Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2026, 20792 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatscourant 2026, 20792 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op artikel 14, tweede lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 en artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019;
BESLUITEN:
In deze regeling wordt verstaan onder geconsolideerde jaarrekening: jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en lasten van personen die een groep of groepsdeel vormen en andere in de consolidatie meegenomen personen, als één geheel zijn opgenomen.
1. Voor het kalenderjaar 2026 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor de personen die onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten vallen, bedoeld in bijlage 1, onderdeel B, van dat besluit, als volgt vastgesteld:
|
Toezichtcategorie |
Maatstaf |
Bandbreedtes |
Tarieven |
|---|---|---|---|
|
1. Aanbieders van krediet |
Particuliere cliënten (PC): Aantal particuliere cliënten dat met de aanbieder rechtstreeks of middellijk als wederpartij een overeenkomst is aangegaan inzake krediet |
€ 3.094 vermeerderd met: |
|
|
0 tot en met 5.000 PC |
€ 9,36 per PC |
||
|
>5.000 tot en met 10.000 PC |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 6,55 per PC |
||
|
>10.000 tot en met 100.000 PC |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,93 per PC |
||
|
>100.000 PC |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,50 per PC |
||
|
2. Accountantsorganisaties |
Omzet: Omzet uit wettelijke controles bij organisaties van openbaar belang (OOB-controles) en bij controlecliënten die geen organisaties van openbaar belang zijn (niet OOB-controles) |
€ 2.570 in voorkomend geval vermeerderd met: |
|
|
Omzet uit OOB-controles: |
|||
|
€ 0 tot en met € 10 miljoen |
€ 53.113 per € miljoen omzet |
||
|
>€ 10 miljoen tot en met € 20 miljoen |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 25.453 per € miljoen omzet |
||
|
>€ 20 miljoen |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 13.722 per € miljoen omzet |
||
|
Omzet uit niet OOB-controles: |
|||
|
€ 0 tot en met € 20 miljoen |
€ 16.464 per € miljoen omzet |
||
|
>€ 20 miljoen tot en met € 100 miljoen |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 9.248 per € miljoen omzet |
||
|
>€ 100 miljoen |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 3.384 per € miljoen omzet |
||
|
3. Adviseurs, bemiddelaars en crowdfundingdienstverleners |
Omzet: Omzet gerelateerd aan de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend |
€ 697 vermeerderd met: |
|
|
€ 0 tot en met € 2,5 miljoen |
€ 2,81 per € 1.000 omzet |
||
|
>€ 2,5 miljoen tot en met € 25 miljoen |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 1,97 per € 1.000 omzet |
||
|
>€ 25 miljoen tot en met € 50 miljoen |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 1,40 per € 1.000 omzet |
||
|
>€ 50 miljoen |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,56 per € 1.000 omzet |
||
|
4. Afwikkelondernemingen, betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen |
Provisie-inkomsten (PI) |
Betaaldienstverleners waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:3.0b, 2:3.0g, 2:3.0l, 2:3a, eerste lid en 2:10a, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht Personen met PI in het bereik van: |
|
|
€ 0 tot en met € 0,2 miljoen |
€ 1.535 |
||
|
>€ 0,2 miljoen tot en met € 0,5 miljoen |
€ 3.341 |
||
|
>€ 0,5 miljoen tot en met € 1 miljoen |
€ 5.445 |
||
|
>€ 1 miljoen tot en met € 5 miljoen |
€ 7.433 |
||
|
>€ 5 miljoen |
€ 9.536 |
||
|
5. Banken en clearinginstellingen |
Minimum omvang toetsingsvermogen (MTV): Minimum omvang toetsingsvermogen berekend conform de regels die op grond van artikel 3:57 van de Wet op het financieel toezicht worden bepaald |
€ 11.120 vermeerderd met: |
|
|
€ 0 tot en met € 80 miljoen MTV |
€ 1.770 per € miljoen MTV |
||
|
>€ 80 miljoen tot en met € 400 miljoen MTV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 766 per € miljoen MTV |
||
|
>€ 400 miljoen tot en met € 4 miljard MTV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 398 per € miljoen MTV |
||
|
>€ 4 miljard MTV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 117 per € miljoen MTV |
||
|
6. Beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s, bewaarders, aanbieders van beleggingsobjecten en beleggingsondernemingen die beleggingsdiensten verlenen |
Vergunning en type beleggingsdienst of -activiteit in combinatie met vermogen: a. – het op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2:3g Wft uitoefenen van het bedrijf van bewaarder; – het op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2:55 Wft aanbieden van beleggingsobjecten; – het op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2:65 Wft beheren van een beleggingsinstelling in een voorkomend geval verhoogd met een bedrag per type dienst of activiteit genoemd in artikel 2:67a, tweede lid, onderdeel a, b of d, Wft of artikel 2:97, vierde lid, Wft; – het op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2:69b Wft beheren van een icbe, in een voorkomend geval verhoogd met een bedrag per type dienst genoemd in artikel 2:97, derde lid, Wft; – het op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 Wft verlenen van een van de beleggingsdiensten genoemd in de onderdelen a tot en met f van het in artikel 1:1 Wft gedefinieerde begrip ‘het verlenen van een beleggingsdienst’; – het op grond van een vergunning overeenkomstig artikel 18, tweede lid, verordening (EU) nr. 1031/2010 aanbieden van broeikasgasemissierechten b. de omvang van het totaal van: – het balanstotaal van de aanbieder van beleggingsobjecten; – het balanstotaal van de beheerde beleggingsinstelling(en); – het balanstotaal van de beheerde icbe(’s); – het beheerd individueel vermogen zoals omschreven in het in artikel 1:1 Wft gedefinieerde begrip ‘het beheren van individueel vermogen’, welk begrip wordt gebruikt in onderdeel c van het in artikel 1:1 Wft gedefinieerde begrip ‘het verlenen van een beleggingsdienst’, in artikel 2:67a, tweede lid, onderdeel a, Wft en in artikel 2:97, derde of vierde lid, Wft; – het vermogen waarover wordt geadviseerd bij het ‘adviseren over financiële instrumenten’ zoals genoemd in onderdeel d van het in artikel 1:1 Wft gedefinieerde begrip ‘het verlenen van een beleggingsdienst’, in artikel 2:67a, tweede lid, onderdeel b, Wft en in artikel 2:97, derde of vierde lid, Wft. |
Vergunning als bedoeld in: |
|
|
Art. 2:3g, 2:55, 2:65, 2:69b van de Wet op het financieel toezicht of artikel 18, tweede lid, van verordening (EU) nr. 1031/2010 |
€ 9.720 |
||
|
Art. 2:96 van de Wet op het financieel toezicht |
€ 0 |
||
|
In combinatie met type beleggingsdienst of -activiteit |
|||
|
Ontvangen en doorgeven van orders als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 3.335 |
||
|
Uitvoeren van orders voor rekening van cliënten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 10.001 |
||
|
Vermogensbeheer als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 13.337 |
||
|
Beleggingsadvies als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 10.001 |
||
|
Begeleiden of overnemen van emissies met plaatsingsgaranties als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 3.335 |
||
|
Begeleiden van emissies zonder plaatsingsgarantie als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 3.335 |
||
|
In combinatie met vermogen Balanstotaal (BT) |
|||
|
€ 0 tot en met € 5 miljard |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 84,16 per miljoen BT |
||
|
> € 5 miljard tot en met € 10 miljard |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 46,87 per miljoen BT |
||
|
> € 10 miljard tot en met € 12 miljard |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 3,74 per miljoen BT |
||
|
> € 12 miljard |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,24 per miljoen BT |
||
|
Beheerd individueel vermogen (BV) in voorkomend geval vermeerderd met het vermogen waarover wordt geadviseerd (AV) |
|||
|
€ 0 tot en met € 1 miljard |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 13,94 per miljoen BV + AV |
||
|
> € 1 miljard tot en met € 5 miljard |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 6,97 per miljoen BV + AV |
||
|
> € 5 miljard tot en met € 20 miljard |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 2,29 per miljoen BV + AV |
||
|
> € 20 miljard |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 1,75 per miljoen BV + AV |
||
|
7. Beleggingsondernemingen uitsluitend voor eigen rekening De jaarlijkse bijdrage aan de kosten voor het doorlopend toezicht bestaat uit drie delen: 1. Basisbedrag; 2. Een variabel deel dat berekend wordt aan de hand van 100 maal het minimum aan te houden toetsingsvermogen (uitkomst wordt voor 50% meegeteld); 3. Een variabel deel dat berekend wordt aan de hand van het aantal transacties (uitkomst wordt voor 50% meegeteld). |
Toetsingsvermogen (TV): Honderdmaal het minimaal aan te houden toetsingsvermogen dat door DNB is vastgesteld ten aanzien van degene die handelt voor eigen rekening zoals genoemd in onderdeel a van het in artikel 1:1 Wft gedefinieerde begrip ‘verrichten van een beleggingsactiviteit’ |
€ 4.626 vermeerderd met: |
|
|
€ 0 tot en met € 1 miljard TV |
€ 56,04 per € 1 miljoen TV |
||
|
>€ 1 tot en met € 10 miljard TV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 33,62 per € 1 miljoen TV |
||
|
>€10 tot en met € 20 miljard TV |
in voorkomend geval vermeerderd met € 5,60 per € 1 miljoen TV |
||
|
>€ 20 miljard TV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,56 per € 1 miljoen TV |
||
|
Transacties: Aantal transacties |
0 tot en met 1 miljoen transacties |
€ 33,62 per 1.000 transacties |
|
|
>1 tot en met 5 miljoen transacties |
In voorkomend geval vermeerderd met: € 11,22 per 1.000 transacties |
||
|
>5 tot en met 50 miljoen transacties |
In voorkomend geval vermeerderd met: € 2,25 per 1.000 transacties |
||
|
>50 miljoen transacties |
In voorkomend geval vermeerderd met: € 0,56 per 1.000 transacties |
||
|
8. Cryptoactivadienstverleners |
Omzet: omzet gerelateerd aan de aangeboden cryptoactivadiensten. Aangeboden cryptoactivadiensten: aangeboden cryptoactivadiensten als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel 16, van Verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR). |
Personen als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder a, van Verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR) of artikel 60, eerste tot en met zesde lid, van Verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR). |
€ 8.000 vermeerderd met: |
|
€ 0 tot en met 1 miljoen |
€ 38,25 per € 1.000 omzet |
||
|
>€ 1 miljoen tot en met € 20 miljoen |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 25,50 per € 1.000 omzet |
||
|
>€ 20 miljoen tot en met € 50 miljoen |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 17,00 per € 1.000 omzet |
||
|
>€ 50 miljoen |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 4,25 per € 1.000 omzet |
||
|
In combinatie met aangeboden cryptoactivadiensten: |
|||
|
a. bewaren en beheren van cryptoactiva namens cliënten |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 4.250 |
||
|
b. exploiteren van een cryptoactivahandelsplatform |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 4.250 |
||
|
c. omwisselen van cryptoactiva voor geldmiddelen |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 2.125 |
||
|
d. omwisselen van cryptoactiva voor andere cryptoactiva |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 2.125 |
||
|
e. uitvoeren van cryptoactivaorders namens cliënten |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 4.250 |
||
|
f. plaatsen van cryptoactiva |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 2.125 |
||
|
g. ontvangen en doorgeven van cryptoactivaorders namens cliënten |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 2.125 |
||
|
h. verlenen van advies over cryptoactiva |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 4.250 |
||
|
i. verzorgen van portefeuillebeheer voor cryptoactiva |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 6.375 |
||
|
j. verlenen van cryptoactivaoverdrachtdiensten namens cliënten |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 4.250 |
||
|
9. Effectenuitgevende instellingen: markt |
Marktkapitalisatie: De gemiddelde marktkapitalisatie (GMK) van de instelling. |
Personen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 21, van verordening (EU) nr. 596/2014 of artikel 5:33, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht voor zover het aandelen uitgevende personen betreft niet zijnde beleggingsmaatschappijen: |
€ 15.410 vermeerderd met: |
|
€ 0 tot en met € 500 miljoen GMK |
€ 64,26 per € miljoen GMK |
||
|
>€ 500 miljoen tot en met € 1 miljard GMK |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 39,14 per € miljoen GMK |
||
|
>€ 1 miljard tot en met € 5 miljard GMK |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 18,21 per € miljoen GMK |
||
|
>€ 5 miljard GMK |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 1,10 per € miljoen GMK |
||
|
Personen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 21, van verordening (EU) nr. 596/2014 of artikel 5:33, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht voor zover het aandelen uitgevende personen betreft zijnde beleggingsmaatschappijen |
€ 2.120 |
||
|
Personen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 21, van verordening (EU) nr. 596/2014 of artikel 5:33, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het financieel toezicht voor zover het schuldpapier uitgevende personen betreft |
€ 1.580 |
||
|
10. Effectenuitgevende instellingen: verslaggeving |
Marktkapitalisatie terwijl voor partijen die geen marktkapitalisatie kennen het eigen vermogen relevant is: Marktkapitalisatie: De gemiddelde marktkapitalisatie (GMK) van de instelling. Eigen vermogen: Eigen vermogen (EV). |
Personen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet toezicht financiële verslaggeving voor zover zij een geconsolideerde jaarrekening opstellen: |
€ 7.540 vermeerderd met: |
|
€ 0 tot en met € 500 miljoen GMK of EV |
€ 28,33 per € miljoen GMK of EV |
||
|
>€ 500 miljoen tot en met € 1 miljard GMK of EV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 17,21 per € miljoen GMK of EV |
||
|
>€ 1 miljard tot en met € 5 miljard GMK of EV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 8,62 per € miljoen GMK of EV |
||
|
>€ 5 miljard GMK of EV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,51 per € miljoen GMK of EV |
||
|
Personen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet toezicht financiële verslaggeving voor zover zij geen geconsolideerde jaarrekening opstellen |
€ 3.540 |
||
|
11. Financiële infrastructuur |
Omzet: Omzet gerelateerd aan de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend Marktkapitalisatie Nederlandse noteringen: Marktkapitalisatie van Nederlandse genoteerde aandelen die ten eerste zijn genoteerd aan de door deze persoon geëxploiteerde markten, uitgedrukt als percentage van de totale marktkapitalisatie. |
Marktexploitant waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 5:26 Wft of een beleggingsonderneming die in Nederland een MTF of een georganiseerde handelsfaciliteit exploiteert en beheert, waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:96 Wft of een in Nederland actief zijnde houder van een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is, waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 5:26 Wft. |
|
|
€ 0 tot en met € 5 miljoen omzet |
€ 68.090 |
||
|
>€ 5 tot en met € 50 miljoen omzet |
€ 200.149 |
||
|
>€ 50 miljoen omzet en marktkapitalisatie Nederlandse noteringen <50% van totaal |
€ 457.482 |
||
|
>€ 50 miljoen omzet en marktkapitalisatie Nederlandse noteringen >50% van totaal |
€ 995.024 |
||
|
Een datarapporteringsdienstverlener als bedoeld in artikel 2, derde lid van Verordening (EU) 600/2014 (MiFIR) waaraan een vergunning is verleend op grond van artikel 27 quater van die verordening; een marktexploitant waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 5:26 Wft, eerste lid, en in de vergunning is opgenomen dat zij voldoet aan Titel IV bis van Verordening (EU) 600/2014 (MiFIR) ter aanbieding van de diensten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen 34 tot en met 36 van die verordening; of een beleggingsonderneming waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, is verleend voor het exploiteren van een georganiseerde handelsfaciliteit of een multilaterale handelsfaciliteit, en in de vergunning is opgenomen dat zij voldoet aan Titel IV bis van Verordening (EU) 600/2014 (MiFIR) ter aanbieding van de diensten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen 34 tot en met 36 van die verordening. |
€ 28.775 |
||
|
Een beheerder van een benchmark als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Verordening EU nr 2016/1011 (Benchmarks) waaraan in Nederland een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van die verordening. |
€ 30.332 |
||
|
Een beheerder van een benchmark als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Verordening EU nr 2016/1011 (Benchmarks) waaraan in Nederland een registratie is verleend als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van die verordening |
€ 30.332 |
||
|
Een Nederlandse ondertoezichtstaande instelling als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Verordening EU nr. 2016/1011 (Benchmarks) beschikkende over een goedgekeurde bekrachtiging van een in een derde land aangeboden benchmark of benchmarkgroep als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van die verordening |
€ 30.332 |
||
|
Een wettelijke vertegenwoordiger van een derde land beheerder waaraan in Nederland erkenning is verleend als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van Verordening EU nr. 2016/1011 (Benchmarks) |
€ 30.332 |
||
|
Een Nederlandse ondertoezichtstaande instelling als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening EU nr. 2017/2402 (Securitisaties) |
€ 3.057 |
||
|
een Nederlandse ondertoezichtstaande instelling als bedoeld in artikel 28 van Verordening EU nr. 2017/2402 (Securitisaties). |
€ 3.057 |
||
|
Transactievolume: Het aantal afwikkelingsinstructies dat verwerkt wordt door de centrale effectenbewaarinstelling |
€ 5.508 vermeerderd met: |
||
|
0 t/m 1,25 mln. transacties |
€ 40,65 per 1.000 transacties |
||
|
> 1,25 mln. t/m 2,5 mln. transacties |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 31,62 per 1.000 transacties |
||
|
> 2,5 mln. t/m 5 mln. transacties |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 22,58 per 1.000 transacties |
||
|
> 5 mln. transacties |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 13,55 per 1.000 transacties |
||
|
Omzet: De aan de hand van de artikelen 41, 42 en 43 van Verordening (EU) nr. 648/2012 (EMIR-verordening) te bepalen waarde van het geheel aan middelen dat de centrale tegenpartij aanhoudt ter dekking van de risico’s die zij loopt. |
€ 65.790 vermeerderd met: |
||
|
€ 0 tot en met € 10 miljoen |
€ 1.107 per € miljoen omzet |
||
|
>€ 10 miljoen tot en met € 100 miljoen |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 335 per € miljoen omzet |
||
|
>€ 100 miljoen tot en met € 1 miljard |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 52 per € miljoen omzet |
||
|
>€ 1 miljard |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 34 per miljoen € omzet |
||
|
12. Pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen |
Deze categorie kent twee heffingsmaatstaven die beide worden toegepast: 1. Deelnemers: Aantal actieve deelnemers 2. Vermogen: Som van de technische voorzieningen en het eigen vermogen (TV+EV) |
€ 1.820 vermeerderd met: |
|
|
Deelnemers: |
|||
|
0 tot en met 100.000 deelnemers |
€ 1,13 per deelnemer |
||
|
> 100.000 tot en met 500.000 deelnemers |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,11 per deelnemer |
||
|
>500.000 tot en met 1.000.000 deelnemers |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,10 per deelnemer |
||
|
>1.000.000 deelnemers |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,08 per deelnemer |
||
|
in combinatie met vermogen: |
|||
|
€ 0 tot en met € 10 miljard TV+EV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 7,00 per € miljoen TV+EV |
||
|
> € 10 miljard tot en met € 50 miljard TV+EV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 1,16 per € miljoen TV+EV |
||
|
>€ 50 miljard tot en met € 100 miljard TV+EV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,29 per € miljoen TV+EV |
||
|
>€ 100 miljard TV+EV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,11 per € miljoen TV+EV |
||
|
13. Verzekeraars: leven en pensioen |
Premie-inkomen: Bruto premie-inkomen in Nederland (BPIN) uit pensioenverzekeringen en levensverzekeringen |
€ 5.230 vermeerderd met: |
|
|
€ 0 tot en met € 1 miljard BPIN |
€ 932,24 per € miljoen BPIN |
||
|
>€ 1 miljard tot en met € 2 miljard BPIN |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 555,37 per € miljoen BPIN |
||
|
>€ 2 miljard tot en met € 3 miljard BPIN |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 188,44 per € miljoen BPIN |
||
|
>€ 3 miljard BPIN |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 47,58 per € miljoen BPIN |
||
|
14. Verzekeraars: schade niet zijnde zorg |
Premie-inkomen: Bruto premie-inkomen in Nederland (BPIN) uitgezonderd het bruto premie-inkomen uit zorgverzekeringen en aanvullende ziektekostenverzekeringen |
€ 2.970 vermeerderd met: |
|
|
€ 0 tot en met € 1 miljard BPIN |
€ 333,24 per € miljoen BPIN |
||
|
>€ 1 miljard tot en met € 2 miljard BPIN |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 199,57 per € miljoen BPIN |
||
|
>€ 2 miljard tot en met € 3 miljard BPIN |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 66,54 per € miljoen BPIN |
||
|
>€ 3 miljard BPIN |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 16,50 per € miljoen BPIN |
||
|
15. Verzekeraars: zorg |
Premie-inkomen: Bruto premie-inkomen in Nederland (BPIN) voor zover afkomstig uit aanvullende ziektekostenverzekering |
€ 7.800 vermeerderd met: |
|
|
€ 0 tot en met € 1 miljard BPIN |
€ 22,86 per € miljoen BPIN |
||
|
>€ 1 miljard tot en met € 2 miljard BPIN |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 13,62 per € miljoen BPIN |
||
|
>€ 2 miljard tot en met € 3 miljard BPIN |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 4,59 per € miljoen BPIN |
||
|
>€ 3 miljard BPIN |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 1,10 per € miljoen BPIN |
Voor het kalenderjaar 2026 worden de bandbreedtes en tarieven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019, voor de personen die onder toezicht van de Nederlandsche Bank vallen, bedoeld in bijlage 2, onderdeel B, van dat besluit als volgt vastgesteld
|
Toezichtcategorie |
Maatstaf |
Bandbreedtes |
Tarieven |
|---|---|---|---|
|
1. Banken en kredietunies |
Voor banken (personen a,b,c,d): Minimum omvang toetsingsvermogen (MTV) |
Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 2:11, 2:20, 3:4, eerste lid, of 3:110, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht |
€ 45.000 vermeerderd met: |
|
>€ 0 tot en met € 80 miljoen MTV |
€ 9.270 per € miljoen MTV |
||
|
>€ 80 miljoen tot en met € 400 miljoen MTV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 3.993 per € miljoen MTV |
||
|
>€ 400 miljoen tot en met € 4 miljard MTV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 2.099 per € miljoen MTV |
||
|
>€ 4 miljard MTV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 612 per € miljoen MTV |
||
|
2. Beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s, beleggingsondernemingen, bewaarders, marktexploitanten die een MTF of georganiseerde handelsfaciliteit exploiteren, uitgevers van activagerelateerde tokens en cryptoactivadienstverleners |
Voor beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s (personen b en c): a. Het vergunningtype. b. De verleende beleggingsdiensten of verrichte beleggingsactiviteiten als bedoeld in artikel 1:1 Wft. c. Het balanstotaal van de beheerde beleggingsinstellingen en icbe’s. e. Het vermogen waarover wordt geadviseerd. |
Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 2:65 of 2:69b, van de Wet op het financieel toezicht |
€ 4.500 |
|
Ontvangen en doorgeven van orders als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0 |
||
|
Vermogensbeheer als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 5.300 |
||
|
Beleggingsadvies als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0 |
||
|
Het balanstotaal (BT), van de beheerde beleggingsinstellingen en icbe’s |
|||
|
>€ 0 tot en met € 1 miljard BT |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 17,09 per € miljoen BT |
||
|
>€ 1 miljard tot en met € 10 miljard BT |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 11,35 per € miljoen BT |
||
|
>€ 10 miljard tot en met € 50 miljard BT |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 4,70 per € miljoen BT |
||
|
>€ 50 miljard BT |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,78 per € miljoen BT |
||
|
Vermogen waarover wordt geadviseerd (AV) |
|||
|
€ 0 tot en met € 1 miljard AV |
€ 1.620 |
||
|
> € 1 miljard tot en met € 10 miljard AV |
€ 3.240 |
||
|
> € 10 miljard tot en met € 50 miljard AV |
€ 6.480 |
||
|
> € 50 miljard AV |
€ 16.200 |
||
|
Voor beleggingsondernemingen (personen d): a. Het vergunningtype. b. De verleende beleggingsdiensten of verrichte beleggingsactiviteiten als bedoeld in artikel 1:1 Wft. d. Het beheerd individueel vermogen. e. Het vermogen waarover wordt geadviseerd. f. Het minimaal aan te houden toetsingsvermogen. |
Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:96, van de Wet op het financieel toezicht |
€ 4.500 |
|
|
Ontvangen en doorgeven van orders als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0 |
||
|
Uitvoeren van orders voor rekening van cliënten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 5.300 |
||
|
Vermogensbeheer als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 5.300 |
||
|
Beleggingsadvies als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0 |
||
|
Begeleiden of overnemen van emissies met plaatsingsgaranties als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 8.250 |
||
|
Begeleiden van emissies zonder plaatsingsgarantie als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 4.500 |
||
|
Beheerd individueel vermogen (BV), beheerd door beleggingsondernemingen |
|||
|
€ 0 tot en met € 1 miljard BV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 17,09 per € miljoen BV |
||
|
>€ 1 miljard tot en met € 10 miljard BV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 11,35 per € miljoen BV |
||
|
>€ 10 miljard tot en met € 50 miljard BV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 4,70 per € miljoen BV |
||
|
>€ 50 miljard BV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,78 per € miljoen BV |
||
|
Vermogen waarover wordt geadviseerd (AV) |
|||
|
€ 0 tot en met € 1 miljard AV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 1.620 |
||
|
>€ 1 miljard tot en met € 10 miljard AV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 3.240 |
||
|
>€ 10 miljard tot en met € 50 miljard AV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 6.480 |
||
|
>€ 50 miljard AV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 16.200 |
||
|
Honderd maal het minimaal aan te houden toetsingsvermogen (TV), ten aanzien van degene die handelt voor eigen rekening |
|||
|
€ 0 tot en met € 1 miljard TV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 17,09 per € miljoen TV |
||
|
>€ 1 miljard tot en met € 10 miljard TV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 11,35 per € miljoen TV |
||
|
>€ 10 miljard tot en met € 50 miljard TV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 4,70 per € miljoen TV |
||
|
>€ 50 miljard TV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,78 per € miljoen TV |
||
|
Voor bewaarders (personen e): a. Het vergunningtype. |
Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:3g, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht |
€ 4.500 |
|
|
Voor uitgevers van activagerelateerde tokens en aanbieders van cryptoactivadiensten (personen g): a. Het vergunningtype. i. Het balanstotaal |
Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder a, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR). |
€ 4.500 vermeerderd met: |
|
|
Het balanstotaal (BT) |
|||
|
€ 0 tot en met € 800 duizend BT |
€ 5,95 per € duizend BT |
||
|
>€ 800 duizend tot en met € 8 miljoen BT |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 3,95 per € duizend BT |
||
|
>€ 8 miljoen tot en met € 40 miljoen BT |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 1,63 per € duizend BT |
||
|
>€ 40 miljoen BT |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,27 per € duizend BT |
||
|
3. Betaalinstellingen, clearinginstellingen en elektronischgeldinstellingen |
Vergunning en type betaaldienst brutoprovisie-inkomsten (BPI) |
Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 2:3a, eerste lid, 2:4, of 2:10a van de Wet op het financieel toezicht: |
€ 8.250 in voorkomend geval vermeerderd met: |
|
Bij 2 toegestane betaaldiensten op basis van een vergunning |
€ 5.500 |
||
|
Bij 3 of meer toegestane betaaldiensten op basis van een vergunning |
€ 8.250 |
||
|
€ 0 tot en met € 1,21 miljoen BPI |
€ 59,40 per € 1.000 BPI |
||
|
>€ 1,21 miljoen tot en met € 12,1 miljoen BPI |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 30,48 per € 1.000 BPI |
||
|
>€ 12,1 miljoen tot en met € 60,5 miljoen BPI |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 2,75 per € 1.000 BPI |
||
|
>€ 60,5 miljoen BPI |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,29 per € 1.000 BPI |
||
|
Betaaldienstverleners als bedoeld in artikel 2:3e, eerste lid, Wft, waarop op grond van artikel 1a, derde lid, onderdeel b, Wwft de verplichting rust tot naleving van die wet |
€ 3.000 per bijkantoor € 500 per agent |
||
|
Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 2:54i, eerste lid, of 2:54l, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht |
€ 3.300 |
||
|
4. Depositogarantiestelsel: banken |
Gegarandeerde deposito’s (GD) |
Personen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in de artikelen 2:11, 2:20, 3:4, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht |
€ 500 vermeerderd met: |
|
€ 0 tot en met € 1 miljard GD |
€ 15,96 per € miljoen GD |
||
|
>€ 1 tot en met € 10 miljard GD |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 12,77 per € miljoen GD |
||
|
>€ 10 miljard GD |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 9,58 per € miljoen GD |
||
|
Personen als bedoeld in de artikelen 3:110, eerste lid, en 3:33a van de Wet op het financieel toezicht |
€ 500 |
||
|
5. Pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen |
Instellingen met vereist eigen vermogen (excl. premie-pensioeninstellingen): Som van de technische voorziening pensioenverplichting en het vereist eigen vermogen (TV+VEV), vermenigvuldigd met een bonus/malus factor. De bonus/malus factor is gelijk aan de som van de technische voorziening pensioenverplichting en het vereist eigen vermogen (TV+VEV), gedeeld door de som van de technische voorziening pensioenverplichtingen en het (aanwezige) eigen vermogen (TV+EV). Instellingen zonder vereist eigen vermogen (en premie-pensioeninstellingen): Technische voorziening pensioenverplichting (TV) |
€ 2.000 vermeerderd met: |
|
|
>€ 0 tot en met € 10 miljard (TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV)) |
€ 77,08 per € miljoen (TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV)) |
||
|
>€ 10 miljard tot en met € 50 miljard (TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV)) |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 11,56 per € miljoen (TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV)) |
||
|
>€ 50 miljard tot en met € 100 miljard (TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV)) |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 3,08 per € miljoen (TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV)) |
||
|
>€ 100 miljard (TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV)) |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,77 per € miljoen (TV+VEV)* ((TV+VEV)/(TV+EV)) |
||
|
Instellingen zonder vereist eigen vermogen (en premie-pensioeninstellingen): Technische voorziening pensioenverplichting (TV) Total assets (TA) |
€ 2.000 vermeerderd met: |
||
|
>€ 0 tot en met € 10 miljard TV |
€ 77,08 per € miljoen TV |
||
|
>€ 10 miljard tot en met € 50 miljard TV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 11,56 per € miljoen TV |
||
|
>€ 50 miljard tot en met € 100 miljard TV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 3,08 per € miljoen TV |
||
|
>€ 100 miljard TV |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 0,77 per € miljoen TV |
||
|
6. Resolutie: banken en beleggingsondernemingen |
Total assets (TA) |
€ 500 vermeerderd met: |
|
|
>€ 0 TA |
€ 3,13 per € miljoen TA |
||
|
7. Resolutie: verzekeraars |
Omvang technische voorziening (TV) |
€ 100 vermeerderd met: |
|
|
>€ 0 TV |
€ 22,80 per € miljoen TV |
||
|
8. Trustkantoren |
Omzet |
€ 2.000 vermeerderd met: |
|
|
>€ 0 tot en met € 230 duizend omzet |
€ 97,34 per € 1.000 omzet |
||
|
>€ 230 duizend tot en met € 1.080 duizend omzet |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 82,74 per € 1.000 omzet |
||
|
>€ 1.080 duizend tot en met € 8,9 miljoen omzet |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 34,07 per € 1.000 omzet |
||
|
>€ 8,9 miljoen omzet |
in voorkomend geval vermeerderd met: € 4,87 per € 1.000 omzet |
||
|
9. Verzekeraars niet zijnde zorgverzekeraars |
Bruto premie-inkomen (BPI) |
€ 2.000 vermeerderd met: |
|
|
>€ 0 BPI |
€ 1.382 per € miljoen BPI |
||
|
10. Zorgverzekeraars |
Aantal verzekerden |
€ 2.000 vermeerderd met: |
|
|
>0 verzekerden |
€ 0,14 per verzekerde |
De tabel in artikel 5 van de Regeling bekostiging financieel toezicht eenmalige handelingen wordt vervangen door:
|
Code |
Eenmalige handeling |
Vergoeding |
|---|---|---|
|
Onderdeel Wft.D1: |
De behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning |
|
|
Wft.D1.01 |
artikel 2:3a, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van betaaldienstverlener) |
€ 10.400 |
|
Wft.D1.02 |
artikel 2:4, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van clearinginstelling) |
€ 66.200 |
|
Wft.D1.03 |
artikel 2:6, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van clearinginstelling vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor) |
€ 66.200 |
|
Wft.D1.04 |
artikel 2:11, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van bank waarop het bepaalde ten aanzien van de solvabiliteit, de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:269 van de Wft, en de liquiditeit op basis van subconsolidatie of op individuele basis van toepassing is) |
€ 66.200 |
|
Wft.D1.05 |
artikel 2:10a van de Wft (uitoefening van het bedrijf van elektronischgeldinstelling) |
€ 10.400 |
|
Wft.D1.06 |
artikel 2:11, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van bank anders dan bedoeld onder Wft.D1.04) |
€ 47.100 |
|
Wft.D1.07 |
artikel 2:20, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van bank vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor waarop het bepaalde ten aanzien van de solvabiliteit, de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:269 van de Wft, en de liquiditeit op basis van subconsolidatie of op individuele basis van toepassing is) |
€ 66.200 |
|
Wft.D1.08 |
artikel 2:20, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van bank vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor anders dan bedoeld onder Wft.D1.07) |
€ 47.100 |
|
Wft.D1.09 |
artikel 2:54o van de Wft (uitoefening van het bedrijf van kredietunie) |
€ 12.700 |
|
Wft.D1.10 |
artikel 2:26a, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar) |
€ 38.900 |
|
Wft.D1.11 |
artikel 2:26d, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor) |
€ 33.500 |
|
Wft.D1.12 |
artikel 2:27, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar) |
€ 38.900 |
|
Wft.D1.13 |
artikel 2:40 van de Wft (uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor) |
€ 33.500 |
|
Wft.D1.14 |
artikel 2:48, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang) |
€ 7.500 |
|
Wft.D1.15 |
artikel 2:48, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar) |
€ 4.700 |
|
Wft.D1.16 |
artikel 2:50, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang) |
€ 7.500 |
|
Wft.D1.17 |
artikel 2:50, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor) |
€ 4.200 |
|
Wft.D1.18 |
artikel 2:54a, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van entiteit voor risico-acceptatie) |
€ 38.900 |
|
Wft.D1.19 |
artikel 2:54d, eerste lid, van de Wft (uitoefening van het bedrijf van entiteit voor risico-acceptatie) |
€ 33.500 |
|
Wft.D1.20 |
artikelen 2:54i en 2:54l van de Wft (uitoefening van het bedrijf van wisselinstelling) |
€ 6.500 |
|
Wft.D1.21 |
artikel 2:54g, eerste lid, van de Wft (uitoefenen van het bedrijf van premiepensioeninstelling) |
€ 38.900 |
|
Wft.D1.22 |
artikel 3:4, eerste lid, van de Wft waarop het bepaalde ten aanzien van de solvabiliteit, de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:269 van de Wft, en de liquiditeit op basis van subconsolidatie of op individuele basis van toepassing is |
€ 66.200 |
|
Wft.D1.23 |
artikel 3:4, eerste lid, van de Wft, anders dan bedoeld onder Wft.D1.22 |
€ 47.100 |
|
Onderdeel Wft.D2: |
De behandeling van een aanvraag tot wijziging van een vergunning als bedoeld onder |
|
|
Wft.D2.01 |
Wft.D1.01, Wft. D1.09 of Wft.D1.05, Wft.D1.14 |
€ 2.700 |
|
Wft.D2.02 |
Wft.D1.10, Wft.D1.11, Wft.D1.12, Wft.D1.18, Wft.D1.19 of Wft.D1.21 |
€ 14.300 |
|
Wft.D2.03 |
Wft.D1.02, Wft.D1.03, Wft.D1.04, Wft.D1.07 of Wft.D1.22 |
€ 66.200 |
|
Wft.D2.04 |
Wft.D1.06, Wft.D1.08 of Wft.D1.23 |
€ 47.100 |
|
Onderdeel Wft.D3: |
Behandeling aanvraag tot verlening ontheffing als bedoeld in |
|
|
Wft.D3.01 |
artikelen 2:23, tweede lid, 3:2, derde lid, 3:5, vierde lid, 3:6, vierde lid, of 3:7 vierde lid, van de Wft |
€ 5.400 |
|
Onderdeel Wft.D4: |
De behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in |
|
|
Wft.D4.01 |
artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wft |
€ 7.300 |
|
Wft.D4.02 |
artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wft |
€ 2.400 |
|
Wft.D4.03 |
artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wft |
€ 2.400 |
|
Wft.D4.04 |
artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wft |
€ 7.300 |
|
Wft.D4.05 |
artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wft |
€ 7.300 |
|
Wft.D4.06 |
artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wft |
€ 7.300 |
|
Wft.D4.07 |
artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wft |
€ 7.300 |
|
Wft.D4.08 |
artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de Wft |
€ 7.300 |
|
Wft.D4.09 |
artikel 3:96, eerste lid, van de Wft |
€ 7.300 |
|
Wft.D4.D10 |
artikel 3:97, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wft |
€ 7.300 |
|
Wft.D4.D11 |
artikel 3:97, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wft |
€ 7.300 |
|
Onderdeel Wft.D5: |
Behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in |
|
|
Wft.D5.01 |
artikel 3:110, eerste lid, van de Wft |
€ 66.200 |
|
Onderdeel Wft.D6: |
Inschrijving als bedoeld in |
|
|
Wft.D6.01 |
1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de Wft van een onderlinge waarborgmaatschappij die een verklaring als bedoeld in artikel 3 of 4 van het Besluit reikwijdtebepalingen Wft heeft aangevraagd |
€ 2.700 |
|
Onderdeel Wft.D7: |
Toetsing persoon, al dan niet in combinatie met een aanvraag |
|
|
Wft.D7.01 |
van wie de geschiktheid wordt vastgesteld op grond van artikel 3:8 van de Wft of op grond van een verordening als bedoeld in artikel 1:24, derde lid, van de Wft |
€ 2.900 |
|
Wft.D7.02 |
van wie de betrouwbaarheid wordt vastgesteld op grond van de artikelen 3:9, 3:99 en 3:100, eerste lid, onderdeel a, van de Wft of op grond van een verordening als bedoeld in artikel 1:24, derde lid, van de Wft |
€ 1.600 |
|
Wft.D7.03 |
van een premiepensioeninstelling, van wie de betrouwbaarheid wordt vastgesteld op grond van artikel 5, eerste lid, van het Bpr |
€ 1.600 |
|
Wft.D7.04 |
van een wisselinstelling, van wie de betrouwbaarheid en de geschiktheid wordt vastgesteld op grond van artikel 3:9a, eerste lid, van de Wft |
€ 1.900 |
|
Wft.D7.05 |
van wie de reputatie wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 3:99a en 3:100, onderdeel b, van de Wft of op grond van een verordening als bedoeld in artikel 1:24, derde lid, van de Wft |
€ 1.900 |
|
Onderdeel PW.D1 |
Behandeling aanvraag vergunning Pensioenwet |
|
|
PW.D1.01 |
artikel 112a van de Pensioenwet (uitoefening van het bedrijf van algemeen pensioenfonds) |
€ 38.900 |
|
Onderdeel Wtt.D1: |
Behandeling aanvraag vergunning trustkantoor als bedoeld in |
|
|
Wtt.D1.01 |
artikel 3, eerste of tweede lid, of artikel 4 van de Wet toezicht trustkantoren 2018 |
€ 6.800 |
|
Onderdeel Wtt.D2: |
Behandeling van aanvraag verlening ontheffing trustkantoor als bedoeld in |
|
|
Wtt.D2.01 |
artikel 5, tweede lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018 |
€ 2.400 |
|
Onderdeel Wtt.D3: |
Toetsing persoon, al niet dan niet in combinatie met een aanvraag |
|
|
Wtt.D3.01 |
van wie de geschiktheid wordt vastgesteld op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018 |
€ 2.900 |
|
Wtt.D3.02 |
van wie de betrouwbaarheid wordt vastgesteld op grond van artikel 10, tweede en derde lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018 |
€ 1.600 |
|
Wtt.D3.03 |
van wie de reputatie wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018 |
€ 1.900 |
|
Onderdeel EU.D1: |
MiCAR |
|
|
EU.D1.01 |
De beoordeling van een voorgenomen verwerving als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR) (gekwalificeerde deelneming in aanbieder van activagerelateerde tokens) |
€ 2.400 |
|
EU.D1.02 |
De behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR) (uitgifte van activagerelateerde tokens) |
€ 15.000 |
|
EU.D1.03 |
De behandeling van een kennisgeving als bedoeld in artikel 48, zesde lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR) (uitgifte van e-moneytokens door een elektronischgeldinstelling of bank) |
€ 4.800 |
|
EU.D1.04 |
De toetsing van de kennis, vaardigheden, ervaring en betrouwbaarheid van een lid van een leidinggevend orgaan als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR) |
€ 2.800 |
|
EU.D1.05 |
De toetsing van de betrouwbaarheid van een aandeelhouder of lid met een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 34, vierde lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR), al dan niet in combinatie met een aanvraag. |
€ 1.700 |
|
EU.D1.06 |
De toetsing van de betrouwbaarheid van een aandeelhouder of lid met een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR), al dan niet in combinatie met een aanvraag. |
€ 1.700 |
|
EU.D1.07 |
De beoordeling van een voorgenomen verwerving als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR) (gekwalificeerde deelneming in een aanbieder van cryptoactivadiensten) |
€ 2.400 |
|
EU.D1.08 |
De toetsing van de reputatie van de voorgenomen verwerver als bedoeld in artikel 42, tweede lid, of artikel 84, tweede lid, van verordening (EU) 2023/1114 (MiCAR), al dan niet in combinatie met een aanvraag. |
€ 1.900 |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Financiën, E. Heinen
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief
Jaarlijks worden voor het desbetreffende kalenderjaar de bandbreedtes en tarieven vastgesteld voor de vergoeding van toezichtkosten door de financiële sector. Deze regeling stelt de bandbreedtes en tarieven voor het kalenderjaar 2026 vast. Hieronder wordt eerst de systematiek van de verdeling van de kosten van het toezicht op de financiële sector uitgelegd. Daarna wordt ingegaan op de verschillen in de kostenverdeling met de regeling voor het kalenderjaar 2026.
Met deze regeling worden daarnaast de tarieven voor eenmalige handelingen van DNB, zoals vergunningaanvragen, aangepast aan de loon- en prijsontwikkelingen. De regeling wijzigt daartoe de Regeling bekostiging financieel toezicht eenmalige handelingen. Dit wordt toegelicht in paragraaf 3.3.
De wijze waarop de kosten van het doorlopend toezicht op de financiële markten door de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) jaarlijks in rekening worden gebracht bij onder toezicht staande instellingen1 is geregeld in artikel 15 van de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 (Wbft 2019) en nader uitgewerkt in het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 (Bbft 2019).
Eerst wordt het totaal te heffen bedrag berekend. Vervolgens worden de kosten verdeeld over de toezichtcategorieën. Als laatste worden de criteria voor de verdeling binnen een toezichtcategorie vastgesteld, bestaande uit bandbreedtes en tarieven.
Totaal te heffen bedrag
Allereerst wordt vastgesteld welke bedragen in totaal in rekening worden gebracht voor het toezicht. De berekening van het jaarlijks door te berekenen bedrag is geregeld in artikel 15 van de Wbft 2019. Daaruit volgt dat de doorberekende kosten het geheel vormen van:
a. de begrote kosten voor 2026, verminderd met de opbrengsten van de eenmalige toezichthandelingen en de kosten van het toezicht op de BES-eilanden;2
b. het te verrekenen exploitatiesaldo over 2025;
c. met aftrek van de inzet van de heffingsreserve, indien van toepassing;
d. het in rekening te brengen gespreid exploitatiesaldo.3
De toezichthouders beschikken over twee stabiliteitsinstrumenten: de heffingsreserve en de spreiding van het exploitatiesaldo.4 De toezichthouders kunnen de heffingsreserve inzetten om grote fluctuaties in de doorberekende toezichtkosten als gevolg van incidentele situaties te dempen. De heffingsreserve kan ingezet worden ten bate van alle of specifieke toezichtcategorieën. Het bedrag dat in enig jaar uit de reserve wordt bekostigd, komt daarom in mindering van het door te berekenen bedrag. Ook kunnen de toezichthouders hun exploitatiesaldo over meerdere jaren spreiden. In dat geval wordt het in dat jaar in rekening te brengen gedeelte bij het te heffen bedrag opgeteld. De inzet van de stabiliteitsinstrumenten behoeft de goedkeuring van de Ministers.5
De stabiliteitsinstrumenten kunnen ingezet worden bij aanzienlijke fluctuaties die ontstaan zijn door incidentele omstandigheden. Die kunnen bijvoorbeeld samenhangen met nieuwe wettelijke taken waarvoor de toezichthouders voorbereidingskosten moeten maken, terwijl de betreffende instellingen nog niet onder toezicht staan of nog geen profijt hebben van dit toezicht. Ook kunnen onvoorziene kostenfluctuaties ontstaan door de uittreding van grote instellingen of een groot aantal instellingen.
De berekening van de totaal door te berekenen toezichtkosten voor het doorlopend toezicht in het jaar 2026 is in onderstaand overzicht weergegeven. Tabel 1 heeft betrekking op de totale toezichtkosten van de AFM en DNB.
|
AFM |
DNB (zbo) |
||||
|---|---|---|---|---|---|
|
a. |
Voor doorberekening relevante begrote kosten |
167,8 |
271,7 |
||
|
Totaal begrote toezichtkosten |
175,5 |
281,2 |
|||
|
Begrote opbrengsten ter dekking eenmalige toezichthandelingen |
– 7,0 |
– 7,7 |
|||
|
Begrote kosten BES-toezicht |
– 0,7 |
– 1,8 |
|||
|
b. |
Te verrekenen exploitatiesaldo 2025 |
– 14,5 |
– 8,0 |
||
|
c. |
Inzet heffingsreserve |
– 3 |
– 5,0 |
||
|
d. |
In rekening te brengen gespreid exploitatiesaldo |
0 |
0 |
||
|
Totaal te heffen op grond van art. 13 van de Wbft |
153,3 |
258,6 |
Verdeling over toezichtcategorieën
Nadat de totaal te heffen bedragen zijn bepaald, worden zij toegerekend aan de toezichtcategorieën aan de hand van procentuele aandelen uit bijlage 1, onderdeel A, van het Bbft 2019. Bij DNB volgen de doorberekende bedragen per toezichtcategorie uit de zbo-begroting 2026. In tabel 3 zijn deze bedragen te zien.
Het omslaan van kosten over personen binnen een toezichtcategorie
Het aan een toezichtcategorie toegerekende bedrag wordt vervolgens omgeslagen over de personen die deel uitmaken van die categorie. Dit gebeurt met behulp van maatstaven die zijn opgenomen in bijlage 1, onderdeel B, en 2, onderdeel B, van het Bbft 2019. De maatstaven worden in deze regeling nader ingedeeld in bandbreedtes. Voor elke bandbreedte geldt een tarief. Daarnaast geldt in de meeste gevallen een minimumtarief.
Bij het vaststellen van de minimumtarieven en de tarieven van de bandbreedtes worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
a. bij het vaststellen van de minimumtarieven wordt rekening gehouden met het draagkrachtbeginsel;
b. de tariefstructuur wordt in principe gevormd door een minimumtarief in combinatie met maximaal vier (degressieve) bandbreedtes waarbij de verschuldigde bedragen van het minimumtarief en de bandbreedte(s) die op de persoon onder toezicht van toepassing zijn bij elkaar worden opgeteld;
c. er bestaat zo veel mogelijk consistentie in de tariefstructuren (bandbreedtes en mate van degressiviteit) van categorieën die zowel onder toezicht staan van de AFM als van DNB.
Om de op te leggen heffing vast te stellen, bepaalt de toezichthouder in welke bandbreedte de betreffende onder toezicht staande persoon valt. Indien een persoon in meerdere bandbreedtes valt, is hij voor ieder van die bandbreedtes het daarbij behorende tarief verschuldigd. Dit komt in de regeling tot uitdrukking door de woorden ‘in voorkomend geval vermeerderd met’. Het aldus verschuldigde bedrag wordt meestal verhoogd met een vast minimumtarief.
In een aantal gevallen wordt van deze systematiek afgeweken, waarbij:
• de heffing gelijk is aan een vast tarief dat is vastgesteld voor de hoogste bandbreedte waarin de onder toezicht staande persoon valt. Dit is het geval voor de categorieën ‘Afwikkelondernemingen, betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen’ en ‘Financiële infrastructuur’ van de AFM.
• de bandbreedte gekoppeld is aan twee maatstaven, waardoor de toezichthouder tweemaal moet vaststellen in welke bandbreedtes de betreffende onder toezicht staande persoon valt. Dit is het geval bij de toezichtcategorieën ‘Accountantsorganisaties’, ‘Beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s, bewaarders, aanbieders van beleggingsobjecten en beleggingsondernemingen die beleggingsdiensten verlenen’, ‘Beleggingsondernemingen uitsluitend voor eigen rekening’ en ‘Pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen’ van de AFM.
• enkel een vast tarief geldt. Dit is het geval voor een aantal personen in de categorieën ‘Effectenuitgevende instellingen: markt’, ‘Effectenuitgevende instellingen: verslaggeving’ en ‘Financiële infrastructuur’ van de AFM.
• de hoogte van de heffing op groepsniveau wordt vastgesteld op basis van art. 12a Bbft 2019. In de toezichtcategorieën ‘Banken en clearinginstellingen’ van de AFM en ‘Banken en kredietunies’ van DNB worden de heffingen bepaald aan de hand van de minimumomvang van het toetsingsvermogen, die DNB krachtens artikel 3:57 van de Wft vaststelt. Vanwege het geconsolideerd uitoefenen van het toezicht wordt deze maatstaf door DNB op geconsolideerde basis vastgesteld, waarbij de maatstafwaarden van zowel de (niet-vrijgestelde) moeder- als dochterondernemingen worden meegenomen. Dat betekent dat de toezichthouders allebei per groep van ondernemingen één heffing opleggen, die geldt als heffing voor de (niet-vrijgestelde) moeder- en dochterondernemingen.
Het totaal in rekening te brengen bedrag voor het doorlopend toezicht in 2026 daalt met 2,2% ten opzichte van 2025 (van € 156,8. mln. naar € 153,3 mln.) ondanks een stijging van de onderliggende begroting van € 165,9 mln. naar € 175,5 mln. (+5,7%). Deze stijging van de begroting heeft vooral te maken met loon- en prijsbijstelling, taakuitbreiding en extra investeringen in datagedreven toezicht en IT, zoals opgenomen in het kostenkader.6 De lagere doorbelasting aan de markt wordt voornamelijk verklaard door de verrekening van een hoger exploitatieoverschot uit 2025 (€ 14,5 mln. in 2026 tegenover € 1,4 mln. in 2025). Dit overschot wordt teruggegeven aan de sector en verlaagt daarmee het bedrag dat in rekening wordt gebracht. Voor de cryptoactivadienstverleners is € 3 mln. uit de heffingsreserve onttrokken vanwege beperktere mogelijkheden tot kostendekkende doorberekening in het toezichtjaar 2026.
De vaste procentuele verdeling van de AFM-toezichtkosten over alle categorieën zijn ten opzichte van 2025 ongewijzigd. De verdeling is voor meerdere jaren vastgelegd, wat zorgt voor meer voorspelbaarheid en stabiliteit in de jaarlijkse heffingen en bijdraagt aan bestuurlijke rust. De tarieven voor 2026 dalen allemaal ten opzichte van 2025 met uitzondering van de tarieven voor aanbieders van krediet, verzekeraars leven en pensioen en enkele tarieven in de categorie Financiële infrastructuur.
|
Procentueel aandeel |
Sector bijdrage 2025 |
Sector bijdrage 2026 |
Verschil 2026 t.o.v. 2025 in € |
Verschil 2026 t.o.v. 2025 in % |
|
|---|---|---|---|---|---|
|
1. Aanbieders van krediet |
3,8% |
6,0 |
5,8 |
– 0,2 |
– 3,3% |
|
2. Accountantsorganisaties |
16,6% |
26,0 |
25,5 |
– 0,5 |
– 1,9% |
|
3. Adviseurs en bemiddelaars |
10,7% |
16,7 |
16,4 |
– 0,3 |
– 1,8% |
|
4. Afwikkelondernemingen, betaalinstellingen elektronischgeldinstellingen |
0,3% |
0,5 |
0,5 |
0 |
0% |
|
5. Banken en clearinginstellingen |
13,3% |
20,8 |
20,4 |
– 0,4 |
– 1,9% |
|
6. Beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s, aanbieders van beleggingsobjecten en beleggingsondernemingen die beleggingsdiensten verlenen |
20% |
31,3 |
30,6 |
– 0,7 |
– 2,5% |
|
7. Beleggingsondernemingen uitsluitend voor eigen rekening |
1,7% |
2,7 |
2,6 |
– 0,1 |
– 3,7% |
|
8. Cryptoactivadienstverleners |
3,7% |
5,91 |
5,7 |
– 0,2 |
– 3,4% |
|
9. Effectenuitgevende instellingen: markt |
8,8% |
13,8 |
13,5 |
– 0,3 |
– 2,2% |
|
10. Effectenuitgevende instellingen: verslaggeving |
4,5% |
7,1 |
6,9 |
– 0,2 |
– 2,8% |
|
11. Financiële infrastructuur |
3,2% |
5,0 |
4,9 |
– 0,1 |
– 2% |
|
12. Pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen |
5,4% |
8,5 |
8,3 |
– 0,2 |
– 2,4% |
|
13. Verzekeraars: leven en pensioen2 |
5,1% |
8,0 |
7,8 |
– 0,2 |
– 2,4% |
|
14. Verzekeraars: schade |
2,7% |
4,2 |
4,1 |
– 0,1 |
– 2,4% |
|
15. Verzekeraars: zorg |
0,2% |
0,3 |
0,3 |
0 |
0% |
|
Totaal |
100% |
156,8 |
153,3 |
– 3,5 |
– 2,2% |
In 2025 is € 4,1 mln. heffingsreserve ingezet waardoor het door te berekenen bedrag voor de toezichtcategorie cryptoactivadienstverleners € 1,8 mln. bedroeg.
Voor de toepassing van artikel 8 en bijlage 1 en 2, onderdeel B, van het Bbft 2019 wordt bij de berekening van de maatstaf ‘bruto premie-inkomen’ voor de categorie levensverzekeraars het bruto premie-inkomen die voortvloeit uit collectieve waardeoverdrachten in het kader van door verzekeraars uitgevoerde pensioenoverdrachten buiten beschouwing gelaten. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.2, onder het kopje ‘Verzekeraars (niet-zorg)’.
Inzet heffingsreserve
Op verzoek van de AFM wordt € 3 mln. aan de heffingsreserve onttrokken en toegekend aan de categorie Cryptoactivadienstverleners. De inzet wordt gebruikt om rekening te houden met de beperkte doorberekeningsmogelijkheden binnen de nog ontwikkelende cryptosector in 2026. De heffingsreserve wordt gebruikt om de hoge tarieven ten gevolge daarvan te dempen. Om de heffing beter in verhouding te laten staan tot de toezichtinspanningen, wordt een deel van het variabele tarief gedekt uit de heffingsreserve. Hierdoor blijven de in 2026 door te belasten bedrag voor cryptoactivadienstverleners beperkt tot € 2,7 mln.
Vanaf 2026 wordt voor het eerst het variabele tarief toegepast. Omdat een groot deel van de MiCAR-vergunningen in de loop van 2025 zijn verleend en het variabele deel van de heffing gebaseerd is op de omzetgegevens vanaf de datum van vergunningverlening, ontstaan onwenselijke verschillen in de hoogte van de heffing tussen vergunninghouders. Hierdoor worden vergunninghouders die eerder vergund zijn relatief zwaarder belast dan partijen die later zijn toegetreden.
De inzet van de heffingsreserve draagt bij aan een meer geleidelijke ontwikkeling van het kostenniveau, vooruitlopend op een groei van de cryptotoezichtpopulatie en daarmee een evenwichtiger verdeling van de toezichtkosten in de komende jaren.
Aanbieders van krediet
Voor deze categorie stijgen de tarieven licht, hoewel het door te berekenen bedrag in de categorie daalt. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan een afname van de toezichtpopulatie en lagere maatstafwaarden.
Financiële infrastructuur
In deze categorie zijn de tarieven licht gestegen voor securitisaties, centrale tegenpartijen en de centrale effectbewaarinstellingen. Deze stijging hangt samen met de verschillen tussen de typen instellingen binnen deze categorie en is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de werkelijke toezichtinzet.
Verzekeraars: leven- en pensioen
Voor deze categorie stijgen de tarieven licht, hoewel het door te berekenen bedrag in de categorie daalt. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan een afname van de toezichtpopulatie en lagere maatstafwaarden.
Het totaal aan kosten dat DNB in 2026 via heffingen in rekening brengt bij onder toezicht staande instellingen bedraagt € 258,6 mln. Dit is € 3,6 mln. lager dan in 2025 (–1%). Deze daling wordt met name verklaard door een gunstigere nacalculatie over 2025 van € 6,0 mln. ten opzichte van het saldo over 2024, als gevolg van een onderschrijding in de realisatie van het doorlopend toezicht. Daartegenover staat een stijging van de toezichtbegroting met € 3,9 mln. (+1%), voornamelijk als gevolg van loon- en prijsbijstellingen. Per saldo daalt het te heffen bedrag licht ten opzichte van het voorgaande jaar. Voor een overzicht van de doorberekende toezichtkosten wordt verwezen naar tabel 3.
|
Begroting |
Verrekening exploitatiesaldo 2025 |
Eenmalige handelingen |
Inzet heffingsreserve |
Door te berekenen |
t.o.v. 2025 in % |
|
|---|---|---|---|---|---|---|
|
Banken |
111,1 |
– 2,5 |
– 1,2 |
– 0,9 |
106,5 |
+ 6% |
|
Beleggingsondernemingen en -instellingen |
12,2 |
2,1 |
– 2,6 |
– 0,8 |
10,8 |
+ 7% |
|
Betaalinstellingen |
18,3 |
0,7 |
– 2,8 |
– 2,0 |
14,1 |
– 4% |
|
DGS: banken |
6,4 |
0,1 |
– |
– |
6,5 |
– 5% |
|
Pensioenfondsen |
48,3 |
– 3,4 |
– |
– |
44,9 |
– 14% |
|
Resolutie: banken |
9,0 |
– 0,7 |
– |
– |
8,4 |
+ 4% |
|
Resolutie: verzekeraars |
9,1 |
– 1,2 |
– |
– |
7,9 |
– 5% |
|
Trustkantoren |
8,9 |
– 0,4 |
– 0,2 |
– 0,1 |
8,1 |
– 8% |
|
Overige verzekeraars |
53,7 |
– 2,8 |
– 0,9 |
– 1,1 |
48,8 |
– 3% |
|
Zorgverzekeraars |
2,5 |
– 0,0 |
– |
– |
2,5 |
+ 8% |
|
Totaal |
279,4 |
– 8,0 |
– 7,7 |
– 5,0 |
258,6 |
– 1% |
Hieronder wordt ingegaan op de categorieën waar sprake is van substantiële verschillen in de tarieven vergeleken met 2025.
Inzet heffingsreserve
Op verzoek van DNB wordt in 2026 de heffingsreserve ingezet ter dekking van tekorten die zijn ontstaan bij de eenmalige handelingen (leges). Deze tekorten zijn het gevolg van de verlate inwerkingtreding van aangepaste legestarieven7, waardoor de opbrengsten uit eenmalige handelingen in 2025 lager zijn uitgekomen dan de daarmee samenhangende kosten. Het totale tekort bij de eenmalige handelingen bedraagt € 5 mln.8
Ter dekking van het bovengenoemde tekort wordt in 2026 € 4,8 mln. onttrokken aan de heffingsreserve. Deze inzet heeft uitsluitend betrekking op de financiering van eenmalige handelingen en wordt niet gebruikt ter dekking van de kosten van het doorlopend toezicht.
Gezien de omvang van het tekort kan het resterende deel van het tekort van € 0,2 mln. niet binnen de beschikbare heffingsreserve in 2026 worden gedekt. Op verzoek van DNB wordt het resterende tekort van € 0,2 mln. doorgeschoven naar 2027 door spreiding van het exploitatiesaldo. Door het opnemen van het tekort in het exploitatiesaldo en deze te spreiden wordt voorkomen dat deze kosten betrokken worden bij de tarieven voor het doorlopend toezicht. Dit is in lijn met de uitspraken van het Collega van Beroep voor het bedrijfsleven over de doorberekening van de kosten van eenmalige handelingen9
Banken
Voor banken neemt het te heffen bedrag voor doorlopend toezicht in 2026 toe met € 5,9 miljoen (+6%). Deze stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door een toename van de deelbegroting met € 6,6 miljoen (+6%), onder meer als gevolg van loon- en prijsontwikkelingen en een hoger aandeel in bankbrede IT-kosten.
Pensioenfondsen
Voor pensioenfondsen daalt het te heffen bedrag in 2026 met € 7,2 mln. (–14%). Deze daling wordt enerzijds veroorzaakt door een verlaging van de deelbegroting met € 3,2 mln. (–6%), en anderzijds door een gunstige nacalculatie over 2025 van € 4,0 mln. Beide hangen samen met de geplande afbouw van transitiewerkzaamheden in het kader van de Wet toekomst pensioenen.
Verzekeraars (niet-zorg)
Voor verzekeraars niet zijnde zorgverzekeraars daalt het te heffen bedrag in 2026 met € 1,4 mln. (–3%). Hoewel de toezichtbegroting toeneemt met € 1,4 mln. (+3%), wordt dit gecompenseerd door een positieve nacalculatie uit het doorlopend toezicht.
Voor de toepassing van artikel 8 en bijlage 2, onderdeel B, van het Bbft 2019 wordt bij de berekening van de maatstaf ‘bruto premie-inkomen’ voor de categorie verzekeraars, niet zijnde zorgverzekeraars, het bruto premie-inkomen die voortvloeit uit collectieve waardeoverdrachten10 in het kader van door verzekeraars uitgevoerde pensioenoverdrachten buiten beschouwing gelaten.
Om disproportionele fluctuaties in de heffing te voorkomen, worden pensioenbuy-outs bij levensverzekeraars vanaf 2026 (rapportagejaar bruto premie-inkomen 2024) buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van de maatstaf bruto premie-inkomen. Een buy-out in de zin van een collectieve waardeoverdracht conform artikel 84 van de Pensioenwet heeft een éénmalig en incidenteel karakter. Onder de Wet toekomst pensioenen leiden dergelijke buy-outs tot eenmalige, zeer hoge premie-inkomsten bij individuele verzekeraars. Zonder deze aanpassing zouden de heffingen voor deze verzekeraars sterk kunnen fluctueren. Deze pensioenbuy-out contracten worden daarom via een gerichte aanpassing in de toepassing van de maatstaf buiten beschouwing gelaten.
Deze aanpassing heeft een tijdelijk karakter. Beoogd wordt de maatstaf voor de categorie verzekeraars, niet zijnde zorgverzekeraars, in het Bbft 2019 op een later moment te verduidelijken zodat collectieve waardeoverdrachten expliciet worden uitgezonderd van de berekening van het bruto premie-inkomen.
Beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen (inclusief cryptoactivadienstverleners)
Voor beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen neemt het te heffen bedrag in 2026 toe met € 0,7 mln. (+7%). Hoewel de toezichtbegroting daalt, leidt een ongunstigere nacalculatie over 2025 er per saldo toe dat het op te halen bedrag stijgt.
Voor cryptoactivadienstverleners wordt de heffingssystematiek aangepast. In 2025 is voor deze instellingen nog gewerkt met een vast tarief. Vanaf 2026 wordt de heffing gebaseerd op het balanstotaal, met toepassing van een degressieve staffel die aansluit bij die van de beleggingsondernemingen en beleggingsinstellingen. Hiermee wordt een evenwicht bereikt tussen draagkracht en toezichtcapaciteit en wordt de consistentie binnen de sector versterkt.
Trustkantoren
Voor trustkantoren neemt het te heffen bedrag in 2026 af met € 0,7 mln. (–8%). Dit is toe te schrijven aan een daling van de deelbegroting en een positieve nacalculatie van in totaal met € 0,8 mln. Ten opzichte van 2025 is er een lichte afname in de toezichtpopulatie. Hierdoor stijgen de tarieven met 1,5%, ondanks het lager op te halen bedrag.
Eenmalige handelingen
De tarieven voor eenmalige handelingen (leges) worden geïndexeerd op basis van een loon- en prijsbijstelling overeenkomstig de afspraken uit het kostenkader.11 Structurele indexatie van de legestarieven waarborgt dat de tarieven kostendekkend blijven. Voor 2026 bedraagt de indexering van de legestarieven 3,92%.12 Hierbij wordt de loonontwikkeling gekoppeld aan de cao-loonontwikkeling zoals geraamd door het Centraal Planbureau (CPB) en de prijsontwikkeling aan de consumentenprijsindex (CPI) zoals vastgesteld door het Centraal Bureau van Statistiek (CBS). De indexering bestaat uit een vaste verhouding van tweederde loonbijstelling en eenderde prijsbijstelling.
De tarieven voor eenmalige handelingen van DNB worden dit jaar voor het eerst op deze wijze geïndexeerd, nadat zij vorig jaar integraal herzien en met terugwerkende kracht geïndexeerd zijn.13 De tarieven voor eenmalige handelingen van de AFM worden op een later moment geïndexeerd, samen met een integrale herziening van deze tarieven. Het voornemen is om vanaf dat moment ook de AFM-tarieven voor eenmalige handelingen jaarlijks aan te passen aan de loon- en prijsontwikkeling, net zoals nu voor DNB gebeurt.
De nieuwe tarieven hebben financiële gevolgen voor de ondertoezichtstaande personen die op basis van deze regeling een heffing verschuldigd zijn. De gevolgen zijn afhankelijk van de categorie waartoe een persoon behoort. Hierboven is reeds ingegaan op de belangrijkste wijzigingen in de tarieven ten opzichte van 2025. De regeling is beperkt tot het vaststellen van tarieven en heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten of de Rijksbegroting.
In de tabel in artikel 5, onderdeel Wft.D7.01 was een tarief van € 1.100 vastgesteld voor de geschiktheidstoets van personen van een elektronischgeldinstelling, wisselinstelling of vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappij door DNB. Dit tarief wordt gelijkgetrokken met het tarief van € 2.900 in Wft.D7.02 voor het toetsen van personen op geschiktheid. Deze wijziging strekt ertoe de tarieven voor geschiktheidstoetsingen in lijn te brengen met de intensiteit en inzet van de huidige toetsingspraktijk.
Als gevolg van de bovengenoemde wijziging vervalt het aparte tarief in onderdeel Wft.D7.01 en wordt deze gelijkgetrokken en opgenomen in het tarief in Wft.D7.02. Hierdoor worden de onderdelen Wft.D7.02 tot en met Wft.D7.06 vernummerd tot Wft.D7.01 tot en met Wft.D7.05.
De regeling treedt de dag na publicatie in werking. De nieuwe tarieven voor eenmalige handelingen gelden voor aanvragen die worden ingediend na het moment van inwerkingtreding.
De Minister van Financiën, E. Heinen
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A Vijlbrief
In overeenstemming met de in de Wet bekostiging financieel toezicht gehanteerde begrippen wordt hierna gesproken van 'personen'.
Onderdelen c en d zijn pas vanaf 2023 in de berekening betrokken, vanwege een wijziging van de bekostigingssystematiek.
Zie ook de toelichting bij de Wijzigingswet financiële markten 2022, Kamerstukken II 2021/22, 35 950, nr. 3.
In de ZBO-verantwoording 2025 heeft DNB het voornemen geuit om het totale tekort op de eenmalige handelingen (€ 5,3 mln.) ten laste te brengen van de heffingsreserve om kruissubsidiering in de tarieven van 2026 te voorkomen. Ten aanzien van het tekort op de eenmalige handelingen voor de BES-eilanden (€ 0,3 mln.) geldt dat dit tekort meeloopt met de overheidsbijdrage voor de BES-eilanden, in plaats van de inzet van de heffingsreserve.
Dit percentage is gebaseerd op de overeengekomen verhouding van tweederde loonbijstelling (4,2%) en eenderde prijsbijstelling op basis van de CPI (3,3%). Zie voor een nadere toelichting p. 33 van de zbo-begroting DNB 2026.
In overeenstemming met de in de Wet bekostiging financieel toezicht gehanteerde begrippen wordt hierna gesproken van 'personen'.
Onderdelen c en d zijn pas vanaf 2023 in de berekening betrokken, vanwege een wijziging van de bekostigingssystematiek.
Zie ook de toelichting bij de Wijzigingswet financiële markten 2022, Kamerstukken II 2021/22, 35 950, nr. 3.
In de ZBO-verantwoording 2025 heeft DNB het voornemen geuit om het totale tekort op de eenmalige handelingen (€ 5,3 mln.) ten laste te brengen van de heffingsreserve om kruissubsidiering in de tarieven van 2026 te voorkomen. Ten aanzien van het tekort op de eenmalige handelingen voor de BES-eilanden (€ 0,3 mln.) geldt dat dit tekort meeloopt met de overheidsbijdrage voor de BES-eilanden, in plaats van de inzet van de heffingsreserve.
Dit percentage is gebaseerd op de overeengekomen verhouding van tweederde loonbijstelling (4,2%) en eenderde prijsbijstelling op basis van de CPI (3,3%). Zie voor een nadere toelichting p. 33 van de zbo-begroting DNB 2026.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-20792.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.