Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 11 december 2025, nr. WJZ/101117858, tot wijziging van de Beleidsregel verlagen subsidie GLB [KetenID WGK 28268]

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Gelet op

  • artikelen 57 en 59, eerste lid, onderdeel d, van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L 435);

  • artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • artikel 1.6 van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021;

Besluit:

ARTIKEL I

De Beleidsregel verlagen subsidie GLB wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de begripsomschrijving van ‘bevoegd gezag’ wordt ‘Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit’ vervangen door ‘minister’.

2. In de begripsomschrijving van ‘conditionaliteiten’ wordt na ‘landbouwareaal’ ingevoegd ‘en de sociale conditionaliteiten’ en wordt ‘3 en 4’ vervangen door ‘3, 4 en 4a’.

3. In de begripsomschrijving van ‘minister’ wordt ‘Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit’ vervangen door ‘Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur’.

4. In de begripsomschrijving van REES 2021 wordt ‘Regeling Europese EZK-en LNV-subsidies 2021’ vervangen door ‘Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021’.

B

Artikel 2.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Indien een agrarisch collectief een activiteit wijzigt nadat het voornemen om een controle ter plaatse te verrichten kenbaar is gemaakt waarbij vervolgens een niet-naleving wordt geconstateerd, of nadat zij kennis krijgt dat bij een niet-aangekondigde controle ter plaatse een niet-naleving is geconstateerd, wordt de jaarbetaling voor die gewijzigde activiteit door het bevoegd gezag geweigerd.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 9. Indien een agrarisch collectief of een deelnemer binnen de daartoe gestelde termijn niet heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 3.11b van de SVNL 2016, wordt de jaarbetaling voor de betreffende activiteit door het bevoegd gezag geweigerd.

C

Artikel 2.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt na ‘artikel 84, tweede lid, onderdeel b,’ ingevoegd ‘en artikel 88, tweede lid, onderdeel a,’.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. In afwijking van het eerste lid wordt de jaarvergoeding door het bevoegd gezag niet verlaagd indien het landbouwareaal dat op 15 mei van het betreffende kalenderjaar tot het bedrijf van de betreffende deelnemer behoort, niet groter is dan 10 hectare.

D

Artikel 2.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift vervalt ‘of niet-productieve grond’.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. In afwijking van het tweede lid is geen sprake van een niet-naleving als in de bufferstrook chemische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt voor de bestrijding van:

    • a. knolcyperus en invasieve exoten waarvoor een bestrijdingsverplichting geldt en door het bevoegde gezag een gewasaanzegging is gedaan of een teeltverbod is opgelegd, met inachtneming van de nationale regelgeving met betrekking tot de teeltvrije zone;

    • b. wilde haver waarvoor een bestrijdingsverplichting geldt, mits er een melding is gedaan bij het daartoe bevoegde gezag en bij de controle aantoonbaar kan worden gemaakt dat er sprake was van wilde haver op het perceel, met inachtneming van de nationale regelgeving met betrekking tot de teeltvrije zone.

3. Het vierde lid vervalt.

E

In artikel 3.8, tweede lid, wordt ‘in een uitvoeringsjaar’ vervangen door ‘over de volledige looptijd van een operationeel programma’.

F

Bijlage 2 komt te luiden:

Bijlage 2. Opgave-, wijzigings- en meldingstermijnen ANLb als bedoeld in de artikelen 2.4, tweede lid, en 2.8, derde en vierde lid

Verplichting

Korting met 1% per werkdag indien de onderstaande termijnen worden overschreden:

Geen jaarbetaling indien de onderstaande termijnen worden overschreden:

Artikel 3.11, onderdeel d, van de SVNL 2016

(opgave en wijzigen van beheeractiviteiten)

• Opvoeren nieuwe activiteiten c.q. wijzigen van activiteiten

Uiterlijk 7 kalenderdagen voor het starten van de activiteit

Daags voor de start van de activiteit

• periode verlengen (=verlengen rustperiode of inundatieperiode)

7 kalenderdagen vóór de oorspronkelijke einddatum

Daags voor de oorspronkelijke einddatum

• periode verkorten (=verkorten of naar voren halen rustperiode of inundatieperiode)

7 kalenderdagen voor de nieuwe einddatum

Daags voor de nieuwe einddatum

• Opvoeren c.q. wijzigen startdatum1

7 kalenderdagen voor de (nieuwe) startdatum

Daags voor de (nieuwe) startdatum

• Opvoeren c.q. wijzigen ingangsdatum aanwezigheid gewasresten (activiteit 9)2

7 kalenderdagen voor de (nieuwe) ingangsdatum aanwezigheid van de gewasresten

Daags voor de (nieuwe) ingangsdatum aanwezigheid van de gewasresten

Artikel 3.11, onderdeel l, van de SVNL 2016

(melden uitvoeren van beheeractiviteiten)

• Activiteit 5 (melden van startdatum rustperiode)3

n.v.t.

7 kalenderdagen na startdatum rustperiode

• Activiteit 6 (bemesten met vaste strorijke mest (ruige stalmest) of het gebruik van een bodemverbeteraar)

n.v.t.

Uiterlijk 14 kalenderdagen na uitvoering4

• Activiteit 16 (schoonmaken van watergangen)

14 kalenderdagen na uitvoering4

Uiterlijk 28 kalenderdagen na uitvoering4

• Activiteit 22 (snoeien)

14 kalenderdagen na uitvoering, doch uiterlijk 28 maart (m.b.t. snoeien in de periode 16 juli jaar x-1 tot 15 maart jaar x)5

Uiterlijk 28 kalenderdagen na uitvoering, doch uiterlijk 11 april (m.b.t. snoeien in de periode 16 juli jaar x-1 tot 15 maart jaar x)5

• Activiteit 23 (maaien en/of schonen)

14 kalenderdagen na uitvoering4

Uiterlijk 28 kalenderdagen na uitvoering4

• Activiteit 26 (spuiten van bagger)

n.v.t.

Uiterlijk 14 kalenderdagen na uitvoering4

• Activiteit 30 (onderwerken bodemverbeteraar)

n.v.t.

Uiterlijk 14 kalenderdagen na uitvoering4

X Noot
1

Het opvoeren van de startdatum van de rustperiode in het kader van activiteit 5 valt hier niet onder. Een eventuele wijziging van de startdatum wél.

X Noot
2

Melding is niet nodig indien de periode van aanwezigheid van de gewasresten al gedefinieerd is.

X Noot
3

Melding is niet nodig indien de startdatum van de rustperiode al gedefinieerd is.

X Noot
4

Zie artikel 2.8a.

X Noot
5

Het snoeien in de periode 16 juli t/m 31 december 2022 telt niet mee voor het beheerjaar 2023.

G

Bijlage 3 wordt als volgt gewijzigd.

1. In het onderschrift wordt ‘Baselinevoorwaarden zoals die per 1 januari 2024 gelden voor ANLb-beheer’ vervangen door ‘Baselinevoorwaarden zoals die per 1 januari 2025 gelden voor ANLb-beheer’.

2. De vierde regel horende bij beheeractiviteit 7 komt te luiden:

 

Uitvoeringsregeling GLB 2023 in samenhang met de Beleidregel verlagen subsidie GLB

Artikel 32, onderdeel b, jo. bijlage 4, paragraaf 2, onder 4 en 4a van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 in samenhang met artikel 2.12, derde lid van de Beleidsregel verlagen subsidie GLB

Het verbod om in een verplichte bufferstrook chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken, tenzij dit nodig is ter bestrijding van de in artikel 2.12, derde lid, bedoelde plantensoorten en de daarbij horende voorschriften in acht zijn genomen.

Alleen voor zover de activiteit in een verplichte bufferstrook wordt uitgevoerd.

ARTIKEL II

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2026, met dien verstande dat deze beleidsregel:

  • a. ten aanzien van Artikel I, onderdeel C, onder 2, terug werkt tot en met 15 mei 2024;

  • b. ten aanzien van Artikel I, onderdelen A, onder 2, B, onder 1, C, onder 1, D en G terug werkt tot en met 1 januari 2025.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 11 december 2025

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma

TOELICHTING

I. Algemeen

Het onderhavige besluit strekt tot aanpassing van de Beleidsregel verlagen subsidie GLB (hierna: de Beleidsregel). De Beleidsregel bevat het kortingenregime voor de plattelands- en sectorale interventies uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023-2027 (GLB). De onderhavige wijziging strekt tot aanpassing van dat regime met betrekking tot het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer

(ANLb) en, op één onderdeel, de Sectorale Interventie Groeten en Fruit.

Deze wijziging brengt de Beleidsregel in lijn met wijzigingen die zijn doorgevoerd in de relevante EU-regelgeving, alsmede om waar van toepassing aan te sluiten bij wijzigingen die recentelijk zijn doorgevoerd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023.1

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

Met de wijziging van artikel 1.1 worden verschillende begripsomschrijvingen aangepast. Ten eerste worden in verband met de naamswijziging van het voormalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de verwijzingen naar het ministerie en de Minister in de definitiebepalingen aangepast. Ten tweede wordt naar aanleiding van de naamswijziging van de Regeling Europese EZK-en LVN-subsidies 2021 naar Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 de verwijzing aangepast.

Ten derde wordt de definitie van ‘conditionaliteiten’ zoals opgenomen in artikel 1.1 van de Beleidsregel uitgebreid met de sociale conditionaliteit. Aan een ANLb-subsidie is de verplichting verbonden dat de conditionaliteiten worden nageleefd. Met ingang van 1 januari 2025 is bijlage IV van Verordening (EU) 2021/2115 in werking getreden. Het betreft de sociale conditionaliteiten, waar bij niet-naleving daarvan een korting dient te worden toegepast. Hiermee komt ook een niet-naleving van de sociale conditionaliteiten automatisch onder de reikwijdte van artikel 2.11 van de Beleidsregel te vallen. De sociale conditionaliteiten zelf zijn opgenomen in bijlage 4a van de Uitvoeringsregeling GLB 2023.

Artikel I, onderdeel B

In juni 2024 is door de Europese Commissie een audit uitgevoerd op de correcte werking van het Nederlandse Geïntegreerd Beheers- en Controlesysteem (GBCS). Ten aanzien van het ANLb heeft de Europese Commissie opgemerkt dat wijzigingen in het beheer ook worden toegestaan nadat bij een controle ter plaatse niet-nalevingen zijn geconstateerd. De Europese Commissie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze werkwijze niet in overeenstemming is met artikel 7 van Verordening (EU) 2022/1173.2 Daarom wordt de mogelijkheid om de beheeractiviteiten te wijzigen beperkt. Dergelijke wijzigingen zijn niet meer toegestaan als er bij een niet vooraf aangekondigde controle ter plaatse een niet-naleving is geconstateerd. Evenmin is een dergelijke wijziging toegestaan als de controle ter plaatse vooraf is aangekondigd en er vervolgens een niet-naleving wordt geconstateerd. Indien een agrarisch collectief toch een dergelijke wijziging doorvoert, dan zal er geen subsidie worden verstrekt voor die gewijzigde activiteit. Om te voorkomen dat Nederland op dit punt door de Europese Commissie ook over het jaar 2025 in gebreke gesteld kan worden, met potentieel boetes of onttrekking van een deel van de ANLb-steun van cofinanciering tot gevolg, wordt aan deze beperking terugwerkende kracht tot 1 januari 2025 verleend.

In artikel 11 van Verordening (EU) 2022/1173 wordt gesproken over gegeotagde foto’s. Deze foto’s bevatten de geo-locatie, het tijdstip waarop de foto is gemaakt en kunnen door een lidstaat gebruikt worden om te bepalen of is voldaan aan een specifieke subsidiabiliteitsvoorwaarde of verplichting voor het areaal waarvoor de betrokken voorwaarde geldt. Hierdoor hoeven er minder controles ter plaatse uitgevoerd te worden. Vanaf 2025 wordt reeds bij de Eco-regeling voor Klimaat en Leefomgeving, bedoeld in paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling 2023 (hierna: eco-regeling) gebruik gemaakt van dergelijke gegeotagde foto’s ten behoeve van de controle op naleving van de voorwaarden en uitvoering van de eco-activiteiten. Er wordt naar gestreefd om vanaf 2026 ook bij het ANLb gebruik te maken van gegeotagde foto’s. Hiertoe zal aan agrarische collectieven als bewijs een gegeotagde foto gevraagd worden in de vorm van een taakbericht. De attendering op deze vraag en taak zal per e-mail worden gedaan en houdt een verplichting in. Deze gevraagde foto, gemaakt en verstuurd met het door de Minister beschikbaar gesteld middel, moet binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingestuurd. Wanneer geen overtuigend bewijs in de vorm van een gegeotagde foto wordt aangeleverd binnen de gestelde termijn, wordt de verplichting als niet nageleefd en de activiteit als niet uitgevoerd beschouwd. Hiermee wordt aangesloten bij de werkwijze ten aanzien van de eco-regeling (artikel 27a van de Uitvoeringsregeling GLB 2023). Een uitzondering hierop vormt de mogelijkheid om ontheffing te verlenen van deze verplichting, aangezien de genoemde uitzonderingsgronden ten aanzien van agrarische collectieven niet van toepassing zijn.

Artikel I, onderdeel C

Kortingen als gevolg van niet-naleving van de conditionaliteiten worden altijd opgelegd, ook als de hoogte van de korting minder dan 100 euro bedraagt. Voor de bestaande conditionaliteiten is dit reeds opgenomen in artikel 2.11, vierde lid, van de Beleidsregel. Als gevolg van de invoering van de sociale conditionaliteiten dient deze werkwijze ook toegepast te worden ten aanzien van die conditionaliteiten. Middels de wijziging, opgenomen in artikel I, onderdeel C, onderdeel 1, van het onderhavige besluit, wordt hierin voorzien.

Omdat artikel 14 van Verordening (EU) 2021/2115 het uiterlijke tijdstip van invoering van de sociale conditionaliteiten dwingend voorschrijft, wordt aan bovenstaande wijziging terugwerkende kracht verleend tot 1 januari 2025 (artikel II, onderdeel 3). Hierbij wordt opgemerkt dat de agrarische collectieven reeds voor deze datum, middels de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en via communicatie door BoerenNatuur, op de hoogte zijn gesteld van de invoering van de sociale conditionaliteiten.

Als onderdeel van de vereenvoudigingsvoorstellen welke zijn ingevoerd bij Verordening (EU) 2024/1468, mogen lidstaten afzien van het uitvoeren van controles op de naleving van de conditionaliteiten en het opleggen van (administratieve) sancties op niet-nalevingen daarvan, mits het landbouwareaal dat tot het bedrijf van de betreffende deelnemer behoort niet meer dan 10 hectare bedraagt. Als peildatum om te bepalen of aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt aangesloten bij artikel 34, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023. Voor de datum van inwerkingtreding wordt eveneens aangesloten bij de datum waarop laatstgenoemde bepaling in werking is getreden (artikel II, onderdeel 2). Bij de beoordeling van de ANLb-betaalverzoeken 2024 is reeds geanticipeerd op de onderhavige wijziging.

Artikel I, onderdeel D

De verplichting om een deel van het tot het bedrijf behorende bouwland niet-productief te gebruiken is met ingang van 1 januari 2025 vervallen (Stcrt. 2024, 32483). Hierdoor kunnen ook het huidige derde en vierde lid van artikel 2.12 vervallen.

Met de introductie van de bufferstroken in het GLB is er vanuit de sector op gewezen dat agrariërs voor wilde haver, knolcyperus en bepaalde invasieve exoten een verplichting hebben deze te bestrijden. In uiterste gevallen kan de bestrijding van deze soorten alleen gedaan worden met chemische gewasbeschermingsmiddelen. Met een algeheel verbod op de toepassing van chemische gewasbeschermingsmiddelen en biociden in de bufferstrook (GLMC 4 en 10), is hier sprake van conflicterende regelgeving. Vandaar dat deze GLMC’s, door middel van een daartoe strekkende wijziging van de Uitvoeringsregeling GLB 2023, zijn aangepast om ruimte te bieden aan chemische bestrijding in het geval er geen alternatieve bestrijdingsmogelijkheden zijn en de agrariër door bevoegd gezag wordt verplicht de bestrijding uit te voeren.

Er geldt enkel een uitzondering op het verbod tot gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen als er een aanzegging door het daartoe bevoegde gezag (bijvoorbeeld door de provincies op basis van artikel 3.67 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) is gedaan en het gebruik van een chemisch gewasbeschermingsmiddel de enige optie is. De subsidieontvanger kan een dergelijke aanzegging ook zelf bewerkstelligen door bij het bevoegde gezag een melding te doen dat hij in de verplichte bufferstrook een invasieve soort heeft aangetroffen. De subsidieontvanger moet bij controle kunnen aantonen dat die aanzegging gedaan is.

In het geval van wilde haver moet bij controle aangetoond kunnen worden dat er melding is gemaakt bij de bevoegde instantie (NAK) van de aanwezigheid van wilde haver.

In artikel 2.12, tweede lid, van de Beleidsregel is opgenomen dat het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen in de hiervoor bedoelde bufferstrook een niet-naleving is van een baselinevoorwaarde die behoort bij (ANLb-)activiteit 7. Gelet op de thans geïntroduceerde mogelijkheid om onder voorwaarden bepaalde plantensoorten in een bufferstrook met gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen te bestrijden, dient een dergelijke situatie niet langer aangemerkt te worden als een niet-naleving van de betreffende baselinevoorwaarde. Hiertoe wordt aan artikel 2.12 van de Beleidsregel een nieuw derde lid toegevoegd. Het voorgaande laat onverlet dat ook ter voldoening aan deze wettelijke bestrijdingsplicht de goede gewasbeschermingspraktijken toegepast en de voorschriften die op het etiket staan opgevolgd dienen te worden. Zo zal er bijvoorbeeld bij het gebruik door een niet-professionele gebruiker van een chemisch gewasbeschermingsmiddel dat alleen voor professioneel gebruik is toegelaten, nog steeds sprake zijn van de niet-naleving van één van de andere baselinevoorwaarden welke behoren bij (ANLb-)activiteit 7. Voor een overzicht van de baselinevoorwaarden wordt verwezen naar bijlage 3 van de Beleidsregel.

Deze wijziging treedt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025 in werking. Hiermee wordt aangesloten bij de datum van inwerkingtreding van de hiervoor bedoelde aanpassing van GLMC 4 en 10.

Artikel I, onderdeel E

De wijziging van artikel 3.8 implementeert de wijziging van artikel 22, vijfde lid, van Verordening (EU) 2022/126 middels gedelegeerde Verordening (EU) 2023/330.3 Het maximum voor de uitgaven voor interventies, bedoeld in artikel 50, zevende lid, onderdeel d, van Verordening (EU) 2021/2115 moet worden bezien over de gehele looptijd van het operationeel programma, in plaats van per uitvoeringsjaar.

Artikel I, onderdeel F

De uitvoering van een aantal ANLb-activiteiten dient actief gemeld te worden. Hiertoe zijn in bijlage 2 termijnen opgenomen, waarbij er gepoogd is een balans te vinden tussen enerzijds het stellen van een voor de agrarische collectieven werkbare meldingstermijn en anderzijds de mogelijkheid om de gemelde activiteit nog te kunnen controleren: wordt de melding gedaan na de in de derde kolom van bijlage 2 genoemde datum, dan wordt de subsidie voor de betreffende activiteit verlaagd met 1% per werkdag dat de melding te laat gedaan is. Wordt de melding gedaan ná de in de vierde kolom van bijlage 2 genoemde datum, dan is de betreffende activiteit niet langer subsidiabel aangezien deze niet meer controleerbaar is. De periode tussen de in de derde en vierde kolom van bijlage 2 genoemde data wordt de ‘kortingsperiode’ genoemd. Verwezen wordt naar artikel 2.8, derde en vierde lid, van de onderhavige Beleidsregel.

In de praktijk is gebleken dat bij een aantal activiteiten de controleerbaarheid sterk vermindert als deze laat gemeld worden. Het gaat hierbij vooral om de activiteiten 6 (bemesten met vaste strorijke mest (ruige stalmest) of het gebruik van een bodemverbeteraar), 26 (spuiten van bagger) en 30 (onderwerken bodemverbeteraar). Om het zo snel mogelijk doen van de melding te stimuleren en de controleerbaarheid van deze activiteiten te verbeteren, is besloten de kortingsperiode voor deze drie activiteiten te schrappen. De meldingstermijnen die voor deze activiteiten voorheen in de derde kolom van bijlage 2 waren opgenomen, zijn daartoe verplaatst naar de vierde kolom van die bijlage.

Ten slotte wordt van deze gelegenheid gebruik gemaakt om ook bij ANLb-activiteit 5 de in de derde kolom genoemde termijn te verwijderen. Die termijn is immers identiek aan de termijn die in de vierde kolom is opgenomen, zodat er de facto bij deze activiteit nooit een kortingsperiode is geweest. Deze aanpassing bevordert de duidelijkheid.

Artikel I, onderdeel G

Bijlage 3 van de Beleidsregel bevat de baselinevoorwaarden voor de verschillende ANLb-activiteiten. De wijziging die op grond van Artikel I, onderdeel D, onderdeel 2 wordt doorgevoerd, heeft ook invloed op de formulering van de betreffende baselinevoorwaarde in bijlage 3.

Artikel II

De onderdelen A (met uitzondering van onderdeel 2) en E van artikel I van deze beleidsregel treden in werking met ingang van 1 januari 2026. Hiermee wordt de vaste systematiek van verandermomenten gevolgd.

Onderdeel C, onderdeel 2 werkt terug tot en met 15 mei 2024. Dit onderdeel betreft een versoepeling van de handhaving wanneer het landbouwareaal dat tot het bedrijf van de betreffende deelnemer behoort niet meer dan 10 hectare bedraagt. Bij de beoordeling van de ANLb-betaalverzoeken van 2024 is geanticipeerd op deze versoepeling.

Van Artikel I werken de onderdelen A, onder2, B, onder 1, C, onder 1, D en G terug tot en met 1 januari 2025. De redenen hiervoor worden in de volgende alinea’s toegelicht.

Artikel I, onderdelen A, onder 2 en C, onder 1, zien op de sociale conditionaliteiten. Deze onderdelen worden met terugwerkende kracht ingevoerd tot en met 1 januari 2025, omdat artikel 14 van Verordening (EU) 2021/2115 het uiterlijke tijdstip van invoering van de sociale conditionaliteiten dwingend voorschrijft.

Artikel I, onderdeel B, onderdeel 1 werkt terug tot en met 1 januari 2025 omdat deze wijziging wordt ingegeven door een bevinding van de Europese Commissie. Door deze bepaling met terugwerkende kracht in werking te laten te treden wordt geborgd dat het jaar 2025 conform het Europees recht wordt uitgevoerd.

De in Artikel I, onderdelen D en G voorgestelde aanpassingen van de baselinevoorwaarden van verschillende ANLb-activiteiten zijn een versoepeling ten opzichte van de bestaande baselinevoorwaarden. Het met terugwerkende kracht in werking laten treden van deze onderdelen komt dus ten goede aan de collectieven.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma


X Noot
2

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173 van de Commissie van 31 mei 2022 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

X Noot
3

Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/330 van de Commissie van 22 november 2022 tot wijziging en rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/126 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad met aanvullende eisen voor bepaalde interventietypes die de lidstaten in het kader van die verordening in hun strategisch GLB-plan voor de periode 2023-2027 uitwerken, alsmede regels voor het aandeel in het kader van norm 1 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC)

Naar boven