genoteerd aan de door deze persoon geëxploiteerde markten, uitgedrukt als percentage van de totale marktkapitalisatie.

Marktexploitant waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 5:26 Wft of een beleggingsonderneming die in Nederland een MTF of een georganiseerde handelsfaciliteit exploiteert en beheert, waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:96 Wft

of een in Nederland actief zijnde houder van een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is, waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 5:26 Wft.

 
   

€ 0 tot en met € 5 miljoen omzet

€ 68.090

   

>€ 5 tot en met € 50 miljoen omzet

€ 200.149

   

>€ 50 miljoen omzet en marktkapitalisatie Nederlandse noteringen <50% van totaal

€ 457.482

   

>€ 50 miljoen omzet en marktkapitalisatie Nederlandse noteringen >50% van totaal

€ 995.024

   

Een datarapporteringsdienstverlener als bedoeld in artikel 2, derde lid van Verordening (EU) 600/2014 (MiFIR) waaraan een vergunning is verleend op grond van artikel 27 quater van die verordening;

een marktexploitant waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 5:26 Wft, eerste lid, en in de vergunning is opgenomen dat zij voldoet aan Titel IV bis van Verordening (EU) 600/2014 (MiFIR) ter aanbieding van de diensten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen 34 tot en met 36 van die verordening; of

een beleggingsonderneming waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, is verleend voor het exploiteren van een georganiseerde handelsfaciliteit of een multilaterale handelsfaciliteit, en in de vergunning is opgenomen dat zij voldoet aan Titel IV bis van Verordening (EU) 600/2014 (MiFIR) ter aanbieding van de diensten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen 34 tot en met 36 van die verordening.

€ 28.775

   

Een beheerder van een benchmark als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Verordening EU nr 2016/1011 (Benchmarks) waaraan in Nederland een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van die verordening.

€ 30.332

   

Een beheerder van een benchmark als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Verordening EU nr 2016/1011 (Benchmarks) waaraan in Nederland een registratie is verleend als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van die verordening

€ 30.332

   

Een Nederlandse ondertoezichtstaande instelling als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Verordening EU nr. 2016/1011 (Benchmarks) beschikkende over een goedgekeurde bekrachtiging van een in een derde land aangeboden benchmark of benchmarkgroep als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van die verordening

€ 30.332

   

Een wettelijke vertegenwoordiger van een derde land beheerder waaraan in Nederland erkenning is verleend als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van Verordening EU nr. 2016/1011 (Benchmarks)

€ 30.332

   

Een Nederlandse ondertoezichtstaande instelling als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening EU nr. 2017/2402 (Securitisaties)

€ 3.057

   

een Nederlandse ondertoezichtstaande instelling als bedoeld in artikel 28 van Verordening EU nr. 2017/2402 (Securitisaties).

€ 3.057

 

Transactievolume:

Het aantal afwikkelingsinstructies dat verwerkt wordt door de centrale effectenbewaarinstelling

 

€ 5.508 vermeerderd met:

0 t/m 1,25 mln. transacties

€ 40,65 per 1.000 transacties

> 1,25 mln. t/m 2,5 mln. transacties

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 31,62 per 1.000 transacties

> 2,5 mln. t/m 5 mln. transacties

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 22,58 per 1.000 transacties

> 5 mln. transacties

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 13,55 per 1.000 transacties

Omzet:

De aan de hand van de artikelen 41, 42 en 43 van Verordening (EU) nr. 648/2012 (EMIR-verordening) te bepalen waarde van het geheel aan middelen dat de centrale tegenpartij aanhoudt ter dekking van de risico’s die zij loopt.

 

€ 65.790 vermeerderd met:

€ 0 tot en met € 10 miljoen

€ 1.107 per € miljoen omzet

>€ 10 miljoen tot en met € 100 miljoen

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 335 per € miljoen omzet

>€ 100 miljoen tot en met € 1 miljard

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 52 per € miljoen omzet

>€ 1 miljard

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 34 per miljoen € omzet

12. Pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen

Deze categorie kent twee heffingsmaatstaven die beide worden toegepast:

1. Deelnemers:

Aantal actieve deelnemers

2. Vermogen:

Som van de technische voorzieningen en het eigen vermogen (TV+EV)

 

€ 1.820 vermeerderd met:

Deelnemers:

 

0 tot en met 100.000 deelnemers

€ 1,13 per deelnemer

> 100.000 tot en met 500.000 deelnemers

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,11 per deelnemer

>500.000 tot en met 1.000.000 deelnemers

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,10 per deelnemer

>1.000.000 deelnemers

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,08 per deelnemer

in combinatie met vermogen:

 

€ 0 tot en met € 10 miljard TV+EV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 7,00 per € miljoen TV+EV

> € 10 miljard tot en met € 50 miljard TV+EV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 1,16 per € miljoen TV+EV

>€ 50 miljard tot en met € 100 miljard TV+EV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,29 per € miljoen TV+EV

>€ 100 miljard TV+EV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,11 per € miljoen TV+EV

13. Verzekeraars: leven en pensioen

Premie-inkomen:

Bruto premie-inkomen in Nederland (BPIN) uit pensioenverzekeringen en levensverzekeringen

 

€ 5.230 vermeerderd met:

€ 0 tot en met € 1 miljard BPIN

€ 932,24 per € miljoen BPIN

>€ 1 miljard tot en met € 2 miljard BPIN

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 555,37 per € miljoen BPIN

>€ 2 miljard tot en met € 3 miljard BPIN

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 188,44 per € miljoen BPIN

>€ 3 miljard BPIN

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 47,58 per € miljoen BPIN

14. Verzekeraars: schade niet zijnde zorg

Premie-inkomen:

Bruto premie-inkomen in Nederland (BPIN) uitgezonderd het bruto premie-inkomen uit zorgverzekeringen en aanvullende ziektekostenverzekeringen

 

€ 2.970 vermeerderd met:

€ 0 tot en met € 1 miljard BPIN

€ 333,24 per € miljoen BPIN

>€ 1 miljard tot en met € 2 miljard BPIN

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 199,57 per € miljoen BPIN

>€ 2 miljard tot en met € 3 miljard BPIN

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 66,54 per € miljoen BPIN

>€ 3 miljard BPIN

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 16,50 per € miljoen BPIN

15. Verzekeraars: zorg

Premie-inkomen:

Bruto premie-inkomen in Nederland (BPIN) voor zover afkomstig uit aanvullende ziektekostenverzekering

 

€ 7.800 vermeerderd met:

€ 0 tot en met € 1 miljard BPIN

€ 22,86 per € miljoen BPIN

>€ 1 miljard tot en met € 2 miljard BPIN

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 13,62 per € miljoen BPIN

>€ 2 miljard tot en met € 3 miljard BPIN

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 4,59 per € miljoen BPIN

>€ 3 miljard BPIN

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 1,10 per € miljoen BPIN

ARTIKEL III

Voor het kalenderjaar 2026 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor de personen die onder toezicht van de Nederlandsche Bank vallen, bedoeld in bijlage 2, onderdeel B, van dat besluit als volgt vastgesteld

Toezichtcategorie

Maatstaf

Bandbreedtes

Tarieven

1. Banken en kredietunies

Voor banken (personen a,b,c,d):

Minimum omvang toetsingsvermogen (MTV)

Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 2:11, 2:20, 3:4, eerste lid, of 3:110, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht

€ 45.000 vermeerderd met:

>€ 0 tot en met € 80 miljoen MTV

€ 9.270 per € miljoen MTV

>€ 80 miljoen tot en met € 400 miljoen MTV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 3.993 per € miljoen MTV

>€ 400 miljoen tot en met € 4 miljard MTV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 2.099 per € miljoen MTV

>€ 4 miljard MTV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 612 per € miljoen MTV

2. Beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s, beleggingsondernemingen, bewaarders, marktexploitanten die een MTF of georganiseerde handelsfaciliteit exploiteren, uitgevers van activagerelateerde tokens en cryptoactivadienstverleners

Voor beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s (personen b en c):

a. Het vergunningtype.

b. De verleende beleggingsdiensten of verrichte beleggingsactiviteiten als bedoeld in artikel 1:1 Wft.

c. Het balanstotaal van de beheerde beleggingsinstellingen en icbe’s.

e. Het vermogen waarover wordt geadviseerd.

Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 2:65 of 2:69b, van de Wet op het financieel toezicht

€ 4.500

Ontvangen en doorgeven van orders als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0

Vermogensbeheer als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 5.300

Beleggingsadvies als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0

Het balanstotaal (BT), van de beheerde beleggingsinstellingen en icbe’s

 

>€ 0 tot en met € 1 miljard BT

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 17,09 per € miljoen BT

>€ 1 miljard tot en met € 10 miljard BT

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 11,35 per € miljoen BT

>€ 10 miljard tot en met € 50 miljard BT

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 4,70 per € miljoen BT

>€ 50 miljard BT

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,78 per € miljoen BT

Vermogen waarover wordt geadviseerd (AV)

 

€ 0 tot en met € 1 miljard AV

€ 1.620

> € 1 miljard tot en met € 10 miljard AV

€ 3.240

> € 10 miljard tot en met € 50 miljard AV

€ 6.480

> € 50 miljard AV

€ 16.200

 

Voor beleggingsondernemingen (personen d):

a. Het vergunningtype.

b. De verleende beleggingsdiensten of verrichte beleggingsactiviteiten als bedoeld in artikel 1:1 Wft.

d. Het beheerd individueel vermogen.

e. Het vermogen waarover wordt geadviseerd.

f. Het minimaal aan te houden toetsingsvermogen.

Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:96, van de Wet op het financieel toezicht

€ 4.500

Ontvangen en doorgeven van orders als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0

Uitvoeren van orders voor rekening van cliënten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 5.300

Vermogensbeheer als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 5.300

   

Beleggingsadvies als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0

   

Begeleiden of overnemen van emissies met plaatsingsgaranties als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 8.250

   

Begeleiden van emissies zonder plaatsingsgarantie als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 4.500

   

Beheerd individueel vermogen (BV), beheerd door beleggingsondernemingen

 
   

€ 0 tot en met € 1 miljard BV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 17,09 per € miljoen BV

   

>€ 1 miljard tot en met € 10 miljard BV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 11,35 per € miljoen BV

   

>€ 10 miljard tot en met € 50 miljard BV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 4,70 per € miljoen BV

   

>€ 50 miljard BV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,78 per € miljoen BV

   

Vermogen waarover wordt geadviseerd (AV)

 
   

€ 0 tot en met € 1 miljard AV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 1.620

   

>€ 1 miljard tot en met € 10 miljard AV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 3.240

   

>€ 10 miljard tot en met € 50 miljard AV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 6.480

   

>€ 50 miljard AV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 16.200

   

Honderd maal het minimaal aan te houden toetsingsvermogen (TV), ten aanzien van degene die handelt voor eigen rekening

 
   

€ 0 tot en met € 1 miljard TV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 17,09 per € miljoen TV

   

>€ 1 miljard tot en met € 10 miljard TV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 11,35 per € miljoen TV

   

>€ 10 miljard tot en met € 50 miljard TV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 4,70 per € miljoen TV

   

>€ 50 miljard TV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,78 per € miljoen TV

 

Voor bewaarders (personen e):

a. Het vergunningtype.

Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:3g, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht

€ 4.500

 

Voor uitgevers van activagerelateerde tokens en aanbieders van cryptoactivadiensten (personen g):

a. Het vergunningtype.

i. Het balanstotaal

Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder a, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR).

€ 4.500 vermeerderd met:

Het balanstotaal (BT)

 

€ 0 tot en met € 800 duizend BT

€ 5,95 per € duizend BT

>€ 800 duizend tot en met € 8 miljoen BT

in voorkomend geval

vermeerderd met:

€ 3,95 per € duizend BT

>€ 8 miljoen tot en met € 40 miljoen BT

in voorkomend geval

vermeerderd met:

€ 1,63 per € duizend BT

>€ 40 miljoen BT

in voorkomend geval

vermeerderd met:

€ 0,27 per € duizend BT

3. Betaalinstellingen, clearinginstellingen en elektronischgeldinstellingen

Vergunning en type betaaldienst

brutoprovisie-inkomsten (BPI)

Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 2:3a, eerste lid, 2:4, of 2:10a van de Wet op het financieel toezicht:

€ 8.250 in voorkomend geval vermeerderd met:

Bij 2 toegestane betaaldiensten op basis van een vergunning

€ 5.500

Bij 3 of meer toegestane betaaldiensten op basis van een vergunning

€ 8.250

€ 0 tot en met € 1,21 miljoen BPI

€ 59,40 per € 1.000 BPI

>€ 1,21 miljoen tot en met € 12,1 miljoen BPI

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 30,48 per € 1.000 BPI

>€ 12,1 miljoen tot en met € 60,5 miljoen BPI

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 2,75 per € 1.000 BPI

>€ 60,5 miljoen BPI

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,29 per € 1.000 BPI

Betaaldienstverleners als bedoeld in artikel 2:3e, eerste lid, Wft, waarop op grond van artikel 1a, derde lid, onderdeel b, Wwft de verplichting rust tot naleving van die wet

€ 3.000 per bijkantoor

€ 500 per agent

Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 2:54i, eerste lid, of 2:54l, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht

€ 3.300

4. Depositogarantiestelsel: banken

Gegarandeerde deposito’s (GD)

Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 2:11, 2:20, 3:4, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht

€ 500 vermeerderd met:

€ 0 tot en met € 1 miljard GD

€ 15,96 per

€ miljoen GD

>€ 1 tot en met € 10 miljard GD

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 12,77 per

€ miljoen GD

>€ 10 miljard GD

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 9,58 per

€ miljoen GD

Personen als bedoeld in de artikelen 3:110, eerste lid, en 3:33a van de Wet op het financieel toezicht

€ 500

5. Pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen

Instellingen met vereist eigen vermogen (excl. premie-pensioeninstellingen):

Som van de technische voorziening pensioenverplichting en het vereist eigen vermogen (TV+VEV), vermenigvuldigd met een bonus/malus factor.

De bonus/malus factor is gelijk aan de som van de technische voorziening pensioenverplichting en het vereist eigen vermogen (TV+VEV), gedeeld door de som van de technische voorziening pensioenverplichtingen en het (aanwezige) eigen vermogen (TV+EV).

Instellingen zonder vereist eigen vermogen (en premie-pensioeninstellingen):

Technische voorziening pensioenverplichting (TV)

 

€ 2.000 vermeerderd met:

>€ 0 tot en met € 10 miljard (TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV))

€ 77,08 per € miljoen

(TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV))

>€ 10 miljard tot en met € 50 miljard (TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV))

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 11,56 per € miljoen

(TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV))

>€ 50 miljard tot en met € 100 miljard (TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV))

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 3,08 per € miljoen

(TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV))

>€ 100 miljard (TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV))

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,77 per € miljoen

(TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV))

Instellingen zonder vereist eigen vermogen (en premie-pensioeninstellingen):

Technische voorziening pensioenverplichting (TV)

Total assets (TA)

 

€ 2.000 vermeerderd met:

>€ 0 tot en met € 10 miljard TV

€ 77,08 per € miljoen TV

>€ 10 miljard tot en met € 50 miljard TV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 11,56 per € miljoen TV

>€ 50 miljard tot en met € 100 miljard TV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 3,08 per € miljoen TV

>€ 100 miljard TV

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 0,77 per € miljoen TV

6. Resolutie: banken en beleggingsondernemingen

Total assets (TA)

 

€ 500 vermeerderd met:

>€ 0 TA

€ 3,13 per € miljoen TA

7. Resolutie: verzekeraars

Omvang technische voorziening (TV)

 

€ 100 vermeerderd met:

>€ 0 TV

€ 22,80 per € miljoen TV

8. Trustkantoren

Omzet

 

€ 2.000 vermeerderd met:

>€ 0 tot en met € 230 duizend omzet

€ 97,34 per € 1.000 omzet

>€ 230 duizend tot en met € 1.080 duizend omzet

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 82,74 per € 1.000 omzet

>€ 1.080 duizend tot en met € 8,9 miljoen omzet

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 34,07 per € 1.000 omzet

>€ 8,9 miljoen omzet

in voorkomend geval vermeerderd met:

€ 4,87 per € 1.000 omzet

9. Verzekeraars niet zijnde zorgverzekeraars

Bruto premie-inkomen (BPI)

 

€ 2.000 vermeerderd met:

>€ 0 BPI

€ 1.382 per € miljoen BPI

10. Zorgverzekeraars

Aantal verzekerden

 

€ 2.000 vermeerderd met:

>0 verzekerden

€ 0,14 per verzekerde

ARTIKEL IV

De tabel in artikel 5 van de Regeling bekostiging financieel toezicht eenmalige handelingen wordt vervangen door:

Code

Eenmalige handeling

Vergoeding

Onderdeel Wft.D1:

De behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning

 

Wft.D1.01

artikel 2:3a, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van betaaldienstverlener)

€ 10.400

Wft.D1.02

artikel 2:4, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van clearinginstelling)

€ 66.200

Wft.D1.03

artikel 2:6, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van clearinginstelling vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor)

€ 66.200

Wft.D1.04

artikel 2:11, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van bank waarop het bepaalde ten aanzien van de solvabiliteit, de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:269 van de Wft, en de liquiditeit op basis van subconsolidatie of op individuele basis van toepassing is)

€ 66.200

Wft.D1.05

artikel 2:10a van de Wft (uitoefening van het bedrijf van elektronischgeldinstelling)

€ 10.400

Wft.D1.06

artikel 2:11, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van bank anders dan bedoeld onder Wft.D1.04)

€ 47.100

Wft.D1.07

artikel 2:20, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van bank vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor waarop het bepaalde ten aanzien van de solvabiliteit, de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:269 van de Wft, en de liquiditeit op basis van subconsolidatie of op individuele basis van toepassing is)

€ 66.200

Wft.D1.08

artikel 2:20, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van bank vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor anders dan bedoeld onder Wft.D1.07)

€ 47.100

Wft.D1.09

artikel 2:54o van de Wft (uitoefening van het bedrijf van kredietunie)

€ 12.700

Wft.D1.10

artikel 2:26a, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar)

€ 38.900

Wft.D1.11

artikel 2:26d, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor)

€ 33.500

Wft.D1.12

artikel 2:27, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar)

€ 38.900

Wft.D1.13

artikel 2:40 van de Wft (uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor)

€ 33.500

Wft.D1.14

artikel 2:48, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang)

€ 7.500

Wft.D1.15

artikel 2:48, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar)

€ 4.700

Wft.D1.16

artikel 2:50, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang)

€ 7.500

Wft.D1.17

artikel 2:50, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor)

€ 4.200

Wft.D1.18

artikel 2:54a, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van entiteit voor risico-acceptatie)

€ 38.900

Wft.D1.19

artikel 2:54d, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van entiteit voor risico-acceptatie)

€ 33.500

Wft.D1.20

artikelen 2:54i en 2:54l van de Wft (uitoefening van het bedrijf van wisselinstelling)

€ 6.500

Wft.D1.21

artikel 2:54g, eerste lid, van de Wft (uitoefenen van het bedrijf van premiepensioeninstelling)

€ 38.900

Wft.D1.22

artikel 3:4, eerste lid, van de Wft waarop het bepaalde ten aanzien van de solvabiliteit, de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:269 van de Wft, en de liquiditeit op basis van subconsolidatie of op individuele basis van toepassing is

€ 66.200

Wft.D1.23

artikel 3:4, eerste lid, van de Wft, anders dan bedoeld onder Wft.D1.22

€ 47.100

Onderdeel Wft.D2:

De behandeling van een aanvraag tot wijziging van een vergunning als bedoeld onder

 

Wft.D2.01

Wft.D1.01, Wft. D1.09 of Wft.D1.05, Wft.D1.14

€ 2.700

Wft.D2.02

Wft.D1.10, Wft.D1.11, Wft.D1.12, Wft.D1.18, Wft.D1.19 of Wft.D1.21

€ 14.300

Wft.D2.03

Wft.D1.02, Wft.D1.03, Wft.D1.04, Wft.D1.07 of Wft.D1.22

€ 66.200

Wft.D2.04

Wft.D1.06, Wft.D1.08 of Wft.D1.23

€ 47.100

Onderdeel Wft.D3:

Behandeling aanvraag tot verlening ontheffing als bedoeld in

 

Wft.D3.01

artikelen 2:23, tweede lid, 3:2, derde lid, 3:5, vierde lid, 3:6, vierde lid, of 3:7 vierde lid, van de Wft

€ 5.400

Onderdeel Wft.D4:

De behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in

 

Wft.D4.01

artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wft

€ 7.300

Wft.D4.02

artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wft

€ 2.400

Wft.D4.03

artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wft

€ 2.400

Wft.D4.04

artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wft

€ 7.300

Wft.D4.05

artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wft

€ 7.300

Wft.D4.06

artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wft

€ 7.300

Wft.D4.07

artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wft

€ 7.300

Wft.D4.08

artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de Wft

€ 7.300

Wft.D4.09

artikel 3:96, eerste lid, van de Wft

€ 7.300

Wft.D4.D10

artikel 3:97, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wft

€ 7.300

Wft.D4.D11

artikel 3:97, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wft

€ 7.300

Onderdeel Wft.D5:

Behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in

 

Wft.D5.01

artikel 3:110, eerste lid, van de Wft

€ 66.200

Onderdeel Wft.D6:

Inschrijving als bedoeld in

 

Wft.D6.01

1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de Wft van een onderlinge waarborgmaatschappij die een verklaring als bedoeld in artikel 3 of 4 van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft heeft aangevraagd

€ 2.700

Onderdeel Wft.D7:

Toetsing persoon, al dan niet in combinatie met een aanvraag

 

Wft.D7.01

van wie de geschiktheid wordt vastgesteld op grond van artikel 3:8 van de Wft of op grond van een verordening als bedoeld in artikel 1:24, derde lid, van de Wft

€ 2.900

Wft.D7.02

van wie de betrouwbaarheid wordt vastgesteld op grond van de artikelen 3:9, 3:99 en 3:100, eerste lid, onderdeel a, van de Wft of op grond van een verordening als bedoeld in artikel 1:24, derde lid, van de Wft

€ 1.600

Wft.D7.03

van een premiepensioeninstelling, van wie de betrouwbaarheid wordt vastgesteld op grond van artikel 5, eerste lid, van het Bpr

€ 1.600

Wft.D7.04

van een wisselinstelling, van wie de betrouwbaarheid en de geschiktheid wordt vastgesteld op grond van artikel 3:9a, eerste lid, van de Wft

€ 1.900

Wft.D7.05

van wie de reputatie wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 3:99a en 3:100, onderdeel b, van de Wft of op grond van een verordening als bedoeld in artikel 1:24, derde lid, van de Wft

€ 1.900

Onderdeel PW.D1

Behandeling aanvraag vergunning Pensioenwet

 

PW.D1.01

artikel 112a van de Pensioenwet (uitoefening van het bedrijf van algemeen pensioenfonds)

€ 38.900

Onderdeel Wtt.D1:

Behandeling aanvraag vergunning trustkantoor als bedoeld in

 

Wtt.D1.01

artikel 3, eerste of tweede lid, of artikel 4 van de Wet toezicht trustkantoren 2018

€ 6.800

Onderdeel Wtt.D2:

Behandeling van aanvraag verlening ontheffing trustkantoor als bedoeld in

 

Wtt.D2.01

artikel 5, tweede lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018

€ 2.400

Onderdeel Wtt.D3:

Toetsing persoon, al niet dan niet in combinatie met een aanvraag

 

Wtt.D3.01

van wie de geschiktheid wordt vastgesteld op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018

€ 2.900

Wtt.D3.02

van wie de betrouwbaarheid wordt vastgesteld op grond van artikel 10, tweede en derde lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018

€ 1.600

Wtt.D3.03

van wie de reputatie wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018

€ 1.900

Onderdeel EU.D1:

MiCAR

 

EU.D1.01

De beoordeling van een voorgenomen verwerving als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR) (gekwalificeerde deelneming in aanbieder van activagerelateerde tokens)

€ 2.400

EU.D1.02

De behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR) (uitgifte van activagerelateerde tokens)

€ 15.000

EU.D1.03

De behandeling van een kennisgeving als bedoeld in artikel 48, zesde lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR) (uitgifte van e-moneytokens door een elektronischgeldinstelling of bank)

€ 4.800

EU.D1.04

De toetsing van de kennis, vaardigheden, ervaring en betrouwbaarheid van een lid van een leidinggevend orgaan als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR)

€ 2.800

EU.D1.05

De toetsing van de betrouwbaarheid van een aandeelhouder of lid met een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 34, vierde lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR), al dan niet in combinatie met een aanvraag.

€ 1.700

EU.D1.06

De toetsing van de betrouwbaarheid van een aandeelhouder of lid met een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR), al dan niet in combinatie met een aanvraag.

€ 1.700

EU.D1.07

De beoordeling van een voorgenomen verwerving als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR) (gekwalificeerde deelneming in een aanbieder van cryptoactivadiensten)

€ 2.400

EU.D1.08

De toetsing van de reputatie van de voorgenomen verwerver als bedoeld in artikel 42, tweede lid, of artikel 84, tweede lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR), al dan niet in combinatie met een aanvraag.

€ 1.900

ARTIKEL V

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

ARTIKEL VI

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bekostiging financieel toezicht 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën, E. Heinen

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief

TOELICHTING

§ 1. Inleiding

Jaarlijks worden voor het desbetreffende kalenderjaar de bandbreedtes en tarieven vastgesteld voor de vergoeding van toezichtkosten door de financiële sector. Deze regeling stelt de bandbreedtes en tarieven voor het kalenderjaar 2026 vast. Hieronder wordt eerst de systematiek van de verdeling van de kosten van het toezicht op de financiële sector uitgelegd. Daarna wordt ingegaan op de verschillen in de kostenverdeling met de regeling voor het kalenderjaar 2026.

Met deze regeling worden daarnaast de tarieven voor eenmalige handelingen van DNB, zoals vergunningaanvragen, aangepast aan de loon- en prijsontwikkelingen. De regeling wijzigt daartoe de Regeling bekostiging financieel toezicht eenmalige handelingen. Dit wordt toegelicht in paragraaf 3.3.

§ 2. Verdelingssystematiek

De wijze waarop de kosten van het doorlopend toezicht op de financiële markten door de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) jaarlijks in rekening worden gebracht bij onder toezicht staande instellingen1 is geregeld in artikel 15 van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 (Wbft 2019) en nader uitgewerkt in het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 (Bbft 2019).

Eerst wordt het totaal te heffen bedrag berekend. Vervolgens worden de kosten verdeeld over de toezichtcategorieën. Als laatste worden de criteria voor de verdeling binnen een toezichtcategorie vastgesteld, bestaande uit bandbreedtes en tarieven.

Totaal te heffen bedrag

Allereerst wordt vastgesteld welke bedragen in totaal in rekening worden gebracht voor het toezicht. De berekening van het jaarlijks door te berekenen bedrag is geregeld in artikel 15 van de Wbft 2019. Daaruit volgt dat de doorberekende kosten het geheel vormen van:

  • a. de begrote kosten voor 2026, verminderd met de opbrengsten van de eenmalige toezichthandelingen en de kosten van het toezicht op de BES-eilanden;2

  • b. het te verrekenen exploitatiesaldo over 2025;

  • c. met aftrek van de inzet van de heffingsreserve, indien van toepassing;

  • d. het in rekening te brengen gespreid exploitatiesaldo.3

De toezichthouders beschikken over twee stabiliteitsinstrumenten: de heffingsreserve en de spreiding van het exploitatiesaldo.4 De toezichthouders kunnen de heffingsreserve inzetten om grote fluctuaties in de doorberekende toezichtkosten als gevolg van incidentele situaties te dempen. De heffingsreserve kan ingezet worden ten bate van alle of specifieke toezichtcategorieën. Het bedrag dat in enig jaar uit de reserve wordt bekostigd, komt daarom in mindering van het door te berekenen bedrag. Ook kunnen de toezichthouders hun exploitatiesaldo over meerdere jaren spreiden. In dat geval wordt het in dat jaar in rekening te brengen gedeelte bij het te heffen bedrag opgeteld. De inzet van de stabiliteitsinstrumenten behoeft de goedkeuring van de Ministers.5

De stabiliteitsinstrumenten kunnen ingezet worden bij aanzienlijke fluctuaties die ontstaan zijn door incidentele omstandigheden. Die kunnen bijvoorbeeld samenhangen met nieuwe wettelijke taken waarvoor de toezichthouders voorbereidingskosten moeten maken, terwijl de betreffende instellingen nog niet onder toezicht staan of nog geen profijt hebben van dit toezicht. Ook kunnen onvoorziene kostenfluctuaties ontstaan door de uittreding van grote instellingen of een groot aantal instellingen.

De berekening van de totaal door te berekenen toezichtkosten voor het doorlopend toezicht in het jaar 2026 is in onderstaand overzicht weergegeven. Tabel 1 heeft betrekking op de totale toezichtkosten van de AFM en DNB.

Tabel 1: Berekening van de te heffen bedragen (in miljoenen euro’s)1
     

AFM

 

DNB

(zbo)

a.

Voor doorberekening relevante begrote kosten

 

167,8

 

271,7

 

Totaal begrote toezichtkosten

175,5

 

281,2

 
 

Begrote opbrengsten ter dekking eenmalige toezichthandelingen

– 7,0

 

– 7,7

 
 

Begrote kosten BES-toezicht

– 0,7

 

– 1,8

 

b.

Te verrekenen exploitatiesaldo 2025

 

– 14,5

 

– 8,0

c.

Inzet heffingsreserve

 

– 3

 

– 5,0

d.

In rekening te brengen gespreid exploitatiesaldo

 

0

 

0

 

Totaal te heffen op grond van art. 13 van de Wbft

 

153,3

 

258,6

X Noot
1

Door de weergave in miljoenen euro’s kunnen afrondingsverschillen ontstaan.

Verdeling over toezichtcategorieën

Nadat de totaal te heffen bedragen zijn bepaald, worden zij toegerekend aan de toezichtcategorieën aan de hand van procentuele aandelen uit bijlage 1, onderdeel A, van het Bbft 2019. Bij DNB volgen de doorberekende bedragen per toezichtcategorie uit de zbo-begroting 2026. In tabel 3 zijn deze bedragen te zien.

Het omslaan van kosten over personen binnen een toezichtcategorie

Het aan een toezichtcategorie toegerekende bedrag wordt vervolgens omgeslagen over de personen die deel uitmaken van die categorie. Dit gebeurt met behulp van maatstaven die zijn opgenomen in bijlage 1, onderdeel B, en 2, onderdeel B, van het Bbft 2019. De maatstaven worden in deze regeling nader ingedeeld in bandbreedtes. Voor elke bandbreedte geldt een tarief. Daarnaast geldt in de meeste gevallen een minimumtarief.

Bij het vaststellen van de minimumtarieven en de tarieven van de bandbreedtes worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • a. bij het vaststellen van de minimumtarieven wordt rekening gehouden met het draagkrachtbeginsel;

  • b. de tariefstructuur wordt in principe gevormd door een minimumtarief in combinatie met maximaal vier (degressieve) bandbreedtes waarbij de verschuldigde bedragen van het minimumtarief en de bandbreedte(s) die op de persoon onder toezicht van toepassing zijn bij elkaar worden opgeteld;

  • c. er bestaat zo veel mogelijk consistentie in de tariefstructuren (bandbreedtes en mate van degressiviteit) van categorieën die zowel onder toezicht staan van de AFM als van DNB.

Om de op te leggen heffing vast te stellen, bepaalt de toezichthouder in welke bandbreedte de betreffende onder toezicht staande persoon valt. Indien een persoon in meerdere bandbreedtes valt, is hij voor ieder van die bandbreedtes het daarbij behorende tarief verschuldigd. Dit komt in de regeling tot uitdrukking door de woorden ‘in voorkomend geval vermeerderd met’. Het aldus verschuldigde bedrag wordt meestal verhoogd met een vast minimumtarief.

In een aantal gevallen wordt van deze systematiek afgeweken, waarbij:

  • de heffing gelijk is aan een vast tarief dat is vastgesteld voor de hoogste bandbreedte waarin de onder toezicht staande persoon valt. Dit is het geval voor de categorieën ‘Afwikkelondernemingen, betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen’ en ‘Financiële infrastructuur’ van de AFM.

  • de bandbreedte gekoppeld is aan twee maatstaven, waardoor de toezichthouder tweemaal moet vaststellen in welke bandbreedtes de betreffende onder toezicht staande persoon valt. Dit is het geval bij de toezichtcategorieën ‘Accountantsorganisaties’, ‘Beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s, bewaarders, aanbieders van beleggingsobjecten en beleggingsondernemingen die beleggingsdiensten verlenen’, ‘Beleggingsondernemingen uitsluitend voor eigen rekening’ en ‘Pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen’ van de AFM.

  • enkel een vast tarief geldt. Dit is het geval voor een aantal personen in de categorieën ‘Effectenuitgevende instellingen: markt’, ‘Effectenuitgevende instellingen: verslaggeving’ en ‘Financiële infrastructuur’ van de AFM.

  • de hoogte van de heffing op groepsniveau wordt vastgesteld op basis van art. 12a Bbft 2019. In de toezichtcategorieën ‘Banken en clearinginstellingen’ van de AFM en ‘Banken en kredietunies’ van DNB worden de heffingen bepaald aan de hand van de minimumomvang van het toetsingsvermogen, die DNB krachtens artikel 3:57 van de Wft vaststelt. Vanwege het geconsolideerd uitoefenen van het toezicht wordt deze maatstaf door DNB op geconsolideerde basis vastgesteld, waarbij de maatstafwaarden van zowel de (niet-vrijgestelde) moeder- als dochterondernemingen worden meegenomen. Dat betekent dat de toezichthouders allebei per groep van ondernemingen één heffing opleggen, die geldt als heffing voor de (niet-vrijgestelde) moeder- en dochterondernemingen.

§ 3. Wijzigingen ten opzichte van de tarieven voor 2025

3.1. Wijzigingen in heffingen AFM (artikel 2)

Het totaal in rekening te brengen bedrag voor het doorlopend toezicht in 2026 daalt met 2,2% ten opzichte van 2025 (van € 156,8. mln. naar € 153,3 mln.) ondanks een stijging van de onderliggende begroting van € 165,9 mln. naar € 175,5 mln. (+5,7%). Deze stijging van de begroting heeft vooral te maken met loon- en prijsbijstelling, taakuitbreiding en extra investeringen in datagedreven toezicht en IT, zoals opgenomen in het kostenkader.6 De lagere doorbelasting aan de markt wordt voornamelijk verklaard door de verrekening van een hoger exploitatieoverschot uit 2025 (€ 14,5 mln. in 2026 tegenover € 1,4 mln. in 2025). Dit overschot wordt teruggegeven aan de sector en verlaagt daarmee het bedrag dat in rekening wordt gebracht. Voor de cryptoactivadienstverleners is € 3 mln. uit de heffingsreserve onttrokken vanwege beperktere mogelijkheden tot kostendekkende doorberekening in het toezichtjaar 2026.

De vaste procentuele verdeling van de AFM-toezichtkosten over alle categorieën zijn ten opzichte van 2025 ongewijzigd. De verdeling is voor meerdere jaren vastgelegd, wat zorgt voor meer voorspelbaarheid en stabiliteit in de jaarlijkse heffingen en bijdraagt aan bestuurlijke rust. De tarieven voor 2026 dalen allemaal ten opzichte van 2025 met uitzondering van de tarieven voor aanbieders van krediet, verzekeraars leven en pensioen en enkele tarieven in de categorie Financiële infrastructuur.

Tabel 2: Door de AFM te heffen bedragen in 2026 (in duizenden euro’s)
 

Procentueel aandeel

Sector

bijdrage 2025

Sector

bijdrage 2026

Verschil 2026 t.o.v. 2025 in €

Verschil 2026 t.o.v. 2025 in %

1. Aanbieders van krediet

3,8%

6,0

5,8

– 0,2

– 3,3%

2. Accountantsorganisaties

16,6%

26,0

25,5

– 0,5

– 1,9%

3. Adviseurs en bemiddelaars

10,7%

16,7

16,4

– 0,3

– 1,8%

4. Afwikkelondernemingen, betaalinstellingen elektronischgeldinstellingen

0,3%

0,5

0,5

0

0%

5. Banken en clearinginstellingen

13,3%

20,8

20,4

– 0,4

– 1,9%

6. Beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s, aanbieders van beleggingsobjecten en beleggingsondernemingen die beleggingsdiensten verlenen

20%

31,3

30,6

– 0,7

– 2,5%

7. Beleggingsondernemingen uitsluitend voor eigen rekening

1,7%

2,7

2,6

– 0,1

– 3,7%

8. Cryptoactivadienstverleners

3,7%

5,91

5,7

– 0,2

– 3,4%

9. Effectenuitgevende instellingen: markt

8,8%

13,8

13,5

– 0,3

– 2,2%

10. Effectenuitgevende instellingen: verslaggeving

4,5%

7,1

6,9

– 0,2

– 2,8%

11. Financiële infrastructuur

3,2%

5,0

4,9

– 0,1

– 2%

12. Pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen

5,4%

8,5

8,3

– 0,2

– 2,4%

13. Verzekeraars: leven en pensioen2

5,1%

8,0

7,8

– 0,2

– 2,4%

14. Verzekeraars: schade

2,7%

4,2

4,1

– 0,1

– 2,4%

15. Verzekeraars: zorg

0,2%

0,3

0,3

0

0%

Totaal

100%

156,8

153,3

– 3,5

– 2,2%

X Noot
1

In 2025 is € 4,1 mln. heffingsreserve ingezet waardoor het door te berekenen bedrag voor de toezichtcategorie cryptoactivadienstverleners € 1,8 mln. bedroeg.

X Noot
2

Voor de toepassing van artikel 8 en bijlage 1 en 2, onderdeel B, van het Bbft 2019 wordt bij de berekening van de maatstaf ‘bruto premie-inkomen’ voor de categorie levensverzekeraars het bruto premie-inkomen die voortvloeit uit collectieve waardeoverdrachten in het kader van door verzekeraars uitgevoerde pensioenoverdrachten buiten beschouwing gelaten. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.2, onder het kopje ‘Verzekeraars (niet-zorg)’.

Inzet heffingsreserve

Op verzoek van de AFM wordt € 3 mln. aan de heffingsreserve onttrokken en toegekend aan de categorie Cryptoactivadienstverleners. De inzet wordt gebruikt om rekening te houden met de beperkte doorberekeningsmogelijkheden binnen de nog ontwikkelende cryptosector in 2026. De heffingsreserve wordt gebruikt om de hoge tarieven ten gevolge daarvan te dempen. Om de heffing beter in verhouding te laten staan tot de toezichtinspanningen, wordt een deel van het variabele tarief gedekt uit de heffingsreserve. Hierdoor blijven de in 2026 door te belasten bedrag voor cryptoactivadienstverleners beperkt tot € 2,7 mln.

Vanaf 2026 wordt voor het eerst het variabele tarief toegepast. Omdat een groot deel van de MiCAR-vergunningen in de loop van 2025 zijn verleend en het variabele deel van de heffing gebaseerd is op de omzetgegevens vanaf de datum van vergunningverlening, ontstaan onwenselijke verschillen in de hoogte van de heffing tussen vergunninghouders. Hierdoor worden vergunninghouders die eerder vergund zijn relatief zwaarder belast dan partijen die later zijn toegetreden.

De inzet van de heffingsreserve draagt bij aan een meer geleidelijke ontwikkeling van het kostenniveau, vooruitlopend op een groei van de cryptotoezichtpopulatie en daarmee een evenwichtiger verdeling van de toezichtkosten in de komende jaren.

Aanbieders van krediet

Voor deze categorie stijgen de tarieven licht, hoewel het door te berekenen bedrag in de categorie daalt. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan een afname van de toezichtpopulatie en lagere maatstafwaarden.

Financiële infrastructuur

In deze categorie zijn de tarieven licht gestegen voor securitisaties, centrale tegenpartijen en de centrale effectbewaarinstellingen. Deze stijging hangt samen met de verschillen tussen de typen instellingen binnen deze categorie en is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de werkelijke toezichtinzet.

Verzekeraars: leven- en pensioen

Voor deze categorie stijgen de tarieven licht, hoewel het door te berekenen bedrag in de categorie daalt. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan een afname van de toezichtpopulatie en lagere maatstafwaarden.

3.2. Wijzigingen in heffingen DNB

Het totaal aan kosten dat DNB in 2026 via heffingen in rekening brengt bij onder toezicht staande instellingen bedraagt € 258,6 mln. Dit is € 3,6 mln. lager dan in 2025 (–1%). Deze daling wordt met name verklaard door een gunstigere nacalculatie over 2025 van € 6,0 mln. ten opzichte van het saldo over 2024, als gevolg van een onderschrijding in de realisatie van het doorlopend toezicht. Daartegenover staat een stijging van de toezichtbegroting met € 3,9 mln. (+1%), voornamelijk als gevolg van loon- en prijsbijstellingen. Per saldo daalt het te heffen bedrag licht ten opzichte van het voorgaande jaar. Voor een overzicht van de doorberekende toezichtkosten wordt verwezen naar tabel 3.

Tabel 3: Berekening van de door DNB te heffen bedragen in 2026 (in duizenden euro’s)
 

Begroting

Verrekening exploitatiesaldo 2025

Eenmalige handelingen

Inzet heffingsreserve

Door te berekenen

t.o.v. 2025 in %

Banken

111,1

– 2,5

– 1,2

– 0,9

106,5

+ 6%

Beleggingsondernemingen en -instellingen

12,2

2,1

– 2,6

– 0,8

10,8

+ 7%

Betaalinstellingen

18,3

0,7

– 2,8

– 2,0

14,1

– 4%

DGS: banken

6,4

0,1

6,5

– 5%

Pensioenfondsen

48,3

– 3,4

44,9

– 14%

Resolutie: banken

9,0

– 0,7

8,4

+ 4%

Resolutie: verzekeraars

9,1

– 1,2

7,9

– 5%

Trustkantoren

8,9

– 0,4

– 0,2

– 0,1

8,1

– 8%

Overige verzekeraars

53,7

– 2,8

– 0,9

– 1,1

48,8

– 3%

Zorgverzekeraars

2,5

– 0,0

2,5

+ 8%

Totaal

279,4

– 8,0

– 7,7

– 5,0

258,6

– 1%

Hieronder wordt ingegaan op de categorieën waar sprake is van substantiële verschillen in de tarieven vergeleken met 2025.

Inzet heffingsreserve

Op verzoek van DNB wordt in 2026 de heffingsreserve ingezet ter dekking van tekorten die zijn ontstaan bij de eenmalige handelingen (leges). Deze tekorten zijn het gevolg van de verlate inwerkingtreding van aangepaste legestarieven7, waardoor de opbrengsten uit eenmalige handelingen in 2025 lager zijn uitgekomen dan de daarmee samenhangende kosten. Het totale tekort bij de eenmalige handelingen bedraagt € 5 mln.8

Ter dekking van het bovengenoemde tekort wordt in 2026 € 4,8 mln. onttrokken aan de heffingsreserve. Deze inzet heeft uitsluitend betrekking op de financiering van eenmalige handelingen en wordt niet gebruikt ter dekking van de kosten van het doorlopend toezicht.

Gezien de omvang van het tekort kan het resterende deel van het tekort van € 0,2 mln. niet binnen de beschikbare heffingsreserve in 2026 worden gedekt. Op verzoek van DNB wordt het resterende tekort van € 0,2 mln. doorgeschoven naar 2027 door spreiding van het exploitatiesaldo. Door het opnemen van het tekort in het exploitatiesaldo en deze te spreiden wordt voorkomen dat deze kosten betrokken worden bij de tarieven voor het doorlopend toezicht. Dit is in lijn met de uitspraken van het Collega van Beroep voor het bedrijfsleven over de doorberekening van de kosten van eenmalige handelingen9

Banken

Voor banken neemt het te heffen bedrag voor doorlopend toezicht in 2026 toe met € 5,9 miljoen (+6%). Deze stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door een toename van de deelbegroting met € 6,6 miljoen (+6%), onder meer als gevolg van loon- en prijsontwikkelingen en een hoger aandeel in bankbrede IT-kosten.

Pensioenfondsen

Voor pensioenfondsen daalt het te heffen bedrag in 2026 met € 7,2 mln. (–14%). Deze daling wordt enerzijds veroorzaakt door een verlaging van de deelbegroting met € 3,2 mln. (–6%), en anderzijds door een gunstige nacalculatie over 2025 van € 4,0 mln. Beide hangen samen met de geplande afbouw van transitiewerkzaamheden in het kader van de Wet toekomst pensioenen.

Verzekeraars (niet-zorg)

Voor verzekeraars niet zijnde zorgverzekeraars daalt het te heffen bedrag in 2026 met € 1,4 mln. (–3%). Hoewel de toezichtbegroting toeneemt met € 1,4 mln. (+3%), wordt dit gecompenseerd door een positieve nacalculatie uit het doorlopend toezicht.

Voor de toepassing van artikel 8 en bijlage 2, onderdeel B, van het Bbft 2019 wordt bij de berekening van de maatstaf ‘bruto premie-inkomen’ voor de categorie verzekeraars, niet zijnde zorgverzekeraars, het bruto premie-inkomen die voortvloeit uit collectieve waardeoverdrachten10 in het kader van door verzekeraars uitgevoerde pensioenoverdrachten buiten beschouwing gelaten.

Om disproportionele fluctuaties in de heffing te voorkomen, worden pensioenbuy-outs bij levensverzekeraars vanaf 2026 (rapportagejaar bruto premie-inkomen 2024) buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van de maatstaf bruto premie-inkomen. Een buy-out in de zin van een collectieve waardeoverdracht conform artikel 84 van de Pensioenwet heeft een éénmalig en incidenteel karakter. Onder de Wet toekomst pensioenen leiden dergelijke buy-outs tot eenmalige, zeer hoge premie-inkomsten bij individuele verzekeraars. Zonder deze aanpassing zouden de heffingen voor deze verzekeraars sterk kunnen fluctueren. Deze pensioenbuy-out contracten worden daarom via een gerichte aanpassing in de toepassing van de maatstaf buiten beschouwing gelaten.

Deze aanpassing heeft een tijdelijk karakter. Beoogd wordt de maatstaf voor de categorie verzekeraars, niet zijnde zorgverzekeraars, in het Bbft 2019 op een later moment te verduidelijken zodat collectieve waardeoverdrachten expliciet worden uitgezonderd van de berekening van het bruto premie-inkomen.

Beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen (inclusief cryptoactivadienstverleners)

Voor beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen neemt het te heffen bedrag in 2026 toe met € 0,7 mln. (+7%). Hoewel de toezichtbegroting daalt, leidt een ongunstigere nacalculatie over 2025 er per saldo toe dat het op te halen bedrag stijgt.

Voor cryptoactivadienstverleners wordt de heffingssystematiek aangepast. In 2025 is voor deze instellingen nog gewerkt met een vast tarief. Vanaf 2026 wordt de heffing gebaseerd op het balanstotaal, met toepassing van een degressieve staffel die aansluit bij die van de beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen. Hiermee wordt een evenwicht bereikt tussen draagkracht en toezichtcapaciteit en wordt de consistentie binnen de sector versterkt.

Trustkantoren

Voor trustkantoren neemt het te heffen bedrag in 2026 af met € 0,7 mln. (–8%). Dit is toe te schrijven aan een daling van de deelbegroting en een positieve nacalculatie van in totaal met € 0,8 mln. Ten opzichte van 2025 is er een lichte afname in de toezichtpopulatie. Hierdoor stijgen de tarieven met 1,5%, ondanks het lager op te halen bedrag.

3.3. Indexatie eenmalige handelingen DNB

Eenmalige handelingen

De tarieven voor eenmalige handelingen (leges) worden geïndexeerd op basis van een loon- en prijsbijstelling overeenkomstig de afspraken uit het kostenkader.11 Structurele indexatie van de legestarieven waarborgt dat de tarieven kostendekkend blijven. Voor 2026 bedraagt de indexering van de legestarieven 3,92%.12 Hierbij wordt de loonontwikkeling gekoppeld aan de cao-loonontwikkeling zoals geraamd door het Centraal Planbureau (CPB) en de prijsontwikkeling aan de consumentenprijsindex (CPI) zoals vastgesteld door het Centraal Bureau van Statistiek (CBS). De indexering bestaat uit een vaste verhouding van tweederde loonbijstelling en eenderde prijsbijstelling.

De tarieven voor eenmalige handelingen van DNB worden dit jaar voor het eerst op deze wijze geïndexeerd, nadat zij vorig jaar integraal herzien en met terugwerkende kracht geïndexeerd zijn.13 De tarieven voor eenmalige handelingen van de AFM worden op een later moment geïndexeerd, samen met een integrale herziening van deze tarieven. Het voornemen is om vanaf dat moment ook de AFM-tarieven voor eenmalige handelingen jaarlijks aan te passen aan de loon- en prijsontwikkeling, net zoals nu voor DNB gebeurt.

§ 4. Financiële gevolgen en administratieve lasten

De nieuwe tarieven hebben financiële gevolgen voor de ondertoezichtstaande personen die op basis van deze regeling een heffing verschuldigd zijn. De gevolgen zijn afhankelijk van de categorie waartoe een persoon behoort. Hierboven is reeds ingegaan op de belangrijkste wijzigingen in de tarieven ten opzichte van 2025. De regeling is beperkt tot het vaststellen van tarieven en heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten of de Rijksbegroting.

Artikelsgewijs

Artikel I (Regeling bekostiging financieel toezicht eenmalige handelingen)

In de tabel in artikel 5, onderdeel Wft.D7.01 was een tarief van € 1.100 vastgesteld voor de geschiktheidstoets van personen van een elektronischgeldinstelling, wisselinstelling of vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappij door DNB. Dit tarief wordt gelijkgetrokken met het tarief van € 2.900 in Wft.D7.02 voor het toetsen van personen op geschiktheid. Deze wijziging strekt ertoe de tarieven voor geschiktheidstoetsingen in lijn te brengen met de intensiteit en inzet van de huidige toetsingspraktijk.

Als gevolg van de bovengenoemde wijziging vervalt het aparte tarief in onderdeel Wft.D7.01 en wordt deze gelijkgetrokken en opgenomen in het tarief in Wft.D7.02. Hierdoor worden de onderdelen Wft.D7.02 tot en met Wft.D7.06 vernummerd tot Wft.D7.01 tot en met Wft.D7.05.

Artikel II (Inwerkingtreding)

De regeling treedt de dag na publicatie in werking. De nieuwe tarieven voor eenmalige handelingen gelden voor aanvragen die worden ingediend na het moment van inwerkingtreding.

De Minister van Financiën, E. Heinen

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A Vijlbrief


X Noot
1

In overeenstemming met de in de Wet bekostiging financieel toezicht gehanteerde begrippen wordt hierna gesproken van 'personen'.

X Noot
2

Met uitzondering van de taken op grond van de Pensioenwet BES.

X Noot
3

Onderdelen c en d zijn pas vanaf 2023 in de berekening betrokken, vanwege een wijziging van de bekostigingssystematiek.

X Noot
4

Art. 8a en 12a Wbft 2019.

X Noot
5

Zie ook de toelichting bij de Wijzigingswet financiële markten 2022, Kamerstukken II 2021/22, 35 950, nr. 3.

X Noot
6

Kamerstukken II 2023/24, 32 545, nr. 205.

X Noot
8

In de ZBO-verantwoording 2025 heeft DNB het voornemen geuit om het totale tekort op de eenmalige handelingen (€ 5,3 mln.) ten laste te brengen van de heffingsreserve om kruissubsidiering in de tarieven van 2026 te voorkomen. Ten aanzien van het tekort op de eenmalige handelingen voor de BES-eilanden (€ 0,3 mln.) geldt dat dit tekort meeloopt met de overheidsbijdrage voor de BES-eilanden, in plaats van de inzet van de heffingsreserve.

X Noot
9

Zie toelichting in Staatscourant 2025, 40136, paragraaf 2.

X Noot
10

Collectieve waardeoverdrachten in de zin van artikel 84 Pensioenwet

X Noot
11

Kamerstukken II 2023/24, 32 545, nr. 206.

X Noot
12

Dit percentage is gebaseerd op de overeengekomen verhouding van tweederde loonbijstelling (4,2%) en eenderde prijsbijstelling op basis van de CPI (3,3%). Zie voor een nadere toelichting p. 33 van de zbo-begroting DNB 2026.


X Noot
1

In overeenstemming met de in de Wet bekostiging financieel toezicht gehanteerde begrippen wordt hierna gesproken van 'personen'.

X Noot
2

Met uitzondering van de taken op grond van de Pensioenwet BES.

X Noot
3

Onderdelen c en d zijn pas vanaf 2023 in de berekening betrokken, vanwege een wijziging van de bekostigingssystematiek.

X Noot
4

Art. 8a en 12a Wbft 2019.

X Noot
5

Zie ook de toelichting bij de Wijzigingswet financiële markten 2022, Kamerstukken II 2021/22, 35 950, nr. 3.

X Noot
6

Kamerstukken II 2023/24, 32 545, nr. 205.

X Noot
8

In de ZBO-verantwoording 2025 heeft DNB het voornemen geuit om het totale tekort op de eenmalige handelingen (€ 5,3 mln.) ten laste te brengen van de heffingsreserve om kruissubsidiering in de tarieven van 2026 te voorkomen. Ten aanzien van het tekort op de eenmalige handelingen voor de BES-eilanden (€ 0,3 mln.) geldt dat dit tekort meeloopt met de overheidsbijdrage voor de BES-eilanden, in plaats van de inzet van de heffingsreserve.

X Noot
9

Zie toelichting in Staatscourant 2025, 40136, paragraaf 2.

X Noot
10

Collectieve waardeoverdrachten in de zin van artikel 84 Pensioenwet

X Noot
11

Kamerstukken II 2023/24, 32 545, nr. 206.

X Noot
12

Dit percentage is gebaseerd op de overeengekomen verhouding van tweederde loonbijstelling (4,2%) en eenderde prijsbijstelling op basis van de CPI (3,3%). Zie voor een nadere toelichting p. 33 van de zbo-begroting DNB 2026.

Naar boven