Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties | Staatscourant 2026, 11937 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties | Staatscourant 2026, 11937 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Gelet op de artikelen 5a en 59, tweede lid, van de Paspoortwet, artikel 10.1, aanhef en onderdeel b, van het Paspoortbesluit en artikel 9, tweede lid, van het Besluit identiteitskaarten BES;
Besluit:
De Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 15a, eerste lid, wordt ‘zestien jaren’ vervangen door ‘achttien jaren’.
B
In artikel 40, eerste lid, wordt ‘De daartoe aangewezen ambtenaar’ vervangen door ‘De daartoe aangewezen persoon’.
C
In artikel 51, vierde lid, wordt ‘het daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde formulier’ vervangen door ‘de daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde dienst’.
D
Artikel 58 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt ‘bij brief of per faxbericht aan’.
2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde tot tweede lid.
3. In het tweede lid (nieuw) vervalt ‘op de in het eerste en tweede lid voorgeschreven wijze’.
E
Artikel 60 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘een openbaar lichaam’ vervangen door ‘het openbaar lichaam waarvan de houder ingezetene is’;
2. In het derde lid wordt ‘indien de houder op verzoek van de burgemeester van de in het eerste lid, onder a, bedoelde gemeente, heeft ingestemd met het doen van een elektronische melding’ vervangen door ‘indien de houder bij de aanvraag van het in het eerste lid, aanhef, bedoelde reisdocument reeds beschikte over een burgerservicenummer’ en in de laatste zin ‘de in het eerste lid, onder a, bedoelde gemeente’ vervangen door ‘de burgemeester, bedoeld in het eerste lid, onder a, b, d of e, dan wel gezaghebber, bedoeld in het eerste lid, onder c’;
3. In het vijfde lid wordt ‘indien de houder op verzoek van de burgemeester van de in het eerste lid, onder a, bedoelde gemeente, heeft ingestemd met het doen van een elektronische melding’ vervangen door ‘indien de houder bij de aanvraag van het in het eerste lid, aanhef, bedoelde reisdocument beschikte over een burgerservicenummer’.
F
In artikel 61 wordt ‘met gebruikmaking van het daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde formulier’ telkens vervangen door ‘met gebruikmaking van de daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde dienst’.
G
In artikel 61a, tweede lid, wordt ‘het daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde formulier’ vervangen door ‘de daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde dienst’.
H
In de aanhef van artikel 75, eerste lid, wordt ‘door toezending van het daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde formulier’ vervangen door ‘door middel van de daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde dienst’.
I
In artikel 80b, eerste lid, wordt ‘ten hoogste drie personen’ vervangen door ‘de personen’.
J
In artikel 93 wordt onder vernummering van het vijfde tot en met dertiende lid tot zesde tot en met veertiende lid een lid ingevoegd, luidende:
5. Indien het bij de aanvraag en uitgifte van een nooddocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Paspoortwet door de gezaghebber niet mogelijk is om te voldoen aan de in het eerste lid, onder c, bedoelde functiescheiding, kan daarvan worden afgeweken. Het derde lid en vierde lid zijn in dat geval niet van toepassing.
K
In artikel 100e, tweede lid, wordt ‘het het’ vervangen door ‘het’.
L
Bijlage A. wordt als volgt gewijzigd:
Aan het slot van onderdeel I wordt de alinea
‘De hiertoe aangewezen persoon geeft in het aanvraagformulier desgewenst de burgerlijke staat van de aanvrager aan. Afhankelijk van de ruimte op de houderpagina brengt de producent de uitgeschreven of afgekorte versie van de betreffende standaardclausule aan. Indien er niet genoeg ruimte is op de houderpagina wordt de tekst van de standaardclausule op een vervolgpagina aangebracht.’
vervangen door:
‘De hiertoe aangewezen persoon geeft in het aanvraagformulier desgewenst de burgerlijke staat van de aanvrager aan. Afhankelijk van de ruimte op de titelpagina brengt de producent de uitgeschreven of afgekorte versie van de betreffende standaardclausule aan. Indien er niet genoeg ruimte is op de titelpagina wordt de tekst van de standaardclausule op een vervolgpagina aangebracht.’
De Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 70 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt ‘bij brief of per faxbericht aan’.
2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde tot tweede lid.
3. In het tweede lid (nieuw) vervalt ‘op de in het eerste en tweede lid voorgeschreven wijze’.
B
In artikel 72, vierde lid, komt als volgt te luiden:
4. De melding van mogelijke fraude of van een vermissing kan tevens elektronisch geschieden overeenkomstig het daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde formulier indien de houder bij de aanvraag van het in het eerste lid bedoelde document beschikte over een burgerservicenummer. De vaststelling van de juistheid van de identiteit van de houder geschiedt door middel van DigiD op basis van ten minste een twee-factoren-authenticatie, dan wel een andere en minstens even betrouwbare authenticatiemethode. Bij de melding van mogelijke fraude levert de houder zijn reisdocument in bij de daartoe door de Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen persoon.
C
In artikel 73 wordt ‘met gebruikmaking van het daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde formulier’ vervangen door ‘met gebruikmaking van de daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde dienst’.
D
In artikel 81, onderdeel b, wordt ‘door toezending van het daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde formulier’ vervangen door ‘door middel van de daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde dienst’.
E
In artikel 88b, eerste lid, wordt ‘ten hoogste drie personen’ vervangen door ‘de personen’.
F
In artikel 105, eerste lid, wordt ‘met een waardebergingsindicatie van € 1.000,–’ vervangen door ‘die in passende verhouding staat tot de waarde van de inhoud’.
G
Bijlage A. wordt als volgt gewijzigd:
Aan het slot van onderdeel I wordt de alinea:
‘De hiertoe aangewezen persoon geeft in het aanvraagformulier desgewenst de burgerlijke staat van de aanvrager aan. Afhankelijk van de ruimte op de houderpagina brengt de producent de uitgeschreven of afgekorte versie van de betreffende standaardclausule aan. Indien er niet genoeg ruimte is op de houderpagina wordt de tekst van de standaardclausule op een vervolgpagina aangebracht.’
vervangen door:
‘De hiertoe aangewezen persoon geeft in het aanvraagformulier desgewenst de burgerlijke staat van de aanvrager aan. Afhankelijk van de ruimte op de titelpagina brengt de producent de uitgeschreven of afgekorte versie van de betreffende standaardclausule aan. Indien er niet genoeg ruimte is op de titelpagina wordt de tekst van de standaardclausule op een vervolgpagina aangebracht.’
De Paspoortuitvoeringsregeling Caribische Landen wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 39, tweede lid, onderdeel c, wordt ‘artikel 71, vierde lid’ vervangen door ‘artikel 71, vijfde lid’.
B
Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘De daartoe aangewezen ambtenaar’ vervangen door ‘De daartoe aangewezen persoon’.
2. In het tweede lid wordt ‘De in het eerste lid bedoelde ambtenaar’ vervangen door ‘De in het eerste lid bedoelde persoon’.
3. In het derde lid wordt ‘de in het eerste lid bedoelde ambtenaar’ vervangen door ‘de in het eerste lid bedoelde persoon’.
C
In artikel 51, eerste en tweede lid, wordt ‘De daartoe aangewezen ambtenaar’ telkens vervangen door ‘De daartoe aangewezen persoon’.
D
Artikel 66 wordt als volgt gewijzigd:
In het eerste en het vijfde lid wordt ‘ambtenaar’ vervangen door ‘persoon’.
E
Artikel 69 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste en tweede lid vervalt telkens ‘bij brief of per faxbericht aan’.
2. Het derde lid vervalt, onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot derde en vierde lid.
3. In het derde lid (nieuw) vervalt ‘op de in het eerste en derde lid voorgeschreven wijze’.
4. In het vierde lid (nieuw) vervalt: ‘op de in het eerste en derde lid voorgeschreven wijze aan’.
5. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘het vierde lid’ vervangen door ‘het derde lid’.
F
Artikel 71 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Indien een eerder uitgereikt reisdocument mogelijk voorwerp is van fraude, is vermist of op andere gronden dan ingevolge de wet door een daartoe bevoegde autoriteit is ingenomen, kan de houder dit gegeven overeenkomstig het tweede, derde, onderscheidenlijk vijfde lid melden aan de Gouverneur, dan wel de aangewezen autoriteit, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede lid, en 4.3, tweede lid, van het besluit, of, overeenkomstig het vierde lid, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. Onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde tot en met zevende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
4. De melding van mogelijke fraude of van een vermissing kan tevens elektronisch geschieden overeenkomstig het daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde formulier indien de houder bij de aanvraag van het in het eerste lid bedoelde document beschikte over een burgerservicenummer. De vaststelling van de juistheid van de identiteit van de houder geschiedt door middel van DigiD op basis van ten minste een twee-factoren-authenticatie, dan wel een andere en minstens even betrouwbare authenticatiemethode. Bij de melding van mogelijke fraude levert de houder zijn reisdocument zo spoedig mogelijk in bij de Gouverneur, dan wel de aangewezen autoriteit, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede lid, en 4.3, tweede lid, van het besluit.
3. In het zesde lid (nieuw) wordt ‘het vierde lid’ vervangen door ‘het vijfde lid’.
G
In artikel 73 wordt ‘het daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde formulier’ vervangen door ‘de daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde dienst’.
H
In artikel 75, derde en vierde lid, wordt ‘het daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde formulier’ telkens vervangen door ‘de daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde dienst’.
I
In artikel 87, eerste lid, wordt ‘het daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde formulier’ vervangen door ‘de daartoe door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde dienst’.
J
In artikel 90b, eerste lid, wordt ‘ten hoogste drie personen’ vervangen door ‘de personen’.
K
In artikel 107, eerste lid, wordt ‘met een waardebergingsindicatie van € 1.000,–’ vervangen door ‘die in passende verhouding staat tot de waarde van de inhoud’.
L
Artikel 109 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘het beheer en de uitreiking’ vervangen door ‘de aanvraag, de verstrekking en de uitreiking’.
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Indien het als gevolg van een noodsituatie wegens de omvang van het ambtelijk apparaat niet mogelijk is om gedurende een beperkte periode te voldoen aan de in het eerste lid, onder c, bedoelde functiescheiding, kan daarvan met inachtneming van het derde en vierde lid worden afgeweken.
3. Onder vernummering van het derde tot en met tiende lid tot zesde tot en met dertiende lid worden de volgende leden ingevoegd:
3. In de situatie, bedoeld in het tweede lid, wordt met behulp van de door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gestelde dienst vastgelegd:
a. de reden waarom tijdelijk niet aan de eis van functiescheiding kan worden voldaan;
b. de periode waarin niet aan de eis van functiescheiding wordt voldaan;
c. de namen van de personen die in de onder b bedoelde periode zijn belast met de aanvraag, de verstrekking en de uitreiking van de reisdocumenten.
4. Na afloop van de periode, bedoeld in het derde lid, onder b, controleert de daartoe aangewezen persoon, die in de desbetreffende periode niet betrokken is geweest bij de aanvraag, de verstrekking en de uitreiking van de reisdocumenten, of de vastlegging, bedoeld in het derde lid, aanwezig is en of de aanvraag, de verstrekking en de uitreiking op de voorgeschreven wijze hebben plaatsgevonden. Als er sprake is van onregelmatigheden wordt gehandeld overeenkomstig artikel 111.
5. Indien het bij de aanvraag en uitgifte van een nooddocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Paspoortwet niet mogelijk is om te voldoen aan de in het eerste lid, onder c, bedoelde functiescheiding, kan daarvan worden afgeweken. Het derde lid en vierde lid zijn in dat geval niet van toepassing.
M
In artikel 115 wordt ‘artikel 109, negende lid’ vervangen door ‘artikel 109, twaalfde lid’.
N
Bijlage A. wordt als volgt gewijzigd:
Aan het slot van onderdeel I wordt de alinea:
‘De ambtenaar geeft in het aanvraagformulier desgewenst de burgerlijke staat van de aanvrager aan. Afhankelijk van de ruimte op de houderpagina brengt de producent de uitgeschreven of afgekorte versie van de betreffende standaardclausule aan. Indien er niet genoeg ruimte is op de houderpagina wordt de tekst van de standaardclausule op een vervolgpagina aangebracht.’
vervangen door:
‘De hiertoe aangewezen persoon geeft in het aanvraagformulier desgewenst de burgerlijke staat van de aanvrager aan. Afhankelijk van de ruimte op de titelpagina brengt de producent de uitgeschreven of afgekorte versie van de betreffende standaardclausule aan. Indien er niet genoeg ruimte is op de titelpagina wordt de tekst van de standaardclausule op een vervolgpagina aangebracht.’
A
In artikel 53, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Koninklijke Marechaussee 2001 wordt na ‘een gesloten inbraakwerende waardekast of kluis’ ingevoegd ‘, die in passende verhouding staat tot de waarde van de inhoud’.
B
Bijlage A. wordt als volgt gewijzigd:
Onderdeel I komt te vervallen.
In de Regeling identiteitskaarten BES wordt in artikel 8 ‘93, eerste lid, onder a, b en d, vijfde, zesde, negende tot en met dertiende lid’ vervangen door ‘93, eerste lid, onder a, b en d, zesde, zevende, tiende tot en met veertiende lid’.
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2026, met uitzondering van artikel I, onderdelen A en E, artikel II, onderdeel B, en artikel III, onderdeel F.
2. Artikel I, onderdeel A, treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit tot wijziging van het Paspoortbesluit en het Besluit Paspoortgelden in verband met de zorgplicht voor gemeenten en openbare lichamen inzake verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor medewerkers in het reisdocumentenstelsel en enkele andere wijzigingen in werking treedt.
3. Artikel I, onderdeel E, artikel II, onderdeel B, en artikel III, onderdeel F, treden in werking met ingang van 1 juli 2026.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van der Burg
Met deze regeling zijn de vier ministeriële regelingen die gebaseerd zijn op de Paspoortwet op verschillende onderwerpen gewijzigd: de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (PUN), de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (PUB), de Paspoortuitvoeringsregeling Caribische landen (PUCAR) en de Paspoortuitvoeringsregeling Koninklijke Marechaussee 2001 (PUKMar).
Ten eerste is de verplichte functiescheiding in het aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten aangepast voor de uitgevende instanties in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Ten tweede is de dienst StopID breed toegankelijk gemaakt. Hiermee kunnen houders van reisdocumenten online een melding maken van vermissing of (vermoedens van) fraude met hun reisdocument. Ten derde zijn de kluiseisen in de PUB, PUCAR en PUKMar gemoderniseerd. Ten vierde is het maximumaantal ambtenaren dat mag werken met het mobiel vingerafdrukopnameapparaat geschrapt. Ten slotte zijn er enkele technische correcties en wijzigingen doorgevoerd. Deze onderwerpen worden hierna nader toegelicht.
Op grond van de Paspoortuitvoeringsregelingen dient elke uitgevende instantie te voldoen aan de zogenoemde functiescheiding.1 Dit houdt een verplichting in om verschillende taken in het aanvraag- en uitgifteproces door verschillende functionarissen uit te laten voeren. Dit heeft als doel om misbruik van bevoegdheden of fouten te voorkomen en ervoor te zorgen dat medewerkers elkaars werkzaamheden kunnen controleren. Daarmee worden de medewerkers beschermd tegen het maken van fouten of het onder druk van chantage, bedreiging of omkoping plegen van fraude.
In het verleden is het mogelijk gebleken om op frauduleuze wijze paspoorten en Nederlandse identiteitskaarten te verkrijgen bij gemeenten.2 Per 1 januari 2025 is daarom de functiescheiding in artikel 93 van de PUN aangepast.3 Sindsdien geldt voor gemeenten en de openbare lichamen een functiescheiding tussen de bij de stappen aanvraag, verstrekking (het besluit dat de aanvrager het identiteitsdocument verkrijgt) en uitreiking betrokken medewerkers. Dit betekent dat de stappen behandeling van de aanvraag aan de balie, het nemen van het verstrekkingsbesluit in de backoffice en het uitreiken van het document aan de balie, door verschillende medewerkers moeten worden uitgevoerd. Op deze manier zijn er in ieder geval altijd twee verschillende medewerkers betrokken bij de contactmomenten met de aanvrager aan de balie, waarbij identiteitsvaststelling plaatsvindt, namelijk de aanvraag en de uitreiking. Ook wordt een aanvraag door twee verschillende medewerkers behandeld. Eén medewerker aan de balie, die de aanvraag in ontvangst neemt, en een andere medewerker die in de backoffice de aanvraag beoordeelt en het verstrekkingsbesluit neemt. Ook is per 1 januari 2025 de uitzonderingsregel op het toepassen van functiescheiding in de PUN aangescherpt. Het is alleen mogelijk om af te wijken van functiescheiding als in een noodsituatie door een tekort aan personeel geen functiescheiding kan worden toegepast.4 In dat geval moet met behulp van een door de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) aangeboden dienst worden geregistreerd wie welke stappen in deze periode heeft uitgevoerd. Vooralsnog is dit het formulier C17, op termijn zal dit formulier ook digitaal kunnen worden ingevuld.
Wat betreft de Caribische landen verplichtte de PUCAR5 voorheen slechts tot een functiescheiding tussen beheer en uitreiking. Dit betekende dat er een functiescheiding bestond tussen de persoon die de van de leverancier ontvangen documenten inklaart (‘beheer’)6, en de persoon die de documenten aan de balie uitreikt. De PUCAR bevatte geen verplichting tot functiescheiding tussen de bij de aanvraag, het nemen van het verstrekkingsbesluit en de uitreiking van het document betrokken medewerkers. Deze handelingen konden dus door dezelfde persoon worden verricht. Deze situatie was onwenselijk, omdat daarmee onvoldoende was gewaarborgd dat verschillende medewerkers de identiteitsverificatie aan de balie en de behandeling van de aanvraag in de backoffice verrichtten. Ook was het mogelijk dat slechts één persoon betrokken was bij de twee contactmomenten met de aanvrager aan de balie (de aanvraag en uitreiking). Het ontbreken van scheiding van taken (functiescheiding) en onderlinge controles bracht een risico op fouten en fraude met zich mee, waarmee identiteitsfraude (potentieel) mogelijk werd gemaakt. Bovendien waren medewerkers daardoor kwetsbaar voor beïnvloeding van buitenaf. Artikel 109 PUCAR bevatte tevens geen uitzonderingsregeling voor functiescheiding zoals in de PUN. Daarmee was het niet duidelijk in welke gevallen van functiescheiding mocht worden afgeweken.
Artikel 109 PUCAR is daarom aangepast op gelijke wijze als de huidige regeling in artikel 93 PUN die geldt voor Europees en Caribisch Nederland. Functiescheiding op ‘beheer’ voegt in de praktijk weinig toe, omdat hierbij geen identiteitsvaststelling of controle van individuele aanvragen plaatsvindt. Daarom is deze uit de functiescheiding in artikel 109 geschrapt. De stappen ‘aanvraag’ en ‘uitreiking’ zijn aan de functiescheiding toegevoegd. Voortaan dienen er dus – behoudens uitzonderingssituaties die hierna aan de orde komen – altijd verschillende medewerkers betrokken te zijn bij de behandeling van de aanvraag aan de balie, het nemen van het verstrekkingsbesluit in de backoffice en het uitreiken van het document aan de balie. Het staat de uitgevende instanties uiteraard vrij om, indien gewenst, daarnaast een functiescheiding op ‘beheer’ toe te passen, maar dit is niet meer verplicht.
Het gevolg van de gewijzigde functiescheiding is dat er behoefte ontstaat aan een uitzonderingsregel voor gevallen waarin van functiescheiding mag worden afgeweken. De uitzonderingsregel in de PUN7 is nu daarom ook in de PUCAR opgenomen, in artikel 109, tweede lid. Van functiescheiding mag worden afgeweken indien het als gevolg van een noodsituatie wegens een tekort aan personeel niet mogelijk is om gedurende een beperkte periode aan functiescheiding te voldoen. In dat geval moet via een door RvIG aangeboden dienst (formulier C17) bijgehouden worden waarom en gedurende welke periode van functiescheiding is afgeweken en welke medewerkers in die periode bij welke stap waren betrokken.
Voor de uitgifte van nooddocumenten door de uitgevende instanties in de Caribische landen en in Caribisch Nederland geldt een aparte uitzondering. In tegenstelling tot Nederlandse gemeenten zijn de uitgevende instanties in het Caribisch deel van het Koninkrijk bevoegd tot het uitgeven van nooddocumenten.8 In de praktijk is het vrijwel niet mogelijk om aan functiescheiding te voldoen bij uitgifte van een nooddocument, omdat deze ‘klaar terwijl u wacht’ worden vervaardigd en daarvoor vaak slechts één of twee medewerkers beschikbaar zijn. In zowel artikel 93 PUN als artikel 109 PUCAR (telkens vijfde lid) is daarom geregeld dat bij aanvraag van nooddocumenten functiescheiding niet verplicht is. Hierbij geldt niet de registratieverplichting om bij te houden wanneer van functiescheiding is afgeweken, omdat uitgevende instanties vaak al zelf bijhouden welke medewerker wanneer bij de aanvraag van nooddocumenten betrokken is, bijvoorbeeld door inroostering. Uiteraard geldt dat als het wél mogelijk is om twee of drie medewerkers bij een aanvraag van een noodpaspoort te betrekken, het beter is om dat wel te doen.
Door het aanscherpen van de functiescheiding in de PUCAR en het vastleggen van een uitzonderingsregel wordt het beleid ten aanzien van functiescheiding op een gelijk niveau gebracht tussen de uitgevende instanties onder de PUN en PUCAR.
In de PUB wordt de gewijzigde functiescheiding vooralsnog niet doorgevoerd. Dat betekent dat de bestaande verplichte functiescheiding tussen beheer en uitreiking (artikel 107, eerste lid, onder c van de PUB) van kracht blijft.9 Voor het aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten in het buitenland geldt dat er tevens altijd aan functiescheiding bij verstrekking wordt voldaan, omdat alle aanvragen van reisdocumenten in het buitenland in een centrale backoffice in Den Haag worden beoordeeld (de Consulaire Serviceorganisatie), waar ook het verstrekkingsbesluit wordt genomen. Het voornemen is dat de PUB wordt gewijzigd om deze (bestaande) situatie in de regelgeving vast te leggen.
De dienst StopID, waarmee burgers online een melding kunnen doen van vermissing of (vermoedens van) fraude met hun reisdocument, is met deze wijziging opengesteld voor alle houders van Nederlandse reisdocumenten, in Nederland en in het buitenland.
De achtergrond hiervan is de volgende.
De houder van een reisdocument kan slachtoffer worden van identiteitsfraude indien het document (of een kopie daarvan) op oneigenlijke gronden wordt gebruikt door iemand anders dan de houder. Dit risico wordt vooral vergroot bij verlies van een reisdocument door vermissing of diefstal. Identiteitsfraude kan dan plaatsvinden, bijvoorbeeld wanneer op naam van de houder abonnementen worden afgesloten of bankrekeningen worden geopend. Houders van reisdocumenten worden daarom door middel van een instructie op het document verzocht om het verlies van het document of (vermoeden van) fraude met (een kopie van) het document zo snel mogelijk te melden, zodat het document als ongeldig kan worden geregistreerd. Deze registratie vindt plaats in opeenvolgende nationale en internationale registers.
Om de procedure voor registratie van een melding te verbeteren is de dienst StopID ontwikkeld. Met StopID kunnen burgers makkelijker en sneller een melding maken van vermissing van of fraude met hun reisdocument, zodat de status van hun document zo snel mogelijk wordt gewijzigd naar ongeldig. Hiermee wordt misbruik en identiteitsfraude met verloren, gestolen of frauduleus gebruikte reisdocumenten tegengegaan.
De procedure voor een melding van vermissing of fraude gaat momenteel vaak gepaard met handmatige verwerking van de melding door medewerkers van uitgevende instanties in hun lokale bevolkingsadministratie. Voor gemeenten betekent dit verwerking in de basisregistratie personen (BRP), in de zogeheten categorie 12 voor reisdocumentgegevens. De melding wordt daarna doorgevoerd in het Basisregister Reisdocumenten (BR), waarmee het document in dit register en in internationale registers als ongeldig wordt geregistreerd. Hierbij kan aanzienlijke vertraging optreden tussen het moment dat het document is verloren en het moment dat het als ongeldig wordt geregistreerd. Sommige gemeenten hebben een functionaliteit ingesteld waarmee de melding direct wordt verwerkt op de zgn. persoonslijst van de houder in de BRP zonder tussenkomst van een medewerker. Maar ook hier treedt vertraging op, omdat na verwerking op de persoonslijst nog apart de verwerking in het Basisregister Reisdocumenten (BR) moet plaatsvinden. Na verwerking in het BR wordt het document pas in internationale registers als ongeldig geregistreerd. Uitgevende instanties stappen op dit moment over op de functionaliteit Meldingenregistratie. Hiermee kunnen zij een melding direct verwerken in het BR en hoeft deze niet eerst nog op de persoonslijst te worden verwerkt. Maar ook hier kan er vertraging zitten tussen het moment van verlies, diefstal of fraude, en het moment dat deze melding in het BR wordt verwerkt. Tevens bestaat er op dit moment geen standaardisering van de meldingen bij de verschillende uitgevende instanties. Zij nemen op dit moment verschillende gegevens op bij een melding van verlies of (vermoeden van) fraude.
De dienst StopID is bedoeld om bovenstaande procedure te verbeteren. StopID is een online voorziening waarmee burgers hun reisdocument online ongeldig kunnen laten verklaren bij vermissing, diefstal of (vermoeden van) fraude. De melding wordt direct gedaan bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en dus direct verwerkt in het BR, en hoeft niet meer door een uitgevende instantie te worden verwerkt.
In 2025 heeft een pilot met StopID bij drie gemeenten plaatsgevonden. Om deze pilot juridisch te borgen is per 1 januari 2025 de PUN gewijzigd10, met het doel om een digitale melding direct bij de Minister van BZK mogelijk te maken (en dus niet met tussenkomst van een uitgevende instantie). Dit was de eerste stap in de uitrol van StopID. Omdat dit een pilot betrof in een beperkt aantal gemeenten, en niet om volledige openstelling van StopID voor alle houders van Nederlandse reisdocumenten, was in de PUN opgenomen dat een melding via StopID op verzoek van de burgermeester plaatsvindt.11 De pilot StopID is eind 2025 uitgevoerd, waarbij de technische omgeving en gebruikerservaring van StopID zijn getest door personen die een fysiek een melding wilden maken aan de balie bij de gemeente, uit te nodigen om dit ook via StopID te doen. StopID is met deze wijziging opengesteld voor alle houders van Nederlandse reisdocumenten. Het vereiste van een verzoek van de burgemeester is daarom geschrapt.
Omdat het de bedoeling was om de pilot ook in het buitenland uit te voeren, is ook in de PUB per 1 januari 202512 toegevoegd dat een melding digitaal kan worden gemaakt op verzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken. Uiteindelijk is besloten de pilot alleen in Nederland uit te voeren omdat een pilot op buitenlandse locaties niet haalbaar is gebleken. Dit staat niet in de weg om de dienst StopID ook voor houders van reisdocumenten in het buitenland beschikbaar te stellen. Dit is met de onderhavige wijziging geschied. In de PUB is daarom het vereiste van verzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken geschrapt. Daarnaast is aan de PUCAR de mogelijkheid van een melding via StopID toegevoegd.
Om identiteitsvaststelling voor StopID te borgen, kan de dienst alleen gebruikt worden met DigiD. Voorts kan er alleen een melding worden gemaakt voor het eigen document, niet voor iemand anders. Via DigiD wordt de identiteit vastgesteld en het burgerservicenummer (BSN) van de houder opgehaald. De documenten die de houder in bezit heeft worden getoond, waarna de houder kan kiezen welk document ongeldig moet worden verklaard. Zonder BSN kan het juiste document niet in het BR worden opgezocht. De houder moet dus beschikken over een DigiD én moet bij de aanvraag van het document al een BSN hebben gehad, zodat het BSN al aan het document in het BR is gekoppeld. Documenten waarbij geen BSN is geregistreerd, bijv. reisdocumenten voor vluchtelingen of vreemdelingen, kunnen via StopID niet ongeldig worden verklaard. Het blijft uiteraard mogelijk om (fysiek) een melding te maken bij de uitgevende instantie. Voor houders die niet aan het BSN-vereiste voldoen blijft dit de aangewezen weg. Houders die over een BSN beschikken, krijgen er dus een mogelijkheid bij.
De dienst StopID vraagt bij een melding aan de burger wat de omstandigheden waren van de vermissing of fraude (de verklaringsinformatie), vergelijkbaar met de vragen die op de formulieren staan die uitgevende instanties invullen wanneer fysiek een melding wordt gemaakt van verlies of fraude.
Reisdocumenten en gerelateerde materialen, waaronder documentatie en opslagmedia, zijn waardevol en kwetsbaar voor inbraak en brand. Deze materialen moeten daarom buiten werktijd in een inbraakvertragende en brandwerende voorziening worden opgeslagen. Voorheen werd hierbij in artikel 105 PUB en artikel 107 PUCAR een voorziening (kluis) met een zgn. waardebergingsindicatie van € 1.000,– verplicht gesteld. Deze zgn. waardebergingsindicatie was zeer verouderd en sloot niet meer aan bij de huidige waarde van reisdocumenten en de daaraan gerelateerde materialen. Artikel 53 PUKMar vereiste enkel een inbraakvertragende en brandwerende voorziening, maar bevatte geen waardebergingsindicatie.
Om de eisen voor kluisvoorzieningen beter te laten aansluiten bij de huidige waarde van reisdocumenten en om uitgevende instanties beter te helpen bij het kiezen van kluisvoorzieningen, zijn de kluiseisen aangepast. De waardebergingsindicatie (in geldbedrag in euro’s) is met deze wijziging geschrapt uit de PUB en PUCAR. In de PUB, PUCAR en PUKMar is toegevoegd dat uitgevende instanties verplicht zijn om een kluisvoorziening te hebben met een mate van inbraak- en brandwerendheid die in passende verhouding staat tot de waarde van de inhoud. Eerder werd de bepaling in de PUN over de kluiseisen al op dezelfde manier aangepast.13 Uitgevende instanties kunnen bijvoorbeeld kiezen voor een gecertificeerde kluisvoorziening. Daarbij kan worden gedacht aan kluizen met een conformiteitsbeoordeling op het gebied van inbraakwerendheid (zoals de norm EN 14450 en EN 1143-1) en op het gebied van brandveiligheid (zoals de norm EN 15659 en EN 1047-1).
Uitgevende instanties maken gebruik van een mobiel vingerafdrukopname-apparaat (MVA) om vingerafdrukken op te nemen van burgers die niet naar de aanvraaglocatie kunnen reizen. Voor inwerkingtreding van deze wijziging gold op grond van de PUN, PUB en PUCAR een maximumaantal van drie medewerkers per uitgiftelocatie die een aanvraag met behulp van het MVA in behandeling mogen nemen. Bij de invoering van het MVA in 2009 werd dit maximumaantal gekozen omdat het aantal van drie medewerkers per locatie voldoende werd geacht.14 Het is niet meer te achterhalen waarom er voor een maximumaantal medewerkers werd gekozen. In de praktijk had dit maximumaantal ook geen toegevoegde waarde, omdat op het MVA wordt ingelogd met één gedeelde opstart-USB met pincode, die door verschillende, daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen medewerkers gebruikt mag worden. Het maximumaantal van drie ambtenaren per uitgiftelocatie die met het MVA mogen werken in de artikelen 80b PUN, 88b PUB en 90b PUCAR is daarom geschrapt. De bepalingen sluiten zo beter aan bij de feitelijke technische situatie van het MVA, omdat bij het inloggen in het MVA niet kan worden bijgehouden welke medewerker inlogt. Wel wijst de bevoegde autoriteit per locatie de personen aan die met het MVA mogen werken. Uitgevende instanties worden tevens geadviseerd om altijd met minstens twee medewerkers te gaan als het MVA wordt gebruikt. De vingerafdrukken worden uit het MVA ingeladen in het aanvraagstation bij de uitgevende instantie. Daarbij logt de bevoegde medewerker met een persoonlijk account in, zodat kan worden bijgehouden wie de vingerafdrukken in het aanvraagstation heeft ingeladen. Het schrappen van het maximumaantal gebruikers heeft daarom geen gevolgen voor de fraudebestendigheid van het aanvraagproces.
Naast de hiervoor genoemde onderwerpen zijn er op vier punten overige technische wijzigingen met deze regeling doorgevoerd.
In het kader van het programma Verbeteren Reisdocumentenstelsel (VRS) is de technische infrastructuur up-to-date gebracht en zijn bepaalde processen bij de aanvraag en uitgifte van reisdocumenten gemoderniseerd. Dit gebeurt in opeenvolgende releases voor de reisdocumentensystemen. Met de nieuwste release zijn een aantal papieren formulieren digitaal beschikbaar gesteld. In de Paspoortuitvoeringsregelingen is daarom in enkele bepalingen het woord ‘formulier’ vervangen door ‘dienst’, en zijn bepalingen over communicatie per brief of fax geschrapt omdat deze niet meer nodig zijn.
Artikel 15a PUN betreft de vaststelling van aanspraken op een reisdocument voor in Nederland geboren minderjarige vreemdelingen. Wanneer ouders een reisdocument voor vreemdelingen aanvragen voor hun minderjarig in Nederland geboren kind, en de ouders een geldig verblijfsrecht uitoefenen, behoeft er niet opnieuw getoetst te worden of aan de voorwaarden is voldaan voor aanspraak op een reisdocument voor vreemdelingen. In artikel 15a, eerste lid, van de PUN is de leeftijdsgrens voor de aanspraken verhoogd van zestien naar achttien jaar. De leeftijdsgrens in de PUN werd gesteld op zestien jaar, omdat bijschrijving van een minderjarige in een nationaal paspoort mogelijk was tot de leeftijd van zestien jaar. Deze mogelijkheid is sinds 2012 afgeschaft. De leeftijdsgrens is verhoogd naar achttien jaar om aan te sluiten bij de wettelijke leeftijdsgrens voor ouderlijk gezag.
Een aantal bepalingen in de PUN en PUCAR is aangepast omdat zij onjuist vermeldden of een bepaalde taak in het aanvraag- en uitgifteproces door een ambtenaar moet worden uitgevoerd. In de Paspoortuitvoeringsregelingen wordt een onderscheid gemaakt tussen taken en bevoegdheden die door een ‘persoon’ of een ‘ambtenaar’ moeten worden uitgevoerd. Dit onderscheid wordt gemaakt om aan te geven dat voor enkele taken en bevoegdheden een ambtenaar moet worden ingezet, die een eed heeft afgelegd en op basis van een mandaat/organisatiebesluit van de uitgevende instantie bevoegd is om beslissingen met een rechtsgevolg te nemen namens de uitgevende instantie. Het is gebleken dat in artikel 40, eerste lid PUN, de artikelen 49, 51 en 66 en bijlage A bij de PUCAR en bijlage A bij de PUKMar de terminologie niet juist is doorgevoerd. In deze bepalingen stond dat een ‘ambtenaar’ taken moet uitvoeren m.b.t. het vastleggen van de aanvraaggegevens in het aanvraagbestand of het registreren van de uitreiking van het document. Een niet-ambtenaar mag deze taken echter ook doen. De betreffende bepalingen zijn daarom aangepast en schrijven nu voor dat een ‘persoon’ de taken uitvoert. Hiermee is het voor uitgevende instanties duidelijk dat voor deze taken ook een niet-ambtenaar mag worden ingezet.
Artikel 60, eerste lid, van de PUN bepaalt bij wie de houder van een reisdocument een melding kan doen bij verlies van of (vermoeden van) fraude met het reisdocument. Met de invoering van StopID (zie paragraaf 3 hierboven) zal het nog steeds mogelijk zijn om een melding te doen bij de uitgevende instantie. In artikel 60, eerste lid, onder c is opgenomen dat een melding kan worden gedaan bij de gezaghebber van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Hierbij is niet als vereiste opgenomen dat de houder ingeschreven moet zijn in de basisadministratie van het betreffende openbare lichaam, terwijl voor gemeenten wel geldt dat men ingezetene moet zijn van de betreffende gemeente. Het is niet de bedoeling dat álle houders van reisdocumenten voor een melding van fraude of vermissing terecht kunnen bij de openbare lichamen, alleen de houders die in het betreffende openbaar lichaam zijn ingeschreven. Deze omissie is hersteld. Artikel 60, eerste lid, onder c, stelt nu als eis dat de houder ingeschreven moet zijn in de basisadministratie van het betreffende openbare lichaam.
In bijlagen A bij de Paspoortuitvoeringsregelingen staan standaardclausules die op de reisdocumenten kunnen worden vermeld. In deze bijlagen staan ook de standaardclausules met betrekking tot de burgerlijke staat van de houder (onderdeel I). Op verzoek van de aanvrager wordt in het aanvraagformulier de burgerlijke stand van de aanvrager opgenomen, zodat deze op het document wordt vermeld. Sinds de modelwijziging in 2024 wordt de burgerlijke stand van de houder niet meer opgenomen op de houderpagina, maar op de titelpagina (de achterkant van de houderpagina).15 In bijlage A van de PUN, PUB en PUCAR werd nog bepaald dat de burgerlijke stand op de houderpagina werd vermeld. Dit is nu gecorrigeerd. Wat betreft de PUKMar worden op het nooddocument geen standaardclausules over de burgerlijke stand opgenomen. Daarom is onderdeel I van bijlage A geschrapt.
Van de voorgestelde wijzigingen heeft alleen de brede uitrol van de dienst StopID gevolgen voor burgers. Door het versimpelen van de procedure om een melding te maken van vermissing of fraude neemt de regeldruk voor burgers af. De afgelopen jaren werden er jaarlijks rond de 190.000 meldingen gemaakt van vermissing of diefstal van een reisdocument, en rond de 1.500 meldingen van (vermoeden van) fraude. Het grootste deel van die meldingen zal voortaan via StopID kunnen verlopen. Burgers kunnen dan direct online het reisdocument ongeldig laten verklaren, en zijn dus geen extra tijd meer kwijt aan het maken van een afspraak aan de balie voor het doen van een melding.
De aanscherping van functiescheiding heeft voor de uitgevende instanties in de Caribische landen gevolgen, omdat zij voortaan bij elke aanvraag drie verschillende medewerkers moeten inzetten voor de aanvraag, de verstrekking en de uitreiking van het document. Daar staat tegenover dat zij niet langer een aparte medewerker hoeven in te zetten voor de stap ‘beheer’, omdat deze uit de functiescheiding is geschrapt. Ook is voor hen voortaan duidelijk dat van functiescheiding mag worden afgeweken wanneer het in een noodsituatie door een tekort aan personeel niet mogelijk is om aan functiescheiding te voldoen, en dat bij aanvraag van nooddocumenten functiescheiding nooit verplicht is. Dat laatste geldt ook voor de uitgevende instanties in Caribisch Nederland. De betrokken uitgevende instanties zijn geïnformeerd over deze nieuwe invulling van functiescheiding.
Door brede uitrol van StopID neemt de werklast bij uitgevende instanties af, omdat meldingen van vermissing of (vermoeden van) fraude voortaan ook online kunnen worden gedaan. Tussenkomst van een uitgevende instantie is dan niet meer nodig. De mogelijkheid van melden bij een uitgevende instantie blijft wel bestaan. Dit proces zal overigens ook wijzigen met de invoering van StopID. De verklaringsinformatie (de antwoorden op de vragen die aan de melder gesteld worden, zoals de omstandigheden van de vermissing en de mogelijke bewijsstukken) wordt middels StopID en de functionaliteit Meldingenregistratie voortaan in het centrale BR opgeslagen. Uitgevende instanties kunnen deze verklaringen nodig hebben bij een volgende aanvraag. Door de opslag van deze verklaringen in het BR hoeven ze deze niet meer bij andere uitgevende instanties op te vragen, maar kunnen ze deze indien nodig zelf uit het BR halen. Ook dit vermindert de werklast voor uitgevende instanties.
Het moderniseren van de kluiseisen en het schrappen van het maximumaantal ambtenaren voor het MVA hebben naar verwachting weinig tot geen gevolgen voor uitgevende instanties. In beide gevallen gaat het om een aanpassing van de regelgeving die aansluit bij de reeds bestaande situatie in de praktijk. Hetzelfde geldt voor de technische wijzigingen beschreven in paragraaf 6.
De nieuwe invulling van functiescheiding heeft uitvoeringsgevolgen voor de uitgevende instanties in de Caribische landen en in Caribisch Nederland. Deze zijn in de paragraaf hiervoor reeds beschreven.
Voor de invoering van StopID zijn reeds de benodigde technische maatregelen getroffen om de dienst breed beschikbaar te maken en aan te sluiten op de registraties rondom reisdocumenten, waarin meldingen van verlies of fraude verwerkt moeten worden, waaronder de opslag van de verklaringen in het BR.
Het moderniseren van de kluiseisen, het schrappen van het maximumaantal ambtenaren voor het MVA en de technische wijzigingen hebben geen uitvoeringsgevolgen.
Het introduceren van StopID, een online voorziening (elektronisch formulier) waarmee burgers verlies van of (vermoeden van) fraude met een reisdocument kunnen melden, impliceert verwerkingen van persoonsgegevens en daarmee een inmenging in het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op bescherming van persoonsgegevens. Verwerking van persoonsgegevens in het kader van StopID is gebaseerd op artikel 5a van de Paspoortwet. Dit artikel bepaalt dat de houder wiens reisdocument is vermist of mogelijk voorwerp is van fraude, dat op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze kan melden. De melding is nader uitgewerkt in de artikelen 60, derde en vijfde lid, van de PUN, 72, vierde lid, en 71, vierde lid, van de PUCAR.
Op de gegevensverwerkingen in het kader van StopID is een Data Protection Impact Assessment (DPIA) uitgevoerd. In deze DPIA zijn de verschillende gegevensverwerkingen in kaart gebracht en is een beoordeling gemaakt van de rechtmatigheid van de gegevensverwerkingen en de daaraan verbonden risico’s en maatregelen ter bescherming van de rechten en vrijheden van degenen van wie gegevens worden verwerkt. Bij een melding via StopID gaat het om verwerking van persoonsgegevens van de houder (waaronder het BSN en de gegevens over het betreffende document) en gegevens over de omstandigheden van de vermissing van of fraude met het document (de verklaringsinformatie). De persoonsgegevens worden verwerkt om de houder te identificeren, het juiste document ongeldig te laten registreren en daarbij de verklaringsinformatie vast te leggen. De noodzaak voor deze verwerkingen is gelegen in het laagdrempelig, digitaal en snel ongeldig kunnen laten registreren van een document indien het is vermist of indien er (mogelijk) fraude mee wordt gepleegd. Met StopID wordt getracht om geen onnodige (persoons)gegevens te verwerken. De burger wordt niet om meer gegevens gevraagd dan nodig. Het doeleinde om meldingen zo snel mogelijk te registreren kan niet bereikt worden met het enige alternatief (de huidige route waarbij een melding bij de uitgevende instantie wordt gemaakt). De vragen die in StopID worden gesteld zijn zodanig sturend geformuleerd dat burgers worden ontmoedigd om strafrechtelijke gegevens van derden te delen. De verklaringsinformatie in een melding wordt wel opgeslagen in het BR, maar kan niet worden verstrekt aan afnemers van het BR. De verklaringsinformatie wordt dus ook niet als een te verstrekken gegeven opgenomen in het aanvraagformulier voor autorisatie op het BR. De risico’s voor betrokkenen bij de gegevensverwerkingen via StopID zijn door de genomen maatregelen laag. De rechten van betrokkenen op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) worden hierbij gewaarborgd, waaronder het recht van inzage, het recht om bezwaar te maken en het recht op duidelijke informatie.
De overige wijzigingen in deze regeling hebben naar verwachting geen gevolgen voor privacy.
Een ontwerp van deze regeling is in consultatie geweest. Er zijn reacties ontvangen van de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). De regeling is ook voor advies voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Commissie Bescherming Persoonsgegevens BES (CBP BES). De ontwerpregeling is verder voorgelegd aan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en aan de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
De NVVB wijst er bij de aanpassing van de functiescheiding op dat tot de invoering van technische ondersteuning van de functiescheiding en de mogelijkheid tot foto-fotovergelijking gerealiseerd is, het beoogde doel van functiescheiding nog niet volledig tot zijn recht komt. Aan deze technische functionaliteiten wordt op dit moment gewerkt, zodat deze zo snel mogelijk kunnen worden ingevoerd.
De NVVB laat verder weten de directe doorwerking van StopID in het BR wenselijk te vinden. Wel spreekt zij haar zorgen uit over het risico van de laagdrempeligheid van StopID, en de daardoor mogelijke verschillen tussen het digitaal melden en het in persoon aan de balie melden van een vermissing. Aan de balie heeft een medewerker mogelijkheden om door te vragen, signalen op te merken en de context van een vermissing te duiden. NVVB geeft aan dat gemeenten dit bij de digitale route als een gemis ervaren, en de toelichting vanuit de houder vaak als (te) summier wordt ervaren. Zeker aangezien het document achteraf regelmatig nog als ‘gevonden’ door de houder aan de balie wordt getoond. NVVB stelt daarom dat het digitaal melden van vermissing goede en heldere communicatie vraagt naar houders om te wijzen op de gevolgen voor het betreffende document en voor de houder bij een onterechte of frauduleuze vermissing.
Houders worden er bij het doen van een melding via StopID duidelijk op gewezen dat melding van vermissing, diefstal of (vermoeden van) fraude definitief en onomkeerbaar is, en dat zij na de melding dus een nieuw document moeten aanvragen. Bij de ontwikkeling van StopID is uitgebreid aandacht besteed aan de begrijpelijkheid van deze mededeling, ook voor personen met een beperkt begrip van de Nederlandse taal. De verwachting is daarom dat voor burgers voldoende duidelijk zal zijn wat de gevolgen van een melding via StopID zijn. Via de vragen die StopID stelt worden burgers bovendien begeleid in het zo gedetailleerd mogelijk opgeven van een verklaring voor de vermissing, diefstal of (vermoedelijke) fraude.
De NVVB heeft verder nog een aantal losse vragen en opmerkingen over StopID. Ten eerste over gemeenten die al een eigen digitale dienst aanbieden waarmee burgers vermissing kunnen melden. Gemeenten vragen zich af of deze nog kan bestaan naast StopID. Dit is het geval. StopID komt aanvullend naast de reeds bestaande route om een melding te maken bij een uitgevende instantie. Uitgevende instanties kunnen daarbij, zoals de PUN voor deze wijziging ook al bepaalde, er zelf voor kiezen om hier ook een digitale mogelijkheid aan te bieden. De NVVB vraagt verder om heldere communicatie over de uitfasering van de reisdocumentencategorie op de persoonslijsten die gemeenten bijhouden (categorie 12). Zodra deze categorie verdwijnt zal hierover naar gemeenten gecommuniceerd worden. Dit gebeurt met een wijziging van het Logisch Ontwerp (LO) BRP, waar gemeenten altijd van op de hoogte worden gebracht.
De afschaffing van het maximumaantal medewerkers dat met het MVA mag werken noemt de NVVB een welkome aanpassing voor de uitvoering in de praktijk, omdat dit gemeenten roostertechnisch meer ruimte geeft om met het MVA te werken. Bij de overige onderwerpen heeft NVVB geen opmerkingen.
De VNG heeft laten weten zich aan te sluiten bij de hiervoor genoemde opmerkingen van de NVVB en geen aanvullende opmerkingen te hebben.
De AP heeft om nadere toelichting gevraagd bij het afschaffen van het maximumaantal medewerkers per MVA. Meer specifiek vraagt de AP waarom eerder wel voor een maximumaantal werd gekozen, en waarom die reden nu niet meer relevant zou zijn. Bij invoering van het MVA in 2009 is voor het maximumaantal van drie medewerkers gekozen. Het is helaas niet meer te achterhalen waarom destijds voor een maximumaantal is gekozen. Zoals in paragraaf 5 van deze toelichting is uitgelegd, is het maximumaantal sowieso niet technisch afdwingbaar en gelden er andere maatregelen om de fraudebestendigheid van het proces met het MVA te waarborgen.
Van de CBP BES is geen reactie op het voorstel ontvangen.
Saba heeft laten weten geen bezwaren te zien tegen de regeling. Bonaire heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben bij het voorstel. Vanuit Sint Eustatius is geen reactie ontvangen.
Sint Maarten geeft aan geen bezwaren te hebben tegen de wijzigingen. Wel is gevraagd in hoeverre de nationale privacywetgeving een belemmering kan zijn voor de invoering van deze regeling. In paragraaf 9 van deze toelichting zijn de privacygevolgen van deze regeling uiteengezet. De toetsing van deze privacygevolgen aan nationale privacywetgeving van Sint Maarten is een aangelegenheid van het land zelf. Ook is gevraagd welke ICT-, personele en praktische gevolgen de regeling heeft voor de landen. De gevolgen van de regeling zijn in de paragrafen hiervoor uitvoerig besproken. Voor Sint Maarten geldt dat zij vanaf de inwerkingtreding van deze regeling moeten werken volgens de nieuwe invulling van functiescheiding, en dus altijd drie verschillende medewerkers moeten betrekken bij het opnemen van de aanvraag aan de balie, het nemen van het verstrekkingsbesluit in de backoffice en het uitreiken van het document aan de balie. Dit heeft personele en praktische gevolgen. De uitgevende instanties in de landen zijn tijdig over deze gevolgen voorgelicht. Er worden geen ICT-gevolgen voor de landen verwacht. De vervanging van formulieren door digitale diensten wordt door RvIG uitgevoerd. Uitgevende instanties hoeven hier zelf niets voor te doen. Daarnaast heeft Sint Maarten gevraagd om bij toekomstige evaluaties van de nieuwe invulling van functiescheiding te worden betrokken. Mocht een dergelijke evaluatie plaatsvinden, dan zullen de uitgevende instanties hierbij worden meegenomen.
Aruba heeft laten weten akkoord te zijn met de voorgestelde wijzigingen. Vanuit Curaçao is geen reactie ontvangen.
In de internetconsultatie is gevraagd wat men van de voorgestelde wijzigingen in de Paspoortuitvoeringsregelingen vindt. De internetconsultatie heeft vijf reacties opgeleverd, waarvan vier openbaar.
Verschillende reacties gaan in op StopID. Eén reactie is negatief over de invoering van StopID en stelt dat fraudeurs of kwaadwillende (medewerkers van) overheden identiteitsbewijzen van burgers direct ongeldig kunnen verklaren. StopID zal alleen gebruikt kunnen worden met DigiD. Op die manier is gewaarborgd dat alleen de houder van het document zelf via StopID het document ongeldig kan verklaren. StopID is bovendien alleen bedoeld voor burgers.
Een andere reactie adviseert om breed en duidelijk over StopID te communiceren, zodat alle burgers weten dat deze mogelijkheid bestaat en hoe zij deze kunnen gebruiken. Burgers zullen via de gebruikelijke kanalen op de hoogte worden gebracht van de invoering van StopID. Een andere reactie stelt dat het gewenst is om ook een dienst aan te bieden voor het opnieuw geldig laten registreren van een document, of het ter beschikking stellen van een tijdelijk vervangend document. Het registreren van een document als ongeldig is onomkeerbaar. Om fraude te voorkomen kan een document niet opnieuw geldig worden als het al ongeldig is verklaard. Hierbij speelt ook mee dat de ongeldigverklaring wordt doorgevoerd in internationale registers. Het is niet goed uitvoerbaar en fraudegevoelig om deze registraties weer ongedaan te maken. Daarom is het ongeldig laten registreren van een document via StopID of via de uitgevende instantie definitief en kan dit niet ongedaan worden gemaakt. Uitgifte van een tijdelijk identiteitsbewijs in afwachting van een nieuw aangevraagd document is te fraudegevoelig. Als een burger een document ongeldig laat registreren moet hij een nieuw document aanvragen. Voor spoedgevallen is eventueel een spoedaanvraag of in het uiterste geval bij een niet-uitstelbare reis een nooddocument de aangewezen optie.
Enkele reacties gaan ook in op de andere onderwerpen uit deze regeling. Eén reactie stelt voor dat het beter zou zijn om een algemene rijkswet in te voeren dat wanneer een wet of regeling een papieren formulier noemt, hier ook altijd een digitaal formulier kan bestaan. Dit zou voorkomen dat, zoals bij deze wijziging ook gebeurt, er een wijziging van wet- en regelgeving nodig is om papieren formulieren door digitale formulieren aan te passen. Invoering van een dergelijke wet is op dit moment niet aan de orde. Een andere reactie vraagt aandacht voor de uitvoerbaarheid van de maatregelen voor kleinere gemeenten en de uitgevende instanties in het Caribisch deel van het Koninkrijk, met name de uitvoerbaarheid van functiescheiding. De nieuwe invulling van functiescheiding is tot stand gekomen in afstemming met de uitgevende instanties in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Hierbij is rekening gehouden met de speciale omstandigheden waar zij mee te maken hebben, zodat de maatregelen uitvoerbaar blijven. De reactie vraagt bij de digitalisering van formulieren ook aandacht voor locaties waar digitale infrastructuur minder stabiel is. De digitale diensten zullen worden aangeboden binnen de bestaande digitale voorzieningen voor uitgevende instanties. Ook vraagt deze reactie om duidelijke richtlijnen en training bij het gebruik van het MVA. Gebruik van het MVA gebeurt alleen door daartoe aangewezen medewerkers, die zich aan de voorschriften uit de Paspoortuitvoeringsregelingen voor het gebruik van het MVA moeten houden. Hiermee blijft de kwaliteit en veiligheid van de opgenomen vingerafdrukken gewaarborgd. Dezelfde reactie vraagt tot slot om bij de kluiseisen toch duidelijkere minimumomschrijvingen toe te voegen in plaats van een open norm. Zoals hiervoor beschreven is gekozen voor een open norm zodat uitgevende instanties zelf kunnen bepalen welke voorziening past bij hun specifieke situatie, afhankelijk van bijvoorbeeld de inrichting van de locatie en de hoeveelheid opgeslagen documenten en materialen.
De wijzigingen in deze regeling treden in werking per 1 april 2026, met uitzondering van het wijzigen van de leeftijd in artikel 15a van de PUN van zestien naar achttien jaar en de wijzigingen naar aanleiding van StopID.
De wijziging van de leeftijd in artikel 15a van de PUN zal ook worden doorgevoerd in het Paspoortbesluit en treedt tegelijk in werking met de wijziging van het Paspoortbesluit in verband met de zorgplicht voor gemeenten en openbare lichamen inzake verklaring omtrent het gedrag voor medewerkers in het reisdocumentenstelsel.
De wijzigingen met betrekking tot de brede uitrol van StopID vinden plaats per 1 juli 2026 zodat de uitvoering voldoende tijd heeft om de dienst StopID beschikbaar te stellen.
Artikel 15a betreft de aanspraak op een vreemdelingenreisdocument voor in Nederland geboren minderjarige vreemdelingen. De leeftijdsgrens voor deze aanspraken is verhoogd van zestien naar achttien jaar. De leeftijdsgrens van zestien jaar hield verband met de mogelijkheid van bijschrijving van minderjarigen tot zestien jaar op het reisdocument van één van de ouders. Deze mogelijkheid is afgeschaft. De leeftijdsgrens is verhoogd naar achttien jaar om aan te sluiten bij de wettelijke leeftijdsgrens voor ouderlijk gezag. Zie ook paragraaf 6.2 van de algemene toelichting.
Artikel 40 regelt de vastlegging van aanvraaggegevens in het aanvraagstation. De vastlegging mag ook worden uitgevoerd door niet-ambtenaren, zoals bijvoorbeeld uitzendpersoneel. Dit artikel is daarop aangepast (zie ook wijziging van de artikelen 49, 51 en 66 van de PUCAR). In paragraaf 6.3 wordt dit in meer detail toegelicht.
Artikelen 51 en 75 stellen regels over de situatie dat een aanvrager gedurende de aanvraag binnen Europees Nederland verhuist, over het kennisgeven van definitieve onttrekkingen en over het registreren van kennisgevingen in de basisadministratie. Vóór deze wijziging gebeurde de registratie hiervan met het zgn. C3 formulier.
Artikelen 61 en 61a stellen regels over de melding van fraude, vermissing of het vermoeden van onbevoegde overdracht aan een derde door een in het register paspoortsignaleringen (RPS) opgenomen houder. Dat gebeurde vóór deze wijziging met het zgn. C7 formulier.
Beide formulieren worden uitgefaseerd en in plaats daarvan kunnen deze kennisgevingen via de digitale omgeving van RvIG geschieden via een daartoe beschikbaar gestelde dienst. De tekst van deze artikelen is hiervoor gewijzigd.
Zie hiervoor paragraaf 6.1 van de algemene toelichting.
Artikel 58 regelt dat de gemeente of het openbaar lichaam na een aanvraag of de ontvangst van een ingehouden reisdocument van een persoon die is opgenomen in het RPS bij de Minister van BZK nagaat, of de opname in het register nog correct is. Omdat deze informatie in een digitale omgeving van RvIG inzichtelijk is gemaakt, is het vereiste dat de bevraging met de communicatiemiddelen fax of brief moet plaatsvinden geschrapt. Ook het tweede lid is geschrapt, dat regelde dat in spoedgevallen gebruik van andere communicatiemiddelen mogelijk was.
Deze wijziging maakt deel uit van de wijzigingen ten behoeve van het programma VRS, toegelicht in paragraaf 6.1 van het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel 60 bepaalt op welke wijze bij gemeenten of openbare lichamen melding kan worden gedaan van fraude of vermissing van een reisdocument. Per 1 januari 2025 is de mogelijkheid van een elektronische melding met de dienst StopID geïntroduceerd, onder de voorwaarde dat de houder van het reisdocument op verzoek van de burgemeester heeft ingestemd met het doen van een elektronische melding.16 Het vereiste van een melding ‘na een verzoek van de burgemeester’ kan komen te vervallen, omdat deze dienst nu breed uitgerold wordt.
Ten behoeve van een correcte identiteitsvaststelling bij het gebruik van StopID dient betrokkene gebruik te maken van DigiD en over een BSN te beschikken (ten tijde van de aanvraag), zodat de juiste, voor ongeldigverklaring in aanmerking komende reisdocumenten in de online voorziening kunnen worden ‘getoond’.
Deze wijziging maakt deel uit van de brede uitrol van de dienst StopID, die is toegelicht in paragraaf 3 van het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel 80b schreef voor dat de burgemeester dan wel de gezaghebber ten hoogste drie personen (doen) aanwijzen die aanvragen in behandeling mogen nemen met behulp van het mobiel vingerafdrukopname-apparaat (MVA).
Het maximumaantal van drie personen per uitgiftelocatie is in de artikelen 80b PUN, 88b PUB en 90b PUCAR geschrapt. Het vermelden van een maximumaantal heeft geen toegevoegde waarde, omdat het aantal personen die het MVA mogen gebruiken technisch niet kan worden ‘afgedwongen’. De bevoegde autoriteit wijst per locatie personen aan die met het MVA mogen werken. Voorts wordt door middel van logging geregistreerd welke medewerkers de vingerafdrukken uit het MVA in het aanvraagstation bij de uitgevende instantie hebben ingeladen, zodat inzichtelijk is welke personen het MVA hebben gebruikt in de zin van artikel 80b. Het schrappen van het maximumaantal gebruikers heeft daarom geen gevolgen voor de fraudebestendigheid van het aanvraagproces. Zie ook paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel 93, eerste lid, onderdeel c, van de PUN schrijft voor dat de aanvraag, de verstrekking en de uitreiking van reisdocumenten door verschillende medewerkers dient te worden uitgevoerd. Dit is de zgn. eis van functiescheiding. In het nieuwe vijfde lid van artikel 93 is een uitzondering op deze functiescheiding opgenomen. De uitzondering betreft de uitgifte van nooddocumenten door de openbare lichamen.17 De situatie kan zich voordoen dat onvoldoende medewerkers in de piketdienst aanwezig zijn voor de aanvraag- en uitgifte van een nooddocument als dit buiten reguliere werktijden valt, bijvoorbeeld het wanneer iemand in een medisch noodgeval met spoed naar een ander eiland moet worden vervoerd of als begeleider meereist vanwege ziekte van een familielid. Artikel 93, vijfde lid, regelt dat bij uitgifte van nooddocumenten niet aan functiescheiding behoeft te worden voldaan. Als functiescheiding wel kan worden toegepast is dat altijd wenselijker, maar niet verplicht.
Deze wijziging is onderdeel van de uitbreiding van de functiescheiding. Zie daartoe ook paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting.
Bijlage A bij de PUN is gecorrigeerd, zodat de burgerlijke stand van de houder op de titelpagina wordt vermeld in plaats van de houderpagina. Zie hiervoor paragraaf 6.5 van het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel 70 van de PUB is op dezelfde wijze gewijzigd als artikel 58 van de PUN. Zie hiervoor de toelichting bij artikel I, onderdeel D en paragraaf 6.1 van het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel 72 van de PUB regelt de melding van fraude en vermissing van reisdocumenten bij de buitenlandse posten. Net als bij de gemeenten en openbare lichamen is de dienst StopID met de onderhavige wijziging bij alle posten uitgerold en vervalt de noodzaak tot voorafgaande uitnodiging. Ook is verduidelijkt dat het alsnog inleveren van het reisdocument bij de door de Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen persoon plaatsvindt. In de praktijk zal dit in de regel zijn bij de Nederlandse vertegenwoordiging in het land waarin de houder van een reisdocument waarmee fraude is gepleegd, zich bevindt. Zie ook paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting.
Artikel 73 van de PUB is op dezelfde wijze gewijzigd als de artikelen 61 en 61a van de PUN. Zie hiervoor de toelichting bij artikel I, onderdelen C, F, G en H en paragraaf 6.1 van het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel 81 van de PUB gaat over registratie van definitief aan het verkeer onttrokken reisdocumenten. De registratie geschiedt voortaan met behulp van een door een door RvIG beschikbaar gestelde digitale dienst. Deze wijziging is onderdeel van de wijzigingen ten behoeve van het programma VRS. Zie daarvoor paragraaf 6.1 van het algemeen deel van deze toelichting.
In artikel 88b, eerste lid, van de PUB is het maximumaantal personen die gebruik mogen maken van een MVA geschrapt. Deze wijziging is hierboven toegelicht bij de gelijkluidende wijziging van artikel 80b van de PUN. Zie ook paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting.
In artikel 105, eerste lid, van de PUB is als eis aan de kluisvoorziening voor de opslag van onder meer reisdocumenten opgenomen dat de voorziening ‘in passende verhouding moet staan tot de waarde van de inhoud ervan’. Dit criterium vervangt de zgn. waardebergingsindicatie van € 1.000,–, die verouderd was. In paragraaf 4 van het algemeen deel van deze toelichting is deze wijziging verder toegelicht.
Bijlage A bij de PUB is gecorrigeerd, zodat de burgerlijke stand van de houder op de titelpagina wordt vermeld in plaats van de houderpagina. Zie hiervoor paragraaf 6.5 van het algemeen deel van deze toelichting.
Deze wijziging houdt verband met de vernummering van de leden in artikel 71 (Artikel III, onderdeel F).
Artikelen 49, 51 en 66 van de PUCAR regelen respectievelijk het aan de balie bij de aanvraag vergelijken van de aanvrager met de door hem overgelegde foto, het vastleggen van de aanvraaggegevens in het zgn. reisdocumentenstation en het registreren van uitreiking en inlevering van een reisdocument. Deze artikelen zijn aangepast, zodat duidelijk is dat deze werkzaamheden ook mogen worden uitgevoerd door niet-ambtenaren, zoals bijvoorbeeld uitzendpersoneel. Zie ook paragraaf 6.3 van het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel 69 van de PUCAR is op dezelfde manier gewijzigd als artikel 58 van de PUN. Zie hiervoor de toelichting op artikel I, onderdeel D en paragraaf 6.1 van het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel 71 van de PUCAR regelt de melding van fraude en vermissing van reisdocumenten in Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Aan dit artikel is de mogelijkheid tot digitale melding aan de Minister van BZK toegevoegd. Zie paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting.
Ook in de PUCAR is doorgevoerd dat de C3 en C7-formulieren uitgefaseerd zijn en is een digitale dienst beschikbaar gesteld. Dit is toegelicht bij de vergelijkbare artikelen in de PUN (artikel I, onderdelen C, F, G en H) en paragraaf 6.1 van het algemeen deel van deze toelichting.
In artikel 90b, eerste lid, van de PUCAR is het maximumaantal personen die gebruik mogen maken van een het MVA geschrapt. Deze wijziging is hierboven toegelicht bij de gelijkluidende wijziging van de PUN (artikel 80b van de PUN/artikel I, onderdeel I). Zie ook paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting.
In artikel 107, eerste lid, van de PUCAR is als eis aan de voorziening voor de opslag van onder meer reisdocumenten opgenomen dat de voorziening ‘in passende verhouding moet staan tot de waarde van de inhoud ervan’. Dit criterium vervangt de zgn. waardebergingsindicatie van € 1.000,–, die verouderd was. In paragraaf 4 van het algemeen deel van deze toelichting is deze wijziging verder toegelicht.
In artikel 109, eerste lid, onder c, van de PUCAR is vastgelegd dat essentiële processtappen in het aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten, namelijk de behandeling van de aanvraag, de beslissing om een reisdocument te verstrekken en de uitreiking van het reisdocument, door drie verschillende medewerkers dienen te worden uitgevoerd. In de praktijk wordt dit (de eis van) functiescheiding genoemd. Met het oog op de bestrijding van fraude is het ook in Aruba, Curaçao en Sint-Maarten van belang dat de aanvraag en de uitreiking (de momenten in het aanvraag- en uitgifteproces waar de identiteit van de aanvrager aan de balie wordt geverifieerd) door verschillende medewerkers worden uitgevoerd. Ook moet het besluit om het reisdocument te verstrekken door een andere (derde) medewerker worden genomen. Het beheer valt na voorliggende wijziging niet meer onder de functiescheiding, omdat scheiding van deze taak ten opzichte van de aanvraag, verstrekking en uitgifte geen toegevoegde waarde heeft. De procedure is op gelijke wijze geregeld als in artikel 93 van de PUN. Bij afwijking van functiescheiding onder de voorwaarden genoemd in artikel 109, tweede lid, moet worden vastgelegd waarom er tijdelijk niet aan de functiescheiding werd voldaan, de periode waarin en welke medewerkers gedurende die periode betrokken zijn bij de taken waar functiescheiding voor geldt.
Voor Aruba, Curaçao en Sint-Maarten is wat betreft nooddocumenten dezelfde uitzondering gemaakt op de functiescheiding als voor Caribisch Nederland (artikel 109, vijfde lid). Dit betreft situatie beschreven in de toelichting op Artikel I, onderdeel J (artikel 93 van de PUN), bijvoorbeeld een medisch noodgeval waarbij betrokkene met spoed moet worden geëvacueerd naar een ander eiland. Voor de nooddocumenten behoeft geen functiescheiding te worden toegepast, hoewel ook hier geldt dat het wel wenselijker is als het wel gebeurt. Zie ook paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting.
Deze wijziging houdt verband met de vernummering van de leden in artikel 109 (zie Artikel III, onderdeel L).
Bijlage A bij de PUCAR is gecorrigeerd, zodat er nu vermeld wordt dat de burgerlijke stand van de houder op de titelpagina wordt vermeld in plaats van de houderpagina. De bijlage bepaalde bovendien voorheen dat de ‘ambtenaar’ in het aanvraagformulier de burgerlijke stand van de aanvrager aangeeft. Dit moet ‘persoon’ zijn en is ook gecorrigeerd. Zie hiervoor paragraaf 6.5 van het algemeen deel van deze toelichting.
In artikel 107, eerste lid, van de PUKMar is als eis aan de voorziening voor de opslag van onder meer reisdocumenten opgenomen dat de voorziening ‘in passende verhouding moet staan tot de waarde van de inhoud ervan’. Dit criterium vervangt de zgn. waardebergingsindicatie. In paragraaf 4 van het algemeen deel van deze toelichting is dit verder toegelicht.
In Bijlage A bij de PUKMar is onderdeel I geschrapt. In dit onderdeel stonden standaardclausules met betrekking tot de burgerlijke stand van de houder, die de producent op verzoek van de aanvrager op het document aanbrengt. Op nooddocumenten die wordt de burgerlijke stand echter niet opgenomen. Zie hiervoor paragraaf 6.5 van het algemeen deel van deze toelichting.
In artikel 8 van de Regeling identiteitskaarten BES worden enkele leden van artikel 93 van de PUN van overeenkomstige toepassing verklaard. Vanwege de wijziging van artikel 93 van de PUN (zie Artikel I, onderdeel J) zijn de verwijzingen in artikel 8 aangepast.
De wijzigingen treden in werking met ingang van 1 april 2026, met uitzondering van de wijzigingen in artikel I, onderdeel A (artikel 15a van de PUN), en artikel I, onderdeel E, artikel II, onderdeel B, en artikel III, onderdeel F (artikel 60 van de PUN, artikel 72 van de PUB en artikel 71 van de PUCAR).
De (technische) wijziging van artikel 15a van de PUN in artikel I, onderdeel A, is afhankelijk van artikel 2.9, derde lid, van het Paspoortbesluit, dat wordt aangepast met het (in procedure zijnde) Besluit tot wijziging van het Paspoortbesluit en het Besluit Paspoortgelden in verband met de zorgplicht voor gemeenten en openbare lichamen inzake verklaring omtrent het gedrag voor medewerkers in het reisdocumentenstelsel en enkele andere wijzigingen. Dat onderdeel treedt daarom gelijktijdig in werking met dat besluit.
De wijzigingen van artikel 60 van de PUN, artikel 72 van de PUB en artikel 71 van de PUCAR regelen de brede invoering van de dienst StopID. Deze treden met ingang van 1 juli 2026 in werking om de uitvoering voldoende tijd te geven om de dienst voor alle houders van Nederlandse reisdocumenten beschikbaar te stellen.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van der Burg
Artikel 93, eerste lid onder c, van de PUN, artikel 107, eerste lid onder c, van de PUB, artikel 109, eerste lid, onder c, van de PUCAR en artikel 55, eerste lid, onder c, van de PUKMar.
Het gaat hier om de ontvangst van gepersonaliseerde reisdocumenten en ongepersonaliseerde nooddocumenten.
Artikel 26, derde lid, onder a en c, van de Paspoortwet en artikel 4.1, tweede lid, van het Paspoortbesluit.
Zie artikel 26, derde lid, onder c, van de Paspoortwet en 4.1, tweede lid, van het Paspoortbesluit.
Artikel 93, eerste lid onder c, van de PUN, artikel 107, eerste lid onder c, van de PUB, artikel 109, eerste lid, onder c, van de PUCAR en artikel 55, eerste lid, onder c, van de PUKMar.
Het gaat hier om de ontvangst van gepersonaliseerde reisdocumenten en ongepersonaliseerde nooddocumenten.
Artikel 26, derde lid, onder a en c, van de Paspoortwet en artikel 4.1, tweede lid, van het Paspoortbesluit.
Zie artikel 26, derde lid, onder c, van de Paspoortwet en 4.1, tweede lid, van het Paspoortbesluit.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-11937.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.