Regeling van de Minister van Asiel en Migratie van 22 december 2025, nummer 6908992, tot wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdzevenennegentigste) wijziging)

De Minister van Asiel en Migratie,

Gelet op artikelen 4, eerste, tweede en vierde lid, 24, tweede lid, en 47, eerste lid, onderdeel c, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikelen 2.2, eerste lid, en 3.4, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

Het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 3.16b wordt een nieuw artikel toegevoegd:

Artikel 3.16c

  • 1. Als categorie vreemdelingen, bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het Besluit, zijn aangewezen vreemdelingen met het verblijfsdoel schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip, als bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet nationaliteit zeeschepen.

  • 2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op de vreemdeling, als bedoeld in artikel 4.5, aanhef en onder b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022, die:

    • a. beschikt over een geldige arbeidsovereenkomst, waarmee een bruto inkomen wordt verworven dat ten minste gelijk is aan de standaardbeloning van een volmatroos, zoals bedoeld in Voorschrift 2.2, Leidraad B2.2.4, van het Maritiem arbeidsverdrag, 2006;

    • b. op grond van de arbeidsovereenkomst gedurende het verblijf aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip in een Nederlandse zeehaven recht heeft op kosteloze accommodatie en kosteloos levensonderhoud van de scheepsbeheerder;

    • c. in het bezit is van een geldig monsterboekje dat ten minste in de Engelse taal is gesteld en is afgegeven door of namens de bevoegde autoriteit van het land van herkomst of van een ander land; en

    • d. gedurende zes maanden direct voorafgaande aan de verlening van de verblijfsvergunning in Nederland geen schepelingendienst heeft verricht op basis van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip.

  • 3. Het verblijfsrecht is tijdelijk.

  • 4. De in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn in ieder geval voldoende, indien de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b.

  • 5. De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van de arbeidsovereenkomst en ten hoogste voor de duur van 11 maanden. De verblijfsvergunning is niet verlengbaar na 11 maanden.

B

Artikel 3.34 wordt als volgt gewijzigd:

Onder verlettering van onderdeel u tot onderdeel v, wordt in de tabel na onderdeel t een onderdeel toegevoegd, luidende:

u. ’schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip’

€ 423

Niet van toepassing

C

Artikel 4.1 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel e, wordt ‘voor zover het (...) van het Besluit betreft’ vervangen door ‘voor zover het toezicht betrekking heeft op de naleving van de voorwaarden inzake het beschikken over voldoende duurzame middelen van bestaan als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet, artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet, artikel 21, eerste lid, onder a, van de Wet en artikel 45b, tweede lid, onder c, van de Wet, alsmede op de naleving van de voorwaarden als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van het Besluit, artikel 8.15, vijfde lid, van het Besluit, 8.16, eerste lid, van het Besluit, en op de naleving van de voorwaarden als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;’

D

Bijlage 1, behorend bij artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden als aangegeven in de bijlage bij deze regeling.

ARTIKEL II

  • 1. Deze regeling treedt, met uitzondering van artikel I, onderdelen A en B, in werking met ingang van 1 januari 2026.

  • 2. Artikel I, onderdelen A en B, van deze regeling treden in werking met ingang van 1 april 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 22 december 2025

De Minister van Asiel en Migratie, D.M. van Weel

BIJLAGE 1, BEHOREND BIJ ARTIKEL 2.1, EERSTE LID, ONDERDEEL A, VOORSCHRIFT VREEMDELINGEN 2000

Luchthaven

Luchthavencode

Accra International Airport

ACC

Amman Queen Alia International Airport

AMM

Abu Dhabi International Airport

AUH

Antalya International Airport

AYT

Bahrein International Airport

BAH

Belgrado Nicola Tesla International Airport

BEG

Boryspil International Airport

KBP

Casablanca International Airport

CMN

Cairo International Airport

CAI

Damman- King Fahd International Airport

DMM

Dar Es Salaam International Airport

DAR

Dubai International Airport

DXB

Dubai Al Maktoum International Airport

DWC

Entebbe International Airport

EBB

Guangzhou Baiyun International Airport

CAN

Hong Kong International Airport

HKG

Hamad International Airport

DOH

Istanbul International Airport

IST

Istanbul Sabiha Gökçen International Airport

SAW

Izmir International Airport

ADB

Jeddah King Abdulaziz Airport

JED

Johan Adolf Pengel International Airport

PBM

Johannesburg International Airport

JNB

Kuala Lumpur International Airport

KUL

Konya Airport

KYA

Kuwait International Airport

KWI

Lagos International Airport

LOS

Lungi International Airport

FNA

Marrakesh Menara Airport

RAK

Moskou Sheremetjevo International Airport

SVO

Muscat International Airport

MCT

Nairobi Jomo Kenyatta International Airport

NBO

New Delhi Indira Gandhi International Airport

DEL

Riyadh King Khalid International Airport

RUH

Rafael Núnez International Airport

CTG

Rafik Hariri International Airport

BEY

Roberts International Airport

RBO

Rio de Janeiro Galeao International Airport

GIG

Sao Paulo International Airport

GRU

Singapore Changi International Airport

SIN

Teheran Imam Khomeini International Airport

IKA

TOELICHTING

Algemeen

In deze regeling zijn verschillende wijzigingen samengevoegd.

De eerste wijziging (A) strekt tot aanpassing van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000) ten behoeve van een nieuwe verblijfsbeperking voor zeevarenden die in een Nederlandse zeehaven aan boord van een zeeschip schepelingendienst verrichten.

De tweede wijziging (B) betreft de leges inzake een verblijfsaanvraag voor voornoemd verblijfsdoel.

De derde wijziging (C) betreft de bevoegdheid van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden voor vreemdelingen inzake het beschikken over voldoende duurzame middelen van bestaan. Het tegengaan van migratiefraude, middels het stellen van voorwaarden ten aanzien van het middelenvereiste of deelname aan de arbeidsmarkt, voorkomt dat op frauduleuze wijze verblijfsrecht in Nederland wordt verkregen. Bovendien draagt het eraan bij dat ten onrechte rechten en financiële claims worden opgebouwd. Niet alleen vanuit migratieperspectief, maar ook vanuit het belang van de Nederlandse samenleving is het tegengaan van deze vorm van migratiefraude daarom van belang.

Sinds 1 maart 2025 wordt door ambtenaren van de directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap en de directie Dienstverlenen van de IND toezicht gehouden op de naleving van artikel 3.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), specifiek de voorwaarde dat de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, het zogenaamde middelenvereiste (zie de regeling van de Minister van Asiel en Migratie van 24 februari 2025, nummer 6188324, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, honderddrieënnegentigste wijziging waarbij de bevoegdheid van de Nederlandse Arbeidsinspectie is overgeheveld naar de IND). De bevoegdheid van de IND om toezicht te houden is momenteel echter beperkt tot de naleving van de voorwaarden in het kader van reguliere gezinshereniging.

In het kader van de handhaving op dit vereiste en het voorkomen dat op frauduleuze wijze verblijfsrecht in Nederland wordt verkregen is het echter wenselijk dat de IND ook in andere procedures de bevoegdheid heeft om toezicht te houden op het voldoen aan het middelenvereiste door de vreemdeling dan wel de voorwaarden die zien op deelname aan de arbeidsmarkt door de vreemdeling. Met de onderhavige wijziging wordt daarom beoogd om de bevoegdheid van de IND op het houden van toezicht uit te breiden, zodat door de IND ook toezicht kan worden gehouden op het vereiste van middelen van bestaan en deelname aan de arbeidsmarkt in andere vreemdelingrechtelijke procedures dan die van reguliere gezinshereniging.

Voor deze toezichttaak zijn ambtenaren van de IND als toezichthouder in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht) aangewezen. Deze ambtenaren kunnen gebruikmaken van de bevoegdheden die hun bij de Algemene wet bestuursrecht als toezichthouder zijn toegekend (artikel 5:15 tot en met 5:19). Het gaat hierbij om bevoegdheden als: het betreden van elke plaats (met uitzondering van een woning) en het vorderen van inlichtingen, identiteitsbewijzen en van zakelijke gegevens en bescheiden (van bedrijven). ‘Toezicht vanachter het bureau’ blijft echter het primaire uitgangspunt bij de uitvoering van het toezicht op vreemdelingen door de IND. Samenwerking met andere overheidsdiensten staat daarbij centraal. Indien dit echter onvoldoende informatie geeft, kan een werkplekcontrole plaatsvinden bij de werkgever van de vreemdeling.

Tot slot betreft de vierde wijziging (D) een wijziging van bijlage 1, behorend bij artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, VV 2000 in verband met het bijwerken van de lijst met luchthavens ten aanzien waarvan voor luchtvaartmaatschappijen een afschriftplicht geldt.

De inwerkingtreding van de wijzigingen vindt op verschillende tijdstippen plaats.

Voor een toelichting per wijziging wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdelen A en B

Deze regeling strekt tot aanpassing van het VV 2000 in het belang van een nieuwe verblijfsbeperking voor zeevarenden die in een Nederlandse zeehaven aan boord van een zeeschip schepelingendienst verrichten. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 november 20201 is duidelijk geworden dat zeevarenden die deze schepelingendienst langer dan 90 dagen verrichten, over een reguliere verblijfsvergunning dienen te beschikken. Thans ontbreekt hiervoor een toepasselijke verblijfsbeperking. Met deze regeling wordt hierin alsnog voorzien.

Een toelatingsregeling voor zeevarenden betekent dat werkgevers minder vaak de zeevarenden van zeeschepen hoeven te wisselen. Zonder een toelatingsregeling zullen zeevarenden steeds om de 90 dagen gewisseld moeten worden. Dit kan voor rederijen aanleiding zijn om uit te willen wijken naar zeehavens in andere lidstaten die een dergelijke toelatingsregeling wel hebben. Het uitblijven van een toelatingsregeling zal daarom aanzienlijke (financiële) gevolgen voor de maritieme sector kunnen hebben. Het wezenlijk economisch Nederlands belang bij behoud van de maritieme sector is redengevend voor deze regeling.

Inleiding

De nieuwe toelatingsregeling in artikel 3.16c VV 2000 bevat de criteria voor de afgifte van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan zeevarenden met het verblijfsdoel ’schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip’. Schepelingendienst bestaat uit de dagelijkse zorg voor het schip en de bemanning, waarvoor altijd een minimum bemanning aan boord aanwezig moet zijn.2 Daarnaast bevat deze regeling een aanpassing van de tabel in artikel 3.34 VV 2000 in verband met de leges voor de indiening en behandeling van de verblijfsaanvraag. Hierna zal eerst nader worden stilgestaan bij het doel en de noodzaak van deze regeling. Vervolgens zal worden ingegaan op de verscheidene criteria waaraan voldaan moet zijn om in aanmerking te komen voor de reguliere verblijfsvergunning alsmede op het bijbehorende legesbedrag. Tot slot wordt een toelichting gegeven op het aspect financiële gevolgen en op de datum van inwerkingtreding van deze regeling.

Doel en noodzaak van de toelatingsregeling

Met deze regeling wordt voorzien in een nieuwe verblijfsbeperking voor zeevarenden. Het gaat hierbij om zeevarenden afkomstig uit een derde land die in een Nederlandse zeehaven aan boord van een zeeschip voor een periode van langer dan 90 dagen schepelingendienst verrichten. Deze verblijfsbeperking houdt verband met voornoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 25 november 2020.

In de zaak die tot deze Afdelingsuitspraak leidde, heeft de Afdeling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag voorgelegd. Bij arrest van 5 februari 2020 heeft het Hof deze vraag beantwoord3, waarna de Afdeling op 25 november 2020 einduitspraak heeft gedaan. Deze zaak ging om zeevarenden die via een Nederlandse luchthaven het Schengengebied inreisden en direct daarna doorreisden naar een Nederlandse zeehaven om schepelingendienst te verrichten. Om aan boord van het zeeschip te kunnen komen, dienden zij de grensdoorlaatpost van de Zeehavenpolitie Rotterdam te passeren. In deze gevallen plaatste de Zeehavenpolitie een uitreisstempel in de paspoorten van de zeevarenden, ongeacht of het zeeschip op korte termijn zou uitvaren en de zeevarenden daarmee de buitengrens van het Schengengebied daadwerkelijk zouden overschrijden. Met de Afdelingsuitspraak is duidelijk geworden dat deze uitvoeringspraktijk niet voldoet aan de Schengengrenscode. Een uitreisstempel mag pas worden aangebracht wanneer het vertrek van het zeeschip aanstaande is.

Als gevolg van deze uitspraak dienen deze zeevarenden zolang het vertrek van het zeeschip niet aanstaande is, voor de duur van het verblijf aan boord van het zeeschip in de Nederlandse zeehaven te beschikken over een verblijfstitel. Het overgrote deel van de zeevarenden vertrekt binnen 90 dagen na binnenkomst uit de Nederlandse zeehavens. Het visum voor kort verblijf waarmee zij naar Nederland zijn afgereisd, biedt aan hen reeds een toereikende grondslag voor het vereiste rechtmatig verblijf gedurende de periode dat zij zich aan boord van het zeeschip in de Nederlandse zeehaven bevinden.

Een kleiner deel – naar schatting enkele honderden zeevarenden op jaarbasis – beoogt een langer verblijf dan 90 dagen aan boord van het zeeschip in de Nederlandse zeehaven. Zij worden ingevlogen voor een langdurige schepelingendienst in de Nederlandse zeehaven, bijvoorbeeld omdat het betreffende zeeschip wacht op een nieuwe opdracht dan wel grootscheeps gerenoveerd wordt op een Nederlandse werf. Nu zij lang verblijf beogen en daardoor niet in aanmerking komen voor een visum voor kort verblijf, dienen zij te beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf ten behoeve van de reis naar Nederland en over een reguliere verblijfsvergunning gedurende het verblijf in de Nederlandse zeehaven. De huidige verblijfsbeperkingen, als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, Vb 2000, zijn niet van toepassing op het verblijfsdoel van de zeevarenden. Zo is bij voorbeeld de verblijfsbeperking ‘arbeid in loondienst’ voor de zeevarenden niet geëigend omdat hun (feitelijk) werkgever in het algemeen een in het buitenland gevestigde wervings- en arbeidsbemiddelingsdienst voor zeevarenden is. Hierdoor ontbreekt in Nederland een referent4, zodat zij niet kunnen voldoen aan de voorwaarde, zoals neergelegd in artikel 16, eerste lid, onder k, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), van het moeten overleggen van een verklaring van een referent, als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, Vw 2000. Bovendien leent deze verblijfsbeperking zich niet voor de zeevarenden omdat zij niet tot de Nederlandse arbeidsmarkt behoren.5 Er wordt daarom reden gezien om gebruik te maken van de grondslag in artikel 3.4, vierde lid, Vb 2000 door in het VV 2000 een nieuwe categorie vreemdelingen aan te wijzen waarvoor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een andere beperking kan worden verleend.

Deze aanwijzing wordt gerechtvaardigd door een wezenlijk economisch Nederlands belang. De uitspraak van de Afdeling heeft directe gevolgen voor de maritieme sector in Nederland. Zonder een toelatingsregeling voor zeevarenden die voor langere duur schepelingendienst verrichten, zullen rederijen vaker zeevarenden moeten (laten) wisselen. Dit betekent extra financiële en administratieve lasten voor rederijen en werkgevers. Hierdoor worden Nederlandse zeehavens minder aantrekkelijk voor lang liggende zeeschepen. Het risico is aanwezig dat rederijen daarom uitwijken naar andere zeehavens binnen de Unie of daarbuiten, waar zeevarenden wel langdurig mogen verblijven voor het verrichten van schepelingendienst. Het is lastig om in te schatten hoeveel werk hierdoor zou worden misgelopen. De maritieme sector in Nederland bestaat uit een omzet van circa 14 miljard Euro met een toegevoegde (directe en indirecte) waarde van circa 15,6 miljard Euro alsmede een (directe en indirecte) werkgelegenheid van ruim 164.000 personen. De maritieme sector schat het financiële verlies bij het uitblijven van een toelatingsregeling op honderden miljoenen Euro’s. Mede gelet hierop hebben de ministeries Asiel en Migratie, Economische Zaken, Infrastructuur en Waterstaat, Defensie, Financiën en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp tezamen met de maritieme sector de sectoragenda Maritieme Maakindustrie (hierna: MMI) opgesteld. Het doel hiervan is om te komen tot een integraal beleid voor het behoud van de maritieme sector alsmede tot het versterken en beschermen van regionale scheepsbouwclusters in Nederland. Deze regeling vloeit voort uit de sectoragenda MMI.

Doelgroep zeevarenden

Niet iedere vreemdeling die in Nederlandse zeehavens werkzaam is, valt onder de nieuwe verblijfsbeperking van artikel 3.16c VV 2000. Het moet in de eerste plaats gaan om een vreemdeling die in een Nederlandse zeehaven schepelingendienst verricht. Onder schepelingendienst wordt verstaan de dagelijkse zorg voor het schip en de bemanning, waarvoor altijd een minimum bemanning aan boord aanwezig moet zijn. Gelet hierop kan het aantal vreemdelingen uit derde landen aan wie in verband met het verrichten van schepelingendienst aan boord van een zeeschip een verblijfsvergunning onder de nieuwe toelatingsregeling wordt verleend, in beginsel niet boven de minimum bemanning van dat zeeschip uitkomen. De term schepelingendienst heeft dezelfde betekenis als de gelijkluidende term in artikel 4.5, aanhef en onder b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 (hierna: BuWav 2022). Uit deze bepaling volgt dat het verbod van artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) niet van toepassing is met betrekking tot vreemdelingen voor wie -onder meer- geldt dat zij als lid van de bemanning schepelingendienst verrichten aan boord van een zeeschip.6 Schepelingendienst onderscheidt zich van het groot onderhoud, de renovatie of de bouw van schepen. Dit zijn namelijk werkzaamheden die doorgaans door personeel van werven of andere bedrijven worden uitgevoerd. De zeevarenden die onder de nieuwe verblijfsbeperking vallen, voeren deze werkzaamheden niet uit. Voor het groot onderhoud, de renovatie of de bouw van schepen is de nieuwe toelatingsregeling daarom niet bedoeld. Dit betekent ook dat het de zeevarenden die onder de nieuwe toelatingsregeling vallen, niet is toegestaan dit soort werkzaamheden uit te voeren. Hierbij is van belang dat indien rederijen vreemdelingen uit derde landen voor dit soort werkzaamheden wensen in te zetten, het verbod van artikel 2 Wav van toepassing is. Vanwege dit verbod zullen werkgevers derhalve moeten beschikken over een vereiste tewerkstellingsvergunning, dan wel moeten de vreemdelingen beschikken over een vereiste gecombineerde vergunning voor die werkzaamheden. Gelet hierop is met de verwijzing in de aanhef van artikel 16c, tweede lid, naar artikel 4.5, aanhef en onder b, BuWav 2022 beoogd duidelijk te maken dat de nieuwe verblijfsbeperking uitsluitend bedoeld is voor zeevarenden die als lid van de bemanning aan boord van een zeeschip schepelingendienst verrichten.

Een tweede afbakening ligt in het criterium van een zeeschip als bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet nationaliteit zeeschepen (hierna: Rnz). De nieuwe toelatingsregeling houdt verband met het wezenlijk Nederlands belang bij de mogelijkheid dat zeevarenden voor een langere periode aan boord van zeeschepen schepelingendienst kunnen uitvoeren. Voor de definitie van zeeschip wordt aansluiting gezocht bij de Rijkswet nationaliteit zeeschepen die een zeeschip definieert als elke zaak, geen luchtvaartuig zijnde, die blijkens zijn constructie bestemd is om in zee te drijven en in zee drijft of heeft gedreven. Vreemdelingen die werkzaamheden uitvoeren aan boord van andere schepen, die niet onder deze definitie van zeeschip vallen, komen derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de nieuwe verblijfsbeperking. De verwijzing in artikel 3.16c, eerste lid, VV 2000 naar artikel 1 Rnz is er om dit duidelijk te maken. Hierbij is het nadrukkelijk niet de bedoeling dat een zeevarende op meerdere zeeschepen wordt ingezet om schepelingendienst te verrichten. De verblijfsvergunning is daarom gebonden aan een specifiek zeeschip in een Nederlandse zeehaven, zoals dat is opgegeven bij de aanvraag.

Tot slot moeten onderhavige zeevarenden worden onderscheiden van twee andere categorieën zeevarenden die eveneens op zeeschepen in Nederlandse zeehavens schepelingendienst verrichten. De eerste van deze categorieën is hierboven al genoemd en betreft zeevarenden die Nederland met een visum voor kort verblijf inreizen en op basis van dit visum voor ten hoogste 90 dagen aan boord van het zeeschip in de Nederlandse zeehaven verblijven. Zij behoeven geen reguliere verblijfsvergunning voor het verrichten van schepelingendienst en vallen daarom niet onder de nieuwe verblijfsbeperking. De tweede categorie betreft zeevarenden die met het zeeschip de Nederlandse zeehaven zijn binnengevaren en aan boord van het schip blijven. Ingevolge de Schengengrenscode worden zij niet onderworpen aan (systematische) grenscontrole aan de grensdoorlaatpost van de Zeehavenpolitie. Gelet op voornoemde Afdelingsuitspraak is het dan ook niet nodig om voor hen te voorzien in een nieuwe verblijfsbeperking voor een reguliere verblijfsvergunning gedurende hun verblijf in de Nederlandse zeehaven.

Middelenvereiste

Uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 volgt dat een vreemdeling die in aanmerking wenst te komen voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, zelfstandig en duurzaam dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Het doel van het middelenvereiste is om vast te stellen dat vreemdelingen over voldoende middelen van bestaan beschikken en daarom geen beroep op een bijstandsuitkering zullen doen. De middelen van bestaan zijn in ieder geval voldoende indien die ten minste gelijk zijn aan het minimumloon, als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.7 Per 1 januari 2025 bedraagt het minimumloon € 2.191,80 per maand. Voor alleenstaande vreemdelingen geldt dat hun middelen van bestaan ten minste gelijk moeten zijn aan 70 procent van het minimumloon.8 De maandelijkse beloning van onderhavige zeevarenden bedraagt ten minste $ 673,– en ligt daarmee beduidend lager dan de nationale norm op basis van het wettelijk minimumloon. Desondanks wordt voor de specifieke doelgroep van onderhavige zeevarenden aanleiding gezien om de beloning van tenminste $ 673,– per maand voldoende te achten in relatie tot het middelenvereiste. Hierbij is van belang dat dit bedrag gelijk is aan de internationale minimum beloning voor schepelingendienst aan boord van een zeeschip die overeenkomstig het ook door Nederland geratificeerde Maritiem arbeidsverdrag, 2006 gebaseerd is op de norm van de ‘International Labour Organisation’.9 Voorts weegt in dit kader mee dat het in deze sector gebruikelijk is om zeevarenden aan boord van een zeeschip te voorzien in kosteloze accommodatie en kosteloos levensonderhoud. Gelet hierop mag worden aangenomen dat ook de zeevarende met een beloning van $ 673,– in staat moet worden geacht om in zijn levensonderhoud te voorzien. Dit betekent ook dat de kans als gering wordt ingeschat dat een zeevarende een aanvullend beroep op de bijstand zal willen doen. Daarbij is er zo goed als geen risico dat een zeevarende daadwerkelijk aanspraak kan maken op de bijstand, reeds omdat die niet staat ingeschreven in de Basisregistratie personen en daardoor niet kan beschikken over het vereiste hoofdverblijf in Nederland.

De IND toetst aan de hand van de arbeidsovereenkomst of de vreemdeling voldoet aan het middelenvereiste. Om veilig te stellen dat zeevarenden aan wie een verblijfsvergunning onder de nieuwe toelatingsregeling wordt verleend, daadwerkelijk in staat kunnen worden geacht om in hun levensonderhoud te voorzien, wordt, gelet op het voorgaande, in artikel 3.16c, tweede lid, onder a, VV 2000 als voorwaarde neergelegd dat de zeevarende dient te beschikken over een geldige arbeidsovereenkomst, op grond waarvan hij voor de schepelingendienst recht heeft op een beloning die ten minste gelijk is aan de minimumbeloning overeenkomstig het Maritiem arbeidsverdrag, 2006. Daarnaast regelt het tweede lid, onder b, van artikel 3.16c VV 2000 dat de zeevarende op grond van de arbeidsovereenkomst gedurende het verblijf aan boord van het zeeschip in de Nederlandse zeehaven recht heeft op kosteloze accommodatie en kosteloos levensonderhoud van de scheepsbeheerder.

De nieuwe toelatingsregeling is nadrukkelijk niet bedoeld voor de gevallen dat de scheepsbeheerder voor ogen heeft om de zeevarenden, in plaats van aan boord van het zeeschip, aan wal te doen huisvesten. Deze zeevarenden komen niet in aanmerking voor de verblijfsvergunning onder de nieuwe verblijfsbeperking. Dit is in artikel 3.16c, tweede lid, onder b, VV 2000 duidelijk gemaakt middels de voorwaarde dat de zeevarende aan boord van het zeeschip kosteloze accommodatie moet hebben. De maritieme sector laat echter weten dat het soms nodig kan zijn om de zeevarenden tijdelijk en voor korte duur aan wal onder te brengen in verband met bijvoorbeeld de reparatie aan de kajuiten aan boord van het zeeschip waarin zij verblijven. Het gaat hier om uitzonderlijke omstandigheden die hooguit enkele weken duren en maken dat de zeevarenden tijdelijk niet aan boord van het zeeschip kunnen verblijven. Deze omstandigheden hoeven derhalve niet in de weg te staan aan de verlening van de verblijfsvergunning, mits die gepaard blijven gaan met kosteloze accommodatie en kosteloos levensonderhoud voor de betreffende zeevarenden.

Monsterboekje

Een zeevarende moet over bepaalde vaardigheden beschikken om schepelingendienst aan boord van een zeeschip uit te kunnen voeren. De vreemdeling die in aanmerking wenst te komen voor de verblijfsvergunning onder de nieuwe toelatingsregeling zal derhalve moeten aantonen dat hij als zeevarende over de voor de schepelingendienst benodigde vaardigheden beschikt. In de (internationale) maritieme sector is het gebruikelijk om opleiding en werkervaring van een zeevarende vast te leggen in het zogenaamde monsterboekje. Gelet hierop dient de zeevarende zijn verblijfsaanvraag te onderbouwen met diens monsterboekje als bewijsmiddel van geschiktheid voor het verrichten van de beoogde schepelingendienst. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 35, tweede lid, van de Wet zeevarende zal het hierbij moeten gaan om een geldig monsterboekje dat ten minste in de Engelse taal is gesteld en is afgegeven door of namens de bevoegde autoriteit van het land van herkomst of van een ander land. Hiertoe dient artikel 3.16c, tweede lid, onder c, van de nieuwe toelatingsregeling.

Tijdelijk verblijfsrecht

Zoals hierboven is toegelicht, dient de zeevarende tijdens zijn verblijf in de zeehaven aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip te verblijven en mag hij niet aan wal gehuisvest worden. Het is dan niet passend als de zeevarende zijn gezinsleden zou laten overkomen. Zij beschikken namelijk niet over een accommodatie aan boord van het zeeschip en zouden op het grondgebied van Nederland moeten verblijven. De zeevarende kan op basis van zijn beloning bovendien niet in staat worden geacht om te voorzien in het verblijf van zijn gezinsleden op het grondgebied en in hun levensonderhoud. Dit betekent dat de overkomst van gezinsleden gepaard zou gaan met een risico op een beroep op de bijstand. Gezinsleden van de zeevarende komen daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de verblijfsbeperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’. Hiertoe dient het derde lid van artikel 3.16c VV 2000, waarin is neergelegd dat het verblijfsrecht van de zeevarende tijdelijk van aard is.

Geen verlengingsmogelijkheid

Voorts kan de verblijfsvergunning aan de zeevarende voor ten hoogste 11 maanden worden verleend, zonder de mogelijkheid van verlenging na 11 maanden. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de in het Maritiem arbeidsverdrag, 2006 geregelde maximumduur van tijdvakken van dienst aan boord waarna een zeevarende recht heeft op repatriëring.10 De zeevarende die in Nederland op basis van een verblijfsvergunning schepelingendienst verricht, zal dat dus voor een maximale periode van 11 maanden mogen doen en daarna als lid van de bemanning vervangen moeten worden. Het is hiermee niet verenigbaar dat de verblijfsvergunning na het verstrijken van deze maximumperiode van 11 maanden verlengd zou kunnen worden. In het vijfde lid van artikel 3.16c VV 2000 is daarom neergelegd dat de verblijfsvergunning niet verlengbaar is na 11 maanden.

Eerder schepelingendienst

In het verlengde van voornoemd belang bij het tijdelijke karakter van het verblijfsrecht van een zeevarende alsmede het belang bij het onthouden van een verlengingsmogelijkheid ligt dat de zeevarende tenminste een kortstondige periode buiten Nederland moet hebben verbleven alvorens opnieuw in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning onder dezelfde beperking. Voorkomen moet worden dat zeevarenden middels een nieuwe verblijfsaanvraag bij de inwilliging daarvan in staat zijn om aansluitend op dan wel korte tijd na het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning opnieuw voor ten hoogste 11 maanden in Nederland schepelingendienst te kunnen verrichten. Hierdoor kan onduidelijkheid ontstaan over het tijdelijke karakter van het verblijfsrecht, hetgeen niet gewenst is. Daarnaast kan onduidelijkheid ontstaan over de vraag of een zeevarende nog altijd zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd wanneer die op voornoemde wijze in feite de duur van het verblijf in Nederland kan blijven verlengen. Dit is met name van belang voor het eerder in het kader van het middelenvereiste genoemde risico van een beroep op de bijstand, dat als gering kan worden ingeschat mede omdat de zeevarende niet beschikt over een hoofdverblijf in Nederland. Om te bewerkstelligen dat een zeevarende niet direct of kort na elkaar opvolgende verblijfsvergunningen kan verkrijgen, is in artikel 3.16c, tweede lid, onder d, VV 2000 als toelatingsvoorwaarde opgenomen dat de zeevarende direct voorafgaande aan de verlening van de verblijfsvergunning gedurende zes maanden in Nederland geen schepelingendienst mag hebben verricht op basis van een verblijfsvergunning onder de beperking schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip. Hierbij geldt, zoals hiervoor is toegelicht, dat de verblijfsvergunning recht geeft om op slechts één zeeschip in de Nederlandse zeehaven schepelingendienst te verrichten.

Leges

Het legestarief dat moet worden betaald voor de behandeling van de verblijfsaanvraag sluit aan bij het legeshuis van de IND. Sinds 2018 is ervoor gekozen om de tarieven bij reguliere verblijfsdoelen gelijk te stellen met het tarief van 1x, 3x of 5x de kosten van een ID-kaart. De leges die de zeevarenden moeten betalen voor hun verblijfsaanvraag zijn gelijk aan die voor een verblijfsaanvraag in verband met arbeid in loondienst, omdat het om vergelijkbare verblijfsbeperkingen gaat.

In de tabel in artikel 3.34 VV 2000 is onder u het legesbedrag opgenomen voor de aanvrager van het verblijfsdoel ‘schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip’. Dit bedrag bedraagt € 423,–.

Financiële gevolgen

De nieuwe toelatingsregeling zal betrekking hebben op enkele honderden zeevarenden op jaarbasis. De gevolgen hiervan voor de uitvoering (IND) zijn middels een uitvoeringstoets in kaart gebracht. In het maximale scenario (1.500 aanvragen) is er in het eerste jaar na implementatie naar verwachting 6 extra FTE benodigd.

Daarnaast is van belang dat bij uitblijven van een toelatingsregeling de zeevarenden in Nederlandse zeehavens niet langer dan 90 dagen mogen verblijven. Hierdoor zullen werkgevers vaker – maximaal om de 90 dagen – zeevarenden moeten wisselen aan boord van een zeeschip. Dit betekent extra financiële en administratieve lasten. Het risico bestaat dat rederijen hun schepen daarom laten uitwijken naar andere havens binnen of buiten de Europese Unie waar zeevarenden wel voor langere periodes schepelingendienst mogen verrichten. Dit heeft aanzienlijke negatieve gevolgen voor de Nederlandse maritieme sector, zoals hierboven is toegelicht in de paragraaf over doel en noodzaak van de toelatingsregeling.

Monitoring en handhaving

Hoewel een zeevarende pas in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder de nieuwe toelatingsregeling wanneer aantoonbaar aan alle toelatingsvoorwaarden is voldaan, is niet uitgesloten dat in de praktijk misbruik van de toelatingsregeling wordt gemaakt. Om dit risico zoveel mogelijk te beperken, zal de IND het gebruik van de regeling monitoren en hiertoe bijhouden hoeveel zeevarenden op welke zeeschepen gedurende welke periode verblijven. Signalen van mogelijk misbruik zal de IND doorgeven aan de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: NLA). Ook kan de IND naar aanleiding van deze signalen een onderzoek starten en, waar mogelijk, overgaan tot weigering of intrekking van de verblijfsvergunning. Daarnaast is de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd in Nederlandse havens te controleren op de voorwaarden van het Maritiem Arbeidsverdrag. Bij geconstateerde misstanden zal vervolgens de vlaggenstaat hierover worden geïnformeerd, zodat het betreffende land verdere maatregelen kan nemen. Voorts houdt de NLA toezicht op de naleving van bepalingen in de Wet arbeid vreemdelingen. Bij vermoedens dat de zeevarenden andere arbeid dan schepelingendienst verrichten, zal de NLA onderzoek kunnen doen en zo nodig handhavend optreden. Voor wat betreft de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden aan boord van een zeeschip dat onder buitenlandse vlag vaart, geldt dat deze omstandigheden onder de interne aangelegenheden van het schip vallen. Het is aan de vlaggenstaat om, indien nodig, hierop te handhaven.

Onderdeel C

Aan de grondslag van de onderhavige wijziging ligt dat artikel 47 Vw 2000 de aangewezen ambtenaren in zijn algemeenheid belast met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften omtrent vreemdelingen. In artikel 4.1 van het VV 2000, is gebruikgemaakt van de in artikel 47 Vw 2000 gegeven mogelijkheid om ambtenaren aan te wijzen die toezicht gaan uitoefenen op de wettelijke verplichtingen van vreemdelingen.

In artikel 4.1 VV 2000 komt de verwijzing naar artikel 3.22 Vb 2000 te vervallen. Het beperkt onnodig het toezicht op het middelenvereiste tot procedures die zien op het verlenen van een verblijfvergunning als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van het Besluit en kent geen mogelijkheid tot toezicht op het vereiste van deelname aan de arbeidsmarkt. Dit artikel heeft namelijk uitsluitend betrekking op de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als familie- en gezinslid.

Teneinde de systematiek van artikel 4.1 VV 2000 consequent toe te passen is ervoor gekozen om niet langer de beperking van de bevoegdheid tot het voldoen aan het middelenvereiste door de vreemdeling dan wel de voorwaarden die zien op deelname aan de arbeidsmarkt door de vreemdeling in het eerste lid op te nemen. Daarvoor in de plaats worden de bepalingen opgenomen die zien op de voorwaarden ten aanzien van het middelenvereiste of deelname aan de arbeidsmarkt, zodat er door de ambtenaren van de directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap en de directie Dienstverlenen van de IND in een breder verband toezicht kan worden gehouden op het vereiste van middelen van bestaan en deelname aan de arbeidsmarkt.

In algemene zin geldt het middelenvereiste als voorwaarde bij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (artikel 16, eerste lid, onder c, Vw 2000), maar ook bij de aanvraag van een verlenging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (artikel 18, eerste lid, onder d, Vw 2000) en de aanvraag van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (artikel 21, eerste lid, onder a, Vw 2000), alsmede de aanvraag van een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen (artikel 45b, tweede lid, onder c, Vw 2000).

Bovengenoemde verblijfsvergunningen worden verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan (artikel 14, derde lid, Vw 2000). Het middelenvereiste wordt voor deze verschillende verblijfsdoelen nader uitgewerkt in de relevante artikelen van het Vreemdelingenbesluit. Middels deze wijziging wordt beoogd de IND-toezichthouder in algemene zin de bevoegdheid te verlenen om toezicht te houden op het voldoen aan het middelenvereiste door de vreemdeling zonder naar de relevante artikelen van het Vreemdelingenbesluit te verwijzen.

Daarnaast wordt een verwijzing gemaakt naar de artikelen van Hoofdstuk 8, paragraaf 2, van het Vreemdelingenbesluit (artikelen 8.12, eerste lid, 8.15, vijfde lid, en 8.16, eerste lid, Vb 2000), waarin het voldoen aan het middelenvereiste wordt opgeworpen als voorwaarde voor rechtmatig verblijf van vreemdelingen in Nederland. Naast de voorwaarde van het voldoen aan het middelenvereiste door de vreemdeling behelzen deze bepalingen ook aparte en zelfstandige voorwaarden die zien op het daadwerkelijk zijn van werknemer of zelfstandige (en dus deelname aan de arbeidsmarkt). Om als werknemer of zelfstandige te kunnen worden aangemerkt, moet een persoon reële en daadwerkelijke arbeid verrichten. Toezicht op deze daadwerkelijke en feitelijke arbeid is in het kader van migratiefraude van groot belang en wordt middels deze bepaling mogelijk gemaakt voor de ambtenaren van de IND. Het zijn van een tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer die reële, daadwerkelijke en legale arbeid verricht vormt tevens een voorwaarde om in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht op grond van artikel 6 of 7 Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije, daarom voorziet de onderhavige wijziging in het verlenen van de bevoegdheid aan de IND om toezicht te houden op deze voorwaarde.

Tot slot sluit de onderhavige wijziging aan bij de bredere doelstelling van toezicht door de IND op het bestaan van een daadwerkelijk dienstverband, hetgeen onder meer van betekenis is in het kader van artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). In de belangenafweging wordt het economisch belang meegenomen, waarbij het bestaan van een daadwerkelijke arbeidsovereenkomst en het daadwerkelijk verrichten van arbeid een wezenlijk onderdeel van de afweging kan zijn.

Onderdeel D

Volgens artikel 2.2, eerste lid, Vb 2000 is de vervoerder die een vreemdeling naar Nederland brengt – rechtstreeks of via een transfer of transit – verplicht een afschrift te maken van het document dat de vreemdeling nodig heeft voor grensoverschrijding. Deze verplichting geldt wanneer de vlucht vertrekt vanaf een luchthaven die bij ministeriële regeling is aangewezen.

Op grond van het voorgaande is in bijlage 1 bij artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, VV 2000 een lijst opgenomen van luchthavens waarvoor de hiervoor genoemde afschriftplicht geldt voor luchtvaartmaatschappijen. Alle vervoerders die vanaf de aangewezen luchthavens naar Nederland vliegen, dienen afschriften te maken van de documenten voor grensoverschrijding van de passagiers die zij vervoeren die niet in het bezit zijn van een Nederlands paspoort. Deze afschriften bewaren zij voor een periode van zes maanden. Het doel van de afschriftplicht is het terugdringen van illegale migratie.

De lijst van afschriftplichtige luchthavens wordt ieder halfjaar bijgewerkt door de volgende criteria toe te passen op de gegevens ten aanzien van illegale migratie van het afgelopen half jaar:

  • het hanteren van een ondergrens van vijf aangevoerde ongedocumenteerden per half jaar per luchthaven;

  • het betrekken van historische gegevens met betrekking tot de aanvoer van ongedocumenteerden;

  • het in overweging nemen van overige (trend)informatie over bepaalde luchthavens;

  • het doel van preventie.

De gegevens van januari tot en met juli 2025 hebben geleid tot een aangepaste lijst van 41 afschriftplichtige luchthavens. In totaal blijven 41 luchthavens op de lijst gehandhaafd. De luchthaven van Tirana wordt van de lijst gehaald, aangezien daar de afgelopen periode geen aankomsten van ongedocumenteerde passagiers zijn geconstateerd. Er worden geen luchthavens aan de lijst toegevoegd.

Artikel II

Onderdeel 1

Artikel I, onderdelen C en D, van deze regeling treden in werking met ingang van 1 januari 2026. Dit is het eerstvolgende vaste verandermoment. Dat betekent dat de invoeringstermijn van onderdeel C inzake het toezicht door de IND minder bedraagt dan twee maanden. Deze uitzondering is toegestaan omdat het reparatieregelgeving betreft (Aanwijzing 4.17, vijfde lid, onder c, van de Aanwijzingen voor de regelgeving).

Onderdeel 2

Na publicatie in de Staatscourant zal artikel 1, onderdelen A en B, in werking treden met ingang van 1 april 2026. Vanaf 1 april 2026 kunnen vreemdelingen in aanmerking komen voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ’schepelingendienst als lid van de bemanning aan boord van het bij de aanvraag opgegeven zeeschip’.

De Minister van Asiel en Migratie, D.M. van Weel


X Noot
1

AbRS 25 november 2020, 201704925/2/V2, 201704935/2/V2, 201704940/2/V2 en 201704941/2/V2, ECLI:NL:RVS:2020:2818.

X Noot
2

De term schepelingendienst komt overeen met de gelijkluidende term in artikel 4.5, aanhef en onder b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022.

X Noot
3

EU HvJ 5 februari 2020, C-341/18, ECLI:EU:C:2020:76.

X Noot
4

Dit betekent ook dat de verplichtingen van de referent volgend uit de Wet Modern Migratiebeleid, zoals de administratieplicht, niet van toepassing zijn op de in het buitenland gevestigde (feitelijk) werkgever van de zeevarenden.

X Noot
5

De Wet arbeid vreemdelingen is op hen niet van toepassing. Dit geldt ook voor de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Daarnaast vallen de zeevarenden niet onder het Nederlandse belasting- en socialezekerheidsstelsel.

X Noot
6

Het is hun werkgever derhalve niet verboden om hen in Nederland arbeid laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden bij die werkgever.

X Noot
7

Zie artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb 2000 voor de overige voorwaarden waar middelen van bestaan aan moeten voldoen om voldoende te kunnen worden geacht.

X Noot
8

Artikel 3.19, eerste lid, VV 2000.

X Noot
9

Het gaat hier om de standaardbeloning van een volmatroos, zoals bedoeld in Voorschrift 2.2, Leidraad B2.2.4, van het Maritiem arbeidsverdrag, 2006.

X Noot
10

Zie Norm A2.5.1, onder 2, sub b, van Voorschrift 2.5 van De Voorschriften en de Code, Maritiem arbeidsverdrag 2006.

Naar boven