Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Klimaat en Groene Groei | Staatscourant 2025, 44122 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Klimaat en Groene Groei | Staatscourant 2025, 44122 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
Gelet op de artikelen 24o, derde lid, en 133, derde lid, van de Mijnbouwwet en de artikelen 29ak, tweede lid, 73, onderdeel b, en 93, derde lid, van het Mijnbouwbesluit;
Besluit:
De Mijnbouwregeling wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1.1.1, vervalt onderdeel n, onder verlettering van onderdeel o tot onderdeel n.
B
In artikel 1.3b.2, tweede lid, vervalt in de onderdelen f en g ‘gebaseerd op het beoogde gemiddelde en maximale debiet’.
C
In artikel 1.3b.6 wordt ‘artikel 29aj, eerste lid, van het besluit’ vervangen door ‘artikel 29ak, eerste lid, van het besluit’.
D
In artikel 8.4.1, vijfde lid, wordt ‘het eerste lid’ vervangen door ‘het eerste en tweede lid’.
E
Hoofdstuk 13 vervalt.
F
Bijlage 15 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel B wordt als volgt gewijzigd:
a. In het eerste lid wordt ‘€ 5.284’ vervangen door ‘€ 6.498’.
b. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘€ 653’ vervangen door ‘€ 803’.
c. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘€ 1.306’ vervangen door ‘€ 1.606’.
d. In het tweede lid, onderdeel c, wordt ‘€ 3.264’ vervangen door ‘€ 4.014’.
e. In het tweede lid, onderdeel d, wordt ‘€ 6.529’ vervangen door ‘€ 8.029’.
f. In het tweede lid, onderdelen e en f, wordt ‘€ 9.793’ vervangen door € 12.043’.
g. In het tweede lid, onderdeel g, wordt ‘€ 140’ vervangen door ‘€ 172’.
h. In het tweede lid, onderdeel h, wordt ‘€ 279’ vervangen door ‘€ 343’.
i. In het tweede lid, onderdeel i, wordt ‘€ 209’ vervangen door ‘€ 257’.
j. In het tweede lid, onderdeel j, wordt ‘€ 4.396’ vervangen door ‘€ 5.406’.
k. In het tweede lid, onderdeel k, wordt ‘€ 2.917’ vervangen door ‘€ 3.587’.
l. In het derde lid wordt ‘€ 13.057’ vervangen door ‘€ 16.056’.
2. Onderdeel C komt te luiden:
De vergoeding die jaarlijks in rekening wordt gebracht bij:
1. een distributiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, bedraagt € 12 per jaar per 100 aansluitingen;
2. een transmissiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, is gelijk aan het bedrag dat aan een distributiesysteembeheerder als bedoeld in onderdeel a, met de meeste aansluitingen in rekening wordt gebracht.
3. Onderdeel D wordt als volgt gewijzigd:
a. Tabel 1 die hoort bij het eerste lid, komt als volgt te luiden:
|
Categorie |
Bedrag |
|---|---|
|
A |
€ 49.644 |
|
B |
€ 23.340 |
|
C |
€ 19.860 |
|
D |
€ 10.428 |
|
E |
€ 6.763 |
|
F |
€ 5.583 |
|
G |
€ 4.673 |
|
H |
€ 2.496 |
|
I |
€ 1.328 |
|
J |
Nihil |
b. Tabel 2 die hoort bij het eerste lid, komt als volgt te luiden:
|
Het bedrag behorend bij |
als bedoeld in |
is het bedrag bij categorie: |
|---|---|---|
|
a. het intrekken van een besluit of het beoordelen van een melding |
artikel 161a, tweede lid, onderdelen b, f en g, van het besluit |
J |
|
b. het verlenen van een opsporingsvergunning of winningsvergunning |
artikel 6, onderdeel a, onderscheidenlijk b, van de wet |
D |
|
c. het wijzigen van een opsporingsvergunning of winningsvergunning |
artikelen 18, 19, 20 en 143, achtste lid, van de wet |
E |
|
d. het intrekken van een opsporingsvergunning |
artikel 21 in samenhang met artikel 6, onderdeel a, van de wet |
H |
|
e. het intrekken van een winningsvergunning |
artikel 21 in samenhang met artikel 6, onderdeel b, van de wet |
E |
|
f. de instemming met en wijziging van de instemming met een winningsplan op land |
artikel 34, derde lid, van de wet |
A |
|
g. de instemming met en wijziging van de instemming met een winningsplan op land van ondergeschikte aard |
artikel 34, derde lid, en vierde lid, onderdeel b, van de wet |
B |
|
h. de instemming met en wijziging van de instemming met een winningsplan voor een locatie gelegen op het continentaal plat of in de territoriale zee |
artikel 34, derde lid, van de wet |
E |
|
i. de instemming met een rapport inzake grote gevaren inzake: – nieuwe productie-installatie op zee of – essentiële wijzigingen van het algemene deel en één specifiek deel van een bestaande productie-installatie op zee |
artikel 45b, tweede lid, onderscheidenlijk 45e, tweede lid, van de wet |
C |
|
j. de instemming met een rapport inzake grote gevaren inzake: – nieuwe niet-productie-installatie op zee of – essentiële wijzigingen van het algemene deel en één specifiek deel van een bestaande niet-productie-installatie op zee |
artikel 45b, tweede lid, onderscheidenlijk 45f, tweede lid, van de wet |
C |
|
k. de beoordeling van een extra specifiek deel van een rapport inzake grote gevaren of een wijziging daarvan als bedoeld onder s en t |
artikel 45b, tweede lid, onderscheidenlijk 45f, tweede lid, van de wet |
F |
|
l. het verlenen of wijzigen van een vergunning of ontheffing voor het gebruik van ontplofbare stoffen voor verkenningsonderzoek in totaal voor de activiteit |
artikel 22, eerste lid, van het besluit, onderscheidenlijk artikel 2.2.4, derde lid, van de regeling |
G |
|
m. de instemming met een meetplan en de ontheffing voor meetapparatuur |
artikel 30, vijfde lid, onderscheidenlijk 35, derde lid, van het besluit |
I |
|
n. het verlenen of wijzigen van een ontheffing van de verplichting van het voorzien van een mijnbouwinstallatie van een helikopterdek |
artikel 51, vijfde lid, van het besluit |
E |
|
o. het verlenen of wijzigen van een instemming met de plaatsing van een mijnbouwinstallatie |
artikel 55, eerste lid, van het besluit |
H |
|
p. het verlenen of wijzigen van een vergunning voor het leggen van pijpleidingen op zee of het na uitvoering van een milieueffectrapportage verlenen of wijzigen van een vergunning voor het leggen van pijpleidingen op land |
artikel 94, eerste lid, van het besluit, onderscheidenlijk artikel 95 in samenhang met artikel 94, eerste lid, van het besluit |
F |
|
q. het intrekken van een vergunning voor het leggen van pijpleidingen op zee of op land |
artikel 94, eerste lid, van het besluit, onderscheidenlijk artikel 95 in samenhang met artikel 94, eerste lid, van het besluit |
H |
|
r. het verlenen van een instemming tot ingebruikname pijpleiding, de frequentie van het onderzoek te verminderen of her-ingebruikname pijpleiding |
artikelen 97, eerste lid, 99, vierde lid, onderscheidenlijk 101, van het besluit |
I |
|
s. het verlenen of wijzigen van een ontheffing voor de boorgatafsluiters, het hoofdbedieningsverdeelwerk, een persproef, de beveiligingen, de beveiligingsinstallatie, de verbuizing, de zij-inlaat, het spuitkruis, de afdichtconstructie, de afdichting of pijpstuk onder deze afdichting, van een boorgat of put, of inzake een oliehoudend mengsel, boorvloeistof, OPF-vloeistof, boorgruis of het lozen van chemicaliën |
artikelen 8.3.1.4, zesde lid, 8.3.1.5, tweede lid, 8.3.2.2, vierde lid, 8.3.4.1, vierde lid, artikel 8.4.1, vijfde lid, 8.4.3, eerste, derde en vierde lid, 8.4.5, vierde lid, 8.4.8, eerste, tweede en derde lid, 9.1.3, tweede lid, artikel 9.1.5, tweede lid, 9.2.3, tweede lid, 9.2.4, tweede lid, 9.2.5, eerste lid, 9.2.6, eerste en derde lid, onderscheidenlijk 9.2.6a, van de regeling |
I |
|
t. het verlenen of wijzigen van een ontheffing voor het buiten gebruik stellen van een boorgat of put |
artikel 8.5.1.4, eerste lid, van de regeling |
G |
|
u. beoordelen van een melding buiten werking stellen |
artikel 44, eerste lid, en artikel 45, eerste lid, van de wet |
H |
|
v. verlenen van een ontheffing en wijziging van een ontheffing van overleggen verwijderingsplan |
artikelen 44b, eerste lid, en 45, derde lid, van de wet juncto artikel 40e van het besluit |
H |
|
w. besluit tot instemming op rapport over de verwijdering mijnbouwwerk, kabels, pijpleidingen |
artikelen 44c, tweede en derde lid, en 45, vierde lid, van de wet |
E |
|
x. de instemming met en wijziging van de instemming met een verwijderingsplan mijnbouwwerk, kabels, pijpleidingen |
artikelen 44a, eerste en vijfde lid, en 45, vierde lid, van de wet |
E |
G
Bijlage 15a wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:
a. In het eerste lid wordt ‘€ 6.157’ vervangen door ‘€ 6.941’.
b. In het tweede lid wordt ‘€ 5.367’ vervangen door ‘€ 6.050’.
2. Onderdeel B wordt als volgt gewijzigd:
a. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde tot tweede lid.
b. De tabel die hoort bij het eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1°. In onderdeel b wordt ‘€ 5.494’, vervangen door ‘€ 6.193’.
2°. In onderdeel c wordt ‘€ 5.709’, vervangen door ‘€ 6.436’.
3°. In onderdeel d wordt ‘€ 2.107’, vervangen door ‘€ 2.375’.
4°. In onderdeel e wordt ‘€ 39.370’, vervangen door ‘€ 44.381’.
5°. In onderdeel f wordt ‘€ 14.224’, vervangen door ‘€ 16.034’.
6°. In onderdeel g wordt ‘€ 4.920’, vervangen door ‘€ 5.546’.
7°. In onderdeel h wordt ‘€ 39.370’, vervangen door ‘€ 44.381’.
8°. In onderdeel i wordt ‘€ 12.195’, vervangen door ‘€ 13.747’.
9°. In onderdeel j wordt ‘€ 13.650’, vervangen door ‘€ 15.387’.
10°. In onderdeel k wordt ‘€ 2.460’, vervangen door ‘€ 2.773’.
11°. In onderdelen l en m wordt ‘€ 4.400’, vervangen door ‘€ 4.960’.
12°. Onderdelen n tot en met u vervallen, onder verlettering van onderdelen v tot en met jj tot n tot en met ee.
13°. In onderdeel n (nieuw) wordt ‘€ 4.400’, vervangen door ‘€ 4.960’.
14°. In onderdeel o (nieuw) wordt ‘€ 12.240’, vervangen door ‘€ 13.798’.
15°. In onderdeel p (nieuw) wordt ‘€ 12.240’, vervangen door ‘€ 13.798’.
16°. In onderdeel q (nieuw) wordt ‘€ 1.324’, vervangen door ‘€ 1.493’.
17°. In onderdeel r (nieuw) wordt ‘€ 1.080’, vervangen door ‘€ 1.217’.
18°. In onderdeel s (nieuw) wordt ‘€ 4.361’, vervangen door ‘€ 4.916’.
19°. In onderdeel t (nieuw) wordt ‘€ 1.984’, vervangen door ‘€ 2.237’.
20°. In onderdeel u (nieuw) wordt ‘€ 1.640’, vervangen door ‘€ 1.849’.
21°. In onderdeel v (nieuw) wordt ‘€ 5.500’, vervangen door ‘€ 6.200’.
22°. In onderdeel w (nieuw) wordt ‘€ 1.020’, vervangen door ‘€ 1.150’.
23°. In onderdeel x (nieuw) wordt ‘€ 1.620’, vervangen door ‘€ 1.826’.
24°. In onderdelen y (nieuw) en z (nieuw) wordt ‘€ 1.404’, vervangen door ‘€ 1.583’.
25°. In onderdeel aa (nieuw) wordt ‘€ 1.440’, vervangen door ‘€ 1.623’.
26°. In onderdeel bb (nieuw) wordt ‘€ 2.628’, vervangen door ‘€ 2.962’.
27°. In onderdelen cc (nieuw) en dd (nieuw) wordt ‘€ 2.030’, vervangen door ‘€ 2.288’.
28°. In onderdeel ee (nieuw) wordt ‘€ 5.500’, vervangen door ‘€ 6.200’.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 16 december 2025
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans
Deze regeling strekt tot wijziging van de Mijnbouwregeling ten behoeve van artikel 1.3b.2, tweede lid, onderdeel f en onderdeel g die in de praktijk niet realistisch zijn gebleken, een wijziging van artikel 8.4.1. in verband met een nieuwe techniek voor de ondergrondse beveiliging van putten, indexatie van de bedragen in bijlage 15 en bijlage 15a bij de Mijnbouwregeling en een aantal technische wijzigingen van artikel 1.3b.6, hoofdstuk 13 en bijlage 15 onderdeel D bij de Mijnbouwregeling.
In dit hoofdstuk wordt de wijziging van artikel 1.3b.2, tweede lid, onderdeel f en g, artikel 8.4.1 van de Mijnbouwregeling en de indexatie van de bedragen in bijlage 15 en bijlage 15a van de Mijnbouwregeling toegelicht. De wijziging van artikelen 1.1.1 en, 1.3b.6, hoofdstuk 13 en bijlage 15 onderdelen C en D voor zover van technische aard worden toegelicht in de artikelsgewijze toelichting.
In de aanvraag voor een startvergunning aardwarmte geeft de aanvrager een beschrijving en onderbouwing van de afkoeling van het gesteente bij de injectieput en de verwachte interferentie met andere mijnbouwactiviteiten aan het einde van de winning (artikel 1.3b.2, tweede lid, onderdeel f en g). Met deze wijziging van de Mijnbouwregeling zijn de voorgeschreven parameters ‘gemiddeld debiet’ en ‘maximaal debiet’ komen te vervallen. De berekening op basis van het maximale debiet geeft geen realistische situatie weer en is derhalve niet relevant voor de beoordeling van de aanvraag. De berekening op basis van het gemiddelde debiet is wel relevant voor de beoordeling, maar is niet de enige relevante parameter. Bijvoorbeeld injectietemperatuur en injectiedruk kunnen als parameters ook relevant zijn voor de beschrijving van effecten aan het einde van de winning. De aanvrager kan zich daarom met deze wijziging bij de aanvraag baseren op de voor de aangevraagde situatie relevante parameters, waardoor de aanvrager geen beschrijving hoeft op te stellen die niet relevant is voor de aanvraag. Dit sluit aan bij de praktijk en is in goed overleg met de sector en Staatstoezicht op de Mijnen tot stand gekomen.
In artikel 8.4.1 van de Mijnbouwregeling zijn bepalingen opgenomen voor de ondergrondse beveiliging van putten. Op grond van het eerste lid moet een spuitend produceerbare put voorzien zijn van een beveiligingsinstallatie ter voorkoming van het ongecontroleerd spuiten van de put. In het geval een bestaande putbeveiliging niet meer bediend kan worden, sluit de put automatisch in en moet vervolgens een alternatieve putbeveiliging geïnstalleerd worden. Het type putbeveiliging dat hiervoor geschikt is, de zogenaamde storm choke, voldoet niet aan de eis in artikel 8.4.1, eerste lid, dat de beveiliging op 50 meter ondergronds geïnstalleerd wordt en bovengronds bedienbaar is. Artikel 8.4.1, vijfde lid, van de Mijnbouwregeling voorziet reeds in de mogelijkheid ontheffing van het eerste lid te verlenen zodat de storm choke gebruikt kan worden.
Naast de storm choke, is er een nieuw alternatieve type putbeveiliging ontwikkeld voor situaties waarbij de installatie van een alternatieve putbeveiliging noodzakelijk is. De nieuwe alternatieve putbeveiliging voldoet in tegenstelling tot de storm choke, wel aan de eisen in artikel 8.4.1, eerste lid, van de Mijnbouwregeling maar voldoet niet aan het tweede lid van dit artikel. Deze putbeveiliging is afhankelijk van een batterij voor het openen/sluiten van de afsluiter. Vanwege de afhankelijkheid van batterijen bestaat er bij deze alternatieve type putbeveiliging een kans dat de put niet automatische kan worden ingesloten. Dit is wel vereist op grond van artikel 8.4.1, tweede lid, van de Mijnbouwregeling. Van dit type putbeveiliging kan desondanks worden aangetoond dat eenzelfde of hoger niveau van veiligheid kan worden bereikt. Het is daarom passend om voor dit nieuwe type de mogelijkheid op te nemen dat ontheffing kan worden verleend van het tweede lid. Onderhavige regeling voorziet in deze ontheffingsmogelijkheid. Deze wijziging sluit aan bij de praktijk en is in goed overleg met Staatstoezicht op de Mijnen en de sector tot stand gekomen.
Met de onderhavige wijzigingsregeling wordt in een indexatie van bestaande retributies voorzien die op grond van artikel 133 van de Mijnbouwwet zijn vastgesteld. Het gaat om retributiebedragen voor de krachtens artikel 133, tweede lid, van de Mijnbouwwet in artikel 161a van het Mijnbouwbesluit bepaalde handelingen van de minister en de inspecteur-generaal van het Staatstoezicht op de Mijnen. Deze zijn opgenomen in de bijlagen 15 en 15a, beide behorende bij artikel 12.2 van de Mijnbouwregeling. De vergoedingen hebben betrekking op handelingen zowel voor koolwaterstoffen als aardwarmte. De hoogte van de retributies wordt regelmatig bijgesteld op basis van de veranderingen in de werkelijke (loon)kosten in opwaartse dan wel neerwaartse zin.
De in bijlage 15 opgenomen bedragen zijn op 1 januari 2018 in werking getreden en in 2021 voor het eerst geïndexeerd. In deze regeling stelt de minister voor de tweede maal de geïndexeerde tarieven vast van de vergoedingen verschuldigd door een aanvrager, een verzoeker, een exploitant van een productie-installatie, een eigenaar van een niet-productie-installatie, een eigenaar van een pijpleiding of distributie- of transmissiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, voor:
– het door de minister op aanvraag verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning, ontheffing, instemming, maatwerkvoorschrift of toestemming;
– het door de minister adviseren over of instemmen met activiteiten inzake een mijnbouwwerk, het beoordelen van een melding of het beoordelen van gegevens en bescheiden die zijn verstrekt voor een activiteit inzake een mijnbouwwerk;
– de door de inspecteur-generaal der mijnen uit te voeren taken als bedoeld in artikel 127, eerste lid, onderdelen a tot en met g, van de Mijnbouwwet.
De tarieven per 1 januari 2026 zijn berekend overeenkomstig de wijziging van het maandprijsindexcijfer, reeks cao-lonen, contractuele loonkosten en arbeidsduur, cao-sector Overheid, inclusief bijzondere beloningen, zoals door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op de meest recente tijdbasis vastgesteld.
De toegepaste indexcijfers zijn bekendgemaakt in de Statistische Bulletins, jaargangen 76 tot en met 81, nrs. 1, en zijn te raadplegen op www.cbs.nl.
Bij het vaststellen is voor de jaren 2022, 2023, 2024 en 2025 telkens een indexatie op de hierna beschreven wijze uitgevoerd hetgeen resulteert in de tarieven die in onderhavige regeling zijn opgenomen en die met ingang van 1 januari 2026 in rekening worden gebracht. De percentages waarmee de tarieven over 2022 zijn verhoogd, zijn gelijk aan het op één tiende van een procent afgeronde procentuele verschil tussen het augustus maandindexcijfer der cao-lonen 2022 (107,6) en het augustus maandindexcijfer der lonen per 2021 (102,3), dus 5,2%. De percentages waarmee de tarieven over 2023 zijn verhoogd, zijn gelijk aan het op één tiende van een procent afgeronde procentuele verschil tussen het augustus maandindexcijfer der cao-lonen 2023 (115,9) en het augustus maandindexcijfer der lonen per 2022 (107,6), dus 7,7%. De percentages waarmee de tarieven over 2024 zijn verhoogd, zijn gelijk aan het op één tiende van een procent afgeronde procentuele verschil tussen het augustus maandindexcijfer der cao-lonen 2024 (122,0) en het augustus maandindexcijfer der lonen per 2023 (115,9,0), dus 5,3%. De percentages waarmee de tarieven over 2025 zijn verhoogd, zijn gelijk aan het op één tiende van een procent afgeronde procentuele verschil tussen het augustus maandindexcijfer der cao-lonen 2025 (125,8) en het augustus maandindexcijfer der lonen per 2024 (122,0), dus 3,1%. In het belang van de administratieve eenvoud zijn de tarieven afgerond op hele euro's.
In deze regeling stelt de minister tevens, voor het eerst na de inwerkingtreding van bijlage 15a op 1 juli 2023, middels indexatie de geldende tarieven vast voor de vergoedingen verschuldigd door een aanvrager of houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte, voor:
– het door de minister op aanvraag verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning, ontheffing, instemming, maatwerkvoorschrift of toestemming;
– het door de minister adviseren over of instemmen met activiteiten inzake een mijnbouwwerk, het beoordelen van een melding of het beoordelen van gegevens en bescheiden die zijn verstrekt voor een activiteit inzake een mijnbouwwerk;
– de door de inspecteur-generaal der mijnen uit te voeren taken als bedoeld in artikel 127, eerste lid, onderdelen a tot en met g, van de Mijnbouwwet.
De tarieven per 1 januari 2026 zijn berekend overeenkomstig de wijziging van het maandprijsindexcijfer, reeks cao-lonen, contractuele loonkosten en arbeidsduur, cao-sector Overheid, inclusief bijzondere beloningen, zoals door het CBS op de meest recente tijdbasis vastgesteld.
De toegepaste indexcijfers, aan de hand waarvan de tarieven zijn berekend, zijn bekendgemaakt in de Statistische Bulletins, jaargangen 78 t/m 81, nrs. 1, en zijn te raadplegen op www.cbs.nl.
Net als bij de indexatie van de tarieven voor koolwaterstoffen is voor de jaren 2023, 2024 en 2025 telkens een indexatie op de hierna beschreven wijze uitgevoerd hetgeen resulteert in de tarieven die in onderhavige regeling zijn opgenomen en die met ingang van 1 januari 2026 in rekening worden gebracht. De percentages waarmee de tarieven over 2023 zijn verhoogd, zijn gelijk aan het op één tiende van een procent afgeronde procentuele verschil tussen het augustus maandindexcijfer der CAO-lonen 2023 (115,9) en het augustus maandindexcijfer der lonen per 2022 (107,6), dus 7,71%. Aangezien dit bedrag 6 maanden vóór de indexeringsdatum is vastgesteld, wordt dit percentage naar rato toegepast door te vermenigvuldigen met een factor van 6/12, en bedraagt daarmee 3,9%. De percentages waarmee de tarieven over 2024 zijn verhoogd, zijn gelijk aan het op één tiende van een procent afgeronde procentuele verschil tussen het augustus maandindexcijfer der CAO-lonen 2024 (122,0) en het augustus maandindexcijfer der lonen per 2023 (115,9,0), dus 5,3%. De percentages waarmee de tarieven over 2025 zijn verhoogd, zijn gelijk aan het op één tiende van een procent afgeronde procentuele verschil tussen het augustus maandindexcijfer der CAO-lonen 2025 (125,8) en het augustus maandindexcijfer der lonen per 2024 (122,0), dus 3,1%. In het belang van de administratieve eenvoud zijn de tarieven afgerond op hele euro's.
De wijzigingen van de artikelen 1.1.1, 1.3b.6 en, hoofdstuk 13, van de Mijnbouwregeling en bijlage 15 en bijlage 15a onderdeel B bij de Mijnbouwregeling, voor zover van technische aard, hebben geen gevolgen voor de regeldruk. De indexaties van de retributies van bijlage 15 en 15a hebben ook geen gevolgen voor de regeldruk.
De wijziging van artikel 1.3b.2, onderdeel f en g, van de Mijnbouwregeling met betrekking tot aanvraagvereisten voor de startvergunning aardwarmte levert geen verandering in de regeldruk op. De eerder voorgeschreven parameters sloten onvoldoende aan op de praktijk en daarom zijn de parameters in die aanvraagvereisten geschrapt. Dit is praktischer voor de aanvrager.
Het effect van de wijziging van artikel 8.4.1 van de Mijnbouwregeling in verband met een nieuwe techniek voor de ondergrondse beveiliging van putten op de regeldruk is verwaarloosbaar. In de praktijk zal het om maximaal enkele ontheffingen voor dit type putbeveiliging per jaar gaan. Daarnaast moest voor de wijziging van het vijfde lid van artikel 8.4.1. ook ontheffing worden aangevraagd als de bestaande putbeveiliging niet meer bediend kan worden en de installatie van een alternatieve putbeveiliging noodzakelijk was. In dat geval moest namelijk ontheffing worden gevraagd van het eerste lid, zodat gebruik kon worden gemaakt van de storm choke als alternatieve putbeveiliging. Met de wijziging van artikel 8.4.1 van de Mijnbouwregeling is het ook mogelijk om gebruik te maken van de nieuwe alternatieve putbeveiliging, mits ontheffing wordt gevraagd van het tweede lid van dit artikel. De regeldruk verandert in deze situaties dus niet.
ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
Deze regeling bevat voornamelijk wijzigingen die technisch van aard zijn en geen regeldrukeffecten hebben en is daarom niet ter internetconsultatie aangeboden. De wijzigingen van artikel 1.3b.2 en artikel 8.4.1 van de Mijnbouwregeling volgen uit contact van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei, met het Staatstoezicht op de Mijnen, TNO en sectorpartijen. De indexeringen van de retributies zijn in een eerder stadium informeel aan de relevante belanghebbende partijen (ElementNL en Geothermie Nederland) gemeld.
Staatstoezicht op de Mijnen heeft op dit besluit een uitvoerbaarheid en handhaafbaarheidstoets uitgevoerd. De resultaten van deze toets op deze regeling heeft Staatstoezicht op de Mijnen op 14 oktober 2025 aangeboden aan de minister. De conclusie van Staatstoezicht op de Mijnen is dat de voorgestelde wijzigingen van de Mijnbouwregeling uitvoerbaar en handhaafbaar zijn.
Deze regeling treedt op een vast verandermoment in werking, namelijk 1 januari 2026. De regeling wijkt af van de systematiek dat ministeriële regelingen twee maanden van tevoren bekend worden gemaakt. Deze afwijking kan in dit geval worden gerechtvaardigd doordat de wijzigingen van artikel 1.3b.6, hoofdstuk 13 en deels de wijzigingen van bijlage 15 en 15a, van de Mijnbouwregeling van technische aard zijn. Deze wijzigingen behoeven dus geen voorbereiding. Inwerkingtreding van de wijzigingen van artikel 8.4.1 en artikel 1.3b.2 van de Mijnbouwregeling zonder invoeringstermijn van twee maanden is in dit geval gerechtvaardigd, omdat belanghebbende partijen er baat bij hebben dat de wijzigingen zo snel mogelijk in werking treding. De alternatieve techniek voor putbeveiliging kan daardoor spoedig worden toegepast. De aanpassing van de aanvraagvereisten voor aardwarmte maakt het opstellen van een aanvraag makkelijker. Daarom is het wenselijk dat potentiële aanvragers snel baat hebben bij die wijziging. Voor de indexaties van de retributiebedragen uit bijlage 15 en bijlage 15a van de Mijnbouwregeling is afwijking van de minimuminvoeringstermijn gerechtvaardigd, omdat latere inwerkingtreding zou leiden tot ongewenste publieke nadelen, namelijk inkomstenderving door de Staat. De indexering is voorafgaand aan de bekendmaking aan de doelgroep gemeld in regulier overleg (koolwaterstoffen) en per e-mail (geothermie), zodat de doelgroep hier tijdig kennis van heeft kunnen nemen.
De begripsbepaling referentiejaar in artikel 1.1.1, onderdeel n, van de Mijnbouwregeling vervalt, aangezien deze begripsbepaling verwijst naar een regeling die met de inwerkingtreding van de Energiewet vervalt. Deze begripsbepaling wordt niet vervangen, aangezien referentiejaar in de Mijnbouwregeling verder niet wordt gehanteerd, waardoor de begripsbepaling al geen betekenis meer had.
Artikel 1.3b.2 van de Mijnbouwregeling over de aanvraag voor een startvergunning aardwarmte is met dit onderdeel gewijzigd. Met deze wijziging is komen te vervallen dat de aanvrager de beschrijving en onderbouwing van de effecten genoemd in dit artikel moet baseren op het beoogde gemiddelde en maximale debiet.
Artikel 1.3b.6 van de Mijnbouwregeling is met dit onderdeel gewijzigd. Zoals volgt uit de toelichting bij de invoering van artikel 1.3b.6 (Stcrt. 2023, 11690), is dit artikel een uitwerking van artikel 29ak van het Mijnbouwbesluit over het verzoek om de verplichting tot deelname van Energie Beheer Nederland niet te laten gelden voor de opsporing en winning van aardwarmte. In artikel 1.3b.6 werd per abuis verwezen naar artikel 29aj, eerste lid, van het Mijnbouwbesluit. Met de wijziging van dit artikel is deze kennelijke verschrijving rechtgezet.
Artikel 8.4.1, vijfde lid, van de Mijnbouwregeling is door middel van dit onderdeel gewijzigd. Aan deze bepaling is toegevoegd dat de minister een ontheffing kan verlenen voor het vereiste uit het tweede lid van dit artikel. Het tweede lid bepaalt dat als bediening van de in het eerste lid bedoelde beveiligingsinstallatie voor een spuitend produceerbare put niet meer mogelijk is, de put automatisch wordt ingesloten. De minister kan slechts ontheffing verlenen als op andere wijze tenminste eenzelfde niveau van veiligheid wordt gegarandeerd.
Op 1 mei 2025 is een wijziging van de Mijnbouwwet in werking getreden waarin de artikelen met betrekking tot de Technische Commissie Bodembeweging (Tcbb), waaronder artikel 114 van de Mijnbouwwet, zijn komen te vervallen ((Stb. 2024, 95). Derhalve is uitwerking daarvan in de Mijnbouwregeling niet meer nodig. Met deze wijziging is hoofdstuk 13 van de Mijnbouwregeling met betrekking tot de Tcbb daarom ook komen te vervallen.
Dit onderdeel wijzigt de retributietarieven die in bijlage 15 bij de Mijnbouwregeling zijn opgenomen. Het betreft retributies die op grond van artikel 133 van de Mijnbouwwet zijn vastgesteld voor de kosten van de beschreven handelingen. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 2.3.1 van deze toelichting.
Per 1 januari 2026 treedt de Energiewet in werking. Met de inwerkingtreding van de Energiewet veranderen diverse begrippen. Met onderdeel F is bijlage 15, onderdeel C, gewijzigd waardoor dit artikel aansluit bij de begrippen uit de Energiewet. De verwijzingen naar ‘netbeheerders van gastransportnetten’ uit het eerste en het tweede lid is aangepast naar ‘distributie- of transmissiesysteembeheerder voor gas’, overeenkomstig artikel 1.1 van de Energiewet. Daarnaast is het derde lid komen te vervallen. Met de inwerkingtreding van de Energiewet is er namelijk geen onderdeel meer dat betrekking heeft op een ‘gastransportnet met uitsluitend hoge druk gastransport’, aangezien de Energiewet een dergelijke categorie niet kent.
Met de regeling tot wijziging van de Mijnbouwregeling die op 1 januari 2024 in werking is getreden (Stcrt. 2020, 64380), zijn in tabel 1 van bijlage 15 alle categorieën van vergoedingen die slechts betrekking hebben op handelingen die onder de Omgevingswet vallen, vervallen. Ook zijn daarbij in tabel 2 alle onderdelen die zien op vergoedingen voor het nemen van besluiten of het doen van een beoordeling op aanvraag die onder de Omgevingswet krachtens artikel 14.2 van de Omgevingsregeling voor een heffing of leges in aanmerking komen, vervallen. Tabel 1 en 2 in bijlage 15, onderdeel D, bevatten daardoor lege rijen waar die vervallen bepalingen voorheen stonden. De tabellen zijn aangepast, door die lege rijen te schrappen en de overgebleven rijen met nog geldende bepalingen te verletteren. Als gevolg van de verlettering van de categorieën met bedragen in tabel 1, zijn de verwijzingen in de derde kolom van tabel 2 naar die categorieën uit tabel 1 aangepast.
Dit onderdeel wijzigt de retributietarieven die in bijlage 15a bij de Mijnbouwregeling zijn opgenomen. Het betreft retributies die op grond van artikel 133 van de Mijnbouwwet zijn vastgesteld voor de kosten van de beschreven handelingen. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 2.3.2 van deze toelichting.
In onderdeel B komt het tweede lid te vervallen aangezien deze een verouderde verwijzing bevatte naar de Regeling leges omgevingsvergunning rijksoverheid. Deze regeling is sinds 1 januari 2024 niet meer in werking. In dit lid werden de tarieven voor bepaalde omgevingsvergunningen uit de artikelen 2.13 en 2.15 van die regeling buiten toepassing verklaard, indien in bijlage 15a bij de Mijnbouwregeling in een vergoeding was voorzien. Dit lid hoeft niet vervangen te worden aangezien de tarieven voor omgevingsvergunningen niet meer opgenomen zijn in de Mijnbouwregeling maar volgen uit de paragraaf 14.1.4. van de Omgevingsregeling.
In onderdeel B komen in de tabel de onderdelen n tot en met u te vervallen, aangezien deze verouderde verwijzingen bevatten naar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Deze wet is sinds 1 januari 2024 niet meer in werking. Deze onderdelen zagen op de tarieven voor de te heffen rechten voor omgevingsvergunningen. Deze onderdelen hoeven niet in de Mijnbouwregeling vervangen te worden aangezien deze tarieven reeds volgen uit de paragraaf 14.1.4. van de Omgevingsregeling.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-44122.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.