In de Staatscourant van 2 december 2025, nr. 40257, is het Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 26 november 2025, nummer
WBV 2025/23, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, gepubliceerd.
Onder letter G is in paragraaf B4/4.1 Vc ten onrechte opgenomen dat: ‘Het aantal zeevarenden
mag de minimumbemanning voor dat schip niet overschrijden.’
Deze zin moet komen te luiden:
‘Het aantal zeevarenden mag in beginsel de minimumbemanning voor dat schip niet overschrijden.’
De reden hiervoor is dat de oorspronkelijke tekst in de Vc strenger was dan beoogd
is met de invoering van artikel 3.16c VV.
Vanwege deze aanpassing is ook de bijbehorende toelichting aangepast. Deze toelichting
wordt daarom ook opnieuw opgenomen in deze rectificatie.
De overige subparagrafen van paragraaf B4/4 Vc, zoals die zijn opgenomen in WBV 2025/23
blijven ongewijzigd en worden daarom niet opgenomen in deze rectificatie.
De inwerkingtreding van deze beleidsregels blijft 1 april 2026.
Om deze reden wordt paragraaf B4/4.1 uit artikel I van het besluit ter rectificatie
aangeboden en opnieuw gepubliceerd, evenals de bijbehorende toelichting (ook geldend
voor de overige paragrafen uit onderdeel G, evenals voor onderdeel D).
4.1 Beleidsregels
De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel
3.4, vierde lid, Vb in combinatie met artikel 3.16c VV aan de vreemdeling die in Nederland
wil verblijven om schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van een zeeschip
te verrichten. De verblijfsvergunning is gekoppeld aan één specifiek schip, ook als
de vergunning wordt verlengd. De verblijfsvergunning voor schepelingendienst wordt
alleen verleend aan zeevarenden voor schepelingendienst op schepen die langer dan
90 dagen in de haven liggen. Het aantal zeevarenden mag in beginsel de minimumbemanning
voor dat schip niet overschrijden.
Toelichting
Aan het Voorschrift Vreemdelingen wordt met ingang van 1 april 2026 (Staatscourant 2025, 43026 van 24 december 2025), een regeling toegevoegd in het belang van een nieuwe verblijfsbeperking
voor zeevarenden die in een Nederlandse zeehaven aan boord van een zeeschip schepelingendienst
verrichten. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
van 25 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2818) is duidelijk geworden dat zeevarenden
die deze schepelingendienst langer dan 90 dagen verrichten, over een reguliere verblijfsvergunning
moeten beschikken. De nieuwe toelatingsregeling in artikel 3.16c VV bevat de criteria
voor de afgifte van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan zeevarenden
met het verblijfsdoel ’schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van het
bij de aanvraag opgegeven zeeschip’.
Vanwege deze nieuwe regeling is aan de Vc een nieuwe paragraaf toegevoegd, namelijk
paragraaf B4/4 Vc. In B4/4.1 Vc is onder verwijzing naar artikel 3.16c VV opgenomen
dat het aantal zeevarenden in beginsel de minimumbemanning voor dat schip niet mag
overschrijden.
In paragraaf B4/4.2 Vc is opgenomen wanneer de zeevarende voldoet aan het middelenvereiste,
namelijk als de zeevarende beschikt over een minimum inkomen van $US 690 bruto per
maand.
In paragraaf B4/4.4 Vc is opgenomen, dat de zeevarende middels het overleggen van
een arbeidsovereenkomst aantoont, dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt.
Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting, zoals die is opgenomen
aan het eind van het wijzigingsbesluit, waarmee het VV is aangepast.